VRIJESCHOOL – Kind en etherlijf – alle artikelen

.

[2-1] Het etherlijf in de ontwikkeling van een kind
Pieter HA Witvliet
n.a.v. Stefan Leber over: kind tussen geboorte en tandenwisseling; etherlijf; gewaarwording en waarnemen; relatie met lagere en hogere gevoelens; (teveel aan) indrukken.

[2-1/1] Het etherlijf in de ontwikkeling van een kind 
Pieter HA Witvliet n.a.v. Stefan Leber over: oefenen van het waarnemen; zintuigen; praktische voorbeelden.

[2-2] Het etherlijf in de ontwikkeling van een kind
Pieter HA Witvliet
n.a.v. Stefan Leber: over interactie gewaarwordingsziel – etherlijf; geheugen; herinneren; wekken van interesse: praktisch voorbeeld voor het flegmatisch temperament.

[2-3] Het etherlijf in de ontwikkeling van een kind
Pieter HA Witvliet n.a.v. Stefan Leber over: etherlijf: o.a. herhaling van de ouders, vormkrachtenlijf, ‘architect’, drager van geheugen; ziel; gewaarwordingen; Pavlov; tandenwisseling; schoolrijpheid; het schoolkind; leren; geheugen en herinnering.

[2-4] Het etherlijf in de ontwikkeling van een kind
Pieter HA Witvliet
n.a.v. Stefan Leber over: Toelichting bij ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’; ‘nee’-zeggen; etherlijf; geheugen; tijd en temperament; kracht van het Ik
.

Antroposofie een inspiratie: over het etherlijf  [1]   [2] 

Het etherlichaam als instrument: boekbespreking

Over het element water:
Levenselement water  [1]  [2]

.

Menskunde en pedagogiek: alle artikelen 

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

824-758

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-3)

.

Gebruikte Steiner de biogenetische grondwet van Ernst Haeckel om daarmee het vrijeschoolleerplan vorm te geven, was de vraag in deel 1 van dit onderwerp.

Ik citeerde Steiner daarover – zij het wat summier.

Hier de vrijwel volledige opmerkingen uit GA 301:

Steiner:
‘Er is gevraagd hoe de ontwikkeling van het kind, zoals ik die geprobeerd heb te schetsen, van het kind tot het 7e, dan tot het 14e, 15e jaar, zich verhoudt tot dat wat uit de biogenetische grondwet van Ernst Haeckel blijkt.
U weet dat deze biogenetische grondwet zegt, voor de uiterlijke natuurwetenschappelijke zienswijze, dat zich, wanneer we bij de mens blijven, in de ontwikkeling van het menselijke embryo, de evolutionaire lijn zich herhaalt, dat dus de ontogenese een herhaling is van de fylogenese. De mens is gedurende de tijd vanaf de conceptie tot aan de geboorte stap na stap in een zodanige ontwikkeling dat hij de verschillende diervormen, van de ongecompliceerde tot de gecompliceerdere, doorloopt tot hij mens is.

Deze voor de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing uiterst belangrijke wet – ik ken de uitzonderingen, de grenzen, heel goed – maar juist degene die deze kent, moet het een zeer belangrijke natuurwetenschappelijke wet noemen – die heeft men nu geprobeerd, ook op de ontwikkeling van de geest en de ziel van de individuele mens in verhouding tot de hele mensheid toe te passen.

Men is daardoor in verkeerd vaarwater terechtgekomen.

Waardoor zou je een parallel kunnen trekken tussen de ontwikkeling van de menselijke ziel en geest en tussen deze biogenetische wet? Toch alleen dan, wanneer je zou kunnen zeggen:

Het kleine kind, wanneer het zijn aardse loopbaan begint, maakt dus oertoestanden van het mensengeslacht door. Wordt het groter, dan maakt het toestanden door van latere ontwikkelingsfasen van de mensheid enz. De ontwikkeling van het kind herhaalt de ontwikkeling van heel het geslacht mens. Zoiets kun je als een fantasieproduct formuleren, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid; pas de geesteswetenschap is in staat op dit gebied de werkelijkheid te benaderen.

Wanneer je het menselijk embryo volgt vanaf de eerste, tweede, derde week voor zover men dit tegenwoordig al kan, tot het helemaal volgroeid is – dan zie je daar de aanduidingen van de op elkaar volgende, steeds volmaakter wordende vormen, vissengestalte enz. Wanneer je daarentegen bij het kind de eerste jaren van zijn ontwikkeling waarneemt, zie je niets van een herhaling van een of andere oertoestand van de mensheidsontwikkeling. Dan moet je wat met krachten en processen voor je uit zitten te dromen, wanneer je zoiets wilt vinden. Het was een mooie droom, toen mensen, zoals de pedagoog Wolf en anderen, opperden dat kinderen op een bepaalde manier de tijd van de wilde barbaren doormaken en dan bij de jongens een bepaalde tijd waarin ze de Perzische cultuur doormaken, enz. Mooie, dichterlijke beelden kunnen ontstaan, maar het blijft onzin, want tegenover zo’n schildering staat zeker geen echte werkelijkheid! Je moet in staat zijn om het menselijk leven in zijn volle werkelijkheid te overzien, wil je de voor de biogenetische grondwet een daartegenover passende component voor geest en ziel vinden.[1]

[1] GA 301/65   
Op deze blog vertaald/65

Meer over het leerplan en Haeckel:

[1] Staat Haeckels biogenetische grondwet model voor het leerplan van de vrijeschool
[2] Een antwoord daarop uit GA 297
[4] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 297
[5] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 301
[6] Het gevaar van speculeren bij het doorgronden van het leerplan en ontwikkelingsfasen van de mensheid
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

 

823-758

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-2)

.

Gebruikte Steiner de biogenetische grondwet van Ernst Haeckel om daarmee het vrijeschoolleerplan vorm te geven, was de vraag in deel 1 van dit onderwerp.

Ik citeerde Steiner daarover – zij het wat summier.

Hier de vrijwel volledige opmerkingen uit GA 297:

‘De wetenschap is trots op haar methode van empirie en waarneming. En deze methoden hebben op natuurwetenschappelijk gebied tot grote triomfen geleid. Maar op de keeper beschouwd hebben heden ten dage nog al wat mensen die zich betrokken voelen bij de pedagogie al gemerkt dat uit deze ervarings- en waarnemingsmethoden geen gezichtspunten voor de opvoeding zijn te halen. Mensen die er op een bepaalde manier verstand van hebben, hebben zich afgevraagd: ‘Wat moeten we in de op elkaar volgende levensfasen van het kind doen om de ontwikkelingskrachten die in deze fasen manifest worden op de juiste manier te benutten?’
Je hoeft maar op een paar dingen te wijzen om te ontdekken dat zo’n verlangen om een kind in zijn ontwikkeling ook werkelijk te leren kennen, bij pedagogen wel aanwezig is, dat deze pedagogen echter met hoe de wetenschap van nu is, daarvan geen antwoorden krijgen die zouden kunnen helpen.
Ik hoef er maar op te wijzen dat bijvoorbeeld al in 1887 de pedagoog Sallwürk zei: ‘De natuurwetenschap heeft gevonden dat in de ontwikkeling van de organismen een zekere wetmatigheid heerst, wat de pas gestorven Ernst Haeckel genoemd heeft : ‘de biogenetische wet’. Volgens deze wet ontwikkelt de individuele mens zich gedurende zijn embryonale toestand zo, dat hij de evolutierij van de ontwikkeling der dieren volgt. Tijdens de ontwikkeling als embryo lijkt de mens de eerste weken een lager dier dat zich tot een mens ontwikkelt. De ontwikkeling van de enkeling is een korte herhaling van een lange ontwikkeling in de wereld. Nu vroegen die pedagogen zich af:

Geldt zoiets dergelijks ook voor de ontwikkeling van het individuele kind m.b.t. de geest en de ziel. En kan de opvoedingswetenschap ergens een ondersteuning vinden in een wetmatigheid die als deze biogenetische wet wordt gekopieerd.

Kijk, men doet moeite om er niet zomaar op los op te voeden, maar een gezichtspunt te vinden t.o.v. de ontwikkeling van de wordende mens. Dan ligt het voor de hand om bijv. te zeggen: wel, heel de mensheid heeft de tijd meegemaakt vanaf de oercultuur; daarna zijn andere culturen gekomen die via de geschiedenis tot ons zijn gekomen als oriëntaalse culturen; daarop volgden dan de Grieken, de Romeinen, daarna de Middeleeuwen enzovoort, tot in de moderne tijd. Kunnen wij voor de individuele mens nu zeggen dat hij als kind de oercultuur van de mens en dan de andere fasen van de menselijke ontwikkeling herhaald heeft. En kunnen wij, als we de geschiedenis in haar wetmatigheden volgen, daar dan iets aan hebben voor de ontwikkeling van het individuele kind. Sallwürk heeft al in 1887 in zijn boek ‘Gesinningsunterricht und Kulturgeschichte’ op een overduidelijke manier bestreden dat men vanuit dit soort achtergronden een of ander aangrijpingspunt voor de opvoedkunst zou kunnen halen. En al eerder heeft de pedagoog Theodor Vogt  die uitgaat van de gezichtspunten van Herbart, erop gewezen dat men nu niet in staat is om vanuit de pedagogie dit soort vragen te beantwoorden. In 1884 zei hij al: als er een vergelijkende geschiedeniswetenschap zou zijn, zoals er een vergelijkende taalwetenschap bestaat, dan zou je wellicht uit zo’n vergelijkende geschiedeniswetenschap voor de opvoeding van het kind net zulke aanknopingspunten kunnen vinden zoals men uit de vergelijkende afstammingsgeschiedenis van het dierenrijk aanknopingspunten heeft gevonden voor de zojuist gekenschetste biogenetische grondwet. Maar hij gaf toe dat er zoiets als een vergelijkende geschiedeniswetenschap waaruit men dit soort wetten zou kunnen halen, er eenvoudigweg niet is. En de pedagoog Rein uit Jena zei hem dat in 1887 na en zo liggen de dingen in de gangbare pedagogie en opvoedkunst vandaag nog.

U kunt met recht over die pogingen en ook over de discussie over zulke pogingen zeggen: moet je je als opvoeder niet liever op het standpunt stellen van op een gezonde manier de mens aanvoelen, in plaats van zich door een abstracte wetenschap te laten voorschrijven wat er voor de ontwikkeling van een opgroeiend kind nodig is? En met zo’n tegenwerping hebt u gelijk. Want dit bezwaar komt ook naar voren wanneer je de zaak wat dieper en grondiger beschouwt. Dit bezwaar ontstaat doordat men inderdaad niets heeft dan de wetenschap die op de methoden om de huidige natuur te kennen stoelt; je haalt er niets dan de abstracties uit en daarmee krijg je niets voor de ontwikkeling van de menselijke geest en de menselijke ziel. Je streeft tevergeefs, wanneer je zoiets wil bereiken.
Maar je kunt ook niet echt met alleen maar een niet ontwikkeld mensenverstand en met het aanvoelen van de mens, opvoedkunstenaar worden.  Je hebt iets nodig wat gezichtspunten oplevert.

En met name hier zie je de noodzaak om een nieuwe menskunde te ontwikkelen als basis voor een reële opvoedkunst van de toekomst. De huidige wetenschap heeft voor zo’n menskunde de basis niet. Die moet verkregen worden door de kennis van de menselijke geest en de menselijke ziel en over de wording van de menselijke geest binnen de geschiedenis van de mensheid. Je zult veel ruimere gezichtspunten moeten hebben dan de wetenschap van nu, die zich op de natuurwetenschap oriënteert.[1]

Steiner heeft het vervolgens niet meer over de biogenetische grondwet en gaat over op de ontwikkelingsfasen van het kind vanuit het gezichtspunt van de 7-jaarritmes.

Pas later in de voordracht beschrijft hij iets van de mens in de fasen van de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid om dat vervolgens op te zoeken in het leven van een individu. Of dit de culturele tegenhanger van Haeckels wet is en of dit de tegenhanger is voor een emotionele en verstandelijke ontwikkeling staat nog te bezien.
In GA 301 spreekt hij er opnieuw over, uitgebreider. Vóór hij op dat onderwerp overstapt, gaat hij ook weer in op de vraag naar de recapitulatietheorie van Haeckel en of we die in de ontwikkeling van het kind na de geboorte terugzien.
Die laatste gezichtspunten zijn onderwerp van deel  3.

[1] GA 297/43 e.v.
Op deze blog vertaald/43

Meer over het leerplan en Haeckel:

[1] Staat Haeckels biogenetische grondwet model voor het leerplan van de vrijeschool
[3] Een antwoord daarop uit GA 301
[4] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 297
[5] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 301
[6] Het gevaar van speculeren bij het doorgronden van het leerplan en ontwikkelingsfasen van de mensheid
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

 Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

 

822-757

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde – planten (2)

.

Onderstaand artikel bevat interessante informatie over de berk, zeker bruikbaar in de les als de berk aan de orde komt.
(Tot aan  ‘afvalstoffen’ – maar omdat dit bij het krantenartikel hoorde – staat het hier ook weergegeven)
.

Krantenartikel, geen bron meer

.

OVER DE BERK
.

‘Berkenbomen wortelen dicht onder de oppervlakte en de wortels reiken meters ver.” Janet Frieling wijst naar een stel berken rond de oude leslokalen en laboratoria, naast de oude Hortus in Haren. “Dat doen ze omdat ze veel water no­dig hebben. In het voorjaar, als de temperatuur een graad of acht is, komt de sapstroom op gang en dan gaan er honderden liters vocht door zo’n boom.”

Het voorjaar, de maand maart in het bijzon­der, is dan ook het moment om het heilzame berkensap te oogsten. Daarna, als de blaadjes eenmaal zijn gevormd, is de sapstroom te klein. In maart staat kruidenexpert Janet Frieling dan ook uitgebreid stil bij de berk tijdens de wandelingen die zij organiseert, onder an­dere op de biotoop, het terrein naast de oude botanische tuin.

“Berkensap staat bekend om zijn zuiverende en versterkende werking”, vertelt ze. “Het be­vat veel aminozuren, kalium en andere mine­ralen. De oude Germanen wisten al dat het zui­verend werkt. In de Germaanse mythologie stond de boom symbool voor een nieuwe start. Nieuwe leiders moesten eerst door een berken­laantje lopen voordat zij hun nieuwe functie mochten bekleden. “Het sap kan volgens Frieling het beste bij afnemende maan worden ge­oogst. “Bij toenemende maan is de sapstroom nog sterker en als je de tak of de inkeping niet opnieuw goed afsluit met leem of aarde, blijft de boom vocht verliezen via deze ‘wond’, en kan zelfs doodbloeden.

Ze demonstreert hoe je het beste sap kunt tappen. “Je kiest een tak uit van ongeveer een vinger dik en dan knip of zaag je daar een stuk vanaf”, zegt ze terwijl ze een tak van een jonge berk beetpakt en daar haar snoeischaar in zet. “Kijk, je ziet het sap al komen.” Vrijwel meteen komt er een heldere druppel vocht uit de afge­sneden tak. Het smaakt lichtzoet en een beetje stroef. “Met een touwtje kun je een petfles aan de tak vastmaken. Na een paar uur is het flesje dan gevuld. “Ze pakt een beetje aarde van de grond en smeert dat op het uiteinde van de tak. “Het is belangrijk dat je de boomwond na af­loop goed dichtmaakt.”

Een andere methode om berkensap te tappen is door een gaatje van 5 cm in de bast van de boom te boren. “Sommige tappers doen daar een buisje in en vangen het vocht in flessen en emmers op. Zo kun je meer liters oogsten. Het nadeel is wel dat er dan sneller bacteriën en in­secten via deze opening de boom kunnen bin­nendringen. En waarom zou je ook zoveel wil­len oogsten? In de koelkast is het maar twee dagen houdbaar.”

Afvalstoffen
.
Berkensap tappen wordt in Rusland en Finland nog veel gedaan, in Nederland is het aantal ber­kentappers beperkt. “Vooral in het voorjaar ge­bruiken mensen het om hun lichaam te ont­doen van afvalstoffen. Je kunt er siroop van ko­ken of er alcohol aan toevoegen en er berken­wijn van maken. Elke ochtend een half borrel­glaasje is al voldoende.” Het sap wordt ook voor huidaandoeningen gebruikt als roos, acne en psoriasis. Daarvoor worden er zalven en tincturen van gemaakt. “Mijn vader had vroe­ger altijd een flesje berkenhaarwater op de wastafel staan”, herinnert ze zich.

Frieling vindt het jammer dat de kennis uit de oude volksgeneeskunde aan het verdwijnen is. “Als ik lezingen geef, vraag ik daarom altijd aan de oudere mensen in de zaal welke krui­den en toepassingen daarvan zij kennen. Die verhalen schrijf ik op om later te verifiëren en vast te leggen. Die kennis hoort ook bij ons cultuurgoed. Wie weet er nu nog dat er in wilgen salicylzuur zit, de stof waarop aspirine geba­seerd is?”

Wat dat betreft heeft ze gemengde gevoelens over de superfoodhype, vooral over de hoge prijzen die ervoor worden betaald. Onder an­dere gojibessen, chiazaad, rauwe cacao, tarwe-graszaad en quinoa vliegen de schappen van de natuurwinkels uit omdat de mensen denken dat ze gezond zijn.

“Het brengt de heilzame werking van kruiden, bessen en andere natuurproducten wel even onder de aandacht. Maar voor veel van de superfoods uit de Himalaya of Zuid-Amerika hebben wij hier prachtige vervangers. Denk aan cranberries en duindoornbessen. Voeg bij je salade eens wat paardenbloemblad, look-zonder-look en zevenblad toe en je geeft je weerstand ook een oppepper.”
“En neem deze weegbree.  Zie je de zadendoosjes? Vanwege de gunstige invloed op de stoelgang is vlozaad uit Zuid-Amerika momenteel erg populair. Ons weegbreezaad heeft dezelfde werking.”

Volgens het Voedingscentrum kunnen superfoods hun gezondheidsclaims niet waarmaken. Wie gezond en gevarieerd eet, zou deze dure extra’s niet nodig hebben. Frieling kan zich niet in die kritiek vinden. “Superfoods zullen niet al hun gezondheidsclaims waar kunnen maken. Ik vind het belangrijk dat mensen zelf kijken welk effect voeding op hen heeft. Waar ze energie van krijgen. Als zij zich beter voelen door het gebruik van deze producten dan is hier niets op tegen. Want ook al eet je gezond en gevarieerd, dan nog kan je lichaam af en toe iets extra’s gebruiken om je weerstand te vergroten. We leven te stressvol en groenten en fruit bevatten tegenwoordig veel minder mine­ralen en vitaminen omdat ze met kunstmest op arme grond zijn gekweekt.”

Voor het eigen cateringbedrijf dat Frieling sa­men met haar zus Irma runt, gebruikt ze dan ook voornamelijk biologische streekproducten uit het Waddengebied zoals duindoorn, har­der – een vis – en Texels lam. In de gerechten verwerkt ze ook lokale specerijen. “Proef dit nagelkruidwortelpoeder eens. Net kruidnagel toch?”

www.gekruid-en-geroerd.nl

Meer over de berk (Weledaberichten); Grohmann

Plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas plantkunde

.

821-756

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-1)

.

DE BIOGENETISCHE GRONDWET VAN ERNST HAECKEL in het leerplan van de vrijeschool

                                                                          WAARHEID OF VERDICHTSEL?

In ‘Lexicon antroposofie’ [1] vinden we onder =biogenetische grondwet=:

 ‘De ontogenese is de herhaling van de fylogenese’.
Rudolf Steiner onderschrijft dit principe en hanteert deze gedachte bij het ontwerp van het leerplan van de vrijeschool. In de achtereenvolgende leerjaren doorloopt de leerling de bewustzijnsfasen die de mensheid als geheel ook heeft doorgemaakt.’

Wanneer ik hieronder de woorden van Steiner zal citeren over de wet van Haeckel en de toepasbaarheid daarvan in het leerplan van de vrijeschool, geciteerd uit de pedagogische voordrachten 1919-1924, kan er maar één conclusie zijn: Steiner ziet er niets in!

Uiteraard heb ik de schrijver gevraagd waar Steiner dit principe dan onderschrijft, maar een concrete plaats is (nog) niet aan gegeven, ook niet van de plaats waar Steiner een link legt tussen ‘bewustzijnsfasen van de mensheid en die van het kind’.

Er is wel een voordracht uit 1907 die wél de indruk wekt dat het kind ‘fasen’ herhaalt.
In [12-7] wordt daar nader op ingegaan.

Ook Werner Govaerts die weliswaar voorzichtig en genuanceerd opereert, kan geen citaat voor zijn beweringen aangeven: [2]

‘Ook Rudolf Steiner baseert zijn voorschriften voor het curriculum deels (dus niet consequent) op de recapitulatietheorie die zegt dat kinderen in hun emotionele en verstandelijke ontwikkeling dezelfde weg volgen als de mensheid in haar geschiedenis. Steiner ontwikkelde deze theorie voor het eerst in 1919.’

De bron ontbreekt waar en hoe Steiner in 1919 deze theorie ontwikkelde.

Govaerts vervolgt:

‘Een andere afwijking van Steiner t.o.v. bijvoorbeeld Spencer e.a. is dat hij steeds uitgaat van de individuele ontwikkeling van het kind (die hij uitvoerig beschrijft en documenteert) en daarop historische periodes ent, terwijl het in de meeste recapitulatietheorieën omgekeerd gebeurt: men gaat uit van de geschiedenis en postuleert dan een bepaalde ontwikkeling van het kind. Steiner daarentegen stelde zich steeds de vraag: welk aspect uit de geschiedenis past bij deze bepaalde leeftijd? Daaruit volgt dat de behandeling van de historische periodes in de steinerschool, zeker wat het basisonderwijs betreft, niet strikt chronologisch is.’

Deze visie is veel realistischer en komt overeen met de opvatting van Rudolf Grosse, die m.i. de kern van het waarom van bepaalde leerstof op een bepaald ogenblik – leeftijd, klas – weet te vinden. Zie [12-8]

In ‘De seizoener’ – lente 2015 – zegt Karel Post Uiterweer:
‘Je kunt volgens Steiner de ontwikkeling van de mensheid namelijk in zeker opzicht terugvinden in de ontwikkelingsfasen van het kind.’

