VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-3)

.

Paus Gregorius VII  1025-1085
.

Dertig jaar lang had Hildebrand Bonizo een grote rol gespeeld bij het invoeren van belangrijke hervormingen binnen de kerk. Toen werd hij tot paus gekozen. Hij koos de naam Gregorius VII. Hij was een van de werkelijk dramatische figuren uit de geschiedenis. Hij gaf het pauselijke ambt een aanzien, dat het nooit eerder had gehad. Hendrik III, de keizer van het Heilige Roomse Rijk, ging voor hem op de knieën tijdens de historische ontmoeting in Canossa. Gregorius bewerkstelligde dat de Paus het onbetwiste gezag binnen de kerk kreeg.

Hildebrand was de zoon van een arme Longobardische timmerman. Op zijn dertigste was hij al opgeklommen tot de positie van kapelaan van paus Gregorius VI. Er bestond in die tijd weinig eerbied voor het pausschap. De pausen werden gekozen door de geestelijken en de bevolking van Rome. Ze waren vaker slimme politici dan vrome Er was dringend behoefte aan hervor­mingen.
Verbeteringen kwamen er pas nadat de grote keizer Hendrik III zich ermee was gaan bemoeien.
De keizers hadden vage, maar erkende rechten, wanneer bij pauselijke verkiezingen beslissingen genomen moesten worden. Gregorius VI was een man, maar hij had voor het verwerven van de pauselijke zetel duidelijk een aardig bedrag neergeteld. Hendrik III gaf in 1046 het bevel om hem te onttronen. De keizer installeerde vervolgens een viermanschap, dat een begin moest maken met de hervormingen in de kerk. De belangrijkste van hen was Leo de IX (1049-1054). Hij koos nieuwe kardinalen en bracht Hildebrand, die nog maar aartsdiaken was, binnen het pauselijke bestuur. Leo hield jaarlijkse vergade­ringen in Rome. Daar werden besluiten uitgevaar­digd, die door provinciale synoden werden be­krachtigd en uitgevoerd. Hij probeerde ook de invloed van Rome uit te breiden tot Zuid-Italië. Daar hadden Normandische avonturiers nieuwe staten gesticht, in gebieden die eens het bezit van Constantinopel waren geweest. In 1059 sloot paus Nicolaas II met de Normandiërs een overeenkomst. In ruil voor militaire be­scherming schonk hij de Normandiërs de gebie­den die ze ingenomen hadden, gebieden die vol­gens de feodale wet aan het rijk toekwamen. Op aanraden van Hildebrand voerde paus Nico­laas II ook een nieuw systeem in bij de pauselijke verkiezingen. De paus werd gekozen door het col­lege van kardinalen. De politici van Rome werden uitgesloten en er kwam een einde aan de rol van de keizer als scheidsrechter. Binnen tien jaar hadden de pausen hun keizerlijke beschermers terzijde geschoven.
Maar de hervormingsbeweging had zijn vijanden. Hendrik III stierf in 1056. Daardoor kregen de pausen in Italië de handen vrij, maar ze verloren veel belangrijke steun in Duitsland. Paus Alexander II (1061-1073) probeerde hervormingen te bereiken door de diplomatieke weg te bewandelen. Hildebrand ergerde zich daaraan. Toen de oude paus stierf, werd Hildebrand door het Romeinse volk tot paus uitgeroepen. Hij werd door het conclaaf inderdaad gekozen. Het systeem van de vergaderingen in Rome en de provinciale synodes werd weer in ere hersteld. Er werden duidelijker besluiten uitgevaardigd tegen misstanden, zoals het negeren van het celibaat. In 1075 dreigde Gregorius met de kerkelijke ban voor elke leek, die een priester de tekenen van zijn ambt zou verschaffen. Hiermee tergde hij de Duitse koning.
De bisschoppen speelden een belangrijke rol in de regering. Ook waren ze vaak grootgrondbezitters. Bij hun inwijding ontvingen ze een ring en een staf van de keizer, als symbool van hun trouw. De 25 jaar oude Hendrik IV hoopte, dat hij Italië weer onder Duits bestuur kon brengen. Hij installeerde een nieuwe aartsbisschop van Milaan. De paus dreigde hem in de ban te zullen doen. In antwoord op dat dreigement riep Hendrik IV de Synode van Worms bijeen. Daar werd besloten dat Gregorius ‘niet langer paus was’. Gregorius deed Hendrik in de ban en verklaarde, dat hij was onttroond en dat Hendriks onderdanen niet langer tot gehoorzaamheid verplicht ware. Duitse opstandelingen vroegen de paus een nieuwe koning te kiezen.
In januari vertrok de paus naar het noorden.
Hij rustte onderweg uit in Canossa. Hendrik kwam daar naar hem toe als boeteling. Gregorius besefte, dat wanneer hij de koning vergiffenis zou schenken, hij daarmee zijn politieke positie in Duitsland zou verzwakken. Hij zag ook in, dat hij geen verraad kon plegen ten opzichte van zijn her­derlijke plicht om boetelingen genade te schen­ken. Hij hief daarom de ban op en Hendrik IV keerde naar Duitsland terug om de rebellen te bestrijden. Gregorius gaf het bevel dat beide par­tijen hem als scheidsrechter moesten aanvaarden. Toen Hendrik dat weigerde, werd hij weer in de ban gedaan en onttroond. Hendrik wees de aarts­bisschop van Ravenna aan als paus Clemens III. Drie jaar later rukte Hendrik III met zijn leger op naar Rome. Hij installeerde Clemens in de Sint Pieterskerk. De nieuwe paus kroonde hem tot kei­zer. Gregorius vluchtte naar het kasteel van St. Angelo. Hij was diep vernederd en riep de hulp in van de Normandische leider Robert Guiscard. Het leger van de Normandiërs redde de paus. Rome werd op een verschrikkelijke manier geplunderd. De Romeinen, die hun paus lang trouw waren gebleven, keerden zich tegen hem. Gregorius werd gedwongen samen met zijn Normandische ‘beschermers’ te vertrekken. Hij stierf nog hetzelfde jaar. Op zijn sterfbed sprak hij de woorden: ‘Ik heb de eerlijkheid liefgehad en de zonde gehaat… daarom sterf ik nu in balling­schap’

.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

.

729-666

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-2)

.

 

OTTO I DE GROTE 912-973
.

Otto I werd door zijn tijdgenoten beschouwd als de grote voorvechter van een christelijk Europa. Hij was vanaf 936 koning van Duitsland en vanaf 962 keizer van het Westen. De staat die hij sticht­te, was twee eeuwen lang de grootste macht van het Europese vasteland. Zijn kroning tot keizer riep herinneringen op aan Karel de Grote. Het Heilige Roomse Rijk, dat door Otto werd gesticht, bleef tot 1806 bestaan.

Otto was de zoon van Hendrik, de hertog van Saksen. Dat was de noordoostelijke provincie van het Duitse Rijk, die grensde aan het gebied van de nog heidense Slaven. Hendrik werd in 919 tot koning van het Duitse Rijk gekozen. Hij legde de basis voor het succes van zijn zoon. Hij had een samenwerking tot stand gebracht tussen de andere grote Duitse hertogen van Frankenland, Lotha­ringen, Beieren en Zwaben. Hij kon daar alleen in slagen, door hun grote onafhankelijkheid te ver­zekeren. De eerste jaren van Otto’s koningschap werden gekenmerkt door vele opstanden. De jonge koning was al een geharde veldheer ge­worden tijdens de vele veldtochten van zijn vader tegen de Slaven. Hij had sterke zenuwen en was een geslepen politicus. Voor zijn vijanden kende hij geen genade. De hertog van Beieren werd ont­troond en verbannen, de hertog van Frankenland sneuvelde tijdens een veldslag. Hij verleende zijn aanvankelijk in ongenade gevallen broer gratie en schonk hem Beieren.
Aan de grenzen in het noordoosten voerden twee trouwe graven, Gero en Hermann Billung, gena­deloze oorlogen tegen de Slaven. Zelf wist Otto te bereiken dat Boleslav I van Bohemen zich moest overgeven.

In de vijftiger jaren van de 10e eeuw brak er een moeilijke tijd voor hem aan. Er was een opstand, waarbij zijn zoon uit het huwelijk met zijn overle­den eerste vrouw betrokken was. Gelijktijdig werd het zuiden van het Duitse Rijk geteisterd door het nomadenvolk van de Magyaren. Op 10 augustus 955 slaagde Otto erin hen te vernietigen. Dat was tijdens een lange en bloedige veldslag op het Lechfeld in de buurt van Augsburg. Zijn troe­pen riepen hem uit tot keizer en Europa eerde hen: als grote beschermer. De Magyaren trokken zich terug op de hoogvlakten van Hongarije. Maar alweer doemden er problemen op, ditmaal in het zuiden. In 951 had Adelaide, de koningin van Italië, hem om hulp gevraagd tegen de ambitieuze markies Berengar. Otto stuurde de herto­gen van Beieren en Zwaben om haar te helpen. Maar hij was bang dat er een nieuw machtsblok zou ontstaan en trok daarom uiteindelijk zelf tegen Berengar ten strijde. Hij trouwde met Adelaide en werd tot koning van Lombardije gekroond. Tien jaar daarna nam de macht van Berengar weer verontrustende vormen aan. Op ver­zoek van paus Johannes XII rukte Otto naar Rome op. Daar werd hij op 2 februari 962 tot kei­zer gekroond. Otto en de paus ondertekenden de Privilegium Ottonianum. Daarin werden de pau­selijke privileges vastgelegd en het gaf, naar Otto geloofde, de keizer bepaalde rechten in pauselijke aangelegenheden. Maar binnen een jaar smeedde de sluwe paus tegen de keizer een complot. Otto was woedend en zette hem af. Johannes was al paus sinds zijn zeventiende jaar en hij was berucht om zijn liederlijke levensstijl. Maar de Romeinen beschouwden het pausschap als iets waarover alleen zij konden beslissen. Ze kwamen meermalen in opstand en Otto was daardoor gedwongen een streng regime te hand­haven. Daarna marcheerde hij naar Zuid-Italië, dat een provincie was van het Byzantijnse keizer­rijk.
Otto was wijzer dan vele van zijn voorgangers. Hij kwam al snel tot het besef, dat zijn opmars een dure onderneming zou worden. Daarom be­gon hij de diplomatieke weg te bewandelen. In 972 werd zijn 16-jarige zoon Otto (de latere keizer Otto de Tweede) uitgehuwelijkt aan een Byzantijnse prinses. Met Pasen van het volgende jaar was de keizer voorzitter van een schitterende ver­gadering in Quedlinburg. Die werd bijgewoond door Boleslav II, koning van Bohemen en gezan­ten uit Kiev, Denemarken, Polen, het Hongarije van de Magyaren en Constantinopel. Otto was ooit door de Byzantijnse keizers be­schouwd als een landveroverende barbaar. Hij werd nu door hen erkend. De Slaven bedelden om zijn gunst. Hij vestigde in Maagdenburg de zetel van het Heilige Roomse Rijk. Hij verbreidde vandaaruit het christendom naar het oosten. In het Duitse rijk waren de bisschoppen de gewillige die­naren van de regering (velen hadden een familie­band met de keizer). In ruil voor gulle schenkin­gen bestuurden ze de kerk, maar erkenden steeds de hoogste macht van de keizer. De keizer was tot zijn dertigste analfabeet. Hij kende vrijwel niets van de Slavische en Romaanse talen. Toch had hij een staat opgebouwd, die reik­te van Rome tot aan de Baltische Zee en van de Rhône tot aan de Elbe. Hij had een paus afgezet en zijn eigen kandidaat aangesteld. Voor zijn tijd­genoten was het duidelijk, dat de toekomst van het Latijnse christendom in Duitse handen lag. Toch leidde deze keizerlijke droom tot onnodige avonturen op Italiaans grondgebied. Daardoor werd de aandacht van de Duitse leiders van belangrijker zaken afgeleid. Tijdens de regering van Hendrik IV veranderde de medewerking van de kerk in openlijke vijandschap. De spanningen binnen de zorgvuldig tot stand gebrachte burger­lijke en kerkelijke regering liepen zo hoog op, dat het systeem er bijna door werd vernietigd.

6e klas Otto 1Dit is waarschijnlijk een mythisch tafereel; Otto I gooit op Jutland een speer. volgens de overlevering zou de noordelijke grens van zijn rijk komen te liggen waar de speer neerkwam.

6e klas Otto 1  2Het rijk van Otto I. De grote kracht ervan was, de harmonie tussen de twee grote koninkrijken Italië en Duitsland.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis
.

728-665

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-1)

.

 .

DUITSLAND, HET HEILIGE ROOMSE RIJK
.

De gekozen koning

Met de dood van Lodewijk het Kind in 911, de laatste telg uit het geslacht van de Karolingers, dreigde het Duit­se rijk geheel uiteen te vallen. Om verdere versnippering te voorkomen, werd besloten om voortaan bij de dood van een koning het rijk niet meer onder zijn zoons te verdelen. De zoons zouden onder elkaar één op­volger kiezen, die koning werd. De eerste op deze manier gekozen Duitse koning was Koenraad van Frankenland (911 – 919). Tijdens zijn regering kregen de Duitsers te kam­pen met invallen van woeste stammen uit het oosten. Eenheid en gezamen­lijk optreden waren hard nodig om de vijanden te kunnen weerstaan. Maar Koenraad I was geen krachtige figuur en hij wist die eenheid niet te bereiken. In zijn rijk heersten wan­orde en verdeeldheid, omdat vele hertogen – allemaal van koninklijke afkomst – dongen naar de positie van koning. In plaats van zich in te zetten voor de eenheid van het rijk, sticht­ten de hertogen aparte rijkjes. Van het bestuur van de koning trokken ze zich maar weinig aan.

De keizerskroon als ideaal

Op zijn sterfbed in 919 benoemde Koenraad I een van zijn grootste tegenstanders, maar tevens de be­kwaamste, tot zijn opvolger. Het was Hendrik I. Toen Hendrik het bericht ontving van zijn benoeming tot koning van Duitsland, was hij juist op de valkenjacht. Jagen met valken was de grote liefhebberij van deze koning. Daarom ging hij de geschie­denis in als Hendrik de Vogelaar. Zijn zoon Otto de Grote volgde hem in 936 op. Otto bestreed met veel succes de invallende Hongaren, Slaven en Vikingen. Hij wist zelfs zijn rijk met grote delen van Italië uit te breiden. Otto’s grote ideaal was, net als zijn grote voorganger Karel de Grote de keizerskroon te mogen dragen. Handig gebruik makend van de hulp die de paus hem eens vroeg, wist hij dit ideaal te verwezenlijken. Zijn kleinzoon Otto III, die regeerde van 983 tot 1002, had nog grotere idealen. Hij probeerde in het grote Duitse rijk de glorie van het oude Romeinse rijk te laten herleven. Daarom bemoeide hij zich vooral met de Italiaanse rijksdelen. Hij bracht er met behulp van zijn Duitse ambtenaren orde en rust. Zo kwam er een einde aan een lange periode van wanorde in het oude moederland van de Romeinen.

Otto III herstelde ook de positie van de paus, die in de 10e eeuw een man zonder gezag was geworden. Hij bezorgde het hoofd van de katholieke kerk zelfs veel wereldlijke macht. Het zou latere Duitse keizers voor grote problemen stellen. De voortdurende strijd tussen de keizer van Duitsland en de paus van Rome zou als een rode draad door de geschiedenis van het middeleeuwse Duitsland lopen…

Frederik Barbarossa

Ondanks verwoede pogingen van de elkaar opvolgende Duitse vorsten, bleef het herstel van de koninklijke macht een visioen. Soms waren er lange of kortere periodes waarin het leek dat er eindelijk één sterk Duits­land was ontstaan. Maar dan volgde weer een tijd waarin de hertogen meer tegen elkaar vochten, dan ge­zamenlijk tegen een gemeenschap­pelijke vijand. Zo volgden de keizers elkaar op.

In het jaar 1152 was van eenheid binnen de Duitse rijksgrenzen geen sprake. Heerszuchtige hertogen voerden voortdurend oorlog met elkaar. Het volk betaalde de prijs van de ellende en leed onder plundering en brandstichting. In dat jaar kwam de toen 30-jarige Frederik I op de Duitse troon. Om zijn vurig rode baard noemden zijn Italiaanse onderdanen hem Frederik Barbarossa (Roodbaard).

Het Heilige Roomse Rijk

Frederik Barbarossa wist de hertogen tot meer eendracht te bewegen. In zijn eigen hertogdom Zwaben ver­stevigde hij zijn macht en hij kwam zoveel mogelijk tegemoet aan vele eisen van zijn hertogelijke leenman­nen. Daar stond tegenover dat ze hem als de leider van het Duitse rijk aanvaardden. Zelfs in het altijd oproerige Italië, dat door de hoge Alpen van de rest van het Duitse rijk werd gescheiden, stelde Frederik Barbarossa orde op zaken. Dit be­tekende voornamelijk, dat de paus als wereldlijk heerser de nodige veren moest laten.

Keizer Frederik I, uit het geslacht van de Hohenstaufen. wordt beschouwd als de stichter van wat genoemd wordt het ‘Heilige Roomse Rijk’. Met ‘Heilig’ wordt bedoeld, dat het rijk beschouwd kon worden als de vaandeldrager van het christendom in Europa. Met ‘Rooms’ wordt be­doeld dat de stad Rome als het middelpunt van het rijk werd be­schouwd. Overigens doet de naam ‘Heilige Roomse Rijk’ niet ver­moeden, dat de verhouding tussen keizer en paus in dit rijk bepaald slecht was.

Tot 1268 de Hohenstaufen

De opvolgers van Frederik Barbaros­sa bouwden het Duitse rijk nog verder uit. Ze beschouwden echter niet langer Duitsland als hoofdland, maar het beschaafder Italië. Ze be­stuurden een machtig rijk, waarin kunsten en wetenschappen bloeiden en op een hoog peil kwamen te staan. De strijd tussen keizer en paus bereikte tijdens de regeringsperiode van Frederik II (1218 – 1250) opnieuw een hoogtepunt. ‘Moge de hemel jubelen en de aarde zich verheugen,’ schreef de paus bij de dood van de keizer in 1250. De paus was toen naar Frankrijk gevlucht, omdat hij Rome na een verloren veldtocht tegen Frederik II had moeten verlaten. Ook de nazaten van Frederik II werden door de elkaar opvolgende pausen steeds fel belaagd. Koenraad IV stierf al in 1254. Zijn opvolger Manfred sneuvelde in 1266. De 15-jarige Konradijn kwam toen op de troon. Hem was geen lange regerings­periode beschoren, noch een lang leven. Nog geen twee jaar later werd Konradijn door een aanhanger van de paus gevangengenomen en ont­hoofd. Met de dood van deze laatste Hohenstauf kwam er een einde aan het Heilige Roomse Rijk.

De legende van Barbarossa

Keizer Frederik Barbarossa, de grondlegger van het Heilige Roomse Rijk, stierf tijdens een kruistocht. Toen hij in Klein-Azië op 10 juni 1190 de rivier Calycadnus wilde oversteken, werd hij door de stroom meegesleurd en verdronk hij jammer­lijk. De plotselinge dood van hun keizer stelde het geloof van de Duitse kruisridders danig op de proef. De meesten keerden geschokt naar huis terug.
In Duitsland ontstond de legende dat de geliefde keizer helemaal niet dood was (men had zijn lijk nooit terug­gevonden). Hij zou zich hebben teruggetrokken in het binnenste van de Kyffhäuserberg in het Duitse Thüringen. Zelfs in onze 20e eeuw zou hij daar nog steeds peinzend aan een grote stenen tafel zitten. Zijn rode baard groeit en groeit. Pas als de stenen tafel geheel door de baard is omwikkeld, zal de keizer definitief uit zijn mijmeringen ontwaken. Hoog rond de spitsen van de berg cirkelen zwarte raven. Zodra deze grote zwarte vogels door adelaars worden verjaagd, zal de keizer zijn onderaardse burcht verlaten. Slechts zelden is het stervelingen gelukt tot de oude keizer door te dringen. De keizer ontwaakte dan en vroeg of de raven nog steeds rond de berg vlogen. Als dit bevestigend werd beantwoord zuchtte de keizer diep en zei: ‘Het zal nog eeuwen duren voor ik weer onder mijn volk mag verschijnen. Mijn vermoeide ziel slaapt weer in. Ik heb nog honderden jaren de tijd…’

Hoe Duitsland weer een keizer kreeg

De vergevensgezinde Otto de Grote

Keizer Otto I, die als Otto de Grote de geschiedenis zou ingaan, liet zich in 936 de koningskroon op het hoofd drukken door de aartsbisschop van Mainz. Het levensdoel van Otto I was, keizer te worden over een machtig rijk, zoals vroeger Karel de Grote. Net als zijn grote voorbeeld was hij vergevensgezind tegenover ieder die hem te na kwam. Maar hij was ook mateloos eerzuchtig en vaak driftig in zijn optreden. Dikwijls nam hij be­slissingen zonder er eerst goed over na te denken. Dit leverde hem vele vijanden binnen zijn rijksgrenzen op. Nauwelijks was Otto I koning ge­worden, of een aantal hertogen kwam tegen hem in opstand. Zijn broer Hendrik, die liever zelf tot koning was gekozen, steunde de opstandelingen. Maar uiteindelijk moest Hendrik het onderspit delven. De koning vergaf zijn broer het verraad en benoemde hem zelfs tot hertog van Lotharingen, een wel­varend deel van het rijk. Maar twee jaar later nam de ondank­bare Hendrik opnieuw deel aan een samenzwering, toen tegen het leven van zijn broer. De plannen om de koning te vermoorden mislukten en Hendrik werd samen met zijn kor­nuiten opgepakt. Alle opstandelingen werden ter dood gebracht. Maar Hendrik werd voor de tweede maal door zijn broer gespaard. Na een gevangenschap van zes lange jaren werd Hendrik weer in genade aan­genomen. Als hertog van Beieren bleef hij verder trouw aan zijn broer.

De Hongaren verslagen

Het oostelijk deel van het rijk van Otto de Grote werd voortdurend aangevallen door woeste stammen, voornamelijk heidense Slaven en Hongaren. In de slag bij Lechfeld (955) wist hij de Hongaren definitief te verslaan.

Slimme zet met de bisschoppen

Koning Otto de Grote begon genoeg te krijgen van de opstanden van de hertogen, waarmee zijn voorgangers ook al het nodige te stellen hadden gehad. Hij bedacht een slim plan. Als de op macht beluste hertogen zich dan niet wilden onderwerpen aan hem, de leenheer, dan zou hij gehoorzamer leenmannen aanstellen. Die gehoorzamer vazallen vond de koning in… de Duitse bisschoppen. Op de bisschoppelijke belofte dat ze als leenman hun koning trouw zou­den zijn, begon Otto de kerkvorsten meer land te schenken dan ze reeds bezaten. De bisdommen kregen gra­felijke rechten. Dit betekende dat de bisschoppen voortaan zelf in hun steeds groter wordende gebieden de rechtspraak mochten regelen en… belastingen mochten heffen. De bisschoppen hadden wel oren naar deze uitbreiding van hun macht. En Otto de Grote stelde tot zijn volle tevredenheid vast, dat de bisschop­pen bijzonder trouwe leenmannen waren: trouwer dan de hertogen! Een bijkomend voordeel was, dat de bisschoppen niet mochten trouwen, zodat ze hun leen niet erfelijk konden maken. De Duitse keizer kon dus steeds aan iemand die hem welgezind was een bisdom in leen geven.

Bisdommen te koop…

Door de maatregel van Otto de Grote waren de Duitse bisschoppen voort­aan niet alleen verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van de gelovi­gen, maar ook de wereldlijke bestuurders van hun machtige bisdom­men. Want de slimme Otto be­noemde de bisschoppen vanzelf­sprekend niet meer om hun kwaliteit als geestelijken, maar om hun ge­schiktheid als heersers en hun trouw als leenmannen.
Otto paste op grote schaal vriendjes­politiek toe. Hij zette een van zijn broers op de aartsbisschoppelijke zetel van Keulen. Een van Otto’s zonen werd aartsbisschop van Mainz en een oom bracht het tot aartsbis­schop van Trier.
Anderen kregen de hoge kerkelijke positie, als zij Otto I geldelijke steun gaven. Otto bood bisdommen te koop aan!

Otto de Grote tot keizer gekroond

Otto’s hoogste levensdoel was het inruilen van zijn ‘eenvoudige’ koningskroon voor de begeerde kei­zerskroon. Hij deed een poging hier­toe, toen hij in 950 aanspraken kon laten gelden op de Italiaanse troon. Een verre nazaat van Karel de Grote overleed als koning van Italië. De macht werd daarop overgenomen door een leenman, die de weduwe van de koning gevangen zette. Otto de Grote verzamelde zijn legers en trok in 951 over de Alpen naar Italië. Hij versloeg het leger van de tiran­nieke leenman en bevrijdde de koningin. Toen hij met haar trouwde, werd hij uitgeroepen tot koning van Italië.

Otto de Grote bezat toen een rijk van de Oostzee in het noorden tot de Middellandse Zee in het zuiden. Naar hij zelf vond, was dat rijk groot genoeg voor een keizer in plaats van een koning. Maar de paus weigerde Otto tot keizer te kronen. Otto had geen tijd om de paus tot andere gedachten te brengen. Hij moest met zijn leger naar Duitsland terug, om zich met de strijd tegen de Hongaren te bemoeien. In 961 trok Otto de Grote voor de tweede maal over de Alpen zuidwaarts. Die keer was hij door de paus te hulp geroe­pen. Otto smeedde het goud voor de keizerskroon toen het heet was en stelde de paus zijn voorwaarden. Op 2 februari 962 kroonde de paus hem tot keizer van het Duitse rijk. Daarna werd het gebruikelijk dat de gekozen Duitse koning door de paus tot keizer werd gekroond, maar dat gebeurde niet altijd.

Ruzie om de Duitse bisschoppen

Naar Canossa gaan wij niet!’

Op 14 mei 1872, riep de Duitse staatsman Bismarck in de Rijksdag, het Duitse parlement, uit: ‘Nach Canossa gehen wir nicht!’ Hij had op dat ogenblik ernstige problemen en het zag ernaar uit, dat hij een zware politieke nederlaag zou moeten lij­den. Maar Bismarck wilde zich in geen geval onderdanig in het stof wentelen en zich ten aanschouwen van de wereld laten vernederen. Vandaar zijn uitroep: ‘Naar Canossa gaan wij niet!’

De Duitse kanselier doelde daarmee op de vernedering, die de Duitse koning Hendrik IV (1056 – 1106) acht eeuwen eerder had moeten onder­gaan tegenover paus Gregorius VII op het Italiaanse kasteel van Canossa. Deze gebeurtenis in Canossa heeft op de mensheid door de eeuwen heen een grote indruk achtergelaten.

