VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-7/1)


 .

ATTILA DE HUN (406-453)
.

Attila, koning van de Hunnen, kwam in 441 met zijn legers als een allesvernietigende wervelstorm uit Oost-Europa. Een aantal jaren lang
terrori­seerde hij zowel het West-Romeinse als het Oost-Romeinse Rijk. Deze beroemdste en machtigste van de barbaarse leiders kreeg de bijnaam de ‘Ge­sel Gods’. Hij was een kleine, breedgeschouderde man met een groot hoofd, een platte neus en een vlassige baard. Hij verwoestte vrijwel alles wat hij op zijn weg tegenkwam en zijn naam betekende voor de Europeanen hetzelfde als wreedheid.

Maar Attila was zeker niet alleen een wreed heer­ser. Zijn bijnaam is eigenlijk onrechtvaardig. De Mongolen bijvoorbeeld waren veel wreder. Attila had eerbied voor de wet en hij schonk zijn vijan­den vaak genade. Het was niet zozeer zijn doel om het Romeinse Rijk te veroveren. Hij wilde de Romeinen alleen afschrikken en verzwakken, zo­dat ze geen bedreiging voor hem konden vormen. Attila en zijn oudere broer Bleda erfden hun rijk van hun oom Rua. Dat was in 434. Het centrale land was Hongarije. Vandaar strekte het zich uit van de Alpen in het westen tot de Kaspische Zee in het oosten. Rua had het rijk opgebouwd door vele Hunnenstammen onder zijn bevel te brengen en daarna zijn heerschappij over andere barbaren te vestigen. Hij had het zuidelijk gelegen Byzantijn­se rijk gedwongen een verdrag te ondertekenen. De Byzantijnen, waarschijnlijk bang voor een in­val, betaalden de Hunnen elk jaar een schatting van 700 pond baar goud.

Kort nadat Attila en Bleda aan de macht kwamen, maakten ze bekend dat de Byzantijnse keizer Theodosius de Tweede in gebreke was gebleven met de betalingen. In 441 staken ze de Donau over en plunderden Singidinum (Belgrado) en een aan­tal andere steden. Door een wapenstilstand kwam er tijdelijk een einde aan de gevechten. Maar in 443 vielen de Hunnen weer aan. Deze keer rukten ze helemaal op naar Constantinopel. Daar weken ze van hun oorspronkelijke koers af en trokken naar Gallipoli, waar ze het Byzantijnse leger een beslissende nederlaag toebrachten. In het vredes­verdrag dat een einde aan de oorlog maakte, werd vastgelegd dat de Byzantijnen al hun schulden moesten aflossen (door Attila bepaald op 6000 pond goud). Verder moesten ze per jaar 2100 pond goud gaan betalen, drie keer zoveel als hun vorige schatting. Voorts werd bepaald dat het de Byzantijnen verboden was vluchtelingen uit het gebied van de Hunnen een schuilplaats te geven. Verder kregen ze het verbod opgelegd, samen met een ander barbaars volk de Hunnen te bestrijden. In 445 vermoordde Attila zijn broer Bleda. Hij was toen alleenheerser over een machtig rijk. Met als voorwendsel dat de Byzantijnen vluchtelingen hadden opgenomen, stak hij in 447 met zijn legers weer de Donau over. Deze keer vernietigden de Hunnen het grootste deel van het Balkan-schiereiland. Ze rukten helemaal op tot Thermopylae Daarna keerden ze weer terug. De onderhandelingen over een nieuw vredesverdrag duurder drie jaar. Uiteindelijk kregen de Hunnen een strook land ten zuiden van de Donau en werd de plicht weer verhoogd.
Het Byzantijnse Rijk wankelde en betekende voor Attila geen bedreiging meer. Hij richtte zijn aandacht verder op het westen. Hij koos als doel het gebied van de Westgoten rond Toulouse. De zuster van de West-Romeinse keizer stuurde een ring en smeekte hem haar te behoeden voor een door haar broer geregeld huwelijk. Attila beweerde dat ze hem een aanzoek had gedaan en eiste de helft van het West-Romeinse Rijk als bruidsschat. De Romeinen en de Westgoten sloten een bondgenootschap. Hun legers haastten zich naar Orléans om Attila de pas af te snijden. Deze maakte met zijn 500.000 manschappen een op­mars door Gallië. De twee strijdmachten troffen elkaar uiteindelijk op de Catalaunische velden in de buurt van het tegenwoordige Troyes. Na zware gevechten en grote verliezen aan beide kanten trok Attila zich terug. Het  was zijn eerste en enige nederlaag. Een jaar later trok hij Italië binnen. Hij marcheerde naar het zuiden en plunderde ste­den als Medialanum (Milaan), Patavium (Padua) en Verona. Paus Leo de Eerste smeekte hem, Rome te sparen. Door ziekte en voedselgebrek werd Attila uiteindelijk gedwongen terug te ke­ren.

Thuisgekomen begon hij voorbereidingen te tref­fen voor een nieuwe veldtocht tegen het Byzan­tijnse Rijk. Daar was een nieuwe keizer, Marcianus, aan de macht gekomen. Hij weigerde de schatplicht aan de Hunnen te betalen. Maar Attila vertrok nooit meer uit Hongarije. De ‘Gesel Gods’ stierf vredig in zijn slaap. Zijn rijk ging over in handen van zijn zoons, maar het raakte al spoedig in verval.

Rome Attila 1

Het profiel van Atti­la op een munt. De geschiedenis heeft Attila gekenschetst als een wrede barbaar. In werkelijkheid had hij echter respect voor de wet en was hij genadig voor zijn ver­slagen vijanden. In veldslagen was hij wél meedogenloos.

Attila

Nog wat illustraties

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

 

713-650

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (2-2)

.

 
GELD
.

De meeste Nederlanders ontvangen iedere maand via de bank of giro hun salaris, maar slechts weinigen zullen weten dat het woord salaris uit het Latijn komt. Romeinse soldaten werden nl. aanvankelijk in zout (= sal) uitbetaald, later in “geld”. Dit geld is echter niet “uitgevonden” door de Romeinen, maar door de Lydiërs, zo’n 2700 jaar geleden.

Ontstaan en ontwikkeling van geld

Reeds in de 7e eeuw voor Chr. bestonden er in Lydië (Klein-Azië) munten, natuurlijk nog niet zo klein en fijn als wij ze nu kennen. Het waren gouden en zilveren munten, met een grote verscheidenheid in afmeting en afbeelding.

Pas ten tijde van de Griek Alexander de Grote (4e eeuw voor Chr.) werd er eenheid in het muntstelsel gebracht: zilveren en gouden munten van één type en gewicht met de afbeelding van de vorst die de munt geslagen had.

De Romeinen volgden de Grieken, maar zij hadden nog geen behoefte aan een uitgebreid muntstelsel. Ze lieten grote koperen munten gieten, aes grave (= zwaar koper). Voordat ze deze munten lieten gieten, werd er betaald door middel van ruilhandel en brokjes koper (aes rude = ruw koper).

In het agrarische Rome werd vooral vee verhandeld en het is dan ook niet verwonderlijk dat het Latijnse woord voor geld/vermogen (pecunia) is afgeleid van het woord voor vee (pecus).

Rond 200 voor Chr. werden Romeinse munten voor het eerst geslagen. De omvang en het gewicht waren afgenomen en de benaming van de standaardmunt was voortaan as.

Inmiddels werd er ook een zilveren munt (denarius) geslagen en een enkele gouden munt (aureus). In de keizertijd (vanaf 27 voor Chr.) werden er regelmatig gouden en zilveren munten in opdracht van de keizer aangemaakt. Omdat ze aanvankelijk bedoeld waren voor het leger vond dit buiten Rome plaats. Vanaf keizer Caligula (37-41 na Chr.) werden ze in Rome vervaardigd.

De koperen munten, de assen, werden in opdracht van de senaat geslagen. Tot ± 250 na Chr. kwamen hier de letters S(enatus) C(onsulto), bij senaatsbesluit, op voor. Inmiddels was er een muntstelsel ontstaan dat opgebouwd was op de as. Veelvouden van de as waren de dupondius (2 assen) en de sestertius (4 assen), beide van koper. De zilveren munt, de denarius, was oorspronkelijk 10 assen, later 16 assen waard en de gouden munt, de aureus, 25 denarii. Kleinere eenheden dan de as waren de semis (½ as) en de quadrans (¼ as).

Oude woorden in moderne talen

De eerste munten werden te Rome geslagen in de tempel van Iuno Moneta op het Capitool. De godin Iuno waarschuwde (= monere) de muntmeesters geen bedrog te plegen door munten van een onjuist gewicht en een onzuiver metaal te slaan. Latijnse woorden die met geld te maken hebben, leven nog steeds voort in de benamingen voor geld in moderne vreemde talen. Wie kent niet de woorden money (Eng.), monnaie (Fr.), portemonnee (Ned.), Moneten (Dts.), afgeleid van Iuno Moneta. De Engelse penny is wellicht ontstaan uit pecunia en de Spaanse dinero, of de Joegoslavische dinar afgeleid van denarius. Het woord caput (= hoofd van vee) heeft geleid tot ons woord kapitaal. Iemand die in de Romeinse tijd veel vee had, was kapitaalkrachtig.

Drie woorden die keizer Vespasianus (69-79 na Chr.) ooit uitsprak, leven bij ons nog voort in de vertaling “Geld stinkt niet”. In die tijd werd namelijk de stof die gebruikt werd voor togas eerst door de zgn. vollers voorgewassen met bijtende en ontvettende stoffen zoals urine (waarin ammoniak zit). Urine was dus erg gewild bij de vollers en zij plaatsten potten bij hun vollerij waarin voorbijgangers urine konden lozen. Ook kochten zij urine van openbare toiletten. Vespasianus hief extra belasting op dit stinkende goedje. Zijn zoon Titus vond dat er een luchtje aan deze belastingheffing zat, waarop Vespasianus hem het betreffende geld onder de neus hield en zei: pecunia non olet (Geld stinkt niet).

De Romeinse god van handel en verdienste, Mercurius, leeft nog steeds voort in het Engelse woord voor handelaar, nl. merchant.

6e klas Rome geld 1

Productie van munten

De meeste Romeinse munten werden geslagen op de hier afgebeelde wijze. In het aambeeld (5) werd een stempel voor de voorzijde vastgezet (4); in een houder (1) werd een stempel voor de keerzijde geklemd. Met een tang werd er, na verhitting een munt-plaatje (3) tussen aambeeld en houder gelegd, waarna de afbeelding met behulp van een hamer op het muntplaatje werd geslagen.

6e klas Rome geld 2

Zoals bij ons nu nog steeds gebruikelijk is, zo stond ook bij de Romeinen op de voorzijde van de munt een afbeelding van de heersende vorst. Een dergelijk portret was voor de Romeinen de enige manier om te weten hoe hun vorst er uitzag (afgezien van standbeelden). Fotografie bestond immers niet. De keerzijde van munten werd dikwijls gebruikt als propagandamiddel om aan te geven welke weldaden de keizer voor het volk had verricht. Munten gingen van hand tot hand en fungeerden op die manier als een soort radio. De hele geschiedenis van het Romeinse rijk kan als het ware afgelezen worden van de keerzijde van munten. Voorbeelden van propaganda zijn de haven van Ostia op een munt van Nero (54-68 na Chr.), als teken van goede zorgen voor voedselvoorziening door korentoevoer over zee.

6e klas Rome geld 3

6e klas Rome geld 4

6e klas Rome geld 5

Keizer Hadrianus (117-138 na Chr.) stond er bekend om dat hij van reizen hield en hij liet dan ook een munt slaan met de personificatie van Egypte op de keerzijde.

In tegenstelling tot onze munten staat er op Romeinse munten geen exact jaartal, maar toch kunnen we ze vaak op het jaar nauwkeurig dateren. De Romeinen hadden namelijk de gewoonte om op de munt, naast de naam en bijnamen van de keizer, ook te vermelden welk ambt deze keizer voor de zoveelste keer bekleedde. Uit antieke bronnen weten we van elke keizer welk ambt hij in welk jaar uitoefende. Omdat er zo ontzettend veel afkortingen gebruikt worden, volgt hieronder een voorbeeld:

6e klas Rome geld 6

IMP(erator) CAES(ar) VESP(asianus) AVG(ustus) P(ontifex) M(aximus) T(ribunicia) P(otestate) CO(n)S(ul) Iin CENS(or);

in vertaling:

opperbevelhebber, keizer Vespasianus, de verhevene, opperpriester, met de macht van tribuun, consul voor de 4de maal, censor.

In het jaar 72 na Chr. was Vespasianus voor de 4de maal consul, zodat deze munt in dat jaar geslagen is.

6e klas Rome geld 7

 

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

 

712-649

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-7)

.

 DE ONDERGANG VAN HET WEST-ROMEINSE RIJK

Het opdringen van de Germanen

Een eigen schrift

Tussen de Donau en de Zwarte Zee woonden Germaanse volkeren: de West-Goten en Oost-Goten. Oor­spronkelijk afkomstig uit Scandina­vië, hadden ze de lange weg door Rusland afgelegd langs rivieren en moerassen, door wouden en over vlakten. Als ze niet verder konden va­ren, droegen ze hun boten tot ze weer aan water kwamen. Zo bereikten ze Zuid-Rusland met het aangename kli­maat, waar ze zich vestigden. De Oost-Goten hadden de naburige stammen onderworpen en vormden een groot rijk. Ook de West-Goten waren, zij het met tegenzin en altijd tot opstand bereid, aan de Oost-Goten onderhorig.
De Goten waren diepgaand beïnvloed door de Romeinse beschaving. Ze hadden een eigen schrift, het Gotisch, dat gebaseerd was op het Griekse al­fabet en op de Germaanse runente­kens. Ze waren overgegaan tot het christendom en de hele Bijbel was door een van hun bisschoppen in het Gotisch vertaald.

Woeste horden nomaden

In 374 kwamen volkomen onver­wacht talrijke woeste nomadenhorden Europa binnen. Het waren de Hunnen die, nadat ze eerst tevergeefs op het keizerrijk China hadden stormgelopen, naar het westen kwa­men om daar hun geluk te beproeven. Als het ware vastgegroeid op de rug­gen van hun kleine ruige
paardjes, behoorden ze tot de beste ruiters ter wereld, die in massale stormaanval­len hun vijanden onder de voet pro­beerden te lopen. Meestal met volle­dig succes! Zo onderwierpen ze in Europa in de kortste tijd de Alanen, een herdersvolk met een niet te on­derschatten dapperheid en strijdlust. Na hun nederlaag sloten deze Alanen zich aan bij de Hunnen en deden een inval in het Gotische Rijk. Ook de Oost-Goten legden al spoedig het loodje. De West-Goten wachtten de bui niet af en trokken met hun hebben en houden naar de Donau om binnen het veilige Romeinse Rijk bescherming te gaan zoeken. → Attila

Alleen tegen contante betaling

De Goten vroegen beleefd aan keizer Valens of ze zich binnen het Romein­se Rijk mochten vestigen. De heerser aarzelde, want hij vertrouwde hen niet helemaal. Toen hij uiteindelijk toch zijn toestemming gaf, was dat op een aantal voorwaarden. De Go­ten moesten al hun wapens achterla­ten en hun jonge mannen als gijze­laars afstaan. Ook werd afgesproken dat ze alle noodzakelijke levensbehoeften alleen tegen contante beta­ling zouden kunnen verkrijgen. De Goten gingen op deze voorwaarden in, maar de Romeinse ambtenaren en militairen maakten ernstig misbruik van de ondergeschikte positie van de Goten. De Goten waren woedend en vonden dat ze zich nu ook niet meer aan de afspraken hoefden te houden. Heimelijk voorzagen ze zich van wa­pens en kwamen in opstand. In korte tijd was heel Thracië in hun bezit.

Zonder pardon

De keizer haastte zich naar Constantinopel om een leger uit te rusten. Daarna rukte hij op tegen de Goten, maar hij werd in 378 bij Adrianopel volkomen verslagen. Zelf kwam hij daarbij om het leven. De Goten zet­ten hun plunderingen in de wijde om­geving voort. Toen kreeg de opperbe­velhebber van het leger, Julius, van de Senaat van Constantinopel onbe­perkte volmacht. Daarvan maakte hij een niet zo verstandig gebruik, want hij liet alle gijzelaars van de Goten zonder pardon ter dood brengen. De Goten werden hierdoor natuurlijk niet vredelievender. De keizer van het westelijk deel van het Romeinse Rijk, Gratianus, be­noemde na de dood van Valens de ge­neraalszoon Theodosius tot keizer over het oostelijk deel van het rijk Deze slaagde er inderdaad na zeven jaar in de Goten tot rust te brengen en vaste woonplaatsen te doen kie­zen. Toch bleven ze een niet onge­vaarlijk element binnen het rijk, want ze woonden in de hun toegewezen ste­den en gewesten onder eigen bestuur en rechtspraak.

De Vandaal Stilicho

Omstreeks 400, toen het Oost-Romeinse Rijk na het overlijden van Theodo­sius bestuurd werd door zijn twee zoontjes, Arcadius van 17 en Hono­rius van 11 jaar, begonnen de Goten weer te plunderen onder leiding van hun aanvoerder Alarik. De provincies Thessalië, Macedonië, Thracië en Illyrië hadden daar erg van te lijden. De Vandaal Stilicho, die voor Honorius het West-Romeinse Rijk bestuurde, zond eerst troepen en stak vervolgens zelf over naar de Peloponnesus.

De Goten trokken daarop naar Illyrië. Daarmee was het probleem van de Goten uiteraard niet opgelost en de keizer van het oosten liet zich overhalen om de Goten als bondge­noten te aanvaarden. Spanningen met het westelijk deel van het rijk brachten Alarik ertoe naar Italië te trekken en daar in het noorden huis te houden. Stilicho, die in Italië vrij­wel geen troepen tot zijn beschikking had, riep toen de legioenen uit Brittannië en Gallië terug. Daardoor werd Brittannië aan de Picten en de Scoten en Gallië aan de Germanen prijsgegeven. De Romeinse opperbe­velhebber trok vervolgens tegen Ala­rik op. Hij leverde bij Pollentia een zware slag. De Gotische koning ont­ruimde Italië en de jonge Honorius hield met Stilicho samen een mooie triomftocht in Rome, de laatste in de geschiedenis. In 406 en nog lang daarna trokken Germaanse stammen de Rijn over en vestigden zich in Gallië. De afbraak van het Romeinse was onstuitbaar begonnen.

Het leger werd zeer verzwakt

Stilicho’s roem als veldheer en staatsman begon ten gevolge van het verlies van Brittannië en Gallië flink te tanen. Zijn vele vijanden aan het hof en elders maakten daar handig gebruik van om hem ten val te brengen. Gekonkel en gekuip bij de keizer leidden tot moord op de voornaamste aanhangers van de Vandaal Stilicho. Daartoe behoorden hoge staatsambtenaren en veldheren. Vervolgens werd Stilicho* zelf vermoord. Olympius, die de grootste tegenstander van Stilicho was geweest, hield daarna op verschrikkelijke manier huis onder allen die iets met de vermoorde te maken hadden gehad. En daarbij liet hij het niet. Omdat hij bang was voor een opstand van de vreemde troepen die in Romeinse dienst waren, liet hij al hun vrouwen en kinderen, die hij als gijzelaars in zijn macht had, ter dood brengen. Tevens liet hij vele hoge officieren vervangen, daarbij meer lettend op betrouwbaarheid dan op bekwaamheid. De Goten die in het West-Romeinse leger dienden, liepen daarop in groten getale naar Alarik over. Het is onnodig te zeggen dat het West-Romeinse leger door al deze maatregelen zeer verzwakte. Dat was voor Alarik alle aanleiding om opnieuw een inval in Italië te beramen.

Verwekelijkt en verwijfd

Bij de nadering van de Goten zocht Honorius** zijn toevlucht in Ravenna. Hij begreep heel goed dat Alarik het op Rome gemunt had. Daar het leger te verzwakt was om ook maar enige tegenstand te kunnen bieden, kon de vijand ongehinderd tot Rome door­dringen en de stad aan alle kanten in­sluiten. Daarna ontstond een situatie waaraan beide partijen niet veel kon­den veranderen. De Goten waren na­melijk niet in staat om de nog altijd geweldige stad in te nemen en de Ro­meinen konden onmogelijk de vijand verdrijven. De Romeinse geschied­schrijver Ammianus Marcellinus (330-400) heeft betoogd dat de Ro­meinen te verwekelijkt en verwijfd geworden waren om de belegeraars aan te vallen.

Ze slaan een hoge toon aan

We laten Marcellinus hierover aan het woord: ‘De edelen van deze tijd meten hun rang en hun aanzien af naar de hoogte van hun wagens en de pracht van hun kleding. Hun lange zijden en purperen gewaden wappe­ren in de wind en als deze, al of niet per ongeluk, een eindje de hoogte in gaan, laten ze zien dat de kleren die daaronder zitten ingeweven dierenfiguren hebben. Met een troep van vijf­tig bedienden achter zich aan jachten ze met hun hoge wagens door de straten en vernielen daarbij het plaveisel. Dit voorbeeld van de senatoren vindt ijverig navolging bij zowel getrouwde als ongetrouwde vrouwen, die ook al­maar met overdekte wagens in grote haast door de hele stad rijden. Als de hooggeplaatste personen zich ver­waardigen om de openbare badhui­zen te bezoeken, slaan ze bij hun komst een hoge toon aan en eisen al de gemakken voor zich op die voor het volk bestemd zijn.’

Met de grootste minachting

Marcellinus vervolgt: ‘Soms onderne­men de hoge heren zelfs iets vreselijk vermoeiends. Dan brengen ze een bezoek aan hun landgoederen in Italië en verschaffen zich, doordat hun sla­ven zich uitsloven, de genoegens van het jagen. En wanneer ze een enkele keer, vooral op warme dagen de moed hebben opgebracht om in hun beschilderde galeien naar hun fraaie buitenhuizen aan de kust van Puteoli en Cajeta te varen, vergelijken ze hun onderneming met de tochten van Caesar en Alexander. Maar zodra een vlieg het waagt te gaan zitten op de zijden plooien van hun vergulde zon­neschermen, of een zonnestraal door een onbewaakte en nauw merkbare opening dringt, dan zuchten ze over hun ontzettend zware tochten en beklagen zich er in moeilijke zinnen over dat zij niet in het land van de Kimmeriërs geboren zijn, want daar heerst tenminste een eeuwige duister­nis.

Thuis staan de Romeinse heren erop dat ze met de grootste eerbied beje­gend worden. Reeds bij de geringste nalatigheid jegens hun persoon barsten ze in woede uit. Alle andere mensen echter behandelen ze met de grootste minachting en onverschillig­heid. Als ze om warm water hebben gevraagd en hun slaaf niet snel genoeg aan hun verlangens heeft vol­daan, kan hij rekenen op driehon­derd stokslagen. Als diezelfde slaaf evenwel iemand met voorbedachten rade heeft vermoord, merkt zijn heer op dat hij een sukkel van een vent is en dat hij bij een volgende keer zijn straf niet zal ontgaan.’

Liefst in afgelegen vertrek

Marcellinus heeft nog meer kritiek: ‘De hoge heren hebben maar bitter weinig belangstelling voor studie of andere zaken die inspanning vereisen. Het enige wat ze lezen zijn fantasti­sche verhalen of hatelijke stukjes. De bibliotheken die ze van hun vaders hebben geërfd, laten ze het liefst in een afgelegen vertrek onder het stof rusten. Maar ze laten wel kostbare to­neeltoestellen en fluiten, grote lieren en waterorgels maken, want dat vin­den ze mooi. Gezang en instrumenta­le muziek klinken zonder ophouden door de grote huizen van de aanzien­lijken. Men hecht meer waarde aan ijdele klanken dan aan woorden van wijsheid en verkiest de verzorging van het lichaam boven de verzorging van de geest. Daarmee hangt ook wel samen dat ze op kinderlijke wijze geloof hechten aan de voorspellingen van de waarzeggers, die beweren uit de ingewanden van de offerdieren de voortekenen van grootheid en aan­zien te kunnen lezen. Ja, er zijn zelfs lieden die niet eens een bad nemen of gaan eten, voordat ze een
sterren­wichelaar hebben geraadpleegd.’
Tot zover Ammianus Marcellinus, wiens woorden inderdaad heel sterk de in­druk geven van een ten ondergang ge­doemd rijk.

Volslagen ongeschikt

Het oude spreekwoord ‘Zo heer, zo knecht’ was ook op het volk van Rome in die moeilijke tijd van toepas­sing. De gewone man had een hekel aan iedere vorm van arbeid en dat kon men hem niet eens kwalijk nemen. Nog altijd immers vonden er kosteloze voedseluitdelingen plaats en voor een krats kon men alle ge­neugten van de weelderige Romeinse badhuizen smaken. Daarnaast zorg­den ook de publieke spelen voor vol­doende afleiding en vertier. Het is wel duidelijk dat dit soort Romeinen vol­slagen ongeschikt was geworden voor een militaire krachtsontplooiing, zo­als een uitval uit de stad om de Goten te verdrijven. Toen de mondvoorraad krap werd en er een besmettelijke ziekte uitbrak, wist de Senaat niets beter te bedenken dan het sturen van een gezantschap van twee man naar Alarik.

Hoongelach

De twee gezanten die voor de aanvoerder van de Goten gebracht werden, verklaarden trots dat ze een eervol verdrag wilden sluiten. Als Alarik daar niet op inging, moesten de wa­penen maar beslissen. Deze opgeblazen woorden deden de Goot in een hoongelach uitbarsten. De gezanten bonden haastig in en vroegen hoeveel losgeld hij dan wel had willen hebben. Het antwoord viel niet mee: álle goud en zilver dat er in de stad was, álle kostbare voorwerpen en álle slaven van barbaarse afkomst moesten bij de Goten gebracht worden. Uiteindelijk bleek Alarik ook met wat minder genoegen te willen nemen, maar toch verlangde hij zoveel goud en zilver, dat de hele Romeinse muntvoorraad niet genoeg was. Men moest zelfs beelden die van goud en zilver gemaakt waren omsmelten om aan de eisen te kunnen voldoen. Toen braken de Goten hun beleg van Rome op, maar eigenlijk wilden ze het liefst in Italië blijven wonen. Daarom bood Alarik de keizer vrede en vriendschap aan in ruil voor een geschenk in geld plus enige gebieden. Honorius was echter zo koppig als een ezel en wees elk voorstel van de hand. Daarop rukten de Goten in 410 opnieuw naar Rome op en slaagden er dit keer wél in de stad te nemen. Drie dagen lang liet Alarik zijn mannen hun gang gaan en heel wat werd geroofd en weggesleept. Daarop leidde hij zijn leger weg in zuidelijke richting. Lang heeft Alarik*** niet van zijn overwinning kunnen genieten, want nog in datzelfde jaar 410 overleed hij plotseling.

Een nieuw rijk

De opvolger van de overleden aanvoerder werd zijn zwager Athaulf aangesteld. Over diens vijf jaar du­rend koningschap is niet veel bekend. Hij trouwde met de zuster van keizer Honorius en maakte een veroverings­tocht naar Spanje. Daar waren sinds 409 de Germaanse volkeren van de Vandalen, Alanen en Sueven geves­tigd. Kort daarop werd hij vermoord. Wallia werd toen koning van de Go­ten. Hij was de Romeinen gunstig ge­zind en veroverde voor hen het groot­ste deel van Spanje. Daarbij roeide hij zowat het hele volk van de Alanen uit. De Vandalen en Sueven werden gedwongen zich in het noordwestelijk deel van het land terug te trekken. Keizer Honorius schonk Wallia als blijk van waardering een gebied in Gallië tussen de rivieren de Garonne en de Loire. De Goten stichtten daar een eigen, nieuw rijk met als hoofd­stad Tolosa, het latere Toulouse. De nieuwkomers gingen hard aan het werk en spoedig waren ze tot wel­vaart gekomen.

De Hunnen en het Romeinse Rijk

Ernstig in verval

Bij het overlijden van Honorius op 15 augustus 423 verkeerde het West-Romeinse Rijk reeds in diep verval. De Bourgondiërs hadden in het zuid­oosten van Gallië een eigen rijk gesticht, de Alanen zaten in de Elzas en in Lotharingen, de Franken be­heersten het hele noordwesten van het huidige Frankrijk en de Goten woonden in het gebied tussen de Garonne en de Loire. Brittannië, dat niet langer door de legers van de Ro­meinen tegen de Picten en de Scoten werd beschermd, maakte zich los van het rijk. Bretagne volgde dit voor­beeld. Ook Spanje, dat opnieuw door de Vandalen en Sueven veroverd werd, viel niet langer onder het Ro­meinse gezag. Zo bestond het hele Westromeinse Rijk omstreeks 425 al­leen nog maar uit Italië en de provincie Africa.

Hij presteerde even weinig

Het Oost-Romeinse Rijk maakte ook zeer moeilijke tijden door. Keizer Arcadius was een slappe en willoze fi­guur en een speelbal in de handen van geslepen hovelingen en vrouwen. De­len van het rijk werden zowel door barbaarse horden geplunderd en ge­brandschat als door eigen troepen on­der een dwarse generaal. Een tijdlang voerde keizerin Eudoxia de teugels van het bewind, totdat haar echtge­noot in 408 overleed. Hij werd opge­volgd door een jongetje van zeven jaar, die tot 450 aan de regering bleef, als men al van regering kan spreken, want hij presteerde even weinig als zijn voorganger. Zijn zuster Pulcheria, die medekeizerin werd, was eigenlijk veel geschikter voor het staatsbestuur. In een poging om het rechtswezen te verbeteren, liet zij alle bepalingen die na de dood van Constantijn de Grote kracht van wet hadden gekregen, in een wetboek bij­eenbrengen. Dit verzamelwerk is be­kend geworden onder de naam ‘Co­dex Theodosianus’.

Ook al een slappe figuur

Oost-Romeinse troepen brachten na de dood van Honorius zijn zuster Placidia en haar zoontje Valentinianus naar Italië. Ze joegen een zekere Johannes weg, die zich met geweld van de keizerlijke troon had meester ge­maakt en plaatsten het jongetje als Valentinianus III op de troon. Het bleek in de loop van de tijd ook al een slappe figuur te zijn, maar zijn moe­der Placidia voerde op bekwame wij­ze het bewind, totdat ze in 450 stierf. De keizerin vertrouwde geheel en al op haar uitstekende veldheer Aëtius. Deze streed met succes tegen allerlei Germaanse volkeren, zoals de Bour­gondiërs en de Goten. Door een han­dige politiek wist hij de Hunnen ertoe te brengen hun aandacht meer op het Oost-Romeinse Rijk te richten. Wrijvingen tussen Aëtius en Bonifacius, de stadhouder van Africa, deden Aë­tius op een zeker ogenblik besluiten een verbond te sluiten met de Hun­nen. Dit versterkte de positie van de veldheer natuurlijk zeer, zozeer zelfs, dat hij de eigenlijke macht boven Valentinianus bezat. Aëtius zou die macht niet lang houden. Er zou een strijd op leven en dood uitbreken tus­sen het West-Romeinse Rijk onder aanvoering van Aëtius en de Hunnen onder leiding van Attila.

Omwille van de lieve vrede

De Hunnen waren, na hun overwin­ning op de Goten, heel langzaam in westelijke richting opgeschoven. Er was niet zo veel onderlinge samen­hang meer, omdat de Goten uiteenge­vallen waren in verschillende stam­men, ieder met een eigen vorst aan het hoofd. Keizer Theodosius II (408-450) van het Oost-Romeinse Rijk betaalde omwille van de lieve vrede aan een van de belangrijkste Hunse vorsten ieder jaar een flinke schat­ting. Bovendien had hij hem met de rang van Romeins veldheer vereerd. Toen deze vorst overleed, werd hij door twee van zijn neven opgevolgd. De een, Attila geheten, was zeer eer­zuchtig.
Hij liet de ander, die nota bene zijn eigen broer was, zonder enig gewe­tensbezwaar vermoorden.
Daarna probeerde hij zijn macht over de Hunnen uit te breiden. Door zijn heerszucht en zijn sterke wil slaagde hij er inderdaad in een groot rijk op te bouwen, dat zich ten slotte uit­strekte over heel Noord- en Midden-Europa tot diep in Azië. Niet alleen de stammen van de Hunnen, maar ook die van de Slaven, de Sarmaten en zelfs een deel van de Germanen volgden hem.

Op genadeloze wijze

De volkeren die zich vrijwillig aan Attila onderworpen hadden, werden goed door hem behandeld. Ze hoefden alleen maar wat belasting te betalen en moesten soldaten leveren als er oorlog was. Ze mochten hun eigen bestuur en rechtspraak behouden en hadden recht op bescherming van de Hunnen. De vorsten van de onderhorige stammen vertoefden vaak aan het hof van Attila als raadslieden of gewoon als hovelingen van hogere of lagere rang. Wie zich echter  niet  vrijwillig  onderwierp, werd op genadeloze wijze afgestraft. Hem wachtte de dood of slavernij. Waar de Hunnen waren geweest als veroveraars, bleven slechts rokende puinhopen en lijken achter. Hoe gevreesd Attila**** was, blijkt wel uit de bijnaam die hem gegeven werd: de Gesel Gods.

Slechts op vernederende voorwaarden

Enkele dreigende gebaren van de Hunnen brachten de keizer van het Oost-Romeinse Rijk er haastig toe, in het vervolg een dubbele schatting te betalen. Daarmee was overigens nog geen enkele zekerheid verkregen dat het rijk in het vervolg met rust zou worden gelaten. De grensgebieden hadden nog steeds van rooftochten van de Hunnen te lijden. In 446 en 447 drongen de Hunnen Griekenland binnen en verwoestten zeker 70 ste­den. Zelfs de hoofdstad Constantinopel werd bedreigd. Een gezantschap dat naar de gevreesde Attila*) werd gestuurd, slaagde er slechts op verne­derende voorwaarden in vrede te
slui­ten. En dan mochten ze nog blij zijn!

Verschillende oorzaken

Dankzij het verbond dat Aëtius met de Hunnen had gesloten, was het West-Romeinse Rijk tot dan toe met rust gelaten. Waardoor aan deze toestand een einde kwam, is niet hele­maal duidelijk. Weliswaar worden er verschillende oorzaken voor ge­noemd, maar geen daarvan is erg overtuigend. Het meest waarschijn­lijk zijn simpelweg zucht naar avon­tuur en machtswellust van Attila de enige motieven geweest. In elk geval ging er in het begin van het jaar 451 een geweldig groot leger – men spreekt van 500.000 man! – op weg naar het westen. Het was een bonte mengeling van volkeren en stammen, bestaande uit Hunnen, Slaven, Sar­maten en Germanen. Enkele maan­den later werd de Rijn overgetrokken en kregen de noordelijke gewesten van Gallië het zwaar te verduren. Orléans, dat pas nieuwe wallen had ge­kregen, bleek een moeilijk te nemen hindernis. Terwijl Attila de stad belegerde, naderde Aëtius – die intussen ook niet had stil gezeten – met een leger. Dat was voor de Hun­nenvorst aanleiding om het beleg voor Orléans op te breken, want hij durfde de slag niet op dezelfde plaats aan te gaan. Voor zijn omvangrijke krijgsmacht en met name voor zijn ontelbare ruiters had hij de ruimte van een uitgestrekte vlakte nodig. Die gunstige omstandigheid vond hij in hetzelfde jaar tussen Châlons aan de Marne en Troyes op de Catalaunische velden. Daar koos Attila dan ook positie.

Attila’s onzekerheid

De veldheer Aëtius legerde zich met zijn Romeinse en Germaanse troepen tegenover de stellingen van Attila. Deze schijnt onzeker te zijn geworden over de afloop van de strijd, iets wat heel goed voorstelbaar is. Hij, de geboren nomade, voelde zich immers het beste thuis op de uitgestrekte vlakten van Rusland en Midden-Azie, waar het groene gras en de blauwe hemel in de oneindige verten in elkaar overvloeiden. Daar was vol­doende voedsel voor de onmisbare paarden te vinden en daar ook konden de ruiters in een woeste storm­aanval over een breed front de vijand onder de voet lopen. In West-Europa echter ontbraken de grote grazige vlakten. Bossen en rivieren, heuvels en dalen wisselden elkaar af in bonte verscheidenheid, misschien mooi om te zien, maar voor een ruitervolk niet erg geschikt om er te leven en te vech­ten.

Zijn onzekere gevoelens brachten At­tila ertoe om waarzegsters te raadple­gen. De vrouwen schouwden lang en aandachtig in de ingewanden van de offerdieren en verklaarden ten slotte dat er een ongeluk dreigde voor de Hunnenvorst.  Ook de aanvoerder van het vijandelijke leger zou evenwel sneuvelen. Uit het laatste putte Attila moed. Hij gaf bevel dat de grote aan­val de volgende ochtend zou plaats­vinden.

De Slag op de Catalaunische Velden

Vroeg in de morgen begonnen de twee reusachtige legers met de voor­bereidingen voor de strijd. Het was een geren en een gedraaf, gekletter van wapens en geschreeuw, gehinnik van paarden en hoorngeschal. Ten slotte stonden de legers tegenover el­kaar opgesteld. Een kleine heuvelrij lag als een soort scheidslijn tussen hen in. De West-Goten stonden aan de Romeinse kant onder leiding van hun koning Theodorik pal tegenover de Oost-Goten onder leiding van ko­ning Walamir aan de kant van de Hunnen. De Hunnen stonden in het centrum van de slagorde en hadden op hun rechtervleugel de Gepiden. Toen brak de strijd los. De West-Goten slaagden erin de heuvelrij te be­zetten en gaven die, ondanks de ver­woede aanvallen van de Oost-Goten, niet meer prijs. Attila gunde zich geen ogenblik rust. Hij was overal waar zijn leiding en zijn vurige aansporingen het meest nodig waren. Toch lukte het hem niet een beslissing af te dwingen. De verliezen aan beide zijden waren verschrikkelijk. Een ri­viertje dat dwars door het slagveld liep, kleurde zich allengs rood van het bloed van de gevallenen. Hun aantal zou minstens 160.000 hebben bedra­gen. Hiertoe behoorde ook de dappe­re koning van de West-Goten, Theodorik. Zijn zoon Thorismus zette, ra­zend over de dood van zijn vader, de strijd met verdubbelde energie voort.

Een brandstapel

Langzaam maar zeker raakte Attila in het nadeel. Noodgedwongen trok hij zich terug in de wagenburg, een vesting van karren. Daar liet hij in het midden een brandstapel klaarma­ken om er zelfmoord op te plegen, als de vijand te ver zou doordringen. Maar de aanval op de wagenburg bleef uit, want ook Aëtius had zware verliezen geleden. De toestand was zeer onoverzichtelijk. De volgende dag waagde geen van de partijen het, de strijd te hervatten. Thorismus besloot naar zijn land terug te keren om zijn troon veilig te stellen. Ook de Romeinse veldheer gaf bevel om op te breken. De Hunnen trokken lang­zaam weg in oostelijke richting, de Rijn over. West-Europa was ver­schoond gebleven van hun overheersing.

Er ontstond een stad

Het bericht dat de West-Goten naar hun woonplaatsen waren terugge­keerd, gaf Attila moed. Misschien zou het hem dan toch nog lukken om het West-Romeinse Rijk te veroveren. In 452 trokken zijn ruiterbenden op de bekende wijze rovend en plunde­rend Italië binnen. De stad Aquileja waagde het zich te verdedigen, maar werd na herhaald stormlopen ingeno­men en vrijwel volledig verwoest. Geen mens werd gespaard, man noch vrouw, kind noch grijsaard. De oprukkende wrede veroveraars joegen een ware stroom van vluchtelingen voor zich uit. Velen vluchtten de moerassen in achter de lagunen van de Adriatische Zee. Daar verborgen ze zich en daar bleven velen ook wo­nen. Zo ontstond in de loop van de tijd een stad: Venetië!

Bijna spoorloos

Attila werd ook in Italië overvallen door aarzeling en onzekerheid. Niet alleen de strijd zorgde voor de nodige verliezen, ook besmettelijke ziekten die in zijn legerbenden uitbraken eisten een hoge tol. Het verschijnen van een gezantschap uit Rome om hem te smeken de stad te sparen, was hem dan ook beslist niet onwelkom. Hij verklaarde zich tevreden met de toegezegde schatting en gaf vervol­gens het sein tot de aftocht. Vrij kort daarna, in 453, stierf hij plotseling, volgens sommigen aan een bloedspu­wing. Na Attila’s dood viel zijn rijk uiteen en de Hunnen verdwenen bijna spoorloos uit de geschiedenis.

Het einde van de oudheid

Grote populariteit

Placidia, de moeder van de West-Romeinse keizer Valentinianus III, had tot aan haar dood in 450 de feitelijke macht uitgeoefend over wat er van het West-Romeinse Rijk was overge­bleven. Na dat jaar veranderde er niet veel, want de keizer regeerde nog steeds niet zelf. Vrijwel alles liet hij over aan de eunuch Heraclius. Maar al bekommerde hij zich niet om het wel en wee van het rijk, toch kon hij het ook niet goed hebben dat de veld­heer Aëtius zo succesvol gestreden had op de Catalaunische Velden. Hij kreeg ronduit een hekel aan de gevier­de legeraanvoerder, toen deze de dochter van de keizer als echtgenote voor zijn zoon opeiste. Omdat Aëtius een grote populariteit genoot als ver­dediger en redder van het rijk, durfde hij op deze eis ook niet een krachtig ‘nee’ te laten horen. In zijn hart be­raamde hij daarom boze plannen om de man, die hij als een mededinger voor de keizerskroon beschouwde, uit de weg te ruimen.