Het is jammer, dat dit ‘in zeker opzicht‘ niet nader wordt behandeld.

Het ‘passen bij de leeftijd’ heeft m.i. vooral te maken met: hoeveel inlevingsvermogen heeft het kind op deze leeftijd om ‘iets’ te kunnen begrijpen, op te kunnen nemen. Vanaf het 9e levensjaar zien we daarin duidelijke veranderingen optreden die mogelijk maken dat er bij de kinderen een begrip ontstaat voor bv. breuken of de samenhang van de elementen met de plantengroei.
Geschiedenis is, dat er vroeger ‘iets’ was en dat dit ‘vroeger’ steeds dichter bij onze tijd – het heden – komt te liggen.
Voor dit fenomeen krijgen de kinderen rond het 11e jaar steeds meer begrip. Dan vindt Steiner het heel belangrijk dat het kind kennis maakt met cultuur en/of cultuurimpulsen, ‘die nog tot in het heden doorwerken’ [3] en de eerste cultuurimpulsen vind je in het Midden-Oosten: landbouw, veeteelt, stedenbouw. Wat daar a.h.w. begonnen is, hebben we nu nog. Je vindt bij Steiner nergens dat ze hiervan moeten weten omdat ze op hun 11e zelf landbouwer, veeteler of stedenbouwer zijn.
In de geschiedenisperioden van de 5e klas  treedt de chronologie minder op de voorgrond; vanaf de 6e klas  is dat steeds meer het geval; niet zozeer om chronologisch geschiedenis te geven, maar om de kinderen een besef bij te brengen, wáár in de tijd zich iets afspeelde (denk aan Steiners voorbeeld(en) van de generatieketting). Daarom kan Boeddha eerder behandeld worden dan de Egyptische piramiden.
Boeddha wordt niet behandeld omdat de kinderen op een bepaalde leeftijd de zielenstoestand van Boeddha zouden recapituleren. Zij hebben hopelijk wel de rijpheid bereikt waarmee ze iets van Boeddha’s gedachtewereld en strevingen kunnen begrijpen.

Steiner:
Wanneer in  een bepaalde tijd, laten we zeggen Gutenberg werkzaam is en de boekdrukkunst uitvindt, hangt zoiets samen met wat in de diepere lagen van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is een uitdrukking voor het feit dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is om van bepaalde alleen maar concrete voorstellingen tot abstracte te komen.’ [4]

De leerling moet ook tot een bepaalde abstractie kunnen komen om dit te begrijpen. Houdt dat dan meteen in dat hij nu de tijd van de boekdrukkunst – ‘deze fase’- recapituleert?

Na de cultuurimpuls van de Grieken, volgt die van de Romeinen – dat is een chronologische volgorde. Dat de 6e klas op de 5e volgt ook. De impuls van het rechtsleven – als typisch Romeins – begint het kind van 12 goed te begrijpen. Is dat een bewijs dat hij nu de ‘Romeinse fase’ recapituleert?
Hij krijgt dat jaar ook meetkunde – een Griekse impuls; de stelling van Pythagoras wordt echter vaak in de 7e behandeld.
De geschiedenis van de 7e klas behelst voor een groot deel de ontdekkingsreizen: ja het kind krijgt steeds meer belangstelling voor ‘de grote’ wereld; maar het krijgt ook algebra – dat 4 eeuwen daarvoor al bestond.
De 6e-klasser gaat van Rome door de Middeleeuwen: een chronologische volgorde! Is hij nu als 6e-klasser én Romein én middeleeuwer?

Is dit het ‘verkeerde vaarwater‘?

Steiner over Haeckels biogenetische wet: *
‘Men heeft geprobeerd deze wet ook op de geestelijke- en  gevoelsontwikkeling van de mens toe te passen, op de individuele mens in verhouding tot de hele mensheid. Daardoor is men in een verkeerd vaarwater terechtgekomen. [5]

‘De ontwikkeling van een kind is een herhaling van de ontwikkeling van het mensengeslacht’ kan men als fantasiebouwwerk opzetten, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid.
Wanneer je het menselijk embryo volgt van de eerste, tweede, derde week – zo goed als men dit nu kan – tot aan de volgroeiing – dan zie je daar de opeenvolgende, steeds volmaakter wordende vormen, visgestalte enz. Wanneer je daarentegen het kind waarneemt in de eerste ontwikkelingsjaren, dan zie je niets van een herhaling of in een verdere ontwikkeling van volgende fasen van de mensheidsontwikkeling.’ [5]

Ik ben mij er zeer van bewust dat ik passages waarop van Oort, Govaerts en Post Uiterweer zich beroepen over het hoofd kan hebben gezien en dat ik mijn opvattingen zou moeten aanpassen, wanneer ik ze zou kennen.

Dan zal ik dat ook meteen doen.

Maar tot zo lang zie ik geen verband tussen de recapitulatiewet van Haeckel en het leerplan van de vrijeschool.

[1] Henk van Oort: Lexicon antroposofie
[2] Werner Govaerts: Visie op het secundair onderwijs onderzoeksrapport 2002
[3] Steiner: GA 301/186 e.v.   Op deze blog vertaald/186
[4] Steiner: GA 301/193   Op deze blog vertaald/193
[5] Steiner: GA 301/66   Op deze blog vertaald/66

Meer over het leerplan en Haeckel

[2] Een antwoord daarop uit GA 297
[3] Een antwoord daarop uit GA 301
[4] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 297
[5] De ontwikkelingswet die Steiner n.a.v. Haeckel beschrijft in GA 301
[6] Het gevaar van speculeren bij het doorgronden van het leerplan en ontwikkelingsfasen van de mensheid
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

 Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

820-755

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – de wil (3)

.

Stefan Leber, Weledaberichten 137, dec.1985

.

TRAINING VAN DE WILSKRACHTEN IN DE KINDERJAREN
.

Een van de belangrijkste zielenkrachten is de wil. Samen met de krachten van het voelen en het denken schept hij de mogelijkheid, als totale mens in het leven te staan.
Wij willen een paar eigenschappen van het willen in het hierna volgende bespreken.
In de eerste plaats valt het merkwaardige op, dat ik alleen maar kan willen wat niet aanwezig is, d.w.z. dat ik mijn wil slechts op iets kan richten wat nog vóór mij ligt, wat nog moet ontstaan. Als ik zit, dan kan ik mijn willen erop richten, niet om te vallen, maar niet op het doel, niet te willen zitten, want dat wordt in normale gevallen door de zwaarte al vanzelf bewerkstelligd.
Hieruit kan blijken, dat het willen altijd op iets wat er nog niet is -in de tijd gezien: op iets in de toekomst- wordt gericht en dat betekent tevens: op een verandering van hetgeen er is. Dit includeert ook een overwinnen van de zwaarte, zelfs van de traagheid. Als ik zit, kan ik willen opstaan, d.w.z. er is een bewegingsproces, waarin iets van doelgerichtheid moet zijn waarop de beweging afstuurt. Daarin is een reden aanwezig die dit of dat veroorzaakt. Die reden evenwel hoeft niet altijd zo duidelijk te zijn zoals dat bij een motief het geval is. De wil staat open voor redenen en hij heeft die ook nodig om zich te ontplooien. Als ze ontbreken of als ze niet sterk genoeg zijn, dan kan de wil niet steeds weer opnieuw ontvlammen; hij verlamt, verslapt, waardoor een van zijn eigenschappen, de volharding, teloor gaat. Dan komt er slechts een deel, het begin van het wilsproces tevoorschijn.

Activiteit van de wil en doelstelling

Uitgaande van deze korte schets kan nu op de ontwikkeling van de wil en de scholing daarvan in de kinderjaren worden ingegaan.

Aan het begin daarvan ligt het stadium van de zuigeling. In de dadelijk na de geboorte nog korte periodes van wakker zijn wordt dit altijd tegelijkertijd zichtbaar samen met de lichamelijke wilsuiting: door het trappelen en bewegen. Beide gebieden van de lede­maten, armen en benen, worden ongescheiden van elkaar bewogen. Als men op het verloop van deze bewegingen let, dan kan men zien, dat ze een soort van bolvorm om de gewrichten maken. In deze, men zou kunnen zeggen bewegingschaos, komt allengs orde, zodat “doelgerichte” bewegingen ontstaan: bijv. het naar iets grijpen. De aange­boden fles wordt gegrepen en vastgehouden. Tot dit lukt zijn er steeds weer “oefenings­bewegingen” nodig met veel falende pogingen. Maar toch wordt op den duur wat is gezien, wordt begeerd, doelbewust gegrepen.

Waar vinden wij de oorzaak van die bewegingen? De drijfveer om zich te bewegen, ligt in het lichaam zelf, want elke pasgeborene beschikt over de mogelijkheid om te trappelen en te graaien, maar in dit vermogen brengt de ziel zelf de richting aan, d.w.z. de reden voor het bewegen.

Maar dat is niet alles. Naarmate het kind moeder, vader, broertjes en zusjes opmerkt, probeert het dezelfde houding te veroveren die zij hebben: de opgerichte. Het hoofdje wordt steeds weer opgeheven, zinkt vermoeid achterover, opnieuw wordt de poging ondernomen. En dan ten slotte het oefenend zich veroveren van het staan, het lopen, tot dit na ongeveer een jaar zelfstandig gaat lukken. Ook hier weer is het tweevoudige prin­cipe zichtbaar: de wilsvoltrekking en de reden, d.w.z. de wilsactiviteit die uit het lichaam komt en de doelstelling, die via de nabootsing van een voorbeeld wordt overgenomen. Niet het woord is de reden voor het doen, geen voorstelling motiveert, maar door het actieve meedoen worden richting en doel in de handeling opgenomen en tot eigen bezit gemaakt. En toch kan de toeschouwer de reden vinden. Die ligt echter niet in het uitspreek- of bespreekbare, de reden heeft zelf wilskwaliteit.

Het oefenen van de wil door de nabootsing

Opvoeding van de wil op deze jeugdige leeftijd van het kind betekent dus: velden, ruimten voor nabootsende activiteiten scheppen, zodat de wil van het kind in de nabootsende activiteit kan onderduiken, waarbij het zich naar het volwassen voorbeeld richt. Door het mee-voltrekken ontwikkelen zich vaardigheden in de bewegingsprocessen (motoriek) van het kind. De wil wordt versterkt doordat zin en reden niet theoretisch voorop moe­ten worden gesteld, maar door de nabootsing vooreerst eenvoudigweg van de volwas­senen worden overgenomen.

Een jongetje van drie jaar dat met volharding naast zijn moeder een heleboel sokken en wollen ondergoed had gewassen en ten slotte uitspoelde, zei, toen er nog een paar sokken moesten worden gespoeld waarvan de moeder vond dat hij dit nu wel alleen kon: “Nee dat kan ik niet, ik ben immers nog klein.”

Volbrengen, zin en volharding zijn heel sterk aan het voorbeeld gebonden. Als dat aanwezig is, dan kan de wil van het kind zich daarmee verenigen en wordt hij door het mee­doen versterkt. Dit nabootsende doen maakt in zeker opzicht het begin van een brug van waaruit het kind dan op eigen kracht over de rivier naar de andere oever, het zelfstan­dige en zelf-gewilde handelen, komt. Men kan bijv. zien, hoe een kind van twee jaar met de grootste moeite een stoel, die bijna net zo zwaar is als hij zelf, naar een deur sjouwt, ten slotte met moeite en een vuurrood gezichtje op de zitting klimt om bij de deur­klink te komen, daarbij echter merkt, dat de afstand te groot is, opnieuw omlaag klimt, de stoel dichterbij schuift en er weer opklimt. Helemaal uitgeput maar met het grootste plezier opent het ten slotte de deur. Zolang er voldoende stimulering in de gedaante van zinrijke handelingen van de volwassene het kind omgeven, kan men zien, hoe het zo­wel zelf “meewerkt” als ook in het vrije spel voortdurend handelingen die het heeft ge­zien of die worden verzonnen “speelt”. Als echter het aanbod van zinrijke handelingen gering blijft, dan verschraalt de fantasie al spoedig en het kind begint zich te vervelen.

Taken en aansporingen

Menselijke ontwikkeling verloopt op geen enkel plan rechtlijnig, maar steeds in sprongen, omkeringen, achterwaartse bewegingen, vooruitsnellen. Dat geldt ook voor de ontwik­keling van de wil. Tevens is het over ’t algemeen zo, dat de wil van twee kanten kan worden ontwikkeld: van de kant der voltrekking en van de kant van het doel. Elke activiteit, al is het maar een eenvoudige beweging zoals bijv. het balanceren over een boom­stam of een gecompliceerdere klimoefening, is een scholing van de wil.
Instinctief kie­zen schoolkinderen vooral in het midden van de kindsheid – van het 8e-9e tot aan het 12e-13-jaar- oefeningen en spelen, die tegemoet komen aan hetgeen zij aan krachten willen en moeten ontwikkelen. Er zijn eenvoudige hoepels (altijd nog wel), die bij het boodschappen doen worden meegenomen. Behalve de eigen beweging moet de con­centratie op het sturen ervan worden gericht.

Verder is er de hinkelbaan. Op getekende vakken moet met één voet of gesloten benen, zonder de grens aan te raken in een bepaalde volgorde het doel aan het eind van de baan worden bereikt. Dit wordt moeilijker als met dichte ogen of met een op de neus van een schoen gelegde kiezelsteen de weg moet worden gehinkt. Inspanning, concen­tratie, volharding, behendigheid zijn nodig om de taak te volbrengen. Tevens, omdat het hinkelen zelden ineens lukt, is herhaalde oefening nodig -processen, die als zodanig versterkend werken op de wil. Touwtje springen, steltlopen en vele andere oefeningen in spelvorm gebeuren bij voorkeur in de krachtmeting met leeftijdsgenoten. Zelfs bij zulke spelen wordt zichtbaar, dat zij ook een zin bevatten, n.l. het speelse deel van de handeling: een duidelijk gestelde taak die door behendig te zijn moet worden volbracht. Het is van belang, het kind naar deze manier van taken te stellen te leiden opdat zijn wilskracht toeneemt.

Wat in vroeger tijden vanzelf lukte wordt tegenwoordig een pedagogische taak. Door­dat n.l. de ambachtelijke, productieve activiteiten uiteenvielen en achter fabrieksmuren verdwenen, heeft het kind weinig mogelijkheden om een volkomen ontplooide wilsvol­trekking, zoals die in de menselijke arbeid tevoorschijn komt waar te nemen. Twee ge­neraties geleden kon men nog zien, hoe een hoefsmid een paard besloeg, hoe een schoenmaker of meubelmaker, een timmerman werkten en in de werkplaats misschien zelfs wat meehelpen. Niet alleen, dat door de industrialisering dit gedeelte van de ken­nis van het leven is weggevallen, maar ’t ontbreekt het kind ook aan voorbeelden, prikkels, beelden die een grondslag bieden voor zijn eigen doen en laten. Daardoor wordt het in deze levensfase nodig om datgene, wat uit de sociale werkelijkheid als zichtbaar ge­halte van het leven is verdwenen, aan het bestaan van het kind op een andere manier toe te voegen om zijn ontwikkeling te stimuleren, n.l. via het ouderlijk huis en de school. Het kind moet in de gelegenheid zijn om bijv. de groeifasen van de plantenwereld door eigen activiteit mee te maken, door bijv. in land- en tuinbouw mee te werken. Het be­zoeken van een boerderij of een tuinderij wekt belangstelling, die dan overgeleid kan worden in het klaarmaken van een bed, waar planten (groenten, bloemen maar ook graan) gezaaid, in hun groei geobserveerd, verzorgd, ten slotte kunnen worden geoogst of ge­plukt.
Iets dergelijks kan met de basisberoepen zowel van de hout- en metaalbewerking alsook de vervaardiging en bewerking van textiel gebeuren. Daarbij is het zaak om het­geen vooreerst wordt bekeken, daarna met eigen activiteiten te verwerken, bijv. door al heel jong een pannenlap, later een paar kousen of zelfs een pullover te breien. Bij de houtbewerking kan men denken aan het vervaardigen van een pollepel, later van mooi speelgoed om te eindigen met kunstzinnig verantwoorde gebruiksvoorwerpen. De hierboven kort geschetste weg door het ambachtelijke gebied wordt in de vrijescho­len begaan van de 1e t/m de 8e klas. De verschillende vakken dragen en bevruchten elkaar, de vaardigheden worden gedifferentieerd, de wil wordt steeds weer anders door de zinrijke handeling aangespoord.

Dit kan door kunstzinnige bezigheden worden ondersteund: in de euritmie, het schil­deren, de muziek, maar ook door zinrijke beoefening van sport.
Alleen op die manier worden de krachten ontwikkeld, die de volwassene nodig heeft om een taak aan te pak­ken, ermee bezig te zijn, te volbrengen en niet voortijdig te verslappen of zelfs in een boog om dingen die noodzakelijk zijn, heen te lopen.

 

Menskunde en pedagogie: over de wil: [10] 

Algemene menskunde: 2e voordracht over de wil [2-3] 

Vrijeschool in beeld: alle beelden

819-754

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-11)

.

Verteltijd ca. 16 min.

DE MAALTIJD VAN SINT-RIGOBERTUS
.

St.-Rigobertus was zeer hongerig, want hij, noch Peter, zijn helper, die voor hem uitliep op weg naar Rheims, had die morgen iets gegeten. Zij waren op weg om Wibertus, de Gouverneur van Rheims te bezoeken, en hem wat geld af te dragen, dat de bisschop hem schul­dig was; helaas al het geld, dat hij bezat. En daarom nu hadden zij niets gehad om eten voor hun ontbijt van te kopen, en keek de kleine Peter zo begerig in elke bakkerswinkel, die zij voorbij­ liepen.
De goede heilige Rigobertus evenwel zag niets van al de heer­lijkheden, die voor de vensters uitgestald waren, want hij had de ogen neergeslagen, naar de grond,  en zong onderwijl enige hymnen zacht vóór zich heen. Niettemin voelde ook hij zich zeer flauw. Sint-Rigobertus was zeer arm, want hoewel hij een goede oude bisschop was, hield de Koning van Frankrijk niet veel van hem en hij had hem van het hof en uit de grote, rijke stad weggezonden, om zijn leven verder onder de arme boeren buiten te slijten. Maar Sint-Rigobertus betreurde zijn vroeger leven al zeer weinig, want hij hield van het aardige dorpje Gernicour, waar hij nu woonde. Hij hield van de mensen, die daar leefden, en in het bijzonder hield hij van Peter, die bij hem was komen wonen, om hem in alles te helpen.

De bewoners van het dorpje hadden vriendelijk en mild voor hem behoren te zijn, doch het waren domme, zelfzuchtige mensen, die alleen dachten aan zich zelf en er geen begrip van hadden, hoe arm hun goede bisschop wel was. Nu waren zij zelf ook wel arm en bezaten maar zeer weinig geld, maar zij hadden toch ruimschoots voedsel: overvloed van groenten, melk, eieren en boter, en wanneer ieder van hen iets had afgestaan – wat zij behoorden te doen, want Sint-Rigobertus deed hun zoveel goed – dan zou de Heilige niet zo dik­wijls honger hebben hoeven te lijden.

Sint-Rigobertus had er verdriet van, dat zij zo weinig aan hem dachten, maar nooit klaagde hij erover. Hij zou het hun niet heb­ben willen zeggen, of zou hun niet hebben willen vragen hem te hel­pen, en dikwijls wist zelfs kleine Peter niet hoelang hij al ge­vast had. Want als er weinig was, gaf hij het Peter ‘s avonds en behield voor zichzelf niets ervan.

Toch was hij altijd tevreden en opgeruimd en had steeds voor ieder, die hij tegenkwam in het dorp, een vriendelijk woord. En wanneer hij in de grote stad Rheims kwam, beklaagde hij zich bij de Gou­verneur nooit over zijn armoedig leven van gebrek en ontbering, noch over het weinige, dat de inwoners van Gernicour voor hun bisschop over hadden. Want hij wilde het liefst goeds van hen denken, en geloven, dat zij in alles hun best deden.

En zo kwam het nu, dat beiden, Sint-Rigobertus en zijn helper, het geld aan de Gouverneur afdroegen, zonder een enkel woord ervan te zeggen, hoe zwak en hongerig zij zich voelden. En toen hij de grote gedekte tafel in de eetzaal zag en de warme, geurige spij­zen, die de dienaren achtereenvolgens opdroegen, stond hij maar gauw op om niet in verzoeking gebracht te worden zijn nood te klagen. Zijn bisschopsstaf opnemend, wilde hij dadelijk terugkeren naar Gernicour en naar zijn huis, waarin niets voor hem te eten was. Doch toen zij op het punt stonden de zaal te verlaten, keek de kleine Pe­ter telkens zo begerig om naar de gedekte tafel, dat Wibertus, de Gouverneur, hem terugriep. Zeker had hij de begerige blikken van de jongen gezien en opgemerkt, hoe bleek en ingevallen Sint-Rigo­bertus er uitzag en half de oorzaak daarvan geraden, want hij zei op vriendelijke toon:

“Doet mij het genoegen met uw metgezel bij mij te blijven eten. Zie het middagmaal is juist gereed, en er is plaats te over aan mijn ta­fel.”

Maar Sint-Rigobertus had een dienst te houden in de kerk van Gernicour, en wist, dat zij nauwelijks op tijd terug konden zijn, al lie­pen zij nog zo vlug. Daarenboven wilde hij, terwille van zijn ge­meente, de Gouverneur niet laten merken, hoe hongerig hij was. “Dank u,” antwoordde hij minzaam, “dank u voor uw vriendelijke uit­nodiging, vriend Wibertus. Wij mogen ons niet langer ophouden en heb­ben geen tijd meer nog vóór de dienst in de kerk te Gernicour te eten. Als wij ons niet haasten, komen wij te laat. Zoon, Peter, mijn jongen, wij moeten weg.”

