VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

[1] Rudolf Steiner over schrijven en lezen: alle artikelen

[2-1De voorbereiding voor het schrijven
Pieter HA Witvliet over: voorbereiding; zit-handhouding; aanwijzingen Audrey McAllen; het belang van beweging en beheersing motoriek; aanwijzingen voor vormtekeningen als voorbereiding op het schrijven; welk schrijfmateriaal; recht en rond; voorbeelden van (verkeerde) schrijfhouding en penvoering.

[2-2De voorbereiding voor het schrijven
Pieter HA Witvliet over: voorbeelden van voor-oefeningen (vormtekeningen); recht en rond; variaties; waar op te letten.

[2-3] 1e klas – schrijven:
Elisabeth Klein over: schrijven in de 1e klas: wat is beeld; klinker-medeklinker.

[2-4] 1e klas – schrijven
G.Hartman over: de uitgangspunten van het schrijven in de 1e klas.

[2-5] 1e klas – schrijven
D.J.van Bemmelen over: de uitgangspunten van het schrijven in de 1e klas. Met voorbeelden van letters.

[2-6] Duimpje     1e klas – schrijven
Sieglinde Fischer geeft een voorbeeld van hoe je met een zelf bedacht verhaal de kinderen letters kunt aanleren

[2-7] 1e klas – schrijven en lezen
Irmgard Hürsch geeft een voorbeeld van: voor het eerst leren lezen.

[2-8] 1e klas – schrijven
Monique Kok geeft een voorbeeld van het aanleren van een letter (W.

[2-9] 1e klas – schrijven
Rudolf Treichler beschrijft zijn manier om de kinderen letterbeelden aan te leren.(deel van een artikel over de 1e klas; het laatste deel behandelt het rekenen)

[2-10] 1e klas – schrijven
Ingrid Boelens over: de methode José Schraven i.v.m. de door Steiner beschreven methode; autoriteit in de klas.

[2-11] 1e klas schrijven – de omgekeerde weg
Kees Warmerdam
over: het hierboven genoemde artikel van Ingrid Boelens, met dezelfde conclusie: de methode Schraven is géén vrijeschoolmethode; ontwikkelingsgericht contra opbrengstgericht.

[2-12] Ontdekkend leren en lezen
Ewald Vervaet
over: Piaget en Steiner: grote overeenkomsten; onomkeerbaar en omkeerbaar denken bij kleuters; hoe leert een kind lezen – voorbeeld;
Jacqueline van Laerhoven, vrijeschoolleerkracht over ervaringen met de opvattingen van Vervaet.

[2-13] Het eerste schrijfonderwijs
Willy Aeppli
over: beeldschrift bij verschillende volken; kind heeft beeldbewustzijn; kind leeft in beweging; van beeld naar teken; klinker – medeklinker; van beeld naar abstractie.

[2-14] Het belang van de eerste klas op de vrijeschool
D.J. van Bemmelen
over: in alle rust leren schrijven vanuit het beeld; het belang van spel; kunstzinnig onderwijs.

zie 8 voor methodes

[3-1] 1e klas – schrijven
Rudolf Steiner: over wel of geen blokletter schrijven.

[3-2] 1e klas – schrijven
Rosemarie Jänchen over: waarom geen drukletters schrijven

3-3] Moet de drukletter schriftelijk worden geoefend om te leren lezen?
Begeleingsdienst, Luc Cielen, Pieter HA Witvliet: over blokletters schrijven? Geen blokletters schrijven.

[3-4] De opmars van de blokletter
Aob-blad over: voor en tegen de blokletter: verschillende opvattingen.

[4] 1e klas: Nederlandse taal waaronder schrijven/lezen.

[5] 1e klas: Nederlandse taal waaronder schrijven/lezen

[6] Lees- en schrijfmoeilijkheden bij kinderen
Alfred Bauer: gezichtspunten.

Dyslexie
Men weet eigenlijk niet wat het is

Dyslexie
Balt van Raamsdonkzelf dyslectisch – ontwerpt eigen methode.|
Opmerkelijk veel overeenkomsten met visie van Steiner.

[7]Schrijver Maksim Gorki leert lezen
Olaf Oltmann vertelt over Gorki als vijfjarige die letters leert (uit beelden)

[8-1] Monique Derwig ontwikkelde een schrijfmethode op muziek voor kinderen die met schrijven veel moeite hebben. Allerlei onderdelen vinden we terug in het vrijeschoolonderwijs.

[8-2] Jos Bruschke en Ton Baan ontwierpen in 2002 een nieuwe schrijfmethode: schrijven tussen lijntjes wordt losgelaten en schrijven en motoriek passen als een ritssluiting in elkaar.

Zie [2-10] 1e klas – schrijven
Ingrid Boelens over: de methode José Schraven i.v.m. de door Steiner beschreven methode.

[9] ‘Uit de oude doos‘.
Marius Lindeman over: moet je wel met kleuters gaan schrijven? Motoriek en vaardigheid.

[9-1]Leren lezen en het belang van motorisch vaardig zijn
Philia de Vries
over: Leuke spelletjes voor in de vakantie….en ook aan de leer- en leesvoorwaarden van je kind werken, het kan!  n.a.v. het boek van Marijke van Vuure: dyslectie en touwtjespringen; het belang van eerst motorisch ‘klaar’ zijn om te gaan schrijven en lezen.

[9-2] De waarde van het handschrift bij lezen, schrijven en denken
Manfred Spitzer over: taal; het schrift (beelden naar abstract); wat gebeurt er bij lezen; relatie met denken en hersenwerking; toetsenbordactiviteit voegt voor ontwikkeling niets toe; bijkomende bedreiging voor ogen.

[9-3] Hoe handschrift kinderen helpt bij de ontwikkeling van lezen en schrijven
Set-up to learn over: een onderzoek en experiment: leren kinderen beter schrijven en lezen met een toetsenbord en de programma’s die daar bij horen of door een handschrift te gebruiken; het blijkt dat het handschrift gunstigere resultaten heeft; daarnaast blijkt ‘vrij’ schrijven ook van positieve invloed.

[9-4] Schrijven en ons brein
Aartje Schoenmaker over: in Finland werd in 2014 het schrijven in het onderwijs afgeschaft: men ging over op typen; geen goed idee i.v.m. hersenontwikkeling.

[10] Waarmee laten we onze kinderen schrijven?
J.P. Westerik in een oud artikel met nog verrassende gezichtspunten over: gebruik balpen, vulpen, schrijfhouding, handschrift.

[11] Lezen, een suggestie
Pieter HA Witvliet 
over: voor de beginnende lezer zijn er niet zoveel boekjes met een ‘literaire’ inhoud. Vrijeschoolleerkracht Max Stibbe† stelde een boekje samen met de vertelstof van de 2e klas: de fabels, om deze met de kinderen te lezen.

[12-1] Kinderen lezen slecht? Pisa-scores zeggen niet alles
Gert Biesta over: hoe komt het Pisa-rapport tot stand; voor welke leeftijd (15-16 jaar!) Pisa is beperkt; over de ‘ranglijstdwang’; gevaar Pisa-info groter te maken dan die is.

[12-2] Lezen kan anders
Anne Steenhoff over: dat kinderen slecht lezen, ligt aan ons; minder begrijpend lezen; meer literatuur in de klas; en lees die boeken als leerkracht zelf.

[12-3] De leesvaardigheid daalt, grote kans dat ‘begrijpend lezen’ een van de daders is
Erna van Koeven
over: begrijpend lezen, wat het doet en wat niet; hoe lezen ‘oppervlakkiger’ wordt; géén oppervlakkige teksten; lezen integreren.

