Niet dat er daarna nooit meer over planten en dieren wordt gesproken. In tegendeel. De leerkracht zal in de natuur veel kunnen vinden ‘wat groeit en ons altijd weer boeit’.
Hoe kun je als leerkracht nu net die weetjes weten die je niet zo afstandelijk bij Wikipedia vindt, maar die in een bepaalde sfeer van betrokkenheid zijn verteld.
Vaak kom je dan uit bij o.a. columnisten in een krant of tijdschrift die kort en bondig en net minder afstandelijk vertellen over een verschijnsel in de natuur.
Een tijdlang verzamelde ik zijn artikelen die in het AD verschenen:
Op de vrijeschool krijgen de kinderen in de 4e klas een bijzondere vorm vandierkunde en in de vijfde vanplantkunde.
In deeerste klassenis het vertellen over planten en dieren anders van aard.
.
Het is maar vurenhout en toch zo mooi
DE ROOSJES VAN DE SPAR
Misschien hebt u wel net zo’n diepe minachting voor vurenhout als de degelijke vaderlandse meubelmaker die we eens in een Frans bergbos ontmoetten. Vol ontzag stond hij voor een imposante groep sparren van ruim 35 meter hoogte en met een respectabele stamomvang. Maar zijn bewondering verkeerde op slag in een soort welwillend beschouwen van iets minderwaardigs nadat ik had gezegd dat dit nu de bomen van het vurenhout waren. En het kwam niet over zijn lippen, maar zijn hele gezicht drukte het uit: vurenhout bah!
Wanneer u er precies zo over wilt denken, mij best. Dan stel ik alleen voor dat u uw minachting even naar de achtergrond schuift en dat we niet zozeer naar een stuk aanstaand vurenhout als wel naar een springlevende boom gaan kijken, naar een ook in veel Nederlandse bossen doodgewone spar, een meer of minder ver opgegroeide kerstboom.
Noorderling
Misschien goed om er even bij te vertellen dat hij van nature eigenlijk niet bij ons thuishoort. Hij is een boom van Scandinavië, van Noord-Europa en Noord-Azië, en hij beslaat ook een groot gebied boven de loofhoutgrens in de Midden-Europese gebergten. Het lijkt wel of hij iets heeft tegen het wat zachtere klimaattype van West- en Zuidwest-Europa; maar niettemin laat hij zich in onze cultuurbossen, parken en tuinen toch redelijk goed kweken (al brengt hij het hier zelden tot woudreus.
Waar alom het jonge groen naar buiten puilt, blijven de sparren niet achter. Ze zijn alleen wat minder opvallend in hun voorjaarsuitingen doordat ze toch al zomer én winter groen zijn. Kijk echter eens goed naar wat er in deze dagen (voorjaar) met hun knoppen gebeurt. Ze bestaan uit een aantal als kleine dakpannen over elkaar liggende schubben en de onderste ervan beginnen zich nu naar buiten te buigen. Maar hét letterlijke openbarsten wat je van zoveel andere knoppen ziet, dat blijft hier achterwege.
Anders
Er gebeurt iets heel anders. Een dichte bos sappig lichtgroene naalden, gegroepeerd rondom een nog onzichtbare jonge loot, schuift naar buiten. En op zijn top neemt hij het hele „roosje” van de wasachtig okerbruine schubben mee. Waarna het maar van de rust, ofwel de windstilte in het bos afhangt hoe lang dit kleine sieraad nog zal blijven zitten voordat het in zijn geheel afvalt.
Ja, en dan kan zo’n sparrenloot weer een jaar of wat voort met zijn groen. Hoevéél jaren? Dat valt van tevoren nooit precies te zeggen; zeker drie à vier, maar het komt ook voor dat sparrennaalden negen jaar oud worden, ~ dat hangt van allerlei omstandigheden af.
Twee rijen
En let eens op in de komende maanden: ze blijven niet zo netjes naar alle kanten van hun jonge takjes uitstralen, doch buigen zich geleidelijk naar links en naar rechts. Uiteindelijk blijkt dan dat ze min of meer in twee rijen staan. Dat zal wel zijn om een zo gunstig mogelijke belichting te krijgen in het van nature niet zo lichte bos.
Wanneer u er toch bent, let dan ook even op de stand van de knoppen aan de hele boom.
Aan de recht omhoog groeiende top staan ze keurig in kransen en de jonge takken groeien dus naar alle kanten. Maar op de takken zelf staan de knoppen voornamelijk links en rechts; beter voor de belichting van de jonge loten aan dat simpele vurenhout.
Het staat weer te gebeuren en terwijl u dit leest is het grote feest mogelijk al begonnen; bet feest van de bloeiende vlieren. Letterlijk overal in den lande. In woestijnachtig droge duinen net zo goed als in bet sappigste polderland — en waar die vlieren ook staan (behalve in de zeewind die ieder jaar hun toppen weer dood waait), het worden in de loop der jaren altijd reuzen die in de voorzomer honderden platte schermen van geelachtig witte bloempjes dragen. En die dan „een uur in de wind” ruiken, maar met al hun geurigheid toch erg weinig insecten lokken.
Kortom: opvallende verschijningen, die vlieren! En het is nog niet zo lang geleden dat zelfs stadskinderen wisten hoe je uit de tweejarige loten van zo’n struik leuke fluitjes kon maken door er het merg uit te kloppen of te peuteren. Of ook diezelfde vlierloten, in mootjes gesneden, te gebruiken als pen op de rieten pijlen van je pijl-en-boog. Ik vrees dat tegenwoordig veel te weinig vaders (en grootvaders!) de lieve jeugd attent maken op dergelijke mogelijkheden en dat dit de waardering voor de vlier niet ten goede komt.
Heilige struik
De „heidense” stammen die lang geleden onze streken bewoonden, hebben de vlier wel degelijk op zijn verdiensten bekeken, natuurmensen als ze waren. Ze hebben natuurlijk opgemerkt hoe de jonge bladspruitjes gewoonlijk al in februari verschijnen, ze hebben misschien iets gevoeld aangaande de levenskracht in het sappige jonge blad en de vervaarlijk snel groeiende nieuwe loten met hun eigenaardige, weke merg. Of ze hebben geneeskracht vermoed in de sterk geurende bloesem en de bijna zwarte bessen in de herfst. Wie zal het zeggen.
Maar hoe dan ook, de vlier is destijds tot een heilige struik verklaard. Zij zou de woonplaats zijn van Vrouw Holle, de Witte Vrouw, die haar bescherming en bovennatuurlijke krachten verleende. En aangezien de vlieren hun activiteiten al in februari beginnen te ontplooien, werd er oudtijds aan het begin van die maand een groot feest gevierd ter ere van de Witte Vrouw Holle — een feest dat nog voortbestaat als Maria Lichtmis (2 februari). Zo is er bij de kerstening wel vaker met groot psychologisch inzicht aansluiting gemaakt op bestaande en diep gewortelde gebruiken.
Tegen reuma
Niet alleen van dat oude feest zijn echter nog de sporen terug te vinden, ook de naam van Vrouw Holle is verwerkt in tegenwoordige plaatselijke namen voor de vlier. Hier en daar in Zuid-Limburg wordt hij nog „holderteer” genoemd en dat is een verbastering van het oud-Duitse „Holluntar”. Daar is Holle al in te herkennen; en „tar” is niet anders dan een overoud Germaans woord voor boom, sterk veranderd terug te vinden in het Engelse tree.
Dat bepaalde delen van de vlier lang als geneeskrachtig te boek hebben gestaan (en nog wel staan), ligt wel voor de hand. Het verse jonge blad en vooral de fijngewreven schors van de jonge loten zijn eeuwenlang befaamd geweest als middelen tegen reumatiek. |
En vlierbloesemthee zal ook vandaag de dag nog wel als huismiddeltje tegen verkoudheid en griep worden gebruikt. Drogisten verkopen de gedroogde bloesem tenminste nog. Ja, en waarom ook eigenlijk niet? De werking van de thee is flink zweetdrijvend en dat is toch waarom het gaat volgens de gangbare mening!
Geen honing
Ondanks de sterke geur van de (levende) bloesem lokt hij weinig insecten, zoals gezegd. Dat zal wel komen door het ontbreken van honing. Maar insectenbezoek of niet, de zomerse bloemtrosssen worden altijd bessentrossen tegen de herfst.
De pal naast elkaar zittende bloempjes zullen elkaar wel bestuiven met hun ver naar buiten gebogen meeldraden. Wel en als het op deze manier „goedkoop” zonder honing kan, waarom dan de overbodige productie van dit kostbare goed, ben je als mens geneigd te zeggen.
Wat zou het eigenlijk kunnen zijn dat ons bepaalde schepselen in de levende natuur een extra warm hart doet toedragen? Ik weet het nog altijd niet, maar het is me in de loop van de tijd wél duidelijk geworden dat bijna geen natuurliefhebber eraan is ontkomen. Of het nu gaat om wilde vaderlandse orchideetjes, om gezellig ’pratend’ overvliegende ganzen of doodgewone kruisspinnen of wat ook, je komt mensen tegen die er hun hart aan hebben verpand. Voor mezelf zou ik zover niet willen gaan, want er zijn te veel dieren en planten die een grote plaats in mijn hart hebben — maar toch, zo’n doodgewone, ordinaire vlier, ergens moeizaam voor zijn bestaan vechtend in het duin of overdadig van weelde bij een Zuid-Hollandse boenstoep, die is het voor mij wel heel erg. En ik hoop dat u dit een beetje met me kunt meevoelen.
VLIER HEEFT NATUURGETROUWE OORTJES
Het begint al met de bij winterkou verschijnende paarsbruine spruiten, dan in mei de glorieuze bloesem (maar die vind ik niet lekker ruiken en ik hou niet van vlierbloesemthee), vervolgens in de nazomer de glimmend zwarte bessen (voor de vogels, niet voor mij). Tenslotte, laat in de herfst de wonderlijke groeisels aan stammen en takken: de judasoren.
Deze eigenaardige namaakoren, van buiten fluwelig donkerbruin en aan de binnenkant glad violet-grauw, precies aanvoelend als een echt (en altijd koud) oor met twee ten opzichte van elkaar beweegbare huidjes, deze soms prachtige oorimitaties hebben de vlier – en dan vooral die van het duin – alleen maar nodig om erop te groeien.
Paddenstoelen eten we al sedert jaar en dag, maar onze 16de eeuwse voorvaderen, waaronder een beroemd kruidkundige als Dodonaeus, hielden het op gom van de vlier zelf. Leest u maar na in Dodonaeus’ Cruydtboeck: „De Gomme die wt de struycken van Vlier somtijts vloeydt / is meestendeel. Auris Sambuci dat is Vlier oore geheeten: van ander Iudae auricula, dat is Judas oor.”
En daar hebben we dan weer het aloude en eigenlijk nog steeds bestaande verschijnsel van de onbegrepenheid die met een ongunstig klinkende naam wordt opgescheept.
Geswollen huyge
Overigens zou Dodonaeus geen goed kruidendokter zijn geweest als hij niet ook had vermeld tegen welke ongemakken zijn ’vlier-gom’ wel was te bezigen. ”De Gomme van Vlier / dat is Judasoor heeft oock een tsamen-treckende ende droochmakende cracht. Twater daer zij sommige uren in geweyckt is geweest / in den mont genomen / en daer mede gespoelt / verdrijft de beginnende ontstekingen ende verhittingen van den mont en amandelen: ende maect de geswollen huyge smal en cleyn”.
Verder zag deze medicus er blijkbaar niet veel in, want na te hebben vermeld dat judasoren tot harde korsten kunnen verdrogen, waarna ze door water (regen) .. weer in hun oorspronkelijke weke toestand terugkeren, zegt hij alleen maar „van smaeck zijnse heel laf / ende ghelijck een ghesoden vel oft leer”.
Dat is weinig aantrekkelijk zo op het eerste gezicht. Maar ik vraag me altijd af of deze smaakloosheid niet met geëigende middelen zou zijn op te peppen. Dit omdat een neef van onze judasoren, en dan een die er bedrieglijk veel op lijkt, in China nog altijd veel wordt gekweekt voor de consumptie. Op gekapte stammen van ik weet helaas niet welke boom. Maar wat ik wel weet, is dat ze in het vroegere Indië op de pasar te koop lagen als ‘koeping tikoes” ofwel muizenoren – niet zo verwonderlijk als u weet dat in Azië voedingsmiddelen van een gelatineuze consistentie bijzonder geliefd zijn.
Schilderachtig
Wat tenslotte de (wetenschappelijke) naam van de Judasoren betreft, die sloot tot voor kort keurig aan bij het Latijn van Dodonaeus: Himeola auricula-Judae. Hierin is himeola een verkleining van het Latijnse himea, dat is schenkkan(netje) en auricula de verkleining van auris – oor. Het geheel zat dus wel schilderachtig in elkaar – maar helaas, het is nu verouderd en volgens de in de biologie geldende wetten op de nomenclatuur moet het zijn Auricularia auricula, het op een oortje lijkende oortje. Oorvervelend als u het mij vraagt
Een najaarsstorm, een paar stevige rukwinden en de laatste dorre bladeren warrelen van de bomen als een opgejaagde bende spreeuwen uit de kersenboomgaard. Alles wat tot de bladverliezende bomen en struiken behoort, is binnen een week of wat kaal.
Eiken schijnen het het langst vol te houden. Bi.i ons in de tuin staat er zo eentje. Zolang als ik hem ken, houdt ie de hele winter een gedeelte van zijn blad vast. Na een fikse februa-risstorm in de vorige winter had ie nog steeds één blad en dat hield de weerbarstige nog vast toen de knoppen al aan het uitlopen waren.
En ik in mijn onschuld maar menen dat het een wintereik was. De naam zegt het immers al: wintereik, ook in de winter rijk. Maar vandaag heb ik hem met het bomenboekje in de hand eens goed bekeken. Laat het nou een zomereik zijn. Voor de zifters: een zomereik hééft extra korte bladsteeltjes, de bladen zijn boven het midden op hun breedst en hebben links en rechts vijf onregelmatig gevormde bladlobben. Het kunnen er ook vier zijn, want geen blad is helemaal precies gelijk.
Bomenboekje
Rare boom, zo’n zomereik. Kan wel duizend jaar oud worden, zegt men. Toen de Spaanse Armada zo jammerlijk op de Ierse oceaankust te pletter liep, was het met Spanje als zeevarende natie gedaan.
Smeekschriften
Was dat niet het jaar 1588? Die hele vloot was van eikenhout gebouwd en in het moederland was geen eikenboom meer te vinden.
Opdracht van de ’onoverwinnelijken’ was trouwens Engeland als zeevarende natie uit te schakelen door alle eikenbossen te verbranden. Dat is niet gebeurd, maar bepaald roerend zijn de smeekschriften van de beroemde admiraal Nelson aan zijn koning om vooral maar eikenbossen aan te planten.
Nelson wist het al. Eiken zijn trage groeiers. Die in mijn tuin heeft ondanks zijn tien jaren nog te weinig hout geproduceerd om er een roeispaan van te bouwen.
Morsdood
Na de droogte van afgelopen zomer, heeft ie trouwens nog voor een verrassing gezorgd door het aanmaken van nieuw blad. Dat late blad ziet er nu nog tamelijk fris uit, maar het voorjaarsblad is morsdood: helemaal bruin en uitgedroogd zit het aan de twijgen. Door sommige bladeren kun je de hemel zien. Het bladgroen is verdwenen, aldus een charmant skeletje achterlatend. Toch kost het nog een flinke ruk zo’n blad te verwijderen. Als ik verder inzoom op het eikje zie ik dat heel wat van die met was bedekte gladde twijgjes met ‘armbandjes’ zijn versierd. Het zijn de eieren van de ringelrupsvlinder.
In gave spiraaltjes zijn ze op de takjes afgezet. Per spiraal zo’n tweehonderd en meer eieren, vastgekleefd met een teerachtige stof die wel model gestaan lijkt te hebben voor twee-componentenlijm. Zo vast zitten die pieren.
Ik vind het maar een erg goede manier van de ringelrupsvlinders – onopvallende kleine nachtvlinders, verre familie van de zijderups – om te zorgen dat hun soort de winter doorkomt. Eitjes leggen, sterven en als de dagen lengen verschijnen de weesjes, onbezorde harige vreters die zich aan het eind van de zomer gezellig in groepsverband inspinnen. Dan krijg je die bekende rupsennesten, die je overigens niet alleen op eiken vindt, maar ook op meidoorns, appels en andere struiken en bomen.
Wie ze vindt, moet die eitjes eens met een goede loep bekijken. Elk eitje apart is een zeer gaaf kunstwerkje.
Deze tijd van het jaar (winter) is zeer geschikt om eens beter te kijken naar de naaldbomen. Zo rond deze tijd heeft bijna iedereen wel wat takken in huis van de den of de spar. De naaldbomen behoren tot de oudste boomsoorten. Men heeft al in het carboongesteente afdrukken gevonden. Hun ouderdom lijken ze wel in zich te dragen, want als je een dennenbos ingaat, proef je iets van een oeroude sfeer. Er heerst ook altijd een ingetogen stilte, waarbij je het gevoel krijgt, dat je die niet verstoren mag. Ook een zekere duisternis en plechtigheid vind je er, waardoor zo’n bos een heel eigen karakter heeft. In een dennenbos komen haast geen andere planten voor. De vogels zoeken juist loofbos op om te nestelen, in de naaldbossen kunnen ze niet genoeg schuilplaatsen vinden. Naaldbomen worden alleen niet in de poolgebieden en in de woestijnen gevonden. Kou kunnen ze echter wel veel beter verdragen dan de loofbomen. Als we langer naar de naaldbomen kijken, kunnen we ons voorstellen dat juist een plaats hoog in de bergen en vlak onder de hemel uitgesproken past bij deze soort bomen. De stam groeit vanuit de aarde recht naar boven, terwijl de takken in kransen naar beneden neigen. Als we op een kleine boom neerkijken, zien we een cirkelvorm, omdat alle buitenste takken ongeveer even lang zijn. Van boven af lijkt één krans van takken haast wel een ster.
De naalden rond de takjes lijken ook vaak op sterretjes. Zelfs in de omgeving van de naaldbomen vinden we vaak sterretjes terug, namelijk in de sneeuwkristallen. Zou deze geaardheid naar de hemel en de sterren, misschien de ingetogen en rustige stemming teweeg brengen? De zon met haar uitbundige lichtstralen, waardoor bloemen en kleuren ontstaan, heeft niet zoveel invloed op deze bomen. Het zijn meer de saturnuskrachten die werken in de naaldbomen. De naalden zijn een duidelijke uiting van het naar binnen gekeerde, dat we veelal vinden bij planten, die onder invloed staan van saturnus.
De naalden hebben hun bladmoes opgerold en samengetrokken. Alleen de hoofdnerf is nog over. Doordat de zonnekrachten niet zo’n invloed hebben, vallen de naalden ook niet ieder jaar af (behalve bij de larix), maar kunnen ze ongeveer 3 jaar oud worden. Het lijken haast wel stengeltjes geworden te zijn. Ook de bloeiwijze verschilt sterk van de andere bomen. Een boom krijgt mannelijke- en vrouwelijke kegels. Deze zijn nog erg klein en hebben dan nog een roodachtige kleur. Het stuifmeel wordt opgevangen en de schubjes sluiten zich. De kegel groeit en verandert van kleur en wordt groen. Pas in april van het volgende jaar wordt de kegel bevrucht. Het stuifmeel is al die tijd in een bepaalde vorm aanwezig geweest. In het derde jaar zijn de zaadjes rijp. Het kegeltje is dikker geworden, wat ingedroogd en verhout. Bij droog en zonnig weer in het voorjaar kun je de schubben horen openknappen! Het zaadje komt naar buiten en wordt door vleugeltjes gedragen. Bij deze bloeiwijze zien we eigenlijk kleur noch geur optreden. Ook dat lijkt bij de naaldbomen naar binnen gekeerd te zijn, want geur kennen ze in elk geval wel. De etherische oliën (die geurstoffen bevatten) vinden we hier terug als verborgen lichtkracht in het hars en in de olie, die in kleine kliertjes in de naalden zit. Harsen zijn kleverige stoffen, die niet oplossen in water (wel in alcohol) en die verharden, als ze in contact komen met de lucht. We kennen nu nog veel van die verharde harsen, als barnsteen (amber) van hele oude tijden. Een harssoort waarbij de geur een sterke rol speelt is die van wierook (geen naaldhout). Van harsen kan met behulp van etherische olie ook balsem gemaakt worden, iets wat de Egyptenaren al kenden en gebruikten.
Waarom nu juist een naaldboom als kerstboom gekozen is, is niet duidelijk te zeggen. Toch moet het wel mogelijk zijn om iets van de symbolen terug te vinden. Een naaldboom lijkt, omdat ze het hele jaar door groen is, niet door een ‘doods’ proces te gaan, zoals de andere bomen. Het altijd groene geeft het idee van levensboom.
Het idee van de kerstboom is ook nog niet zo oud. Pas sinds ongeveer 1850 kwamen de eerste kerstbomen naar Nederland. Volgens verhalen is de kerstboom in de Elzas voor het eerst als symbool gebruikt. Er bestaan veel legenden over, maar een van de meest voorkomende is dacht ik toch wel die van de houthakker, monnik of eenzame man, die op Kerstavond in het donkere bos loopt en waar de sneeuw op hem dwarrelt. Mistroostig loopt hij in de eenzaamheid rond, tot hij bij een boompje komt waar licht vandaan komt. Hij loopt er heen en het lijkt of het boompje zelf straalt. In een andere versie ontmoet hij een engel en, omdat het dennenboompje er het dichtste bijstaat, besluit hij dat mee te nemen naar huis. Thuis zet hij het neer en tooit het met kaarsen.
Deze kaarsen in de kerstboom brengen de lichtglans en warmte, die anders bloemen aan een plant geven. Op deze manier kunnen we het vrij worden van de innerlijke lichtkracht beleven. Tegenwoordig kunnen we vaak kerstbomen kopen met wortels er nog aan. Het is de bedoeling, dat we die boom na kerstmis in de tuin planten, maar het lukt niet vaak de boom in leven te houden. Daar zijn verschillende oorzaken voor te vinden. De boom komt van buiten en gaat zo de warme kamer in, zonder overgang en als Kerstmis voorbij is, van de warme kamer naar buiten de kou in. Wij kunnen daar ook niet tegen en trekken een jas uit of aan. Zo’n boom heeft ook een geleidelijke overgang nodig. Zet hem daarom zeker 2 a 3 weken op een tussenplaats, bijvoorbeeld garage of bijkeuken en laat de temperatuur geleidelijk toe- of afnemen. Geef zo’n boom ook volop licht en besproei hem regelmatig. Dat de boom water nodig heeft is waarschijnlijk overbodig te vermelden.
Een andere reden kan zijn, dat de grond niet geschikt is. Naaldbomen hebben vaak geen haarwortels (heel fijne wortels, die vocht en voedsel opnemen), maar leven samen met schimmels. Deze schimmels zorgen voor voedsel van de naaldbomen, en de afgevallen naalden dienen weer als voedsel voor de schimmels. Omdat de naalden zolang niet afvallen, bestaat er grote kans, dat de schimmel sterft, waardoor de boom geen voedsel krijgt. Toch lukt het vele mensen wel hun boom een aantal tot vele jaren te houden. Gebruikt u bij het planten in ieder geval een zure grond (bosgrondmengsel). Verder kan niemand voorspellen of de boom blijft leven.
De kerstbomen die over het algemeen als dennenbomen verkocht worden, zijn feitelijk geen dennen-, maar sparrenbomen! Een den herkent men, doordat twee naalden uit één schubje komen (soms ook meer). Bij een spar is het er altijd maar één per schubje (solo-spar, duo-den, legio-larix).
Irene Bordewijk, Jonas 02-12-1977
N.B.
Wanneer u de stille ingetogenheid van een naaldbos wilt ervaren, dan zijn er een paar, die ik u wil aanraden. Het zijn aangeplante ‘pineta’ (park met uitsluitend naaldbomen). Pinetum ter Borgh (tussen Anloo en Eest, Drente) – altijd geopend. Pinetum De Horstlanden, Hengelosestraat, Enschede – werkdagen 9-17 uur. Pinetum Blijdenstein, Van der Lindenlaan 25, Hilversum – apr./okt 10-12/14-16 uur. Pinetum De DennenhorstJJoslaan, Lunteren -altijd geopend. Pinetum De Belten, Wildenborchseweg 15. Vorden – alleen na afspraak. Van Gimborn Pinetum, Babberichseweg 23, Zevenaar, Gld.
0-0-0
Ik had het geluk om tijdens het opleidingsjaar voor vrijeschoolleerkrachten in 1969-1970, les te krijgen van de bioloog en natuurkundige Frits Julius. In onderstaand artikel komt je iets tegemoet van de zijn waarnemingsgave, tevens van een trant van beeldend vertellen die voor ons leerkrachten zo belangrijk is. Niet dat wij ook zo lyrisch hoeven te spreken als we de kinderen iets willen leren over de verschillende planten en/of dieren, de manier waarop Julius dat hier doet, kan wel een inspiratie zijn.
.
De krokus
Vroeg in het jaar, wanneer de gure winden telkens nog de liefelijke lenteglimlach, waarmee de aarde de Hemel wil begroeten, verjagen, trachten zich reeds vele groene sprietjes uit het donker van de bodem vrij te maken en aarzelend het lichtrijk te zoeken. Soms boren ze zich zelfs een opening in het dood-witte kleed, dat als tere pluisjes uit de hemel neer kwam dalen en daaronder tot een dicht doek werd aaneengeweven.
Al heel vlug komen de sneeuwklokjes, maar ze worden spoedig door de krokusjes gevolgd.