Tranen van teleurstelling kwamen Peter in de ogen. Hij was zo graag gebleven, om wat van het heerlijke middagmaal te krijgen. Maar hij verzette zich nooit tegen de bevelen van zijn meester en was vol­strekt gehoorzaam. De Gouverneur drong nog tot blijven aan, maar Ri­gobertus bleef standvastig, en ging naar de deur, gevolgd door de pruilende Peter. Doch juist stond hij gereed de zaal te verlaten, toen hem van buiten een groot rumoer en het kwaken van een dier en het gelach van mensen tegen klonk. Op hetzelfde ogenblik kwam een der bedienden de zaal in met een grote, witte gans in de armen, die aanhoudend met de vleugels van zich af sloeg en van angst zich bij­na schor geschreeuwd had.

“Wat betekent dat daar?’, vroeg de Gouverneur streng. “Waarom maken jullie zo’n stampij  in mijn huis.” “Vergeef me,”  zei de man, zo goed als hij kon met de weerbarstige gans in zijn armen, “deze gans is een geschenk van de weduwe Réné, en zij verzocht u haar de eer aan te doen, het dier te willen aannemen.”
“Een armzalig geschenk voorwaar,” zei de Gouverneur knorrig. “Wat moet ik met dat beest doen? We hebben zelf al meer gevogelte dan we bergen kunnen. Ik wil haar niet hebben.”
Toen viel hem opeens iets in en zich tot Sint-Rigobertus kerend, zei hij lachend: “Wel, eerwaarde heer, nu gij hier niet wilt blij­ven eten, verzoek ik u vriendelijk, neem deze vette gans mee naar huis, dan kunt gij in Gernicour een goede maaltijd van haar maken. En ons bewijst gij er omgekeerd een dienst mee, ons van het dier te bevrijden.”

Sint-Rigobertus aarzelde. Doch de gretige blik van Peter’s gelaat ziend, besloot hij de gift aan te nemen, wat in die tijd zeer gebruikelijk was.
“Veel dank voor uw beleefdheid, Heer Wibertus,” antwoordde hij. “Wij zullen de milde gift, deze mooie gans aanvaarden, ook omdat wij zien dat aan uw tafel niet veel meer ontbreekt.
Komaan, Peter, mijn jongen, neem uw buit, en pas op, dat het dier u niet bijt,” voegde hij er bij, toen hij zag, hoe de  jongen haastig het grote, tegenspartelende dier aannam.

De gans pikte en snaterde en sloeg vreselijk met de vleugels, ter­wijl Peter zijn arm om haar heen sloeg. Doch eindelijk waren zij toch klaar om te vertrekken. Peter voorop met de gans, die bijna zo groot was als hijzelf, gevolgd door de bisschop, leunend op zijn staf, de ogen naar de grond geslagen. Peter was buiten zichzelf van blijdschap, hij grinnikte van vreugd en had haast geen geduld te wach­ten, tot hij goed en wel thuis was, zo zeer verheugde hij zich op het heerlijke middagmaal.
Maar Sint-Rigobertus had de gans al helemaal vergeten; hij had zoveel andere dingen om aan te denken. Juist op deze wijze, door aan wat anders te denken, had hij geleerd, zijn honger te vergeten.

Plotseling echter werd Rigobertus’ aandacht getrokken door een luid gesnater en een luide kreet die van de weg voor hem uit kwam. En op­kijkend zag hij nog juist een groot, wit ding omhooggaan, en Peter gillend en schreeuwend de weg op en neer hollen. Onmiddellijk begreep de bisschop wat er gebeurd was. “Jongen,  jongen, ben je je gans kwijt?” vroeg hij vriendelijk. “O, Vader,” snikte de jongen, “ons heerlijk middagmaal. Uw middag­maal, meester! De ondeugende gans is weggevlogen. O, wat ben ik toch dom, dat ik haar heb laten ontsnappen.” En hij ging op een steen zit­ten en huilde, alsof hem het hart breken zou.

“Neen, neen,”  zei de goede bisschop, hem op het hoofd kloppend, “ik denk, dat de arme gans misschien geen zin had om gebraden te worden. Peter, kan je het haar verwijten, dat zij liever haar vrij­heid zocht? Ik kan niet vinden, dat zij enig kwaad deed, maar het spijt me wel van je middagmaal, mijn jongen. We moeten nu proberen wat anders te eten te krijgen. Kom Peter, laat de gans gaan. Het zal nog wel in orde komen, mijn jongen.”

Hij hielp Peter opstaan, terwijl de jongen nog altijd bitter huil­de, en toen ging het weer verder over de stoffige weg naar huis. Doch nu had de jongen geen middagmaal meer in het vooruitzicht, en leek de weg hem nog eens zo lang. Met lome schreden ging hij ver­der, en het was alsof hij geen voet meer zou kunnen verzetten met dat lege gevoel in de maag en die pijn in het hoofd. Sint-Rigober­tus zong opnieuw zijn hymnes zacht voor zich heen en liep op de maat ervan voort over de stoffige weg. Om het verlies van zijn maaltijd scheen hij zich al heel weinig te bekommeren, eigenlijk gezegd was hij heimelijk blij, dat de arme gans ontsnapt was, want hij was zeer zachtzinnig en wilde niet graag dat levende schepselen gedood werden, zelfs niet voor zijn voeding

Zo hadden zij een eind gelopen en Rigobertus begon luider en lui­der te zingen, toen zij het kerkje weer naderden, totdat opeens een vreemd geluid boven hun hoofden in de lucht weerklonk. Daar kwam een groote, witte gans fladderend in wijde kringen naar beneden en streek recht voor Rigobertus’ voeten neer. De goede Heilige stond verrast stil, en Peter, zich omkerend, kon zijn ogen nauwelijks geloven. Want daar zat in werkelijkheid dezelfde gans op de grond vlak voor Rigobertus, terwijl zij snaterend naar hem opkeek, alsof zij hem iets wilde vertellen.

“Het was mijn bedoeling niet om weg te vliegen,” scheen zij te zeg­gen. “Ik wist niet, dat gij zo’n honger had, heilige man, en dat ik uw middagmaal zodoende wegnam. Zing maar verder, ik zal u naar uw huis volgen.”

Peter wilde de gans bij de nek pakken om haar te beletten weer weg te vliegen, maar Sint-Rigobertus stak waarschuwend zijn vinger op, zodat de jongen stil bleef staan. “Raak haar niet aan, Peter,”  sprak de bisschop ernstig. “Ik geloof niet, dat zij weer weg zal vliegen. Laten wij maar eens zien.”
En zo was het ook. Toen zij weer op weg gingen, Sint-Rigobertus zacht voor zich heen zingend, zag Peter, tersluiks omkijkend, de gans langzaam vlak achter zijn meester aanwagge­len. Zo kwam de eigenaardige kleine processie in Gernicour aan; en iedereen op straat stond met open mond stil, om hen na te kijken.
Ein­delijk hadden zij het huis van de bisschop bereikt. En Rigobertus, zijn gezang stakend, keerde zich om naar de gans en haar vriendelijk over de veren strijkend, zei hij:
“Mijn goede vriend, jij bent zeer trouw geweest. Je zult beloond worden daarvoor. Schud je veren op, mijn beste gans, want ze zullen niet uitgetrokken worden. Je zult niet voor ons middagmaal gebraden worden. Van heden af ben jij mijn goede vriend. Van de schachten van je veren zullen geen pennen gesneden worden, maar jij zult mij volgen, als je wilt.”

En de Heilige hield zijn belofte, want van die dag af leefde de gans bij hem gelukkig en in vrede. Lange wandelingen maakten zij samen in de velden rondom Gernicour, en zij bezochten trouw met elkaar de zie­ken en bedroefden. Waar Sint-Rigobertus ging, zag men ook de gans die hem als een hond volgde. Zelfs toen Rigobertus weer naar de Gouverneur van Rheims moest, waggelde de gans heen en weer de lange weg, die hij eens had afgelegd in de armen van Peter. En de Gouverneur vermaak­te zich kostelijk, toen hij, in de deur staande, het vreemde paar bij hun vertrek nakeek over de weg.

“Hij zal wel niet zo’n grote honger gehad hebben, toen,”  dacht de Gouverneur, “want anders zou ik de gans nooit teruggezien hebben.”
Een bewijs hoe weinig zelfs Gouverneuren voor sommige dingen voelen.

Ook dan, wanneer Rigobertus in zijn kerkje dienst had, vergezelde de gans hem daarheen. Doch zij begreep wel, dat zij niet mee naar bin­nen kon gaan, en bleef daarom geduldig buiten wachten op haar mees­ter, terwijl zij in de zon haar veren netjes glad streek en tussen het gras van het kerkplein allerlei lekkere hapjes opzocht. Was de dienst afgelopen, dan volgde zij haar meester weer terug naar huis.

Ondertussen had de arme Peter zijn middageten gemist die dag. Doch alles was beter terecht gekomen dan hij op dat eerste ogenblik dacht. Want toen Rigobertus hongerig en zeer vermoeid na de lange wandeling en de ongewone gebeurtenis met de gans, uit de kerk terugkwam, was, was Peter hem met een van vreugde stralend gelaat tegemoet gekomen. “O, Vader, Vader!” riep hij, “we zullen toch nog een goed middagmaal hebben. Kom gauw mee, ik heb toch zo’n honger en kan het haast niet meer uithouden! De mensen uit het dorp hebben gehoord, hoe de lief­devolle gans teruggekomen was om u tot voedsel te strekken, en hoe gij geweigerd hebt haar op te eten. En daarom hebben zij ons nu een mand vol heerlijke spijzen gestuurd. En zij hebben ook beloofd, dat wij nooit meer, zolang zij zelf nog maar iets te eten zullen hebben, honger behoeven te lijden. O, Vader! Ik ben nu toch zo blij, dat wij de gans niet hebben opgegeten”

En de goede Sint-Rigobertus, zijn hand op Peters hoofd leggend, zei: “Beste jongen, je zult nooit in je leven berouw hebben, wanneer je goed geweest bent voor een vogel of voor enig dier.”

Op datzelfde ogenblik kwam de gans snaterend naar hen toe en gingen zij met hun drieën tegelijk naar huis, om zich te goed te doen aan de maaltijd, die de dorpelingen hun gezonden hadden.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren‘

2e klas vertelstof: alle artikelen 

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

 

818-753

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Bolivar

.

DE GROTE BEVRIJDER

Hij is veel meer dan de George Washington van Zuid-Amerika. Hij is de Washington, de Patrick Henry, de Thomas Jefferson, de Abraham Lincoln.
Hij begon de opstand tegen Spanje die leidde tot de stichting van vijf naties; hij voerde de legers aan die de vrijheid veroverden; hij formuleer­de de beginselen waarop de republieken werden gegrondvest, hij vormde hun regeringen en schreef de grondwetten.

Bolivar

Voor miljoenen Zuid-Amerikanen is Simón Bolivar thans, meer dan een en een kwart eeuw* na zijn dood, bijna een godheid. Veel meer dan enige figuur in de Westerse geschiedenis bestaat de Bevrijder in het bewustzijn van zijn volk als een levend mens. In afgelegen pueblo’s van de Andes, in de diepe wildernissen, om de kampvuren op de uitgestrekte vlakten herhalen Indianen en ar­beiders, die niet lezen of schrijven kunnen, zijn woorden alsof ze gisteren werden gesproken. In Zuid-Amerikaanse steden nemen staatslieden de hoed af bij het noemen van zijn naam.

Op een zomermiddag in 1805 beklommen twee mannen de Aventine, een van de heuvels van Rome, en rustten wat uit op de top. De een, een tengere, knappe jongeman, ging liggen, en zijn diepliggende, donkere en stralende ogen keken strak en ge­boeid naar de Eeuwige Stad, die zich daar beneden uitstrekte. De ander — ouder, slordig, zijn lange haar golvend in de wind — stond naast hem te praten. Van tijd tot tijd las hij voor van de gehavende bladzijden van Emile van Rousseau, De rechten van de mens van Tom Paine, en werken van Voltaire. Hij sprak over de vergane glorie van Rome, over de nobele experimenten met de republikeinse regeringsvorm die daar gedaan waren.

Ten slotte, toen de ondergaande zon hen in een rode gloed zette, richtte de jongeman zich op zijn knieën op en “met vochtige ogen en een kleur op zijn gezicht van koortsachtige bezieling,” sprak hij deze woorden: “Ik zweer bij de God van mijn vaderen en bij mijn vaderland dat mijn handen nooit moe zullen worden of mijn ziel zal rusten voor ik de ketenen verbroken heb die ons aan Spanje binden!”
Zijn gehele verdere leven wijdde hij aan de vervulling van die eed.

Simón José Antonio de la Santisima Trinidad Bolivar y Palacio werd geboren in Caracas, Venezuela; hij was het verwende en vroegrijpe jongste kind van een van de rijkste families van het land. Zijn metgezel op die dag in Rome was Simón Rodriguez, zijn gouverneur vanaf zijn kinderjaren. Bolivar was toen 23 jaar. Op 16-jarige leeftijd was hij naar Spanje gezonden voor de “opvoeding” die toen bij zijn stand hoorde. Drie jaar lang was zijn leven één wild feest van weelde en losbandigheid in Madrid, Parijs en Londen. Hij was een voortreffelijk schermer en danser, een niet te overtreffen ruiter, en omdat hij met geld kon smijten, werd hij bekend als de jonge Prins Bolivar. Londense kleermakers maakten zijn kleding na, de Parijse zaken kwamen uit met de “chapeau Bolivar”.

Maar aan deze periode in zijn leven kwam plotseling een einde; hij ontmoette Maria Teresa del Toro, werd verliefd op haar, en trouwde met haar. Zij was een mooi, teer schepseltje, en zoals Bolivar later zei, “niet geschapen voor deze wereld”. Enkele maanden later stierf zij in Venezuela aan gele koorts. Verteerd door hevig verdriet, zag Bolivar in de dood van zijn vrouw een verborgen teken. “Het verhief mij uit het rijk van de wereldse zaken en richtte mijn gedachten op de problemen van mijn verdrukte land.”

Hij zocht en hervond de leraar uit zijn kinderjaren, Rodriguez. Op lange wandeltochten in Europa dronk Bolivar met hernieuwd vuur de leerstellingen van zijn leidsman in. In 1804 stond hij in de Notre Dame te Parijs en zag hoe Napoleon zichzelf tot keizer kroonde. “Deze daad,” zei hij, “kwam mij voor als een uitbarsting van de hel. De kroon die hij zich op het hoofd plaatste was een overblijfsel uit de donkere middeleeuwen.” Kort daarna sprak hij op de Aventine de woorden die de opdracht van zijn leven werden en het lot van een half werelddeel bepaalden.

Bolivars besluit was van een weergaloze aanmatiging. De 23-jarige jongeman genoot geen bijzonder prestige in het land dat hij wilde bevrijden. Zijn militaire ervaring was beperkt tot een paar jaar dienst bij de Venezolaanse militie. Hoewel Spanje zijn koloniën in de Nieuwe Wereld drie eeuwen lang schandelijk had uitgebuit en onderdrukt, was er nooit een georganiseerde beweging voor onafhankelijkheid geweest. Ja, toen generaal Francisco Miranda van Venezuela, die onder Washington ge­vochten had in de Amerikaanse Revolutie, een poging deed om de kolonie te bevrijden, was hij op gewapende tegenstand van zijn landgenoten gestuit. Zijn legertje werd vernietigd, hijzelf werd gedwongen naar Engeland te vluchten. Toen Bolivar in Venezuela aankwam, begon hij ondergronds te werken met een groep jonge aristocraten, die de idee van de revolutie bij het volk aankweekten. Toen hij zich zijn gebrek aan militaire kennis bewust werd, haalde hij Miranda over om terug te keren.

Op 3 juli 1811 uitte Bolivar het woord “Vrijheid”, voor de eerste maal in het openbaar uitgesproken in het land, en eiste volledige onafhankelijkheid van Spanje. Een ontzaglijke golf van vaderlandslievende gevoelens overspoelde Caracas; tijdens een bijeenkomst van patriotten werd Venezuela vrij verklaard. De teerling was geworpen. Miranda trachtte een leger te formeren uit allerlei soorten kleurlingen en elegante jonge aristocraten die zich verbeeldden dat ze officier waren. Het was een ontmoedigen­de taak en ten slotte faalde hij. De beproefde Spaanse legioenen joegen de Venezolaanse vrijwilligers uiteen en veroverden Caracas. Weldra was het met de Eerste Republiek gebeurd, Miranda zat op een Spaans schip, op weg naar zijn dood in de gevangenis van Cadiz, en Simón Bolivar zat als straatarme banneling op het eiland Curaçao, dat toen aan Engeland be­hoorde.

Als hij niet zo bezield was geweest, zou hij alle hoop hebben laten varen. Alles wat hij had bezeten — zijn grote landgoederen, enorme kudden vee, huizenblokken in de stad — was weg, in beslag genomen door de Spanjaarden. Hij moest bij vreemden bedelen om in leven te blijven. Maar na een paar weken al ont­snapte hij naar de kolonie Nieuw Granada (Colombia) waar een garnizoen patriottische troepen een stukje kust bezet had. Hier kreeg hij het bevel over 200 man — haveloze, ongeschoeide negers, indianen en halfbloeds.

In de eerste fase van de strijd had Bolivar veel geleerd over de wijze waarop er oorlog gevoerd moest worden tegen de Spanjaar­den. Hij had meegevochten, en zich in de strijd onderscheiden. Op een nacht in december 1812 nam hij bij verrassing het garnizoen van Tenerife, vernietigde het en maakte het arsenaal buit. De volgende nacht viel hij Mompós binnen en joeg de Spaanse troepen uiteen. Zo ging het zes dagen achter elkaar — zes slagen, zes overwinningen, zes steden bevrijd. Na twee weken had hij het hele gebied van vijanden gezuiverd. In elk dorp werd Bolivar met gejuich door de bevolking ontvangen, en honderden rekruten schaarden zich achter zijn banier. Hierdoor aangemoedigd be­sloot hij een aanval te doen op zijn geboortestad Caracas. Het was een enorme onderneming. Tussen hem en zijn doel stonden 6000 man Spaanse troepen en 900 kilometer bergachtig terrein.

Half mei 1813 vertrok Bolivar met ruim 600 man. Beladen met wapens en bepakking baanden de mannen zich een weg over ijzige hoogvlakten en door met rotsblokken bezaaide ravijnen, en worstelden door onbegaanbare en dampende oerwouden, onder het bloed door de dorens en miljarden insecten. De militaire acties van de veldtocht droegen hetzelfde heroïsche karakter. Bolivar paste onveranderlijk een tactiek toe van vermetelheid, snelheid, verrassing — hij vermeed frontale aanvallen, pakte de vijand in de flank aan, sneed gedeelten van het vijandelijke leger af en vernietigde die. De Spaanse legers vielen, de een na de ander, en zijn eigen troepen werden met iedere overwinning groter tot ze een echt leger waren met artillerie, cavalerie en geneeskundige troepen. Binnen 90 dagen na zijn vertrek had hij zes belangrijke veldslagen geleverd en gewonnen en het gehele westen van Venezuela heroverd. Toen hij Caracas naderde gaf de geschrokken Spaanse bevelhebber de stad zonder slag of stoot over.

Zijn intocht in Caracas was iets uit de annalen van het oude Rome. Bij de stadspoort stapte Bolivar, blootshoofds, een knappe man in zijn wit met blauwe uniform met zware gouden tressen, en mooie hoge laarzen, in een triomfwagen behangen met lauwer­kransen en zegepalm. Twaalf in het wit geklede meisjes met bloemenslingers om pakten een zijden koord en trokken hem langzaam door de straten. De menigte juichte hem als waanzinnig toe, er donderden saluutschoten en de kerkklokken luidden, en het regende rozen, oleanders en camelia’s van de balkons. Een haastig bijeengeroepen vergadering riep weer de republiek uit en schonk Bolivar de titel van Bevrijder — de enige titel die hij zijn hele leven verder gebruikte.

Maar weldra kwamen de machtige Spaanse schepen de At­lantische Oceaan over, en Spaanse veteranen uit de Napoleon­tische oorlogen stroomden het land binnen via de kuststeden.

Bolivar moest het tegen hen opnemen met de geringe middelen die hij uit een arm, onrustig en primitief land kon persen. De strijd woedde 14 jaar lang, en breidde zich uit over het gehele werelddeel, zodat hij ten slotte een gebied omvatte zo groot als de gehele Verenigde Staten. Over dit uitgestrekte slagveld leidde Bolivar zijn schamele legers, steeds minder in aantal, slecht ge­kleed, ondervoed, zonder voldoende wapens. Als hij op de ene plaats afgesneden werd, sloeg Bolivar op de andere toe. Als hij ergens een leger verloor, dan verscheen hij op wonderbaarlijke wijze ergens anders met een nieuw.

Op een keer hadden de Spanjaarden, met sterke artillerie- en cavalerie-eenheden, hun kamp voor de nacht opgeslagen; hun 3000 paarden liepen in een met touw omheinde ruimte. Eén van Bolivars cavalerie-aanvoerders bond gedroogde ossehuiden aan de staarten van 50 van zijn eigen paarden, en joeg die toen op de Spaanse in. De paarden van de vijand, dol geworden door het lawaai, daverden tussen de slapende Spaanse troepen door, en in de duisternis en de verwarring drongen de patriotten binnen met sabel en lans. Hoewel zijn legers dikwijls de nederlaag leden, wankelde Bolivars vertrouwen in de uiteindelijke overwinning nooit.

Eens, tijdens een banket dat door zijn officieren werd aan­geboden, sprong hij boven op de lange tafel en liep er met grote stappen in de lengte overheen, terwijl hij uitriep: “Zoals ik nu over deze tafel loop van het ene einde naar het andere, zal ik trekken van de Atlantische naar de Grote Oceaan, van Panama naar Kaap Hoorn, tot de laatste Spanjaard verdreven is!” Toen keerde hij om en liep terug. “En zo,” schreeuwde hij, “zal ik terugkeren, en ik zal niemand iets aangedaan hebben behalve diegenen die de voltooiing van mijn heilige zending in de weg staan!” En hij meende dat ook; want het was vrijwel precies wat hij deed.