[12-4] Achterstand
Evan Naaijkens/ Marjolein Moorman over: méér aandacht voor de wereld: niet alleen technisch lezen; pleidooi voor onderwijs vol verhalen, poëzie en jeugdliteratuur.

[12-5] We doen hier niets geks
School ‘De sterrenpracht’ (geen vrijeschool) over: wat doen wij met leesonderwijs in de 6e klas?
Een pleidooi voor vakkenintegratie en rijke teksten.

Het eerste leesboekje in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs.

.

700-639

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-3)

.
DE TANKS VAN HANNIBAL
.

Een onverzoenlijke haat

Hannibal, die tijdens de Eerste Punische Oorlog geboren was, zou altijd een onverzoenlijke haat tegen Rome blijven koesteren. Hoe kwam dat? De Griekse geschiedschrijver Polybius laat hem het zelf vertellen: ‘Mijn vader stond op het punt naar Spanje te vertrekken om daar oorlog te gaan voeren. Ik was negen jaar. Hij bracht een offer aan de goden. Ik stond daar ook bij het altaar, niet ver van hem af. Toen hij de wijn geplengd had en alle riten had volbracht, vroeg hij de aanwezigen zich even terug te trekk­en. Daarop liet hij me dichterbij komen en vroeg me vriendelijk of ik hem wilde volgen naar het leger. Ik zei geestdriftig ja, ik smeekte hem zelfs met kinderlijke hevigheid me mee te nemen. Toen nam hij mijn rechterhand, leidde me naar het al­taar en liet me zweren dat ik nooit een vriend van de Romeinen zou wor­den’.

Hij maakte geen verschil tussen dag en nacht

Reeds op 26-jarige leeftijd kreeg Hannibal het opperbevel over de Carthaagse troepen in Spanje. Ondanks zijn jeugd was hij al een groot veldheer. Zoals Livius vertelt: ‘In niemand hadden de soldaten meer vertrouwen en tegenover niemand waren ze openhartiger. Hij ging altijd stoutmoedig op het gevaar af, en zo­dra hij zich erin bevond, toonde hij veel koelbloedigheid. Geen arbeid kon zijn geest of zijn lichaam ver­moeien. Hij verdroeg de kou even goed als de hitte. Bij het eten en drin­ken hield hij alleen rekening met zijn behoeften en niet met zijn plezier. Voor slapen en waken maakte hij geen enkel verschil tussen de dag en de nacht. Hij ging gewoon slapen als hij even niets te doen had. Dikwijls zag men hem, tussen de schildwach­ten, onder een deken op de grond lig­gen. Hij was verreweg de beste ruiter en de beste infanterist. Als eerste ging hij in de aanval en als laatste keerde hij terug’.

Een machtig wapen: strijdolifanten

Zodra Hannibal meende dat hij sterk genoeg was om zich met de Romeinen te meten, veroverde hij de Spaanse stad Saguntum. Hier woonden welis­waar Grieken, maar die hadden een verbond met de Romeinen. Hannibal veroverde de stad en liet alles plat­branden. We schrijven het jaar 219 v. Chr. Rome kwam zijn verplichtin­gen aan de Grieken na en eiste van Carthago dat het Hannibal zou uitle­veren. Toen het dit weigerde, ver­klaarde Rome de oorlog. Precies wat Hannibal gewild had. Na een aantal schermutselingen in Spanje, besloot Hannibal het jaar daarop het strijd­toneel naar Italië te verplaatsen. Zijn officieren waren verbluft toen ze hoorden hoe hij dat wilde doen. Om­dat Rome de zee beheerste, legde hij uit, zouden zij te land aanvallen. Ze zouden hun leger over de Pyreneeën en vervolgens over de Alpen naar Noord-Italië voeren. Toen men in Rome van dit plan hoorde, werd men nauwelijks ongerust. Het plan leek namelijk onuitvoerbaar. Toch stuur­de men voor alle zekerheid onder be­vel van Scipio een leger over zee naar Gallië (Frankrijk) om de eventuele Carthaagse strijdmacht op te vangen, Hannibals leger bestond uit 90.000 man voetvolk, 12.000 ruiters en 37 krijgsolifanten. Carthago was op zijn olifanten al even trots als op zijn ma­rine. Men zei dat zich in de stallen van de stad wel 300 van deze dieren bevonden. Een deel hiervan was dus naar het Europese vasteland
ver­scheept. Vanwege hun onstuitbare kracht kan men de krijgsolifanten misschien het best vergelijken met de tanks van vandaag. De Romeinen hadden er voor het eerst mee kennis­gemaakt tijdens hun gevechten met Pyrrhus. Vooraan op de rug van de olifant zat gewoonlijk één man die het dier bestuurde. Achter hem was een bak geplaatst, van waaruit een aantal boogschutters de vijanden be­stookte. Tijdens de veldtocht door Spanje verloor Hannibal ongeveer een kwart van zijn strijdmacht, ter­wijl hij ook nog de minst geoefende soldaten ontsloeg. Zijn leger bestond toen nog uit 50.000 man voetvolk, 9000 ruiters en 37 olifanten.

Star onder het ijs

Hannibal rukte op en kwam aan de Rhône. Er was geen Romein te zien. Scipio lag nog met z’n leger in Massilia (Marseille) en Hannibal besloot snel verder te gaan. Toen Scipio ein­delijk oprukte, was Hannibal hem ve­le dagmarsen voor. De Galliërs, die nog probeerden Hannibal tegen te houden, werden verslagen. Toen kwam het ogenblik waarop de Carthagers voor een zeer machtige vijand kwamen te staan: de Alpen. Scipio besefte dit en ging ervan uit dat Han­nibal nooit over de Alpen zou kunnen komen. Hij stuurde z’n broer met troepen naar Spanje om er de Car­thaagse versterkingen te verslaan en Hannibals voorraden te veroveren. Zelf ging hij met een handvol solda­ten terug naar huis. Hannibal stond in de vroege herfst aan de voet van het gebergte. De eerste sneeuw begon te vallen. Maar laten we naar Livius luisteren:
‘Hoewel men zich op grond van wat er over verteld werd al een voorstel­ling van de werkelijkheid gemaakt had en zo’n voorstelling meestal overdreven is, kregen ze toch weer een nieuwe schok, toen ze van nabij die hoge bergen zagen: die sneeuw die zich bijna verliest in de hemel, die vormeloze hutten tegen de rotsen aangeplakt, die schapen en ezels ver­schrompeld door de kou, die behaar­de en primitief geklede mensen, die hele bezielde en onbezielde wereld star onder het ijs…’.

