VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner lezen?

.

Steiner lezen?
.

In de ‘Seizoener’ winter 2025 wordt aan een vrijeschooljuf gevraagd: ‘Ben je antroposoof? 
Juf zegt: ‘Ik lees nauwelijks Steiner en ik denk vaak dat ik niet zo antroposofisch ben. Maar een collega zei eens dat ik veel antroposofischer werkte dan ik dacht. Misschien zit het wel meer in je handelen dan in wat je leest.’

Deze summiere opmerking houdt een reeks vragen in waar je lang over zou kunnen discussiëren.

Bv. moet je antroposoof zijn om vrijeschoolleerkracht te kunnen zijn.
Wat houdt dat in dan: antroposoof zijn.

Haar collega weet er kennelijk wel meer van: ‘dat ze veel antroposofischer werkte dan ze dacht.’

Maar wat is dat dan: antroposofisch werken.

Voor dit laatste lezen we ook vaak: ‘vanuit de antroposofie’, d.w.z. met gezichtspunten als uitgangspunt die je ontleent aan Steiners visie op: vul maar een leef/werkgebied in, in ons geval de pedagogie.

En dan heb je Steiner nog buiten het werkveld van de pedagogie.

Al die jaren dat ik vrijeschoolleerkracht was, heb ik geprobeerd Steiner te lezen. Wat ik tegenkwam was voor mij verrassend, nieuw, herkenbaar of volkomen vreemd, verbijsterend zelfs. Toch richtte ik me als gevolg daarvan, met bepaalde gezichtspunten anders op mens en wereld, wat ik als ‘rijker worden’ heb ervaren. 

Maar eigenlijk was er veel te weinig tijd: vanuit school geredeneerd: het voorbereiden van de lessen; het bezig zijn met de ontwikkeling van je klassenkinderen; de vergaderingen en alle nevenactiviteiten.
Dan was er het gezin, de relatie, het te verbouwen huis. 

Een ongezonde situatie.

Ik geef juf wel gelijk: het gaat om het handelen, niet om het lezen. Maar ik voeg er onmiddellijk aan toe: juist door te lezen, wat ik nu beperk tot de pedagogische voordrachten, krijg je allerlei inzichten die je handelen sturen, richting vrijeschoolpedagogie. 
En dat is anders dan ‘een soort op goed geluk’, wat de ander ‘antroposofisch’ vindt.
Dat ‘op goed geluk’, of ‘intuïtief’ is zeker niet verkeerd. Sterker: in je eerste ‘rondje’ zal je daar het meest mee doen. 

In de loop van de jaren is het voor veel vrijeschoolleerkrachten steeds moeilijker geworden Duits te lezen.
Maar geen nood: inmiddels zijn vrijwel ALLE pedagogische voordrachten vertaald. Ook een aantal op deze blog:

Rudolf Steiner over pedagogie(k)
De in de Gesamtausgabe (GA) voorkomende pedagogische geschriften; de betreffende vertalingen in boeken of op deze blog.

De vakken

Als je voor het eerst of weer een periode gaat geven in een bepaald vak, is het niet te doen om in alle pedagogische voordrachten over dit vak te gaan zoeken.
Ik vond dat zelf jammer, hoewel ik nog kon putten uit de Duitse opmerkingen van Karl E.A.Stockmeyer die een verzameling opmerkingen per vak had gebundeld.*

Ik ben, in navolging van hem, dat ook voor ieder vak op deze blog aan het weergeven:

Zie hier: Rudolf Steiner over…..

Verder staan op deze blog talloze artikelen over allerlei vakken van collega’s uit het veld. Die lezen, is a.h.w. een goed gesprek voeren over het ontwerp.

Dat alles geeft je veel meer zekerheid, slagvaardigheid enz.

Ik kan zeggen: Steiner lezen geeft je pedagogisch handelen vruchtbare impulsen!

.
*Karl E.A. Stockmeyer: Rudolfs Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen (1 en 2). In 2017 opnieuw uitgegeven met een iets andere titel.

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3477-3274

.

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-8)

.

Het is al weer enkele jaren dat we als mensheid te maken kregen met een pandemie door het zgn. coronavirus.
Er werd veel over gesproken, geschreven, gediscussieerd. 
Als je ergens middenin zit, is het moeilijk afstand te nemen.

In 2020 schreef John Hogervorst er in Driegonaal ook een artikel over aan de hand van gezichtspunten van Steiner. Als een overkoepelende gedacht!

John Hogervorst, Driegonaal, maart 2020
.

Een ongenode gast


Gedachten bij het coronavirus

In deze dagen, [2020]waarin de ontwikkelingen rondom het coronavirus alle aandacht vragen, is het moeilijk om níet stil te staan bij dit virus en zijn wereldwijde gevolgen.

Op 7 april 1920 hield Rudolf Steiner een voordracht met als titel ‘Hygiëne als sociaal vraagstuk’.1) Een mogelijk verbazing wekkende titel. Hoe zou hygiëne een sociaal vraagstuk kunnen zijn? Dat is daar waar het individuele raakt aan het algemene.

Rudolf Steiner: “Dit gebrek aan sociale zienswijze merkt men het duidelijkst wanneer men zijn aandacht op één bepaald gebied richt, bijvoorbeeld op het gebied van de hygiëne, dat misschien nog meer dan andere, zich leent om aan een sociale beschouwing onderworpen te worden, namelijk voor zover hygiëne een openbare aangelegenheid is, die niet de enkele mens, maar de gehele mensengemeenschap aangaat.”

Dat laatste is momenteel onmiskenbaar het geval, zodat naast een medische benadering van het coronavirus (die u op deze plaats niet zal aantreffen) een ‘sociale beschouwing’ relevant kan zijn.

Een beperkt zicht op de werkelijkheid

Het eerste deel van deze voordracht is gewijd aan het materialisme: aan de materialistische beschouwing van de wereld, en voor wie dit ver weg klinkt: ook aan het materialisme in ons eigen denken en bewustzijn. Hier ligt al direct een raakvlak met de huidige situatie.
Bijvoorbeeld: in de media zien we een reeks van deskundigen langs trekken: virologen, specialisten, epidemiologen, onderzoekers in allerlei specifieke vakgebieden die hun licht op het coronavirus laten schijnen. Zij praten ons bij over de verspreiding van het virus, de aard en werking ervan, over de oorsprong, preventie en bestrijding. – 

In zijn voordracht karakteriseert Rudolf Steiner het materialisme, en, heel verhelderend, zegt daar onder meer dat niet wat, maar hoe een mens denkt, aangeeft of hij (al dan niet bewust) een materialistische denkwijze heeft. Dat betekent bijvoorbeeld dat een mens oprecht overtuigd kan zijn van het bestaan van de menselijke ziel en de menselijke geest, maar desondanks, door hoe hij denkt, tóch materialistisch denkt.
Vervolgens geeft Rudolf Steiner een betekenisvolle illustratie van de beperktheid van elke materialistische benadering. Stel je voor, zegt hij, dat je een mens helemaal bedekt, zodanig dat je alleen nog de vingers van één hand van die mens ziet. En stel je voor dat je die vingers met alle mogelijke middelen en technieken onderzoekt. Dan is alles wat je zo te weten komt uiteindelijk van zeer beperkte betekenis: met alles dat je nu van de vingers weet, weet je niets over de gehele mens, niets over het organisme waarvan de vingers deel zijn, ben je niets wijzer over wat de mens is.
Om iets zinnigs te leren over en van het coronavirus, zouden we veel verder moeten kijken dan naar het virus zelf. Alle specifieke invalshoeken van waaruit de deskundigen ons over het virus informeren, zijn te vergelijken met een grootschalig maar minutieus onderzoek van ‘de hand’. Het coronavirus, deze ongenode gast, nodigt ons dus uit tot een verruiming van onze blik – feitelijk tot een verandering van ons denken, ons mens- en wereldbeeld, en daarmee ook van ons handelen in de ruimste zin. Dat begint met het inzicht dat we het virus niet geïsoleerd, als op zichzelf staand verschijnsel moeten onderzoeken, maar als deel van een groter geheel.

Vragen naar het grotere geheel

Dat grotere geheel kunnen we exploreren aan de hand van vragen, bijvoorbeeld:
– Ligt de oorsprong van het virus inderdaad, zoals ons gezegd wordt, op de markten in China waar een bonte stoet van dieren, al dan niet levend, verkocht wordt? Als dat zo is, wat betekent het dan dat er in de dierenwereld een dergelijk virus ontstaat, en hoe ontstaat het daar dan? Zegt dit iets, en zo ja wat, over de ‘gezondheid’ van het ecosysteem waarin deze dieren leven – en dat ook gewoon óns ecosysteem is? Ligt er een verband tussen menselijk handelen, dit ecosysteem en het ontstaan van dit virus? Als ja, wat zou daaruit moeten volgen?
– Waarom heeft dit virus potentieel zulke gevaarlijke gevolgen voor de mens?2) En wat zegt dit over de conditie van het menselijk immuunsysteem? Een gezond immuunsysteem ‘kan heel wat hebben’ – en overwint in de loop van een mensenleven menig virus. Staat ons immuunsysteem mogelijk onder druk, en wordt het verzwakt door andere factoren? Uit wetenschappelijk onderzoek is (al lang) bekend dat het immuunsysteem van mensen die veel aan stress bloot staan, of die last hebben van depressieve gevoelens, verzwakt. Ook is bekend dat het immuunsysteem zich ‘oefent en sterkt’ wanneer wij tijdens het opgroeien met van alles in aanraking komen: met van alles dat er in de natuur is, met vuil en allerlei ‘stofjes’, met kinderziekten, met infecties. Welk effect hebben allerlei vaccinaties op de gezondheid van ons afweersysteem? Wat is het effect van allerlei vormen van straling die ons tegenwoordig dag en nacht omgeeft? Is er een relatie tussen ons immuunsysteem en de kwaliteit van industrieel vervaardigde voedingsmiddelen?
Ja, we zouden er heel veel aan kunnen hebben wanneer wij het coronavirus als deel van een groot geheel zouden opvatten.
Daarmee is nog lang niet alles gezegd dat over de gevolgen van het virus opgemerkt kan worden. Ik ga nog even verder, maar vrees niet: niet alles kan en zal hier aan bod komen.

Een nóg groter geheel

In de afgelopen week maakte ik, op een vliegveld in Boston in de VS., een voorval mee dat mij een glimp toonde van een mogelijke wereld in wording, in het kielzog van de coronacrisis. Omdat mijn retourvlucht naar Schiphol door de luchtvaartmaatschappij was geannuleerd, zoals, naar bleek, alle vluchten van deze maatschappij van Boston naar Nederland, was ik blij dat ik toch nog, met een andere vliegmaatschappij, terug kon reizen door eerst naar Lissabon en vervolgens naar Amsterdam te vliegen. Bij de gate, met een paar dozijn andere passagiers, wachtte ik op het moment dat wij het vliegtuig zouden kunnen betreden. Bij de balie van de Portugese vliegmaatschappij meldde zich een Spaanse vrouw die, zo bleek in het vervolg, diezelfde dag dezelfde vlucht naar Lissabon had geboekt, omdat haar vlucht naar Spanje ook geannuleerd was. Omdat de Spaanse regering diezelfde middag de landsgrenzen gesloten had, mocht deze vrouw, die vanuit Lissabon zou doorvliegen naar Spanje, niet mee. Ondanks de elkaar opvolgende woede en wanhoop die zich van haar meester maakten, werd haar de toegang tot het vliegtuig geweigerd. De ene na de andere medewerker van de vliegtuigmaatschappij beriep zich op het besluit van de boven hen gestelde machten en maakte de vrouw duidelijk dat zij niets voor haar konden doen. Na verloop van tijd verschenen twee gewapende politiefunctionarissen die zich over de Spaanse ‘ontfermden’…
Op de gezichten van de andere wachtenden herkende ik: verbazing, ongeloof, onbegrip, stil protest, schaamte én het besef: “Het heeft geen zin dat ik mij hiermee bemoei (en ik wil ook niet het gevaar lopen dat ik straks zelfs ook niet mee vlieg).

Een glimp van een mogelijke wereld in wording, schreef ik hierboven. – De maatregelen die overal ter wereld genomen worden in het kader van de coronacrisis, vormen een ongekende inperking van grondrechten en menselijke vrijheid, en laten tegelijkertijd zien welke ‘kale structuren’ onder onze alledaagse werkelijkheid schuilgaan. Het zijn koude, onaanraakbare structuren waarop mensen nog maar beperkt invloed kunnen uitoefenen en die aan ‘menselijkheid’ ook geen ruimte geven.
Mogelijk komen deze maatregelen voort uit niets anders dan de wil om de gevolgen van het coronavirus zoveel mogelijk in te dammen.
Mogelijk wordt er ook nauwkeurig waargenomen hoe ‘men’ op deze maatregelen reageert, en ontstaat bij deze of gene de gedachte dat de ene of de andere maatregel ook voor andere doeleinden te gebruiken is.
Zéker is het zo, dat wij er goed aan doen nauwgezet te volgen wat er op dit vlak gebeurt en er op toe te zien dat tijdelijke maatregelen niet stilzwijgend een permanent karakter krijgen.

Ook op het vlak van de ‘publieke opinie’ past het om wakker te blijven, of te worden. Niet alleen om niet besmet te worden met allerlei gevoelens van angst of hysterie. Ook om waar te nemen hoe stemmen die een andere (een zogenoemde ‘afwijkende’) mening over aspecten van het coronavirus vertegenwoordigen, geen podium krijgen, en om op te merken dat allerlei wezenlijke vragen niet gesteld worden. De publieke opinie heeft in onze dagen absolutistische, dictatoriale en radicaal onverdraagzame trekken gekregen.

Te midden van dit alles is het goed om te beseffen dat het beter en vruchtbaarder is onze aandacht te richten op het gezonde dan op datgene wat ziek is. – Voor de duidelijkheid: ik spreek nu niet over gezonde of zieke mensen, maar over gezonde of ziekmakende ontwikkelingen in de samenleving. –
Wanneer wij het coronavirus opnemen als dringende aansporing om te doorzien wat het eigenlijk betekent dat onze samenleving (het heersende mens- en wereldbeeld, de hoofdstroom van de wetenschap, de invulling van de media) gevangen zijn in een materialistische mens- en wereldbeschouwing, zien wij van daaruit ook wat het gezonde is, wat onze aandacht verdient en ons denken kan verlevendigen: de vrijheid die in onze cultuur moet heersen – en die daar alleen voet aan de grond krijgt wanneer wij haar in onszelf veroveren.
Daar aangekomen, zouden in vrijheid gewonnen inzichten leiden tot een andere praktijk in alle gebieden: die van het cultuurleven, de politiek en van de economie.

Noten:
1) Rudolf Steiner uit GA 314.
Vertaald
2) De medische vragen met betrekking tot de werking, betekenis en ‘gezondheid’ van het immuunsysteem ontleen ik aan een tekst van Hans-Ulrich Albonico, antroposofisch arts in Zwitserland, in de vorm van een kleine brochure bij uitgeverij Nearchus verschenen onder de titel: Is ons afweersysteem nog gezond? – Vragen van een huisarts.
.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3476-3273

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas rekenen: achtergronden bij het aanleren van breuken (5-2)

.

In dit artikel vertelt de wiskundige, vrijeschoolleraar t.t.v. Steiner, Ernst Bindel, over ‘breuken’. Hij was vooral werkzaam in de bovenbouw. Dat merk je bv. aan zijn gegeven schema’s – hieronder – die m.i. voor de 4e klas nog niet zo bruikbaar zijn. Het blijft wat abstract: geen taart, pannenkoeken of knippen van de breuken uit getekende gehelen, kleuren of werken met ‘breukenkisten’.
Hij geeft je een blik in het Egyptische rekenen, interessant voor de leraar die ‘boven de stof’ wil staan.
Verder geeft hij gezichtspunten over de schrijfwijze, brengt hij je op ideeën om iets wel of niet in je klas te doen.
Zijn opmerkingen over breuken en muziek zijn bv. uit het oogpunt van vakkenintegratie, stimulerend. (Hij had dit idee van zijn collega Erich Schwebsch).

Ernst Bindel, Erziehungskunst 3e jrg. 1929 nr 3/4

.

breuken: het begin

De moeilijkheden die je ondervindt bij het innerlijk verwerken van deze breuken zijn bekend bij iedereen die ermee te maken heeft gehad. Gezien deze situatie is de enige manier om er tot nu toe mee om te gaan, de breuk te beschouwen als een psychologische kwestie van het individu, als een cultureel element, om het zo maar te zeggen, dat men buiten beschouwing heeft gelaten en hem tot het niveau van een louter hulpmiddel heeft gedegradeerd.

De leraar stelde zich tevreden met het bereiken van een gebrekkig logisch begrip van breuken en hun rekenkundige verband bij de kinderen, en besteedde het grootste deel van zijn inspanningen aan het leren van de leerlingen om puur oppervlakkig met breuken om te gaan, omdat het volwassen leven tegenwoordig nu eenmaal kennis van breukrekenen vereist. Het valt niet te ontkennen dat men op deze manier tot nu toe al heel ver is gekomen. Door een dergelijke aanpak zullen de leerlingen bijvoorbeeld vrij snel heel goed de meest uiteenlopende breuken met elkaar kunnen vermenigvuldigen, door enerzijds de tellers en anderzijds de noemers puur mechanisch bij elkaar op te tellen. Als ze ouder zijn geworden en hun begripsvermogen is toegenomen, zullen ze zelfs in staat zijn om te begrijpen waarom men op deze manier te werk moet gaan. In feite hebben wij volwassenen waarschijnlijk allemaal op deze manier kennis gemaakt met breuken.

Maar waarschijnlijk zijn de meesten van ons ook voorbijgegaan aan wat er bij breuken te beleven valt. Een pedagogiek die haar aandacht vooral richt op de karaktervormende krachten die in alle lesstof aanwezig zijn, moet echter afzien van deze goedkope manier om met breuken om te gaan. Zij moet veeleer de menselijke en humanitaire aard van de breuk in het middelpunt van het onderwijs stellen en zou zelfs het recht hebben om de techniek van het breukrekenen te beperken ten gunste van een dieper inzicht in de aard van de breuk, ware het niet dat de huidige beschaving de absolute beheersing van alles wat met rekenen te maken heeft, dwingend eist.

De volwassene, die al zijn weg in de wereld heeft gevonden en voor wie de dingen van deze wereld steeds vertrouwder zijn geworden, raakt steeds minder in staat om zich te verbazen over wat hem vertrouwd is geworden – tenzij hij vanuit zijn innerlijke kracht streeft naar spirituele ontwikkeling. Alleen wat de onvermoeibaar voortstuwende tijdgeest hem voorlegt, kan nog een gevoel van verwondering bij hem oproepen. Over het geheel genomen worden de momenten van verwondering in het leven van de volwassene, die zich volledig aan de wereld overgeeft, steeds zeldzamer en steeds sporadischer. In een heel andere situatie bevindt zich het kind, de leerling die aan de leraar is toevertrouwd. De leraar kan en moet hier rekenen op de kracht van verwondering, als hij niet alleen lesgeeft, maar ook wil opvoeden. Wat de mensheid tijdens haar culturele opkomst – of ook neergang – in de loop van duizenden jaren heeft verbaasd door de openbaringen van de elkaar afwisselende tijdgeesten die de ontwikkeling voortstuwden, dringt zich bij het kind in de volheid van de ervaring van enkele jaren samen, en het is voor de leraar ronduit noodzakelijk om die verbazingwekkende momenten van de mensheid te bestuderen, om zich als opvoeder een juist beeld te kunnen vormen van de situatie waarin het kind dat voor hem zit zich bevindt. Zo zal het ook de juiste behandeling van breukrekenen bevorderen om te onderzoeken hoe de mensheid de breuk heeft aanvaard toen zij er voor het eerst mee in aanraking kwam.

Egypte en Babylonië

De oorsprong van de eigenlijke breukrekening valt in de bloeitijd van de oude Egyptische cultuur, dus in de tijd van het derde of zelfs tweede millennium voor Christus. Hetzelfde Egypte, dat de Osiris-mythe centraal stelde in zijn religieuze beleving, legde ook een innerlijke relatie met de breuk vast. Hoewel dezelfde breukrekening ook al te vinden is op Babylonische spijkerschriftmonumenten uit dezelfde periode, besteedden de Babyloniërs er nog niet bijzonder veel aandacht aan en lieten ze het links liggen.
Het is zeer waarschijnlijk dat de Babylonische volkeren de opeenvolging van breuken in verband brachten met de structuur van de geestenwereld. Het zou dan een soort heilige schroom zijn geweest die hen ervan weerhield zich met breuken bezig te houden. Hoe het ook zij, alleen de Egyptenaren durfden zich aan breuken te wagen. Ook de Egyptische ziel dacht aan haar verband met de goddelijke wereld. In de oertijd had zij zich als Isis verenigd met het goddelijke zonwezen Osiris, totdat, zoals men zegt, de vijandige wind Typhon kwam, die de god Osiris verscheurde en Isis, zijn echtgenote, aan de weduwschap overleverde. Bij nader inzien is de Osiris-mythe een mythe over het mysterie van de geboorte. Het spirituele aspect van de geboorte van de aardse mens werd door de Egyptenaren als pijnlijk ervaren. Wanneer de mens de baarmoeder verlaat, scheidt hij zich met zijn eerste ademhaling, met het binnendringen van de buitenlucht, van de tot dan toe in hem werkzame totaliteit van goddelijke spirituele krachten en draagt hij voortaan in zijn aardse persoonlijkheid.

De ernstige totaliteit komt slechts fragmentarisch tot uiting in sicli. Hetzelfde proces kan echter ook worden ervaren in de wereld van de getallen, wanneer het hele getal wordt verlaten en in plaats daarvan de breuk verschijnt. Zo is de Osiris-mythe voor de wiskundige ook een mythe van de deling, de divisie. De meest mysterieuze van de zogenaamde lagere rekenwijzen, de deling, stijgt, tot nu toe verborgen in het gebied van het onbewuste scheppen, nu op naar dat van de voorgevoelige ervaring en vervult de gevoelige ziel van de Egyptenaar met groeiende verbazing.

Drie dingen kunnen de toeschouwer opvallen aan de manier waarop de Egyptenaren met breuken omgaan en hem tegelijkertijd waardevolle aanwijzingen geven voor een pedagogiek van het breukenrekenen.

1. Alleen de zogenaamde aliquotbreuken (Een deel of fractie van een mogelijk geheel of een geheel vormend of omvattend) – ook stambreuk: ½  1/3   1/4   1/5  … zijn bekend bij de Egyptenaren. Alle andere breuken leveren hem min of meer grote problemen op en hij rust niet voordat hij een willekeurige breuk heeft teruggebracht tot een reeks stambreuken. Er is dus een scheiding tussen de stambreuken en hun veelvouden, die door de volwassene van vandaag de dag nauwelijks nog wordt gevoeld, maar voor de mensen van toen een groot obstakel betekende. Als we er even bij stilstaan, kunnen we de reden voor dit merkwaardige verschijnsel achterhalen. De Egyptenaar stond immers nog maar aan het begin van de breukervaring. Een oude eenheid viel voor zijn ogen in duigen, hij bevond zich nog midden in het breekproces en zo beleefde hij hier de symbolische kant van deze gebeurtenis in de reeks stambreuken, daar de fysiologische kant ervan in de verbeelding van het geboortemysterie. Als men bijvoorbeeld de breuk 1/7 uitspreekt, begrijpt men juist het moment van het breken, het ontstaan van de breuk uit de eenheid, terwijl bijvoorbeeld de breuk 5/7 al een hereniging van vijf van dergelijke breukstukken vertegenwoordigt. Bij breuk 5/7 ligt het moment van breken al in het verleden, het breken is al achter de rug, men is niet iemand die breekt, maar iemand die gebroken is. Hele gebieden van de wiskunde kunnen zelfs voor de hedendaagse wiskundige in een nieuw intellectueel licht verschijnen, wanneer hij die plaatsen opzoekt waar de dtambreuken een rol spelen, vooral daar waar de getallenreeks 1/1, 1/2, 1/3, 1/4,…. in relatie staat tot de reeks 1, 2, 3, 4,… . Het is waarschijnlijk niet algemeen bekend dat de grote ingewijde van de mensheid, die zich door de Egyptische tempelwijsheid inspireren liet en een van de machtige inspiratoren werd van een nieuwe cultuur die het Egyptische tijdperk afloste, Pythagoras, samen met zijn leerlingen en opvolgers de twee genoemde getallenreeksen als uitgangspunt nam om uit hun onderlinge wisselwerking, hun kruisbestuiving en verstrengeling de gehele antieke muziek in getallen te vatten. Esoterische breuken zou men stambreuken kunnen noemen, gezien de geestelijke rijkdom die er juist in besloten ligt.