Bolivars grootste prestatie — die door elke militair ter wereld tot de grootste uit de geschiedenis gerekend wordt — was zijn mars van Angostura, nu Ciudad Bolivar, aan de benedenloop van de Orinoco, dwars over het hele vasteland en over de voor­naamste bergketen van de Andes. Langs het grootste gedeelte van deze route is er zelfs vandaag geen weg of spoor. Zijn leger be­stond uit 1600 man infanterie en 800 man cavalerie. Verscheidene honderden vrouwen vergezelden hen. Het waren allemaal mensen uit de laagvlakten die nooit een berg hadden gezien of wisten wat koude was. Het eerste deel van de tocht ging over brandend hete vlakten en door verstikkende oerwouden midden in de regentijd, de warmste tijd van het jaar. Dat ging zo vierhonderd­vijftig kilometer door, en daarna kregen ze de vlakten langs de rivier Casanara — eindeloos, overstroomd, een loden spiegel onder de voortdurende regen.

Drie weken lang, dag in dag uit, ploegden de colonnes lang­zaam voorwaarts. Ze liepen tot hun middel in het water en hielden hun geweer en bepakking omhoog terwijl hun voeten bij iedere moeizame stap voorwaarts vastzogen in de modder. Toen kwam eindelijk de Andes. De uitgeputte mensen uit de vlakte keken met verbazing omhoog naar de hemelhoge toppen, die ijzig wit blon­ken. Om de vijand zijn positie niet te verraden, koos Bolivar een zeer weinig gebruikt spoor dat over een van de hoogste passen leidde. De rotswanden rezen bijna loodrecht omhoog. Het leger klauterde naar boven, de mensen klemden zich met bloedende handen en blote voeten aan de richels vast. De klim duurde zes dagen. Toen kwamen ze terecht op de onherbergzame Paramo de Pisba, 4000 meter boven de zeespiegel. Drieduizend mensen waren de mars begonnen. Bolivar leidde 1200 vogelverschrikkers langs de westelijke hellingen van de Andes omlaag. Toch ver­sloeg hij na slechts drie dagen rusten een leger van Spaanse vete­ranen. Deze slag betekende het keerpunt van de hele oorlog.

Na de mars over de Andes rees de ster van Bolivar nog hoger; zijn legers en hulpbronnen groeiden, terwijl de macht van de Spaanse strijdkrachten afnam. Bolivar, die ervan overtuigd was dat vrijheid voor enig Zuidamerikaans land onbestaanbaar was zo lang Spanje nog één kolonie bezat van waaruit het een aanval zou kunnen ondernemen, trok van het ene land naar het andere, zonder zich iets aan te trekken van koloniale grenzen, en hij be­streed de Spanjaarden waar hij ze maar vond. Hij behaalde vier klinkende overwinningen — die elk een heel land bevrijdden, en die elk even vermaard zijn in Zuid-Amerika als welke grote slag uit de geschiedenis ook: Boyaca, Carabobo, Pichincha, Ayacucho.

Het zuidelijke deel van het continent — Chili, en het tegen­woordige Argentinië — was al bevrijd van de Spanjaarden door een andere grote bevrijder, José de San Martin. Toen dus in januari 1826 de Spaanse bevelhebber van Callao in Peru zich overgaf aan Bolivar, werd de laatste Spaanse vlag op het Ameri­kaanse continent gestreken en heel Zuid-Amerika was vrij. Bolivar had 15 jaar gestreden, bijna 500 veldslagen geleverd en een gebied bevrijd dat de tegenwoordige republieken Venezuela, Colombia, Ecuador, Bolivia en Peru omvat.

Toch was het niet alleen om zijn militaire successen dat Bolivar een god voor zijn volk werd. Zijn woorden bezielden hen niet minder. Hij was een van de grootste meesters van het woord van alle tijden. Toen hij stierf liet hij tien koffers vol met manus­cripten na. Eén verzameling van zijn geschriften, die 32 grote delen vullen, vertegenwoordigt slechts een klein gedeelte van het totaal. Voor elk van de bevrijde landen schreef hij een grondwet en organiseerde hij een regering tot in de kleinste bijzonderheden: hij riep een parlement bijeen, regelde de financiën, vormde kabinetten, wees diplomatieke vertegenwoordigers aan en gaf de grote lijnen aan voor de binnen- en buitenlandse politiek.

Zijn profetische blik was als die van een helderziende, zoals uit de latere geschiedenis is gebleken. Hij voorspelde de toekomst van ieder land in het westen voor de eerstkomende honderd jaar. Hij drong aan op de aanleg van het Panama Kanaal, en voorspelde de vorming van een grote unie van Zuid-Amerikaanse republieken die een bolwerk moest vormen tegen de decadente levensbeschouwing van de oude wereld. Hij deed zelfs stappen om tot zo’n unie te komen, en nodigde al de staten uit om afgevaardigden naar een congres in Panama te sturen. Het congres kwam inderdaad bijeen en het werd een mislukking. Ook dat had Bolivar voorspeld. “Maar het zaad zal worden gezaaid,” zei hij, “en eens zal het vrucht dragen.”

Als man bezat Bolivar de persoonlijkheid, de charme en het knappe uiterlijk die zo belangrijk zijn voor een leider van het volk. Tijdens de veldtochten deelde hij in al de ontberingen van zijn mannen; ze noemden hem “Oude IJzervreter”, en verafgoodden hem. Maar hij was ook verzot op muziek en dans, en liet nooit de gelegenheid voor een fiësta voorbijgaan.

Hij had alles bereikt wat hij gezworen had te zullen bereiken; de volgende stap was: een politieke unie van al de nieuwe staten te vormen onder een sterke centrale regering, zo iets als de Ver­enigde Staten. Maar het nationalisme en de politieke partijen die vooral uit waren op hun eigen macht in de afzonderlijke landen, boden felle tegenstand. Oude vrienden, eens zijn kameraden in de strijd, stonden nu tegenover hem als politieke vijanden. De landen die als één man hadden gevochten tegen de Spanjaarden waren nu bereid de wapens tegen elkaar op te nemen. Wanhopig begon Bolivar weer lange reizen te ondernemen, in de hoop eenheid te brengen. Hij had aan gezag nog niets ingeboet. Overal werd hij geestdriftig ontvangen. Maar hij kon niet overal tegelijk zijn. En nauwelijks had hij zijn hielen gelicht of de golven van de tweedracht sloten zich weer achter hem. “Ik heb in de zee ge­ploegd!” riep hij vermoeid en ontgoocheld uit.

Hij was geen voorstander van een zuivere democratie. De Zuid-Amerikaanse volken waren er nog niet rijp voor, meende hij. “Hun ogen zijn nog te kort geleden uit de duisternis van de slaver­nij gekomen om dat heilige, verblindende licht te kunnen ver­dragen.” Wat hij voorstelde voor de verschillende republieken was meer een regering naar het voorbeeld van Engeland dan van Noord-Amerika, met een gekozen Lagerhuis, een erfelijke Senaat, en een president die voor het leven benoemd werd. Hij had natuurlijk steeds als dictator kunnen optreden en alle landen die hij had bevrijd zijn bewind opdringen. Maar hij verafschuwde de dictatuur. Toen eens een groep voorstelde dat hij zich tot keizer moest laten kronen, antwoordde hij : “De titel van Bevrijder is ver verheven boven enige titel die de menselijke hoogmoed heeft be­dacht; het is ondenkbaar dat ik die titel naar beneden zou halen.”

De jaren van ontberingen begonnen hun tol te vragen. Hij was ziek en vermoeid, een oude man op zijn 47ste. Toen hij ten slotte in Bogota vernam dat er dictatoriale regeringen waren gevormd in Venezuela en Peru, in Bolivia en Colombia, wist Bolivar dat dit het einde was. “Ik zal spoedig sterven,” schreef hij. “Mijn rondgang is voltooid. God roept mij.” Hij was vastbesloten elders te sterven, omdat hij geloofde dat zijn aanwezigheid alleen al nog meer tweedracht zou zaaien in de republieken die hij had ge­vestigd. Zijn vrienden smeekten hem te blijven en zijn wil met de wapens af te dwingen. Duizenden zouden zich onmiddellijk aan zijn zijde scharen, zeiden zij. Maar hij weigerde zulke middelen tegen zijn eigen landgenoten te gebruiken.

Toen hij uit Bogota vertrok, stond de gehele bevolking langs de straten, en de mensen huilden toen hij langs reed. De ministers, de regeringsambtenaren en honderden burgers reden met hem mee tot aan de rand van de stad. Daar stegen zij van hun paard en omhelsden hem. Met grote inspanning klom hij in het zadel en verdween uit het gezicht op de weg naar de kust. Nadat Bolivar aan boord van een fregat was gegaan met bestemming Jamaica, werd zijn ziekte erger, en de kapitein zette koers naar de Colombiaanse kust en zette hem aan land in Santa Marta. Ze droegen hem aan wal op een draagbaar — een stelletje botten dat de grootste man van Zuid-Amerika was geweest. Straatarm, vrijwel van iedereen verlaten, stierf hij in Santa Marta op 17 december 1830. Om zijn hals droeg hij een medaillon met de beeltenis van George Washington, dat hij van Lafayette gekregen had.

Toen de bevolking van Caracas eens had voorgesteld een stand­beeld van hem op te richten, zei Bolivar: “Wacht tot na mijn dood, opdat u mij kunt beoordelen zonder vooroordeel. Er moeten nooit monumenten voor een man worden gebouwd tijdens zijn leven; misschien verandert hij, of pleegt hij verraad. U zult mij daar nooit van behoeven te beschuldigen; maar wacht, wacht, zeg ik nog eens.”

Ze hebben hem nu volledig beoordeeld. Twaalf jaar na zijn dood voer er een grote vloot van oorlogsschepen naar de haven van Santa Marta. Naast de kleuren van al de landen die hij had bevrijd, hingen de vlaggen van Engeland, Frankrijk en Nederland halfstok aan de mast. De stad was vol buitenlandse vertegenwoordigers. Bij het langzame gedreun van kanonnen en tromgeroffel werd het stoffelijk overschot van Bolivar op een schuit geplaatst en naar een wachtend schip geroeid. Weldra lichtte de hele vloot het anker, hees de zeilen en voer oostwaarts. Zo kwam het lichaam van Bolivar thuis. Caracas had zich in de rouw gestoken en er waren bogen over de straten gebouwd. Daar­onder reed een lange stoet van hooggeplaatste mannen uit vele landen en daarachter, getrokken door paarden met zwarte kleden, kwam een enorme katafalk, bedekt met kransen en bloemen en gedrapeerd met zwarte zijde. De mensen keken zwijgend toe ter­wijl de stoet voorbij trok op de maat van langzame muziek.

Bolivar had eindelijk de plaats gevonden waarnaar hij in de harten van zijn mensen en in de geschiedenis had gezocht
*ca 1950

.

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: leeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

 

817-752

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (44)

.
Verteltijd ca. 5 min.
.

In de artikelen Pasen (38) en Pasen (43) wordt gesproken over vertellingen voor kleinere kinderen waarmee ze kunnen meebeleven wat er buiten in de natuur rondom Pasen gebeurt.

In onderstaand verhaal heeft de schrijver geprobeerd iets van de zon met de aarde te verbinden. Daarin kun je zeker een paasmotief herkennen.

Het heeft m.i. ook een functie in bijv. de heemkunde, want met een kleine uitbreiding kun je met dit ‘zinrijke’ verhaal de kinderen ook vertellen hoe het graan op aarde is gekomen, dat ons dagelijks het brood geeft.

.

Jörg Undeutsch, Der Elternbrief 04-1993
.

HET ZONNEKOREN – een paasverhaal

.

Er was eens een groot statig gras. Op een dag had een oude boer het ontdekt en meegenomen. Hij plantte het in heel vruchtbare aarde en verzorgde het vanaf dat ogenblik heel liefdevol.
Wanneer het eens een tijd niet regende, gaf hij het water en als het veel te veel regende, groef hij er een diepe geul rondom, zodat het water weg kon lopen. Alle onkruid in de nabije omgeving haalde hij weg. Zo was het gras steeds een beetje groter en mooier geworden. Het dacht er nooit aan groter of mooier te worden, het wilde alleen maar naar het licht groeien; het wilde dichter bij de zon komen.

Daar, in het licht van de zon, woonde een machtige zonnestraal. Ook hij had het grote, statige gras ontdekt, zag hoe het groeide en had het daarbij geholpen. Als er eens wolken voor de zonnestralen, zijn broeders, schoven en zo het licht de weg naar de aarde versperden, vond hij altijd nog wel een opening waar hij doorheen kon sluipen om zo toch nog het gras te kunnen beschijnen.

Toen het gras zo groot geworden was dat het bijna niet meer verder groeien kon, vormde het op de punt een klein schaaltje en hield dat naar de zonnestralen omhoog.
Toen de machtige zonnestraal dat zag, wist hij dat zijn tijd gekomen was. Hij trok zich terug in zijn hart. Steeds dichter bij zijn hart kwam het eind van zijn straal. Voortdurend kleiner en kleiner werd hij, tot hij al het licht in zijn hart verzameld had en hij niets meer was dan een kleine, stralende druppel zonlicht.

Zo liet hij zich vallen. Vanuit de hemel viel hij naar de aarde, naar het gras dat hij zo lang had beschenen. Steeds dichterbij kwam de helder glanzende zonnedruppel op het grote, statige gras af en hij zag dat dit een klein schaaltje op zijn punt naar hem toe hield, net of het riep: ‘Hier moet je in vallen, ik vang je op!’
Zacht viel de zonnedruppel in het kommetje op het puntje van het gras. Dit was zijn huis, zoals een nestje voor de vogels.

Toen de boer dat zag, was hij heel verheugd. ‘Kijk nou toch eens,’ riep hij naar de knechten en meiden, ‘het grote, statige gras dat ik gevonden heb en meegenomen, heeft een zonnedruppel opgevangen.

Op zijn weg van de hemel naar de aarde was de zonnedruppel steeds meer gaan stralen. En ook nu nog was het alsof hij alles wat er om hem heen was, alle licht, alle warmte, alle geuren en klanken in zich op nam. Het leek erop of hij ook het water van de aarde in zich opzoog met alles wat er aan stevige aardestoffen hem door het gras werd aangereikt. Daardoor werd hij steeds steviger en harder. Maar zijn glans verloor hij niet. De zonnedruppel was gerijpt tot een zonnekorenkorrel.

Toen kwam de herfst en daarmee hevige stormen die zelfs zo’n groot en statig, zo’n sterk gras als het onze, toch behoorlijk lastig kunnen vallen. Het gras werd heen en weer geblazen. Er werd aan geschud en gerukt, zo dat het gras dacht dat het nu wel zou breken.

Op een dag was er een heel heftige storm. Toen verloor het gras de zonnekorrel. Het had geen kracht meer om het vast te houden.

Even dacht het gras dat de korrel uit zichzelf was weggesprongen.

De korrel viel op de grond. Hij rolde een beetje heen en weer – en toen verdween hij in een spleet in de donkere aarde. Het gras stond er, toen het de korrel kwijt was, treurig bij en verdorde. De knechten en meiden van de boer jammerden: ‘Het gras heeft de korrel niet kunnen vasthouden. Die is op de grond gevallen en in de aarde verdwenen. Die zullen we nooit meer terugzien.’

De oude boer zweeg.

Stilletjes lag de zonnekorrel in de donkere aarde en wachtte. Hij pakte al zijn krachten samen. En toen de tijd daar was, strekte hij kleine worteltjes uit, tastend in de aarde, dieper en dieper en hield zich daarin stevig vast. Toen stak hij zijn hoofdje omhoog en groeide. En spoedig groeide hij boven de aarde uit; hij ademde de kruidige lucht in, was blij met de warmte die naar hem toe kwam en groeide naar het licht, zijn zonnestralenbroeders tegemoet.

‘Dat gras heb ik nog nooit eerder gezien,’ zei de oude boer tot de knechten en meiden, ‘het moet de zonnekorrel zijn.’

Het koren groeide verder. Het werd groter en statiger dan het grootste en statigste van alle grassen. Hij werd zo groot dat hij met zijn hoofd het lichtrijk van de zon bereikte, waaruit hij ooit vandaan was gekomen.

Toen werd hij geel, stralend geel, zoals hij als zonnekorrel was geweest. Zo stond hij daar, met zijn hoofd naar de hemel en zijn voeten diep in de aarde: een gras en een zonnestraal.

.

Grohmann: grassen en granen

5e klas: geschiedenis
.

Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Ritmen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen

.

816-751

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (43)

.

Hans Harres, Der Elternbrief 04-1992
.

wij vieren Pasen
.

Tot het leven van de mens in het ritme van het jaar behoren al sinds ‘de eeuwigheid’ de vier jaarritmen: lente, zomer, herfst en winter.
Is het ‘toeval’ of de bedoeling van hogere geestelijk-goddelijke machten dat ook de grote feesten die de christenheid in het jaar viert, dikwijls aan het begin van een nieuw jaargetijde liggen?

Tegen het begin van de lente, dus in maart of begin april wordt het paasfeest gevierd. Pasen is wat de datum betreft een beweeglijk feest; het valt – door een besluit van het Concilie van Nicea in 325 altijd op de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente.

De voorloper van Pasen daarentegen, het joodse paasfeest, viel steeds precies op de eerste vollemaansdag na het begin van de lente, zonder rekening te houden met de dag van de week.

Het eerst mogelijke feest kan dus volgens de huidige regeling op 22 maart vallen, het laatste op 25 april, daar zitten dus 35 dagen tussen. Van deze datum is ook die van Pinksteren afhankelijk; dit hoort dus ook tot de beweeglijke feesten.

Bij het begin van de zomer en wel op 24 juni wordt het Sint-Jansfeest ter herinnering aan Johannes de doper gevierd, dikwijls met grote vreugdevuren. In dit jaargetijde staat bij ons de zon op de zomerdag om 12 uur in de middag op het hoogste punt; dit is de langste dag en daar tegenover staat dus de kortste nacht.

Het Michaëlsfeest vieren de christenen tegenwoordig zeker niet meer zo als een 100 jaar geleden, dus bij het begin van de herfst wanneer dag en nacht even lang zijn.

Bij het begin van de winter, op 21 december,  de kortste dan en langste nacht beleven, wordt het zeker bekendste (en waarschijnlijk door de geschenken ook het meest gewilde) van alle christelijke feesten gevierd op 25 december: Kerst als het geboortefeest van Jezus Christus.

Maar niet alleen de christenen vieren hun grootste feesten aan het begin van een nieuw seizoen, ook veel andere ‘natuur’volken, heidense enz. hadden op deze tijdstippen uit kosmische wijsheid en kosmisch weten dikwijls hun heilige feesten.

Waar komt de naam Pasen vandaan

De naam Pasen (omdat dit artikel uit het Duits werd vertaald staat hier Ostern) komt als Ostern alleen in het Engels (Easter)  en het Duits voor. Hij berust blijkbaar op een vergissing. De kerklatijnse naam voor paasweek (Osterwoche) ‘Albae paschales’ werd abusievelijk lang verwisseld met het Oud-Hoogduits ‘austro’ – in het meervoud: ostarun – wat zoveel betekent als ‘morgenrood’. Rond ongeveer 600 na Chr. kwam deze verkeerde naam in Engeland door de vertalers van Augustinus, die de Angelsaksen tot het christelijk geloof bekeerd had.

Zeker bestaat ook de afleiding van de naam Ostern uit het Germaanse spraakgebruik die toch nog meer van toepassing lijkt. Lang voor de Germanen bekeerd werden, vierden ze het feest van de lentegodin Ostara aan het begin van de lente en het is vrij zeker dat deze naam later door de bekeerde Germanen voor het feest van de opstanding van Jezus – Ostern – werd overgenomen.

Hoe vieren we Pasen met de kinderen
.
De christelijke opvatting, de christelijke cultuur verbindt met het paasfeest de kruisiging en de lichamelijke dood van Jezus Christus op ‘de eerste’ Goede Vrijdag in de wereldhistorie en zijn opstanding drie dagen later op de historisch ‘eerste’ paasmorgen. Voor de gelovige en belijdende christen behoort wat er met Pasen plaatsvindt tot de centrale gebeurtenis van de geschiedenis der mensheid; volgens zijn inzicht en geloof is Jezus Christus voor alle mensen voor hun verlossing als mens geboren en heeft hij ook de fysieke dood (door de kruisiging) geleden en op zich genomen.

Daarom is het wel te begrijpen dat met name in het verleden, gelovige ouders, kerkelijke en niet – kerkelijke opvoeders – van godsdienstfanaten afgezien – er betrokken mee bezig waren de historische achtergrond en de betekenis van Goede Vrijdag en Pasen de kleine kinderen zo vroeg als mogelijk mee te geven en te verklaren, opdat zij zoveel mogelijk ‘goede’ en gelovige christenen zouden worden.

Het kan zijn dat deze goed bedoelende mensen juist het tegenovergestelde hebben bereikt: welk kind zou dood en opstanding nu al in begrippen kunnen vatten. Hebben wij zelf als volwassenen niet vaak problemen met het begrijpen van de diepere achtergronden van de werken van Christus en zijn daden en uitspraken?

Zijn er andere, misschien betere mogelijkheden om aan de kinderen het paasfeest op het niveau van hun leeftijd bij te brengen, de gebeurtenissen voor hen levendig te omschrijven?

Pasen in de natuur

Het paasfeest is onlosmakelijk verbonden met het begin van de lente. Naar aanleiding van deze bijzondere tijd van het jaar waarin het nieuwe leven uit de door het winterproces afgestorven natuur weer opnieuw ontspringt, werd sinds mensenheugenis bij vele volken een opgewekt, vrolijk voorjaarsfeest gevierd en werden de goden dank en offers gebracht. Oorspronkelijk was het lente- respectievelijk paasfeest noch joods noch christelijk, het was een ‘heidens’ feest. De weer uitlopende, ontkiemende natuurkrachten hebben de ‘doodskrachten’ van de winter overwonnen; de hoop voor het nieuwe begin, de hernieuwde opstanding van licht- warmte- en groeikrachten kiemde. In die oudere tijden was de winter met zijn ijzige kou, duisternis, vele ontberingen en last en de weinige voedingsmiddelen – er was geen centrale verwarming, elektrisch licht enz. ook geen moderne mogelijkheid om voorraden te bewaren – het hardste van alle seizoenen waarin de meeste mensen stierven en wel het meest door honger, kou, ontbering en talloze ziekten. 