Een laffe daad

In 454 begaf Aëtius zich naar het kei­zerlijk hof in Rome om het aanstaan­de huwelijk van zijn zoon met de dochter van de keizer te bespreken. Volkomen onbewust van het gevaar dat hem boven het hoofd hing, trad hij de zaal binnen en vervoegde zich bij de keizer. Deze trok plotseling zijn zwaard en stak het met kracht in de borst van de veldheer. De aanwezi­ge hovelingen stortten zich daarop ook op het slachtoffer en voltooiden het moorddadige werk. Ook een van de trouwe vrienden van Aëtius werd ter plaatse om het leven gebracht. Daarna werden de overige belangrij­ke aanhangers van de legerleider een voor een naar het paleis ontboden en terstond na aankomst vermoord. Va­lentinianus trok zich niets aan van de verontwaardiging onder het volk**) over deze laffe daad. Hij gaf zich weer on­geremd over aan alle genoegens die het luie leven hem te bieden had.

Tuk op vrijerijen

De keizer, altijd tuk op vrijerijen en liefdesavonturen, had zijn oog laten vallen op een bijzonder aantrekkelij­ke en knappe vrouw. Helaas voor hem was ze al getrouwd met de sena­tor Petronius Maximus, en wilde ze niets, maar dan ook niets van zijn toenaderingspogingen weten. Dit prikkelde Valentinianus, die in derge­lijke zaken anders altijd succes had, buitengewoon. Hij wilde zijn zin
krij­gen en nam zich voor niet te zullen rusten voordat hij de vrouw had be­zeten. Die mogelijkheid deed zich voor toen Petronius Maximus bij het spelen met de keizer zoveel geld had verloren, dat hij zijn schuld onmogelijk kon voldoen.
Valentinianus verlangde toen van de nietsvermoedende senator dat hij hem zijn ring als onderpand zou geven. Deze had daar geen bezwaar tegen en overhandigde het kleinood aan zijn tegenspeler.

De heftigste verwijten

Toen Petronius even niet oplette, nam Valentinianus een van zijn be
dienden terzijde en droeg hem op de ring naar de begeerde echtgenote te brengen en haar te bevelen, dat ze zich onmiddellijk naar de keizerin moest begeven. De vrouw aarzelde niet het bevel op te volgen en liet zich in haar draagstoel naar het paleis brengen. Daar voerde men haar naar een stil en afgelegen vertrek, waar ze tot haar stomme verbazing de keizer aantrof. Door de ring van haar man geloofde ze dat het de wens van haar echtgenoot was de keizer ter wille te zijn. Daarom gaf ze toe en liet Valentinianus zijn gang gaan. Thuisgeko­men evenwel barstte ze woedend te­gen haar echtgenoot los en maakte hem de heftigste verwijten dat hij haar in de armen van de keizer had gedreven. Petronius stond perplex toen hij hoorde wat zijn vrouw was overkomen. Hij nam zich heilig voor, de hun aangedane smaad te wreken.

Niemand stak een hand uit

Petronius kwam in contact met twee soldaten die vroeger in het leger van Aëtius hadden gediend. Die maakten inmiddels deel uit van de lijfwacht van de keizer, maar de moord op hun vroegere generaal die zij zo trouw hadden gediend, konden ze moeilijk vergeten. Ze werden dan ook gemak­kelijk door Petronius omgekocht om een aanslag op Valentinianus te ple­gen. Toen die op een keer aanwezig was bij legeroefeningen op het Marsveld, werd hij plotseling door de twee aangevallen en gedood. Niemand waagde het om een hand uit te ste­ken. Kort daarop werd Petronius Maximus door het volk en de Senaat tot keizer gekozen.

Een strooptocht naar Italië

Toen de stadhouder van Africa, Bonifacius, ruzie had gekregen met Placidia, de moeder van Valentinianus, riep hij de hulp in van Genserik, de koning van de Vandalen. Deze ging maar al te graag op dat verzoek in en stak van Spanje naar Africa over. De helper gedroeg zich echter van het be­gin af aan als veroveraar en bleef meteen in Africa wonen. Na de moord op Valentinianus besloot hij tot een strooptocht naar Italië, met als uiteindelijk doel de plundering van het nog altijd rijke Rome. De nieuwe keizer, Petronius Maximus, was geen bijster grote held en bij de nadering van de Vandaalse krijgsmacht zonk hem de moed in de sandalen. Hij gaf de senatoren de raad het vege lijf in een haastige vlucht te redden, maar het volk nam dat niet. Toen hij buiten kwam beko­gelde een woedende menigte hem met stenen, net zo lang tot hij dood was. Daarna werd zijn lijk in de Tiber ge­worpen. Zo eindigde zijn regering, die slechts drie maanden had ge­duurd.

Zelfs het vergulde dak

Genserik trok ongehinderd op naar Rome. Van enige tegenstand of enig verzet was geen sprake. Evenals bij de nadering van Attila werd ook toen paus Leo I ingeschakeld om het drei­gend onheil van de stad af te wenden. Ditmaal boekte hij niet zo veel resul­taat. Hij kreeg van de Vandaalse vorst slechts de toezegging dat Rome niet in brand zou worden gestoken en dat de inwoners niet zouden worden gemarteld of gedood. Daarna drongen de Vandalen de weerloze stad binnen en roofden alles wat los en vast zat. Zelfs het vergulde dak van het Capitool werd naar beneden ge­haald en meegenomen. Veel kunst­werken werden onherstelbaar bescha­digd. Veertien dagen lang duurde het leeghalen van de stad. Het moet ge­zegd worden, Genserik hield woord: er werd geen brand gesticht en de be­woners werd het leven gespaard. Wel werden velen van hen in slavernij weggevoerd, ook keizerin Eudoxia en haar twee dochters.

In verwarring op de vlucht

Na Petronius Maximus volgden er in de korte periode van twintig jaar nog vele keizers. Er waren figuren bij die soms helemaal afhankelijk waren van de legeraanvoerders, maar er waren er ook die probeerden een wat zelf­standiger politiek te voeren. Erg veel stelde dit echter niet voor. Een heel jaar lang is de troon zelfs onbezet ge­bleven. Toen benoemde de keizer van het Oost-Romeinse Rijk in 457 Anthemius tot keizer van het West-Romeinse Rijk. Beide keizers namen het besluit om gezamenlijk de Vandalen te gaan bestrijden, die op steeds brutaler wijze***) met hun vloot de kuststreken teis­terden. Er werd een groot leger en een indrukwekkende vloot bijeenge­bracht en daarmee werd een landing in Africa uitgevoerd. Genserik was daar niet op voorbereid, maar de wei­felachtige houding van de opperbe­velhebber van de Romeinse strijd­macht gaf hem een kans. Het lukte hem het grootste deel van de vijande­lijke vloot in brand te steken. De rest sloeg in verwarring op de vlucht. Zo bleven de narigheden die de kuststre­ken van de Vandalen ondervonden, voortduren.

Lachwekkend

Anthemius kreeg ten slotte ruzie met Ricimer, de opperbevelhebber van de vreemde troepen in Romeinse dienst. Die ruzie liep zo hoog, dat het tot een veldslag tussen beide heren kwam. Anthemius verloor en opnieuw werd Rome het toneel van roof- en plunderpartijen door barbaarse troepen. Tijdens het beleg was de pest in de stad uitgebroken en deze vreselijke ziekte hield ernstig onder de bevol­king huis. Ook Ricimer bezweek er­aan. De keizer van het Oost-Romeinse Rijk benoemde daarop een van zijn familieleden tot keizer van het West-Romeinse Rijk, maar deze werd al na een jaar weggewerkt door Orestes, de bevelhebber van de Hunse en Sarmatische hulptroepen. Orestes plaatste op 31 oktober 475 zijn zoontje te Ravenna op de kei­zerstroon. De knaap heette Romulus Augustus. Zijn naam wees zowel naar de grondlegger van Rome, Ro­mulus, als naar de eerste keizer van het rijk, Augustus. Dat was in wezen natuurlijk lachwekkend, want wat was er van het machtige Romeinse rijk overgebleven? Daarom noemde men het keizertje ook wel Romulus Augustulus, wat ‘Romulus, de kleine Augustus’ betekent.

Koning van de Germaanse volkeren

Er verscheen evenwel een nieuwe ka­per op de kust in de persoon van Odoaker, de aanvoerder van een groot leger waarin verschillende Ger­maanse stammen dienden. Odoaker wilde zich met zijn mensen in Beneden-Italië vestigen, maar Orestes stond hem dat niet toe. Uit de strijd die volgde kwam Odoaker als overwinnaar te voorschijn. Hij liet Romu­lus Augustulus voor de Senaat ver­klaren dat hij afstand deed van de Keizerlijke waardigheid. Zelf wilde hij de keizerstitel ook niet, daar deze immers geen enkele inhoud meer had. Odoaker noemde zich ‘koning van de Germaanse volkeren in Italië’. En met dit feit in 476 wordt het bestaan van het West-Romeinse Rijk als geëin­digd beschouwd.

De geschiedenis ging gewoon door

Het West-Romeinse Rijk was in de loop van de tijd zo gering van om­vang geworden, dat de afzetting van de laatste keizer van het West-Romeinse Rijk maar een onbelangrijk iets in het grote geheel van de gebeurtenis­sen is geweest, zeker voor het Oost-Romeinse Rijk. Dat bestond nog tien eeuwen en kende, behalve tijden van ernstig verval, ook zeker perioden van grote bloei. Terecht kan men zich daarom afvragen of men in 476 wel de oudheid moet laten eindigen en de middeleeuwen moet laten beginnen. Voor West-Europa evenwel was het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk van ingrijpende betekenis, zodat deze indeling wel te verdedigen valt. De geschiedenis ging echter gewoon door en iedere indeling heeft iets ge­dwongens. Maar het is een gemakke­lijk hulpmiddel om het grote geheel overzichtelijk te maken en daarom speelt Odoaker, zonder het te weten, zo’n belangrijke rol in de geschiede­nis.

­*Onmiddellijk onthoofd

Stilicho kreeg van vele van zijn aan­hangers de raad om de zwakke keizer Honorius af te zetten en zelf de hoogste waardigheid op zich te nemen, maar hij aarzelde. Deze besluiteloos­heid werd hem fataal, want toen liet iedereen hem in de steek. Stilicho nam de wijk naar Ravenna en vluchtte daar een kerk binnen. Het was toen een on­geschreven wet, dat iemand die in een kerk het altaar vasthield, niet mocht worden gedood. Onder valse voor­wendsels werd de Vandaal echter naar buiten gelokt en vrijwel onmiddellijk onthoofd.

**Dwars door de strijdenden

De laatste triomftocht die de Romeinse keizer Honorius samen met zijn veld­heer hield, ging gepaard met grote feesten. Eveneens voor het laatst wer­den bij deze gelegenheid gladiatorenspelen gehouden. De christelijke dichter Prudentius deed een beroep op de keizer om de wrede vechtpartijen te verbieden, terwijl de monnik Telemachus tot daden overging. Tijdens de spelen rende hij de arena binnen en liep dwars door de strijdenden om hen te laten ophouden. Dit beviel de toe­schouwers allerminst. Ze stenigden de spelbreker, die daarop door de kerk tot martelaar werd verklaard. Voor Hono­rius was het aanleiding om een wet uit te vaardigen die de gladiatorenspelen verder verbood.

***De rivier werd omgeleid

Het plotseling overlijden van Alarik bracht bij de Goten grote verslagen­heid teweeg. Ze besloten hun grote aanvoerder te eren met een prachtige begrafenis en vooral ook met de zeker­heid dat zijn graf ook in de toekomst ongeschonden zou blijven. Daartoe werd de rivier de Busento in de buurt van de stad Cosentia omgeleid en in de drooggevallen bedding werd het graf gemaakt. Het lijk werd op Germaanse wijze, voorzien van vele kostbaarhe­den van de overledene, bijgezet. Ver­volgens werd de dam verwijderd die de rivier in haar loop stuitte, zodat het water zich boven de laatste rustplaats van Alarik kon sluiten. Alle gevange­nen die het werk hadden verricht wer­den gedood, zodat niemand ooit de plaats zou kunnen verraden. Deze op­zet is geslaagd, want tot nu toe weet niemand waar deze koning van de Go­ten begraven ligt.

****Het zwaard van de oorlogsgod

De Hunnenkoning Attila was in de dagen van zijn volgelingen onoverwin­nelijk omdat hij, naar ze geloofden, hef zwaard van een krijgsgod in zijn bezit had. Eens namelijk had een her­der een stuk jongvee gevonden, dat aan een poot gewond was geraakt. Hij volgde het bloedspoor terug en ontdek­te in het lange gras een ijzeren punt die de grond omhoogstak. Nieuwsgie­rig geworden begon hij te graven en vond een groot roestig zwaard. Hij nam het mee en bracht het naar Attila. Deze luisterde aandachtig naar het ver­haal van de wonderlijke vondst en ver­klaarde dat het een teken van de hemel was. Het zwaard zou van de oorlogs­god afkomstig zijn, die daarmee aan Attila duidelijk wilde maken dat deze oor bestemd was voor de wereldheer­schappij, Het zwaard werd voortaan als een heilig voorwerp beschouwd en genoot een grote verering. Plechtige feesten werden ervoor gehouden en tal van dieren werden ervoor geofferd.

*Goud en edelstenen

De gezanten die in opdracht van de Romeinse keizer naar Attila waren ge­gaan om hem om vrede te vragen, ke­ken hun ogen uit toen ze in de residen­tie van de Hunnenkoning in de Hon­gaarse Laagvlakte waren aangekomen. Alle gebouwen op één na waren van hout en de huizen van de voorname Hunnen waren ongelooflijk rijk ver­sierd. De bevelhebbers van de vorst droegen bonte en opgesmukte kleding. Zelfs op hun schoeisel droegen ze goud en edelstenen. De tafels van de aan­zienlijken waren overladen met gouden en zilveren vaatwerk. Opvallend daar­entegen was de grote eenvoud die Atti­la zelf betoonde, zowel in zijn kleding als ten aanzien van het voedsel dat hij tot zich nam. Dit laatste bestond slechts uit vlees, naar de aloude ge­woonte van de nomadische Hunnen.

**De rechter- en de linkerhand

Keizer Valentinianus liet de moord op de befaamde veldheer Aëtius aan het volk bekendmaken als een  ‘rechtvaar­dige en nuttige daad’. Zijn onderdanen lieten zich echter niet om de tuin leiden en vroegen zich af wie hen op even be­kwame wijze tegen de barbaren moest verdedigen. Een Romein bracht de twijfel over de juistheid van de daad heel goed onder woorden, toen hem door de keizer gevraagd werd hoe hij over de dood van de veldheer dacht: ‘Heer, ik weet niet wat uw overwegin­gen zijn geweest en ook ken ik niet het onrecht dat u is aangedaan. Maar één ding staat voor mij vast en dat is dat u hetzelfde hebt gedaan als iemand die met zijn rechterhand zijn linkerhand heeft afgehakt.’

***Een groot aantal paarden

De aanvallen die de Vandalen na de plundering van Rome in 455 op de kusten van Italië, maar ook op die van Griekenland bleven uitvoeren, droegen een heel bijzonder karakter. De rovers namen namelijk een groot aantal paar­den aan boord van hun schepen. Wan­neer ze ergens aan land waren gegaan, konden ze daarmee snel en diep in het gebied doordringen om hun buit te ver­garen. Voordat de overrompelde men­sen goed en wel beseften wat er aan de hand was, waren de overvallers al weer even snel weggereden als ze gekomen waren. En voordat een behoorlijke te­genstand georganiseerd was, waren de overvallers met hun paarden alweer lang en breed aan boord van hun sche­pen op weg naar nieuwe roofavonturen.

6e klas rome 9

In deze tijd ontstonden prachtige mozaïeken. Ravenna!
Je kunt ze met 6e-klassers maken, (als je de tijd vindt).
In Erziehungskunst 9-82 vind je aanwijzingen hoe.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

.

711-648

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-11)

.

Hans Harress in “Der Elternbrief”, datum onbekend  (vrije vertaling)
.

De eerste zeven jaar: ritme als hulp bij de opvoeding
.

Het kan niet vaak genoeg onderstreept worden, dat de eerste zes à zeven jaar in het leven van de mens voor hem de allerbelangrijkste zijn. Ze zijn van beslissende betekenis voor heel zijn verdere leven.
In deze jaren leert de wordende mens niet alleen lopen – het zich oriënteren in de aardse ruimte – spreken – de sociale en mentale interactie met de medemens – en denken – het bewust op zich nemen van verantwoordelijkheid – de mens krijgt op deze leeftijd ook impulsen die doorslaggevend zijn voor zijn toekomstige levens- en denkwijze. Het is van grote betekenis of hij de mogelijkheid krijgt de verschillende talenten die een mens in zijn leven meebrengt, door de manier van opvoeden – d.w.z. door het begrip van zijn opvoeders – te ontplooien en tot ontwikkeling te brengen of dat de aanleg niet ontwikkeld wordt en latent blijft om tenslotte te verkommeren.

De fantasiekrachten horen bij die menselijke aanleg en in deze eerste levensfase  kunnen die juist ontwikkeld worden, vóór de tegenovergestelde krachten van het intellect de fantasie remmen en te veel gaan inwerken op het denken en voorstellen en op het gedrag.

Het kind zou steeds door de manier van spelen en het soort speelgoed, door wat het aan voorbeelden krijgt tot fantasievol bezig zijn aangespoord moeten worden. Gebeurt dat niet of krijgt het kind speelgoed dat niet geschikt is, dan zou het ten koste van de onderdrukte fantasiekrachten op een te eenzijdige manier andere vermogens ontwikkelen, bv. het intellectualistische, logische denken. Op jonge leeftijd heeft dit het gevaar in zich dat bij de jonge mens al vroeg iets ouwelijks is waar te nemen.

Het kind leert door nabootsing

Op deze leeftijd van de eerste kinderjaren geeft de aard van het kind ons een bijzondere opvoedingshulp: het is de sterk ontwikkelde nabootsingskracht. Daarmee kun je, ja moet je als opvoeder op een zinvolle manier omgaan, vóór deze natuurkracht van de kleuter zich omvormt in het vermogen te leren en te onthouden die het basisschoolkind krijgt wanneer het schoolrijp wordt.
Iedere vader en moeder weet dat hun kind een sterke drang vertoont alles na te doen wat zij doen. Als vader een boek uit de kast pakt, wil de kleine dat ook doen. Wanneer moeder schrijft, pakt hij ook een potlood. En op deze manier – door het na te doen – raakt het kind langzamerhand in de wereld thuis en zo leert het ook om te gaan te praten. Natuurlijk begrijpt het kind eerst heel erg weinig van wat het allemaal nadoet – het doet het na van zijn ouders – in het volste vertrouwen zonder erbij na te denken. Pedagogisch is het dus echt verkeerd om steeds te verbieden wat het kind nabootst, ook al gaat er af en toe wel eens iets mis. Maar dat kun je wel op een liefdevolle manier voorkomen.

Maar de kinderen doen niet alleen het uiterlijke na van wat vader en moeder doen, ze staan ook zeer open voor de gevoelens en de gedachten van zijn ouders. Alles wat het kind in deze jaren onbewust of ook al bewust waarneemt, beleeft, meemaakt en wat door de nabootsing eigen wordt, is van grote invloed op zijn lichaam, zijn ziel en geest. Hoe precies lijken kinderen vaak in alles op hun ouders. Het moge duidelijk zijn hoe groot de verantwoording van de volwassene(n) tegenover het kind is.

Rudolf Steiner zei daarover in een voordracht (29.12.1921):
‘Het is juist bij een kind in de eerste twee en een half jaar zo bijzonder…..dat het een heel fijn, instinctief waarnemingsvermogen heeft voor alles wat er in zijn omgeving gebeurt, juist ook voor wat innerlijk door de personen beleefd wordt – juist de opvoeders – met wie het contact heeft. Niet dat de uiterlijke blik al zo scherp is, dat is niet het geval: niet zozeer het kijken is het, maar een soort heel intiem totaalwaarnemen van wat zich rondom het kind afspeelt en dat is niet wat met een bepaalde opzet voor het kind bedoeld is. Juist tegen wat bewust op het kind zou moeten inwerken, verzet het zich heel onwillekeurig in deze eerste twee en een half jaar.’

Ritme als hulp bij de opvoeding

Een grote hulp bij een liefdevolle opvoeding, bij het begeleiden van het kind op zijn aardse schreden, kan zijn, dat je naar de verschillende ritmen kijkt en daarmee rekening houdt. Een kind voor wie de dag in een bepaalde regelmaat verloopt, zal zich in de regel makkelijker en met minder problemen laten leiden dan een kind dat – door welke oorzaak dan ook – zonder regelmaat de dagen doorkomt.
Een kind dat de ene dag ’s middags nog moet slapen, maar dan de andere dag weer niet, of dat iedere avond op een ander tijdstip naar bed gaat of op telkens wisselende tijden eet, weet niet waar het aan toe is en al gauw gedraagt het zich dienovereenkomstig onrustig en onevenwichtig. Kinderen zijn sterk gebonden aan steeds terugkerende ritmen.
Wie kent er niet de diepste wens van zijn kind om steeds maar weer hetzelfde sprookje, misschien Roodkapje of Doornroosje, te mogen horen, nog eens en nog eens, -tig keer, tot het het sprookje al lang uit zijn hoofd kent.
Daar spreekt toch een diep verlangen naar ritme, naar zich herhalende bezigheden en belevingen uit.
Bij een groot deel van de nerveuze en onrustige kinderen is een deel van het onvermogen zich te kunnen concentreren meestal gelegen in een hectisch leven zonder ritmen in de eerste levensjaren.

Rudolf Steiner heeft de opvoeders waarbij natuurlijk vooral de ouders horen gewezen op de nauwe samenhang die er is tussen het opgroeien van een kind in een ritmisch verlopende dag en de vorming van (sterke) wilskrachten.
Bekijk je tegenwoordig het aantal wilszwakke mensen vanuit de optiek van de steeds sterker wordende hectiek van alledag die overduidelijk in steeds meer jonge gezinnen voordoet, dan vind je Steiners aanwijzing bevestigd.
Hectiek en onrust hebben ook een negatieve uitwerking op de gezondheid van de mens, zoals iedere dokter weet.
Het leven van de mens wordt van nature heel sterk door ritmen bepaald: hartslag en ademhaling zijn wel de bekendste. De geneeskunde kent er nog veel meer. Ieder orgaan heeft zijn eigen (werkings)ritme waaraan het zich exact houdt. Vandaar dat het zeer zinvol is om óók in je eigen leven rekening te houden met ritme, als het enigszins mogelijk is en helemaal wanneer er thuis kinderen zijn.

Het doel van de opvoeding: de vrije mens

Echte voorbeelden, de mogelijkheid om fantasievol, fantasievormend te kunnen spelen en een ritmisch verlopend leven, dat wens je naast alle liefde en begrip, ieder kind toe.

Maar al te vaak worden tegenwoordig ouders en opvoeders van deze, vroeger algemeen gebruikelijke opvoedingsmethoden, afgehouden of ze worden in hun eigen mening onzeker gemaakt door tegenstrijdige meningen vanuit bepaalde opvoedpsychologieën. Er wordt bv. gezegd dat wanneer de kinderen zo behoed worden, in een zgn. ‘softe’ wereld, dat negatief voor ze is. Men beveelt het tegendeel aan: bereid het kind vroeg genoeg voor op de ‘realiteit’, op de ‘werkelijkheid’, zodat het in het latere leven tegen een stootje kan en de eisen die het leven stelt, aankan. Maar wat dat is ‘realiteit, ‘werkelijkheid’ dat moeten de ouders zelf maar beslissen. Je kunt je natuurlijk afvragen of het gedrag en de manier waarop in de wereld van de volwassenen gedacht wordt, bv. op het terrein van de harde strijd om het bestaan en op het gebied van de concurrentiestrijd die al doorgedrongen is tot in  de laagste schoolklassen, nu wel zo realistisch is, d.w.z. zo waarachtig, goed en waard nagebootst te worden, juist op de leeftijd van de kleine kinderen. Het kind kan niet met de wetten en noodzakelijkheden van de volwassenwereld omgaan, dat kan alleen de volwassene. Hij kan het des te beter naar mate hij minder vooringenomen de wereld in kan gaan; naar mate zijn persoonlijke mening en oordeelsvermogen minder beïnvloed is.
Hebben de opvoeders het kind en de jonge mens eenzijdig opgevoed, zoals bv. in het derde rijk systematisch geprobeerd werd, dan kan hij nauwelijks een eigen, vrije mening vormen. Mensen met dit lot zijn dikwijls hun leven lang in hun denken, in hun bewustzijn (eenzijdig) gevormd, zonder dat ze zich daarvan bewust hoeven te zijn. Als ouder die van zijn kind houdt wil je het daarvoor behoeden. Het doel van de opvoeding moet altijd de vrije mens zijn, die niet beïnvloed, op grond van zijn eigen persoonlijk oordeelsvermogen zijn eigen beslissingen kan nemen en verantwoordelijk kan zijn. Die redt zich wel, want hij staat op eigen benen. En je kunt er ook vanuit gaan dat een mens met fantasie geen wantrouwen, maar vertrouwen heeft wat de wereld betreft, en dat hij met zijn positieve wereldbeeld  de mensheid op zijn ontwikkelingsweg een stimulerende impuls kan geven.
Kun je je iets waardevollers voorstellen?

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steiner over nabootsingalle artikelen

Spel: alle artikelen

710-647

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Marco Polo

.

KONING DER WERELDREIZIGERS

Voor de meesten van ons is Venetië even romantisch als China of Japan in de middeleeuwen voor Venetianen was. En een bezoek aan Venetië heeft nog altijd veel van een droom. De opalen koepels en paleizen lijken broos als porselein en de gebeeldhouwde bogen doen denken aan ragfijne kant. Uw gondel vaart traag onder de Rialtobrug door waar eens Shylock placht te komen, en langs het paleis dat naar men zegt Desdemona’s woonstee was. Langs een weinig bevaren, klein kanaal staat een bord: “Het Huis van Marco Polo.” Marco Polo! U beseft met een schok dat déze man echt heeft bestaan. Hij was de grootste koopman van Venetië die ooit heeft geleefd, de onverschrokkenste reiziger die de wereld ooit heeft gekend. Het relaas van zijn won­derbaarlijke reizen is het eerste ooggetuigenverslag van land en volk van Azië.

Het Venetië van de dertiende eeuw was een stad van zeevaarders waar men wel aan sterke verhalen gewend was, maar wat Marco Polo verhaalde over zijn reizen naar het einde der wereld overtrof alles. Hij beschreef hoe hij in China een zwart gesteente had zien delven dat branden kon en dat langzamer verteerde dan hout. De Venetianen lachten hem vierkant uit; in steenkool konden ze niet geloven. Hij vertelde over een ander gesteente, waarvan garen kon worden gesponnen dat onbrandbaar was — en ze lachten zich krom. Asbest was helemaal onvoorstelbaar. Ook het verhaal over een fontein in de Kaukasus die olie spoot in plaats van water vond geen geloof.

Destijds was Venetië het belangrijkste handelscentrum ter wereld, en geen reis zo ver, hetzij over zee, hetzij over land, of het einddoel was deze legendarische stad. Uit India kregen de koop­lieden van Venetië hun parels, diamanten en saffieren. Uit Tartarije (Siberië) kwam hermelijn voor de mantels van de dogen en sabelbont voor de vrouwen van de handelskoningen. Gathay (China) leverde specerijen, kamfer en kostbare weefsels. Maar geen enkele Venetiaan had ooit de landen gezien waar al die rijk­dommen vandaan kwamen.

In Venetië woonden echter twee kooplieden die vermeteler waren dan de overige. Hun naam was Polo; zij waren de vader en de oom van Marco. Op een handelsreis door Zuid-Rusland werden ze overvallen door een plaatselijke oorlog die hun de terugweg naar Italië afsneed. Ze maakten van de nood een deugd en namen een kloek besluit: ze trokken verder, het onbekende Oosten tegemoet. Al kopend en verkopend, talen lerend en nieuwe markten verkennend, bereikten Niccolo en Maffio Polo de grote stad Boechara in Zuid-Turkestan, 5000 kilometer van hun woon­plaats. Drie jaar lang dreven zij hier handel. Op zekere dag kregen zij bezoek van afgezanten van de grote Koeblai Khan, wiens rijk zich uitstrekte van de Indische Oceaan tot de Poolzee en van de stranden van de Grote Oceaan tot aan de grenzen van Midden-Europa. De Khan had nog nooit tevoren een westerling ontmoet, en hij was een man met een veelzijdige belangstelling. Zouden de gebroeders Polo naar Peking, de ver afgelegen hoofdstad van China, willen komen?

Negen jaar waren de beide Polo’s op reis geweest toen zij op een dag — met verweerde gezichten en diepliggende ogen — in Venetië terugkeerden. Maar ze waren niet gekomen om in hun vaderstad te blijven; hun vriend Koeblai Khan had hun een brief meegegeven voor de paus met het verzoek honderd geleerde monniken te zenden om de Mongolen tot het christendom te bekeren en om hen met de kunsten en wetenschappen van Europa bekend te maken. Nimmer kreeg de kerk een schonere gelegenheid om haar missiewerk te verrichten! Maar door onverschilligheid ging deze kans teloor. Slechts twee dominicanen waagden zich met de gebroeders Polo op weg naar het Verre Oosten; de eerste keer de beste dat er gevaar dreigde, maakten ze rechtsomkeert.

Maar dat gold niet voor Marco Polo, de jongste reisgenoot die net zijn zeventiende verjaardag had gevierd. Er zal wel geen jon­gen zijn geweest die zich ooit in zulk een avontuur heeft begeven of die zich op deze wijze op de studie van de aardrijkskunde heeft geworpen — een cursus die 24 jaar zou duren. Als telg van een adellijk geslacht was Marco geheel vertrouwd met alle regels der etiquette die een jongeman van zijn stand destijds werden bijge­bracht. Bovendien had hij een goed stel hersens, een levendige belangstelling en het vermogen om alles wat hij waarnam te ont­houden en ordelijk te rangschikken.

Uit Marco’s reisverslag blijkt dat het in de lente van 1274 moet zijn geweest dat hij diep in Midden-Azië voor het eerst de vallei van de Oxus aanschouwde, want volgens zijn beschrijving baadde het landschap in een weelde van wilde krokussen, gele narcissen en sneeuwklokjes. Het lijkt of we het klaaglijke geluid der kamelen kunnen horen en het gehinnik en geloei van vee op de stoffige marktpleinen; we ruiken de gekruide spijzen die op het vuur staan en zien de kleurige kledij van Arabieren, Perzen, Turken, Tar­taren, Koerden, Mongolen, Russen en Chinezen — ze spreken talen waarvan de klanken doen denken aan cimbaalgetokkel en het trillen van strak gespannen snaren. Nu, bijna 700 jaar later, zijn Marco Polo’s beschrijvingen nog even sprankelend als op die lenteochtend toen de amandelbomen in bloei stonden en in het zuiden de besneeuwde toppen van de Hindoe Koesj glinsterden in de droge, blauwe lucht.

Maar de natuur was niet altijd zo lieflijk, en soms werden de Polo’s belaagd door wolkbreuken, overstromingen, zandstormen of lawines. Zij zwoegden tegen de duizelingwekkende hellingen van het Pamirgebergte op en waagden hun leven op zwiepende hangbruggen boven huiveringwekkende ravijnen. Zij klommen tot hoogten waar zelfs geen vogel zich meer vertoonde en waar zij grote, wilde schapen zagen met ontzaglijke horens, “meer dan zes palm lang”. Deze beesten met hun monsterachtige horens zijn eeuwenlang beschouwd als een van de vele staaltjes van “marco-polo-latijn”. Maar de geleerden van onze tijd hebben exemplaren van deze zeldzame dieren weten te bemachtigen. Men kan de Ovis poli thans in musea vinden.

Na hun tocht door het Pamirgebergte betraden de reizigers de woestijn Gobi, waar het water soms giftig is van het zout; waar luchtspiegelingen de reizigers misleiden en waar her en der het gebeente van mens en dier in de zon ligt te bleken. Uit dit woeste gebied waren de nomadenstammen afkomstig die honderd jaar voordien onder Djengis Khan het grootste gedeelte van Azië overstroomden en zelfs oprukten tot aan de poorten van Boedapest.

Koeblai Khan, de kleinzoon van Djengis Khan, was geen vandaal; hij was een verlicht man, een heerser die beschaving bracht. Toen hij vernam hoe langzaam de Polo’s vorderden, zond hij hun een gewapend geleide om het laatste deel van hun tocht wat lichter te maken. Een groots onthaal wachtte de Polo’s toen ze na een reis van bijna vier jaar eindelijk verschenen voor de Khan voor wie heel Azië beefde. Een vrij tengere gestalte, schreef Marco later, met “grote, mooie, zwarte ogen, een welgevormde, goed inge­plante neus en een blanke huid die vaak door een blos wordt gekleurd”. De Khan had hem strak aangekeken. “En wie,” zo vroeg hij de oudste Polo, “is deze jonge ridder?” Trots stelde Niccolo Polo de jongeman aan hem voor. “Mijn zoon, sire, en uw dienaar.”

Van meet af aan had de Khan een zwak voor de jonge Polo. Hij nam hem mee op jacht — met behulp van valken en gezeten op de rug van een olifant — en toonde hem zijn lustslot in Xanadoe. Drie jaar lang was Marco gouverneur van de rijke stad Sangui (Nanking); in opdracht van de Khan reisde hij naar Birma, naar het onherbergzame westen van China, waar de grens met Tibet loopt en naar India. Inmiddels had hij vier talen leren spreken. De levendige verslagen die hij over zijn dienstreizen uitbracht, tintelend van de duizend kleine trekjes waarmee hij ze dank zij zijn wonderbaarlijke geheugen kon opfleuren, waren steeds weer een verademing voor de Khan, die gewend was aan de saaie rapporten van zijn ambtenaren.

Marco zag en beschreef een indrukwekkende beschaving: het hechte en vredelievende China van de middeleeuwen. Hoe ver dit land in sommige opzichten Europa vooruit was, blijkt uit de dingen die Marco Polo opsomt omdat ze hem nieuw en bewonde­renswaardig voorkwamen: brede straten, bankbiljetten, politie-surveillance na zonsondergang, huurrijtuigen die met onze taxi’s zijn te vergelijken, bruggen die zo hoog waren dat zeil­schepen eronderdoor konden varen, riolering onder de straten om het regenwater en het huisvuil af te voeren, verfraaiing van de wegen door plantsoenen aan weerskanten en hoofdwegen over viaducten.

Marco Polo diende de Khan zeventien jaar; zijn vader en zijn oom werden intussen welgestelde kooplieden. Maar ten slotte beving hen een sterk heimwee — een verlangen naar de zilte geur van de Adriatische Zee, naar de glinsterende koepels van de San Marco, naar de doordringende roep van de gondeliers en de zoete klank van het Italiaans. Keer op keer vroegen ze toestemming om te vertrekken, maar telkens werd hun die geweigerd. Plotseling kwam hun kans. Koeblai Khan ontving een delegatie van zijn achterneef, de heerser over Perzië, wiens gemalin juist was gestorven. Het was haar laatste wens geweest dat hij slechts zou hertrouwen met een van haar familieleden die aan het hof van China woonden. De keus viel op een meisje van zeventien jaar — “bijzonder knap en innemend,” aldus Marco Polo, de kenner. De afgezanten vroegen of de Polo’s, vermaarde en ervaren reizigers, hen op de terugweg naar Perzië mochten vergezellen. Met tegen­zin stemde de Khan toe.

De aanstaande bruid kreeg een huwelijksgift mee en de Polo’s ontvingen een fortuin aan goud. Dertien schepen werden uitgerust. Zo begon een reis vol tegenspoed; een reis waarop verscheidene schepen verloren gingen en tal van zeelieden om het leven kwa­men. Drie jaar later, op een winterdag in 1295, verschenen er drie zonderlinge mannen, gehuld in vuile, versleten kleren, bij het huis van de Polo’s aan de San Grisostomo in Venetië. Niemand herkende hen. Ze spraken moeizaam Italiaans en de bedienden weigerden hun de toegang. Hierop maakte het drietal zo’n mis­baar dat er familieleden van de mannen uit het huis te voorschijn kwamen. Maar zelfs die schudden het hoofd, niet wetend wat ze ervan moesten denken.

Om heel Venetië te overtuigen, richtten de Polo’s een banket aan. Bij iedere gang verschenen ze in een ander gewaad, het ene telkens nog prachtiger en kostbaarder dan het andere. Tot besluit hulden ze zich in de lompen die ze bij hun aankomst hadden ge­dragen. Voor de verbaasde blikken van hun gasten scheurden ze de voering los en daar tuimelde een fortuin aan kostbare edelstenen te voorschijn — zo hadden deze reizende kooplieden hun rijk­dommen door alle rampen en gevaren meegedragen.

Heel het wonderbaarlijke relaas van hun avonturen zou mis­schien met Marco Polo het graf zijn ingegaan als de grillige fortuin van de oorlog niet had meegewerkt. Marco Polo was als “edelman-bevelhebber” in dienst van dc stad Venetië en voerde het bevel over een galjoen tijdens een van de vele gewapende con­flicten met de Genuezen. Hij werd gevangengenomen, en het toeval wilde dat hij zijn cel moest delen met een klerk, bedreven in de schrijfkunst. Om de tijd te korten en zijn herinneringen te staven, dicteerde Marco hem het boekwerk dat ons als De reizen van Marco Polo lief is geworden. Zo kon het verbaasde Europa kennis maken met de beierende tempelklokken van het Oosten en de geur opsnuiven van de kampvuren der Mongolen die met distels en buffelmest worden gestookt. Ze reisden mee naar Japan, Korea, Indo-China, Birma, Java, de Andamanen, Siberië, Ethiopië en Madagascar. Voor velen was het boek één grote ver­zameling “marcopolo-latijn” en voordat de onversaagde reiziger als zeventigjarige stierf, werd hem gevraagd zijn leugens te her­roepen, nu hij weldra voor zijn Schepper zou moeten verschijnen. Zijn antwoord was: “Ik heb nog niet de helft verteld.” Marco Polo heeft nooit bevroed dat de wereld rond is, maar bijna 200 jaar later bracht zijn vermelding van een grote oceaan die Azië in het oosten bespoelde, Christoforus Columbus op de gedachte dat men China wel eens zou kunnen bereiken door de Atlantische Oceaan in westelijke richting over te steken. Een exemplaar van Marco Polo’s reisverhalen begeleidde de ontdekker van Amerika op zijn historische tocht. Nog heden ten dage is De reizen van Marco Polo als een hand die naar het Oosten wenkt. Het valt niet te ontkennen dat er een gordijn is neergelaten tussen onze wereld en het China dat Marco Polo zo lief was. Maar zijn avontuur — een bewijs van de goede wil die in de harten der mensen leeft — geeft ons hoop dat China en het Westen eens weer in vrede zullen samenleven en als ware vrienden elkander de blijken van hun gevoelens niet zullen onthouden.

alle biografieën

709-646

VRIJESCHOOL – Opspattend grind – alle artikelen

.

In ‘opspattend grind’ is plaats voor wat me opviel in kranten- en tijdschriftartikelen, brochures enz. aan pedagogisch nieuws, pedagogisch-didactische opvattingen. Wel zoveel mogelijk bezien tegen de achtergrond van de vrijeschoolpedagogie. Het is niet mijn bedoeling een onderwerp helemaal te bespreken, of te analyseren.

[1] Engels leren om Nederland een betere concurrentiepositie te geven in de wereld of gaat het veel meer om het ‘universeler’ worden van de mens.

[2] Nu de vrijescholen al lang niet ‘vrij’ meer zijn – zijn ze het ooit geweest? – zegt directeur Bart van Dam (vs. Leiden}: ,,Het vrije staat voor dat we leerlingen willen opvoeden tot vrije mensen, die zelfstandig zijn en zelf hun verantwoordelijkheid nemen’. Hoe gaat dat dan in de praktijk? Pedagogie of diplomacratie!

[3] De overheid claimt de term ‘excellente’ school. Zoals ze eerder al ‘zwakke of sterke’ school monopoliseerde. Vrijescholen kunnen met de ene bril op bv. ‘zwak’ zijn; wordt de andere bril gedragen ‘excellent’ (of omgekeerd!)

[4] Cito- en andere toetsen waren ooit héééél belangrijk. Nu al en in de toekomst nog meer: veel minder. Waar blijft het eigene van de vrijeschool in deze opgedrongen chaos?
Meer over toetsen:  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92]  [96]

[5] Woordvoerder van leermiddelenindustrie heeft liever dat de kleuters leren; de hart-en-ziel kleuterjuf liever dat ze spelen………

[6] Euritmie als vak dat alle vakken steunt’ beweert een brochure van de Vereniging van vrijescholen. Maar uit de bovenbouwen is het nagenoeg verdwenen. Wie slaapt hier?

[7] Muziekdeskundigen over de waarde van muziekonderwijs. En dat er op de Nederlandse scholen te weinig muziekonderwijs is. De vrijescholen worden niet genoemd. Steiner over muziek.
Zie [7]  [10]  [24]  [26]  [66]  [99

[8Is wetenschap een spel dat jongere kinderen moeten spelen? Fenomenologie als ‘wetenschapshouding’ opnieuw in de belangstelling.