De investituur-strijd

De strijd tussen de Duitse koning en de paus van Rome vormde het hoogtepunt in de strijd rond de ‘investituur’: het recht tot benoeming van de bisschoppen. Keizer Otto de Grote was al omstreeks 950 begonnen met het benoemen van de bisschop­pen, om zuiver politieke redenen. Hij had de bisdommen grafelijke rechten gegeven, waardoor de bisschoppen grote delen van het Duitse rijk bestuurden als wereldlijke heren. Dat die bisschoppen vaak onaanvaard­baar waren voor de kerk, kon zowel Otto de Grote als zijn opvolgers weinig schelen. De bisschoppen waren trouwe leenmannen en zorgden voor voldoende belastingopbrengst. Maar al gauw kwam het voor, dat iemand die bisschop wilde worden, de Duitse vorst een grote som geld aanbood.
De vorst nam dan de vrijheid zich te laten omkopen…
Vele Duitse bisschoppen hielden zich niet aan hun celibaatsverplichting. wat betekende dat ze er vaak vrou­wen en kinderen op na hielden. Een strijd tussen kerk en vorst over deze kwestie kon niet uitblijven. Van het begin af had de paus zich tegen deze misstand verzet. Maar hij kon in Duitsland maar weinig uitrichten, omdat de regerende vorsten gewoonlijk over voldoende machtsmiddelen beschikten om de paus te weerstaan.

Gregorius VII nam maatregelen

In 1073 werd de pauselijke troon bezet door Gregorius VII. Hij was een krachtige en intelligente monnik. Hij nam zich voor zijn kerk volledig onafhankelijk te maken van welke wereldlijke heerser ook. Elke be­moeienis van niet-geestelijken, zoals van de Duitse vorst, wees hij beslist van de hand. De paus was zelfs van mening, dat de minste priester nog belangrijker was dan de machtigste koning. De paus verklaarde ook waarom hij dit vond: ‘Een priester kan iemand op zijn sterfbed nog de eeuwige zaligheid bezorgen. Een leek kan dit nooit, hoe hoog zijn maatschappe­lijke positie ook is.’ Maar de Duitse koning trok zich van de paus niets aan en hij ging zijn eigen gang. Aanvankelijk wist de paus niet welke maatregelen hij moest nemen. Pas toen Hendrik IV in 1076 door een opstand in zijn rijk in moeilijkheden kwam, greep de paus zijn kans. Hij wees de Duitse bisschoppen op hun celibaats­verplichtingen en verbood de Duitse vorst om nog langer bisschoppen te benoemen. Elke bisschop, die het met dit pauselijk bevel niet eens was, werd onmiddellijk in de ban gedaan!

Hendrik IV in de ban

De openlijke uitbrander van de paus wekte bij Hendrik IV wrevel op. Woedend riep hij zijn Duitse bis­schoppen bijeen. Met hen nam hij de beslissing, die ‘valse monnik’ in Rome te verzoeken de pauselijke stoel te  verlaten. Prompt sprak Gregorius VII de banvloek uit over de drieste Hendrik.

Drie dagen en drie nachten

De macht van de paus was zó groot geworden, dat Hendrik IV door die banvloek zijn troon in gevaar zag komen. Er zat niets anders op dan te proberen de paus tot andere gedach­ten te brengen. Hij besloot de paus te smeken de ban op te heffen. Volgens de overlevering liet de paus de Duitse koning drie dagen en drie nachten in vorst en sneeuw voor de slotpoort van de burcht te Canossa staan. Toen pas was de heilige vader voldoende overtuigd van de geloof­waardigheid van de boetedoening van Hendrik IV. Hij hief de banvloek op.

In het tuinhuis

Ondanks de geweldige vernedering die Hendrik IV voor de ogen van zijn volk en de wereld moest ondergaan, verloor de koning niet zijn aanzien. Zijn tijdgenoten beschouwden het als een normale en eervolle zaak, dat de vorst boete deed om van zijn ban­vloek af te komen. Dat hij daarvoor drie etmalen op zijn blote voeten in de sneeuw moest blijven staan, werd door velen niet echt geloofd. Dit ongeloof is waarschijnlijk terecht geweest. Het verhaal werd zo goed als zeker in de wereld gebracht om de paus gunstig te stemmen. Ook staat vrijwel vast, dat Hendrik IV in het behaaglijke tuinhuis van het kasteel verbleef. Intussen onderhandelden zijn raadsheren met die van de paus over de voorwaarden die tot ophef­fing van de banvloek zouden moeten leiden. Uiteindelijk werden de paus en de koning het met elkaar eens.

Opnieuw naar Canossa

De gang naar Canossa maakte aan de banvloek een einde. Voor het ogen­blik had de paus gewonnen, maar de misstanden waren daarmee zeker niet verdwenen. De Duitse koning bleef zich heimelijk tegen de paus verzetten.
Toen Gregorius VII genoeg kreeg van Hendriks onwil, deed hij hem in 1180 opnieuw in de ban. Die keer miste het uitspreken van de banvloek de ge­wenste uitwerking. Het lag er voor iedereen te dik bovenop, dat de paus de Duitse vorst uitsluitend om poli­tieke redenen uit de kerk had gezet. Hendrik IV zelf reageerde laconiek op de tweede pauselijke banvloek, die over zijn hoofd was gekomen. Hij trok met een leger naar Italië. In 1084 veroverde hij Rome en zette de lastige paus af. Een van Hendriks Italiaanse leenmannen werd op aandringen van de Duitse koning tot paus gekozen. De eerste daad van de nieuwe paus, die zich Clemens III noemde, was het kronen van Hendrik IV tot keizer…

Het Concordaat van Worms

Op 23 september 1122 verklaarde de volgende vorst, Hendrik V, dat hij verder afzag van bemoeienissen met kerkelijke zaken. De benoeming van geestelijken op belangrijke posten werd voortaan uitsluitend overge­laten aan de kerk. Deze koninklijke beslissing wordt het ‘Concordaat van Worms’ genoemd. Maar toch bleef de Duitse vorst enige invloed uit­oefenen op de bisschopsbenoemin­gen. Want als de geestelijken het over een benoeming niet eens konden worden, had de koning het recht om zelf te beslissen. Toch kan worden gesteld, dat met het Concordaat van Worms een einde kwam aan de lange investituurstrijd.

Een geleerde op de keizerstroon

Opgevoed door de paus

Op tweede kerstdag 1194 werd in het Zuid-Italiaanse stadje Jesi de zoon geboren van de Duitse keizer Hendrik VI. Hendrik VI was op 20-jarige leeftijd getrouwd met de 10 jaar oudere Constanza, een Normandische prinses uit Sicilië. Na negen kinderloze jaren was er einde­lijk een zoon gekomen, die aanvan­kelijk de naam van Konstantijn kreeg. Pas later zou de jonge prins de naam aannemen van zijn beroemde grootvader: Frederik. In 1196, toen Frederik 2 jaar oud was, werd hij al gekozen tot koning van Sicilië. Hendrik VI stierf toen zijn zoontje pas 3 jaar was. Moeder Constanza maakte van de dood van haar echtgenoot gebruik om de prins een Italiaanse opvoeding te geven. Wat haar betrof, zou haar zoon het rijksdeel ten noorden van de Alpen hebben opgegeven en zich uitsluitend hebben beziggehouden met Italië. Toen de kleine Frederik 4 jaar oud was, liet zijn moeder hem tot koning van Sicilië kronen. Enige maanden later stierf Constanza. Op haar sterf­bed vertrouwde ze haar zoon toe aan de zorgen van de kerk en de paus.

Buitengewoon goed verstand

Frederik beschikte over een buiten­gewoon goed verstand en hij was bijzonder leergierig. Hij studeerde van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Zelfs de moeilijkste leerstof nam hij snel in zich op. Als kind leerde hij Frans, Duits, Italiaans, Latijn, Grieks en Arabisch. Hierdoor kon hij zich met al zijn onderdanen in hun eigen taal onderhouden.
De knapste Italiaanse professoren werden uitgezocht als leermeesters van de veelbelovende jongeman. Ze verbaasden zich keer op keer over de geweldige intelligentie van de prins. Frederik rijpte al snel tot een man, die begreep dat hij alleen op zichzelf kon vertrouwen. Hij verachtte de meeste leden van zijn hofhouding, die steeds in zijn nabijheid te vinden waren om te proberen bij hem in de gunst te komen.

Grote aantrekkingskracht op vrouwen

De enige wezens die Frederik ver­trouwde, waren dieren. Zijn paarden, honden en vogels behandelde hij als vrienden. Ondanks de vele uren die hij besteedde aan studie, ontwikkelde hij zich tot een lichamelijk sterke man, die uitblonk in paardrijden, schermen en boogschieten. Hij was een hartstochtelijk jager, die zowel met de speer en met pijl en boog, als met valken jaagde. Niet alleen door zijn hoge afkomst, maar ook door zijn krachtige ver­schijning oefende Frederik grote aan­trekkingskracht uit op vrouwen. Hij trouwde verschillende malen en had talloze minnaressen. Reeds op 16-jarige leeftijd werd hij vader. Zijn oudste zoon Hendrik zou hem later het leven zuur maken. Hendrik sloot zich namelijk aan bij opstan­dige hertogen in het rijk van zijn vader. Frederik moest zijn zoon gevangen laten zetten. Na vele tien­tallen jaren als een vogel in een vergulde kooi gevangen te hebben gezeten, pleegde Hendrik zelfmoord. Frederik liet daarbij niets van zijn gevoelens blijken. Want behalve be­minnelijk voor zijn omgeving kon hij ook meedogenloos wreed en hard zijn voor wie zich tegen zijn gezag verzette.

Geleerde en jager

Keizer Frederik II regeerde zijn grote Duits-Italiaanse rijk vanuit zijn pa­leis in de Siciliaanse stad Palermo. Hij verzamelde een grote kring van dichters en geleerden om zich heen. Samen met kunstenaars en geleerden bracht hij de tijd door met studie en wijsgerige gesprekken. Op die manier droeg Frederik II belangrijk bij aan de wetenschappelijke ontwikkeling in die tijd. Frederik zelf met zijn bril­jante geest en grote kennis werd in heel Europa als een groot geleerde beschouwd.
Door zijn grote voorliefde voor de valkenjacht bestudeerde de keizer diepgaand het leven van de vogels. Al zijn kennis over vogels legde hij vast in zijn boek ‘Over de Kunst van het Jagen met Vogels’. Uit alle hem bekende streken liet hij zich valken toesturen en richtte die zelf af. Frederik was door de valkenjacht gegrepen. Hij kon zich niets mooiers voorstellen dan een valkenier, die tien vogels de vrijheid gaf om te jagen en ze allemaal te laten terug­keren met buit. De geheimzinnige macht die de vogels hiertoe dwong, boeide Frederik mateloos. Hij koes­terde grote verachting voor jagers, die hun prooi met vallen en netten vingen.

Soldaat en toernooiridder

De Duitse keizer Frederik II, de geleerde op de keizerstroon, was een gevreesd soldaat. Hij zag niet veel nut in het deelnemen aan riddertoernooien. Maar als hij zich in het strijdperk begaf, toonde hij zich een geducht tegenstander, die alle andere ridders in het stof liet bijten. In de vele oorlogen die hij als keizer moest voeren, gedroeg hij zich als een dapper strijder. Frederik II ontzag zich niet, in de voorste linies te vechten. Hij was goed geoefend en wist altijd heelhuids uit de strijd te komen.
Hij bezat een ongelooflijk uit­houdingsvermogen. Voor vele leden van zijn hofhouding, die tijdens de strijd of de jacht niet van zijn zijde mochten wijken, was dit een verschrikking.
Een geschiedschrijver vertelde, dat Frederik II nog twee jaar voor zijn dood 24 uren achtereen te paard kon zitten, zonder zichtbaar vermoeid te raken. Eerst was hij in alle vroegte op de valkenjacht gegaan, waarna hij ’s middags slag leverde tegen de Lombarden bij Parma. Hij verloor de strijd en reed in de nacht terug naar zijn verblijf in Cremona. Bij het ochtendgloren begon hij daar onmiddellijk met het hergroeperen van zijn verslagen troepen. Ook werd van Frederik II verteld, dat hij eens in volle wapenrusting te paard een rit maakte van 140 kilo­meter. Aan het einde van die lange tocht rustte hij niet uit, maar nam onmiddellijk de stad Vicenza in. De verdedigers van die stad waren volle­dig verrast, omdat ze niet konden geloven dat Frederik II en zijn leger zich zó snel konden verplaatsen. De barre tocht had twee dagen en twee nachten geduurd.

Een krijgslist

De intelligente Frederik II nam bij veldslagen en belegeringen van steden of burchten vaak zijn toevlucht tot listen. In 1237 veroverde hij de stad Cortenuova door te doen alsof hij met zijn legers de aftocht blies. Maar in werkelijkheid gingen de keizerlijke troepen in hinderlaag. De verraste vijanden liepen erin en werden bij duizenden gevangen gemaakt. Daar­op maakte Frederik II als een zege­vierend Romeins veldheer zijn in­tocht in de stad, met veel pracht en praal en de gevangenen in triomf met zich meevoerend.

Frederik op kruistocht

Hoewel keizer Frederik weinig zin had om een kruistocht naar het Heilige Land te ondernemen, kwam hij er toch niet onderuit. Tijdens zijn huwelijksplechtigheid in 1215 had hij de gelofte afgelegd dat hij Jeruzalem van de muzelmannen zou bevrijden en de opvolgers van paus Innocentius waren dat niet vergeten. Steeds weer wist Frederik de datum van vertrek uit te stellen. In 1219 was het bijna zover geweest, maar de keizer had de veldtocht afgelast. Toen hij in 1227 opnieuw de voorgenomen kruistocht niet liet door­gaan omdat in zijn leger de pest was uitgebroken, werd Frederik door de paus in de ban gedaan. Maar in zijn hart hoopte de paus, dat de Duitse keizer helemaal niet op kruistocht zou gaan. Want als Frederik niet vóór 1229 ten strijde zou trekken tegen de muzelmannen, dan mocht de paus het koninkrijk Sicilië bij zijn kerkelijke staat trekken. Dat was nu eenmaal zo afgesproken… Frederik II besloot toen eindelijk om toch maar te gaan en in 1228 vertrok hij naar Palestina. Zijn faam snelde de keizer vooruit. De muzelmannen hadden groot ontzag voor de mach­tige keizer. De geruchten wilden, dat hij met een onvoorstelbaar groot en goed bewapend leger zou verschijnen. Maar in werkelijkheid had Frederik II een bescheiden krijgsmacht van 1000 ruiters en 10.000 man voetvolk. De Duitse keizer durfde niet op de kracht van zijn leger te vertrouwen, ook al omdat de paus monniken met het leger had meegestuurd, die probeerden de manschappen tegen hun in de ban verkerende keizer op te zetten. Frederik II besloot dan ook om het niet op een veldslag met de muzelmannen te laten aankomen…

De diplomatieke gaven van de keizer

Frederik II vertrouwde liever op zijn diplomatieke gaven. En niet ten onrechte, want zonder enige strijd kreeg hij van de sultan van Jeruzalem gedaan, dat die de stad openstelde voor de christenen. Ook andere heilige plaatsen, zoals Nazareth en Bethlehem, waren voortaan vrij toe­gankelijk voor de Europeanen. Een keizer die in de ban was gedaan, had kans gezien bij de muzelmannen zijn zin te krijgen zonder bloed te laten vloeien!
Met de sultan van Jeruzalem, met wie de Duitse keizer de overeenkomst had gesloten, kreeg Frederik II een bijzonder vriendschappelijke ver­houding. Door zijn kennis van de Arabische taal won de keizer de harten van alle muzelmannen. Hij werd door zijn moslimvrienden de ‘sultan van de christenen’ genoemd en genoot onder hen een ongekende populariteit. De paus kon het succes van de Duitse keizer slecht zetten. Maar hij kon er niet onderuit de keizer in 1229 van de banvloek te ontheffen in ruil voor Sicilië.

Frederiks dierentuin

Frederik II had een zwak voor mooie en bijzondere dingen. Hij hield ervan met zijn vaak bijzonder kostbare bezittingen te pronken. Zijn hof­houding in Palermo leek dan ook sterk op die van een oosterse sultan. Terwijl hij baadde in weelde en overvloed, keken de arme Siciliaanse boeren hun ogen uit. Soms reed de keizer uit, gevolgd door een volledig dierenpark, met beesten die men nog nooit had gezien. De keizer bezat luipaarden, leeuwen, panters, apen, beren, vele verschil­lende honden, kleurrijke pauwen, uilen, adelaars, buizerds, papegaai­en, struisvogels en olifanten, waar­onder een witte. De stoet werd gesloten door een giraffe.

6e klas Frederik II

Een afbeelding van Frederik II aan het begin van het boek ‘Over het jagen met vogels’, dat bewaard wordt in de bibliotheek van het Vaticaan in Rome

Frederiks harem

De keizer hield er niet alleen talloze dieren op na. In zijn paleis bevond zich ook een groot aantal Saraceense meisjes, bewaakt door oosterse lijf­wachten. Volgens Frederik waren al die meisjes nodig om te zingen, te dansen en fijn handwerk te doen. Maar zijn hofhouding wist wel beter…
Tot de buitenissige hofhouding van de keizer behoorde voorts een mu­ziekkorps, bestaande uit gevangen­genomen Noord-Afrikaanse negers.

De dood van de keizer

In december 1250 werd Frederik II tijdens het beleg van Parma plotse­ling overvallen door dysenterie. Hij kreeg hevige koortsen en begreep dat zijn leven ten einde liep. Ten slotte stierf hij in de armen van zijn lievelingszoon Manfred. Volgens de legende zag een monnik, die aan zee in gebed was verzonken, op het ogenblik van diens sterven de keizer in volle wapenrusting en ge­volgd door 5.000 ruiters de vulkaan de Etna inrijden… Het volk kon en wilde niet geloven dat de geliefde keizer echt dood was. Nog tientallen jaren lang werden bedriegers die zich uitgaven voor de keizer, aanvankelijk geloofd.
Het lichaam van keizer Frederik II werd bijgezet in een enorme, donker­rode graftombe in de kathedraal van Palermo, naast het graf van zijn vader Hendrik VI en zijn moeder Constanza.

Slag bij Lechfeld

Vooral de sterke Hongaren, die het Otto’s vader Hendrik I al lastig hadden gemaakt, maakten het Duitse rijk onveilig. Otto besloot de Hongaren voor eens en voor altijd een lesje te geven. Met een legermacht van 100.000 man waren de plunderende Hongaren in 955 het rijke Beieren binnen gevallen. Otto de Grote verzamelde de legers van al zijn hertogen en wist samen met zijn broer Hendrik de Hongaarse horden bij Lechfeld te verslaan. De zegevierende Duitse soldaten waren zó geestdriftig over de knappe wijze waarop hun koninklijke aanvoerder de overmachtige vijand had weten te verslaan, dat ze nog op het slagveld een grote parade organiseerden. Bij de stad Augsburg, omringd door de duizenden lijken van gesneuvelde Hongaren krijgsbroeders, bejubelden ze hun gevierde koning. In alle landen van de christenheid werd Otto de Grote om dit wapenfeit als held geëerd Alle vorsten van Europa zonden gezantschappen naar het Duitse hof, om toch vooral op goede voet te komen met deze machtige vorst!

De geruchten over keizerin Constanza

Keizer Frederik II heeft in een van zijn geschriften het plaatsje Jesi zijn “Bethlehem’ genoemd. Zijn moeder, die hem daar ter wereld bracht, stelde hij op één lijn met de ‘Goddelijke Moeder’ die de Heiland baarde.
In werkelijkheid was de sfeer waarin hij werd boren weinig heilig. De onderdanen van Hendrik VI waren na het negen jaar lange onvruchtbare huwelijk van hun koning ervan overtuigd geraakt dat er geen opvolger meer zou worden geboren. Daar kwam nog bij. dat keizerin Constanza 10 jaar ouder was dan Hendrik VI en de veertig reeds naderde. Toen ze toch zwanger werd, deed het verhaal de ronde dat zij in haar slaap door de duivel was bevrucht….
Een ander verhaal wilde dat Frederik een zogenaamd ondergeschoven kind was, dat Constanza niet zelf ter wereld had gebracht. Toen Constanza dit ter ore kwam, wilde ze bewijzen,  dat ze wel degelijk de moeder was. Ze ging naar de markt en liet daar aan iedereen haar volle borsten zien, terwijl de jonge Frederik dronk. Daarmee was het gerucht ontzenuwd….

..

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

..

727-664

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-3/2)

.

Karel de Grote 742-814
.

‘Wanneer ik de bedoeling van de paus had gewe­ten, dan had ik nooit een voet in deze kerk gezet.
Volgens de overlevering deed Karel de Grote, koning der Franken, deze uitspraak na een Kerstmis in Rome in 800. Tijdens deze mis werd hij door de paus tot keizer van het Westen gekroond. Door Karels toedoen was de paus niet langer in de macht van de Byzantijnse keizers in het Oosten. Hij had de kerk van Rome onverbrekelijk met Europa verbonden.

De Franken hadden heel wat bereikt. Op het hoogtepunt van de Romeinse macht waren ze niet meer dan een barbaars volk. Ze leefden in het Rijndal, net buiten de grens van het Romeinse Rijk. Terwijl de macht van de Romeinse keizers afnam, breidden de Franken hun gebied uit. Clovis, de eerste koning van de Franken, versloeg de Romeinse legioenen bij Soissons. In 486 maakte hij een einde aan de Romeinse heerschappij over het grootste deel van Gallië. Clovis nam het christelijke geloof aan. Ook bekeerde hij zijn volk tot zijn nieuwe geloof. Hij legde de grondslag voor de dynastie van de Merovingers, die het rijk van de Franken meer dan 250 jaar zouden rege­ren. Aan het eind van die periode hadden de Me­rovingers alleen nog de koninklijke titel. De echte macht was in de verschillende gebieden van het rijk overgegaan in handen van hofmeiers. Een van hen was Karel Martel. Hij verdiende een blij­vende plaats in de geschiedenis door bij Tours de Arabieren te verslaan en hun opmars in Europa tot staan te brengen. Zijn zoon en opvolger Pippijn de Korte, onttroonde de Merovingers en riep zichzelf in 751 uit tot koning van de Franken. Hij kreeg daarvoor de toestemming van de paus, omdat die zijn steun nodig had in de strijd tegen de Longobarden, een ander barbaars volk dat gebieden in Italië bezet hield. Ze bedreigden het ge­bied van de kerkvorst. Pippijn stierf in 768. Zijn twee zoons, Karel en Karloman, erfden het rijk. Dit omvatte het grootste deel van het huidige Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Zwitser­land en Oostenrijk. Karel werd de enige heerser, omdat zijn broer in 771 overleed. Het werk van Pippijn werd door zijn zoon Karel voortgezet. Hij breidde zijn rijk uit met het koninkrijk Lombardije in Noord-Italië, Beieren en Saksen. Ook werd hij koning over de Avaren en Slaven.

De Franken ondernamen ook een poging om Spanje aan hun rijk toe te voegen. In 778 beleger­den ze Saragossa. Ze slaagden er niet in de stad in te nemen en trokken zich terug. Op de terugweg gingen ze dwars door de Pyreneeën. Daar werden ze aangevallen door de Basken. De legeraanvoer­der Roeland sneuvelde. Hij werd later onsterfelijk in het heldendicht het Roelandslied. Karel maakte zijn plannen voor de vele veldslagen en het in stand houden van zijn legers altijd alleen. Daarbij stond hij ook nog vaak aan het hoofd van zijn van zijn strijdmacht. Ook het bestuur over zijn immense rijk voerde hij vrijwel alleen uit. Karel beschikte in tegenstelling tot de Romeinse keizers niet over ambtenaren. Het rijk was niet in provincies onderverdeeld, er waren geen wegen en goede verbindingsmogelijkheden en er was geen algemene wetgeving. Het centrale bestuur was Karels hof. Dat bestond uit zijn familie en een kleine groep wereldlijke leiders. Alle gebieden behielden hun eigen wetten en werden bestuurd door een plaatselijke edelman en een bisschop. Ze kregen hun instructies van twee koninklijke boodschappers, een kerkelijke en een bestuurlijke. Ongeveer eens per jaar ontmoetten Karel en zijn hof de plaatselijke bestuurders in een algemene vergadering. Daar werden niet alleen de burgerlijke, maar ook de godsdienstige en militaire aangele­genheden besproken.

Hoewel het bekend is dat Karel ruwe manieren had en een slechte opleiding had gekregen, hongerde hij naar kennis. Hij liet geleerden uit alle delen van zijn rijk aan zijn hof in Aken wonen. Om het onderwijs in zijn rijk te stimuleren en de godsdienstbeoefening te verbeteren, stichtte hij scholen, in het bijzonder in de kloosters en kerken. Die inspanningen leidden tot de zogenaamde Karolingische Renaissance, die niet alle­en belangstelling voor scholing omvatte, maar ook nieuwe kunstvormen en een nieuwe architectuur.

Het rijk van Karel de Grote had een enorme omvang bereikt. Het bevatte ook een deel van het vroegere West-Romeinse Rijk. Daardoor werd het de rivaal van het Byzantijnse Rijk, dat in plaats van het Oost-Romeinse Rijk was gekomen.
Byzantium bezat nog een aantal gebieden in Italië, hoe­wel het grootste deel in handen van de barbaren was. Ook beweerden de Byzantijnen zeggenschap te hebben over de paus en de Kerkelijke Staat, Maar de pausen gaven de voorkeur aan de Fran­ken. Dat kwam omdat ze voor een deel werden beschouwd als betere beschermers en voor een deel omdat de Westerse Kerk een andere mening had over een aantal leerstellingen die door de orthodoxe bisschoppen waren aanvaard. In 799 vluchtte paus Leo III naar het hof van Karel de Grote om aan zijn vijanden te ontsnappen. Karel liet hem veilig naar Rome terugbrengen. Het jaar daarna kwam Karel zelf naar Rome. Daar werd hij met veel pracht en praal ontvangen. Tijdens de kerstmis werd hij door de paus tot keizer gekroond. Na een lange strijd werd hij in 812 door de Byzantijnen als keizer erkend. Ze gaven daarmee ook hun rechten op Rome en de paus op. Karels rijk bleef na zijn dood nog maar één generatie bestaan. Daarna versplinterde het in kleinere delen. Toch had het een diepgaande invloed op het Middeleeuwse en tegenwoordige Europa. Want Karel de Grote gaf de Europeanen een gemeenschappelijke erfenis, die was gebaseerd op Romeinse, christelijke en barbaarse grondvesten. Hij was de eerste, die binnen de regering de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten samenbracht. Hij zorgde voor een politieke traditie waardoor later Duitsland en Frankrijk zijn ontstaan.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

.

726-663
.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Nansen

.

DE REUS DIE MILJOENEN LEVENS REDDE
.

Buiten Noorwegen is Fridtjof Nansen bijna vergeten. Ten onrechte. Hij was een der reuzen van zijn tijd. Hij was een poolvorser wiens expeditie werd geprezen als “het grootste wapenfeit van de negentiende-eeuwse mens”. En in de twintigste eeuw verrichtte hij een der grootste daden van menslievendheid die de wereld ooit gekend heeft: door zijn inspanningen werden miljoenen als gevolg van de oorlog van huis en haard verdreven vluchtelingen gered en werden hele volkeren naar elders overgebracht. Toen hij in 1930 stierf werd van hem gezegd dat hij meer mensenlevens had gered en het bestaan voor meer mensen draaglijk had gemaakt dan enig ander in de geschiedenis.

Hij blonk zijn leven lang uit, zelfs in fysiek opzicht. Hij was 1 meter 88 lang, had blond haar en blauwe ogen, was zo sterk als een paard en deed denken aan een Viking-god uit de oudheid. Hij had een hartstocht voor de wildernis en voor de ongereptheid van eenzame plaatsen, en hij had een hekel aan steden — “waar de mensen net zo lang tegen elkaar aan wrijven tot zij stuk voor stuk ronde, gladde nummers zijn geworden.”