Een list

Alsof de natuurlijke hindernissen niet al genoeg waren, bleken de bergbe­woners Hannibals troepen ook nog te willen tegenhouden: Toen ze langs de eerste hellingen omhoogtrokken, vertoonden zich bergbewoners op de heuvels die hun route beheersten. Als dezen in tussendalen een meer ver­dekte stelling hadden betrokken om dan ineens gezamenlijk aan te vallen, zouden ze paniek en grote verliezer hebben veroorzaakt. Daarom liet Hannibal halt houden en nadat hij van Galliërs, die vooruitgezonden waren om de omtrek te verkennen, gehoord had dat men daar niet langs kon, sloeg hij zijn kamp op in de wijdste vallei die hij vinden kon tus­sen al die oneffenheden en steilten. Daarop hoorde hij van diezelfde Gal­liërs dat de pas alleen maar overdag werd bezet: ’s nachts ging ieder weer naar zijn eigen huis. Bij het eerste morgenlicht rukte hij daarom op te­gen de heuvels, alsof hij openlijk en overdag een aanval op de pas wilde doen. Nadat hij de dag met die schijnmanoeuvres had doorgebracht, betrok hij weer op de oude plaats een versterkt nachtkwartier. Zodra hij echter merkte dat de burgerbewoners van de heuvels waren weggegaan en dat er niet meer gewaakt werd, liet hij eerst als camouflage méér vuren aan­leggen dan nodig waren voor degenen die in het kamp moesten blijven, te weten de ruiterij, de tros (legerbagage met daar bijbehorende manschappen) en het me­rendeel van de infanterie. Vervolgens beklom hijzelf met de dapperste mannen die hij had, zonder enige bepak­king mee te nemen, in aller ijl de bergpas en bezette de vijandelijke stelling op de heuvels’.

Met het geweld van instortende muren

Hiermee waren de bergbewoners he­laas nog niet bedwongen, zoals blijkt uit de verdere uiteenzetting van Livius:
“De volgende morgen vroeg brak men het kamp op en begon de rest van het leger zich in beweging te zetten. Reeds verlieten de bergbewonersop een gegeven signaal, hun dorpen om hun gewone posten te betrekken, toen ze daar in de hoogte plotseling vijanden zagen en ­tegelijkertijd andere vijanden die langs de weg gingen. De waarneming van deze twee feiten en de gedachte aan de gevolgen daar­van deden hen een ogenblik als aan de grond genageld staan. Vervolgenstoen ze bemerkten wat een verwarring er op die nauwe weg heerste en hoe de colonne daardoor zichzelf al in moeilijkheden bracht (vooral de paarden bleken onhandelbaar), vatte de gedachte bij hen postdat er van hun kant maar een kleinigheid gedaan hoefde te worden. De angst daarvoor zou de vernietiging van al­len ten gevolge hebben. Zo stormden ze telkens naar beneden van de rotsen aan weerszijden, door hun ver­trouwdheid met het terrein onbekom­merd om pad of geen pad. Toen kregen de Carthagers het pas echt te kwaad, én met de vijand en met de onmogelijke weg: ja, ze vochten nog het meest met zichzelf, omdat ieder het eerst aan het gevaar wilde ontkomen. De paarden brachten de voortmarcherende troep in de grootste moeilijkheden. Ze werden zenuwachtig door al die voor hen onbegrij­pelijke kreten, welke door de weerkaatsing tegen beboste hellingen nog harder klonken. En wanneer ze ge­troffen of anderszins gewond wer­den, steigerden ze zo hoog op, dat ze ontzaglijk veel mensen en bagage van allerlei aard op de grond wierpen. Het gedrang dat dan ontstond, deed velen in de afgronden ter weerszijden van de nauwe weg storten, zelfs enke­le soldaten. Maar de lastdieren met hun bepakking vielen naar beneden met het geweld van instortende mu­ren’.

Zo werd er maar wat rondgebuiteld

En de Carthagers waren nog niet eens in het hooggebergte! Daar, op de nog steilere wegen en in de nog dikkere la­gen sneeuw, leek hun hele onderne­ming dan ook te stranden:
‘De weg was ten gevolge van een lawi­ne geheel verdwenen. Toen de ruiters daar halt hielden, als hadden ze hun bestemming bereikt, liet Hannibal vragen wat het oponthoud veroor­zaakte. Men rapporteerde hem dat men voor een afgrond stond. Daarop ging hij zelf kijken. Onmiddellijk zag hij in, dat men een omweg moest ma­ken – hoe lang deze ook worden zou – over de nog onbetreden omgeving van de weg. Maar dat bleek helemaal onmogelijk. Er was daar namelijk op een oude sneeuwlaag weer verse sneeuw gevallen en deze, die nog zacht was en niet erg hoog lag, bood eerst wel een makkelijke ondergrond voor degenen die erop liepen. Toen ze echter onder de voeten van zoveel mensen en dieren wegsmolt, ging de tocht over het ijs daaronder en door het smeltwater. En dat werd een afschuwelijke worsteling. Men kon op het gladde ijs niet overeind blij­ven, des te minder omdat men berg­afwaarts liep. Zodat de soldaten, zelfs als ze steunend op de handen of op een knie wilden opstaan, hun steun voelden wegglijden en voor de tweede maal neervielen. En geen boomstam of wortel zagen ze om er de voet tegen schrap te zetten of zich aan op te hijsen. Zo werd er maar wat rondgebuiteld in die vlakte van louter ijs en sneeuw­water. De lastdieren zakten soms ook in de onderste sneeuw weg, en wan­neer ze vielen en te hard met hun benen sloegen bij hun pogingen om weer op te staan, braken ze er hele­maal doorheen, zodat zeer vele, als in voetboeien gekluisterd, vastzaten in de harde en dikke ijslaag’.

Fabius de Draler

Met niet meer dan 20.000 man voet­volk, 6000 ruiters en 20 olifanten be­reikte Hannibal ten slotte de Povlakte. De rest van zijn leger was gedood door de Zwitserse bergstam­men, in de afgronden gestort of doodgevroren. De verzwakte strijd­macht bleek echter nog voldoende om de Romeinse legers te verslaan, eerst bij de rivier de Ticinus, later bij de Trebia. Na deze successen voegden de Galliërs die in de Povlakte leef­den, zich bij de Carthagers en kwa­men in opstand tegen Rome. Hanni­bal stak toen de Apennijnen over en drong in Etrurië door. Bij het Trasimeense Meer lokte hij de Romeinen in een hinderlaag en hakte opnieuw hun legers in de pan. Heel Etrurië lag toen voor de Carthagers open! Zou hij hierna op Rome afgaan? Hanni­bal verkoos langs de stad heen te trekken. Hij hoopte Rome’s buurvolken tot een opstand te bewegen en de stad op die manier te isoleren. Maar de buurvolken reageerden niet zoals de Galliërs gedaan hadden. Ze bleven Rome trouw. Ditmaal had Hannibal zich dus vergist. In Rome vond men dat de kritieke situatie om een dicta­tor vroeg. Men wees Quintus Fabius Maximus aan, een reeds bejaard man, bekend om z’n onverstoorbare kalmte. Deze koos een geheel eigen tactiek. In plaats van openlijk slag te leveren met de Carthagers, bestookte hij hen alleen maar en trok zich steeds tijdig terug. Het bleek een goe­de methode te zijn, die de Carthagers meer en meer uitputte. De Romeinse dictator kreeg dan ook de bijnaam ‘Cunctator’ en dat betekent ‘de Dra­ler’.