[9] De Chinese onderwijsdeskundige Yong Zhao spreekt behartenswaardige woorden over onderwijs en opvoeding. Interessant is dat hij – waarschijnlijk zonder dit te weten – gedachten onder woorden brengt die Rudolf Steiner een kleine eeuw geleden al uitsprak.

[10] Muziekdeskundige over ‘zingen in de klas’. En dat er op de Nederlandse scholen te weinig wordt gezongen. De vrijescholen worden niet genoemd. De deskundige verlangt niet meteen ‘kunstenaars’ voor de klas. Steiner wel! Zouden de vrijescholen op muziekgebied daarom zo voorlopen? (Of in inspectietermen: zo sterk zijn?)
Zie [7]  [24]  [26]  [66]  [99

[11] Een onderwijzer zoekt ‘de sleutel tot het kind’; de Japanner Kanamori wil dat kinderen ‘glanzen’ en gelukkig zijn. Rudolf Steiner noemt het kind ‘een raadsel dat we iedere dag, ja ieder uur zouden moeten oplossen’. Krijgt ‘echte opvoeding’ nog een kans in de ‘kennis-economie’?

[12] Van een encyclopedie verwacht je dat de artikelen objectief zijn geschreven. Ook van de digitale Wikipedia. Het artikel over de vrijescholen is echter geschreven door een fanatieke tegenstander van de vrijeschool die geen middel onbeproefd laat om ze in een kwaad daglicht te stellen.

[13] Worden wie je bent‘ is een mooie omschrijving van wat je als vrijeschool voor je leerlingen beoogt.
Randstad uitzendbureau  ziet er ook wel wat in……

[14] Een moeder komt met haar huilbaby bij een therapeute. Ze hoort opmerkelijke dingen…..

[15] Nu zelfs vrijescholen – die toch als geen ander iets over ‘beelden’ weten, zich laten meeslepen in de ‘discriminatie-discussie’, is de verbleking van Sints wederhelft- naar het lijkt – ook op de vrijescholen begonnen….

[16] Jonge kinderen leren vooral wanneer ze echt – d.i. spontaan – kunnen spelen. Het bedenkelijke van voor-schools onderwijs….

[17] Op veel kinderen heeft het onderwijs zo’n invloed dat ze stressverschijnselen vertonen, met buikpijn en daarvoor zelfs in het ziekenhuis terecht komen…..

[18] Claire Boonstra pleit voor een andere kijk op onderwijs en op kinderen….

[19] Kinderen zijn pas echt kind als ze kunnen bewegen. Dat blijkt wereldwijd zo te zijn.
Getuige het fotoboek van James Mollission ‘Playground’.

[20] Staatssecretaris wil de grondwet wijzigen. 17 vrijescholen dreigen te verdwijnen of zijn deze een voorbeeldfunctie van een ‘pedagogische visie’?

[21] Gemeente Amsterdam wil school voor 0 – 18-jarigen.
De vrijeschool begon ooit als scholengemeenschap voor 4-18-jarigen…….

[22] Jorien uit Gent is enthousiast over antroposofie. En over het onderwijs dat de uitgangspunten in de antroposofie vindt: Jorien schrijft over het…..montessori-onderwijs.

[23] Bioloog Frans de Waal doet uitspraken over diergedrag. Hij noemt ook de octopus. In de 4e klas wordt dit dier in de dierkundeles behandeld. Opmerkelijke overeenkomsten…….

[24] Minister Bussemaker trekt meer geld uit voor o.a. muziekonderwijs. Maar cultuur moet wel in de Cito-toets passen…….
Zie [7]  [10][26]  [66]  [99

[25] De vereniging van vrijescholen heeft een leuk voorlichtingsfilmpje gemaakt. Over de rekbaarheid van ‘leuk’.

[26] Muziekonderwijs verbroedert. Ervaringen in Zeeland, op een niet-vrijeschool.
Zie [7]  [10]  [24][66]  [99

[27] Vrijheid van onderwijs. Volgens Steiner zou het de hoogste prioriteit moeten hebben, maar dat is zo’n 100 jaar geleden! Bij Marianne Luyer – CDA – staat het wel hoog in haar vaandel.

[28] De ‘Oei-ik-groei-app.: ‘vrijeschoolse’ opvattingen. Marjolijn van Heemskerk voegt er als goed waarnemende moeder nog een paar aan toe.

[29] Het programma ‘Droomvogel’ wil kinderen weer laten spelen.

[30] Jacques Vriens, oud-basisschooldirecteur en kinderboekenschrijver maakt bezwaar tegen het woord ‘doorkleuteren’ en pleit voor onderwijs dat recht doet aan de kleuter.

[31] Quasi spiritueel over karma spreken, kan veel onheil aanrichten. En een kind verdrietig maken. Dat kan nooit de bedoeling zijn van vrijeschoolpedagogie.

[32] Bij Zwarte Piet mag al jaar en dag geen roe.’ Opvoedkundig niet verantwoord’. Wat zien kinderen van 7 à 8 jaar dan?

[33] ‘Onderwijs zonder principes kan eigenlijk niet’, vindt leraar Rene Kneyder.
De vrijeschool heeft volgens hem die principes: euritmie, natuurverheerlijking en met een bloemenkrans op dansjes doen’.

[34] Woorden hebben waar de baby bij is, blijft daar iets van hangen?’
Interessante ervaringen, vooral tegen de achtergrond van Steiners opmerkingen over het kleine kind: ‘het is een en al zintuig!’

[35] Componist Louis Andriessen (1939) over wat hij in zijn leven heeft ervaren. Waar gaat het in de opvoeding eigenlijk om?

[36] Er is veel dyslexie. men weet niet wat het is. Helpen Steiners opvattingen?

[37] Verdwijnt het handschrift? En is dat erg?

[38] Erica Ridzema betoogt dat de kleuter ‘niet kan blijven zitten’ en dat ‘doorkleuteren’ een verkeerde term is: het kind gaat gewoon door met zijn ontwikkeling. Daarvoor moet het ruimte krijgen. Weg met onzinnige toetsen (en beleidsmakers)

[39] Suzanne Groeneveld over ‘voorlezen’. Hoe waardevol is vertellen.
Niet in de ogen van een inspecteur!

[40] ‘Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat kleuters beter gaan spreken als ze worden voorgelezen (uit prentenboeken)’.
Op de vrijescholen – ook in de kleuterklassen – staat ‘vertellen’ al vanaf het begin (1919) hoog aangeschreven

[41] In zijn afscheidsrede als hoogleraar pedagogiek beweert Mischa de Winter dingen die Steiner zo’n kleine 100 jaar geleden ook al opmerkte. Ik neem aan dat De Winter Steiner niet ongenoemd citeert.
Dan mogen we Steiners opmerkingen wel héél actueel noemen!

[42] Autisme: psychiaters wijzen op ‘te weinig spelen en te veel scherm’

[43Prof. Ervin Laszlo is wetenschapper, filosoof, musicus en auteur. Hij werd meermalen onderscheiden voor zijn inzet voor het verbeteren van de mondiale verstandhouding. Hij ziet het als waardevol ‘dankbare gevoelens t.o.v. de aarde te koesteren. Zoiets als de vrijeschoolochtendspreuk, lijkt het.

[44] Jenaplanschool raakte in de ogen van een schoolleider door ‘meer aandacht voor rekenen en taal mooie concept kwijt’.

[45] Psychiater mevrouw Binu Singh ziet de kinderen als brein die een breinleerkracht nodig hebben. De kinderen in je klas zijn een lichting breinen.
Naast dit breinfestijn zegt de psychiater ook zeer behartenswaardige dingen, die de vrijeschoolpedagogie al sinds jaar en dag beweert – dat dan weer wel!

[46] 100 jaar Grondwetsart. 23: vrijheid van onderwijs; 100 jaar Driegeleding van het sociale organisme – vrijheid van onderwijs; 100 jaar vrijeschool: ieder voor zich en de Staat voor ons allen.

[47] Vooral de grote steden willen vooral meer ‘roetveegpieten‘. Maar dat kunnen alleen blanken zijn: op een donker getinte huid zie je ze niet. Je wordt dus buiten gesloten door je huidskleur. Dat heet discriminatie en dat mag niet van de Grondwet. Een weldenkend mens discrimineert niet – wel of geen Grondwet!

[48] Wie Steiners uitspraken kent over het hoofd en de handen, kan zich wel vinden in enkele opvattingen van cabaretier Pieter Derks.

[49] Er bestaat ‘blokkendoosbouw‘ en organische bouw. En sommige vrijescholen mogen nieuw bouwen.

[50] Het is kennelijk nodig dat er een  ‘Platform “Met ons kun je Schrijven en Lezen”’.: moet worden opgericht dat zich bezig houdt met ‘schrijven en lezen op de vrijeschool’. Het heeft er alle schijn van dat dit gebeurt – niet ter verdieping of vervolmaking – maar ter verdediging.

[51] Ingrid Boelens – ervaren vrijeschoolleerkracht – roept de Begeleidingsdienst voor vrijescholen ter verantwoording. Waarom een methode propageren die niet strookt met de vrijeschoolpedagogie: de methode Schraven?
En het verdriet van een oud-vrijeschoolleerling en ouder  over de teloorgang van een wezenlijk stuk vrijeschoolpedagogie.

[52] Om kinderen te laten wennen aan een geschreven woord, bijv. ‘koe’ wordt er een plaatje bij vertoond van een koe; deze signaalplaatjes worden ook op vrijescholen gebruikt. In hoeverre speelt de gedachte nog mee ‘dat onderwijs kunstzinnig’ moet zijn? En wat te denken van Steiners opmerkingen over ‘banaal aanschouwelijkheidsonderwijs’?

[53] Met grote regelmaat verschijnen er opiniestukjes over kind en en spel. Mevrouw Kooijman – haar kinderen van 4 en 6 zijn na een schooljaar ‘écht aan vakantie toe’ -pleit voor meer spelen, zelfs voor een ‘lummeltijd’.

[54] In China wordt een proef gehouden met camera’s in een middelbareschoolklas. Dat zou goed zijn voor de motivatie van leerkracht en leerling. Welke onvrijheid heeft dat als gevolg?

[55] Ondanks pestprotocollen en grote media-aandacht voor de impact van pesten, zouden kleuters – er wordt gesproken over groep 1 – steeds op jongere leeftijd pestgedrag vertonen? Schiet de opvoeding tekort of zijn we als mens ‘gewoon’ pestkoppen?

[56] Wanneer een kind lezen heel moeilijk vindt en bang is te falen, kan een luisterende hond uitkomst bieden. ‘Die lacht je niet uit!’

[57] De betekenis van ‘vrije’ in ‘vrijeschool‘ wordt soms ‘eigentijds’ gebruikt – [zie Opspattend grind 2]. Nu ook in Haarlem.
In Delft weet men nog wat het betekent.

[58] Juf Naomi Smits heeft geen Cito-toets nodig. Ze weet als leerkracht dondersgoed welke stof de kinderen onder de knie hebben, waar ze in uitblinken en waaraan nog extra aandacht moet worden besteed.

[59] Columnist Bas Scheepers pleit ervoor dat de kinderen in de vakantie lekker spelen en bouwen. Dat n.a.v. het feit dat twee juffen een ‘kennis-bijhouden-programma hebben ontwikkeld voor in de vakantie: opdat de kinderen niet ‘dommer’ terugkomen.

[60] Neuropsycholoog Erik Scherder vindt dat kinderen veel te weinig bewegen. Zeker ook op school. Een pleidooi voor verplicht bewegen! Maar het kan ook al bij rekenen: ‘los de sommen springend op’.

[61] De mens is een machine; wij zijn ons brein, enz.: de mens als een ding. En het hart dus een pomp. Voorzichtig wordt deze mening bijgesteld: men spreekt nu over ‘een gevoelige pomp’. Dankzij dokter Sandeep Jauhar.

[62] In 1905 formuleerde Rudolf Steiner zijn ‘sociale hoofdwet
In 2019 bezitten op een wereldbevolking van 7.670.000.000    26    mensen evenveel als 3.800.000.000 mensen die tot de armsten behoren.

[63] Engels geven aan kleuters zou zinloos zijn: het sorteert geen effect. Aldus onderzoek. Maar hoe zit het met de gebruikte methode(n). Een leraar Frans heeft zo zijn eigen opvatting en ervaring!

[64] Docent Pieter Abrahams vindt de Cito-toets zwaar achterhaald.

[65] Kritiek hebben mag; het ergens mee oneens zijn ook.
Maar de opmerking van auteur Tommy Wieringa gaat alle fatsoensperken te buiten: hij is smerig!

[66] Het muziekonderwijs op de vrijescholen is veelal van een uitstekend niveau. Maar ook blokfluit spelen moet wel zo professioneel mogelijk aangeleerd worden!
Zie [7]  [10]  [24]  [26] [99

[67] Er wordt een petitie aangeboden aan de 2e Kamer om EHBO-les in het onderwijs in te voeren. Op de 1e vrijeschool in Stuttgart werd dit in de jaren 20 van de vorige eeuw al gegeven en ook in Nederland in de 10e klassen van de bovenbouw.

[68] Sieneke Goorhuis ziet de afkorting VVE voor Voorschoolse en Vroeg-schoolse Educatie liever veranderd in Verwonderen, Verkennen en Experimenteren.
Voorschools leren heeft geen effect, erger nog: het levert minder sociaal gedrag en minder initiatiefkracht op. Vrij spelen is essentieel.

[69] Hoe – nu bij monde van Statenlid Jeurink het niet-vaccineren aan de vrijeschool wordt gekoppeld. Dat is niet terecht. Ze heeft het over ‘desastreuze gevolgen’. Of dat terecht is?

[70] Schrijfster/columniste Saskia Noort probeert ‘lollig-kritisch’ over de vrijeschool te schrijven. Ze kletst maar wat – feitelijk nauwelijks op de hoogte – en bevestigt opmerkingen van een recensent bij het verschijnen van een van haar romans.

[71] Weer gedoe over de toets: de minister wil het anders dan het Centraal Planbureau en de Tweede Kamer. Maar hij luistert nu naar de docenten: hij vertrouwt hun oordeel. Dat is heel wat, maar nog lááááááng geen vrijheid van INrichting.

[72] Terwijl ergens in Nederland gefietst wordt om geld in te zamelen voor de genezing van kanker, zitten ergens in Nederland moslimkinderen te leren dat sommige Nederlanders gerust mogen sterven.

[73] De vereniging tegen de kwakzalverij moet niet veel hebben van o.a. antroposofie. Als pleitbezorger van een allopathische geneeswijze gaat ze stelselmatig voorbij aan de negatieve gevolgen van de zgn. als ‘wetenschappelijk’ te boek staande medicijnen. Deze middelen kosten jaarlijks aan honderden mensen het leven. Daarover hoor je de vereniging niet.

[74/1]
Over het sinterklaasjournaal: een ouder/kleuterjuf schrijft een brief aan het NOS-journaal: veel angst, onrust en stress bij de kinderen, vooral als iets niet goed afloopt.

[74/2] De brief kwam ook in de vrijeschoolfaceboekgroep te staan: een bloemlezing van de vele reacties.

[75] Minister Arie Slob wil het onderwijs 30% meer vrijheid geven. John Hoogervorst bekijkt deze vrijheid vanuit de invalshoek van de driegeleding.

[76] ‘De’ onderwijskoepel komt met een met enthousiast ontvangen standpunt: de kinderen op de middelbare school niet meteen indelen naar intelligentie, maar alle leerlingen bij elkaar’. 
Een basisgedachte van de vrijeschool – om zeep geholpen door overheidsmaatregelen – wordt als een novum binnengehaald. 

[77] Zeister vrijeschooldocente: wij zijn bijna een ‘mainstream’ school. Het eigene dreigt onder te sneeuwen; we zijn braaf voor de inspectie; ‘gewoner’ voor meer ouders: de vrijeschool is populairder dan ooit.
Groei door minder vrijeschool(s)?

[78] Juf Naomi Smits [zie 58] slaat weer een (vrijeschool)spijker op de kop: ‘Den Haag bepaalt niet wat ik in de klas doe’. De populaire vertaling van: vrijheid van onderwijs, ofwel wat ‘vrije’ betekent in ‘vrijeschool’.

[79] N.a.v een promotieonderzoek over het rendement van toetsen bij jonge kinderen: dat is er nauwelijks. De toets gaat nooit over het ware wezen van het kind. Of zoals Wim ter Horst† het uitdrukte: nooit over het eigene, het geheim, de Ware Aard van het kind.

[80] Ontwikkelingspsycholoog Ewalt Vervaet signaleert op het gebied van leren schrijven en lezen een schijf- en leesonrijpheid bij de jonge kinderen. Dat moet anders. Dan zal ook de werkdruk en het lerarentekort in het onderwijs afnemen

[81] NPO radio1 heeft een nachtprogramma met de de titel: ‘Duistere figuren in het daglicht’. Tot die duistere figuren wordt ook Rudolf Steiner gerekend. Geschiedenisdocent Boike Teunissen mag het licht werpen. Maar hij komt niet verder dan een zielig gesleep met een lantaarntje dat een flauw schijnsel verspreidt…..

[82] Door de coronacrisis konden middelbare scholieren niet naar school. Hoe was dat voor hen? School als rem op ontwikkeling?….

[83] Het gebeurde vaker: een misleidende uitleg over het ; vrije’ in vrijeschool. Zie ‘opspattend grind’ [2]. In Ede slaat Maartje ter Beek de plank mis.

[84] Het ABP ontvangt voor de ambtenaar pensioenpremie. De ambtenaar heeft geen zeggenschap over waar het geld in wordt belegd. Ja, waarin eigenlijk?

[85] In deze coronatijd beginnen veel mannen te breien. Op de vrijeschool was dit vanaf de start gewoonte en niet iets vreemds. ‘Het is goed voor de ontwikkeling van de hersenen’, aldus Steiner toen en de hersenwetenschap nu.

[86] In het onderwijs wordt te weinig bewogen. Bedroevend dat er ‘een week van de beweging‘ moet bestaan om het belang van bewegen voor het onderwijs in te zien. Van de vrijeschoolpedagogie valt op dit gebied (ook) veel te leren.

[87] Docente Gerda Harleman legt de vinger op de zere plek: onderwijskwaliteit is verworden tot onderwijskwantiteit: prestaties, scores, cijfers. Voor haar is docent-zijn véél meer. Wanneer zou ze volledig zó in haar beroep kunnen staan. – Als er echte, inhoudelijke vrijheid van onderwijs is – zeg ik.

[88] Een aantal kinderopvangprofessionals spreekt met de Tweedekamer.
Onderwerp: ‘vroeg leren funest voor ontwikkeling jong kind‘.
Dat onderwerp kwam hier vaker aan de orde: [16]  [38]  [53]  [68]
Zolang er geen echte vrijheid van onderwijs is, bepaalt de regering(s)coalitie en controleert de inspectie.

[89] Voor hoogleraar Bekkering werkt ons Nederlands onderwijssysteem niet. Hoe het wel zou moeten werken, toont opvallende overeenkomsten met het vrijeschoolonderwijs.

[90] Voor juf Hanegraaf moet het kind weer centraal. ‘Kijk naar het kind en laat die toetsen zitten.”
Over toetsen: [4]  [71]
Andere mooie gedachten: [9]  [11]  [18]  [29]  [58]  [78]

[91] Vele jaren wordt ons voorgehouden dat we als mens van de aap afstammen. Prof. Vreecke (universiteit Leuven) wil af van deze opvatting.
Zijn de uitspraken als ‘wij en de andere dieren‘ en de vele variaties daarop nu pseudo en/of nepnieuws?

[92] Toetsen: ‘bleke snoetjes; stress; kindermishandeling‘, zomaar wat opmerkingen die het programma Pointer optekende bij het onderwerp ‘toetsen’.

[93] Denken: doen wij het of ons brein. ‘Wij doen het, zegt auteur Arie Bos; ‘het brein kan niets’, zegt columnist Bert Keizer. Verhelderende gezichtspunten over het geest-materiedilemma.

[94] 2e-Kamerverkiezingen 2024. Wat staat er eigenlijk in de verkiezingsprogramma’s van de deelnemende partijen over het onderwijs?

[95] Emille van Opstaltens boek ‘Op ooghoogte‘ gaat over filosofische vragen aan kinderen. Nu blijkt de verbeelding een grote rol te spelen en volgens de schrijfster is die zeer gebaat bij ‘verhalen vertellen’  (met een pleidooi voor sprookjes!)

[96] De eindtoets vervangen door de doorstroomtoets.
Op de achtergrond blijven deze gezichtspunten actueel:
[4]  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90] [92]

[97] Het onderwijs schiet weer eens tekort. Dus pleit de hoofdinspectrice voor nog meer rekenen, taal en burgermanschap. Gelukkig gaat ook veel goed, dus ‘we kunnen van elkaar leren’. Moet de vrijeschoolleerkracht nu leren hoe het intellectualistischer kan of leert hij de ander hoe het kunstzinniger moet.

[98] Journaliste Daphne van Paassen uit kritiek op de vrijeschool. Meer dan ‘van oude koeien en open deuren, de dingen die maar niet begrepen worden’ is het niet. De vraag die zij in de kop van haar artikel stelt, lijkt mij niet beantwoord te worden.

[99] Pabo-docenten pleiten voor meer muziek: het zou ook helpen beter te rekenen; over het positieve effect van muziekonderwijs op de hersenen; nieuwe plannen om het muziekonderwijs te verbeteren.
Meer over muziek:  [7]  [10]  [24]  [26]  [66]

[100] Juf Maxe de Rijke wordt (weer) geconfronteerd met ‘meer taal, meer rekenen’. Maar zij vindt de emotionele ontwikkeling van het leerlingen minstens zo belangrijk.

[101] Juf Maxe de Rijke over de doorstroomtoets die niet meet wat belangrijk is, nl. wat je nog in je mars hebt; de toets zou de ontwikkeling van het kind moeten dienen.
Meer over toetsen in deze rubriek: [4]   [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92]  [96]

[102] In Made gaan ouders met kleintjes veel meer bewegen; de noodzaak daarvan belicht vanuit WHO en GGD; op kinderdagverblijven is de beweging onder de maat.
IK zeg: niet op vrijeschool/antroposofische dagverblijven!
Zie:  [19]  [60]  [86]

[103] Een experiment met een 4-jarige en een marshmallow leidt tot de conclusie dat intellectuele vorming veel minder zegt over een toekomst dan een wilskrachtige. Doorzettingsvermogen: daar draait het om! Het artikel rept met geen woord over hoe je dat vermogen ontwikkelt. 
Opvoeding van de wil loopt als een rode draad door het vrijeschoolonderwijs (maar dat vind je niet in het artikel).

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

708-645

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (8)

.

In deze rubriek is plaats voor wat me opviel in kranten- en tijdschriftartikelen, brochures enz. aan pedagogisch nieuws, pedagogisch-didactische opvattingen. Wel zoveel mogelijk bezien tegen de achtergrond van de vrijeschoolpedagogie. Het is niet mijn bedoeling een onderwerp helemaal te bespreken, te analyseren.
Wat ik erover wil zeggen, staat in blauw.

.

Laura van Baars
REDACTIE ONDERWIJS & OPVOEDING – Trouw 17-09-2014
.

KINDEREN SPELEN MET WETENSCHAP

opspattend grindBritse hersenwetenschapper laat jonge kinderen onbekommerd zelf hun vragen stellen en onderzoek doen

Het begint met ‘Er was eens…’, en het is het meest gedownloade artikel uit het doorgaans wat taaie blad Biology Letters. Dit tijdschrift van de Royal Society, de Britse waakhond van wetenschappelijke kwaliteit, had de primeur: een stuk van 25 auteurs tus­sen de 8 en 10 jaar oud.[1]

‘De bijen van Blackawton’ onder­bouwt keurig dat bijen zowel kleur als afstanden tussen bloemen gebrui­ken om te kiezen waar ze de nectar vandaan halen. De jonge onderzoe­kers hebben geen enkele bronver­melding aan het stuk toegevoegd. “Het is helemaal, geschreven in kin­dertaal en bevat geen voetnoten”, zegt de Britse hersenwetenschapper Beau Lotto, die het onderzoekspro­ject bedacht en begeleidde.

“Wetenschap is eigenlijk een spel[2], dat kinderen net zo goed kunnen spelen als volwassenen”, vindt Lotto. Hij komt begin oktober naar Amster­dam om op het onderwijscongres Making Shift Happen te spreken over de toepassing van hersenwetenschap in het onderwijs. Zijn ‘i,scientist’-programma voor kinderen is in Groot-Brittannië een succes.

Lotto hoopt dat hij het ook in ande­re landen kan gaan uitvoeren. “On­derzoek doen met een netwerk van scholen, over de hele wereld en dan tegelijkertijd! Dat is de ambitie. Wij laten de kinderen zelf de vragen stel­len, zelf de experimenten doen.[3] Ze worden niet gehinderd door eerder wetenschappelijk onderzoek, dat voor hen natuurlijk volstrekt onleesbaar is. Het gaat alleen om wat zij in de wereld interessant vinden.”

Kinderen interesseren voor weten­schap is overigens niet Lotto’s pri­maire doel. “Belangrijker is wat kin­deren over zichzelf leren: wat ze kunnen, hoe creatief ze zijn. Jezelf le­ren kennen is niet iets dat in het huidige onderwijs voorop staat. [4]. Dat komt doordat lessen efficiënt moe­ten zijn, we veel stof in weinig tijd moeten proppen. We nemen een ta­blet of laptop om die lessen nog effi­ciënter te laten verlopen. En we rich­ten ons op het vinden van antwoor­den, omdat, wederom, dat wel zo’n efficiënte en meetbare methode is.”

Kinderen moeten spelen, vindt de hersenwetenschapper aan London University College. In hun vrije tijd doen ze dat, en op de basisschool ziet Lotto ook mooie voorbeelden van spelenderwijs leren. “Maar op de middelbare school gaat het fout. Dan worden natuurkunde of scheikunde [4] gegeven alsof het geschiedenis is. Er moeten juiste antwoorden gegeven worden. Terwijl je eigenlijk in die vakken zo lang mogelijk zou moeten blijven zoeken en vragen stellen.”

Vragen stellen is eng, dat weet Lotto ook. Het maakt onzeker, trekt vaste waarden in twijfel. Die angst voor onzekerheid is een van de grootste menselijke problemen die Lotto ziet in een steeds sneller veranderende wereld. Het houdt bedrijfsleven en onderwijs bovendien in elkaars wurggreep. “Als de een de op effi­ciency en antwoorden gerichte ma­nier van werken niet afzweert, zal de ander het ook niet doen.” Maar ondertussen sijpelt creativiteit vol­gens Lotto weg. “We zouden juist een wereld moeten creëren waarin je je op je gemak kunt voelen bij het stellen van vragen. Hierdoor kun je iets nieuws maken, ontdekkingen doen, je leren aanpassen. Die levens­houding is belangrijker dan het vin­den van dat ene, wetenschappelijk gefundeerde antwoord. [5] Zeker nu.”

[1Kinderen tussen de 8 en de 10: wie lang met kinderen heeft gewerkt, heeft ervaren dat kinderen vóór het 10e jaar hun wereld voor een groot gedeelte nog ‘bezield’ beleven. Na hun 9e of 10e verandert hun innerlijke gesteldheid en staan ze veel opener naar de hun omringende wereld. Voor de vakken die na deze leeftijd geïntroduceerd worden – met name de zaakvakken – is het eigenlijke hoofdmotief: het kind met de wereld verbinden: het interesseren voor de wereld vanuit zijn standpunt = zijn verbondenheid met de wereld
.

[2] Ik betwijfel of wetenschap een spel is. En of het dat moet worden. Wetenschap als de zoveelste game? A
ls hij bedoelt dat de kinderen net zo serieus met een onderwerp zouden moeten omgaan als de ernst waarmee ze spelen, dan lijkt me dat de houding

[3] Dat is natuurlijk buitengewoon belangrijk en in de vrijeschoolpedagogie vind je talloze aanwijzingen hoe dat te doen. Dat begint al met rekenen in klas 1, maar waar het om wetenschap gaat, vooral – en dan vanaf het 11e, 12e jaar als het objectievere denkvermogen zich begint te ontwikkelen – in de vakken natuur- en scheikunde.

[4] Juist dat streven vrijescholen na: worden wie je bent.

[5] En daar gaat het om!
.

Opspattend grind: alle artikelen

707-645

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-6)

.

JERUZALEM EN ROME

Een ijverige en intelligente leerling

Waarschijnlijk in het jaar 7 voor Chr. werd in een uithoek van het ge­weldige Romeinse rijk een jongetje geboren, dat later door miljoenen mensen als de Verlosser van mens en wereld zou worden beschouwd. Zijn ouders, Jozef en Maria, waren af­komstig uit het stadje Nazareth in Galilea. Ze vertoefden op dat ogen­blik in Bethlehem, iets ten zuiden van Jeruzalem, wegens een door keizer Augustus uitgeschreven volkstelling. Daar vond ook de bevalling plaats, die voorspoedig verliep. De jongge­borene kreeg de naam Jozua, wat ‘God helpt’ betekent. Later werd de­ze naam vergriekst tot Jezus. Terug­gekeerd in Nazareth groeide Jezus voorspoedig op en leerde voor tim­merman, het beroep van zijn vader. Daarnaast werd hij in de traditie van de Farizeeën als een vrome jood
op­gevoed. Dat betekende niet alleen dat hij de Thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament grondig moest bestuderen, maar ook werd hem bijgebracht dat het belangrijkste in het leven van een jood was dat hij zich aan de Wet hield. Die Wet werd gevormd door de Tien Geboden van Mozes en verder door alle regels en voorschriften voor de manier waarop men moest leven. Jezus moet een ijverige en intelligente leerling zijn ge­weest, want later deed hij de mensen versteld staan over zijn grote kennis van en zijn diepe inzicht in de joodse godsdienst.

Hard en meedogenloos

Toen Jezus ongeveer 30 jaar oud was ging hij naar Johannes de Doper, die als een profeet predikte en opriep tot boete. Johannes doopte de mensen in het water van de Jordaan als een zin­nebeeld van bekering en vergeving. Hij zei hun dat de Messias, de Gezalf­de van God, heel spoedig zou komen om Israël te redden. Zijn boodschap sloeg bij velen aan, want het verlan­gen om onder de druk van de Ro­meinse bezetting uit te komen, was groot. Wel genoten de joden onder de Romeinen beperkt zelfbestuur, maar de boven hen gestelde stadhouders wilden zich zo snel mogelijk verrijken en hun optreden was hard en meedo­genloos. De joodse geest van strijd­baarheid en verzet was echter nog springlevend  en verlangend werd uitgekeken naar de Messias, de man die de leiding van een eventuele opstand op zich zou willen nemen.

Een nieuw rijk van vrede

Ook Jezus liet zich door Johannes dopen en hij werd door hem herkend als de Messias. Nadat Johannes de Doper was gevangengenomen, zette Jezus diens werk voort. Hij trad op als godsdienstleraar en verkondigde dat het Godsrijk nabij was. Veel mensen raakten ervan overtuigd dat hij inderdaad de Messias was die de Romeinen zou verdrijven en een nieuw rijk van vrede en voorspoed zou stichten in Palestina. Jezus sprak evenwel over een geestelijk rijk met een geestelijke heerschappij en niet over een wereldlijk rijk met een we­reldlijke heerschappij. Zijn rijk was ‘niet van deze wereld’, zoals hij zelf zei. Zijn volgelingen konden dat maar moeilijk begrijpen. Eigenlijk begon pas na zijn dood de waarheid die hij gebracht had, een beetje, en dan nog heel langzaamaan, tot hen door te dringen. Met de belangrijkste godsdienstig-politieke groeperingen, de Farizeeën en de  Sadduceeën, kwam Jezus heftig in botsing. Hij moest wel met hen in botsing komen. Met de Farizeeën doordat hij het be­ginsel aanviel dat het zich houden aan de Wet op zichzelf voldoende was. Naar zijn mening was naastenliefde van veel meer belang. Bij de Saddu­ceeën wekte Jezus ergernis op door zijn prediking en door de hoge zede­lijke eisen die hij stelde. Beide partij­en, die anders elkaars felle tegenstan­ders waren, gingen samenwerken om Jezus ten val te brengen. Ze slaagden in hun opzet en aan hem werd de in die tijd veel toegepaste doodstraf vol­trokken door middel van ophanging aan het kruis.

De eerste martelaar

De dood van Jezus had een aantal van zijn volgelingen in verwarring ge­bracht, vooral degenen die hadden geloofd dat hij de leider van het ver­zet en de voorvechter in de strijd te­gen de Romeinen zou zijn. Hun kans kwam pas tijdens de Joodse Oorlog die in 66 na Chr. begon. Niet allen echter bleven bij de pakken neerzit­ten, want ook velen vertelden aan iedereen die het maar horen wilde dat Jezus de Christus – Christos is het Griekse woord voor Messias – wel was gestorven en begraven, maar dat hij op de derde dag weer verrezen was. Hij was echt de Zoon van God en wie in Hem geloofde, zou na de dood terstond het Licht der Waar­heid aanschouwen. In het bijzonder de apostelen verbreidden ijverig het geloof. Dat gaf wel problemen, want het merendeel van het joodse volk voelde niets voor de nieuwe leer en keerde zich fel tegen haar verkondi­gers. Een toespraak die de christen Stephanus hield, maakte de joodse toehoorders zo boos, dat ze de arme man stenigden. Hij werd zo de eerste martelaar in de geschiedenis van de christelijke kerk. Daarna keerde de woede zich tegen de andere christe­nen, die in paniek uit Jeruzalem weg­vluchtten.

Juist tot de heidenen

Aanvankelijk bestond het grootste deel van de gelovige christenen uit jo­den. Het was een punt van discussie onder hen in hoeverre het ook voor heidenen mogelijk was, tot het chris­tendom over te gaan. Sommigen meenden dat niet-joden eerst besne­den dienden te worden en de Wet moesten aanvaarden. Maar anderen vonden dat helemaal niet nodig. Ze richtten zich integendeel juist tot de heidenen. Dat deed in het bijzonder ook Saulus of Paulus van Tarsus. De­ze had eerst tot de fanatieke christen­vervolgers behoord, maar na een visi­oen had hij zich laten dopen. Vervolgens zette hij zich geheel en al in om het Evangelie, de boodschap van Jezus, te verbreiden. Hij bereisde een groot deel van het Romeinse Rijk en dankzij zijn ijver werd het christelijke geloof in de voornaamste steden van Klein-Azië en Griekenland bekend en door velen aangehangen.

Gehaat en veracht

Overal ontstonden kleine christelijke gemeenten, die hechte gemeenschap­pen vormden, want ze werden door joden en heidenen gelijktijdig gehaat en veracht. Binnen de gemeenten ging men met elkaar om in een geest van naastenliefde en in de hoopvolle ver­wachting dat Jezus Christus spoedig zou wederkeren. Alle gemeenteleden werden zonder onderscheid gelijk be­handeld, of ze nu van nederige af­komst of van hoge geboorte waren, arm of rijk, slaaf of meester. Omdat er nog geen kerkgebouwen waren, werden de godsdienstoefeningen bij de gelovigen thuis gehouden. Tijdens zo’n dienst hield iemand een korte preek, werd er gezamenlijk gebeden en werd het avondmaal gevierd. Hoogtijdagen in het geestelijk leven waren Pasen, waarop men Jezus’ lij­den en opstanding herdacht, en Pink­steren, dat aan de uitstorting van de Heilige Geest was gewijd. Mensen die tot het christendom wilden overgaan, werden eerst in de leer onderricht en vervolgens door de doop aangeno­men.

De eerste bisschop van Rome

Ook het bestuur van de gemeenten was in het prille begin van de christelijke kerk heel simpel georganiseerd. Het bestond uit opzichters of bis­schoppen en soms ook wel uit ouder­lingen of presbyters. Deze mannen werden door de gemeenteleden zelf gekozen. Ze oefenden geen uitgespro­ken gezag uit over de gemeente, maar zorgden voor de handhaving van de orde en deden hun best het gods­dienstig leven zoveel mogelijk tot groei en bloei te brengen. Diakenen of dienaars, eveneens op democrati­sche wijze gekozen, waren belast met de zorg voor de armen en de zieken. De eerste bisschop van de kleine christengemeente in Rome is waar­schijnlijk de apostel Petrus geweest. Hij was echter ook vaak buiten Rome werkzaam. In de jaren van de vervol­gingen onder keizer Nero is hij de martelaarsdood gestorven. De rooms-katholieke kerk beschouwt Petrus als haar eerste paus. Jezus im­mers had gezegd dat Petrus de rots was waarop Hij Zijn kerk wilde bou­wen. Maar het zou nog vele eeuwen duren, voordat Rome de voorrangs­positie van het pausdom in de christe­lijke wereld zou verwerven.

De verbreiding van het christendom

Toen Petrus stierf, was Rome dan wel het middelpunt van het geweldige Romeinse Rijk, maar beslist niet het centrum van de jonge christenheid. Het was de stad Alexandrië in Egyp­te, die al vroeg een bloeiende christe­lijke kerk en een christelijke school binnen haar muren had. Van daaruit verbreidde het christelijke geloof zich over heel Egypte en de rest van Noord-Afrika. En daarbij bleef het niet. Ook in Spanje, in Gallië en zelfs in Brittannië gingen mensen door de doop tot het nieuwe geloof over. Het christendom kon zich gemakkelijk en snel verbreiden, niet alleen omdat het Romeinse Rijk een voortreffelijk en bijzonder veilig wegennet had, maar ook dank zij het feit dat vrijwel alle inwoners van deze uitgestrekte staat elkaar heel goed konden begrijpen. Iedereen namelijk sprak en verstond in meer of mindere mate het Grieks, dat wel de internationale taal van de oudheid genoemd kan worden.

6e klas Rome Christendom


Een strakkere kerkelijke organisatie
.
Naarmate het aantal christenen toe­nam begon de organisatie van hun kerk ook strakker te worden. De de­mocratische opvattingen van gelijk­heid begonnen te verdwijnen. Er kwam een duidelijke scheiding tussen de geestelijke stand en de rest van de gelovigen, de leken. De bisschoppen zagen zich meer en meer als de opvol­gers van de apostelen en meenden aanspraak te kunnen maken op eer­bied en gehoorzaamheid. Ook eisten ze het recht op, de lagere geestelijken de wijding te mogen geven. Het ker­kelijk bestuur werd een beetje een af­spiegeling van het wereldlijk bestuur van het Romeinse Rijk. Zo werden de hoofdsteden van de provincies, zoals Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem, de woonplaatsen van de belangrijkste bisschoppen. Deze werden metropo­lieten of aartsbisschoppen genoemd. Omstreeks 180 na Chr. vormde de christelijke kerk, wat haar organisa­tie betrof, een soort bond van ge­meenten met algemeen aanvaarde, vaste regels omtrent godsleer, ere­dienst, ambten en geloofsbelijdenis. Deze hechte organisatie was ook wel nodig, want tal van gevaren, zowel van binnenuit als van buitenaf, be­dreigden de nog altijd kleine gemeen­schap van gelovigen, die later tot een wereldgodsdienst zou uitgroeien.

Vervolging, strijd en zege

De brand van Rome

In 64 na Chr., onder de regering van de beruchte keizer Nero (54-68), brak in Rome de ergste brand uit die men ooit had meegemaakt. Tien van de veertien districten die Rome telde werden in as gelegd. Ontelbare men­sen kwamen om in de vlammen of werden het slachtoffer van de paniek en de chaos die ontstonden. De over­levenden, die ten slotte niet meer wisten wat te doen of waarheen te vluchten, bleven steken op de over­volle landwegen of gingen op de vel­den zitten. Sommigen hadden alles verloren en wachtten als verdoofd op het einde. Nero had gelukkig oog voor de omvang van de ramp en kon­digde maatregelen af om de ergste nood te lenigen. Hij gaf de zwaar ge­troffen mensen toestemming om in bepaalde gebouwen onderdak te zoe­ken en stelde ook zijn eigen parken voor hen open. Voorts liet hij voed­selvoorraden aanvoeren en stelde een heel lage prijs voor het graan vast. Om Rome mooier en grootser te her­bouwen liet hij ontwerpen maken, waarbij extra werd gelet op geriefe­lijkheid en woongenot. Om ook de goden gunstig te stemmen, zorgde hij voor indrukwekkende plechtigheden.

De zondebok

Het valt niet te ontkennen dat Nero niets heeft nagelaten om de nood van zijn onderdanen te lenigen. Maar toch waren die onderdanen niet erg dankbaar en dat kwam omdat er hardnekkige geruchten gingen dat de keizer zelf de brand van Rome had la­ten aansteken. Dat zou hij gedaan hebben om Rome op een schitterende wijze te kunnen herbouwen en zo lof en eer te kunnen oogsten als bouw­meester. Ondanks al zijn ijveren ble­ven de praatjes rondgaan. Of Nero werkelijk schuldig is geweest aan de brand is nu niet meer na te gaan. Feit is echter dat er tijdens de brand ben­des door de stad trokken die overal fakkels in de huizen wierpen en die schreeuwden dat ze daartoe bevel hadden gekregen. Misschien hadden ze ook werkelijk dergelijke orders ge­kresen, misschien zeiden ze dat alleen maar om gemakkelijker te kunnen plunderen. Hoe het ook zij, de keizer kreeg de schuld en hij voelde zich daar steeds ongemakkelijker onder. Daarom zocht en vond hij een zonde­bok: de christenen!