Zijn jeugd bracht hij door op een boerderij aan de rand van het prachtige Nordmarka-woud. Zijn vader, een welvarende advocaat uit Oslo, stond hem toe wekenlang alleen in dat woud rond te zwerven en de met bomen bedekte bergen daarachter te doorvorsen. Hij leerde dat het beter is weinig te verlangen dan veel te verdienen. Terwijl hij hier eindeloos dieren en planten verzamelde en classificeerde werd Fridtjofs interesse in de natuur­wetenschappen en in de exploratie van het onbekende gewekt – een speurzin die hem tot een groot zoöloog en oceanograaf zou maken. Later, toen hij in Bergen — de bakermat van de Noorse wereldscheepvaart — aan zijn doctoraal werkte, vernam hij dat er grote behoefte bestond aan nauwkeurige weervoorspellingen in het gebied van de noordelijke Atlantische Oceaan. Deze wetenschap kon uitsluitend worden verkregen door het vrijwel ontoe­gankelijke binnenland van Groenland in kaart te brengen. Zo begon Nansens eerste grote avontuur.

Vanuit enkele eenvoudige Deense nederzettingen in de westelijke havens van Groenland hadden diverse expedities, waaronder een onder leiding van Peary, gepoogd de grote ijskap over te steken. Maar zij hadden allen moeten terugkeren nog voor zij halverwege waren. Er bevonden zich geen nederzettingen aan de oostzijde. Een verheven bergwand omrandde die kust en van deze muur gleden reusachtige gletsjers in het water. Kilometers in het rond was de zee een malende, ziedende nachtmerrie van heen en weer geslingerde ijsblokken. Ontoegankelijk, zeiden de experts. Nansen echter ontvouwde een stoutmoedig plan: hij zou Groen­land van oost naar west oversteken. In geval van een catastrofe zou er geen basis zijn om op terug te vallen, maar Nansen was vol vertrouwen. “Als wij weten dat wij niets achter ons hebben,” zei hij, “zijn wij wel gedwongen vooruit te gaan.”

Het voorstel kreeg veel publiciteit en werd vrijwel unaniem verworpen. Maar een Deense koopman werd overgehaald de expeditie te financieren en drie Noorse sportlieden benevens twee Laplandse gidsen boden aan om mee te gaan. Er volgde een perio­de van intensieve voorbereidingen. Nansen vond allerlei dingen uit en bouwde ze met eigen handen, zoals de Nansen-slede die van brede, buigzame lopers was voorzien om de schokken te ab­sorberen wanneer zij over ruw ijs werd voortgesleept. Hij trachtte alle denkbare gebeurlijkheden te voorzien en stelde eigenhandig elk onderdeel van zijn uitrusting in de winterse sneeuwbuien van Noorwegen op de proef.

In de zomer van 1888 bracht een robbenjagersvaartuig het gezelschap naar een punt in de nabijheid van de spookachtige oostkust van Groenland. Wekenlang hield het pakijs het schip 50 mijl van de kust. Maar op 17 juli opende het ijs zich en kon het schip zich tot negen mijl van de kust wurmen, waarna met twee roeiboten zes jonge avonturiers werden neergelaten. Zij hadden twaalf dagen nodig om de kust te bereiken! Soms vroren de boten vast in het drijfijs, soms werden zij zover meegevoerd dat de mannen het land uit het gezicht verloren. Vaak werden zij door golven besprongen en heftig op en neer geslingerd; er was dan weer een ijsberg met een gewicht van duizenden tonnen van de gletsjer afgebroken en in zee gestort. Toen zij zich eindelijk een weg naar het land hadden gebaand, roeiden zij meer dan twee weken langs de kust om een doorgang door de fantastisch verstrengelde bergen en ijsmassa’s te vinden. Eindelijk vonden zij een opening en begonnen zij zich langs de 1800 meter hoge bergwand omhoog te klauwen. Zes dagen later stonden zij op de top van de ijskap.
De zes mannen hadden zeer te lijden van de bittere koude en van sneeuwblindheid. Op een keer werden zij drie dagen in hun tent vastgehouden door een storm waar niemand tegenop kon. Hun baard en hun haren vroren vast aan hun parka’s van Eskimo-vachten, zodat zij soms moeite hadden hun mond open te krijgen. “Goeie hemel,” merkte een der mannen op, “en dan te bedenken dat er mensen zijn die zich vrijwillig aan zo’n verschrikking onderwerpen!”

Toch verliep alles in feite volgens Nansens zorgvuldig opgestelde plannen. Hij hees de zeilen van de skisleden en in zes weken be­reikten zij Godthaab aan de westelijke rand van Groenland.

Nansen keerde naar Noorwegen terug om de tijdens de expeditie verzamelde wetenschappelijke gegevens te publiceren. Op zijn 28e was hij beroemd en de held van de jeugd van alle landen. Maar zijn overwinning had “niets van het onverwachte” en weldra smeedde hij plannen voor een nieuw avontuur.

De noordpool was evenals de oceaan die zich honderden kilometers eromheen uitstrekte, bedekt met een omvangrijk ijsveld.
Alle noordpoolvorsers waren met hun schepen tot aan dit ijs gevaren en hadden vervolgens gepoogd te voet de pool te bereiken. Men meende dat het fataal zou zijn een schip door het ijs te laten insluiten en vastvriezen. Maar op een keer had Nansen bij Groenland vanaf het schip van een robbenjager een stuk drijfhout op een ijsschots waargenomen. Groenland had geen bomen; er moest dus een constante stroming bestaan die de gehele ijskap van Siberië naar Groenland voerde, waar zij in de warmere wateren in stukken uiteenviel. Als drijfhout over de Noordelijke IJszee kon reizen, waarom dan geen schip?

Nansens plan begon vaste vorm aan te nemen. Hij zou een schip vast laten lopen in het ijsveld ten noorden van de Siberische eilanden en het daar laten invriezen. Binnen drie à vijf jaren moest het dan bij Groenland weer te voorschijn komen. Met een beetje geluk zou het zich over de pool bewegen of er althans dicht langs gaan. Opnieuw trof hij zorgvuldig zijn voorbereidingen. Zijn vaartuig van 400 ton was van een nieuw ontwerp; de zware houten romp had een zodanige ronding dat het ijs het schip niet zou kunnen fijnknijpen, maar het omhoog zou duwen. Nansens vrouw Eva doopte het schip Fram, het Noorse woord voor “Voorwaarts”; terugkeer zou immers onmogelijk zijn.

In september 1893 stuitte de Fram met Nansen en twaalf uitge­lezen geleerden en zeelieden aan boord op het pakijs ten noordwesten van de Bering-Straat. Toen de ijsmassa’s het schip hadden ingesloten en het in de tang begonnen te nemen, wankelde en kreunde de Fram, maar geleidelijk rees het schip omhoog en kwam het tot rust op het ijs — zoals Nansen had gehoopt “als een bal op een presenteerblaadje”. De bemanning van het schip verdiepte zich in de zorgvuldig uitgekiende werkzaamheden: registratie van de temperatuur, het verrichten van dieptelodingen onder de ijsvloer en het verzamelen van monsters van de oceaanbodem. Aan het eind van het eerste jaar bleken zij 302 kilometer te zijn afgedreven. In dat tempo zou het hun bijna vier en een half jaar kosten om over de top van de wereld te reizen en Spitsbergen te bereiken — de noordelijkste buitenpost van Noorwegen.

Al vroeg in het tweedejaar werd het duidelijk dat de Fram de pool zou missen. Nansen maakte toebereidselen om het tweede deel van zijn plan ten uitvoer te leggen. Met een metgezel en drie hondensleden zou hij het schip verlaten en zo ver mogelijk naar het noorden doorstoten. Het tweetal zou het schip nooit meer kunnen terugvinden. Maar, zo meende Nansen, door kajaks op de sleden mee te nemen zouden zij zowel over ijs als in open water kunnen reizen en weer land kunnen bereiken. En zo verlieten hij en Hjalmar Johansen op 14 maart 1895 de Fram op 664 kilometer ten zuiden van de pool. Hun reis naar het noorden was een der zwaarste welke ooit door mensen is overleefd. Het poolijs was een eindeloze opeenvolging van troggen en ijskammen, alsof de zee plotseling was bevroren op het hoogtepunt van een woedende storm. De sleden en de honden over 6 meter hoge ijswallen te voe­ren was een worsteling die het uiterste van hun krachten vroeg. Op 8 april beklom Nansen de top van een ijsrichel en plantte er de vlag van Noorwegen. Hij deed een waarneming: 86 graden 14 minuten Noorderbreedte — 300 kilometer noordelijker dan enige poolvorser ooit was gekomen. De zomer was nu in aantocht en het ijs dreef sneller naar het zuiden af dan zij zich naar het noorden worstelden. En dus moesten zij terugkeren. Hun reis werd nu nog zwaarder. Zij werden doorweekt door smeltend ijs en sneeuwstormen en hun voorraad proviand slonk voortdurend. Op een keer geraakten hun kajaks met al hun uitrusting op drift zodat Nansen 180 meter door het ijskoude water moest zwemmen om ze te redden. Op een enkele na stierven alle achtentwintig honden aan uitputting. Zij deden er vier maanden over om de eilandengroep te bereiken die als Frans Jozefsland bekend staat — het eerste land dat zij in twee jaar onder de voeten kregen.

De ontdekkingsreizigers bereidden zich nu voor op hun derde poolwinter. Zij bouwden muren van steen en mos en een dak van drijfhout en walrushuiden. Om aan proviand te komen doodden zij negentien ijsberen. Als brandstof sloegen zij walrusspek op.
En toen sloot de poolnacht zich over hen. In latere jaren gaven de mannen in het openbaar slechts twee ongemakken toe die hen tijdens die negen maanden in de kleine hut hadden geplaagd. Johansens probleem was: “Elke keer als ik snurkte gaf hij mij een schop.” Nansens klacht: “Maar het hielp nooit.”

Toen de lente aanbrak gingen zij opnieuw op weg naar het zuiden. Buiten medeweten van Nansen had een Engelse expeditie, onder leiding van Frederick Jackson, Frans Jozefsland geëxploreerd en 150 kilometer verderop overwinterd. Op een dag zag de verblufte Jackson een morsige gestalte van achter een ijsheuvel opduiken en op hem toe rennen. “Goede hemel, wat ben ik blij u te zien,” stamelde hij ten laatste.
Met Jacksons schip bereikte het gezelschap in augustus 1896 Noorwegen. Een week daarna kwam de Fram de haven binnen; iedereen aan boord was gezond en wel.

Nansen werd verwelkomd als de grootste noordpoolvorser in de geschiedenis. Hij had zijn theorie van de polaire zeestroom bewezen; hij had het spits afgebeten van een nieuwe, efficiënte methode van poolonderzoek. Waar hij ook ging werd hij door juichende menigten begroet en gehuldigd. Maar het leven in de openbaar­heid drukte hem. Hij voelde dat “zijn ziel werd weggespoeld, vertreden door vreemde mensen, zodat een man gedwongen wordt zich te verschuilen om zichzelf terug te vinden.” Alleen in de natuur kon hij vrede vinden, en hij wenste nu met vrouw en kinderen in eenvoud te leven en naar zijn laboratorium terug te keren.

Maar zijn grootste avonturen had hij nog voor de boeg.

In 1905 maakte het opkomende nationalisme een einde aan de negentigjarige unie tussen Noorwegen en Zweden. Nansen werd leider van de Noorse afscheidingsbeweging. Zweden had 60 00o soldaten; Noorwegen slechts 4000. Het scheen een dwaas moment om zelfstandigheid te vragen, maar Nansen had een les uit zijn avonturen getrokken: “Er is altijd een manier om de dingen te doen die gedaan moeten worden.” Hij reisde naar Kopenhagen en naar Londen, sprak met hoofdredacteuren en politici en pro­duceerde met ongelooflijke energie artikelen en lezingen. In het buitenland wist men maar weinig van Noorwegen, maar Nansens naam opende alle deuren. Zijn stoere ernst en zijn heldere argu­menten leidden tot de tussenkomst van Denemarken en andere staten, en Zweden stemde toe in een vreedzame regeling.

De Eerste Wereldoorlog bracht Noorwegen in een gevaarlijke positie. De voor zijn voortbestaan noodzakelijke import- en exporthandel werd verstoord en de nationale economie bijna vernietigd. Nogmaals werd Nansen van zijn wetenschappelijke bezigheden weggeroepen. Hij reisde heen en weer tussen Washington, Londen en andere steden om geduldig de overeenkomsten uit te werken die Noorwegen voor verhongering moesten behoeden. Zelfs de vrede van Versailles bracht hem geen rust. Een der eerste problemen waarvoor de nieuwe Volkenbond zich gesteld zag was de repatriëring van de krijgsgevangenen. Maar Ruslands communistische regering wilde niet onderhandelen met de “vijandige” Volkenbond en trok zich weinig aan van de gevangenen die in Siberische kampen stierven, of zelfs van de Russen die in het buitenland werden vastgehouden. De Volkenbond deed wat Noorwegen al zo lang gewend was te doen: hij deed een beroep op Nansen.
Nansen begaf zich zonder verwijl naar Moskou. Tsjitsjerin, de volkscommissaris van Buitenlandse Zaken, weigerde hem te erkennen als vertegenwoordiger van de Volkenbond. Goed, zei Nansen, beschouw mij dan maar als de persoonlijke vertegenwoordiger van de betrokken landen. Er waren geen transportmogelijk heden voor gevangenen, zei Tsjitsjerin. Waarop Nansen hem een gedetailleerd plan voor hun transport voorlegde. Ten slotte gaven de Russen toe en werden er 427 000 gevangenen bevrijd. Volkenbondsexperts hadden berekend dat de repatriëring per gevangene meer dan 700 gulden zou vergen; Nansen deed het voor dertig.

Opnieuw trachtte hij terug te keren naar zijn arbeid als hoogleraar in de oceanografie aan de universiteit van Oslo. Maar opnieuw kwam er een politiek S.O.S. Anderhalf miljoen vluchtelingen voor de communistische revolutie werden her en der door Europa gestuurd en vluchtten van het ene land naar het andere. Als Hoge Commissaris voor het Vluchtelingenwezen van de Volkenbond zorgde Nansen ervoor dat de Witrussen zich konden vestigen in Frankrijk, Bulgarije, Tsjechoslowakije, Joegoslavië, Palestina en de Verenigde Staten. Om de ontwortelde mensen voor zichzelf te kunnen laten zorgen, zorgde hij voor baantjes, gereedschappen, zaden en nieuwe industrieën. De actie van de Volkenbond werd ten zeerste belemmerd door het feit dat de vluchtelingen als regel geen paspoorten hadden. Nansen loste dat probleem op door zelf paspoorten voor hen uit te schrijven die na verloop van tijd door 52 regeringen werden erkend. Dit Nansenpaspoort was niet van een nationaal embleem voorzien, doch van het  vastberaden profiel van Fridtjof Nansen.

Terwijl hij nog bezig was de Russische vluchtelingen te helpen werd er opnieuw een beroep op hem gedaan, ditmaal door de slachtoffers van de Grieks-Turkse oorlog. Een bij het vredesverdrag getroffen grensregeling bracht honderdduizenden Grieken en Armenen onder een hun niet welgezind Turks regime, hetgeen een lawine van vluchtelingen ontketende. Nansen zag in dat slechts  de overbrenging van de Grieken naar het Europese vasteland de basis voor een duurzame vrede zou kunnen leggen. Hij stelde de overdracht voor, en hij voerde haar ook uit. Na acht jaren van moeizaam onderhandelen vond een half miljoen Turken een tehuis in Klein-Azië en werden anderhalf miljoen Grieken in hun eigen vaderland aan land geholpen.

En toen kwam de verschrikkelijke Russische hongersnood van 1922. Dertig miljoen boeren aten boomschors, bladeren en zelfs gezouten mensenvlees. Er waren epidemieën in aantocht die een bedreiging voor geheel Europa vormden. Nansen was nu zestig, maar hij aarzelde niet. Toen de Volkenbond, die Rusland wantrouwde, hem fondsen weigerde, reisde hij door Europa en Amerika om door middel van lezingen zoveel mogelijk geld bijeen te brengen. Herbert Hoovers American Relief Administration redde het grootste deel van de slachtoffers, maar het was door Nansens persoonlijke inspanningen dat een miljoen mensen te eten kregen. Hij nam zelf de leiding over de keukens en assisteerde persoonlijk met de nederigste details van het koken en het opdienen van het voedsel. Miljoenen gezinnen in de gehele wereld zegenden hem voor het behoud van een dierbaar familielid.

Fridtjof Nansen was in Genève een vertrouwde, patriarchale figuur geworden. Als Noors gedelegeerde bij de Volkenbond toonde hij zich een nerveus maar oprecht spreker die voortdurend aandrong op hulpverlening aan Russen, Armeniërs en hier of daar gestrande Grieken. Hij was zulk een vurig voorvechter van de kleine naties dat de afgevaardigden elke september als de Assemblée bijeenkwam tegen elkaar fluisterden: “Laten wij hopen dat Nansen niet opnieuw een kleine natie heeft ontdekt.” In typerende Nansen-stijl gaf hij het geld weg dat hij in 1922 won met de Nobelprijs voor de Vrede. Een deel ervan bestemde hij voor de herplaatsing van Griekse vluchtelingen.

Nansen droomde reeds lang van een nieuwe ontdekkingstocht – misschien een zeppelinreis over de noordpool. Maar zijn heldhaftige inspanningen hadden hem uitgeput. Op een zonnige namiddag in mei 1930 zat hij voor zijn huis bij Oslo over het pijnbomenbos naar de bergen te turen. Plotseling boog hij het hoofd in zijn handen en was dood. Zijn grafschrift had hij zelf reeds uitgesproken in 1926 toen hij de studenten van de St. Andrewsuniversiteit in Schotland toesprak: “Laat mij u een geheim verklappen over de zogenaamde successen die ik in mijn leven behaald heb: ik heb altijd mijn schepen verbrand en de bruggen achter mij vernietigd. Dan is er geen andere keuze dan Voorwaarts!”

.

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

725-662

.

.

VRIJESCHOOL – Gymnastiek – (1-2)

.

Bea Hunfeld, vrijeschool Eindhoven, nadere gegevens onbekend)

.
OVER DE GRIEKSE VIJFKAMP EN DE BOTHMEROEFENINGEN
.

De Griekse vijfkamp had tot doel bij te dragen tot een harmonische ont­wikkeling van de mens die ze beoefende en je zou het als een oefenweg kunnen beschouwen. Er was dus geen sprake van jacht naar records. De spelen werden gehouden ter ere van de goden en de mens hoopte door beoefening ervan het contact met de goden levend te houden en de goede eigenschappen van de goden te kunnen verwerven. Want niemand die de speer beter richtte dan de oppergod Zeus en de discus probeerde men zo te wer­pen als de zonnegod Apollo.

Wat was en is nu nog de waarde van deze vijf oefeningen?

Door de loop probeerde men een evenwicht tussen zwaar en licht te ver­krijgen. De mens bevindt zich tussen hemel en aarde en het is goed als hij met twee voeten stevig op de grond staat zonder te veel aan de zwaar­te toe te geven, maar aan de andere kant zijn hoofd hoog draagtzon­der zijn neus in de wolken te steken.
Dus licht en donker ofwel licht en zwaar of dat wat van boven komt en dat wat van beneden komt moet in harmonie met elkaar zijn. En de loop kan een hulpmiddel hiervoor zijn.
Sommigen van u hebben misschien zelf wel eens ervaren dat je na wat training (waardoor je ook een goede regeling van je ademhaling krijgt) het gevoel kunt krijgen: zoals ik nu loop zou ik het heel lang vol kunnen houden. Dan heb je een evenwicht bereikt.
En vanaf de puberteit kun je dat de jonge mensen in een duurloop laten ervaren, terwijl de loop op de kortere afstanden in alle klassen beoefend wordt.

Door de sprong wilde de Griek leren zijn impulsen te beheersen. Daarom had hij halters in zijn handen. Deze tamelijk zware gewichten zwaaide hij als hij op ’t hoogste punt van zijn sprong was, nog eens naar achteren om zichzelf daarmee nog wat verder te doen neerkomen. Men schijnt op deze manier vroeger erg ver gesprongen te hebben. Pogingen om deze techniek terug te brengen zijn mislukt, maar wel maakt onze hedendaagse verspringer in de lucht nog allerlei bewegingen om zijn afstand te vergroten.

En het springen in het algemeen, ook in de gymzaal met toestellen, is iets wat grote concentratie en beheersing vraagt.

Het derde onderdeel was het worstelen. Wie kan er goed worstelen? Niet alleen iemand die veel kracht bezit, maar iemand die behalve kracht ook een goed aanvoelingsvermogen heeft en bovendien zijn hoofd erbij houdt. Dus door het worstelen beoogde men een harmonisch samengaan van het denken, voelen en willen. Dit is een streven dat je niet alleen bij de gymnastiek terugvindt, maar als een rode draad door alle vakken van de vrijeschool loopt.

Het vierde onderdeel was het discuswerpen. Het is een daad van het
mid­dengebied. Wie ooit een discus geworpen heeft, herinnert zich misschien hoe belangrijk het moment van loslaten isHet doel hiervan was en is: te leren iets zoveel van je zelf mee te geven, iets zo te sturen dat het zelfstandig een goede baan beschrijven kan. Als je een discus te veel of te weinig van jezelf meegeeft, wordt het een waardeloze worp. (Als ideale baan gold voor de Griek de baan van de zon, door Apollo be­werkstelligd).

Het discuswerpen als atletisch onderdeel doen we op de vrijeschool vooral in de 10e klas.

Het laatste en vooral voor deze tijd belangrijke onderdeel is het speerwerpen. 
In de tijd van de Grieken was de speerworp eigenlijk iets dat tot de vermogens van de Goden behoorde; nu is het iets dat wij moeten ontwikkelen.
Want waar heeft een speerworp mee te maken?
Met de kracht van het ik om een eigen doel te kiezen.
Het speerwerpen als atletisch onderdeel beoefenen we in de vrijeschool vooral in de 11e en 12e klas.

Toen Dr. Steiner in 1922 aan Graf von Bothmer vroeg om de gymnastiek voor de vrijeschool te ontwikkelen, is Bothmer uitgegaan van die men­selijke vermogens die de Griek zich door de vijfkamp eigen wilde maken. Bothmer beschouwde het als zijn taak om de mens, die een deel van de kosmos is, de krachten en de wetten van de kosmos te doen leren kennen.
Aan de loop (evenwicht tussen zwaar en licht) ontwikkelde hij die oefe­ningen die vooral in de onderbouw gedaan worden en in de oefeningen van de vijfde klas als spel tussen licht en zwaar “zijn meest duidelij­ke” uitwerking vinden.

De sprong (het beheersen van de impulsen) komt ook vooral in de onder­bouw in zijn kringspelen en later als ritmisch springen terug.
De waarde van het worstelen (evenwicht tussen denken, voelen en willen) laat hij al zijn oefeningen doordringen, maar treedt het duidelijkst in de bovenbouwoefeningen naar voren.
Hij doet dat in de vorm van de drie dimensies, die wij niet als abstracte richtingen beleven, maar als mens inhoud geven. Zo heeft het vlak dat het onder van het boven scheidt met ons voelen te maken, het vlak dat het links van het rechts scheidt met het denken, en het vlak dat het voor van het achter scheidt met het willen.

We kunnen ons hier allemaal wel iets bij denken, bijvoorbeeld wordt een stap naar voren toch als een wilsdaad gezien, omarm je iemand in het boven- ondervlak en hoort het wikken en wegen (handen die links en rechts op en neer gaan) toch tot het denken.

Van het discuswerpen (een beweging van het middengebied) leidt hij
ver­schillende oefeningen af, vooral voor de 10e klas.

Van het speerwerpen (vanuit het ik je doel kiezen) zijn eigenlijk alle oefeningen vanaf de 4e klas-, waarin het kind zich als individu tegen­over de wereld geplaatst voelt, tot en met de 12e klas doordrongen.

In de lagere klassen begin en eindig je altijd een oefening heel duide­lijk, met ik sta. (de ik—lijn wordt door de recht opstaande stand van onze wervelkolom mogelijk en is dus typisch menselijk). En in de bovenbouw krijg je bovendien dat alle oefeningen zeer doel­gericht zijn. In de 9e klas verlaat je de kringopstelling en is elke oefening een beweging naar een doel.

Ik ben mij ervan bewust dat dit allemaal theorie blijft als u de oe­feningen niet kent, maar misschien kunt u het volgende eens proberen: u gaat staan met uw armen zijwaarts, de handpalmen naar beneden gerichtAls u nu de handpalmen langzaam naar boven draait, kunt u misschien iets van het verschil tussen het zware en het lichte voelen.

Onze tijd geeft ons behalve de Griekse vijfkamp en de bothmeroefeningen ook nog het turnen en het spel en vele andere dingen als hulpmiddel tot de ontplooiing van onze kinderen. Hierover zal ik een andere keer schrijven.
..

Gymnastiek: alle artikelen

Spel (en sport)alle artikelen

Menskunde – en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.
724-661

.

.

VRIJESCHOOL – Gymnastiek – (1-1)

.

DE VIJFKAMP

.

Gevarieerde beweging als oefening
.
Sport is een belangrijke vorm van vrijetijdsbesteding. Heel wat mensen gaan wekelijks naar de sportvelden om actief sport te bedrijven. Sport kan meer zijn dan een vorm van ontspanning of het lenig maken van ‘vergeten’ spieren.

Michaëla Klinkenberg schreef over de Griekse vijfkamp. Een sportieve bezigheid die activerend kan werken op creatieve vermogens.

.