2. Als de Egyptenaren een deling moesten uitvoeren die tot willekeurige breuken leidde, gebeurde dit altijd via de omweg van vermenigvuldigen. Dit kan aan de hand van een voorbeeld worden verduidelijkt. Het gaat om het delen van het getal 180 door 250. De directe deling, die 180/250 of 18/25  zou opleveren, kwam voor de Egyptenaren nog niet in aanmerking. Vaak draaide hij de opgave om, zodat hij zich afvroeg: welke stambreuken van 250 moet ik bij elkaar optellen om 180 te krijgen? In werkelijkheid vermenigvuldigde hij dus 250 met stambreuken totdat hij 180 kreeg:

De helft van 250 is 125,
een vijfde van 250 is 50,
een vijftigste van 250 is 5.

Aangezien de som van 125, 50 en 5 de waarde 180 heeft, is het resultaat van de deling van 180 door 250 de som van de drie stambreuken 1/2, 1/5, 1/50. In feite levert de som van deze drie breuken ook de bovenstaande breuk 18/25 op. We zien dat de deling die tot willekeurige breuken leidt, hier nog steeds berust op een vermenigvuldiging. De Egyptenaar voelde nog te sterk het afscheid van zijn persoonlijkheid van de goddelijke krachten die hem tot dan toe hadden gedragen, zijn ziel gaf zich nog te veel over aan het verdriet om Isis, dan dat ze met deze deling, dit weduwschap – weduwschap komt taalkundig van het woord delen – had kunnen rekenen. Ze vluchtte terug naar dat wonderbaarlijke verbindende element, dat ook vandaag de dag nog in de vermenigvuldiging kan worden ervaren.

3. Net zoals de directe deling van een getal door een ander nog niet kon worden uitgevoerd, ontbrak ook nog een taalkundige uitdrukking voor de delende verbinding van twee getallen. Terwijl we vandaag bijvoorbeeld zeggen: deel 2 door 7, zeiden de Egyptenaren: maak 2 uitspreekbaar in 7, aanbid 2 in 7, en hun beeldschrift toont ons daarbij een knielende man die de wijsvinger van zijn rechterhand aan zijn mond legt. Tot in de grammaticale taal had de Egyptenaar moeite om met het proces van scheiding om te gaan.

9e, 10e levensjaar

Ook de mens van vandaag maakt op een bepaald moment in zijn kindertijd soortgelijke ervaringen door, zoals die voor het eerst op grote schaal bij de Egyptenaren voorkwamen. In de periode rond het negende en tiende levensjaar wordt de kinderlijke ziel bevangen door een licht verdriet. Ze voelt oude verbanden, oude banden verdwijnen, doordat ze zich van binnenuit gedwongen voelt om een stap terug te doen van alles waarmee ze zich tot nu toe van nature verbonden voelde. Een eerdere eenheid begint af te brokkelen. Ouders en leraren zijn vanaf nu niet meer de vanzelfsprekende autoriteiten die ze tot nu toe voor het kind waren, maar het kijkt vanaf nu met een zachte kritiek naar hen. Wat geestelijk en zielsmatig ten grondslag ligt aan het geboren worden, wordt op deze leeftijd op suggestieve wijze herhaald, en daarom moet het kind op dit moment in zijn leven, waar Rudolf Steiner steeds weer op wijst, alles aangeboden krijgen wat overeenkomt met deze fase van zijn beleving.
Als zijn rekenlessen tot nu toe bijvoorbeeld zo zijn verlopen dat bij het delen alles altijd klopte, dat alles zich afspeelde in het geheel, in de veelvouden van de eenheid, dan kan en moet nu, zij het voorzichtig, worden begonnen met het introduceren van het breukgetal in de lessen. Het kan echter niet de bedoeling zijn om op een pedante en bekrompen manier breuken te berekenen op de oude Egyptische manier; want het kind van vandaag herhaalt niet zomaar mechanisch het cultuurniveau van het oude Egypte, het ademt vanaf zijn geboorte meteen de lucht van vandaag en is van meet af aan voorbestemd om uit te groeien tot een mens van deze tijd. Maar in het kind dat zijn breuken ervaart, zou stilletjes alles moeten resoneren wat ooit bij het eerste verschijnen van de breuken als menselijk werd ervaren; als een echo van oude Egyptische tempelklanken zou het door de lessen heen moeten klinken. De leerkracht heeft daarbij de vrijheid om de elementen die de Egyptische breukleer hem biedt, op passende wijze te gebruiken. Het leerplan waarop de antroposofische pedagogie is gebaseerd, houdt hiermee rekening door voor de bovengenoemde leeftijd aan te geven dat de overgang naar de breukleer moet worden gezocht; de kinderen bevinden zich dan op de vrijeschool in het 4e leerjaar. Het is wellicht toegestaan om in het volgende niet uit eigen leservaring met negen- tot tienjarige kinderen, maar op basis van gedachten die men zich voor een dergelijk onderwijs kan vormen, suggesties te geven over hoe de moeilijke overgang naar breukrekenen kan worden gerealiseerd.

Hoe kan je het aanleggen

Je zou veel meer dan tot nu toe misschien het geval was, rekening moeten houden met de stambreuken in de rekenlessen, ja, je zou er zelfs niet lang genoeg bij moeten stilstaan. Het lijkt hier een nastrevenswaardig doel om de gehele breukentheorie van het vierde leerjaar uitsluitend op de stambreuken – ook wel stambreuken genoemd – te baseren. Vooraf moet worden opgemerkt dat de gehele breukentheorie geenszins in dit ene jaar kan worden behandeld, maar dat daarvoor, zoals ook het leerplan van Rudolf Steiner voorziet, het volgende, het vijfde schooljaar, moet worden gebruikt. Ja, gezien de innerlijke moeilijkheden waaraan dit hele gebied zo rijk is, zullen ook de volgende jaren hun bijdrage moeten leveren aan een verdieping van het begrip van breuken. In het begin zal dus gestreefd moeten worden naar een begrip van de breuken -½ ,
1/3, 1/4 . In deze breuken ligt ook het geheim van ons ik-bestaan besloten. Hoewel we op onszelf zijn aangewezen, zien we onszelf toch verbonden met bepaalde gemeenschappen, met het gezin, met vriendschappen, met collega’s, enz. Een kind zijn betekent bijvoorbeeld zich diep verbinden met de essentie van het getal 1/3; je bent weliswaar iets op jezelf, maar alleen in de schaduw van een kleinere of grotere gemeenschap.

Deze verhoudingen kunnen aan het kind worden duidelijk gemaakt door bijvoorbeeld een cirkel vanuit het middelpunt te verdelen, eerst in twee, dan in drie, dan in vier delen, enz.* Het is ook belangrijk dat bij de eerste behandeling van breuken tact en ritme een rol spelen. De breuken moeten zo vaak mogelijk in de vorm van reeksen aan het kind worden voorgelegd. De opeenvolging van de verdeelde cirkels komt dan overeen met de zeer belangrijke reeks ½ ,
1/3, 1/4 . 1/5  die door wiskundigen om interne redenen de harmonische reeks wordt genoemd. Ook het contrast tussen de hele getallen en hun overeenkomstige breuken moet duidelijk aan het kind worden voorgelegd. Dit kan worden weergegeven in een ander veelzeggend beeld. Laat de kinderen schematisch een boomstam tekenen die in takken uiteenvalt, waarbij uit elke tak steeds twee nieuwe takken voortkomen.
Het Duits heeft ‘Zweig’ voor tak, waarin het woord ‘twee’ zit.

We zien dat uit de uniforme stam bovenaan twee helften voortkomen, daaruit weer vier kwarten, uit die laatste acht achtsten enzovoort, en we ervaren hier het contrast tussen de twee reeksen 1, 2, 4, 8, en 1, 1/2, 1/4, 1/8 Wie zich heeft verdiept in de ontwikkeling van de wiskunde, weet dat juist dit reeksenpaar ooit de ontdekking van de logaritmen heeft voorbereid. Met deze behandeling van breuken plant je dus tegelijkertijd de kiemen waaruit in latere jaren van het onderwijs het allerbelangrijkste kan voortkomen. Natuurlijk kan men de reeks  1, 1/2, 1/4, 1/8  ook voor zichzelf verduidelijken door bijvoorbeeld een cirkelvlak vanuit het middelpunt voortdurend te halveren. Er was een tijd in de wiskunde dat men aan de vier huidige basisrekenkundige bewerkingen nog de eenvoudigste vormen van vermenigvuldiging en deling toevoegde als vijfde en zesde rekenkundige bewerking: verdubbeling en halvering, duplicatie en mediatio kwamen als speciale constructies bij optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Het lijkt mij dat deze twee rekenwijzen bijzonder geschikt zijn voor kinderen van die leeftijd. Men zou de twee bovenstaande reeksen in plaats van met de 2 ook met andere getallen kunnen vormen en zo overeenkomstige reeksen verkrijgen.

Nadat je op deze en ook op andere manieren hebt geprobeerd om de stamreeksen hun wezen te laten uitdrukken, komt het erop aan om op een kindvriendelijke manier de overgang te vinden van de stambreuken naar de gewone breuken. Dit gebeurt waarschijnlijk het beste door het zogenaamde uitbreiden van een stambreuk. Dit was ook het eerste wat de Egyptenaar opviel aan de breuken, en waarmee hij innerlijk meteen klaar was. Het beeld van de boom die zich naar de kroon toe uitbreidt, ligt immers al ten grondslag aan de activiteit van de breukuitbreiding; het ligt in de aard van het ik om zich boomachtig naar boven toe uit te breiden. Zo ontstaat moeiteloos de willekeurige breuk als een veelvoud van een stambreuk, en deze manier van ontstaan moet in eerste instantie ook uiterlijk in de schrijfwijze worden onderstreept.

Schrijfwijze

Wanneer in het voorgaande bij de bespreking van de stambreuken eenvoudigweg de huidige schrijfwijze werd gebruikt, gebeurde dit omwille van een snellere communicatie met de lezer. Het kind heeft in het begin echter een andere schrijfwijze nodig. De huidige horizontale breukstreep is immers een later product, dat is ontstaan uit andere innerlijke voorwaarden dan het kind bezit. We hebben gehoord welke moeilijkheden de Egyptenaren nog puur taalkundig hadden met breuken. Daar moet rekening mee worden gehouden. Daarom moet je in het begin bewust van een half deel, een derde deel, een vierde deel, een vijfde deel, …,spreken, wanneer de stamfracties worden ingevoerd, en laat dit ook zo staan. Al gauw kan je er dan een half, een derde, een kwart, een vijfde, … van maken; om dan uiteindelijk van hieruit over te gaan naar de pure getalnotatie. Maar het is nog steeds niet aan te raden om de horizontale breukstreep te gebruiken, omdat deze bij willekeurige breuken de oorsprong uit de stamfractie verbergt, maar in eerste instantie de steile breukstreep, zoals die ook vandaag de dag nog in het dagelijks leven wordt gebruikt, en waarbij beide getallen niet onder elkaar, maar naast elkaar op dezelfde of bijna dezelfde hoogte komen te staan. Naarmate het breukrekenen vordert, moet je de as van de steile streep steeds meer horizontaal draaien en de cijfers van naast elkaar, boven elkaar plaatsen.  Hierin komt beeldend de opkomst van de individualiteit tot uitdrukking, die zich eerst als nieuwe eenheid uit een oude gemeenschap van meerdere afsplitst en zich ernaast plaatst, om vervolgens geleidelijk de oude verbondenheid achter zich te laten.

Met inachtneming van het zojuist gezegde wordt aan de uitbreiding gedacht, gaan we verder met de stambreuken. Ook dit moet eerst in de vorm van reeksen gebeuren, zodat aan de behoefte van het kind aan maat en ritme wordt voldaan. Eerst kunnen we die reeksen vormen waarvoor het beeld van de boom als vanzelfsprekend aanleiding geeft:

Uit de stam komt de reeks: 

De eerste tak:

Uit de volgende tak ontstaat de rij:

Zo kan je naar believen doorgaan om vervolgens op passende wijze over te gaan naar het volgende reeksysteem:

De tegenstelling van het vereenvoudigen kan hier gemakkelijk aan worden gekoppeld. Je hoeft alleen maar in diagonale richting te lezen en dan heb je alle mogelijke vereenvoudigingen in een geordende volgorde voor je.

In dit verband moet nog op een ander figuur worden gewezen, dat in de oudheid voor muzikale doeleinden werd gebruikt, het zogenaamde Lambdoma-figuur, waarvan we hier echter slechts de ene helft gebruiken. Schrijf zoals in het laatste schema de eerste regel op en voeg onder elke breuk naar beneden toe de reeks van de bijbehorende breuken met dezelfde noemer, dus bijvoorbeeld onder 5/5 naar beneden toe de reeks 4/5, 3/5, 2/5, 1/5. Dan ontstaat de volgende volgorde:

Het is nu zeer leerzaam en leuk om hierin alle mogelijke vereenvoudigingen te elimineren en vervolgens dezelfde stukken met elkaar te verbinden. Daarbij zal men zeker wetmatigheden ontdekken, die echter alleen duidelijk naar voren komen als het bovenstaande schema ver genoeg is uitgewerkt, verder dan hierboven vanwege ruimtegebrek mogelijk was.

Zo groeit het kind, nadat de eerste schrik ten opzichte van breuken overwonnen is, en gaat het werken met breuken vanzelf, zonder dat het hier op enigerlei wijze om rekenoefeningen gaat. Je moet ook zoveel mogelijk vermijden om het uitbreiden en vereenvoudigen nu al te baseren op regels die het kind moet volgen, want het moeten onthouden van de regel heeft een mechaniserend effect op het denken en handelen van het kind en zou bovendien een taalvaardigheid vereisen waarover het kind op dit moment nog niet beschikt.

De stapsgewijze behandeling van breuken, zoals hiervoor werd aanbevolen, kan echter ook worden verweten dat deze de vrijere beweging binnen het breukgebied belemmert. Dit bezwaar is niet onterecht. Maar je moet daarentegen niet vervallen in de willekeurigheid en chaos van de gebruikelijke opgavenverzamelingen, die voor kinderen van die leeftijd ronduit een kwelling moeten zijn. Er is namelijk een versoepeling van de routinematige toepassing van breuken, die op voorbeeldige wijze regelmaat en vrijheid met elkaar verbindt, namelijk de overgang van breuken naar muzikaal ritme.

Breuken en muziek

Het is hier en daar gebruikelijk om, om het ritmegevoel van kinderen te scherpen, het ritme van bekende liedjes aan te geven door met de vinger op de tafel te tikken, zonder ze te zingen of te spelen, en vervolgens de kinderen te vragen welk liedje het was. Je kunt hierop voortbouwen door het stille ritme te onderzoeken op zijn numerieke structuur, eerst in hele getallen, dan in breuken. Een heel eenvoudig voorbeeld maakt duidelijk wat hiermee bedoeld wordt. Laten we het bekende kinderliedje “Hänschen klein...” nemen. Laat het liedje eerst zingen of spelen, verdeel het dan in maten en breng nu met de kinderen het ritme in vierkwartsmaat naar voren:

1 2 3 4; 1 2 3 4; 1 2 3 4; 1 2 3 4;….

Ga dan, met de vierheid als eenheid, over op de breuknotatie:

Iedereen zal meteen begrijpen wat ermee bedoeld wordt: je zet gewoon wat het notenschrift als tijdselement bevat om in breuknotatie. Je kunt nu met het ene lied alle mogelijke variaties spelen. Eerst kan je het lied als zodanig ongewijzigd laten, maar in plaats van 4/4   8/8 kiezen:

Nu kan je het ritme van het liedje variëren:

Hoe ver men bij deze toepassing van breukrekenen op muziek moet gaan, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Wat in de ene klas lukt, kan in een andere mislukken.

In ieder geval moet deze methode, nadat ze in het begin in het vierde leerjaar is toegepast, in de volgende jaren worden voortgezet en verder worden uitgewerkt.

Ook rijst de vraag in hoeverre je het notenschrift moet gebruiken. In ieder geval moet deze methode, nadat ze in het begin in het 4e leerjaar is toegepast, in de volgende jaren worden voortgezet en uitgebreid. Ook rijst de vraag in hoeverre je het notenschrift, dat qua tijd niets anders is dan een verkapte breukenschrijfwijze, hierin wil betrekken. Deze toepassing van breukrekenen op muziek wordt pas echt een oefening als het om een meerstemmig lied gaat, dus als meerdere stemmen met verschillende ritmes in dezelfde maat in elkaar overvloeien, omdat dan het wederzijds leiden van de stemmen zich rekenkundig uit in voortdurende verkortingen en verlengingen bij het zoeken naar de grootste gemene deler. Een goed voorbeeld hiervan is de Franse canon: “Frère Jacques, frère Jacques, dormez-vous? Sonnez les matines, sonnez les matines, din, din, don ”. Het bekende ‘Vader Jacob’.
Het zou leerzaam zijn om eens te horen welke ervaringen er zijn opgedaan met de toepassing van deze methode.

Terugkijkend op de weg die we tot nu toe hebben afgelegd, beseffen we dat alles zich in wezen heeft afgespeeld binnen het domein van de stambreuken. De willekeurige breuken zijn vastgelegd als veelvouden van de stambreukenbreuken, die op hun beurt de rol van loutere benamingen voor de laatstgenoemde hebben aangenomen. Een introductie van de termen teller en noemer volgt hieruit op natuurlijke wijze. Men kan breuken nu even terzijde schuiven om zich te richten op rekenen met benoemde hele getallen. Het kind kan hier eraan herinnerd worden dat het bij het tellen in de wereld, in de natuur, altijd alleen benoemde getallen voor zich heeft, en dat het bij optellen of aftrekken deze getallen altijd tot dezelfde naam brengt als de namen niet al van meet af aan overeenkomen. In het bos noemen ze de eiken en beuken samen bijvoorbeeld bomen, in de fruitmand de appels en peren fruit, in de kamer de stoelen en fauteuils zitplaatsen, in de trein de mannen, vrouwen en kinderen reizigers.
Hieraan sluit zich heel goed het complex van taken aan waarbij een zogenaamde soortverandering moet worden uitgevoerd; opgaven over munten, gewichten, lengtematen enz. zijn hier in overvloed beschikbaar uit het dagelijks leven. Het kind mag opmerken dat het omrekenen van 5 euro in 500eurocent hetzelfde proces is als het dat al bij het leren van breuken is tegengekomen. Als de kinderen enige vaardigheid hebben verworven in het berekenen van dergelijke opgaven, kan men aan het einde het risico nemen om als het ware onkunstzinnig te worden en zich bij voorkeur te richten op de logische vaardigheden van het kind door, opnieuw aansluitend bij de praktijk van het dagelijks leven, willekeurige opgaven over het optellen en aftrekken van breuken te stellen. De abstracties die dan misschien binnensluipen, zijn nu voldoende onderbouwd door het voorgaande, zodat ze geen wezenlijke schade meer kunnen aanrichten.

Het vermenigvuldigen en delen van breuken met elkaar en met hele getallen is bewust volledig buiten beschouwing gelaten. Dit onderdeel van de breukrekening staat als het ware op een ander blad. Als we de ontwikkeling van het wiskundig bewustzijn volgen, zien we dat mensen hier grote moeilijkheden mee hadden. In het document dat ons informatie geeft over de Egyptische breukrekening, de papyrus van Ahmes, wordt dit andere hoofdstuk van de breukrekening slechts één keer aangestipt, en wel op een manier waaruit onmiddellijk blijkt welke moeilijkheden de Egyptenaren hier ondervonden. Het betreffende hoofdstuk van de breukrekening wordt het best buiten het onderwijs van het vierde schooljaar gehouden en bewaard voor het volgende jaar, wanneer het kind meer vertrouwd is geraakt met breuken als zodanig. Misschien kan hierover ook eens iets in dit tijdschrift worden gepubliceerd.

.*Bindel vertelt het hier wat abstract. Op deze blog staan nog meer voorbeelden

Ernst Bindel 

4e klas rekenen: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3475-3272

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De actualiteit van de driegeleding (1-4-2)

.

In 1920 al sprak Rudolf Steiner deze woorden:

 

Driegonaal Nieuwsbrief jan. 2020

Rudolf Steiner:

Een nieuwjaarsgedachte

“(… ) Wat onze tijd nodig heeft, is dat we het geestesleven volledig ernstig nemen. Hierover heb ik u vandaag (…) op Nieuwjaarsdag nog eens willen vertellen en ik heb als diepe wens dat in onze kringen een Nieuwjaarswens wordt opgenomen die ieder slechts zelf ter hand kan nemen: dat in de zielen en harten van onze vrienden de ogen geopend worden voor datgene wat zo nodig is, voor datgene wat alleen en uitsluitend vanuit de geest afkomstig is en de mensheid verder helpen kan.
Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt. In de ontwikkeling van de mensheid moet iets nieuws worden binnen gebracht. Dat moeten we beseffen. Dit besef is de meest waardige nieuwjaarsgedachte die vandaag, in het begin van het jaar 1920, in uw hart kan ontstaan. Dit nieuwe jaar zal belangrijke beslissingen brengen wanneer er mensen zullen zijn die datgene wat voor de mensheid het noodzakelijke is (…) doorzien. We moeten inzien dat het nieuwe jaar nood en ellende zal brengen wanneer niet opgepakt wordt wat werkelijk nodig is en wanneer slechts de mensen die met het oude en bestaande verder willen, de toon aangeven.”
[Rudolf Steiner in een voordracht van 1 januari 1920, GA 195, vertaling jh

John Hogervorst schreef er een commentaar bij. Nu, weer zoveel jaar later, is het met allerlei recente gebeurtenissen in ons bewustzijn, uiterst actueel.

Steiner doet ook, m.n. op de pedagogen, een beroep ‘om daadwerkelijk in de wereld te staan; voor alles in de wereld een levendige interesse tonen.
GA 310/165
Vertaald/171


Vasthouden aan het oude en bestaande…?

Wie houdt er níet vast aan het bestaande?
De politiek lijkt bevolkt door politici die zich vooral lijken te laten leiden door de belangen van lobbymachten, hun partij en hun persoonlijke carrière. Het bedrijfsleven is nog nagenoeg stelselmatig bezig de eigen positie eindeloos uit te bouwen en de winst te maximaliseren – en zet daartoe alles in om de consument in een steeds sterkere greep te nemen. En het geestesleven – de wereld van o.a. onderwijs, kunst, wetenschap en zorg – is gekneveld door de economie, of danst als een oude beer naar de pijpen van de subsidiegever.
Dit wordt hier niet gesignaleerd om eens lekker uit te halen naar ‘de anderen’ die alles verkeerd doen. Want de vraag laat zich stellen in hoeverre wij zelf niet ook aan het bestaande vastkleven. In onze hang naar gemak en comfort; onze behoefte aan zekerheid; onze weerzin om in beweging te komen; de angst om los te laten wat wij kennen; ons gebrek aan vertrouwen in ‘de anderen’, in hún goede wil en gezonde inzicht…
Het is anno 2020 niet wezenlijk anders dan Rudolf Steiner 100 jaar geleden in bovenstaande woorden uitsprak: de toon wordt aangegeven door “de mensen die met het oude en bestaande verder willen”.