Toen wij zelf als kinderen nog maar heel weinig ver boven het oppervlak der aarde uitstaken en de hele wereld, maar vooral ook de kleinste dingetjes, met de grootste innigheid en met een eeuwige vraag in de ogen bekeken, vonden wij, dat zij erg veel op elkaar leken, de blaadjes van de sneeuwklokjes en die van de krokusjes: ze deden immers precies hetzelfde. Maar toen werd ons gezegd, dat krokusblaadjes een mooie witte streep in het midden hebben en sneeuwklokjesbladen effen groen zijn.
Later, toen onze blik veel van zijn toverkracht verloor, toen de dingen en zelfs de planten nuchter werden en hun heerlijke hemelse gebabbel staakten, toen leerden wij nog wel andere verschillen kennen. De krokusblaadjes zijn wat hol gebogen en ze komen met een risje tegelijk uit de bodem. Zij trekken een ietwat slordige vliezige schede een eindje mee omhoog. De sneeuwklokjes hebben steeds maar twee blaadjes, hun schede is netjes van vorm en schuift niet zo ver mee naar boven. Wanneer de fijne witte bloempjes van de sneeuwklokjes tussen de blaadjes opgedoken zijn en reeds een tijdje hebben gebengeld in de wind, dan komen ook de krokusbloemen uit de grond. Zij gedragen zich of zij van hun voorgangers het bloeien leerden en of zij zelf bovendien nog heel wat nieuws hebben verzonnen, want alles gaat bij hen veel geweldiger. Tussen de groene staketsels van de bladeren rijzen ze nu op met paarse of witte kopjes. Rustig gaan ze voort, wat sneller, bij zoel weer, wat trager als het koud is. Keert de vorst nog eens terug, dan blijven ze zelfs geheel en al stil staan te wachten. Ten slotte staan ze daar als ovale kolfjes, door een kleurige steel omhoog gehouden.
Nu lijken ze wel doodongeduldig. Wanneer maar even het zonnegoud door het doffe nevelgordijn, dat de hemel omfloerst, heen komt sprankelen, kieren zij van boven wat open. En uit die opening straalt weer diep gouden gloed op, als van een andere zon, daarbinnen verborgen. Zodra het gordijn voor het hemelvenster weer dicht wordt getrokken, verdwijnt niet alleen het hemelgoud daarboven, maar ook het bloemgoud daar binnen wordt zorgvuldig afgesloten. Maar hoe zou nu die ruimte binnenin die bloem wel zijn? Gedempt licht, teer getint als in een tempel. Een wand zo zuiver als marmer en teerder dan het fijnste porselein. Soms is die wand diep paars, soms heel blank en vaak is hij blank en paars naast elkaar. Maar dan rijst de kleur ook in heerlijke aderen van onderen af tot langs het gewelf omhoog. En midden in deze ruimte staat een gouden zuil als een heerlijk altaar in het midden van een heiligdom.
Een mensenmaaksel, zelfs het mooiste, is dood en verstoken van iedere mogelijkheid tot sterven naar groei en omvorming. Hier daarentegen is alles vervuld van een drang naar buiten, alles wacht tot de wanden zullen wijken, want dan kan de zuil zijn gloed vrijuit ten hemel laten vlammen. Dan zal als bij voltrekking van een plechtige handeling, alle heerlijkheid van het hemelse lichtrijk in deze offerruimte neerdalen.
Eindelijk! Een dag waarop het hemelgordijn tot diep op de horizon wordt neergeschoven en een zoele wind de kilheid tot zelfs uit de donkerste hoekjes weet weg te vagen. Hoe innig is de jonge lentezon! Is het niet of zij met haar lichtgesprankel over de bodem rondwaart om te luisteren, wat de aarde haar met sprietjes en met bloempjes, met openspringende knopjes wil toe fluisteren?’
Dat is de dag van de krokussen! Nu staan zij daar en slaan de wanden van hun bloemgebouw ver uiteen. Hun innerlijkheid, eerst zo teer, vlamt nu op als in vurige geestdrift. En de gouden stijl, die bovenaan tot drie stempels uiteenzwiert, hij verheft zich tot zijn hoogste gloed en praalt nu temidden van de zonnezoelte.
O, dat veldje! De bodem is nog grijs en kaal, maar van afstand tot afstand laait ons zulk een bloem als een vlam tegemoet. Het lijkt wel een veelstemmig gejubel, dat uit de stilte zachtkens gaat opklinken. Nu schijnt zelfs de geringste terughouding zoek. Zou er ooit een overgave, ooit een zaligheid groter kunnen zijn dan deze?
En toch: deze planten vergooien zich nooit. Zij zijn niet lichtzinnig als zo vaak de onbezonnen jeugd. Zij lokken uit het licht alleen de donkere hommels naar zich toe, die zwaar zoemend van ernst hun harige lijven voortdragen. Zie hoe driftig ze duwen en dringen! Zie hoe ze met hun woeste kracht de teerheid der bloem dreigen geweld aan te doen! Eigenlijk zijn ze zo goedmoedig, maar ze moeten wel wat wroeten om tot de bloembodem neer te kunnen duiken en daaronder in drie donkere holen de nectar te zoeken.
Al lijkt het ook of de krokusbloemen heel hun innerlijk uitstorten in het licht, toch doen zij dit nooit zonder voorbehoud. Zelfs wanneer de zon hun volop tegemoet komt, houden zij hun nectar toch nog diep in hun schoot verborgen. Zo blijft dit kostbare vocht voor onwaardige indringers beter behoed, dan alle tempelschatten uit de oudheid ooit waren. En zodra de zon zich weer met sluiers omhult, of wanneer zij ’s avonds in de aarde neerdaalt schuiven zij hun wanden langzaam toe. Iedere nacht staan zij daar weer met hun heiligdom gesloten.
En dan lijkt het wel of zij even mat als voor de bloei zouden willen schijnen, maar de kleurengloed is niet meer te dempen en straalt nu zelfs door de dofheid der wanden heen.
Onder de bodem gaat het veel rustiger toe, maar toch gebeuren daar veel merkwaardige dingen. Daar wordt ieder jaar een vaste knol, met meel geladen, gevormd. In het voorjaar, bij het uitlopen, wordt deze opgeteerd tot er slechts een weke weerzinwekkende massa over is, maar na de bloei wordt bovenop de oude weer een nieuwe knol gesmeed. Deze stuurt aldra stevige wortels omlaag, die zich eerst in de bodem verankeren en die zich daarna samentrekken, tot de jonge knol op de plaats van de oude komt te liggen.
Al die heerlijkheid van de krokusbloem is mede een getuigenis van de verhevenheid van haar land van oorsprong, van de hoge alpenweiden. Daar lukt het de zon, ondanks de felheid van haar licht, pas laat in het jaar de grond van het sneeuwkleed te bevrijden. Heel langzaam wijkt dit terug rondom de eerste donkere plekken. Als een streling zijn deze voor het oog, dat gewond is door het schelle sneeuwlicht. Maar dan is het ook alsof er een hemels gejubel verrijst, eerst stil, maar geleidelijk steeds luider. Zo groot is de heerlijkheid van al die bloemen, die bijna onmiddellijk uit de bodem ontluiken, van al deze liefelijke sterrenvormen, van deze betoverende kleuren!
Lager tegen de hellingen en onderin het dal, waar de bodem meer kracht heeft, is het alsof in de vaste stammen van de bomen de aarde omhoog rijst om de hemel veel ruig woekerend leven tegemoet te dragen. Hierboven heerst het licht, en het plaatst met wonderbaarlijke edelsmeedskunst de bloemen gelijk fonkelende stenen in het doffe materiaal van de aarde.
Hoe zou de krokus anders kunnen doen, dan ieder voorjaar opnieuw haar verwantschap met deze toverwereld te tonen door haar bloemen op te laten vlammen in het licht van de hoogte? Hoe zou zij die voorjaarszon kunnen weerstaan? Elke dag verrijst zij wat hoger en opent zij haar bronnen van glans nog meer en steeds meer laat zij haar wezen in eindeloze stromen van licht naar buiten vloeien. Als een ontluikende bloem is zijzelf. En zij verlokt de krokus te doen als heel de aarde: de openbaring van haar glorie te beantwoorden met een echo van heerlijke schoonheid.
Maar nauwelijks is de bloei voorbij, nauwelijks is de vlam van de overgave uitgebrand, of de krokusplant wendt zich tot de diepte. Zoals eerst de bloem gelijk een kleine zon de grote zon tegemoet straalde, zo wordt nu in de aarde een ding als een kleine aarde gevormd. En zoals dit ding zich tegenover de grond om zich heen afrondt, zo is eens in een ver verleden de aarde in de kosmos vereenzaamd geraakt. Eerst leek de krokus wel uitbundig te zijn als een jongeling, die vervuld is van geestdrift en gloeiende idealen. Hij zou wel in één sprong het hoogste willen bereiken. Maar nu, nu zij haar knol vormt, lijkt zij wel bezonnen te zijn als een oudere mens, die in smarten geleerd heeft hoeveel geleden moet worden eer dat ook maar iets in het leven verwerkelijkt kan worden.
Te midden van de ijle schoonheid van de bovenwereld vlamde de krokus krachtig op, zonder zichzelf te verliezen; te midden van de duistere dichtheid van de bodem smeedt zij nu voor zichzelf sterke werktuigen, zonder zich voor altijd van de omgeving af te sluiten. Konden wij slechts iets van dit verheven evenwicht in ons zelf en in onze samenleving verwerkelijken! De krokus toont ons een beeld van het edelste en sterkste, waarnaar ieder, die waarlijk streeft, zou moeten reiken.
Maar niet alleen van de weg van de enkele mens spreekt de krokus, ook van de gang van de hele aarde. In het laaien van haar bloem draagt zij een voorspelling van de tijd, waarin al de aardse dingen tot een nieuw geeststadium zullen opvlammen. Of eigenlijk zou men niet van een voorspelling, maar van een voorspiegeling moeten spreken: wat eens in de verste verten der tijden moet geschieden, voltrekt de krokus reeds nu in beeld. En in de verdichting van haar knol bootst de krokusplant steeds weer de gang van het aarde-verleden na. Steeds opnieuw wordt uit de ijle bewegelijke substanties een hard rond ding verdicht. En wanneer dit ding een tijd gerust heeft en eenzaam is geweest, wordt een deel door de opbloei van al dat schoons, dat tot ons spreekt van de dingen van de toekomst, opgeteerd, terwijl een ontbindende rest terzijde wordt gestoten.
Zo worden in het voorjaar beelden voor ons geplaatst van heel de aarde-ontwikkeling en van de mens te midden van dit geheel. Deze beelden zijn zeer liefelijk, maar toch spreekt er een machtige maning uit tot de mens, die klopt aan de poort van de toekomst: ‘Alleen hij zal deze deur zien opengaan, die de hoogste geestdrift voor al wat worden wil, laat opvlammen uit de diepste trouw aan al het gewordene’.
Frits Julius in Jonas, 23-01-1971
0-0-0
EGEL
Egelstelling – Het zal wel een dikke dertig jaar [artikel is uit de jaren 1970] geleden zijn dat deze fraaie term de woordenschat van onze taal is komen verrijken. En hoe groter de fanfares waarmee het in de destijds schamele kranten verscheen, hoe hoopvoller je onder elkaar gniffelde, hoe sterker gespannen je door alle storingen heen luisterde naar het ietwat gammele en degelijk verstopte restant van je radio. Want je wist: hoe „sterker” de egelstelling, hoe groter de omsingelde Duitse troepenmacht. Dat gaf dan weer een beetje moed
Maar nu iets heel anders: Hoe kwamen die mensen op het woord? Het moet wel afkomstig zijn geweest van iemand die gewend was goed uit zijn ogen te kijken in de natuur, van iemand die wist hoe een opgerolde egel zijn stekels naar alle kanten kan uitzetten om aldus een soort onneembare veste te worden. In tijden van gevaar, maar ook in perioden van verhoogde kwetsbaarheid zoals de winterdag.
Scharrelen
Van de zomer nog hoorden we vriend (of vriendin, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien) egel nogal eens ’s avonds scharrelen. Bepaald luidruchtig was hij of zij dan bezig tussen dor blad en ruigte in de tuin, gewoonlijk in de zo diepe schemering dat ook „onze” ransuil het tijd vond om (geruisloos) op jacht te gaan, richting spreeuwenbosje.
Maar in het najaar kwam er verandering. Geen gestommel en gerommel meer tussen het blad. Maar toen de buurman op een avond thuiskwam, zag hij in vrijwel donker een egel slepen met een rietstengel. Voorzichtig heeft hij de sjouwerman of -vrouw gevolgd en hij zag hem of haar binnen gaan in het al lang leegstaande kippenhok. De volgende avond wij daar samen op wacht, en jawel, er werd weer ijverig gezeuld met riet, stro en stukjes krantenpapier.
De rest vermoedt u natuurlijk al: Er is daar in een hoek van die aftandse kippenwoning een hoge koepel van stro, veertjes, dorre bladeren en stukjes papier verrezen. Een echte egelstelling waarin je door het nauwe toegangsgat de bewoner kon zien liggen; natuurlijk opgerold en met uitgezette stekels.
Het was inmiddels goed guur geworden. Voorzichtig met een stokje tegen de slaper of slaapster duwen had geen enkel gevolg. Dus was het egeltje zijn lange slaap, zijn winterslaap ingegaan; en dat is iets heel anders dan de gewone dagelijkse slaap. Want bij het beginnen van zo’n winterslaap – altijd in goed dikgegeten toestand – daalt de temperatuur van het dier tot ver beneden de normale waarde van omstreeks 35 gr.C. Zijn hartslag en ademhaling worden véél trager en voorlopig is zijn temperatuur gelijk aan die van zijn omgeving, misschien een graad of zes. zeven.
Krijgen we echte kou en zal het ook in dat oude kippenhok misschien gaan vriezen, dan wordt de egel ook kouder. Maar….zijn temperatuur komt nooit onder de 5 gr. C. In deze toestand blijft hij als het ware op een laag pitje verder leven, heel zuinig zijn vetvoorraad opgebruikend. Totdat het misschien al te bar wordt met de kou. Dan kan er iets merkwaardigs gebeuren.
Heel langzaam (in 2 à 5 uur) wordt de egel wakker. Door hevige spierbeweging in de vorm van sterk rillen, vijzelt hij onbewust zijn temperatuur op tot 35 gr. En zo, weer even helemaal gewoon levend, gaat hij op zoek naar een betere schuilplaats. Om daar opnieuw in winterslaap te vallen tot de lente komt.
Maar veel jonge egels, met weinig reservevoedsel, redden het niet. Die sterven in een koude winter. Broodmager en letterlijk uitgeleefd.
Kees Hana, buiten kijken
0-0-0
EGEL
Egels vertrouwen teveel op hun stekels, zeggen ze
Het leek of er niets aan de hand was met de egel die ik zojuist had aangereden. Het was mijn schuld. Bij het schijnsel van de koplampen stond ik hem te bekijken. Een mooi volwassen dier, iets meer dan een kilo. Geen uiterlijke kwetsuren, zelfs geen druppeltje bloed uit zijn bek. Egelvlooien sprongen op mijn handen. Die hadden onmiddellijk in de gaten wat ik niet wilde geloven: hun gastvrouw was dood. De teken achter de oren van mijn slachtoffer hielden nog even vast. Met teken moet je een beetje voorzichtig zijn. Die houden ook van mensenbloed. Egelvlooien niet. Na een kleine verkenning op mijn huid verdwenen ze dan ook in het gras.
Toen ik stond te overleggen wat ik met het dier moest doen — mee naar huis nemen, aan de kinderen laten zien en een rituele begrafenis onder de vlierstruik laten verzorgen, of gewoon in het gras leggen — kwam een veel kleiner egeltje uit de berm scharrelen: Een miezerdje, dat me kennelijk wel rook — neusje omhoog en snuffelend de omgeving aftasten – maar me niet zag.
Toen ik een keer hard op de grond stampte, rolde miezerdje zich onmiddellijk op tot de bekende stekelbal. Egeltjes horen goed en zijn nogal schrikachtig.
Het dode dier legde ik in het gras en Scharminkeltje, dat helemaal niet zo schuw was, nam ik tussen jas en trui mee naar huis. We proberen hem daar met meelwormen, rupsen, vette spinnen, melk en havermout nog klaar te krijgen voor de winterslaap. U hoort nog van Scharminkeltje en ons.
Heel wat
Het zal niemand ontgaan zijn dat er in deze tijd van het jaar heel wat egels op onze verkeerswegen aan hun einde komen. De vraag hoe dat nu mogelijk is, kent heel wat antwoorden. Het is bekend dat egels zich graag bij wegen ophouden omdat die – hoe tegenstrijdig dat ook klinkt – een flinke hoeveelheid voedsel opleveren. Voedsel dat bovendien niet gevangen hoeft te worden, omdat het snel en pijnloos is gedood door het verkeer. We denken aan slakken, kevers, kikkers, hagedissen en al wat er verder nog maar onder de wielen kan komen.
Een ander antwoord is, dat egels nogal kouwelijk zijn aangelegd. De rugstekels – ze zijn een tot anderhalve, centimeter lang – bieden weinig isolatie en dat geldt ook voor de spaarzame beharing onder de stekels en van de buik. Wat is er voor een egel dan lekkerder om ’s nachts rond te scharrelen op een weg die de warmte van de dag nog vasthoudt.
Egelstelling
Een derde verklaring lijkt nogal voor de hand te liggen. Buiten grote roofvogels en bunzings – beide zeldzaam in ons land — hebben egels geen natuurlijke vijanden. Bij naderend gevaar rollen ze zich op en zetten hun rugstekels op. Wie doet ze wat? Een opgerolde egel is ongenaakbaar. Behalve voor auto’s. Egels zouden zoveel vertrouwen in hun „egelstelling” hebben, dat ze zich domweg oprollen bij een aanstormende auto. Toch geloof ik er niet in. De egel die ik aanreed, rende als een in paniek geraakte poes – en met net zo’n snelheid – naar de verst verwijderde berm. Andere egels die in de loop der jaren voor mijn koplampen zijn opgedoemd deden het precies eender.
Er doen heel wat misverstanden de ronde over egels. Ze vrijen bijvoorbeeld lang zo voorzichtig niet als het bekende mopje ons wil doen geloven. En ze paren ook niet staande met de buiken naar elkaar toe zoals de oude volksverhalen zeggen. Bij de paring heeft het vrouwtje haar stekels plat liggen en dan kan er niets anders gebeuren dan dat er na een goede maand jongen komen. Die hebben al stekeltjes, maar die liggen in de weke huid verborgen. Niets aan de hand.
Bij de koeien
Egels zouden koeien melken. Het is een verhaal dat ik onlangs nog hoorde van een veehouder bij ons in de buurt. Toch is het niet waar. Maar egels zoeken graag in de buurt van een grazende koe. Een grazende koe is zo’n onruststoker dat talloze insecten voor hem weg springen. Die zijn dan weer makkelijk te vangen voor de egel. Het is zelfs niet waar dat alle egels verzot zijn op melk. Aan de andere kant… een doodserieuze bioloog heeft bekend gemaakt dat egels gaarne drinken, uit een door hem ter beschikking gestelde kunstspeen!
Zo schijnt de fabel dat egels op hun stekels gevallen appels naar hun hol brengen ook een grond van waarheid te hebben. Er bestaan in ieder geval twee foto’s, gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften waarop een egel met een appel op zijn rug staat afgebeeld.
Zoek het maar uit. Als u overdag eens goed gaat zoeken onder de heggen bij u in de buurt vindt u uw studie-object wel.
Op stap met Jan van Gelderen
0-0-0
BLADGALLEN
.
Van zeer veel bomen is het blad nu reeds gevallen en bij de andere zal hetzelfde binnenkort geschieden, voor zover ze niet tot de „evergreens” behoren. Daarmee heeft het blad dan voor de boom zijn taak vervuld. In de kringloop der natuur is zijn rol echter nog lang niet uitgespeeld. In de bossen, waar het blad op de grond blijft liggen, wordt het aan een proces onderworpen, waarbij de in het blad aanwezige stoffen geleidelijk aan door bacteriën, schimmels en paddenstoelen worden afgebroken. Er ontstaan dan eenvoudiger stoffen, die in verschillende vormen in de grond gaan voorkomen en ten slotte weer door de bomen als voedingsstoffen kunnen worden opgenomen. We zien hier dus een duidelijk voorbeeld van de kringloop van de stof in de natuur.
Hoe snel die afbraak zich voltrekt, hangt van allerlei omstandigheden af. Allereerst speelt de boomsoort, waartoe het blad behoort een voorname rol. Bij sommige soorten heeft de afbraak reeds snel plaats. Wie de lotgevallen van het afgevallen berkenblad volgt, zal ontdekken, dat het reeds na enkele weken voor een groot deel vergaan is.
Bij eiken en vooral bij de Amerikaanse eiken, verloopt een en ander bijzonder langzaam. Wij hebben twee van die eiken in de tuin en wanneer ik het blad tot volgend voorjaar laat liggen, heeft het nog hetzelfde uiterlijk als in de voorafgaande herfst. Er zijn ook bladeren, waarbij het bladmoes vrij snel verteert en waarbij de nerven heel lang gespaard blijven. Op deze wijze ontstaan fraaie skeletten, die zich zeer goed lenen tot het maken van verfspuitafdrukken op papier.
Het afgevallen blad is niet alleen van belang voor de kringloop van de stof, doch het is tevens een prachtige aanleiding tot een bepaalde vorm van natuurstudie. Op de neergedwarrelde bladeren treffen we dikwijls allerlei natuur voorwerpen aan, waaraan een boeiende biologische geschiedenis ten grondslag ligt. Ik doel hierbij op de vele soorten gallen, die op bladeren kunnen worden aangetroffen.
Het meest bekend zijn ongetwijfeld de galappeltjes op eikenbladeren, die ieder wel eens gevonden zal hebben. Nu zijn de eiken de bomen, waarop het grootste aantal gallen voorkomt. Bij de moseik blijft het aantal tot een viertal beperkt, terwijl op winter- en zomereik vele tientallen soorten gallen gevonden kunnen worden.
Ze komen op alle delen van de boom voor. Allereerst zijn er de wortelgallen die niet alleen op de wortels zitten, maar tevens op de grens van wortel en stam. Dan zijn er de stamgallen, vooral voorkomende aan de voet van de stam. De takgallen bevinden zich aan de eenjarige en oudere takken van de eik. Knopgallen en vruchtgallen ontwikkelen zich op de plaatsen, waar we de knoppen of de vruchten zouden verwachten. Vele soorten gallen ontstaan in de mannelijke katjes of in onderdelen daarvan en om die reden worden ze meeldraadgallen genoemd.
De bladgallen, die we op de bladeren van de eiken kunnen vinden, zijn zonder twijfel het bekendst en zij laten zich op het afgevallen blad ook het gemakkelijkst bekijken en verzamelen.
Bijna alle gallen van de eik worden verwekt door galwespen en dit geldt ook voor vrijwel alle bladgallen. Een klein aantal bladgallen bevindt zich aan de bladsteel, die dan op de een of andere wijze vervormd is. De meeste gallen zitten echter op de bladschijf. Hiervan is het gewone galappeltje heel bekend. Het is knikkervormig, een tot twee centimeter in doorsnede, groen en vaak wat rood aangelopen. Wie zo’n appeltje openmaakt, zal binnenin een larvekamer ontdekken, waarin de ontwikkeling van de galwesplarve zich voltrokken heeft. De appeltjes vallen met het blad van de boom en de galwespen komen dan in oktober of november uit het appeltje te voorschijn, soms ook tegen het volgende voorjaar.
De galwespen blijken uitsluitend wijfjes te zijn. Ze leggen hun eitjes in slapende knoppen aan de voet van de eikenstammen en doen uit die knoppen kleine galletjes ontstaan. Ze zijn slechts 2 millimeter in doorsnee en dragen een dicht fluwelig haarkleed. Ze zijn eerst rood en later donker violet. Vanwege deze eigenschappen worden ze paarse fluweel-galletjes genoemd.
Uit deze gallen verschijnt in mei of juni een tweede generatie van galwespen, die zowel uit mannetjes als wijfjes bestaat. Na de bevruchting leggen de wijfjes wederom eitjes op de nieuwe eikenbladeren en daarmee is de kringloop van deze galsoort dan gesloten.
Wanneer er bij galwespen twee generaties per jaar optreden, spreekt men van generatiewisseling en dit verschijnsel doet zich bij meer soorten galwespen voor. Zo zien we ook nog kleine knoopvormige galletjes op het blad zitten, waarvan de galwespen tot in maart of april van het volgende jaar in de gallen blijven zitten. Ze zijn alle van het vrouwelijk geslacht en leggen in het voorjaar eitjes op de eikelbladeren. Ze doen kleine puistvormige galletjes op het blad ontstaan, waaruit in juni de tweede generatie komt, die weer uit mannetjes en wijfjes is opgebouwd. De wijfjes zorgen ervoor, dat in het najaar van 1980* weer knoopgallen op het eikenblad kunnen ontstaan. Ik zou de lezers willen aanraden tijdens een herfstwandeling het afgevallen blad van eiken goed te bekijken. U zult dan stellig nog meer galsoorten ontdekken, buiten de twee die ik hier reeds noemde.
Om maar met de deur bij u in huis te vallen en strikt eerlijk te zijn: wanneer in de krant boven dit verhaal de titel komt te staan die ik er zojuist boven heb getikt, dan staat er een aperte onjuistheid in.
Ten eerste bied ik u hiervoor graag mijn nederige verontschuldiging aan en ten tweede zal het wel nodig zijn u de fout nader uit de doeken te doen. Wel, het zit hem in dat onschuldige – woord ‘sparrenbos’ een bos van sparren dus — en dat is, opgevat in de biologische betekenis van het woord, onbestaanbaar in Nederland.