Een staaltje van Romeinse vaderlandsliefde

Op een zeker ogenblik werden de Ro­meinen toch ongeduldig. Ze maakten Fabius voor een lafaard uit. En in 216 v.Chr. traden de Romeinse consuls, die minder voorzichtig waren, Hanni­bal met gesloten gelederen tegemoet. Dat was bij Cannae, aan de westkust van Italië, op de hoogte van Napels. Hannibal bracht de Romeinen hier een verpletterende nederlaag toe. Terwijl de Romeinse troepen frontaal op de de Carthagers afmarcheerden, maakte Hannibals ruiterij aan beide zijkanten een omtrekkende beweging en legde zo een dodelijke ring om het vijandelijke leger. Van de 80.000 Ro­meinse legioensoldaten ontkwamen er maar 10.000 en die werden nog na afloop van de slag gevangengeno­men! Tijdens deze catastrofe gaf de consul Paulus Lucius Aemilius een staaltje weg van Romeinse vader­landsliefde en zelfverloochening. Wanneer we Livius mogen geloven, ging het aldus:
‘De stafofficier Gnaeus Lantulus reed voorbij de consul, die hij badend in zijn bloed op een grote steen zag zitten. Heer consul, zei hij, u bent de enige man die de goden moeten ont­zien, omdat u geen schuld hebt aan deze ramp. Neem dit paard zolang u volkomen uitgeput bent en ik u erop kan tillen en met u mee kan gaan om u te beschermen. Wijd dit slagveld niet volkomen aan de Dood, door het sneuvelen van een consul! Ook zonder dat is er al genoeg reden voor tranen en  rouwbeklag! Maar de consul antwoordde: Houd jij maar goede moed, Gnaeus. Verlies met dat nutteloze gejammer toch niet het korte ogenblijk dat je hebt om aan de vijand te ontkomen. Ga heen. Meld officieel aan de senatoren, dat ze Rome in staat van verdediging brengen en er troepen leggen, voordat de overwinnende vijand komt’.

Hannibal staat voorde poort!

Na de nederlaag bij Cannae waren de bondgenoten van Rome heel wat meer bereid om met de Carthagers samen te gaan. Tal van steden, waaronder Capua en Syracuse, kozen de zijde van Hannibal. Rome leek verloren. Er vonden nog verscheidene veldslagen plaats en in 211 v.Chr. trokken de Carthagers  inderdaad naar Rome zelf op. Uit die dagen stamt de uitdrukking ‘Hannibal staat voor de poort’, wat later zoveel ging betekenen als: ‘de nood is aan de man’.
Maar terwijl het zuiden van Italië de kant van de Carthagers had gekozen, was dit niet het geval met Rome’s bondgenoten in Midden-Italië. Hierdoor kon de kans eindelijk keren. Hannibal was niet in staat Rome te belegeren en van toen af aan werd hij steeds meer naar het zuiden verdreven.

De vasthoudendheid van de Romeinen ging het winnen van het veldheersgenie van Hannibal. In Rome liet de Senaat alle burgers, en zelfs de slaven, onder de wapenen roepen. En men viel terug op de voorzichtige tactiek van Fabius de Draler. Na een uitputtingsoorlog was Hannibal ten slotte zo verzwakt, dat Rome eindelijk van de verdediging in de aanval kon gaan. De steden Capua en Syracuse werden weer in bezit geno­men. De jonge generaal Scipio begon Zuid- en Oost-Spanje op de Cartha­gers te heroveren. Nog even dreigde alles mis te gaan. Hasdrubal, de broer van Hannibal, kwam vanuit Spanje met een ontzettingsleger aan­zetten. Maar Hasdrubal werd versla­gen en gedood aan de oever van de Metauro. En de Romeinen wierpen zijn hoofd in het kamp van Hanni­bal!

Scipio de Afrikaan

De oorlog zette zich voort in de ber­gen van Zuid-Italië, waar Hannibal zich verschanste als in een natuurlijk fort. Om een eind aan de strijd te ma­ken, stelde Scipio voor de Carthagers in Afrika aan te vallen. De senatoren aarzelden even, omdat ze aan de slechte ervaringen van Regulus moes­ten denken. Maar ten slotte gaven ze hun toestemming. Scipio behaalde in Afrika zulke grote successen, dat de Carthagers in paniek Hannibal terug­riepen. Deze kwam over zee. De be­slissende veldslag vond in 202 v.Chr. plaats in het hart van Tunesië, bij Zama. Dankzij de hulp van een inheem­se leider kwam Scipio als overwin­naar uit de strijd. Hij mocht zich voortaan Scipio de Afrikaan noe­men. Het verslagen Carthago moest zijn vloot en zijn olifanten afstaan, een grote schadevergoeding betalen, Spanje ontruimen en zich verplichten nooit een oorlog aan te gaan zonder de toestemming van de Romeinse Se­naat. Hiermee was een eind gekomen aan de Tweede Punische Oorlog.

Het dodelijk gewonde dier

Maar al waren ze verslagen, de Carthagers bleven Rome angst inboeze­men. Cato de Oudere, die in de Twee­de Punische Oorlog had gestreden, eindigde al zijn redevoeringen in de Senaat – waarover ze ook mochten gaan – met de woorden: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago ver­woest moet worden.’
De eerste de beste gelegenheid werd aangegrepen om dit advies daadwer­kelijk op te volgen. Toen de Carthagers door een buurvolk werden aan­gevallen en de wapens opnamen om zich te verdedigen, vond Rome dat ze contractbreuk hadden gepleegd. De Carthagers mochten immers geen oorlog gaan voeren zonder toestem­ming te vragen…
In 149 v.Chr. stak een Romeins leger over naar Afrika en eiste van de Car­thagers dat ze hun stad zouden afbre­ken en een eind landinwaarts weer zouden opbouwen. Dit was de Car­thagers te gortig. Want het zou de dood van hun havenstad betekenen. Verontwaardigd besloten ze Cartha­go tot het uiterste te verdedigen. Drie jaar duurde het beleg. De Romeinse geschiedschrijver Florus schreef over het hardnekkige verzet van de Car­thagers:
‘Juist wanneer ze dodelijk gewond zijn, geven dieren de meest giftige be­ten. Op dezelfde manier bezorgde Carthago, toen het al half verwoest was, meer last dan toen het nog over­eind stond. De Romeinen hadden de vijand in de vesting teruggedrongen en blokkeerden de haven. De Cartha­gers groeven daarop een andere uit­weg naar de zee… waar hun vloot toen plotseling verscheen als door een wonder. Er ging geen dag en geen nacht voorbij, waarin ze niet met een nieuw oorlogstuig kwamen aanzetten of nieuwe soldaten die bereid waren te sterven, in de strijd wierpen. Toen er echter geen hoop meer was, gaven 40.000 man zich over. En verrassend was dat ook hun leider Hasdrubal zich met hen overgaf. Maar zijn vrouw wierp zich met haar twee kinderen van de bovenste verdieping van haar huis in de vlammen’.

‘Onze Zee’

Carthago werd door de Romein met de grond gelijkgemaakt. Het schijnt dat de Romeinse veldheer Scipio Aemilianus, een aangenomen zoon van Scipio de Afrikaan, zich er niet voor schaamde een paar tranen te laten over het vreselijke lot van de vijand. Men verklaarde de plaats waar Carthago gestaan had, tot een verdoemd oord, opdat er nooit meer gebouwd zou worden. Het gehele Carthaagse gebied in Tunesië werd een Romeinse provincie, genaamd Africa Proconsularis. In hetzelfde jaar 146 v.Chr. waarin ze Carthago van de aardbodem lieten verdwijnen verwoestten de Romeinen ook Korinthe in Griekenland. Daarmee maakten ze de Grieken duidelijk dat ze voortaan onder Romeins gezag stonden.
Spanje en een deel van Frankrijk hoorden al bij Rome. Sinds 1 v.Chr. bestond er bovendien een Romeinse provincie in Klein-Azië. En zelfs Egypte was tot de overtuiging gekomen dat men een staat die nooit een oorlog bleek te verliezen, maar beter niet kon uitdagen. Aan het begin van de Punische Oorlogen was Rome nog slechts één van de vijf grote mogendheden in het Middellandse Zeegebied geweest. In de volgende jaren hadden die andere machten bijna allemaal Rome op de proef gesteld. Maar net als Carthago waren die verslagen. Het resultaat was dat bij het einde van de Punische Oorlogen de hele Middellandse Zee aan de Romeinen behoorde. Ze noemden hem in het vervolg dan ook ‘Onze Zee’.