Michaëla Klinkenberg, Jonas 22, 25-06-1982

vijfkamp 1

In Jonas nummer 20* werd ingegaan op een vorm van sport, die al een aantal jaren een modeverschijnsel is: het hardlopen.
Ruim 2500 jaar geleden vormde dezelfde sport de basis van de grootse culturele bloei in het oude Griekenland. Maar het was niet de enige bewegingsdiscipline die bijdroeg tot deze bloei. Ik heb in het betreffende artikel beschreven hoe het hardlopen als bewegings­oefening bijzonder geschikt is om de creativiteit te activeren. Toch zal – voor degenen die dat niet al uit eigen ervaring kennen – uit de beschrijving ook zijn gebleken, dat we bij het hardlopen met een eenvoudige en daar­door beperkte, ja zelfs eenzijdige ontplooiing van onze mogelijkheden te maken hebben. Wij zijn tot een veel gevarieerdere beweging in staat en hebben daar zowel lichamelijk als psychisch behoefte aan.
Ook de gymnast in het oude Griekenland be­sefte dit. Van de verdere gymnastische oefe­ningen die door hem werden geleid, kreeg met name één oefening veel aandacht: het worstelen. Juist bij het worstelen hebben we met kwaliteiten te maken, die een tegenwicht vormen ten opzichte van het hardlopen. Ik zal daar later op terugkomen.
De Griekse gymnast ging echter nog verder. Door de andere oefeningen toe te voegen, springen, discus- en speerwerpen, verenigde hij het hardlopen en worstelen in een totaliteit van vijf disciplines, die tezamen alle mogelijkhe­den van de mens omvatten.
Zo ontstond een unieke reeks van elkaar aanvullende oefenin­gen die in onze huidige atletiek in deze samen­stelling niet meer voorkomt: de zogenaamde Griekse vijfkamp. Uniek, doordat hij vrijwel alle specialisatie in één richting uitsluit maar ook doordat hij in vijf grote stappen vorm­geeft aan een gezonde lichamelijke en gees­telijke ontwikkeling. De beoefening van deze vijfkamp heeft hierdoor een belangrijke har­moniserende, hygiënische en opvoedkundige waarde.
Ook met betrekking tot onze creatieve uiting kan de totaliteit van de vijf oefeningen van belang zijn. Zij vormen bijvoorbeeld een goe­de voorbereiding voor de acteur, die op het toneel een veelzijdige uitingswijze moet be­heersen. Hij drukt zich immers zowel door het spreken als door zijn manier van lopen, de taal van zijn gebaren en zijn mimiek uit. De toneelspeler gebruikt eigenlijk heel duide­lijk alle mogelijkheden, die de mens in het leven ook heeft om zich te uiten. In de ande­re kunsten is dit niet zo expliciet het geval. Maar zoals met name voor de toneelkunst de vijfkamp een directe praktische voorberei­dingsvorm is (en als zodanig door sommige toneelgroepen wordt gebruikt), biedt de to­taliteit van de vijf oefeningen ook een goede voorbereiding voor iedere creatieve uitings­wijze, die niet in eenzijdigheid wil vervallen.
.
Worstelen

Op oude Griekse vazen is het worstelgevecht in grote veelvuldigheid afgebeeld. Vaak zien we de volgende karakteristieke situatie: twee mannen staan tegenover elkaar, houden elkaar aan de armen vast en hellen zo ver voorover, dat hun voorhoofden elkaar (bijna) raken. Hun blik is naar binnen gekeerd, hun hoofd vaak klein en bijna nietig ten opzichte van de geweldige schouders, rug en bovenbenen; daarentegen zijn onderbenen, voeten en ar­men weer spichtig (op de oudere vazen zijn deze verschillen veel duidelijker dan op de nieuwere, die steeds meer de gewone lichame­lijke verhoudingen weergeven). Dit is de eer­ste greep waarmee de twee tegenstanders el­kaar ontmoeten; zij schijnen nu samen een onwrikbaar geheel te vormen. Hun aandacht is afgewend van alles wat om hen heen ge­beurt en concentreert zich volledig op kracht en intenties van de ander. Het doel is immers krachtiger, sneller en handiger te zijn dan hij en hem door middel van een tweede greep uit zijn stand te krijgen, ja zo mogelijk in de lucht te heffen. Is dat eenmaal bereikt, dan is de tegenstander zo goed als verloren; het aanraken van de aarde met enig ander li­chaamsdeel dan de voet betekent de neder­laag. We kunnen ons binnen de sport nauwe­lijks een sterkere ontmoeting van twee men­sen voorstellen. De tegenstander heeft im­mers dezelfde bedoeling, zodat het neerkomt op een meten van elkaars krachten. Niet alleen van de fysieke kracht: initiatief­kracht, durf, de ander verrassen of te snel af zijn, zijn zeker even belangrijk. Daarvoor is echter aanvoelingsvermogen nodig en de vaar­digheid zich in de ander te verplaatsen. Deze twee kwaliteiten vinden we terug in de merk­waardige lichamelijke tegenstelling, die op de oudere vazen zichtbaar is: de krachtige bo­venbenen, billen en schouders drukken stevig­heid en ‘standvastigheid’ uit. De spichtige armen en voeten die elkaar evenals het kleine hoofd raken, geven het fijngevoelige opgaan in de ander weer.

vijfkamp 3

Een ontmoeting met de medemens, een meten van de eigen krachten en daardoor een ontmoeting met zichzelf, zo kun je de worsteloefening typeren. Ik zou het ook een bij uitstek ‘menselijke’ oefening willen noemen, in tegenstelling tot het hardlopen. Bij het sprinten bewegen de ledematen zich immers maximaal, waardoor juist een intensieve lichamelijke verbinding met de omgeving tot stand komt. Bij het rustiger hardlopen voltrekt zich deze verbinding meer door een waarnemend opgaan in de omgevende natuur. De worstelaar echter staat onwrikbaar tegen­over zijn ‘tegenstander’ en richt zijn aan­dacht naar binnen in het innerlijk van de an­dere mens.

Sprong

De tegenstelling tussen hardlopen en worste­len is zo groot, dat zich tussen beide oefe­ningen een afgrond bevindt die niet gemakke­lijk te overbruggen is. Deze overbrugging werd bij de oude Grieken bereikt door een derde oefening: de sprong.
Inderdaad zijn we door het springen in staat twee gescheiden werelden te verbinden, bijvoorbeeld de beide oevers van een stroom, de beide kanten van een ravijn of twee landstroken, die door een muur of heg gedeeld zijn. Wij verheffen ons bij het springen immers een tijdlang in de lucht en we hoeven ons er niet over te be­kommeren hoe de aarde er onder ons uitziet. Dat dit op het eerste gezicht meer aan vlie­gen doet denken dan het hardlopen (de relatie tussen vliegen en hardlopen werd in het vori­ge artikel beschreven*) lijdt geen twijfel. Maar tegenover dit korte zweven in de lucht staat een zo intensieve verbinding met de aarde als bij geen andere oefening het geval is. Tij­dens het zweven overwinnen wij weliswaar voor enkele ogenblikken de zwaartekracht, maar dat is slechts mogelijk door ons voor en na het zweven, dus aan het begin en eind van de sprong, des te sterker aan de zwaarte over te geven.
Ieder die wel eens een sprong uit de stand heeft gemaakt, zal zich de enorme inspan­ning herinneren die hiervoor nodig is. Dit hangt samen met het feit, dat we bij deze be­weging door de knieën moeten en de praktijk wijst uit dat de meeste mensen dit niet ge­wend zijn of niet zo graag doen… Bij het door-de-knieën-gaan moeten we onszelf im­mers loslaten, ons een stuk laten vallen – iets wat we over het algemeen niet positief erva­ren. Voor de sprong echter is het een nood­zaak, en de vaart die bij dit vallen ontstaat, moeten we razendsnel gebruiken om ons met alle energie af te zetten tegen de aarde en ons zo boven onze zwaarte te verheffen: wij zweven. Zoals we bij het vallen het gevoel hebben dat we onszelf verliezen, beleven we het verheffen boven de eigen zwaarte als een boven onszelf uitgroeien. Dit ervaren we juist wél positief. Het gaat gepaard – wanneer de sprong ons lukt – met een gevoel van bevrij­ding, van vreugde. Onze taal kent de beeld­spraak ‘een vreugdesprong maken’, waarvan de bijbehorende stemming ons allen bekend is. Maar dit bevrijdende gevoel is slechts van korte duur. De zwaarte gaat weer overheer­sen en we belanden met een des te grotere kracht op de grond. Om hierbij niet kwalijk te vallen is het soepel door-de-knieën-gaan nóg eens van belang.

We hebben bij de sprong dus te maken met een spel van zwaar en licht. Deze twee pola­riteiten worden door het springen verbonden. De oude Griekse atleten schonken hieraan bijzonder veel aandacht. Zij namen stenen of loden gewichten in de hand, deden hier bin­nenshuis allerlei zwaai-oefeningen mee en leerden zo het omgaan met zwaar en licht uitstekend beheersen. Daardoor waren zij ook in staat met deze gewichten in de hand te springen, uit de stand maar ook met een aanloop. De gewichten werden niet wegge­gooid tijdens de sprong maar hielpen de at­leet het hele proces sterker te beleven en te beheersen, vooral ook het neerkomen op de grond. Het bewaren van het evenwicht was hierbij een vereiste en vergde een niet ge­ringe techniek.
Door de vaasschilderingen wordt ons duidelijk op welke soepele manier de oude Grieken deze moeilijke sprong uit­gevoerd moeten hebben. De soepelheid en de veerkracht die bij het springen ontwikkeld worden, hebben hun li­chamelijke uitdrukking in de knie – het or­gaan dat bij de sprong van essentieel belang is. De knie maakt soepelheid en veerkracht mogelijk doordat het een verbindend or­gaan is (een gewricht) en bovendien een be­middelende positie heeft: het bevindt zich in het midden tussen onder- en bovenbeen, twee lichaamsdelen die een zeer verschillen­de tendens uitdrukken. Het bovenbeen is fors en zwaar en sluit aan op de nog massie­vere romp. Het onderbeen daarentegen is slank en bergt onzichtbaar al de spreidende tendens in zich (namelijk in de twee botten) die in de lichte voet en ten slotte in de tenen steeds meer zichtbaar wordt. We herkennen hierin de zware, geconcentreerde pool en de lichte, gespreide pool waar we bij de sprong mee te maken hebben.

Het ligt nu voor de hand dat deze twee polen bij het springen ook psychisch een rol spe­len. Inderdaad hebben we voor de uitvoering van de sprong een grote geestelijke concentratiekracht nodig en tegelijkertijd de moed tot innerlijke explosiviteit, zich weggeven, zich ontplooien. De snelle afwisseling van deze twee zo verschillende innerlijke activiteiten tijdens het springen bewerkt ook een innerlijke soepelheid. Zo wordt begrijpelijk, dat de op de omgeving gerichte stemming die bij het hardlopen ontstond door middel van de sprong geconcentreerd kan worden zodat de zelfbeheersing en initiatiefkracht zich kunnen ontwikkelen, die nodig zijn om nu de tegenstander in de worstelkamp tegemoet te treden.

Discus- en speerworp

Maar het worstelen kan geen eindpunt zijn.
We zijn daarbij zo sterk naar binnen gekeerd, dat onwillekeurig de behoefte in ons gewekt wordt onze krachten nu weer aan de buiten­wereld te meten. Vooral na een overwinning zal de behoefte ontstaan deze aan de buiten­wereld mee te delen en om ons heen naar nieuwe tegenstanders uit te kijken. Dit innerlijke gebaar gaf de Griekse gymnast vorm in een volgende oefening: de discusworp. Hier­bij is inderdaad sprake van een zich uitbrei­den over de omgeving. Als we op het veld staan en de discus horizontaal in de hand houden (de beginhouding) kunnen we de kleine, ronde schijf als een concentraat bele­ven van de aardschijf waar we zelf op staan. De metalen of stenen schijf is immers ook een stuk van de aarde, dat we door de worp weer teruggeven aan de ons omgevende na­tuur. We nemen hiervoor de schijf eerst mee in een spiraalvormig naar binnen gaande be­weging van het lichaam en slingeren hem ver­volgens door de kracht van de teruggaande draai van ons af. Bij het naar binnen gaan ne­men we de omgeving in ons bewustzijn mee naar binnen; bij het terugdraaien en de worp breiden we ons met het bewustzijn weer over de omgeving uit. We oefenen dus een sterk concentrerende en daarna ontplooiende be­weging.

vijfkamp 2

Dit herinnert sterk aan de sprong en we kunnen de discusworp ook als een metamor­fose van de sprong ervaren. Bij de laatste werpen we als ’t ware onszelf en leren daar­bij omgaan met onze eigen kracht en zwaarte; bij de discusworp werpen we een stuk van de ons omgevende natuur en leren daardoor de omgeving beheersen. Dat wij hierbij tot gevaar voor deze omgeving worden is eigen­lijk impliciet aan de oefening. Bij de sprong moesten we onszelf, bij het worstelen slechts één tegenstander overwinnen en nu de hele ruimte om ons heen.
Ditzelfde geldt nog sterker voor het speer­werpen. De speer heeft een langgestrekte vorm en is bovendien van een scherpe punt voorzien. Hierdoor nodigt hij uit tot het werpen in een bepaalde richting en nog sterker, tot het treffen van een uitgekozen doel. Maakte het lichaam van de discuswerper tij­dens de concentratie nog een rondende be­weging door, de speerwerper heeft een der­mate gestrekte houding, dat zijn concentratie zich lichamelijk beperkt tot wat achteroverhellen.

vijfkamp 4
Op de Griekse vaasschilderingen – vooral weer op de oudere – vertoont de
li­chaamshouding van de speerwerper overeen­komsten met die van de sprinter. Goed her­kenbaar is dit op de grote, panantheneïsche prijsamfoor in het Leids Oudheidkundig Mu­seum: van de linkerhand zijn – zoals bij oudere afbeeldingen van de sprinter – de vingers gestrekt en van elkaar; de werpende rechterhand heeft twee gestrekte vingers door de lus van het touwtje, dat de Grieken om hun speer wonden om hem een draai tij­dens de vlucht te geven. Inderdaad is er overeenkomst tussen hardlo­pen en speerwerpen en ik zou het laatste weer een metamorfose van het eerste willen noemen. Zoals de gevoeligheid van de voet ons door het hardlopen op passieve wijze met de natuur verbindt en onze waarneming hierbij ontwaakt, komt door de speerworp een actieve verbinding met de omgeving tot stand, die uitgaat van de alles overziende blik en gestuurd wordt door de fijngevoelige han­den.
Het hardlopen kunnen we karakteriseren als een ontwaken, het springen als een leren om­gaan met jezelf; door het worstelen verbin­den we ons met een medemens, door de discusworp leren we onze omgeving beheersen. Wanneer we nu tot slot de vijfde oefening uitvoeren hebben we alle genoemde eigen­schappen ter beschikking en staan we in vol­ledige wakkerheid en zelfbeheersing tegen­over het doel, dat we door de speerworp wil­len bereiken. De voorbereiding van de eigen­lijke worp is uiterlijk summier: hij bestaat slechts uit een achteroverhellen van het li­chaam, waarbij de Griekse atleet ook om­keek. Dit achteroverhellen en omkijken drukt uit wat er innerlijk als voorbereiding plaatsvindt, namelijk het herinneren van de vier stappen, die in de vorige oefeningen ge­daan werden. Je zou het speerwerpen in deze zin ook als herinneringsoefening kunnen ka­rakteriseren. Tegenover de geringe uiterlijke activiteit staat dus een grote innerlijke activiteit, die nu gericht wordt op het treffen van het doel. Het is nu zaak om een richting te kiezen, om het doel te herkennen dat bin­nen ons bereik ligt, en om te bewijzen dat de lange voorbereiding niet voor niets is geweest. Door het speerwerpen leer je richting en zin geven aan je handelen

Hiermee is de ontwikkelingsgang, die de Griekse vijfkamp uitdrukt, afgerond. Het is in eerste instantie een reeks lichamelijke oe­feningen, waarvan iedere oefening niet alleen een ander gebied van het lichaam, maar ook een ander gebied van de ziel aanspreekt, zo­dat hij de mens in zijn totaliteit omvat.
Bo­vendien blijkt de reeks zo opgebouwd te zijn dat door een ontwaken vanuit de omgeving een tot zichzelf komen en tot slot een hante­ren van de eigen invloed op de omgeving een natuurlijke ontwikkelingsweg wordt gegaan. In deze zin lijkt mij de vijfkamp ook in onze tijd van betekenis, met name in pedagogie, therapie en kunst.

*op deze blog niet gepubliceerd

.

vijfkamp [2]

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

.

723-660

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-4)

.

DE KAROLINGISCHE RENAISSANCE|

.

De levensbeschrijving door de monnik Einhard

Het is altijd moeilijk om af te gaan op wat een man in zijn mateloze bewondering voor een vorst over hem heeft geschreven. De monnik Einhard, een goede vriend van Karel de Grote, heeft het leven van de grote keizer in het boek ‘Vita Caroli’ op schrift gezet. Hij deed dat na diens dood en we mogen wel aannemen, dat hij de persoon van de keizer verheerlijkt heeft en op z’n zachtst gezegd de zaken wat rooskleurig heeft voorge­steld.

Wil men Einhard geloven, dan was de keizer een groot bewonderaar van vele kunstvormen. Tijdens de maal­tijden wenste de keizer muziek te horen. Karel de Grote moet dus de beschikking hebben gehad over eigen muzikanten. Verder wilde Karel dat men hem voorlas uit de Bijbel en de werken van de Heilige Augustinus. Daaruit blijkt overduidelijk, dat de keizer niet kon lezen en schrijven. Wel moet hij Frankisch en Latijn hebben gesproken en Grieks kon hij op z’n minst verstaan. Karel de Grote zou ook een groot bewonderaar zijn geweest van sier­voorwerpen, de bouwkunst en koor­zang.

Ook al zou Einhard wat overdreven hebben, dan toch moet er wel een kern van waarheid in zijn beschrijving hebben gezeten. Zeker is, dat ten tijde van Karel de Grote de kunsten en wetenschappen weer begonnen te bloeien.

De wedergeboorte van de beschaving

Eeuwenlang had Europa, overheerst door de krijgszuchtige Franken, niets dan oorlog en onrust meegemaakt. De oude Romeinse beschaving en wetenschap waren in het strijdgewoel ten onder gegaan. Bibliotheken waren verbrand en aan het onderwijs werd vrijwel geen aandacht besteed. Alleen in sommige kloosters was nog een restje van de oude beschaving over­gebleven.

De groeiende rust en de veiligheid in het rijk van Karel de Grote gaven de kunsten en wetenschappen de kans weer op te bloeien. Deze opbloei staat in de geschiedenis bekend als de ‘Karolingische Renaissance’. Het woord renaissance betekent ‘weder­geboorte’. Dit houdt in, dat het niet ging om volkomen nieuwe uitingen van kunst en wetenschap. De Karo­lingische renaissance werd in zekere mate de wedergeboorte van de verlo­ren gegane Romeinse beschaving. Het barbaarse tijdperk van de onbe­schaafde Germaanse volkeren liep ten einde, door de nieuwe bloei van de begrippen ‘kennis’ en ‘schoonheid’.

De monnik Alcuin, de ‘minister’ van onderwijs

De belangrijkste figuur van de Karo­lingische renaissance was een monnik. Hij heette Alcuin en was als prediker uit Engeland naar het Frankische rijk gekomen. In het rijk van de Angelen en Saksen was, anders dan op het Europese vasteland, nog veel van de Romeinse erfenis bewaard gebleven in de kloosters. Alcuin was een zeer belezen man, een van de grootste geleerden van zijn tijd. De monnik Alcuin werd de leider van het wetenschappelijke en culturele leven in het Frankische rijk. Hij was eigenlijk de minister van onderwijs en wetenschappen in het rijk van Karel de Grote. Met hem was Karel de Grote van mening, dat goed onderwijs voor het volk de schakel vormde naar beschaving. Daarmee werden niet de scholen bedoeld, waar de bisschoppen hun priesters opleid­den.
Er werd een hofuniversiteit gesticht, waar de edelen en de hoge ambtenaren lezen en schrijven leerden. Er kwamen kloosterscholen, waar het gewone volk leerde lezen, zangles kreeg en onderricht werd hoe men de kerkelijke feestdagen kon berekenen. Het beperkte lesprogramma mag natuurlijk niet worden vergeleken met dat van het moderne onderwijs. Alcuin hervormde de opleiding voor de hogere geestelijken. De ‘Zeven Vrije Kunsten’ waren bindend op elk lesrooster. Daar hoorden bijvoorbeeld rekenkunde, de meetkunde en de Latijnse spraakkunst bij. Het klassieke Latijn, de taal van de Romeinen werd daarmee in ere hersteld.
Karel de Grote gaf veel steun aan zijn raadsheer voor onderwijszaken. Aan het hof vormde zich een kring van geleerden. Tijdens vele gesprekken met de geleerden nam de keizer steeds een duidelijk standpunt in.

De kloosters ais middelpunt van beschaving

Door alle studie, voornamelijk be­oefend door de geestelijkheid, werden de kloosters het middelpunt van de Frankische beschaving, wetenschap, kunst en letterkunde. In de abdijen waren grote schrijfateliers, waar met grote nauwkeurigheid en in fraai geschreven letters boeken werden omgeschreven. Vooral in Engeland waren nog vele geschriften van de Romeinen te vinden, waarvan af­schriften naar het Frankische rijk werden gezonden. Het is nauwelijks voor te stellen, hoeveel tijd het over­schrijven en illustreren van één boek moet hebben gekost. Door het over­schrijven van oude geschriften is veel bewaard gebleven uit de oude geschie­denis, wat anders verloren zou zijn gegaan.

De Karolingische bouwkunst

Vooral in de bouwkunst spiegelden de Franken zich aan het Romeinse voorbeeld. De oude Frankische palei­zen en andere gebouwen waren niet veel meer geweest dan een soort blokkendozen. Maar KareL de Grote had in Italië de Romeinse paleizen en de schitterende kerken gezien. Hij stuurde zijn beste bouwmeesters naar het zuiden om de oude bouwkunst te bestuderen. Ze maten alles nauwkeurig op, maakten ijverig tekeningen en schreven alle bijzonderheden op. Uit Italië namen ze vaklieden mee naar Frankenland. Zelfs werden zuilen en beeldhouwwerken afgebroken uit de Romeinse ruïnes en op zware ossenkarren meegevoerd. Alles werd ge­daan om de Romeinse bouwkunst zo goed mogelijk te imiteren. Helemaal lukten de imitaties niet. Oppervlakkig gezien zagen de Karo­lingische paleizen en kerken er vrij Romeins uit, maar bij nadere be­schouwing waren ze toch wel wat plomp en massief. Het belangrijkste overblijfsel van de herboren bouw­kunst is het oudste, achthoekige gedeelte van de Akense Dom. Deze werd gebouwd op de fundamenten van een Romeinse badinrichting en was bedoeld als kapel voor de koninklijke palts. Het bouwwerk werd omstreeks het jaar 800 voltooid. Het is het oudste nog bestaande stenen gebouw ten noorden van de Alpen. De kapel telde twee verdiepingen. Beneden stond het altaar en daar was de ruimte voor de kerkgangers. Vanaf de tweede verdieping woonden Karel de Grote en zijn hofhouding de diensten bij.

Grondslag voor het middeleeuwse leven

De opbloei van kunsten en weten­schappen ten tijde van de Karolingen vormde de grondslag voor de middeleeuwse beschaving. De Europese edelsmeedkunst, de beeldhouwkunst, de bouwkunst en de letterkunde vonden allemaal hun oorsprong in de drang naar beschaving van keizer Karel de Grote.

Een van de fraaiste voorbeelden van de Karolingische edelsmeedkunst is de kelk van Tassilo, die zich tegen­woordig in een Oostenrijks museum bevindt. De kelk werd door Tassilo, de hertog van Beieren, aan een klooster geschonken. Rondom is de kelk versierd met afbeeldingen van Christus, de evange­listen en andere heiligen. Een karakte­ristieke kunstvorm uit de Karolingische tijd waren ook de relikwie­schrijnen. Dat waren kostbare kast­jes, waarin de resten van een heilige of heilige voorwerpen werden be­waard. De schrijnen waren juweeltjes van goudsmeedkunst en snijwerk. Voor de middeleeuwse christenen vertegenwoordigde een plukje hoofd­haar, een vingerbotje, een stuk van een mantel of een ander persoonlijk eigendom van een heilige, een grote schat.

De schilderkunst, die later tot de “kunst der kunsten’ van Europa zou opbloeien, ontstond ten tijde van Karel de Grote. Aanvankelijk beston­den de schilderijen uit kleine illustraties in bijbels en andere boeken. Later begon men de muren van kerken te beschilderen, om het volk iets van de Bijbelse verhalen te laten begrijpen.

De Karolingische renaissance bereikte het hoogtepunt omstreeks 850, dus 35 jaar na de dood van de keizer. Schitterende abdijen waren overal te vinden in het Frankische land, alle­maal voorzien van schitterende en kostbare bibliotheken. Binnen de grenzen van het machtige rijk leefde het volk veilig. Men kon zich bezig­houden met allerlei andere zaken dan oorlogvoeren. Europa stond aan de vooravond van een nieuwe tijd!

Onrust in het huis van de Karolingen

De dood van Karel de Grote

In het najaar van 812 kwam Karel de Grote aan in zijn meest geliefde verblijfplaats, de palts te Aken. Voor de keizer was het letterlijk en figuur­lijk herfst. Hij was een oude man geworden, die zijn bevende handen niet meer in bedwang kon houden. Zijn gebogen gestalte maakte duide­lijk dat hij het regeren moe was. Zijn enige wens was, in de warme bronnen van Aken verlichting te vinden voor zijn reumatiek, die hem mank had gemaakt.

Bij de palts aangekomen, zag hij dat de mooie Mariakapel gedeeltelijk was ingestort. Het gebouw, de trots van Karel, was door de bliksem getroffen. Als een onheilspellend voorteken bleek de gouden rijksappel, het symbool van de Frankische een­heid, uit de kapel te zijn verdwenen…
De oude keizer had de laatste jaren weinig strijd meer gekend, maar des te meer verdriet. De dood had verschillende malen toegeslagen en had hem beroofd van drie kinderen, in de kracht van hun leven. De grijsaard was op, verslagen door de jaren en verteerd door verdriet. In de koude januarimaand van 814 stonden de lijfartsen van de keizer aan zijn ziekbed. Ze konden niet anders vrezen dan het ergste. De keizer kreeg steeds hogere koorts en een vergevorderde longontsteking sloopte zijn laatste krachten. Op 28 januari 814 blies de grote Frankische keizer zijn laatste adem uit, waar­schijnlijk 72 jaar oud, na een rege­ringsperiode van 46 jaar.

Opgevolgd door zoon Lodewijk de Vrome

Een jaar voor zijn dood had Karel de Grote, die zijn einde voelde naderen, eigenhandig zijn enig overgebleven zoon de keizerskroon op het hoofd gedrukt. Opzettelijk had Karel dat zelf gedaan, omdat hij duidelijk wilde laten zien dat hij slechts aan Christus verantwoording wilde afleg­gen. De rol van de paus leek daarmee helemaal te zijn teruggebracht tot die van een biddende, vrome monnik. Van de zonen die Karel eens had bezeten, was Lodewijk verreweg de minst bekwame. Maar de oude keizer had geen keus meer…

Spreekwoordelijke vroomheid

Lodewijk was een uiterst gelovig man, wat hem al gauw de bijnaam ‘de Vrome’ bezorgde. Een van zijn eerste daden was, zijn kroning te laten overdoen door de paus, in 817. Daarmee maakte hij duidelijk, dat hij als gelovig christen de paus wilde eerbiedigen. Op slag nam de invloed van de paus aanmerkelijk toe… Lodewijk de Vrome was lichamelijk het evenbeeld van zijn vader. Hij was krachtig gebouwd en een even goede ruiter en jager als Karel de Grote in zijn dagen was geweest. Maar daar­mee hield de vergelijking ook op. Lodewijk was toegevend en zacht­aardig. Dat maakte hem niet tot de geschiktste persoon om het grote Frankische rijk bijeen te houden. Zijn vroomheid was spreekwoordelijk en hij toonde zich altijd onderdanig tegenover de hogere geestelijkheid. De kerk kon daardoor steeds meer greep op zijn regering krijgen.

Opruiming van de Germaanse resten

Lodewijk de Vrome gedroeg zich in zijn rijk niet bijzonder tactvol. Hij begon met zijn naar zijn mening wat al te levenslustige zuster naar een klooster te sturen. De hofadel werd vervangen door monniken en kerkgeleerden. Wat ook maar enigszins naar een Germaanse afkomst riekte, moest onmiddellijk verdwijnen. De verzameling heldendichten van zijn vader werd in opdracht van Lodewijk grotendeels verbrand. De namen van de maanden werden veranderd, omdat ze van Germaanse oorsprong waren…

Tegenstanders en heidenen werden door de nieuwe keizer, zonder het mededogen dat van een gelovig chris­ten mocht worden verwacht, de ogen uitgestoken en in kerkers opgesloten. Ook de zoons van zijn gestorven broers, die als erfgenamen van de troon wel eens moeilijkheden zouden kunnen veroorzaken, liet hij op die manier verdwijnen.

