Tagarchief: geestzelf

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geheugen (3)

.
Een functie van het astraallijf

We kwamen er in de vorige artikelen achter dat Steiner herinneren ziet als een ‘lezen van het etherlijf door het astraallijf’.
Gebeurtenissen, waarnemingen die bij ons ‘binnen’komen – of we daar een bewust aandeel in hebben of niet – maken een indruk op ons – we gebruiken heel vaak het woord ‘indrukwekkend(e)’.
Als Steiner het woord ‘lezen’ gebruikt, denken we misschien te snel aan een boek, dus aan een concreet, vast ding.
Maar dat is het etherlijf allerminst: er wordt over gezegd dat het beweegt, stroomt, fluctueert. Ook dat het krachten zijn, vormende, (groei)-krachten.
En dát zou het astraallijf dan lezen.

Uit andere mededelingen weten we dat het astraallijf de drager is van het bewustzijn.
Als we dus door ons iets te herinneren ‘er weet van hebben’, heeft het astraallijf dus iets kunnen lezen.
Om even in dit beeld te blijven: hoe duidelijk is dan dát wat ingeschreven werd, is het een duidelijke tekst, eventueel in hoofdletters of is het een vaag, a.h.w. verbleekt schrift. M.a.w. hoe staat/zit het in het etherlijf (gegrift).

Het etherlijf

Op verschillende plaatsen noemt Steiner het etherlijf  ‘de drager van het geheugen, de herinneringen’.
Stel dat we in dit geval eens zouden zeggen: als ‘iets’ ‘iets’ moet dragen, moet het sterk genoeg zijn om dat te kunnen doen.

En voor vrijeschoolleerkrachten zou dus de vraag kunnen zijn: ‘Als ik mijn leerlingen iets wil leren dat ze zich moeten blijven herinneren, moet ik dan niet eerst het instrument zo sterk maken dat het de kracht, het vermogen krijgt om te dragen. 

De ontwikkeling van het geheugen is voor Steiner iets zeer belangrijks, wat uit deze woorden blijkt:

Eine Seelenkraft, auf welche in dieser Zeit der menschlichen Entwicklung besonderer Wert gelegt werden muß, ist das Gedächtnis.

Een innerlijk vermogen, dat in deze ontwikkelingsfase van het kind een bijzondere aandacht verdient, is het geheugen.

In deze ontwikkelingsfaseis de 2e fase, die tussen tandenwisseling en puberteit.

Die Entwicklung des Gedächtnisses ist eben an die Umbildung des Ätherleibes gebunden.

De ontwikkeling van het geheugen is immers ten nauwste verbonden met de verandering van het etherlijf.

Da dessen Ausbildung so erfolgt, daß er gerade zwischen Zahnwechsel und ­Geschlechtsreife frei wird, so ist diese Zeit auch diejenige, in der von außen bewußt auf die Fortentwicklung des Gedächtnisses gesehen werden muß. Das Gedächtnis wird bleibend einen geringeren Wert haben, als es hätte für den betreffenden Menschen haben können, wenn in dieser Zeit das Entsprechende versäumt wird. Das Vernachlässigte kann später nicht mehr nachgeholt werden.

Daar deze ontplooiing zo verloopt, dat juist tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid het etherlichaam vrij wordt, moet ook in deze tijd van buitenaf, bewust gewerkt worden aan een verdere vorming van het geheugen. Als tijdens deze fase het noodzakelijke op dit gebied verzuimd wordt, dan zal het geheugen van degeen, die dat verzuim betreft, zwakker blijven dan wel nodig was geweest. Het verzuimde kan later niet meer worden ingehaald.
GA 34/333-334
Vertaald

Dat betekent dat we pas rond of na de tandenwisseling gericht aan het geheugen moeten gaan werken. 

En vóór de tandenwisseling dan?

In de 1e zeven jaar werkt het etherlijf nog aan het fysieke lichaam: het is er a.h.w. nog zo mee verbonden dat het nog niet zelfstandig is. 
Steiner maakt wat dit ‘nog niet zelfstandig’ betreft, een vergelijking met het fysieke lichaam van het ongeboren kind: ook dit is nog niet zelfstandig en wordt indirect – van binnenuit – ontwikkeld. 
Na de geboorte van het fysieke lichaam is het etherlijf daarin nog niet zelfstandig; het werkt er ‘van nature’; we moeten het z’n gang laten gaan, zoals we een bloem die wil gaan bloeien haar gang laten gaan. Alvast wat blaadjes eruit peuteren o.i.d. levert alleen schade op en zeker niet de bloem die op weg was ‘zichzelf’ te worden.  

Als het etherlijf dan ‘klaar’ is met het opbouwwerk, komt dit tot een zichtbare afsluiting in de tandenwisseling. Dit gezichtspunt verwoordt Steiner in vele voordrachten: over de tandenwisseling.

Als je al die passages bestudeert, krijg je een indruk van de werkzaamheid van het etherlijf in de eerste zevenjaar. 
Voor een gezonde ontwikkeling kunnen we niets anders doen dan voorwaarden scheppen waaronder het etherlijf zijn opbouwende werk kan verrichten.
Zie bv. in GA 34.

En zoals we na de fysieke geboorte het fysieke lichaam verzorgen, zo moeten we na de geboorte van het etherlijf dit prille zelfstandig wordende etherlijf ook verzorgen.

Vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre darf die Erziehung des Ätherleibes in die Hand genommen werden.

Van het zevende tot het veertiende jaar mag de opvoeding van het etherlijf ter hand worden genomen.

Steiner spreekt hier over ‘opvoeding’ van het etherlijf. Een andere vorm van wat we voor het lichaam ‘voeding’ noemen.