Een bos
Ja, want in de eerste plaats is de spar een buitenlandse boomsoort, een „exoot” uit Noord- en Midden-Europa die van nature in ons land niet thuishoort. En in de tweede plaats is een bos — let wel: ,naar biologische maatstaven’ gemeten — veel en veel méér dan een verzameling bomen. Het is een ongedacht rijke levensgemeenschap van bomen en struiken en kruiden en mossen (om van de talloze organismen als paddenstoelen, schimmels en bacteriën niet te spreken), bevolkt met een wereld van de meest uiteenlopende diersoorten van heel groot tot microscopisch klein. Dit alles volkomen thuishorend op onze grond en in ons klimaat en, het belangrijkste van alles: zichzelf als gemeenschap prachtig in evenwicht houdend.
Bomenland
Vergelijk hiermee nu eens een sparren„bos” in Nederland. Ik wil er geen kwaad van spreken, want als aanplant van „gastbomen” die het bij ons meer of (helaas dikwijls) minder goed doen kan het toch zijn waarde hebben.
Maar een bos in de zin van één groot levend geheel met duizenderlei op elkaar ingestelde organismen, nee, dat is het nooit. Het blijft een cultuurbos, een stuk bomenland zoals je ook tarwe- of suikerbieten- of uienland hebt. Zonder voortdurende menselijke zorgen komt er niet veel van terecht. Om hiervan overtuigd te raken kun je niet beter doen dan sparrenbossen in hun natuurlijke omgeving bekijken, in de bergen, want een spar is geen laaglandboom.
Ananasjes
Maar goed, sommige van de planten en vooral dieren die onverbrekelijk bij de sparren horen zijn toch meegekomen naar onze aanplanten; en het moet gezegd worden: niet altijd de meest gewenste.
Een ervan — of liever: zijn werken — kunt u gemakkelijk te zien krijgen. Kijk er de laaghangende takken maar goed op aan en u ontdekt wel hier en daar eigenaardige verdikkingen die (met nogal wat fantasie!) op ananasjes van een paar centimeter lijken. Eigenaardige gevallen met openstaande holletjes en sterk vervormde naalden.
Sparrensap
Ananasgallen worden ze officieel genoemd en zoals met veel galvormingen het geval is, danken ook zij hun ontstaan aan een schijnbare onbeduidende oorzaak. Een kleine luis heeft eitjes gelegd in een sparrenkop, alleen met een loep zichtbare glimmende kogeltjes. Helemaal niets bijzonders zou je zeggen, maar onder invloed van deze nietigheden gaat er bij het uitbotten toch iets heel vreemds gebeuren. Het jonge lot en ook de naalden zwellen plaatselijk sterk op. Het „ananasje” ontstaat en in de tot kleine kamertjes vervormde holten tussen de naalden zuigen de luizenlarven sparrensap. Ze groeien, vervellen en worden volwassen. En wanneer in de zomerdag de kamertjes wijd openbuigen, komen de gevleugelde luizenwijfjes naar buiten.
De rest begrijpt u natuurlijk wel, maar ik zou u willen vragen in gedachten nog eens stil te staan bij die wonderlijke wisselwerking tussen de spar en zijn parasiet. Bij het raadsel van wat er nu in feite de oorzaak van zal zijn dat het jonge takje plaatselijk wordt verdikt en zijn naalden zo opzwellen. En — nog veel moeilijker — hoe in de loop van wellicht miljoenen jaren de luis en de spar zo op elkaar zijn ingesteld geraakt. Ik denk dat we het nooit zullen weten.
Uit het eikenhakhout stak hij zomaar brutaal over het smalle bospad, die ene twijg wiens bladeren volzaten met uit- en op-groeisels van allerlei slag. Gewone galappeltjes maar ook veel kleinere zaken; ronde plakjes met een keurig heuveltje in het midden en dikwandige kommetjes van maar een paar millimeter.
Dat moest wel in de gaten lopen en het bracht me ineens het inktflesje van vroeger thuis in herinnering. “Prima galnoteninkt” stond er op zijn etiket. Men gebruikte in die dagen (± 1920) het natuurproduct nog; zware, direct op het hout groeiende galnoten en de lichtere galappels.
Wespje
Over het geknoei met uitgeperste galappels en roestige spijkers om zelf zulke inkt te maken hoeven we het nu niet te hebben (het gaat overigens wel het beste met in weinig water even gekookte galappeltjes). De looistoffen, de tanninen, uit de gallen vormen met het ijzer een intens violetzwarte kleurstof; maar het grote raadsel is eigenlijk hoe dat hoge gehalte aan looistof in de gallen is terechtgekomen. En vervolgens hoe ze zijn ontstaan.
Een antwoord op deze laatste vraag kunt u krijgen door héél voorzichtig, aldoor iets dieper gaand, met de punt van’t zakmes een galappeltje middendoor te snijden. In het binnenste zult u een bolrond kamertje vinden en hierin huist — nog helemaal opgevouwen — een galwespje.
Zijn maten worden in millimeters gemeten en zijn kleur is donkerbruin — en straks in de voorwinter, als blad en gal al lang op de grond liggen, zal hij naar buiten kruipen.
Alleen dames
Hij? Nee, het is een „zij”.
Altijd, want deze generatie levert geen manvolk op. De dames kunnen echter wél levenskrachtige eieren leggen en dat gaan ze doen ook, bij zogenaamde slapende knoppen aan de voet van eikenstammen.
Als gevolg hiervan ontwikkelen die knoppen zich dan in de lente tot tenslotte prachtig paars behaarde galletjes van een paar millimeter. In hun binnenste leven de larven die uit de eitjes zijn gekomen en na een snelle ontwikkeling komen er al in de voorzomer nieuwe wespen naar buiten. Grut dat niemand als wesp herkent, maar nu van beiderlei kunne. Er wordt gepaard en er worden bevruchte eitjes gelegd op het jonge blad of in de ontluikende knoppen. En op de plekken waar de microscopisch kleine eitjes zitten, ontstaan galappels, vol sap dat een hoge concentratie aan tanninen heeft.
En die anderen?
De larven binnenin de appeltjes hoeven niet anders te doen dan maar van dit sap te zuigen om volwassen te worden en dat is minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Want de tanninen zijn niet anders dan versterkte suikers (voornamelijk glucose) en het laat zich dus horen dat dieren ervan zullen kunnen leven. Maar nu verder: die andere gallen op het blad, de heuveltjes en de kommetjes, hoe zit het daarmee? Wel, in zekere zin net zo. Ook zij zijn ontstaan rondom galwespeneitjes; maar het leven van die wespjes verschilt weer aanmerkelijk van dat van hun zusters uit de appeltjes.
De heuveltjesgallen bijvoorbeeld, groeien, eenmaal afgevallen met het blad, rustig verder. En pas na twee jaar zullen de wespjes eruit kruipen, mannetjes en wijfjes — en hun uitsluitend vrouwelijke nakomelingschap zal opgroeien in de kleine „besgallen”.
Bij dit alles zal de grootste vraag wel blijven: hoe komt de eik ertoe om op het ene eitje zus, en op het andere zo te reageren? Ronduit gezegd: daar weten we niets van.
Wollegras – ik mag wel beginnen met me tegenover alle serieuze plantenkenners en flo-ragebruikers te verontschuldigen voor het gebruik van deze naam, want wat men opgetogen vaak wollegras noemt, is veenpluis.
Toch eigenlijk een wat dwaze situatie. Er komen in ons land vier soorten wollegras voor. Daarvan zijn er drie zeldzaam tot zeer zeldzaam; ze heten eenjarig, breed en slank wollegras – en uitgerekend de ene die op vochtige heiden, in natte duinpannen en soppige veenmoerassen nog altijd veel voorkomt, die ene moet als veenpluis door het leven gaan.
Maar er is uitkomst, de wetenschappelijke naam: Eriophofum angustioólium. Want dat eerste woord komt van het Griekse erion ( = wol) en pherein (-dragen); en het tweede stamt uit het Latijn (angustus — smal en folium – blad).
Goede tijd
Maar om die naam te laten voor wat hij is, ik zou graag onder uw aandacht brengen dat het nu wel een heel goede tijd is om van het wollegras te gaan genieten.
Dat is dan vrijwel uitsluitend weggelegd voor wandelaars en fietsers die de kleine paadjes en veenkaden weten te vinden, onverschillig of ze die zoeken in het Hollands-Utrechtse plassengebied of in de onvolprezen Overijsselse noordwesthoek, in onze schaarse nog vochtige duinen of op een heide met natte plekken.
Hoe dan ook, vooral in de veenmoerassen is het nu de goede tijd omdat de verdere vegetatie nog niet al te hoog is opgeschoten en je dus volop kunt genieten van die zijdeachtige witte pluizen. Waar er maar genoeg bij elkaar staan, lijkt het wel of er een voortdurend beweeglijke, glinsterende schuimlaag over het moerasland ligt; een laag waar al rietspruiten en lisbladeren doorheen priemen – beloften voor straks.
Intussen bestaan er een paar wijd verbreide misvattingen aangaande het wollegras/veen-pluis. Natuurlijk, want het ligt zo voor de hand om dit plantje met zijn grasachtig smalle bladeren „gras” te noemen Maar, plantkundig gezien is het niet juist. Er zijn zo duidelijke verschillen, voornamelijk in de bouw van de bloemen dat het wollegras bij een afzonderlijke familie is ingedeeld, die van de cypergrassen. Wie het helemaal degelijk wil napluizen, moet er de flora maar bijhalen.
Mis
En dan is er nog iets: je hoort nogal eens mensen zeggen dat ze het wollegras zo mooi vinden terwijl het volop bloeit. Mij best, maar wanneer ze hiermee de toestand met de witte pluizen bedoelen, hebben ze het mis. Want de bloei is al lang voorbij. Die verliep bijna onopgemerkt heel vroeg in de lente. Toen waren de nu zo slanke wiegende stengels nog maar erg kort en ze droegen aan hun toppen ietwat propperige aartjes, waaruit bosjes gele helmknoppen van de meeldraden en ook draaddunne stampertjes te voorschijn kwamen. De nauwelijks met het blote oog zichtbare bloemdekblaadjes waren toen al sterk gerafeld; en deze rafels zijn nu uitgegroeid tot de lange witte haren die een rol spelen bij de verspreiding van de vruchtjes. Vruchtpluis dus, en geen bloemen.
Het is met planten in zekere zin wel net als met mensen: je hebt gezeten burgers en rusteloze zwervers die alleen het leven lijken te kunnen houden bij eindeloze verandering. De rondtrekkende scharensliepen en ketellappers en de schilderachtige landlopers van onze jeugd zijn weggewerkt(tenminste grotendeels) door onze keurig gladgestreken welvaartsmaatschappij, maar — de hemel zij dank! –hun nazaten-in-de-geest zijn springlevend.
Wie het ware zwerversbloed heeft, raakt het gelukkig nooit meer kwijt. Dat geldt ook voor het „onaanzienlijke” grasje dat ik bjj deze minzaam in uw belangstelling aanbeveel.
Kieskeurig
Let maar niet te zeer op die nogal onmogelijke naam zanddoddegras en laat het u ook maar niet deren dat de wetenschappelijke aanduiding Phléum arenarium althans ten dele nietszeggend is. Want de heer Linnaeus die het zo verschrikkelijk druk had met namen geven aan duizenden planten en dieren, die heeft doodleuk de naam van de Griekse moerasplant Phleös gelatiniseerd tot Phléum — en hém vervolgens aan de kleine zwerver van het kale, woestijnachtige duinzand gegeven. Alleen in dat woord arenarium herkent u natuurlijk meteen het Latijnse arena: zandvlakte.
Dat hoort dan wel echt bij dit kleine zwerfgrasje omdat het misschien tegen uw verwachting in, beslist niet overal te vinden is. Ja, sterker nog, die kleine Phléum met zijn dichte polletjes die gewoonlijk niet hoger dan tien, vijftien centimeter zijn (en soms nauwelijks de 5 cm halen), dat is een kieskeurige persoonlijkheid. Zijn woonzand moet liefst open en kaal zijn, beweeglijk in de wind en niet te arm aan kalk.
Laksteeltje
Vanwege dit laatste vind je hem in de vastelandsduinen vooral bezuiden Bergen („hoven” bij deze plaats begint het kalkarme duinzand). En op kalkarme Waddeneilanden kan hij het soms (net) houden door de kalktoevoer via meeuwenmest bij de grote broedkolonies. En regelmatige overstuiving met vers strandzand kan hem ook in moeilijke gevallen op de been houden.
Intussen verzekeren de floristen ons dat dit zeer algemene grasje van ouder op ouder uit’t zuiden moet stammen, dat het afkomstig zal zijn van de stranden in het Middellandse Zeegebied, en dat het al zwervend langs de Atlantische kusten onze duinen heeft bereikt: wie weet hoe lang geleden. Maar dergelijke zwerverijen zijn ook nog steeds gaande!
Zo vonden we in mei 1937 eens een heel vreemd en ons onbekend klein gras op „roerig zand” achter de Texelse zeereep. Een expert determineerde het voor ons: Catapodium loliacem (recentelijk gewijzigd in C. marinum, uit het verre zuiden. Jawel — maar op het ogenblik staat deze knaap terecht in de Nederlandse flora’s en hij heeft zelfs een leuke vaderlandse naam: laksteeltje, vanwege zijn lakrode stengeltjes. Hij is op natuurlijke wijze ingeburgerd, iets wat het zanddoddegras al wie weet hoe lang geleden moet hebben gepresteerd.
Met loep
En nu iets anders: noch het laksteeltje, noch doddegras zijn vaste planten. Eenjarigen zjjn het (al verloopt hun ontwikkeling ook niet binnen een kalenderjaar). In het najaar of in de winter kiemen ze, bloeien doen ze in voorjaar of vroege zomer, snel erna rijpt hun zaad en voordat je er weet van hebt, is het hele plantje verdwenen; verdord en weggewaaid. Van de (droge zuidelijke) zomer moet het niets hebben.
Maar zover is het nog niet, de kleine krielen met hun van beneden naar boven aldoor kortere blaadjes staan nog in bloei. Met licht en donkergroen gestreepte katjes waartussen elke morgen nieuwe meeldraden naar buiten komen. Nietige schoonheden die van dichtbij bekeken willen worden (graag met een loep) en die straks hun zaadjes weer her en der laten zwerven, onrustig als alle zwerversvolk.
Wat heeft moeder natuur het deze winter toch uitzonderlijk goed met ons voorgehad. Het leek wel, of het niet meer kon gaan vriezen — hoewel ik me na de sneeuw van gisteren afvraag, wat ons in maart en april nog te wachten staat en of we nu zomaar de lente binnen zeilen.
Het zijn waarlijk niet alleen de sneeuwklokjes en de winterakonieten, de vroege primula’s en de scilla’s in onze tuinen, die het druk hebben met de vroege lente. Want ook in, wat we dan maar met een zwaar overtrokken eufemisme „de vrije natuur” zullen noemen, zijn de eerste bloemen er al: de helgele „paardenbloemetjes” van het klein hoefblad. Gaat u maar kijken.
Overal
Waar? Ach, bij voorkeur op open, kale stukken grond, zoals meer of minder bouwrijpe industrie- en stadsuitbreidingsterreinen, nog niet in cultuur gebracht polderland, dijkhellingen, kleiputten, mergelgroeven, randgebieden van vuilnisbelten en wat dies meer zij aan althans voorlopig verwaarloosde gronden. Overal dus op zogenaamd overgeschoten plekken.
Ze zullen er zijn, de eerstelingen; en in de komende weken zullen er honderden, duizenden van die stralend gele bloemen staan te gloriëren, terwijl de kuifleeuweriken — ook al onafscheidelijke vrienden van dergelijke kunstmatige woestijnlandschappen — hun schelle liedjes laten horen en er bijen, vliegen en zelfs vlinders op al die bloemen afkomen. Omdat ze een heel klein beetje honing te bieden hebben; en honing is een schaars artikel zo vroeg in het voorjaar.
Parachutes
Vreemd eigenlijk, al die bloemen op hun viltachtig behaarde stelen-met-bruine-schubben zonder dat er ook maar iets van blad valt te bekennen. Goed, dat komt later wel opzetten (en hoe!); maar wie dit zegt, heeft het strikt genomen bij het verkeerde eind. Want wel verschijnen hier de nogal hoekig hoefvormige bladeren later in de lente dan de bloemen, maar dat zijn dan bladeren van spruiten die pas in het volgende jaar zullen bloeien.
Wat nu bloeit, heeft dus in de vorige zomer zijn blad gehad. En wanneer straks de kleine (een-zadige) vruchtjes aan hun pluizige parachutes zijn weggewaaid, betekent dat het eind van het lied voor wat nu bloeit. Het sterft af, maar tegelijkertijd ontwikkelen de sterk vertakte onderaardse wortelstokken nieuwe spruiten en legio zijtakken. Spruiten met bladeren die in de herfst alweer de knoppen voor bloemhoofdjes klaar hebben om meteen te kunnen reageren als het in het volgende jaar lenteachtig gaat worden.
Bij dit alles is het natuurlijk overbodig te zeggen dat, wie van het land moet leven, het kleine hoefblad hartgrondig verfoeit, tenminste wanneer het zich in zijn bouwland heeft genesteld. Ja, en dat kan heel gemakkelijk gebeuren, want waar een beetje lekkere grond is, kleiig of zandig, liefst een tikje kalkhoudend en in ieder geval vochtig, daar brengen de aangewaaide zaadjes hun kiemkracht van ongeveer 90 %. in praktijk. Kale rivier- en plasoevers geven dit soms heel mooi te zien.
Kruidenzoekers
Maar er zijn ook lieden die het kleine hoefblad met bijzondere genegenheid bekijken, te weten kruidenzoekers.
Het plantje bevat namelijk slijm-, bitter- en looistoffen; en de combinatie van deze drie moet er volgens de kenners verantwoordelijk voor zijn dat het helpt tegen hoest en erger.
De oude Griekse heelmeesters waren hier al van overtuigd, maar ook op dit ogenblik zijn in sommige ouderwetse drogisterijen de gedroogde bloemen en bladeren nog te koop. Om er — afgrijselijk smakende! — thee van te zetten en die dan te drinken tegen de hoest.
Of het helpen zal, ik durf het niet te zeggen. Maar in ieder geval is de officiële naam van het kleine hoefblad „de .hoestverdrijver”. Want het wetenschappelijke Tussilago is afgeleid van tussis = hoest en agere = verdrijven. Aan u om de proef eens te nemen. Proost!
Dochters die voor hun vader ter wereld komen. Ach ja, je hoort tegenwoordig zoveel vreemde dingen, waarom dan dat ook niet, zult u zich misschien afvragen. Maar het gaat hier helemaal niet over iets van de tegenwoordige tijd. Het gaal om een naam, een plantennaam, in kort en goed Latijn te vinden in Middeleeuwse kloosterboeken.
Die naam luidt Filiae ante Patrem en dit betekent: de dochters vóór de vaders. Helaas is deze schilderachtige aanduiding van de gebeurlijkheden bij een plant in de loop der tijden finaal verloren gegaan. Ons hedendaagse (planten-) Latijn noemt de plant in kwestie tenminste heel anders: Petasites hybridus. En in ons eigen Nederlands zeggen we „groot hoefblad”.
„Rabarherbladen”
Dat Petasites zal wel een latinizering zijn naar aanleiding van het Griekse „petasos”, een breedgerande hoed. Het zinspeelt stellig op de enorme bladeren die… ja juist, daar hebben we nu het geval van de vaders die na hun dochters verschijnen. Want deze geweldige „rabarberbladen” van vochtige landjes en waterkanten, zij vormen wat de middeleeuwers voor de eigenlijke planten aanzagen — en zij zullen pas boven de grond komen wanneer er van de in deze lenteweken bloeiende pluimen (de dochters) weinig of niets meer valt te bekennen.
Nog even verder over die bladeren gesproken: het zijn de grootste in het rijk der kruidachtige planten van Nederland en je kunt ze (omgekeerd) prachtig gebruiken als royale regenhoeden. Daarbij komt dan meteen aan het licht dat ze aan hun onderkant een dicht en wollig vilt dragen. Dat schijnt een niet onbelangrijke rol te spelen in de waterhuishouding van die reuzenbladeren; het helpt de verdamping door de aan de onderkant zittende huidmondjes regelen.
Tegen reumatiek
Intussen schreven de Middeleeuwse monniken natuurlijk niet zomaar over hun Filiae ante Patrem. Belangstelling voor de natuur zoals wij die kennen, had men in hun dagen niet zozeer. Dat is te zeggen, er was wel belangstelling en zelfs een bijzonder grote maar deze was geheel en al gericht op de — geneeskundige — praktijk. Men ging ervan uit dat er tegen elke ziekte of aandoening een kruid gewassen was — en dikwijls óók, dat ieder kruid heilzaam zou zijn tegen het een of ander.
Wel, en groot hoefblad werd dan gezien als middel tegen aandoeningen van de luchtwegen, tegen reumatiek, ter bevordering van de urine-uitscheiding en (uitwendig gebruikt) tegen woekerende zweren. Het ging dan echter niet zozeer om de bladeren alswel om de ondergrondse wortelstokken. Tegen hoest en heesheid moest je die (gedroogd en gemalen) koken in wijn, vervolgens het brouwsel zoeten met een flinke hoeveelheid honing — en dan maar telkens kleine slokjes ervan nemen.
Waarbij ik — met groot genoegen terugdenkend aan de zalige likkepotten die mijn vader vroeger voor ons maakte — sterk vermoed dat het de honing was die de genezing bracht.
De dochters
Maar goed, al of niet heilzaam, ik zou u willen aanraden in deze nog vrij kille lentedagen eens goed op de „dochters” van het gelukkig nog altijd veel voorkomende groot hoefblad te gaan letten. Ze komen uit de grond met prachtig rodekool-paarse stengels, die spitse en lange „schubben” dragen. Aan hun toppen zitten de eigenlijke bloemen of eigenlijk bloemverzamelingen, bloemhoofdjes, want groot hoefblad is een composiet en het heeft dus samengestelde bloemen.
Bijzonder
Maar er is aan die bloemhoofdjes nog iets bijzonders. Je vindt hele groepen planten met uitsluitend mannelijke bloemen, = waarbij de meeldraden volledig = zijn ontwikkeld, maar het kan ook gebeuren dat je in gezelschappen van vrouwelijke planten verzeild raakt. Die hebben dan nauwelijks meetellende meeldraden en goed uit de kluiten gewassen stampers.
Ik geef toe dat het een hele pluizerij is (met de loep) om het hele geval uit te vissen. Maar wie de moeite neemt, vindt altijd iets merkwaardigs: een paar mannelijke bloempjes in ieder vrouwelijk hoofdje, of een paar dames te midden van een groot aantal heren. En het waaróm hiervan weet nog niemand.
Op een van die stille, zonnig-heiige oktoberdagen dwaalden we door het Bruegeliaanse landschap van ons zuidelijke heuvelland. Zomaar. Om vreugde te beleven aan de fijne tekening ervan en aan de herfstige kleuren. Aan het matte okergeel van een vak lorken tegen de donkergroene achtergrond van een sparrenbos, aan het vlammende oranjebruin van zware beuken in een hellingbos en aan de bijna citroengeel verkleurende populieren die in lange, naar de kim wegdeemsterende slierten de wijde dalen stonden op te sieren.
Nuchter beschouwd vindt u deze hele grote gebeurtenis van de herfstkleuren en het vallende blad misschien wel doodgewoon. Ze doet zich immers ieder jaar opnieuw voor, zij het de ene keer wat overweldigender dan de andere; en als deelnemer aan ons jachtige, zich voor een groot deel in stenen steden afspelende hedendaagse leven, bent u wellicht geneigd er niet eens al te veel aandacht aan te besteden. En toch is het niet meer of minder dan één groot wonder dat zich aan al die verkleurende bomen en struiken daarbuiten voltrekt.
Neem de proef
Neem volgende zomer maar eens een eenvoudige proef om u ervan te overtuigen dat herfsttinten blijkbaar alleen in het najaar mogelijk zijn. Pluk maar een stel groene bladeren van verschillende bomen en struiken en droog ze eens onder lichte druk tussen wat vloeipapier of oude kranten. Goed, u zult ervaren dat het groen zijn frisheid verliest; maar het blijft groen en er verschijnen géén herfstkleuren. En dan nog iets: het moet in de zomerdag al heel hard waaien wil er werkelijk veel blad van de bomen losraken. Het zit dus stevig vast. Maar in de herfst valt het vanzelf!
Scheikunde
Ja, er is dan ook heel wat gebeurd – chemisch én technisch — voordat het blad aan afvallen toe is. Wat de scheikundige kant van de zaak betreft, die komt in grote trekken hierop neer: gewone groene bladeren worden gekleurd door vier stoffen, te weten chlorofyl a, chlorofyl b (beide groen), xantofyl (geel) en carotine (oranje). Het groen van het chlorofyl is echter dermate overheersend dat het hooguit een beetje van tint kan worden gewijzigd door xantofyl en carotine. Maar nu worden in de herfst die groene kleurstoffen afgebroken, zodat geel en oranje in de kostelijkste combinaties op de voorgrond treden. En vandaar dan de alom bewonderde herfsttinten.
Weefsellaagje
Tegelijk met deze ingrijpende scheikundige veranderingen is er intussen op ‘technisch’ gebied ook iets gaande – tenminste bij de bomen en struiken die hun blad onder normale omstandigheden verliezen tegen de winter. De hechte verbinding- tussen bladsteel en twijg wordt gaandeweg losser doordat er zich daar op de afscheiding een dun weefsellaagje van kleine cellen ontwikkelt. Tegelijkertijd raken de vaatbundels – je zou kunnen zeggen de aderen in de bladsteel – op die plaats verstopt door naar binnen groeiende draden en vliezen. Wat eens muurvast gekoppeld zat, komt door dit alles nog maar heel losjes aan elkaar te zitten.