Wellicht denkt u nu aan andere geluiden die ook klinken en die de boventoon ‘verstoren’ of zelfs nieuwe tonen laten horen. Het maatschappelijk protest tegen het bestaande maakt zich immers luidruchtig kenbaar? Tja. Maar de geluiden van de afgelopen maanden van boeren en bouwers zijn steunbetuiging aan het behoud van het bestaande. Mogelijk dat het verzet van leerkrachten, verpleegkundigen of jeugdzorgwerkers deels ook de behoefte aan vernieuwing in zich sluit. Mij bekruipt echter het bange vermoeden dat als de overheid maar voldoend financiële middelen ter beschikking stelt – voor loonsverhoging, verbetering van arbeidsvoorwaarden, verhoging van de capaciteit – elke echte vernieuwing weer kundig weggemoffeld wordt.

De radicale roep van (vooral) jongeren om het behoud van de aarde en drastische ingrepen ter wille van het klimaat – zal die uitmonden in een ‘afscheid van het bestaande’? Wanneer wij onder dat laatste niet het einde van de menselijke beschaving verstaan, maar een werkelijke systeemverandering, lijkt mij de kans groter dat de huidige problemen met het milieu niet zozeer worden opgelost maar wel beheersbaar gemaakt door technologie. En dat zou betekenen dat het bestaande zich gewoon voortzet: die inzet van technologie zal gewoon big business worden en naadloos aansluiten op het huidige economische bestel.

“Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt.” Wat zou het fijn zijn wanneer Rudolf Steiner zich hierin had vergist, of wanneer het nu anders zou zijn.
Zodoende zit er niets anders op dan “dat we het geestesleven volledig ernstig nemen” en overgaan tot wat “ieder slechts zelf ter hand kan nemen”.  Het vrije geestesleven, de broedplaats voor alles dat écht nieuw is en werkelijke vooruitgang zou kunnen betekenen, zal pas een maatschappelijke realiteit zijn wanneer het eerst in óns denken geboren wordt en opgroeit. Nieuw denken!
De oerbeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn nog grotendeels
ongedacht. Zij wachten erop door ons in ons denken opgenomen en in beweging gebracht te worden, zozeer dat zij in ons bewustzijn tot levensvanzelfsprekendheid worden.

Dit waar te maken in ons denken, en gevolg geven aan de handelingen die daaruit volgen is het meest vruchtbare dat wij nu kunnen doen.
(John Hogervorst)

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3472-3269

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (5)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

5. Schuljahr: 24. April 1923 bis etwa 7. April 1924
5e Schooljaar 24 april 1923 tot ongeveer 7 april 1924

21 klassen
39 leerkrachten
687 leerlingen

Blz. 56

Die Gewitterstürme des Vorjahres haben die Luft gereinigt, wenn es
auch noch keineswegs ohne Rückfälle und Rückschläge abgehen will.
Im Zentrum des Interesses steht, äußerlich gesehen, während des
ganzen Jahres die Auseinandersetzung mit Staat und Außenwelt, das
heißt hier also mit dem Abiturientenexamen. Das nimmt viel Zeit
und Kraft in Anspruch.
Größte geistige Ereignisse geben die herrschende Stimmung. Erstens
im Herbst 1923 die drei Vorträge für die Waldorflehrer „Anregungen
zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes”
(Liste Nr. 28). Zweitens am Ende des Schuljahres die „Erziehungstagung der Freien Waldorfschule” (Liste Nr. 29). Drittens, und mehr
als alles andere, die Dornacher Weihnachtstagung vom 24. Dezember
1923 bis zum 1. Januar 1924 (Liste Nr. 118).

De stormen van het voorgaande jaar hebben de lucht geklaard, hoewel er nog steeds enkele tegenslagen en terugvallen zijn.
Uiterlijk ligt de focus gedurende het hele jaar op de confrontatie met de staat en de buitenwereld, in dit geval de eindexamens van de middelbare school. Dit neemt veel tijd en energie in beslag.
De heersende stemming wordt gevormd door belangrijke spirituele gebeurtenissen. Ten eerste, in het najaar van 1923, de drie lezingen voor Waldorfleraren getiteld “Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap” GA 302A:

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes:  
Ook deze voordrachten zijn weer 1, 2 en 3 genummerd en onder de 9 zijn het dus 7, 8 en 9.
Nu is er iets merkwaardigs: in de gedrukte GA staat de 1e voordracht, 15-10-1923 hiervan op blz. 107, (uitg. 1977); de 2e 16-10-1923 op blz. 122, dat is een ochtendvoordracht en de 3e, 16-10-1923, een avondvoordracht op blz. 135.
In de PDF echter staat deze 3e voordracht in de inhoudsopgave als een voordracht van 22 juni 1922 op blz. 87, dat is dus een vergissing. De tekst van de 3e voordracht van 16-10-1923 staat in de PDF ook op blz. 135, maar deze ontbreekt in de inhoudsopgave.
Deze voordrachten 1, 2 en 3, in de volgorde dus 7, 8 en 9 zijn vertaald:
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap

Ten tweede, aan het einde van het schooljaar, de “Onderwijsconferentie van de Vrije Waldorfschool” (lijst nr. 29).
Ten derde, en vooral, de kerstconferentie van Dornach van 24 december 1923 tot 1 januari 1924 (lijst nr. 118).

Es wird der Versuch gemacht, die Schüler schon am Ende des 12. Schuljahres ins Abitur zu schicken. Davon ist in zwei Dritteln aller Konferenzen dieses Jahres die Rede; mehr oder weniger ausführlich, direkt oder indirekt. Besonders eindringlich wird es am 25. April 1923 und ganz zuletzt, also schon nach der Prüfung, am 27. März 1924.
Diese Abituriumsnot ist auch der Grund dafür, daß der Lehrplan der neu eingerichteten 12. Klasse gar nicht so aufgestellt werden kann, wie es sein müßte. Immer wieder heißt es ähnlich wie 3/34—38: „Wir müßten den Lehrplan der 12. Klasse eigentlich . . .”, und dann:
„aber wir können des Abiturs wegen nur . . .” Immerhin kann doch Wesentliches gegeben werden: über Chemie (3/35, 36, 76, 77), über Zoologie und Geologie (3/34, 35,42-44 , 77-79). Ausführlich wird gesprochen über Interpunktion, ihr Wesen und die Methode ihrer Behandlung (3/56, 67-70).
Im übrigen Aufbau wird zum ersten Male eine dritte 5. Klasse, eine 5c eingerichtet (3/93, 100) und wieder zwei 1. Klassen (3/21), Es gehen Lehrer fort, zum Teil nach schwierigen Auseinandersetzungen (3/21—25), und neue kommen hinzu (2/302, 3/26).
Aber wieder erheben sich Schwierigkeiten mit Schülern, diesmal nicht aus den drei obersten Klassen (dort ist eine gewisse Beruhigung eingetreten), sondern aus der 9. Klasse. Es ist in diesem Jahr nicht

Er wordt een poging gedaan om leerlingen aan het einde van het 12e leerjaar eindexamen te laten doen. Dit wordt in twee derde van alle vergaderingen dit jaar besproken; min of meer uitgebreid, direct of indirect. Het wordt met name nadrukkelijk besproken op 25 april 1923, en nogmaals, na de examens, op
27 maart 1924.
Die eindexamenmoeilijkheden zijn ook de reden waarom het leerplan voor het
nieuw ingestelde 12e leerjaar niet kan worden ontworpen zoals het zou moeten. De zin “We zouden eigenlijk…” wordt herhaald, vergelijkbaar met 3/34-38, en vervolgens:
“maar vanwege het examen kunnen we alleen…” Er kan in ieder geval wat essentiële informatie worden verstrekt: over scheikunde (3/35, 36, 76, 77), over zoölogie en geologie (3/34, 35, 42-44, 77-79). Interpunctie, de aard ervan en de manier waarop ermee wordt omgegaan, worden in detail besproken (3/56, 67-70).

Wat de algehele structuur betreft, wordt voor het eerst een derde vijfde klas, een 5c, ingericht (3/93, 100), en worden er twee eerste klassen toegevoegd (3/21). Leraren vertrekken, sommigen na moeilijke conflicten (3/21-25), en nieuwe leraren komen erbij (2/302, 3/26).

Maar opnieuw ontstaan ​​er problemen met leerlingen, ditmaal niet uit de drie hoogste klassen (waar een zekere kalmte is opgetreden), maar uit de negende klas. Dit jaar is het niet

Blz. 57 

alles gar so tragisch, es klingt auch Humor hinein. Ausschlüsse kommen nicht vor. Aber bei mehreren Schülern wird die schwierige Psychologie eingehend durchgesprochen (3/60—63, 64—66, 71, 82—86). Es handelt sich in erster Linie darum, daß die in diesem Alter heraufkommende „latente” Intelligenz sich von sich selbst aus nur an „rüpelhaften Sachen übt”. „Die Intelligenz muß auf die richtigen Bahnen gelenkt werden” (3/72—74).
Diesem Negativen stehen auch in diesem Jahre wieder herrlichste
Geistgeschenke gegenüber. Die „künstlerisch-pädagogische Tagung” vom 25.-29 . März 1923 (Liste Nr. 25). Dann die „pädagogischen Michaelsvorträge” vom 15. und 16. Oktober 1923 (Liste Nr. 28). Und schließlich Ostern 1924 die „Erziehungstagung” (Liste Nr. 29).
In ihr wird schon spürbar, was seit drei Monaten, alles überstrahlend, in die Schule hineinwirkte: die Dornacher Weihnachtstagung (Einleitung S. 15; Liste Nr. 118).
Rudolf Steiner, der bei dieser Neubegründung der Anthroposophischen Gesellschaft in ihr jetzt selbst den Vorsitz übernommen hatte, spricht in der nächstfolgenden Konferenz (3/110—123) erstmals über die neuen Aufgaben, aber auch über die neuen Kräfte, die sich aus diesem Ereignis für die Lehrer der Waldorfschule ergeben sollten.
Es lag die Absicht vor, dies alles in der Folgezeit noch viel weiter und
größer auszubauen.

Het is allemaal zo tragisch; maar er klinkt ook humor in door. Uitsluitingen komen niet voor. Maar de moeilijke psychologie van verschillende leerlingen wordt uitvoerig besproken (3/60-63, 64-66, 71, 82-86). Het voornaamste probleem is dat de “latente” intelligentie die op deze leeftijd ontstaat, de neiging heeft om “alleen maar onbeschaafd gedrag” te vertonen. “Intelligentie moet in de juiste richting worden gekanaliseerd” (3/72-74).
Dit negatieve aspect wordt dit jaar opnieuw gecompenseerd door de fijnste spirituele geschenken . De “kunstziinnig-pedagogische conferentie” van 25-29 maart 1923 (lijst nr. 25). Vervolgens de “pedagogische Michaelvoordrachten” van 15 en 16 oktober 1923 (lijst nr. 28).

En ten slotte, met Pasen 1924, de “pedagogische conferentie” (lijst nr. 29).

Het wordt al duidelijk wat de afgelopen drie maanden een grote invloed op de school heeft gehad: de kerstconferentie van Dornach (Inleiding, p. 15; Lijst nr. 118).

Rudolf Steiner, die inmiddels het voorzitterschap van deze pas opgerichte Antroposofische Vereniging had overgenomen, spreekt voor het eerst op de volgende vergadering (3/110-123) over de nieuwe taken, maar ook over de nieuwe mogelijkheden die deze gebeurtenis de leerkrachten van de Waldorfschool zou moeten bieden.

Het was de bedoeling dit alles in de daaropvolgende periode veel verder en op grotere schaal uit te breiden.

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3474-3271

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes in de kleuterklas

.

In 1919, toen Steiner de inleidende cursussen voor het vrijeschoolonderwijs gaf, raadde hij voor de 1e klas ‘sprookjes ‘aan. (GA 295 blz. 20, vertaling)

Daarmee bedoelde hij – dat blijkt uit opmerkingen in andere voordrachten – (zie bv. hier  vooral de uit de volksmond opgetekende verhalen, volkswijsheid, waarvan de inhoud (voor een deel) bestaat uit beelden. Geen ‘gewone’ beelden, maar beelden die een ‘hogere’ waarde, waarheid in zich dragen.
Dat zijn dus per definitie geen ‘bedachte’ verhalen, zoals bv. de spookjes die Godfried Bomans schreef. 
Beelden die ‘toen’ nog in het volk leefden, zoals mythen en sagen.
Omdat dit ‘in het volk’ verloren is gegaan m.n. in de westerse wereld – zou je de conclusie kunnen trekken, dat er in deze tijd eigenlijk in die zin geen sprookjes meer kunnen verschijnen.
Tenzij je – door de antroposofische scholingsweg – in de astraalwereld kan waarnemen waar deze beelden- ze heten dan imaginaties – ‘leesbaar, ervaarbaar, kunnen zijn.

Maar wie van ons kan dat. 
En in het algemeen: wie heeft er ‘weet’ van.

De kennis over het bovenstaande is voor het sprookje al zo verdwenen, dat ‘sprookje’, evenals ‘mythe’ tegenwoordig vaak synoniem is aan verzinsel, zelfs leugen.

Vandaaruit is het ook begrijpelijk dat hier en daar de roep om ‘herschrijving‘ klinkt, en daadwerkelijk wordt uitgevoerd, om de inhoud ‘inclusiever’ te maken: waarom mag de prins niet ook een prinses zijn, bv.

Wie zich bezighoudt met de ‘vertaling’ van de beelden en overtuigd raakt van hun eigen werkelijkheid, zal dit niet willen.

In het licht van bovenstaande is het niet vreemd dat mensen zich afvragen waarom er in deze tijd nog sprookjes worden verteld op de vrijeschool – in de 1e klas – en nadat later ook de vrijekleuterklas ontstond, ook in die kleuterklassen.

In het blad ‘Erziehungskunst frühe Kindheit (Opvoedkunst voor het kleine kind) verscheen volgend artikel over de waarde van de sprookjes vanuit taalkundig opzicht.

Kikker of koning?

Sebastian P. Suggate, Erziehungskunst frühe Kindheit, Winter 2016
.

Hoe sprookjes de taalontwikkeling bevorderen
.

Sprookjes zouden zowel de taalvaardigheid als het esthetische en morele besef van kinderen ontwikkelen.
Maar in hoeverre is dit idee wetenschappelijk bevestigd?

Sebastian Suggate, pedagoog aan de Universiteit van Regensburg, rapporteert over recent onderzoek naar deze vraag.

Er zijn talrijke manieren om de taalontwikkeling op de kleuterschoolleeftijd te stimuleren: door fonologisch bewustzijn, uitbreiding van de woordenschat,
correcte uitspraak, klemtoon en grammaticaal gebruik, bevordering van de communicatieve vaardigheden in het algemeen, tot en met de eerste leesoefeningen.
De redenen voor deze maatregelen en programma’s zijn even talrijk: naast de volkomen gerechtvaardigde bezorgdheid over het taalniveau van opgroeiende kinderen zijn er ook sociaal-politieke redenen, zoals de na de PISA-schok geformuleerde onderwijsdoelstellingen of de integratie van migrantenkinderen.

De Waldorfpedagogiek wordt slechts half terecht beschouwd als tegenpool van deze “stimuleringswaanzin”. Waldorfkleuterscholen zouden plaatsen zijn waar ruimte wordt geboden zodat kinderen zich vrij kunnen ontplooien, zonder enige ‘stimulering’.
Bij nader inzien blijkt echter iets heel anders, want de Waldorfkleuterscholen bieden al lang hun eigen, zachte, maar zeer effectieve vorm van taalstimulering aan.

Taalstimulering door sprookjes? 

Een uniek kenmerk van de Waldorfpedagogiek is het vertellen van sprookjes. Tegenwoordig worden sprookjes door velen afgedaan als ‘wreed’ of ‘kinderachtig’
en bovendien zouden ze achterhaalde modellen doorgeven.
Verder wordt gezegd dat ze vanwege hun verouderde taalgebruik zowel te opwindend als niet nuttig zijn voor kleine kinderen. In vergelijking met modernere verhalen lijken ze niet meer van deze tijd, net als de manier waarop ze worden verteld: sprookjes in de Waldorfkleuterschool worden niet via cd of dvd verteld, maar vaak door de leerkrachten vrij verteld.

Tegen deze achtergrond is het volkomen gerechtvaardigd om te vragen of deze praktijk van het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool ten eerste nog wel eigentijds is en ten tweede effectief.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet worden nagedacht over
welke criteria worden gehanteerd om te beoordelen of de praktijk de moeite waard is. Hiervoor worden empirisch-wetenschappelijke normen uit de experimentele psychologie gebruikt.

Nieuw ontstaat uit oud

Enerzijds hebben sprookjes een klassieke opbouw, die kinderen snel vertrouwd raakt en die het begrip van de verhalen bevordert. Bovendien bevatten sprookjes steeds weer “magische” getallen en rituelen, bijvoorbeeld moeten er meestal drie pogingen worden ondernomen om betoverde prinsessen of prinsen te redden. Dergelijke ritmes en patronen kunnen een belangrijke rol spelen, zowel voor het begrip als voor het esthetisch gevoel en het inleven in de verhalen.

Als het echter waar is dat sprookjes door hun verouderde taalgebruik moeilijk te begrijpen zijn voor kleine kinderen, kunnen ze niet bevorderlijk zijn voor de taalontwikkeling.

Om dit te onderzoeken heb ik samen met collega’s van de universiteiten van Regensburg en Würzburg daar studies over gemaakt.
In deze studies werden aan in totaal bijna 200 kinderen klassieke sprookjes of moderne, eigentijdse verhalen verteld.
In vergelijking met een controlegroep hebben de kinderen inderdaad veel nieuwe woorden uit beide soorten verhalen kunnen leren, wat pleit voor de taalbevorderende kwaliteit van het vertellen.
Interessant genoeg hebben de kinderen evenveel nieuwe woorden geleerd uit de sprookjes als uit de ‘hedendaagse’ verhalen. Blijkbaar vormt de ‘verouderde’ sprookjestaal op zich geen groot probleem voor de kinderen. Dit laatste gold
ook voor kinderen met een migratieachtergrond.

Levendig vertellen is belangrijk

Zoals gezegd, worden sprookjes in de Waldorfkleuterschool met regelmaat vrij verteld, dus niet voorgelezen of zelfs afgespeeld met een cd.
Speelt de manier van vertellen een rol of, anders gezegd, is het de moeite waard
dat kleuterleidsters sprookjes uit het hoofd leren?

Er zijn al experimentele studies die aantonen dat peuters slechts weinig
nieuwe woorden leren via de televisie of dvd’s. Volgens deze studies werd het leren van nieuwe woorden veel meer bevorderd als er volwassenen bij waren, maar de beste manier leek het leren in de levende relatie met volwassenen. Een dvd is nauwelijks voldoende om taalbevorderende imitatie bij kinderen te stimuleren.

In een experiment aan de universiteit van Würzburg hebben we de woordenschatverwerving van leerlingen uit groep 4 en 6 vrijeschoolklas 2 en 4) onderzocht.
Om precies te zijn wilden we nagaan of vertellen voor kinderen van deze leeftijd
nog steeds een belangrijke rol speelt of dat leesvaardigheid de kunst van het vertellen overbodig maakt.
De verhalen werden op drie verschillende manieren voorgesteld: de kinderen lazen ze zelfstandig, ze werden voorgelezen of vrij verteld.

Hoewel ze allemaal goed konden lezen en ruim de tijd hadden om het gelezene nog eens te bekijken, hadden ze het minste baat bij zelfstandig lezen en het meeste bij vrij vertellen.
In vervolgstudies bij kleuters hebben we echter geen voordeel van het vrij vertellen ten opzichte van het voorlezen kunnen aantonen wat betreft de woordenschatverwerving.
Voor het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool lijkt het belangrijk dat de vertolking van de opvoeders zo levendig mogelijk (maar niet dramatiserend) is. Belangrijk hierbij zou kunnen zijn dat de opvoeders
zich inspannen om de gebeurtenissen in de verhalen te vertellen vanuit
hun eigen innerlijke beelden. Dit beeldende vertellen is eenvoudigweg moeilijk uitvoerbaar onder de gestandaardiseerde omstandigheden van experimenteel
onderzoek, wat onze resultaten zou kunnen verklaren.

Daarentegen is het voordeel van een levendige vertelstijl ten opzichte van een
didactische vertelstijl duidelijk aantoonbaar. In een onderzoek hebben we een ‘klassieke’ vertolking met woorddefinities en begripsvragen vergeleken met een
Waldorfachtige vertelstijl. Bij deze laatste werden de sprookjes levendig verteld met gebaren, verwondering en metaforen, zonder uitleg van moeilijke woorden. Verrassend genoeg heeft het definiëren van woorden in het kader van de klassieke verhalen de woordenschat niet sterker doen groeien dan het vertellen in Waldorfstijl.
De kinderen waren echter onder levendigere omstandigheden meetbaar
rustiger en aandachtiger.

Sprookjes en esthetische vorming

Naast het taalbevorderende aspect van het vertellen van sprookjes, wordt steeds meer erkend dat er rekening moet worden gehouden met de esthetische
vorming van de kleuter.
Hieronder wordt niet alleen verstaan dat de ruimtes in de kleuterschool ‘mooi’ worden ingericht of dat kinderen veel tekenen.
Onder esthetische vorming wordt veeleer verstaan dat via zintuiglijke ervaringen
kennis kan worden vergaard. Esthetiek speelt een belangrijke rol bij het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool. Sprookjes gaan gepaard met rituelen zoals het aansteken van een kaars, in een kring zitten of bezinning en rust. De manier waarop sprookjes zelf is ook heel esthetisch, waarbij de taal correct moet worden gearticuleerd en rijk en metaforisch moet zijn.
Sprookjes bevatten bijna altijd een wijsheid die kinderen emotioneel in contact kan brengen met eeuwenoude menselijke vragen, zoals moed, trouw en het overwinnen van gevaren.
Sprookjes uit alle culturen bestaan waarschijnlijk uit deze universele elementen en hebben daarom een fascinerend effect op kinderen, zodat ze er bijna zonder uitzondering met verwondering en volle aandacht naar luisteren.

.15 Grimm Hans en Grietje 3
Grimm: nr. 15 Hans en Grietje

.

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes klas 1

.

3473-3270

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolliederen

.

Gratis toegang voor alle vrijeschoolleerkrachten
Goed nieuws: de Vereniging van vrijescholen en Vrijeschoolliederen slaan de handen ineen, zodat alle vrijeschoolleerkrachten kosteloos en onbeperkt van ons platform gebruik kunnen maken. We vertellen je er graag alles over in deze nieuwsbrief.

Maar er is meer: een kersvers lied, een inspirerende podcast, het nieuwe studentenabonnement en een voorproefje van de Werkplaats 2026.

Muziektip
Ontdek hoe heerlijk ‘Warewinde flierevlinde’ wegzingt. Dit nieuwe lied is sfeervol, beeldrijk en fijn in het gehoor liggend. Inge Stok maakte een nieuwe tekst op een bekende Hongaarse melodie, Anouk Vinders bewerkte het tot een tweestemmig lied en Anne Gies maakte er een prachtige illustratie bij.

Bekijk hier het resultaat

De Vereniging van vrijescholen en Vrijeschoolliederen werken samen: alle vrijescholen in Nederland krijgen een collectief abonnement van Vrijeschoolliederen, als onderdeel van hun lidmaatschap bij de Vereniging.

Hiermee hebben alle leerkrachten onbeperkt toegang tot het complete aanbod van bladmuziek, lesideeën, methodieken, podcasts en pedagogische achtergrondartikelen.

Nieuwsgierig? Mail ons gerust voor meer informatie: info@vrijeschoolliederen.nl.

TIP: Werk je binnen het reguliere onderwijs of het hoger onderwijs en wil je voor jouw medewerkers of studenten ook onbeperkte toegang tot het platform? Neem dan contact met ons op, dan kijken we naar de mogelijkheden voor een passend collectief abonnement.

Podcast

Wist je dat er bij Vrijeschoolliederen elke maand een nieuwe podcast verschijnt, die je ook zonder abonnement kunt beluisteren? Matthijs Overmars interviewt muziekprofessionals die vertellen over hun drijfveren en ervaringen.

Uitgelicht: Marcel van Os was decennialang muziekdocent op Hogeschool Helicon en de Vrijeschool pabo. In de podcast benadrukt hij het belang van een speelse benadering van muzieklessen. Hij is wars van dogma’s en tegelijk diep doordrongen van de betekenis van muziek voor het opgroeiende kind.