Steiners ‘pedagogische wet’

Vóór een aantal aanwijzingen op te sommen, lijkt het me hier zinvol Steiners zgn. ‘pedagogische wet’ te noemen, die inhoudt dat de volwassene met zijn Ik inwerkt op het astraallijf van het kind, met zijn astraallijf op diens etherlijf en met zijn etherlijf op diens fysieke lichaam.
Als wij dus op het etherlijf van het kind een positieve invloed willen uitoefenen – in het kader van dit artikel nog steeds met de achterliggende gedachte het sterk te maken als geheugen/herinneringskracht – zullen we – opvoeding is zelfopvoeding – aan ons astraallijf moeten werken. Dat gaat niet zonder de ‘inschakeling’ van ons Ik.
Het een is niet los te zien van het ander, ook in groter verband niet:

Die ganze Kulturentwickelung drückt sich für den Menschen in solcher Arbeit des Ich an seinen untergeordneten Gliedern aus. Diese Arbeit geht bis in den physischen Leib hinunter. Unter dem Einflüsse des Ich ändert sich die Physiognomie, ändern sich die Gesten und Bewegungen, das ganze Aussehen
des physischen Leibes. Man kann auch unterscheiden, wie die verschiedenen Kultur- und Bildungsmittel auf die einzelnen Glieder der menschlichen Wesenheit verschieden wirken. Die gewöhnlichen Kulturfaktoren wirken auf den Empjßndungsleib; sie bringen diesem andere Arten von Lust und Unlust, von Trieben usw. bei, als er vom Ursprünge aus hatte. Die Versenkung in die Werke der Kunst wirkt auf den Ätherleib. Indem der Mensch durch das Kunstwerk die Ahnung eines Höheren, Edleren erhält als das ist, was die Sinnesumgebung darbietet, gestaltet er seinen Lebensleib um. Ein mächtiges Mittel zur Läuterung und Veredelung des Ätherleibes ist die Religion. Die religiösen Impulse haben dadurch ihre großartige Mission in der Menschheitsentwicklung.
Das, was man Gewissen nennt, ist nichts anderes als das Ergebnis der Arbeit des Ich an dem Lebensleib durch eine Reihe von Verkörperungen hindurch. Wenn der Mensch einsieht, daß er dies oder jenes nicht tun soll, und wenn durch diese Einsicht ein so starker Eindruck auf ihn gemacht wird, daß sich dieser bis in seinen Ätherleib fortpflanzt, so entsteht eben das Gewissen.

De gehele ontwikkeling van de cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke lichaam voortzet. Onder invloed van het ‘ik’ veranderen het gelaat, de gebaren en bewegingen, het gehele aanzien van het fysieke lichaam. Men kan ook onderscheiden, hoe de verschillende gebieden van de cultuur en middelen van beschaving op de afzonderlijke delen van het mensenwezen verschillend inwerken. De gewone cultuurelementen beïnvloeden het gewaarwordingslichaam; zij brengen hierin een verandering teweeg, zodat andersoortige gevoelens van sympathie en antipathie, andere neigingen enzovoort optreden dan tevoren. Het zich aandachtig verdiepen in kunstwerken oefent een werking op het etherlichaam uit. Doordat het kunstwerk de mens in aanraking brengt met iets wat hoger en edeler is dan de gegeven zintuigelijke wereld, wordt het etherlichaam tot hogere ontwikkeling gebracht. Een machtig middel tot loutering en veredeling van het etherlichaam is de religie. De religieuze impulsen hebben daardoor hun grootse en verstrekkende taak in de mensheidsontwikkeling.
Dat wat men ‘geweten’ noemt, is niets anders dan het resultaat van de arbeid van het ‘ik’ aan het levenslichaam gedurende een reeks van incarnaties. Wanneer de mens inziet, dat hij de een of andere daad niet moet verrichten en wanneer dit inzicht een zo sterke indruk op hem maakt, dat deze zich tot in zijn etherlichaam voortplant, dan ontstaat geweten.

Es kann aber das Ich noch zu einer höheren ureigensten Arbeit an der eigenen Wesenheit des Menschen kommen. Dies geschieht, wenn nicht bloß der Astralleib bereichert, sondern der Äther- oder Lebensleib ­umgestaltet wird. Der Mensch lernt so manches im Leben; und wenn er von irgendeinem Punkte aus auf dieses Leben zurückblickt, so kann er sich sagen: ich habe vieles gelernt; aber er wird in einem viel geringeren Maße von einer Umwandlung von Temperament, Charakter, von einem Besser- oder ­Schlechterwerden des Gedächtnisses während des Lebens sprechen können. Das Lernen betrifft den Astralleib; die letzteren Umwandlungen dagegen betreffen den Äther- oder Lebensleib. Es ist daher kein unzutreffendes Bild, wenn man die Veränderung des Astralleibes im Leben mit dem Gang des ­Minutenzeigers der Uhr, die Umwandlung des Lebensleibes mit demjenigen des Stundenzeigers vergleicht­.

Het is echter mogelijk, dat het ‘ik’ komt tot een nog hogere individuele activiteit ter ontwikkeling van ’s mensen eigen wezen. Dit geschiedt, wanneer niet alleen het astrale lichaam wordt omgewerkt. De mens leert in zijn leven velerlei dingen; en wanneer hij op het een of andere moment terugblikt op de afgelegde levensweg, dan kan hij dit bij zichzelf constateren. Maar hij zal in veel geringere mate een verandering kunnen bespeuren in zijn temperament, zijn karakter, of zijn geheugen, hetzij dat beter of slechter is geworden tijdens zijn leven. Het leren houdt verband met het astrale lichaam, de verandering van temperament, karakter enzovoort echter met het ether- of levenslichaam. Het is daarom geen onjuist beeld, wanneer men de verandering van het astrale lichaam tijdens het leven met de gang van de grote wijzer, de omwerking van het levenslichaam daarentegen met het tempo van de kleine wijzer van een klok vergelijkt.
GA 34/318-319
Vertaald

Aber es gibt andere Kulturmittel, wodurch das Ich an sich arbeitet, und das sind die religiösen Impulse der Menschheit. Was aus der Religion stammt, ist ein arbeitender Motor des Geisteslebens, ist mehr als äußere Rechtsgrundsätze und Moralgrundlagen. Wenn das Ich auf Grund religiöser Impulse arbeitet, dann arbeitet es in den Ätherleib hinein. Ebenso wenn das Ich aufgeht in Betrachtung eines Kunstwerkes und eine Ahnung erhält, daß hinter dem sinnlichen Dasein ein Ewiges, Verborgenes verkörpert sein kann, dann wirkt die künstlerische Vorstellung nicht nur in den Astralleib, sondern der Mensch veredelt und läutert den Ätherleib. Könnten Sie einmal als praktischer Okkultist beobachten, wie eine Wagnersche Oper auf die verschiedenen Glieder der menschlichen Natur wirkt, es würde Sie überzeugen, daß besonders die Musik es ist, die ihre Vibrationen tief hineinsenken läßt in den Ätherleib. Nun ist auch der Ätherleib der Träger von alledem, was mehr oder weniger bleibend ist in der menschlichen Natur.