Kurklaagje
En de losheid wordt dikwijls nog verergerd door het ontstaan van een uiterst dun kurklaagje aan de twijgkant van het klein-cellige weefsel — waarna het gemakkelijk kan gebeuren dat bladeren zomaar vanzelf en zonder dat er een zuchtje wind aan te pas komt loslaten en vallen als gevolg van hun eigen gewicht.
Een knauw
Misschien zegt u na dit alles te hebben gelezen dat het toch allemaal zo prachtig is geregeld in de .natuur. Ik zal de laatste zijn om zoiets tegen te spreken, maar de zaken zijn óók wel eens ontregeld. Zo hebben wij het eens meegemaakt in de Ardennen dat het in de herfstnachten tot 12 gr. C. vroor terwijl de beuken nog grotendeels groen waren. Toen kregen ze de tijd niet meer voor de chemische en technische veranderingen die broodnodig waren en dat gaf vele bomen een knauw. En het kan nog erger: als de liguster in uw heg overrompeld wordt door een snel invallende strenge winter, dan kan deze groenblijver het niet aan. Er is dan geen tijd voor het (snel) treffen van voorbereidingen. Hij droogt uit en sterft. Doordat het iets minder goed was geregeld in de natuur.
Kees Hana: Wonderen van de natuur
0-0-0
HOMMEL
Ze zijn er weer, die grote, kleurig behaarde insecten, die dof gonzend rondvliegen en de bodem afzoeken alsof zij iets kostbaars zijn kwijtgeraakt. De tuinhommel met zijn gele en witte banden, de zwarte steenhommel met de rode achterlijfspunt en de geelbruine moshommel zijn weer present, om drie bekende van de ongeveer 20 hommelsoorten in ons land te noemen. Zij vliegen traag en laag over de grond alsof hun bolronde lichaam te zwaar is voor hun betrekkelijk kleine vleugels. Soms ook landen ze met een plof op een bloem, die onder het gewicht van het insect doorbuigt. Dit verhindert de hommels niet in de zonderlingste standen de voorjaarsbloeiers hun honing te ontfutselen.
Het gaat allemaal erg traag en schijnbaar met tegenzin. Als ik zo’n hommel bezig zie, langzaam over een bloem klauterend er daarbij eentonig brommend, word ik er altijd een beetje slaperig van. Meer nog dan de marmot of de beruchte zevenslaper is de hommel voor mij het symbool van de luiheid. De kleurige koninginnen, die u in het voorjaar ziet, zijn in de loop van augustus van het.vorige jaar, dikwijls op een hete zomerdag, in de grond gekropen. In een warm holletje hebben zij hun vleugels en pootjes ingetrokken en zijn zij hun winterslaap begonnen, die zo’n kleine acht maanden duurt. Dezer dagen was ik er getuige van hoe een hommelkoningin na haar diepe rust haar nieuwe bestaan begint. Ik zag in de tuin een paar dorre bladeren op de grond in beweging komen zonder dat de wind in het spel kon zijn. Even later kwam, langzaam kruipend, een hommelkoningin tevoorschijn. Zij zag er nog een beetje verfomfaaid uit met vage zwarte, gele en witte beharing. Het eerste kwartier bleef het dier roerloos in de zon zitten. Daarna begonnen de vleugels te trillen en draaide de koningin zich een kwartslag om. Geleidelijk aan begon er meer leven in de hommel te komen. Na een paar vergeefse pogingen om te vliegen, begon het dier met uitgestrekte vleugels korte rondjes te lopen over het dorre blad.
Kleuriger
Merkwaardig was dat de hommel alsmaar groter werd en de beharing op borst en achterlijf steeds kleuriger. Na een klein uur was het een prachtige, diep glanzende hommel geworden, met drie fel gele banden en een sneeuwwitte achterlijfspunt, een tuinhommel dus. Toen het lichaam zo ver was opgezwollen dat het langzamerhand als een tafeltennisbal dienst kon gaan doen, begon het tot de koningin door te dringen dat haar een taak in haar bestaan was toebedeeld. Langzaam zette het gevaarte zich in beweging, de derde vliegpoging slaagde en als het ware hangend aan de vleugels zeilde de tuinhommel, laag boven het gras, enkele meters door de tuin. Daarop liet het dier zich in het gras vallen, waar het diep brommend over een dorre stengel kroop, die doorboog, zodat de koningin ruggelings op de grond stortte, waar zij bedeesd bleef zitten. Deze capriolen herhaalden zich nog ettelijke keren, daarmee bevestigend dat een hommelkoningin lichamelijk niet is opgewassen tegen de duizenden staketsels, die de natuur in de vorm van takken, graspollen, struiken en kuilen oplevert.
Blauw favoriet
Niettemin wist de hommel na enkele uren toch haar weg te vinden naar de bloemenbak achter het huis, waar het op een pol felblauwe violen neerplofte om hieruit gulzig de honing te peuren. Terwijl ik de gedragingen van de tuinhommel gadesloeg, kwamen ook andere hommels op de violen af en opeens viel het mij op dat zij allemaal de blauwe bloemen bezochten en niet de minste belangstelling aan de dag legden voor de paarse violen, die in honingproductie niet voor de blauwe onderdoen. De voorkeur van vlinders, bijen en andere honingzoekers voor bepaalde kleuren is bekend en uitvoerig bestudeerd, maar dat een zo duidelijk aan blauw verwante kleur als paars – is immers blauw met rood — eensgezind werd genegeerd door de hommels vond ik toch wel erg frappant. Er was geen sprake van toeval, want toen ik een glazen dekseltje met suikerwater onder de paarse violen zette, deden de hommels alsof er niets aan de hand was. Wel kwam een van onze mooiste vlinders, de dagpauwoog, zich hieraan te goed doen. Zodra ik echter het suikerwater naar een pol blauwe violen toeschoof, vielen de hommels er gretig op aan. Geheel in overeenstemming met hun luie aard hielden ook nu de hommels het niet lang vol met het zoeken naar honing. Na een paar minuten gaven zij het op en zochten zij een beschut holletje onder het dorre gras of onder een boomwortel.
Bestemming
Op de keper beschouwd, ligt daar ook hun bestemming. In een dergelijk holletje, dat zij voeren met wat mos en haarworteltjes, brengen zij een plakje honing aan in een celletje van was. Daarin zetten zij een stuk of tien eitjes af, die zij als een vogel uitbroeden. De larven, die uit de eitjes komen, eten de honing op en verpoppen zich.Terwijl de koningin doorgaat met eitjes leggen, komen na enkele weken uit de poppen hommels, die ongeveer de helft kleiner zijn dan de koningin. Deze kleine hommels, de werksters, zijn stukken bewegelijker en actiever dan de moeder. De werksters zorgen voor de snelle uitbreiding van het hommelnest en zij zwoegen hiervoor van de vroege ochtend tot de late avond.
Vandaar de luiheid van de dikke hommelkoningin; zij kan zich die veroorloven.
Natureluur Luuk Groenendijk
0-0-0
EMELTEN
Emelten, een plaag met vraagtekens
Het zat er vorig jaar dik in dat we nu met een emeltenplaag zijn opgescheept. Hele wolken van langpootmuggen zwermden in de nazomer over de graslanden. Als je goed oplette, zag je steeds het ene paartje na het andere zich uit de massa verwijderen om zich op een beschut plaatsje terug te trekken. Ook zag je de langpootmuggen bij duizenden in het gras scharrelen. Dat waren dan de wijfjes, die met hun legboor eitje na eitje in de grond afzetten. Het bleek geen eenvoudige zaak te zijn om uit die menigte langpootmuggen een vrouwelijk exemplaar op haar eiertocht te blijven volgen. Langer dan 10 minuten bleek dit niet mogelijk, maar toen had ze al 20 eitjes te bestemder plaatsen gedeponeerd. En dan te denken aan die tienduizenden even ijverige soortgenoten!
Kale plekken
Opmerkelijk was dat op plaatsen met hoog gras nauwelijks een langpootmug werd aangetroffen. Daarentegen krioelde het van deze onbeholpen vliegende insecten op pas afgemaaide of door het vee kort begraasde gedeelten. Op ruige plaatsen kunnen de wijfjes niet of nauwelijks met hun legboor de grond bereiken en omdat zij er bovendien duidelijk moeite mee hebben zich in de ruigte te verplaatsen, zijn het vooral de kale plaatsen, waarop zij het hebben gemunt. Deze week hebben wij hetzelfde weiland weer eens bezocht. Op een afstand kregen wij al een voorproefje van wat wij zouden ontdekken. Op de weilanden met kort gras wemelde het van de spreeuwen, kok- en zilvermeeuwen, kauwtjes en roeken, met daaronder enkele kieviten, scholeksters, eksters, grote lijsters, zanglijsters en merels. Op de ruige weilanden daarentegen zagen we alleen maar een enkele ekster.
Doorzeefd
De verklaring hiervoor vonden we alras. Op de kortgraslanden was de bodem doorzeefd met gaatjes, de piksporen van de verschillende vogelsoorten, die zich aan de emelten, de larven van de langpootmug, te goed hadden gedaan. Met ons onvolprezen opvouwbare kampeerschopje staken we op een van deze plaatsen een zode uit, schudden die een paar keer en onmiddellijk zagen we ettelijke grauwe, pootloze larven met stompe kop voor onze voeten spartelen. Veertien emelten in een graszode van nauwelijks 15 bij 15 cm!
Nu naar een ruig weiland om daar hetzelfde te doen.. Met moeite wisten wij een zode los te wrikken en wat wij konden verwachten, gebeurde: er viel niet één emelt te ontdekken. Niet alleen bleek hier het effect van de bescherming, die het hogere gras tegen de legboor van de langpootmug biedt, maar ook van het feit, dat de larven zich onder de grond met moeite kunnen verplaatsen. Zij vreten zich in de graswortels vast en bewegen zich in hoofdzaak in verticale richting.
Foefje
Evenals regenwormen kruipen zij boven de grond als deze in trilling wordt gebracht. Dat foefje hebben vooral de kieviten en de meeuwen door. Beide vogelsoorten zie je dan ook voortdurend op één plaats met de poten dribbelen en hoewel geen seismograaf de hierdoor ontstane trillingen zal kunnen registreren, geven deze de emelten en wormen voldoende aanleiding de kop boven de grond te steken en zich zodoende aan de op hen azende vogels te presenteren.
De spreeuwen, lijsters en kraaien verstaan deze dribbelkunst niet. Deze vogels prikken met hun snavel in de grond en weten op die manier de emelten te bemachtigen. Of zij dit lukraak doen of dat zij over een speciaal zintuig beschikken om meteen de buit te treffen, kan moeilijk worden vastgesteld. Maar het feit blijft dat waar zo’n gevarieerde vogelzwerm op het grasland is neergestreken, de emelten op grote schaal worden verslonden.
Liters gif
Intussen hebben de veeboeren, gealarmeerd door de landbouwvoorlichtingsdienst, vooral op de zandgronden, de strijd tegen de larven van de langpootmug aangebonden. Duizenden liters van het contactgif parathion zijn al verspoten en met bizarre gevolgen.
De eerste onbedoelde slachtoffers zijn al gevallen. Dode buizerden, dode torenvalken en dode ransuilen, waarvan het maagonderzoek heeft aangetoond dat zij als rechtstreekse consumenten van emelten het parathion hebben binnengekregen. Dus niet omdat zij aan het einde van de voedselketen met het vergif in aanraking zijn gekomen, zoals in het verleden het geval is geweest met zaadontsmettingsmiddelen, die zij via de veldmuizen naar binnen hadden gekregen.Op zichzelf is het belangwekkend dat deze stootvogels ook emelten nuttigen en wellicht kan hierin een aanleiding worden gevonden het gebruik van parathion te gaan verbieden. Buizerden, torenvalken en ransuilen zijn bij de wet beschermde vogels en het gaat niet aan van deze bescherming af te zien als de bestrijding van emelten in het geding is.
Uiteraard zal er voor de veehouderij een alternatief moeten bestaan en mogelijk ligt dit ook in de wetenschap dat ruige graslanden minder gevoelig zijn voor de invasie van langpootmuggen. En dan niet te vergeten het vogelleger, dat over de best mogelijke natuurlijke uitrusting beschikt om de emelten te lijf te gaan. Maar dan moet die vogels ook de kans worden geboden en daaraan mankeert nog wel wat.
Parende langpbotmuggen: boven het grotere wijfje, dat terstond na de paring ettelijke honderden eitjes met een legboor in de grond deponeert. De hieruit komende larven. de emelten, worden gevreesd door de boeren, maar voor ontelbare vogels vormen zij een lekkernij.
0-0-0
LANGPOTEN
Ik geloof beslist niet dat er dit jaar meer ‘Vadertjes Langbeen’ rondvliegen dan in andere jaren, toch zitten er grote aantallen van die langpootmuggen de laatste weken tegen onze vensterruiten geplakt. Het zjjn slechte tijden voor deze ‘glazenwassers’. Ze zien er absoluut geen been in met dit weer het luchtruim te kiezen, terwijl dat voor het nageslacht toch een bittere noodzaak is. Langpootmuggen zijn slechte vliegers. In de nazomer, zo tegen schemer, laten de mannetjes weliswaar geen perfecte, maar toch een betoverende dans zien. Ze voeren dan op een paar meter boven de grond hun baltsvlucht uit. Het quick, quick, slow doet aan de eerste dansles denken, hoewel de uiteindeljjke bedoeling op die leeftijd toch even anders lag.
Ook het ‘foxy foxtrot, met je elastieken benen’ roept associaties op. Weten de mannetjes tijdens deze baltsvlucht een wijfje te versieren, dan vliegen de gevormde koppels in tandem naar een rustplaats, waar de paringen voltooid worden. Uiteindelijk zal het ontkoppelde vrouwtje in een soort huppeldans boven gazon of weide met haar legbuis een voor een haar eitjes in de grond deponeren. Na enkele dagen dient de nieuwe generatie zich al aan. De kleine maden doen zich tot de vorst invalt tegoed aan de plantenwortels. Zodra de lente zich weer aandient, gaan zij vol goede moed verder met hun schadelijke geknaag. Uiteindelijk zullen zij zich afhankelijk van de soort in juli of augustus verpoppen.
De meest algemene langpootmug, Tipula oleracea, ook wel koollangpootmug genoemd, kan in een gunstig jaar twee generaties grootbrengen, de andere soorten blijven wat langer ondergronds. Met het huidige weertype moeten de langpootmuggen hun amoureuze plannen tijdelijk laten varen. Met de grootste moeite weten ze zich met de griezelig broze onderdanen tussen het hoge gras in de striemende regen en in de harde wind staande te houden. De uitzonderlijk lange poten hebben het voordeel dat de dieren als ze op gras lopen, zich aan een aantal grassprieten tegelijk kunnen vasthouden. Als de stengels door een stevige wind in verschillende richtingen worden bewogen, weten de muggen zo hun houvast te bewaren. Natuurlijk hebben zulke lange poten ook hun nadelen. Een belager heeft je immers zo bij de benen. Evenals de hooiwagens, die in de nazomer en herfst in groten getale op planten en muren voorkomen — u kent ze wel, de spinachtigen die een en al poot zijn — beschikken de langpootmuggen over het vermogen tot zelfamputatie. Wanneer de belager zich nog enthousiast met de opgeofferde poot bezighoudt, neemt de prooi de benen.
Larven van langpootmuggen hebben lak aan slechte weersomstandigheden. Ze leven een paar centimeter onder de grond in nauwe gangetjes. Wanneer je zo’n rolrond dier uit een graszode peutert en op de hand houdt, kun je het goed bekijken. De made is grauw en half doorschijnend. Vlak voor de metamorfose tot langpootmug meet zij zo’n drie centimeter. De kop is intrekbaar en gewapend met krachtige, bijtende kaken. Dat klinkt bloeddorstig, maar in dierlijke prooi heeft zo’n larf, evenals de volwassen dieren, absoluut geen trek.
De larven, emelten genoemd, kunnen met miljoenen de weilanden en ook uw gazon besmetten en door hun geknaag aan de graswortels voor een fikse schade zorgen. Zwaar besmette graslanden veranderen in de zomer in dorre bruine vlakten. Een geoefend oog speurt de gangetjes van de larven op zonder dat de zode gekeerd hoeft te worden. Spreeuwen en roeken zijn daar specialisten in. Het zal geen verbazing wekken dat deze vogels en biologisch denkende boeren dan ook goede maatjes zijn.
Een spreeuwengezin verorbert honderden emelten per dag. Men kan het zich niet voorstellen, maar van ’s morgens ’n uur of zes tot ’s avonds na negenen worden er elke drie minuten één of meer larven aangevoerd. Voor de afwisseling worden er ook veel rupsen van uiltjes, soorten nachtvlinders, aan de jongen gegeven.
De larven werken erg laxerend. Vader en moeder spreeuw weten instinctief dat, ook al liggen de emelten voor het oprapen, dit eiwitrijke voer niet ongelimiteerd gevoerd kan worden. Ook de roeken weten de gangetjes waarin de larven van de langpootmug huizen feilloos te vinden. Ze hoeven niet te ‘luisteren’, zoals we merels wel eens zien doen wanneer ze op een bewegende regenworm gespitst zijn. Spreeuw en roek wroeten na het zien van zo’n gangetje even en het is raak. Of we het leuk vinden of niet, de aanwezigheid van de langpootmuggen maakt duidelijk dat de herfst voor de deur staat. Voor veel insekten betekent dat niet alleen het einde van een lange en vooral hete zomer, maar tevens het einde van hun leven.
Het wespennest bij ons in de tuin, hangende in een meidoornstruik, vertoont duidelijk tekenen van verval Als ik aan de struik schud, komt er uiterst traag nog een drietal wachters aan de deur. Van verdedigen en aanvallen is geen sprake meer. De toekomstige troonpretendenten zijn op zoek naar een veilig onderkomen, als zij dit al niet gevonden hebben. De mannetjes en de niet meer georganiseerde werksters zwerven hier en daar nog wat rond. Alleen de meest plichtsgetrouwe onderdanen van de wespenstaat stoppen, als het weer het toelaat, de laatste larven nog wat dierlijk eiwit toe in de vorm van buitgemaakte vliegen en andere insecten. Het is echter nutteloze arbeid.Het jonge spul zal, evenals de verzorgers, de winter niet halen. Alleen de kroonprinsessen overleven. Zij hebben met de darren gepaard en kunnen daardoor het volgend voorjaar nieuwe staten stichten.
Ook de meeste vlinders houden het voor gezien. Kleine vossen en dagpauwogen kunnen we hier en daar al verstijfd onder vensterbanken, in holle bomen of in huis aantreffen. Deze vlinders overwinteren in het volwassen stadium, als vlinder dus. Als we nog een beetje nazomer krijgen, worden ze weer springlevend. De winterrust moet immers niet langer duren dan strikt noodzakelijk is. Witjes overwinteren als pop, de grote beervlinders brengen als rups de winter door. De donkere sterk behaarde rupsen van de beervlinder kunnen tegen een stootje. Toch zullen ook zij een veilig onderkomen voor de vorst moeten zoeken. De rupsen doen zich eind september nog tegoed aan distels en andere kruiden. Na de derde vervelling treedt de rustpauze in. Ze kruipen weg onder dorre bladeren en andere bodembedekking. Regelmatig steekt er een in draf bij ons de weg over. Snellere rupsen dan die van de grote beervlinder ken ik niet. De gamma-uil, waarschijnlijk de talrijkste trekvlinder in ons land, zal als het even kan nog nectar peuren uit de hemelsleutels.
Evenals bij de atalanta en de distelvlinder zal een aantal van deze nachtvlinder op trek naar het zuiden gaan. Voor de achterblijvers rest slechts de dood. Niet een zal de Hollandse winter overleven. De uiltjes kunnen we vaak zien vliegen rond brandende straatlantaarns. Ook worden ze aangetrokken door de kunstmatige lichtbundels uit de huiskamers. Vleermuizen zijn verzot op deze nachtbrakers. Voor de insecten-etende zoogdieren is het dan ook te hopen dat de trek van de gamma-uilen nog even op zich laat wachten. Vleermuizen kunnen wel wat vetreserve gebruiken voordat ze in winterslaap gaan.
Vertaling van bericht in ‘Das Goetheanum‘, 09-03-2026
Daar werd als bron gebruikt ‘Na Babel‘.
.
Een Noorse aanpak ter ondersteuning van risicovol spel bij kinderen
.
Risky Play, oftewel risicovol of wild spelen, is een begrip uit het pedagogisch onderzoek dat alle vormen van spelen omvat waarbij spannende onzekerheid en het nemen van risico’s een rol spelen. Een goed voorbeeld van risicovol spelen is klimmen in bomen, over rotsen of op hoge ladders. Voor ouders en verzorgers is het niet altijd gemakkelijk om naar hun kinderen te kijken terwijl ze wild spelen en erop te vertrouwen dat alles wel goed komt. De wens om hen te beschermen tegen mogelijk letsel is begrijpelijk. Zolang er echter geen direct gevaar bestaat, raden onderzoekers aan om de kinderen hun gang te laten gaan. Risicovol spelen is namelijk essentieel voor een gezonde lichamelijke, mentale en emotionele ontwikkeling. Verschillende studies hebben aangetoond dat kinderen het op een speelse manier aangaan van risico’s nodig hebben om ruimtelijk inzicht, motorische coördinatie, zelfvertrouwen en een tolerantie voor onzekerheid te ontwikkelen. Andere voordelen van risicovol spelen zijn verbeterde sociale vaardigheden, zoals het vermogen tot samenwerking en empathie, en een grotere emotionele veerkracht. Onderzoek toont ook aan dat kinderen beter in staat zijn om hun eigen vaardigheden in te schatten dan volwassenen vaak van hen verwachten.
Ellen Sandseter is hoogleraar aan de Koningin Maud-Hogeschool voor Vroegschoolse Educatie in Trondheim, Noorwegen, pionier op het gebied van risicovol spelen en bedenkster van de internationaal gehanteerde wetenschappelijke definitie ervan. Haar onderzoek heeft ook aangetoond dat een gebrek aan positieve vormen van risicovol spelen in de kindertijd er later bij jongeren toe kan leiden dat ze negatieve risico’s nemen, zoals winkeldiefstal. Al deze onderzoeksresultaten betekenen echter niet dat kinderen moeten worden aangespoord om op een bepaalde manier te spelen. Hoe een kind speelt, moet door het kind zelf worden bepaald, aldus Helen Dodd, kinderpsycholoog aan de Britse Universiteit van Exeter. Welke activiteit als riskant wordt ervaren, verschilt bovendien van kind tot kind. Mariana Brussoni, hoogleraar kindergeneeskunde aan de Canadese University of British Columbia, pleit ervoor dat barrières met betrekking tot risicovol spelen moeten worden weggenomen, zodat er pedagogische ruimtes ontstaan waarin kinderen uit hun comfortzone kunnen stappen en een leerzone kunnen betreden. Hiervoor is vooral in westerse landen een maatschappelijke mentaliteitsverandering en verder onderzoek nodig.
Welke mentaliteitsverandering dat dan zou moeten zijn, wordt niet vermeld. Misschien is omdenken van een ‘kenniseconomie’, met in het kielzog dat kennis op school het hoogste goed is, naar een veel grotere plaats van ‘bewegen’ in het onderwijs, een begin. In de lagere klassen bv. is ‘de evenwichtsbalk’ een vrij risicovol attribuut naar mate die hoger boven de vloer belopen moet worden. Op de schoolpleinen zou bewust de mogelijkheid tot klimmen en klauteren kunnen worden gecreëerd. Naast de al positieve gevolgen voor lichaam, ziel en geest, zouden ook nog expliciet van de onderste zintuigen de evenwichtszin en de eigenbewegingszin kunnen worden geoefend.
.
Om een bijzondere reden wordt in klas 4 in de mens- en dierkundeperiode de inktvis behandeld. Die bijzondere reden is wordt in diverse artikelen op deze blog nader uitgelegd: dierkunde: alle artikelen; tevens vind je uitspraken van Steiner in Rudolf Steiner over dierkunde
Om dit wonderbaarlijke dier goed te kunnen schetsen heeft de leerkracht ook feitenmateriaal nodig. In Trouw van 30-11-2019 schreef Jelle Reumer over de inktvis in zijn wekelijkse column. Hieronder een bewerking daarvan.
‘Een evolutionair meesterwerk‘
‘De octopus, zo zegt de naam letterlijk, is een dier met acht poten. In het Nederlands zeggen we liever acht armen dan acht poten, maar ook daar kun je vraagtekens bij plaatsen.’
Je zou kunnen zeggen dat hij in wezen maar twee poten gebruikt om zich voort te bewegen, de overige zes zijn hebben andere functies: één bv. wordt af en toe gebruikt om de vrouwtjes-octopus mee te insemineren. Een soort tijdelijke penis dus. ‘Tentakel, poot, arm of penis, acht is een flink aantal. ‘Ook de zeekat, de pijlinktvis, de argonaut, de nautilus en de uitgestorven ammonieten zijn of waren van veel extremiteiten voorzien, dikwijls zelfs meer dan acht.