Wolken aan de horizon

In het rijk van de Franken, dat in de tijd van Karel de Grote krachtig en rechtvaardig was bestuurd, verschenen donkere wolken aan de horizon. In plaats van een krachtig vorst omringd met geleerden, letterkundi­gen en goede raadgevers, gingen geestelijken de dienst uitmaken. De vrome Lodewijk was maar al te gemakkelijk bereid naar de influiste­ringen van de geestelijken te luisteren. Hij kreeg het steeds moeilijker om belangrijke beslissingen te nemen. Zoiets stelde hij maar liever uit. Er kwamen moeilijkheden, die om een duidelijk oordeel en een krachtige beslissing vroegen. De paus veroor­zaakte zo’n moeilijkheid. Hij pro­beerde steeds meer greep te krijgen op de Franken.

De graven en hertogen van de ver­schillende gouwen en marken vorm­den een nog grotere moeilijkheid. Bij gebrek aan een strenge hand begonnen ze steeds zelfstandiger op te treden Een laatste, maar zeker niet de kleinste moeilijkheid werd gevormd door de Vikingen, die steeds vaker de grenzen van het rijk schonden. Dorpen, kerken en kloosters aan de kusten werden door hen geplunderd. De vrome en besluiteloze keizer wist niet hoe hij al die moeilijkheden moest oplossen.

Onrust in gouwen en marken

Onder het krachtige bestuur van Karel de Grote was er voor de graven en hertogen maar weinig speelruimte geweest. Nooit hadden ze het gewaagd zelf voor ‘koninkje’ te gaan spelen. Lodewijk de Vrome liet de teugels vieren en gaf zijn leenmannen meer speelruimte dan ze aankonden. Bo­vendien nam Lodewijk een aantal leengebieden in, beperkte de rechten van andere leenmannen en koos ook nog andere vazallen. Die kregen het land niet in leen, maar in eigendom. Het gevolg daarvan was, dat de keizer  zijn  trouwste  leenmannen kwijtraakte, vele anderen ontevreden maakte en zijn macht ook voor een groot deel uit handen gaf.

De Karolingische broederstrijd

Het leek wel of Lodewijk de Vrome een speciaal talent had om problemen op te roepen. Als goed Frankisch hoofdman besliste hij al bij zijn leven, hoe het rijk na zijn dood bestuurd moest worden. Hij had drie zoons: Pippijn, Lotharius en Lode­wijk. Lotharius zou de nieuwe keizer worden en de twee andere koningen zouden koning worden over de helft van het rijk. Zo op het oog geen slechte oplossing, als niet Lodewijk de Vrome na enige tijd zou zijn hertrouwd. De beeldschone, zwart­harige keizerin Judith van Welf schonk de keizer na vier jaar huwelijk een zoon, die Karel werd gedoopt. In het huwelijkscontract was al bepaald, dat de nakomelingen uit het tweede huwelijk van de keizer niet zouden meedelen in de erfenis. Maar keizerin Judith gebruikte al haar talenten om de keizer tot andere gedachten te brengen. Lodewijk ging al snel door de knieën: zijn geest was gewillig, maar zijn vlees was zwak…
Prins Karel zou ook een portie van het rijk krijgen, wat ten koste van de andere broers zou gaan. Pippijn, Lotharius en Lodewijk namen dat niet en trokken ten strijde tegen hun eigen vader, om het ‘nakomertje’ van zijn leven te beroven en dus van zijn erfdeel.

Het ‘Leugenveld’

Bij de plaats Colmar aan de Rijn voltrok zich de strijd, die vooral opviel door verraad en overloperij.
De drie oudste prinsen wonnen de slag, maar naar later zou blijken niet de oorlog. Voorlopig werd de jonge prins Karel op een zijspoor gezet. Stiefmoeder Judith werd naar oud-Frankisch gebruik door de broers beticht van overspel en in een klooster ondergebracht.
De plaats van de veldslag werd later het ‘Leugenveld’ genoemd, wat al genoeg zegt over de gebeurtenissen… De behandeling van de keizer door zijn eigen zoons, die hem na de slag triomfantelijk kwamen bezoeken, betekende een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Karolingische huis. In de kerk van Soissons werd de keizer zijn kroon van het hoofd gerukt, zijn mantel in stukken van het lichaam gescheurd en zijn scepter uit de handen geslagen. Daarna wikkelden de drie zoons hun vader in een monnikspij en strooiden as over zijn hoofd.
Ten aanschouwen van zijn volk moest Lodewijk zich laten vernederen en laten zien hoe hij had gefaald…

Het rijk stond in brand…

Na hun verwerpelijke daad zagen de broers er ook niet meer tegenop om onderling ruzie te gaan maken over de verdeling van macht. In het geharrewar dat toen ontstond, kozen Pippijn en Lodewijk de zijde van hun vader. Ze erkenden hem weer als keizer en haalden stiefmoeder Judith uit het klooster. Die begon prompt opnieuw met haar spel om haar zoon Karel naar voren te schuiven. Het was geen hartroerende vader­liefde, die Pippijn en Lodewijk de zijde van hun vader Lodewijk de Vrome deed kiezen. Ze waren bang voor de heerschappij van hun oudste broer Lotharius. De broederstrijd laaide hoger op dan ooit tevoren. Pippijn stierf en ook de oude keizer Lodewijk de Vrome verwisselde in 840 het tijdelijke met het eeuwige. Inmiddels lag ook de Frankische staat op sterven. Oorlog, verwoesting en hongersnood hadden het eens zo bloeiende keizerrijk geteisterd. De bewaking aan de grenzen was ver­slapt. De Vikingen plunderden de kuststreken. De Saracenen vermoord­den alles wat ze tegenkwamen op hun weg door het dal van de Rhöne. De Saksen kozen de zijde van Lotharius en vervielen tot het heidendom. Kloosters en kerken werden in brand gestoken. Alleen een wonder zou de ondergang van het Frankische rijk nog kunnen voorkomen…

Het verdelingsverdrag van Verdun

Lodewijk verslagen

Het wonder dat nodig zou zijn om de Frankische eenheid te redden, liet op zich wachten. De broers vochten verder. Aan de ene kant vocht Lodewijk, die later de bijnaam de Duitser’ zou krijgen. Hij werd terzijde gestaan door zijn jongere halfbroer Karel. Die werd vanwege zijn schaarse haargroei ‘de Kale’ genoemd. Aan de andere vocht de oudste broer Lotha­rius, een hebzuchtige egoïst, die de alleenheerschappij wenste over de erfenis van hun vader. Bij Fontenay kwam het tot een beslissende veldslag. Lotharius werd verslagen. De zegevierende Lodewijk de Duitser en Karel de Kale zworen elkaar daarom in Straatsburg (842) eeuwige vriendschap en trouw. De Eed van Straatsburg werd afgelegd in tegenwoordigheid van de legers. Lodewijk sprak Duits en Karel legde de eed af in het Frans. Daarbij liepen ze duidelijk op de gebeurtenissen vooruit..

De verslagen Lotharius zag in, dat het zinloos was de oorlog verder voort te zetten. Ook het volk verlang­de naar het einde van het al zo lang durende krijgsgeweld. Lotharius stel­de voor te onderhandelen over de verdeling van de keizerlijke nalaten­schap. Dat gebeurde in 843 in de Franse stad Verdun. De drie broers werden het eens en de afspraken werden op schrift gezet in wat wordt genoemd het’ Verdrag van Verdun’. Dat verdrag maakte in 843 definitief een einde aan de Frankische eenheid.

Het grote rijk werd verdeeld in drie stukken. Daarbij werden bergketens en rivieren als grenzen aangehouden. Halfbroer Karel de Kale mocht zich koning noemen over het gebied tussen de Pyreneeën en de rivier de Schelde. Daarmee werd ongeveer het huidige Frankrijk gevormd. De tweede koning werd Lodewijk de Duitser, die het Oostfrankische rijk kreeg toebedeeld. Het was het gebied ten oosten van de Rijn en de Wezer, waarmee het latere Duitsland vorm kreeg.

Lotharius werd keizer, waarmee toch de vaderlijke wil werd gerespecteerd. Hij kreeg een stuk land tussen de twee andere rijken in. Het was een soort kronkelend lint, dat zich uitstrekte van Friesland in het noorden tot aan de Tyrrheense Zee, een uitloper van de Middellandse Zee
Dit ‘land’ maakte niet alleen door de vorm, maar ook door de samenstel­ling van de bevolking een volstrekt onnatuurlijke indruk. Er werden meer dan vier verschillende talen ge­sproken en dat was bepaald geen waarborg voor een lang voortbestaan van een middeleeuws rijk. Na de dood van Lotharius in 855 viel het midden­rijk uit elkaar, toen het werd verdeeld onder de drie zoons van de overleden keizer. Karel de Kale en Lodewijk de Duitser vergaten toen al snel de Eed van Straatsburg, waarbij ze elkaar vriendschap en trouw hadden beloofd. Voor de zoveelste keer gingen ze elkaar te lijf, met als inzet het Frankische grondgebied.

Het einde van de Karolingen

Het einde van de heerschappij van het huis van de Karolingen kwam in zicht. De Duitse tak stierf al uit in 911. De leenmannen besloten toen dat ze voortaan een koning zouden kiezen. Daarmee wilden ze bereiken dat het rijk niet zou uiteenvallen on­der de koningszoons na de dood van een vorst. Het kiezen van de vorst bleef lang gewoonte, al probeerden de gekozenen wel steeds om zich door hun oudste zoon te laten opvolgen. De Franse tak maakte het wat langer: tot 987. Toen stierf de laatste Karoling. De Franse leenmannen kozen op hun beurt een koning. Het werd een van de hertogen: Hugo Capet. Het huis van de Capetingen zou ruim driehonderd jaar over Frankrijk blij­ven regeren. Het Verdrag van Verdun had een eind gemaakt aan het mach­tige en grote Frankische rijk. De vor­ming van kleinere zelfstandige staten zou daarna een aanvang nemen.

6e klas Karel de Grote 3

6e klas Karel de Grote 4

.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

722-659

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Marconi

.

MarconiDE TOVENAAR VAN DE RADIO

Marconi, zittend en zijn medewerker Kemp in 1901 tijdens hun eerste experimenten met draadloze transmissie over de Atlantische Oceaan

“Hier is iets dat u zal interesseren,” zei een ambtenaar van de Congresbibliotheek in Washington en hij zette een plaat op de grammofoon. Bij de eerste woorden begon mijn hart te bonzen. Ik herkende de rustige, zachte stem van mijn vader. Ernstig en exact vertelde hij, in het Italiaans, hoe hij in 1894, toen hij twintig jaar was, voor het eerst met zijn proefnemin­gen met draadloze verbindingen was geslaagd. Maandenlang had niets willen lukken, maar op een nacht drukte hij op een knop, de vonk sprong over en in een kamer negen meter verder begon een bel te rinkelen. Guglielmo Marconi ging haastig zijn moeder wakker maken om haar te zeggen dat het hem eindelijk gelukt was geluid over te brengen zonder draden!

Luisterend naar die stem zag ik mijn vaders tengere gestalte over zijn instrumenten gebogen zitten, met de koptelefoon over zijn grote oren. Ik dacht eraan hoe de radiokamer bij ons het belangrijkste vertrek was geworden — of we nu in Rome woonden of in Engeland, of op de Elettra voeren, het jacht van 730 ton dat vader vlak na de Eerste Wereldoorlog had gekocht en waarop we de helft van het jaar woonden. Vader bracht het grootste deel van zijn tijd in dat heiligdom door; wij kinderen liepen op onze tenen als we er binnenkwamen.

Toen vader pas geboren was, riep een oude gedienstige van zijn ouders in Bologna uit: “Wat heeft hij een grote oren!” En zijn moeder antwoordde met een trots die profetisch zou blijken te zijn: “Met die oren zal hij de geluidjes uit de lucht kunnen horen.”

Mijn grootvader, Giuseppe Marconi, was een welgesteld zaken­man; mijn grootmoeder, Anna Jameson, kwam uit een familie van bekende distillateurs in Dublin. Zij was half Schots, half Iers, overtuigd protestants en zeer muzikaal. Door haar werd vader een bijbelkenner en een bekwaam pianist, van haar leerde hij ook taai volhouden.

Vader werd al vroeg aangetrokken door de natuurwetenschap­pen. Toen hij twaalf jaar was, boeiden natuur- en scheikunde hem al mateloos. Op zekere dag vroegen zijn ouders hem waarom hij vriendschap had gesloten met een oude blinde man; hij antwoord­de: “Die is telegrafist geweest; hij leert me de morseseinen.” Hij was twintig toen hij in een necrologie van de Duitse natuurkundige Heinrich Hertz een beschrijving las van diens proeven met elek­tromagnetische golven. Waarom zouden er geen signalen zonder draden door de lucht kunnen worden overgebracht?

Zijn eerste geslaagde proefneming in 1894 werd gevolgd door meer, over steeds grotere afstanden. Hij bood zijn uitvinding aan de Italiaanse regering aan, maar het ministerie van Posterijen en Telegrafie had er geen belangstelling voor. Zijn moeder moedigde hem aan en zei: “Misschien heb je in mijn land meer kans.” In februari 1896 kwam hij met twee koffers vol instrumenten in Londen aan. De Engelse douane was argwanend en “onderzocht” ze zo nauwkeurig, dat er niets van overbleef. Hij moest alle toe­stellen opnieuw maken.

Gelukkig begrepen de Britse regering en enkele particulieren dat deze tweeëntwintigjarige amateur een revolutionaire uitvin­ding had gedaan die het eenmaal mogelijk zou kunnen maken verbinding tot stand te brengen met schepen op zee. In 1897 werd er een Engelse maatschappij gevormd voor de exploitatie van “draadloze telegrafie”. Vader kreeg de helft van de aandelen en 15 000 pond in contanten. Met zijn 23ste jaar was hij een rijk man.

Het eerste radiostation, dat in 1897 op het eiland Wight werd gebouwd, kreeg verbinding met een schip op dertig kilometer afstand. Een jaar later kreeg vader van een Ierse krant, de Daily Express te Dublin, het verzoek berichten te zenden van een sleepboot die de jachten zou volgen welke deelnamen aan de grote zeilwedstrijd van Dublin. De eerste dag mislukte de proef jam­merlijk. Maar vader probeerde het opnieuw en verzond over de honderd telegrammen. Hierdoor kreeg hij de steun van de pers.

In hetzelfde jaar gaf koningin Victoria de wens te kennen een draadloze verbinding aan te brengen tussen haar zomerresidentie op Wight en het koninklijke jacht de Osborn, waarop haar zoon, de latere koning Eduard VII, herstellende was van een gebroken been. Op een morgen was vader in de paleistuin aan het werk, toen de koningin voorbij kwam zonder groeten. Vader was erg gevoelig; hij zei dat hij de proefneming eraan gaf en niet langer in het paleis wou blijven. “Haal een andere elektricien,” gelastte Victoria. “Helaas, mevrouw,” was het antwoord, “we hebben geen Engelse Marconi!” De koningin fronste het voorhoofd. “Vraag dan meneer Marconi morgen te komen lunchen.” Vader liet zich vermurwen, hij bleef en voerde de opdracht uit.

In 1899 had vader voor het eerst de grote voldoening dat zijn uitvinding werd gebruikt om mensenlevens te redden. Een Engels lichtschip dat met Marconi’s draadloze was uitgerust hoorde noodsignalen met de fluit van een schip in het Kanaal. Het seinde een bericht naar de wal, vanwaar reddingboten werden
uitge­zonden om de bemanning op te pikken. De hele wereld sprak nu over vaders uitvinding. In Engeland en op het vasteland werden er radiostations gebouwd en Engelse en Italiaanse schepen werden met radio uitgerust. Maar vader was niet tevreden; hij wilde een draadloze verbinding tussen Engeland en Amerika tot stand brengen. Hoewel tal van natuurkundigen volhielden dat de krom­ming van de aarde de voortplanting van signalen over de oceaan heen zou beletten, wist hij zijn maatschappij te bewegen hem de proef te laten nemen.

Als Europees station koos hij Poldhu op de zuidwestelijkste punt van Engeland. Na een jaar van hard werken werd het station door een storm vernield. Vader liet zich niet ontmoedigen; hij bouwde het opnieuw en vertrok naar Newfoundland, dat hij als Amerikaans beginpunt van de trans-Atlantische verbinding had uitgekozen. Hij was zeer verheugd toen hij daar op een bergtop een toren vond, gebouwd ter herinnering aan de Italiaanse ont­dekkingsreiziger Giovanni Caboto (in het Engels: John Cabot).

Het weer was slecht en er moesten veel technische moeilijkheden worden overwonnen. Maar eindelijk was het zover dat mijn vader, op 12 december 1901, met de koptelefoon op zat te wachten. Afstemmen was in die dagen een onnauwkeurige bezig­heid zonder wetenschappelijke grondslag. Vader moest zoeken naar het sein. Een half uur lang kwam er geen geluid door. Had de een of andere geheimzinnige kracht de seinen uit de baan getrokken? Was de kromming van de aarde werkelijk een beletsel? Dit en nog veel meer ging hem door het hoofd. Ineens hoorde hij een harde tik, gevolgd door drie tikjes — onmiskenbaar een morsesein.

Het geweldige nieuws, dat vader twee dagen later aan de pers bekend maakte, werd sceptisch ontvangen. Om een einde te ma­ken aan de twijfel zou vader een vast station op Newfoundland moeten neerzetten. Maar vier dagen na dat eerste trans-Atlantische bericht eiste de Engels-Amerikaanse Kabelmaatschappij, eigena­res van de trans-Atlantische telegraafkabel die op Newfoundland begon, dat hij zijn proeven zou staken, anders zou zij hem een proces aandoen. Gelukkig stelde William Stevens Fielding, minis­ter van financiën van Canada, 16 000 dollar ter beschikking om een station te bouwen aan de Glace-baai op Nova Scotia.

Voor hij naar Engeland terugging, deed vader New York aan, waar het Amerikaans Instituut van Elektrotechnici hem huldigde aan een maaltijd waar velen van de grootste vertegenwoordigers van de wetenschap in Amerika aanzaten. Thomas Edison, die verhinderd was, stuurde een telegram. Twee jaar later nodige Ir Edison vader uit voor een lunch in zijn laboratorium te Orange in New Jersey. De twee raakten zo verdiept in een gesprek, dat Edison de hele lunch vergat.

In het voorjaar van 1902 zette vader een ploeg assistenten aan het werk aan de Glace-baai, en begin oktober was het station klaar. Maar pas op 18 december, na vele dagen en nachten van spannen­de proefnemingen, kon Poldhu berichten dat het succes behaald was. Alle telegrammen werden ontvangen. Vader keerde in triomf naar Europa terug. Hij was nog maar achtentwintig. Zijn vaderstad Bologna ontving hem geestdriftig. Livorno en Rome schonken hem het ereburgerschap. Bij een bezoek aan Kronstadt in Rusland sloeg een oude heer zijn armen om hem heen en riep uit: “Ik verwelkom de vader van de radio!” Het was Alexander Popoff, een radiopionier, die nu door de Russische propaganda als de uitvinder van de draadloze wordt uitgebazuind.

In de herfst van 1904 voelde vader behoefte aan rust; hij had aan diverse nieuwe uitvindingen gewerkt. Hij ging naar zijn radio­station in Pool, bij Bournemouth in Engeland, en daar ontmoette hij mijn moeder, Beatrice O’Brien, een dochter van lord en lady Inchiquin. Zij was negentien jaar, knap en levendig. Zij vertelde mij dat hij haar op een alleronwaarschijnlijkste plaats gevraagd had — boven op de Albert Hall in Londen. Kort daarna trouwden ze en meteen daarop vertrokken ze naar Nova Scotia, waar vader verbeteringen ging aanbrengen in zijn radiostation aan de Glace-baai. Het ging goed — hij was erin geslaagd ook overdag ont­cijferbare telegrammen over te brengen — maar ineens werd hij naar Londen teruggeroepen. Het kapitaal van de maatschappij was opgegaan aan onderzoek en proefnemingen en de Londense banken weigerden verdere kredieten. Vader ging naar Italië in de hoop bij Italiaanse banken steun te zullen vinden, maar ook deze weigerden.

Weer in Londen reorganiseerde vader de onderneming; hij ontsloeg een deel van het personeel en beperkte de onkosten drastisch. Maar alles scheen mis te gaan. Zijn eerste kind stierf toen het drie maanden oud was. Duitse en Amerikaanse radiomaatschappijen begonnen inbreuk te maken op zijn octrooien. En het grote station aan de Glace-baai, waarin hij zoveel inspanning, tijd en geld had gestoken, werd door brand verwoest. Toen hij van deze ramp hoorde, zette hij zich aan de piano en speelde een sonate van Beethoven. Vervolgens stond hij op en zei tegen mijn moeder: “Nu weet ik wat ik te doen heb!”

Hij was vastbesloten harder te werken dan ooit. Hij zou aantonen dat de radio economisch bruikbaar was. En hij zou de strijd aanbinden tegen alle inbreuken op zijn octrooien. Een jaar later was het station aan de Glace-baai herbouwd en het eerste proces in New York gewonnen. Vader was bezig er weer bovenop te komen. In 1909 ontving hij de Nobelprijs voor natuurkunde, en een nieuwe directie had zijn maatschappij een gezonde basis gegeven.

Terwijl hij werkte aan nieuwe uitvindingen op het gebied van de radio — zoals een richtingzoeker — om de veiligheid van schepen op zee te vergroten, verging in 1912 de Titanic. Deze ramp bewees hoe goed zijn raad was geweest dat alle schepen radio aan boord dienden te hebben. De radio van de Titanic had schepen naar de plaats van de ramp geroepen die anders nooit iets van het drama zouden hebben geweten. Hij ontving een gouden medaille; de aandacht van de ganse dankbare wereld was op hem gericht. In Engeland werd hij in de adelstand verheven. In Italië werd hij tot senator benoemd en kreeg hij de titel van markies.

Toen hij alle mogelijkheden van lange radiogolven had uitgeput begon hij met korte golven te werken. In 1927 bracht hij de menselijke stem van Engeland naar Australië over. In 1930 ontstak hij de lampen op de grote tentoonstelling te Sydney in Australië door in Londen op een knop te drukken. Hij nam ook
proeven met teruggekaatste radiogolven, waar ten slotte de radar uit zou voortkomen. En hij wees op de ultrakorte golven als de sleutel tot de televisie.

Bij een bezoek aan de tentoonstelling “Een eeuw van vooruitgang” te Chicago in 1933 — er was daar een “Marconidag” georganiseerd — bekeek mijn vader met bijzondere belangstelling de radio-installatie van een amateur. “Dit is echt een mooi stukje werk,” zei hij bij het bestuderen van een gedeeltelijk voltooide zender. De jongeman die eraan werkte kreeg een kleur en zei: ’t Zal wel niet veel bijzonders zijn, meneer Marconi, ik ben maar een amateur.”

“Ik ben zelf ook maar een amateur,” zei vader grinnikend. Hij was inderdaad grotendeels autodidact en had nooit een hoge school bezocht.

Zij die met hem leefden of werkten bewonderden zijn eenvoud, geduld en liefderijkheid. Hij had er een hekel aan bij zijn werk gestoord te worden, maar voor zijn kinderen had hij altoos tijd. Hij kon urenlang met mijn broertje Giulio op de grond zitten om met zijn elektrische trein te spelen. Eens waadde hij in de winter tot aan zijn knieën door het ijskoude water van de Fontana Paola bij ons oude huis in Rome om Giulio’s bootje op te halen. Hij vatte zo’n zware kou dat hij dacht te zullen sterven en maat­regelen begon te treffen voor zijn begrafenis. Maar voor Giulio had hij niet één kwaad woord. Op wandelingen of autotochtjes met Giulio en mij was hij even vrolijk en zorgeloos als wij. Op een keer kregen we een lekke band terwijl we op weg waren naar Southampton om aan boord van de Elettra te gaan voor onze zomerkruistocht. We lachten ons slap toen we merkten dat vader, de geniale technicus, er geen flauw idee van had hoe je een band moest verwisselen. Er kwamen geen auto’s langs, en daarom haalde vader een boekje te voorschijn en verdiepte zich een kwar­tier lang in de theorie van het bandomleggen. Ten slotte stroopte hij zijn mouwen op, wij hielpen een handje en we konden weer verder rijden naar Southampton.

Toen vader in 1937 aan een hartaanval overleed, brachten geleerden uit de hele wereld hulde aan zijn pioniersgeest, zijn wetenschappelijke eerlijkheid en zijn volhardend onderzoek. Maar van alles wat er over hem geschreven is hecht ik de meeste waarde aan een hoofdartikel in de Londense Times:

“Als eenmaal het begin van de twintigste eeuw zal worden beschreven door historici die nu nog niet geboren zijn, dan zal wellicht Guglielmo Marconi beschouwd worden als de bij uitstek kenmerkende figuur van zijn tijd, de naam waarnaar het tijdvak wordt genoemd.”

(Degna Marconi)
.

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen
.

721-658

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (9)

opspattend grind

Ons onderwijs leidt kinderen op voor het verleden, niet voor de toekomst. Om je staande te houden in de wereld van morgen heb je meer aan ondernemerschap dan aan rekenen en taal, betoogt de Amerikaanse hoogleraar Yong Zhao.

LAAT HET KIND LEREN

Het is de hoogste tijd dat we leerlingen gaan zien als mensen, en niet als werkne­mers van de leraar.[1]
Dat be­toogt de Amerikaanse hoog­leraar en onderwijsontwik­kelaar Yong Zhao.
In zijn boek ‘World-class learners, onderwijs voor een ondernemende generatie’, vraagt hij zich af of succesvolle vernieuwers als Steve Jobs, Bill Gates en Daan Roosegaarde groot zijn geworden dankzij het onderwijs of desondanks?

Het is de retorische vraag die Zhao opwerpt in zijn boek, dat deze week* in Nederlandse vertaling verschijnt. Want naarmate kinderen lan­ger naar school gaan, neemt hun creativiteit af, evenals hun nieuwsgierigheid, constateert Zhao. En dat is een probleem.

Nu steeds meer banen verdwijnen en de jeugdwerkloosheid oploopt, moeten we leer­lingen niet langer opleiden tot ‘werknemer’, maar moeten we hun leren ‘ondernemend’ te worden. Met die boodschap maakt hij deze week een ronde langs leerkrachten, schoollei­ders en het ministerie van onderwijs.

Hoe stimuleer je creativiteit bij de leerling?

“Leerling zijn is nu echt een hondenbaan: de he­le dag moet je naar school, waar je gemicro-managed wordt en ieder uur andere taken [2] moet uitvoeren waarvan je in de verste verte het nut niet inziet.

Aan het eind van de dag krijg je een cijfer of een sticker, zijn je ouders tevreden en mag je eindelijk iets gaan doen dat je wél leuk vindt. Veel leerlingen zitten hun dag uit en rennen daarna zo snel mogelijk weg naar de echte we­reld. Ze zijn gedemotiveerd. We moeten af van het idee dat leerlingen de werknemers van de leraar zijn. Jongeren moeten de eigenaar wor­den van hun schoolloopbaan.