Daarom begrijpen wij en de kinderen wel, wanneer we terugkijken in de cultuurgeschiedenis, dat de mensen het begin van de lente met jubel en vrolijke feesten gevierd hebben en hun goden en heiligen dankten, omdat zij de winter overleefd hadden en voor een hoopvol nieuw begin stonden.

Maar niet alleen de mensen begroetten en vierden de terugkeer van de lente, ieder jaar begroet en viert ook heel de natuur de opklimmende warme zon, het terugkerende levend brengende licht; de vogels jubileren met hun zang; vele mensen vinden elkaar in de liefde en verbinden zich en de voorjaarsbloemen betonen hun vreugde met de allermooiste bonte kleuren.

Wie herinnert zich dan nu niet ‘Osterspaziergang’ uit de Faust van Goethe:

Vor dem Tor

Vom Eise befreit sind Strom und Bäche
Durch des Frühlings holden, belebenden
Blick,Im Tale grünet Hoffnungsglück;
Der alte Winter, in seiner Schwäche,
Zog sich in rauhe Berge zurück.
Von dort her sendet er, fliehend, nur
Ohnmächtige Schauer körnigen Eises
In Streifen über die grünende Flur.
Aber die Sonne duldet kein Weißes,
Überall regt sich Bildung und Streben,
Alles will sie mit Farben beleben;
Doch an Blumen fehlts im Revier,
Sie nimmt geputzte Menschen dafür.
Kehre dich um, von diesen Höhen
Nach der Stadt zurück zu sehen!
Aus dem hohlen finstern Tor
Dringt ein buntes Gewimmel hervor.
Jeder sonnt sich heute so gern.
Sie feiern die Auferstehung des Herrn,
Denn sie sind selber auferstanden:
Aus niedriger Häuser dumpfen Gemächern,
Aus Handwerks- und Gewerbesbanden,
Aus dem Druck von Giebeln und Dächern,
Aus der Straßen quetschender Enge,
Aus der Kirchen ehrwürdiger Nacht
Sind sie alle ans Licht gebracht.
Sieh nur, sieh! wie behend sich die Menge
Durch die Gärten und Felder zerschlägt,
Wie der Fluß in Breit und Länge
So manchen lustigen Nachen bewegt,
Und, bis zum Sinken überladen,
Entfernt sich dieser letzte Kahn.
Selbst von des Berges fernen Pfaden
Blinken uns farbige Kleider an.
Ich höre schon des Dorfs Getümmel,
Hier ist des Volkes wahrer Himmel,
Zufrieden jauchzet groß und klein:
Hier bin ich Mensch, hier darf ichs sein!

VOOR DE POORT

Van ijs bevrijd zijn rivier en beken,
door de stralende blik van de lente ontdooid,
het dal is hoopvol met groen getooid;
de oude winter is uitgeweken
naar barre hoogten, al vluchtende gooit
hij machteloos, met bevende hand
ijzige korrels in straffe vlagen
over het groen-gestreepte land.
Maar de zon kan geen wit verdragen,
overal is er een kiemen en streven,
alles probeert ze weer kleur te geven,
maar bloemen ontbreken nog op de wei,
dus neemt ze mensen in feestkledij.
Draai je om! Daarbeneden ligt onze stad.
Zie wat er alles staat te gebeuren:
uit de poort, dat sombere holle gat,
stromen de mensen in vrolijke kleuren.
Ze zoeken de zon op, hun grootste gemis,
en vieren dat Christus herrezen is
want zijzelf zijn opgestaan:
uit hun muffe hokjes naar buiten gegaan,
moe van het juk van nering en werken,
te lang onder gevels en daken gebukt,
door gangen en steegjes benauwd en bedrukt,
ontsnapt aan de heilige nacht van hun kerken
vonden ze allen de weg naar het licht.
Kijk al die mensen, een prachtig gezicht-
krioelen langs velden, tuinen en perken.
Op de brede rivier zie je boot na boot
aan komen drijven, een vrolijke vloot;
en kijk, tot zinkens toe beladen
sluit dat pleziervaartuig de rij.
Zelfs op de berg trekt langs de paden
in de verte een bonte stoet voorbij.
Het dorpje is vol gegons en gewemel,
hier vindt het volk zijn ware hemel,
je hoort het gejuich van groot en klein:
hier ben ik mens, hier mag ‘k het zijn.

(vertaling: Ard Posthuma)

Offerfeesten in het voorjaar

Toen de individuele mens in het stadium verkeerde waarin hij veel meer een deel van een groep was en in de mensheidsontwikkeling nog niets individueels ontwikkeld had, dus nog geen ‘Ik’ of een persoonlijkheid was zoals wat we daar nu onder verstaan, was er in veel volksgroepen verspreid over de hele wereld sprake van mensenoffers – naast dier- en plantenoffers – als dankgave aan hun hogere goden. Toen in de loop van de ontwikkeling het menselijke bewustzijn zich steeds verder ontwikkelde, werden de mensenoffers steeds vaker vervangen door het offeren van dieren; dat hield later ook op naarmate een volk of een volksgroep zich verder ontwikkelde.

Aan het offeren van mensen herinnert ons nog het verhaal rond Abraham die voor God zijn zoon Izaak moet doden en moet offeren, waartoe Abraham zonder aarzelen bereid was. Toen hij het mes om de dodelijke steek toe te brengen al getrokken had, gaf een stem uit de hemel hem het gebod niet verder te gaan en in plaats van zijn zoon een lam te offeren. Hieruit ontstond het gebruik om met Pasen – lentetijd – het paaslam te offeren.

Toen later het gevangen volk van Israël Egypte wilde verlaten en moest, was het tegen de Pasen, eind maart, begin april; toen at men gemeenschappelijk het paaslam met de ongezuurde broden met bittere kruiden, zoals het heet. Het bloed van het paaslam werd op de deurposten van de huizen gestreken; daarmee zou het onmogelijk worden dat ‘de boze’ het volk van Israël zou vernietigen. Zoals in Exodus 12 – 12, 23 is beschreven, gaat de ‘boze’, ook de ‘verderver’ genoemd aan die mensen voorbij en spaart hen die afzien van het verdere verblijf in Egypte. Dat ‘sparen van het leven’ en in zekere zin ‘het voorbijtrekken’ heet in het Hebreeuws ‘pe’sach’ en dat werd tot Passahfeest’ d.w.z. het offerlam werd onderdeel van het joodse paasfeest.

Het opstandingsbeleven bij andere volken

Wat er in de jaargetijden gebeurt, het sterfproces van de natuur in de winter en het weer opbloeien in het voorjaar, kennen vanzelfsprekend talloze volken over de hele aarde, zoals we dat uit hun mythen en vertellingen tegenwoordig precies weten.

In het oude Egypte was het Osiris die stierf en altijd weer opnieuw tot leven kwam.
Al het leven van de Egyptenaren werd enkel en alleen bepaald door de Nijl die eenmaal per jaar de smalle stroken land tussen de beide grote woestijnen rechts en links van de rivier met haar levensbrengend water en vruchtbaar slib overstroomde en zo het land niet alleen van water, maar ook van vruchtbare meststof voorzag.

In het tweestromenland van de Assyriërs en Babyloniërs was het de god van de vegetatie Tammuz die tegen de tijd van Pasen in het voorjaar tot nieuw leven werd opgewekt.

Een symbool voor het proces van sterven en weer opstaan is ook de geschiedenis van de vogel Phoenix  die zichzelf steeds weer in het vuur verbrandt en daaruit steeds weer jong, met nieuwe levenskrachten begiftigd, opstaat.

In het land van de Syriërs , Kanaän genoemd, werd aan het begin van de lente de semitische weer- en hemelsgod Baäl, de grootste van alle goden van dit volk, weer geboren.

Ook het volk van de Oude Grieken kende de dood en de wederopstanding; bij hen was het de schone jongeling Adonis, die ook na zijn aardse dood tijdens de winter in de onderwereld moest verblijven, maar die met het voorjaar weer terug mocht in het licht van de wereld, dus opstond.

Zo is er nog bij veel meer volken het feest van de wederopstanding van de natuur- en levenskracht, dat met grote dankbaarheid en blijdschap wordt gevierd.

Pasen in de sprookjes

Op de diepere en wijsheidsvolle betekenis van het zich steeds weer herhalende leven in de natuur kun je je bezinnen en dat loont de moeite want het is het lot van ieder van ons dat we dit, doordat we geboren worden en weer sterven (en weer geboren worden voor zover je dit kunt aannemen) meemaken.

Aan de jonge kinderen kun je dit leven dat zich steeds weer in de natuur herhaalt op een begrijpelijke manier bij brengen door bijv. het prachtige sprookje van Grimm ‘Doornroosje’.
Het 15-jarige Doornroosje viel, nadat ze zich op haar verjaardag aan een spintol had geprikt, in een honderdjarige doodsslaap, waaruit ze door een prins met een kus werd opgewekt.

Wellicht nog dieper wordt de wijsheid van dood en wedergeboorte van de mens, dus het beeld van de vernieuwde opstanding van de ziel, dat is het paasmotief, in het sprookje van de wachtelboom verbeeld.
Wijze leiders der mensheid hebben deze en andere verhalen, ook sproken genoemd, zeer lang geleden gevormd om de mens van die tijd die beeldend dacht, en nog niet zo zeer met het verstand kon leren en gevormd worden, te vertellen over kosmisch-geestelijke en aardse natuurgebeurtenissen, over de achtergronden van hemel en aarde.

In het sprookje van de wachtelboom wordt het paasmotief van dood en opstanding van de ziel duidelijk verbeeld.
De boze stiefmoeder doodt haar stiefzoon. Zijn zusje legde zijn beenderen in een witte doek onder een wachtelboom, waaronder zijn moeder al begraven lag. Uit de boom stijgt een nevelwolk omhoog die tot een vlam wordt. Daaruit vliegt een wonderschone vogel op, (het Phoenixmotief), die prachtig begint te zingen, zo dat alle mensen hun werk en waarmee ze bezig zijn laten voor wat het is om naar hem te luisteren en hem te bewonderen. Hij is als de weergeboren paaszon.
Op het eind van het sprookje wordt de boze stiefmoeder door een zware molensteen verpulverd; uit een vuur komt haar zoon, levend herboren.

Als deze twee sprookjes zijn er nog veel andere waarin het motief van dood en opstanding tot nieuw leven wordt geschilderd.

Sneeuwwitje die na een beet in de vergiftigde appel voor dood in de glazen kist ligt en weer levend wordt, kent ieder kind, net zoals Roodkapje die door de wolf met huid en haar wordt verslonden en door de jager weer in het licht van de zon teruggehaald wordt.

Ook in Vrouw Holle zit hetzelfde motief; Goudmarie en Pekmarie vallen in de met water gevulde bron en komen – lichamelijk dood – in een andere wereld waaruit ze, na goede of slechte werken, weer terugkeren naar de andere wereld.

Wie de sprookjes van de gebroeders Grimm kent of leest, zal nog een paar andere vinden die verhalen van dood en opstanding.

Deze sprookjes zijn zeer geschikt om aan kinderen tot (en met) de tweede klas te vertellen, als je ze beeldend bij wilt brengen wat er aan het begin van de lente, rond Pasen gebeurt. Wanneer je de kinderen deze sprookjes vertelt is het wel heel belangrijk dat je ze die met een inlevend bewustzijn vertelt, wanneer je zelf probeert je in te leven in wat met Pasen gebeurt.
Net als met het vertellen van andere sprookjes; wanneer je als volwassene deze met hun diepe wijsheidsvolle beelden doorgronden en accepteren kan, werken ze bij het vertellen aan de kinderen met veel inniger kracht verder waardoor zij in hen waardevolle opbouwende en sterker makende helpers kunnen vinden voor hun toekomst.

Verhalen voor de oudere kinderen

De kinderen die op een vrijeschool zitten, krijgen in de 3e klas de grootse verhalen uit het Oude Testament; in de 4e klas de sagen van de Germanen, door hun leerkracht verteld.

De kinderen hebben nu een ander bewustzijn gekregen (zijn de Rubicon overgestoken) en zij kunnen nu de verhalen over het Joodse volk horen. De uittocht uit Egypte van het volk Israël (tot aan de Sinaï) en de betekenis van het offer van het paaslam – hierboven beschreven.

Vanaf klas 6-7 , dus vanaf 12-13 jaar kun je de kinderen ook verhalen uit het Nieuwe Testament vertellen zonder over hun hoofden heen te spreken. Met hun bewustzijn kunnen ze steeds beter het dode, abstracte opnemen. Bij de dood echter, hoort ook steeds het leven, het opnieuw geboren worden; die feiten mag je niet verre van hen houden om hun niet het gevoel van angst, maar dat van vertrouwen en uitzicht te geven.

Paasgebruiken – paasgewoonten

Wat zou het paasfeest in een gezin zijn zonder  hopelijk zelf beschilderde bonte paaseieren en zonder de paashaas.
Wat heeft dat met het ei, met het ‘paasei’ van doen

Wel, steeds al gold het ei als symbool van het (nieuwe) leven en van de vruchtbaarheid. Je moet bij deze beschouwing niet meteen aan het kippenei denken; vele zaden die in zich de kiem van de nieuwe plant dragen, vele eieren van dieren – en natuurlijk ook die van de vrouw – zijn bolvormig rond en zijn daarmee niet alleen een beeld van de aarde, maar ook van de totale kosmos. De kosmos echter draagt – zoals ook het ei – alle krachten voor het nieuwe leven dat ontstaat, in zich. Omdat het kippenei ook nog eens goed te verteren is, dus als voedsel te gebruiken, heeft men het wellicht als plaatsvervangend voor alle zaden en kiemen als symbool voor het nieuwe, wordende leven genomen en heeft zich juist in de lente daaruit in vele volken een gewoonte  ontwikkeld.

Het is bekend dat de Chinezen 4- tot 5-duizend jaar geleden al elkaar bij het begin van de lente bont versierde eieren cadeau gaven. Ook uit de geschriften en verhalen uit de Oudperzische cultuur; die van de Indiërs, Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken, Finnen en Germanen en andere volksgroepen weten wij, dat de mensen elkaar beschilderde eieren gaven of dat het ei een bijzondere offergave voor de goden betekende.

In een Indische mythe wordt verteld dat in het oerbegin alle Zijn uit een reusachtig ei dat in een zilver en een gouden helft splitste, zich de hemel en de aarde hebben gevormd.

Een oude Perzische sage verhaalt dat eens een reusachtige stier met zijn puntige hoorns het grote wereldei opengestoten heeft en dat alle levende wezens voor de aarde daaruit kwamen. In het geloof van de Oude Perzen was de wereld waarin nog geen kwaad bestond, een reusachtig groot licht-ei. Zij gaven elkaar later bij het begin van de lente vooral rood beschilderde eieren.

In een Fins scheppingsverhaal ontstaat uit een groot gouden ei dat in twee helften brak, hemel en aarde. Uit de gele dooier werd de stralende zon gevormd.

In de Romeinse catacombengraven heeft men nagemaakte eieren gevonden uit louter zilver.

Uit al deze mythen en sagen ontstonden steeds weer nieuwe gebruiken om elkaar versierde en geschilderde eieren te geven. Eieren van kippen en ook van andere vogels, maar ook kunstzinnig gemaakt van goud, zilver en edelsteen.
Na de uitvinding van het horloge werden er ook kostbare uurwerken in de vorm van een ei gemaakt.

Wij beschilderen eieren
Wie zelf graag eens eieren met natuurverf zou willen beschilderen, kan dat als volgt doen:

Een tot twee handjes uienschillen een paar minuten in een liter water gekookt en daarbij dan de eieren koken tot ze hard zijn. Hoe langer de eieren hierin koken, des te donkerder de schalen worden; je kunt het uitproberen.

Ook met zwarte thee kun je de witte schalen bruiner maken. Groen krijg je door brandnetels; rood door rode bieten, geel door saffraan of karwei als je dit van te voren eerst kookt. Doe je azijn in het water, dan worden de kleuren vaak intenser. Wie na het koken de eieren met olie of spekzwoerd inwrijft, krijgt mooie, glanzende exemplaren.
Plak je vóór het schilderen kleine blaadjes erop, of grashalmpjes o.i.d. en je doet er dan verband of tule omheen en je kookt ze dan in het plantenvocht, zie je naderhand de mooie patroontjes op de eierschalen als je de blaadjes er dan afhaalt.

Je kan de eieren natuurlijk ook met bonte waslaagjes beplakken of met waskrijt bewerken. Wanneer de eieren nog warm zijn, smelt de kleur van de waskrijtjes en dan kun je dit mooi uitwrijven of dat weer mengen. Je kunt – papier eronder – het drogen met de föhn.

Er zijn nog veel meer technieken om eieren te beschilderen of met kleurig papier te versieren, nesten en diertjes te knutselen.

Er zijn veel boekjes in omloop met voorbeelden.

Wie het geluk heeft in een omgeving te wonen waar in het bijzonder de dorpsbronnen met honderden eieren versierd worden, rijdt door die dorpen om ze te bewonderen. Je vindt ze soms in de kleinste dorpjes. In deze streken is het ook de gewoonte om struiken en bosjes in de tuin en in huis met bont beschilderde eieren te versieren.

Natuurlijk behoort het voor de kinderen wel tot het mooiste van de paasbelevingen om in de tuin of de vrije natuur eieren te zoeken die de ouderen daar van te voren hebben verstopt. Misschien krijg je onderweg nog een idee om een zinvol verhaal te vertellen over de paashaas.

 

Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Ritmen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen

 

815-750

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (42)

.

Karl-Heinz Wiedner, Der Elternbrief *04-1992
.

Pasen – feest van leven en vruchtbaarheid
.

Om nauwelijks een feest zijn zoveel gebruiken geweven op de hele wereld als om Pasen, als het belangrijkste feest van het kerkelijk jaar – in dat in drieërlei opzicht: terugblikkend wordt het afscheid van de winter vrolijk gevierd, met Pasen zelf staat het ei als actueel vruchtbaarheidssymbool op de voorgrond in vele gewoonten en symbolen en met het oog op hopelijk een goede oogst gedurende het jaar worden sommige paassymbolen met zegen brengende handelingen verbonden.

Paasvuren brengen vruchtbaarheid

Veel paasgebruiken zijn in de loop van de tijd in de vergetelheid geraakt; bij andere trad er een vermenging op van christelijke mythen met heidense gewoonten.
Zo wordt Pasen als het feest van de opstanding van Jezus en tegelijkertijd als vernieuwing van de natuur gevierd.
In voorchristelijke tijd kwamen de voorjaarsfeesten op de eerste plaats en dat niet zonder reden: in het oude Rome viel het nieuwjaarsfeest in maart en dus viel het samen met het ontwaken van de natuur.

Op Witte Donderdag – vaak al op de maandag ervoor – begint in veel streken het paasfeest. Het ei krijgt overal een bijzondere symbolische betekenis: zoals het kuiken uit het ei, zo verrijst Christus uit het graf.
Je mag echter – zoals in het Sauerland gebruikelijk is -nooit met ‘martelgereedschappen’ werken: (spijkers en hamer); tot de eigenlijke feestdag geen schoon hemd aantrekken, niet je haar kammen, geen dieren slachten en je moet door lawaaierige optochten met fakkellicht in de paasnacht de ‘geesten’ van de kou, van de winter en de verstarde natuur verdrijven.
Misdienaren in Rheinland gaan vandaag de dag* nog tegen de tijd dat de klokken gaan luiden met fluiten, ratels en kleppers door de straten, de plaats van de klokken innemend en ze willen kleine paasgeschenkjes hebben.

Globaal is Stille Zaterdag het einde van de Vasten en geeft dus aanleiding genoeg om zich op het vreugdefeest Pasen grondig voor te bereiden. Paaswielen worden met stro omvlochten en brandend de heuvels afgerold, net zo bekend zijn de paasvuren – symbolisch wordt daarbij de winter verbrand en het vuur geeft vruchtbaarheid aan de akker.
Gezegend paaswater helpt bij de persoonlijke wasbeurt en om de vastenvierders af te leiden en wat vrolijker te stemmen, zouden er nu nog pastoors zijn die aan de gelovigen in de kerkdienst vóór het feest paassprookjes zouden vertellen met vrolijke onderwerpen.

Metalen eieren luiden Pasen in

In het Maindal en de regio Fulda gaat de jeugd tegen Pasen met houten ratels lawaai makend door stegen en buurten om – zoals de sterrenzanger** in januari verzamelt – maar nu om eieren en zoetigheid op te halen. Overal kom je daar kransen uit bukshout gevlochten tegen in de vorm van een kroon en versierd met een gouden metalen kruis. Versierd met o.a. bontgekleurde randen en slingers waaraan paaseieren hangen. Vaak wordt de kroon over een Mariabeeld bij de dorpsbron geplaatst.
Vaak hangt er ook een groen gevlochten streng waar je de plaats binnenkomt; in het midden ook weer van deze paaskronen.
Naast eierbomen in de plaats zelf begroeten vele gemeenten in het Fuldadal het binnenrijdende verkeer in de paastijd met guirlandes van groene struiktakken; er hangen aan kleurige linten vele metalen eieren aan die in de wind een kling-klangend geluid maken. Op deze manier begint Pasen.

Het is ondoenlijk om al de verschillende paasgebruiken op te tekenen, zoals bv. de paasnesten op palen met een haas of een kip daarin, zoals in Hohenlohe de gewoonte is.

Overal echter, ontstonden bijzonder veel gewoonten rondom het ei.