Het einde van Hannibal

Na afloop van de Tweede Punische Oorlog eisten de Romeinen van de Carthagers dat zij Hannibal zouden uitleveren. Toen deze hiervan hoorde, vluchtte Hannibal naar Syrië, waar ko­ning Antiochus III hem onderdak
ver­leende. Maar de Romeinse macht zou zich ook uitstrekken naar dit deel van de wereld! Na Antiochus’ nederlaag te­gen de Romeinen, vluchtte Hannibal verder naar koning Prusias I van Bithynië, een staatje in Noord-Turkije. Toen de Romeinen even later ook aan­kwamen en Prusias bereid bleek te zijn Hannibal aan hen uit te leveren, pleeg­de de grote Carthaagse veldheer zelf­moord. Hij gebruikte hiervoor het gif dat hij voor deze gelegenheid altijd op zak had gehad en dat hij had buitge­maakt op het slagveld van Cannae.

6e klas rome 7

tekst boven 11:Lucus Paulus Aemilius en Gaius Terentius Varro vallen Hannibal in Cannae aan (216 v. Chr) Hoewel Hannibal het Romeinse leger een vernietigende nederlaag toebrengt, valt hij de stad Rome toch niet aan.

tekst naast 1: De Mamertijnen – Campaanse huurlingen die heer en meester zijn in Messina – vragen Rome om hulp tegen de Carthagers. Een Romeins verovert Messina en Argento. (264 v. chr)

tekst naast 12: Marcus Claudius Marcellus belegert en verovert Siracuse (212 v. Chr). Archimedes vindt in bloedbad de dood.

6e klas rome 5

6e klas rome 8

Halverwege de 2 eeuw voor Chr. hadden de Romeinen afgerekend met al hun mogelijke concurrenten in het Middellandse Zeegebied. Rome was een militaire macht geworden, die enorm veel geld uitgaf aan de legioenen, die voor een belangrijk deel uit huurlingen en bondgenoten bestonden.

Wapenrusting uit de tijd van de republiek
1.  lansen met bronzen of ijzeren punten
2) de galea, een lederen helm
3) de cassis, een metalen helm
4) de helm van een centurion, een officier over honderd man;
5) opperbevelhebbershelm;
6) een schild van het Samnitische type, bestaande uit latwerk dat met leer werd overtrokken;
7) een borstharnas dat uit 5 of 6 metalen banden bestaat die op lederen banden zijn bevestigd;
8) een kolder, bestaande uit metalen kettinkjes en plaatjes;
9) een borstpantser wan leer en metaal
10) een bronzen beenbeschermer; droeg men aanvankelijk aan elk been zo’n beschermer, later trok men het alleen aan het rechterbeen, omdat het linker met het schild werd beschermd
11) de gladius, het korte Romeinse zwaard;
12) de zogenaamde schildpadformatie, die men toepaste bij het bestormen van vestingen; de soldaten droegen manshoge schilden, die met elkaar één groot schild vormden.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

699-639

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-2)

.

DEMOCRATIE OF ARISTOCRATIE
.

Zoals het werkelijk ging
.
Natuurlijk is Rome niet, evenmin als enige andere stad, in één dag ge­bouwd. De ontwikkeling van een stad begint er meestal mee dat een paar boeren of handelaars zich ergens vestigen. Daar komen dan meer men­sen bij, het plaatsje groeit, het gaat één geheel vormen met nog enige andere vestigingen en zo ontstaat ge­leidelijk de stadskern. Op deze ma­nier moet het ook, ongeveer 1000 jaar v. Chr., aan de benedenloop van de Tiber gegaan zijn. Geen Aeneas of Romulus heeft daar in één klap een stad neergezet. Maar bij de door­waadbare plaats die hier in de rivier was, zullen een paar dorpen gegroeid zijn. Via deze doorwaadbare plaats liep een belangrijke weg: de zoge­naamde ‘zoutweg’. Zout en ook andere handelswaren werden hierlangs van noord naar zuid en van zuid naar noord gevoerd. Een andere weg was er niet tussen de hoge Apen­nijnen en de Tyrreense Zee. De be­woners zullen dan ook zeker gedaan hebben wat bewoners van dergelijke sleutelposities altijd plegen te doen: ze zullen tol hebben geheven. Er ont­stonden dus dorpen aan beide zijden van de rivier. Die dorpen hadden deels Etruskische, deels Latijnse be­woners. Op zekere dag verenigden deze dorpen zich plechtig tot een gro­tere woongemeenschap, die Rome zou heten. De eerste Romeinen leef­den in eenvoudige hutten met strooi­en daken en lemen vloeren. Op de vruchtbare velden rondom bedreven ze landbouw en veeteelt.

Het Forum
.
Archeologische vondsten hebben be­wezen dat Rome in de eerste twee eeuwen van het bestaan door konin­gen werd geregeerd. Dat waren waar­schijnlijk allemaal Etruskische ko­ningen.

Na de regering van de laatste koning was Rome langzamer­hand een echte stad geworden. Want de bouw van steden kon je aan de Etrusken wel overlaten. In het jaar 575 v. Chr. hadden die door middel van een afwateringssysteem het moerassige gebied tussen de heuvels Palatijn en Capitolijn (kaartje zie (3-1_weten droog te leg­gen. Op deze plaats ontstond het ‘hart’ van Rome. Eerst diende de plek nog even als kerkhof, maar ver­volgens legden de Romeinen er een geplaveid plein aan met overdekte wandelgangen en winkels er omheenIn het midden bevond zich een recht­hoekige vergaderplaats. Later zouden rond het Forum, zoals dit centrum heette, talrijke tempels en andere be­langrijke openbare gebouwen verrij­zen.

Wat gebeurde er precies na het verdrijven van de laatste koning? De pa­triciërs – dat waren de rijke adellijke families – riepen de republiek uit. Maar wie zou het staatshoofd van de­ze republiek worden? Men wees twee consuls aan die samen gedurende één jaar zouden mogen regeren. Daarna moesten weer twee nieuwe gekozen worden. Dit systeem getuigde van veel gezond verstand. Want als de verantwoording over twee mensen verdeeld wordt, controleren die elkaar voortdurend en bestaat er nau­welijks kans dat één man oppermach­tig gaat worden. Er zal steeds zelfkri­tiek blijven in de regeringstop. Rome heeft misschien veel te danken gehad aan dit stelsel van gedeelde macht.