‘Octopussen zijn weekdieren (Mollusca) en daarmee verwant aan zulke ogenschijnlijk eenvoudige schepsels als de mossel en de naaktslak, maar binnen de weekdieren vormen de inktvissen of koppotigen een evolutionair hoogtepunt. De dieren bezitten twee lensogen waarmee ze uitstekend kunnen zien en bovendien hebben ze een hoog ontwikkeld zenuwstelsel met meerdere sets hersenen. Naar verluidt bezit een octopus vijfhonderd miljoen zenuwcellen, ongeveer evenveel als uw hond. Meer dan de helft daarvan zit in de acht armen, die daarmee feitelijk autonoom opererende organen zijn die ook zonder centrale aansturing hun gang kunnen gaan. Elke arm heeft zijn eigen stel hersenen. Met dit decentrale zenuwstelsel en met behulp van zijn sublieme gezichtsvermogen en de tastzin van de zuignappen kan een octopus potten met een schroefdeksel openen om bij een hapje te komen, prooien voorzichtig beetpakken en zelfs objecten als gereedschap gebruiken om ergens bij te kunnen komen. Het dier kan de kleur van zijn lichaam aanpassen aan de omgeving. Inktvissen zijn dieren met een hoge intelligentie. Voorspellen van voetbaluitslagen kan hij echter niet!
Johannes Denger, Erziehungskunst 49 jrg nr. 5 1985
.
De Rubicon
De crisis van het negenjarige kind en de samenhang met de typische perioden in de 3e klas
Op 10 januari 49 v.Chr. stak Caesar met een legioen de Rubicon over, een riviertje langs de oostelijke grens van Cisalpijns Gallië.
“Jacta alea est,” zou hij hebben verklaard, “De teerling is geworpen.” Een ogenschijnlijk roekeloze daad, want Pompeius stond in Rome met tien legioenen – 60.000 man – en de volmacht om zoveel troepen te verzamelen als hij wilde. Wat dreef Caesar ertoe om tegen zo’n overmachtige vijand op te trekken? Caesars tijd als gouverneur van Gallië liep tien einde; de kans om door de Senaat verkozen te worden tot een nieuwe, invloedrijke functie zou zich echter pas over zes maanden voordoen. In de tussentijd zou hij zijn immuniteit verliezen: zijn politieke tegenstanders zouden dus vrij spel hebben om hem voor de rechter te brengen. In deze crisissituatie – een oude toestand loopt ten einde, een nieuwe kan nog niet worden gevestigd – wordt Caesar door de Senaat aangespoord om een deel van zijn troepenmacht ter beschikking te stellen aan Pompeius en een deel te ontbinden. Hij doet dit, met uitzondering van dat ene opmerkelijke legioen waarmee hij de Rubicon oversteekt. Het ongelooflijke gebeurt: hoe dichter Caesar bij Rome komt, hoe meer vrijwilligers zich bij zijn troepen aansluiten. Hoewel Pompeius’ legioenen Caesar nog steeds in aantal overtreffen, trekt hij zich in eerste instantie zonder strijd terug. Caesar marcheert Rome binnen, in die tijd het centrum van de wereld.
Rond de leeftijd van tien jaar maakt het kind een soort ontwikkelingsfase door die Rudolf Steiner het oversteken van de Rubicon noemt. [1] Het vermogen na te bootsen, dat zich het meest significant ontwikkelt tijdens de eerste zeven jaren, maar waarvan de nawerkingen doorwerken tot in de eerste schooljaren, is verdwenen. De natuurlijke verbinding met de wereld is verbroken, de voorwaarden om bewust met de wereld om te gaan door middel van denken ontbreken nog grotendeels, en onafhankelijk oordeel ligt nog ver in de toekomst. In deze onzekere situatie wordt het kind geconfronteerd met diepgaande vragen die het als een afgrond beleven kan. Waar kom ik vandaan? Zijn mijn ouders wel echt mijn ouders? Wie ben ik? De dood wordt voor het eerst bewust ervaren, en smartelijk ervaren dat lieve medemensen en hijzelf ooit zullen sterven. Naast zulke existentiële vragen, die niet altijd expliciet uitgesproken worden, kan ook het thema van het lot in het eigen leven plotseling in het gevoel ontstaan.
Even ziet de jonge mens in de voorstelling wat hij zich in het leven voorgenomen heeft. Indrukwekkende voorbeelden hiervan zijn te vinden in de biografieën van vooraanstaande persoonlijkheden. [2] [3]
Hoe kunnen we deze crisissituatie menskundig begrijpen? Ontwikkeling verloopt nooit lineair. Een gevonden evenwicht kan terecht een bepaalde tijd worden gehandhaafd. Wil iemand niet star in een vaste toestand verkeren, dan moet er iets gebeuren dat dit evenwicht verstoort, zodat het op een nieuw niveau gevonden kan worden. Deze crisis biedt echter ook altijd de mogelijkheid om van wat geworden is, wat is gestold, verder te komen op weg naar nieuwe, frisse mogelijkheden. Twee overlappende ontwikkelingsritmes zorgen ervoor dat de creatieve spanning tussen wat geworden is en wat mogelijk is, tussen wat bereikt is en wat nagestreefd wordt, steeds opnieuw ontstaat tijdens het opgroeien van een kind en een adolescent.
Het zevenjaarsritme waarin de wezensdelen worden geboren, manifesteert zich fysiek in de geboorte, het wisselen van tanden en de puberteit.
Met het doorbreken van de tanden komt een ontwikkelingsfase ten einde, waarin de activiteit van de vormende krachten van het kind, die de organen vormgeven, naar binnen gericht was. Het individueel gevormde tweede gebit is het hoogtepunt van dit proces. Het nu bevrijde vormkrachtenlichaam staat ter beschikking van het kind; het kan nu op een manier met de wereld in contact treden die zijn gedachten vormt en zijn emoties ontwikkelt: de leerling die in staat is om onderwijs te ontvangen, is geboren. Zo kunnen we begrijpen dat instructie met behulp van visuele beelden bijzonder effectief en gunstig is voor het nog sluimerende beoordelingsvermogen van het kind.
Pas tijdens de puberteit, waarin de geboorte van het zielenlichaam zich fysiek manifesteert, ontwikkelt de jonge mens door eigen ervaring die rijkdom van de ziel die hem in staat stelt tot een eigen, gezond oordeel te komen: aardse rijpheid wordt bereikt.
Dit regelmatige geboorteritme wordt nu overschaduwd – en in zekere zin verstoord – door het geleidelijk ontwakende Ik in de mens. In het derde levensjaar manifesteert het zich als zelfbewustzijn: het kind zegt “ik” tegen zichzelf en komt in de crisis van de koppigheidsfase fase terecht. Een persoon bereikt pas de Ik-verwerkelijking met de volwassenwording. Nu kan hij zijn eigen motieven voor zijn handelingen bepalen. – Maar daartussenin ligt een Ik-inslag die we kunnen omschrijven als Ik-beleving. [4]
Waar bevindt het negenjarige kind zich dan in dit ontwikkelingsproces?
Op zevenjarige leeftijd krijgt het het vaste gebit; rond veertien jaar spreken we van aarderijpheid. Deze twee stadia, die ook uiterlijk waarneembaar zijn, zijn algemeen bekend. Tussen deze twee periodes – van ongeveer 91/3 tot 112/3 – ligt echter een cruciale rijpingsperiode die niet gemakkelijk door de verzorger wordt opgemerkt: de ademhalingsrijpheid.
Hoewel de ademhaling tot nu toe de boventoon voerde, en de bloedsomloop later de overhand zal krijgen, ontstaat in de overgangsfase die harmonieuze verhouding van ademhaling tot hartslag van 1:4. [5] Rudolf Steiner beschrijft deze verhouding als de fysiologische voorwaarde voor het ontstaan van het Ik. De existentiële vragen die nu in de ziel van het kind opkomen, wijzen op het verdere ontwaken van het Ik. Het kind wordt zich bewust van zijn eigen gevoelswereld. Als het tot dan toe voornamelijk in resonantie met de stemming van zijn omgeving heeft geleefd, bevindt het zich nu in situaties waarin zijn gevoelens vreemd genoeg contrasteren met de stemming van de omgeving – en juist door dit contrast ervaart het deze als eigen. Er is niet langer overeenstemming met de wereld. De vanzelfsprekende autoriteiten: de ouders en leerkrachten, worden betwijfeld, later ter discussie gesteld.
In de ademhaling zijn er twee soorten genade:
het inademen van de lucht, het uitademen;
de ene drukt, de andere verfrist;
Zo wonderbaarlijk is het leven vermengd. Dank God wanneer hij je drukt, En dank hem wanneer hij je loslaat.
] W. Goethe
Nadat we eerder de ademhaling in relatie tot de polsslag en daarmee de fysiologische basis voor de ‘betrokkenheid’ van het Ik hebben beschouwd, willen we nu proberen het ademhalingsproces zelf en de psychologische betekenis ervan te begrijpen. Door te ademen verbinden we ons met de wereld. Door in te ademen nemen we de wereld in ons op, transformeren we haar, en door uit te ademen geven we iets van onszelf terug aan de wereld. Een uitgesproken sociaal proces dat onbewust plaatsvindt bij gezonde individuen. De betekenis van deze normaal gesproken harmonieuze uitwisseling tussen binnen- en buitenwereld wordt duidelijk bij pathologische verschijnselen, zoals bij de ‘krachtademhaler‘, die alleen maar wil inademen, zijn adem inhoudt en niet meer uitademt. Iedereen die ooit zo’n kind heeft meegemaakt, weet dat deze kinderen tijdens hun slaap heel normaal ademen, maar zodra ze wakker worden, terugvallen op krachtademhaling.
Hoe verhouden de karakteristieke leerperiodes van het derde schooljaar zich tot de ademhalingsrijping van het kind?
Het is een essentiële voorwaarde voor de leerkracht, en een belangrijk onderdeel van hun voorbereiding, om niet simpelweg de suggesties uit Rudolf Steiners leerplan als ontwikkelingshulp en die door collega’s verder zijn uitgewerkt, als traditioneel lesmateriaal over te nemen, maar om er op zo’n manier mee in verbinding te komen dat deze ze als nieuw beleeft. De leerkracht kan alleen tegemoetkomen aan de behoefte van het kind aan een geliefde gezagsfiguur in de tweede zevenjarige periode als hij of zij zelf niet slechts een imitator of volgeling van gezag is, maar alles wat hij of zij de kinderen wil leren, opnieuw creëert vanuit eigen inzicht en liefde voor de wereld. Een grote eis waaraan het individu waarschijnlijk slechts gedeeltelijk kan voldoen – en toch de enige manier om een autoriteit te worden: een Ik dat zichzelf waarmaakt die motieven kiest op basis van intuïtief inzicht en naar die motieven handelt.
Vervolgens zal een poging worden gedaan om vier perioden te verkennen die in de derde klas worden gegeven in hun verband met de ontwikkelingsfase van het negen- tot tienjarige kind. Dit kan slechts in grote lijnen worden gedaan en is één mogelijke weg van vele.
Het kind, dat door zijn ontluikende Ik-beleven zichzelf begint te ervaren als gescheiden van de wereld, maakt aan het begin van de derde klas kennis met het scheppingsverhaal zoals dat in het Oude Testament te vinden is. Omdat de vraag in de ziel van het kind opkomt: “Waar kom ik vandaan?”, ervaart het de schepping van de wereld in die prachtige beelden: God de Vader als schepper blaast leven in Adam. In de beschrijving van de zondeval ervaart het in beeld wat voor het kind zelf een levenservaring wordt. Eten van de Boom der Kennis leidt tot een vroegtijdig zelfbewustzijn en daarmee tot het verlies van eenheid, van het Paradijs. Door de verdrijving uit het Paradijs ontstaat de eerste innerlijke-uiterlijke scheiding, de afzondering. Uit de, in de beste zin van het woord, naïeve ervaring van het kleine kind het middelpunt van de wereld te zijn, volgt een ontwaken in de ‘werkelijkheid’. Er zijn omstandigheden in de wereld waarmee rekening gehouden moet worden: de mens staat nu tegenover de natuur als boer en is gedwongen zich het hele jaar door aan te passen aan haar ritmische ademhaling. Der heemkundeperiode, in dit geval de landbouw, biedt opnieuw de mooiste beelden: het kind, dat zijn of haar gevoel van eigenwaarde in zich voelt ontkiemen, mag de kieming en rijping van het graan meemaken. Bij het oogsten en zaaien is het ademende proces van geven en ontvangen duidelijk zichtbaar. Werk wordt ontdekt als een kans om de wereld en zichzelf te veranderen. De kinderen beginnen zichzelf ook te zien in relatie tot anderen: “Hoe is hij, hoe ben ik?” (In de observatie van de verschillende bodemsoorten schuilt een theorie over temperamenten: de zware kleigrond, de lichte zandgrond, de vurige kalkgrond, enz.) Terwijl de boer zichzelf in leven houdt door de ademende uitwisseling met de natuur, draait het in de volgende periode om het geven en ontvangen tussen mensen. De ambachtslieden zijn van elkaar afhankelijk door de arbeidsdeling. Zo maakt een schoenmaker in de eerste plaats schoenen voor anderen. Nu verschuift de focus naar de diversiteit van mensen. De vakman bezit bepaalde, speciaal aangeleerde vaardigheden. In het gildesysteem wordt het karakter van elke individuele klasse gecultiveerd. Bij de huizenbouw wordt uiteindelijk een binnenruimte gecreëerd door afbakening. Het huis staat stevig op zijn fundering, zoals een mens op zijn benen staat. Daarboven is het dak. De muren hebben ramen en deuren: hier stromen licht en lucht naar binnen, mensen komen en gaan, men trekt zich terug of nodigt gasten uit! Deze suggesties moeten verder worden uitgewerkt en beschrijvingen uit de lessen moeten verduidelijken hoe je de suggesties uit de voorbereiding van de leerkracht kan omzetten in concrete communicatie met de kinderen.
De perioden in klas 4 horen daar ook bij, zoals de eerste lessen over mens- en dierkunde. Aan de hand van enkele voorbeelden moet worden geprobeerd het verband tussen de rijping van de ademhaling en de karakteristieke fasen van het derde schooljaar te begrijpen. De vier perioden hebben gemeen dat ze de veranderende relatie tussen de innerlijke en uiterlijke wereld behandelen. Kinderen, die op deze leeftijd de scheiding tussen zelf en wereld steeds meer emotioneel ervaren, kunnen dit aan de hand van het beeld van de menselijke geschiedenis navoelen: de scheiding van de spirituele wereld en de mogelijkheid van toekomstige hereniging doordringen de vertelstof van het Oude Testament en het derde schooljaar. Ook de ontwikkeling van het denken is gebaseerd op deze innerlijk-uiterlijke beweging, naarmate het kind de “…relaties als inademings- en uitademingservaringen…” begint te begrijpen.[2] De juiste pedagogische begeleiding tijdens deze kinderjaren is van groot belang voor het latere leven.
Jacta alea est – de teerling is geworpen. De grens moet worden overschreden, en hoe treffend Rudolf Steiners gekozen metafoor van de Rubicon is, kan worden verduidelijkt met één laatste opmerking: het is een overschrijding van de grens naar binnen, naar het ontwakende Ik.
. Steiner heeft veel over ‘arbeid’ gesproken en ook geschreven, o.a. in zijn boek: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk (GA 23) In de jaren 1950 publiceerde Mellie Uyldert in boeken en in haar blad ‘De kaarsvlam’ over diverse onderwerpen die ook in de antroposofie aan de orde komen. Er zijn overeenkomsten, maar ook verschillen. Ondanks dat is het toch nog steeds de moeite waard, met haar inzichten kennis te maken. Haar gedachten kunnen aanleiding zijn tot het scherpen van de eigen gezichtspunten, ter ondersteuning of juist tot een gefundeerd afwijzen.
.
Mellie Uyldert, De Kaarsvlam, 10e jrg., nr.6, 1956
.
HEILIGE EN ONHEILIGE ARBEID
De mens en zijn werk
Is arbeid een straf? Een noodzaak? Of een zegen?
Arbeid is zeker geen straf voor zonde, want dan zou arbeid niet zo heerlijk en gelukkig makend kunnen zijn, en dan zou niet-arbeiden niet zo verre van paradijselijk, niet zo’n gruwelijke leegheid en verveling kunnen blijken. Elk levend wezen arbeidt, elke cel arbeidt levenslang!
Arbeid is een noodzaak om in onze levensbehoeften te kunnen voorzien en hangt dus af van wat wij als onze behoeften beschouwen.
Er leeft ergens een indianenstam die volmaakt gelukkig is en vrijwel niet arbeidt: men vangt enkele visjes en plukt enkele vruchten als voedsel, verder zingt en danst men van levensvreugde, er is daar geen wet en, geen godsdienst, geen ziekte, geen verdriet en geen ruzie, men loopt naakt en slaapt in ’n hangmat buiten.
Wij werken hoofdzakelijk voor onze gewaande behoeften: wij begeren datgene wat een ander heeft, wat de advertenties en uitstallingen aanprijzen. Wie zich daarvan vrij houdt, heeft al heel wat minder behoeften. Wij begeren in de stof wat wij in de eigen ziel en het eigen lichaam reeds bezitten, maar verwaarlozen: wij moeten geld verdienen om onze kolenrekening te betalen, maar wij bezitten allen in ons lichaam een ingebouwd elektrisch kacheltje, dat de stroom uit de kosmos door middel van de adem betrekt, om niet, dat is de milt. Door de speciale lange uitademing (toemo oefening) kan men die kachel activeren en geheel warm zijn in de ergste kou. — Wij menen veel geld te moeten verdienen voor voedsel, maar ’t is in de hongerwinter toch wel gebleken, dat wij met veel minder eten toe kunnen komen en dan juist veel gezonder zijn en psychisch veel beter functioneren: bij vasten wordt ons veel meer bewust, ontplooien zich onbekende gaven der ziel (dichten!) door de bloedreiniging die inzet en blijken zich onze krachten en ons uithoudingsvermogen en vooral onze fijngevoeligheid te vergroten! Drie maaltijden per dag is te veel, men kan met twee of één toe komen, en als men dan ook maar het ware voedsel eet, dat de natuur onbedorven oplevert, zoals de wilde planten (brandnetels, melde, beukennoten, paddenstoelen, bosbessen, bv.) heeft men aan weinig genoeg. — En als men dan ten derde zijn door God gegeven krachten niet verdoet in een overdreven geslachtsleven, maar ze laat opstijgen naar de ziel, waar ze ons alle nodige goede invallen geven, dan bevrijden wij onszelf hoe langer hoe meer van die noodzaak om te werken voor geld.
Ook kunnen wij zoveel werk, dat wij nu met bewuste krachten ten koste van veel energie doen, beter aan onze onbewuste krachten overlaten, die anders bij gebrek aan bevelen maar gaan woekeren: het studieboek onder het hoofdkussen met de geconcentreerde intentie vóór het inslapen om deze leerstof ’s nachts op te nemen, kan ons moeiteloos klaar maken voor het examen: op een vraag geven wij dan van het onbewuste uit het goede antwoord, al weten wij niet dat wij het weten. (Dit is dus weer het innerlijke proces, waarvan de grammofoon onder het hoofdkussen ( bij de Amerikaanse studenten c.s. uiterlijke projectie in de stof is, net als radio en televisie) Ten slotte wordt ons een enorme hoeveelheid arbeid en energie bespaard als wij de etherische stromingen gebruiken, die er vanzelf zijn, bv. onze vliegtuigen laten vliegen op die stromingen zoals een schip dat de rivier afvaart en zoals de Kontiki-expeditie over de oceaan, de vliegende schotels doen dat en hun bemanning moet wel medelijdend glimlachen om ons moeizaam kolen en petroleum winnen! — Wie met de tijden van de dag en van het jaar meedeint, dus ’s morgens handenwerk, ’s avonds zielenwerk, ’s zomers buiten- en lichaamswerk, ’s winters binnen- en zielen- en geesteswerk doet, die verslijt niet. Wie datgene doet, waar hij zin in heeft, wordt er niet door vermoeid, maar opgefrist door zijn concentratie van krachten, zijn onbelemmerde doorstroming, zijn gelukkig-zijn, zo presteert men het meest en wordt er gezond en wijs en gelukkig door!
Zo verandert de arbeid van een noodzaak in een zegen, zo wordt ze gelijk aan spel, dat eenvoudig spontane arbeid is, die bij ons past. Een kind dat geconcentreerd speelt, doet het werk dat God wil, dat is heilige arbeid, een deel van het groeiproces van de menselijke ziel. Als wij doen wat onze bestemming is, wat vanzelf van binnen uit komt en wat wij dan ook met ons hele hart doen in volledige concentratie aller krachten op het ene doel, dan zijn wij de transformator, die de kosmische krachten gebruiken om zich door middel van ons, levende schepselen (al het zg. levenloze meegerekend) te manifesteren, tot aanzijn te geraken. De voortstuwende krachten (de elektrische) laten ons scheppend werk doen, de zuigende (magnetische) voeren door ons het verlossende werk uit. Dat is de heilige arbeid die het doel van ons menselijk bestaan op aarde is — geen straf en niet zozeer noodzaak, maar een opdracht en taak, die het spel der goden is en die ons mensen gezond en gelukkig maakt en houdt!
Daarom is deze passende arbeid het meest economisch, want efficiency zit niet zozeer in besparing van manuren, maar in het verkrijgen van de hoogste prestatie bij het minste energieverbruik! Als de maatschappij zó wordt ingericht, naar het voorbeeld van de echte Montessori-school, waarvoor wij de nieuwe generaties immers al steeds klaarmaken, besparen wij al de kosten van ziekte en ongelukkig zijn, dat is bv. al de hele snoepindustrie, de alcohol en de sigaretten, want daar taalt een gelukkig, tevreden en gezond mens niet naar, en al de ziekten, die enkel correcties door de natuur zijn op een foutieve leefwijze en verkeerde arbeid.
En wij besparen al de misdaad en de seksuele wantoestand, die het gevolg zijn van de ledigheid der ziel bij werk dat de krachten van het hart niet nodig heeft — zodat die krachten, niet tot samenbundeling opgeroepen, zich verspreiden en automatisch de bv. in film en detective-story (zielverpestende feuilletons der dagbladen!) gegeven voorbeelden gaan verwerkelijken!
Onheilige arbeid vraagt vakantie tot redding van ons organisme, dat zich dan even herstellen kan uit de verwringing. Zo vraagt nu de bóer zelfs om vakantie, daar hij niet meer als vroeger in het ritme der natuur meewerkt en daardoor gedragen wordt, maar een industrieel geworden is en daardoor zichzelf net zo opgebruikt als hij het zijn als machines behandelde koeien en kippen doet. Als iemands gewenste vakantie bestaat in niets-doen, dan is die mens al erg ziek en moet blijkbaar uit de verwringing eerst terug in de nul, vóór hij aan zijn ware zijn toekomt (en dan is de vakantie net weer om) — op die manier komt hij nóóit tot het ware werk, de heilige arbeid die zijn opdracht is, en al wat hij zijn leven lang, na zijn kindertijd misschien, gedáán heeft, gaat als waardeloos op de kosmische vuilnishoop — dit hele leven zal hij weer over moeten doen.
De hedendaagse jeugd heeft groot gelijk, als zij zich niet door hoge lonen voor zieldodend werk laat omkopen en steeds van baan wisselt tot zij gevonden heeft wat haar past, wat met de persoonlijke opdracht en bestemming overeenkomt.
Heilige arbeid is die arbeid, die vanzelf gedaan wordt door de krachten die de mens dan onbelemmerd doorstromen en waarin de mens zich zonder voorbehoud in dienst stelt van die krachten, zoals een gaaf kind doet. In dat opzicht moeten wij weer als de kinderen worden.
De mens die naar onafhankelijkheid streeft, laat zich geen behoeften en begeerten suggereren, maar ontwikkelt zijn eigen ingeboren vermogens en gebruikt de kosmische krachten die zich om niet aanbieden. Met zijn maats (zijn medemensen in dezelfde fase) bouwt hij daardoor vanzelf een nieuwe maatschappij op, die een paradijs kan heten, omdat de mens daarin gelukkig is, vrij van problemen, ziekten, verdriet en zorg, angst en vrees, vrij van overbevolking en „schadelijke” dieren of andere „vijanden”, want allen vanzelfsprekend samenwerkend. Want de harmonie der sferen is het patroon waarnaar de menselijke samenleving vanzelf opgroeit als de mens het proces niet meer verstoort, maar er in medewerkt.
De duimendraaiende leeghoofdige rentenier is geen ideaal, maar het onnatuurlijkste wat bestaat, want zoals God zelf zonder ophouden arbeidt, zo arbeiden zijn dienaren: de planeetkrachten, en zo arbeidt de mens als onmisbare medewerker mee in het Grote Werk. Wil men de arbeid plicht noemen, goed, maar dan de innerlijke plicht, niet de uiterlijke die bestaat voor het geld verdienen om onnodige dingen te kopen, die de mens innerlijk onontwikkeld, primitief en hulpeloos houden. De innerlijkeplicht van de mens is om zijn vermogens te oefenen en te ontplooien, zodat hij zelf als een god kan leven, vrij door inschakeling in de grote orde: „goden willen wij zijn, naakt en zuiver en rein, en van een edele waarde — vrij door ons zelve te zijn, geleiders van Zonne’s schijn — ja góden, góden op aarde!”
