VRIJESCHOOL – 1e klas -Nederlandse taal (2)

1e klas: Nederlandse taal 1;
1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen
1e klas: alle artikelen

 

Taalonderwijs

Het taalonderwijs gaat er eigenlijk van uit, dat de taal geen ‘vak’ maar een levend wezen is, dat alles doordringt wat leerbaar kan worden genoemd.

Het kind heeft dit taalwezen eerst onbewust, daarna dromerig-spelend leren kennen. Op school zal het bewust de taal leren kennen en oefenen, zij het op speelse wijze.

Met de tandwisseling is het kind ontvankelijk geworden voor het woord. Het woord als bron van scheppingskracht, het woord, dat de geliefde autoriteit spreekt over alles wat het leven brengt. Universeel is het taalonderwijs, omdat de taal in kunstzinnig opzicht zowel beeldende aspecten als ritmisch-muzikale aspecten omvat. De twee belangrijkste kunstzinnige gebieden vindt men in de taal.
De Griekse cultuur had er grootse woorden voor: in het beeldend -plastische element werkte de lichtgod Apollo, in het ritmisch-muzikale element de dramatische godheid Dionysos. Deze twee goden waren broeders. In de taal vloeien hun beider elementen samen en worden uitdrukking van een derde, hoger element, dat van het Wereldwoord, dat alles heeft gevormd en tot leven gebracht, zoals dat in het Johannesevangelie is neergelegd.

Daardoor is de taal verbonden met de hoogste krachten van de mensheid. De taal in haar scheppende vormkracht en structuur brengt als zodanig het kind tot zelf-bewustzijn en innerlijke zekerheid. De taal is een ik-functie.

Van het taalonderwijs is grammatica de kern, de ruggengraat. De grammatica in haar strenge vorm is een nog sterker appel aan het ik-bewustzijn.

Maar — en dat is het wonder van de taal — zij doet dit op on-egoïstische wijze en demonstreert zo haar volstrekte onmisbaarheid voor de mens.

Men zoeke de verschijnselen van de taal niet slechts in het utilistische, platvloerse en goedkope. Dat is eenzijdig. De taal is zo universeel, dat de meest verheven en goddelijke dingen zich er in laten uitdrukken. Dit zou niet mogelijk zijn, wanneer de taal als zodanig niet uitvloeisel was van goddelijke scheppingskracht.

In de Middeleeuwen meende men, dat aan de universiteiten pas aan wetenschap kon worden gedaan, wanneer de ‘Zeven Vrije Kunsten’ waren beoefend. De basis was het ‘Trivium’, waarin men eerst met de schone en strenge jonkvrouw Grammatica (taal als structuur) kennis maakte, vervolgens met de fraaie Rhetorica (taal als schoonheid) en tenslotte de geduchte jonkvrouw Dialectica (taal als overtuigingsmacht) ontmoette.

In de lagere school van 6-9 jaar draagt de taal het karakter van instrument. Daarna wordt van 9-12 jaar gewerkt aan de taal in het
s c h o o n h e i d s b e l e v e n.

Vervolgens komt van het 12e jaar tot de puberteit de taal als overbrengster van de gedachte en de idee.

Zo is dan ook hoofddoel voor de klassen 1, 2 en 3 het goede spreken en het goede luisteren.

Leer- en ontwikkelingsdoelen voor het spreken, luisteren en tevens voor de geschreven taal

—  Het gaan hanteren van de taal als onegoïstische oefening voor het zelfbewustzijn.
—  De grammatica van onbewust gehanteerde structuur tot bewust geoefende structuur te maken.
—  Goed laten spreken, laten vertellen, laten navertellen, laten zwijgen, laten luisteren, dit alles met de juiste honorering van het temperament van de kinderen.
– Het laten oefenen van de taal in sociaal verband: spreken tegen en met elkaar, zoals dat in klassengesprek, recitatie-oefening, toneelspel kan voorkomen.
—   Bij het spreken leren letten op; de juiste druk en nadruk, de juiste levendigheid en harmonie, de juiste beweging en terughouding, de evenwichtigheid, zodat degene tegen wie gesproken wordt, verstaan kan, wat bedoeld is.
—   Bij het spreken oefenen van: de juiste zuivere uitspraak van klinkers, de juiste van medeklinkers, het articuleren, de klemtoon, de toon, de frasering, sterkte, adempauze.
—   Het gebruik van de juiste woorden en uitdrukkingen, zodat de taal haar sociale functie als mededeling, gevoelsuiting en wilsuiting kan vervullen.
—   Het aanleren van het schrijven van lettertekens.*
—   Het oefenen van de grote drukletters en later de kleine schrijfletters.*
—   Het leren van bladindeling, spatie, vlakvulling bij het op papier brengen van een stuk taal of geschreven tekst.
—   Het oefenen van de juiste schrijfwijze van woorden.
—   Het weer ten gehore brengen van het geschrevene, later gedrukte woord, ook ‘lezen’ genaamd.
—   Het lezen van een tekst hardop met de juiste voordacht, alleen of in spreekkoor, met de juiste toon, tempo, frasering, geluidssterkte, adempauzen, individueel of in een groep.
—   Het geschreven woord stil lezend naar zijn verstandelijke inhoud te vatten.
—   Het stil gelezene met eigen woorden hetzij mondeling (vertellend) hetzij schriftelijk (opstellend) weergeven.