Vreemde verhalen

De aantrekkingskracht die de we­reldstad Rome op bewoners uit het hele rijk uitoefende, heeft ongetwij­feld ook de christenen niet onberoerd gelaten. De geschiedschrijver Suetonius vermeldt dat de joden in 49 na Chr. door de overheid uit Rome ver­bannen werden, omdat ze op aanspo­ring van een zekere Christus zoveel onrust teweegbrachten. Uit deze me­dedeling blijkt overigens duidelijk dat men in die tijd nog geen verschil zag tussen joden en christenen. De christenen hield men eenvoudig voor een joodse sekte. Sinds deze verbanning bleef er een voortdurende arg­waan tegen de christenen bestaan, waarschijnlijk omdat ze zich zo afzij­dig hielden van het gewone Romeinse leven. Vreemde verhalen deden over hen de ronde, onder andere dat ze zich aan kannibalisme schuldig maakten en dat ze bloedschande be­dreven. Nero knoopte bij de bestaan­de afkeer jegens de christenen aan en beschuldigde hen ervan de brand in Rome aangestoken te hebben.

Als levende fakkels

Gevangengenomen christenen beken­den op de pijnbank hun zogenaamde misdrijf en wezen zelfs medeschuldi­gen onder hun geloofsgenoten aan. Massale arrestaties en terechtstellin­gen volgden. Deze werden in het openbaar en bij wijze van vermake­lijkheid voltrokken, opdat iedereen maar goed zou weten dat de christe­nen de ware schuldigen waren en niet keizer Nero. De arme gelovigen wer­den in dierenhuiden genaaid, waarna er wilde, uitgehongerde honden op hen losgelaten werden, die hen in stukken scheurden. Anderen werden gekruisigd of moesten ’s avonds, volgesmeerd met olie en pek en op staken gestoken, als levende fakkels de keizerlijke tuinen verlichten. De schouwspelen in het Circus konden de mensen niet echt boeien, want ze hadden eigenlijk medelijden met de christenen, die gestraft werden voor iets wat ze niet gedaan hadden.

Vaak overdreven

Het wrede optreden zoals van Nero tegen de christenen was tot in de 3 e eeuw gelukkig een uitzondering. Meestal werden alleen de belangrijke leden van de christengemeente gear­resteerd en gestraft. In de geschiedenis van de christelijke kerk worden tien christenvervolgin­gen vermeld, van de tijd van Nero tot aan het begin van de 4e eeuw. De overgeleverde berichten komen vrij­wel uitsluitend van christelijke ge­schiedschrijvers en het staat vast dat deze 
hun verhalen vaak hebben over­dreven en dat ze soms ook weliswaar mooie, maar onware zaken vermel­den. Hierbij hoeft overigens helemaal geen boze opzet in het spel te zijn ge­weest. Het was nu eenmaal een tijd van bekering en hoopvolle verwach­ting. Daarbij was men snel te zeer ge­neigd tot kritiekloos aanvaarden van alles wat het christelijk geloof verhief en wat het heidendom vernederde. Onder keizer Decius (249-251) wer­den de christenen een korte tijd hevig vervolgd. Ook onder Valerianus (253-260) hadden ze het lang niet ge­makkelijk. De zwaarste vervolgingen echter vonden plaats onder Diocletianus (284-305).

Een staat in de staat

Aan het eind van de 3e eeuw bekeer­den velen zich tot het geloof van Jezus Christus. Vele ambtenaren, ho­ge en lage, maar ook talloze officie­ren en soldaten waren of werden christen. In vele steden werden nieu­we kerkgebouwen neergezet. De tijd leek niet meer veraf dat het christen­dom de heersende godsdienst van het Romeinse Rijk zou zijn. Keizer Dio­cletianus, die zich op Oosterse wijze bijna als een godheid liet vereren, kon maar moeilijk verkroppen dat de vele onderdanen die christen waren, aan die verering weigerden mee te doen. Bovendien vormden de christe­nen met hun eigen kerkelijke organi­satie en hun eigen regels en voor­schriften als het ware een staat in de staat. Dit strookte beslist niet met het absolute gezag dat de keizer voor zichzelf opeiste. Daarom werd het in­strument van het keizerlijke gezag, het leger, het eerst aangepakt. In 298 werd het hele leger van christenen ge­zuiverd. De christenen onder de mili­tairen moesten hun geloof afzweren of de dienst verlaten. Velen gaven de voorkeur aan het laatste!

6e klas Rome Christendom 2

Een van de zwaarste perioden

In 303 werd in Nicomedië onder leiding van Diocletianus een raadsver­gadering van hoge ambtenaren en of­ficieren belegd. Bij deze gelegenheid werd besloten tot een algemene ver­volging van de christenen, in het hele rijk. Nog geen maand later drongen plunderende troepen van de keizer hoofdkerk van Nicomedië binnen en sloegen alles kort en klein. De dag daarop vaardigde Diocletianus zijn wetgeving tegen de christenen uit en begon één van de zwaarste perioden voor de jonge christenheid. Alle ker­ken in het hele rijk moesten afgebro­ken worden. De kerkelijke eigendom­men werden van staatswege in beslag genomen. Godsdienstige bijeenkom­sten werden verboden op straffe van de dood. Christenen was het niet lan­ger toegestaan ambten en erefuncties te vervullen. Het werd zelfs verboden om slaven, die het christendom aan­hingen, vrij te laten. In het grootste deel van het Romeinse Rijk werden de gelovigen gevangen genomen en voor de rechters ge­bracht. Die hadden toestemming om iedere aanklacht tegen een christen voor waar aan te nemen en mochten de pijnbank gebruiken om bekente­nissen af te persen. Velen, zeer velen, verloren lijf en goed in die tijd.

Allerlei ongedierte

In 305 trad Diocletianus als keizer af. Hij trok zich terug op het lustslot dat hij te Salona in Dalmatië had laten bouwen. Daarmee waren de vervol­gingen in het oosten van het Romein­se Rijk evenwel nog niet afgelopen. Daar werden in 306 en in 308 op­nieuw wetten tegen de christenen uit­gevaardigd, die zo mogelijk nog har­der waren dat die uit 303. Wederom stierven velen de martelaarsdood. Toch kwam ook aan deze zware be­proeving een einde. In 311 vaardigde Galerius, inziende dat de bestrijding van het christendom een zinloze be­zigheid was, het Tolerantie Edict of Verdraagzaamheids Edict uit. Voor het eerst in de geschiedenis werden de christenen hiermee officieel toe­gestaan hun geloof aan te hangen en godsdienstoefeningen te houden. De keizer eindigde het edict zelfs met de hoop ‘dat onze zachtmoedigheid de christenen ertoe zal brengen om
zo­wel voor ons geluk en heil als voor dat van henzelf en dat van de staat tot hun God te bidden’. Veel heeft het hem overigens niet geholpen, want hij stierf kort daarop aan een vreselij­ke ziekte, overdekt met walgelijke zweren waaruit, volgens de christelij­ke geschiedschrijvers, nog bij zijn le­ven allerlei ongedierte kroop…

‘In dit teken zult gij overwinnen’

Na de dood van Galerius waren er weer vier keizers om het uitgestrekte rijk te besturen, zoals Diocletianus destijds had bepaald. Van enige sa­menwerking tussen de heren was nochthans geen sprake. Ieder streefde er in tegendeel naar, zijn eigen macht ten koste van de anderen te vergro­ten. Tussen Constantijn die door de soldaten van Brittannië tot keizer uit­geroepen was, en Maxentius die te Rome zetelde, brak een regelrechte oorlog uit. Constantijn trok over de Alpen Italië binnen en wist menige overwinning op de legers van Maxen­tius te behalen. Langzaam rukte hij op naar Rome, waarbij hij zich verze­kerde van de hulp van de christenen. Mogelijk onder hun invloed zou Con­stantijn tot hun God gebeden hebben om hulp in de strijd tegen Maxentius. Toen zou het wonder gebeurd zijn dat de christelijke geschiedschrijvers in alle ernst en als de volle waarheid meedelen. Op klaarlichte dag zagen zowel Constantijn als zijn soldaten boven de zon het teken van het kruis verschijnen met daaromheen de woorden: ‘In dit teken zult gij over­winnen’. En ’s nachts verscheen Christus aan de keizer in een droom en zei hem dat hij het teken van het kruis in zijn vaandel moest gaan voe­ren. De volgende dag liet Constantijn inderdaad zijn leger onder het kruis­teken optrekken. Bij de Milvische Brug over de Tiber behaalde hij een klinkende overwinning op Maxentius (oktober 312). Het jaar daarop werd het Tolerantie Edict van Galerius be­vestigd. Gewoonlijk noemt men dit het Edict van Milaan (313).

Pas op zijn sterfbed

Met Constantijn was er een keerpunt in de geschiedenis van de christelijke kerk gekomen. Was deze tot dan toe een vervolgde of maar net getolereer­de instelling, toen werd de kerk een door de overheid beschermde en zelfs sterk bevoorrechte instelling. Met een eenvormige godsverering hoopte Constantijn zijn eigen positie en die van het rijk aanzienlijk te versterken. Daarom stond hij de bisschoppen grote voorrechten toe en gaf hij de geestelijkheid het oppertoezicht over de scholen. De geestelijken werden van staatswege bezoldigd en mochten krachtens een wetsbepaling van 321 zelf goederen bezitten en erfenissen aanvaarden. De voorrechten die de keizer aan de kerk verleende waren natuurlijk niet voor niets. Via de geestelijkheid kon het staatshoofd de grote massa van het volk beheersen en dat bevestigde metterdaad zijn eigen absolute macht. Het kostte de kerk ook een stuk vrijheid en onaf­hankelijkheid, want Constantijn be­moeide zich ook met allerlei kerkelij­ke zaken. Ketterse bewegingen binnen de kerk vervolgde hij. Hoezeer hij de kerk als een machtsinstrument zag, blijkt wel uit het feit dat hij zelf nooit tot het christendom is overge­gaan, maar zijn kinderen wel een christelijke opvoeding liet geven. Zelf zou hij zich pas op zijn sterfbed heb­ben laten dopen.

De afvallige keizer

Nog slechts één keizer is er geweest die geprobeerd heeft de klok terug te draaien, door te proberen het heiden­dom in ere te herstellen. Het was Julianus (360-363), die dan ook de bijnaam ‘de Afvallige’ heeft gekregen. Deze keizer had een christelijke opvoeding genoten, maar hij was er blijkbaar niet erg diep door beïnvloed. Zijn grote belangstelling en bewondering gingen uit naar de vroegere Romeinse republiek met haar idealen van deugdzaamheid, eenvoud, dapperheid en vaderlandsliefde. Als keizer joeg hij de hele stoet van dienaren en andere nutteloze hovelingen het paleis uit. Hij leidde voortaan een uiterst sober, zelfs karig bestaan. Zijn leefwijze was die van een cynicus, dat is een wijsgeer die helemaal ‘natuurlijk’ wil zijn, los van alle be­hoeften van de beschaving. Hij dreef zijn manier van leven zó ver door, dat hij ook zijn lichaamshygiëne verwaarloosde. Met trots sprak hij over zijn vuile handen, zijn lange nagels en zijn ruige en dichtbevolkte baard. Het is te begrijpen dat iemand die zo ’n voorliefde voor de oude Romeinse cultuur koesterde, ook de heidense godsdienst een warm hart toedroeg. Dat geeft mede een verklaring voor zijn afkeer van het christendom.

ruzie en geharrewar

In de korte periode dat Julianus geregeerd heeft – één jaar en acht maan­den – is het gelukkig niet tot een echte christenvervolging gekomen. Wel heeft hij tal van maatregelen tegen de christelijke kerk afgekondigd. De heidenen werden voortaan weer ge­lijkgesteld aan de christenen, wat be­tekende dat ze ook weer ambten mochten bekleden. Aan de christenen werd het verboden in het vervolg op te treden als leraren in de welspre­kendheid en in de taalkunde. De hei­dense tempels die door ijverige chris­tenen waren gesloopt, moesten weer worden herbouwd – op kosten van de slopers!
In een veldtocht tegen de Perzen sneuvelde Julianus de Afvallige. Hij was beslist geen slecht bestuurder ge­weest, maar hij had in feite zijn eigen tijd niet begrepen. De christenen her­ademden en hervatten weer vol vuur hun geruzie en geharrewar over vele geloofspunten. Maar dat de christe­lijke kerk zou voortbestaan, was in ieder geval duidelijk.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

.

 

706-644

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis – alle artikelen

.

6e klas geschiedenis
.

[1]  Vakkenintegratie met het vak Engels
Julius Caesar in Roman Britain 

[2-1]  Spelletjes in Rome
Een aantal spelletjes uit de Romeinse tijd die ook door de leerlingen kunnen worden gespeeld.

[2-2] Geld in Rome
Over het ontstaan van geld; hoe het werd gemaakt; namen van Romeinse munten; verklaringen van woorden, o.a salaris, money, geld stinkt niet; voorbeelden van munten en wat er precies op staat.

[3] Vertaling van LindenbergGeschichte lehren‘:
6e klas; overzicht van de lesstof

Uitwerking van Lindenberg
[3-1] Rome: Aeneas; Romulus en Remus

[3-2] Democratie of aristocratie; patriciërs en plebejers

[3-3]  Hannibal    zie ook [11]  op deze pagina
[3-3/1] Hannibal

[3-4] De Cracchen
Ontstaan slavernij in Rome; invloed van proletariërs ‘kroostbezitters’; invloed van Cornelia; Licinische wetten; veto; in de context nog iets over senaat, tribuun, consul.

[3-5] Julius Caesar    zie ook [10-2]
Julius Caesar 
Julius Caesar

[3-6] Jeruzalem en Rome

[3-7] Volksverhuizing en ondergang Rome

[3-7/1] Attila

[4-1] Mohammed

[4-2-1] Anne Bakker over: de islam in de 6e klas, als onderdeel van een bredere visie: de islam in het vrijeschoolonderwijs.

[4-2] Franken

[4-3] Karel de Grote

[4-4] Karolingen

[5-1Heilige Romeinse Rijk; Otto 1

[5-2] Otto 1

[5-3] Gregorius VIl

[6-1] Kruistochten: 1e

[6-2] Andere kruistochten en de gevolgen

[7-1] Monniken en kloosters

[7-2] Adel, boeren, ridderschap

[7-3] Steden

[8-1] Hoe ga je te werk: levendig vertellen

[9-1] Het ontstaan van Rome
Zie ook: [3-1]

[10-1] Romeinen in de Nederlanden
[10-2] Julius Caesar in de Nederlanden

[11] Carthago

[12-1] Romeins soldaat (kleding); centurio; gevangenis – Carcer Mamertinus); gesel

[12-2] Romeins legerkamp

[13-1] Romeinse keizers
N.a.v. een boekbespreking ‘Heersers over het Romeinse Rijk – Mary Beard -: de beeltenissen van de keizers: Augustus, Caligula, Claudius, Domitianus Elagabalus, Hadrianus, Julius Ceasar, Marcus Aurelius, Nero, Nerva, Septimus Severus, Tiberius, Titus, Trajanus, Vespasianus.

.

Alexander de Grote

Keizer Augustus

Constantijn 1 de Grote

Justinianus 1 de Grote

ILLUSTRATIES:
Op Pinterest [1]   [2]
.

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas geschiedenis

.

705-643

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 306 – voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 306

Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

 Die Erziehung des Kindesund jüngeren Menschen

De praktijk van de pedagogie vanuit het perspectief van geesteswetenschappelijke menskunde

De opvoeding van het kind en de jonge mens


Inhoudsopgave   voordracht [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]* [8]
met drie vragenbeantwoordingen 18 april19 april22 april
en inleidende woorden bij een euritmie-opvoering
*vertaald bij Pentagon

Voordracht 1, Dornach 15 april 1923

blz. 9   vert. 9

Lassen Sie mich Ihnen am Beginn dieser Veranstaltung meinen herz­lichsten Gruß entgegenbringen. Wären Sie noch vor 4 oder 5 Mona­ten hier in für uns so erfreulicher Weise erschienen, dann würde ich Sie noch haben begrüßen können in jenem Bau drüben, den wir das Goetheanum genannt haben, und der Sie in seinen Formen, in seiner ganzen künstlerischen Ausgestaltung erinnert haben würde an dasjenige, was hier von Dornach aus, vom Goetheanum aus ge­wollt wird. Der Unglücksfall, der für viele, die das Goetheanum so lieb gehabt haben, so ungeheuer schmerzlich ist, der Unglücksfall der Silvesternacht hat uns dieses Goetheanum genommen, und wir werden vorläufig dasjenige, was als Geist walten wollte inner­halb dieser künstlerischen Stoffeshülle, ohne eine solche zu treiben haben.
Insbesondere darf ich herzlich begrüßen diejenigen Persönlichkeiten, welche aus der Schweiz hier erschienen sind, und die damit be­kräftigen, wie sie trotz aller Anfeindungen, die ja gerade auf diesem Boden in der letzten Zeit uns betroffen haben, ein gewisses Interesse für unsere Sache nach der pädagogischen Seite hin gefaßt haben. Mit einer besonderen Befriedigung begrüßen darf ich auch die Freunde der anthroposophischen Pädagogik, oder solche, die denken, es hier werden zu können, die aus der Tschechoslowakei in so großer Zahl erschienen sind. Sie bekräftigen ja damit, daß die pädagogische Frage gegenwärtig unter den allgemeinen Menschheitsfragen durchaus in hervorragender Weise mitgezählt werden muß. Zu der großen sozia­len Bedeutung, zu der die pädagogische Frage kommen muß, kann sie ja doch nur kommen, wenn sie von den Lehrerpersönlichkeiten selbst in diesem Stile aufgefaßt wird. Dann begrüße ich auch diejeni­gen Persönlichkeiten, die auch aus anderen Ländern sich eingefunden haben, womit ja schon gesagt ist, wie dasjenige, was hier gesucht wird, eine in Wahrheit internationale Sache sein soll, eine allgemeine Menschheitssache.

Sta mij toe U aan het begin van deze bijeenkomst U mijn hartelijkste groet over te brengen. Was U nog 4 of 5 maanden geleden hier op een voor ons zo verheugende manier gekomen, dan had ik U nog kunnen begroeten in het gebouw verderop*, dat wij het Goetheanum hebben genoemd en dat U zich in heel zijn kunstzinnige vormgeving zou hebben doen denken aan hetgeen hier vanuit Dornach, vanuit het Goetheanum gewild wordt. Het ongeluk dat voor velen die zoveel van het Goetheanum hielden, zo vreselijk pijnlijk is, het ongeluk van de oudejaarsnacht heeft het Goetheanum van ons afgenomen en we zullen voorlopig dat wat als geest werkzaam wilde zijn in deze kunstzinnige stoffelijke omhulling, zonder deze moeten uitvoeren.

In het bijzonder mag ik hartelijk begroeten de mensen uit Zwitserland die hiernaartoe zijn gekomen en daarmee bevestigen hoe zij, ondanks alle vijandigheden die juist op deze grond de laatste tijd zich tegen ons richten, een bepaalde belangstelling voor onze zaak hebben wat de pedagogische kant betreft. Met een bijzonder tevreden gevoel mag ik ook de vrienden van de antroposofische pedagogie begroeten, of zij, die denken het hier te kunnen worden, die in zo’n grote getale uit Tsjecho-Slowakije gekomen zijn. U bevestigt daarmee dat de pedagogische vragen tegenwoordig beslist op een bijzondere manier tot de vragen van de algemene mensheid gerekend moeten worden. Tot de grote sociale betekenis waartoe de pedagogische vraag moet komen, kan deze alleen maar komen, wanneer ze door leraarpersoonlijkheden zelf in deze betekenis opgevat wordt. Dan begroet ik eveneens de mensen die ook uit andere landen aangekomen zijn, waarmee ook al is aangegeven hoe datgene wat hier gezocht wordt, In waarheid een internationale aangelegenheid moet zijn, een algemene zaak van de mensheid.

*in het gebouw verderop: zie Rudolf Steiner: ‘De bouwgedachte van het Goetheanum’ Stuttgart 1958, GA nr. 290.
In de oudejaarsnacht 1922/23 werd het gebouw door brand verwoest. De voordrachtenserie werd provisorisch gehouden in de ‘Schreinereisal’
.

.Und begrüßen darf ich auch unsere Freunde, die Lehrer der Stutt­garter Waldorfschule, die ja hauptsächlich deshalb erschienen sind, um hier aus ihrer pädagogischen Praxis an der Waldorfschule mitzu­wirken, die vor allen Dingen deshalb hier uns so wertvoll sind, weil sie, als in unserer Sache tief drinnenstehend, diese Veranstaltung ha­ben mitmachen wollen.
Heute wird es sich darum handeln, daß ich in einer Art von Ein­leitung dasjenige vorbereite, was wir in den nächsten Tagen mitein­ander behandeln wollen.
Über Pädagogik und Erziehungswesen wird ja heute allerdings un­geheuer viel gesprochen. Unzählige Menschen aus dem Kreise der­jenigen, die Kinder zu erziehen und zu unterrichten haben, sprechen von notwendigen Reformimpulsen gerade mit Bezug auf das Erzie­hungs- und Unterrichtswesen. Und man darf schon sagen: es gibt der Standpunkte ungeheuer viele, von denen aus da gesprochen wird. Wenn man auf alle diese Standpunkte und auf dasjenige hinblickt, was von diesen Standpunkten aus gesprochen wird, manchmal mit einem ungeheuren Enthusiasmus für eine Neugestaltung und Reform des Erziehungs- und Unterrichtswesen, da könnte einem schon angst und bange werden. Nicht nur deshalb, weil man ja zunächst wirklich schwer absehen kann, wie sich eine gewisse Einheitlichkeit ergeben soll aus diesen allermannigfaltigsten Standpunkten, von denen natür­lich jeder behauptet, daß er einzig und allein recht haben kann; son­dem noch von einer ganz anderen Seite her könnte einem, möchte man sagen, angst und bange werden.

En ook mag ik begroeten onze vrienden, de leraren van de vrijeschool uit Stuttgart, die voornamelijk hiernaartoe zijn gekomen om hier vanuit hun pedagogische praktijkervaring aan de vrijeschool mee te werken en die vooral voor ons hier zo waardevol zijn, omdat zij diep in onze onderneming staand, aan deze bijeenkomst hebben willen deelnemen.
Vandaag zal het erom gaan dat ik in een soort inleiding voorbereid wat we de komende dagen met elkaar willen behandelen.

Over pedagogie en opvoeding wordt tegenwoordig heel veel gesproken. Talloze mensen uit de kringen die kinderen moeten opvoeden en onderwijzen, spreken van noodzakelijke vernieuwingsimpulsen, juist met het oog op het gebied van opvoeding en onderwijs. En je kan wel zeggen dat er behoorlijk veel standpunten zijn van waaruit gesproken wordt.
Wanneer je naar al die standpunten kijkt en naar wat er vanuit deze standpunten wordt gezegd, vaak met een enorm enthousiasme voor een nieuwe vorm en vernieuwing van opvoeding en onderwijs, dan kan het je bang te moede worden. Niet alleen omdat je primair werkelijk moeilijk kan zien hoe er een bepaalde overeenstemming kan ontstaan in deze meest uiteenlopende standpunten, maar nog vanuit een heel ander gezichtspunt kan de schrik je om het hart slaan.

Die Standpunkte, die da geltend gemacht werden, die machen mir weniger bange, denn die Notwen­digkeiten des Lebens ergeben ja vielfach Ausgleichungen, Abrundun­gen desjenigen, was von solchen Standpunkten aus gesagt wird. Aber etwas anderes ist es, was immer wieder und wiederum aus meiner Seele heraufzieht, wenn man heute, man kann schon sagen, fast jeden Menschen, dem man begegnet, von der Neugestaltung des Erzie­hungs- und Unterrichtswesens reden hört. Und woraus gehen denn eigentlich diese mit solch löblichem Enthusiasmus vorgebrachten

De standpunten die naar voren gebracht worden, maken mij minder bang, want de noodzaak van het leven brengt vaak compromissen met zich mee, de scherpe kantjes van wat vanuit zulke standpunten gezegd wordt, verdwijnen. Maar iets anders is het,  wat steeds weer opnieuw uit mijn ziel naar boven komt, wanneer je tegenwoordig, je kunt zeggen bijna ieder mens die je tegenkomt, hoort praten over opvoeding- en onderwijsvernieuwing. En waar komen dan uiteindelijk die vernieuwingsgedachten die met zo’n lofwaardig enthousiasme naar voren worden gebracht, vandaan.

blz. 11

Reformgedanken hervor? Sie gehen hervor aus der Erinnerung an die eigene Jugend und aus der Erinnerung an die eigene Erziehung. Man hat so in den Tiefen seiner Seele eine ungeheuer tiefe Unzufrie­denheit mit seiner eigenen Erziehung, seinem eigenen genossenen Unterricht. Ja, aber – indem man dieses Gefühl hat, gibt man etwas höchst Eigentümliches zu: Man gibt nämlich zu, daß man furchtbar schlecht erzogen ist. Man muß sich eigentlich, indem man aus diesen Untergründen heraus die Reformgedanken aufwirft, sagen: man ist ein furchtbar schlecht erzogener Mensch. Und eigentlich steckt die­ses Urteil, wenn die Leute es sich auch nicht eingestehen und es den anderen nicht eingestehen, wirklich so richtig drin in der besonderen Nuancierung der Worte, der Sätze ihrer Reformimpulse, die ausge­sprochen werden. Wie mancher denkt da: Wie schlecht war doch meine Erziehung; das muß anders werden! – Ja, aber da treten einem zwei Dinge vor die Seele, die gar nicht tröstlich sind. Denn erstens, wenn man so furchtbar schlecht erzogen ist, wenn alles mögliche Schlimme während der eigenen Erziehung auf einen eingestürmt ist, wie soll man denn jetzt wissen, wie gut erzogen wird? Woher soll man denn das eigentlich gelernt haben? – Also, wenn man sich für die Berechtigung von Erziehungsreformgedanken auf seine eigene schlechte Erziehung beruft, so geht das eigentlich nicht recht.

Ze komen uit de eigen jeugd- en opvoedingsherinneringen.
Men is in zijn eigen diepere gevoel behoorlijk ontevreden met zijn eigen opvoeding, met het onderwijs dat hij zelf genoten heeft. Ja, maar – als je deze gevoelens hebt, geef je iets hoogst merkwaardigs toe: je geeft namelijk toe dat je vreselijk slecht bent opgevoed. Je moet eigenlijk, wanneer je vanuit deze achtergrond vernieuwingsgedachten naar voren brengt, zeggen: je bent een verschrikkelijk slecht opgevoed mens.
En eigenlijk zit dit oordeel, ook wanneer de mensen dit niet willen toegeven zeer zeker in de bijzondere nuancering van de woorden, de zinnen van hun vernieuwingsimpulsen die worden uitgesproken.
Zoals velen denken: wat was mijn opvoeding toch slecht; dat moet anders worden! Ja, maar dan voel je twee dingen, die helemaal niet troostend zijn. Want ten eerste, wanneer je dan zo vreselijk slecht opgevoed bent, wanneer er van alles aan verkeerde dingen op iemand is afgestormd tijdens zijn eigen opvoeding, hoe zou je dan nu weten, hoe er goed opgevoed moet worden. Van waaruit zou je dat dan geleerd moeten hebben? Dus, wanneer je een beroep doet op je eigen slechte opvoeding om de gedachten aan opvoedingsvernieuwing te rechtvaardigen, gaat dat eigenlijk niet echt.

Und das zweite tritt einem entgegen, wenn man hinhorcht auch auf die Art und Weise, wie manche Menschen von ihrer eigenen Er­ziehung und ihrem eigenen Unterricht sprechen. Ich möchte Ihnen da ein praktisches Beispiel anführen, denn ich möchte die ganzen acht Tage durchaus nicht aus der Theorie heraus, sondern überall aus praktischen Untergründen heraus sprechen. Sehen Sie, da ist eben vor einigen Tagen ein Buch erschienen, das eigentlich mich sonst nicht besonders interessiert, das aber interessant ist dadurch, daß nämlich in den ersten Kapiteln auch recht viel von einer Persönlich­keit über die eigene Erziehung und den eigenen Unterricht gesprc­chen wird, von einer sehr merkwürdigen, heute außerordentlich be-rühmten Persönlichkeit. Es sind ja die «Lebenserinnerungen» jetzt erschienen von Rabindranath Tagore. Nun, da ich nicht das selbe In­teresse für ihn habe wie andere Menschen heute in Europa, so darf

En het tweede kom je tegen, wanneer je luistert naar de manier waarop veel mensen over hun eigen opvoeding en hun eigen onderwijs spreken. En ik zou daarvan een voorbeeld uit de praktijk willen aanhalen, want ik wil deze acht dagen beslist niet vanuit de theorie, maar vooral vanuit praktische achtergronden spreken.
Kijk, juist een paar dagen geleden is er een boek uitgekomen, dat mij eigenlijk anders niet zo geïnteresseerd zou hebben, maar interessant is, omdat met name in de eerste hoofdstukken juist veel door een persoonlijkheid over zijn eigen onderwijs gesproken wordt, door een zeer opvallende, tegenwoordig buitengewoon beroemde persoonlijkheid.
De ‘levensherinneringen’ van Rabindranath Tagore* zijn net verschenen. Wel, omdat ik voor hem niet dezelfde belangstelling heb als tegenwoordig andere mensen in Europa, mag ik toch wel zeggen dat mij de ‘levensherinneringen’

*Rabindranath Tagore, 1861-1924. De citaten komen uit ‘Levensherinneringen’, München, 1923
.

blz.12

ich sagen, daß mich ja die «Lebenserinnerungen» nicht so außeror­dentlich sonst interessieren, aber mit Bezug auf das Erziehungswe­sen bieten sie doch ganz interessante Einzelheiten.
Sie werden mir zugeben, daß dasjenige, was wir ins Leben hinüber-tragen aus unseren Kindheitstagen, als Schönstes wirklich nicht ent­hält – selbst wenn Unterricht und Erziehung ganz außerordentlich großartig gewesen sind – die Erinnerung an die Einzelheiten, die uns in dieser oder jener Unterrichtsstunde geboten worden sind. Das wäre auch traurig. Denn es muß dasjenige, wodurch wir erzogen werden und in dem wir unterrichtet werden, übergehen in eine Art Lebensgewohnheiten, Lebensgeschicklichkeiten. Wir dürfen im spä­teren Leben nicht mehr von den Einzelheiten geplagt werden; das muß zusammenfiießen in einen großen Strom der Lebenspraxis. Das­jenige aber, was wir als Schönstes hinübertragen aus den Tagen, in denen wir erzogen und unterrichtet worden sind, das ist eigentlich die Erinnerung an die einzelnen Lehrer- und Erzieherpersönlichkei­ten. Und da muß es schon als ein Glück gelten, wenn man mit einer innigen Befriedigung im spätesten Alter noch hinschauen kann auf diese oder jene verehrte Lehrerpersönlichkeit. Das ist Gewinn des Lebens. Das gehört auch durchaus zur Erziehungskunst und Erzie­hungspraxis, daß dies fürs Leben möglich werde.

anders niet zo buitengewoon zouden interesseren, maar dat ze met betrekking tot het gebied van de opvoeding toch heel interessante details leveren.

U zult het met me eens zijn dat wat we uit onze kindertijd in het leven meenemen als het mooiste, echt niet bestaat uit herinneringen aan details die ons in deze of gene les geboden werden– zelfs als onderwijs en opvoeding buitengewoon groots zijn geweest. Dat zou zielig zijn. Want waardoor we werden opgevoed en wat we leerden, dat moet in de gewoonten van het leven, in vermogens om te leven overgaan. We mogen in het latere leven niet meer geplaagd worden door details; alles moet samenvloeien in de grote stroom van de praktijk van het leven. Maar wat we als mooiste meenemen uit de dagen waarin we opgevoed werden en les kregen, is eigenlijk de herinnering aan de verschillende opvoeders en leerkrachten. En je mag van geluk spreken wanneer je met een innige tevredenheid op het laatst van het leven nog terug kan kijken naar deze of gene onderwijspersoonlijkheid. Dat is winst voor het leven. Dat dit voor het leven mogelijk wordt, hoort beslist bij de opvoed- en de onderwijskunst.

Nun, wenn wir nach dieser Richtung hin einmal die entsprechen­den Stellen in Tagores Lebenserinnerungen aufschlagen und die Art sehen, wie er über die Lehrerpersönlichkeiten spricht, so ist das nicht gerade so, daß er mit einer innigen Erhebung zu diesen Lehrerper­sönlichkeiten zurückblickt, indem er zum Beispiel sagt: «Einer von den Lehrern der Normalschule gab uns auch Privatunterricht im Hause. Sein Körper war mager, sein Gesicht wie ausgedörrt, seine Stimme scharf. Er sah aus wie ein leibhaftiger Rohrstock.» – Man könnte die Meinung haben, daß man von demjenigen, was in Erzie­hungs und Unterrichtsdingen notwendig sei, bloß in unserer, von den Asiaten ja so vielfach angefochtenen europäischen Kultur so viel zu sprechen habe. Aber Sie sehen daraus, daß ein Mann, der es schon zu einer Berühmtheit gebracht hat, in einer solchen Weise auf seine indische Schule zurückschaut. Also – ich gebrauche einen Ausdruck,

Welnu, als we met het oog hierop eens de desbetreffende plaatsen in Tagores levensherinneringen opzoeken en de manier zien waarop hij over de leraarpersoonlijkheden spreekt, dan is het niet meteen zo dat hij met een innige verhevenheid op deze persoonlijkheden terugblikt, wanneer hij bv. zegt: ‘Een van de leerkrachten van school gaf ons thuis ook privéles. Hij was mager, zijn gezicht uitgemergeld, hij had een scherpe stem. Hij zag eruit als een Spaans riet in levende lijve.’ Je zou kunnen denken dat er alleen in onze, door de Aziaten vaak bekritiseerde Europese cultuur zo veel moet worden gesproken over wat nodig is in opvoedings- en onderwijszaken. Maar je ziet dat een man die al een beroemdheid geworden is, op deze manier terugkijkt op zijn Indiase school.
Dus – ik gebruik nu een uitdrukking die ook Tagore gebruikt –

blz.13

den Tagore auch gerade gebraucht – dasjenige, was Schulmisere ist, scheint allerdings schon nicht mehr bloß in Europa international zu sein, sondern das scheint heute schon die ausgebreitetste Kulturfrage zu sein. Und wir werden viel darüber zu sprechen haben, wie man es dahin bringt, daß der Lehrende, der Erziehende, Interesse zu er­wecken versteht für dasjenige, was er vorzubringen hat. – Nun möchte ich Ihnen auch ein Beispiel zeigen aus Tagores Lebenserinnerungen, wie er zurückblickt auf das Interesse, das ihm in Indien drüben sein Sprachlehrer im Englischen hat beibringen können. Er sagt: «Wenn ich an seinen Unterricht im ganzen zurückdenke, so kann ich nicht sagen, daß Aghor Babu ein harter Lehrer war. Er regierte uns nicht mit dem Rohrstock.» Also das weist bei uns natürlich in ältere, über­wundene Zeiten zurück. Daß gerade Tagore – wenn Sie die «Lebens-erinnerungen)> vornehmen, so werden Sie das sehen – so außeror­dentlich viel vom Rohrstock spricht, das muß noch auf eine primitive Kultur hinweisen. Es ist schon berechtigt, dies anzunehmen, wenn er von einem Lehrer nicht nur sagt, er sei ein leibhaftiger Rohrstock, sondern daß er sich des Rohrstockes nicht bediene. Er sagt dann wei­ter: «Selbst seine Vorwürfe wurden nie zu einem Schelten. 

wat schoolellende is, schijnt al lang niet meer internationaal in Europa te zijn, maar dat schijnt tegenwoordig al de meest uitgebreide cultuurvraag te zijn. En wij moeten er veel over praten, hoe we er toe kunnen komen dat de leraar, de opvoeder interesse weet op te wekken voor de dingen die hij doen moet. Nu zou ik u een voorbeeld willen geven uit de levensherinneringen van Tagore hoe hij terugkijkt op die interesse die in India zijn Engelse taalleraar hem bij heeft kunnen brengen. Hij zegt: ‘Wanneer ik in het algemeen aan zijn lessen terugdenk, dan kan ik niet zeggen dat Aghor Babu een strenge leerkracht was. Hij regeerde ons niet met het Spaanse riet.’ Bij ons doet dat natuurlijk terugdenken aan oudere, overwonnen tijden. Dat nu juist Tagore – wanneer je zijn ‘levensherinneringen’ ter hand neemt zul je het zien – zoveel over het ‘Spaanse rietje’ spreekt, moet nog op een primitieve cultuur terugwijzen. Je kunt het met goed recht aannemen, wanneer hij van een leraar zegt dat hij een Spaans riet in levende lijve was, maar ook dat hij geen gebruik maakte van het Spaanse riet. Verder zegt hij dan: ‘Zelfs zijn verwijten werden nooit tot schelden.’

Doch was auch seine persönlichen Vorzüge gewesen sein mögen, seine Zeit war Abend und sein Gegenstand Englisch! Ich bin sicher, daß selbst ein Engel einem jeden Bengalenknaben als ein wahrer Bote Jamas (Gott des Todes) erscheinen würde, käme er nach all dem Schulelend des Tages am Abend zu ihm und zündete eine trostlos trübe Lampe an, um ihn Englisch zu lehren.»
Na, Sie sehen ein Beispiel dafür, wie eine Zelebrität von heute da­von redet, wie sie erzogen worden ist! Aber Tagore redet auch da­von, wie das Kind schon gewisse Bedürfnisse für die Erziehung und den Unterricht mitbringe, und er deutet damit in einer ganz lebens-wirklichen Weise darauf hin, wie man demjenigen entgegenkommen soll, was eigentlich das Kind von einem verlangt, und wie das bei sei­ner Erziehung nicht der Fall war. Ich will es Ihnen überlassen, diese Dinge auf europäische Verhältnisse anzuwenden. Denn mir erscheint es ganz sympathisch, diese Dinge, die vielleicht da oder dort Anstoß erregen könnten, wenn man sie aus europäischen Verhältnissen her

Maar wat zijn persoonlijke goede eigenschappen ook geweest mogen zijn, hij kwam ’s avonds en zijn vak was Engels! Ik ben er zeker van dat zelfs een engel voor iedere Bengalenknaap als een echte ware bode van Jamas (god van de dood) zou verschijnen, wanneer die ‘s avonds na al die schoolmisère van overdag naar hem toe kwam en een troosteloos zwak lampje aanstak om hem Engels te leren.’
Nu, neemt u het als voorbeeld hoe een beroemdheid van tegenwoordig spreekt, over hoe hij opgevoed is! Maar Tagore spreekt er ook over hoe een kind al bepaalde behoeften aan opvoeding en onderwijs met zich meebrengt en hij wijst er met een realistische manier op hoe je tegemoet zou moeten komen aan wat het kind eigenlijk van je verlangt en hoe dat in zijn opvoeding niet het geval was. Ik laat het aan u over deze dingen op Europese omstandigheden toe te passen. Maar voor mij is het heel aangenaam deze dingen die misschien hier en daar ergernis kunnen veroorzaken wanneer je vanuit Europese omstandigheden vertelt,

blz. 14

erzählt, nun einmal aus asiatischen Verhältnissen heraus anzudeuten. Die europäische Anwendung kann dann jeder selber machen.
Tagore erzählt also: «Aghor Babu versuchte bisweilen, den Ze­phyr der Wissenschaft von draußen mit hereinzubringen, daß er über das dürre Einerlei unseres Schulzimmers hinstriche. Eines Tages zog er ein in Papier gewickeltes Paket aus der Tasche und sagte: ,Heute will ich euch ein wunderbares Kunstwerk des Schöpfers zeigen.’ Da­bei wickelte er das Papier auf und brachte einen menschlichen Kehl­kopf zum Vorschein, woran er uns die Wunder dieses Mechanismus auseinandersetzte.
Ich weiß noch, welchen Stoß es mir damals gab. Ich hatte immer geglaubt, der ganze Mensch spreche – hatte nie die leiseste Ahnung davon gehabt, daß man den Vorgang des Sprechens so abgetrennt be­trachten könne. Wie wunderbar auch der Mechanismus eines einzel­nen Teiles sein mag, er ist es sicher weniger als der ganze Mensch. Nicht daß ich mir dies damals so klargemacht hätte, doch es lag mei­nem ablehnenden Gefühl zugrunde. Daß der Lehrer diese Wahrheit aus den Augen verloren hatte, war wohl der Grund, weswegen der Schüler die Begeisterung nicht teilen konnte, mit der er sich über den Gegenstand erging.»

er nu eens vanuit Aziatische omstandigheden op te wijzen. Dat kan iedereen dan wel op Europa toepassen.Tagore vertelt dus: Aghor Babu probeerde van tijd tot tijd de frisse wind van wetenschap van buiten mee naar binnen te brengen, opdat die over het saaie alledaagse van onze klas heenstreek. Op een dag nam hij een in papier verpakt pakje uit zijn zak en zei: ‘Vandaag wil ik jullie een wonderbaarlijk kunstwerk van de schepper laten zien.’ Daarbij haalde hij het papier eraf en haalde een menselijke strottenhoofd te voorschijn, waarmee hij ons het wonder van dit apparaat uiteenzette. Ik weet nog wat voor een schok het mij toen gaf. Ik had steeds gedacht dat heel de mens sprak – ik had  nooit het flauwste vermoeden gehad dat je het spreken zo afgesnoerd kon beschouwen. Hoe prachtig ook het mechanische van een apart deel mag zijn, het is zeker wel minder dan de hele mens. Niet dat ik er toen zo duidelijk over dacht, maar het lag ten grondslag aan mijn afwijzende gevoel. Dat de leerkracht deze waarheid uit het oog had verloren, was misschien wel de reden dat de leerlingen zijn enthousiasme niet konden delen waarmee hij over het voorwerp sprak.’

