Tagarchief: geheugen en astraallijf

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geheugen (3)

.
Een functie van het astraallijf

We kwamen er in de vorige artikelen achter dat Steiner herinneren ziet als een ‘lezen van het etherlijf door het astraallijf’.
Gebeurtenissen, waarnemingen die bij ons ‘binnen’komen – of we daar een bewust aandeel in hebben of niet – maken een indruk op ons – we gebruiken heel vaak het woord ‘indrukwekkend(e)’.
Als Steiner het woord ‘lezen’ gebruikt, denken we misschien te snel aan een boek, dus aan een concreet, vast ding.
Maar dat is het etherlijf allerminst: er wordt over gezegd dat het beweegt, stroomt, fluctueert. Ook dat het krachten zijn, vormende, (groei)-krachten.
En dát zou het astraallijf dan lezen.

Uit andere mededelingen weten we dat het astraallijf de drager is van het bewustzijn.
Als we dus door ons iets te herinneren ‘er weet van hebben’, heeft het astraallijf dus iets kunnen lezen.
Om even in dit beeld te blijven: hoe duidelijk is dan dát wat ingeschreven werd, is het een duidelijke tekst, eventueel in hoofdletters of is het een vaag, a.h.w. verbleekt schrift. M.a.w. hoe staat/zit het in het etherlijf (gegrift).

Het etherlijf

Op verschillende plaatsen noemt Steiner het etherlijf  ‘de drager van het geheugen, de herinneringen’.
Stel dat we in dit geval eens zouden zeggen: als ‘iets’ ‘iets’ moet dragen, moet het sterk genoeg zijn om dat te kunnen doen.

En voor vrijeschoolleerkrachten zou dus de vraag kunnen zijn: ‘Als ik mijn leerlingen iets wil leren dat ze zich moeten blijven herinneren, moet ik dan niet eerst het instrument zo sterk maken dat het de kracht, het vermogen krijgt om te dragen. 

De ontwikkeling van het geheugen is voor Steiner iets zeer belangrijks, wat uit deze woorden blijkt:

Eine Seelenkraft, auf welche in dieser Zeit der menschlichen Entwicklung besonderer Wert gelegt werden muß, ist das Gedächtnis.

Een innerlijk vermogen, dat in deze ontwikkelingsfase van het kind een bijzondere aandacht verdient, is het geheugen.

In deze ontwikkelingsfaseis de 2e fase, die tussen tandenwisseling en puberteit.

Die Entwicklung des Gedächtnisses ist eben an die Umbildung des Ätherleibes gebunden.

De ontwikkeling van het geheugen is immers ten nauwste verbonden met de verandering van het etherlijf.

Da dessen Ausbildung so erfolgt, daß er gerade zwischen Zahnwechsel und ­Geschlechtsreife frei wird, so ist diese Zeit auch diejenige, in der von außen bewußt auf die Fortentwicklung des Gedächtnisses gesehen werden muß. Das Gedächtnis wird bleibend einen geringeren Wert haben, als es hätte für den betreffenden Menschen haben können, wenn in dieser Zeit das Entsprechende versäumt wird. Das Vernachlässigte kann später nicht mehr nachgeholt werden.

Daar deze ontplooiing zo verloopt, dat juist tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid het etherlichaam vrij wordt, moet ook in deze tijd van buitenaf, bewust gewerkt worden aan een verdere vorming van het geheugen. Als tijdens deze fase het noodzakelijke op dit gebied verzuimd wordt, dan zal het geheugen van degeen, die dat verzuim betreft, zwakker blijven dan wel nodig was geweest. Het verzuimde kan later niet meer worden ingehaald.
GA 34/333-334
Vertaald

Dat betekent dat we pas rond of na de tandenwisseling gericht aan het geheugen moeten gaan werken. 

En vóór de tandenwisseling dan?

In de 1e zeven jaar werkt het etherlijf nog aan het fysieke lichaam: het is er a.h.w. nog zo mee verbonden dat het nog niet zelfstandig is. 
Steiner maakt wat dit ‘nog niet zelfstandig’ betreft, een vergelijking met het fysieke lichaam van het ongeboren kind: ook dit is nog niet zelfstandig en wordt indirect – van binnenuit – ontwikkeld. 
Na de geboorte van het fysieke lichaam is het etherlijf daarin nog niet zelfstandig; het werkt er ‘van nature’; we moeten het z’n gang laten gaan, zoals we een bloem die wil gaan bloeien haar gang laten gaan. Alvast wat blaadjes eruit peuteren o.i.d. levert alleen schade op en zeker niet de bloem die op weg was ‘zichzelf’ te worden.  