Paaseieren als kleine kostbaarheden

Symbool voor het leven was het ei al bij de oude Chinezen die ervan uitgingen dat de wereld eens alleen maar door water bedekt was, waaruit als ‘oercel’ het ei opdook, vast land werd en het leven liet ontstaan. Vast staat dat het ei overal als een symbool geldt voor de scheppingsgeschiedenis, als brenger van het leven en in vele landen als ‘zetel van de ziel’ werd gezien.
Eieren werden gebruikt als offergave bij huis- en dijkenbouw. Eieren golden en gelden als tover- en geneesmiddel tegen kwalen en blikseminslag, werden in de stal verstopt of op de graanakker als symbool van de vruchtbaarheid of daar na de oogst opgesteld, zoals dat nu nog gaat met struikjes uit dankbaarheid in het Welzheimer Woud.
Vaak voorkomend zijn de gebruiken om het ei waar het om de tover van de liefde gaat, daarop wijzen de eieren op met spreuken die geschonken worden.
Maar niet alleen gelukwensen en toverspreuken weven zich rond de paaseieren. In ieder land, iedere streek hebben zich aparte gewoonten ontwikkeld die in ere worden gehouden om eieren te versieren.
In Tsjechië worden eieren beplakt met gestreken strohalmen; de Sorben gebruiken kras- en batiktechnieken; bij de Hongaren vind je gehaakte; met bloemmotieven; in Roemenië met voorstellingen van het Avondmaal, als wasbatik bekend. Op tentoonstellingen vind je eieren uit Polen met woldraden versierd; uit Silezië mobiles met eieren; uit Hessen waarop heel klein geschreven is, iconeneieren uit Rusland, van klei en onyx uit Mexico en uit ivoor (China) en papier-maché uit Pakistan. Veel van deze eieren waren altijd al en zijn dat nog steeds onbetaalbare kostbaarheden, vooral als ze van metaal, porselein, emaille, ivoor of zelfs van goud zijn.

Ook de patronen hebben altijd wel een bepaalde betekenis: golven bv. als symbool voor het eeuwige leven; puntjes als ‘de tranen van Maria’.
Goud geldt als goddelijke kleur, rood is de offerkleur, groen betekent hoop, blauw bestendigheid. Vorm en kleur kunnen met allerlei technieken op deze meest verschillende manieren variëren en geven het paasei zijn onvergelijkbare betekenis, of je de eieren nu verft, dan wel bestempelt, batikt of krast, marmert of appliqueert.
.

**sterrenzanger in het kerstspel

Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Ritmen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen

 

814-749

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (41)

.
Verteltijd ca. 8 min.
.

Elisabeth Klein, Der Elternbrief 04-1966
.

Een verhaal over paaseieren voor kinderen rond de leeftijd van 6
.

DE PAASEIEREN
.

Een kuiken dat nog niet zo heel lang geleden het licht in de wereld voor het eerst zag, besloot eens een uitstapje te maken in deze wereld. Vergenoegd rende het langs een beekje, tot het plotseling stijf van schrik bleef staan. Een vreselijk ondier waarvan het gevaar vooral aan de reuzenoren af te lezen was, kwam het nu juist van daar tegemoet, waar het naartoe wilde gaan. Het nieuwsgierige kuiken maakte meteen rechtsomkeer en rende terug naar waar het vandaan was gekomen.

Het monster echter waarvoor het op de vlucht was geslagen, was een jonge haas die ook op zijn eerste ontdekkingsreis was. Hij was nietsvermoedend langs de beek gehuppeld, hier eens een groen grassprietje plukkend, en daar eens over de grond snuffelend, tot hem ook een hoogst gevaarlijk wezen tegemoetkwam. Een vogel was het, niet erg groot, maar met scherp spiedende ogen en een weinig uitnodigende, spitse snavel. Kort en goed, onder deze omstandigheden leek het de haas beter het hazenpad te kiezen. Pas bij de rand van het bos hield hij stil en gluurde voorzichtig achterom om te kijken hoe ver zijn achtervolger gekomen was. Maar met de beste wil van de wereld kon hij daarvan alleen nog de wegrennende achterkant zien. ‘Er is dus een dier,’ dacht hij verzaligd, ‘dat voor mij op de vlucht slaat. Dat moet een heel aardig dier zijn.’

Intussen was ook het kuiken blijven staan om op adem te komen en ontdekte nu dat het vermeende ondier overduidelijk de benen had genomen.

En wat deden de beide helden nu?

Heel voorzichtig liepen ze weer op elkaar af, tot ze bij elkaar waren en elkaar, een beetje beschaamd, groetten. Van toen af aan mochten zij elkaar en er ontstond een mooie vriendschap. Je kon ze heel vaak samen zien. Dat had tot gevolg dat ook hun familie met elkaar kennis maakte en zij vonden elkaar aardig. Dat was heel belangrijk, want dit allemaal is alleen maar verteld omdat het door deze vriendschap is gekomen dat er nu paashazen en paaseieren zijn. Dit zit zo.

De hazen en de kippen die beide rond Pasen vele kleintjes hebben, behoren tot de meest vredelievende dieren die er op de wereld bestaan. En vooral die waarover hier wordt verteld, waren heel erg zachtaardig. De oude kip had half onder een struik een mooi plekje ontdekt waar ze besloten had te gaan broeden. De hazen, die nog nooit eieren hadden gezien, konden er maar niet genoeg van krijgen naar die mooie, witte, ronde eieren te kijken en toen de hen dat zag, schonk zij ze aan de hazen. Ze wist dat ze nog genoeg eieren zou kunnen leggen.

En daar zaten heel de hazenfamilie en heel de kippenfamilie bij elkaar bij de struik waar de eieren lagen en ze raakten in gesprek.

‘Waar komt de wereld eigenlijk vandaan’, vroeg de oude grijze haas. ‘Wij komen uit het bos waar onze ouders woonden, maar waar komt de wereld vandaan?’

‘Dat kan ik jullie wel zeggen,’ antwoordde de oude hen gewichtig. ‘Dat kunnen alleen de kippen weten.

D e  w e r e l d  k o m t  u i t  e e n  e i.’

En ze vertelde over het broeden van haar eigen eieren.

‘Dan moet er ook iemand geweest zijn die het wereldei uitgebroed heeft,’ zeiden de hazen. ‘Ja, zeker,’ gaf de hen ten antwoord, ‘zonder broeden gaat het niet. Dan kan er niets uit het ei komen. Dat heeft de grote wereldvogel gedaan die het ei heeft gelegd. Die heeft het ei warm gehouden en uitgebroed.’

Dat vonden de hazen geweldig en ze keken heel blij naar de eieren. Zij wisten niet dat het die dag toevallig paaszondag was.

‘Hoe is het dan verder gegaan met dat wereldei?’ vroegen de hazen; maar toen hoorden ze plotseling allemaal muziek. De zon was in volle glorie opgekomen en ze straalde op de eieren die oplichtten, die anders onder de hen gelegen zouden hebben. De muziek klonk en de hazen, die erg muzikaal zijn, begonnen op hun achterpootjes op de maat mee te dansen. Hun oren, lang en kort, waren net de noten die bij deze muziek hoorden. Een leeuwerik had zich in de lucht begeven en zong hetzelfde lied en prees het licht.

En terwijl de leeuwerik zong en de zonnestralen de eieren aanraakten, kregen ze voor de ogen van de hazen en de kippen bonte kleuren. Door de stralen van de zon kregen ze kleur, omdat het deze morgen paasmorgen was en de zon een heel bijzondere kracht had. De zon geeft immers ook de kleur aan de bloemen en dikwijls aan de regenboog en aan de hemel. En op deze dag kleurde ze de eieren.

En terwijl de hazen en de kippen dit alles sprakeloos beleefden, herinnerde de oude haas zich plotseling iets over de wereld.

‘Eerst was daar de wereldvogel en het wereldei,’ zei hij ‘en toen scheen het licht op het wereldei, zodat het met alle kleuren straalde.’

De oude hen vroeg: ‘Mag ik de geschiedenis verder vertellen, want dit is nog niet alles. In het ei zat een zilverkleurige vloeistof en een gouden bol. Zoals dat ook in mijn eieren zit. Eèèèindelijk was dit ei met het water en de bol rijp. Als dat bij mijn eieren het geval is, dan is er een gepiep en gepik en de harde schaal breekt en komt er een goudgeel kuiken tevoorschijn, dat meteen zijn kopje omhoog steekt. Zo moet het met het wereldei ook zijn gegaan. De schaal brak en de wereld en de mens en wij allemaal wandelden naar buiten, want het was wel een oneindig groot ei.’

‘Ja, zo móet het wel gegaan zijn,’ zei de oude haas nadenkend en ging weer liggen. De muziek was ook opgehouden. En hij deed zijn oren naar beneden.

Daar lagen nu tussen de hazen en de kippen de gekleurde eieren. ‘Wat kunnen we nu het beste met de eieren doen die we van de lieve kippen hebben gekregen?’ vroeg de kleine haas, waarover we het in het begin hadden.

Op dat ogenblik kwamen de kinderen van de boer, van wie de kippen waren, aangesprongen op de weg die vanaf de boerderij langs de beek liep. ‘Ik weet het,’ zei de kleine haas, die het vriendje van het kuiken  was. ‘We hebben de eieren zelf gekregen. We geven ze weg aan de kinderen van de boer die daar aankomen. Dat is het beste wat we ermee kunnen doen.’

En dat werd gedaan. De kleine haas ging naast de eieren zitten aan de oever van de beek. Hij ging op zijn achterpoten zitten, zodat de kinderen hem wel moesten zien. Wat juichten ze toen ze het nest met de bonte eieren ontdekten. ‘Paaseieren, gekleurde paaseieren,’ riepen ze en zij lieten ze aan hun ouders zien die in hun zondagse kleren achter de kinderen langs de beek meeliepen. ‘Waar komen die nou vandaan,’ vroegen de ouders. ‘dat zijn geen gewone kippeneieren.’

‘De haas heeft ze ons geschonken,’ antwoordden de kinderen en ze waren heel blij met de bonte eieren.

 

Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Ritmen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen

 

813-748

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lord Beaverbrook

.

ENGELANDS ONSTUIMIGE KRANTENMAGNAAT
.

In de vriendelijke oktoberzon zat hij op het terras van Cherkley, zijn landhuis in Surrey: een oude man, ingepakt in een enorme jas, een slappe deukhoed op het hoofd gedrukt, één hand op de telefoon naast hem. “Vines,” riep hij, “breng me mijn agenda.” De secretaris — een van de vier — kwam aangehold. “Vines,” riep hij twee minuten later, “bel meneer Baker.” Even later was de adjunct-hoofdredacteur van de Londense Daily Express aan de lijn. De oude baas mompelde nors: “Hallo” en vroeg: “Wat heb je voor nieuws?” Aandachtig zat hij te luisteren en gooide er zo nu en dan een opmerking tussendoor. “Je hebt er toch een fotograaf heengestuurd, hoop ik? . . . Wat is er nog meer? . . . Tussen Engeland en Frankrijk? . . . Zo, neem even een hoofdartikel op.” En snel gaf Beaverbrook in grote lijnen aan wat er de volgende dag in het hoofdartikel moest komen te staan — te snel dan dat iemand aantekeningen kon maken, maar ik begreep wel dat aan het andere eind van de lijn een bandopnemer zijn woorden vastlegde. (Alle belangrijke medewerkers van Beaver­brook hadden een bandopnemer om hem te kunnen bijhouden.) 

Lord Beaverbrook, een naar Engeland overgeplante Canadees, is in juni 1964 in Cherkley overleden. En daarmee kwam een einde aan een fabelachtige carrière van een halve eeuw — als krantenman, politicus en wakkerschudder van Engeland. Als laatste van de ouderwetse krantenkoningen drukte hij zijn stempel op drie grote Londense bladen: het ochtendblad Daily Express, de Evening Standard en het weekblad Sunday Express.

In 1963 kwam zijn 12de boek uit en trouwde hij voor de tweede maal (zijn eerste vrouw was in 1927 overleden).

Voor Beaverbrook heeft de journalistiek altijd betekend: het nastreven van de een of andere zaak en het leveren van gevechten — waar hij van genoot. Ik heb hem eens gevraagd naar zijn ruzie met de oud-premier en oud-leider van de Britse Conservatieve Partij, wijlen Stanley Baldwin. “Vines,” brulde Beaverbrook, “wat zei Baldwin ook alweer precies toen hij me een prostituee noemde?” De secretaris antwoordde dat Baldwin hem ervan had beschuldigd “naar macht te streven zonder verantwoordelijkheid te willen dragen . . . door de eeuwen heen het privilege van de lichtekooi.” Beaverbrook wierp het hoofd in de nek en bulderde van het lachen.

Hij bladerde in een dik plakboek, vol knipsels uit de verkiezings­dagen van 1945. “Magnifiek! Magnifiek!” riep hij uit, wijzend op de aanvallen die op hem waren gedaan. De Times had hem in een hoofdartikel, ‘De boze wolf’ getiteld, flink onder handen ge­nomen. De Cooperative News had hem “minister van Chaos” ge­noemd ; een ander blad sprak van “Beaverbrook in Blunderland”.

De meeste van deze aanvallen werden plichtsgetrouw in Beaverbrooks kranten overgenomen, met uitzondering van één, in juni 1945, toen de Daily Express deze mededeling afdrukte: “Ten einde ruimte te maken voor de radiotoespraak van de heer Churchill, zijn de verslagen van de aanvallen op Lord Beaverbrook van gis­teravond blijven openstaan.” Zijn medewerkers hadden altijd de vrijheid “The Beaver” (de bever) in zijn eigen kranten te bekritise­ren, een voorrecht waarvan vooral zijn cartoontekenaars een dankbaar gebruik hebben gemaakt. De karikaturen die wijlen David Low van hem maakte — kalend, met een vollemaansgezicht en een brede, meesmuilende mond — waren beroemd.

Pittig, één bonk enthousiasme, stond Beaverbrook nu en dan zelf ietwat versteld van zijn eigen onverwoestbaarheid. “De men­sen vragen zich af waarom deze boom nog altijd staat,” zei hij dan. “Ik vraag ’t mezelf ook af.”

Hij vermoedde dat het antwoord op die vraag iets te maken had met “de felheid en de hartstocht” die al zijn daden beheersten. “Ik ben het slachtoffer van de Furiën,” schreef hij eens. “Op de rotskust van New Brunswick staat eeuwig en altijd de branding. Nu en dan slaat een bijzonder gevaarlijke golf woest tegen de rotsen. Zo’n golf noemt men De Razende. Kijk, dat ben ik nou.”

De Razende bestuurde zijn omvangrijke ondernemingen vanuit een overdadig gecapitonneerde fauteuil in zijn werkkamer van Cherkley. Daar had hij twee telefoons onder zijn onmiddellijk bereik, een dictafoon, een paneel met drukknoppen om zijn secretarissen op te commanderen, blocnotes, stapels correspon­dentie, kranten en boeken. Hij vloog brieven en aantekeningen door en smeet wat hij aflegde op de vloer, zodat hij om een uur of twaalf tot over zijn enkels in het papier zat. Met geregelde tussen­pozen belde hij de hoofdredacteuren en directeuren van zijn drie kranten op. Zijn eerste vraag was altijd: “Wat heb je voor nieuws?” en dikwijls had hij, dank zij een uitgebreid netwerk van relaties in regeringskringen, zelf een paar berichten in petto.

Als hij de geest kreeg, greep Beaverbrook de microfoon van zijn dictafoon en spuide zijn ideeën, kritiek en vermaningen. Elke dag bracht een koerier de platen naar zijn redactiebureaus van de Express in Fleet Street. “Te veel ruimte gegeven aan cartoons,” luidde bijvoorbeeld een waarschuwing. Of: “In de eerste editie van de Daily Express stonden geen foto’s uit Indonesië. Waarom niet?” Hij verwachtte dan onmiddellijk antwoord, telefonisch of over de telex. Zakelijke gesprekken gingen gewoon door terwijl hij zijn haar liet knippen, in bed ontbeet of in het bad zat. Toen hij nog aan paardrijden deed, werd hij altijd vergezeld door een be­reden secretaris, die aantekeningen op een blocnote krabbelde.

Beaverbrook had jarenlang een aantal van de beste krachten uit Fleet Street in zijn dienst, maar zijn wervingsmethoden waren dan ook altijd hoogst origineel. In 1948 las hij met bewondering een boek van Milton Shulman over de oorlog. Onmiddellijk gaf hij het bevel: Ga Shulmann zoeken! Tot ieders verrassing bleek dat Shulman al een ondergeschikte baan bij de Evening Standard had. Beaverbrook ontbood hem naar Cherkley en vroeg hem of hij zin had filmcriticus bij de Standard te worden. Shulman antwoordde dat hij zelden naar de bioscoop ging. “Dat hindert niet,” stelde Beaverbrook hem gerust.

Na de lunch begaven ze zich naar de privé-bioscoop van de krantenkoning om een thriller te zien. Beaverbrook had de film al gezien en viel prompt in slaap. Na twee filmrollen werd hij wakker. “Wie heeft dat blonde meisje vermoord?” wilde hij weten. Maar na die twee rollen kon Shulman dat met geen mogelijkheid zeggen. “Doet er niet toe,” zei Beaverbrook. “Ga naar huis en schrijf een recensie van 400 woorden. Stuur me die morgen toe.” Shulman vertrok in wanhoop, maar ontdekte gelukkig dat de film in een achteraf-bioscoopje in Londen draaide. De volgende morgen woonde hij de voorstelling van tien uur bij en zorgde er­voor dat Beaverbrook vroeg in de middag zijn recensie had. Hij werd aangenomen.

Hoe excentriek zijn manieren om personeel uit te kiezen ook mochten zijn, Beaverbrook stond altijd achter zijn mensen. Shul­man met zijn geestige en ook bijtende pen werd weldra de ge­vierdste filmcriticus van Londen; maar ook haalde hij zich met zijn scherpe kritieken de vijandschap van de filmmaatschappijen op de hals. In 1953 stopten ze met adverteren in Beaverbrooks bladen. Die advertenties brachten 2½ miljoen gulden per jaar op, maar Beaverbrook gaf geen krimp. Shulman behield zijn baan en na vier maanden begon de boycot te verlopen.

De jaren 1940—’41 vormden Beaverbrooks roemruchte tijd. In mei 1940 kwam aan het licht dat de Britse verdediging in de lucht erbarmelijk ontoereikend was. Een van Churchills eerste daden als minister-president was Beaverbrook aan te wijzen als minister van Vliegtuigproductie en hem terstond carte blanche te geven.

Beaverbrook was geen genie op het gebied van de productie; maar waarschijnlijk wel de energiekste en meest meedogenloze man van heel Groot-Brittannië. In de overtuiging dat de komende zes maanden over het lot van het land zouden beslissen, ontzag hij zich niet alle denkbare listen en manieren te gebruiken om de zo van vitaal belang zijnde vliegtuigen te verkrijgen. Hij werkte zeven dagen van de week, 18 uur per dag, en bezielde zijn collega’s met een heilig vuur. In tientallen vliegtuigfabrieken sprak hij de arbeiders toe en overdonderde hen met zijn gloedvolle bezwering dat het lot van de natie van hun arbeid afhing.

Hij trapte op bureaucratische lange tenen door fabrieksruimte te rekwireren waar hij die maar vond en materieel dat onder andere ministeries ressorteerde, weg te kapen. Een hem typerende manoeuvre had te maken met het tekort aan een bepaalde staal-alliage. Langs de normale weg, bij het ministerie van Bevoorra­ding, kon de Beaver niets bereiken, en daarom machtigde hij een medewerker de alliage via een vriend in de Verenigde Staten te kopen.

Toen de zending Liverpool bereikte, was de haven juist door een luchtaanval zwaar geteisterd en lagen er wel honderd schepen te wachten om gelost te worden. Weer speelde Beaverbrook het via onofficiële kanalen klaar dat zijn schip vóór zijn beurt werd gelost — en dit alles zonder voorkennis van het ministerie van Bevoor­rading.
Deze methoden wekten heel wat verontwaardiging, maar waar het op aankwam was dat Beaverbrook de vliegtuigen leverde zonder welke de Slag om Engeland nooit gewonnen had kunnen worden. In mei, toen hij minister werd, hadden de luchtstrijd­krachten in Engeland nog geen 800 vliegklare Hurricanes en Spitfires; in september was dit aantal — ondanks zware verliezen in de luchtoorlog — tot 1228 gestegen. Churchill vond in het Lagerhuis de juiste woorden: “Lord Beaverbrook is op zijn aller­best als de toestand op zijn allerslechtst is.”

Voordat Beaverbrook in 1917 in de adelstand werd verheven, heette hij William Maxwell Aitken. Max, zoals hij werd genoemd, werd in 1879 te Maple in Ontario geboren als een van de tien kinderen van een Presbyteriaanse dominee, die het jaar daarop naar New Brunswick verhuisde. Na de middelbare school, stu­deerde Max korte tijd rechten, werd toen verzekeringsagent en beheerde een kegelbaan in Calgary. In Edmonton werkte hij een tijdje in de vleeshandel.

Even twintig trok hij naar Halifax in het oosten van Canada en begon daar als makelaar in effecten, waarbij hij van meet af aan toonde een scherp zakeninstinct en ook een groot overwicht op cliënten te bezitten. Zijn commissie bedroeg tien percent en tegen de tijd dat hij 22 werd had hij voor anderhalf miljoen dollar ver­kocht.

Het duurde niet lang of hij was actief bij de fusie van industriële ondernemingen — staal, elektriciteit, cement en andere bedrijven. Hij bracht de fusies tot stand en verkocht dan de aandelen van de nieuw gevormde firma’s aan het publiek. Op zijn 31ste jaar bezat hij een fortuin van vijf miljoen dollar en de reputatie van een financiële piraat.

In augustus 1910 bracht hij met zijn vrouw een bezoek aan Engeland. Op verzoek van zijn vriend Bonar Law, een der mach­tige figuren in de Conservatieve Partij, stelde hij zich bij de ver­kiezingen van december 1910 kandidaat voor het Lagerhuis. De jonge Canadees boekte een verrassende overwinning, werd op slag beroemd en wierp zich meteen midden in de partijpolitiek.

In 1916 had Aitken een belangrijk aandeel in de manoeuvres die resulteerden in de benoeming van Lloyd George tot eerste minister. Uit erkentelijkheid voor zijn bemoeiingen werd hij als de eerste Baron Beaverbrook tot lid van het Hogerhuis gepromo­veerd, een onderscheiding waar hij later spijt van zou krijgen, want zij verwijderde hem van het ware centrum van de macht.