Nun, das war der erste Stoß in bezug auf die Einführung in das menschliche Wesen selber. Es kam aber noch ein zweiter, der ärger war: «Ein andermal nahm er uns mit sich in den Seziersaal der Me­dizinschule.» Man darf schon überzeugt sein, daß da der Aghor Babu den Jungen einen ganz besonders feierlichen Tag bereiten wollte. «Die Leiche einer alten Frau lag auf dem Tische ausgestreckt. Dies störte mich nicht so sehr. Doch ein abgenommenes Bein, das auf dem Fußboden lag, brachte mich ganz aus der Fassung. Der Anblick eines Menschen in diesem fragmentarischen Zustand erschien mir so ent­setzlich, so widersinnig, daß ich den Eindruck von diesem dunklen, ausdruckslosen Bein tagelang nicht loswerden konnte.»
Sie sehen gerade an einem solchen Beispiel, wie es dem jungen Menschen ergeht, wenn er heute an den Menschen selber herange­bracht wird. Denn im Grunde genommen wird ja solches nur in die Erziehung aufgenommen, weil es eben scheint, daß es in richtiger

Nu, dat was de eerste aanzet m.b.t. de kennismaking met het wezen mens zelf.
Er kwam er nog een, die erger was: ‘Een andere keer nam hij ons mee naar de snijzaal van de school voor geneeskunde.’ Je kunt er wel vanuit gaan, dat Aghor Babu er voor de jongen een heel bijzonder feestelijke dag van wilde maken. ‘Het lijk van een oude vrouw lag op de tafel uitgestrekt. Daaraan ergerde ik mij niet zo erg. Maar een geamputeerd been dat op de grond lag, maakte me helemaal in de war. Het zien van een mens in deze fragmentarische toestand kwam mij zo verschrikkelijk voor, zo weerzinwekkend, dat ik de indruk van dit trieste, uitdrukkingsloze been dagenlang niet kwijt kon raken.’
Aan zo’n voorbeeld leer je nu hoe het met de jonge mens gaat, wanneer hij tegenwoordig met de mens zelf in aanraking gebracht wordt. Want in de grond van de zaak wordt dit alleen maar in de opvoeding opgenomen, omdat het lijkt dat het op de juiste manier vanuit het wetenschappelijke doen van

Blz.15

Weise aus dem Wissenschaftsbetrieb von heute hervorgehe. Man denkt ja selbstverständlich so aus dem Wissenschaftsbe trieb heraus, den man – Gott sei Dank, muß man schon sagen – als Lehrer aufge­nommen hat, daß es ja ganz großartig ist, wenn man nun das Spre­chen an einem Kehlkopfmodell erklären kann, oder wenn man erklä­ren kann, wie die besondere innere anatomisch-physiologische Eigen­tümlichkeit eines Beines ist. Denn im Sinne des heutigen wissen­schaftlichen Denkens und Anschauens braucht man ja den ganzen Menschen durchaus nicht. – Aber dies alles sind ja vorläufig noch nicht die Gesichtspunkte, die mich veranlassen, gerade diese Stellen aus Tagores Lebenserinnerungen anzuführen. Darüber werden wir im Laufe dieser Woche noch sprechen, nicht in Anknüpfung an Tago­re, sondern in Anknüpfung an die Sache selbst. Aber etwas anderes veranlaßt mich dazu. Das ist: wer heute Tagore betrachtet als Schrift­steller, als Dichter, der sagt sich: das ist ein hervorragender Mensch – und mit Recht. Und dieser Mann erzählt jetzt seine Lebensge­schichte und weist auf ganz schreckliche Erziehungs- und Unter­richtskunst für seine Kindheit hin. Ja, da geht einem ja ein ganz merkwürdiger Gedanke auf, der Gedanke nämlich, daß es ja dem Ta­gore gar nichts geschadet hat, daß er schlecht erzogen und unterrich­tet worden ist. Und man könnte nun meinen: es schadet ja gar nichts, wenn die Erziehung noch so schlecht ist; denn man kann ja nicht nur ein ganz leidlicher Mensch dabei werden, sondern sogar ein berühm­ter Tagore.

tegenwoordig stamt. Vanzelfsprekend denkt men zo vanuit de wetenschap, die men – god zij dank – moet je zeggen, als leraar opgenomen heeft; dat het geweldig is wanneer je het spreken aan een strottenhoofdmodel kan verklaren of wanneer je kan uitleggen hoe bijzonder de inwendige anatomisch-fysiologische eigenschappen van een been zijn. Want volgens het huidige wetenschappelijke denken en waarnemen heeft men de totale mens helemaal niet nodig. – Maar voorlopig zijn dit niet de gezichtspunten die voor mij aanleiding zijn, juist deze passages uit Tagores levensherinneringen op te voeren. Daarover zullen we in de loop van deze week nog spreken, niet in verband met Tagore, maar in verband met de zaak op zich. Iets anders geeft mij daartoe aanleiding. Dat is: wie tegenwoordig Tagore beschouwt als schrijver, als dichter, zegt, dat is een bijzonder mens – en terecht.
En deze man vertelt nu zijn levensverhaal en wijst op een heel verschrikkelijke opvoed- en onderwijskunst in zijn kindheid. Daarbij krijg je een heel merkwaardige gedachte, nl. dat het Tagore helemaal geen schade berokkend heeft dat hij slecht is opgevoed en slecht onderwijs heeft ontvangen. En nu zou je kunnen denken: het geeft helemaal niets al is de opvoeding nog zo slecht; want je kunt er niet alleen een tamelijk goed mens door worden, maar zelfs een beroemde Tagore.

Und so fühlt man sich in doppelter Beziehung eigentlich heute recht bedrängt, wenn man alles dasjenige hört, was als Reform­erziehungsimpulse gegeben wird. Auf der einen Seite sagt man sich:
Wenn man zurückblicken muß, wie man selbst so furchtbar unerzc­gen ist, woher weiß man denn, wie man es besser machen soll? Auf der anderen Seite sagt man sich: Wenn man aber doch nicht nur ein leidlicher Mensch, sondern ein berühmter Mensch werden kann, so hat doch eine solche Erziehung eigentlich nichts geschadet! Warum soll man denn soviel Mühe darauf verwenden, daß die Erziehung gut werden soll?
Sie sehen, wenn man nur so auf das Äußerliche hinsieht, so könnte es einem scheinen, daß man sich heute eigentlich doch vielleicht mit

En zo voelt het eigenlijk tegenwoordig in dubbel opzicht best lastig, wanneer je alles aanhoort wat als reformpedagogische impuls gegeven wordt. Aan de ene kant wordt gezegd: Wanneer je terug moet kijken hoe je zelf vreselijk slecht opgevoed bent, hoe weet je dan hoe je het beter moet doen? Aan de andere kant: wanneer je nu toch niet alleen een redelijk goed mens, maar ook een beroemd mens kan worden, dan heeft zo’n opvoeding toch helemaal geen kwaad gedaan? Waarom dan zoveel moeite doen om de opvoeding goed te laten zijn?
Zo zie je, wanneer je zo naar de uiterlijke dingen kijkt, dan kan het er zo uitzien dat je je heden ten dage toch eigenlijk veel meer met andere zaken

 Blz.16

anderen Dingen befassen sollte als mit Reformgedanken über Er­ziehungs- und Unterrichtswesen. Denn erstens geht einem so ein Licht darüber auf aus der eigenen schlechten Erziehung, daß man ja nichts Gescheites wissen kann, und auf der anderen Seite – die Bei­spiele des Tagore könnten natürlich verhundertfacht werden, wenn auch nicht in so außerordentlich stilvollem Format-, auf der anderen Seite wird man wiederum bedrängt von der Frage: Ja, ist es denn so außerordentlich notwendig, daß man soviel Mühe verwendet, um ein Erziehungsideal herauszufinden, da doch ein Mensch, der soviel zu schimpfen hat über seine eigene Erziehung, eben doch der Tagore geworden ist?
Wenn Anthroposophie, diese viel angefeindete Anthroposophie, auch nur so – wie manchmal Reformgedanken heute aufgenommen werden – Reformgedanken prägen würde, ich würde eigentlich ge­rade von dem Gesichtspunkte der Anthroposophie aus es gar nicht für so erheblich finden, daß nun auch Versuche unternommen werden in Erziehungs- und Unterrichtskunst. Aber Anthroposophie ist ja doch im Grunde genommen etwas ganz anderes als dasjenige, was sich die meisten Menschen heute noch von ihr vorstellen. Anthroposophie geht wirklich heute hervor aus den tiefsten Kulturbedürfnissen. 

zou moeten bezighouden dan met vernieuwingsgedachten over opvoeding en onderwijs. Want ten eerste komt iemand tot het inzicht dat je door je eigen slechte opvoeding niets verstandigs kan weten en aan de andere kant – de voorbeelden van Tagore kunnen natuurlijk verhonderdvoudigd worden, zij het niet op zo’n buitengewone stijlvolle manier – aan de andere kant krijgt je het benauwd van de vraag: ‘Maar is het dan zo strikt noodzakelijk dat je zoveel moeite doet om een opvoedingsideaal te vinden, terwijl een mens die toch zo veel te klagen heeft over zijn eigen opvoeding, dan toch maar een Tagore is geworden?
Wanneer antroposofie, deze vaak aangevallen antroposofie, ook alleen maar zo – zoals dikwijls vernieuwingsgedachten tegenwoordig opgepakt worden – reformgedachten zou formulieren, dan zou ik, juist vanuit het standpunt van de antroposofie het helemaal niet zo belangrijk vinden ook pogingen te ondernemen voor de opvoeding- en onderwijskunst. Maar antroposofie is in de grond van de zaak toch iets heel anders dan wat de meeste mensen er tegenwoordig van denken. Antroposofie komt toch echt voort uit de diepste noden van de cultuur.

Und Anthroposophie macht es nicht so wie ihre Gegner, daß sie dasjenige, was nicht gleich zu ihr gehört, in der furchtbarsten Weise verschimpft, sondern Anthroposophie will das Gute überall, wo es in der Welt vorhanden ist, anerkennen, und gründlich anerkennen. -Wie gesagt, ich will heute nur einleitungsweise zu Ihnen sprechen; dasjenige, was ich da an Behauptungen vorausnehme, das werden wir in den näch­sten Tagen schon belegt finden. – Anthroposophie macht aufmerk­sam darauf, wie großartig die Leistungen der Wissenschaft seit drei bis vier Jahrhunderten waren, wie großartig sie besonders geworden sind im Laufe des 19. Jahrhunderts. Sie erkennt diese Leistungen der Naturwissenschaft voll an.
Aber Anthroposophie muß nicht nur zu den einzelnen Leistungen der Naturwissenschaft hinblicken, sondern sie muß hinblicken zu der menschlichen Seelenverfassung, die aus der naturwissenschaftlichen Strömung der neueren Zeit sich ergibt. Da können wir nicht sagen:

En antroposofie doet niet zo als haar tegenstanders, dat wat niet meteen bij haar hoort, te verketteren, daarentegen wil antroposofie overal het goede waar dat in de wereld aanwezig is onderkennen, en fundamenteel onderkennen. Zoals gezegd, ik wil nu alleen maar bij wijze van inleiding tot u spreken; wat ik nu al als bewering naar voren breng zal ik de komende dagen onderbouwen. Antroposofie wijst erop hoe geweldig de prestaties van de wetenschap sinds drie, vier eeuwen zijn, hoe geweldig ze in het bijzonder in de loop van de 19e eeuw zijn geworden. Zij erkent de prestaties van de natuurwetenschap ten volle.
Maar antroposofie moet niet alleen kijken naar de op zichzelf staande prestaties van de natuurwetenschap, zij moet ook kijken naar de gemoedstoestand van de mens die uit de natuurwetenschappelijke stroom van de nieuwere tijd ontstaat. We kunnen niet zeggen: ja, wat gaat ons dat eigenlijk aan wat een paar

Blz.17

Ja, was geht uns dasjenige an, was einzelne naturwissenschaftlichGe­bildete heute denken; das hat ja doch für die allgemeine Menschheit keine große Bedeutung. – So können wir nicht sagen. Denn auch die­jenigen, die gar nichts von Naturwissenschaft wissen, bekommen heute die wichtigsten Grundlagen für ihre Seelenverfassung und ihre Orientierung in der Welt von den Ergebnissen der Naturwissenschaft her. Man kann geradezu behaupten: die in dieser oder jener religiö­sen Richtung orthodoxesten Menschen haben ein orthodoxes Be­kenntnis aus Tradition, aus Gewohnheit, aber ihre Orientierung in der Welt, die haben sie aus den Ergebnissen der Naturwissenschaft heraus. Die Seelenverfassung der modernen Menschheit nimmt im­mer mehr und mehr einen solchen Charakter an, der eben von der Na­turwissenschaft und ihren großartigen, nicht genug zu rühmenden Erfolgen herkommt.
Aber für diese Seelenverfas sung hat eben die Naturwissenschaft et­was Eigentümliches hervorgebracht. Sie hat den Menschen immer mehr und mehr bekanntgemacht mit der äußeren Natur, aber sie hat ihn immer mehr und mehr entfremdet seiner eigenen menschlichen Wesenheit. Denn was tun wir denn, wenn wir naturwissenschaftlich an den Menschen herangehen? Wir lernen zunächst heute in einer schon vollendeten Weise, möchte man sagen, die Grundgesetze der leblosen, der unorganischen Welt kennen.

natuurwetenschappelijk gevormde mensen tegenwoordig denken; het heeft voor de mensheid in het algemeen weinig betekenis. – Dat kunnen wij niet zeggen. Want ook degenen die helemaal niets weten van natuurwetenschap, krijgen tegenwoordig de meest fundamentele bases voor hun gemoedstoestand en hoe ze zich in de wereld moeten oriënteren door de resultaten van de natuurwetenschap. Je kunt welhaast redeneren: de in deze of gene richting meest orthodoxe mensen hebben een orthodox geloof vanuit de traditie, uit gewoonte, maar hun staan in de wereld, dat hebben ze door de resultaten van de natuurwetenschap. Het moderne menselijke gemoed neemt steeds meer van de natuurwetenschap en de grootse niet genoeg te roemen – resultaten in zich op.
Maar voor die gemoedstoestand heeft de natuurwetenschap nu ook iets merkwaardigs gebracht. Zij heeft de mens steeds meer vertrouwd gemaakt met de uiterlijke natuur, maar zij heeft hem ook steeds meer vervreemd van zijn eigen wezen. Want wat doen we eigenlijk wanneer we met natuurwetenschappelijke middelen de mens benaderen? Wij leren tegenwoordig nu al op een vervolmaakte manier, je zou kunnen zeggen, de basiswetten van de levenloze, de anorganische wereld kennen.

Dann zergliedern wir den Menschen, schauen, wie es in ihm physiologisch, chemisch zugeht, und wenden dasjenige, was wir aus dem Laboratorium wissen, auf den Menschen an. Oder aber wir betrachten andere Reiche der Na­tur, das pflanzliche, das tierische Reich. Da ist die Naturwissenschaft sich ja selbst klar darüber, daß sie keine so befriedigenden Gesetz­mäßigkeiten noch hat wie für das anorganische Reich; aber – wenig­stens in bezug auf das Tierische – wird dasjenige, was man da ge­lernt hat, auch auf den Menschen angewendet. Dadurch ist der Mensch, man kann heute schon sagen, für das populäre Bewußtsein auch nicht geworden der Mensch, der dasteht als die Krone der Erdenschöpfung, sondern er ist geworden der Schlußpunkt der Tierreihe. Man be­trachtet die Tierreihe in ihren Vollkommenheitsgraden bis hinauf zum Menschen. Man versteht bis zu einem gewissen Grade die Tiere,

Dan ontleden we de mens, kijken hoe het er bij hem fysiologisch, chemisch aan toe gaat en passen datgene toe op hem wat wij uit het laboratorium weten. Of we kijken naar andere natuurrijken – het planten-, het dierenrijk. De natuurwetenschap is zich er duidelijk bewust van, dat zij nog niet zulke bevredigende wetmatigheden heeft als die voor het anorganische rijk; maar in ieder geval met betrekking tot de dieren is dat wat men daar geleerd heeft, ook op de mens van toepassing. Daardoor is de mens, je kan tegenwoordig al zeggen voor het populaire bewustzijn, niet geworden de mens die gezien wordt als de kroon der schepping, maar die het eindpunt van een reeks dieren is. Men kijkt naar de dieren in een bepaalde opeenvolging  en hoe volmaakt die zijn tot aan de mens. Men begrijpt tot op zekere hoogte

Blz.18 

orientiert dann dasjenige um, was die Tiere haben, Knochenbau, Muskelbau, und bekommt als Schlußpunkt heraus als das höchstste­hende Tier – den Menschen.
Aber eine wirkliche Betrachtung der Menschenwesenheit ist dar­aus ja bisher noch nicht hervorgegangen. Das werden wir insbeson­dere für Einzelheiten, die uns gerade pädagogisch interessieren, ein­zusehen haben. Und man kann sagen: während für frühere Weltan­schauungen vor allen Dingen der Mensch in dem Mittelpunkt aller Anschauung gestanden hat, ist er jetzt herausgerückt, er steht nicht mehr drinnen. Er wird ja erdrückt von den geologischen Perioden, er wird erdrückt von demjenigen, was man als Evolutionslehre für die Tierreihe sagen kann. Man ist schon froh, wenn man, sagen wir, ein Gehörknöchelchen zurückführen kann auf das Quadratbein eines nied­rigerstehenden, eines noch tierischen Wesens. Es ist dies nur ein Beispiel; aber die Art und Weise, wie aus dem Menschlichen heraus seelisch-geistig des Menschen physisches Wesen organisiert wird:
das ist aus dem Gesichtsfelde herausgerückt, das ist nicht mehr da.
Und das beachtet man deshalb viel zu wenig, weil man immer ein solches Vorgehen, wie ich es gerade charakterisiert habe, als etwas ganz Selbstverständliches betrachtet. Es hat dies eben die moderne Kultur heraufgebracht. 

het dier, past dan datgene toe wat de dieren hebben: botten, spieren en men krijgt als eindpunt het hoogste dier – de mens.
Maar een realistische opvatting over het wezen mens is daar tot op heden nog niet uitgekomen. Dat moeten wij in het bijzonder voor een paar details die ons nu juist voor de pedagogie interesseren, wel inzien. Je kunt zeggen: terwijl in antieke wereldbeschouwingen nu juist de mens in het middelpunt van de waarneming stond, is hij daar nu uitgehaald, hij staat niet meer in het midden. Hij komt niet meer tot zijn recht door de geologische perioden; hij komt niet meer tot zijn recht door wat de evolutieleer over de opeenvolgende dierenreeks kan zeggen. Men is al blij wanneer men, laten we zeggen, een gehoorsbeentje terug kan voeren op een vierkantsbeen van een lager staand nog dierlijk wezen. Dit is maar een voorbeeld; maar de manier waarop, hoe vanuit de mens door ziel en geest het fysieke wezen van de mens opgebouwd wordt: dat is uit het blikveld verdwenen, dat is er niet meer.
En daarmee houdt men veel te weinig rekening omdat men steeds zo’n proces als ik zojuist heb gekarakteriseerd, als iets heel vanzelfsprekends beschouwt. Dat heeft nu juist de moderne cultuur vooruit geholpen.

Und es wäre traurig, wenn sie es nicht her-aufgebracht hätte; es ist sogar gut, daß sie es heraufgebracht hat, denn die Menschheit konnte in den früheren Vorstellungen, die vor dem naturwissenschaftlichen Zeitalter da waren, nicht fortfahren. Aber heute brauchen wir gerade im Sinne des naturwissenschaftlichen Denkens wiederum eine neue Einsicht in das Menschenwesen. Ge­rade dadurch gewinnen wir auch Einsichten in das Weltenwesen.
Ich habe oftmals versucht, klarzumachen, wie gerade vom heuti­gen, wie gesagt nicht genug zu rühmenden naturwissenschaftlichen Standpunkte aus die stärksten Illusionen dadurch hervorgerufen wer­den, daß ja dieser naturwissenschaftliche Standpunkt immer recht hat. Können wir irgendwo nachweisen, daß er unrecht hat, dann ist die Sache verhältnismäßig leicht; aber das schwierigste ist, da zurechtzu­kommen, wo er recht hat. Ich will Ihnen einmal eine Andeutung dar­über geben. Wie bekommt man heute jene Theorie heraus, die ja

En het zou treurig zijn wanneer deze niet verder zou zijn gekomen; het is juist goed dat ze verder gekomen is, want de mens kon met de oudere voorstellingen die voor het natuurwetenschappelijk tijdperk heersten, niet verder komen. Maar nu hebben we in het kader van het natuurwetenschappelijk denken weer nieuw inzicht in het wezen mens nodig. En daardoor winnen we ook aan inzicht in wat de wereld is.
Ik heb dikwijls geprobeerd te verduidelijken hoe juist vanuit de tegenwoordige, zoals gezegd, niet genoeg te roemen natuurwetenschappelijke standpunten, de grootste illusies opgeroepen worden dat deze natuurwetenschap altijd gelijk heeft. Zouden we ergens kunnen aantonen dat ze ongelijk heeft, dan is de zaak betrekkelijk eenvoudig; maar het moeilijkste is uit te komen bij waar ze gelijk heeft. Ik wil u daar iets over aanduiden. Hoe ontstaat nu die theorie  die

Blz. 19

schon Allgemeingut der gebildeten Menschen geworden ist – jene Theorie, die dann zurückführt zu der Erdenentstehung, zu der Entste­hung des Planetensystems, nach der berühmten, heute ja modifizier­ten Kant-Laplaceschen Theorie? Man geht zurück durch lange Pe­rioden. Wenn einer von 20 Millionen Jahren spricbt, so ist er eigent­lich schon ein Waisenknabe, denn andere sprechen von 200 Millionen usw. Man berechnet die Vorgänge, die gegenwärtig sich abspielen auf Erden, mit Recht -physisch kann man nichts anderes betrachten -, man betrachtet etwa, wie da oder dort sich eine Ablagerung bildet, wie eine Umwandlung oder Metamorphose sich bildet, und jetzt bil­det man sich eine Vorstellung über dasjenige, was nun in einer star­ken Weise umgewandelt ist, rechnet aus, wie lange das gebraucht haben muß. Zum Beispiel: wenn der Niagara soundso lange über die unter ihm liegenden Steine fällt und man berechnen kann, wieviel er abschabt, so kann man an einer anderen Stelle, wo mehr abge­schabt ist, durch eine bloße Multiplikation, die ganz richtig ist, 20 Millionen Jahre herausbekommen. Und so kann man von dem jetzi­gen Gesichtspunkte ausgehen und kann so für die Zukunft ausrech­nen, wann die Erde in den berühmten Wärmetod übergehen wird, usw. Ja, aber sehen Sie, dieselbe Rechnung könnten Sie nämlich auch anders anstellen.

al gemeengoed is geworden onder de ontwikkelde mens – die theorie die teruggaat naar het ontstaan van de aarde, het ontstaan van het planetensysteem; naar de beroemde, nu wel aangepaste theorie van Kant-Laplace?* Men gaat lange perioden terug in de tijd. Wanneer iemand over 20 miljoen jaar spreekt dan is hij eigenlijk maar een kleine jongen, want andere spreken over 200 miljoen jaar, enz. Men berekent de processen die zich tegenwoordig op aarde afspelen en terecht – fysiek kan men naar niets anders kijken – men bekijkt hoe hier of daar zich een afzetting vormt en nu maakt men zich een voorstelling over wat er in sterke mate veranderd is, en rekent uit hoeveel tijd dat nodig gehad moet hebben. Bv. wanneer de Niagara zo lang al op de stenen beneden neervalt en men kan berekenen hoeveel hij daarbij afslijpt, dan kan men op een andere plaats, waar er meer afgeschuurd is, enkel en alleen door een  vermenigvuldiging die helemaal goed is, op 20 miljoen jaar komen. En zo kan men van het huidige standpunt uitgaan en voor de toekomst uitrekenen wanneer de aarde aan de beroemde warmtedood ten onder zal gaan, enz. Maar, ziet u, dezelfde berekening zou je ook anders kunnen uitvoeren.

Beobachten Sie einmal von Jahr zu Jahr das mensch­liche Herz, wie es sich verändert. Notieren Sie diese Veränderung, und Sie können, indem Sie richtig ausrechnen, nun sich die Frage stellen, die ganz und gar einer richtigen Methode entspricht und nach dem Muster der geologischen Methode gebaut sein könnte, wie das menschliche Herz vor 300 Jahren ausgesehen hat und wie es nach 300 Jahren aussehen wird. Die Rechnung wird absolut stimmen, es ist nichts dagegen zu sagen. Wenn man eine mittlere Zeit des Men­schen, so um das 85. Jahr, nimmt, wird man einen langen Zeitraum ge­winnen, durch den das menschliche Herz gegangen sein könnte. Nur eine Kleinigkeit ist übersehen worden: das menschliche Herz hat vor 300 Jahren noch nicht bestanden und wird nach 800 Jahren auch nicht mehr bestehen. Also die Rechnung ist absolut richtig, aber wirklich­keitsgemäß ist die Sache nicht. – Wir sind eben heute in unserem in­tellektualistischen Zeitalter zu sehr aus auf das Richtige und haben

Kijk eens naar het hart van de mens, hoe dat verandert. Schrijft u die verandering op en u kunt nu wanneer u het juist uitrekent zich de vraag stellen die in overeenstemming is met een juiste methode en volgens het voorbeeld van de geologische methode opgebouwd kan zijn, hoe het hart van de mens er 300 jaar geleden uitzag en hoe het er over 300 jaar uit zal zien. De berekening zal absoluut kloppen daar is niets tegen in te brengen. Wanneer je de leeftijd van de mens neemt op ongeveer de helft, 35 jaar, dan krijg je een lange tijdsduur waar het menselijke hart doorheen heeft kunnen gaan. Maar een detail is over het hoofd gezien: het hart van die mens bestond 300 jaar geleden niet en zal er over 300 jaar ook niet meer zijn. Dus de berekening is absoluut goed uitgevoerd, maar de zaak is niet in overeenstemming met de realiteit. –Wij zijn nu eenmaal tegenwoordig in ons intellectualistische tijdperk te zeer op het juiste uit en we hebben de gewoonte losgelaten

*Kant-Laplacesche Tbeorie: Uit Kants »Naturgeschichte und Theorie des Himmels» (1755) de daarin vastgelegde  »Nebularhypothese» en uit »Exposition du systeme du monde» (1796) van Laplace.
.

Blz. 20

uns ganz abgewöhnt, daß alles dasjenige, was wir im Leben erfassen müssen, nicht nur logisch richtig sein muß, sondern auch wirklichkeits­gemäß sein muß.
Dieser Begriff wird uns noch manchmal auftauchen im Laufe dieser Woche. Aber manchmal ist es auch so, daß mancherlei ganz aus den Augen verloren wird, wenn man heute richtige Theorien aufbaut. Haben Sie es denn nicht erlebt – ich will nicht sagen, daß Sie es selber gemacht haben, denn die Anwesenden sind ja immer ausgeschlossen von den Dingen, die man nicht gerade in sympathischerWeise sagt-, haben Sie es nicht erlebt, daß die Umdrehung der Planeten um ihren Zentralkörper, die Sonne, recht anschaulich vorgeführt wird schon in der Schule, dadurch daß man ein Kartenblättchen nimmt, es kreisför­mig zuschneidet, es durchschiebt durch einen Öltropfen, eine Steck­nadel hindurchsteckt, es vom Wasser tragen läßt und das ins Rotieren bringt. Dann spalten sich die kleinen Planetchen, die Ölplanetchen, ab, und man fabriziert ein wunderschönes Miniaturplanetensystem. Die Sache ist jetzt «bewiesen», selbstverständlich.

dat alles wat we in het leven moeten begrijpen, niet alleen maar logisch juist moet zijn, maar ook in overeenstemming met de werkelijkheid.
Dit begrip zal in de loop van deze week nog vaak opduiken. Maar dikwijls is het ook zo dat heel veel uit het oog wordt verloren, wanneer men tegenwoordig juiste theorieën formuleert.
Hebt u het dan zelf niet meegemaakt – ik wil niet zeggen dat u het zelf hebt gedaan, want de aanwezigen zijn altijd uitgesloten van de dingen die men nu bepaald niet op sympathieke manier zegt – hebt u het dan niet meegemaakt dat de draaiing van de planeten om het centrale lichaam, de zon, heel aanschouwelijk werd gemaakt, op school al, doordat men een kaartje neemt, het rond knipt, het door een druppel olie haalt, een naald erdoorheen steekt, het door water laat dragen en het aan het draaien brengt. Dan splitsen de kleine planeetjes zich af, de olieplaneetjes en men fabriceert een wondermooi planetensysteem. De zaak is nu ‘bewezen’, vanzelfsprekend.

Nun, es ist bei Dingen der moralischen Weltordnung sehr schön, wenn der Mensch sich selbst vergißt, aber bei wissenschaftlichen Versuchen ist eben die erste Grundlage zum Schaffen eines Wirklichkeitsgemäßen, daß man keine Bedingung vergißt – und die wichtigste Bedingung dazu, daß da etwas geworden ist, ist doch der Herr Lehrer, der die Stecknadel umdreht! Sie dürfen also dies nur dann zur Hypothese ausgestalten, wenn Sie annehmen, daß ein riesiger Herr Lehrer an einer großen Weltenstecknadel die Geschichte herumgedreht hat; sonst dürfen Sie die Hypothese gar nicht ausführen.
Und so stecken gerade in dem Richtigsten, was heute aus der na­turwissenschaftlichen Weltanschauung herauskommt, was in sich, in seiner eigenen Methode gar nicht anfechtbar ist, ungeheuer viele Ele­mente einer unwirklichkeitsgemäßen Seelenverfassung, die eben ein­fach in die Schule hineingetragen werden. Denn wie könnte man denn anders? Man geht ja natürlich durch die Bildung der Zeit hindurch! Das ist ja auch ganz richtig. Aber setzt man sich nun her über eine solche geologische Rechnung, über einen solchen astronomischen Vergleich, studiert man die Sache, ja, dann stimmt alles. Man staunt

Welnu, bij zaken van de morele wereldorde is het goed wanneer de mens zichzelf wegcijfert, maar bij wetenschappelijk onderzoek is het eerste grondbeginsel om iets te berde te brengen wat in overeenstemming is met de realiteit, dat men geen voorwaarde vergeet – en de belangrijkste voorwaarde dat hier iets tot stand is gekomen, is toch mijnheer de leraar, die de naald draait! U mag dus dit alleen maar als hypothese vormgeven, wanneer u accepteert dat er een reuze mijnheer de leraar aan een grote wereldnaald gedraaid heeft; anders mag u die hypothese helemaal niet opstellen.
En zo zitten nou precies in wat als het juiste wordt gezien wat tegenwoordig uit de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing komt, wat op zich, vanuit de eigen methode helemaal niet aanvechtbaar is, heel veel elementen van een geestesgesteldheid die niet in overeenstemming is met de werkelijkheid; die toch de school binnen komt. Want wat zou je ook anders moeten? Je maakt natuurlijk die actuele ontwikkeling mee. Dat is helemaal oké. Je buigt je over zo’n geologische berekening, over zo’n astronomische vergelijking, je bestudeert de zaak en dan klopt alles. Je kunt je vaak verbazen over zoiets wat

Blz. 21

manchmal nur über das ungeheuer Geistreiche; es ist alles richtig, was man da tut – aber es führt von der Wirklichkeit ab! Wenn wir aber Menschen erziehen wollen, so dürfen wir nicht von der Wirk­lichkeit abkommen; denn dann steht ja die Wirklichkeit vor uns, dann müssen wir an den Menschen selber herankommen. Aber in einem gewissen Sinne ist auch schon in das Denken über Erziehungs- und Unterrichtspraxis dieses Nichtherankommenkönnen an den Menschen eingedrungen. Ich möchte es Ihnen an einem Beispiel zeigen. Sehen Sie, wenn man einen Jungen oder ein Mädchen zu erziehen hat, so er­gibt sich ja: eines ist für das eine besonders begabt, für das andere weniger begabt. Sie kennen wahrscheinlich alle diese Dinge, die heute über diese Sache in der Pädagogik gelehrt werden, ich führe sie nur an, damit wir uns verständigen können. Man findet also verschiedene Begabungen. Nun, wie nähert man sich heute diesen Begabungen ge­rade da, wo, möchte ich sagen, das wissenschaftliche Denken am mei­sten vorgeschritten ist? Sie wissen ja alle aus Ihrer Lektüre der päd­agogischen Literatur: man nähert sich ihnen durch die sogenannte Korrelationsmethode. Man bildet sich da den Korrelationskoeffi­zienten, wie man sagt. 

ongelooflijk geestrijk is; wat men doet klopt allemaal – maar het leidt af van de werkelijkheid! Wanneer we echter mensen willen opvoeden, dan moeten we niet van de werkelijkheid afwijken; want dan staat de werkelijkheid voor ons, dan moeten we de mens zelf benaderen. Maar in zekere zin is ook al in het denken over opvoeding- en de onderwijspraktijk iets binnengedrongen waardoor men de mens niet benaderen kan. Dat zou ik u aan een voorbeeld willen laten zien. Kijk, wanneer je een jongen of een meisje moet opvoeden, dan blijkt: de een heeft een talent voor dit, maar voor iets anders minder. Je weet waarschijnlijk al deze dingen wel die je in de pedagogiek leert; ik breng ze alleen maar te berde opdat wij elkaar begrijpen. Je hebt dus verschillende vormen van aanleg. Wel, hoe gaan we tegenwoordig met deze aanleg om, daar waar zich het wetenschappelijke denken het meest ontwikkeld heeft. U weet allemaal wel uit de pedagogische literatuur: men benadert deze vanuit de zogenaamde correlatiemethode.

Nämlich man setzt, wenn zwei Begabungen sich immer zusammenfinden, was nie eine Ausnahme ist, den Korrela­tionskoeffizienten für diese zwei Begabungen mit 1 an. Eigentlich gibt es ja das nicht, aber es ist eben eine Annahme. Wenn zwei Bega­bungen ganz unverträglich miteinander wären, dann setzt man diese Tatsache an mit dem Korrelationskoeffizienten Null. Und nach die­ser Methode prüft man nun, wie die einzelnen Begabungen der Kin­der zusammenstimmen. Man findet zum Beispiel, daß Zeichnen und Schreiben den Korrelationskoeffizienten, sagen wir 0′ 70 haben. Das heißt, es kommt bei weit über die Hälfte der Kinder hinaus vor, daß, wenn eins unter ihnen Begabungen für das Zeichnen hat, es auch Begabung für das Schreiben hat. Man sucht solche Korrelationsko­effizienten für andere Verhältnisse zwischen den Begabungen – sagen wir für den Schreibunterricht und den Unterricht in der Mutterspra­che; da ist der Korrelationskoeffizient 0′ 54. Dann sucht man den Korrelationskoeffizienten, sagen wir für Rechnen und Schreiben, und findet 0′ 20, für Rechnen und Zeichnen 0′ 19 usw. Also Rechnen und

De correlatiecoëfficiënt wordt gemaakt, zoals men zegt. Dat gaat zo: wanneer steeds twee talenten samengaan, wat geen uitzondering is, geeft men de correlatiecoëfficiënt het cijfer 1. Eigenlijk bestaat dat niet, maar we gaan er vanuit. Wanneer er twee talenten zijn die elkaar niet verdragen, geeft men dit aan met cc. 0. En volgens deze methode onderzoekt men nu, hoe de individuele talenten van de kinderen met elkaar overeenstemmen. Dan vindt men bv. dat tekenen en schrijven de cc. van, laten we zeggen 0’70 hebben. Dat betekent dat het bij meer dan de helft van de kinderen voorkomt, dat wanneer er één onder hen is met aanleg voor tekenen, het ook aanleg heeft voor schrijven. Men zoekt deze cc. voor andere verhoudingen tussen aanleg – laten we zeggen voor de schrijfles en de taalles; de cc. is bv. 0’54. Dan zoekt men de cc.’s voor rekenen en schrijven en vindt 0’20; voor rekenen en tekenen 0’19 enz.

Blz. 22

Zeichnen ist am wenigsten beieinander, Schreiben und Zeichnen ist am meisten beieinander. Die Begabung für die Muttersprache, für das Zeichnen, die ist ungefähr bei der Hälfte der Schüler, die man hat, beieinander.
Ja, sehen Sie, es soll hier gar nicht das geringste eingewendet wer­den gegen die Berechtigung solcher Untersuchungen auf dem Felde der Wissenschaft. Man wäre selbstverständlich auf ganz falscher Fährte, wenn man etwa jetzt sagen würde: so etwas solle nicht unter­sucht werden. Diese Dinge sind ja natürlich außerordentlich interes­sant. Und ich richte mich nicht im mindesten gegen experimentelle oder statistische Methoden in der Psychologie. Aber wenn nun das angewendet werden soll unmittelbar in der Erziehungs und Unter­richtspraxis, so kommt das einem doch gerade so vor, wie wenn man einen zum Maler machen will und ihn nicht darauf verweist, daß er nun mit Farben hantiert, und ihn je nach seiner Individualität in das Behandeln der Farben hineinbringt, sondern ihm sagt: Sieh einmal, da hast du ein schönes Lehrbuch der Ästhetik, lies da das Kapitel über das Malen durch, dann wirst du schon ein Maler werden. – Mir hat einmal ein ganz berühmter Maler in München etwas erzählt, ich habe das bei anderen Gelegenheiten öfter erwähnt:

Dus rekenen en tekenen ligt het minst bij elkaar, schrijven en tekenen het meest. De aanleg voor taal en tekenen zie je bij ongeveer de helft van de leerlingen. Kijk, het is niet de bedoeling dat er ook maar het minste aangevoerd wordt tegen de juistheid van deze onderzoeken op het gebied van de wetenschap. Je zou vanzelfsprekend op een verkeerd spoor lopen wanneer je iets zou zeggen als: dit hoeft niet onderzocht te worden. Deze dingen zijn nu eenmaal buitengewoon interessant. En ik heb niet het minst tegen experimentele of statistische methoden in de psychologie.

Maar wanneer je dit nu direct moet toepassen in de praktijk van opvoeden en leren, dan lijkt het er toch op dat wanneer je iemand wil opleiden tot schilder je hem er niet toe aanzet om met kleur om te gaan, maar in plaats daarvan zegt: ‘Kijk eens, hier heb je een mooi boek over schoonheid, lees het hoofdstuk over schilderen eens door, dan word je schilder.’

Er war eben in der Malschule; da war der berühmte Ästhetiker Carriere, der in Mün­chen Ästhetik vortrug. Die Mal schüler gingen einmal zu diesem Wis­senschafter, der auch über Malerei sprach. Aber nicht öfter als ein­mal gingen sie hin, denn sie sagten von diesem berühmten Ästheten, er wäre «der ästhetische Wonnegrunzer ». – So kommt es einem auch vor, wenn man aus den vorerwähnten Angaben nun irgend etwas für die Erziehungs- und Unterrichtspraxis gewinnen soll. Als wissen­schaftliches Resultat ist das ja alles ganz interessant, aber für die Handhabung der Erziehung und des Unterrichts ist doch etwas ande­res notwendig. Da ist zum Beispiel notwendig, daß man in das menschliche Wesen so tief eindringt, daß man weiß, aus welchen in­neren Funktionen die Zeichnen-Geschicklichkeit und die Schreib-Ge-schicklichkeit herauskommt, und aus welchen wiederum die Ge­schicklichkeit, die Fähigkeit für die Muttersprache herauskommt. Es gehört die lebendige Anschauung des Menschenwesens dazu, um darauf

Een heel beroemd schilder heeft mij in München eens verteld – ik heb het al eens vaker gezegd: het gebeurde op de schilderschool; daar was de beroemde estheticus Carriere*, die in München esthetiek doceerde. Nu gingen de schilderstudenten eens naar deze wetenschapper toe, die ook over het schilderen sprak. Maar ze gingen maar één keer, want, zeiden ze over deze beroemde estheticus, dat is een ‘esthetische zwijmelaar’. Daar lijkt het op wanneer je uit wat ik hierboven aanhaalde, iets zou moeten halen voor de praktijk van opvoeding en onderwijs. Als wetenschappelijk resultaat is het allemaal heel interessant, maar om op te voeden en les te geven is toch wel wat anders nodig. Wat bv. nodig is, is dat je zo diep tot het mensenwezen doordringt, dat je weet uit welke innerlijke functies het kunnen tekenen komt en uit welke het vermogen van de moedertaal. Je hebt een levendige manier van naar

*Moritz Carriere, 1817-1895. Filosoof en estheticus «Ästhetik» 1859
.