Omdat de gedeelde macht echter ook| wel eens tot besluiteloosheid kon lei­den, hadden de Romeinen nog een noodoplossing. In geval van ernstig gevaar voor de republiek kon de Se­naat alle macht aan een ‘dictator’ ge­ven. Deze hoefde tegenover niemand meer verantwoording af te leggen. Tegen zijn maatregelen was geen be­roep mogelijk. Maar hij behield zijn absolute macht voor hoogstens zes maanden. Was de toestand dan nog steeds gevaarlijk, dan kon deze ter­mijn met ten hoogste nog eens zes maanden verlengd worden. Mocht hij dus misbruik maken van zijn macht, dan bleef de schade nog beperkt.

toneelstuk

Wilt u zich wel even verkleden!
.
Een prachtig voorbeeld van een dicta­tor die niet langer aanbleef dan het staatsbelang vereiste, is Cincinnatus. Hij stamde uit een der aanzienlijke families van Rome, maar hij leidde een sober leven. Hij was zijn land aan het ploegen, op de noordelijke oever van de Tiber, toen men hem kwam melden dat drie heren hem wilden spreken. Hij spande de ossen uit en liep naar zijn huis. De drie heren ble­ken senatoren te zijn en ze hadden een belangrijke boodschap voor hem. Maar ze vroegen of hij zich eerst even wilde verkleden, omdat zijn werk­plunje niet geheel in overeenstem­ming met het gewicht van hun op­dracht was…

Cincinnatus trok zich terug en kwam even later schoongewassen in zijn to­ga weer te voorschijn. De senatoren deelden hem toen mee dat Rome zich in een zorgwekkende situatie bevond. De ene consul was met het leger om­singeld door vijanden, terwijl men op de andere consul niet durfde vertrou­wen. Volk en Senaat waren daarom tot de slotsom gekomen dat er een dictator aangesteld moest worden. Eensgezind hadden ze voor die func­tie Cincinnatus gekozen, van wie de vele talenten algemeen bekend waren. Na enige aanwijzingen te hebben ge­geven voor het beheer van zijn boer­derij en na afscheid te hebben geno­men van zijn vrouw en kinderen, volgde Cincinnatus de drie senatoren naar het voor hem gereed liggende schip. Aan de overkant van de Tiber stond reeds zijn lijfwacht klaar van  vierentwintig ‘lictoren’ waarop een dictator recht had – tweemaal zoveel als van een consul.

De roedenbundel met de bijl
.
Alle Romeinse magistraten hadden het recht zich te laten begeleiden door een aantal lictoren. Het hing van de hoogte van hun rang af, hoeveel het er mochten zijn. De lictoren droegen over hun schouder een bundel roeden waaruit een bijl stak. Deze uitrusting was een symbool van Etruskische oorsprong. Oorspronkelijk had ze echter gediend om te straffen: de boodschapper werd eerst met de roe­den geslagen en, als het misdrijf waar was, daarna met de bijl onthoofd. Behalve de magistraten werden ook de Vestaalse Maagden door lictoren vergezeld, al was het er in hun geval maar één.

Omdat de roedenbundel met de bijl -de ‘fasces’ – een symbool van oud-Romeins gezag was, nam in onze eeuw de Italiaanse dictator Mussolini deze over voor zijn beweging. Met deze ‘fasces’ hangt daarom het woord ‘fascist’ samen.

’s Ochtends nog achter de ploeg, ’s middags heerser van Rome
.
Cincinnatus begaf zich onmiddellijk naar het Senaatsgebouw, waar hij of­ficieel alle volmachten kreeg. Luttele uren nadat hij achter de ploeg had ge­lopen, was hij de absolute alleenheerser over Rome. De volgende dag riep Cincinnatus het volk bijeen op het Forum. Hij legde uit in welk gevaar de stad zich bevond en hij beval alle mannen die een wapen konden hante­ren, zich te melden voor een veld­tocht. Ouden van dagen en invaliden moesten zorgen voor de proviande­ring. Zo werd er binnen één dag een leger gevormd, dat diezelfde avond reeds de poort ui marcheerde om het andere leger te gaan ontzetten. Mid­den in de nacht bereikten de mannen de plaats waar zich de consul bevond met zijn ingesloten strijdmacht. Ze wierpen zich met een ijzingwekkend krijgsgeschreeuw op de vijand. Het geschreeuw werd dadelijk verheugd beantwoord door de Romeinse solda­ten in het omsingelde kamp. De vij­anden kregen toen een aanval van twee kanten te verduren en moesten zich al spoedig overgeven. Ze moch­ten het leven behouden, maar op de voorwaarde dat ze hun wapens inle­verden en zich volledig aan de Romei­nen onderwierpen. Aan het hoofd van zijn met buit beladen leger trok Cincinnatus enige dagen later Rome weer binnen. En zestien dagen nadat hij de functie van dictator aanvaard had, legde hij deze weer neer. Hij keerde terug naar de ploeg!

Vooruitstrevendheid was een onbekend begrip
.
Cincinnatus, met zijn bescheiden en dienstbaar karakter, zou altijd als één van de grote voorbeelden blijven gel­den. De Romeinen uit later tijden be­schouwden deze vroegere periode van de republiek als de periode waarin de goede eigenschappen van hun volk het meest naar voren waren geko­men. Hun verering van de voor­ouders hield daar ongetwijfeld ver­band mee.

Net als in de meeste andere landen van de Oudheid, geloofde men in Ro­me geen moment dat de toekomst be­ter zou zijn dan het verleden. De goe­de oude tijd – daar sprak men graag over. Vooruitstrevendheid daarente­gen was een onbekend begrip. Als de Romeinen een toespeling wil­den maken op een betere wereld had­den ze het over gisteren en nooit over morgen. En gisteren, dat was de Gou­den Eeuw van het begin van de repu­bliek. De term ‘Gouden Eeuw* ge­bruikten we overigens bij wijze van spreken, want het gaat om een perio­de die ongeveer twee eeuwen duurde: van de 5e tot de 3e eeuw v. Chr. In dat heldhaftige verleden moest egoïsme nog wijken voor burgerzin. Men leidde nog een sober bestaan, waarin geen plaats was voor gierig­heid en afgunst. De mannen waren dapper en hadden een eenvoudig en krachtig geloof in hun goden.

Overzicht staatsinrichting
.
Na de consuls golden als de belangrijkste magistraten: de ‘praetoren’. Ook zij waren met z’n tweeën, sedert 197 v. Chr. met z’n zessen. Eén van de praetoren was belast met de rechtspraak onder de Ro­meinse burgers, de ander met de rechtspraak onder de vreemdelingen. De ‘aedilen’ vervolgens – we zouden hen stadsbestuurders kunnen noemen – waren vier in getal. Zij organiseer­den de politie en hadden toezicht op de openbare gebouwen en de mark­ten. Tevens bewaakten ze het staats­archief en zorgden ze voor de volks­feesten en voor de graanbevoorrading.
Dan waren er nog 20 ‘quaestoren’ die de financiën beheerden. Ze waren verantwoordelijk voor de inkomsten en uitgaven van de staat. Hun taak was de rekeningen van de magistraten te controleren.
Ten slotte komen we bij de ‘censo­ren’. Hun naam is afgeleid van het woord ‘census’: de lijst waarop de burgers volgens hun inkomen geno­teerd stonden.
Deze lijst speelde onder meer een rol bij de verkiezingen. De twee censoren oefenden ook toe­zicht uit op de openbare zeden. Ze vormden dus een soort zedenpoli­tie.
Wie een politieke carrière wilde ma­ken, kon beter maar oppassen dat hij zich niet misdroeg. Want een bekeu­ring door de censoren stond gelijk met de politieke dood.

Maar hoe kregen de mensen deze ambten? De Romeinse republiek was meer een oligarchie (een staat waarin enkelen de macht hebben) dan een democratie (een staat waarin het volk de macht heeft). Dat kwam door de verdeling van de politieke macht tus­sen de Senaat en de volksvergadering. Het woord ‘democratisch’ moeten we in dit verband dus wel met een kor­reltje zout nemen.

Reeds onder de ko­ningen kwamen volksvergaderingen bijeen. Volgens de overlevering deelde koning Servius Tullius het volk in in een aantal vermogensklassen en deze ver­mogensklassen weer in centuriën. Iedere centurie kon één stem uitbren­gen, maar omdat de rijkste klassen de meeste centuriën mochten vormen, hadden de rijken de meeste politieke invloed. De staatsvorm werkte als een als democratie vermomde aristocra­tie. Dit zou later ook strubbelingen gaan geven. Maar zover zijn we nog niet. Half juli werden de vertegen­woordigers van de centuriën bijeen­geroepen om de magistraten voor het volgende ambtsjaar te kiezen. Deze traden dan in januari in functie.