Beluister de podcast met Marcel van Os

Studenten opgelet!

Voor jullie is er nu een abonnement op maat met 15% korting. Klik hier voor meer informatie.

Voorproefje

Onze Werkplaats biedt een rijk palet aan muzikale nascholing. Hieronder alvast een tipje van de sluier voor het voorjaarsprogramma 2026. In de volgende nieuwsbrief worden de data bekend gemaakt en kun je je aanmelden.

Ukelele spelen – op veler verzoek nogmaals een ochtend om de basisvaardigheden van het spelen op de ukelele onder de knie te krijgen.
 Lees meer.

Samen in beweging – werelddansen in je klas: Anouk Vinders laat je ervaren hoe je zowel met lagere als hogere klassen kunt dansen. Een multiculturele ontdekkingstocht waar de kinderen blij van worden! 
Lees meer.

• Nieuw Koorzingen op school – een inspiratiedag voor dirigenten: het schoolkoor kan de muzikale motor zijn van de muziekcultuur op een school. Maar hoe pak je dat aan? Tips & tricks voor een bloeiend schoolkoor.

Fluiten met je klas – didactiek en praktijk: fluitles geven is niet zo moeilijk als je misschien denkt! Een ochtend om je net dat duwtje in de rug te geven om te starten met instrumentaal onderwijs. 
Lees meer.

• Nieuw Speels slagwerk – werken met ritmestokjes in je klas: we maken zelf ritmestokjes en ontdekken daarmee een wereld van ritmische werkvormen, spelletjes, virtuositeit en samenwerking.

Bodypercussie – ook de praktijkochtend met Jeroen Schipper en Heiko de Jonge gaat in reprise, met weer nieuwe grooves, spelvormen en lesideeën. 
Lees meer.

Binnenkort in de werkplaats

Zondag 25 januari 2026:
Inspiratiedag Zingen met kinderen

Hoe pak je dat aan, zingen met kinderen? Welk repertoire kies je, hoe leer je nieuwe liederen aan, hoe houd je je klas of kinderkoor gemotiveerd? Combineer enthousiasme met vakmanschap en word een inspirerende muziekdocent of kinderkoordirigent.

Muziekdocenten Annemiek van der Ven en Matthijs Overmars werken met nieuwe thema’s, liederen en spel-ideeën. Op zondag 25 januari staat het variëren met liedmateriaal centraal: speelse werkvormen die kinderen muzikaal bij de les houden.
Meer informatie en aanmelden

Over muziekonderwijs in het nieuws:
Muziekdeskundigen over de waarde van muziekonderwijs. En dat er op de Nederlandse scholen te weinig muziekonderwijs is. De vrijescholen worden niet genoemd. Steiner over muziek.
Opspattend grind:  Zie [7]  [10]  [24]  [26]  [66]  [99
Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

.

.

.

.

 

 

 

 

Goed nieuws: de Vereniging van vrijescholen en Vrijeschoolliederen slaan de handen ineen, zodat alle vrijeschoolleerkrachten kosteloos en onbeperkt van ons platform gebruik kunnen maken. We vertellen je er graag alles over in deze nieuwsbrief.

Maar er is meer: een kersvers lied, een inspirerende podcast, het nieuwe studentenabonnement en een voorproefje van de Werkplaats 2026.

Muziektip

Ontdek hoe heerlijk ‘Warewinde flierevlinde’ wegzingt. Dit nieuwe lied is sfeervol, beeldrijk en fijn in het gehoor liggend. Inge Stok maakte een nieuwe tekst op een bekende Hongaarse melodie, Anouk Vinders bewerkte het tot een tweestemmig lied en Anne Gies maakte er een prachtige illustratie bij.

Bekijk hier het resultaat

Cadeautje

De Vereniging van vrijescholen en Vrijeschoolliederen werken samen: alle vrijescholen in Nederland krijgen een collectief abonnement van Vrijeschoolliederen, als onderdeel van hun lidmaatschap bij de Vereniging.

Hiermee hebben alle leerkrachten onbeperkt toegang tot het complete aanbod van bladmuziek, lesideeën, methodieken, podcasts en pedagogische achtergrondartikelen.

Nieuwsgierig? Mail ons gerust voor meer informatie: info@vrijeschoolliederen.nl.

TIP: Werk je binnen het reguliere onderwijs of het hoger onderwijs en wil je voor jouw medewerkers of studenten ook onbeperkte toegang tot het platform? Neem dan contact met ons op, dan kijken we naar de mogelijkheden voor een passend collectief abonnement.

Podcast

Wist je dat er bij Vrijeschoolliederen elke maand een nieuwe podcast verschijnt, die je ook zonder abonnement kunt beluisteren? Matthijs Overmars interviewt muziekprofessionals die vertellen over hun drijfveren en ervaringen.

Uitgelicht: Marcel van Os was decennialang muziekdocent op Hogeschool Helicon en de Vrijeschool pabo. In de podcast benadrukt hij het belang van een speelse benadering van muzieklessen. Hij is wars van dogma’s en tegelijk diep doordrongen van de betekenis van muziek voor het opgroeiende kind.

Beluister de podcast met Marcel van Os
Studenten opgelet!

Voor jullie is er nu een abonnement op maat met 15% korting. Klik hier voor meer informatie.
Voorproefje

Onze Werkplaats biedt een rijk palet aan muzikale nascholing. Hieronder alvast een tipje van de sluier voor het voorjaarsprogramma 2026. In de volgende nieuwsbrief worden de data bekend gemaakt en kun je je aanmelden.
• Ukelele spelen – op veler verzoek nogmaals een ochtend om de basisvaardigheden van het spelen op de ukelele onder de knie te krijgen. Lees meer.

• Samen in beweging – werelddansen in je klas: Anouk Vinders laat je ervaren hoe je zowel met lagere als hogere klassen kunt dansen. Een multiculturele ontdekkingstocht waar de kinderen blij van worden! Lees meer.

• Nieuw Koorzingen op school – een inspiratiedag voor dirigenten: het schoolkoor kan de muzikale motor zijn van de muziekcultuur op een school. Maar hoe pak je dat aan? Tips & tricks voor een bloeiend schoolkoor.

• Fluiten met je klas – didactiek en praktijk: fluitles geven is niet zo moeilijk als je misschien denkt! Een ochtend om je net dat duwtje in de rug te geven om te starten met instrumentaal onderwijs. Lees meer.

• Nieuw Speels slagwerk – werken met ritmestokjes in je klas: we maken zelf ritmestokjes en ontdekken daarmee een wereld van ritmische werkvormen, spelletjes, virtuositeit en samenwerking.

• Bodypercussie – ook de praktijkochtend met Jeroen Schipper en Heiko de Jonge gaat in reprise, met weer nieuwe grooves, spelvormen en lesideeën. Lees meer.
Binnenkort in de werkplaats

Zondag 25 januari 2026:
Inspiratiedag Zingen met kinderen

Hoe pak je dat aan, zingen met kinderen? Welk repertoire kies je, hoe leer je nieuwe liederen aan, hoe houd je je klas of kinderkoor gemotiveerd? Combineer enthousiasme met vakmanschap en word een inspirerende muziekdocent of kinderkoordirigent.

Muziekdocenten Annemiek van der Ven en Matthijs Overmars werken met nieuwe thema’s, liederen en spel-ideeën. Op zondag 25 januari staat het variëren met liedmateriaal centraal: speelse werkvormen die kinderen muzikaal bij de les houden.
Meer informatie en aanmelden

Wij wensen je mooie en sfeervolle maanden toe, met veel muziek en licht.

Een hartelijke groet, namens het team van Vrijeschoolliederen,
Ilse Delaere
Illustraties in deze nieuwsbrief door Anne Gies.

Deze e-mail is verstuurd aan pieterhawitvliet@gmail.com.
Als je geen e-mails meer wilt ontvangen dan kun je je hier afmelden.
Je kunt ook je gegevens inzien en wijzigen.
Voeg info@vrijeschoolliederen.nl toe aan je adresboek voor een betere ontvangst.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (7)

.

In de 11e klas wordt de zgn. ‘Parcivalperiode’ gegeven.

Over het waarom, vind je in deze artikelen uit Vrije Opvoedkunst’ de nodige achtergronden.

Ook op deze blog staan er diverse artikelen over. Zie onder Parzival.

Het volgende artikel is eveneens bedoeld als verdieping om deze periode te kunnen geven.

Jelle v.d. Meulen, Motief nr. 274, 7/8 2023

De gewonde patriarch

 

Een terugkerend motief in de Graallegenden vormen de innige betrekkingen tussen vrouwen en mannen. Wij als moderne lezers zien daarbij in de eerste plaats romantische paren. Maar echt romantisch blijken de verhalen niet. Geliefden bereiken elkaar niet, blijven lang gescheiden of verliezen elkaar. Wat wij gemakkelijk over het hoofd zien is dat de relaties niet alleen van belang zijn voor de twee betrokkenen. Het verlossende einde, zoals bijvoorbeeld beschreven door Wolfram von Eschenbach in diens Parzival, betreft niet in de eerste plaats twee of vier of zes gelukkige individuen die elkaar hebben gevonden, maar een complete gemeenschap.

De schrijvers van de legenden uit de twaalfde en dertiende eeuw hadden een scherp oog voor wat we de sociale betekenis van een innige relatie kunnen noemen. Ons gesloten concept – met eigen kinderen, eigen huis en eigen pensioen – komt in geen van de vertellingen voor. Ervoor in de plaats ontvouwt zich in de legenden een open vlechtwerk van betrekkingen, waarin het lotgeval van de één resoneert met anderen. De mate van innigheid tussen twee mensen maakt daarbij de kracht van de missie van hun relatie uit. De missie van deze betrekking heeft in het mycelium van relaties een heel bepaalde betekenis, die als een specifieke vorm van liefde kan worden gekenmerkt. Deze vorm heeft een dragende en zelfs initiërende werking in het grote geheel.

Patriarchaat, matriarchaat

De legenden van de Graal zijn op te vatten als een poging tot zachtmoedige ontmanteling van het patriarchaat. Overal verschijnen kijkwijzen die van een andere levenshouding getuigen. Er wordt transformatie nagestreefd. De macht wordt omgevormd met zachte krachten. En met name bij Wolfram von Eschenbach valt op dat deze zachtmoedige benadering met pittige humor gepaard gaat. Met het patriarchaat gaat een bepaalde geschiedschrijving gepaard, die nagenoeg uitsluitend over mannen handelt. De archeologe Marija Gimbutas toont in haar studie The Living Goddess aan dat de opkomst van het patriarchaat op zijn minst tot zevenduizend jaar voor Christus teruggaat. Tal van opgravingen in Europa en Azië bewijzen dat er in die tijd overal gemeenschappen waren, waar eerst vrouwelijke godinnen werden vereerd en pas daarna mannelijke. In haar studie beschrijft Gimbutas het plotselinge verschijnen van agressieve, militaristisch georganiseerde volkeren, die de eerder matriarchaal ingerichte gemeenschappen verdrijven of zelfs vernietigen. Wat mij betreft behoort de opkomst van het patriarchaat tot de raadselachtigste aspecten van de door ons aangenomen geschiedenis. Onbegrijpelijk is in de eerste plaats dat het patriarchaat zo absoluut het heft in handen nam. Waarom is dit gebeurd?

Het duurde tot de twintigste eeuw voordat een algemeen onbehagen wakker werd over de curieuze uitsluiting van vrouwen. Het probleem van de ongelijke behandeling van vrouwen en mannen is inmiddels in onze cultuur aangekomen, ook in de academische en de politieke wereld. Maar het heeft een hardnekkige kern. Achter het verloop der dingen gaat een vraag schuil: Hoe begrijpen wij vandaag de dag onszelf in het licht van de historiserende uitsluiting van de helft van de mensheid, de vrouwen dus? Wat zegt ons de opkomst van het patriarchaat over ons als mens? Het is een vraag die met zelfkennis te maken heeft, en zij betreft ons allen, zowel vrouwen als mannen.

Parcival

In de legenden over de Graal wordt de dominantie van het patriarchaat mild, maar aanhoudend aan de orde gesteld. Het begint ermee dat de moeder van Parzival weduwe is, die alleen met haar zoon in een woud woont. Zij heet Herzeloyde, wat leed-van-het-hart betekent. De vader van Parzival is kort voor de geboorte van diens zoon op het slagveld gestorven. Daarom doet Herzeloyde alles om te voorkomen dat Parzival een ridder wordt. De bewust gekozen levenswijze van de moeder vertoont nadrukkelijk matriarchale kenmerken, maar is tegelijk een door nood gedwongen beschermende afzondering. En dit laatste past eigenlijk niet in het matriarchaat, want dat wil juist open zijn. De ongedurige Parzival wil de wereld in trekken. Hij is het tegendeel van een veelbelovende patriarch-in-opleiding, eerder een onnozele jongeling die zich thuis voelt in de natuur en bovendien meent dat ridders eigenlijk goddelijke wezens zijn. Zelfs zijn eigen naam kent hij niet. Hij heeft geen oordelen in zijn kop en denkt dus niet in termen van goed of slecht, mooi of lelijk, waar of onwaar. Want alles wat je met je ogen kunt zien is goed, mooi en waar. Parzival is lang kind gebleven, wat ook een matriarchaal kenmerk is.

Maar hij verlaat zijn moeder. Op het moment dat Parzival vertrekt om ridder te worden, wat voor hem dus hetzelfde is als god worden, sterft Herzeloyde. Hij merkt dit echter niet, want opgetogen heeft hij de eerste stappen in de wereld gezet, zonder om te kijken. Alles wat hem vervolgens tegemoetkomt, neemt hij monter en onbevangen in zich op. Alleen al dit begin van het epos plaats een opmerkelijke kanttekening bij het patriarchaat: het wordt niet als een onvermijdelijke status quo voorgesteld. Herzeloyde maakt een duidelijke keuze en zet die ook door. En Parzival zelf vertrouwt erop dat het leven hem brengen zal wat hij nodig heeft. De realistische patriarchale visie dat het leven vooral weerbarstig-want-schaars is, leeft niet in hem. Een cruciale rol speelt vervolgens de ontmoeting met de doorgewinterde patriarch Gurnemanz, die Parzival informeert over de regels in het hoofse leven. De jonge held – en hier stuiten wij op een paradox – neemt de raadgevingen van de landsman zonder enige reserve in zich op. Zijn matriarchale jeugd lijkt hem weerloos te maken. Eén van de leringen van Gurnemanz is dat Parzival nooit een vraag mag stellen, want dat is onbeleefd. Onbevangen als een jong kind verinnerlijkt Parzival deze raad, precies zoals hij ooit in het bos de eksters, vossen en reeën accepteerde zoals zij waren.

Uit het verloop van de gebeurtenissen blijkt dat uitgerekend de dood van zijn moeder – Parzival hoort er pas later van – zijn montere vreugde verjaagt. De antiheld begrijpt ineens dat zijn stap in de wereld ongemerkt een schaduw in het leven heeft geroepen, voortkomend uit het verdriet en het sterven van zijn moeder. Niet lang na de raad van Gurnemanz komt Parzival oog in oog te staan met het oerbeeld van de gewonde patriarch, de patriarch dus die geen patriarch meer kan zijn. Deze graalkoning Anfortas is – door eigen schuld – uitgerekend tussen zijn benen gewond geraakt en niet meer in staat de gemeenschap van de Heilige Graal te leiden. Als de naïeve Parzival voor Anfortas staat, is hij verwonderd, maar hij vraagt niet wat er met de gewonde koning aan de hand is. Dit feit bepaalt het verdere verloop van de gebeurtenissen. Er is sprake van een vraag die voor het wel en wee van de gemeenschap moet worden gesteld, niet alleen voor Anfortas. Die vraag blijft in de verwarde ziel van Parzival steken. Pas na een reeks dramatische gebeurtenissen komt Parzival een tweede keer voor Anfortas te staan. Hij is door de vele avonturengerijpt en vraagt Anfortas dan: “Wat deert u?” Daardoor wordt niet alleen Anfortas op een haast magische wijze verlost van zijn lijden, maar de hele gemeenschap om hem heen.

Sigune en Schionatulander

Tot de vele liefdesgeschiedenissen in de legenden over de Graal behoort ook die van Sigune en Schionatulander. Het gaat hierbij om een innige betrekking, die teruggaat tot de jeugd van beiden. Zij vormen een soort symbiose. Als zij later echt geliefden zijn, raakt hun relatie verwikkeld in voorvallen die tot de dood van Schionatulander leiden. Wolfram von Eschenbach was een meester van het detail. Een van de literaire principes die hij gebruikt is dat van de spiegeling. De geschiedenis van Sigune en Schionatulander wordt gespiegeld door die van Jeschute en Orilus.

Jeschute is een jonge vrouw, getrouwd met de ridder Orilus. De onnozele Parzival vindt haar aan het begin van zijn avonturen slapend in een tent en meent haar te moeten kussen, want zijn moeder had hem gezegd dat vrouwen worden gekust. Parzival kust dus Jeschute, die wakker wordt. Er vindt een worsteling plaats, want Parzival wil nog een tweede kus. Maar Jeschute verzet zich. Wat zich afspeelt is een heuse overweldiging en Jeschute voelt zich onteerd. Parzival steelt bovendien een ring die hij van haar vinger wringt en een speld van haar borst. Orilus, de man van Jeschute, bevindt zich op hetzelfde moment in een gevecht met Schionatulander, die een schildknaap is. Wolfram von Eschenbach benadrukt de gelijktijdigheid van de gebeurtenissen. De spiegeling is opvallend, doordat de strijd tussen Orilus en Schionatulander direct met Parzival samenhangt. Orilus denkt namelijk dat de schildknaap optreedt als een handlanger van Parzival, in een andere kwestie. Over deze kwestie – een twist over het bezit van landerijen – weet Parzival helemaal niets af, doordat zijn moeder hem er niet over heeft ingelicht. Terwijl Parzival met Jeschute worstelt, vecht zijn veronderstelde plaatsvervanger Schionatulander met Orilus. En Schionatulander sterft. Op het moment van diens sterven, waar hij dus geen weet van heeft, laat Parzival de vrouw met rust en vertrekt in het bezit van twee sieraden, die hem niet toebehoren.

De vervlechting van de gebeurtenissen spreekt voor zich. Om te beginnen gaat het om een ontmoeting tussen een vrouw en een man, die door de laatste in ongerede wordt gebracht. Verder betekent de dood van Schionatulander dat Parzival, zonder er weet van te hebben, aan de dood ontsnapt, want het liefste had Orilus hem omgebracht. Schionatulander fungeerde immers als zijn plaatsvervanger. En in beide gevallen is er een vraag over de rechtmatigheid van bezit, een typisch patriarchaal thema.

De vijfde in het spel is Sigune. De dood van Schionatulander brengt in haar een proces op gang, dat voor ons moderne lezers ongewoon is. Zij stort in een afgrond van droefenis. Zij houdt daarbij vast aan haar relatie tot haar gestorven geliefde, blijft in de buurt van diens lijk en treurt tot haar eigen dood over diens dood. Dit treuren biedt een beslissende opening in het verloop van de verdere gebeurtenissen. Kort na het voorval met Jeschute en de dood van Schionatulander vindt tussen Parzival en Sigune een eerste ontmoeting plaats. Op de schoot van Sigune ligt het dode lichaam van Schionatulander. Als Sigune en Parzival, met elkaar in gesprek raken, maakt zij zich bekend als zijn nicht; en zij vertelt hem dat hij Parzival heet. Later in het verhaal is het Sigune die Parzival vertelt over het sterven van zijn moeder, wat hem in vertwijfeling stort. Hij leert zijn schaduw kennen, die bestaat uit een knoop van schuldgevoelens, schaamte en heimwee. Bij een latere gelegenheid, kort na zijn smartelijke bezoek aan Anfortas, licht Sigune hem in over de gevolgen van diens verzuim om te vragen naar de oorzaak van het lijden van de koning. Sigune wekt in Parzival het begin van een inzicht, dat hem later mogelijk maakt de bevrijdende vraag wel te stellen.

De liefdesgeschiedenis tussen Sigune en Schionatulander wordt in het licht van een omvangrijk gebeuren voorgesteld. De spiegelende speling van het lot reikt veel verder dan het wel en wee van de twee. De liefde tussen beiden vibreert in een complexe gemeenschap. Elk lotgeval maakt deel uit van het grote geheel. Wat in dit verband de trouw van Sigune wordt genoemd, mag in onze moderne ogen overdreven lijken. Wij denken bij trouw aan vasthouden aan een afspraak. Maar van een afspraak, zoals wij die vandaag de dag maken als wij bijvoorbeeld trouwen, is geen sprake. Wat Sigune doet, is dat zij trouw blijft aan een verbinding die uiterlijk gezien niet meer bestaat. Je kunt ook zeggen: In het gescheiden zijn door de dood verzorgt zij in zichzelf de innige verbinding. Deze innerlijke activiteit is meer dan alleen maar treuren, want zij leidt tot wijsheid die Parzival verder helpt; en ze voert er bovendien toe dat Schionatulander tot het einde van het verhaal aanwezig blijft. Hij is weliswaar dood, maar toch levend. Hij wordt niet vergeten. Dit is een markante mystieke notie, die zich abstract zo laat beschrijven: Wat wij binnen in ons stil en oprecht behoeden, heeft een werking op de wereld buiten ons. Sigune praktiseert deze vorm van zwijgzame liefde, die een matriarchaal karakter heeft. Haar innerlijke activiteit heeft op een onzichtbare manier een perifere werking, die de gemeenschap van de Graal niet alleen draagt, maar uiteindelijk ook verlost.

Dualiteit en vriendschap

Mij lijkt dat in de legenden over de Graal de dualiteit tussen patriarchaat en matriarchaat in beweging wordt gebracht. Heersers, zoals Artus en Anfortas, hebben de wens zich overbodig te maken of tenminste hun macht te delen. Van dit laatste is de Ronde Tafel een oerbeeld. Andere patriarchen daarentegen, zoals Gurnemanz en Orilus, hebben deze wens niet. Binnen het patriarchaat ontstaat een dynamische spanning, die ook wij vandaag de dag goed kennen. Maar ook het matriarchaat vertoont een dubbele houding. Aan de ene kant handelt Herzeloyde, en ook Sigune, uit een innerlijke nood. Zij beschermen zich, sluiten zich op. Aan de andere kant hebben zij vanuit die afgeslotenheid een bevrijdende werking op de gehele gemeenschap. Het principe van de afsluiting is in feite patriarchaal, zie de Romeinen en de Roomse Kerk, maar het leidt in het geval van de twee heldinnen indirect juist tot een opening in het patriarchaat. Er vindt in de legenden, via de innige betrekkingen tussen vrouwen en mannen, een kruisbestuiving plaats, die licht werpt op hoe de dualiteit kennelijk minder scherp kan worden gemaakt.

Bijna duizend jaar later ben ik geneigd deze bestuiving vriendschap te noemen.

.

L.Beuger ‘Parzival’

Afbeeldingen op Wikipedia

11e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3471-3268

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (33)

.

Sint-Nicolaas – folkore
.

Het Sint-Nikolaasfeest is, evenals de Sint-Maartensviering, in tegenstelling met onze andere christelijke feestdagen, uit kerkelijk gebruik ontstaan, al namen beide feesten ook voorchristelijke elementen in zich op.

Sint-Nikolaas, zoals hij in de middeleeuwse legende voorkomt en tot in onze dagen voortleeft, is een samenvatting van twee Lycische bisschoppen, Nicolaas van Myra, die waarschijnlijk in de 4e eeuw leefde, en Nicolaas van Pinora, die in 564 stierf. Beiden zijn historische personen, doch verder is er niets van hen bekend: des te ruimer spel lieten zij aan de verbeelding. Uit deze twee is de heilige gestalte gegroeid van de wonderdoener, reeds sinds het einde van de 9e eeuw door de Grieks-katholieke kerk in alle rampen en gevaren aangeroepen. Toen Myra in de handen van de mohammedanen was gevallen, brachten Zuid- Italiaanse kooplieden in 1087 het gebeente van de heilige over naar Bari in Apulië en bouwden over zijn graf een prachtige kerk, die het middelpunt werd van de Nikolaasverering in de rooms-katholieke kerk. Bari, als havenstad veel belangrijker dan Myra, maakte de wonderdoener in het bijzonder tot redder op zee, en de Noormannen, die Bari toen in bezit hadden, brachten zijn verering als patroon van de zeelieden over naar Noord-Europa. Zijn aanroeping deed hun vorst, Willem de Veroveraar, toen een storm hem in het Kanaal overviel, veilig uit Normandië in Engeland landen (1066).