Klas I

a.  vertelstof:
Sprookjes.
b.  spreken:
Bewegingsoefeningen, waarbij ritmisch gelopen en gesproken wordt.
Vingerspelletjes, kinderversjes, recitatieven.
Toneelspelletjes, navertellen van sprookjes.
Klassengesprekjes, elke dag na verhaal.
Vrij spreken (vertellen van vakantietochtje).
Spraakoeleningen.
c.  schrijven:
De letters worden ontwikkeld uit gebaar (vocalen) en beeld (consonanten).
Groot en klein drukschrift* wordt getekend.
d.  lezen:
Gelezen wordt van het bord, van eigen papier, vervolgens uit gestencilde
of gefotokopieerde eigengemaakte boekjes (door de leerkracht). Een bepaalde afronding van leespretaties wordt zeer uitdrukkelijk niet verlangd in dit leerplan. Ieder kind mag eigen tempo ontwikkelen.

e.  spelling:
Onbewust door het kind laten opnemen door het goede voorbeeld van de
leraar(es).

Voor het taalonderwijs in het bijzonder:

Werkwijze: zelf als leerkracht goed spreken (en dit oefenen), juiste toon, tempo, ritme, frasering, geluidssterkte, afwisseling.

Goede woordkeuze nastreven, niet te vlotte, populaire, gemakkelijke of goedkope taal — al moet men deze ook kennen. Schuttingtaal, vloeken kunnen beter worden vermeden, aangezien zij wel zeer eenzijdig zijn; maar ook niet te afstandelijke, geleerde, te moeilijke taal.

Goede grammaticaal gestructureerde taal, goed lopende niet te lange zinnen, geen half-voltooide of niet logisch verlopende zinnen (anacoloeten); zuivere relatieve aansluiting en bijzinconstructies. Dit alles uit te werken naar de temperamenten, waarover nader.

Goede stofkeuze, inhoud aansluitend bij de leeftijdsfase.

Zelf in beelden leren spreken, f a n t a s i e – o n t w i k k e l i n g. Wie het kind bereiken wil, gebruikt beelden.

Schoonheidsbeleven in de taal zelf ontwikkelen en dit door enthousiasme laten meebeleven.

Zinvolle bewegingen maken. Weten wat men met een goed gebaar uitricht, of het omgekeerde.

Zelf actief worden in de taal. Grammatica gaan doordenken en doorleven. Zelf gedichten maken.

Zich doordringen met de voorstelling, dat goede, duidelijke en genuanceerde taal niet elitair, overdreven, gekunsteld of sentimenteel is, evenmin als het goed autorijden elitair is. Taal vervult een sociale functie; vóór alles moet het duidelijk verstaanbaar zijn (zelfs indien gefluisterd!). Niet om politieke macht uit te oefenen in de eerste plaats, maar om van mens tot mens te kunnen spreken.

Het nuanceren in de gesproken taal is — van de zachtste strelende woorden tot striemende zweepslag — vooral ook belangrijk bij de temperamentsbehandeling.

a. voor cholerici:
korte, gedrongen, gespierde zinnen; veel actie in de inhoud. Stevige toon.
b. flegmatici:
rustig, vloeiende zinnen, vrij lang, met verbaasde pauzes ertussen,
c. melancholici:
lange, bedachtzame zinnen met zorgvuldige bijzinsconstructies.
d. sanguinici:
opgewekte, ietwat huppelende zinnen met veel mooie bijvoeglijke
naamwoorden.

Hoe gaat het toe?

Enige beelden worden gegeven over het dagverloop en enige dingen uit de leerstof, die typerend voor ons taalonderwijs kunnen worden genoemd.

Eerste klas

Hoe werd de klank tot letter?

Een letter is een heel abstract ding. Er is geen enkel verband te ontdekken tussen die klank en de veel later ontstane letter. Althans voor een klein kind niet. Het verre verband legt de cultuurhistorie bloot: de oudste neerslag van de spraakklanken droeg beeldkarakter. Gaandeweg kwam er vereenvoudiging tot de abstracte lettertekens van nu. Deze weg gaan wij in het kort ook: een gezonde weg, waarbij gevoel en leven niet zijn vergeten. Er is verschil tussen klinkers en medeklinkers. Klinkers komen meer van binnenuit. Die mogen uitdrukking vinden in het gebaar, de beweging. Wat doen grote mensen, om iets niet te vergeten? Juist, opschrijven. De eerste mens kon niets opschrijven, hij kon zelfs niet spreken. Dat was Adam in het paradijs. Kijk. daar komt een engel hem de klanken leren. Een kindje komt met wijd uitgestoken open armen van een krukje af. ‘Adam’ doet dat na. Hij staat voor het bord. De engel roept ‘aaaa’. Adam doet ook zijn armen wijd en zegt ‘aaaa’.