Het werd gebruikelijk dat een ma­gistraat voor het jaar daarop een post in een provincie aanvroeg. Dit geldt natuurlijk pas voor de tijd dat Rome deze provincies of winge­westen verworven had. In zo’n win­gewest, waar dikwijls volop geprofi­teerd mocht worden van wat de be­volking opbracht, kon de ambtenaar zich dan enigszins schadeloos stellen voor zijn vroegere uitgaven. De bur­gers in de volksvergadering deden overigens méér dan alleen de ma­gistraten verkiezen. Zij namen ook wetten aan, verklaarden de oorlog en sloten vrede. Bovendien vormden ze in strafzaken een hof van beroep.

Einde van de gelijkheid
.
Kort na het ontstaan van Rome wa­ren er nog nauwelijks rangen en stan­den geweest. Iedere Romein was boer, koopman of ambachtsman en verder niets. In de koningstijd kwam echter mét de groeiende bevolking ook een maatschappelijke hiërarchie. En toen de republiek gevestigd was, bestond er een diepe kloof tussen twee bevolkingsgroepen: de patriciërs en de plebejers.

In Rome, net als in Griekenland, was de samenleving samengesteld uit vrije mensen en slaven. Tot de vrije mensen behoorden zowel de patri­ciërs als de plebejers. De patriciërs waren de leden van de oude, sinds lang in Rome gevestigde families. Ze beweerden dat ze zeer voornaam wa­ren omdat hun voorouders er ook al­tijd al geweest waren, als het ware als de ‘vaders’ (in het Latijn: patres) van de staat. Zo ontstond het woord ‘pa­triciër’. De plebejers waren over het algemeen pas later naar Rome geko­men. Vreemdelingen dus eigenlijk, die nog geen gelijke rechten hadden gekregen. Het konden kleine boeren en handwerkslieden zijn, maar ook rijke kooplieden. Ze vormden het volk van de tweede rang, het ‘plebs’. Dit woord betekende overigens ge­woon ‘menigte’.

Tuniek met purperen rand
.
Uit hoofde van hun afkomst waren de patriciërs degenen die in de staat de leiding gaven. De senatoren, de consuls en alle andere ambtenaren werden uit hun midden gekozen. Zij waren trouwens verantwoordelijk geweest voor het afzetten van de laatste koning. En omdat dit in Rome als een heroïsche daad gold, die een nieuw en verlicht tijdperk had ge­opend, konden de patriciërs zich er nog altijd op beroemen. Het kiessysteem dat alleen voor de patriciërs gold, was gewoon een uit­vloeisel van de macht die de patriciërs bijna als vanzelfsprekend schenen te bezitten. Hun sterkste bolwerk was -en bleef voorlopig – de Senaat. Deze Raad van Ouderen werd samengesteld uit oud-consuls, en vanaf de le eeuw v. Chr. uit alle oud-magistra­ten. Er waren 300 senatoren. Het ge­tal zou later stijgen tot 600, en zelfs tot 900. Als ereteken hadden ze een purperen rand langs hun tuniek. Bo­vendien droegen ze een gouden ring en speciale schoenen van zwart en rood leer. Die tuniek was een
kle­dingstuk dat ze onder hun toga droe­gen. De toga was trouwens ook van een purperen rand voorzien, maar dat gold voor de toga’s van alle hoge­re ambtenaren.

De Raad der Koningen
.
Vergaderingen van de Senaat verlie­pen over het algemeen als volgt. De voorzitter, meestal één van de con­suls, deed een voorstel. Of hij legde een probleem voor. Of hij bracht rap­port uit over een politieke situatie. Daarna mochten de senatoren, in volgorde van hun waardigheid, hun mening zeggen over de onderhavige kwestie. Als er gestemd moest wor­den, ging dat niet met papiertjes of door handopsteken. De senatoren stonden dan op van hun plaats en be­gaven zich naar degene wiens mening ze deelden. In de vergaderzaal van de Senaat is honderden jaren lang over de wereldpolitiek beslist. Soms ge­beurde dat op indrukwekkende wijze, met prachtige redevoeringen zoals die van Cicero. Buitenlandse bezoekers waren zó onder de indruk van de senatoren dat zij spraken van ‘de Raad der Koningen’. Waarmee ze wilden zeggen, dat de macht van de senato­ren gelijk was aan die van een ko­ning.

Tot in alle uithoeken van de antieke wereld, tot op alle plaatsen waar de Romeinse invloed reikte, werd de for­mule ‘SPQR’ in metaal gegoten en in steen gebeiteld. We kunnen de letters nog steeds lezen op talrijke monu­menten en we vinden ze ook herhaal­delijk terug op archeologische voor­werpen. Eens duidden ze net zo’n macht aan als tegenwoordig de letters ‘USA’ en ‘USSR’. Ze waren de af­korting van ‘Senatus Populusque Ro­manus’ of wel ‘Senaat en Volk van Rome’. Dus zelfs in de officiële bena­ming van de Romeinse staat werd de Senaat genoemd!

Wanneer werd je wat
.
Er was een vastgestelde volgorde in de ambten die je achtereenvolgens mocht bekleden: quaestor, aedilis, praetor, consul. Je moest 30 jaar zijn om quaestor te kunnen worden. En er moesten steeds twee jaar verlopen vóór je de volgende functie kon krijgen. Dit hield dus in dat je geen consul werd voor je 43e jaar.

Stemmen in Rome
.
Vóór de centurie in de volksvergade­ring zijn stem uitbracht namens een he­le groep burgers, moesten die burgers apart stemmen. Hoe ging dat? De stemgerechtigde stak een ‘stembriefje’ in een urn. Als het een verkiezing be­trof, schreef hij gewoon de naam van zijn kandidaat op. Bij een wetsvoorstel schreef hij V (voor) of A (anti = te­gen).

Met de censoren valt niet te spotten
.
Aulus Gellius vertelt een voorval waaruit de macht van de censoren blijkt:
Twee censoren inspecteerden de ruite­rij en ontdekten een heel mager ver­waarloosd paard met een dikke en blo­zende eigenaar. ‘Waarom zie je er zo­veel beter uit dan je paard?’ vroegen ze. De man antwoordde lachend: ‘Om­dat ik voor mezelf zorg, terwijl mijn paard verzorgd wordt door mijn slaaf Statius.’ De censoren vonden dit een onbeleefd antwoord en degradeerden de man naar de laagste bevolkingsklas­se’.

Een boete voor het gapen
.
‘Op een dag was men aan het overleg­gen of een burger die gedurende een zitting van de censoren lang en luid­ruchtig gegaapt had, een boete moest krijgen. Hij ontkwam hier maar net aan, door te zweren dat hij er niets aan kon doen en dat het een familiekwaal was’.
Aulus Gellius, Romeins schrijver uit de 2e eeuw na Chr.