Er is ook nu nog geen Grieks schip, of het heeft de ‘icoon’ van Nikolaas aan boord!

De kustbewoners van Noord-Europa vonden in Sint-Nikolaas de beschermer in zeegevaar, die hun tot dusver had ontbroken. Langs de gehele Noordzee, tot IJsland toe, en aan de Oostzee wezen de torens van de talrijke Sint-Nikolaaskerken aan de schepelingen als het ware de weg. Hier hingen zij na hun redding hun doorweekte kleren als ex voto op en werden na hun dood missen voor hen gelezen.

Over Frankrijk en Vlaanderen heeft de Sint-Nikolaasverering zich naar onze gewesten verbreid. Als een krans liggen om de Zuiderzee de Sint-Nikolaaskerken van Staveren, Kuinre, Oldemarkt, Blankenham, Vollenhoven, Genemuiden, Kampen, Kamperveen, Elburg, Doornspijk, Harderwijk, Baarn, Weesp, Muiden. Monnikendam en Edam, alle stellig of waarschijnlijk uit de 13e eeuw, met als oudste die van Kuinre uit de 12e. Ook aan de rivieren verrezen zij, o.a. te Groningen, Deventer, Zutphen, Utrecht, Dordrecht, Leiden en Delft. Het volk sprak trouwhartig van de ‘Klaaskerk’ en noemde zich hier en daar met voorliefde ‘Sint-Niclaasmannen’.

Weldra vormden zich talrijke gilden van zeevaarders en kooplieden, die Sint-Nikolaas tot patroon kozen. Het koopmansgilde te Amsterdam bekostigde sinds 1476 een dienst in de Oude- of Sint-Nikolaas kerk, waar het beeld van de heilige stond in klinkklaar zilver; toen de stad in 1578 de zijde der Hervorming koos, liet zij er munt uit slaan.

De oudste sporen van de viering van Sint-Nikolaasdag als kinderfeest vinden wij in de stadsrekeningen van Dordrecht van 1360 en 1363. Uit deze blijkt dat de koorknapen op die dag vakantie kregen en wat geld om feest te vieren. Een van hen werd tot bisschop gekozen, onder de vespers kreeg hij de mijter op het hoofd en de kromstaf in de hand. Met deze kinderbisschop trokken de jongens in optocht langs de straat en vroegen aan de voorbijgangers een kleinigheid, het bisschops- of kaarsgeld: voor de ene helft kochten zij kaarsen, voor de andere maakten zij goede sier. De kaarsen zullen zij bij hun avondommegang hebben gebrand. Uit andere stadstarieven blijkt dat door ons hele land in de 15e en 16e eeuw een kinderbisschop werd gekozen; de geestelijke en de stedelijke overheid schonken dan geld, kleren, schoenen of lekkers. Als alle kinderommegangen ontaardde ook deze in bedelarij, zodat in de 17e eeuw het bedelen met mijter en kromstaf werd verboden, waarbij ook de hekel aan ‘roomse superstitiën’ een rol speelde.

Andere bijzonderheden van onze oudste Sint-Nikolaasviering in kerkelijk verband brengen de rekeningen van kerkmeesters van de Sint-Nikolaaskerk te Utrecht, die van 1427 af aanwezig zijn. Hierin komt van de aanvang af geregeld een post voor van drie of vier paar kleine kinderschoentjes met enig geld erin, die op 6 december om Godswille aan de armen werden geschonken. De kinderschoen met de daarin verborgen verrassing is te verklaren uit de bekende legende, dat Sint-Nikolaas aan drie zusters, die voor hun vader uit armoede de brede weg van de prostitutie zouden zijn opgestuurd, elk ’s nachts een bruidsschat in de schoen wierp, waardoor zij behouden bleven.

Hoe is Sint-Nikolaas zelf de brenger van de geschenken geworden?

Het feit dat de heilige ook van kloosterscholen de patroon was geworden, verklaart dit. Sint-Nikolaas beloonde de braven en vlijtigen, bestrafte de onoppassenden; zijn feestdag bood de gewenste gelegenheid tot een kleine dramatische voorstelling, bij de middeleeuwers zo geliefd. Dan zal een van de leraren of kloosterlingen zich hebben verkleed als Sint-Nikolaas, die de kinderen ondervroeg, lekkers uitdeelde aan de naarstigen, maar de luiaards tuchtigde met zijn roede, het onmisbare instrument bij de middeleeuwse opvoeding. Aldus treedt Sint-Nikolaas omstreeks 1200 op in een kloosterschool van Normandië, uitstralingspunt van dit gebruik, dat zich van de 13e tot de 15e eeuw over heel Noord-West- en Midden-Europa verbreidde. Want wat is de verschijning van Sint-Nikolaas in het huisgezin, het ketengerammel dat zijn komst aankondigt, zijn indrukwekkend voorkomen, zijn ondervragen en geschenken uitdelen, wat is dit alles anders dan een kleine dramatische vertoning, in het kader van een opbouwende pedagogie?

Nog groter trefkracht kreeg dit Sint-Nikolaasspel door het optreden van Zwarte Piet.
Zwarte Piet, Pieterman, Pietje Pek zijn volksbenamingen van de duivel. De ganse Middeleeuwen door was de in ketenen geboeide duivel een geliefde voorstelling. Aldus ontstond het volksgeloof, dat de heilige Nicolaas op zijn feestdag de duivel in de ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde. Dan moest de zwarte duivel (zwart van het roet van de hel) hem dienen, de geschenken doen glijden langs de wanden van de wijde schoorsteen, die de geestenwereld met die van de stervelingen verbond, en de stoute kinderen dreigen met de roe. Tenslotte is aan deze duivel nog een gans gevolg van boze geesten toegevoegd. Dit kan zijn gebeurd onder invloed van het geloof aan ‘de wilde jacht’, bij wijze van contaminatie. In de wolken die bij het spookachtig gedruis der najaarsstormen langs de hemel joegen, zag men een nachtelijk heir van wilde lagers met huilende honden: de vervloekte zielen die eeuwig moeten dolen. Hun aanvoerder was ‘Wode’, de woedende, een andere benaming van de duivel, hier als in dienst van Sint-Nikolaas straffer der bozen. Van belang lijkt ook het rondtrekken van als demonen toegetakelde personen in de donkere dagen van de winterwende – gestalten als de ‘Perchten’ in het Alpengebied. De middeleeuwers hielden van dramatisering en luidruchtige optochten: ook Sint-Nikolaas kreeg zijn gevolg van vermomde, geraasmakende schrikgestalten. In die woeste drom ging de heilige welhaast verloren, ja, Sint-Nikolaas zelf werd tot een duivelsgestalte en zijn naam op de duivel overgedragen. In Duitsland heet de duivel Niklo en Nickel, in Engeland Nick en Old Nick, in Vlaanderen werd Sint-Niklaai tot ‘Klaai den duivele’.

Van deze luidruchtige Nikolaasommegangen zijn in Europa talrijke overblijfselen bewaard gebleven over een gebied dat zich uitstrekt van Brittannië in het noordwesten tot aan de zuidoostelijke uitlopers van de Alpen. Friesland dat het langst aan het christendom heeft weerstand geboden en waarschijnlijk hierdoor zoveel heidense gebruiken, o.a. bij begrafenissen, heeft bewaard, vertoont van deze omgangen nog talrijke sporen.

In de Friese dorpen Bergum, Garijp en Oudega komt het ‘Sinte Klazejeijen’ (jeijen = jagen) in zoverre met onze viering overeen, dat Sinterklaas en Zwarte Piet er samen rondtrekken, maar verschilt daarvan, doordat men er wel vijfentwintig van deze paren ziet lopen, niet alleen op de avond van 5 december, maar in de gehele daaraan voorafgaande week. Als de schemer valt, trekken zij rond en vragen aan de deuren of zij mogen binnenkomen. Binnengelaten strooit ‘Kaije’ (Klaas) pepernoten en krijgt daarvoor een kleine beloning. Hij draagt een wit hemd of laken en een witte broek en heeft een masker voor. Pieter is geheel in het zwart en draagt een zwart masker, hij sleept aan zijn been een rammelende ketting of blinkende schel en torst een zak en een roe.

Ook in Drenthe hield de oudere jeugd zich vroeger bezig met ‘Sinterklaaslopen’. Verkleed en met een ‘kabulsekop’ (mombakkes) voor, ging men de huizen langs, zodat de kleine kinderen erg bang werden. Toen het feest ontaardde, stak de overheid er een stokje voor.

In Groningen was het al niet anders: de Sint-Niklazen waren daar jongens van een jaar of twaalf, die op Sint-Niklaasavond langs de huizen liepen, om een paar centen of wat lekkers. Vaak waren zij in het wit en zij hadden stro in de klompen en zij droegen een vlassen baard. Van een krant maakten zij een steek, die de mijter moest verbeelden. En zij rammelden met een ketting aan het been, om de kleine kinderen te verschrikken.

Het sterkst afwijkende Sinterklaasvieringen treft men nog altijd aan op de Waddeneilanden, op Texel, Terschelling, Schiermonnikoog. en vooral op Ameland.

Op Texel viert 4 december de gezamenlijke dorpsjeugd ‘Sunderklaas’ door verkleed en gemaskerd, zingend door de dorpen te trekken. De ouderen doen hetzelfde op 12 december, ‘oude Sunderklaas’, en maken in alle huizen hun opwachting. Op Terschelling is het rondgaan van de ‘Sunderums’ tot het Oosteind van het eiland beperkt. Van Hee en Oosterend af komen de als ‘Sunderums’ verklede mannen, soms ook wel eens een vrouw, naar Midsland. Zij hebben zich kostuums gemaakt van alles wat het eiland aan bruikbare naturaliën oplevert: heide en duinhelm, stro, schelpen en kippenveren. Onderweg leggen zij bij familie en kennissen bezoeken af, waarbij zij hun stem zo verdraaien, dat men hen niet herkent. Op Schiermonnikoog draven op de avonden vlak voor december jong en oud van beide geslachten, gemaskerd en wonderlijk toegetakeld, met wild rumoer deur in, deur uit, en laten zich zwijgend in het lamplicht bekijken. Het feest heet hier ‘Klozem’, een verbastering van Klaas-oom.

Het best is deze uitbundige Sint-Nikolaasviering bewaard gebleven op Ameland, vooral in Hollum, al gaat zij ook daar meer moderne carnavaleske vormen aannemen. Op 4 december treden de jongens van twaalf tot achttien jaar als ‘de kleine Sinterklazen’ op, op 5 december de mannen boven de achttien als de grote. Beide avonden worden precies eender gevierd. Voor geboren en getogen Amelanders zijn dit de heerlijkste avonden van het hele jaar.

Reeds weken tevoren oefenen allen zich in het toeteren op eeuwenoude buffelhorens en maken zij in alle geheimzinnigheid hun sinterklaaspak gereed. Op de avond van 5 december sluipen tegen de schemering de mannen uit de huizen, gehuld in beddenlakens en gewapend met buffelhorens en knuppels. Dit zijn de ‘baanvegers’, die onder vervaarlijk hoorngeloei meisjes en vrouwen en de jongens onder de achttien jaar het huis injagen. Zijn de straten leeg, dan gaan de baanvegers zich verkleden ‘in het pak’, bij voorkeur als vrouw: witte lappen met gaten voor neus, mond en ogen dienen hun tot masker. Spreken doen zij uitsluitend door buffelhoorns of toeters, die, evenals hun knuppels, geheel met papieren knipsels en bloemen zijn versierd. Aldus verschijnen om zeven uur de eerste Sinterklazen op straat, waar dan alle vaders en moeders met hun kinderen lopen; het feest speelt zich hoofdzakelijk op straat af. Doch ook enkele huizen laten ‘goed in’, d.i. die laten de Sinterklazen binnen; daar brandt dan als teken een licht in de gang, terwijl de andere huizen donker blijven. Hier mogen ook de meisjes, als zij de straat vrij zien, even binnenlopen om ,de mannen van alle kanten te bekijken, maar zij moeten dan ook voor hen dansen als dezen met hun stok voor de meisjes op de grond slaan; de onwilligen worden met de knuppel gevoelig op de tenen getikt. In de herbergen dansen de mannen samen, het kenmerk van een zeer oude feestviering.

Zeer plechtig zijn de Sinterklazen als zij elkander ontmoeten; zij blazen op hun horen en drukken elkander langdurig de hand. Steeds worden zij aangesproken met ‘ome’. Het mooiste succes voor hen is niet herkend te worden. Dan demaskeren zij niet en blijven tot laat in de nacht rondlopen. In Hollum doet men nog geen enkele concessie. Daar eindigt het feest zoals het begonnen is: met het verdwijnen van de niet herkende omes, aldus Hans Bakker in Ameland, van Hollum tot de Hon (Haren 1970).

Amelander Sinterklaasverschijningen. Naar een gekleurde tekening van Jkvr. J. van Eysinga, 1927. Uit: De Vrije Fries, XXIX (1929).

Dergelijke Sint-Nikolaasommegangen werden niet alleen in Friesland gehouden. Amsterdam kende nog in de 19e eeuw ‘de zwarte klazen’ met rammelende kettingen aan het been, die op ramen en deuren bonsden en bulderden: ‘Zijn der ook kwaje kijers?’ Nog niet lang geleden liepen te Tholen de jongens in de Sint-Nikolaastijd met mombakkesen voor. Ook in Vlaanderen kent men dergelijke restvormen; Renaat van der Linden, in zijn fraaie Ikonografie van Sint-Nikolaas in Vlaanderen (1972), signaleert ze voor het Maasdal, waar in oude plunjes geklede Sinterklazen de kleine kinderen bedreigen. Zij hebben een grote stok bij zich om jonge meisjes af te tuigen en dragen ook een mand, gevuld met noten en appelen. Zij kondigen zich aan op luidruchtige wijze, schreeuwend met luider stemme, met rammelende ketens aan de benen en rinkelend met hun bellen.

Doch afgezien van deze schrikgestalten is Sinterklaas thans een en al goedheid en vriendelijkheid, een lieve grootvader met witte baard, voor wie geen kind bang meer is. Ook Zwarte Piet heeft zich een plaats in de kinderharten veroverd; hij torst, als trouwe dienaar, de zware zak met geschenken en lekkers.

J.P. Heije, schrijver van Piet Hein, schreef ook een van onze meest bekende Sinterklaasliederen, op muziek van J. J. Viotta, evenals hijzelf arts van professie. Zijn Kinderliederen verschenen in1844 en 1845 en werden in 1861 tot één bundel verenigd. De tekening is van André Vlaanderen.

Deze benodigdheden kocht men eertijds op de Sint-Nikolaasmarkt, waar bakkers en kramers hun tenten opsloegen. Te Amsterdam werd deze gehouden op de Dam, zo dicht mogelijk aan de kant van de Oude Zijde met de Oude- of Sint-Nikolaas-kerk, onder bescherming van de heilige. Als zichtbaar teken hiervan werd zijn beeld in het begin van de 17e eeuw aangebracht op een gevelsteen in de zijmuur van het hoekhuis van Dam en Damrak. Hierop was de legende afgebeeld dat Sint-Nikolaas drie kinderen, door een boze slager gedood en in stukken gehakt, uit de tobbe in het leven terugroept.

Gevelsteen van het vroegere huis ‘ De Bisschop’ op de hoek van Dam en Damrak te Amsterdam

Na afbraak van dit hoekhuis, De Bisschop geheten, is de gevelsteen bij de herbouw van 1934 opnieuw aangebracht boven de ingang van het tegenwoordige bijkantoor van de Incassobank, Dam 2A.
Tussen de Vismarkt, die werd gehouden op de overwelfde sluis, waardoor het water van Damrak en Rokin gemeenschap hield, en de Waag, toenmalig middelpunt van de Dam, stond de dubbele rij van koekkramen. Daarlangs golfde de stroom van poorters en poorteressen, die er hun korfjes vulden met Sinter Claescoeck, amandelbroot, honinctaert en massepeyn’; langs de huizen stonden de kruiwagens opgesteld, waar de kleine man de ‘slickerdemickjes’ voor zijn kroost kocht. In de tweede helft van de 17e eeuw hield de toeloop van kijkers en kopers aan tot middernacht, zodat ‘Myn Heeren van den Gerechte’ wegens de daaruit voortspruitende ‘disordren, confusiën en ongeregeldheden’ gelastten, dat de markt met het luiden van de poortklok moest eindigen. Doch dit verbod haalde weinig uit: de Sint-Nikolaasmarkt heeft te Amsterdam standgehouden tot 1836, toen zij plaats moest maken voor een houten hulpbeurs op de Dam.

Taaipop van Sinterklaas, rijdend over de daken

Nog wordt op een enkele plaats van ons land Sinterklaasmarkt gehouden, o.a. te
Ommen, op de dinsdag die het dichtst is gelegen bij 5 december. Dan verkoopt men een speciaal sinterklaasgebak, de ‘zute plassies’.
Evenmin slaagde de overheid met de verbodsbepalingen die zij, op aansporing van de calvinistische predikanten, tegen het Sint-Nikolaasgebak als ‘.Pauselyke superstitie’ uitvaardigde. Want zoals het toen heette, ‘dat gebruik van der Pausgezinden kinderen was veel te genoeglyk om daarvan geen navolgers te blijven’, zodat de bakkers rustig zijn doorgegaan met het bakken van poppen, wellicht speculaas (speculatio = weerspiegeling) genoemd, omdat zij van spiegelbeeldige vormen worden gebakken. Zij stoelen mogelijk op het oude gebruik dat de heidense Germanen hun goden in brood afbeeldden en deze broodvormen offerden. Ook de diervormen van de speculaas, de paarden, koeien en varkens, gaan kennelijk terug op oude offers, waarbij het schijnoffer van brood het bloedige dieroffer had vervangen. Toen de eerste geloofsverkondigers in onze streken dit volksgebruik niet konden uitroeien, gaven zij er een kerkelijke betekenis aan: het heidense offerbrood werd het gebak van de christelijke feestdagen.

Met hoeveel zorg werd dit bereid! Men bakte de speculaas door het deeg te drukken op planken, waarin de voorstelling in negatieve vorm was uitgesneden. De afdrukken, de zogenaamde prenten, werden op een plaat de oven ingeschoven. Hij uitbreiding van betekenis is de benaming prent overgedragen op de planken waarmee men ze maakte, en die een volkskunst bij uitnemendheid zijn geworden.

Wie waren de makers van deze prenten? Het waren de bakkersgezellen zelf, die zich hiermee op de lange winteravonden bezighielden; het waren prentsnijders die met hun waar de bakkers afreisden en ook wel bij hen ‘uit snijden’ gingen. Naast onbeholpen werk hebben zij vaak voortreffelijke proeven van houtsnijkunst geleverd. Hun namen zijn niet tot ons gekomen. Soms treffen wij op een plank een paar initialen aan, doch waarschijnlijk merkte de bakker daarmee zijn bezit, want men placht elkanders planken te lenen om wat meer verscheidenheid van afbeeldingen te hebben.
Waarschijnlijk is deze houtsnijkunst in het begin van de 17e eeuw opgekomen. Onze meeste prenten dagtekenen uit de 18e, maar vertonen nog vaak vormen van de 17e: raakte een plank versleten, dan nam men de voorstelling op nieuw hout over. Welk een rijkdom van onderwerpen! Hoe genoeglijk voor een kind een koekafbeelding te krijgen van Sinterklaas die over de daken rijdt. Hoeveel nieuwe verschijnselen die de aandacht vroegen werden op de prenten vastgelegd: de omnibus, de eerste stoomboot, de luchtballon en de fiets. Onze grote mannen, Rembrandt volgens zijn standbeeld, Vondel in lange jas en jabot van de 18e eeuw, Laurens Coster bij de viering van zijn eeuwfeest, zijn daar afgebeeld: het volk kent alleen de allergrootsten.

Speculaasprent met luchtballon. (Museum De Lakenhal, Leiden)
Taaitaaipop van Vondel in I8e-eeuws gewaad

Ook heel onze Bijbelse geschiedenis is er te vinden: Adam en Eva onder de appelboom, koning David spelende op de harp, de Jakobsladder, de Heilige Geboorte, de Aanbidding der koningen en de Kruisiging tussen de twee moordenaars. Dezelfde prent beeldt bovendien een deftig bruidspaar af, dat een kolossale trouwring vasthoudt.

Speculaasprent met Jakobsladder
Speculaasprent met bruidspaar en kruisiging. (Museum De Lakenhal, Leiden)

Al onze handwerkslieden en ambachtslui zijn op de prenten vertegenwoordigd: de vruchtenplukker met ladder, mandje en zak; de nachtwacht met zijn ratel; de slager naast het varken op de ladder. De huisvrouw zit aan het spinnenwiel; de boerin staat te karnen, het melkmeisje met haar juk komt vrolijk aanlopen. Heel ons volk, zoals het reilt en zeilt, is daar te zien. Zij rijden in bak- en arrensleden, op een boerenkar, in sjezen en speelwagens of kijken deftig uit het portier van een galakoets. Schepen, molens, huizen en kerken treffen wij op de planken aan naast voorwerpen uit het dagelijkse leven: de ouderwetse tenen wieg met het mooi gewerkte spreitje, de vuurmand, de rijk gebeeldhouwde kinderstoel, het ABC-bord.

Galakoets van taaitaai

De pronkstukken van elke bakker waren de vrijers en vrijsters, wier uiterlijk met de tijd wisselde. Nog worden deze gebakken met de ridderlijke emblemen: de edelman met de hond, de edelvrouw met de valk. De patriottentijd beeldde prins Willem V (met oranjesjerp en keeshond) als vrijer af, Wilhelmina (met goudsbloem) als vrijster.
Welk een grote plaats de speculaas in hartvorm besloeg, toont een plaatje van een koekwinkel uit de 18e eeuw. Geen wonder, want het geschenk van zulk een hart van een jonge man aan een meisje stond gelijk met een huwelijksaanzoek; aan de Zaan werden deze harten tot voor kort nog veel gebakken.

Zaanse speculaas in hartvorm

Zaans is ook het vruchtenmandje dat men in de Zaanstreek ook aantreft als versiering van het bovenlicht van de voordeur.

Zaans taaitaaigebak

Honderd jaar geleden was de speculaas nog in zijn glorietijd en behoorde het koek vergulden, het ‘plakken’, tot de traditionele wintergenoegens van de Truitjes en Toosjes der burgerkringen, zoals Hildebrand in zijn Camera Obscura verhaalt. Welk een rilling voer hem door de leden, toen er een grote majestueuze ‘dagbroer’ voor zijn eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd.

Dagbroer van speculaas

Doch voor tachtig jaren bracht de invoering van Engelse biscuits de bakkers op het denkbeeld het speculaasdeeg met metalen walsen in te drukken en af te snijden. Dit trof samen met de veranderde smaak van het publiek, dat boven de gekruide, vrij harde speculaas het broze botergebak verkoos. Doch dit verliest zijn vorm bij het bakken, de mooie oude prenten hadden nu geen reden van bestaan meer.
De meeste zijn toen in de bakkersoven verstookt. Doch een aantal is in onze musea en oudheidkamers ondergebracht, waar zij nu, in een tijd van nostalgie, een algemene belangstelling ondervinden.

Haagse Sinterklaasprent uit het eind van de 18e eeuw

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldSint- Nicolaas       jaartafels

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – gezichtspunten voor klas 5 t/m 10

.

Dit al tientallen jaren oude artikel gaat uit van de beschouwing dat de aarde een totaliteit is. De grote samenhang van het niet-levende en het levende.
De auteurs schetsen een overzicht van aardrijkskundige lesstof waarin deze samenhang tot uitdrukking komt.