Loon naar werken
Dat wij werken is vanzelfsprekend, onze krachten willen iets doen. Dat wij het materiaal ontvangen, waarmee onze krachten werken willen, dus onze ware levensbehoeften, is even vanzelfsprekend. Als praktische neutrale tussenvorm tussen dit geven en nemen, om het een in het ander te kunnen omzetten, heeft de mens het geld uitgevonden. Werken en ontvangen is een natuurlijke kringloop. Wij werken niet om het geld, wij werken en alle werk heeft resultaat — dit resultaat kan eenvoudig uitgedrukt of omgezet worden in een andere vorm, met behulp van de tussenvorm geld, die geen waarde of betekenis in zichzélf bezit. Geld is neutraal. Wil men geen geld aannemen dat door uitbuiting is verdiend, omdat er „bloed aan kleeft”, dan hecht men ten onrechte een voorstelling aan dat geld, en leeft dan in de geldwaan. Beter kan men het wél aannemen en het voor iets góeds besteden! Zo kan men het „kwade” in het „goede” omzetten. Geld is niets — maar de mens die er zijn eigen krachten in de vorm van wens en begeerte, toewijding en idealisering, geloof en verering, aan meedeelt, op projecteert, in belegt, laadt dat geld, dat niets is, op tot een machtige afgod, die hem kan tiranniseren, doordat die mens dat zelf wil! De slaven maken de tiran.’t Is maar wat men in het geld ziet. De saturnale mens wil „zijn geld eerlijk verdienen door inspanning en plichtsbetrachting” en slooft zich af voor een vast en bescheiden loon. — De joviale (Jupiter-)mens ziet in geld iets om te besteden en geeft al trakterend en royaal levend het geld uit, dat door de zuinige Saturnus-mens verdiend en opgespaard is. Terwijl de joviale mens zijn god ziet als de goede vader, die de leliën des velds en het kleinste musje voedt, al arbeiden zij niet, beschouwt de saturnale mens zijn god als de grote boekhouder die nagaat en bijhoudt of men z’n kleine vreugden wel naar eer en geweten met arbeid verdiend heeft, en of de mens het kapitaal, door zijn schepper in hem gestoken, wel opbrengt. Als de balans niet sluit, moet hij door boete en straf het tekort aanzuiveren. Zo ziet dan ook de saturnale mens het loon naar prestatie als het enig billijke en de joviale mens het loon naar behoefte. De eerste zegt: men moet maar alles aanpakken, opdat men geen schulden hoeft te maken! De laatste zegt: men moet edel leven door anderen te helpen en zichzelf niet te verminken, en wat men daarvoor aan geld nodig heeft, desnoods lenen. — Zo gunt de joviale mens het grote gezin z’n kinderbijslag, terwijl de saturnale mens zegt: de ouders hebben toch hun verantwoordelijkheidsgevoel gekregen om hun kindertal zo nodig te bepérken! Waarom moet de wel-gewetensvolle mens werken voor het seksuele gemak van de ander, die niet-gewetensvol is?! De saturnale mens verzekert zich. De joviale rekent er maar op dat anderen hem wel zullen bijspringen in nood, en dat gebeurt ook, doordat hij anderen veel geholpen heeft. Rente trekken vindt de saturnale mens ontoelaatbaar, omdat dan tegenover dat credit geen debet staat. De joviale mens zegt: alles in de natuur vermenigvuldigt zich, waarom dan het geld niet, dat een andere gedaante is van natuurlijke rijkdom, zoals een olijfboom die veel vrucht draagt? Zo heeft ieder type zijn eigen geldmoraal, die een uitdrukking is van zijn aard en gebruikt wordt om die aard te handhaven en te excuseren waar nodig. Men vraagt wel eens: mag een genezer, die nu eenmaal uit zichzelf de gave van het genezen bezit, voor zijn genezingen geld vragen of aannemen? Uit wat voor soort denken komt zo’n vraagstelling voort? Uit het boekhouders-denken, het geld-denken van Saturnus. Men redeneert: een arts heeft een dure opleiding achter de rug, die moet hem nu weer iets opbrengen. Een genezer heeft er geen geld in gestoken, dan hoeft hij er ook niets uit terug te krijgen. (Dit zou dan echter alleen gelden voor een werkstudent, die zijn studie zelf betaald heeft; als men de vader inschakelt, die de studie gefinancierd heeft, komt men tot een en de genezer wel! Als het loon gegeven wordt voor het ware resultaat (groepziel-moraal.) Dat is weer debet en credit, en loon naar werken. Maar dat klopt toch ook weer niet, als de arts zijn patiënt niet geneest, van het werk, moet men arts en genezer beide alleen betalen als men genezen is. Een slecht arts, die wel gestudeerd heeft, maar niet de gave van het genezen heeft, kan dan maar beter een ander beroep gaan uitoefenen. Als men de beloning „aan de beleefdheid overlaat”, als het een honorarium, dus een ere-loon is, omdat de prestatie ook eigenlijk niet in geld is uit te drukken, althans niet daarmee gelijk te stellen, dan geven de gierigen te weinig voor het door hen ontvangene terug. Dan krijgen we het verschijnsel van de „arme kunstenaars” en de goedige mensenhelpers, die zich laten uitbuiten, en die daardoor niet alleen honger lijden, wat een les voor hen zou kunnen zijn, maar die bovendien hun medemensen slecht maken, door de gelegenheid tot uitbuiting te geven. Met het oog op dit gevaar is het dus misschien maar beter dat de genezer rekeningen schrijft. Vroeger werd het geld verdiend in ’t duister door de mannen, terwijl de vrouwen niet wisten hoe. Daardoor werd het begrip „vies” en „vuil” aan het geld gekoppeld, en werd „liefdewerk”, nl. onbetaalde arbeid, veel hoger gewaardeerd dan betaald werk, dat met evenveel liefde werd gedaan, door hen, die géén kapitaal achter zich hadden. En daarom werd het dan weer afgekeurd als iemand zijn gaven wegschonk „voor geld”, bv. zingen. Tegenwoordig nu vrijwel iedereen z’n brood door arbeid moet verdienen, is het heel gewoon dat men voor welk werk dan ook betaald wordt, eenvoudig omdat iedereen leven moet van datgene waaraan hij zijn tijd en zijn krachten besteedt. En het is te lastig om te leven van fruitmanden en dergelijke attenties.
Zodra men geen onheilig werk meer verricht „om het geld”, verdwijnt ook de gewaande onheiligheid van het geld!
Is er eigenlijk wel zo’n duidelijk en precies verschil tussen een groep die zijn kennis en een groep die zijn aangeboren gaven gebruikt? Is het leervermogen ook niet een gave, en gebruiken wij niet allemaal de een of andere gave voor ons werk? Alle gaven zijn toch om niet ontvangen, en alle mensen hebben toch wat geld nodig om te leven? Speelt in deze hele probleemstelling niet weer dat boekhoudersdenken een rol, die vindt dat arbeid beslist naar en zuur moet zijn, omdat men anders het loon ervoor niet verdient? Dat het geld die zure arbeid moet verzoeten? — En is dat niet helemaal in strijd met wat wij gevonden hebben, dat de ware arbeid de mens vreugde schenkt, geheel onafhankelijk van en niets te maken hebbende met het loon? Alleen de onheilige arbeid dwingt om loon om evenwicht te maken. Het loon is dan ook helemaal niet te beschouwen als een tegenwicht van de geleverde arbeid, maar als een vorm van de vanzelfsprekende voorziening in de werkelijke behoeften, die ieder mens ontvangt als hij in het Grote Werk mee arbeidt. Wij werken niet om het loon of om het geld, maar omdat het onze taak en bestemming is. En wat wij aan de gemeenschap geven, ontvangen wij van de gemeenschap terug volgens kosmische wet en dat kan dan in de vorm van geld omgezet worden waar nuttig.
Wij hebben dus bij de keuze van ons werk niet te denken aan het mogelijke loon, want dat heeft er niets mee te maken.
De gedachte aan het loon zou ons tot de keuze van het verkeerde werk kunnen verleiden en dan gaat alles verder scheef, ook bij uiterlijk „succes”. Ons werk vult ergens een tekort, en wordt dus tegelijk van binnenuit (door ons overschot aan productie) als van buitenaf (door een overconsumptie in de omgeving) bepaald. Dit gebeurt vanzelf, als wij ons met ons hele hart in dienst van God stellen, en zo wordt de keuze voor ons bepaald, door de Orde zelf, door God, door de Bestemming, niet door de statistiek (al kan die in ’n enkel geval ook wel eens een werktuig zijn.).
Het verkeerde denken, hier het gelddenken, trekt de zaak scheef. De Cyprioten bv. hebben als alle andere volken en volksgroepen een natuurlijk recht op zelfbeschikking en zelfregering of op een vrije keuze van een regering — het geld-denken brengt de staat Engeland er toe, om te zeggen: al hebben wij het zelfbeschikkingsrecht der volken mede-ondertekend, de olie van Koeweit is voor ons reden om het recht te verkrachten en om wie er voor opkomt te vermoorden — right or wrong, my country! ofwel: my money.
Niet het geld, maar het geld-denken bederft de onderlinge verhoudingen van volken en staten, van mensen onderling (werkgever en werknemer, ouders en kinderen, huwelijkspartners, collega’s die er door tot concurrenten worden, enz.) en van mensen en andere schepselen (uitbuiting van plant en dier en van Moeder Aarde’s lichaam!). Het geld-denken verminkt het vrije geven tot iets-terug-doen, ofwel het doet een spontane gift ervoor aanzien. Het schenkt de opvoeding een verkeerd doel: het schoolhuiswerk gaat door dik en dun voor de natuurlijke spelbehoefte, om een betere baan te verwerven, d.w.z. een die meer geld opbrengt. De ontplooiing der ingeboren talenten echter leidt tot het passende werk, dat gelukkig maakt en iets wezenlijks is, terwijl het dode werk, gedaan met een dood hart om niets dan geld, niets goeds opbrengt of nalaat.
Het geld-denken bederft de natuurlijke waardering der dingen.
Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.
Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.
De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool. Dat heeft hijvele kerenbenadrukt!
Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.
In deze voordracht gaat het over:
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; godsdienst door dominee of pastoor; vrij godsdienstonderwijs <1> Eisen aan het vrije godsdienstonderwijs; dankbaarheid en liefde wekken voor de wereld met als gevolg moraliteit <2>
Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
Uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs
Voordracht 2, Bern 14 april 1924
Blz. 24-25 vert. 24/25
Ich möchte nun wie als eine Anmerkung erwähnen, daß wir ja in Stuttgart, wo wir in der Lage sind, seit Jahren im Sinne der anthropo- sophischen Pädagogik in der Waldorfschule zu wirken, auch nach außen hin ganz klar erkennen ließen, daß es nicht darauf ankommt, Anthroposophie als solche in die Schule hineinzutragen. Wir haben einfach den Religionsunterricht als solchen übergeben für katholische Kinder dem katholischen Priester, für evangelische Kinder dem evangelischen Pfarrer, und nur für diejenigen Kinder, deren Eltern wünschen, daß sie eine freie Religionslehre bekommen, für die werden freie Religionslehren aus der Anthroposophie heraus gegeben; so daß das Weltanschauungsmäßige in der Waldorfschule eigentlich nicht berührt wird.
<1>Ik zou nu willen opmerken, dat wij in Stuttgart, waar we in staat zijn, sinds jaren in de zin van de antroposofische pedagogie op de vrijeschoolte werken, ook naar de buitenwereld heel duidelijk lieten weten, dat het er niet op aankomt, antroposofie als zodanig in de school te introduceren. We hebben eenvoudig het godsdienstonderwijs als zodanig overgedragen aan de priester voor de katholieke kinderen en aan de evangelische dominee voor de evangelische kinderen en alleen voor die kinderen waarvan de ouders wilden dat ze een vrije godsdienstleer zouden krijgen, voor hen worden vrije godsdienstlessen gegeven vanuit de antroposofie; zodat wereldbeschouwing op de vrijeschool eigenlijk niet aan bod komt. GA 309/24-25 Op deze blog vertaald/24-25
Blz. 92-93 vert. 92-93
Vragenbeantwoording bij de 3e voordracht, Bern 15 april 1924
Frage: Zur Frage des Religionsunterrichts.
Ich habe schon erwähnt, daß wir in der Waldorfschule das so eingerichtet haben, daß wir den Religionsunterricht der katholischen Kinder durch den katholischen Priester, den der evangelischen Kinder durch den Pastor besorgen lassen, daß wir nur diejenigen Kinder frei-religiös erziehen, deren Eltern dies wünschen. Für diese Kinder ist zunächst eine Art von Pädagogik-Didaktik für den Religionsunterricht
.
Vraag: Over het godsdienstonderwijs
Ik heb al gezegd dat wij op de vrijeschool het zo georganiseerd hebben, dat wij het godsdienstonderwijs voor de katholieke kinderen door de katholieke priester, voor de evangelische kinderen door de pastor laten verzorgen, dat wij alleen die kinderen op een vrij-religieuze manier opvoeden van wie de ouders dat willen. Voor deze kinderen moest eerst een soort pedagogie-didactiek voor het godsdienstonderwijs
Blz. 93 vert. 93
auszuarbeiten gewesen. Für die Pflege des katholischen und evangelischen Unterrichtes sind die betreffenden Lehrer maßgebend. Dasjenige, was in unserem freien Religionsunterricht gepflegt wird, unterliegt ganz denselben Gesetzen wie der übrige Unterricht, insofern sie auf geistiger Menschenerkenntnis überhaupt beruhen. Man richtet den Religionsunterricht so ein, daß man vor allen Dingen davon ausgeht, das im Kinde seelisch-geistig entwickeln zu lassen in der zweiten Lebensepoche, was in der ersten Lebensepoche naturhaft vorhanden ist. Ich habe auseinandergesetzt, wie in der ersten Lebensepoche der Leib des Kindes sich naturhaft-religiös zu der Umgebung verhält. Das tritt dann zurück ins Seelische, indem der Leib sich emanzipiert, und man muß nun im Seelisch-Geistigen wiedererwecken diese Hingabe an die Umgebung. Das erreicht man am besten, wenn man versucht, ein Gefühl vor allen Dingen in dem Kinde zu entwickeln für das, was man ihm märchenhaft, legendenhaft übermittelt. Darum handelt es sich vor allen Dingen, daß man versucht, in ihm die Empfindung der Dankbarkeit für das Dasein, für die Schönheiten, die die Welt bietet, zu erwecken. Ist man in der Lage, die Dankbarkeit zu erwecken, dann geht dieses schon allmählich über in das Gefühl der Liebe. Daraus läßt sich das Moralische entwickeln.
uitgewerkt worden. Voor de verzorging van het katholieke en evangelische onderwijs zijn de betreffende leerkrachten leidinggevend. <1> <2>Wat in ons vrije godsdienstonderwijs verzorgd wordt, is aan dezelfde eisen onderhevig als de rest van het onderwijs, voor zover dit berust op geestelijke menskunde. Het godsdienstonderwijs wordt zo georganiseerd dat men er boven alles vanuit gaat, dat in de ziel en de geest van het kind zich dat in de tweede levensfase laat ontwikkelen, wat in de eerste fase van nature aanwezig is. Ik heb uiteengezet hoe in de eerste levensfase het lichaam van het kind in een natuurlijk-religieuze verhouding staat tot de omgeving. Dat trekt zicht terug in de ziel, wanneer het lichaam zelfstandiger wordt en in ziel en geest moet je nu weer deze overgave aan de omgeving wekken. Dat bereik je het beste wanneer je probeert in het kind een gevoel voor alles te ontwikkelen, wat je dan in de vorm van sprookjes, legenden vertelt. Daarom gaat het er in de eerste plaats om dat je probeert in hem een gevoel van dankbaarheid op te roepen voor het bestaan, voor het mooie dat de wereld biedt. Ben je in staat dankbaarheid te wekken, dan gaat dit al langzaam over in een gevoel van liefde. Daaruit kan het morele dan ontwikkeld worden. GA 309/92-93 Op deze blog vertaald/92-93
Er zijn heel veel kinderboeken. Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.
Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.
De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.
In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.
NIELS HOLGERSSON
Dit beroemde jeugdboek van Selma Lagerlöf vertelt over Niels (Nils) die door zijn gedrag door de huiskabouter voor straf net zo groot wordt als hij is. Niels verlaat zijn huis en gaat mee met de wilde ganzen die op trektocht naar het noorden zijn. Onderweg beleeft hij met de ganzen allerlei avonturen: hoe gevaarlijk is Smirre, de vos. Van Akka van Kebnekajse, een naam die je niet meer vergeet, leert Niels veel over het leven.
Lagerlöf weeft er vele verhalen tussen die een blik geven op het Zweedse landschap, of ze vertelt sprookjesachtige geschiedenissen over streken en steden.
Soms is Niels in gevaar, maar dan is er altijd Akke, en niet te vergeten Maarten, de ganzerik, die bijna nooit zonder Niels op zijn rug, vliegt.
Er zijn van het boek allerlei uitgaven, het is verfilmd bv.
Het exemplaar hierboven is geïllustreerd door Anton Pieck.
Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.
Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.
De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool. Dat heeft hij vele kerenbenadrukt!
Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.
In deze voordracht gaat het over:
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school <1> <4> Verschillende godsdiensten vertegenwoordigd door hun geestelijken (priester, dominee) <2> Godsdienstonderwijs vanuit de antroposofie voor de ouders die dat voor hun kinderen willen <3> <12> Dit godsdienstonderwijs is door en door christelijk <5> Voor het ‘hoe’ is de leeftijd bepalend: tot het 9e jr. het Vaderprincipe<6> Dankbaarheid <7> liefde <8> plicht <9> Christus en het mysterie van Golgotha <10> Voorbereiding op het Nieuwe Testament <11> Zondagshandeling <13> Waarom dit godsdienstonderwijs <14>
Dieses Allgemein-Menschliche im Unterrichts- und Erziehungswesen, das ich für die verschiedensten Unterrichtszweige charakterisieren mußte, das muß sich im Waldorfschul-Prinzip besonders dadurch ausleben, daß diese Waldorfschule nach keiner Richtung hin eine Schule der religiösen oder philosophischen Überzeugung oder eine Schule einer bestimmten Weltanschauung ist. Und nach dieser Richtung war es ja natürlich notwendig, gerade für ein Schulwesen, das sich aus der Anthroposophie heraus entwickelt hat, darauf hinzuarbeiten, daß nun ja diese Waldorfschule weit, weit davon entfernt sei, etwa eine Anthroposophenschule zu werden oder eine anthroposophische Schule zu
<1>Dit algemeen-menselijke in onderwijs en opvoeding dat ik voor de meest uiteenlopende takken van onderwijs moest karakteriseren, dat moet in het vrijeschool-principe gestalte krijgen doordat deze vrijeschool in geen enkele richting een school is met religieuze of filosofische overtuiging, of een school met een bepaalde wereldbeschouwing. En in dit opzicht was het natuurlijk nodig, juist voor een schoolsysteem dat zich vanuit de antroposofie heeft ontwikkeld, ernaar te streven dat nu deze vrijeschool in de verste verte niet een antroposofenschool wordt of een antroposofische school is.
Blz. 204 vert. 261
sein. Das darf sie ganz gewiß nicht sein. Man möchte sagen: jeden Tag aufs neue strebt man wieder danach, nun ja nicht irgendwie durch den Übereifer eines Lehrers, oder durch die ehrliche Überzeugung, die ja selbstverständlich bei den Waldorfschullehrern für die Anthroposophie vorhanden ist, da sie Anthroposophen sind, irgendwie in eine anthroposophische Einseitigkeit zu verfallen. Der Mensch, nicht der Mensch einer bestimmten Weltanschauung, muß in didaktisch-pädagogischer Beziehung einzig und allein für das Waldorfschul-Prinzip in Frage kommen. Damit war es geboten, den Religionsgesellschaften gegenüber, ich möchte sagen, eben ein durch die Zeit gefordertes Kompromiß einzugehen, gar nicht auf etwas anderes zunächst zu sehen für die Schüler, als auf das Methodische einer allgemein-menschlichen Erziehung. Der Religionsunterricht wurde zunächst den Religionslehrern ihrer Konfession übergeben. Und so wird der katholische Religionsunterricht in der Waldorfschule von dem katholischen Priester, der evangelische Religionsunterricht von dem evangelischen Pfarrer erteilt.
Dat mag ze zeer beslist niet zijn. Je zou willen zeggen: elke dag opnieuw streeft men er weer naar, nu ja niet op de een of andere manier door de al te grote ijver van een leerkracht, of door de oprechte overtuiging die immers vanzelfsprekend bij de vrijeschoolleerkrachten voor de antroposofie aanwezig is, aangezien ze antroposoof zijn, op enigerlei wijze in een antroposofische eenzijdigheid te raken. De mens, niet de mens van een bepaalde wereldbeschouwing, moet in didactisch-pedagogisch opzicht enkel en alleen voor het vrijeschool-principe in aanmerking komen.<1> <2> Daarmee was het nodig tegenover de religieuze instellingen, ik zou willen zeggen, juist een door de tijd verlangd compromis aan te gaan, voor de leerlingen helemaal niet op iets anders te letten dan op het methodische van een algemeen-menselijke opvoeding. Het godsdienstonderwijs werd in eerste instantie overgelaten aan de godsdienstleraren van hun eigen geloofsgemeenschap. En zo wordt het katholieke godsdienstonderwijs in de vrijeschool door de katholieke priester gegeven, het protestantse godsdienstonderwijs door de protestantse dominee. <2>
Aber es gibt eine ganze Menge von Schülern in der Waldorfschule, die, wie man in Mitteleuropa sagt, eben Dissidentenkinder sind, die einfach keinen Religionsunterricht nehmen würden, wenn eben nur katholischer und evangelischer Religionsunterricht da wäre. Dadurch, daß sich die Waldorfschule zunächst aus dem Proletarierstande herausgebildet hat – sie war die Schule eines Industrieunternehmens, sie ist das heute längst nicht mehr, sie ist eine Schule für alle Klassen geworden -, waren anfangs namentlich überwiegend konfessionslose Kinder da. Diese Kinder hätten nun, wie es ja in sehr vielen Schulen Mitteleuropas der Fall ist, gar keinen Religionsunterricht gehabt. So haben wir gerade für diese Kinder, die sonst gar keinen Religionsunterricht gehabt hätten, einen sogenannten freien Religionsunterricht eingeführt. Dieser freie Religionsunterricht, der ist auch nicht darauf abgestellt, theoretische Anthroposophie in die Waldorfschule hineinzutragen. Das würde ganz falsch sein. Die anthroposophische Überzeugung ist bis heute für Erwachsene ausgebildet, und man spricht ja über Anthroposophie zu Erwachsenen. Man kleidet daher alle Begriffe, alle Empfindungen in dasjenige, was für Erwachsene gut ist. Dasjenige, was in
<3> Maar er is in de vrijeschool een groot aantal leerlingen die, zoals men in Midden-Europa zegt, nu eenmaal dissidente kinderen zijn, die gewoonweg geen godsdienstonderwijs zouden volgen als er alleen katholiek en protestants godsdienstonderwijs zou zijn. Doordat de vrijeschool in de eerste plaats de proletarische stand heeft ontwikkeld – ze was de school van een industriële onderneming, dat is ze vandaag allang niet meer, ze is een school voor alle standen geworden -, waren er in het begin met name overwegend niet-confessionele kinderen. Deze kinderen zouden nu, zoals in veel scholen in Midden-Europa het geval is, helemaal geen godsdienstonderwijs hebben gehad. Zo hebben we juist voor deze kinderen die anders helemaal geen godsdienstonderwijs hadden gekregen, een zogeheten vrij godsdienstonderwijs ingevoerd. <4> Dit vrije godsdienstonderwijs, dat is er ook niet op gericht theoretische antroposofie in de vrijeschool binnen te brengen. Dat zou helemaal verkeerd zijn. De antroposofische overtuiging is tot de huidige dag voor volwassenen ontwikkeld, en je spreekt over antroposofie tot volwassenen, nietwaar. Je drukt daarom alle begrippen, alle gevoelens uit in dat wat voor volwassenen goed is. Wat in
Blz. 205 vert. 262
unserer anthroposophischen Literatur für Erwachsene bestimmt ist, einfach zu nehmen und es nun in die Schule hineinzutragen, hieße gerade dem Pädagogisch-Didaktischen im Waldorfschul-Prinzip schnurstracks zuwiderhandeln. Da handelt es sich darum, für diejenigen Kinder, die uns übergeben werden, freiwillig übergeben werden zum freien religiösen Unterricht, nun auch im strengsten Sinne des Wortes wiederum das religiöse Element, und was ihnen als Religionsunterricht zu geben ist, abzulesen von ihrem Lebensalter. So darf man auch nicht unter dem freien Religionsunterricht der Waldorfschule, der sogar mit einem entsprechenden Kultus verbunden ist, sich etwas vorstellen wie eine in die Schule hineingetragene anthroposophische Weltanschauung. Man wird gerade sehen, daß in diesem freien Religionsunterricht überall dem Lebensalter des Kindes in ausgiebigstem Maße Rechnung getragen wird. Wir können nichts dafür, daß dieser freie Religionsunterricht in der Waldorfschule von den meisten Kindern besucht wird, trotzdem wir es uns zur strengen Regel machen, nur auf Wunsch der Eltern das Kind zu diesem freien Religionsunterricht zuzulassen.
antroposofïsche literatuur voor volwassenen bestemd is, eenvoudigweg te pakken en het in de school binnen te brengen, zou betekenen lijnrecht in strijd met juist het pedagogisch-didactische in het vrijeschool-principe te handelen. Daar gaat het erom voor die kinderen die ons worden toevertrouwd, vrijwillig worden toevertrouwd voor het vrije godsdienstonderwijs, nu ook in de meest strikte zin van het woord wederom het religieuze element, en wat hun als godsdienstonderwijs te geven is, af te lezen van hun leeftijd.