Maar er zijn andere culturele middelen waarmee het Ik aan zichzelf werkt, en dat zijn de religieuze impulsen van de mensheid. Wat voortkomt uit religie is een werkende motor van het spirituele leven, meer dan externe wetmatige principes en morele grondslagen. Wanneer het Ik werkt op basis van religieuze impulsen, werkt het in op het etherisch lichaam. Evenzo, wanneer het Ik verzonken is in de beschouwing van een kunstwerk en een vermoeden krijgt dat er iets eeuwigs en verborgens belichaamd kan zijn achter het zintuiglijke bestaan, dan werkt de artistieke conceptie niet alleen in op het astrale lichaam, maar veredelt en zuivert de mens ook het etherisch lichaam. Als u, als praktisch occultist*, zou kunnen observeren hoe een Wagneriaanse opera de verschillende delen van de menselijke natuur beïnvloedt, zou u ervan overtuigd zijn dat het vooral de muziek is die haar trillingen diep in het etherisch lichaam laat doordringen. Nu is het etherisch lichaam ook de drager van alles wat min of meer permanent is in de menselijke natuur.

*te begrijpen als iemand die zijn helderziende vermogens ontwikkeld heeft of aan het ontwikkelen is.

Man hat sich klarzumachen, was für ein Unterschied ist zwischen Entwicklung des Ätherleibes und des Astralleibes. Erinnern wir uns an den eigenen Lebensgang. Denken Sie nach, was Sie alle gelernt haben seit Ihrem achten Lebensjahr; das ist ungeheuer viel. Bedenken Sie den Inhalt Ihrer Seele: Prinzipien, Vorstellungen und so weiter. Das sind Veränderungen, Umwandlungen Ihres Astralleibes. Aber nun denken Sie nach, wie wenig sich bei den meisten Menschen das ändert, was man Gewohnheiten, Temperament nennt, was man allgemein Fähigkeiten nennt. Wenn jemand jähzornig ist, so hat sich das schon früh angezeigt und hat sich wenig geändert. Wenn einer ein vergeßliches Kind war, so wird er heute noch ein vergeßlicher Mensch sein. Man kann für diese ungleiche Entwicklung ein kleines Beispiel gebrauchen. Diese Entwicklung verhält sich so, wie wenn die Veränderungen des Astralleibes durch den Minutenzeiger und die Veränderungen des Ätherleibes durch den Stundenzeiger der Uhr angezeigt würden. Dasjenige, was der Mensch an seinem Ätherleib ändert, was das Ich gemacht hat aus dem Ätherleib, nennt man Buddhi oder, wenn man ein deutsches Wort gebrauchen will, Lebensgeist.

Je moet je het verschil realiseren tussen de ontwikkeling van het etherlijf en het astrale lijf. Laten we eens terugdenken aan onze eigen levensloop. Denk eens aan wat je allemaal hebt geleerd sinds je achtste; het is enorm veel. Denk eens aan de inhoud van je ziel: principes, ideeën, enzovoort. Dit zijn veranderingen, transformaties van je astrale lijf. Maar bedenk nu eens hoe weinig veranderingen er bij de meeste mensen plaatsvinden in wat we gewoonten, temperament en in het algemeen wat we vaardigheden noemen. Als iemand opvliegend is, was dat al vroeg zichtbaar en is er weinig veranderd. Als iemand een vergeetachtig kind was, zal hij dat vandaag de dag nog steeds zijn. We kunnen een klein voorbeeld gebruiken om deze ongelijke ontwikkeling te illustreren. Deze ontwikkeling gedraagt zich alsof de veranderingen in het astraallijf worden aangegeven door de grote wijzer en de veranderingen in het etherlijf door de kleine wijzer van een klok. Dat wat een mens verandert in zijn etherlijf, dat wat het Ik van het etherlijf heeft gemaakt, wordt buddhi genoemd of, als je een Duits woord wil gebruiken, Lebensgeist, levensgeest.
GA 54/125 -126
Niet vertaald

Middelen die ons ten dienste staan om onze eigen wezensdelen te cultiveren, zijn dus volgens bovenstaande tekst: kunst: kunstwerken, muziek, religie.
Er is natuurlijk meer, denk o.a. aan deze oefeningen die Steiner gaf.
Dit alles kan maken dat je ‘meer mens’ wordt. En daarmee werk je – zie de opmerkingen over het
imponderabeleop het kind.
Daarmee word je steeds meer de natuurlijke
autoriteit die Steiner bedoelt.

Dat lijkt een omweg: jezelf ontwikkelen om op de drager van het geheugen zo positief te werken, dat dit sterker wordt.
Concreter nog: ook al gaat het hierboven over de taak van het Ik, ons astraalwezen is van directe invloed op het etherlijf van de kinderen, als we van de ‘pedagogische wet’ uitgaan. En ons Ik is in staat aan ons astraallijf te werken.

Dat heeft Steiner uitvoerig beschreven in boeken en voordrachten.
Niet zo uitgebreid in de Algemene menskunde.
Naar aanleiding daarvan vatte ik e.e.a. samen in dit artikel over het geestzelf.

Voor verdere studie: vanaf hier volgen verschillende bronnen.

.

Rudolf Steiner over: geheugen

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3550-3335

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 – geestzelf, levensgeest, geestmens

.

Op blz. 23/24 van de Algemene menskunde geeft Steiner een kleine schets van het 7-ledig mensbeeld.
Dat is in dit artikel wat nader uitgewerkt.

In dit artikel ben ik er iets dieper op ingegaan.

Voor het fysieke lichaam heb ik hier karakteriseringen gegeven zoals die te vinden zijn in andere voordrachten.