Ook in 1916 kocht hij de Daily Express, een noodlijdende krant, voor 175 000 gulden. Zijn motief hiervoor was louter van politieke aard: de carrière van Bonar Law steunen en zijn eigen campagne kracht bijzetten, die gericht was op een voorkeurbehandeling in Groot-Brittannië van producten uit het Imperium, en op tol­muren tegen de rest van de wereld.

Om de grote massa te kunnen bekeren, moest hij eerst een groot publiek trekken; en om een groot publiek te trekken had hij een uiterst leesbaar product nodig.

Beaverbrook zette zich ertoe zelf de journalistiek als vak te leren en in de loop der jaren kregen zijn bladen hun eigen stijl, geken­merkt door een eenvoudige, directe manier van schrijven waarin men de bijtende spreektrant van Beaverbrook herkende, nadruk op het menselijke element en dramatische verslagen uit de eerste hand. Arthur Christiansen, die vijfentwintig jaar hoofdredacteur van de Daily Express is geweest, heeft gezegd dat het streven was, het nieuws te brengen “op zo’n manier dat het even interessant was voor de secretaris-generaal van het ministerie van Buiten­landse Zaken als voor de werkster die ’s morgens vroeg de vloer van zijn bureau aanveegde. Ik werkte erop dat je bij het zien van de voorpagina ‘Grote genade!’ zei; bij het opslaan van de mid­denpagina ‘Als-je-me-nou!’ en tegen de tijd dat je aan de achter­pagina toe was — ik zou een lelijk woord moeten gebruiken om aan te geven hoe opwindend die wel was.”

De krant sprak de mensen sterk aan. De Express had een oplage van 229 000 toen Beaverbrook hem kocht; nu zijn het dagelijks meer dan 4 190 000 exemplaren, die gelijktijdig uit Londen, Manchester en Glasgow over heel het land worden verspreid.

De ironie van het lot wilde dat, toen hij zich eindelijk een lezers­kring van miljoenen mensen had verworven, velen zijn kranten wel met plezier bleken te lezen, maar van zijn politieke opvat­tingen niets moesten hebben.

De ideeën die hij aan de man trachtte te brengen, zijn in de loop der jaren niet wezenlijk veranderd. Geen journalist heeft welsprekender de glorie van het Britse imperium bezongen en met dieper smart om het uiteenvallen ervan getreurd dan Beaver­brook. Sinds 1951, toen hij zich tegen de regeringspolitiek ten aanzien van het Imperium verzette, is de figuur van de kruisvaar­der bovenaan de voorpagina in ketenen geslagen. In de jaren ’20 en het begin van de jaren ’30 voerde hij een heftige campagne voor “Vrijhandel in het Empire”, bestreed de orthodoxe leiding van de Conservatieve Partij en stelde zijn eigen kandidaten. (Beaverbrook verloor.) In 1961 en 1962 verzette hij zich met grote felheid tegen Engelands toetreden tot de EEG.

Altijd was hij een buitenbeentje in de politiek der Conservatie­ven, dwars ingaande tegen het officiële partijstandpunt in zaken als vrijheid voor Ierland (waar hij voorstander van was) en de gedwongen troonsafstand van koning Edward VIII (waar hij zich tegen verzette). Zijn kranten maken de erfelijkheid van adellijke titels belachelijk, verheerlijken de economische vrijheid van het individu en de overvloed voor de massa. Zonder twijfel heeft hij in de loop der jaren de houding van het land op deze punten beïnvloed.

De kranten eisten volstrekt niet al zijn energie op. Een groot deel van zijn tijd wijdde hij aan charitatieve arbeid in New Bruns­wick, de provincie waar hij vandaan kwam; daar heeft hij 20 mil­joen dollar geschonken voor scholen, bibliotheken, ijsbanen en allerlei andere instellingen. De laatste jaren publiceerde hij een reeks politieke kronieken over de grote gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt en waarin hij een aandeel heeft gehad, te beginnen met de Eerste Wereldoorlog. Drie van deze historische kronieken zijn verschenen — de laatste is Ondergang en val van Lloyd George — en hij was bezig aan twee andere: Het Baldwintijdperk en Churchills oorlog. De tot dusverre verschenen delen zijn stuk voor stuk ge­prezen om hun genialiteit en de nimmer verflauwende, levendige verteltrant.

Enkele maanden voor zijn dood zei Beaverbrook peinzend: “Het moet nu toch wel zo ongeveer tijd zijn voor de afrekening,” waarbij hij zich realiseerde dat hij en Churchill als laatsten waren overgebleven van de regering die Groot-Brittannië door twee wereldoorlogen had geloodst. “Het zal niet lang meer duren voor­dat mijn laatste editie uitkomt.” Maar die bespiegelende pauze duurde maar even. Dan drukte hij op een knop en greep naar de telefoon, in de wervelwind van activiteit die het centrum van een machtig, levendig krantenrijk kenmerkte.

.

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: leeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

812-747

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (40)

.

Jörgen Smit, die Menschenschule 34-4-1960
.

HOE KUNNEN WE MET KINDEREN PASEN VIEREN?
.

De christelijke cultuur verbindt met het woord ‘Pasen’ bovenal de centrale gebeurtenis van het christendom, de dood van Christus op Goede Vrijdag en de opstanding op paaszondag. Zonder deze is het christendom niet te begrijpen.

Hoe kun je met kinderen Pasen vieren, zo dat je antwoord geeft op iets wat al in het kind leeft?

Dan zul je moeten kijken naar de leeftijd en leren inschatten wat zij ieder jaar passend bij hun ontwikkeling kunnen opnemen.

Daarbij mag je eigenlijk niet kijken naar dogmatische formuleringen van deze of gene christelijke richting, maar zou je moeten kijken wat Pasen eigenlijk voor de hele mensheid en voor de ontwikkeling van ieder individu betekent.

Je zult in eerste instantie merken dat Pasen oorspronkelijk noch christelijk, noch joods was, maar een puur ‘heidens’, religieus feest dat door de meeste volken van de gematigde zone op de meest uiteenlopende manier werd gevierd, lang voor de eerste letter in de Bijbel werd geschreven, zowel in het Nieuwe – als in het Oude Testament.

Pasen is het grote voorjaarsfeest, waar het nieuwe leven tevoorschijn spruit, nieuw leven geboren wordt, waar in de natuur de macht van de dood opnieuw overwonnen wordt. In jubelende dankbaarheid dansen en zingen allen en prijzen de weer opgestane levensgod, zonnegod, vruchtbaarheidsgod. Hij was dood, gedood door zijn wrede tegenstander. Maar nu is hij uit de dood in het leven herrezen. In ieder nieuw geboren lam wordt hij geprezen en het eerstgeboren paaslam wordt geofferd. Toegenegen en met overgave nemen de mensen deel aan het grote natuurmysterie. Allen moeten bereid zijn evenveel aan de levensgod te offeren. Niemand mag uit egoïsme iets voor zichzelf houden. Als symbolische handeling wordt het eerstgeboren lam, het paaslam, aan de dood overgeleverd, maar dat betekent aan het nieuwe, eeuwige leven dat steeds weer uit de dood opgewekt wordt.

Ook het mensenoffer was tijdens de heidense paasvoorjaarsfeesten sterk verbreid. Het bleef gehandhaafd zolang de individuele mens nog geen bijzondere plaats innam, toen stammen en volken nog zo’n sterke bloedseenheid waren, dat het groepsbeleven doorslaggevend was.

Dan breekt de tijd aan dat dit op de achtergrond begint te raken. Het mensenoffer wordt vervangen door het dierenoffer. Abraham is nog bereid het mensenoffer te voltrekken; hij heft het mes boven zijn zoon Izaak om de god van het leven te dienen. Maar een stem uit de hemel roept en Abraham breekt zijn handeling af. In plaats van Izaak wordt een dier geofferd.
Door zijn trouwe gehoorzaamheid bekrachtigt Abraham dat het grote mensenoffer van de Messias zelf binnen zijn geslacht zal plaatsvinden.

Wie is deze grote zonnegod, de god van het leven? Wie is het die iedere lente weer in het nieuwe leven terugkeert. Daarvoor vind je bij de verschillende volken de meest uiteenlopende namen.

Voorzichtigheid is wel geboden bij een algemene identificatie! Iedere godengestalte heeft wel een zekere eigenaard en die mag niet vervaagd worden; hoewel je ook overeenkomstige eigenschappen kunt vinden. Hoe verschillend Baal, Osiris, Tammuz en Adonis ook zijn, gemeenschappelijk hebben ze dat ze in de loop van het jaar sterven en weer opstaan en dat ieder jaar. Het tijdstip waarop en in welke sfeer de feesten plaatsvinden hangt van het karakter van de volken af en van het klimaat. Het voorjaar kan een noords voorjaar zijn, met smeltende sneeuw en het ruisen van beken, met leverbloempjes en het gezang van leeuweriken wanneer een lange, donkere winter waarin de dood de overhand had, voorbij is. De winter kan ook een tijd zijn van mist waarin alles afgestorven en levenloos erbij ligt. De lente komt dan met de bevruchtende regen of met bv. een overstroming zoals bij de Nijl en het nieuwe leven komt met een overweldigende kracht tevoorschijn .

Bij de Egyptenaren is het Osiris die sterft en steeds weer tot nieuw leven komt. Op een Egyptisch beeld zie je letterlijk hoe het koren uit het gestorven lichaam van Osiris tevoorschijn groet. Bij de Sumeriërs, Babyloniërs, Assyriërs was het Tammuz die met Pasen tot nieuw leven werd gewekt. Bij de Grieken is het Adonis die sterft en weer opstaat.

Toen de Israëlieten het beloofde land Kanaän binnengingen, was Baäl de oppergod van de streken van de Syrische Kanaänieten. En tijdens hun lentefeest ‘Pask’  (in het Aramees ‘Paska’) wordt ieder jaar de zonnegod Baäl weer levend.

Dat alles is uitvoering in het spijkerschrift beschreven dat in 1929 en 1930 in Ras Sjamra werd gevonden en al in 1930 werd ontcijferd.

Baäl sterft en wordt door zijn zuster en geliefde, de godin Anat, gezocht (net zoals Isis Osiris zoekt ). Want zolang Baäl dood is, ‘zijn de mensen door het leven in de steek gelaten; het leven trekt weg uit de kudden op het veld.’

En dan vindt de dramatische strijd plaats waarbij de tegenstander van de levensgod, de moordenaar Mot, de heer van de dood, eindelijk wordt overwonnen. Baal leeft weer en ieder verheugt zich: ‘Hemel laat het regenen in overvloedigheid, dalen laat de honing vloeien.’

Baäl is vruchtbaarheid, regen, donder, bliksem, het groene gras dat opschiet. Hij wordt afgebeeld als een mens met hoorns op het hoofd of als een stier zoals Apis, de stier van de vruchtbaarheid in Egypte.

Hoe wordt het paasfeest in de voorchristelijke en voorjoodse tijd gevierd?

De dood van Baäl, de strijd en de opstanding werden door de priesters op een aanschouwelijke manier het volk ten tonele gevoerd en heel het volk had deel aan de zorgen rond de dood en de vreugde van de opstanding. Zowel de zorgen als ook de vreugde waren allesbehalve stil en ingetogen. Het verdriet was extatisch, met huilen en geweeklaag en de blijdschap net zo, met gejubel, lawaai, roes en geluk, met overvloedige spijs en drank en losbandige, seksuele orgiën. De vruchtbaarheid werd vereerd en het belangrijkste symbool, het ei, het paasei, is heilig. Het wordt rood geschilderd. Dat is zo in de Perzische alsmede in de Egyptische cultuur. De zonnegod die in het nieuwe leven ontwaakt, danst  en maakt drie sprongen waarbij heel het volk meedanst. In Egypte gaan de vruchtbaarheidskrachten mee met de perioden van de maan, golvend op de maat. 14 en 14 is het getal van Osiris. Dat zijn de dagen van de afnemende en wassende maan. Periode heet in het Egyptisch ‘un’. Dat betekent tegelijkertijd ook haas, bij uitstek het dier van de vruchtbaarheid. Zo kwam dan ieder jaar in het oude Egypte, maar ook op andere plaatsen, de paashaas aangesprongen. Het paasfeest was aan de zon, maar ook aan de maan gewijd.

In het gebied van de Oud-Germaanse volken vinden we een godin als vertegenwoordigsters van het nieuwe leven. Het is de lentegodin Ostara, op andere plaatsen Eostre genoemd. Haar feest was in april (Eostur monath). Hierin is zowel de Engelse als de Duitse naam voor Pasen te horen: Easter en Ostern.

Met dit jaarlijkse ritmische proces van dood en opstanding hebben alle volken geleefd. Steeds overwint het leven, net zoals in het sprookje de prins Doornroosje uit haar slaap van honderd jaar wekt; in het sprookje ‘De wachtelboom’ is dit paasmotief nog sterker. Hier wordt de zoon (broeder) door de boze stiefmoeder gedood. Maar de dood van de zoon leidt niet tot vergaan. Het is een dood tot nieuw leven. Hij wordt onder een boom begraven. Maar vanuit de boom stijgt een nevelwolk omhoog, uit de nevel laait een vuur op en uit het vuur vliegt een prachtige vogel die begint te zingen. Hij zingt zo mooi over alle daken van de huizen dat de mensen hun werk in de steek laten en op zoek gaan om de schitterende vogel te zien en zijn gezang te horen. Hij is de zon op paasmorgen. Op het eind van het sprookje verandert de vogel. De boze stiefmoeder die de zoon gedood had, wordt door een molensteen verpulverd (net zoals de doodsgod Mot door Baal wordt overwonnen) en uit vuur en nevel komt de zon ongeschonden levend te voorschijn.

Zouden de mensen echter nu tot in alle eeuwigheid in de vegetatieve kringloop van het jaarritme moeten leven? Zouden ze nu voor altijd in dit gezamenlijke kuddebewustzijn dat het vegetatieve natuurleven noodzakelijkerwijs met zich mee bracht moeten verwijlen? Zouden zij nooit tot een innerlijke geestelijk zelfstandige ontwikkeling komen, onafhankelijk van het jaarverloop?

Dit is het punt waarop het volk der Joden in de wereldgeschiedenis zijn intrede doet. Dit ‘uitverkoren’ volk wordt uit het vruchtbare land Gosen weggevoerd, weg van de vleespotten van Egypte, de dorre woestijn in. Het volk moet de vruchtbaarheidsgod, de Apis-stier, de zonnegod Baal die ieder jaar nieuw tot leven komt, de rug toekeren. Het volk moet God, de heer, volgen, Jahwe, de ‘Ik-ben” die gedurende de omloop van het vegetatieve jaar niet sterft en opstaat, maar onvergankelijk is en die spreekt tot het diepst van het innerlijk en het morele leven.

Het volk ervaart door dit uitverkoren zijn een nieuwe dood. En de opstanding is een nieuw innerlijk leven, niet alleen maar meer een herhaling van de natuurkracht.

Wanneer verlaten de Israëlieten Egypte? Met Pasen, op de veertiende dag in de maand Niesan, die wat de volle maan betreft, overeenkomt met onze maand april of eind maart. Zij eten het paaslam, de ongezuurde broden met de bittere kruiden. Het oude lentefeest krijgt hier een nieuwe inhoud. En het bloed van het offerlam werd op de deurposten gestreken, opdat de verderver het volk niet ten gronde kan richten, zodat het verlost uit Egypte vertrekken kan.

De verderver  (Exodus 12 – 12,23) gaat aan hen voorbij en spaart hen die uit vrije wil Egypte loslaten om zich voor te bereiden op het nieuwe innerlijke leven.

‘Voorbijgaan, overslaan’ betekent in het Hebreeuws ‘Pe’sach’. Van nu af aan werd dit de inhoud van het joodse paasfeest.

Het was een herinneringsfeest aan een cultureel gegeven, een teken dat het verschil tot uitdrukking brengt; dat er ieder jaar opnieuw moet zijn, niet omdat het iets met het natuurleven heeft te maken – in tegendeel – het betekent juist het vrij geworden zijn van het natuurleven. En de paasmaand moet de eerste maand van het jaar zijn.

Maar zich af keren van het natuurleven is moeilijk. Het Israëlitische volk verlangt keer op keer weer naar de vleespotten van Egypte terug.

Maar de goden die in hun tijd nog goed waren, bv. de vruchtbaarheidsgod Apis, worden op het ogenblik dat er een nieuwe ontwikkelingsfase bereikt is, meteen wanneer de mensen weer in het oude terugvallen, iets heel anders. Dan worden deze goden afgoden die het volk afhouden van zijn eigenlijke opdracht. Ze worden tot boze machten. De profeten van Israël moeten hun uiterste best doen om het weerbarstige en hardnekkige volk weg te houden van de verleidingen van Baäl.

Slechts een kleine groep is drager van de grote nieuwe mensheidsimpuls. Maar die leidt er niet toe dat deze voor heel de mensheid gaat gelden; ook niet individueel. Het volk van de Joden treedt binnen in de historische ontwikkeling, het leidt niet tot een vervolmaking. Het leeft in verwachting van het grote dat komen gaat, dat daarin zal plaatsvinden. Het is alleen voorbereiding.

En dan komt de Christus-impuls als het beslissende keerpunt in de ontwikkeling. In het volk van de Joden ligt het uitgangspunt, maar treedt tegelijkertijd buiten de grenzen ervan. Alles concentreert zich in ‘de enkeling’ en daarom omvat het de gehele mensheid: ‘Daar is niet meer Jood of Griek, niet meer slaaf of vrije, niet meer mannelijk of vrouwelijk; want u bent allen Eén in Christus Jezus.’

Deze nieuwe gemeenschap is geheel onafhankelijk van de bloedsbanden van het volk en geheel onafhankelijk van sociale status. Zij vindt haar grondslag in wat in het individu zich afspeelt. Wat is daarbij het meest doorslaggevende? De dood en de opstanding. Het is wat met Pasen gebeurt:
‘Of weet u niet, dat wij allen die door de doop in Christus Jezus zijn ingewijd, in zijn dood zijn ingewijd? Wij zijn door de doop met hem begraven in de dood, opdat gelijk Christus uit de doden opgewekt werd door de lichtmacht van de Vader, zo ook wij in de kracht van een nieuw leven zullen wandelen. Zijn wij met hem saamgegroeid door het gebeuren dat op zijn dood gelijkt, dan zullen wij het ook zijn door een opstanding als de zijne. Wij worden ons ervan bewust, dat onze oude mens medegekruisigd werd, opdat het orgaan der zonde teniet gedaan zou worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn. Want wie gestorven is, wordt uit de ban der zonde bevrijd. Indien wij met Christus gestorven zijn, vertrouwen wij daarop, dat wij ook met hem zullen leven. Wij ervaren, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft; de dood heeft geen macht meer over hem. Want door zijn sterven is hij voor de zonde eens en voorgoed gestorven; zijn leven echter leeft hij voor God. (Paulus, brief aan de Romeinen 6 – 3/10).

Hierdoor heeft Pasen een heel nieuwe inhoud gekregen. Het oerbeeld van de mens vind je hier als een uitbottende knop voor een nieuwe wereldorde. Uit hem moet een nieuwe wereld ontstaan: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Heel de schepping wacht op verlossing die door de nieuwe ‘Adam’ door kan breken.

Terwijl het vóórjoodse paasfeest gewijd was aan het ritme van het jaarverloop, wordt hier in dit paasgebeuren de hele mens , de hele mensheid, zelfs het hele ritme van de aarde-ontwikkeling in een grote omvattende dood en de opstanding daaruit samengevat.

Het christelijke Pasen plaatst de mens en de aarde op de voorgrond. Hier heerst een heel andere stemming dan bij het joodse paasfeest!

In beide gevallen ondernemen de tegenmachten alles wat zij maar kunnen om dit nieuwe leven te doden. De machten der duisternis proberen alles om het verschijnen van het licht te verhinderen. Farao weigert het volk hardnekkig te laten vertrekken. Het wordt echter door een vuurkolom geleid. Alleen Mozes, de leider, kan met de Heer in de vuurkolom spreken. De geboden van de Heer komen van buiten naar het volk. Met ontzetting en schrik gehoorzaamt het aan de wet die zegt: ‘Gij zult’ en ‘’gij zult niet’. De wet geldt voor het volk als geheel.

Het christelijke Pasen is niet voor een volk bedoeld. Het is bedoeld voor de enkeling. Een aantal enkelingen zijn het die aan het nieuwe leven mogen deelnemen. Het christelijke Pasen leidt niet naar de vuurkolommen in de woestijn, zij leidt naar het christelijke Pinksteren waar de geestelijke tongen van vuur in het innerlijk van een ieder oplaaien. En het woord dat vanuit dit nieuwe vuur klinkt, kan door alle mensen, ongeacht de volksgrenzen, begrepen worden. Het doet de harten overstromen. –

De donderstem in de woestijn heeft plaats gemaakt voor de liefde. De stralende, reine en bevrijdende voorjaarszon is het, die op de morgen van de christelijke paasdag schijnt.

Het is niet de sabbat, de zevende en laatste dag van de week waarop men zich na zes arbeidsdagen in de buitenwereld zich terugtrekt in zijn innerlijk en beschouwend terugblikt. Het is de zondag, de paaszondag, de dag van de zon, waarop het leven van heel de aarde uit de dood opgewekt wordt.

We zien hier op een wonderbaarlijke manier hoe het christelijke paasfeest alle elementen van het joodse, vóórjoodse en ook de heidense paasstemming in zich verenigd heeft. Maar alles is veranderd, op een hoger plan gekomen en komt weer te voorschijn in een lichtender vorm. De kringloop van het jaar in dood en opstanding wordt zo tot een klein beeld van de grote dood en de grote opstanding.

Iedereen moet door de harde paasbeproevingen van het Joodse volk heen en de kelk tot op de bodem leegdrinken. Maar het nieuwe leven, de nieuw geboren zon zijn al in het innerlijk aanwezig. Waarom zouden de duizenden jaren oude symbolen van het nieuwe leven, het paasei, het paaslam en de paashaas niet ook deze nieuwe betekenis krijgen. Waarom zou je dit innerlijke leven niet ieder jaar wanneer de uiterlijke natuur tot nieuw leven gewekt wordt, niet steeds weer vieren.