Als het etherlijf dan ‘klaar’ is met het opbouwwerk, komt dit tot een zichtbare afsluiting in de tandenwisseling. Dit gezichtspunt verwoordt Steiner in vele voordrachten: over de tandenwisseling.

Als je al die passages bestudeert, krijg je een indruk van de werkzaamheid van het etherlijf in de eerste zevenjaar. 
Voor een gezonde ontwikkeling kunnen we niets anders doen dan voorwaarden scheppen waaronder het etherlijf zijn opbouwende werk kan verrichten.
Zie bv. in GA 34.

En zoals we na de fysieke geboorte het fysieke lichaam verzorgen, zo moeten we na de geboorte van het etherlijf dit prille zelfstandig wordende etherlijf ook verzorgen.

Vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre darf die Erziehung des Ätherleibes in die Hand genommen werden.

Van het zevende tot het veertiende jaar mag de opvoeding van het etherlijf ter hand worden genomen.

Steiner spreekt hier over ‘opvoeding’ van het etherlijf. Een andere vorm van wat we voor het lichaam ‘voeding’ noemen.

Steiners ‘pedagogische wet’

Vóór een aantal aanwijzingen op te sommen, lijkt het me hier zinvol Steiners zgn. ‘pedagogische wet’ te noemen, die inhoudt dat de volwassene met zijn Ik inwerkt op het astraallijf van het kind, met zijn astraallijf op diens etherlijf en met zijn etherlijf op diens fysieke lichaam.
Als wij dus op het etherlijf van het kind een positieve invloed willen uitoefenen – in het kader van dit artikel nog steeds met de achterliggende gedachte het sterk te maken als geheugen/herinneringskracht – zullen we – opvoeding is zelfopvoeding – aan ons astraallijf moeten werken. Dat gaat niet zonder de ‘inschakeling’ van ons Ik.
Het een is niet los te zien van het ander, ook in groter verband niet:

Die ganze Kulturentwickelung drückt sich für den Menschen in solcher Arbeit des Ich an seinen untergeordneten Gliedern aus. Diese Arbeit geht bis in den physischen Leib hinunter. Unter dem Einflüsse des Ich ändert sich die Physiognomie, ändern sich die Gesten und Bewegungen, das ganze Aussehen
des physischen Leibes. Man kann auch unterscheiden, wie die verschiedenen Kultur- und Bildungsmittel auf die einzelnen Glieder der menschlichen Wesenheit verschieden wirken. Die gewöhnlichen Kulturfaktoren wirken auf den Empjßndungsleib; sie bringen diesem andere Arten von Lust und Unlust, von Trieben usw. bei, als er vom Ursprünge aus hatte. Die Versenkung in die Werke der Kunst wirkt auf den Ätherleib. Indem der Mensch durch das Kunstwerk die Ahnung eines Höheren, Edleren erhält als das ist, was die Sinnesumgebung darbietet, gestaltet er seinen Lebensleib um. Ein mächtiges Mittel zur Läuterung und Veredelung des Ätherleibes ist die Religion. Die religiösen Impulse haben dadurch ihre großartige Mission in der Menschheitsentwicklung.
Das, was man Gewissen nennt, ist nichts anderes als das Ergebnis der Arbeit des Ich an dem Lebensleib durch eine Reihe von Verkörperungen hindurch. Wenn der Mensch einsieht, daß er dies oder jenes nicht tun soll, und wenn durch diese Einsicht ein so starker Eindruck auf ihn gemacht wird, daß sich dieser bis in seinen Ätherleib fortpflanzt, so entsteht eben das Gewissen.

De gehele ontwikkeling van de cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke lichaam voortzet. Onder invloed van het ‘ik’ veranderen het gelaat, de gebaren en bewegingen, het gehele aanzien van het fysieke lichaam. Men kan ook onderscheiden, hoe de verschillende gebieden van de cultuur en middelen van beschaving op de afzonderlijke delen van het mensenwezen verschillend inwerken. De gewone cultuurelementen beïnvloeden het gewaarwordingslichaam; zij brengen hierin een verandering teweeg, zodat andersoortige gevoelens van sympathie en antipathie, andere neigingen enzovoort optreden dan tevoren. Het zich aandachtig verdiepen in kunstwerken oefent een werking op het etherlichaam uit. Doordat het kunstwerk de mens in aanraking brengt met iets wat hoger en edeler is dan de gegeven zintuigelijke wereld, wordt het etherlichaam tot hogere ontwikkeling gebracht. Een machtig middel tot loutering en veredeling van het etherlichaam is de religie. De religieuze impulsen hebben daardoor hun grootse en verstrekkende taak in de mensheidsontwikkeling.
Dat wat men ‘geweten’ noemt, is niets anders dan het resultaat van de arbeid van het ‘ik’ aan het levenslichaam gedurende een reeks van incarnaties. Wanneer de mens inziet, dat hij de een of andere daad niet moet verrichten en wanneer dit inzicht een zo sterke indruk op hem maakt, dat deze zich tot in zijn etherlichaam voortplant, dan ontstaat geweten.