De omstandigheden van de Hibernia school waren destijds anders dan de vrijescholen in Nederland die immers een duidelijke scheiding kennen in basisschool (klas 1 t/m 6) en middelbare school, klas 7 t/m 12: de bovenbouw, waarin klas 7 en/of 8 soms onderscheidend ‘middenbouw’ worden genoemd.

De klassenleerkracht die – ik maakte het in de jaren 1970 nog mee in Den Haag – tot en met 8 meeging met zijn klas, kon vanaf klas 5 al rekening houden met bepaalde onderdelen van de aardrijkskunde als een soort voorbereiding op wat nog ging komen in 6, 7 en 8. En ook de daarop voortbouwende aardrijkskunde vanaf klas 9. Ik herinner me werkbesprekingen van onder- en bovenbouwleerkrachten om de verschillende onderdelen op elkaar af te stemmen. Dat was veel makkelijker dan later: we zaten in hetzelfde gebouw.

Die afstemming is waarschijnlijk helemaal verdwenen. Nog in de hand gewerkt door het gebruik van methodes ‘van buitenaf’.

Desalniettemin levert het artikel talloze gezichtspunten op die je kan omzetten naar aardrijkskundige inhoud voor de klassen 4 -6 en uiteraard ook voor de hogere klassen.
Ook zie je ‘vakkenintegratie”: in klas 6 wordt bv. meetkunde gebruikt. 

Klas 3, 4 en 5, m.n. 6 <1>
Klas 7 <2
Klas 8 <3>
Klas 9 <4>
Klas 10 <5>

L. Gienapp / E. Heyder, Wanne-Eickel, Hibernia School Newsletter, 1968/69, nummer 2.

.

De aarde als geheel

I.

<1> In de 6e klas dagen we onze kinderen uit om iets nieuws te doen: we bekijken de aarde als geheel.
Tot dan toe hadden de kinderen met heemkunde (3e klas) en de eerste aardrijkskunde (4e klas) geleerd over hun directe omgeving, vervolgens over Nederland en in de 5e klas over Europa, in steeds grotere cirkels.
Aan de hand van levendige verhalen werden ze door vele landschappen geleid en ervoeren ze hoe mensen overal leven en werken – anders in de bergen dan aan zee, en weer anders in het bos of in de grote steden.

Nu wordt de hele aarde hun thuis. We gaan weer uit van hun eigen locatie en vatten nu wat de kinderen dagelijks meemaken samen tot nauwkeurige observaties: Wie van jullie heeft ooit een zonsondergang gezien? — De kinderen vertellen; sommigen zijn vast al eens aan zee geweest, anderen hebben misschien vanaf een berg de zon zien ondergaan. Maar ook wie niet op reis is geweest, heeft kunnen zien hoe de zon, vooral in de winter, bloedrood achter de daken van de huizen verdween. De kinderen vertellen veel mooie dingen die hen met vreugde vervullen; en met een nieuwe vraag vat de leerkracht de aandacht van de klas op een bepaald punt samen: Hoe lang duurt een zonsondergang? — Vermoedens en schattingen worden hardop uitgesproken. Een exacte berekening? Ja, dat is mogelijk: in 24 uur staat de zon op dezelfde plaats, ze heeft in die tijd een volledige cirkel doorlopen. We komen op de gradenmaat terecht; 360 graden vormen een volledige cirkel, dus de kwartcirkel van ons hoogste punt tot aan de horizon is 90 graden. Nu nemen we onze handen te hulp en stellen vast dat we met gestrekte arm negen handbreedtes boven elkaar moeten stapelen om deze 90 graden te bedekken, dat wil zeggen dat een handbreedte overeenkomt met 10 graden. Op het bord ontstaat de volgende berekening:

360 graden in 24 uur (of 1440 minuten)

10 graden in = 40 minuten

Dat betekent dat we met onze hand, als we die helemaal stil houden, met gestrekte arm veertig minuten lang de zon kunnen bedekken, of, nog verder gerekend, dat de zon acht minuten nodig heeft om bij zo’n poging achter een van onze vingers langs te gaan. Het is zo spannend dat je er zeker van kunt zijn dat de kinderen ’s avonds soortgelijke experimenten zullen doen. De volgende dag gaat men verder met de overige veranderingen in de stand van de zon en later worden ook de banen van de maan, de planeten en de vaste sterren meegenomen. Uit observaties en overwegingen ontstaat voor het kind geleidelijk aan het begrip van de ordening van het hemelgewelf, waaruit zich dan weer het idee van een aardbol in relatie tot de hemellichamen kan ontwikkelen. Zo wordt het gezichtsveld van de kinderen dit jaar aanzienlijk verbreed en naarmate de periode vordert, komt het gezicht van onze aarde steeds meer naar voren, continenten en oceanen vormen bepaalde figuren, de twee machtige bergketens in Amerika en Azië tekenen een groot kruis op de aarde – ijskappen, onbewoond door mensen, bedekken de polen – zeestromingen en handelsroutes verbinden steden en landen met elkaar. We prenten ons deze vorm in en leggen daarmee de basis voor veel overwegingen die ons de komende jaren bezig zullen houden. <1>

<2> Als de kinderen – zoals eerder beschreven – in de vierde klas leren zich los te maken van hun omgeving om tot het ‘beeld’ te komen, dan komt in de vragen van de zevende klas duidelijk de wens tot uiting om door het beeld heen tot begrip en inzicht te komen:

Waarom is het in Afrika warmer dan bij ons?

Is het waar dat de zon in Finland nooit ondergaat?

Waarom zijn de dagen in de zomer langer dan in de winter?

Is het in Afrika nooit winter?

Geldt in Moskou een andere tijd dan bij ons?

Wat is een datumgrens?

Wat betekent een schrikkeljaar?

Kinderen van deze leeftijd zoeken naar verbanden die ze kunnen doorgronden. Wat ze in hun directe omgeving zien, is niet meer voldoende. Observaties, die ze misschien al veel eerder hebben gedaan, willen nu worden verklaard, omdat kinderen aanvoelen dat mensen in staat zijn om ook datgene te onderzoeken en te begrijpen wat ze niet kunnen zien. Er gaat een groot gebied van nieuwe innerlijke ontdekkingen open! Dag na dag wordt deze kracht nu geoefend door nauwkeurig te observeren en de juiste verbanden te leggen om de antwoorden op de vragen te vinden: geldt in Moskou een andere tijd dan bij ons? Ja, hoe zit dat precies?

We stellen ons de aarde voor terwijl ze ronddraait. De ene helft wordt altijd door de zon beschenen, de andere helft ligt in het donker; sommige mensen hebben dag, andere nacht. Als het stukje aarde waarop we leven zich nu naar de zon toe draait, verschijnt de zon voor ons in het oosten boven de horizon, het is zonsopgang. ’s Middags zijn we het dichtst bij de zon, die hoog aan de hemel staat en fel en warm schijnt. Daarna verwijderen we ons langzaam van de zon, die voor ons in het westen ondergaat. Eerst wordt het schemerig, daarna donker. Als we het verst van de zon verwijderd zijn, is het voor ons middernacht. We richten onze tijd dus op de zon en als de Russen, de Engelsen, ja, alle mensen dat ook doen, moeten de klokken op aarde natuurlijk verschillende tijden aangeven!

Uit de observaties en beelden die we hebben gekoppeld, komt een wet naar voren die voor iedereen die aandachtig heeft gevolgd, duidelijk is. Het antwoord ligt duidelijk en helder voor ons innerlijke oog; en op dezelfde manier kunnen, onder begeleiding van de leraar, de antwoorden op vele andere vragen worden gezocht en gevonden.

Dan volgt een pauze van een heel jaar. De ideeën zakken weg, de krachten worden op andere gebieden verder getraind. <2> <3>En wanneer in het achtste schooljaar de aardrijkskundeperiode begint, kan men ervan uitgaan dat de leerlingen gewend zijn geraakt aan het zien van verbanden en het correct leggen van verbanden.

Als we nu weer uitgaan van het weer, dat ons allemaal aangaat, en de eigen observaties van de leerlingen samen doornemen en met elkaar in verband brengen, kunnen we laten zien dat de winden en zeestromingen zich volgens heel bepaalde wetmatigheden over de aarde verspreiden; de leerlingen zullen begrijpen waardoor bijvoorbeeld de woestijngordel van de aarde ontstaat, of hoe bepaalde omstandigheden moeten samenkomen om een onweer te veroorzaken. Zelfs wat ons zo grillig en toevallig lijkt, ons weer, wordt geregeld door wetten die overal op aarde gelden en die we kennen en grotendeels kunnen berekenen.

Juist op deze leeftijd, rond het veertiende jaar, wanneer de jongere de instinctieve en emotionele zekerheid van zijn kindertijd verliest, kan de hoop hem bemoedigen en inspireren dat hij door juist denken een kracht zal verwerven die hem de wereld opent en nieuwe zekerheid geeft. <3>

II.

<4> Als onze leerlingen in het zevende en achtste schooljaar de aarde als geheel hebben leren kennen, een levendig beeld hebben gekregen van hoe haar oppervlak wordt gevormd door oceanen en continenten, hoe wind en weer op haar inwerken, hoe de landschapsgordels zich om haar heen uitstrekken en hoe dieren en mensen op haar leven, dan richten we ons in de twee aardrijkskundeperiodes van het negende en tiende schooljaar op de vraag hoe dit grote aardse organisme zich ontwikkelt; hoe de aarde als geheel met al haar schepselen is ontstaan.

Eerst zoeken we in het negende leerjaar alle waarnemingen op die ons vertellen over veranderingen in het aanzien van de aarde. Dan horen we bijvoorbeeld dat bij Pozzuoli drie zuilen van een tempel zijn opgegraven, waarover al in 200 v. Chr. wordt bericht. Op de zuilen zijn sporen te vinden van boorwormen, dieren die alleen in zee leven. De tempel moet dus tussen 200 v. Chr. en nu lange tijd in zee hebben gestaan. De aarde moet daarvoor minstens zes meter zijn gezakt en daarna weer zijn gestegen, zodat de kust zich overeenkomstig kon verschuiven. Iets soortgelijks horen we uit Zweden, waar vissers nu gras maaien waar ze vroeger met hun boten visten. Vervolgens bespreken we dat ook het gebied waarin we leven in hoogte verandert en dat het terrein waarop onze school staat in de komende tien jaar al enkele meters ten opzichte van het zeeoppervlak zal dalen. Wat hier in onze regio te maken heeft met de nawerkingen van de mijnbouw, laat ons op kleine schaal zien wat er op grote schaal binnen de continenten gebeurt.

De verschijnselen zijn vergelijkbaar. Net zoals er in mijnbouwgebieden verzakkingen en breukzones kunnen ontstaan die vervolgens leiden tot mijnschade, vinden we in het aardoppervlak dergelijke grote breukzones, vinden we plooien en verzakkingen. We ontdekken dat overal waar deze breukzones zich bevinden, er in het bijzonder aardbevingen of vulkanisme heerst, en we vinden als oorzaak van deze veranderingen aan het aardoppervlak krachten die vanuit het binnenste van de aarde werken.

Bij verder onderzoek komen we andere krachten tegen. Wind en weer, hitte en vorst hebben van buitenaf een veranderend effect op het aardoppervlak. We zoeken alle sporen van erosie op, we zien hoe het water zijn sporen in het aardoppervlak graaft, we ontdekken hoe verschillend de valleien zijn gevormd, die door het water en die door ijs zijn ontstaan. Wat we kunnen waarnemen aan de kleine gletsjers in onze hoge bergen, voert ons terug naar vervlogen tijden, toen grote delen van ons continent bedekt waren met ijsmassa’s, wat we kunnen zien aan de van oost naar west stromende rivieren, in de zogenaamde oerstroomdalen, maar ook in de vruchtbare grond van het Münsterland of in de granieten zwerfkeien. Verder gaan we in op de opbouw van de aardkorst, en opnieuw komt alle ervaring uit de mijnbouw ons te hulp: we zien, hoe het aardoppervlak is opgebouwd uit lagen die uit heel verschillende materialen bestaan. We zoeken naar dergelijke dwarsdoorsneden door het aardoppervlak en horen hoe ingewikkeld het soms is als door plooien iets wat dieper ligt, naar boven wordt geworpen. Ten slotte horen we nog dat nauwkeurige metingen hebben aangetoond dat de continenten niet alleen op en neer gaan, maar ook in horizontale richting naar elkaar toe en van elkaar af bewegen, en dat als gevolg van deze continentale verschuiving het aanzien van de aarde in grote tijdsperioden volledig verandert. In de loop van het tijdperk rijst steeds meer de vraag of men iets te weten kan komen over de geschiedenis van de aarde, of men kan zeggen hoe zij er vroeger uitzag, en nog vroeger, en in heel oude tijden. Tegelijkertijd hebben de leerlingen ook geleerd dat men het aanzien van de aarde kan lezen als in een boek, dat men aan de vorm van een vallei kan zien waardoor deze is ontstaan, dat men kan verklaren waarom de gesteenten op een bepaalde manier over de aarde zijn verdeeld. <4>

<5> In het tiende schooljaar horen we nu hoe de wetenschap op een geweldige manier het boek van de aardlagen heeft ontcijferd en hoe zich uit de taal van de fossielen, uit het lezen van de aardlagen, beeld voor beeld het verleden van de aarde ontvouwt. Daarbij praten we niet alleen over hoe het aardoppervlak gevormd was, maar horen we tegelijkertijd welke planten en dieren er toen leefden.

We zien hoe er in de geschiedenis van de aarde lange tijdperken zijn geweest waarin planten, dieren en gesteenten samen zijn ontstaan en zich steeds opnieuw hebben veranderd. Elke laag van de aardkorst toont ons nieuwe vormen. We zien hoe uit eenvoudige, onopvallende levende wezens steeds hogere vormen ontstaan, hoe machtige vormen ontstaan die we vandaag de dag niet meer kennen; we leren dat niet alleen de levende wezens veranderingen hebben ondergaan, maar dat ook de gesteenten en mineralen steeds nieuwe bestaansvormen hebben aangenomen, dat ze pas geleidelijk zijn gestold tot het harde gesteente van de aarde, tot de heldere kristallen en tot de aders van de ertsen. We horen hoe gebergten die veelzijdig zijn, maar qua hoogte toch onopvallend, zoals bijvoorbeeld ons Sauerland, tot de heel oude formaties van deze aarde behoren en hoe andere, die vandaag de dag heel hoog oprijzen, zoals bijvoorbeeld de Alpen, in de zin van de aardgeschiedenis heel jong moeten worden genoemd.

Nu we de aardse tijdperken hebben leren kennen in hun karakteristieke verschijningsvormen en opeenvolging, houden we ons bezig met de vraag naar de wetmatigheid die daarin heerst. Deze vraag richt zich in het bijzonder op het ontstaan van levende wezens en de mens, waarvan de uiterlijke sporen pas helemaal aan het einde in de jongste aardlagen te vinden zijn. We maken kennis met de pogingen van de menselijke geest om de sporen van de schepping te ontrafelen, de grandioze pogingen van Darwin en Haeckel om het ontstaan van de soorten te verklaren. Maar we merken ook de grenzen van deze eerste pogingen tot verklaring, die voortkwamen uit enthousiasme, vooroordelen en misvattingen. Als het dan aan het einde van een dergelijk tijdperk op basis van alle eerder beschreven observaties en alle daarmee samenhangende overwegingen mogelijk wordt om aan te tonen hoe de opeenvolgende tijdperken van de aardgeschiedenis fasen zijn van een schepping die een gemeenschappelijk doel heeft: de schepping van de mens – hoe we al in de eenvoudigste vormen het oerbeeld van het menselijk lichaam kunnen herkennen, hoe dit oerbeeld steeds meer werkelijkheid wordt in de opkomende dierfiguren, dan doet de jonge mens de ervaring op die op deze leeftijd doorslaggevend is. Het zijn grote, wijze ordeningen die zich openbaren in de scheppingsgeschiedenis van de aarde en de mens en die hij geroepen is te ontrafelen om zich in hun dienst te stellen. <5>

.

Aardrijskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Aardrijkskunde klas 5 

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3470-3267

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (103)

.
(Tekst in blauw van mij phaw)

.

Succes voorspellen kan beter met de marshmallowtest

In Trouw van 03-05-2025 schreef columnist Iris Summer onder deze titel over een psychologisch onderzoek van een 4-jarige.
Die zit aan een tafeltje met een bord voor zich waarop een grote marshmallow ligt die in geuren en kleuren wordt beschreven.
De dame bij het onderzoek zegt hem dat hij die gerust mag opeten als ze zo dadelijk tien minuten weggaat. En, wanneer hij dat niet doet, hij er nóg een krijgt.

Uit het onderzoek dat hieraan ten grondslag ligt, blijkt datkinderen die de marshmallow kunnen weerstaan, doorgaans een betere toekomst tegemoet gaan dan kinderen die hem direct verorberen. Ze hebben minder kans op verslaving, op overgewicht, op een gevangenisstraf. Ze zullen meer opleiding genieten, meer verdienen, gelukkiger en langer getrouwd zijn en zelfs langer leven. Het vergt namelijk doorzettingsvermogen om een snelle beloning uit te stellen voor een groter doel in de toekomst.’

Voor mensen die vertrouwd zijn met Steiners achtergronden voor de vrijeschoolpedagogie zal het woord ‘doorzettingsvermogen‘ onmiddellijk geassocieerd worden met ‘opvoeding/ontwikkeling van de wil.
Dat is in zekere zin het omgekeerde van ‘intellectuele ontwikkeling.

En nu gaat de column verder met de kop:

Intelligentie zegt niet zoveel

Dan volgt het verhaal van docent Angela Lee Duckworth die concludeertdat slimme kinderen het niet per se goed doen op school, en domme kinderen niet per se slecht. Het gaat om doorzettingsvermogen, dat bepaalt de uitkomst. De lange adem, dat is doorslaggevend.

Summer merkt dan op dat het onderzoek al in de jaren 1980 gedaan is en dat we eigenlijk dus allang weten dat het om doorzettingsvermogen gaat. De intelligentie staat echter nog steeds – onverdiend – op een voetstuk.
Nog altijd wordt in de doorstroomtoets bv.  getest op taal, rekenen en optioneel wereldoriëntatie. En grote bedrijven selecteren vaak op basis van IQ-testen.
Nooit wordt er getest op ‘hoelang kun je van de marshmallow afblijven’.

‘Slimmerikjes kunnen vluchtige vlinders zijn, domoortjes taaie terriërs die zich vastbijten en nooit meer loslaten.’

Verwelkom mislukking en vind uw terriër

Dan wordt er een interessante vraag gesteld naar ‘hoe we doorzettingsvermogen kunnen koesteren’.
En de ‘tips’ blijken van psychologische aard te zijn:
Miskleunen zijn geen trauma, ze zijn de beste leerschool voor succes. Je hoeft slechts één keer vaker op te staan dan te vallen. Veeg het ijs niet te glad voor je nageslacht. En til ze niet over het paard.’

Dit veronderstelt een al aanwezig doorzettingsvermogen. 
Maar het artikel rept met geen woord over een pedagogisch-didactische en methodische aanpak om doorzettingsvermogen te ontwikkelen!

Ten tweede: besef dat je brein een wonderbaarlijk orgaan is, altijd in staat om nieuwe verbindingen te maken, om nieuwe kennis op te doen. Hoe slimmer je bent, hoe sneller je leert. Maar het geeft niks als je wat langer nodig hebt om nieuwe vaardigheden te beheersen. Neem die tijd. Ook mensen met gemiddelde of beneden-gemiddelde intelligentie kunnen vrijwel alles leren, mits ze bereid zijn er voldoende tijd en moeite in te steken.

Ook dit klopt in z’n algemeenheid, maar: door de achterdeur wordt toch de kennis weer binnengehaald.

Naast deze wat ‘open-deur-adviezen’ zou het belangrijkste zijn:

Een zak marshmallows, dat is wat je nodig heeft. 

Wat er écht nodig is, is een opvoeding, een ontwikkeling van de wil.
En die wordt o.a. ontwikkeld door herhaald oefenen van bepaalde lesstof:

bv. het vormtekenen:
telkens weer proberen of je de symmetrievorm mooier kan krijgen; of het je steeds beter gaat lukken de vlechtvorm tot stand te brengen.

handwerken/handenarbeid
net zo lang doorwerken tot je brei/haakwerk, je pantoffels af zijn; telkens verder gutsen aan je lepel: mislukt het: opnieuw beginnen; lukt het, nog eindeloos afwerken met schuren, enz.

touwtjespringen, hinkelen
en maar oefenen, oefenen, oefenen tot het eindelijk lukt!

Dit zijn slechts drie voorbeelden uit de vrijeschoolpedagogie wat betreft de oefeningen van de wil, de behendigheid.
Wat de ‘nieuwe hersenwindingen’ betreft: het is toch al bekend dat die vooral ontstaan door het bezig zijn met de ledematen, m.n. de handen.

Steiner zei in 1919 al:

Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt.
GA 295/38-39   
Vertaald/38

.

De originele marshmallowstudie uit 1989: Mischel W, Shoda Y, Rodriguez MI. Delay of gratification in children. [zie hieronder bij reacties]

Meer vrijeschool over het oefenen van de wil

Menskunde en pedagogie: over de wil: [10]   over handen en intelligentie  

Rudolf Steiner over: handen en intelligentie

Algemene menskunde: 2e voordracht over de wil [2-3]

Opspattend grind: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3469-3266

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (7)

.

Erika Buris, Wanne-Eickel, Hibernia Schule, nr.1, 1968

.

Er wordt een kaart getekend

Tussen hun negende en tiende levensjaar moeten onze kinderen een belangrijke drempel overschrijden; ze krijgen een heel nieuwe relatie met hun omgeving. Een heerlijk gevoel van geborgenheid en nabijheid tot alles wat om het kind heen gebeurde, gaat verloren; daarmee ook de kracht om te leren uit het directe meeleven, uit het nadoen. Een nieuw gevoel, dat zich in de voorgaande schooljaren al aankondigde, neemt de plaats in; onze kinderen kunnen nu met innerlijke rust waarnemen, zich een beeld vormen van wat ze beleven. Daarvoor is ‘afstand’ nodig, en die afstand tot de omgeving en de gebeurtenissen daarin winnen onze kinderen nu. Maar daarbij moeten ze, zoals bij alle ontwikkelingsfasen, geholpen worden.

Een belangrijke hulp bij dit proces van afstand nemen krijgen de kinderen bij het tekenen van kaarten. Ze kunnen nu voorzichtig zo worden begeleid dat ze van het beleefde landschap – waarin ze zelf nog helemaal staan – tot het kaartbeeld komen.

Dit moet natuurlijk grondig worden voorbereid. We zijn daarbij uitgegaan van het meest voor de hand liggende, het bekende, door eerst een plattegrond van het klaslokaal te tekenen. We moesten ons voorstellen dat we er niet meer in stonden, maar op enige afstand erboven stonden en er van bovenaf op neerkeken. Voordat we begonnen met het tekenen van de plattegrond, werd er veel gemeten met voet- en staplengtes, werd de lengte in verhouding tot de breedte bekeken en werden de verkregen maten vergeleken.

We klommen toen naar een nog hoger uitkijkpunt; de kinderen wisten meteen: daar kunnen we natuurlijk meer overzien! – en er werd een plattegrond van het hele schoolgebouw en het schoolterrein getekend. Bij het maken van deze tekeningen werd duidelijk rekening gehouden met de windrichtingen, die de kinderen al in een eerdere les over lokale geschiedenis hadden geleerd. Door naar het verloop van de dag te kijken, herkenden ze namelijk het gebied van de zonsopgang eerst als ‘ochtend’ en dat van de zonsondergang als ‘avond’; ook werden middag en middernacht in relatie tot de stand van de zon gezien. De kinderen kregen zo een levensecht verband met de hele ruimte en zijn richtingen.

Bij het tekenen van het schoolterrein kwam ook de ‘schaal’ ter sprake: dat niet alleen voor dergelijke tekeningen de juiste schaal moet worden gebruikt, maar dat het ook in het leven van ieder mens belangrijk is om voor zichzelf de juiste, namelijk een hoge schaal te vinden en toe te passen voor zijn eigen daden, gedachten en gevoelens.