Ook voor het etherlijf   astraallijf   en Ik.

Doordat wij Ik-wezens zijn, hebben we het vermogen om onszelf  ‘bij te scholen’.
Je neemt je eigen verdere ontwikkeling zelf ter hand.
Dat kan op allerlei gebied: de essentie hiervan is echter dat je ‘iets’ wat in de wereld is, naar jezelf toehaalt: je verdiept je bv. in literatuur, natuur, je gaat muziek beoefenen, er valt nog een heleboel op te sommen.

Maar wij mensen hebben ook het vermogen aan onszelf te werken waar het bv. gaat om ons gedachteleven, ons karakter, hoe we zijn, hoe we reageren, kortom we kunnen aan ons denken, voelen en willen werken.
We kunnen onszelf – voorzichtig gezegd – enigszins veranderen,

Dat is niet eenvoudig.

Voor Steiner is het de voorwaarde om ‘achter de dingen’ te leren waarnemen.
Hij zegt dat in ieder mens die vermogens aanwezig zijn. 
Bij velen van ons in slapende of sluimerende hoedanigheid.
En zoals hij voor het slapend-dromerige kind zegt dat we geduld moeten hebben, omdat alles wat slaapt ook de eigenschap heeft wakker te worden – wij moeten het voorzichtig wekken – zo kunnen we ook in ons die sluimerende vermogens wakker(der) maken.

Daarvoor geeft Steiner allerlei hoger inzichtoefeningen. O.a. in GA 10De weg tot inzicht in hogere werelden‘.
Ook al leiden die oefeningen niet tot hoger inzicht, ze geven je wel een andere kijk op jezelf (en anderen). Gedachtecontrole, innerlijke rust en meer. 
Er zijn ook de zgn. ‘Nebenübungen‘ [GA 266C]
Zij heten ‘Nebenübungen’ omdat Steiner aanbeveelt ze naast meditaties, waarnemingsoefeningen en dergelijke te blijven doen. [1]

Zo kan ‘gedachtecontrole en innerlijke rust’ ertoe leiden dat je je steeds afvraagt – wanneer je vindt dat je iets moet zeggen – moet ik het wel zeggen en moet het nu?
Neem het voorbeeld van ‘vlak voor de lessen beginnen, in de lerarenkamer’. Nog snel een vraag aan deze, nog gauw een opmerking voor de ander. Wat kunnen die ermee? Nemen ze dat als ‘onrust’ mee hun klas in? 
Moest je dat écht zeggen en moest het op dat ogenblik? Vaak blijkt dat het aan het einde van de dag al niet meer opgaat; het was dus overbodig – ook die gevolgde onnodige onrust.
Moet het wel gezegd worden: tast het ogenblik af; is er werkelijk de rust om het te zeggen zodat die ander het ook echt hoort.

Er kan ook een soort ‘hygiënisch’ denken ontstaan.
Een collega is ziek, maar je moet toch nodig iets weten. Je voelt dat je eigenlijk moet vragen hoe het ermee is en je informeert. Dan zeg je: ‘Nu ik je toch spreek,….en dan komt de eigenlijke reden van je telefoontje: dat was niet in eerste instantie het werkelijk begaan zijn met de toestand van je collega.
Ik weet uit ervaring hoe de zieke collega dat kan gaan ervaren. 
Er zijn veel voorbeelden te geven. 

Ik ben door de oefeningen geen helderziende geworden, maar ik heb er wel mooie dingen door (ver)ge)kregen.

Als vervolg op de korte omschrijvingen van de 4 wezensdelen, hierboven beschreven, zal ik nu in een reeks artikelen de opmerkingen van Steiner weergeven over de activiteit van het Ik in relatie tot geestzelf, levensgeest en geestmens.

.

[1] De ‘Nebenübungen’ in het sociale leven  

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

3008-2824

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/8)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake vanlevensgeest en geestmens‘.  Wat valt daar o.a. over te zeggen:

In dit artikel ging het over het ‘geestzelf’ dat samen met de ‘levensgeest’ en de ‘geestmens’ weer een drietal vormt, zoals bijv. fysiek lichaam, etherlijf en gewaarwordingslijf, of gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel en bewustzijnsziel.

GEESTZELF
Bij ‘geestzelf’ kun je niet om de activiteit van het Ik heen. Het ging in het artikel over het ‘geestzelf’ vooral om de zoektocht naar waarheid, naar het goede. Kortom: een zoektocht naar iets wat niet afhankelijk is van je eigen gevoel, van je sympathieën of antipathieën. Niet van wat je fijn, lekker, mooi, lelijk, afstotelijk enz. vindt, maar naar wat IS.
Als Ik-mens moet je om inzicht te krijgen in die wereld van waarheid en goedheid, steeds wakker en actief zijn. Je bent als zielenmens, als denkende ziel, dan steeds meer bezig je een ‘buiten’wereld eigen te maken die niet direct van jou afhankelijk is, die er is, maar die alleen door de mens ‘belichaamd’ kan worden; die alleen in de mens kan ‘incarneren’.
Overeenkomstig de ‘definitie’ van ziel: het vermogen om je de buitenwereld eigen te kunnen maken’, is dit in ons dus nog ‘bewustzijnsziel’ en naarmate die ziel zich vult met meer ‘waarheid’ en ‘goedheid’, meer deel heeft aan die wereld, wordt die wereld een deel van het actieve Ik, wordt inhoud van dit Ik. Dat is de wereld van de geest, waaraan het Ik nu zelf deel heeft.
Dit noemt Steiner het ‘geestzelf’.

Das Geistselbst ist eine Offenbarung der geistigen Welt innerhalb des Ich.