Es kann aber das Ich noch zu einer höheren ureigensten Arbeit an der eigenen Wesenheit des Menschen kommen. Dies geschieht, wenn nicht bloß der Astralleib bereichert, sondern der Äther- oder Lebensleib ­umgestaltet wird. Der Mensch lernt so manches im Leben; und wenn er von irgendeinem Punkte aus auf dieses Leben zurückblickt, so kann er sich sagen: ich habe vieles gelernt; aber er wird in einem viel geringeren Maße von einer Umwandlung von Temperament, Charakter, von einem Besser- oder ­Schlechterwerden des Gedächtnisses während des Lebens sprechen können. Das Lernen betrifft den Astralleib; die letzteren Umwandlungen dagegen betreffen den Äther- oder Lebensleib. Es ist daher kein unzutreffendes Bild, wenn man die Veränderung des Astralleibes im Leben mit dem Gang des ­Minutenzeigers der Uhr, die Umwandlung des Lebensleibes mit demjenigen des Stundenzeigers vergleicht­.

Het is echter mogelijk, dat het ‘ik’ komt tot een nog hogere individuele activiteit ter ontwikkeling van ’s mensen eigen wezen. Dit geschiedt, wanneer niet alleen het astrale lichaam wordt omgewerkt. De mens leert in zijn leven velerlei dingen; en wanneer hij op het een of andere moment terugblikt op de afgelegde levensweg, dan kan hij dit bij zichzelf constateren. Maar hij zal in veel geringere mate een verandering kunnen bespeuren in zijn temperament, zijn karakter, of zijn geheugen, hetzij dat beter of slechter is geworden tijdens zijn leven. Het leren houdt verband met het astrale lichaam, de verandering van temperament, karakter enzovoort echter met het ether- of levenslichaam. Het is daarom geen onjuist beeld, wanneer men de verandering van het astrale lichaam tijdens het leven met de gang van de grote wijzer, de omwerking van het levenslichaam daarentegen met het tempo van de kleine wijzer van een klok vergelijkt.
GA 34/318-319
Vertaald

Aber es gibt andere Kulturmittel, wodurch das Ich an sich arbeitet, und das sind die religiösen Impulse der Menschheit. Was aus der Religion stammt, ist ein arbeitender Motor des Geisteslebens, ist mehr als äußere Rechtsgrundsätze und Moralgrundlagen. Wenn das Ich auf Grund religiöser Impulse arbeitet, dann arbeitet es in den Ätherleib hinein. Ebenso wenn das Ich aufgeht in Betrachtung eines Kunstwerkes und eine Ahnung erhält, daß hinter dem sinnlichen Dasein ein Ewiges, Verborgenes verkörpert sein kann, dann wirkt die künstlerische Vorstellung nicht nur in den Astralleib, sondern der Mensch veredelt und läutert den Ätherleib. Könnten Sie einmal als praktischer Okkultist beobachten, wie eine Wagnersche Oper auf die verschiedenen Glieder der menschlichen Natur wirkt, es würde Sie überzeugen, daß besonders die Musik es ist, die ihre Vibrationen tief hineinsenken läßt in den Ätherleib. Nun ist auch der Ätherleib der Träger von alledem, was mehr oder weniger bleibend ist in der menschlichen Natur.

Maar er zijn andere culturele middelen waarmee het Ik aan zichzelf werkt, en dat zijn de religieuze impulsen van de mensheid. Wat voortkomt uit religie is een werkende motor van het spirituele leven, meer dan externe wetmatige principes en morele grondslagen. Wanneer het Ik werkt op basis van religieuze impulsen, werkt het in op het etherisch lichaam. Evenzo, wanneer het Ik verzonken is in de beschouwing van een kunstwerk en een vermoeden krijgt dat er iets eeuwigs en verborgens belichaamd kan zijn achter het zintuiglijke bestaan, dan werkt de artistieke conceptie niet alleen in op het astrale lichaam, maar veredelt en zuivert de mens ook het etherisch lichaam. Als u, als praktisch occultist*, zou kunnen observeren hoe een Wagneriaanse opera de verschillende delen van de menselijke natuur beïnvloedt, zou u ervan overtuigd zijn dat het vooral de muziek is die haar trillingen diep in het etherisch lichaam laat doordringen. Nu is het etherisch lichaam ook de drager van alles wat min of meer permanent is in de menselijke natuur.