Bij volle maan na de even lang durende lentedag – en nacht wordt het voorchristelijke paasfeest gevierd.

Op de eerste zondag na de volle maan na de even lang durende lentedag – en nacht wordt de christelijke paasdag gevierd.

Over het joodse paasfeest heerst de stemming van de volle maan en de nacht (Exodus 2 – 12, 42-43)

Het christelijke paasfeest heeft de zonsopgang meteen na volle maan, dat betekent als de sabbat ten einde is: ‘Toen de sabbat was voorbijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij bij het graf. (Markus 16, 1-2).

Dat het paasfeest met de zondag als de eerste weekdag na de sabbat, na de eerste volle maan na de even lange dag en en nacht verbonden werd, was voor de eerste christenen zeer wezenlijk. Zo werd de oude samenhang bewaard en de nieuwe wezenlijke inhoud benadrukt.

Maar wat heeft het voor zin Pasen te vieren in overeenstemming met het alleen zaligmakende  ‘ware’ geloof; duizend keer op de ‘ware’ dag te vieren, wanneer daarbij niet iets plaatsvindt waaruit iets van de waarheid duidelijk wordt?

Het ware wezen van het christendom en ook het ware wezen van Pasen is iets, waarvoor je je door een muur van conventie en verstarde dogma’s heen moet vechten.

Hoe kunnen de volwassenen de kinderen helpen opdat ook zij deel kunnen hebben aan de levende kern van het christendom?

Boven al door het steeds groter worden van de werkelijkheid van deze kern voor de volwassene. Hoe zou je de kinderen kunnen leren dienen wanneer je niet zelf een dienaar bent? Hoe zou je kinderen eerbied en liefde voor de waarheid leren, wanneer je niet zelf een zoeker naar waarheid bent? Hoe zou je kinderen liefde leren, wanneer die voor iemand zelf een leeg woord is of een zalvende frase?

Hoe kun je Pasen, ook inhoudelijk, voor kinderen beleefbaar maken?

Er zijn veel mogelijkheden. Maar in deze onoverzichtelijke hoeveelheid is er één basis die beslissend is: dat je kijkt naar de leeftijd van het kind.

Tot in de 2e klas (8 jr) leeft het kind nog met een zo beeldend, spelend en dromend bewustzijn, dat je dit het beste tegemoet komt, wanneer je dat wat met Pasen gebeurt in de vorm van sprookjesbeelden tot uitdrukking brengt. In veel opzichten maakt het kind op deze leeftijd een bewustzijnsfase door die te vergelijken is met die van de voorchristelijk en voorjoodse. Het is vanzelfsprekend dat de dood gevolgd wordt door de overwinning van het leven. Wanneer in een sprookje de prins sterft en weer levend wordt, betekent dit voor het kind een bevrijding, een verlossing. Een sprookje af te willen sluiten met de dood van de prins, zou misplaatst zijn. Een dergelijke dood is te vergelijken met de doornroosjesslaap, een overgangsfase naar een nieuw, sterker leven. Er zijn veel sprookjes die dood en opstanding als een verborgen motief in zich hebben. Wanneer je de kinderen sprookjes vertelt is het van doorslaggevende betekenis als de verteller de samenhang begrijpt. Die verklaar je de kinderen natuurlijk niet, daarmee zou je het spontane van de sprookjesbeelden verstoren. Het bewustzijn van de verteller geeft de sprookjesbeelden pas het juiste gewicht. Wanneer de volwassene de werkelijkheid van de sprookjesbeelden doorziet, werken deze met grotere levenskracht op het kind.

Wanneer je de kinderen zulke paassprookjes verteld hebt waarin de overwinning van het leven op de dood in frisse beelden tevoorschijn komt, dan kun je op een spelende en tegelijkertijd feestelijk-eerbiedige manier die eeuwenoude symbolen gebruiken: het paasei, het paaslam en de paashaas. De paashaas en de rood beschilderde verstopte eieren, door de kinderen te laten zoeken, is wel de beste manier voor de heel kleinen. Wat grotere kinderen, kunnen met vlijt en moed deze ‘beelden van het leven’ zelf maken. Nooit zou je groene of blauwe paaseieren moeten gebruiken, want het is de opgaande zon, het zegevierende leven, in beeld gebracht en dat beleven de kinderen het sterkst aan de rood of oranje kleur.

Een feestelijke en vrolijke stemming kun je daarbij alleen bereiken, wanneer je de kinderen eerst iets vertelt, waarmee ze ook werkelijk kunnen leven.

Vanaf klas drie hebben de kinderen iets meer nodig dan het natuurbeleven en de eerbied en dankbaarheid tegenover god de vader, de bron van al het leven. Op deze leeftijd krijgen de kinderen een zelfstandiger Ik-gevoel. Ze komen in de fase waarin het goddelijke ook in het morele, in het innerlijk gevonden kan worden en niet alleen meer in de grote paradijselijke natuur. Nu hebben de kinderen de geschiedenis van het volk der Joden uit het Oude Testament nodig. Op deze leeftijd moeten de kinderen, beeldend gesproken, uit Egypte weggeleid worden, naar de berg Sinaï waar hun de morele wet met alle kracht tegemoet komt.

Pasen, als joods Pasen, gaat de weg van buiten naar binnen. Diezelfde weg gaat ook het kind op deze leeftijd. – zo als het Joodse volk zich als groep beleeft, voelen ook de kinderen zich nog in klas drie. Maar als een groep die op weg is naar de zelfstandigheid van de enkeling.
Vanaf de zesde en de zevende klas zijn de kinderen hierop al een schrede verder gekomen. Zij hebben de eenvoudige beelden van de oosterse volksgeschiedenis gevolgd. Ze zijn tot aan Hellas en Rome gekomen, waar het recht van de enkeling en het ontoereikende van de volksgroepen aanschouwelijk te voorschijn komen. – op deze manier komen de kinderen door de samenhangende wereldgeschiedenis bij het christelijke paasfeest. Betekent dat dat je de kinderen vóór ze in de zesde klas komen niets uit de evangelies kunt vertellen? Dat is hier zeker niet zo bedoeld.

Al in de allereerste kindertijd kun je van het kind in Bethlehem vertellen; van het licht dat in de donkere wintertijd straalt; van de herders die het kind aanbidden, van de wijze koningen die met hun rijke gaven goud, wierook en mirre komen, van Herodes en de vlucht naar Egypte. Bijzonder uitgebreid kun je tijdens de kerstvoorbereidingen in de eerste en tweede klas bij deze beelden stil blijven staan. Dit speelt zich af in een tijdloze sprookjesstijl. Ieder jaar kan dit weer herhaald worden.

En verder, in de vierde en vijfde klas kun je de aansprekende beelden van de evangelische gelijkenissen vertellen, de wonderen, genezingen en woorden van wijsheid. Je zou ze moeten behandelen als tijdloze, eeuwige gebeurtenissen die altijd werkelijkheid zijn.

Het eigenlijke christelijke Pasen wordt pas dan begrepen als het kind er rijp voor is en daarop moet je geduldig wachten. Het gaat erom dat het kind de tijd van de wereldgeschiedenis kan beleven. In het bijzonder geldt dit voor het beleven van de dood.

Op de leeftijd van twaalf worden de botten zo vast en hard dat het kind vanaf die tijd in staat is de dood heel anders en helderder te vatten dan vroeger. Het natuurwetenschappelijk onderwijs moet tot in de fysieke en mechanische wetten komen.

Vanaf deze leeftijd (12-14) hoort het bij de ontwikkeling van de mens de dood in zijn volle consequentie te kunnen doordenken; het hele wereldal als een grote dode machinerie, een uurwerk van dode, losse delen. Maar ook te doordenken: wat is sterker dan de dood, hoort bij deze leeftijd. Vanaf deze leeftijd hoort het ook bij de ontwikkeling van de mens het christelijke Pasen, in de enkeling, in de hele mensheid als leed, dood en opstanding te leren kennen.

Je doet het kind onrecht wanneer je het al eerder met deze problemen belast. Hoe groter de eerbied tegenover het machtig goddelijke dat zich in het christelijke paasfeest openbaart in iemand leeft, des te voorzichtiger zul je deze benaderen en des te voorzichtiger zul je ook zijn om het juiste tijdstip en de juiste manier te vinden om dit grote aan de kinderen mee te delen.

Goethe had deze diepe eerbied in hoge mate. In ‘Wilhelm Meisters Wanderjahre’ schetst hij (2e boek, 2e hoofdstuk) hoe men in de ‘pedagogische provincie’ kinderen opvoedt. Hoe laat hij de kinderen met het Oude en Nieuwe Testament kennismaken? Op een kunstzinnig-beeldende manier. En hij hanteert tegelijkertijd een strenge driedeling.

De eerste bevat het Oude Testament met zijn grootse, dramatische beelden. De tweede omvat de evangeliën in meer innerlijke en tederder beelden. Die gaan tot het avondmaal, voor de lijdensgeschiedenis begint. Hier, vóór het derde onderdeel trekt Goethe een dikke streep.

Wat daarna komt, het lijden, de dood en de opstanding, laat Goethe in de ‘pedagogische provincie’ in de loop van de jaren nog verborgen. Alleen in de paastijd worden deze verheven beelden tijdens een feestelijke handeling openbaar. Alleen de oudste leerlingen mogen erbij zijn. Goethe noemt geen bepaalde leeftijd, maar uit de samenhang kun je opmaken dat deze niet vóór het twaalfde jaar ligt.

Deze voorzichtige en aparte, uitgezochte en grondige voorbereidingen om nader te komen tot de wezenlijke kern van het paasfeest, betekenen het tegendeel van deze als minder belangrijk terzijde te willen zetten. Zoals Goethe zegt: ’Wij leggen een sluier over dit lijden, juist omdat wij er zo’n diepe eerbied voor hebben.’

.

Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Ritmen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pasen

811-746

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (1-4)

.

Christoph Lindenbergh, Weledaberichten 135, april 1985
.

DE ZINTUIGEN:

POORTEN NAAR DE WERELD – POORTEN NAAR DE MEDEMENS
.

Er zijn veel mensen die “in gedachten verzonken” ergens heen op weg zijn. Ze haasten zich door de straten, voorzien van een boodschappenlijst en overleggen bij zichzelf waar ze iets het best en het goedkoopst kunnen bemachtigen. Ze hebben geen tijd om zich heen of naar boven te kijken, letten niet op het plaveisel, de architectuur van de huizen noch op het blauw van de lucht. Hun aandacht is beperkt tot de verkeerslichten, de symbolen die in het warenhuis naar de gewenste artikelen verwijzen, de prijskaartjes die hun keuze mee bepalen.

Men zit in zijn kantoor omgeven door een wereld van tekens, voor de TV, voor zijn schrijf­machine, voor lijsten en tabellen, voor teksten en signalen die voortdurend geïnterpre­teerd moeten worden.

Ook de leerkracht voor de klas is meestal in gedachten, zijn aandacht geldt de inhoud van de les, het doel dat vandaag moet worden bereikt en maar zelden ziet hij of zijn leerlingen er bleek of verhit uitzien. Zelfs de wandelaar, die zich zogenaamd “in de na­tuur” begeeft is dikwijls door zijn gedachten bevangen en let noch op de gedaante van de bomen noch op de waarschuwings- of lokroep van de vogels. En zo is de mens die met zijn gedachten, wensen, fantasieën bezig is, in zichzelf gekeerd en gesloten voor de wereld.

Maar hoe verkwikkend is het om uit de slaap van de gedachten te ontwaken en na een regenbui het heldere blauw van de lucht tussen de wolken te zien, hoe opwekkend straalt dan het geel van de ahorn ’s middags in de oktoberzon. Als het oog werkelijk gaat zien, richt de blik zich actief op de kleuren en het ogenlicht ontmoet de kleuren van de wereld, de tastend-bewegelijke blik volgt de verschijningen van de wereld en omvat hun vorm en beweging.

Het oog, voor de meeste mensen het voornaamste zintuig, wordt niet alleen van buitenaf geactiveerd; echt zien, kijken, turen en waarnemen zijn activiteiten waardoor wij ons bewust naar de wereld toekeren.

En zoals de frisse lucht ons ’s morgens kan verkwikken, wekken en verblijden ons de kleuren van de wereld, die wij al ziende a.h.w. inademen of drinken. Het is van belang uit het bevangen-zijn in de gedachten tot het waarnemen te komen. Men moet leren waar te nemen en niet door stervende bossen lopen zonder iets te zien en achteraf zeggen: “alles is nog groen”, langs lijdende medemensen heen te lopen en denken: “die gaat het uitstekend”. Wij worden door de waarneming immers niet alleen verkwikt maar ook gevoed.

Mensen bij wie de levensprocessen niet voldoende door de zintuigen worden geactiveerd, worden saai en innerlijk leeg..

Wat is kenmerkend voor de zintuigprocessen?

ledereen weet dat de waarnemingen via de zintuigen van elkaar verschillen. Door het horen krijgen wij andere indrukken dan door het ruiken of tasten. Het horen bijv. voert ons naar buiten. De klop op beukenhout klinkt anders dan op vurenhout; wij horen boven­dien of het hout zacht of hard is . Men hoort ook hoe strak een snaar gespannen is; of een bel een fijne, nauwelijks zichtbare barst heeft. Het horen leidt ons binnen in het substantiële van de wereld. In de vogelstemmen menen wij zelfs iets van vreugde of angst van het dier te vernemen. Bij het zien daarentegen ontmoeten wij iets anders. Het geel komt ons krachtig tegemoet, het blauw is in rust en verwijdert zich voor onze blik. Heel duidelijk merkt men de ontmoeting als men “oog in oog” met iemand staat. Weer iets anders gebeurt er bij het proeven of ruiken. Hier dringt er iets in ons naar binnen. Als wij iets wrangs proeven merken wij een samentrekkende werking. Bijzon­der diep werken geuren op ons in. Een nare lucht veroorzaakt afkeer, de geur van de lelie kan ons haast overweldigen, fresia’s en rozen werken bijna betoverend. De diepe werking van geuren gaat dikwijls zo ver, dat verzonken herinneringen opduiken die al lang vergeten leken.

Als men het motief van de naar buiten of naar binnen leidende   zintuigervaringen ver­der nagaat, dan krijgt men een geleding van de verschillende functies. Het zien is dan het zintuig van het midden, waar het innerlijke zien en de indruk van buiten elkaar ont­moeten: de ene blik ontmoet de andere, het innerlijke ontmoet het uiterlijke licht. In de waarneming van de warmte leven wij een beetje mee met de uiterlijke warmte. Wij beleven de verwarmende zon, de warmte van het bed als weldadig. Het horen voert ons verder naar buiten. Door de toon gaat een ander wezen zich open­baren. Zodra de afzonderlijke tonen tot een opeenvolging worden – eerst in het vogel­gezang, dan in de muziek – neemt de melodie ons mee en brengt ons tot een zintuigelijk-psychisch beleven. Nog duidelijker dan de toon, nog meer rechtstreeks dan door de muziek spreekt de andere mens door de taal tot ons. Dat de taal méér is dan alleen maar geluid, merkt men op het moment, als de waarneming van door de spreker ver­oorzaakt geluid – dat men misschien door een deur hoort – overgaat in het begrijpen van woorden. Dan n.l. verdwijnt het geluid en onze aandacht wordt gericht op het woord en de betekenis daarvan. De woorden worden voor ons met betekenis geladen geba­ren: van de woorden zoals bijv. “vlug” en “haastig” begrijpen wij zondermeer wat zij betekenen zonder dat dit gedefinieerd behoeft te worden. Zo leiden ons de woorden door hun geste en gestalte naar de wereld van de zin. Deze wederom ontsluit een nieuwe wereld: die van de gedachten. Hier voltrekt zich het wonder, dat wij de gedachten van lang vervlogen tijden en ver van ons verwijderde mensen kunnen opnemen. Wij nemen op die manier echt iets op: door de gedachte-zin leren wij gedachten en feiten kennen, die wij niet zelf hebben uitgedacht en waarvan wij zonder dit zintuig niet zouden weten. Hier worden wij in het bijzonder gewaar wat voor alle zintuigen waarmee wij iets waar­nemen wat buiten ons ligt geldt: de waarneming berust op onze eigen activiteit. Evenals wij, zonder echt te luisteren, een muzikale compositie niet werkelijk opnemen, kunnen wij ook niet zonder mee te denken en te luisteren de bedoeling van het gesprokene begrijpen. Door het horen, verstaan van taal en het begrijpen van gedachten wordt de menselijke ziel verruimd; zij verlaat de beperking van de subjectiviteit en ervaart de zin van de wereld.

Andere ervaringen hebben wij via de zintuigen waarin de inwendige gebeurtenissen op de voorgrond staan. Wij spraken reeds over de smaak en de reuk: daar ervaren wij de werking die de wereld op ons uitoefent. Naast de smaak- en de reukzin zijn er nog vier zintuigen die in nauw verband staan met ons lichamelijk beleven de evenwichtszin, de zin voor onze eigen bewegingen en houdingen; de zin die ons vertelt hoe wij ons voelen en de tastzin.
De ervaringen van deze zintuigen komen ons op verschillende wijze tot bewustzijn. De toestand van ons lichaam merkt men vaak alleen als er iets niet in orde is. Na te veel eten merkt men een te volle maag; menigeen merkt bij een warme en droge valwind in de bergen spanning en kriebel in de ledematen, na zware arbeid voelt men zich afge­mat of er treedt spierkramp op.
De waarneming van de eigen beweging merken wij nauwelijks, maar men behoeft slechts de ogen te sluiten en armen, handen en vingers te bewegen of men neemt die eigen bewegingen duidelijk waar. De evenwichtszin blijkt niet alleen als wij duizelig worden. Door hem merken wij ook hoe zwaar de dingen zijn en zodra wij een zwaar voorwerp optillen wordt het gewicht door een tegenbeweging in evenwicht gebracht. Door de tastzin leren wij de oppervlakte van dingen en wezens kennen. Fluweel voelt anders aan dan wol, wij beleven een verschil tussen een ruwe en een gladde huid. Door de laatstgenoemde zintuigen beleven wij ons lichaam en hoe dit in de wereld is geplaatst. Door tasten, waarneming van het gewicht en door onze eigen beweging waar te nemen ervaren wij de fysieke werkelijkheid. Bij het kleine kind al zien wij dat het naar de dingen, die het ziet, gaat grijpen. Zien alleen is voor het kind niet voldoende, het wil de dingen betasten; het stopt een houten blokje in zijn mond, probeert te proeven en tast met zijn lippen en zijn tong. In dit samenspel van tasten en zien ligt een principe van onze totale zintuigelijke waarneming besloten. Wij zijn nooit tevreden met alleen maar de boodschap van één enkel zintuig.

Bij muziek zou men eigenlijk willen bewegen en het kind doet dat dan ook net als de naïeve mens: het ritme van de muziek wordt opgenomen in de eigen beweging: de dans ontstaat. Wie zich zelf goed observeert zal merken, dat ook het zien voortdurend met de beweging van de ogen gepaard gaat. Alleen maar staren maakt het beeld vaag, maar als de bewegende blik de vorm of gestalte aftast en er langs glijdt, wordt het beeld dui­delijk. Pas als wij de ervaringen van de hogere en in de ruimte en verte tastende zintuigen door de activiteit van de zintuigen ondersteunen waardoor wij de wereld in ons lichaam ervaren, omvatten wij de werkelijkheid van de zintuigelijk waarneembare wereld rond­om ons.

Tegelijkertijd merken wij in onszelf, in ons eigen lichaam, in de bewegelijkheid van de ledematen, de prikkels van de wereld. Uit deze feiten blijkt een beslissende aanwijzing voor een mogelijke verzorging en cultivering van de zintuigelijke belevingen. Men kan de activiteit van een zintuig met behulp van een ander zintuig ondersteunen en activeren. Wie beter wil leren kijken kan een potlood nemen en proberen de vorm die hij heeft gezien door bewegingen van zijn hand en zijn vingers op het papier over te brengen. Of hij kan proberen de kleuren die hij waarneemt onder woorden te brengen of die zelf met behulp van kleurpotloden, kleurkrijt of waterverf weer te geven. En wie in staat is, een kop of een hand van klei te boetseren, merkt dat zijn oog de vormen in de ruimte meer bewust aftast. Door zulke ervaringen merkt men, dat de zintuigelijke wereld door vele gestes ons belangrijke dingen meedeelt: het psychische beleven verruimt zich. Nog interessanter is het om belevingen van tonen, woorden en gedachten te intensiveren. Het is vrij gemakkelijk, het ritme van de muziek in beweging over te brengen. Wie zich zelf echter bij het luisteren naar tonen observeert kan merken, dat hij de toonhoogte, de beweging van de melodie volgt doordat hij de op- en neerwaarts gaande beweging innerlijk meemaakt. Die innerlijke beweging wordt door de tooneuritmie in een uiter­lijke beweging van de ledematen omgezet: het hele lichaam wordt oor. En al zal het niet ieders zaak zijn, zelf tooneuritmie te beoefenen, ook het kijken naar de toonbe­weging bevordert de verdieping en verruiming van het psychische beleven. Op een soort­gelijke manier kunnen ook de gestes van de klanken in de taal en de zin van de woorden door onze herscheppende beweging tot ervaring worden. Tenslotte is het zeer wel mogelijk, de kwaliteit van de opgenomen gedachten af te tasten. Moedige, hoopvolle gedachten sporen ons aan; grootse denkbeelden maken dat wij dieper en vrijer adem­halen. Het kleinschalige, dat alleen de hersenen bezighoudt, maakt de ademhaling vlak en vermoeid; pessimisme bedrukt de hele mens: matheid en lusteloosheid worden voel­baar in de ledematen. Op die manier wordt door de cultivering van de zintuigen de mens die voor de wereld ontwaakt tot een bezield orgaan dat de wereld actief tegemoet gaat en met hart en ziel de wereld beleeft. Op grond van zulke persoonlijke ervaringen kan dan ieder vinden wat tegenwoordig noodzakelijk is: een vrij en zeker oordeel.

.

Zintuigen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

810-745

.