Het geestzelf is een openbaring van de geestelijke wereld binnen het Ik.
GA 9/51
Vertaald

Maar wanneer je die wereld van waarheid en goedheid probeert te vinden, weet je nu ook dat al het ‘persoonlijke’, je gevoelens e.d., al het subjectieve, het vinden van ‘het geestelijke’ in de weg kan staan. Je zal dus ook moeten werken aan dit gebied in je.
InDe weg tot inzicht in hogere werelden heeft Steiner een weg aangegeven die je kan gaan om je op dit gebied te ‘scholen’.
Hoe word je geduldiger, hoe bereik je dat je je niet ergert, hoe kun je een grotere denkconcentratie ontwikkelen, enz.
Het is het werken aan het astraallijf.
Dat heeft, volgens Steiner, al gevolgen voor het geestzelf:

Wenn das Ich an der Seele arbeitet, entwickeln sich gewisse Seeleneigenschaften des Menschen. Wie Lust und Begierden, Freude und Schmerz sich ändern können. Das Ich erlangt Herrschaft über den Astralleib, denn dieser ist der Träger von Lust und Leid, von Freude und Schmerz.

Wanneer het Ik aan de ziel werkt, worden bepaalde zieleneigenschappen van de mens ontwikkeld. Zoals lust, begeerte, vreugde en verdriet kunnen veranderen. Het Ik wordt meester over het astraallijf, want dat is de drager van lust en leed, vreugde en verdriet.
GA 13/72
Vertaald/41

Wenn sich der Mensch bloβ hingibt an Lust und Leid, an Freude und Schmerz, arbeitet das Ich nicht am Astralleib, sondern wenn sich die Eigentümlichkeiten dieser Seeleneigenschaften ändern.

Wanneer de mens zich alleen maar overgeeft aan lust en leed, vreugde en verdriet, werkt het Ik niet aan het astraallijf, maar wel wanneer de kenmerken van deze zieleneigenschappen veranderen.
GA 13/73
Vertaald/41

Het in je opnemen van de ‘hogere waarheid’ e.d. heeft ook invloed op je astraallijf:

Wenn nun das Ich sich mit dem Geistselbst durchdringt, so tritt dieses Geistselbst so auf, daβ der Astralleib von dem Seelischen aus umgearbeitet wird.

Wanneer het Ik zich doordringt met het geestzelf, dan brengt dit een verandering in het astraallijf teweeg.
GA 9/58
Vertaald

Daher kann man das Geistselbst in seiner Offenbarung am Menschen als den verwandelten Astralleib bezeichnen.

Dan kun je het geestzelf in zijn openbaring in de mens beschouwen als het omgewerkte astraallijf.
GA 9/58
Vertaald

Indem das Ich sich mit der verborgenen Wesenheit seiner Astralleib einigt, bemächtigt sich das Ich diesen Astralleib. Dieser durch das Ich eroberte, von ihm umgewandelte Astralleib kann das Geistselbst genannt werden.

Als het Ik één wordt met zijn verborgen astraallijf, krijgt het Ik dit astraallijf in zijn greep. Dit door het Ik overwonnen, omgewerkte astraallijf kan geestzelf worden genoemd.
GA 13/71
Vertaald/40

Uiteraard zal je ook weer tegenkomen dat Steiner op verschillende plaatsen, op verschillende manieren, karakteriseert:

Wenn nun das «Ich » so stark wird, daß es nur durch die eigenste Kraft den Empfin­dungsleib umarbeitet, so nennt man dasjenige, was das Ich auf diese Art aus diesem Empfindungs- oder Astralleibe macht : das Geistselbst (oder mit einem morgenländischen Aus­drucke : Manas). Diese Umgestaltung beruht im wesentlichen auf einem Lernen, auf einem Bereichern des Innern mit höhe­ren Ideen und Anschauungen.

Wanneer het Ik zo sterk wordt dat het op eigen kracht het gewaarwordingslijf verandert, noemt men wat het Ik op deze manier van gewaarwordings- en astraallijf maakt: geestzelf. De omwerking berust in wezen op leren, op zich verrijken van het innerlijk met hogere ideeën en gezichtspunten.
GA 34/319
vertaald/23

So viel als der Mensch von seinem Astralleib derart umgearbeitet hat, so viel nennen wir sein Manas oder Geistselbst. Im Ich liegt der Keim zur Umarbeitung des Astralleibes in Manas, Geistselbst.

Zoveel als de mens van zijn astraallijf omgewerkt heeft, zo groot noemen wij zijn geestzelf. In het Ik ligt de kiem tot het omwerken van het astraallijf in geestzelf.
GA 110/37
Vertaald

LEVENSGEEST EN GEESTMENS

Bij de ontwikkeling van het ‘geestzelf’ gaat het om de activiteit van het Ik bij het veranderen, louteren, veredelen van het astraallijf.

Volgens Steiner is het ook mogelijk dat het Ik zo’n werking op het etherlijf uitoefent, dat ook dit verandert.
Wanneer we naar eigenschappen van de ziel kijken. onze ziel, weten we op een bepaald ogenblik in ons leven wel iets van onszelf, hoe we zijn. Stel dat je merkt dat je snel iemand in de rede valt, dat je moeite hebt met luisteren naar iemand, dan kun je dat veranderen. Hier speelt het ‘voornemen’ een belangrijke rol. Iedere dag kun je je voornemen, als de gelegenheid zich voordoet, de ander te laten uitspreken. Zo zijn er vele terreinen in het leven waar je de gelegenheid krijgt ‘geduld’ te betrachten. Wat te denken van het verkeer.

Moeilijker wordt het, wanneer we naar bepaalde gewoontes kijken. We spreken niet voor niets van ‘vastgeroeste’ of ‘ingesleten’ gewoontes. Ze zitten dieper. We weten soms niet eens waarom we iets zus of zo doen, laat staan waarom we dat zus of zo (ooit) zijn gaan doen. Na lang graven kom je er soms achter dat het in je prilste kindertijd al begonnen is (moet zijn) en vaak: doordat het in je omgeving zo gebeurde, (nabootsing!), omdat je omgeving het wilde (opvoeding). Soms ligt het nog vaster: dat heeft hij van zijn vader/moeder, enz.
Dan hebben we te maken met ons etherlijf: de gewoonten, bepaalde karaktertrekken, het temperament, enz.
Voor het Ik is het veel moeilijker daarop invloed uit te oefenen, zodat het verandert, anders wordt, omgewerkt wordt.