Zo mogen we ons ook niet bij het vrije godsdienstonderwijs van de vrijeschool, dat zelfs met een passende cultus verbonden is, iets voorstellen als een in de school binnengebrachte antroposofische wereldbeschouwing. <4> Je zult zien dat in dit vrije godsdienstonderwijs overal in zeer uitvoerige mate rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind. We kunnen er niets aan doen dat dit vrije godsdienstonderwijs in de vrijeschool door de meeste kinderen wordt bezocht, hoewel wij het als strenge regel hanteren alleen op wens van de ouders het kind toe te laten tot dit vrije godsdienstonderwijs. <3>
Allein es spielt ja dabei doch das pädagogisch-didaktische Element eine außerordentliche Rolle, und da unser freier Religionsunterricht wiederum im strengsten Sinne ein christlicher ist, so schicken diejenigen Eltern, die ihre Kinder christlich erzogen, aber nach dem Schulprinzip, nach der Pädagogik und Didaktik der Waldorfschule unterrichtet und erzogen wissen wollen, uns eben ihre Kinder in den freien Religionsunterricht, der ein durch und durch christlicher ist, der sogar so christlich wirkt, daß die ganze Schule in eine Atmosphäre von Christlichkeit getaucht ist. Feste, Weihnachtsfest, Osterfest, werden bei uns von den Kindern aus dem freien christlichen Religionsunterricht heraus mit einer ganz anderen Innigkeit empfunden, als das sonst bei diesen Festen heute der Fall ist. Nun handelt es sich darum, daß gerade im Religionsunterricht das Lebensalter des Kindes berücksichtigt werden muß. Gerade da ist es von großem Schaden, wenn irgend etwas zu früh an das Kind herangetragen wird. Deshalb ist unser freier Religionsunterricht so eingerichtet, daß das Kind zunächst zur Erfassung des Allgemein-Göttlichen in der Welt kommt.
<5> Alleen speelt daarbij toch het pedagogisch-didactische element een uitzonderlijke rol. En omdat ons vrije godsdienstonderwijs weer in de meest strikte zin christelijk godsdienstonderwijs is, sturen die ouders die willen dat hun kinderen christelijk worden opgevoed, echter onderwezen en opgevoed volgens het schoolprincipe, de pedagogie en didaktiek van de vrijeschool, hun kinderen bij ons naar het vrije godsdienstonderwijs; dat is door en door christelijk, dat heeft zelfs zo’n christelijke uitwerking dat de hele school in een atmosfeer van christelijkheid is gedompeld. Feesten, kerstfeest, paasfeest, worden bij ons door de kinderen vanuit het vrije christelijke godsdienstonderwijs met een heel andere innerlijkheid ervaren dat anders bij deze feesten tegenwoordig het geval is. <5> <6> Nu gaat het erom dat juist bij het godsdienstonderwijs de leeftijd van het kind in aanmerking moet worden genomen.’ Juist daar is het zeer schadelijk als wat dan ook het kind te vroeg aangeboden wordt. Daarom is ons vrije godsdienstonderwijs zo ingericht dat het kind in de eerste plaats tot begrip van de algemeen-goddelijke wereld komt.
Blz. 206 vert. 263
Sie erinnern sich, wir unterrichten das Kind zunächst, wenn es in die Schule hereinkommt zwischen dem siebenten und neunten oder zehnten Jahre so, daß wir die Pflanzen sprechen lassen, die Wolken sprechen lassen, die Quellen sprechen lassen. Die ganze Umgebung des Menschenkindes ist belebt. Da läßt sich nun leicht der Unterricht hinführen zu dem die Welt durchlebenden, allgemeinen göttlichen Vaterprinzip. Daß alles seinen Ursprung in einem Göttlichen hat, das läßt sich für das Kind, gerade wenn man den übrigen Unterricht so führt, wie ich es geschildert habe, in einer vorzüglichen Weise hinstellen. Und so knüpfen wir an dasjenige an, was das Kind weiß, wissen lernt auf märchenhafte Weise, auf phantasiemäßige Weise über die Natur. An das knüpfen wir an, um das Kind zunächst gegenüber allem, was in der Welt geschieht, zu einer gewissen Dankbarkeit zu führen. Dankbarkeit gegenüber allem, was Menschen uns tun, aber gegenüber allem auch, was uns die Natur gewährt, das ist dasjenige, was das religiöse Empfinden auf den richtigen Weg bringt. Überhaupt ist die Erziehung zur Dankbarkeit etwas unendlich Wichtiges und Bedeutungsvolles.
U herinnert zich dat we het kind in eerste instantie wanneer het de school in komt tussen het zevende en negende of tiende jaar, zodanig onderwijzen dat we de planten laten spreken, de wolken laten spreken, de bronnen laten spreken. De hele omgeving van het mensenkind is van leven doortrokken. Daar laat het onderwijs zich nu gemakkelijk leiden naar het algemeen goddelijke Vaderprincipe, dat levend door de wereld heen aanwezig is. Dat alles zijn oorsprong in het goddelijke heeft, dat laat zich op uitstekende wijze voor het kind neerzetten, juist wanneer we het overige onderwijs geven zoals ik dat heb beschreven. En zo sluiten we aan bij datgene wat het kind weet, leert kennen op sprookjesachtige wijze, op fantasiematige wijze over de natuur. <7> Daar sluiten we bij aan om het kind in de eerste plaats tot een zekere dankbaarheid te brengen jegens alles wat in de wereld gebeurt. Dankbaarheid jegens alles wat mensen voor ons doen, maar ook jegens alles wat ons de natuur geeft, dat is wat het religieuze gevoel op de juiste weg brengt. Überhaupt is de opvoeding tot dankbaarheid buitengewoon belangrijk en veelbetekenend.
Der Mensch sollte sich dazu entwickeln, wirklich auch ein gewisses Dankesgefühl zu haben, wenn – vielleicht klingt das sogar paradox, und dennoch ist es tief wahr – zur rechten Zeit, wo er dies oder jenes zu tun hat, ihm das geeignete Wetter zuteil wird. Gegenüber dem All, dem Kosmos Dankbarkeit entwickeln zu können, wenn das auch, ich möchte sagen, in einem imaginativen Welterleben nur geschehen kann, das ist dasjenige, was unsere ganze Weltempfindung religiös vertiefen kann. Zu dieser Dankbarkeit brauchen wir dann die Liebe gegenüber allem. Und wir können wiederum leicht, wenn wir das Kind also bis gegen das neunte, zehnte Jahr hinführen, wie es angedeutet worden ist, in all dem Belebten, das wir dem Kind hinstellen, zugleich etwas für das Kind offenbaren, was das Kind liebgewinnen muß. Liebe zu jeder Blume, Liebe zu jedem Baum, Liebe zu Sonnenschein und Regen, das ist dasjenige, was das Weltempfinden wiederum religiös vertiefen kann. Wenn wir Dankbarkeit und Liebe in dem Kinde vor dem zehnten Jahre entwickeln, dann können wir auch in der richtigen Weise das-
De mens zou zich ertoe moeten ontwikkelen werkelijk ook een zeker gevoel van dank te hebben wanneer – misschien klinkt dit zelfs paradoxaal, en toch is het een diepe waarheid – op het juiste ogenblik waarop hij dit of dat te doen heeft, hem het geschikte weer ten deel valt. Jegens het heelal, de kosmos dankbaarheid te kunnen ontwikkelen, al kan dat, ik zou willen zeggen, alleen maar in een imaginatief wereldbeleven gebeuren, dat is wat ons hele wereldgevoel religieus kan verdiepen. <7>
<8> Bij deze dankbaarheid hebben we dan de liefde tegenover alles nodig. En we kunnen weer gemakkelijk, als we het kind dus naar het negende, tiende jaar toe leiden, zoals we hebben aangegeven, in al het beleefde dat we het kind aanreiken, tegelijk iets voor het kind openbaren waarvan het kind dan stilaan moet gaan houden. Liefde voor elke bloem, liefde voor elke boom, liefde voor zonneschijn en regen, dat is wat het wereldgevoel weer religieus kan verdiepen.
Als we dankbaarheid en liefde in het kind voor het tiende jaar ontwikkelen, dan kunnen we ook op de juiste wijze datgene
Blz. 207 vert. 264
jenige entwickeln, was wir die Pflicht nennen. Die Pflicht durch Gebote zu früh entwickeln, führt zu keiner religiösen Innigkeit. Wir müssen vor allen Dingen in dem Kinde Dankbarkeit und Liebe entwickeln, dann entfalten wir das Kind sowohl ethisch-moralisch in der richtigen Weise wie auch religiös. Wer im tiefsten Sinne des Wortes das Kind im christlichen Sinne erziehen will, der hat nötig, darauf zu sehen, daß dasjenige, was sich vor die Welt in dem Mysterium von Golgatha hinstellt, in alledem, was an die Persönlichkeit und Gotteswesenhaftigkeit des Christus Jesus geknüpft ist, sich vor dem neunten und zehnten Jahre nicht in der richtigen Weise vor die kindliche Seele hinstellen läßt. Großen Gefahren setzt man das Kind aus, wenn man es nicht vor diesem Lebensmomente in das allgemein Göttliche einführt, ich möchte sagen: in das göttliche Vaterprinzip; ihm zeigt, wie in allem in der Natur das Göttliche lebt, wie in aller Menschenentwickelung das Göttliche lebt, wie überall, wo wir hinschauen, in den Steinen, aber auch in dem Herzen des anderen Menschen, in jeder Tat, die der andere Mensch dem Kinde tut, überall das Göttliche lebt.
ontwikkelen wat we de ‘plicht’ noemen.<8> <9> Plicht door middel van geboden te vroeg ontwikkelen leidt tot geen enkele religieuze innigheid. Wc moeten voor alles in het kind dankbaarheid en liefde ontwikkelen, dan brengen we het kind op de juiste wijze zowel ethisch-moreel als ook religieus tot volle wasdom. <9> <10> Wie het kind in de diepste zin van het woord in christelijke zin wil opvoeden, die heeft nodig erop toe te zien dat datgene wat in het mysterie van Golgotha voor de wereld wordt geplaatst, in alles wat verbonden is met de persoonlijkheid en het goddelijk-zijn van de Christus Jezus, zich voor het negende en tiende jaar niet op de juiste wijze voor de ziel van het kind laat plaatsen. Je stelt het kind aan grote gevaren bloot als je het niet voor dit levensmoment vertrouwd maakt met het algemeen goddelijke, laat ik zeggen: met het goddelijke Vaderprincipe; daaruit blijkt hoe in alles in de natuur het goddelijke leeft, hoe in alle mensenontwikkeling het goddelijke leeft, hoe overal waar we kijken, in de stenen, maar ook in de harten van andere mensen, in elke handeling die de andere mens voor het kind doet, overal het goddelijke leeft.
Dieses allgemein Göttliche, das müssen wir in Dankbarkeit empfinden, in Liebe das Kind fühlen lehren durch die selbstverständliche Autorität des Lehrers. Dann bereiten wir uns vor, zu diesem Mysterium von Golgatha gerade zwischen dem neunten und zehnten Jahre die richtige Stellung bekommen zu können. Da ist es so unendlich wichtig, das Menschenwesen auch hinsichtlich seiner zeitlichen Entwickelung verstehen zu lernen. Versuchen Sie es nur einmal, sich den Unterschied klarzumachen, der besteht, wenn man dem Kinde irgend etwas vom Neuen Testament beibringen will im siebenten und achten Lebensjahre, oder – nachdem man zunächst aus jedem Naturwesen das Gottesbewußtsein im allgemeinen hat anregen wollen – mit diesem Neuen Testament kommt zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre, um es nachher erst als solches dem Kinde zu entwickeln. Da ist es in der richtigen Weise vorbereitet, da lebt es sich in das ganz überweltlich Große hinein, das im Evangelium enthalten ist. Bringen Sie es ihm vorher bei, dann bleibt es Wort, dann bleibt es starrer nüchterner Begriff, dann ergreift es nicht den ganzen
Dit algemeen goddelijke, dat moeten we in dankbaarheid voelen, in liefde het kind voelen leren door de vanzelfsprekende autoriteit van de leraar. Dan bereiden we ons voor om de juiste houding tegenover dit mysterie van Golgotha juist tussen het negende en tiende jaar te kunnen krijgen. <10>
<11> Dan is het ontzettend belangrijk het menselijk wezen ook ten aanzien van zijn ontwikkeling in de tijd te leren begrijpen. Probeert u maar eens het verschil duidelijk te krijgen dat er bestaat als je het kind iets van het Nieuwe Testament wilt bijbrengen op zijn zevende of achtste jaar, of – nadat je vooreerst uit elk natuurwezen het godsbewustzijn in het algemeen hebt willen wekken — met dit Nieuwe Testament komt tussen het negende en tiende jaar, om het naderhand pas als zodanig voor het kind te ontwikkelen. Dan is het op de juiste wijze voorbereid, dan leeft het zich in in het heel bovenzinnelijke grote dat het evangelie behelst. Brengt u het hem voor die tijd bij, dan blijven het woorden, dan blijft het een star nuchter begrip, dan grijpt het niet de hele
Blz. 208 vert. 265
Menschen, dann laufen Sie Gefahr, daß das Religiöse im Kinde verhärtet, und der Mensch es als verhärtetes Element durch das Leben trägt, nicht in Lebendigkeit als etwas sein ganzes Weltempfinden Durchsetzendes. Man bereitet das Kind im schönsten Maße vor, die Glorie des Christus Jesus in sich aufzunehmen vom neunten, zehnten Jahre an, wenn man es vorher in die allgemeine Göttlichkeit der ganzen Welt hineinführt. Und das strebt gerade der nun auch auf das rein Menschliche gebaute Religionsunterricht an, den wir als freien christlichen Religionsunterricht in der Waldorfschule erteilen für diejenigen Kinder, deren Eltern dies wünschen, die eigentlich immer mehr werden gegenüber den anderen, und den wir auch in einen gewissen Kultus gekleidet haben. Sonntäglich findet für diese Kinder, die diesem freien Religionsunterricht beiwohnen, eine Kultushandlung statt. Wenn diese Kinder aus der Schule entlassen werden, wird diese Kultushandlung metamorphosiert. Auch eine Kultushandlung, die sogar dem Meßopfer sehr ähnlich ist, aber durchaus dem entsprechenden Lebensalter angemessen ist, ist verbunden mit diesem auf den freien Religionsunterricht gestützten religiösen Leben in der Waldorfschule.
mens aan, dan loopt u gevaar dat het religieuze in het kind verhardt, en de mens het als verhard element door het leven heen draagt, niet in alle levendigheid als iets waarvan zijn wereldgevoel is doortrokken. Je bereidt het kind vanaf het negende, tiende jaar het mooiste voor de glorie van de Christus Jezus in zich op te nemen als je het voor die tijd in de algemene goddelijkheid van de hele wereld binnenleidt. <6> <12> En dat streeft precies het nu ook op het zuiver menselijke gebouwde godsdienstonderwijs na dat we als vrij christelijk godsdienstonderwijs in de vrijeschool geven aan die kinderen van wie de ouders dat wensen, die eigenlijk in aantal steeds groter worden vergeleken bij de anderen, en waarin we ook een bepaalde cultus hebben ingebracht. <12> <13> ’s Zondags vindt er voor deze kinderen die dit vrije godsdienstonderwijs bijwonen, een cultushandeling plaats. Wanneer deze kinderen van school zullen gaan, wordt deze cultushandeling gemetamorfoseerd. Ook een cultushandeling, die zelfs heel sterk lijkt op het misoffer, maar helemaal overeenkomt met de erbij behorende leeftijd, is verbonden met dit op vrije godsdienstonderwijs gebaseerde religieuze leven in de vrijeschool. <13>
Es war besonders schwierig, dasjenige in das religiöse Element hineinzubringen, was wir in der Waldorfschule ausbilden wollen: das rein menschliche Entwickelungsprinzip. Denn in bezug auf das Religiöse sind ja heute die Menschen noch am wenigsten geneigt, von ihrem Speziellen abzugehen. Man redet vielfach von einem allgemeinmenschlich Religiösen. Das aber ist doch bei dem einzelnen Menschen so gefärbt, wie seine Spezial-Religionsgemeinschaft es ihm färbt. Wenn wir die Aufgabe der Menschheit in die Zukunft hinein richtig verstehen, so wird dieser Aufgabe schon auch im rechten Maße gedient durch diesen freien religiösen Unterricht, mit dem wir in der Waldorfschule eigentlich erst begonnen haben. Anthroposophie, so wie diese für Erwachsene heute vorgetragen wird, wird ganz gewiß nicht in die Waldorfschule hineingetragen; dagegen dasjenige, wonach der Mensch lechzt: das Ergreifen des Göttlichen – des Göttlichen in der Natur, des Göttlichen in der Menschheitsgeschichte – durch das richtige Einstellen auf das Mysterium von
<14>Het was bijzonder moeilijk datgene in het religieuze element binnen te brengen wat we in de vrijeschool willen ontwikkelen: het zuiver menselijke ontwikkelingsprincipe. Want met betrekking tot het religieuze, nietwaar, zijn de mensen tegenwoordig nog het minst geneigd het specifieke ervan te verlaten. Men spreekt vaak over iets algemeen menselijk religieus. Maar dat is bij de afzonderlijke mensen zo gekleurd zoals zijn speciale religieuze gemeenschap het voor hem kleurt. Als we de taak van de mensheid naar de toekomst toe goed begrijpen, dan wordt deze taak ook al op de juiste wijze gediend door dit vrije godsdienstonderwijs waarmee we in de vrijeschool eigenlijk pas zijn begonnen. Antroposofie, zoals die tegenwoordig voor volwassenen wordt gebracht, wordt heel zeker niet in de vrijeschool gebracht. Echter datgene waar de mens naar snakt: het begrijpen van het goddelijke – van het goddelijke in de natuur, van het goddelijke in de mensheidsgeschiedenis – door het juiste afstemmen op het mysterie van
Blz. 209 vert. 267
Golgatha. Das ist es, was im rechten Sinne hineinzutragen auch in den Unterricht wir als unsere Aufgabe betrachten. Damit erreichen wir es aber auch, daß wir dem ganzen Unterricht dasjenige Kolorit geben können, das er braucht. Ich habe schon gesagt, der Lehrer muß eigentlich dazu kommen, daß alles Unterrichten für ihn eine sittliche, eine religiöse Tat werde, daß er sozusagen in dem Unterrichten selber eine Art Gottesdienst sehe. Das können wir nur erreichen, wenn wir imstande sind, für diejenigen Menschen, die es heute schon wollen, auch das religiös-sittliche Element in der richtigen Weise in die Schule hineinzustellen. Das haben wir eben, so weit das schon heute gegenüber den sozialen Verhältnissen geht, in bezug auf den Religionsunterricht in der Waldorfschule versucht.
Golgotha, dat is het wat we als onze taak beschouwen om in de goede zin ook in het onderwijs binnen te brengen. Daarmee bereiken we echter ook dat we het hele onderwijs het coloriet kunnen geven dat het nodig heeft. Ik heb al gezegd dat de leraar er eigenlijk toe moet komen dat al het onderwijzen voor hem een morele, een religieuze daad wordt, dat hij om zo te zeggen in het onderwijzen zelf een soort godsdienstoefening ziet. Dat kunnen we alleen bereiken als we in staat zijn voor die mensen die dat vandaag al willen, ook het religieus-morele element op de juiste wijze in de school binnen te brengen. Dat hebben we eenvoudigweg, voor zover het vandaag de dag al tegenover de sociale omstandigheden gaat, met betrekking tot het godsdienstonderwijs in de vrijeschool geprobeerd.
Wir haben ganz gewiß damit nicht irgendwie nach einem blind rationalistischen Christentum hinarbeiten wollen, sondern gerade nach dem richtigen Erfassen des Christus-Impulses in der ganzen Erdenentwickelung der Menschheit. Wir haben nichts anderes gewollt damit, als dasjenige dem Menschen zu geben, was er dann noch braucht, wenn er durch allen anderen Unterricht ein ganzer Mensch geworden ist. Denn, meine sehr verehrten Anwesenden, man kann durch allen anderen Unterricht schon ein ganzer Mensch geworden sein – etwas braucht man dann noch, wenn man auch schon sonst ein ganzer Mensch geworden ist, um diesen ganzen Menschen wiederum in einer allseitigen Weise so in die Welt hineinzustellen, daß er seinem ihm eingeborenen Wesen gemäß in dieser Welt drinnen steht: die religiöse Vertiefung. Den ganzen Menschen erziehen, diesen als ganzen Menschen erzogenen Menschen religiös zu vertiefen, das haben wir als eine der bedeutsamsten Aufgaben des Waldorfschul-Prinzipes zu erfassen gesucht.
We hebben daarmee absoluut niet op de een of andere manier volgens een blind rationalistisch christendom willen werken, maar juist volgens het op de juiste wijze begrijpen van de Christusimpuls in de hele aardeontwikkeling van de mensheid. We wilden daarmee niets anders dan aan de mens datgene te geven wat hij dan nog nodig heeft wanneer hij door alle andere onderwijs een heel mens is geworden. Want, geachte aanwezigen, je kunt door al het andere onderwijs wel een heel mens zijn geworden – iets heb je dan nog nodig als je ook al op andere wijze een heel mens bent geworden, om deze hele mens weer op een alzijdige wijze zo in de wereld te plaatsen dat hij overeenkomstig zijn hem aangeboren wezen in deze wereld staat: de religieuze verdieping. De héle mens opvoeden, deze als hele mens opgevoede mens religieus te verdiepen, dat probeerden we als een van de belangrijkste taken van het vrijeschool-principe te pakken te krijgen.<14> GA 307/203-209 Vertaald/260-267
Op deze blog staan veel opmerkingen van Steiner over het grote belang van de nabootsing in de ontwikkeling van het kind. Bij een aantal artikelen staan ook foto’s van kinderen in een ‘nabootsende toestand’. Die foto’s kunnen overal ter wereld gemaakt worden.
Soms kom je beschrijvingen tegen in literatuur, maar die liggen niet voor het oprapen.
Bij het herlezen van het jeugdboek ‘Schimmels voor de koets’ van Nienke van Hichtum, vond ik zo’n beschrijving.
In het verhaal breekt Sjoerd, een oudere jongen in het gezin, zijn been. Op zeker ogenblik gaat hij oefenen met krukken, Zijn jongere broertje Bouwe doet hem na:
‘Op een goeie dag zag ze (de oudere zus) kleine Bouwe binnenkomen met een paar dikke stokken. Hij deed net of dit ook krukken waren en — kijk, daar strompelde hij waarlijk achter zijn broertje aan! Bleef Sjoerd even staan om adem te scheppen — dan rustte Bouwe ook; maar pas ging de oudere broer er weer vandoor — of — de kleine man er achteraan!
Gelukkig dat Marijke het merkte voordat Sjoerd er zelf erg in had! Ze moest wél eventjes lachen om dat grappige kleine kereltje, maar toch wist ze hem met een mooi praatje de deur uit te krijgen. En, terwijl ze in ’t achterhuis grapjes met hem stond te maken, borg moeder Minke, die haar gevolgd was, stilletjes de stokken weg. Zo — nu was dat spelletje meteen uit, en Bouwe scheen er — o, wonder! — zelf niet meer aan te denken. Hij vroeg zelfs niet, waar zijn stokken gebleven waren.’
Het is al weer een paar jaar geleden dat we in Nederland stilstonden bij 100 jaar vrijeschool. De eerste Nederlandse vrijeschool opende in september 1923 in Den Haag haar deuren; 4 jaar eerder was dat in Stuttgart gebeurd: de 1e vrijeschool ter wereld.
N.a.v. e.e.a. werd er ook een filmpje gemaakt dat op You Tube is te vinden in verschillende talen.
Dit verhaaltje schreef Leo voor een lagere klas, dat kan klas 1 of 2 zijn geweest, gezien het sprookjessfeerkarakter. Een aanwijzing voor welke klas is niet vermeld.
Verteltijd ca 5 min.
DE DRIE VRAGEN
Een jonge prins gaat op weg om de drie vragen van de wereld te ontmoeten. Hij gaat over bergen en dalen, door rivieren en onder de sterren. Dan ontmoet hij Idoha, een lichtwezen. ‘Ik weet wat je zoekt, Prins’, zegt deze. Ik geef je drie raadsels. Na drie dagen zullen we elkaar hier weer ontmoeten, als je de antwoorden hebt gevonden. ‘Wanneer zijn oog en oor vrienden? Wanneer is het oog en wanneer is het oor de poort voor wonderlijke gevoelens?’
De prins ziet Idoha daarna verdwijnen in het eigen licht. Hij gaat op weg met kloppend hart. Hij ziet de kristallen, vallend water, vogels, een hert. De mooiste kleuren heeft hij nog niet gevonden.
Op het eind van de dag ziet hij hoe elfen, serafijnen en cherubijnen zich losmaken van de ondergaande zon en weven en zweven door het firmament. Zij golven in de kleuren die hun sporen zijn.
De prins zuigt het tafereel in zich op als water in een droge spons. Ten slotte ziet hij de serafijnen oplossen in de kleuren.
Bij de ondergaande zon sluit hij zijn ogen en valt in slaap.
De volgende morgen beseft hij dat hij al één deel van het raadsel heeft opgelost.
Hij gaat op weg en hoort het vallende water, de wind door de bomen, de vogels, zijn eigen stap. Soms zit hij en luistert alleen maar, soms met gesloten ogen. Hij is verheugd dat de geluiden zo mooi zijn, maar hij voelt dat dit nog niet het mooiste is. Hij valt in slaap en hoort muziek die hij kent. Op de drempel van de droomwereld die hij nu binnengaat, beseft hij dat de wonderbaarlijke klanken door engelen gemaakt worden. Met een glimlach volgt hij een groot deel van de nacht de muziek.
De volgende morgen besef hij dat hij het antwoord op de tweede vraag heeft gevonden.
Hij ziet en hoort hanengekraai, paardengedraaf, een roepende boer en bliksem en donder. Zou hier het antwoord zijn? Maar nu ziet hij voor zich een rotsspleet waaruit licht komt. Hij nadeert deze. De wanden wijken en uit de lichtnevel in de grot ontstaat een gestalte die hij als mens herkent. Maar hij hoort ook een stem en hij beleeft een wonder wanneer hij de woorden hoort die de gestalte spreekt. Want bij ieder woord dat hij hoort, ziet hij iets: de wolken, een helling, bergen, mensen, vogels, een ravijn. Hij ziet en hoort ze in het licht van de nevel en de glans waarin de sprekende gestalte is gehuld. Al luiserend worden machtige beelden zichtbaar. In verbazing lijkt het of hij wegzweeft in het geluid van de nevel.