Om de kinderen persoonlijk te laten ervaren hoe ze het natuurlijke landschap kunnen overzien en loslaten voor het tekenen van kaarten, hebben we in deze periode een excursie gemaakt. We hebben daarvoor een gebied gekozen waar je vanaf de top van een berg in een rivierdal kunt kijken. Dat hebben we ook met veel  plezier gedaan; we ontdekten dat ons bospad een heel eind langs de kronkelende rivier liep, zodat we zelf konden wandelen wat we eerder hadden gezien. De volgende dag werd daar samen een soort plattegrond van getekend; sommige kinderen merkten toen al op: dat lijkt bijna op een kaart!

En kort daarna waagden we ons echt aan het tekenen van de eerste kaart – eerst van het kleinere gebied tussen Lippe en Ruhr, maar daarna van het grotere gebied tussen Lippe-Ruhr-Wupper-Sieg en in het westen tot aan de Rijn, dus een groot deel van Noordrijn-Westfalen, nadat dit vanuit veel verschillende gezichtspunten grondig was besproken.

Daarmee is een derde, belangrijk punt in dit vak bereikt, namelijk dat de ervaring en het beeld samensmelten tot een teken en zo een ‘schrift’ worden dat je vervolgens ook weer kan lezen. Het is in feite dezelfde weg die al met de schoolbeginners wordt bewandeld bij het leren van de letters, die ook door middel van verhalen en beelden aan het kind worden bijgebracht.

Zo kan je in grote lijnen het traject zien dat met de kinderen moet worden afgelegd om hen geleidelijk aan de noodzakelijke abstractievaardigheid bij te brengen, maar dan wel een abstractie die de grond onder de voeten niet verliest, maar nog steeds de verbinding met de werkelijkheid en met het eigen gevoel en beleven in zich heeft.

Met deze zeer beknopte beschrijving mag duidelijk zijn geworden dat we bij dit vak drie belangrijke educatieve aspecten voor ogen hebben:

1. Afstand en overzicht krijgen,

2. Maten vinden,

3. De gebarentaal zelf vormgeven en als een schrift begrijpen.

In het vijfde leerjaar gaan we over van streekkunde naar aardrijkskunde; dit gaat verder dan wat we zelf eerder konden afleggen, opmeten en bewandelen. We moeten metgezellen zoeken die ‘namens’ ons door de landen trekken: dat zijn de rivieren. Door de loop van de rivieren te volgen, overbruggen we het verschil in hoogte tussen zeeën en bergen. Zo komen we bij het dynamisch kaarttekenen. Als een levendig, pulserend netwerk van aderen wordt een land doorkruist door rivieren, aan de oevers waarvan het menselijk leven en doen zich afspeelt, kleurrijk en veelzijdig, serieus en mooi.

De leerkracht begon hier ‘in het klein’, in de klas. 
Je kan ook het principe ‘van het geheel naar de delen’ wat grootser toepassen door eerst zo hoog mogelijk te gaan staan om vandaar naar beneden te kijken. En dat kan het beste vanaf een toren. Vanaf een heel hoge – ik had het geluk dat vanaf de Martinitoren in Groningen te kunnen doen – zie je beneden de platte grond al. 
Een (latere) leuke opdracht is ook de kinderen ‘de weg van huis naar school’ te laten tekenen  (of andere varianten)- voor zover de afstand dat toelaat. 

.

Tekenen en schilderen van kaarten: Schilderen in klas 6 – 8

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeldaardrijkskunde    klas  5

.

3468-3265

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie

.

Voor haar studie euritmiedocente schreef Philia de Vries deze scriptie:

HOE KAN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND EN DE DAARMEE SAMENHANGENDE HERSENONTWIKKELING DOOR BEWEGING GESTIMULEERD WORDEN?

– Welke oefeningen helpen het kind tijdens de euritmielessen tot een gezonde verhouding van de driedimensionaliteit in zijn gestalte te komen, die ook ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de hersenen en daarmee een bodem vormen voor het leren en denken. 

Hoofdstuk 2

2.1. Deze scriptie richt zich op het vak pedagogische euritmie

In het kader van deze scriptie richt ik me op de euritmie als pedagogisch vak, de ‘pedagogische euritmie’ genoemd’.

De pedagogische euritmie, bevat na de kleuterklassen 12 jaar leer- en ontwikkelingsstof van de lagere en middelbare school, oftewel middenbouw basisschool en het voortgezet onderwijs. In deze scriptie beperkte ik me tot de leeftijd van 4-12 jaar, omdat ik daarin dit vak vanuit mijn eigen ervaringen als leerkracht en euritmievakleerkracht kan onderbouwen.
Voor de middelbare school zou een uitbreiding van deze scriptie gewenst zijn om ook de waarde in deze klassen met dit vak te onderbouwen.

2.1.1 Wat is euritmie? 

Er zijn in  de loop der jaren meerdere vormen van euritmie ontstaan, naast de euritmie als kunstvorm. Allereerst de pedagogische euritmie, later de euritmietherapie en veel later ook de sociale euritmie die ingezet kan worden in verschillende werkvelden.
Alle vinden hun bron in de oorspronkelijke euritmie zoals deze vanaf de jaren 1912 tot 1924 met Rudolf Steiner gezamenlijk vanuit de deelnemende studenten en euritmisten ontwikkeld werd.

Euritmie als vakgerichte opleiding valt in Nederland (Hogeschool Leiden) onder de categorie ‘dans’, maar een betere omschrijving is ‘bewegingskunst’. [1]

De euritmie baseert zich op waarnemingen van Rudolf Steiner, die deze bewegingskunst op vraag van Lori Smits als studente ontwikkelde tot een danskunst waar allereerst de spraakklanken, vormen in de taal en ritmen ontwikkeld werden. [2]
Later werd de muziek, de ‘tooneuritmie’, aan deze danskunst toegevoegd. [3]

Over het ontstaan van de klankgebaren die met de armen gevormd worden zegt Rudolf Steiner het volgende:

Geradeso wie es Formungen gibt des Kehlkopfes und der anderen Sprachorgane […], so gibt es die entsprechenden Bewegungen, Bewegungsformen. Diese Bewegungsformen, sie sind daher diejenige Offenbarung des Willens, für die sonst die Offenbarungen des Gedankens und des Willens, im Sprechen und Singen bestehen. Das Gedankliche, das rein abstrakte Gedankliche, das in der Sprache ist, wird hier herausgenommen, und alles, was sich aussprechen will, in die Bewegung selbst hineinversetzt; so daß die Eurythmie im weitesten Sinne eine Bewegungskunst ist.

“Zoals er formaties zijn van het strottenhoofd en de andere spraakorganen […], zo zijn er overeenkomstige bewegingen, bewegingsvormen. Deze bewegingsvormen zijn (daarom) [4] de openbaring van de wil*. Andere openbaringen van het denken en de wil bestaan uit spreken en zingen. De gedachte, (in de inhoud en de vorm van bijvoorbeeld een tekst of gedicht -PdV), de zuiver abstracte gedachte, die in taal is, zich uitspreken wil, wordt door de euritmie zichtbaar gemaakt en omgezet in de bewegingsgebaren [5] zodat euritmie in de breedste zin een bewegingskunst is.” [6]

Euritmie wordt daarom ook wel ‘zichtbare spraak’ of ‘zichtbare zang’ genoemd.

Het woord ‘euritmie’ is een Grieks woord en betekent ‘goed ritme’ of ‘harmonieus ritme’.[7] Hiermee wordt nog een diepere laag van het vak aangeduid: De euritmie sluit direct aan bij onze levenskrachtenenergie. Ze maakt niet alleen de levenskracht in taal en muziek zichtbaar, maar versterkt door het beoefenen en het kijken ernaar ook onze eigen levenskrachten. Zo wordt haar benaming van ‘goed /harmonisch ritme’ beleefbaar!

De euritmie onderscheidt ze zich daarmee als dans/bewegingskunst van enkel expressie, of bewegingen waarbij niet direct inhoud van wetmatigheden in de taal en muziek zichtbaar wordt: Als kunstzinnige representatie druk ze uit wat als een geestelijke werkelijkheid verborgen ligt in taal en muziek. 

De fysieke bewegingen, gevoed vanuit onze levenskrachten worden tot stromende, krachtige en lichte gebaren, die de fysieke zwaarte van onze bewegingen als het ware ‘optillen’. [8] [9]

Daarmee onderscheidt zich de euritmie dan ook wezenlijk van andere bewegingsvormen en is de grondslag, waarop de meerwaarde van dit pedagogische vak berust!

[1] Inleiding in de nieuwe bewegingskunst
[2] Rudolf Steiner Eurythmie als sichtbare Sprache GA 279
[3] Rudolf Steiner Eurythmie als sichtbarer Gesang GA 278
[4] het betreft hier de bewegings/klankgebaren in de euritmie waarbij de beweging gekarakteriseerd wordt als uitdrukking van de wil)
[5] zoals muziek in de euritmie zichtbaar wordt door tonen en intervallen, ritme, maat en bewegingsstijl (-PdV)
[6] In de loop der jaren zijn er naast de oorspronkelijke kunstzinnige, therapeutische en pedagogische vormen van euritmie verschillende andere vormen ontstaan, zoals beroeps-, senioren-, vitale en hygiënische euritmie.
[7]‘Harmonisch ritme’. Euritmie als bewegingskunst is gerelateerd aan de ‘levenskrachten’ . (Schoorel 2013, p. 33-47): ‘Euritmische beweging’ probeert deze levenskrachten beleefbaar en zichtbaar te maken’.
[8] Rudolf Steiner over: Zichtbaar spreken en zingen in GA 301 blz. 251, 257, 259). Vertaald
[9] 14 Rudolf Steiner over: Euritmie als bewegingskunst  in GA 305.
Vertaald

2.1.2 Wat is pedagogische euritmie en welke plek heeft dit vak binnen het vrijeschoolonderwijs?  

Vanaf het begin bij het ontstaan van de vrijeschool (Stuttgart 1919), zijn er in het leerplan twee ‘bewegingsvakken’ opgenomen: gymnastiek/sport en euritmie.

Met gymnastiek op school – voor alle leerlingen, dus jongens en meisjes – was Rudolf Steiner in zijn tijd al vooruitstrevend. Euritmie is daarnaast een onbekend vak en heeft als ‘pedagogische euritmie’ sindsdien een heel eigen plek heeft binnen het vrijschoolonderwijs en scholen die werken met mensen met een beperking. Rudolf Steiner heeft indertijd in verschillende voordrachten het belang en verschil van beide vakken in het onderwijs toegelicht! [1]

[1] Rudolf Steiner over euritmie en gymnastiek

2.1.3 Leerstof van de pedagogische euritmielessen

Het vak euritmie gebruikt in de basis de leerstof uit het leerplan (curriculum) van de vrijeschool als materiaal. [1]

Middels verhalen, gedichten en muziek ondersteunt het vak de leerstof in de klas/leerjaar en daarmee ook om de processen van het opgroeiende kind in een kunstzinnig uiten en bewegen beleefbaar te maken, waarbij tevens concentratie, vaardigheid en motoriek worden bevorderd en zowel individueel als ook de sociale vermogens van een groep/klas gestimuleerd worden.

Het vak ondersteunt zo de bewegings- en innerlijke ontwikkeling van de kinderen door de gehele schooltijd heen: om de algemene ontwikkeling die het kind doormaakt, (gebaseerd op Steiners mensbeeld) dat aan het vrijeschoolonderwijs ten grondslag ligt te begeleiden. [2] 

Op de vrijeschool staat de leervraag centraal: Kan het kind wat het ziet, hoort en oefent als leerstof niet alleen cognitief integreren, maar dit met lichaam en ziel, als vaardigheid ook innerlijk verbinden en omzetten in praktisch vormgeven? In de euritmielessen wordt de wil vanuit het actief bewegend bezig zijn met de inhoud extra geactiveerd en verdiept, maar ook het gevoel voor vormen, taal/muziek, beweging en inzicht! bevorderd.

[1] Wat is de vrijeschool, van jaar tot jaar
[2]Leerplan euritmie vrijeschool Rotterdam West

2.2 Het gebruik van pedagogische euritmie en de neurologische en sensomotorische ontwikkeling van het kind en innerlijke ontwikkeling naast de fysiologische ontwikkeling

Pedagogische euritmie gaat uit van een gezonde ontwikkeling van het kind.

Het activeert de vitaliteit die het opgroeiende kind nodig heeft, om gezond het leren aan te kunnen! Als dusdanig is de pedagogische euritmie een leerstof overschrijdend vak!

Bij een kleuter werkt dit anders dan bij een schoolgaand kind of puber!

Bij een kind in de kleuterleeftijd werken de euritmiebewegingen direct door in de fysieke organen (inclusief de vorming van de hersenen) [1]

Bij schoolkinderen worden de levenskrachten (vitaliteit) en het begripsvermogen geactiveerd. Bij een puber (middelbare school) gaat het erom dat de leerling opnieuw het ‘groeiende en veranderende lichaam’ al bewegend met zijn levenskrachten kan doordringen en zowel de aardezwaarte, als het opheffen daarvan in de ziel tot innerlijke vaardigheid wordt. Als je naar dit gegeven kijkt, wordt duidelijk dat het vak euritmie extra bijdraagt aan de neurologische en sensomotorische ontwikkeling, maar ook de psyche ondersteunt!.

[1] Rudolf Steiner: GA 224/9:  Lopen, spreken en denkenmens in relatie tot de engelenwereld. . “Werken die bewegingen […] verder tot in de hersenen […] vormende werking uitoefent.” 

2.3 Het belang van euritmie op vrijescholen en hoe deze momenteel onder druk staat .

Hieronder wordt de Nederlandse situatie van het euritmie onderwijs op de vrijescholen kort toegelicht

Vanaf de jaren ’70 in de vorige eeuw zijn er veel nieuwe basisscholen en bovenbouwscholen in Nederland bijgekomen. Deze groei zet momenteel nog steeds door, ook in de alternatieve ‘staatsvrije scholen’! 
Dit staat in schril contrast met het feit dat de laatste jaren – ondanks de deeltijdopleiding – in Nederland [1] minder mensen zijn afgestudeerd als dans- euritmiedocent dan tot in de jaren ’90 van de vorige eeuw, met toen nog 20 à 25 studenten per jaar! Hierdoor zijn op dit moment te weinig docenten die dit vak nu en in de komende jaren kunnen geven, ondanks dat de opleiding van kunstzinnige naar een pedagogische vakopleiding is omgezet! Daarom hebben niet alle scholen euritmielessen; er zijn ook ideologische en financiële overwegingen  die ervoor zorgen dat er op bepaalde scholen geen euritmie gegeven wordt.

 Sinds 2017 is er echter een groep leerkrachten/dansdocenten, die dit vak een warm hart toedragen, van start gegaan! Onder leiding van Jiri Brummans (‘stichting Dynameis’) die een eigen leerlijn heeft neergezet binnen het euritmieonderwijs, startte hij met geïnteresseerden een eigen opleiding. 

Na zijn dood in 2021, heeft zijn vrouw Lara Brummans de opleiding onder het cursusaanbod van de BVS (Begeleidingsdienst voor vrijescholen) voortgezet en hebben ook andere euritmisten zich aan deze opleiding verbonden! Omdat deze ‘studenten’ niet de ‘euritmieopleiding’ hebben voltooid, zijn ze niet gekwalificeerd als euritmist. Maar zij scholen zich verder! En sommigen van hen zijn alsnog de opleiding begonnen om hun werk ‘euritmisch’ meer handen en voeten te geven! Hun enthousiasme is heel groot voor dit vak en zo proberen zij bij te dragen aan het euritmische gat van het tekort aan pedagogische euritmisten en noemen dit ter onderscheiding euritmisch bewegingsonderwijs.

De vraag “Waarom euritmie in het onderwijs?” heeft daarom een goede onderbouwing nodig om de euritmie als vak vanzelfsprekend binnen de school te erkennen, mede omdat het nog steeds een vak is dat niet bekend is in het openbare leven buiten de school. Men heeft (meestal ) geen referentiekader  [3]. Als ouders dan het signaal krijgen dat de kinderen niet geïnteresseerd zijn in het vak en euritmie ‘stom’ vinden, dan is dat ook voor de ouders niet echt motiverend om het vak te ondersteunen, daar het vaak betaald wordt uit de extra schoolgelden die de ouders betalen en het een duur vak is omdat ook een muzikant ter begeleiding betaald moet worden. 

Waar de genoemde ‘weerstand bij de kinderen’ ligt, heeft vaak een diepere oorzaak (zie punt 2.4.)

De noodzaak om dit onderwerp goed zichtbaar te maken in de ‘leercurve’ van de kinderen op school, heeft daarom een bijzondere betekenis om het voortbestaan van het vak op vrijescholen te rechtvaardigen. 

Dit werk wil een aanpak laten zien om de toegevoegde waarde van pedagogische euritmie zichtbaarder te maken: Het belang van euritmie voor de ontwikkeling van kinderen! 

Enkele middelen om dit te doen zijn bijvoorbeeld ‘open dagen’, proeflessen, presentaties, cursussen en artikelen in de schoolkrant, [4] [5] voorstellingen en vooral gesprekken waarin de ontwikkeling van het kind centraal staat. 

De boeken van Marijke van Vuure en Audrey McAllen die voor dit werk zijn bestudeerd, geven inzichten om het onderwerp euritmie op school beter te onderbouwen

[1] Hogeschool Leiden – docent dans-euritmie

[3] A. Ehrlich: “Dus ik denk […] dat je begrippen gebruikt die een ander begrijpt […]” blz.34 in :’ Stilstaan is geen optie‘.
[4] Euritmie in de kleuterklas
[5] Achtergronden euritmie en leerplan

2.4 Voorbeeld: uit de wereld van het werk: Hoe de euritmie op scholen haar plaats kan vinden

De Vrije School Utrecht (VSU) is een zogenaamde coöperatie waarbij de leraren mede-eigenaar van de school zijn. 

Binnen de school is in 2015-2016 met behulp van opiniepeilingen een werkgroep opgericht om te onderzoeken hoe het vak euritmie beter geïntegreerd kan worden in de leerstof.

Een van de doelen was dat het vak voor de kinderen een natuurlijk onderdeel van het leerplan zou worden en niet alleen gezien wordt als ‘dat ene uur per week in het euritmielokaal’, dat los staat van wat er in de klas wordt gedaan. 

Mogelijkheden werden bekeken en suggesties gedaan om dit verder te ontwikkelen. Vorig jaar vond een proefproject plaats, waarbij de vijfde en zesde klas in twee blokken werkten – met twee keer per week euritmie [1] en aan het eind gaven beide klassen elk een presentatie. 

Een natuurlijke houding voor dit vak vanuit de school en de leerkrachten kan de weerstand van de kinderen voor euritmielessen doorbreken. Dat betekent ook dat de leerkrachten doordrongen moeten zijn van de meerwaarde van dit vak als ondersteuning van hun werk en hier door aanwezigheid waar mogelijk, waardoor de leerlingen zich ‘gezien’ voelen, maar ook zelf actief of innerlijk het vak ‘mee te dragen’. Dat je dit vak ‘wilt’ voor je leerlingen, omdat ze er zoveel aan kunnen ontwikkelen en het jouw lessen ‘ondersteunt’ qua inhoud, maar ook concentratie en vaardigheden! Ook vanuit de vakleerkrachten kan deze eenheid ontstaan, hoe ieder daarin vanuit zijn vak bijdraagt!

Deze ‘omhulling en inbedding van het vak’ binnen de school, maakt dat de leerlingen ervaren aan de volwassen dat het beoefenen van dit vak ‘zin’ heeft en onderdeel is van de school. 

Dit is een belangrijk aspect, omdat veelal de kennis en begrip voor het vak niet altijd bij de leerkrachten en het college leeft. Heel logisch dat het onbegrip en ook de eigen ‘weerstand’ dan ook doorwerkt op de leerlingen. De euritmieleerkracht werkt heel hard, maar vaak is het daardoor ‘water naar zee dragen’, het beklijft niet in de school! Dan vindt men deze vakleerkracht onbekwaam. Wat een leerkracht en school zich daarbij niet realiseren is dat een euritmie-leerkracht niet alleen met zijn ik en ziel zijn lessen vormgeeft maar ook met zijn eigen ‘levenskrachten’. Gevolg dat men dan aantijgt dat deze leerkracht niet capabel is en onvoldoende didactisch werkt en dan ook nog vaak ziek wordt!

Het mag duidelijk zijn dat dit vak dan ook niet een ‘verfraaiing van het vrijeschoolonderwijs is’, maar een wezenlijk vak, dat binnen het college en de individuele leerkrachten ‘gewild’ moet worden, ook al heb je er zelf niet zoveel mee, of vind je het zelf ‘onaangenaam’. In feite is het een vak dat ‘geestelijke vleugels’ geeft aan het vrijeschoolonderwijs en is daarom ook ‘kwetsbaar’!

Hoe zit dat bij de kinderen?

Deze weerstand komt meestal voort uit het feit  dat dit vak een beroep doet op het kind om zijn ‘eigen innerlijke capaciteit en vitaliteitzichtbaar te maken in de oefeningen!

Een situatie waarin ze kwetsbaar zijn, vooral in deze tijd waarin het dagelijkse ritme verdwijnt uit de cultuur van leven en werk en de uiterlijke verschijning van dingen en mensen in het middelpunt staan.

Het feit dat de kinderen de concentratie- en behendigheidsoefeningen met plezier doen, helpt hen deze weerstand te overwinnen die ze hebben als ze zich goed zich innerlijk met hun lichaam moeten verbinden bij het oefenen. 

Het valt op dat de kinderen die behendig bewegen tijdens atletiek, capoeira of skateboarden vaak de grootste moeite hebben om zich innerlijk te verbinden. Hun bewegingsvermogen ligt in het beheersen van de spieren, maar daarbij komt niet altijd hun innerlijk gevoel mee. Hun houding is ook vaak wat koppig opdat ze hun innerlijk en het daarin niet vaardig zijn (maar zelfs onhandig zijn) niet hoeven te laten zien. Hun ‘vertrouwen’ moet zich op een andere manier opbouwen en dat doet (innerlijk) ‘pijn’!

Deze ‘pijn’ is een realiteit in de ervaring, maar soms moet je als volwassenen ook door die weerstand heen kijken en leerlingen kunnen dat soms bij elkaar ook!

Als een ouder uit de zesde klas ons vertelt dat hun kind net heeft gezegd dat hij of zij grappige dingen doet in de euritmieles (terwijl de werkhouding van het kind allesbehalve inspirerend is) omdat het altijd afleidt en daardoor storend is), dan moet je soms op een speciale manier kijken om te herkennen dat het kind zich ontwikkelt door het aangeboden materiaal.

Opvallend is altijd weer dat de aanwijzingen van Rudolf Steiner (vooral voor de zesde klas) altijd met rustige aandacht moeten worden uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn: de evolutievorm, de halleluja-kroonvorm en het octaafgebaar.

Het leren ‘doordringen’ van je eigen bewegingen is een leerschool op zich. Maar ook een uitdaging! Waar lukt het? Daar waar het lukt, zie je hoe de eigen wezenskern van het kind samenvalt met de bewegingen. Bij de kleuters noemen we dat hij/zij kan toveren’. Maar dat is ook reëel een magisch moment! Je houdt als het ware als je dit ziet even je ‘adem in’, maar leerlingen zelf kunnen dit ook ervaren! Het gaat er nooit en te nimmer om dat ze een ‘euritmist’ worden, maar een kunstenaar die even zijn eigen essentie weet te pakken door het middel van beweging! Hij mag het allemaal ook weer vergeten, of toch wegzetten als een vak dat moeizaam is en niet leuk, maar dat is omdat het ook meer dan welk vak je confronteert met je eigenheid. Mogelijk dat later in het leven in het innerlijk dit als krachtbron helpt om het leven vorm te geven of in een verandering te vertrouwen op de eigen kern!