In de levens van wat we nu ‘heiligen’ noemen, speelde het een grote rol: ze wilden de dwingende krachten van het etherlijf leren beheersen: Franciscus ging niet zelf op zoek naar eten, hoewel de honger hem ertoe had kunnen drijven (drift), maar wachtte (geduld) tot hij iets kreeg. Geen honger! naar rijkdom; andere begeerten werden afgezworen, ook de seksuele: kuisheid; om dat te bereiken: overgave aan een geestelijke wereld d.m.v. gebed.

Tegen deze achtergrond is nog altijd het kloosterleven te begrijpen en het celibaat.

Door een verandering in het etherlijf door de invloed van het Ik komt er in het wezen van de mens iets nieuws tot stand, wat Steiner de ‘levensgeest’ noemt.

Steiner zegt het o.a. zo:

Wie der Mensch seinen Astralleib erobert dadurch, daβ er zu den verborgenen Kräften die hinter ihm stehen, vordringt, so geschieht das im Laufe der Entwicklung auch mit dem Ätherleib. Die Arbeit an diesem Ätherleib ist aber eine intensivere als die am Astralleibe, ( ).

Evenals de mens zijn astraallijf verovert, door tot de verborgen krachten door te dringen, die daarachter staan, zo gebeurt dat in de loop van de ontwikkeling ook met het etherlijf. De arbeid aan het etherlijf is echter intensiever dan die aan het astraallijf; ( )

Gewisse Eigenschaften des Menschen ändern sich im Laufe der Zeit wenig. Z.B. sein Temperament, die tiefern Eigentümlichkeiten seines Charakters usw. ( ) Wenn das Ich seine Tätigkeit an eine Änderung seiner Charaktereigenschaften, seiner Temperamente usw wendet, erstreckt sich die Arbeit auf dem Ätherleib.

Bepaalde eigenschappen van de mens worden in de loop van de tijd bijna niet anders, bijv. zijn temperament, zijn diepere karaktertrekken enz. ( )  Wanneer het Ik zich richt op het veranderen van karaktereigenschappen, het temperament enz. werkt het aan het etherlijf.

Die stärksten Impulse, welche im gewöhnlichen Leben auf diese Änderung hinarbeiten sind die religiösen.
Wenn das Ich die Antriebe, die aus der Religion flieβen, immer wieder und wieder auf sich wirken läβt, so bilden diese in ihn eine Macht, welche bis in den Ätherleib hineinwirkt und die ebenso wandelt, wie geringere Antriebe des Lebens die Verwandlung des Astralleibes bewirken.

De sterkste impulsen die in het dagelijks leven naar deze verandering toewerken zijn de religieuze krachten. Wanneer het Ik de impulsen die uit de religie komen steeds weer op zich laat inwerken, dan vormen deze in hem een kracht die tot in het etherlijf doorwerkt en dit net zo verandert als kleinere impulsen uit het leven de veranderingen van het astraallijf bewerken.

Der Mensch denkt und fühlt heute dies, morgen jenes. Dazu führen die verschiedensten Veranlassungen. Wer aber durch sein wie immer gearteten religiöses Empfinden etwas ahnt, das sich durch allen Wechsel hindurchzieht, der wird, was er heute denkt und fühlt, ebenso auf diese Grundempfindung beziehen wie die morgigen Erlebnisse seiner Seele. Das religiöse Bekenntnis hat dadurch etwas Durchgreifendes im Seelenleben; seine Einflüsse verstärken sich im Laufe der Zeit immermehr, weil sie in fortdauernder Wiederholing wirken. Deshalb erlangen sie die Macht auf den Ätherleib zu wirken.

De mens denkt en voelt vandaag dit, morgen dat. De prikkels daartoe komen van alle kanten op hem af. Wie echter door zijn religieuze beleving, hoe die ook geaard is, een besef heeft van iets dat door alle wisselvalligheden heen gaat, die zal wat hij vandaag denkt en voelt op dezelfde wijze op dit basisgevoel betrekken als wat hij morgen in zijn ziel ervaart. De religieuze overtuiging heeft daardoor een sterke greep op het leven van de ziel; haar invloeden worden in de loop der tijd steeds sterker, omdat ze in een voortdurende herhaling werken. Daaruit ontstaat hun kracht om op het etherische lichaam in te werken.

In ähnlicher Art wirken die Einflüsse der wahren Kunst auf den Menschen.Wenn er durch die äußere Form, durch Farbe und Ton eines Kunstwerkes die geistigen Untergründe desselben mit Vorstellen und Gefühl durchdringt, dann wirken die Im­pulse, welche dadurch das Ich empfängt, in der Tat auch bis auf den Ätherleib. Wenn man diesen Gedanken zu Ende denkt, so kann man ermessen, welch ungeheure Bedeutung die Kunst für alle menschliche Entwickelung hat. Nur auf einiges ist hiermit hingewiesen, was dem Ich die Antriebe liefert, auf den Ätherleib zu wirken. 

Op dezelfde wijze beïnvloedt echte kunst de mens. Wanneer hij via de ruimtelijke vorm, via kleur of klank van een kunstwerk de geestelijke achtergrond ervan met zijn voorstellingen en gevoelens doordringt, werken de impulsen die het ik daardoor ontvangt metterdaad ook op het etherische lichaam. Wanneer we deze gedachte doordenken, kunnen we beseffen welke onschatbare waarde de kunst heeft voor alle menselijke ontwikkeling. Hiermee is slechts op een paar dingen gewezen die het Ik ertoe aanzetten op het etherische lichaam in te werken.
GA 13/72-75
Vertaald/41-44

GEESTMENS
Dan is het volgens Steiner ook nog mogelijk dat het Ik aan het fysieke lichaam werkt. Het spreekt voor zich dat dit het allermoeilijkst is.
Je houdt het misschien bij het eerste lezen voor onmogelijk, maar we weten dat we bijv. met bepaalde yoga-oefeningen onze ademhaling kunnen beïnvloeden en sommige beoefenaars schijnen die veranderingen blijvend te kunnen maken.
Dit a.h.w. ‘omgevormde’ fysieke lichaam heet geest(es)mens.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1411-1322

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7/2-7)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van het ‘geestzelf‘.  Wat valt daar o.a. over te zeggen:

GEESTZELF
We mogen steeds niet vergeten dat indelen eigenlijk niet kan; de mens laat zich niet schematiseren. Dat Steiner het toch doet, is onvermijdelijk: om de mens te leren kennen, moeten allerlei aspecten van verschillende kanten worden bekeken, gekarakteriseerd, nader omschreven, het moet ook – voorzichtig – leiden tot begripsbepaling. Omdat er van diverse kanten gekeken kan worden, is een eenvoudige definiëring eigenlijk niet mogelijk.