De derde morgen ontwaakt hij en beseft dat hij nu het laatste antwoord heeft gevonden.
Hij keert terug, kijkend, luisterend, verbeeldend, naar de plek waar hij Idoha heeft ontmoet. Als hij daar is aangekomen, verschijnt Idoha en spreekt: ‘Ik weet dat je de antwoorden hebt gevonden. Daarvoor zal ik je belonen.
Je zult een dichter, muzikant en schilder worden en met de mensen uit je rijk de schoonheid van je verworvenheden delen.’
Toen verdween Idoha, loste op in het licht, maar liet een warme glans in het hart van de prins achter.
Toen hij was teruggekeerd in het paleis, waren er niet drie dagen, maar vele jaren verstreken.
Kort na zijn thuiskomst stierf zijn vader en werd hij koning.
De mensen uit zijn rijk hielden van hem en vereerden hem omdat hij naast wijsheid en vrede ook het schone in het land tot bloei bracht.
Zo leefden zij vele jaren in geluk en werkten hard. Velen schilderden, dichtten en musiceerden.
Pas dit weekend hoorde ik van het overlijden van Leo Klein op 11 februari jl.
In 2017 noemde ik zijn naam al eens op deze blog toen ik vertelde hoe ik de vrijeschool leerde kennen:
Dat gebeurde door wat ik tijdens een hospiteerperiode in een vrijeschoolklas zag. (We spreken nu over ‘stage’). Als leerling – je sprak nog niet van ‘student’ – van de Gemeentelijke Kweekschool in Rotterdam, (de Pabo moest nog worden geboren) – kwam ik in de 5e klas van de Rotterdamse vrijeschool.
Daar zag ik Leo aan het werk en dat maakte zo’n indruk op me, dat ik meteen wist, dat ik ook zó met leerlingen wilde omgaan en zó les wilde geven. De kinderen liepen hexameters; bakten kleitabletten met spijkerschrifttekens; luisterden met net zoveel spanning als ik naar de verhalen uit de Griekse mythologie: Phrixos en Helle; Jason en de Argonauten, door Leo’s gloedvol en beeldend vertellen werden ze bijna tastbaar.
Weliswaar met grote tussenpozen ontmoette ik Leo vaker, bv. op de zomercursus in Zutphen. We nodigden hem uit om op onze school schilderlessen aan de leerkrachten te geven en onder zijn inspirerende leiding leerden we voor de 6e klas o.a. wolken schilderen.
Een aantal jaren geleden zocht ik hem op in zijn huis in Rotterdam waar ik dus zo’n kleine 60 jaar geleden ook al eens kwam. We praatten honderduit en Leo gaf mij vele aantekeningen mee uit zijn rijke voorbereidingstijd voor zijn vrijeschoolklassen met het verzoek ze op deze blog te plaatsen. Vele zijn hier al te vinden.
Ook twee bundels met allerlei rijmpjes en versjes, rijkelijk geïllustreerd, kregen op mijn ‘Vrijeschool in beeld’ een plaats. [1] [2]
Zoals ik ooit al eerder schreef: ik ben het lot buitengewoon dankbaar dat ik zo’n inspirerend mens mocht ontmoeten.
Door hem kreeg ik dat prachtige vak: vrijeschoolleerkracht!
Wolfgang Rudolph, Erziehugskunst jrg.14, sept. 1950
.
het belang van vergeten
In verband met het in perioden gegeven hoofdonderwijs op Waldorfscholen, vragen bezorgde ouders en leraren in het openbaar onderwijs zich vaak af: vergeten de kinderen niet te veel tijdens de lange pauzes tussen de perioden van een vakgebied?
Periodeonderwijs
De volgende alinea’s zullen ingaan op deze vraag over vergeten en herinneren, die zo belangrijk is voor elke opvoeder. Op Waldorfscholen moeten alle vakken die de leerling door kennis en inzicht worden gegeven, van klas 1 tot en met klas 12 in perioden van het hoofdonderwijs worden gegeven. Duits, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, alle natuurwetenschappen zoals menskunde, dierkunde, plantkunde en geologie, aardrijkskunde en geschiedenis, en ook geschiedenis, literatuur en kunst worden in blokken van twee tot vier weken gegeven, elk van twee uur per ochtend. Dit maakt het mogelijk om eenzelfde leerstofgebied een langere tijd op de voorgrond te plaatsen.
Alle andere vakken die de leerling alleen door voldoende, herhaalde oefening kan beheersen, staan als aparte lessen in het rooster. Dit omvat alle taallessen, zoals Engels, Frans en de klassieke talen*; alle technische-artistieke lessen, zoals euritmie, muziek, gymnastiek, tuinbouw, handvaardigheid. Rekenen neemt een tussenpositie in en wordt ook regelmatig geoefend.
*Vanaf de start van de vrijeschool werd er in de onderbouw ook Grieks en Latijn gegeven. Later bleek dat teveel te zijn.
Door middel van het hoofdonderwijs kan concentratie een gunstig effect hebben op zowel leraar als leerling, waardoor fragmentatie en verdeeldheid worden tegengegaan. Een gezonde efficiëntie van het onderwijs wordt bereikt door de artistieke vormgeving ervan, zo leerde Rudolf Steiner ons. Als elke les levendig in het geheugen van de leraar gegrift staat, en als hij de les kunstzinnig zo kan vormgeven dat hij in elke hoofdles, de een na de ander en met sterke nadruk, contemplatieve gedachten, diepe gevoelens en doelbewuste beweging oproept, dan draagt hij bewust bij aan de harmonisatie van de zielskrachten van het kind – denken, voelen en willen. Hij verzamelt en ontketent, consolideert en laat los, dag na dag, als in een grote inademing en uitademing, de zielen van de leerlingen.
De afzonderlijke leerfasen moeten lang genoeg duren zodat alle leerlingen zich volledig in de stof kunnen verdiepen en deze met volledige beheersing kunnen hanteren, zonder overweldigd te raken. Elke fase moet eindigen met een spannend hoogtepunt. Vervolgens kijken de leerlingen reikhalzend uit naar de voortzetting op een hoger niveau in het volgende schooljaar. De oplettende leerkracht observeert de unieke effecten van elke fase. Wiskunde heeft een vormende en disciplinerende werking op denken en handelen. Een daaropvolgende geschiedenisperiode kan de zaken steeds opnieuw in beweging zetten. Natuurwetenschappen vergaren kennis, bevorderen onbaatzuchtigheid en cultiveren ‘intuïtief oordeel’ in de zin van Goethe. Kunstgeschiedenis en literatuur vervullen leerlingen met enthousiasme en bewondering, kunnen ontzag opwekken en een gevoel van menselijke grootsheid cultiveren. Door de afzonderlijke leerfasen op een bijna therapeutische manier vakkundig te structureren, wordt de leerkracht een ware vormgever van authentieke menselijkheid. Hij predikt ze niet en hoeft ze ook niet te eisen, maar hij creëert ze wanneer hij met een scherp verstand, tactvol inzicht en zorgvuldige hand de koers van het jaar bepaalt.
De ervaren docent gebruikt de emotionele lading van de seizoenen in het lesplan om het geheugen te stimuleren. Bepaalde natuurwetenschappelijke onderwerpen die ons naar buiten brengen, kunnen in de zomer, wanneer de schoonheid van de wereld onze zintuigen betovert, op een levendige manier worden behandeld. Geometrie in de late herfst sluit aan bij de eisen van het seizoen voor verzamelen en onderzoek, conclusies trekken en verantwoording afleggen. Geschiedenis en literatuur, en alle vakken die het menselijk lot en lijden, maar ook transformatie, nieuw begin en wederopstanding onderzoeken, kunnen bijzonder vruchtbaar zijn rond Kerstmis en in de aanloop naar Pasen, wanneer ze resoneren met de diepste gevoelens van de leerlingen.
De structuur van de lessen gedurende het schooljaar hangt af van de open, aandachtige en zorgvuldige samenwerking van de docent met de klas. Maar als je eenmaal hebt ervaren wat het betekent voor de geheugenvorming om dezelfde of vergelijkbare onderwerpen in hetzelfde seizoen, door de jaren heen, met je groeiende klas te behandelen – waardoor het leren doordrenkt raakt met de geur en pracht, het ontkiemen en uitlopen, het bloeien en rijpen, het verwelken en voorbijgaan van het jaar, en het wordt gekruid met de zoetheid en bitterheid van het seizoen – dan wil je de levendige voordelen van dergelijk periodeonderwijs niet meer missen.
Vergeten
Wordt er niet te veel vergeten als leerlingen bijvoorbeeld geschiedenis slechts in één of twee blokken van meerdere weken per jaar bestuderen, met lange pauzes ertussen? Zeker, er wordt veel vergeten. Maar de leerstof, die sluimert in de diepte van het geheugen, groeit mee met de leeftijd van de leerling.
Wanneer dan een nieuwe geschiedenisperiode begint, staat de leerling daar als een nieuw mens tegenover als deze er iets nieuws ontdekt. Wat vergeten werd zonk weg in het onderbewustzijn, dat wil zeggen, in het orgaanvormende lichaam. (het etherlijf) Het was werkelijk ‘vergeten’ en werd daardoor effectief in de stofwisseling.
Wanneer de Engelsman iets ‘uit het hoofd’ opzegt, de Fransman ‘uit het hart’, duidt hun taalkundig genius erop dat de herinneringen worden opgeroepen uit de organen die aan de bewuste controle zijn onttrokken en het bewustzijn binnengaan, waarin ze inderdaad waarneembaar en transparant zijn, maar hun orgaanvormende creatieve kracht hebben verloren. De donkere en onbewuste, maar creatieve en actieve metabolische pool in de mens is de drager van de krachten van wil en vernieuwing en van alle organische vormingsprocessen. Elk wakker bewustzijn wordt verkregen en doorstaan door processen van verval en dood. Het begrijpen van de wisselwerking tussen slaap en wakker zijn, vergeten en herinneren, orgaanontwikkeling en bewustzijn is een essentiële voorwaarde voor al het onderwijs op onze scholen.
Herinneren en vergeten behoren tot de grote raadselachtige vragen van onze tijd. Als iemand deze vragen correct kan beantwoorden, krijgt hij niet alleen een dieper inzicht in zichzelf, maar verwerft hij ook essentiële inzichten voor de ontwikkeling van het individu.
We weten allemaal dat traumatische ervaringen en ziekten kunnen leiden tot het vergeten en herinneren van hele hoofdstukken uit iemands leven.
We weten dat ouderen zich de vroege jaren van hun kindertijd levendig herinneren, terwijl de middelste jaren van hun leven in een waas gehuld lijken. We hebben verhalen gehoord van mensen die op sterven lagen en die in een oogwenk hun levensverhaal in omgekeerde volgorde in levendige beelden zagen ontvouwen, als een groots verlicht panorama. We hebben allemaal gezien hoe vreemd een geur, een reeks geluiden, een bepaalde lichtinval of een gebaar hele herinneringsreeksen kan oproepen.
Herinneren
Wat is vergeten eigenlijk? Wat gebeurt er tijdens het herinneren?
Rudolf Steiner gaf een uitgebreide beschrijving van het geheugen, die hier slechts in grote lijnen samengevat kan worden: Wanneer we iets waarnemen met onze zintuigen (of bewust de inhoud van een gedachte bevatten), gaat deze waarneming niet onmiddellijk verloren, maar wordt opgenomen door ons levenslichaam of ons vormende krachtlichaam. Dit levenslijf doordringt ons fysieke lichaam gedurende ons aardse leven en beschermt het tegen de materiële ontbinding die alle organismen overkomt wanneer dit levenslichaam zich bij de dood van het fysieke lichaam scheidt. Dan blijven alleen de fysische en chemische wetten van de dode, minerale wereld van kracht. Deze levenskracht of vormende kracht omvat echter de som van alle vormende krachten die het lichaam en al zijn organen creëren, plastisch maken, laten functioneren en in stand houden. Alle verworven en alle geleden levenservaringen worden door deze levenskracht of vormende kracht in de vormen van onze fysieke organen ingebouwd en geïntegreerd in en verweven met hun functies. Dit geldt in de eerste plaats voor onze mythische** organen, met name het hart, maar ook voor de organen van de stofwisseling, interne secretie, enz., die volledig buiten onze bewuste controle vallen.
**mythisch laat zich niet anders vertalen dan door ‘mythisch’, samenhangend met de mythe. Misschien was mystisch bedoeld, het raadselachtige.
We staan er vaak versteld van dat het patroon, vooral van de duimlijnen, volledig individueel en uniek is bij ieder levend mens. Maar is het niet veel verbazingwekkender en bewonderenswaardiger dat de subtiele verschillen van hart tot hart een adequate weerspiegeling zijn van de diversiteit aan levenservaringen? Onze ervaringen “worden deel van ons wezen” omdat ieder van ons zijn eigen unieke levensverhaal en individuele biografie heeft tussen geboorte en dood, en ieder van ons ook zijn eigen lichaam heeft met een volledig individuele vorming.
En in deze individuele vormgeving van onze organen hebben we we de door het vergeten belichaamde, naar de diepte weggezonken waarnemingen, voorstellingen en gedachten, zien.
Daarom spreekt de Duitse taalgenius ook van “Er-innern” (zich her inneren), een naar binnen kijken, en van “Ver-gessen” (ver-geten), dat wil zeggen van een volledige verwerking en daarmee effectief worden in het domein van de materiële structuur. De Engelsman spreekt van “learning by heart” (uit het hoofd leren), de Fransman van “savoir par coeur” (kennis uit het hart). Al deze culturen wijzen dus op het feit, dat in onze huidige psychologie nog onvoldoende aandacht krijgt, dat geheugen geen opslagplaats in de hersenen en het zenuwstelsel is, maar dat vergeten het proces van individualisering van ons fysieke wezen door middel van vormende krachten inhoudt, terwijl herinneren de transformatie van deze groeivormende krachten in waarneembare, bewuste beelden inhoudt. Vergeten is een genadegave die de grondige individualisering van het menselijk lichaam teweegbrengt. Het niet toestaan dat het vergeten wordt, dat wil zeggen, voortdurend willen ophalen en continu “kennis controleren”, leidt niet tot geïndividualiseerde, maar hoogstens tot getypiseerde, en meestal gestandaardiseerde of zelfs ongevormde reuzenlichamen en misvormingen.
De aandachtige opvoeder zal daarom rekening moeten houden met de twee kanten van de menselijke natuur: de beeldrijke dagzijde van het bewuste verbeeldingsvermogen en het gedachteleven, en de beeldloze, maar vormende nachtzijde van de orgaanvormende realiteit, die bewust schept in de bewegende en metabolische mens.
In deze wereld van vergeten, van omvorming, ontstaan menselijke vermogens. Rudolf Steiner wees ons er vaak op dat alle ware bekwaamheid gebaseerd is op vergeten. Als ik me bewust alles wilde herinneren wat mijn leraar me op school had geleerd: “Streep omhoog, streep omlaag, streep omhoog, stip erop!” – dan zou ik nooit hebben kunnen schrijven. Deze kennis transformeerde, werd een tweede natuur, werd vergeten, en nu schrijf ik niet meer vanuit mijn hoofd, maar vanuit mijn pols. Het kon gewoon niet anders! Zo beginnen we de ware betekenis van vergeten te begrijpen: in waarneming en denken nemen we de realiteit van de omgeving in ons op en we laten die in het cognitieproces in ons herrijzen.
Deze wereldrealiteit, die in ons opkomt wanneer we naar buiten kijken, zinkt weg in het “onbewuste”, dat wil zeggen, in de fysieke vorm. Door naar binnen te kijken, wordt ze “herinnerd” en opnieuw bewust, nadat ze vergeten was, een vermogen was geworden en de individualisering van onze lichaamsorganen teweeg had gebracht. Als we verder willen komen van lesgeven naar opvoeden en vormen, mogen we het belang en de zegen van deze wisselwerking tussen objectbewuste waarneming en denken niet over het hoofd zien. Dit denken dringt door tot de instinctieve vermogens die inherent zijn aan de organen en het kan vervolgens weer in het individuele geheugen naar het bewustzijn worden gebracht.
Het ritmisch afwisselen tussen direct beschikbare visuele prikkels en een creatief leven van fysieke, constructieve realiteit, vrij van willekeur, heeft een helende werking op de psyche, net zoals de afwisseling tussen waken en slapen een helende werking heeft op het lichaam. Tegen de achtergrond van dit inzicht ontwikkelt de leerkracht een geheel andere en compleet nieuwe houding in het praktische onderwijs dan die welke tegenwoordig gangbaar is. Alleen vanuit dit perspectief kan een instelling zoals periodeonderwijs, met zijn pauzes waarin de vergeten stof voortleeft en werkelijk en diep in de leerling wordt verankerd, überhaupt worden begrepen. Zo wordt instructie en onderwijs door de docent werk aan de levensziel van de leerling. Het wordt tegelijkertijd een overwinning op de dood waaraan de ziel moet bezwijken als het onderwijs zich uitsluitend richt op de constante paraatheid van ideeën, beelden en kennis, terwijl de levenschenkende, heilzame kracht van het vergeten en de internaliserende activiteit van aandachtig herinneren worden verwaarloosd. Correct kunnen vergeten en levendig kunnen herinneren wat vergeten is, is een oefening in ‘sterven en worden’, een integraal onderdeel van een gezonde menselijke natuur.
Als Rudolf Steiner in 1919 de cursussen geeft voor de op- en inrichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, worden uiteraard ook de vakken genoemd die onderwezen gaan worden.
Het was in die tijd gebruikelijk dat in het ‘openbare’ onderwijs – laat ik voor het gemak maar zeggen: dominee of pastoor – onderwijs gaven over de geloofsrichting die zij vertegenwoordigden: die dienst die ze aan hun god wilden bewijzen, dus godsdienstonderwijs.
De kinderen die naar de vrijeschool komen, krijgen geen antroposofische godsdienst. Steiner wil van de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school maken, ‘slechts’ een methodeschool. Dat heeft hij vele keren benadrukt!
Maar wanneer niet-confessionele ouders – aanvankelijk de antroposofisch zich oriënterende ouders – ook voor hun kinderen godsdienstonderwijs ‘vanuit de antroposofie’ willen, geeft Steiner daar richtlijnen voor. Dat noemt hij bewust ‘wereldbeschouwing’, antroposofisch georiënteerde wereldbeschouwing’.
Over de menselijke hand zijn op deze blog verschillende artikelen verschenen. Zo bv. bij ‘Menskunde en pedagogie en bij ‘Rudolf Steiner over handvaardigheid‘. M.n. de relatie tussen handvaardigheid en hersenontwikkeling komt ter sprake. Bij ‘Rudolf Steiner over dierkunde‘ vind je o.a. een meer morele benadering van het feit dat wij mensen handen hebben.
Onderstaand bericht is geen artikel in die zin, maar een stukje uit het beroemde boek van Selma Lagerlöf ‘Niels Holgersson’.
XXXIX. EEN GROOT LANDGOED
De Oude en de Jonge Heer
Een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gotland een onbeschrijflijk goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het onderwijzen en kon goed orde houden; de kinderen hielden zoveel van haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet begreep hoe goed ze was en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen wijzer en knapper waren dan zij en treurde er over, dat ze niet zo kon worden.
Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, zodat ze de kinderen voortaan niet alleen met het hoofd, maar ook met de handen zou kunnen leren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrok van die uitnodiging.
Nääs lag in ’t geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij dat mooie, statige gebouw gelopen en ze had vaak de slöjdcursus horen roemen, die op dat grote landgoed werd gegeven. Onderwijzers en onderwijzeressen uit het hele land kwamen daar bijeen, om te leren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs mensen uit het buitenland. Ze wist vooruit hoe vreselijk bang ze zich voelen zou tussen zoveel uitstekende mensen. Ze vond, dat het meer was, dan ze zou kunnen uithouden.
Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren en zond haar aanvrage om plaats in.
Ze werd als leerling aangenomen en op een mooie juni-avond, de dag vóór het begin van de zomercursus, pakte ze haar kleren in een klein zakje en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond onderweg — en zichzelf mijlen ver wenste, eindelijk kwam ze daar toch aan.
Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten en nu zouden hun kamers worden aangewezen in villa’s en hutjes, die bij het grote landgoed hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, maar de onderwijzeres vond, zoals gewoonlijk, dat niemand zo raar en onhandig deed als zij. Ze had zich zo overstuur gemaakt, dat ze niets meer hoorde of zag. Ze moest ook heel wat moeilijks doormaken. Haar werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest delen met een paar jonge meisjes, die ze in ’t geheel niet kende en ze moest het avondeten gebruiken met zeventien vreemde mensen. Aan haar ene zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, en aan de andere kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat en gelach geweest om heel de lange tafel heen van ’t eerste ogenblik af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de enige, die niets had durven zeggen.
De volgende morgen begon het werk. Hier, zoals in een gewone school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders gegeven en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, stond ze opeens voor een schaafbank met een stuk hout in de ene en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleraar probeerde haar te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.
Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd. Ze was er niet handig mee. En zo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leraar was heengegaan, legde ze ’t mes en ’t hout neer op de schaafbank en stond recht voor zich uit te staren.
In de rondte in de kamer stonden schaafbanken en bij alle zag ze mensen staan, die met frisse moed aan ’t werk begonnen. Een paar van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar en wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze stond eraan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd ze deed en dat maakte haar zo ongelukkig, dat ze als verlamd was.
’t Koffie-uurtje kwam en na de koffie kwam er nieuw werk. De directeur hield een voordracht, toen volgden gymnastische oefeningen en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, met middagmaal en koffie in de grote vrolijke vergaderzaal en dan in de namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open lucht. De onderwijzeres was de hele dag in beweging, ging met de anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later terugdacht aan de eerste dagen die ze in Nääs had doorgebracht, was het haar, alsof ze in de mist had gelopen. Alles was donker en gesluierd geweest en ze had in ’t geheel niets gezien of begrepen, van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar de tweede dag ’s avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.
Toen ze ’t avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, die al meermalen op Nääs was geweest, aan een paar nieuwelingen verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan en doordat ze dicht bij hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.
Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude heer, die ’t nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij om het kasteel en ’t park mooier te maken en de woningen van de ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de grote hoeve. Hij haalde dus een jonge neef, waar hij veel van hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.
Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het besturen van ’t landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog tussen de ondergeschikten en zag hoe er geleefd werd in de hutten der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen en vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange winteravonden. Vroeger hadden de mensen hun handen vlijtig moeten gebruiken om hun kleren en huisraad te maken, maar nu kon men dat alles kopen en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart was verdwenen.
Nu en dan vond hij een huis, waar vader stoelen en tafels maakte en moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de mensen er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.
Hij had hier met zijn oom over gesproken en de oude heer had ingezien, dat het een groot geluk zou wezen, als de mensen zich in hun lege uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zover kon komen, was het een eerste vereiste, dat ze al van hun kindsheid af hun handen hadden leren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te richten. Ze wilden hun leren eenvoudige dingen van hout te maken, omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen ’t meest voor de hand lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handen had geoefend om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker de smidshamer of het werktuig van de schoenmaker zou hanteren. Maar hij, die zijn handen niet aan ’t werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle andere te boven ging.
Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zo goed en nuttig voor de kleintjes was, dat ze wensten, dat alle kinderen in Zweden zulk onderwijs konden krijgen.
Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinde
ren in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!
Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor, dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen, een slöjdschool voor onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen uit ’t hele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden en dan weer slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!
Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten, maar trachtten ze uit te voeren.
De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjd-zalen, een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs, controleerde het werk en hield voordrachten. En meer dan dat, hij leefde voortdurend met de leerlingen mee, onderzocht hoe ieder van hen het had en werd hun warmste en trouwste vriend.
En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er werden ieder jaar vier cursussen gehouden en voor alle meldden zich meer leerlingen aan dan er geplaatst konden worden. De school was ook in het buitenland bekend geworden en onderwijzers en onderwijzeressen uit alle landen der wereld kwamen naarNääs om te leren, hoe ze de ontwikkeling van de handen konden bevorderen. Er was geen plaats in Zweden, zó bekend over de hele wereld als Nääs en geen Zweed had zoveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.
De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren en hoe meer ze hoorde, hoe lichter ’t om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen, waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht, dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden doen. Ze had helemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets te verdienen, dat ze alles opofferden, wat ze maar konden om mensen beter en gelukkiger te maken.
Toen ze nu aan de grote welwillendheid en mensenliefde dacht, die achter dit alles lag, maakte dat zo’n sterke indruk op haar, dat ze wel had willen huilen. Aan zoiets had ze nog nooit meegewerkt.
De volgende dag begon ze aan ’t werk met een heel ander gevoel. Nu haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan tot nu toe waarderen. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht alleen aan ’t slöjd en aan ’t grote doel, dat daarmee bereikt moest worden.
En van dat ogenblik ging alles uitstekend, want ze kon héél goed leren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar ogen van de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die grote wonderbare welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen die de school bezochten. De deelnemers aan de cursus ontvingen veel meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereniging en bijna elke avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En ook waren er boeken, boten, een piano en een badhuis te hunner beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en gelukkig zijn.
Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de mooie zomerdagen op een groot Zweeds landgoed te mogen zijn. Het kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna geheel omsloten door een lang kronkelend meer en was met het land verbonden door een mooie stenen brug. Ze had nog nooit zoiets moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel, als de oude eiken in ’t park, als de wegen langs de oevers van ’t meer, waar de bomen over ’t water hingen, of als ’t paviljoen op de rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land, vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht vrij door ’t park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze die had mogen genieten op zo’n mooie plaats.
Het verhaal gaat nog verder en beschrijft nog meer van de zielenstemmingen van de onderwijzeres. Daarbij gaat het niet meer over ‘de handen’.