Want als je zelf de baas bent over wat je leert en wilt leren, dan ga je meedenken, ideeën ver­zinnen, verbeteringen voorstellen. Dan ben je gemotiveerd, dat prikkelt de creativiteit, en zo leer je dus meer.”

Kunnen kinderen dat aan?

“Jazeker. We zouden ze echt veel meer krediet moeten geven. Wij denken altijd dat andere mensen minder kunnen dan wij zelf. Zoals we ook denken dat bepaalde mensen eigenlijk geen stemrecht zouden mogen hebben.
Verder hebben wij volwassenen de neiging te denken dat wat wij weten het allerbelangrijkste is dat iemand zou moeten leren om succesvol te zijn in de wereld.[3] Fout. De toekomst zal van alles zijn, maar geen herhaling van gisteren. We zijn slecht in vooruit denken: twee honderd jaar geleden dachten we dat het onmogelijk was een mens op de maan te zetten.

Natuurlijk moeten docenten leerlingen begeleiden in hun ontwikkeling. Als kinderen maar het idee hebben dat zij aan de knoppen zitten en iets betekenisvols leren.”

Hoe doe je dat?

“Door de interesses van leerlingen aan te boren, door hun te helpen hun passies te vinden. Op school doen we het nu andersom. We zeggen tegen een kind dat het een boek moet pakken en moet lezen. Daardoor leert het weliswaar lezen, maar krijgen veel kinderen er een hekel aan. Dat is het paard achter de wagen spannen. Als je wilt dat ze meer en beter lezen, dan moet je kinderen niet dwingen, maar stimuleren.

Wat veel onderwijssystemen doen – ook het Nederlandse – is zorgen dat kinderen hun interesse verliezen in leren. Terwijl kinderen in­trinsiek de drang hebben om te doen. [4] Je hoeft ze dus helemaal niet te motiveren, je moet al­leen voorkomen dat je ze demotiveert! Maar in ons systeem raken ze hun nieuwsgierigheid en hun motivatie kwijt. Kinderen zetten hun cre­ativiteit nu in om onder school en huiswerk uit te komen, om te spijbelen, om hun leraren te foppen. Is dat niet treurig? [5]

Docenten moeten leerlingen helpen zich goed te voelen, ze begeleiden bij het vinden van hun passie, vergezichten bieden. Een goede docent kan je opbeuren als je je niet goed voelt. Een leerkracht die dat kan – een mens, kortom – is een veel betere docent dan iemand ‘ die je hoge cijfers laat halen.”

De kwaliteit van het onderwijs wordt toch bepaald door het niveau van de leerkracht?

“Docenten doen er echt veel minder toe dan we denken. Ze zijn heel belangrijk, maar niet voor het halen van hoge cijfers. Dat wordt enorm overdreven. Laat me een voorbeeld ge­ven: landen als China en Singapore voeren de internationale ranglijsten aan in taal en reke­nen. In die landen zijn docenten niet allemaal hoogopgeleid. Toch halen leerlingen hoge sco­res. De verklaring daarvoor is: cultuur, de nadruk op discipline, druk van ouders.

U pleit voor het afschaffen van toetsen. Waarom? Zijn ze echt nergens goed voor?

“Het is prima als leerkrachten in de klas bij individuele leerlingen diagnostische toetsen afnemen, om te kijken waar een kind staat en; hoe het verder kan worden geholpen. Zoals je naar het ziekenhuis gaat voor een diagnose.
Maar toetsen worden vaak met een heel an­der doel afgenomen: om scholen, leerlingen en leraren onderling te vergelijken. We toetsen om de verkeerde redenen: om onszelf ervan te verzekeren dat een kind wel wat geleerd heeft en dat een docent wel gedoceerd heeft.
Op die manier schiet verantwoordingsplicht zijn doel voorbij. Sterker: wat gebeurt er als je met toetsen scholen, landen en leerlingen gaat vergelijken? Dan gaan ze vals spelen.”

In Nederland maken kinderen aan het eind van de basisschool een toets om het niveau vast te stellen van de leerling én van de school.

“Really? China is dat soort tests juist aan het af­schaffen! Wat een afgrijselijk idee. Kinderen voorsorteren als ze twaalf jaar oud zijn? Dat is veel te vroeg, dat is belachelijk. Dan determi­neer je hun toekomst. Dat is schadelijk voor hun ontwikkeling. Op die leeftijd kun je ze net zo goed op lengte selecteren: het is onzinnig. Elk kind ontwikkelt zich in een ander tempo: dat geldt voor lichaamsgroei, voor leren lezen.[6]
Nederland is een ontwikkeld land. Jullie heb­ben dit soort mechanismen helemaal niet no­dig. Het is zonde om daar geld en energie in te steken. Ik vraag me af wat je ‘hiermee wint.”

Hier wordt met jaloezie gekeken naar landen als China en Zuid-Korea. Hun leerlingen scoren in internationale vergelijkingen veel beter dan de Nederlandse. Raken we niet achterop als we de focus op rekenen en lezen loslaten?

“Integendeel. Zulke toetsscores hebben weinig betekenis. Ze vertellen vooral welke leerlingen goed zijn in testen maken, en veel minder of leerlingen echt taalvaardiger of rekenvaardiger zijn. Daarbij doen Nederlandse leerlingen het helemaal niet slecht in zulke tests. Je moet je echt afvragen of het nodig is om nog beter te scoren.”
“Aziatische landen realiseren zich steeds meer hoe hoog de prijs is die ze betalen voor zulke scores: de focus op zulke toetsresultaten gaat ten koste van de diversiteit aan talenten van leerlingen, ze draait passie de nek om. Faal­angst is een groot probleem onder Chinese jon­geren. Hoe heeft het kleine Nederland de halve wereld, inclusief China, gekoloniseerd? Door ondernemerschap, durf. Dat is de houding die jongeren in de toekomst nodig hebben.”

Maar je moet kunnen rekenen en lezen?

“Absoluut. Maar Nederlandse kinderen beheer­sen de basics. Een sterke focus in het onderwijs op taal en rekenen is nuttig voor ontwikke­lingslanden, niet voor een land als Nederland. Jullie hebben dat probleem honderd jaar gele­den al opgelost.
Lezen en rekenen is zoiets als lopen, iedereen kan dat op een gegeven moment. Maar lopen brengt je niet ver. Als je ver wilt komen moet je atleet worden en veel trainen, of iets beters verzinnen: een fiets, auto of vliegtuig. Onder­wijs moet leerlingen verder brengen, en ze niet alleen maar trainen in hardlopen.”

U bent tegen landelijke leerdoelen. Moeten overheden het onderwijs helemaal loslaten?

“Het enige dat de overheid moet doen is kinde­ren gelijke kansen bieden en toegang tot on­derwijs garanderen. Inhoud opleggen om je te verzekeren dat iedereen hetzelfde leert, is ner­gens voor nodig. Dat allemaal vastleggen leidt tot verspilling van geld en energie. [7] Het is bo­vendien overbodig: scholen zullen hoe dan ook aandacht besteden aan taal of geschiedenis.
In die homogenisering van leerstof schuilt zelfs gevaar: je loopt het risico dat we diversi­teit en vooruitgang verliezen.”

Welke garantie bieden creativiteit en ondernemerschap?

“Er zijn geen garanties. Maar de geschiedenis heeft ons geleerd dat vrijheid, democratie en respect voor individuele rechten hebben geleid tot betere menselijke condities.
Wat we zeker weten, is dat steeds meer banen verdwijnen. Het gaat in de toekomst niet om harder werken, maar om slimmer werken. Een universitair diploma biedt geen garanties meer. Ouders denken misschien nog dat dat een ticket naar succes is, maar dat is het al lang niet meer. In de VS is meer dan 20 procent van de hoogopgeleide twintigers werkloos of werkt onder zijn niveau.

Wil je het in de toekomst redden, dan moet je ondernemend en creatief zijn, dan moet je jezelf onderscheiden. De enige veilige baan is  ”de baan die je voor jezelf creëert.”

Rudolf Steiner
[1] Je moet niet zeggen: je moet dit of dat in de kinderziel gieten, maar je moet eerbied voor zijn geest hebben. Die geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zich zelf. Je hebt alleen maar de plicht de obstakels voor die ontwikkeling op te ruimen en hem dat te geven wat hem stimuleert zich te ontwikkelen.
GA 305/74

[2] Tegenwoordig wordt het onderwijs in het opvoedings-en onderwijssysteem heel erg versplinterd en daardoor werkt het niet geconcentreerd genoeg op het opgroeiende kind in.
GA 303/139

[2/1] Wanneer je op deze manier – bedoeld is de vrijeschoolmethode -opvoedkunst uit wil voeren, is het nodig in het leven van het kind de concentratie te hebben. En dan kun je niet, zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is, van 8 tot 9 rekenen doen, van 9 tot 10 geschiedenis, van 10 tot 11 weer wat anders; al het mogelijke door elkaar. Maar in de vrijeschoolpedagogie hebben we het zo georganiseerd dat gedurende een 3 of 4 weken hetzelfde vak dagelijks van 8 tot 10 wordt gegeven, zodat de concentratie daar bij blijft.
GA 304a/120                                  het zgn. periodeonderwijs

[3] In iedere opvoedkunst moet het uitgesloten zijn dat wij ernaar streven de mens zo op te voeden dat hij wordt zoals wij zelf zijn.
GA 303/297

[4] Kijk, het echte leerplan ontstaat uit de menskunde van de leeftijdsfasen. Het kind zelf zegt ons – wanneer we het werkelijk kunnen waarnemen – wat het op een bepaalde leeftijd wil leren.
GA 297/53

[5] Het gaat erom dat je de opvoeding zo vormgeeft dat je niet tegen de wilsinitiatieven ingaat, maar aan de wilsinitiatieven meewerkt. Daar komt het op aan.
GA 301/104

[6] Je hoeft niet zo zeer het idee te hebben dat de kinderen dit of dat moeten bereiken, maar je moet je afvragen, wat kunnen de kinderen, naar hun psyche gekeken, bereiken? Vanuit het kind werken. Dat kun je in ieder afzonderlijk geval je eigen maken, wanneer je er echt naar streeft het kind in al zijn verschillen te leren kennen. Ieder kind is interessant.
GA 300A/156

[7] Hier kun je zo bedroefd van worden: dat steeds meer het schematisch-bureaucratische op de voorgrond treedt en dat de inhoudelijke zaken op de achtergrond raken.
GA 300B/188

We hebben de opgave voor de school van het leven de voorbereidende school te zijn

GA 298/104

Bron: Trouw *15 okt.2014

Opspattend grind: alle artikelen
.

720-657

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-3/1)


 .

De Karolingische Koningen
.

Het verval van de Merovingen

Het Frankische erfrecht veroorzaakte een sterke verbrokkeling van het rijk. De Merovingen hadden daar wel een oplossing voor: de sterkste zoon hielp zoveel mogelijk mede-erfgenamen naar de andere wereld. De koningen wisselden elkaar steeds sneller af en ze waren steeds jonger. Een ander nadeel van de latere Merovingische koningen was, dat ze meestal een zwakke gezondheid en een beperkt verstand hadden. Na 700 hadden de raadslieden van de Fran­kische koning meer macht dan de koning zelf!

De greep naar de macht

De hofmeiers die zich in de loop van de tijden van een soort opperkamerheer hadden opgewerkt tot eerste minister, grepen naar de macht. Karel Martel, de hofmeier van de Frankische koning Chlotarius IV, ging vastberaden zijn eigen gang. De zwakke koning bracht niet eens de kracht op om tegen te sputteren. Hofmeier Karel trad krachtig op, toen het Frankische rijk van verschil­lende kanten werd aangevallen. Hij versloeg in 732 de Saracenen in het zuiden, de Friezen in het noorden en de Saksen en Alemannen in het oosten. Toen de Merovingische vorst in 737 stierf, liet Karel Martel weten dat de Franken het voortaan met een nieuw koningshuis moesten doen… De zoon van Karel Martel, koning Pippijn de Korte, bouwde na 741 de macht die zijn vader had gevestigd, nog verder uit. Na de dood van Pippijn leek het weer even alsof de klok weer tientallen jaren was terug­gezet: twee zoons streden om de macht. Eén van die zoons was Karel, die als Karel de Grote, de keizer der keizers, de geschiedenis zou ingaan.

Karel de Grote

Karel werd in 768 koning van een deel van het Frankische rijk. Hij werd in 771 koning van alle Franken, toen zijn broer Karloman op20-jarige leeftijd het leven liet.
Koning Karel bouwde zijn rijk uit tot het machtigste rijk van Europa, krachtig geleid en uitstekend be­stuurd. Nadat hij aanvankelijk op vele fronten strijd had geleverd, wist Karel zijn rijk een periode van ongekende rust te bezorgen. Karel werd in 800 door de paus tot keizer gekroond, een gebeurtenis die al honderden jaren niet meer was voor­gekomen. De kunsten en wetenschap­pen, tot stilstand gekomen na al die eeuwen van strijd en onrust, begonnen weer op te bloeien. Die bloei hield ook nog aan na de dood van Karel in 814.

Opnieuw verval

Na het bewind van de onovertroffen keizer Karel de Grote, werd het Frankische volk in de narigheid gestort door de weliswaar zeer vrome, maar ook onbekwame Lodewijk de Vrome. Hij stapelde fout op fout en nam vrijwel altijd de verkeerde be­slissing. Het rijk werd belaagd door Vikingen en andere vijandige volke­ren, waar de weinig strijdvaardige Lodewijk geen antwoord op had. Hij raakte steeds meer onder de invloed van hoge geestelijken, nadat hij de raadsheren van zijn vader aan de kant had gezet. Hij raakte in een ernstig conflict verwikkeld met zijn zoons, die het niet eens konden worden over de manier waarop later de erfenis moest worden verdeeld. Vernederd en belachelijk gemaakt door zijn zoons, stierf de vrome en machteloze keizer in 840. Door de broederstrijd, die ook na zijn dood voortduurde, dreigde het rijk de prooi te worden van barbaarse inval­lers.

Een verdelingsverdrag

Ten slotte, nadat de oudste zoon in een veldslag het onderspit had moeten delven, besloten de erfgenamen van Lodewijk de Vrome het rijk in drieën te delen. Zo ontstonden Frankrijk en Duitsland, gescheiden door een derde, langgerekt keizerrijk. Dat middelste rijk ging al snel aan het oude erfrecht te gronde. De andere twee rijken zouden in Europa een machtige rol gaan vervullen, maar dan wel zonder de Karolingen, het huis waaraan Karel de Grote zijn naam had gegeven. De laatste Karolingische vorst stierf in 987.                                

Machtsovername door de Hofmeiers

De oudste van het huis

De Merovingische vorsten hielden er een uitgebreide hofhouding op na. De huishoudelijke zaken werden gere­geld door een huismeester, die werd aangeduid met de Latijnse term ‘Maior Domus’. Dat betekende letter­lijk ‘Oudste van het Huis’, meestal aangeduid als hof-maior of hofmeier. Door de voortdurende strijd in ver­band met vervelende erfeniskwesties waren de hofmeiers gewoonlijk ouder dan de vaak piepjonge koningen. Vele Merovingische vorsten was geen lang leven beschoren: zelden haalden ze de veertig jaar. Vielen ze niet in de strijd, dan vielen ze wel door moorde­naarshand.

Het is begrijpelijk, dat de hofmeiers de positie veroverden van raadsheer van hun jonge, onervaren koningen. Al snel werd hun functie erfelijk. Hofmeier werd een familiebaan, van vader op zoon. Om hun baan te beschermen, waren de hofmeiers wel verplicht steeds meer taken aan zich te trekken. Als hun koning viel, was het ook met hun aantrekkelijke functie gedaan…

Na verloop van tijd waren het de hof­meiers, die namens de koning de schatkist beheerden, het leger aan­voerden en rechtspraken. Slechts af en toe was er een koning die sterk genoeg was om zich aan de macht van de hof­meiers te onttrekken. In het algemeen regeerden de latere Merovingische vorsten alleen in naam. Omstreeks het jaar 600 regeerde de krachtige koning Dagobert, die een gunstige uitzondering maakte. Om­streeks 650, toen het rijk voor de zoveelste maal tussen twee zoons werd verdeeld, bevochten de hofmei­ers van de Oost-Frankische en West-Frankische koningen elkaar bijzonder fel.

Karel Strijdhamer

Na 700 was het zover gekomen, dat de hofmeier van het Merovingische hof zó machtig was geworden, dat hij de ‘regerende’ koning achteloos ter­zijde kon schuiven. Op de troon zat een ware schertsfiguur, Chlotarius IV. Hij was niet meer dan een schaduwkoning, alleen ter ere van het Merovingische huis. In werkelijkheid werd de dienst in het rijk uitgemaakt door de in 714 aangestelde  hofmeier Karel Martel. Zijn naam, die letterlijk ‘Strijdhamer’ betekent, verklaart ei­genlijk al genoeg over zijn persoon­lijkheid.

Karel Martel vond het de hoogste tijd worden, dat er een krachtig vorst aan het hoofd van land en leger kwam te staan. De halfslachtige ruziemakers van het Merovingische huis hadden de eenheid van het rijk al vaak genoeg doen wankelen. Aan de rijks­grenzen stonden tallozen begerig naar het Frankische grondgebied te loeren. In Spanje stonden de Saracenen, die onder bevel van hun veldheer Tarik in 711 de sprong over de smalle Straat van Gibraltar hadden gewaagd. In 720 drongen ze noordwaarts over de bergen van de Pyreneeën. In Zuid-Gallië begonnen ze het goud en zilver uit de kerken te roven. Aan de oostgrens, langs de Rijn en de Elbe, zorgden de Saksen voor de nodige moeilijkheden. De Friezen, de Alemannen en de Longobarden dron­gen op andere fronten steeds vaker over de grenzen. Karel Martel besloot het ijzer te smeden toen het heet was...

De slag van Poitiers

In 732 waren de Saracenen al aardig op weg om flinke stukken van het Frankische rijk te veroveren. Zuid-Frankenland (Zuid-Frankrijk) was al gedeeltelijk geplunderd. Als de Sara­cenen niet werden tegengehouden, zou weldra heel Europa aan het Groot-Arabische rijk worden toege­voegd!

Karel Martel riep alle strijdbare Franken onder de wapenen en trok naar het zuiden. Bij Poitiers vond de ontmoeting plaats tussen Franken en Saracenen, tussen slagzwaard en kromzwaard, tussen christendom en islam. Een week lang draaiden de legers om elkaar heen, de tegenstander aftastend en bevreesd voor een treffen zonder genade. Toen gingen de Sara­cenen onder het uitroepen van 4Allah Akhbar’ (God is groot) tot de aanval over. Ze liepen zich dood op de levende muur van Frankische krijgers, die geen duimbreed weken. Na grote verliezen te hebben geleden, sloegen de Saracenen op de vlucht. Europa was gered. Karel Martel, de gevierde held, keerde eind 732 terug naar het Merovingische hof, waar hij de koning nauwelijks een blik waardig keurde. Hij had voldoende bewezen, de machtigste Frank onder de Franken te zijn.

Het einde van de Merovingen

Na zijn grote overwinning op de Saracenen stond hofmeier Karel Mar­tel sterker dan ooit. Het kostte hem dan ook weinig moeite om grote Frankische legers op de been te brengen. Hij verdreef de Saksen uit het Rijnland en onderwierp vele Friezen en Alemannen. In 737 stierf de onbeduidende Mero­vingische vorst zonder zonen na te laten. Karel Martel was daar bepaald niet rouwig om en hij liet weten dat er aan een koning niet de minste behoef­te bestond. Tot aan zijn dood in 741 bestuurde hij met krachtige hand het grote Frankische rijk. Vóór zijn dood bepaalde hij, dat de zaken later zouden worden overgenomen door zijn beide zoons, Karloman en Pippijn. Hij bekommerde zich er niet om of hij zich daarbij wel hield aan de wet...

Het Vorstelijke’ gebaar van Pippijn de Korte

Van de broers Karloman en Pippijn was Pippijn verreweg de grootste persoonlijkheid. Na de dood van zijn vader zag Pippijn eigenlijk niet zoveel in de gedwongen samenwerking met zijn broer. Na het uitoefenen van wat druk en wijzend naar het bloedige verleden van zovele Merovingische vorsten, slaagde Pippijn er in 747 in zijn broer het klooster in te praten. Nog even vond een Meroving het nodig zijn rechten op de Frankische kroon te laten gelden. Als Childerik III mocht hij van Pippijn even kijken hoe de kroon hem stond… Maar Pippijn wist zich sterk. Paus Stefanus II had hem laten weten dat ‘hij die de macht had, de werkelijke koning was’. In 751 liet Pippijn zich uitroepen tot koning van de Franken. Het pauselijk standpunt was niet door onbaatzuchtige motieven ingege­ven. Allerminst, want de Longobarden stonden op het punt zich meester te maken van heel Italië. Op de Oostromeinse keizer hoefde de paus niet te rekenen, want die had het te druk met de opdringende moslims in Oost-Europa. De paus kon best een sterke bondgenoot gebruiken: Pippijn. Deze aarzelde niet de uitge­stoken hand te grijpen. Hij versloeg de Longobarden en maakte daarna een ‘vorstelijk’ gebaar door al het veroverde gebied aan de paus te schenken. Ook de motieven van Pippijn hierbij waren niet zo nobel als het leek: hij bezat toch de troepen niet om al dat veroverde land onder controle te houden…
Pippijn, die wegens zijn geringe lichaamslengte ‘de Korte’ werd ge­noemd, legde met zijn gebaar de basis voor de kerkelijke staat van de paus. Die staat wist zich door alle eeuwen heen zelfstandig binnen Italië te handhaven. Vanuit het Oost-Romeinse rijk werden nog wel wat zwakke protesten vernomen, maar de paus en Pippijn de Korte vonden het niet nodig daarop te reageren.

De twee zonen van Pippijn

Koning Pippijn de Korte, die zijn macht overduidelijk had gevestigd, deelde harde klappen uit aan de immer opstandige Saksen en hij dreef de laatste Saracenen over de Pyre­neeën. Toen hij in 768 stierf, liet hij een rijk na waar orde op zaken was gesteld. Het Frankische rijk strekte zich uit van de Pyreneeën tot ver in het tegenwoordige Duitsland, Zwit­serland en Oostenrijk. Maar Pippijn liet zijn onderdanen nóg een erfenis na, die ten tijde van de Merovingen niet zou hebben mis­staan: hij verdeelde het rijk over zijn beide zoons. Dat was vragen om moeilijkheden. Zoon Karel werd ge­kroond te Noyon, zoon Karloman in Soissons. Al snel bleek dat de broers geen eenheid vormden. Een opstand van de Aquitaniërs in Zuidwest-Frankrijk moest door Karel alleen worden onderdrukt, hoewel hij zijn broer om hulp had gevraagd. Karel raakte tot over zijn oren in de problemen, toen de Longobarden het de paus weer moeilijk gingen maken. Door hun smadelijke nederlaag in het verleden waren de Longobarden vervuld van wraakgevoelens. Karel wilde de paus wel helpen, maar hij was getrouwd met een dochter van Desiderius, de koning van de Longo­barden.

Ten slotte liet Karel zijn plichten zwaarder wegen dan de trouw aan zijn echtgenote. Hij stuurde haar terug naar haar vader. Broer Karlo­man stierf in 771 op 20-jarige leeftijd en voorkwam daarmee ongewild een broederstrijd. Karel werd door de edelen en bisschoppen erkend als de alleenheerser bij de ‘Gratie Gods’ over het Frankische rijk.

De keizer der keizers: Karel de Grote

6e klas Karel de Grote

Waarheid en fantasie

Er is waarschijnlijk geen Europese vorst in de geschiedenis te vinden, aan wie zoveel aandacht is besteed als Karel de Grote. Zelfs in liedjes is zijn naam terug te vinden. Wie na de lagere school veel van de geschiedenis­lessen is vergeten, kan bijna altijd die ene naam nog wel noemen. Over de grote keizer zijn zoveel verhalen in omloop, dat het bijna onmogelijk is geworden een duidelijk beeld van zijn persoon te krijgen. Waarheid en fantasie zijn in de loop der eeuwen té veel ineengestrengeld geraakt. Het meest geschetste portret van Karel de Grote is dat van een soort avonturier, een hoofdpersoon uit een historische roman, een forse gestalte met een grote intelligentie, voor wie geen paard te wild was. Een atleet, die de zwemkunst goed machtig was, vaardig op de jacht en zó sterk, dat hij een hoefijzer met de handen recht kon buigen.
Een man met een zeer brede belang­stelling, maar toch niet in staat om te lezen en te schrijven. Een vorst die zich in pracht en praal moest hullen, maar die liever rondliep in eenvoudige kleding, die hem toestond zonder kleerscheuren op zijn paard door de bossen te rossen…

De keizerskroon als waardering

Karel de Grote, een mengeling van historische fantasie en veronderstelde werkelijkheid, zal voor een deel wel altijd een raadsel blijven. Vast staat evenwel, dat deze voortdurend naar geld snakkende vorst van grote betekenis is geweest voor de West-Europese beschaving. Hij breidde zijn rijk nog verder uit dan zijn voor­gangers en hun hofmeiers al hadden gedaan. Vast staat ook, dat hij een voortreffelijke   organisatie   binnen zijn rijksgrenzen instelde. En zeker is, dat uit waardering voor deze uitstekende organisatie, paus Leo III hem in het jaar 800 de gouden keizerskroon op de blonde haren drukte. Tot dat ogenblik had Karel (sinds 768) zijn land als koning gediend.

Later dacht Karel de Grote over die gedenkwaardige ogenblikken in de Sint- Pieter in Rome heel anders dan zijn volk. Zijn levensbeschrijver en goede vriend Einhard tekende uit de mond van de keizer op: ‘Als ik er het geringste vermoeden van had gehad wat paus Leo van plan was, dan zou ik geen voet in de Sint-Pieter hebben gezet, zelfs al was het eerste kerstdag.’

Politieke en godsdienstige uitbreiding

Karel de Grote had meer dan 30 jaar nodig om de ontembare Saksen aan de oostgrens te onderwerpen en hen tot christenen te maken. Dat de Saksische gevoelens bij de doop altijd even oprecht zijn geweest, mag worden betwijfeld. Karel de Grote maakte de godsdienst ondergeschikt aan de politiek. Wie zich bekeerde, mocht zich als een volwaardig ingezetene van het Frankische rijk beschouwen. Heidenen konden alleen maar gedood of bekeerd worden… In 772 rukten de troepen van Karel de Grote voor de eerste keer Saksisch gebied binnen. In dat land werden nog de oude Germaanse goden aan­geroepen en er werden offers gebracht aan de voet van eeuwenoude eiken. Het doel van Karel de Grote was Paderborn in Westfalen. Daar ver­nielde Karel de Irminsaule, een zware houten zuil, waarop volgens de Saksen de wereld rustte. Uit de omringende tempels en heiligdommen werden de gouden en zilveren schatten als krijgsbuit in beslag genomen. Velen lieten zich min of meer gedwongen tot christenen dopen, maar de Irminsaule werd haastig weer opgericht, toen Karel zijn hielen nog maar net had gelicht… Toen de legers van Karel de Grote zuidwaarts trokken naar de oproerige Longobarden, vielen de ‘bekeerde’ Saksen plunderend en moordend het Frankische rijk binnen om zich te wreken voor de ondergane vernede­ringen.
De getergde Karel liet daarop 4.000 vooraanstaande Saksen bijeendrijven en ze stuk voor stuk onthoofden. Dat had als gevolg, dat de verontwaar­digde Friezen toen ook naar de strijdbijl grepen!
Ten slotte kwam er een onverwacht einde aan het al heel lang broeiende geschil met de Saksen. De Saksische koning Widukind besloot zich te laten dopen. Hij werd door Karel de Grote overladen met kostbare doop­geschenken, op voorwaarde dat de Saksen zich verder als brave rijks­genoten zouden gedragen. Nog éénmaal kwam het tot een bloedige Saksische opstand. Karel de Grote, ouder en ook wijzer geworden, koos voor een vreedzame oplossing. Hij liet eenvoudig een duizendtal koppige en opstandige Saksische families emigreren naar het hart van het Frankische rijk en liet hun plaats innemen door trouwe Franken. Daar­mee was de weerstand voorgoed gebroken. De Saksen ontpopten zich weldra als trouwe volgelingen van de keizer. Later zouden ze zelfs het Frankische rijk in Duitsland en Italië voortzetten...