En wanneer je telkens weer helder hebt, wat je standpunt is, je vertekpunt, zijn de begrippen niet echt verwarrend, kun je je inleven en proberen te begrijpen waarom het gaat.

Wanneer Steiner over het ‘geestzelf’ spreekt, doet hij dat vanuit het vertrekpunt ‘geest’.
Vanuit het vertrekpunt ‘lichaam’ ontstaan de begrippen: fysiek lichaam, etherlijf, gewaarwordingslijf.
Vanuit het vertrekpunt ‘ziel’ ontstaan de begrippen: gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel en bewustzijnsziel.
Gewaarwordingslijf en gewaarwordingsziel bleken vanuit deze standpunten elkaar a.h.w. te ‘bedekken’, in bepaald opzicht één te zijn.

Iets soortgelijks doet zich voor met de bewustzijnsziel en het geestzelf.

We horen, lezen vaak over ‘geestelijke wereld’. Vanuit Steiners mededelingen weten we dat deze wereld vele aspecten kent: we zouden er verblijven tussen dood en nieuwe geboorte; die zou worden ‘bevolkt’ door hiërarchische wezens, we zouden er met ons astraallijf en Ik iedere nacht verblijven, om maar iets te noemen.
En voor de menskundige beschouwingen in de ‘algemene menskunde’ gaat het hier om de wereld van de waarheid, de ideeën, het goede.

In het vorige artikel noemde ik even het Ik: wanneer komt dit eigenlijk ter sprake? Omdat ik probeer de onderwerpen in de ‘Algemene menskunde’ toe te lichten, volg ik, wat er staat en over het Ik zegt Steiner op deze bladzijden nog niets.
Toch kunnen we er voor het ‘geestzelf’ niet om heen, het Ik te bespreken, dat is hier: er íets over te zeggen.

Alles wat we tot nog toe over de mens konden zeggen, is uiteindelijk jullie leven, mijn leven. Het is ons fysiek lichaam, ons etherlijf, ons astraallijf, kortom: ons hele wezen: dat zijn wij: dat ben Ik.
Ik leef, Ik voel, Ik denk.
Maar met de sleutel van slapen, dromen, wakker zien we meteen dat we niet overal even ‘aanwezig’ zijn.
In het fysieke zijn wij helemaal niet zo duidelijk aanwezig. Vanuit dit standpunt kan ‘wij zijn ons brein’ al helemaal niet!
In het astrale zijn wij er het ene ogenblik meer dan het andere; gevoelens kunnen ons overspoelen, met ons op de loop gaan; een opkomende irritatie, een bitse opmerking, kunnen we onderdrukken

Pas wanneer we ‘bewust,’ zeggen we dan, denken, er ‘wakker’ bij zijn, ontstaat de mogelijkheid voor ons (Ik) om – nog steeds als, of met, onze bewustzijnsziel – toegang te vinden tot de wereld van waarheid en idee.
Hoe meer de verstands-gemoedsziel los komt van sympathie en antipathie, hoe meer ze bewustzijnsziel wordt en als bewustzijnsziel kan het Ik de ‘geestelijke wereld’ – hier dus waarheid, goedheid, idee – in zich opnemen en daardoor ‘vergeestelijkt’ de bewustzijnsziel zich, en wordt dus ‘veel meer geest’. Maar omdat wij als mens, als Ik hier een actieve rol spelen, dit zoeken en ernaar streven (het te vinden), ‘vult’ ons Ik zich met dit stukje van de geestelijke wereld.

Steiner zegt dat zo:
Das Geistselbst ist eine Offenbarung der geistigen Welt innerhalb des Ich.

Het geestzelf is een openbaring van de geestelijke wereld in ons Ik.
GA 9/51
Vertaald

Het verschil tussen bewustzijnsziel en geestzelf, verwoordt Steiner zo:

Der Unterschied zwischen dem Geistselbst und der Bewuβtseinsseele: Die Bewuβtseinsseele berührt die von jeder Antipathie und Sympathie unabhängige, durch sich selbst bestehende Wahrheit; das Geistselbst trägt in sich dieselbe Wahrheit, aber aufgenommen und umschlossen, durch das “Ich”, durch das letztere individualisiert und in die selbständige Wesenheit des Menschen übernommen.

Het verschil tussen geestzelf en bewustzijnsziel kan als volgt worden verduidelijkt: de bewustzijsziel raakt de van iedere sympathie of antipathie onafhankelijke, door zichzelf bestaande waarheid; het geestzelf draagt diezelfde waarheid in zich, evenwel opgenomen door het ‘Ik ‘en door dat “Ik’ geïndividualiseerd en overgebracht in het zelfstandige mensenwezen.
GA 9/52
Vertaald

En over het Ik zegt Steiner in dit verband:

Das Ich lebt in der Seele. Wenn auch die höchste Äußerung des «Ich» der Bewußtseinsseele angehört, so muß man doch sagen, daß dieses «Ich» von da ausstrahlend die ganze Seele erfüllt und durch die Seele seine Wirkung auf den Leib äußert. Und in dem Ich ist der Geist lebendig. Es strahlt der Geist in das Ich und lebt in ihm als in seiner «Hülle», wie das Ich in Leib und Seele als seinen «Hüllen» lebt. Der Geist bildet das Ich von innen nach außen, die mineralische Welt von außen nach innen. Der ein «Ich» bildende und als «Ich» lebende Geist sei «Geistselbst» genannt, weil er als «Ich» oder «Selbst» des Menschen erscheint.