Nadat vele andere kinderen ook aan deze voorstelling hebben deelgenomen, komt er papier en kleurkrijt op tafel De engel wordt groot nagetekend, Adam klein. Dat is mooi! Deze tekenen we nu altijd, wanneer we een ‘aaaa’ horen. Zo ontstaan ook de andere klinkers: een eerbiedige engel met gekruiste armen brengt de eeee, een verwonderde engel met rond armgebaar de oooo.

Met de consonanten (medeklinkers, vormers) gaat het anders. Deze worden ontwikkeld uit een beeld. De kinderen waren erg enthousiast over het verhaal van Sneeuwwitje en Rozerood (sprookje van Grimm). Nu gaan we het hebben over die klank, die je aan het begin hoort, wanneer je bbbad of  bbboek uitspreekt. Nu ga je beginnen, maar je gaat niet verder: bbb –. Even wordt herinnerd aan de brave beer uit het sprookje. Plotseling staat hij op het bord.

schrijven klas 1 13

De bruine, brave beer beklimt een boom, bezoekt een bijennest. Gezamenlijk wordt dit gesproken: ‘Brave beer Ben jij bang? Voor die boze bij?’

Na vele tekeningen van de ‘berenletter’ verdroogt deze tot een teken, dat de haastige, grote mensen vlugger kunnen schrijven. Zo komt elke consonant aan de beurt.

Elke leraar tracht de beelden zelf te vinden, hetgeen nooit moet ontaarden door originaliteitskramp. Gevoelsmatig aangesproken zijn kinderen enthousiast over de letters.

Het tekenend schrijven kost sommige kinderen veel inspanning, andere weer vliegen met hun kleurkrijt** over het papier. Bij sommige is het, of ze met hun neus of hun wang tekenen, andere hebben hun armen zo verbergend om het papier liggen, alsof er een groot geheim wordt geboren. ‘Er was eens een kind, dat had… een neus die was aan één kant plat’, zegt de leerkracht zachtjes rondlopend. De neusligger gaat iets rechterop zitten. ‘O, wat heeft die arme R gedaan, dat hij zo apart moet staan?’ Kleine Sander heeft zijn naam mooi op papier gezet, maar de laatste R staat heel ergens anders: ‘Ja, die R kon er niet meer op!’ ‘O, dan moet je je letters wat minder eten geven, dan worden ze dunner.’ Dit is een spelelement voor de leerkracht om alles zo te personifiëren, dat het kind erin kan meegaan, ’s Middags in de schilderles kan men horen: ‘O, mijn Roodje is zo vlug, dat hij op de grond gevallen is!’ De grond drijft, alsof er een varken geslacht is. De kleuren worden als personen behandeld, liever gezegd voorgesteld.*** ‘Ach, jouw Geeltje is zeker ziek hè, ze is zo bleek.’ Maar het meisje vindt dat juist mooi. Zo blijft Geeltje bleek. De leerkracht schildert iets voor. ‘Kijk, Roodje was jarig, die mag op de voorgrond staan. Geeltje komt op het feest. Zij danst om de jarige heen. Blauwtje danst ook, maar een beetje op de achtergrond en in de hoeken. Blauwtje is een beetje verlegen.’ Niet voor niets zegt men ‘bleu’.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

* het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander!. Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wél!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.

**Het waskrijtblokje is m.i. niet om mee te schrijven. Het is te klein voor de fijne motoriek van het schrijven; het is ook bedoeld om te tekenen en moet eigenlijk op een speciale manier worden vastgehouden – zoals je je vingers op de gaatjes van een blokfluit hebt. Bovendien en dat geldt bijna nog meer voor het waskrijtstiftje, ‘stroopt’ dat over het papier en remt de schrijfbeweging. Ik weet het uit ervaring, want ik heb een keer met beide bij het schrijven gewerkt. Later ben ik overgestapt op het dikke kleurpotlood. Je hebt hiermee ook meteen gelegenheid vanaf het prilste begin het op de juiste wijze vasthouden van het potlood aan te leren.
***hierover zijn de meningen verdeeld. Het voorbeeld kan zeker als manier gehanteerd worden, maar zo hoeft het niet altijd te gaan. Ook ‘stralend’ geel of ‘krachtig’ rood enz. horen erbij, vanuit de achtergrond ‘kleurenkwaliteit’.

zie ook: taal 1e klas

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

499-461

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

7 Reacties op “VRIJESCHOOL – 1e klas -Nederlandse taal (2)

  1. Pingback: Ramon de Jonghe/Verachtert kwakzalvert | steinerscholen.com gefocust

  2. Pingback: VRIJESCHOOL 1e klas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 1e klas (1) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (1) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2) | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  7. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (3) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.