Blz. 23

zu kommen, wie aus dem Kinde herausfiießt diese besondere Fä­higkeit zum Zeichnen, die besondere Fähigkeit, sich in die Mutter­sprache hineinzufinden usw. Dann braucht man solche Zahlen nicht, sondern dann hält man sich an dasjenige, was einem das Kind selber gibt. Dann sind einem höchstens solche Zahlen hinterher eine ganz interessante Bestätigung. Sie haben daher auch durchaus ihren Wert, aber aus ihnen unterrichten und erziehen lernen wollen, das weist bloß darauf hin, wie weit wir uns vom Menschenwesen in der Er­kenntnis entfernt haben.
Wir wollen das Menschenwesen statistisch fassen. Das hat auf ge­wissen Gebieten sein Gutes. Wir können das Menschenwesen wis­senschaftlich statistisch fassen, aber in das Wesen dringen wir da­durch nicht hinein. Denken Sie nur einmal, wieviel die Statistik hilft auf einem gewissen Gebiet, wo sie ganz lebensvoll angewendet werden kann: dem Versicherungswesen. Wenn ich mich heute versichern will, werde ich nach meinem Alter gefragt, auf meine Gesundheit ge­prüft. Da kann man sehr schön ausrechnen, wieviel man an Versiche­rungsquote zu zahlen hat, wenn man noch jung ist oder ein alter Kerl ist. Da rechnet man ja die wahrscheinliche Lebensdauer, und diese Lebensdauer stimmt durchaus ganz richtig für die Bedürfnisse des Versicherungswesens.

de mens kijken nodig om erachter te komen hoe vanuit het kind  een bijzondere aanleg voor tekenen naar buiten komt, een bijzondere aanleg voor de taal. En dan heb je die getallen niet nodig, dan houd je je aan wat het kind jou geeft. Dan zijn die getallen achteraf hooguit een heel interessante bevestiging. Ze zijn daarom wel wat waard, maar erdoor te willen leren opvoeden en onderwijzen wijst er al op hoe ver wij ons op het gebied van kennis, van het wezen mens hebben vervreemd. Wij willen het wezen mens statistisch begrijpen. Dat heeft op bepaalde gebieden iets goeds. Wij kunnen de mens wetenschappelijk statistisch begrijpen, maar het wezenlijke bereiken we daarmee niet.
Denk eens in hoeveel de statistiek van nut is op een bepaald terrein, waar ze realistisch gebruikt kan worden: in het verzekeringswezen. Wanneer ik mij tegenwoordig wil verzekeren, vraag men naar mijn leeftijd, wordt mijn gezondheid onderzocht. Dan kun je heel mooi uitrekenen hoeveel je aan verzekeringspremie moet betalen wanneer je nog jong bent of een oude kerel. Men rekent de waarschijnlijke levensduur uit en deze leeftijd klopt heel goed voor wat de verzekering nodig heeft.

Aber wenn Sie sich nun versichert haben, sa­gen wir für 20 Jahre noch im 37. Jahre, werden Sie sich jetzt ver­pflichtet fühlen, mit 57 Jahren zu sterben, weil das Ausgerechnete ganz richtig ist? Es ist eben durchaus etwas anderes, ans Leben un­mittelbar heranzutreten, oder logisch richtige Erwägungen anzustel­len, die für ein gewisses Gebiet sehr segensreich sein können.
Beim Schreiben und Zeichnen handelt es sich zum Beispiel darum:
Wenn man die Versuche anstellt gerade bei Kindern, die ins schul­pflichtige Alter gekommen sind, so sind diese Kinder – wir werden dann von den Lebensaltern eben zu sprechen haben im Verlauf dieser Vorträge – eingetreten in das Alter ungefähr, in dem sie den Zahn-wechsel durchmachen. Nun werden wir im weiteren Verlauf der Vor­träge hören, daß wir alle Erziehung gliedern müssen nach den haupt­sächlichsten drei Lebensaltern des heranwachsenden Menschen: dem Lebensalter von der Geburt bis zum Zahnwechsel, dem Lebensalter

Maar wanneer je je nu verzekerd hebt, laten we zeggen op 37- jarige leeftijd voor 20 jaar, zou je je dan verplicht voelen om op je 57ste dood te gaan, omdat de berekening klopt? Het is toch beslist iets heel anders of je nu direct met het leven te maken hebt of dat je logisch juiste overwegingen maakt die op een bepaald terrein heel vruchtbaar kunnen zijn.
Bij schrijven en tekenen gaat het er bv. om: wanneer je onderzoek doet bij kinderen die leerplichtig zijn geworden, dat dit kinderen zijn – wij zullen in het verloop van deze voordrachten over de leeftijdsfasen moeten spreken –die ongeveer op de leeftijd zijn dat ze hun tanden wisselen. Nu zullen we in de loop van de verdere voordrachten horen, dat we heel de opvoeding moeten indelen in de drie belangrijkste drie levensfasen van de opgroeiende mens: die van geboorte tot tandenwisseling, die van tandenwisseling tot puberteit en de

Blz. 24

vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife und dem Lebensalter nach der Geschlechtsreife, und daß wir studieren mussen im einzelnen, wie sich der Mensch in diesen drei Lebensepochen verhält.
Nehmen wir diesen Fall mit dem Schreiben und Zeichnen. Ja, weil man so gut die drei Reiche der Natur studiert hat und alles, was man dort studiert hat, auf den Menschen anwendet, so kommt es einem vor: man begreift den Menschen, wenn man das alles anwenden kann, wenn man gewissermaßen über den Menschen ebenso denken kann, wie man es gelernt hat zu denken über die drei Reiche der Natur. Aber wenn man direkt an den Menschen herangeht, so findet man folgendes. – Man muß nur den Mut haben, den Menschen wirklich ebenso zu betrachten, wie man die äußere Natur betrachtet; die ge­genwärtige Weltauffassung hat eben nur den Mut, die äußere Natur zu betrachten, aber sie hat nicht den Mut, den Menschen ebenso zu betrachten, wie sie die äußere Natur betrachtet.
Schauen wir uns einmal an, wie das Kind sich entwickelt bis zum Zahnwech sel hin: es wechselt die Zähne. Sie wissen, es ist das Wech­seIn der Zähne – ein folgendes Wechseln der einzelnen Zähne kommt ja nicht in Betracht – im normalen Menschenleben das letzte Ereignis im irdischen Dasein; ein gleiches findet sich nicht mehr bis zum Tode.

leeftijd daarna en dat we apart moeten bestuderen hoe het gedrag van de mens in deze drie leeftijdsfasen is.
Nemen we het geval met het schrijven en tekenen. Omdat men dus zo goed de drie natuurrijken bestudeerd heeft en alles wat men bestudeerd heeft past men op de mens toe, dan lijkt het: men begrijpt de mens wanneer men dit allemaal kan toepassen, wanneer men in zekere zin over de mens net zo denken kan zoals men geleerd heeft te denken over de drie natuurrijken. Maar wanneer je je eerst op de mens richt, vind je het volgende. Je moet alleen de moed hebben om de mens net zo te beschouwen als je de natuur buiten ons bekijkt; de wereldbeschouwing van nu heeft wel de moed om de uiterlijke natuur te bekijken, maar niet de moed om de mens net zo te bekijken als  de uiterlijke natuur.
Kijken we naar het kind, hoe het zich ontwikkelt tot aan de tandenwisseling: het wisselt de tanden. U weet het tandenwisselen – er komt niet nog eens een tandenwisseling van elke tand – is in een normaal mensenleven in dit aardse bestaan de laatste keer; iets soortgelijks vindt tot aan de dood niet meer plaats.

Nun werden Sie, wenn Sie eine ebensolche Empfindung haben, wie sie da der Tagore gegenüber dem abgeschnittenen Bein des Men­schen hat, sich sagen: Dasjenige, was da die zweiten Zähne heraus-arbeitet, das sitzt nicht etwa bloß in den Kiefern, sondern das sitzt im ganzen Menschen. Im ganzen Menschen ist bis ungefähr zum 7. Jahre etwas, was in ihm drinnensitzt, und was sich wie in einem Schluß-punkt äußert, möchte man sagen, beim Wechseln der Zähne. In der ursprünglichen Form, in der es vorhanden ist im menschlichen Orga­nismus, ist es bis zum 7. Jahre da; später ist es so nicht mehr vor­handen.
Nun haben wir heute den Mut, zum Beispiel in der Physik zu sa­gen: Es gibt latente Wärme, es gibt freie Wärme. Irgendeine Wärme ist gebunden, man kann dieselbe nicht mit dem Thermometer bestim­men; durch irgendeinen Vorgang wird sie frei, nun kann man sie mit dem Thermometer bestimmen. – Diesen Mut haben wir gegenüber

Nu zult je, wanneer je net zo’n gewaarwording hebt als Tagore bij het geamputeerde been, zeggen: wat het ontstaan van de blijvende tanden bewerkt, bevindt zich niet alleen in de kaken, maar dit zit in de hele mens. Je zou kunnen zeggen: in de hele mens zit tot ongeveer het 7e jaar iets wat tot uiting komt in een afsluiting, bij de tandenwisseling. In zijn oorspronkelijke vorm waarin het in de mens aanwezig is, zit het tot het zevende jaar; later is het niet meer in deze vorm voorhanden.
Nu hebben we tegenwoordig de moed om bv. in de natuurkunde te zeggen: er bestaat latente warmte en er bestaat vrije warmte. Een bepaalde warmte is gebonden, die kun je met de thermometer niet bepalen; op de een of andere manier komt ze vrij en nu kun je ze wel meten. Deze moed hebben wij bij

Blz. 25

den äußeren Naturerscheinungen. Gegenüber dem Menschen haben wir diesen Mut nicht, sonst würden wir sagen: Dasjenige, was da im Menschen war bis zum 7. Jahr, was dann im Zahnwechsel herausge­kommen ist, das war gebunden an seinen Organismus – es kommt ja auch in der anderen Knochenbildung zum Ausdruck -, dann wird es frei und erscheint in einer anderen Gestalt, als innere, als seelische Eigenschaften des Kindes. Es sind dieselben Kräfte, mit denen das Kind an seinem Organismus gearbeitet hat. – Man muß den Mut ha­ben, den Menschen erkenntnismäßig ebenso zu betrachten, wie man die Natur erkenntnismäßig betrachtet. Die heutige Naturwissen­schaft betrachtet den Menschen nicht so wie die Natur, sondern sie betrachtet die Natur, getraut sich aber an den Menschen nicht heran mit denselben Methoden. Wenn wir uns aber nun das sagen, dann werden wir hingelenkt auf alles das, was Knochiges im Menschen ist, was gewissermaßen die menschliche Gestalt erhärtet und ihr Halt gibt. – Nun, so weit könnte ja zur Not auch noch die gewöhnliche Physiologie gehen, und sie wird so weit gehen, wenn sie es auch heute iioch nicht will. Gerade die wichtigsten Wissenschaften sind heute in Umbildung begriffen, und sie werden noch Wege gehen, wie ich sie eben angedeutet habe. Aber es kommt jetzt etwas anderes

uiterlijke natuurverschijnselen. Bij de mens hebben wij deze moed niet, want anders zouden we zeggen: wat tot een jaar of 7 in de mens aanwezig was, is met de tandenwisseling naar buiten gekomen; het was gebonden aan zijn organisme – dat komt ook tot uitdrukking in de bouw van botten – maar dan komt dat vrij en verschijnt in een andere vorm, nu als innerlijke, als zieleneigenschappen van het kind. Het zijn dezelfde krachten waarmee het kind aan zijn organisme gewerkt heeft. Je moet de moed hebben de mens via de kennis net zo te bekijken als je de natuur via de kennis bekijkt. De huidige natuurwetenschap bekijkt de mens niet zoals de natuur, ze bekijkt de natuur, maar durft het niet aan met dezelfde methoden de mens te bekijken.
Wanneer wij dit zeggen dan moeten wij wel kijken naar alles wat botachtig is aan de mens, wat in zekere zin de menselijke gestalte hard maakt en steun geeft. Nu, zo ver zou desnoods ook de gewone fysiologie kunnen gaan en die zal zo ver gaan, ook al wil ze dit vandaag de dag nog niet. Juist de belangrijkste wetenschappen zijn nu aan het veranderen en ze zullen nog wegen inslaan, zoals ik die net aangeduid heb. Maar er komt nog wat anders bij.

GA 306 blz.25

dazu. Sehen Sie, wir treiben im späteren Leben auch seelisch mancher­lei. Wir treiben zum Beispiel die Geometrie. Man hat heute in unse­rem abstrakt-intellektualistischen Zeitalter die Vorstellung: – neh­men wir etwas ganz Einfaches – die drei Raumesdimensionen, die schweben so irgendwo in der Luft. Es sind halt drei aufeinander senkrecht

We doen in het verdere leven ook nog van alles met gevoel. We doen bv. meetkunde. Men heeft tegenwoordig in onze abstract-intellectualistische tijd de voorstelling – laten we iets eenvoudigs nemen – van de drie ruimterichtingen, die zweven daar ergens in de lucht. Het zijn nu eenmaal drie  loodrecht op elkaar staande lijnen die

Blz. 26

stehende Linien, die bis ins Unendliche gedacht werden. Das kann man natürlich durch Abstraktion nach und nach so gewinnen, aber erlebt ist das nicht. Erlebt will die Dreidimensionalität aber auch werden; und sie wird erlebt noch im Unbewußten, wenn das Kind lernt aus dem ungeschickt kriechenden Zustand, wo es überall die Balance verliert, sich aufzurichten und mit der Welt ins Gleichge­wicht zu kommen. Da ist konkret die Dreidimensionalität vorhanden. Da können wir nicht drei Linien in den Raum zeichnen, sondern da ist eine Linie, die mit der aufrechten Körperachse zusammenfällt, die wir prüfen, wenn wir schlafen und liegen und nicht drin sind, die wir auch als wichtigstes Unterscheidungsmerkmal vom Tier haben, das ja seine Rückenmarkslinie parallel der Erde hat, während wir eine aufrechte Rückenmarkslinie haben. Die zweite Dimension ist dieje­nige, die wir unbewußt gewinnen, wenn wir die Arme ausstrecken. Die dritte Dimension ist die, die von vorne nach hinten geht. In Wahrheit sind die drei Dimensionen konkret erlebt: oben, unten; rechts, links; vorne, hinten. Und was in der Geometrie angewendet wird, ist Abstraktion. Der Mensch erlebt das, was er in den geome­trischen Figuren darstellt, an sich, aber nur in dem Lebensalter, das noch viel Unbewußtes, halb Träumerisches hat; dann wird es später heraufgehoben, und es nimmt sich abstrakt aus.

tot in het oneindige gedacht kunnen worden. Dat kun je natuurlijk door abstractie eruit krijgen, maar doorleefd is dat niet. Maar de drie dimensies wil je ook ervaren; en ze worden ervaren, onbewust nog, wanneer het kind leert uit de situatie van onhandig kruipen waarbij het overal zijn evenwicht verliest, te gaan staan en met de wereld in evenwicht te komen. Daar zijn de drie dimensies bij aanwezig. Dan kun je geen drie lijnen in de lucht tekenen, maar daar heb je een lijn die met de rechtopgaande lichaamsas samenvalt, die we merken, wanneer we slapen en liggen en ons daarin niet bevinden, die we ook hebben als het belangrijkste verschil met het dier dat zijn ruggengraat parallel aan de aarde heeft, terwijl de onze verticaal is. De tweede dimensie die wij onbewust ons eigen maken is die waarbij we de armen uitstrekken. De derde ruimterichting gaat van voor naar achter. De drie richtingen zijn nu echt concreet ervaren: boven-onder; rechts-links; voor-achter. En wat in de meetkunde gedaan wordt, is abstract. De mens beleeft in zichzelf wat hij in meetkundige figuren beschrijft, maar wel op de leeftijd die nog erg onbewust, half dromend verloopt; later komt dat er dan uit en wordt abstract.

Nun ist mit dem Zahnwechsel gerade dasjenige befestigt, was dem Menschen Halt gibt, innerlichen Halt. Von dem Lebenspunkte an, wo das Kind sich aufrichtet, bis zu dem Lebenspunkte, wo es jene in­nere Verhärtung durchmacht, die im Zahnwechsel liegt, probiert das Kind im Unbewußten an seinem eigenen Körper die Geometrie, das Zeichnen. Jetzt wird das seelisch; gerade mit dem Zahnwechsel wird es seelisch. Und wir haben auf der einen Seite das Physiologische, haben gewissermaßen – wie sich bei einer Lösung, wenn wir sie er­kalten, ein Bodensatz bilden kann und das andere dadurch um so hel­ler wird – das Harte in uns gebildet, unser eigenes verstärktes Kno­chensystein, wie den Bodensatz; auf der anderen Seite ist das Seeli­sche zurückgeblieben und ist Geometrie, Zeichnen usw. geworden. Wir sehen herausströmen aus dem Menschen die seelischen Eigen­schaften. Und denken Sie doch nur, was das für ein Interesse an dem

Met de tandenwisseling wordt nu juist sterker wat de mens steun geeft, innerlijke steun. Vanaf het tijdstip in het leven waarop het kind gaat staan tot het tijdstip waarop het die innerlijke verharding doormaakt die samengaat met de tandenwisseling, oefent het kind onbewust aan zijn eigen lichaam meetkunde, het tekenen. Dat komt nu in het gevoel; juist met de tandenwisseling wordt het iets van de ziel. En we hebben dan enerzijds het fysiologische, in zekere zin krijgen we net als bij een oplossing wanneer we die afkoelen, bezinksel; aan de andere kant blijft het gevoelselement achter en is meetkunde, tekenen enz. geworden. We zien wat de ziel eigen is naar buiten komen. En denk je eens in wat dat voor een interesse in de mens      

Blz. 27

Menschen gibt. Wir werden sehen, wie das alles im einzelnen heraus­strömt, und wie das Seelische wieder zurückwirkt auf den Menschen

teweegbrengt. We zullen zien hoe alles op zich naar buiten komt en hoe het gevoelsmatige weer op de mens inwerkt.

GA 306 blz 27

In dieser Beziehung hängt ja das ganze Leben des Menschen zu­sammen. Was wir an dem Kinde tun, das tun wir nicht bloß für den Augenblick, sondern für das ganze Leben. Für das ganze Leben Be­obachtung entwickeln, das tun ja die meisten Menschen nicht, weil sie die Beobachtung nur aus der Gegenwart heraus nehmen wollen; zum Beispiel aus dem Experiment. Beim Experiment hat man die Ge­genwart vor sich. Aber beobachten Sie einmal, wie es zum Beispiel Menschen gibt, die, wenn sie in einem ziemlich hohen Alter unter an­dere Menschen kommen, wie segensreich wirken. 

In dit opzicht is er in het hele leven van de mens samenhang. Wat wij met het kind doen, doen wij niet alleen voor dit ogenblik, maar voor het hele leven. Voor het hele leven een blik ontwikkelen doen de meeste mensen niet, omdat ze alleen in het nu willen waarnemen; bv. het experiment. Bij een experiment is men in het nu. Maar neem eens waar hoe er bv. mensen zijn die wanneer ze op betrekkelijk hoge leeftijd onder andere mensen komen, hoe heilzaam die kunnen werken.

Sie brauchen gar nichts zu sagen, bloß durch die Art und Weise, wie sie da sind, wir­ken sie segensreich. Sie begnaden gewissermaßen, sie können seg­nen. Und gehen Sie dem Lebenslauf solcher Menschen nach, dann finden Sie, daß sie als Kinder nicht in einer zwangsmäßigen, sondern in einer richtigen Weise haben verehren gelernt, ich könnte auch sa­gen, beten gelernt, wobei ich unter beten im umfassenden Sinne auch die Verehrung eines anderen Menschen verstehe. Ich möchte es durch ein Bild ausdrücken, das ich schon öfter gebraucht habe: Wer nicht in der Jugend gelernt hat die Hände zu falten, kann sie im späteren Al­ter nicht zum Segnen ausbreiten.
Es hängen eben die Lebensalter des Menschen zusammen, und wenn wir das beachten, wie die verschiedenen Lebensalter des Men­schen zusammenhängen, dann wird es uns ungeheuer wichtig, den ganzen menschlichen Lebenslauf für die Erziehungs- und Unterrichts­praxis ins Auge zu fassen. Für das Kind lernen wir viel, indem wir lernen, wie herausquillt das Seelische, nachdem es in der ersten Le­bensepoche im Körper drinnen gearbeitet hat. Die Psychologen denken

Zij hoeven helemaal niets te zeggen, alleen al door de manier waarop ze aanwezig zijn, werken ze heilzaam. In zekere zin gaat er iets zegenrijks van hen uit, ze kunnen zegenen. En wanneer je de levensloop van zulke mensen nagaat, vind je dat zij als kind niet op dwangmatige, maar op een goede manier hebben leren vereren, ik zou ook kunnen zeggen, hebben leren bidden; waarbij ik onder bidden meer omvattend versta, ook het vereren van een ander mens. Ik zou het in een beeld willen uitdrukken dat ik vaker gebruik:
Wie in zijn jeugd niet geleerd heeft zijn handen te vouwen, kan ze op latere leeftijd niet zegenend heffen. De leeftijden van de mens hangen met elkaar samen en wanneer we inzien hoe die samenhangen wordt het voor ons heel erg belangrijk oog te hebben bij de opvoeding- en onderwijspraktijk voor heel de menselijke levensloop. Voor het kind leren wij veel, als we leren hoe de ziel naar buiten toe zich ontplooit, nadat die in de eerste levensfase innerlijk aan het lichaam heeft gewerkt. De psychologen denken tegenwoordig met

Blz. 28

heute in den kuriosesten Hypothesen nach, wie das Wechselver­hältnjs zwischen Seele und Körper ist. Eine Lebensepoche klärt uns über die andere auf. Kennen wir das Verhältnis beim Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, dann klärt uns das auf über dasjenige, was im Körper vorgegangen ist durch die Seele bis zum Zahnwechsel hin. Die Tatsachen müssen einander aufklären. Denken Sie, wie da das Interesse wächst! Und das Interesse für das Menschenwesen brauchen wir für die Erziehungs und Unterrichts­praxis. Aber die Menschen denken eben heute in abstrakter Weise nach über das Verhältnis von Seele und Leib oder Seele und Körper. Und weil sie durch ihr Nachdenken so. wenig haben herauskriegen können, ist ja heute schon eine gar sehr spaßige Theorie aufgekom­men, die Theorie des sogenannten psyche-physischen Parallelismus. Da gehen die seelischen und körperlichen Vorgänge parallel, um Schnittpunkte brauchen wir uns nicht zu kümmern. Der psyche-phy­sische Parallelismus braucht sich nicht mehr zu kümmern um dasVer­hältnis zwischen Seele und Leib, sie schneiden sich in unendlicher Ent­fernung. Deshalb ist die Theorie geradezu spaßig. Aber läßt man sich ein auf dasjenige, was sich aus der Erfahrung wirklich ergibt, dann findet man diese Zusammenhänge. 

de meest merkwaardige hypothesen na over de wisselwerking tussen ziel en lichaam.
De ene levensfase verschaft kennis over de andere. Wanneer we bij het kind de relatie kennen tussen de tandenwisseling en de puberteit, dan leert dat ons wat in het lichaam plaatsvond door de ziel tot aan het tandenwisselen. De feiten moeten elkaar informeren. Denk je eens in hoe dan de belangstelling toeneemt! En belangstelling voor het wezen van de mens hebben we nodig voor de praktijk van opvoeding en onderwijs.
Maar de mensen denken tegenwoordig op een abstracte manier over de relatie tussen ziel en lijf of ziel en lichaam. En omdat ze door hun nadenken zo weing hebben gevonden, is er tegenwoordig zelfs een zeer grappige theorie uitgerold, de theorie van de zgn. psychisch-fysieke parallel. De zielen- en lichamelijke processen lopen parallel, om raakvlakken behoeven wij ons niet te bekommeren. De psychisch-fysieke parallel hoeft zich niet meer bezig te houden met de relatie tussen ziel en lichaam, die snijden elkaar in eindeloze verten. Maar wanneer je je bezig houdt met wat echt uit de ervaring komt, dan vind je deze samenhang.

Man muß nur über das ganze menschliche Leben hinschauen. Schauen wir einmal einen Men­schen an, der, sagen wir, in einem bestimmten Lebensalter Diabetes bekommt oder Rheumatismus. Die Menschen beachten ja immer nur die Gegenwart: man denkt also über ein Heilmittel nach für diese Krankheiten. Das ist ja ganz richtig, es soll nichts dagegen gesagt werden, daß man darüber nachdenkt, wie man da heilen kann. Sehr schön. Aber wer nun den ganzen menschlichen Lebenslauf überblickt, der findet, daß manche Diabetes davon herkommt, daß das Gedächt­nis in unrichtiger Weise zwischen dem Zahnwechsel und der Ge­schlechtsreife entweder belastet worden ist oder sonst in unrichtiger Weise behandelt worden ist. Die Gesundheit der älteren Menschen auf Erden ist abhängig von der Art und Weise, wie man sich verhält im kindlichen Lebensalter zur Seele. Wie du das Gedächtnis ausbil­dest, so wirkst du nach einer gewissen Periode auf den Stoffwechsel. Läßt du zwischen dem 7. und 14. Jahre Gedächtnisreste, die nicht verarbeitet

Je moet alleen het hele leven in ogenschouw nemen. Wanneer we naar een mens kijken die, laten we zeggen op een bepaalde leeftijd diabetes krijgt of reuma. De mensen kijken maar steeds naar het nu: men denkt over medicijnen na voor deze ziekten. Dat is heel goed, daar wordt niets ten nadele van gezegd. Maar wie nu naar de hele menselijke levensloop kijkt, die ontdekt dat sommige diabetes veroorzaakt wordt door een onjuiste manier van geheugenbelasting tussen de tandenwisseling en de puberteit of op een andere verkeerde manier. De gezondheid van de oudere mens op aarde is afhankelijk van de manier waarop in de kinderleeftijd met de ziel wordt omgegaan. Hoe je het geheugen vormt is na een bepaalde tijd van invloed op de stofwisseling.  Blijven er tussen het 7 en 14e jaar door de ziel van het kind onverwerkte geheugenresten achter, dan laat het lichaam

Blz. 29

werden von der Seele des Kindes, so läßt der Körper dieses Menschen, zwischen dem 85. und 45. Jahre ungefähr, Körperreste, die sich einlagern, und die Rheumatismus oder Diabetes bewirken.
Man kann schon sagen: die Lehrer sollten auch von Medizin wis­sen. Es ist kein richtiges Verhältnis, wenn auf der einen Seite der Lehrer steht, und wenn er für alles das, was die kindliche Gesundheit erfordert, sich an den Schularzt wenden muß, der die Kinder im übri­gen gar nicht kennt. Wenn schon vieles in unserer Zeit eine Univer­salität der Bildung erfordert – die Pädagogik und die Unterrichtspra­xis erfordern diese Universalität am allermeisten.
Das ist dasjenige, was ich Ihnen als eine Einleitung geben wollte, um Sie hinzuweisen, wo das wirklich liegt, durch welches sich Anthro­posophie tröstet, wenn sie nun nach Ansicht mancher Leute «auch in die Pädagogik hinempfuscht», nach Ansicht anderer etwas zu sagen hat. Man wird nicht berührt davon, daß Erziehung und Unterricht auch unnötig sein könnten, oder daß sie nicht besprochen werden könnten, weil man ja selbst schlecht erzogen ist; man geht zunächst in der Anthroposophie von etwas ganz anderem aus, nicht von der Korrektur der alten Ideen, sondern von einer Menschenerkenntnis, die heute einfach durch den Menschheitsfortschritt notwendig gewor­den ist.

zo ongeveer tussen het 35e en 45e jaar resten in het lichaam achter die zich afzetten en die reuma en diabetes veroorzaken. Je zou kunnen zeggen: de leerkrachten moeten ook iets van geneeskunde weten. De omstandigheden zijn niet goed waarin aan de ene kant de leerkracht staat die dan voor alles wat voor de gezondheid van het kind nodig is, zich tot de schoolarts moet richten, die het kind verder niet kent. Wanneer er in onze tijd algemene ontwikkeling verlangt wordt – de opvoeding- en onderwijspraktijk vragen deze wel het meest.
Dit is het eigenlijk, wat ik als inleiding wilde geven, om u erop te wijzen waar het werkelijk omgaat wanneer antroposofie steun wil geven, ook al is volgens sommige lui deze nu ‘ook de pedagogie binnengerommeld’; en volgens anderen dat ze iets bij te dragen heeft. Het ligt niet in de lijn van dat opvoeding en onderwijs overbodig zouden kunnen zijn of dat die niet besproken hoeven te worden omdat men zelf slecht opgevoed is; in de antroposofie wordt meteen van iets heel anders uitgegaan, niet van een verbetering van oude ideeën, maar van een mensenkennis die tegenwoordig simpelweg door de ontwikkeling van de mensheid, gevraagd wordt.

Gehen Sie zurück auf die alten Erziehungssysteme: sie sind über­all aus der allgemeinen Menschenkultur hervorgegangen, aus dem Universellen, das der Mensch in sich fühlte und empfand. Wir müs­sen wiederum zu so etwas kommen, was als Universelles aus dem Menschen herausfließt. Mir wäre es am liebsten, wenn ich die An­throposophie jeden Tag anders nennen könnte, damit nicht die Leute am Worte festhalten, das Wort aus dem Griechischen übersetzen und darnach sich ihr Urteil bilden. Es ist ganz gleichgültig, wie man das benennt, was hier getrieben wird. Darauf kommt es nur an, daß das, was hier getrieben wird, überall auf die Wirklichkeit losgehen will und die Wirklichkeit streng ins Auge faßt, nicht eine sektiererische Idee verwirklichen will.
Und so, möchte man sagen, steht auf der einen Seite heute dasje­nige, was einem vielfach entgegentritt. Was ist denn das? Die Leute

Als je nog eens naar de oude opvoedsystemen kijkt: die stammen overal uit de menselijke beschaving, uit het universele dat de mens in zich voelde en beleefde. Wij moeten ook weer tot zoiets komen wat als iets universeels uit de mens tevoorschijn komt. Ik had het liefst dat ik de antroposofie iedere dag anders zou kunnen noemen, opdat de mensen niet bij het woord blijven hangen, dat woord uit het Grieks vertalen en daar dan een mening over hebben. Het is om het even hoe je noemt wat hier behandeld wordt. Waarop het op aan komt is dat wat hier gedaan wordt, overal bij de realiteit begint en strikt bij de werkelijkheid blijft; niet om een sektarisch idee uit te werken.
En zo, zou je kunnen zeggen, heb je aan de ene kant wat je veelvuldig (blz.30) tegenkomt dat de mensen zeggen:

Blz. 30

sagen: Ach, Erziehungssysteme, die schön reinlich richtig ausgedacht sind, haben wir viele gehabt! Wir leiden ja so sehr an dem Intellek­tualismus; mindestens aus dem Erziehungssystem muß er heraus! -Das ist richtig. Aber dann kommen sie dazu, sich zu sagen: Also dür­fen wir keine wissenschaftliche Pädagogik haben, sondern wir müs­sen wiederum an die pädagogischen Instinkte appellieren! Ja, das ist ja recht schön, aber es geht leider nicht, denn die Menschheit hat eben einen Fortschritt durchgemacht. Die Instinkte, die vor Zeiten vorhanden waren, sind heute nicht mehr vorhanden, und man muß sich die Naivität wiederum erringen auf erkenntnismäßige Weise. Das kann nur getan werden, wenn man in das Wesen des Menschen wiederum hineindringt. Und das m&hte Anthroposophie.
Und noch etwas anderes kommt in Betracht. Man spürt überall den Intellektualismus und die Abstraktbeit, und man sagt: Kinder müs­sen nicht bloß so erzogen werden, daß man wiederum bloß ihren In­tellekt erziehen will; das Herz der Kinder muß man erziehen! – Das ist sehr richtig. Aber man merkt manchmal in der pädagogischen Li­teratur und in der pädagogischen Praxis, daß man mit der Formulie­rung der Forderung nicht ausreicht. Man fordert wiederum theore­tisch-abstrakt, daß das Herz zu erziehen sei. Noch weniger aber be-achtet man, daß man nicht nur die Forderung an das Kind stellen soll, das Kind solle dem Herzen nach erzogen werden, sondern daß man die Forderung an den Lehrer stellen soll und vor allen Dingen an die Pädagogik selbst. Das möchte ich, daß wir bei unserem Zusammen­sein darüber reden, daß wir nicht nur die Forderung atifstellen: Du sollst das Herz des Kindes und nicht bloß seinen Verstand erziehen, sondern wie man die Forderung erfüllen kann: Was muß geschehen, damit die Pädagogik wiederum Herz bekommt?

Ach wat, van opvoedingssystemen die best wel goed doordacht zijn, hebben we er genoeg gehad. Wij leiden heel erg onder het intellectualisme; in ieder geval moet dat uit het opvoedingssyteem verdwijnen! –Dat is waar. Maar dan zeggen ze: dus moeten we geen wetenschappelijke pedagogie meer hebben, maar we moeten weer aan de pedagogische instincten appelleren. Ja, dat is heel mooi, maar dat gaat helaas niet, want de mensheid heeft een stap gezet. De instincten die voordien nog aanwezig waren, hebben we niet meer en je zal de naïviteit weer terug moeten krijgen op basis van kennis. Dat kan alleen wanneer je weer toegang krijgt tot het wezen mens. En dat is wat antroposofie wil.
En er is nog wat anders. Overal voel je het intellectualisme en de abstractheid en er wordt gezegd: kinderen moeten niet alleen maar zo worden opgevoed dat men alleen maar het intellect opvoedt; je moet het hart van het kind opvoeden! – dat is heel terecht. Maar in de pedagogische literatuur en in de pedagogische praktijk vind je vaak dat je er met de formulering van de eis niet bent. Nog minder zie je dat je niet alleen die eis voor het kind mag stellen dat zijn hart wordt opgevoed, maar dat die eis ook aan de leerkracht wordt gesteld en vooral aan de pedagogiek zelf. Ik zou er graag, nu we weer bij elkaar zijn, over willen spreken dat we niet alleen de eis formuleren: je moet het hart van het kind en niet alleen zijn verstand opvoeden, maar hoe je die eis gestalte kan geven: wat moet er gebeuren wil de pedagogie weer een hart krijgen.

GA 306  Duits

Rudolf Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

704-643

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-5)

.

JULIUS CAESAR  (100 – 44 v. Chr)
.

Caesar weigerde zijn vrouw te verstoten

Na de dood van Sulla werd het poli­tieke leven van Rome bepaald door drie mannen. De belangrijkste van hen zou Gaius Julius Caesar blijken te zijn.

Hij werd in 100 of 101 v. Chr. gebo­ren en behoorde tot een van de meest vooraanstaande Romeinse families. Als iets hem onderscheidde van zijn medemensen, dan was het wel zijn wilskracht. Zoals hij het wilde, moesten de dingen gebeuren.
Suetonius geeft er in zijn boek ‘Het leven van de twaalf keizers’ (van Caesar en de elf eerste keizers) verschillende voorbeelden van.
Hij vertelt bijvoor­beeld hoe een priester eens waarschuwde dat de ingewanden van het offerdier ongeluk voorspelden en hoe Caesar antwoordde: ‘Als ik dat wil, voorspellen ze geluk!’ Hij toonde zijn wilskracht al heel jong. Op een zekere dag vaardigde Sulla het bevel uit dat allen die door hun huwelijk banden met de partij van Marius of Cinna hadden, hun vrouwen moesten wegsturen. Caesar, toen pas 19 jaar oud, weigerde te ge­hoorzamen. Hij hield zijn Cornelia, Cinna’s dochter, bij zich. Hiermee liep hij een enorm risico. Het kwam Sulla ter ore dat de jonge Julius Cae­sar zijn bevel niet had opgevolgd en hij was hierover zéér ontstemd. ‘Laat hem maar,’ zeiden zijn vrien­den, ‘het is nog maar een jongeman.’ Maar Sullla getuigde van veel men­senkennis, toen hij opmerkte: ‘Jullie zijn niet slim. In deze slechtgeklede knaap steekt méér dan een Marius!’ Toen deze woorden aan Caesar wer­den overgebracht, leek het deze toch beter voor een tijdje uit Rome te ver­dwijnen…

Ik ben veel meer waard!

Korte tijd later ging de jonge patriciër Julius Caesar naar het Griekse eiland Rhodos om daar welsprekendheid te studeren. Voor een politieke loop­baan was de beheersing van de wel­sprekendheid nu eenmaal een eerste vereiste. En van niemand kon je het  spreken zo goed leren als van de Grie­ken. Daarom gingen vele rijke jonge­mannen een poosje in Griekenland studeren.

Maar Caesar kwam niet zonder avonturen op Rhodos aan. Onderweg werd hij door zeerovers gevangengenomen. Ze deelden hem mee dat ze 20 talenten losgeld voor hem gingen vra­gen. Caesar schoot in de lach, toen hij dit hoorde. Want hij vond dat hij veel meer waard was. ‘Vraag maar gerust vijftig,’ zei hij spottend. Die vijftig talenten van toen staan ge­lijk met 1.200.000 gulden [500.000 euro]. Caesar zond zijn dienaren terug naar Rome om het geld te gaan halen. Hij bleef alleen bij de zeerovers achter. Dat was niet ongevaarlijk, omdat deze hun gevangenen niet zelden ter dood brachten. Zo bracht Caesar 38 dagen met hen door. Hij deelde hun ruwe leven en ’s avonds las hij hen de gedichten voor die hij maakte. De zeerovers kwamen onder de indruk van zijn krachtige persoonlijkheid. Ze geloofden hem echter niet, toen hij beweerde dat hij, eenmaal vrijge­komen, terug zou komen en hen alle­maal zou laten kruisigen. Ze namen die woorden niet ernstig. Maar toen het losgeld aankwam en Caesar werd vrijgelaten, huurde hij schepen om de zeerovers op te sporen. Hij vond hen en liet allen die hij gevangen kon nemen zonder uitzondering kruisigen zoals hij beloofd had. Pas daarna reisde hij naar Rhodos om zijn studie te beginnen!

Schulden

Weer in Rome teruggekeerd, ging Caesar werken aan zijn politieke loopbaan. Hij behoorde tot de Populares, de Volkspartij van Marius. Dat viel ook wel te verwachten, omdat zijn vrouw een dochter was van Cinna, een aanhanger van Marius. En tevens omdat hijzelf een neef van Marius was. Caesar viel van jongs af aan in de smaak bij het volk door zijn vrijgevigheid. Hij liet bv. grote gladiatorengevechten houden. Daarbij stak hij zich wel in de schulden. Hij had het aan zijn vriendschap met de rijke Crassus te danken dat hij niet in moeilijkheden kwam. In noodgevallen wilde Crassus wel borg voor hem staan. In 69 v. Chr. begon Caesar als quaestor in Spanje. Daarna doorliep hij nog een aantal ambachtelijke rangen in Rome. In 63 v. Chr. spreken, omdat hij zich verzette tegen de terechtstelling Catilinariërs. Wat was er gebeurd?

De samenzwering van Catalina

Marcus Tullius Cicero was een groot bewonderaar van het vroege Rome en hij nam stelling tegen iedereen die de oude wetten wilde negeren. Zo kwam hij in het kamp van de Optimaten te­recht, de Senaatspartij. In het jaar 63 werd Cicero consul. Twee jaar eerder had hij een samenzwering ontdekt om de regering omver te werpen. Hij beweerde dat dit complot nog steeds bestond. De leider van de samenzweerders was Catalina, een wrede, woeste figuur die in het troebele water van de strijd tussen Marius en Sul­la zeer voordelig gevist had. Hij was nu bezig in de buurt van het huidige Florence troepen samen te trekken, waarmee hij Rome wilde binnenvallen. Op zijn barbaarse programma stonden het doden van Cicero en ver­scheidene senatoren, alsmede het in brand steken van de stad. In een aan­tal meesterlijke redevoeringen wees Cicero de Senaat op het dreigende gevaar. Eerst had hij nog geen bewijzen. Maar toen meldden zich enige Gallische gezanten bij hem. Ze vertel­den hem dat Catalina hun stam had willen omkopen om tegen Rome op te trekken. Toen kon hij zijn beschuldi­gende redevoeringen met een prachtig vuurwerk laten eindigen. Iedereen prees hem om zijn waakzaamheid. De consul had het recht het doodvon­nis over de reeds gearresteerde sa­menzweerders uit te spreken. Cicero maakte hier echter geen gebruik van. Hij vroeg de Senaat hem raad te ge­ven. Het bleek dat de meningen zeer uiteenliepen. Julius Caesar was genadig en wilde de samenzweerders tot levenslange gevangenisstraf veroor­delen. Maar Cato, een achterklein­zoon van de man die eens op de ver­woesting van Carthago had
aange­drongen, eiste de doodstraf en wist de meerderheid op zijn hand te krijgen.

Het volk morde en riep om de ter­doodbrenging van de Catalinariërs. ‘Zij zijn dood,’ zei Cicero dan ook, toen hij de vergaderzaal verliet en de menigte hem vroeg wat er met de sa­menzweerders zou gebeuren. Hij liet de vijf voornaamste Catalinariërs te­rechtstellen. Catalina zelf was naar Etrurië gevlucht, maar werd enige maanden later in een gevecht gedood. Zijn aanhangers sneuvelden tot de laatste man.