De strijd tegen de Saracenen

Iemand heeft eens opgemerkt, dat de geschiedenis van het Frankische rijk met bloed werd geschreven. De Fran­ken hadden ten tijde van de Merovingen weinig vrede gekend, maar onder de ‘Karolingen’, zo genoemd naar Karel de Grote, werden de slagzwaar­den en strijdbijlen voortdurend scherp gehouden.

Beieren, het gebied van de Bavaren, werd na hevige strijd bij het Fran­kische rijk ingelijfd. De Avaren, een Aziatisch ruitervolk dat in Hongarije aan de grenzen van Karel de Grote knabbelde, werd onderworpen. Daar­na verdwenen ze uit de historie. Bloed vloeide vooral in Zuidwest-Europa, waar Karel de Grote zich tot taak stelde de Spaanse christenbevol­king te verlossen van het mohamme­daanse juk. In 778 trokken de Fran­kische legers ten strijde tegen de Moren in een ‘heilige oorlog’, die smadelijk werd verloren. Het leger van Karel de Grote moest zich zelfs onder benarde omstandigheden terug­trekken in de bergen. Voor een deel werd zijn leger vernietigd in een smalle bergpas. De gesneuvelde
bevelhebber van de achterhoede, Roland van Bretagne, werd een historische figuur. Zijn heldhaftig optreden heeft op de verbeelding gewerkt van vele schrijvers.

Toen drie eeuwen later de strijd tegen de Saracenen weer hoog oplaaide, bezongen de kruisridders verheerlijkt de strijd van Roland tegen de barbaar­se Saracenen. Hun lied was het befaamde ‘Rolandlied’, een helden­dicht dat de heldhaftigheid en de edele eigenschappen van de Fran­kische krijgers danig opblies. In het lied werd voorbijgegaan aan het feit dat de Spaanse christenen helemaal niet zo graag ‘bevrijd’ wilden worden. Ze hadden het onder het Saraceense bewind bijzonder goed. Ook werd in het lied met geen woord gerept over de felle, vrijheids­lievende Basken, een oud Keltisch volk dat de Franken vernietigender slagen toebracht dan de achtervol­gende Saracenen…

De schatten van de Avarenkoning

De voortdurende veldtochten van Karel de Grote kostten handenvol goud, maar leverden anderzijds ook het nodige op. In het verslag van de veldtocht van de Franken tegen de Avaren werd melding gemaakt van vijftien wagens, elk getrokken door vier ossen, die nodig waren om de schatten van de Avarenkoning te vervoeren naar het paleis van Karel de Grote.
Ten slotte was Karel de Grote heerser over een gebied dat zich uitstrekte van de Pyreneeën tot de rivier de Elbe en van Rome tot de Noordzee. Hij was heer en meester in een rijk, dat kon wedijveren met het verloren gegane Romeinse rijk. De uitgestrekt­heid van dat enorme rijk gaf natuur­lijk de bijbehorende problemen.

De paltsen van Karel de Grote

Karel de Grote zag in, dat een goed bestuur niet mogelijk was zonder goede wegen, betrouwbare verkeers­middelen en voorbeeldige ambtena­ren. Zelf gaf hij daarin het beste voorbeeld. Hij zetelde in een palts, een soort landgoed, waar alles zeer doelmatig was geregeld. Een palts was in handen van een rentmeester, die een veelomvattende taak had. Hij hield toezicht op de boeren en het werk dat ze moesten doen. Hij regelde het werk van een groot aantal vaklieden, zoals timmer­lieden, zeepzieders, vissers, nettenmakers, bakkers en brouwers, die
alle­maal het ambachtelijke voorbeeld voor hun omgeving moesten zijn. Alles was omschreven en vastgelegd, vanaf de aanwezige werktuigen tot en met de productie van de koninklijke hoeve. Het was een soort modelboer­derij, als voorbeeld voor de omwonenden. Tussen de paltsen werden wegen aangelegd, vaak op de restanten van de oude Romeinse wegen. Met zijn omvangrijke hofhouding trok Karel de Grote van de ene palts naar de andere. Een bekende palts was bijvoorbeeld Nijmegen. Een an­dere palts was Aken, waar Karel het liefst verbleef.

Verdeling in gouwen

Het Frankische rijk werd verdeeld in gouwen, een soort provincies, waarin het bestuur werd geregeld door een graaf. De taak van de graaf bestond uit het innen van belastingen, het spreken van recht en het aanvoeren van het gouwleger in tijd van oorlog. Belangrijker waren de markgraven of hertogen. De marken waren grensge­bieden en de markgraven moesten de rest van het rijk beschermen tegen indringers. Uit de marken zouden later verschillende landen ontstaan, zoals Denemarken (de mark van de Denen) en Oostenrijk (de mark van de oostgrens).
Alle graven en hertogen werden gecontroleerd door rondreizende ko­ningsboden, die rechtstreeks onder Karel de Grote stonden. De boden trokken steeds met hun tweeën door de gouwen en marken, om te con­troleren of de graven en hertogen wel aan alle eisen van de koning (en later de keizer) voldeden. Ook hoorden ze klachten van de bevolking aan.

Slavenhandel en heirplicht

Het schijnt dat Karel de Grote meevoelde met de gewone man, die in zijn tijd meestal half om half of helemaal slaaf was. Hij hanteerde de bijbel als de hoogste wet, toen hij bepaalde dat niemand, ook geen slaaf of boer, op zondag tot werken mocht worden gedwongen.
Karel de Grote heeft zelfs geprobeerd iets te doen tegen de welig bloeiende slavenhandel. De meeste slaven waren krijgsgevangenen, die voor een zacht prijsje aan Venetiaanse slavenhande­laars werden verkocht. Karel de Grote wist in samenwerking met de paus te bereiken, dat de slavenhandel gecontroleerd werd. Een lijfeigene mocht alleen maar worden verkocht binnen de grenzen van de gouw. Een bisschop moest bij het verhandelen aanwezig zijn om te voorkomen, dat de slaaf in ongewenste handen viel. Een andere maatregel van Karel de Grote bracht verlichting voor de boeren. Van oudsher waren alle mannelijke Franken ‘ heirplichtig. Dat betekende dat ze have en goed in de steek moesten laten als er gevochten moest worden. De koning zag in, dat de schade daardoor in oogsttijd veel te groot was en hij stelde een soort buitengewone dienstplicht in, steeds voor zeven boeren tegelijk. Slechts één van die zeven hoefde aan de oproep gevolg te geven. De andere zes hadden de plicht om de zevende te voorzien van een paard en wapens en voor zijn boerderij te zorgen.

Karel de Grote en de paus

Hoe veroveringsgezind Karel de Grote en zijn Franken ook waren, hun onderwerpingsdrift kwam altijd tot staan aan de grenzen van de kerkelijke staat van de paus. Ze waren sterk genoeg om heel Italië bij het Fran­kische rijk in te lijven, maar dat deden ze niet. Ze begrepen maar al te goed dat de paus een té levend symbool was van het christendom. Het geloof was voor Karel de Grote één van de belangrijkste bindmiddelen om zijn rijk, waarin vele volkeren en stammen waren verenigd, bijeen te houden.

Vast staat, dat de keizer de paus ook niet als meer dan als dat symbool beschouwde. Karel de Grote liet zich betitelen als ‘Heer en vader, koning en priester, hoofd en gids van alle christenen’. Daar blijkt uit, dat hij zich zóveel waardigheid toedacht, dat er voor de paus inderdaad weinig anders overbleef dan te bidden voor het heil van de Frankische vorst en hem te helpen in zijn strijd tegen het heidendom…

6e klas Karel de Grote 2

Onder protest van de Oost-Romeinse machthebbers werd Karel de Grote op eerste kerstdag van het jaar 800 door paus Leo III tot keizer gekroond. Om op goede voet te blijven met de Oost-Romeinen, was Karel van plan met de Oost-Romeinse keizerin Irene te trouwen. Als dat plan was doorgegaan, zou hei nieuwe samengevoegde keizerrijk weer bijna net zo groot zijn geweest als het oude Romeinse rijk. Maar keizerin Irene werd in 802 ten val gebracht. Bij de dood van de keizer in 814 erkenden de Oost-Romeinen het Frankische keizerrijk.

Het wonderlijke evenwicht

Reeds in de tijd van Karel de Grote kende Europa twee bruggenhoofden, waar twee godsdiensten elkaar bijna raakten. In Zuid-Spanje vormde de Straat van Gibraltar een scheiding tussen de islam en het christendom. De andere gemakkelijk te nemen hindernis was de Bosporus, de plaats waar de Zwarte Zee uitmondde in de Middellandse Zee. Op de westelijke oever van de Bosporus lag het trotse Constantinopel.
Waren de moslims eensgezind ge­weest, dan hadden ze Europa via beide bruggenhoofden in de tang kunnen nemen. Maar door een speling van het lot gebeurde dat niet. Alleen in Spanje zouden de moslims het Europa eeuwenlang moeilijk blijven maken. Daar was het kalifaat van Cordoba gevestigd, de staat van de krijgszuchtige, maar ook hoogbe­schaafde Saracenen. Aan het oostelijke bruggenhoofd bleef het ten tijde van Karel de Grote vre­dig en rustig. De vorst van Klein-Azië was Haroen al Raschid, een gezworen vijand van de kalief van Cordoba. Hij zag in Karel de Grote meer een medestander dan een vijand. Zo werden de machtsverhoudingen in Europa in evenwicht gehouden.

Vrienden met de kalief

Het staat vast, dat Karel de Grote en kalief Haroen al Raschid het uitste­kend met elkaar konden vinden. Ze wisselden vaak vriendelijke bood­schappen uit en gaven elkaar over en weer geschenken. In 802 kreeg Karel de Grote zelfs een olifant van zijn Arabische vriend ten geschenke! De kalief liet hem weten, dat er onder de hem bekende vorsten geen groter vriend bestond dan hij, de vorst van de Franken.

Arabische Wetenschappen

Door middel van kalief hadden de Ar bieren een zekere invloed op het rijk van Karel de Grote. De onderdanen van de kalief hadden een hoogstaande beschaving ontwikkeld, waarin kunsten en wetenschappen bloei­den. De   letterkunde bloeide volop en vond in zekere mate haar weer­slag aan het Frankische hof. Alle door de Ara­bieren beoefende we­tenschappen begonnen een beetje door te sijpe­len naar Europa: wis­kunde, sterrenkunde, aardrijkskunde en zelfs twijfelachtige weten­schappen als astrologie en alchemie.
.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

719-656

­

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-2)


 .

Het Merovingische rijk

Frankische veroveringsdrift
.
Rond 350 n. Chr., ongeveer in de tijd dat de Hunnen Europa bereikten, wees de Romeinse keizer Ragnentius aan de Germaanse Franken een ge­bied toe, dat tegenwoordig bekend staat als de Noord-Belgische Kempen. De Romeinse keizer kon toen niet vermoeden, dat hij daarmee de basis legde voor een groot rijk. Een rijk, dat in de Europese geschiedenis een toonaangevende rol zou gaan spelen en dat in macht en omvang zou kunnen wedijveren met het vroegere Romeinse keizerrijk. De eerste Frankische koning die het grondgebied begon te vergroten, was Chlodio. In het jaar 432 legde hij beslag op de rivierdalen van de Schelde en de Leie. Daardoor werd heel West-België toegevoegd aan het kleine rijk.

Ten slotte breidde het Frankenland zich uit tot aan de Somme, een rivier in Noord-Frankrijk. De Romeinen, die de veroveringslust van de Franken al enige tijd met ongenoegen hadden gadegeslagen, vonden het toen toch wel wat te gortig worden. De Romeinse veldheer Aëtius werd met een groot legioen naar het Franken­land gezonden. Hij had de opdracht gekregen, de oprukkende Franken duidelijk te maken dat niet de Franken, maar de Romeinen het voor het zeggen hadden in Europa. De waarschuwing werd door de Franken goed begrepen. Hun ver­overingsdrift bekoelde. Childerik, de opvolger van Chlodio, vocht zelfs zij aan zij met de Romeinen tegen de Westgoten en een andere binnenval­lende Germaanse stam: de Alemannen. Maar de zoon van Childerik, de 16-jarige Clovis, dacht er anders over. Hij trok zich niets aan van de waarschuwing van de Romeinen. Nietsontziend wierp hij zich in de strijd. Moordend en bedriegend legde hij de basis voor het Frankische rijk in West-Europa. Vanuit de Frankische hoofdstad Doornik zou een nieuwe macht ontstaan…

Sluipmoord, verraad en bedrog

Toen de jonge Clovis in 481 de troon besteeg, was hij eigenlijk alleen maar koning over één van de twaalf Frankische staatjes. Zijn echte naam was Chlodovech, een naam waaraan latere Europese vorsten hun naam zouden ontlenen: Lodewijk, Ludwig en Louis. (De naam Clovis werd eigenlijk pas na 1400 gebruikt).
Clovis was er de man niet naar om gehoorzaamheid of respect te betuigen aan de steeds machtelozer wordende Romeinen. List en geweld waren de werktuigen waarvan hij zich vaak bediende. De Romeinse legioenen konden Clovis niet beletten dat ten slotte de grootste gedeelten van de Romeinse provincies Gallië (Frankrijk) en Germanië (Duitsland) veroverde.

De veroveringen van Clovis geschiedden op een eenvoudige, bijzonder listige manier. Clovis sloot een verbond met andere Frankische heersers om land te veroveren. Iedere deelnemer zou een gelijk stuk van de buit krijgen. Was de overwinning eenmaal behaald, dan liet Clovis zijn medestanders door sluipmoord uit de wegruimen.  Dat bespaarde  hem niet alleen veel moeilijkheden bij de verdeling van de buit, maar het bood Clovis tevens de gelegenheid om het gebied van de zo plotseling overleden vorsten bij het zijne te voegen.
De hoofdstad Doornik – waar in 1653 het graf van Childerik werd gevonden – werd vervangen door Parijs. Toen Clovis zich meester maakte van Parijs en  omgeving,  vluchtte de Romeinse bestuurder van die stad, Syagrius, naar de Westgotische koning Alarik II. Die ontving Syagrius gastvrij en leverde hem ver­volgens uit aan de Franken.. Zonder gewetenswroeging liet Clovis de Romein vermoorden.

De doop van koning Clovis

De Franken waren voor het merendeel heidenen. Ook koning Clovis was geen aanhanger van het christendom, maar wel zijn vrouw Clothilde. Clovis had het veel te druk met oorlogvoeren om over het geloof na te denken. In een oorlog die de Franken voerden tegen de Alemannen in de Elzas, ging het Clovis niet voor de wind. Zijn leger dreigde te worden afgeslacht. In wanhoop riep hij de god van zijn vrouw aan. Hij beloofde dat hij en zijn mannen zich zouden laten dopen, als de God van de christenen hem de overwinning zou schenken. Clovis won de slag en hij hield woord. Volgens de geschiedschrijver Gregorius van Tours zou Clovis zich op kerstdag van het jaar 496 hebben laten dopen door de bisschop van Reims. Die zou daarbij de woorden hebben gesproken: ‘Trotse barbarenkoning, buig het hoofd, aanbid wat u verbrandde en verbrand wat u aanbad.’

Gestopt door Theodorik de Grote

De veroveringstocht van de Franken onder aanvoering van Clovis, werd gestopt door de Oostgotische koning Theodorik de Grote, de zwager van Clovis. Theodorik had Rome veroverd en was de feitelijke keizer van het Westromeinse rijk. Hij wilde alle Germaanse stammen in Europa ver­enigen in één groot Germaans rijk. Maar Clovis had andere plannen: het stichten van een groot Frankisch rijk zonder de Germanen. Hij trok op veldtocht naar het zuiden van Gallië. Ten noorden van de Pyreneeën had­den de Westgoten nog een flink stuk van Gallië in bezit. Bij de plaats Vouglé kwam het tot een veldslag tus­sen Franken en Westgoten. De West-gotische koning Alarik II, een schoon­zoon van Theodorik de Grote, sneu­velde en zijn volk werd verslagen. Clovis breidde zijn rijk uit naar het zuiden. Toch lukte het hem niet de Westgoten helemaal over de bergkam­men van de Pyreneeën te jagen. Een klein stukje Gallië bleef in Westgotisch bezit.
Dat stond Clovis helemaal niet aan, maar hij móest zijn veldtocht wel beëindigen. Zwager Theodorik, de Westromeinse keizer, kwam dreigend tussenbeide! Zo bleven een stuk land langs de rivier de Rhöne en een strook ten noorden van de Pyreneeën buiten de invloedssfeer van de Franken.

Het geslacht van de Merovingen

Het koningshuis waartoe Clovis be­hoorde, werd later aangeduid met de naam Merovingen. Die naam kwam af van de niet zo bekende koning Merovech, die in 451 een rol zou hebben gespeeld in de slag tegen de Hunnen. De groeiende macht van het geslacht van de Merovingen was duidelijk.
Begonnen als koningen van één van de Frankische stammen, de zoge­naamde Salische Franken, trokken ze langzaam maar zeker alle macht naar zich toe. Geen middel werd daartoe onbeproefd gelaten, zelfs niet als deze middelen moord en verraad inhielden. Binnen drie generaties had­den de Merovingische koningen de oude Romeinse provincies België en Gallië vrijwel geheel veroverd. De Merovingen behielden hun macht vrij lang. Pas rond 750 zou hun heerschappij worden overgenomen door de Karolingische vorsten. De macht van de Merovingen rustte op een drietal pijlers: het leger, het geloof en een krachtig bestuur. Toen de Franken overgingen tot het rooms-katholieke geloof, kregen ze ook de paus aan hun kant. In de veroverde gebieden werden ze door de christen­bevolking als bevrijders beschouwd. Het volk begon de Merovingische koningen zelfs te beschouwen als de erfgenamen van de Romeinse keizer. Een doelmatig werkend korps van ambtenaren volgens oud-Romeins voorbeeld maakte van het Frankische rijk een sterke staat. Een staatkundige zwakheid van de Merovingen was hun oude Germaanse erfrecht. Bij het overlijden van een koning werd het rijk onder zijn zoons verdeeld. En dat zou ten slotte het einde van het rijk van de Merovingen betekenen.
Op 27 november 511 overleed koning Clovis in zijn hoofdstad Parijs. Zijn vier zoons moesten het welvarende rijk in vier gelijke stukken verdelen en hun gebied gaan besturen.

De vier zoons van Clovis

De vier zoons van koning Clovis waren Theodorik, Chlodomir, Childebert en Chlotarius. Ze volgden al snel het voorbeeld van hun vader. Ze vergrootten hun grenzen en gingen niet uit de weg voor een politieke moord meer of minder. Toen in de oorlog tegen de Bourgon­diërs koning Chlodomir sneuvelde, haastten de drie overgebleven broers zich alle kinderen en andere erfgena­men van hun broer spoorloos te laten verdwijnen. Dat vonden ze de gemak­kelijkste manier om de erfeniskwestie op te lossen en hun eigen gebied uit te breiden!

Thüringen, een deel van het oude Germanië, onderging al snel hetzelfde lot als Bourgondië en werd aan het Frankische rijk toegevoegd. Volgende vorsten baanden zich een weg naar het noorden, langs de Rijn. De Merovingen bouwden langs de Rijn en de zijrivieren ervan verster­kingen, vaak op dezelfde plaatsen waar de Romeinse burchten hadden gestaan. Aan de monding van de Oude Rijn, bij Katwijk (het vroegere Lugdunum), verrees een Frankische vesting. In Maastricht (het vroegere Mosa Trajectum) werd een konink­lijke verblijfplaats gebouwd, waar de Frankische koning zo nu en dan ver­bleef.

Het erfrecht werd steeds lastiger voor de Merovingen. De Frankische vor­sten werden niet oud. Ze trouwden als ze ongeveer 15 jaar oud waren en ze werden grootvader rond hun dertigste jaar. Bij hun dikwijls plotselinge dood brak gewoonlijk een felle strijd uit tussen de erfgenamen. De meesten lieten daarbij het leven. Zo bleef het rijk toch steeds min of meer volledig in handen van één, gewoonlijk zeer jonge en onervaren vorst. Het koningschap van de Merovingen gleed af door de stijgende invloed van hun raadsheren. Volgens de geschiedschrijvers waren de laatste Merovingische koningen alleen nog maar marionetten, die zich slechts bezighielden met de verzorging van hun haren…
.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas geschiedenis

718-655

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St-Nicolaas en Zwarte Piet (30-1)

.

WAT DOEN DE VRIJESCHOLEN?
.

Afgelopen zondag wandelde ik ergens en vond dit blaadje, beschermd door een plastic hoesje. En hoewel het vocht al bezig was er een mooie nat-in-natschildering van te maken, was de tekst goed leesbaar:

Sint Nicolaas

En dan was daar op het journaal die mevrouw uit Hellevoetsluis die strijdvaardig in de camera keek en vol overtuiging zei, dat Piet zo bleef als hij altijd was.

Ik hoef niet meer mee te beslissen of de Zwarte Piet die de vrijeschool bezoekt, er anders moet gaan uitzien en zo ja, hoe dan.

Mijn antwoord is duidelijk: geen verandering. Piet moet gewoon zwart blijven.

Sta ik dan niet open voor de ‘discriminatie-slavernij kritiek’?

Ik beleef Piet niet als een ‘geknechte’ slaaf of als een ‘zwarte’ die het vuile werk moet doen. Kortom, bij mij leeft geen enkel discriminatoir gevoel.

Ach, ik zou best bepaalde, voor de tegenstanders te overduidelijke kenmerken willen verzachten: geen dikke rode lippen en/of kroeshaar of opzichtige oorbellen.

Maar zwart moet hij blijven: of hij nou historisch een Moor was of niet en of we nu steeds minder schoorstenen hebben waar hij doorheen kruipt, voor mij is hij veel meer een symbool, samen met de witte Sint. Ik zeg expres niet ‘blanke’ Sint, want het gaat niet om de huidskleur als rassenkenmerk.

Zoals we het traditionele trouwkostuum hebben: een witte jurk en een zwart pak. Het is een twee-eenheid. Waarom zou het pak zich gediscrimineerd moeten voelen? Of de mindere van de witte trouwjapon? Dat aanpassen zou tot grijs leiden en de taal heeft het in dit opzicht niet zo op grijs: het is vlees noch vis.

Wit en zwart: ze horen bij elkaar. Sterker: ze kunnen niet zonder elkaar. Wat zou Sint zijn zonder Piet. En Piet dom?  ‘Alles ziet die slimme Piet, zich vergissen kan hij niet!”. Het is een twee-eenheid en daarmee alleen al overstijgen ze het ‘discriminatie-niveau’.

Hij is de rechterhand van Sinterklaas.

(Ik weet het: dit roept maar zo een nieuwe discussie in het leven: wat is de rechterhand meer dan de linker, huh?) Maar vanuit de taal dan maar weer, als metafoor.

Een ander kleurtje geven is voor sommigen de oplossing. Voor mij dus niet. Je verlaat daarmee de prachtige symboolwaarde van die hogere eenheid wit/zwart.

Als ik die laatste zou vergelijken met humor, echte, ware humor, dan is de gekleurde Piet voor mij niets meer dan ‘leut’.

Dan wordt het Sint-Nicolaasfeest iets in de trant van ‘agge mèr leut heit’. Hodsikidee!

In de reeks artikelen over Sinterklaas die op deze blog zijn verzameld, wordt op o.a. deze even ingegaan op de wit-zwartsymboliek.

Ik heb de kinderen van het tekenblaadje niet kunnen vragen naar hun waarom, maar ik ben het roerend met hen eens:

Sint Nicolaas

‘Mooi zijn de regenboogpiet en de kleurenpiet, vind je ook niet?’
‘Ja….ja…eh, maar als ze gaan douchen zijn ze gelukkig weer zwart!’

kleuter over kleurenpiet
.

(Trouw ‘opgetekend gesprek’ 03-10-2015)
.

Opspattend grind
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Nicolaas

717-654

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (2)

.

Johannes Tauz, opgetekend in Erziehungskunst, 23e jrg. 1969

.

over de boodschap van de kerstspelen
.