Het „Ik” leeft in de ziel. Ook al behoort de hoogste uiting van het „Ik” tot het gebied van de bewustzijnsziel, dan moet men niettemin zeggen dat dit „Ik”, van dat gebied uitstralend, de totale ziel vervult en door middel van de ziel van zijn werking op het lichaam doet blijken. En de geest leeft in het „Ik”. De geest straalt daar en leeft in het „Ik” als in een omhulsel, gelijk het „Ik” in lichaam en ziel als in omhulsels leeft. De geest vormt het „Ik” van binnen naar buiten toe, de minerale wereld doet dat van buiten naar binnen. De geest die een „Ik” vormt, en die als „Ik” leeft, wordt „geestzelf” genoemd, omdat hij zich als „Ik” of „zelf” van de mens voordoet.
GA 9/52
Vertaald

Op een bepaald ogenblik zullen we weer drie begrippen tegenkomen: imaginatie, inspiratie en intuïtie. Steiner geeft er niet dezelfde betekenis aan als wat we er gangbaar in een woordenboek over vinden.

Intuïtie:
Das Geistselbst ist eine Offenbarung der geistigen Welt innerhalb des Ich, wie von der andern Seite her die Sinnesempfindung eine Offenbarung der physischen Welt innerhalb des Ich ist. In dem, was rot, grün, hell, dunkel, hart, weich, warm, kalt ist, erkennt man die Offenbarungen der körperlichen Welt; in dein, was wahr und gut ist, die Offenbarungen der geistigen Welt. In dem gleichen Sinne, wie die Offenbarung des Körperlichen Empfindung heißt, sei die Offenbarung des Geistigen Intuition genannt. Der einfachste Gedanke enthält schon Intuition, denn man kann ihn nicht mit Händen tasten, nicht mit Augen sehen: man muß seine Offenbarung aus dem Geiste durch das Ich empfangen. – Wenn ein unentwickelter und ein entwickelter Mensch eine Pflanze ansehen, so lebt in dem Ich des einen etwas ganz anderes als in dem des zweiten. Und doch sind die Empfindungen beider durch denselben Gegenstand hervorgerufen. Die Verschiedenheit liegt darin, daß der eine sich weit vollkommenere Gedanken über den Gegenstand machen kann als der andere. Offenbarten die Gegenstande sich allein durch die Empfindung, dann könnte es keinen Fortschritt in der geistigen Entwickelung geben. Die Natur empfindet auch der Wilde; die Naturgesetze offenbaren sich erst den von der Intuition befruchteten Gedanken des höher entwickelten Menschen. Die Reize der Außenwelt empfindet auch das Kind als Antrieb des Willens, die Gebote des sittlich Guten gehen ihm aber nur im Laufe der Entwickelung auf, indem es im Geiste leben und dessen Offenbarung verstehen lernt.
Wie ohne das Auge keine Farbenempfindungen da wären, so ohne das höhere Denken des Geistselbst keine Intuitionen. Und sowenig die Empfindung die Pflanze schafft, an der die Farbe erscheint, sowenig schafft die Intuition

Het geestzelf is een openbaring van de geestelijke wereld in het „Ik”, zoals van de andere kant de stoffelijke wereld zich door gewaarwordingen van de zintuigen in het „Ik” manifesteert. In datgene wat rood, groen, licht, donker, hard, zacht, warm of koud is, kan men de openbaringen van de wereld van het lichamelijke ervaren; in het ware en goede openbaart zich de geestelijke wereld. Op dezelfde wijze als de openbaring van het lichamelijke gewaarwording heet, wordt de openbaring van het geestelijke intuïtie “genoemd. De eenvoudigste gedachte bevat reeds intuïtie, want men kan haar niet met de handen grijpen, niet met de ogen zien; men moet dat wat deze gedachte openbaart uit de geest en door het „Ik” ontvangen.
Wanneer een onontwikkeld en een ontwikkeld mens een plant bekijken, leeft in het „Ik” van de een iets geheel anders dan bij de ander. En toch zijn de gewaarwordingen bij beiden door een en hetzelfde voorwerp ontstaan. Het verschil ligt daarin, dat de een veel meer volmaakte gedachten over die plant kan vormen dan de ander. Zouden de voorwerpen zich slechts doen kennen aan de hand van de gewaarwordingen, dan was er geen vooruitgang in de geestelijke ontwikkeling mogelijk. Ook een primitief mens ervaart de natuur; de wetten van de natuur evenwel openbaren zich aan de door intuïtie bevruchte gedachten van de hoger ontwikkelde mens. De prikkels van de uiterlijke wereld worden ook door het kind ervaren als aansporing voor de wil. De geboden van het zedelijk goede leert het pas begrijpen in de loop van zijn ontwikkeling, als het aanleert om in de geest te leven en de openbaring van de geest te begrijpen.
Evenals er zonder oog geen kleuren zouden kunnen worden waargenomen, zouden er zonder het hogere denken van het geestzelf geen intuïties zijn. En evenmin als de gewaarwording de plant, die haar kleur tentoonspreidt, doet ontstaan, doet de intuïtie het

das Geistige, von welchem sie vielmehr nur Kunde gibt.
Durch die Intuitionen holt sich das Ich des Menschen, das in der Seele auflebt, die Botschaften von oben, von der Geisteswelt, wie es sich durch die Empfindungen die Botschaften aus der physischen Welt holt. Und dadurch macht die Geisteswelt ebenso zum Eigenleben seiner Seele wie vermittels der Sinne die physische Welt. Die Seele, der das in ihr aufleuchtende Ich, öffnet nach Zwei Seiten in seine Tore: nach der Seite des Körperlichen und nach derjenigen des Geistigen.

geestelijke waarvan zij integendeel slechts het bestaan kenbaar maakt, ontstaan.
Door middel van de intuïties verschaft het in de mensenziel levende „Ik” zich de mededelingen van boven, van de geesteswereld, net zoals het zich door de gewaarwordingen kennis verwerft van de fysieke wereld. En daardoor betrekt het „Ik” de wereld van de geest evenzeer bij zijn zieleleven, als de fysieke wereld door middel van zijn zintuigen. De ziel, of het in de ziel oplichtende „Ik”, opent zijn poorten naar twee zijden: naar de stoffelijke en naar de geestelijke kant.
GA 9/52
Vertaald

Een vervolg over het geestzelf in [1-7-2/8]

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1404-1315

.

.