Het Eerste Driemanschap

In 61 v. Chr. zat Caesar zó diep in de schulden, dat hij maar weer naar Spanje ging om daar zijn financiën te verbeteren. Hij mocht Rome echter alleen verlaten omdat de rijke Crassus borg voor hem stond. Caesar be­perkte zich ditmaal niet tot ambtelij­ke bezigheden, maar ontpopte zich als een bekwaam veldheer. Verschei­dene gebieden die nog niet door de Romeinen veroverd waren, wist hij aan de provincie toe te voegen. Bin­nen een jaar schraapte hij bovendien zoveel rijkdommen bijeen, dat hij al zijn schulden kon betalen. Toen hij terugkwam in Rome, wilde hij een triomftocht houden. Daarvoor moest hij buiten de stad blijven tot hij toestemming had gekregen. Maar hij wilde zich ook kandidaat stellen voor het consulschap en daarvoor moest hij juist in de stad zijn! Hij liet daarom zijn triomftocht maar varen om zich in Rome kandidaat te kunnen stellen.
De hele Adelspartij was hem echter vijandig gezind, wat betekende dat hij niet tot consul zou worden geko­zen… Maar met de steun van Crassus en Pompejus – een van de vroegere officieren van Sulla – wist hij de be­geerde positie toch te verkrijgen. Hij sloot toen met zijn vrienden een ge­heim verbond. Later heeft men dit wel het Eerste Driemanschap ge­noemd. De vijanden van het verbond noemden het overigens ‘het driekop­pig monster’.

Een heel bijzondere brandweer

Crassus was zo rijk geworden, omdat hij op het idee was gekomen een brandweer op te richten. Een heel bij­zondere brandweer… In Rome, met zijn hoge etagewonin­gen en zijn nauwe, volle straten, was het brandgevaar bijzonder groot. Maar zodra de kreet ‘Brand!’ weer­klonk, was Crassus ter plaatse. Ter­wijl zijn brandweerlieden zich gereed maakten om het vuur te lijf te gaan, zocht hij de eigenaar van het pand op. Hij bood er een prijs voor die zeer laag lag, maar toch net iets hoger dan de waarde van het huis als het af­gebrand zou zijn. Ging de eigenaar niet op zijn bod in, dan haalde hij zijn schouders op en liet hij de vlammen hun vernielende werk doen. Maar aanvaardde de eigenaar zijn bod, dan spoorde hij zijn brandweer­lieden aan de brand snel te blussen. Vervolgens knapte hij het huis op en verkocht het met een grote winst… Omdat er geen tweede brandweer in Rome was, had Crassus herhaaldelijk succes met zijn afpersingspraktijken. Hij vergaarde een groot fortuin. Al spoedig beheerste hij het Romeinse zakenleven. Met zijn fortuin kocht hij stemmen. Hij leende zijn geld na­melijk uit, en wanneer iemand hem niet op tijd terug kon betalen, zei hij: ‘Dat geeft niet, zolang je maar op mij stemt.’
Crassus wilde graag een groot bevel­hebber en heerser worden. Van al zijn dromen kwam helaas weinig terecht. Maar één keer kreeg hij de gelegen­heid de held te spelen. Dat was bij de opstand van de slaven, onder leiding van de gladiator Spartacus.

Zij die gaan sterven, groeten U!

De Romeinse gladiatorengevechten stamden af van het Etruskische ge­bruik om bij begrafenissen een aantal zwaardvechters tegen elkaar te laten strijden. Later werd dit een volksver­maak. Krijgsgevangenen, slaven en misdadigers werden gedwongen om in de arena op leven en dood met el­kaar te vechten.

Hoewel ‘gladiator’ is afgeleid van ‘gladius’, het Latijnse woord voor ‘zwaard’, kreeg het publiek ook an­dere wapens en andere strijdmethoden te zien. Sommige gladiatoren moesten de tegenstander met een net proberen te vangen. Daarna doodden ze hem met een drietand, die ze in de andere hand hielden. Het kwam ook voor dat de gladiatoren slechts gewa­pend waren met een lasso, waarmee ze de tegenstander wurgden, zodra ze hem te pakken hadden gekregen. De voorstelling begon altijd met de intocht van de gladiatoren. Wanneer de keizer of een andere prominent aanwezig was, maakten de vechters hun opwachting met de woorden: ‘Zij die gaan sterven, groeten U!’ Dan kon de strijd een aanvang ne­men. Als een strijder zwaar gewond werd, riep het volk: ‘Habet!’ (Hij heeft hem!). De gevallen gladiator kon in dit geval zijn hand opheffen en daarmee om genade vragen. Het hing vooral van de stemming van de keizer of het publiek af of hij gespaard werd. Beslissend daarbij was of hij goed gestreden had of niet. De keizer balde zijn vuist als de gladi­ator mocht blijven leven, en stak zijn duim omlaag als hij moest sterven. In het laatste geval ontving de gladiator de genadestoot van de collega die hem geveld had.

De opstand van de slaven en gladiatoren

Voor de wrede gladiatorensport waren natuurlijk steeds nieuwe, getrain­de vechtersbazen nodig. Een van de opleidingscentrums bevond zich in Capua. Daar brak in 73 v. Chr. een opstand uit. Zeventig gladiatoren wisten zich te bevrijden. Op straat ge­komen, plunderden ze een winkel waar mensen te koop waren. Als hun aanvoerder wierp zich Spartacus op. Spartacus was als vrij man geboren in Thracië, het tegenwoordige Roeme­nië. Omdat hij gedeserteerd was uit het Romeinse leger, was hij als slaaf in de gladiatorenschool terechtgeko­men. Maar nu had hij zijn vrijheid te­rug, en hij was niet van plan deze weer te verliezen! Doordat zich vele weggelopen landbouwslaven bij hem voegden en zijn rebellenleger uit­groeide tot 70.000 man, kon hij tot tweemaal toe de op hem afgestuurde Romeinse legers verslaan die uitge­zonden waren om hem te bedwingen.
Intussen drong hij op naar het noor­den, in de hoop dat hij over de Alpen zou kunnen ontkomen en zijn ge­boorteland weer zou kunnen berei­ken. Maar zijn volgelingen bleven lie­ver roven en moorden in Italië. De discipline in het slavenleger was ver te zoeken. Toen trok Spartacus naar het uiterste zuiden van het schiereiland, waar de rijke generaal Crassus zich met hem kwam meten. Nog eenmaal versloeg Spartacus de Romeinse troe­pen. Maar de volgende keer moest hij het onderspit delven. Toen hij in 71 v. Chr. tegenover het leger van Cras­sus stond, doodde hij zijn paard om daarmee te kennen te geven dat hij niet zou vluchten. Zijn aanhangers waren echter minder dapper en lieten hem in de steek. Hij werd door een speer getroffen en vocht nog moedig door. Maar ten slotte zakte hij ineen. De meeste aanhangers van Spartacus vonden tijdens deze veldslag eveneens de dood. En met hetgeen er nog over was van zijn leger, rekende de veld­heer Pompejus af tijdens een felle drijfjacht.
Als afschrikwekkend voorbeeld wer­den zesduizend gevangen slaven langs de Via Appia gekruisigd.

Hoe de Provence aan zijn naam kwam

In het jaar dat Caesar consul was, maakte hij vooral wetten die hem ver­zekerden van de steun van het volk. Zo kwam er een wet die toewijzing van land aan gepensioneerde soldaten regelde, en een andere wet voor de uitdeling van graan. Na afloop van zijn consulaat vroeg Caesar aan de Senaat of hij gouverneur van de provincie Gallië mocht worden. Zoiets was gebruikelijk. Maar niet normaal was dat hij het ambt voor de duur van vijf jaar wilde hebben, in plaats van voor één jaar. De Senaat was evenwel bang voor zijn invloed en vond het niet zo’n slecht idee dat hij voor een tijdje van het toneel verdween. Daarom ging men op zijn verzoek in. De jaren in Gallië vormen één lange reeks verove­ringen en overwinningen. Caesar be­schreef ze zelf in zijn boek ‘Over de Gallische Oorlog’. Het is geen bescheiden boek, omdat hij het ge­bruikte om propaganda voor zijn ei­gen persoon te maken. Er waren twee Gallische gebieden: Cisalpijns Gallië dat samenviel met de Povlakte, en Transalpijns Gallië, dat ruwgezegd Zuid-Frankrijk om­vatte. In de tijd dat ze zich Iberië (Spanje) toe-eigenden, hadden de Ro­meinen het zuidoostelijk deel van Frankrijk bezet. Want dat was de toegangsweg naar Spanje. Ze noem­den dit gebied vaak kortweg ‘de pro­vincie’ en daaruit is de huidige naam Provence’ ontstaan. De rest van het latere Frankrijk werd in de jaren 58 -50 v. Chr. door Caesar veroverd.

Belgen – de dappersten onder de Galliërs
.
De Romeinen kwamen aanvankelijk altijd – of het nu oprecht was of niet -te hulp en dat deed Caesar nu. Een Gallische natie riep zijn hulp in tegen Germaanse stammen die vanuit het oosten opdrongen. Welwillend dreef Caesar eerst het Gallische volk van de Helvetiërs, dat vanuit Zwitserland op de vlucht was, terug. Daarna joeg hij de oprukkende Germanen met hun aanvoerder Ariovistus terug over de Rijn. Hij bezette meteen elk gebied dat hij doortrok. Door deze succes­sen kreeg Caesar de smaak van het veroveren te pakken. In 57 en 56 v. Chr. veroverde hij geheel Frank­rijk en delen van de Nederlanden be­zuiden de Rijn. Deze gebieden wer­den allemaal tezamen Gallië genoemd en de bewoners Galliërs. Verreweg de meeste weerstand bood het Gallische volk van de Belgen. Toen Caesar bij de rivier de Sambre in de Ardennen door de stam der Nerviërs werd aangevallen, leek het even of hij zou gaan verliezen. Als hij niet – zo vertelt hij tenminste zelf -een schild had gegrepen en zijn mannen was voorgegaan in het gevecht, dan zouden de Romeinen misschien nooit noordelijker gekomen zijn. Met een zeker ontzag noemt Caesar de Belgen dan ook ‘de dappersten onder de Galliërs’.

De Rijngrens in Nederland

In de Nederlanden hebben de Romei­nen zich nog even ten noorden van de Rijn vertoond. Er is een ogenblik ge­weest dat ze bijna het hele Nederland­se grondgebied beheersten. Maar de Rijndelta bestond uit moeilijk toe­gankelijke gebieden en de Friezen maakten het hun te moeilijk. Ze wa­ren gedwongen de Rijn voorgoed als grens te aanvaarden. Langs deze na­tuurlijke grens bouwden ze een reeks sterkten, zoals Noviomagus (Nijme­gen), Fectio (Vechten) en Praetorium Agrippinae (Valkenburg-Z.H.), wel­ke door een weg verbonden waren. Hier, bij deze Nederlandse plaatsen, eindigde dus het onmetelijke Ro­meinse Rijk! In de Zuidelijke Neder­landen legden de Romeinen ‘villae’ (herenboerderijen) aan, waarvan de eigenaars behalve aan landbouw ook aan nijverheid deden. Door de aanleg van wegen werd dit gebied voor de Romeinse handel ontsloten. Op de knooppunten van deze wegen ont­stonden steden, zoals Atuatuca Tungrorum (Tongeren) en Orolaunum (Aarlen).

Landing in Engeland

Caesar moest in 56 v. Chr. even terug naar Italië om ervoor te zorgen dat hij zijn greep op de politiek aldaar niet verloor. Hij verlengde zijn geheime verbond met Crassus en Pompejus en hij sprak met hen af dat zij tweeën het eerstvolgende jaar consul zouden worden en dat hij nog vijf jaar in Gallië zou blijven. Eigenlijk koesterde Caesar nog grotere plan­nen. Kooplieden hadden hem verteld dat in Engeland tin en lood in de aardbodem aanwezig waren en dat de edelstenen er voor het oprapen lagen. Maar bovenal wilde hij naar Brittannië om er de inwoners de omvang van zijn macht te tonen. Caesar was beze­ten van macht. In het jaar 55 v. Chr. stak Caesar met 80 schepen en 80.000 man naar Engeland over. Hij landde bij het tegenwoordige plaatsje Deal. De invasie verliep moeilijk. Toen men de barbaren eindelijk had terug­geslagen, bleek dat er maar weinig buit in dit land te behalen viel. Toch deed Caesar het volgende jaar nog een tweede aanval, ditmaal met 800 in plaats van 80 schepen. Het succes was nauwelijks groter. Pas in 43 na Chr. zou onder keizer Claudius het zuidelijk deel van Engeland veroverd worden. Voordat de grens van het Romeinse Rijk in Schotland kwam te liggen, zouden nog dertig jaar ver­strijken. In 122 na Chr. liet keizer Hadrianus in Schotland de bekende Hadrianuswal aanleggen, een grens-wal tegen de barbaarse Schotten.

Caesar en Vercingetorix

In Gallië was Caesars taak nog niet geëindigd, want in 52 v. Chr. kwa­men zuidelijke stammen in opstand tegen de Romeinse overheersing. Hun leider was Vercingetorix. Omdat hij Caesar veel last bezorgde, is hij sindsdien vereerd als een nationale beid van Frankrijk. Toen Vercingeto­rix zich in de stad Gergovia [in de buurt van Clermont-Ferrand] in Auvergne verschanste, lukte het Caesar niet de stad te veroveren. De eerste keer dat een Gallische stad sterker was dan hij! Deze vernederende gang van za­ken leek zich even later te gaan herha­len in Alesia, niet ver van het huidige Dijon. Vercingetorix had zich daar verschanst en hij was erin geslaagd boodschappers dwars door de Ro­meinse linies te zenden om andere stammen te hulp te roepen. Vier da­gen lang zag het er voor de Romeinen somber uit. Maar ten slotte kregen ze toch de overhand. Om zijn leger te redden gaf Vercingetorix zich over en wierp zich aan de voeten van Caesar. Maar dit opofferende gebaar was niet aan Caesar besteed. Hij zond Vercingetorix als gevangene naar Rome en zes jaar later, op de dag van zijn triomftocht, liet hij hem wurgen.

De teerling is geworpen

Terwijl Caesar in Gallië roem voor zich zelf en voor zijn land behaalde, vocht Crassus in Syrië tegen de Par­then. Hij werd niet de legendarische veldheer die hij had willen worden. In 53 v. Chr. sneuvelde hij. Toen was er van het Driemanschap nog maar één in Rome over: Pompe­jus. Hij wendde zich van de Volks­partij af en sloot zich bij de Se­naatspartij aan. Alles ging hij doen om de macht van Caesar te ondermij­nen…

Het resultaat was dat de Senaat Cae­sar beval terug te komen in Rome. Zijn vijanden beschuldigden hem van wandaden die hij tijdens zijn consu­laat begaan zou hebben. Daar moest hij zich maar eens voor komen ver­antwoorden. Maar hij mocht uiter­aard niet zijn leger meebrengen! Dat moest hij achterlaten bij de rivier de Rubicon, die de grens tussen Gallië en Italië vormde. Caesar aarzelde. Als hij niet aan het bevel van de Senaat gehoorzaamde en toch zijn leger mee­bracht, betekende dat een burgeroorlog. Maar kon hij zich zo maar gaan uitleveren aan zijn vijand? Peinzend stond hij aan de Rubicon. ‘We kunnen nog terug,’ zei hij tegen zijn mannen. Op dat ogenblik begon een herder aan de overkant een lief­lijk wijsje te spelen. Hierdoor aange­trokken staken een paar soldaten het riviertje over. Caesar vond het een goed voorteken. ‘Laat ons gaan waar de voortekenen van de goden ons roepen,’ riep hij uit, ‘de teerling is geworpen!’

Hij gaf zijn paard de sporen en stak aan het hoofd van zijn leger de Rubi­con over. En dit had zoveel gevolgen dat men nog steeds de uitdrukking ‘de teerling is geworpen’ en ‘de Rubi­con oversteken’ gebruikt voor het ne­men van een belangrijk besluit.

Het hoofd van Pompejus

Zonder Italië te verdedigen vluchtte Pompejus met de Senaat naar Grie­kenland. Daar wilde hij troepen ver­zamelen om Caesar vanuit het oosten en vanuit Spanje aan te vallen. Cae­sar maakte zich niet druk om zijn te­genstander en veroverde eerst Italië. Vele aanhangers van Pompejus lie­pen naar hem over. Vervolgens trok hij naar Spanje, waar hij Pompejus’ troepen versloeg en opnieuw vele overlopers kreeg. Pas in de winter van 48 v. Chr. stak Caesars strijd­macht over naar Griekenland. Na enige schermutselingen hier en daar verpletterde Caesar de troepen van Pompejus bij Pharsalus. Pompejus vluchtte verder, nu naar Egypte. Zou men hem daar asiel ver­lenen? De koning, Ptolemaeus XII, was pas dertien jaar, maar de kroon­raad nam het besluit. Men zou Pom­pejus niet wegsturen en men zou hem niet welkom heten. Bij de landing werd Pompejus vermoord! Toen Caesar tien dagen later in Egypte landde, kon men hem het hoofd van Pompejus tonen. Caesar maakte nog een korte strafexpeditie door Klein-Azië om de vorsten te straffen die steun aan Pompejus hadden verleend en een opstand hadden ontketend. Alles liep daarbij zo op rolletjes dat hij aan een vriend kon schrijven: ‘Veni, vidi, vici!’ ofwel ‘ik kwam, ik zag en ik overwon!’

In het jaar 45 v. Chr. kon hij naar Rome terugkeren. Zijn soldaten wa­ren de oorlog moe geworden. Ze lie­ten dit duidelijk merken; er dreigde opstand. Caesar sprak slechts één woord tot hen, waarmee hij niet al­leen de dreigende opstand bedwong, maar ook alle soldaten de hun toeko­mende oorlogsbuit en triomf ont­nam. Hij sprak alleen maar: ‘Burgers…!’

Eind 45 trok Caesar naar Afrika. Daar had de verslagen Se­naatspartij zich verschanst met de hulp van de Numidische koning Juba. De republikeinen werden aange­voerd door Cato en ene Scipio. In 46 werden ze bij Thapsus door Caesar verslagen. Daarmee kwam aan het laatste republikeinse verzet een einde. Cato, Scipio, Juba en anderen pleeg­den zelfmoord.

Dictator voor het leven

Caesar liet zich enorme volmachten geven. Hij werd dictator voor het le­ven en hij kreeg het recht om de titel ‘Imperator’ te dragen, wat wil zeggen opperbevelhebber van het leger in het hele rijk. De bevoegdheden van con­sul, censor, opperpriester en tribuun, allemaal trok hij ze aan zich. Hij mocht voortaan de wetten maken, hij mocht rechtspreken zonder dat hier beroep op mogelijk was en hij mocht vrijwel alle magistraten benoemen. Kortom, het gezag van de Volksver­gadering, van de Senaat en van de magistraten was weggevaagd. Alleen Caesar bleef over! Het moet eveneens erkend worden dat Caesar zijn macht niet, zoals Marius en Sulla, gebruikte om zijn tegenstanders te vervolgen. ‘Laten we een nieuwe manier van overwinnen invoeren,’ zei hij, ‘en la­ten we proberen ons te handhaven door te vergeven en zacht te zijn.’ Hij ging erop toezien dat de provin­cies rechtvaardiger bestuurd en niet meer zo uitgezogen werden. Ook trachtte hij iets voor de armsten van Rome te doen. Hij gaf hun trouwens liever werk dan aalmoezen, en hij on­dernam daarom grote publieke wer­ken, zoals het plan tot het droogleg­gen van de Pontijnse Moerassen. Hij bracht ook de verdediging van de rijksgrenzen in uitstekende staat. Voorts wist hij de financiële positie van de staat weer gezond te maken. De tijdrekening, die geheel in de war was, verbeterde hij door invoering van een nieuwe, de zogenaamde Juli­aanse kalender.

Ook jij, Brutus?

Maar toen er geruchten gingen dat Caesar zich tot koning wilde laten uitroepen – en sinds de Etruskische koningen hadden de Romeinen een intense afkeer van de monarchie – konden zijn vijanden vrij gemakke­lijk zijn val bewerkstelligen. Zij kon­den nu immers zeggen dat ze de repu­bliek wilden redden… Er werd een complot gesmeed om Caesar te vermoorden. De voor­naamste samenzweerder was Cassius, een voormalige tegenstander van Caesar, die echter begenadigd was. Met Brutus, een tweede samenzweer­der, was dit ook het geval. Maar Bru­tus was intussen een beschermeling en vriend van Caesar geworden. Hij deed alleen mee, omdat hij de inner­lijke overtuiging had dat het staatsbe­lang dit eiste. De samenzweerders, al­lemaal senatoren, besloten snel te handelen vóór hun plan ontdekt werd. Ze kozen als datum de 15e maart 44 v. Chr. Er zou dan een be­langrijke Senaatsvergadering plaats­vinden. En ze wisten dat Caesar on­gewapend en zonder lijfwacht naar het Senaatsgebouw zou komen. Hoewel hij vanwege talrijke slechte voortekenen en herhaalde waarschu­wingen eerst niet wilde gaan, begaf Caesar zich op de bewuste dag toch naar die vergadering. Op een afgesproken teken trokken de samenzweerders hun dolken en vielen hun slachtoffer van alle kanten tege­lijk aan. Toen Caesar zag dat Brutus eveneens zijn wapen ontblootte, sta­melde hij teleurgesteld: ‘Ook jij, Bru­tus…?’

Vervolgens trok hij zijn toga over zijn hoofd en bezweek onder de dolksteken.

6e l;as Rome Julius Caesar

Een mooie vrouw

Tijdens zijn verblijf in Egypte raakte Caesar nog betrokken bij een konink­lijke familiestrijd. De jonge ‘Ptolemaeus XII regeerde samen met zijn zuster Cleopatra. Zij was geen katje om zonder handschoenen aan te pak­ken, en men had aan het hof op een ze­kere dag zo genoeg van haar streken en eisen dat men haar eenvoudig de stad uitzette. Dit gebeurde juist toen Caesar in Egypte kwam. Cleopatra ging gauw zijn hulp vragen. Omdat zij een mooie vrouw was, kreeg ze die.

Caesar mar­cheerde Alexandrië binnen, nam Ptolemaeus gevangen, maar werd toen plot­seling door het Egyptische leger aange­vallen. Samen met Cleopatra en de 13-jarige koning moest hij zijn toevlucht zoeken op het eiland Pharos, waar de vuurtoren stond. Hij zat daar zes maanden ingesloten vóór hij door Ro­meinse troepen ontzet werd. Caesar zorgde ervoor dat Cleopatra de Egyptische troon voor zich alleen kreeg en in de toekomst niets meer hoefde te vrezen. Maar nadat dit alles geregeld was, bleef hij vanwege haar charmes nog een hele tijd bij haar han­gen…

Omdat de Romeinen in ons land veel hebben nagelaten, is het vanzelfsprekend ook aan dat deel van de vaderlandse geschiedenis aandacht te besteden.

Dat kan bv. heel goed vanuit plaatselijke omstandigheden. Een vrijeschool in Nijmegen heeft allerlei mogelijkheden om de interesse van de kinderen voor de Romeinse tijd te wekken.

Julius Caesar in Engeland
E
en leesboekje in het Engels – een 6e klas met Engels vanaf klas 1 zou het met wat hulp moeten kunnen lezen.

Julius Caesar in de lage landen

In ‘Geschiedenis van de lage landenvan Jaap ter Haar staat in deel 1 heel veel wat je meteen kunt gebruiken en bijna letterlijk vertellen

*Steiner gebruikte het woord vaak om de overgang van vóór het 9e of 1oe jaar naar de tijd erna te karakteriseren.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

 .
703-642

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Voltaire

.

DE VONK DER REDE
.

‘Met geen uwer woorden ben ik het eens, maar uw rechgt van meningsuiting zal ik tot aan mijn dood verdedigen.’

Ve­len schrijven deze beroemde zin aan Voltaire toe. Ze vloeide evenwel uit de pen van één zijner biografen die zo op vol­maakte wijze Voltaires leven van strijd voor vrijheid van denken samenvatte. Hij was in een tijdperk van kwezelarij de eerste ver­lichte denker, en hij veranderde het in het Tijdperk van de Rede. 

Men heeft Voltaire wel een cynicus genoemd omdat hij zich het recht voorbehield te twijfelen aan hetgeen hij niet kon ge­loven. Voltaire is ook wel een atheïst genoemd. Hij gaf hiervan uitleg aan zijn Schepper, niet aan degenen die hem beschuldigden:

O verborgen God die spreekt uit Zijne werken
Hoor mijn laatste woorden nu:
Zo ik dwaalde, ik dwaalde zoekend naar Uw Wet,
Doch mijn dwalend hart was immer vol van U.

Dit zijn woorden uit een berouwvol, nederig hart. Nimmer be­streed Voltaire het eenvoudige geloof, wel echter bespotte hij de bijgelovige goedgelovigheid, die onterende vervalsing van het geloof.

Het kind dat als man het pseudoniem “Voltaire” zou voeren, werd op 21 november 1694 te Parijs geboren en Francois-Maric Arouet gedoopt. Op zevenjarige leeftijd verloor hij zijn moeder. Hij had een zwakke gezondheid en was erg klein voor zijn leef­tijd. Deze vurige kabouter had een schelmse lach en een onna­tuurlijke liefde voor de wetenschap. Op zeventienjarige leeftijd gaf hij het voornemen te kennen, letterkundige te worden. Papa Arouet, een maatschappelijk streber, die bovendien benauwend vroom was, vond dat een onfatsoenlijk beroep en dwong de jongen te gaan werken op een advocatenkantoor, waar hij glorieus mis­lukte. Hij werd daarna in diplomatieke dienst naar Nederland gezonden, alwaar hij prompt probeerde een meisje van arme ouders te schaken, en met schande overladen naar huis terugge­zonden werd. En nog steeds wilde hij schrijver worden.
“Schrijver zijn betekent honger lijden,” riep papa Arouet uit, en hij pro­beerde het lot een handje te helpen door hem te onterven. Binnen tien jaar was de jonge “monsieur Voltaire” een beroemd man.

Zijn succes was ook een beetje te danken aan de omstandigheid dat de censors bijna al zijn boeken verboden en na twee opvoerin­gen meestal ook zijn toneelstukken. Het gevolg was, dat de voor­aanstaande Parijzenaars de premières van zijn stukken in drom­men bijwoonden en de bijtende volzinnen in het geheugen prent­ten; zijn boeken deden de ronde alsof het de vlugschriften van de een of andere ondergrondse organisatie waren, en ook in het bui­tenland werden ze gretig gelezen. De officiële beschuldiging, die luidde dat Voltaire de openbare zeden bedierf, sloeg niet op de burgerlijke fatsoensnormen; het betekende wat het tegenwoordig in Rusland zou kunnen betekenen — dat kritiek op de regering de hoogste graad van “immoraliteit” was. De toneelstukken en fantastische romans speelden weliswaar gewoonlijk in exotische en vreemde landen, maar iedereen begreep de politieke dubbel­zinnigheden en schudde van het lachen. Nu is vrolijkheid een vlam die regeringen niet kunnen doven. Voltaire werd derhalve veroordeeld tot bijna een jaar gevangenisstraf in de Bastille.

Aan hem begaan onrecht kon Voltaire wel verdragen, maar niet het onrecht dat anderen werd aangedaan. Toen de beroemdste toneelspeelster van Frankrijk, Adrienne Lecouvreur, een vreselijke doodsstrijd streed, hoorde Voltaire die aan haar sponde zat, de priester van haar verlangen dat ze haar kunst als een zondig kijkspel zou verloochenen. Adrienne Lecouvreur weigerde fier. De priester verliet haar zonder geestelijke bijstand te hebben gegeven, en ze werd door de politie in een naamloos graf begraven. Vanaf die dag koesterde Voltaire haat — niet tegen het christen­dom, zoals wel wordt beweerd, maar tegen onchristelijkewreed­heden. “De man die mij zegt: ‘Geloof als ik, of God zal u ver­doemen,” vermaande hij, “zal al gauw zeggen: ‘Geloof als ik of ik zal u doden.”

Het duurde niet lang of Voltaire werd ten tweede male in de Bastille geworpen. Onder de belofte dat hij Frankrijk zou verlaten, werd hij vrijgelaten, waarop hij scheep ging naar Engeland. In Londen werd hij getroffen door de liefde — in plaats van de vrees — die men voor de koning koesterde. Hij kwam ook diep onder de indruk van de begrafenis van Isaac Newton in de Abdij van West­minster — in Frankrijk zou men zo’n onbelangrijk man als een geleerde niet hebben geridderd, laat staan met zoveel pracht begraven. Hij verbaasde zich over de macht en de onafhankelijk­heid van het parlement en bovenal over de rechtspleging in Engeland.

Voltaire heeft in zijn leven slechts één Amerikaan gekend, Benjamin Franklin, en die bewonderde hij zeer; maar hoeveel meer zou hij zich verwant hebben gevoeld met Jefferson die later schrijven zou dat “alle mensen gelijk geschapen zijn,” en dat ze “het onvervreemdbare recht hebben op vrijheid, leven en het nastreven van geluk!” Want dat waren gedachten waaraan Vol­taire lang voordat Thomas Jefferson werd geboren uitdrukking had gegeven.

In 1729 kreeg de toen 35-jarige Voltaire toestemming om naar Frankrijk terug te keren. Hij maakte handig gebruik van een ver­gissing die de regering bij het uitgeven van loterijbriefjes had be­gaan en wist een syndicaat op te richten dat alle briefjes opkocht. Hij schepte openlijk genoegen in zijn aldus verworven rijkdom. Hij hield van comfort, mooie kleren en fraaie rijtuigen. Hij was zich echter scherp bewust van het lijden om hem heen dat hij niet, zoals de genotzieke rijken en de op weelde gestelde geestelijkheid, gemakshalve toeschreef aan “Gods wil”. Hij had fouten in over­vloed. Hij was zelfzuchtig en twistziek; hij placht zich met om­standige leugens uit moeilijkheden te draaien, en als hij in we­zenlijk gevaar kwam te verkeren, koos hij het hazenpad. Niettemin bezat hij een van de belangrijkste zedelijke waarden: hij zag de mens als een vrij individu dat verantwoordelijk was voor zijn eigen daden, met zijn geweten als rechter.

Hij verafschuwde wreedheid en onverdraagzaamheid en be­streed ze op een geestige manier die voortkwam uit zijn gevoel voor rechtvaardigheid, door “woede te veranderen in een lach en vuur in licht.”

“Het is mijn vak,” zei hij, “om te zeggen wat ik meen.” En wat hij dacht vulde 99 boekdelen met toneelstukken, gedichten, romans en artikelen. Hij schreef ongeveer 8000 brieven aan be­roemde mensen. Catharina de Grote van Rusland schreef te hopen dat haar antwoordbrieven niet zo veelvuldig waren dat ze hem verveelden. Christiaan VII van Denemarken maakte zijn verontschuldigingen voor het feit dat hij niet alle hervormingen tegelijk doorvoerde. Gustaaf III van Zweden schreef dat hij poog­de te leven naar de door Voltaire gestelde maatstaven van men­selijkheid, en Frederik de Grote, toentertijd kroonprins van Prui­sen, kwam incognito om aan de voeten van de meester te zitten.

Degenen met wie Voltaire briefwisseling onderhield hadden moeite om zijn adresveranderingen bij te houden, want hij werd vaak gedwongen, onder te duiken. Herhaaldelijk lieten de censors zijn boeken in het openbaar verbranden, en geheel Europa kon bij het licht van die vlammen zien wat Voltaire dacht van hoge militairen, wondergenezingen, de goddelijke rechten van konin­gen, en het Heilige Officie van de inquisitie. Met één zin kon hij iemand vernietigen: kardinaal Mazarin, zo schreef hij, was schul­dig aan “alle goede daden die hij niet had begaan”.
In 1749 aan­vaardde Voltaire een veel vroeger gedane uitnodiging van Frede­rik de Grote om het nieuwe en boerse Pruisische hof te Potsdam met zijn aanwezigheid op te luisteren. Al gauw werd Voltaire, die zich ergerde aan het militarisme van de Pruisische Junkers, en die zich amuseerde om hetgeen het hof zich aanmatigde, Frederik een doorn in het oog, die hem gestadig meer last be­zorgde. Hij joeg Voltaire van het hof weg. Door wraakgierige invloed van Frederik, vond Voltaire daarop vrijwel elke grens voor hem gesloten.

In 1755 vond de bejaarde filosoof in de kleine, vrije Republiek van Genève een toevlucht. Drie jaar later kocht hij grond in Ferney, een kilometer of zes buiten Genève, op Frans grondgebied. Vrijwel een ieder die in Europa iets betekende, kwam hem daar opzoeken. Daar amuseerde Voltaire, het broodmagere lichaam gehuld in een prachtige geelsatijnen mantel, en de bekende schelmse lach op het gerimpelde gelaat, zijn gasten met de meest onderhoudende tafelgesprekken in Europa. Men kwam voor drie dagen en bleef drie maanden. “God behoede me voor mijn vrien­den!” verzuchtte hij. “Ikzelf bescherm me wel tegen mijn vijan­den.”

Ontelbare slachtoffers van godsdienstige en politieke vervol­gingen stelden zich onder zijn bescherming. Hij liet huizen voor hen bouwen en hielp de vaklieden onder hen, hun eigen zaak te beginnen — timmerlieden, schoenlappers, melkveehouders, we­vers en pottenbakkers. Het duurde niet lang of hij had een heel dorp op zijn landgoed, en hij bouwde er een kerk en een school voor de dorpskinderen. Men zou mogen hebben verwachten dat hij zijn laatste jaren in rust en vrede zou slijten, maar zijn bitterste strijd en zijn belangrijkste werk wachtten hem nog. In het jaar 1762 — een jaar waarin godsdienstfanatici nog immer de jaardag van de kettermoorden herdachten — vond men in een winkel in Toulouse een jongeman dood in een strop. Het gerucht wilde dat hij een protestant was die zich tot het katholicisme had willen bekeren, en dat zijn vader, Jean Calas, een zwak en zachtmoedig man, zijn grote, potige zoon had opgehangen. Galas werd na afgrijselijke martelingen terechtgesteld zonder dat hij een beken­tenis had afgelegd. Naarmate Voltaire zich meer in deze zaak ver­diepte, werd hem de erbarmelijke toestand van het strafrecht zoals dat in bijna geheel Europa — behalve in Engeland — ge­pleegd werd, steeds duidelijker. Er was geen jury geweest; men had de aangeklaagde geen rechtsbijstand verleend; de getuigen a charge legden in het geheim hun verklaringen af, en de rechters gedroegen zich als openbare aanklagers. Erger nog, Voltaire kwam erachter dat het merendeel der strafwetten zelfs niet op schrift stond, maar in de hoofden van de juristen werd bewaard en werd “uitgelegd” zoals dat voor het bewerkstelligen van een veroordeling het beste uitkwam.

Voltaire bestreed deze misstanden met inzet van al zijn invloed en zijn gehele vermogen. Drie jaar lang, zo zei hij, kon hij zich in feite geen lachje veroorloven. Hij wijdde doorwaakte nachten aan het bestormen van advocaten, geestelijken, koningen en de ganse Europese pers met de eis dat de zaak Calas werd heropend. Op het laatst moest de koning zelve voor de aandrang van het publiek zwichten, en de hele zaak opnieuw in beschouwing ne­men. De dode werd onschuldig verklaard. Deze zaak zette een hervorming van de sinds 800 jaar door de regeringen verwaarloos­de strafwetten aan het rollen.

De zaak Calas was nog niet gewonnen, of de slachtoffers van gelijksoortige onrechtvaardigheden klopten bij Voltaire aan. Niets wekte zijn woede meer op dan de macht van de geestelijkheid om leken die de godsdienstige wetten hadden overtreden te beschul­digen, te martelen en terecht te stellen. Hij eiste dat de geestelijk­heid zich van het bedrijven van politiek en het plegen van recht zou onthouden, en zich om de verwaarloosde zielszorg zou be­kommeren. Hiermee stelde Voltaire zich bloot aan een stortvloed van scheldtaal, maar stapje voor stapje wist hij het verschil tussen wetsovertreding en zondigen duidelijk te maken.

Deze stekelige oude man aanbad zijn vaderland en was bezeten van een onbedwingbaar verlangen, vóór zijn dood nog eenmaal zijn geliefde Parijs te aanschouwen. Op een februaridag in 1778 hield een Franse douanier een rijtuig aan om het op smokkelwaar te controleren. “Niets aan te geven,” klonk een vrolijke oude stem vanuit het rijtuig. “Ik ben de enige contrabande.” De douanier wierp het portier open. “Mon Dieu” riep hij uit, “het is monsieur Voltaire!” Miljoenen mensen kenden zijn rimpelige oude glim­lach.

Parijs haalde hem uitgelaten binnen. De Académie Française die hem tot zijn benoeming tot lid in 1746 jarenlang had afgewe­zen, opende haar armen. Op de trappen van de Comédie Française verzamelden zich alle acteurs om de toneelschrijver te begroeten. Zijn nieuwe toneelstuk kreeg een denderend applaus waaraan geen einde wilde komen. De feestelijkheden werden de oude man in mei echter te veel, en hij stierf op 83-jarige leeftijd. Hij liet ons in zijn laatste wil zijn gehele geloofsbelijdenis na.

“Ik sterf,” liet hij zijn secretaris opschrijven, “in aanbidding van God, in liefde voor mijn vrienden en in afschuw van bijgeloof.”

De geestelijkheid weigerde hem te begraven, en zijn lijk zou het lot van dat van Adrienne Lecouvreur hebben gedeeld, als zijn vrienden zijn lichaam niet tussen zich in hadden genomen, de wachtposten niet in de waan hadden gebracht dat Voltaire nog leefde, en het lijk niet haastig buiten de stad een behoorlijke begrafenis hadden gegeven.

Ten slotte echter begreep het Franse volk, dat worstelde met zijn tirannen, de man die had uitgeroepen: “Ontwaak, volk! Slaak uwe ketenen!”

In 1791, toen de Revolutie in volle gang was, werd het lichaam van Voltaire naar Parijs teruggebracht, waar het triomfantelijk een nacht lang te midden der puinhopen van de Bastille lag opgebaard. Een kwartmiljoen mensen verdrong zich langs de erewachten om zijn stoffelijk overschot eer te be­wijzen, alvorens het werd overgebracht naar het Panthéon, waar Frankrijks grote mannen begraven liggen. En terwijl de stoet voorwaarts ging, wapperde er een banier in de wind, met de woorden:

“Hij gaf de menselijke geest vleugels. Hij bereidde ons voor op de vrijheid.”

 

alle biografieën

702-641

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-4)

.

Lindenberg geeft in zijn weekplanning aan dat ook de Gracchen behandeld moeten worden.
.

TWEE VOORUITSTREVENDE BROERS
.

De boeren werden vervangen door slaven
.
Hoewel de slaven voor een belangrijk deel bijdroegen tot de economische
macht die Rome in de wereld was gaan vormen, zorgden ze ook voor
onverwachte maatschappelijke problemen die vooral na de Punische
Oorlogen de kop opstaken. Vele boeren kwamen in moeilijkheden. De
troepen van Hannibal waren plunderend over het Apennijnse schiereiland
getrokken en hadden tal van boerderijen verwoest. Vele boeren, ook
plebejische, waren in militaire dienst op­geroepen, wat velen in moeilijkheden had gebracht. Velen waren gesneu­veld, anderen hadden zich diep in de schulden moeten steken om hun be­drijfjes tijdens hun afwezigheid draaiende te houden. Voor rijke lie­den was het geen kunst om in die na­oorlogse jaren tientallen boerenbe­drijfjes op te kopen. Ze voegden de landerijen samen tot onafzienbare plantages, waarop honderden, vaak zelfs duizenden slaven het werk ver­richtten. Een slaaf was altijd nog goedkoper dan een betaalde werkkracht. We zouden kunnen zeggen dat op deze manier de landbouw op grote schaal werd gesaneerd. Zij die noodgedwongen afstand van hun boerderij hadden moeten doen, trok­ken massaal naar Rome, zoals alle eeuwen door de grote, rijke steden een grote aantrekkingskracht op de armen hebben uitgeoefend. Maar ook in Rome vonden ze geen werk; ook daar werd de meeste arbeid door slaven verricht. Aan slaven was im­mers geen gebrek, zeker niet toen de oorlog juist achter de rug was en tal­loze Puniërs in gevangenschap waren geraakt.

Zo werd Rome allengs bevolkt door mensen zonder bezit en zonder een ander vak dan dat van boer. Ze beza­ten eigenlijk maar twee dingen: de Romeinse burgerrechten en veel, heel veel kinderen.

Om het eerste, de burgerrechten, vormden de armen van Rome een toch niet te verwaarlozen groep. Ze mochten immers in de Volksvergade­ring stemmen en daarom dongen zij die de macht begeerden naar de gunst van deze armen. Ambitieuze politici beloofden het volk brood en spelen, met andere woorden: voldoende voedsel en genoeg amusement om de tijd te doden. De armen waren daarom te vinden in het circus of in een van de andere grote stadions en thea­ters, óf ze brachten hun tijd door in de Volksvergadering.
Aan de tweede reden, hun rijke kin­dertal, dankten ze hun naam:
prole­tariërs of ‘kroostbezitters’. De vele kindertjes immers vormden de enige ‘rijkdom’ van de armen en speelden alleen al een grote rol als het ging om voedsel en andere uitdelingen. Er waren politici die wel begrepen dat het snel toenemend aantal prole­tariërs voor Rome een gevaar zou gaan betekenen. Twee van de politici die de toestand niet meer gezond von­den, waren de gebroeders Gracchus.