Toespraak bij een opvoering
.
Vele van de aanwezigen zijn de ‘oude volkse spelen’, de kerstspelen uit Oberufer, diepgaand vertrouwd. Ze worden in alle Duitse en ook buitenlandse vrijescholen ieder jaar als een geschenk van de leerkrachten aan de leerlingen opgevoerd. Maar niet alleen op onze scholen, ook in woon- en werkgemeenschappen voor mensen met een verstandelijke beperking, meervoudige handicaps en/of gedragsproblematiek. In afdelingen van de antroposofische vereniging, in de christengemeenschapskerken nemen de spelen een vertrouwde plaats in. Ze worden opgevoerd in bedrijven en ziekenhuizen en menig ‘kompany’ stelt zich ten doel in gevangenissen te spelen. We kunnen dus tegenwoordig wel spreken van een zich uitbreidende beweging van de kerstspelen uit Oberufer. Voor wie erdoor geraakt wordt, wordt Kerstmis weer een Christusfeest. De uitgeefster van het tekstboek, Marie Steiner, vele jaren medewerkster van Rudolf Steiner, wijst in het voorwoord op de vredesboodschap van deze eenvoudige volksspelen. Onze tijd [art. uit 1969] die als nieuwe takken van wetenschap ‘vredesvraagstukken’ en ‘toekomstvraagstukken’ heeft, kan veel ‘vredesboodschappen’ opmerken. Wat de boodschap van vrede in onze spelen betreft, die heeft niet als resultaat dat ergens de oorlogshandelingen ophouden. Ware vrede is gebonden aan voorwaarden; die vraagt de bereidheid tot de ‘goede wil’, zich te doordringen met het licht dat sinds de eerste wereldkerstnacht in de duisternis schijnt. Wanneer die wil de harten vervult, wordt Kerstmis een feest dat vrede in de ziel brengt en eenheid sticht. Bijna 60 jaar geleden [art. uit 1969] werden de spelen uit Oberufer op een nieuwe manier opgevoerd. Kerstmis 1910 heeft Rudolf Steiner ze opnieuw vorm gegeven en vanuit een nieuwe geest de traditie geschapen waarin we nu staan. Het jaar 1910 neemt in het leven van Rudolf Steiner een belangrijke plaats in. In relatie tot Goethes ‘Sprookje van de groene slang en de schone lelie’ ontstond het eerste van de vier ‘mysteriedrama’s’, waarin de profetes Theodora het begin van de nieuwe Christustijd aankondigt. In hetzelfde jaar klonk er soort begeleidingsmotief: de activiteit rond de kerstspelen begon in Berlijn, midden in de drukte van de miljoenenstad. Het jaar daarop volgden opvoeringen in Wenen, in 1921 op de vrijeschool in Stuttgart. Onder de spelers bevond zich – al sinds het begin in Wenen – de onvergetelijke Karl Schubert, wiens 80e verjaardag op 25 november 1969 zijn vrienden over de hele wereld in gedachten samenbracht. Met de hem eigen uitdrukkingskracht in spraak en gebaar, vertolkte hij de rol van boompjesdrager, sterrenzanger, de herder Witok en de lakei. Wat in 1910 weer ontstond, was een honderd jaar daarvoor verloren gegaan. In het midden van de 19e eeuw vonden de laatste opvoeringen plaats op het eilandje Oberufer in de Donau, niet ver van Pressburg, het huidige Bratislava. Toentertijd tekende een jonge gymnasiumleraar uit Pressburg de spelen op en behoedde ze daarmee dat ze verloren zouden gaan. Hij kon het vertrouwen van de boer winnen in wiens familie het recht van opvoering erfelijk was en die af en toe nog, met tussenfasen van vijf tot tien jaar jongens uit het dorp samenbracht en ze instudeerde. Die jonge leraar, de Goethe-enthousiast Karl Julius Schröer, voelde zich in het diepst van zijn wezen verbonden met een stroming die in de vroege middeleeuwen zijn oorsprong had en in Oberufer ophield: met de geestelijke spelen uit de middeleeuwen waarvan aan het begin de eerste Duitse dichteres staat, de non Hrotsvitha uit het klooster Gandersheim in de Harz. Duizend jaar hield de stroming het uit, toen verzandde ze. Wat Schröer gevonden had, liet hij in boekvorm verschijnen. Maar het werkje zou in de vergetelheid zijn geraakt, wanneer Schröer, inmiddels beroepen aan de Technische Hogeschool in Wenen, niet een paar studenten had gehad aan wie hij zijn vondst kon toevertrouwen. Het was Rudolf Steiner die weer tot leven wekte wat de volkskundige Schröer had opgetekend. Door hem hebben wij de spelen gekregen en al die leerlingengeneraties die ze sinds die tijd hebben leren kennen. Wanneer de leraren jaar na jaar het Paradijsspel, het Herdersspel en het Driekoningenspel opvoeren en wanneer de leerlingen door de opeenvolging van deze diepzinnige beelden in deze ‘trilogie’ geboeid worden, raken we vervuld met hoop. De eenvoudige spelen uit Oberufer zouden erbij kunnen helpen dat de kersttijd werkelijk weer een vernieuwing voor de wereld wordt: een vernieuwde Christustijd – een tijd van ingetogenheid waarbij in de ziel het vredebrengende kerstlicht in toenemende mate helderder wordt.
.
Kerstspelenalle artikelen

Vrijeschool in beeldde kerstpelen

716-653

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-1)

.

De profeet Mohammed
.

Geboorte en jeugd van Mohammed

Wanneer Mohammed precies werd geboren, is niet met zekerheid be­kend. Naar men in Arabië zegt, zou het in het ‘Jaar van de Olifant’ zijn geweest. Algemeen wordt aangeno­men dat de profeet omstreeks 570 na Chr. is geboren. Zijn geboorteplaats staat in elk geval wel vast, dat was Mekka.*

Zijn vader heette Abdallah en hij be­hoorde tot een verarmde tak van de stam van de Koraisjieten. Zijn moeder heette Amina. De legende vertelt dat Abdallah zó’n knappe man was, dat er op de dag van zijn bruiloft met Amina wel 200 jonge maagden van liefdesverdriet stierven. De echtgenoot ging vrij spoedig na zijn huwe­lijk op zakenreis. Hij overleed óf onderweg óf kort daarna. Zo kwam Mohammed als half wees ter wereld.

Omdat Amina arm en ziekelijk was, gaf ze haar kindje mee aan een
Bedoeïenenvrouw, Halima, om hem te zogen. Zijn eerste levensjaren heeft de beroemde man dus doorgebracht in een gebied van bergen en woestij­nen. Na een paar jaar bracht Halima de jongen terug bij zijn moeder, zij stierf vrij kort daarop. Zijn verdere opvoeding werd eerst door zijn grootvader en later door een van zijn ooms voortgezet. Met deze oom heeft hij tijdens een reis onder andere een tijdje in een christelijk klooster ver­toefd. Daar heeft hij de gelegenheid gehad de christelijke godsdienst beter te leren kennen.

‘Jij bent Gods profeet!’

Tot de leeftijd van ongeveer 40 jaar is er over Mohammed eigenlijk weinig bekend. Ofschoon hij een knappe, evenwichtige en slimme man was, is hij toch vrij lang vrijgezel gebleven. Dit kwam omdat hij niet met aardse goederen was gezegend. Hij was straatarm. Maar zijn goede lichame­lijke en geestelijke eigenschappen maakten toch zo’n indruk op de rijke weduwe Chadidja, dat zij hem in dienst nam om haar karavanen naar en van Syrië te leiden. Hoewel
Cha­didja 15 jaar ouder was dan Moham­med, kroop het bloed waar het niet gaan kon en Mohammed en Chadid­ja trouwden. Het echtpaar kreeg ver­scheidene kinderen, waarvan er enke­le op jonge leeftijd stierven. Het huwelijk met de rijke Chadidja, dat heel gelukkig moet zijn geweest en met een hechte geestelijke band, ontsloeg Mohammed van de zorg om voor zijn dagelijks brood te werken. Hij kon zich verdiepen in gods­dienstige problemen en hij vroeg zich af, waarom joden en christenen één God aanbaden, terwijl de Arabieren zovele goden** tot voorwerp van ver­ering hadden.

Om dit alles rustig te kunnen over­denken, trok hij zich terug in een grot van de berg Hera. Om daar langere tijd te kunnen doorbrengen, nam hij een voorraad eten en drinken mee. De woeste schoonheid van het land­schap overdag en de onmetelijkheid van de sterrenhemel ’s nachts vervul­den hem met diepe eerbied voor de Schepper ervan. Op een nacht, toen hij in diepe slaap gedompeld was, kreeg hij een visioen. De aartsengel Gabriël verscheen hem, hield hem een met tekens bedekt stuk stof voor en zei: ‘Lees!’ Hevig geschrokken antwoordde Mohammed dat hij niet lezen kon, maar de engel zei nog tweemaal dat hij lezen moest en wierp hem daarbij op de grond. Toen kon hij wel lezen. Daarna zei de engel hem voor:

‘Lees in naam van je Heer, Die schiep;
Die de mens schiep uit klonters bloed!
Lees! Je Heer is de Verhevenste,
Die door de pen de mens leerde wat hij niet wist.

Men kan deze woorden terugvinden in het 96ste hoofdstuk van de Heilige Koran, het heilige boek van de moslims. Toen Mohammed ont­waakte, voelde hij zich zeer verward. Hij meende zelfs dat hij gek gewor­den was. Met de gedachte dat het misschien beter zou zijn zelfmoord te plegen, wankelde hij de grot uit. Maar buiten gekomen hoorde hij op­nieuw een stem die toen tot hem zei:
‘Jij bent Gods profeet!’ Overal waar hij maar keek, zag hij steeds weer de aartsengel. Bevend over zijn hele li­chaam kwam hij thuis bij Chadidja, die hem in een deken wikkelde en hem met kalmerende woorden tot rust bracht. Van het begin af aan was zij ervan overtuigd dat wat haar man was overkomen geen boze droom was geweest, maar een werkelijk visioen. Zo werd zij de eerste die in zijn god­delijke zending geloofde. In dit ge­loof werd ze nog gesterkt door haar blinde neef Waraqua, die verklaarde dat Mohammed dezelfde engel moest hebben gezien als destijds Mozes en de profeten.

6e klas Mohammed 1

De engel Gabriël verschijnt aan Mohammed

De prediking van Mohammed

Mohammed begon daarna in Mekka zijn geloof te verkondigen, zoals hem door de aartsengel was opgedragen. Hij meende dat joden en christenen weliswaar dezelfde God aanbaden als hij, maar hij was er vast van over­tuigd dat ze van de ware beginselen waren afgeweken. Zowel de joden als de christenen hielden zich niet meer aan de wet en vooral de christenen met hun verering van heilige
voor­werpen en heiligen waren volgens hem helemaal van het rechte pad
af­gedwaald. Bovendien was hun opvat­ting dat God een Drieëenheid is, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, helemaal in strijd met zijn leer: ‘Er is maar één God!’ Hij zag zichzelf als de laatste in de rij profeten waarvan ook Jezus deel had uitgemaakt. Hij beschouwde zichzelf dus eigenlijk niet als stichter van een nieuwe gods­dienst, wel als iemand die een bestaande godsdienst herstelde en vervolmaakte. Het getal van zijn aan­hangers groeide niet snel, ondanks het feit dat de profeet omstreeks het jaar 614 en op de leeftijd van onge­veer 45 jaar een werkelijk indrukwek­kende figuur met een dwingende blik en een prachtige golvende baard moet zijn geweest. Na 3 jaar had hij nog maar een 40 volgelingen. Zijn ei­gen stamgenoten, de Koraisjieten, maakten hem het leven zuur en bespotten hem zo vaak ze maar kon­den. Hun grote angst was namelijk dat de Kaäba** als godsdienstig mid­delpunt zou verdwijnen, wanneer Mohammed veel aanhang zou krij­gen. Dat zou dan meteen betekenen dat een welkome bron van inkomsten zou wegvallen. Toen ondanks hun verzet toch steeds meer mensen zich tot Mohammeds leer bleken te beke­ren, besloten de Koraisjieten de pro­feet te vermoorden. Maar door een wonder werd de man die de daad moest volbrengen, zelf bekeerd…..***

6e klas Mohammed 2

Mohammed predikt

Een gevleugeld paard

Geleidelijk aan gingen steeds meer Arabieren over tot het geloof in de ene God die Mohammed predikte, niet alleen in Mekka, maar ook in de stad Jathrib. Vooral in Jathrib steeg het aantal gelovigen verrassend snel. Toch bleef Mohammed in Mekka een voorwerp van spot en haat van de Koraisjieten. Zozeer zelfs, dat hij zijn leven ten slotte niet meer zeker was. Hij moest de bergen in vluchten en zich daar verborgen houden. Al­leen tijdens de heilige maanden, wan­neer er niet gevochten mocht worden en geen bloedwraak gepleegd mocht worden, keerde hij naar de stad te­rug. In die moeilijke tijd had hij een visioen dat hem er opnieuw van overtuigde dat hij op de ingeslagen weg moest doorgaan. In dit visioen reisde hij op een gevleugeld paard van Mek­ka naar Jeruzalem. Vandaar steeg hij op, begeleid door de aartsengel Ga­briël, naar de zevende hemel, waar hij door de profeten werd begroet. Hém alleen was het ten slotte ver­gund boven de zevende hemel uit tot God te gaan. Deze raakte zijn schou­der aan en Mohammed voelde een verschrikkelijke kou in zijn hart. Daarna keerde hij met nieuwe kracht gesterkt terug naar Mekka.

De Stad van de Profeet

Toen het eerste plan van de Koraisjie­ten om Mohammed uit de weg te rui­men niet was gelukt, beraamden ze een tweede moordaanslag. In een al­gemene vergadering besloten ze dat één man van iedere familie hieraan zou deelnemen. Allen zouden dan te­gelijk met het zwaard op het slachtof­fer insteken. Door dit gezamenlijk optreden zou daarna geen bloed­wraak meer mogelijk zijn. De samen­zwering lekte echter uit, naar men zei door toedoen van een engel. De
pro­feet redde samen met zijn vriend Aboe Bekr het vege lijf in een over­haaste vlucht. Na een dag of tien be­reikten beiden veilig Jathrib, waar ze allervriendelijkst werden ontvangen. De naam van deze stad werd omge­doopt in Medina-al-Nabi (Stad van de Profeet) of kortweg Medina. De vlucht of ‘Hidjr’ van Mohammed van Mekka naar Medina werd als zo’n belangrijke gebeurtenis be­schouwd, dat daarmee de mohamme­daanse jaartelling begint (622). Om­dat hierbij niet van zonnejaren maar van maanjaren)* wordt uitgegaan, is het bijzonder moeilijk de christelijke en de mohammedaanse tijdrekenin­gen met elkaar in overeenstemming te brengen.

Allerlei regels en voorschriften

Omdat er in Medina vrij veel joden woonden en omdat Mohammed zich­zelf als vernieuwer van hun gods­dienst zag, probeerde hij ijverig hen voor zijn geloofsopvattingen te win­nen. Maar tot zijn grote teleurstelling wilden ze daar niets van weten. Daar­om regelde hij toen een aantal zaken duidelijk anders dan bij de joden ge­bruikelijk was. Zo stelde hij de verplichte rustdag of ‘sabbat’ niet op zaterdag, maar op vrijdag vast. De maand ‘Ramadan’ werd tot vasten­tijd bestemd en bij het dagelijks ge­bed moest de gelovige het gelaat niet langer naar Jeruzalem wenden, maar naar Mekka. In Medina schaarden zich vele gelovigen rond de profeet en ook uit Mekka voegden zijn aanhan­gers zich bij hem. Om onder het groeiend aantal van zijn volgelingen orde en gezag te handhaven, ging Mohammed niet alleen vele gods­dienstige, maar ook allerlei staatkun­dige en maatschappelijke regels en voorschriften geven. Vaak kreeg hij deze door middel van visioenen. Een groot probleem werd, hoe de hele groep in het levensonderhoud moest voorzien, want het meegebrachte geld was al gauw op. Toen beraamde Mohammed met 300 volgelingen een overval op een karavaan van de Koraisjieten. Die werden echter inge­licht en zo’n 1000 van hen trokken erop uit om de moslims te verslaan. Voordat het tot een treffen kwam, spoorde de profeet zijn mannen aan tot de grootst mogelijke dapperheid. Hij betoogde dat wie sneuvelde in de strijd om het geloof, regelrecht naar het paradijs zou gaan.

De ‘Heilige Oorlog’

De slag tegen de Koraisjieten eindig­de in een geweldige overwinning voor Mohammed en zijn gevolg. Sindsdien werd de ‘Heilige Oorlog’ voor Mo­hammed de belangrijkste manier om het geloof te verbreiden. Na de eerste gewonnen slag tegen de Koraisjieten stroomden van alle kanten bekeerlin­gen toe. Dat de profeet een visioen had gekregen waarin hem meege­deeld werd dat viervijfde deel van de in de ‘Heilige Oorlog’ gemaakte buit onder de soldaten moest worden
ver­deeld, terwijl éénvijfde voor gods­dienstige doeleinden en voor de ar­men was bestemd, was aan die snelle groei niet vreemd. Gevangengeno­men vrouwen mochten zonder meer door de soldaten in bezit worden ge­nomen. Om een grotere ruiterij te verkrijgen, waarmee natuurlijk veel sneller en beter oorlog kon worden gevoerd, ontvingen ruiters tweemaal zoveel buit als de soldaten te voet. Zo kreeg Mohammed de beschikking over een leger dat met grote geestdrift en ware doodsverachting de strijd in­ging.)** In 10 jaar tijd werden ongeveer 50 krijgstochten ondernomen. Aan zeker 9 veldslagen of belegeringen heeft de profeet zelf deelgenomen. Heel Arabië werd aan zijn gezag en aan zijn leer onderworpen. De kroon op zijn werk was, na een lange en he­vige strijd met de Koraisjieten, de on­derwerping aan Mekka in het jaar 630. Hij was genadig tegenover zijn vroegere vijanden en schonk hun, op een enkele uitzondering na, vergiffe­nis. De hele bevolking van de versla­gen stad ging tot de islam over. De honderden afgodsbeelden werden uit het heiligdom van de Kaäba verwij­derd, maar de verering van de Heilige Zwarte Steen werd gehandhaafd. Ook het gebruik van de bedevaarten naar Mekka bleef bestaan.

De dood van de profeet

In het voorjaar van 632 gaf Moham­med de wens te kennen dat hij naar Mekka wilde gaan om er persoonlijk de plechtigheden in en buiten de stad te leiden. En zo geschiedde. Hij vol­bracht de ommegangen rond de Kaä­ba, zegde de gebeden op en bracht de offers. Daarbij deed hij zijn best ie­dere mogelijke gedachte aan heidense gebruiken uit te wissen. Hij riep zijn talrijk gehoor op om ook na zijn dood eensgezind en trouw aan het ge­loof te blijven. Ten slotte vroeg hij of hij zijn goddelijke zending goed had volbracht. Daarna keerde hij terug naar Medina, waar hij het plan voor een nieuwe veldtocht opvatte. Hij werd echter ziek, kreeg koorts en he­vige hoofdpijnen. Zijn toestand werd geleidelijk aan slechter. Toen hij ver­klaarde dat Allah hem de keus had gegeven tussen deze wereld en de
vol­gende en dat hij de volgende had ge­kozen, begon men te beseffen dat de geliefde profeet wel eens zou kunnen sterven. Enige dagen later, na een korte opleving, sloot hij voorgoed de ogen. Zijn trouwe volgelingen bleven in opperste verwarring achter. De goede Omar kon en wilde eenvoudig niet geloven dat Mohammed was overleden. Hij verklaarde tegenover iedereen dat de profeet maar voor korte tijd naar Allah was gegaan en dat hij beslist zou terugkeren. Aboe Bekr echter hield de samengestroom­de gelovigen voor dat Mohammed een sterveling was, die dus ook de weg van alle stervelingen moest gaan: ‘Alleen Allah is Degene die eeuwig leeft!’

Het geloof van de moslim

Het geloof dat Mohammed heeft ver­kondigd heet ‘islam’. Dit woord bete­kent ‘onderwerping’, namelijk on­derwerping aan Gods Almacht. God is almachtig en daardoor staan alle dingen al helemaal van tevoren vast. Als men die almacht aanvaardt, is men moslim of muzelman, dat wil zeggen: iemand die zich blijmoedig bij Gods wilsbeschikking neerlegt. God is immers ook barmhartig. God heeft zich eerst in de Bijbel geopen­baard en daarna in de visioenen van de laatste van de profeten: Moham­med. Deze heeft zo allerlei wetten)*** en leefregels gegeven van God, die men kan terugvinden in het heilige boek van de moslims, de Koran. Een aantal uitspraken van Mohammed is al tij­dens zijn leven opgetekend op allerlei materiaal dat toevallig voorhanden was, zoals stukken leer, stukken bot, stenen en palmbladeren. Andere uitspraken zijn eerst na zijn dood uit het geheugen of op grond van mondelin­ge overlevering te boek gesteld. Die staan niet in de Koran, maar in de ‘Soenna’. Ten tijde van kalief Othman (644-656) is de Koran samen­gesteld tot een boek van ongeveer de­zelfde dikte als het Nieuwe Testa­ment. Het boek bestaat uit 114 hoofdstukken of soera’s, die in afnemende lengte zijn geplaatst. De langste soera staat vooraan, de kortste achteraan. Alleen de eerste soera of openingssoera is ook heel kort. De Koran vormt dus geen aan­eengesloten verhaal, zoals de Bijbel, maar is wat de inhoud van de open­baringen betreft willekeurig van volg­orde. Boven iedere soera staat de re­gel: ‘In naam van Allah, de Barmhar­tige, de Genadevolle’.

De Koran en de vijf zuilen

Het woord ‘Koran’ betekent ‘lezing’ of ‘opzegging’ en iedere soera begint gewoonlijk met de opdracht ‘lees!’. Het uit het hoofd kunnen opzeggen van grote stukken van de Koran wordt als heel verdienstelijk be­schouwd.

Hoewel de Koran als de enige goede openbaring van God wordt be­schouwd en de Bijbel van de joden en de christenen als vervalst, vindt men er natuurlijk ook tal van Bijbelse on­derwerpen en figuren in terug. Voor de gelovige moslim zijn er vijf hoofd­regels die hij zoveel hij kan in acht moet nemen. Het zijn de ‘vijf zuilen’ van de islam:

  • dagelijks de geloofsbelijdenis opzeggen: ‘Er is maar één God en
    Mo­hammed is Zijn profeet’;
  • vijfmaal daags bidden]* met het ge­laat naar Mekka gewend;
  • gedurende de heilige maand Rama­dan vasten, dat is zich onthouden van spijs en drank of ander genot, van zonsopgang tot zonsondergang;
  • aalmoezen geven aan de armen;
  • indien mogelijk éénmaal in het le­ven een bedevaart naar Mekka ma­ken.

*De heilige plaats Mekka

Toen Adam en Eva van de verboden vrucht hadden gegeten, werden ze door de engel zo hardhandig uit het paradijs gegooid, dat ze een heel eind van el­kaar vandaan op de aarde neerkwa­men. Bedroefd en eenzaam gingen ze meteen naar elkaar op zoek. Gelukkig kwamen ze elkaar weer tegen en op de­zelfde plek waar ze werden herenigd, staat thans nog de stad Mekka.

*De Zwarte Steen

Toen Adam en Eva op aarde hard moesten werken om in leven te blijven, verlangden ze er hevig naar om een tempel te hebben net zoals die in het Paradijs stond. God, die barmhartig is, vervulde hun wens en schonk hun een tempel. Maar met de dood van Adam verdween ook dit gebouw weer. Abra­ham en Ismaël bouwden later de tem­pel opnieuw op en dat is de Kaäba te Mekka. Tijdens het bouwen metselden ze er een witte steen in, die nog van de aartsengel Gabriël afkomstig was. De­ze steen werd op den duur echter hele­maal zwart door de vele kussen van de zondige pelgrims. Dat is de Heilige Zwarte Steen.

**De Arabische godenwereld

Vóór de prediking van Mohammed waren de Arabieren er vast van over­tuigd dat hemel en aarde vol waren van allerlei geesten en goden. Soms konden deze eruit zien als een dier, soms ook woonden ze in bomen of stenen, voor­al als de stenen een beetje de vorm en de grootte van een menselijke gestalte hadden. Ook sterren konden godheden zijn, zoals de planeet Venus. Boven al­les en allen stond Hobal of Allah, de schepper van de wereld. Hij werd ver­eerd in de gedaante van de Zwarte Steen die in de noordoostelijke muur van het heilige gebouw de Kaäba te Mekka was ingemetseld. Geesten en godheden werden geëerd met
gods­dienstige optochten, gebeden en het brengen van dierenoffers. In tovenarij geloofde iedere Arabier. Man, vrouw of kind beschermden zich hiertegen met amuletten, voorwerpen waarvan men dacht dat ze heilige krachten had­den.

***De bekeerde moordenaar

Van de door de Koraisjieten beraamde moord op Mohammed wordt het vol­gende verteld. Een van de leden van de stam van de Koraisjieten, Omar, die bekend stond om zijn doldrieste dap­perheid, had op zich genomen de pro­feet om het leven te brengen. Kort voordat hij het boze plan zou uitvoe­ren, bracht hij een bezoek aan zijn zuster. Hij trof haar aan terwijl ze in de uitspraken van Mohammed zat te lezen. Hierover werd Omar zó boos, dat hij ook de jonge vrouw wilde do­den. Maar toevallig viel zijn blik op het geschrevene. Hij las het moslimgebed van het begin tot het eind en was er zó van onder de indruk, dat hij zijn moordplannen opgaf. Hij ging naar de profeet en behoorde daarna tot diens trouwste volgelingen.

)*De halve maan

Op zekere dag hadden Mohammeds vijanden een samenkomst op touw ge­zet van de profeet met een beroemd Arabisch vorst, Habib de Wijze. De vorst ontving Mohammed met neer­buigende vriendelijkheid en begon ver­volgens het gesprek. Al pratende daag­de hij de profeet uit om door een won­der te bewijzen dat hij werkelijk een geroepene was. Deze ging erop in en toen Habib hem vroeg de maan in twee helften te verdelen deed hij dat. Eén van de helften liet hij uit de hemel neerdalen op de top van de Kaaba. En dat was nog niet alles. Hij liet de halve maan vervolgens in de ene mouw van zijn gewaad verdwijnen en uit de ande­re weer te voorschijn komen. Sinds­dien is de halve maan een heilig
moslim-symbool.

)**Het moslimparadijs

De moslim die trouw alle godsdienst­plichten heeft volbracht en die in het bijzonder heeft deelgenomen aan de “Heilige Oorlog’, wacht in het paradijs de zaligste genietingen. In de mooist denkbare paleizen staan tafels volgela­den met uitgelezen spijzen en kostelij­ke dranken, terwijl een onafzienbare schaar dienaren iedere wens vervult nog voordat deze uitgesproken is. De prachtige tuinen zijn begroeid met heerlijk geurende bloemen en wuivende palmen, terwijl fonteinen hun water sprankelend de lucht inspuiten. In dit lustoord bevinden zich dan ook nog de lieftallige ‘hoeri’s’, bekoorlijke jonge maagden met donkere gazelle-ogen, waarvan alleen de aanblik al een groot genot verschaft. De gelukzalige mag 1000 jaar lang bij hen blijven en hij krijgt 100 keer zoveel mannelijke kracht om zich met hen te vermaken…

)***Parfums en vrouwen

Mohammed verbood zijn volgelingen het gebruik van varkensvlees en het genot van alcoholische dranken. Zelf was hij, terwijl hij toch alleenheerser over Arabië was, een man van eenvoudige en bescheiden levenswijze. Hij molk zelf zijn schapen, verstelde zijn eigen kleding en herstelde zijn schoeisel. Zijn maaltijden bestonden slechts uit wat brood en dadels, al dan niet aangevuld met een beetje honing. Als drank stonden water of melk op tafel. Er waren eigenlijk maar twee dingen waar de profeet een zwak voor had: parfums en vrouwen. In strijd met zijn eigen voorschrift, dat een moslim hoogstens vier vrouwen toestond, had hij er 17. Dit recht was hem, naar hij verklaarde, in een goddelijk visioen toegestaan! Het moet worden gezegd dat hij pas na de dood van Chadidja tot deze veelwijverij is overgegaan. Bij zijn vele vrouwen had de profeet toch slechts één kind, zijn dochter Fatima. Een zoon die na zijn dood als wettig heerser over Arabië kon optreden, was er dus niet.

]*Bidden met de wapens in de hand

Omdat godsdienstoefeningen tijdens een veldtocht wel eens erg gevaarlijk kunnen zijn, gaf de profeet daar re­gels voor, die men in de vierde soera van de Koran kan terugvinden: ‘Het wordt iemand niet als zonde aangere­kend, als hij op reis zijn gebed kort maakt daar hij verwacht dat de onge­lovigen hem kunnen aanvallen. Want de ongelovigen zijn gezworen vijan­den. Als jij (Mohammed) bij de gelo­vigen bent en hun gebeden leidt, laat een deel van hen met de wapens in de hand bidden. En als ze het gebed hebben beëindigd, laat hen dan in de achterhoede plaatsnemen en laat dan een ander deel dat nog niet gebeden heeft, naar voren komen om te bid­den; en laten ook zij op hun hoede zijn, met de wapens in de hand.’

6e klas Mohammed 3

Uit de Koran.

Als er een leerling in de klas zit die een moslimopvoeding krijgt ‘moet’ deze natuurlijk iets over de Koran vertellen en met de andere leerlingen een mooi (stichtelijk) vers schrijven. Anders is het zeer aan te raden iemand die de Koran in het Arabisch lezen kan, in de klas uit te nodigen en te laten vertellen en een stukje tekst met de kinderen te schrijven.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis

.

715-652

 

 

 

 

 

 

.

 670