*te begrijpen als iemand die zijn helderziende vermogens ontwikkeld heeft of aan het ontwikkelen is.

Man hat sich klarzumachen, was für ein Unterschied ist zwischen Entwicklung des Ätherleibes und des Astralleibes. Erinnern wir uns an den eigenen Lebensgang. Denken Sie nach, was Sie alle gelernt haben seit Ihrem achten Lebensjahr; das ist ungeheuer viel. Bedenken Sie den Inhalt Ihrer Seele: Prinzipien, Vorstellungen und so weiter. Das sind Veränderungen, Umwandlungen Ihres Astralleibes. Aber nun denken Sie nach, wie wenig sich bei den meisten Menschen das ändert, was man Gewohnheiten, Temperament nennt, was man allgemein Fähigkeiten nennt. Wenn jemand jähzornig ist, so hat sich das schon früh angezeigt und hat sich wenig geändert. Wenn einer ein vergeßliches Kind war, so wird er heute noch ein vergeßlicher Mensch sein. Man kann für diese ungleiche Entwicklung ein kleines Beispiel gebrauchen. Diese Entwicklung verhält sich so, wie wenn die Veränderungen des Astralleibes durch den Minutenzeiger und die Veränderungen des Ätherleibes durch den Stundenzeiger der Uhr angezeigt würden. Dasjenige, was der Mensch an seinem Ätherleib ändert, was das Ich gemacht hat aus dem Ätherleib, nennt man Buddhi oder, wenn man ein deutsches Wort gebrauchen will, Lebensgeist.

Je moet je het verschil realiseren tussen de ontwikkeling van het etherlijf en het astrale lijf. Laten we eens terugdenken aan onze eigen levensloop. Denk eens aan wat je allemaal hebt geleerd sinds je achtste; het is enorm veel. Denk eens aan de inhoud van je ziel: principes, ideeën, enzovoort. Dit zijn veranderingen, transformaties van je astrale lijf. Maar bedenk nu eens hoe weinig veranderingen er bij de meeste mensen plaatsvinden in wat we gewoonten, temperament en in het algemeen wat we vaardigheden noemen. Als iemand opvliegend is, was dat al vroeg zichtbaar en is er weinig veranderd. Als iemand een vergeetachtig kind was, zal hij dat vandaag de dag nog steeds zijn. We kunnen een klein voorbeeld gebruiken om deze ongelijke ontwikkeling te illustreren. Deze ontwikkeling gedraagt zich alsof de veranderingen in het astraallijf worden aangegeven door de grote wijzer en de veranderingen in het etherlijf door de kleine wijzer van een klok. Dat wat een mens verandert in zijn etherlijf, dat wat het Ik van het etherlijf heeft gemaakt, wordt buddhi genoemd of, als je een Duits woord wil gebruiken, Lebensgeist, levensgeest.
GA 54/125 -126
Niet vertaald

Middelen die ons ten dienste staan om onze eigen wezensdelen te cultiveren, zijn dus volgens bovenstaande tekst: kunst: kunstwerken, muziek, religie.
Er is natuurlijk meer, denk o.a. aan deze oefeningen die Steiner gaf.
Dit alles kan maken dat je ‘meer mens’ wordt. En daarmee werk je – zie de opmerkingen over het
imponderabeleop het kind.
Daarmee word je steeds meer de natuurlijke
autoriteit die Steiner bedoelt.

Dat lijkt een omweg: jezelf ontwikkelen om op de drager van het geheugen zo positief te werken, dat dit sterker wordt.
Concreter nog: ook al gaat het hierboven over de taak van het Ik, ons astraalwezen is van directe invloed op het etherlijf van de kinderen, als we van de ‘pedagogische wet’ uitgaan. En ons Ik is in staat aan ons astraallijf te werken.

Dat heeft Steiner uitvoerig beschreven in boeken en voordrachten.
Niet zo uitgebreid in de Algemene menskunde.
Naar aanleiding daarvan vatte ik e.e.a. samen in dit artikel over het geestzelf.

Voor verdere studie: vanaf hier volgen verschillende bronnen.

.

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3550-3335

.

.

.

.