De roem van Cornelia

Tiberius en Gaius Gracchus kwamen uit een aanzienlijk en ontwikkeld
mi­lieu. Hun moeder Cornelia was een dochter van de held Scipio de
Afri­kaan die Hannibal had verslagen. Zij had kwaliteiten en zij was een van de leidende persoonlijkheden in de Ro­meinse hogere kringen. Zij
verzamel­de alle mensen om zich heen die iets te betekenen hadden. De riante wo­ning van Cornelia onderscheidde zich door de culturele belangstelling die er heerste. Het meest welkom waren natuurlijk de Griekse kunstenaars. Maar ook Romeinse schrijvers verschenen er. Aan Cornelia komt de eer toe dat ze door deze vermenging het letterkundig leven van Rome enorm gestimuleerd heeft. Haar roem ging tot over de grenzen. Het schijnt zelfs dat Ptolemaeus haar ten huwelijk heeft gevraagd en haar tot koningin van Egypte wilde maken!
In deze om­geving groeiden Tiberius en Gaius op. Het Griekse stempel dat hun opvoeding kreeg, gaf hun natuurlijk een wat ruimere blik. Ze bekeken de za­ken niet alleen van de nuchtere Romeinse kant maar ook van de meer filosofische Griekse kant. Hierbij kwam uiteraard nog dat ze de best denkbare relaties hadden en daarmee grote mogelijkheden in de politiek.

Een onfatsoenlijke streek

Tiberius Gracchus werd voor het jaar 133 v. Chr. als volkstribuun geko­zen. Hij kwam toen met de eis dat de zogenaamde Licinische wetten, die in het vergeetboek waren geraakt, opnieuw van kracht zouden worden ver­klaard. Deze wetten hadden onder meer bepaald dat niemand meer dan 125 hectare van de staatslanderijen in bezit mocht hebben. Tiberius wilde dat grotere grondbezittingen zouden worden verdeeld onder de vele werk­loze boeren, die als pachters zouden optreden. Hij vergat niet de groot­grondbezitters een ruime vergoeding toe te denken in zijn hervormingspro­gramma.

Het plan kreeg de instemming van de Volksvergadering. Maar de
tegen­standers – de grootgrondbezitters, waartoe ook alle senatoren
behoor­den – zaten niet stil. Als de Volksvergadering een wet aan­nam, hoefde je maar een van de tri­bunen zover te krijgen dat hij ‘Veto’ (= Ik verbied het) zei en de wet kon niet meer worden uitgevoerd. Er wa­ren tien tribunen. De Senaat had geen moeite er een te vinden die bereid was het verlammende ‘Veto’ uit te spre­ken.

Hevig verontwaardigd over deze on­fatsoenlijke streek van de Senaat, besloot Tiberius tot een forse maatre­gel. Hij verzocht het volk de dwars­liggende tribuun uit zijn ambt te ont­zetten. En hoewel de tribunen onaan­tastbaar waren, werd de betrokken tribuun weggestemd!
Tiberius kreeg nog wel de gelegenheid een begin te maken met zijn landverdeling. Er werd een college van drie mannen aangewezen om de plannen te verwe­zenlijken: Tiberius zelf, zijn broer Gaius en zijn schoonvader Appius Claudius. Maar toen Tiberius in 133 v. Chr. probeerde herkozen te worden, wisten zijn tegenstanders hem tijdens een gewapend conflict te laten vermoorden.

De hervormingen van Gaius

Dankzij Tiberius Gracchus waren 70.000 burgers landbezitters gewor­den. Bovendien was voor het eerst in de geschiedenis gebleken dat men de machtige, eerbiedwaardige Senaat met enig succes kon uitdagen. Tien jaar later zette Gaius Gracchus, de jongere broer van Tiberius, de her­vormingen voort. Hij werd tribuun in 124 v. Chr. Onmiddellijk begon hij het probleem van de werkloosheid en armoede aan te pakken. Hij handhaafde niet alleen het idee van landverdeling van zijn broer, maar hij stelde ook maatregelen voor als: emigratie naar de overzeese provincies waaronder het verdoemde gebied van Carthago!), de aanleg van wegen naar afgelegen landbouwgebieden in Italië en het maandelijks uitdelen van graan tegen zeer lage prijzen. Met die wegen zouden niet alleen de wegarbeiders aan werk geholpen zijn, maar zouden de boeren gemakkelijker hun landbouwproducten naar de markt kunnen vervoeren. De uitdeling van goedkoop graan zou betekenen dat het volk voortaan verzekerd was van het hoofdbestanddeel van zijn voedsel.
Gaius Gracchus liet gro­te graansilo’s bouwen en liet het graan tegen een lage standaardprijs verkopen.

Mevrouw had moeten wachten

‘Niet lang geleden kwam een consul naar Teanum. Zijn vrouw zei dat ze graag een bad wilde nemen in het badhuis van de mannen. De quaestor Marius kreeg opdracht alle baders weg te sturen. De vrouw vertelde achteraf aan haar man dat ze had moeten wachten en dat de baden niet schoon waren geweest. Meteen richtte men op het stadsplein een paal op, om Marius, de aanzienlijkste man van de stad, aan vast te binden en een aantal stokslagen te geven.’
Met dit verhaal vestigde Gaius Gracchus tijdens een van zijn redevoerin­gen de aandacht op het wangedrag van de overmoedige patriciërs.

Een nieuwe stand: de ridders

Zoals alle politici kon Gaius het niet zonder stemmen doen. Om zijn posi­tie te versterken, won hij de steun van de ‘ridders’. Dit was een nieuwe groep in de Romeinse samenleving. De ‘ridders’ of ‘ruiters’ waren oor­spronkelijk de niet-patriciërs die ver­mogend genoeg waren om op eigen kosten dienst te nemen bij de ruiterij. Naderhand kwamen de grote kapita­len in hun handen, omdat de patri­ciërs zich te goed achtten voor de handel. De patriciërs vonden de land­bouw een edeler beroep. Aan de sena­toren was het bovendien verboden om aan handel – althans buitenlandse handel – te doen. Gaius wist de ridders op zijn hand te krijgen door aan hen het rechtersambt op te dragen. Daarvóór was de rechtspraak in han­den van de patriciërs geweest. Het be­tekende een klap voor de Senaatspar­tij, want de patriciërs waren gewend geweest zich in de provincies op schandelijke wijze te verrijken, in de wetenschap dat ze in geval van een proces door hun eigen mensen zou­den worden berecht en vrijgesproken. De ridders daarentegen lieten zich aan de patriciërs niets gelegen liggen! Bovendien kregen de ridders (rijke kooplui, speculanten en geldwisse­laars) door het rechtersambt een enorme macht, die ze veelal ten eigen bate zouden aanwenden.

De Senaat hielp een handje

Gaius Gracchus kwam echter ten val toen hij voorstelde de verschillende Italiaanse bondgenoten het Romeinse burgerschap te verlenen. Want daar voelde het Romeinse volk niets voor. Het piekerde er niet over zijn
voor­rechten, zoals goedkoop graan, toe­deling van het land en gratis gladiato­rengevechten, met anderen te delen. Vele varkens zouden immers de spoe­ling dun maken. De bondgenoten moesten maar voor zichzelf zorgen! Zo kwam het Romeinse volk in op­stand tegen zijn eigen weldoener. De senatoren hielpen natuurlijk een handje. Ze maakten ijverig stemming tegen de man die ‘nota bene een kolo­nie wilde stichten op de verdoemde plaats van Carthago’.
Tijdens een onrustige offerplechtig­heid werd een lictor door een van Gaius Gracchus’ aanhangers gedood. Lucius Opimius, de consul, was vast van plan om van deze gebeurtenis ge­bruik te maken om Gracchus ten val te brengen. Hij had Kretensische boogschutters, die zich toen juist te Rome bevonden, op het Capitool ontboden. Alle aanhangers van de Senaat werden opgeroepen om gewa­pend te verschijnen. Ook die leden der ridderschap, die de Senaat trouw waren gebleven, kwamen op, elk door twee gewapende slaven verge­zeld. De Senaat besloot de consuls met onbeperkte volmacht te bekleden en hun recht te verlenen om de moor­denaars desnoods met aanwending van geweld te tuchtigen. Gracchus en zijn vrienden gingen naar de Aventijn en verschansten zich in de tempel van Diana. De aanval kwam. Onder aan­voering van de consul Lucius Opimius rukten de gewapende senatoren, door de Kretensische boogschutters en de adellijke ridders vergezeld, op de Aventijn aan. Bijna zonder slag of stoot werd de kleine bende omsingeld en overhoop gestoken. Gracchus wil­de zichzelf van het leven beroven, maar vrienden bezworen hem dit niet te doen, want hij kon nog zoveel tot stand brengen. Toen vluchtte hij, ver­gezeld van een slaaf. Hij bereikte de andere oever van de Tiber, maar ver­stuikte in de haast zijn voet. Een paard was nergens te krijgen. In het bos van Furina vond men later zijn lijk en dat van zijn slaaf. Ongetwij­feld op bevel van zijn meester had de trouwe dienaar eerst zijn heer en daarop zichzelf van het leven be­roofd.

Het volk vergat de Gracchen echter niet. Eerst na de dood van de
voor­treffelijke mannen zag het in wat het in hen verloren had. Cornelia werd voortaan nooit anders dan ‘de moeder der Gracchen’ genoemd, waarmee men zowel de moeder als de zoons wilde eren.
.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas geschiedenis

.

701-640

.

VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

[1] Rudolf Steiner over schrijven en lezen: alle artikelen

[2-1De voorbereiding voor het schrijven
Pieter HA Witvliet over: voorbereiding; zit-handhouding; aanwijzingen Audrey McAllen; het belang van beweging en beheersing motoriek; aanwijzingen voor vormtekeningen als voorbereiding op het schrijven; welk schrijfmateriaal; recht en rond; voorbeelden van (verkeerde) schrijfhouding en penvoering.

[2-2De voorbereiding voor het schrijven
Pieter HA Witvliet over: voorbeelden van voor-oefeningen (vormtekeningen); recht en rond; variaties; waar op te letten.

[2-3] 1e klas – schrijven:
Elisabeth Klein over: schrijven in de 1e klas: wat is beeld; klinker-medeklinker.

[2-4] 1e klas – schrijven
G.Hartman over: de uitgangspunten van het schrijven in de 1e klas.

[2-5] 1e klas – schrijven
D.J.van Bemmelen over: de uitgangspunten van het schrijven in de 1e klas. Met voorbeelden van letters.

[2-6] Duimpje     1e klas – schrijven
Sieglinde Fischer geeft een voorbeeld van hoe je met een zelf bedacht verhaal de kinderen letters kunt aanleren

[2-7] 1e klas – schrijven en lezen
Irmgard Hürsch geeft een voorbeeld van: voor het eerst leren lezen.

[2-8] 1e klas – schrijven
Monique Kok geeft een voorbeeld van het aanleren van een letter (W.

[2-9] 1e klas – schrijven
Rudolf Treichler beschrijft zijn manier om de kinderen letterbeelden aan te leren.(deel van een artikel over de 1e klas; het laatste deel behandelt het rekenen)

[2-10] 1e klas – schrijven
Ingrid Boelens over: de methode José Schraven i.v.m. de door Steiner beschreven methode; autoriteit in de klas.

[2-11] 1e klas schrijven – de omgekeerde weg
Kees Warmerdam
over: het hierboven genoemde artikel van Ingrid Boelens, met dezelfde conclusie: de methode Schraven is géén vrijeschoolmethode; ontwikkelingsgericht contra opbrengstgericht.

[2-12] Ontdekkend leren en lezen
Ewald Vervaet
over: Piaget en Steiner: grote overeenkomsten; onomkeerbaar en omkeerbaar denken bij kleuters; hoe leert een kind lezen – voorbeeld;
Jacqueline van Laerhoven, vrijeschoolleerkracht over ervaringen met de opvattingen van Vervaet.

[2-13] Het eerste schrijfonderwijs
Willy Aeppli
over: beeldschrift bij verschillende volken; kind heeft beeldbewustzijn; kind leeft in beweging; van beeld naar teken; klinker – medeklinker; van beeld naar abstractie.

[2-14] Het belang van de eerste klas op de vrijeschool
D.J. van Bemmelen
over: in alle rust leren schrijven vanuit het beeld; het belang van spel; kunstzinnig onderwijs.

zie 8 voor methodes

[3-1] 1e klas – schrijven
Rudolf Steiner: over wel of geen blokletter schrijven.

[3-2] 1e klas – schrijven
Rosemarie Jänchen over: waarom geen drukletters schrijven

3-3] Moet de drukletter schriftelijk worden geoefend om te leren lezen?
Begeleingsdienst, Luc Cielen, Pieter HA Witvliet: over blokletters schrijven? Geen blokletters schrijven.

[3-4] De opmars van de blokletter
Aob-blad over: voor en tegen de blokletter: verschillende opvattingen.

[4] 1e klas: Nederlandse taal waaronder schrijven/lezen.

[5] 1e klas: Nederlandse taal waaronder schrijven/lezen

[6] Lees- en schrijfmoeilijkheden bij kinderen
Alfred Bauer: gezichtspunten.

Dyslexie
Men weet eigenlijk niet wat het is

Dyslexie
Balt van Raamsdonkzelf dyslectisch – ontwerpt eigen methode.|
Opmerkelijk veel overeenkomsten met visie van Steiner.

[7]Schrijver Maksim Gorki leert lezen
Olaf Oltmann vertelt over Gorki als vijfjarige die letters leert (uit beelden)

[8-1] Monique Derwig ontwikkelde een schrijfmethode op muziek voor kinderen die met schrijven veel moeite hebben. Allerlei onderdelen vinden we terug in het vrijeschoolonderwijs.

[8-2] Jos Bruschke en Ton Baan ontwierpen in 2002 een nieuwe schrijfmethode: schrijven tussen lijntjes wordt losgelaten en schrijven en motoriek passen als een ritssluiting in elkaar.

Zie [2-10] 1e klas – schrijven
Ingrid Boelens over: de methode José Schraven i.v.m. de door Steiner beschreven methode.

[9] ‘Uit de oude doos‘.
Marius Lindeman over: moet je wel met kleuters gaan schrijven? Motoriek en vaardigheid.

[9-1]Leren lezen en het belang van motorisch vaardig zijn
Philia de Vries
over: Leuke spelletjes voor in de vakantie….en ook aan de leer- en leesvoorwaarden van je kind werken, het kan!  n.a.v. het boek van Marijke van Vuure: dyslectie en touwtjespringen; het belang van eerst motorisch ‘klaar’ zijn om te gaan schrijven en lezen.

[9-2] De waarde van het handschrift bij lezen, schrijven en denken
Manfred Spitzer over: taal; het schrift (beelden naar abstract); wat gebeurt er bij lezen; relatie met denken en hersenwerking; toetsenbordactiviteit voegt voor ontwikkeling niets toe; bijkomende bedreiging voor ogen.

[9-3] Hoe handschrift kinderen helpt bij de ontwikkeling van lezen en schrijven
Set-up to learn over: een onderzoek en experiment: leren kinderen beter schrijven en lezen met een toetsenbord en de programma’s die daar bij horen of door een handschrift te gebruiken; het blijkt dat het handschrift gunstigere resultaten heeft; daarnaast blijkt ‘vrij’ schrijven ook van positieve invloed.

[9-4] Schrijven en ons brein
Aartje Schoenmaker over: in Finland werd in 2014 het schrijven in het onderwijs afgeschaft: men ging over op typen; geen goed idee i.v.m. hersenontwikkeling.

[10] Waarmee laten we onze kinderen schrijven?
J.P. Westerik in een oud artikel met nog verrassende gezichtspunten over: gebruik balpen, vulpen, schrijfhouding, handschrift.

[11] Lezen, een suggestie
Pieter HA Witvliet 
over: voor de beginnende lezer zijn er niet zoveel boekjes met een ‘literaire’ inhoud. Vrijeschoolleerkracht Max Stibbe† stelde een boekje samen met de vertelstof van de 2e klas: de fabels, om deze met de kinderen te lezen.

[12-1] Kinderen lezen slecht? Pisa-scores zeggen niet alles
Gert Biesta over: hoe komt het Pisa-rapport tot stand; voor welke leeftijd (15-16 jaar!) Pisa is beperkt; over de ‘ranglijstdwang’; gevaar Pisa-info groter te maken dan die is.

[12-2] Lezen kan anders
Anne Steenhoff over: dat kinderen slecht lezen, ligt aan ons; minder begrijpend lezen; meer literatuur in de klas; en lees die boeken als leerkracht zelf.

[12-3] De leesvaardigheid daalt, grote kans dat ‘begrijpend lezen’ een van de daders is
Erna van Koeven
over: begrijpend lezen, wat het doet en wat niet; hoe lezen ‘oppervlakkiger’ wordt; géén oppervlakkige teksten; lezen integreren.

[12-4] Achterstand
Evan Naaijkens/ Marjolein Moorman over: méér aandacht voor de wereld: niet alleen technisch lezen; pleidooi voor onderwijs vol verhalen, poëzie en jeugdliteratuur.

[12-5] We doen hier niets geks
School ‘De sterrenpracht’ (geen vrijeschool) over: wat doen wij met leesonderwijs in de 6e klas?
Een pleidooi voor vakkenintegratie en rijke teksten.

Het eerste leesboekje in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs.

.

700-639

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-3)

.
DE TANKS VAN HANNIBAL
.

Een onverzoenlijke haat

Hannibal, die tijdens de Eerste Punische Oorlog geboren was, zou altijd een onverzoenlijke haat tegen Rome blijven koesteren. Hoe kwam dat? De Griekse geschiedschrijver Polybius laat hem het zelf vertellen: ‘Mijn vader stond op het punt naar Spanje te vertrekken om daar oorlog te gaan voeren. Ik was negen jaar. Hij bracht een offer aan de goden. Ik stond daar ook bij het altaar, niet ver van hem af. Toen hij de wijn geplengd had en alle riten had volbracht, vroeg hij de aanwezigen zich even terug te trekk­en. Daarop liet hij me dichterbij komen en vroeg me vriendelijk of ik hem wilde volgen naar het leger. Ik zei geestdriftig ja, ik smeekte hem zelfs met kinderlijke hevigheid me mee te nemen. Toen nam hij mijn rechterhand, leidde me naar het al­taar en liet me zweren dat ik nooit een vriend van de Romeinen zou wor­den’.

Hij maakte geen verschil tussen dag en nacht

Reeds op 26-jarige leeftijd kreeg Hannibal het opperbevel over de Carthaagse troepen in Spanje. Ondanks zijn jeugd was hij al een groot veldheer. Zoals Livius vertelt: ‘In niemand hadden de soldaten meer vertrouwen en tegenover niemand waren ze openhartiger. Hij ging altijd stoutmoedig op het gevaar af, en zo­dra hij zich erin bevond, toonde hij veel koelbloedigheid. Geen arbeid kon zijn geest of zijn lichaam ver­moeien. Hij verdroeg de kou even goed als de hitte. Bij het eten en drin­ken hield hij alleen rekening met zijn behoeften en niet met zijn plezier. Voor slapen en waken maakte hij geen enkel verschil tussen de dag en de nacht. Hij ging gewoon slapen als hij even niets te doen had. Dikwijls zag men hem, tussen de schildwach­ten, onder een deken op de grond lig­gen. Hij was verreweg de beste ruiter en de beste infanterist. Als eerste ging hij in de aanval en als laatste keerde hij terug’.

Een machtig wapen: strijdolifanten

Zodra Hannibal meende dat hij sterk genoeg was om zich met de Romeinen te meten, veroverde hij de Spaanse stad Saguntum. Hier woonden welis­waar Grieken, maar die hadden een verbond met de Romeinen. Hannibal veroverde de stad en liet alles plat­branden. We schrijven het jaar 219 v. Chr. Rome kwam zijn verplichtin­gen aan de Grieken na en eiste van Carthago dat het Hannibal zou uitle­veren. Toen het dit weigerde, ver­klaarde Rome de oorlog. Precies wat Hannibal gewild had. Na een aantal schermutselingen in Spanje, besloot Hannibal het jaar daarop het strijd­toneel naar Italië te verplaatsen. Zijn officieren waren verbluft toen ze hoorden hoe hij dat wilde doen. Om­dat Rome de zee beheerste, legde hij uit, zouden zij te land aanvallen. Ze zouden hun leger over de Pyreneeën en vervolgens over de Alpen naar Noord-Italië voeren. Toen men in Rome van dit plan hoorde, werd men nauwelijks ongerust. Het plan leek namelijk onuitvoerbaar. Toch stuur­de men voor alle zekerheid onder be­vel van Scipio een leger over zee naar Gallië (Frankrijk) om de eventuele Carthaagse strijdmacht op te vangen, Hannibals leger bestond uit 90.000 man voetvolk, 12.000 ruiters en 37 krijgsolifanten. Carthago was op zijn olifanten al even trots als op zijn ma­rine. Men zei dat zich in de stallen van de stad wel 300 van deze dieren bevonden. Een deel hiervan was dus naar het Europese vasteland
ver­scheept. Vanwege hun onstuitbare kracht kan men de krijgsolifanten misschien het best vergelijken met de tanks van vandaag. De Romeinen hadden er voor het eerst mee kennis­gemaakt tijdens hun gevechten met Pyrrhus. Vooraan op de rug van de olifant zat gewoonlijk één man die het dier bestuurde. Achter hem was een bak geplaatst, van waaruit een aantal boogschutters de vijanden be­stookte. Tijdens de veldtocht door Spanje verloor Hannibal ongeveer een kwart van zijn strijdmacht, ter­wijl hij ook nog de minst geoefende soldaten ontsloeg. Zijn leger bestond toen nog uit 50.000 man voetvolk, 9000 ruiters en 37 olifanten.

Star onder het ijs

Hannibal rukte op en kwam aan de Rhône. Er was geen Romein te zien. Scipio lag nog met z’n leger in Massilia (Marseille) en Hannibal besloot snel verder te gaan. Toen Scipio ein­delijk oprukte, was Hannibal hem ve­le dagmarsen voor. De Galliërs, die nog probeerden Hannibal tegen te houden, werden verslagen. Toen kwam het ogenblik waarop de Carthagers voor een zeer machtige vijand kwamen te staan: de Alpen. Scipio besefte dit en ging ervan uit dat Han­nibal nooit over de Alpen zou kunnen komen. Hij stuurde z’n broer met troepen naar Spanje om er de Car­thaagse versterkingen te verslaan en Hannibals voorraden te veroveren. Zelf ging hij met een handvol solda­ten terug naar huis. Hannibal stond in de vroege herfst aan de voet van het gebergte. De eerste sneeuw begon te vallen. Maar laten we naar Livius luisteren:
‘Hoewel men zich op grond van wat er over verteld werd al een voorstel­ling van de werkelijkheid gemaakt had en zo’n voorstelling meestal overdreven is, kregen ze toch weer een nieuwe schok, toen ze van nabij die hoge bergen zagen: die sneeuw die zich bijna verliest in de hemel, die vormeloze hutten tegen de rotsen aangeplakt, die schapen en ezels ver­schrompeld door de kou, die behaar­de en primitief geklede mensen, die hele bezielde en onbezielde wereld star onder het ijs…’.

Een list

Alsof de natuurlijke hindernissen niet al genoeg waren, bleken de bergbe­woners Hannibals troepen ook nog te willen tegenhouden: Toen ze langs de eerste hellingen omhoogtrokken, vertoonden zich bergbewoners op de heuvels die hun route beheersten. Als dezen in tussendalen een meer ver­dekte stelling hadden betrokken om dan ineens gezamenlijk aan te vallen, zouden ze paniek en grote verliezer hebben veroorzaakt. Daarom liet Hannibal halt houden en nadat hij van Galliërs, die vooruitgezonden waren om de omtrek te verkennen, gehoord had dat men daar niet langs kon, sloeg hij zijn kamp op in de wijdste vallei die hij vinden kon tus­sen al die oneffenheden en steilten. Daarop hoorde hij van diezelfde Gal­liërs dat de pas alleen maar overdag werd bezet: ’s nachts ging ieder weer naar zijn eigen huis. Bij het eerste morgenlicht rukte hij daarom op te­gen de heuvels, alsof hij openlijk en overdag een aanval op de pas wilde doen. Nadat hij de dag met die schijnmanoeuvres had doorgebracht, betrok hij weer op de oude plaats een versterkt nachtkwartier. Zodra hij echter merkte dat de burgerbewoners van de heuvels waren weggegaan en dat er niet meer gewaakt werd, liet hij eerst als camouflage méér vuren aan­leggen dan nodig waren voor degenen die in het kamp moesten blijven, te weten de ruiterij, de tros (legerbagage met daar bijbehorende manschappen) en het me­rendeel van de infanterie. Vervolgens beklom hijzelf met de dapperste mannen die hij had, zonder enige bepak­king mee te nemen, in aller ijl de bergpas en bezette de vijandelijke stelling op de heuvels’.

Met het geweld van instortende muren

Hiermee waren de bergbewoners he­laas nog niet bedwongen, zoals blijkt uit de verdere uiteenzetting van Livius:
“De volgende morgen vroeg brak men het kamp op en begon de rest van het leger zich in beweging te zetten. Reeds verlieten de bergbewonersop een gegeven signaal, hun dorpen om hun gewone posten te betrekken, toen ze daar in de hoogte plotseling vijanden zagen en ­tegelijkertijd andere vijanden die langs de weg gingen. De waarneming van deze twee feiten en de gedachte aan de gevolgen daar­van deden hen een ogenblik als aan de grond genageld staan. Vervolgenstoen ze bemerkten wat een verwarring er op die nauwe weg heerste en hoe de colonne daardoor zichzelf al in moeilijkheden bracht (vooral de paarden bleken onhandelbaar), vatte de gedachte bij hen postdat er van hun kant maar een kleinigheid gedaan hoefde te worden. De angst daarvoor zou de vernietiging van al­len ten gevolge hebben. Zo stormden ze telkens naar beneden van de rotsen aan weerszijden, door hun ver­trouwdheid met het terrein onbekom­merd om pad of geen pad. Toen kregen de Carthagers het pas echt te kwaad, én met de vijand en met de onmogelijke weg: ja, ze vochten nog het meest met zichzelf, omdat ieder het eerst aan het gevaar wilde ontkomen. De paarden brachten de voortmarcherende troep in de grootste moeilijkheden. Ze werden zenuwachtig door al die voor hen onbegrij­pelijke kreten, welke door de weerkaatsing tegen beboste hellingen nog harder klonken. En wanneer ze ge­troffen of anderszins gewond wer­den, steigerden ze zo hoog op, dat ze ontzaglijk veel mensen en bagage van allerlei aard op de grond wierpen. Het gedrang dat dan ontstond, deed velen in de afgronden ter weerszijden van de nauwe weg storten, zelfs enke­le soldaten. Maar de lastdieren met hun bepakking vielen naar beneden met het geweld van instortende mu­ren’.

Zo werd er maar wat rondgebuiteld

En de Carthagers waren nog niet eens in het hooggebergte! Daar, op de nog steilere wegen en in de nog dikkere la­gen sneeuw, leek hun hele onderne­ming dan ook te stranden:
‘De weg was ten gevolge van een lawi­ne geheel verdwenen. Toen de ruiters daar halt hielden, als hadden ze hun bestemming bereikt, liet Hannibal vragen wat het oponthoud veroor­zaakte. Men rapporteerde hem dat men voor een afgrond stond. Daarop ging hij zelf kijken. Onmiddellijk zag hij in, dat men een omweg moest ma­ken – hoe lang deze ook worden zou – over de nog onbetreden omgeving van de weg. Maar dat bleek helemaal onmogelijk. Er was daar namelijk op een oude sneeuwlaag weer verse sneeuw gevallen en deze, die nog zacht was en niet erg hoog lag, bood eerst wel een makkelijke ondergrond voor degenen die erop liepen. Toen ze echter onder de voeten van zoveel mensen en dieren wegsmolt, ging de tocht over het ijs daaronder en door het smeltwater. En dat werd een afschuwelijke worsteling. Men kon op het gladde ijs niet overeind blij­ven, des te minder omdat men berg­afwaarts liep. Zodat de soldaten, zelfs als ze steunend op de handen of op een knie wilden opstaan, hun steun voelden wegglijden en voor de tweede maal neervielen. En geen boomstam of wortel zagen ze om er de voet tegen schrap te zetten of zich aan op te hijsen. Zo werd er maar wat rondgebuiteld in die vlakte van louter ijs en sneeuw­water. De lastdieren zakten soms ook in de onderste sneeuw weg, en wan­neer ze vielen en te hard met hun benen sloegen bij hun pogingen om weer op te staan, braken ze er hele­maal doorheen, zodat zeer vele, als in voetboeien gekluisterd, vastzaten in de harde en dikke ijslaag’.

Fabius de Draler

Met niet meer dan 20.000 man voet­volk, 6000 ruiters en 20 olifanten be­reikte Hannibal ten slotte de Povlakte. De rest van zijn leger was gedood door de Zwitserse bergstam­men, in de afgronden gestort of doodgevroren. De verzwakte strijd­macht bleek echter nog voldoende om de Romeinse legers te verslaan, eerst bij de rivier de Ticinus, later bij de Trebia. Na deze successen voegden de Galliërs die in de Povlakte leef­den, zich bij de Carthagers en kwa­men in opstand tegen Rome. Hanni­bal stak toen de Apennijnen over en drong in Etrurië door. Bij het Trasimeense Meer lokte hij de Romeinen in een hinderlaag en hakte opnieuw hun legers in de pan. Heel Etrurië lag toen voor de Carthagers open! Zou hij hierna op Rome afgaan? Hanni­bal verkoos langs de stad heen te trekken. Hij hoopte Rome’s buurvolken tot een opstand te bewegen en de stad op die manier te isoleren. Maar de buurvolken reageerden niet zoals de Galliërs gedaan hadden. Ze bleven Rome trouw. Ditmaal had Hannibal zich dus vergist. In Rome vond men dat de kritieke situatie om een dicta­tor vroeg. Men wees Quintus Fabius Maximus aan, een reeds bejaard man, bekend om z’n onverstoorbare kalmte. Deze koos een geheel eigen tactiek. In plaats van openlijk slag te leveren met de Carthagers, bestookte hij hen alleen maar en trok zich steeds tijdig terug. Het bleek een goe­de methode te zijn, die de Carthagers meer en meer uitputte. De Romeinse dictator kreeg dan ook de bijnaam ‘Cunctator’ en dat betekent ‘de Dra­ler’.

Een staaltje van Romeinse vaderlandsliefde

Op een zeker ogenblik werden de Ro­meinen toch ongeduldig. Ze maakten Fabius voor een lafaard uit. En in 216 v.Chr. traden de Romeinse consuls, die minder voorzichtig waren, Hanni­bal met gesloten gelederen tegemoet. Dat was bij Cannae, aan de westkust van Italië, op de hoogte van Napels. Hannibal bracht de Romeinen hier een verpletterende nederlaag toe. Terwijl de Romeinse troepen frontaal op de de Carthagers afmarcheerden, maakte Hannibals ruiterij aan beide zijkanten een omtrekkende beweging en legde zo een dodelijke ring om het vijandelijke leger. Van de 80.000 Ro­meinse legioensoldaten ontkwamen er maar 10.000 en die werden nog na afloop van de slag gevangengeno­men! Tijdens deze catastrofe gaf de consul Paulus Lucius Aemilius een staaltje weg van Romeinse vader­landsliefde en zelfverloochening. Wanneer we Livius mogen geloven, ging het aldus:
‘De stafofficier Gnaeus Lantulus reed voorbij de consul, die hij badend in zijn bloed op een grote steen zag zitten. Heer consul, zei hij, u bent de enige man die de goden moeten ont­zien, omdat u geen schuld hebt aan deze ramp. Neem dit paard zolang u volkomen uitgeput bent en ik u erop kan tillen en met u mee kan gaan om u te beschermen. Wijd dit slagveld niet volkomen aan de Dood, door het sneuvelen van een consul! Ook zonder dat is er al genoeg reden voor tranen en  rouwbeklag! Maar de consul antwoordde: Houd jij maar goede moed, Gnaeus. Verlies met dat nutteloze gejammer toch niet het korte ogenblijk dat je hebt om aan de vijand te ontkomen. Ga heen. Meld officieel aan de senatoren, dat ze Rome in staat van verdediging brengen en er troepen leggen, voordat de overwinnende vijand komt’.

Hannibal staat voorde poort!

Na de nederlaag bij Cannae waren de bondgenoten van Rome heel wat meer bereid om met de Carthagers samen te gaan. Tal van steden, waaronder Capua en Syracuse, kozen de zijde van Hannibal. Rome leek verloren. Er vonden nog verscheidene veldslagen plaats en in 211 v.Chr. trokken de Carthagers  inderdaad naar Rome zelf op. Uit die dagen stamt de uitdrukking ‘Hannibal staat voor de poort’, wat later zoveel ging betekenen als: ‘de nood is aan de man’.
Maar terwijl het zuiden van Italië de kant van de Carthagers had gekozen, was dit niet het geval met Rome’s bondgenoten in Midden-Italië. Hierdoor kon de kans eindelijk keren. Hannibal was niet in staat Rome te belegeren en van toen af aan werd hij steeds meer naar het zuiden verdreven.

De vasthoudendheid van de Romeinen ging het winnen van het veldheersgenie van Hannibal. In Rome liet de Senaat alle burgers, en zelfs de slaven, onder de wapenen roepen. En men viel terug op de voorzichtige tactiek van Fabius de Draler. Na een uitputtingsoorlog was Hannibal ten slotte zo verzwakt, dat Rome eindelijk van de verdediging in de aanval kon gaan. De steden Capua en Syracuse werden weer in bezit geno­men. De jonge generaal Scipio begon Zuid- en Oost-Spanje op de Cartha­gers te heroveren. Nog even dreigde alles mis te gaan. Hasdrubal, de broer van Hannibal, kwam vanuit Spanje met een ontzettingsleger aan­zetten. Maar Hasdrubal werd versla­gen en gedood aan de oever van de Metauro. En de Romeinen wierpen zijn hoofd in het kamp van Hanni­bal!

Scipio de Afrikaan

De oorlog zette zich voort in de ber­gen van Zuid-Italië, waar Hannibal zich verschanste als in een natuurlijk fort. Om een eind aan de strijd te ma­ken, stelde Scipio voor de Carthagers in Afrika aan te vallen. De senatoren aarzelden even, omdat ze aan de slechte ervaringen van Regulus moes­ten denken. Maar ten slotte gaven ze hun toestemming. Scipio behaalde in Afrika zulke grote successen, dat de Carthagers in paniek Hannibal terug­riepen. Deze kwam over zee. De be­slissende veldslag vond in 202 v.Chr. plaats in het hart van Tunesië, bij Zama. Dankzij de hulp van een inheem­se leider kwam Scipio als overwin­naar uit de strijd. Hij mocht zich voortaan Scipio de Afrikaan noe­men. Het verslagen Carthago moest zijn vloot en zijn olifanten afstaan, een grote schadevergoeding betalen, Spanje ontruimen en zich verplichten nooit een oorlog aan te gaan zonder de toestemming van de Romeinse Se­naat. Hiermee was een eind gekomen aan de Tweede Punische Oorlog.

Het dodelijk gewonde dier

Maar al waren ze verslagen, de Carthagers bleven Rome angst inboeze­men. Cato de Oudere, die in de Twee­de Punische Oorlog had gestreden, eindigde al zijn redevoeringen in de Senaat – waarover ze ook mochten gaan – met de woorden: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago ver­woest moet worden.’
De eerste de beste gelegenheid werd aangegrepen om dit advies daadwer­kelijk op te volgen. Toen de Carthagers door een buurvolk werden aan­gevallen en de wapens opnamen om zich te verdedigen, vond Rome dat ze contractbreuk hadden gepleegd. De Carthagers mochten immers geen oorlog gaan voeren zonder toestem­ming te vragen…
In 149 v.Chr. stak een Romeins leger over naar Afrika en eiste van de Car­thagers dat ze hun stad zouden afbre­ken en een eind landinwaarts weer zouden opbouwen. Dit was de Car­thagers te gortig. Want het zou de dood van hun havenstad betekenen. Verontwaardigd besloten ze Cartha­go tot het uiterste te verdedigen. Drie jaar duurde het beleg. De Romeinse geschiedschrijver Florus schreef over het hardnekkige verzet van de Car­thagers:
‘Juist wanneer ze dodelijk gewond zijn, geven dieren de meest giftige be­ten. Op dezelfde manier bezorgde Carthago, toen het al half verwoest was, meer last dan toen het nog over­eind stond. De Romeinen hadden de vijand in de vesting teruggedrongen en blokkeerden de haven. De Cartha­gers groeven daarop een andere uit­weg naar de zee… waar hun vloot toen plotseling verscheen als door een wonder. Er ging geen dag en geen nacht voorbij, waarin ze niet met een nieuw oorlogstuig kwamen aanzetten of nieuwe soldaten die bereid waren te sterven, in de strijd wierpen. Toen er echter geen hoop meer was, gaven 40.000 man zich over. En verrassend was dat ook hun leider Hasdrubal zich met hen overgaf. Maar zijn vrouw wierp zich met haar twee kinderen van de bovenste verdieping van haar huis in de vlammen’.

‘Onze Zee’

Carthago werd door de Romein met de grond gelijkgemaakt. Het schijnt dat de Romeinse veldheer Scipio Aemilianus, een aangenomen zoon van Scipio de Afrikaan, zich er niet voor schaamde een paar tranen te laten over het vreselijke lot van de vijand. Men verklaarde de plaats waar Carthago gestaan had, tot een verdoemd oord, opdat er nooit meer gebouwd zou worden. Het gehele Carthaagse gebied in Tunesië werd een Romeinse provincie, genaamd Africa Proconsularis. In hetzelfde jaar 146 v.Chr. waarin ze Carthago van de aardbodem lieten verdwijnen verwoestten de Romeinen ook Korinthe in Griekenland. Daarmee maakten ze de Grieken duidelijk dat ze voortaan onder Romeins gezag stonden.
Spanje en een deel van Frankrijk hoorden al bij Rome. Sinds 1 v.Chr. bestond er bovendien een Romeinse provincie in Klein-Azië. En zelfs Egypte was tot de overtuiging gekomen dat men een staat die nooit een oorlog bleek te verliezen, maar beter niet kon uitdagen. Aan het begin van de Punische Oorlogen was Rome nog slechts één van de vijf grote mogendheden in het Middellandse Zeegebied geweest. In de volgende jaren hadden die andere machten bijna allemaal Rome op de proef gesteld. Maar net als Carthago waren die verslagen. Het resultaat was dat bij het einde van de Punische Oorlogen de hele Middellandse Zee aan de Romeinen behoorde. Ze noemden hem in het vervolg dan ook ‘Onze Zee’.

Het einde van Hannibal

Na afloop van de Tweede Punische Oorlog eisten de Romeinen van de Carthagers dat zij Hannibal zouden uitleveren. Toen deze hiervan hoorde, vluchtte Hannibal naar Syrië, waar ko­ning Antiochus III hem onderdak
ver­leende. Maar de Romeinse macht zou zich ook uitstrekken naar dit deel van de wereld! Na Antiochus’ nederlaag te­gen de Romeinen, vluchtte Hannibal verder naar koning Prusias I van Bithynië, een staatje in Noord-Turkije. Toen de Romeinen even later ook aan­kwamen en Prusias bereid bleek te zijn Hannibal aan hen uit te leveren, pleeg­de de grote Carthaagse veldheer zelf­moord. Hij gebruikte hiervoor het gif dat hij voor deze gelegenheid altijd op zak had gehad en dat hij had buitge­maakt op het slagveld van Cannae.

6e klas rome 7

tekst boven 11:Lucus Paulus Aemilius en Gaius Terentius Varro vallen Hannibal in Cannae aan (216 v. Chr) Hoewel Hannibal het Romeinse leger een vernietigende nederlaag toebrengt, valt hij de stad Rome toch niet aan.

tekst naast 1: De Mamertijnen – Campaanse huurlingen die heer en meester zijn in Messina – vragen Rome om hulp tegen de Carthagers. Een Romeins verovert Messina en Argento. (264 v. chr)

tekst naast 12: Marcus Claudius Marcellus belegert en verovert Siracuse (212 v. Chr). Archimedes vindt in bloedbad de dood.

6e klas rome 5

6e klas rome 8

Halverwege de 2 eeuw voor Chr. hadden de Romeinen afgerekend met al hun mogelijke concurrenten in het Middellandse Zeegebied. Rome was een militaire macht geworden, die enorm veel geld uitgaf aan de legioenen, die voor een belangrijk deel uit huurlingen en bondgenoten bestonden.

Wapenrusting uit de tijd van de republiek
1.  lansen met bronzen of ijzeren punten
2) de galea, een lederen helm
3) de cassis, een metalen helm
4) de helm van een centurion, een officier over honderd man;
5) opperbevelhebbershelm;
6) een schild van het Samnitische type, bestaande uit latwerk dat met leer werd overtrokken;
7) een borstharnas dat uit 5 of 6 metalen banden bestaat die op lederen banden zijn bevestigd;
8) een kolder, bestaande uit metalen kettinkjes en plaatjes;
9) een borstpantser wan leer en metaal
10) een bronzen beenbeschermer; droeg men aanvankelijk aan elk been zo’n beschermer, later trok men het alleen aan het rechterbeen, omdat het linker met het schild werd beschermd
11) de gladius, het korte Romeinse zwaard;
12) de zogenaamde schildpadformatie, die men toepaste bij het bestormen van vestingen; de soldaten droegen manshoge schilden, die met elkaar één groot schild vormden.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

699-639

.