Dit is de essentie van het vak en vraagt om nieuwe impulsen en moedige leerkrachten die met hun leerlingen ‘in beweging durven te komen’ en al meeluisterend weten wat zijn moeten inzetten om de leerling(en) te begeleiden op hun ontwikkelingsweg! 

Helaas is het vak de laatste 50 jaar soms zo op scholen gegeven dat de leerlingen een zekere ‘vormdwang’ ervoeren in de euritmie. Dat heeft er toe geleid dat velen naderhand nog steeds als volwassenen het vak maar ‘stom’ vinden. De euritmisten waren er m.i. onvoldoende van doordrongen dat juist bij dit vak niet het gekund zijn voorop staat, maar bij het kunnen de ‘eigen wil ‘ gewekt moet worden. Dat kan alleen vanuit een zekere ‘vrijheid’ waarbij ook de leerkracht zelf zijn ‘bevlogenheid’ voor het vak uitstraalt!

Een versterkende factor om de euritmieleerkracht ook anders beleefbaar te maken voor de leerlingen, was een aanwijzing van Rudolf Steiner (?) dat deze leerkracht ook nog een ander vak in de school gaf. Tot in de jaren ’80 van de vorige eeuw was dit een ‘logische traditie’, waardoor de euritmist in de school een bredere basis had! Het vak euritmie kwam daarmee niet in een ‘eenzijdigheid’ als waar het nu vaak in terecht is gekomen! Aan de scholen, colleges en leerkrachten de opdracht om binnen hun school een vorm te vinden waarin de euritmie kan ‘gedijen’ en daarmee ook als vak in het curriculum, want het vak heeft ook naar de toekomst toe ‘veel te bieden’ wat de vrijeschool tot een echte ‘vrijeschool’ maakt.
In Duitsland kreeg de vrijeschool bij de oprichting in 1919 de naam Waldorf, de naam van de fabriek van de oorspronkelijke initiator, de directeur Emil Molt, van de Waldorf Astoria Fabriek te Stuttgart. Steiner noemde de school Freie Waldorfschule met een verwijzing in ‘Freie’ naar wat de school, als onderdeel van het vrije geestesleven zou moeten zijn: vrij van iedere staatsbemoeienis. Alleen dat is een voorwaarde dat leerlingen kunnen ‘opgroeien tot een vrij mens’, d.w.z. dat de leerling vertrouwen heeft in zijn eigen autonomie en al zoekende in het leven daar ‘vorm’ aan leert geven! 

Het vak euritmie binnen de school kan daar wel beschouwd juist fundamenteel aan bijdragen! Daarom de ijver van Rudolf Steiner om middels voordrachten, ouders en leerkrachten te overtuigen van de ‘kwaliteit ‘van dit vak op de Waldorf/vrijeschool! Deze scriptie wil er een pleidooi voor zijn, de ogen te openen voor dit ‘bijzondere vak’. [2]

{1] In Nederland is het niet op alle scholen gebruikelijk om vanaf leerjaar 4 twee keer per week euritmie te geven. Het ritme van 2x per week is dynamischer, waardoor de euritmie beter in het levenskrachtenorganisme van de leerling werkzaam kan zijn.

[2] Francoise Verhagen beschreef en onderzocht de situatie van het euritmieonderwijs bij het Noord-Hollandse ‘Ithaka’: een samenwerkingsverband van vrijescholen. Stilstaan is geen optie_Francoise Verhagen) (17-8-2017). 

.

Euritmie: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: handen en intelligentie

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: euritmische klankfiguren

.

3467-3264

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – ………………………

.

auschwitz

.

gaza

Ik plaatste deze afbeeldingen ook op Facebook. Daar werden ze onder de noemer ‘aanstootgevend’ verwijderd!

Rudolf Steiner: Het kind met eerbied ontvangen, in liefde opvoeden, tot het in vrijheid zijn weg kan gaan.

.

3487-3282

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – Geschiedenis – Egypte (2-3/3)

.

Om de geschiedenis van een cultuur boeiend te kunnen brengen, moet je als leerkracht veel lezen. Je weet dat je daar maar een deel van kan gebruiken.
Het gaat er met dit artikel ook niet om dat je met de leerlingen ‘de vraagstukken’ doorneemt. Veel meer om de verwondering te wekken voor – hier de piramide van Cheops – de bedoeling en uitdrukking van zo’n bouwwerk.
.

Mark Mastenbroek, Jonas, nadere gegevens onbekend
.

Een drama van kosmische afmetingen
.

Vormen de piramiden een afspiegeling van de hemel op aarde, zoals onderzoekers ons willen doen geloven? De nieuwe theorie over de functie van de zogenaamde ‘ventilatie-schachten’ in de piramide van Cheops past in ieder geval wonderwel in dit beeld.

Piramiden zijn anders dan je denkt. Wie verwacht te worden verpletterd door hun formaat, zal bij zijn eerste bezoek aan Gizeh, de voorstad van Cairo waar de drie grootste piramiden te vinden zijn, wellicht teleurgesteld raken door die ogenschijnlijk heel gewone bergen van steen. Ze lijken soms eerder een natuurverschijnsel dan mensenwerk. Een ander zal, wanneer hij tussen de grijs-bestofte palmen van het laagland opeens hun silhouet ontwaart, maar één behoefte voelen: zich ter aarde te storten. Niet alleen vanwege hun ontzagwekkende formaat, maar misschien nog wel eerder vanwege iets in hun vorm en uitstraling, waar eigenlijk geen woorden voor te vinden zijn. Kortom, de eerste monumentale bouwwerken die de mensheid rond 2500 voor Christus schiep, onttrekken zich voortdurend aan ons voorstellingsvermogen. De ene keer moet je moeite doen om je te realiseren dat de piramide van Cheops wel degelijk honderdvijftig meter hoog is, de andere keer zijn de 2,5 miljoen stenen van Cheops met een gemiddeld gewicht van 2,6 ton (waarmee je een flinke muur om heel Frankrijk zou kunnen bouwen) niet genoeg om de ware dimensie recht te doen, die je in de nabijheid van dit wereldwonder ervaart.

Daar komt nog bij dat de reuzen van Gizeh de onderzoekers bij voortduring voor raadsels plaatsen. Het is namelijk onmogelijk dat men met de toen geldende technische middelen dergelijke complexen kan hebben gerealiseerd. Bovendien staat een piramide nooit op zichzelf, maar torent majesteitelijk uit boven een ommuurd complex met aanlegsteigers, verhoogde wegen, vele tempels, in de grond neergelaten schepen, talloze grafmonumenten, een reusachtige sfinx en een aantal bijpiramiden. Zelfs in ons tijdperk van hoogontwikkelde technologie zou zoiets een megaproject zijn. Niet alleen op het gebied van planning en organisatie, maar ook op het gebied van technische precisie en verfijning. Stenen van meer dan vijftien ton per stuk, uitgehouwen in een steengroeve op 700 kilometer afstand aan de overzijde van de Nijl, zijn hoog in de piramide geplaatst met een precisie waar letterlijk geen speld tussen te steken valt. Hoe doe je dat?

Met bonzend hart zwoeg ik omhoog door de zogenaamde Grote Galerij van Cheops, die even plotseling begint als eindigt, en kijk terloops even naar mijn handen. Veel meer dan de eigen spierkracht en zachte bronzen beitels hadden de Egyptenaren niet tot hun beschikking. Er was geen staal, geen ijzer, geen katrol en geen wiel. Om nog te zwijgen van de gecomputeriseerde diamantzagen en lasers die voor ons onontbeerlijk zouden zijn om stenen zo glad te maken. Boven je torent de ruimte als in een kathedraal. Eén ding is zeker. Dit bouwwerk maakt korte metten met onze logica. Het getuigt van een principieel ander systeem van natuurwetten, zekerheden en mogelijkheden dan het onze. In tegenstelling tot wat sommige populair-wetenschappelijke boekjes met tekeningen van het bouwproces ons willen doen geloven, staan we oog in oog met een wonder.

Djedefra

Op de een of andere manier lijkt het wel alsof heel de mensheid betrokken is bij het geheim van de piramiden. Alsof ieder van ons stilletjes zit te wachten op de onthulling van een mysterie dat hem persoonlijk aangaat. Vandaar wellicht de commotie die al enige tijd op mondiale schaal gaande is over de publicatie van Robert Bauval en Adrian Gilbert. Van dit boek is onlangs een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Het Orion Mysterie. Gilbert en Bauval hebben in veel opzichten baanbrekend werk verricht. Om te beginnen is het hen gelukt om in hun onderzoek naar de piramide van Cheops en zijn tijdgenoten een aantal wetenschappelijke disciplines te verenigen, die doorgaans gescheiden van elkaar opereren. Egyptologen houden astronomen op gepaste afstand omdat zij geen zin hebben om zich met sterren bezig te houden. Archeologen vinden egyptologen weer snel onwetenschappelijk en taalwetenschappers vormen op hun beurt een wereld apart, net als de technocraten die laser-gestuurde minivoertuigjes door smalle schachten laten rijden.

Het boek, dat als een wetenschappelijke verhandeling te lezen valt, maar ook de kwaliteit van een detectiveroman bezit, is vooral gebaseerd op teksten uit Egypte zelf. Dat lijkt nogal voor de hand liggend. Maar al snel ontdekten de auteurs in hun aanvankelijke, amateuristische gedrevenheid dat zij in dit onderzoek voor een muur stonden, die bijna even ondoordringbaar was ais de piramiden zelf. Want de meest eminente egyptoloog die deze eeuw heeft voortgebracht -professor Breasted-heeft hieromtrent reeds in 1912 een barrière opgeworpen, die in de wetenschappelijke praktijk nauwelijks te nemen valt zonder gezichtsverlies. Hij omschreef de piramideteksten steeds als “bijgelovige bezweringsformules, meer niet”. Dankzij zijn Bijbelse oriëntatie kon men volgens Breasted pas bij de teksten van de ketterse farao Echnaton (ca. 1350 voor Christus), in wiens Aton-religie hij een voorloper van het christendom zag, spreken van een coherente inhoud. Vanuit de overtuiging dat een cultuur die bouwwerken als de piramiden weet te realiseren, misschien toch ook teksten produceert die op zijn minst ergens op slaan, kwamen Bauval en Gilbert tot de ontdekking dat de Egyptenaren zelf hun piramiden steeds weer in samenhang brachten met sterren.

De reusachtige piramiden van de vierde dynastie (ca. 2500 voor Christus) zoals Cheops, zijn echter ‘stom’. We vinden pas teksten in grafkamers van de kleinere piramiden uit de vijfde dynastie, zoals die van Ounas (Jonas) te Sakkara. Al snel bleek dat Gilbert en Bauval niet de enigen waren die stonden te dringen voor de barrière van Breasted. Diverse egyptologen en taalwetenschappers hadden reeds in alle voorzichtigheid geopperd dat de teksten uit de latere piramiden van de vijfde dynastie een inhoud weergaven die op veel oudere originelen teruggreep. Er wordt in diverse papyri geciteerd uit bronnen van eerder datum. Daarbij komen ook bestaande piramiden ter sprake, zoals die van de farao’s Nebka en Djedefra uit de vierde dynastie. We lezen bijvoorbeeld: “(De piramide van farao) Nebka is een ster.” Of: “Djedefra is een Sehetoe-ster.” Sehetoe betekende: ster van de Doeat, ofwel het nachtelijk uitspansel waarin de dode zielen tot sterren waren geworden. In een papyrusfragment dat bekend staat als Spreuk 600 lezen we een opdracht voor een nieuwe koning. Iedere farao werd tijdens zijn leven beschouwd als de verpersoonlijking van de god Horus op aarde. Horus was de op wonderbaarlijke wijze verwekte zoon van de god Osiris en zijn gemalin Isis. In Spreuk 600 wordt een nieuw gekozen farao opgeroepen om naar de piramidevelden te gaan. Er staat: “O Horus, de (gestorven) koning is Osiris, deze piramide is Osiris, dit bouwwerk van hem is Osiris, begeef u daarheen. ’’ De piramiden werden dus beschouwd ais sterren, maar ook verpersoonlijkten zij Osiris. Deze centrale god van de Egyptische mythologie was na zijn tragische dood door moordenaarshand de heer van het dodenrijk geworden. Heel de Egyptische cultuur was sindsdien gericht op de dodencultus. Elke farao die tijdens zijn leven de titel Horus droeg, werd na de dood één met de geliefde Osiris. Kennelijk vervulde de piramide -die immers ook Osiris genoemd werd- een centrale rol bij die eenwording.

Verpletterend schouwspel

Aan de rand van de woestijn, op een plek waar even geen straatverlichting of ander neon in de omgeving is, kan je er nog een vermoeden van krijgen hoe verpletterend het schouwspel van de nachtelijke sterrenhemel hier in de oudheid geweest moet zijn. Wanneer je je een beetje in het verleden probeert te verplaatsen, dan doemen er in oud-Egypte enkele monumentale karakteristieken op die het bestaan bepalen. Het land biedt 2000 kilometer lang hetzelfde beeld: de Nijl, geflankeerd door een smalle strook vruchtbare grond en daarbuiten de woestijn onder de kraakheldere lucht. Een woestijn die het land ook grondig isoleert van de rest van de wereld. Hier maakt het een formidabel verschil of het dag is of nacht. Het leven speelt zich tussen die twee realiteiten af. De wereld is te onderscheiden in hemel en aarde. Voor de mens zijn er slechts twee vormen van bestaan: leven en dood. Het is in een land als Egypte ook haast vanzelfsprekend dat men in de Melkweg, die de inktzwarte hemel met al die flonkerende sterren als een rivier doorsnijdt, de hemelse Nijl herkent. Zo boven, zo beneden, ‘s Nachts staan we oog in oog met de majesteit van de doden, die in de Doeat leven aan de oevers van de hemelse Nijl als sterren. En uiteindelijk rest natuurlijk de vraag: hoe maak je de grote sprong van hier naar ginds? Hoe word je een Osiris? Volgens Bauval en Gilbert gebeurde dat in Egypte door een afspiegeling van de hemel op aarde te realiseren. Zij ontdekten dat de plaatsing van de piramiden uit de vierde dynastie exact overeenkomt met de toenmalige configuratie van de sterren van het sterrebeeid Orion. Orion werd in de Egyptische inwijdingsplaatsen beschouwd als het oord waar Osiris vertoefde. Ook de grootte van de diverse piramiden komt precies overeen met de lichtintensiteit van de sterren uit Orion waarmee ze corresponderen.

Die ontdekking is revolutionair, maar vanuit de Egyptische dodencultuur heel aannemelijk. Het betekent bovendien dat de piramiden met hun bijgebouwen geen afzonderlijke monumenten waren, maar onderdeel vormden van een masterplan. Een reusachtig plan om Orion als het ware te herscheppen op aarde. Zonder de hulp van telescopen, satellieten of een computerprogramma als Skyglobe dat het ons nu mogelijk maakt om de toenmalige configuratie van Orion in beeld te brengen. Want niet alleen veranderen sterren op eigen gelegenheid geleidelijk van plaats, ook de ritmische schommelingen in de stand van de aardas zorgen voor variaties in de hoogte die sterren in de loop van de eeuwen aan de hemel kunnen bereiken. Ook de Egyptenaren waren trouwens op de hoogte van deze minimale veranderingen aan de sterrenhemel die zich over eeuwen uitstrekken.

Ventilatiekanalen

Minstens even spectaculair is de suggestie van Gilbert en Bauval dat de smalle schachten in de piramide van Cheops, die lange tijd als ventilatiekanalen werden beschouwd, een rol hebben gespeeld bij het ceremonieel dat zich daar voltrok. De belangrijkste ‘kamers’ in de piramide van Cheops zijn de zogenaamde koninginnenkamer en de koningskamer waarin men de (lege) sarcofaag aantrof. Vanuit beide ‘kamers’ lopen kanalen schuin omhoog. Het op afstand bestuurbare robotachtige voertuigje Oepoeaut 2, dat in 1993 met een camera door de smalle schachten omhoogsnorde, nam hier de laatste twijfels weg. De schachten bleken rond het jaar 2450 voor Christus exact georiënteerd op Orion (Osiris) en Sirius (Isis). De noordelijke kanalen stonden gericht op de ster uit het circumpolaire gebied die toen de Poolster was: Alpha Draconis. Kennelijk werd de ziel van de dode via deze doorgangen op de een of andere manier geleid naar de Doeat. De Poolster en het gebied daaromheen was vanouds het rijk van Thoëris, de god die een paal of dukdalf aan de hemel had geslagen als een houvast, opdat de ziel niet zijn oriëntatie zou verliezen. Het is niet ondenkbaar, dat de mummie van de farao voor die schacht werd geplaatst om de ziel een eerste oriëntatie te bieden op de wereld van de sterren. Op een vooraf bepaald moment in het sterrenjaar zou de mummie vervolgens verplaatst kunnen zijn en naar het zuiden gericht. In Orion werd de gestorven farao dan tot een sterrenziel .tijdens het ritueel van de mondopening dat zich wellicht voor de betreffende schacht voltrok. Een rituele tekst roept de gestorvene toe tijdens de mondopening: “Uw gelaat is gewassen, uw tranen zijn afgeveegd, uw mond is opengesneden met ijzeren vingers.” In de Doeat kreeg de farao als een nieuwe Osiris aldus zijn stem terug om de magische spreuken ten gehore te kunnen brengen die hem zijn rechtmatige plaats tussen de gestorvenen konden doen innemen. Maar eenmaal tot een Osiris geworden, had de dode farao nog een missie waar heel de voortgang van de Egyptische cultuur van afhing. Hij moest een nieuwe Horus verwekken, die op aarde zijn rechtmatige taak zou voortzetten en die als bij Osiris zijn dood zou wreken op de machten van het kwaad. Voor de schacht die naar Sirius wees zou, getrouw aan de mythologie heel goed een ritueel hebben kunnen plaatsvinden, dat te omschrijven valt als een onbevlekte ontvangenis. Zoals dat eens volgens de mythologie met de dode Osiris was gebeurd, werd de gestorvene met een kunstmatige fallus getooid en bevruchtte zo langs magische weg zijn gemalin in de sterren. Negen maanden later ‘wezen’ de sterren dan de nieuwe Horus aan, die ais het ware incarneerde in zijn opvolger.

Nog steeds heeft het toerisme in Egypte zich niet hersteld van de angst voor aanslagen van fundamentalisten. Het is januari 1995 en ik sta, temidden van vrijwel verlaten piramidevelden, alleen in de kalkstenen koninginnenkamer van Cheops. De schachten, waarvan de uiteinden er nu een beetje onooglijk uitzien. liepen oorspronkelijk niet door tot in dé ‘kamer’ zelf, maar hielden enkele centimeters vóór deze ruimte halt. Onderzoekers uit de vorige eeuw hebben de toegangen ontdekt en opengehakt. Toch kun je ook nu niet door die kanalen van 20 x 20 centimeter direct naar de sterren kijken. Eerst lopen ze een stukje horizontaal, en dan pas schieten ze in de richting van hun toenmalige doel. Bovendien eindigen niet alle schachten in de open lucht. Het robotwagentje dat gebruikt werd bij het onderzoek van de gangen, stuitte in één van die kanalen op een valdeur met twee koperen handgreepjes. Dit was de meest sensationele vondst van heel het onderzoek. Bevindt zich achter die kleine deur een geheime kamer? Kennelijk, want het robotkarretje zond laserstralen uit die onderaan de valdeur uit het zicht verdwenen in een kier. Er bevindt zich daarachter dus op zijn minst een open ruimte. En wat is daar te vinden? Staat er een Ka-beeld van de farao naar de sterren te turen of zit er een piramidevormig stuk meteorietijzer in? Ook dat laatste is niet ondenkbaar. Dergelijke brokken meteorietijzer, die de Egyptenaren ais het sperma van de goden beschouwden, werden Benben genoemd, wat zoveel betekent als ‘lichtuitwerper’. Het mystieke beeld van de Phoenix, de vuurvogel die herrijst uit zijn eigen as, is vermoedelijk aan deze voorwerpen ontleend. Het meest heilige object uit de prehistorische tijd van Egypte, de Benben van de zonnetempel te Heliopolis, was in de periode van Cheops reeds zoek. Staat die soms hier? Speculeren is verleidelijk. Ook Bauval en Gilbert ontkomen er niet aan, maar vergeten in hun boek te vermelden waar vooronderstellingen in het spel zijn en waar niet.

Nieuwe vragen

In de koninginnenkamer van Cheops staande, is er niets dat houvast biedt omtrent het verleden. Wat zich hier werkelijk voltrokken heeft lijkt allang weggevlucht naar sterren die wij zelfs met een telescoop niet meer kunnen traceren. De ontdekkingen van Bauval en Gilbert roepen nieuwe vragen op, die zich voegen bij de veie onopgeloste kwesties die er rond de piramiden wel altijd zullen blijven. De enige nieuwe gedachte die zich opdringt is, dat we hier misschien wel oog in oog staan met een vreselijke mislukking. Zijn de ontzagwekkende piramiden soms de getuigen van een drama van kosmische afmetingen?

Wanneer men ooit met behulp van piramiden een afspiegeling van de hemel op aarde wilde maken, had Egypte eigenlijk bezaaid moeten zijn met piramiden. Maar dat is slechts zeer ten dele gebeurd. Voortgaande onderzoekingen van Bauval en Gilbert tonen aan dat de posities van latere piramiden, evenals de enkele piramiden uit de derde dynastie, overeenkomen met hemellichamen van andere sterrenbeelden. Maar zelfs binnen de vierde dynastie is het Cheops en zijn directe opvolgers niet gelukt om het sterrenbeeld Orion compleet te maken. In dat geval hadden er twee piramiden moeten worden toegevoegd aan de vijf’ die er nu staan. Zijn die resterende twee soms vernietigd? Het zou een interessant studieobject zijn, want we weten dankzij Skyglobe precies waar ze zich zouden moeten bevinden. Of is men daar niet aan toegekomen? De vijfde dynastie, die op Cheops en zijn tijdgenoten volgde, plaatste wel degelijk nieuwe piramiden, maar die tonen in vergelijking met hun illustere voorgangers een smadelijk verval. Technisch kunnen zij niet aan hun voorlopers tippen, je moet een piramide waanzinnig nauwkeurig in elkaar zetten, wil hij na 4500 jaar nog overeind staan. Dat is in de derde en vierde dynastie dan ook op wonderbaarlijke wijze gebeurd. En je zou mogen verwachten dat er na de eerste monumentale bouwwerken die de mensheid oprichtte, een opgaande lijn zou ontstaan. Al die nakomelingen zijn momenteel echter niet meer dan ruïneuze zandhopen in de woestijn. En met de zesde dynastie is het einde in zicht. Hoe en waarom ging die kennis verloren? Welke worm knaagde aan dit verheven concept? Is het al te gewaagd om te veronderstellen dat de wereld er anders zou hebben uitgezien wanneer het grote wonder van de vierde dynastie was voltooid en in volgende generaties nog tot nieuwe hoogtepunten had geleid? Waren de toverkunsten volgens welke deze bouwwerken zijn ontstaan, dan blijvend op aarde gevestigd? Was de muur tussen levenden en doden transparant gebleven?

De koningskamer van Cheops is van zwart graniet. Ook hier sta ik alleen en pijnig mijn voorstellingsvermogen om te bevatten wat niet te bevatten is. Maar ditmaal word ik toch gestoord. Al zijn er dan geen toeristen in de buurt, in dit geval neemt de Egyptische jeugd hun plaats in. Met denderend lawaai komt een groepje tieners uit de voorstad van Cairo door de nauwe gang de heilige ruimte binnengeschoten. Explosieve jongens van een jaar of dertien met stijf gefixeerde schouders als kwamen zij juist uit de boksring, lopen zinloos van de ene hoek naar de andere. Temidden van het quasi-stoere geschreeuw wordt een rotje afgestoken. De knal kaatst duizendvoudig door de zwarte ruimte waar Cheops tot een ster werd herschapen. 

Het Orion Mysterie Robert Bauval en Adrian Gilbert. Uitg. Fibula

.

5e klas geschiedenisalle artikelen     

5e klasalle artikelen 

Geschiedenisalle artikelen 

Vrijeschool in beeld5e klas geschiedenis

.

3466-3263

.

.

.