Patriciërs contra plebejers

Het leger werd te klein
.
In de koningstijd en in de eerste jaren van de Romeinse republiek was het oorlogvoeren helemaal een aangele­genheid van de adel, van de patri­ciërs. Maar toen Rome groter en gro­ter werd en er bijna voortdurend oor­log gevoerd werd, bleek dat het adelsleger eigenlijk te klein was. De patriciërs konden toen moeilijk an­ders doen dan de plebejers om hulp vragen. Steeds meer plebejers gingen in militaire dienst, wat hun een zekere belangrijkheid verleende. En natuur­lijk vochten de plebejers niet voor niets, al probeerden de patriciërs er vaak met een koopje vanaf te komen. Over dit laatste schreef Livius, dat de plebejers vaak klaagden ‘dat hun lot was te strijden voor de vrijheid en de heerschappij van Rome, maar in Ro­me door medeburgers te worden ge­knecht en onderdrukt’. Maar dat vele plebejers wisten te pro­fiteren van de vraag naar soldaten, blijkt uit het feit dat steeds meer van hen bezittingen verwierven: ze lieten zich betalen met krijgsbuit, zoals lan­derijen. Er waren ook plebejers die zich voor andere diensten aan de pa­triciërs goed lieten betalen. Som­migen ook werden rijk door de han­del. Zo werden de plebejers langzaam maar zeker belangrijker. En daarmee groeide ook hun besef dat het on­rechtvaardig was dat ze als tweede­rangs burgers werden beschouwd en behandeld.

Volksoproer
.
‘Op een dag’, schrijft Livius, ‘ge­beurde het in Rome, dat een oude man zich het Forum opsleepte, die er erbarmelijk uitzag. Zijn kleren waren overdekt met vuil; nog vreselijker zag zijn bleke, uitgemergelde lichaam er uit. Een lange baard en lange losse haren gaven aan zijn gezicht een wil­de aanblik. Ondanks zijn vervallen uiterlijk werd hij herkend; men zei dat hij onderofficier was geweest en dappere daden had verricht. Zelf ontblootte hij met trots zijn borst en toonde zijn littekens, die van vele eer­volle gevechten getuigden. Hij vertel­de dat hij in de oorlogen had gediend, dat zijn hoeve was verbrand en zijn vee door de vijand was weggedreven, dat hij leningen had moeten aangaan, die door rente op rente nog hoger wa­ren geworden, zodat zij de rest van zijn vermogen hadden opgeslokt. Ten slotte had een verterende ziekte zijn lichaam aangetast. Zijn schuldeisers hadden hem toen naar een tuchthuis gebracht, waar hij dwangarbeid moest verrichten. Nu toonde hij zijn rug, die misvormd was door de spo­ren van geselslagen. Toen de mensen dat zagen, ging er een kreet van af­schuw op. Heel de stad werd on­rustig. Allen die door een schuld in moeilijkheden waren, stroomden de straat op en smeekten hun medebur­gers om hulp. Toen het zover was, kwamen Latijnse ruiters Rome binnengalopperen met de tijding dat het buurvolk der Volsken naar de stad oprukte’.

De uittocht naar de Heilige Berg
.
Massaal dreigden de plebejers niet te helpen in de strijd tegen de Volsken. Als Rome z’n soldaten zo slecht be­handelde, moest het maar ten ondergaan. Prompt beloofden de patriciërs dat ze de plebejers eerlijker zouden behandelen. De plebejers, hierdoor gekalmeerd, trokken braaf ten strijde en versloegen de Volsken. Maar bij hun terugkomst bleek dat de patri­ciërs zich niet aan het gegeven woord hielden. Dit herhaalde zich nog een paar keer. Ten slotte’, vertelt Livius, ‘was het geduld van de plebejers vol­komen uitgeput. Ze trokken uit Ro­me naar de Heilige Berg en verschansten zich daar in een kamp’.
Dit gebeurde in 494 v. Chr. Je zou het een soort staking kunnen noemen. Een staking van de soldaten. De pa­triciërs raakten geheel in paniek, om­dat Rome nog door verscheidene vijanden bedreigd werd. En om hun sol­daten terug te krijgen, beperkten ze zich nu niet tot beloften, maar voer­den een aantal werkelijke verbeterin­gen in. Ten eerste scholden ze aan de armste plebejers hun schulden kwijt. En omdat de reeds bestaande volks­vertegenwoordiging in feite alleen een aangelegenheid van de patriciërs was, stonden ze de plebejers een eigen volksvergadering toe. Daarin zouden dezen hun eigen magistraten mogen kiezen: de volkstribunen. Dit ambt moest de plebejers bescher­men tegen willekeur van patricische magistraten. Tot welke maatregel er ook tegen een plebejer besloten werd, de volkstribuun mocht altijd ‘Veto’ zeggen: ‘Ik verbied’. Hij was on­schendbaar, wat inhield dat men zich onder ede verplichtte hem te bescher­men tegen alle krenkingen en aansla­gen. Zijn hulp kon natuurlijk op ieder ogenblik nodig zijn, en daarom stond zijn huis dag en nacht open.

Tien Mannen en Twaalf Tafelen
.
Het woord ‘tribuun’ is afgeleid van ‘tribus’ of volkswijk (district). Iedere wijk koos zijn eigen vertegenwoordi­ger, zijn eigen tribuun. De oorsprong van de tribunen moeten we zoeken in het feit dat de plebejers districtsgewijs werden opgeroepen voor militai­re dienst. De eerste tribunen waren vermoedelijk de bevelhebbers van de plebejische troepen. Aanvankelijk werden jaarlijks vier tribunen geko­zen, later steeg het aantal tot tien. Door hun vetorecht waren de volks­tribunen even machtig als de consuls. Terwijl de consuls konden gebieden, konden de volkstribunen verbieden. De een had positieve macht, de ander negatieve. En deze twee dingen wo­gen tegen elkaar op. Eindelijk werd Rome dus toch een beetje democra­tisch. Maar zolang er geen geschreven wetten bestonden en de patricische magistraten nog steeds volgens de ou­de gewoonten vonnisten, konden de plebejers zich niet geheel veilig en rechtvaardig behandeld voelen.
De volgende eis van het volk was dan ook dat er een wetboek zou komen. Na een jarenlange politieke strijd werd die eis in 451 v. Chr. ingewil­ligd. Een commissie – de Tien Man­nen – werd aangewezen om de wetten op te stellen. En voor dat jaar be­noemde men geen andere magistra­ten. Toen de wetten waren opgesteld en door de volksvertegenwoordiging bekrachtigd, werden ze op 12 bronzen platen, de Twaalf Tafelen, opgetekend. Ze vormen de basis van het Romeinse Recht, dat zo goed in elkaar bleek te zitten dat de hele Westerse wereld zich er later op zou baseren bij het maken van zijn eigen wetboeken. Iedere tegenwoordige student in de rechten begint zij studie dan ook met colleges Romeins Recht.
Er bleef nog één ding over dat de plebejers moesten verkrijgen: politieke gelijkheid, dus het recht om ook tot magistraat verkozen te kunnen worden. Ze zouden er een harde dobber aan hebben om dit recht te verwerven. Op alle mogelijke manieren probeerden de patriciërs de magistratuur voor zichzelf te houden. Iedere keer als de hervorming doorgevoerd zou worden, hadden ze weer een ander smoesje om de zaak uit te stellen. Desnoods kochten ze zelfs een vogel­wichelaar om, die dan verklaarde dat ‘de voortekenen ongunstig waren’. Niet voor het eerst in de geschiedenis diende het geloof de machthebbers! Het is zelfs gebeurd dat de Senaats­partij de benoeming van een haar on­sympathieke legeraanvoerder nietig verklaarde op grond van het feit dat er bij die gelegenheid een muis ge­piept had… De strijd tussen de patri­ciërs en de plebejers duurde eigenlijk de hele 5e en 4e eeuw. Pas tegen het jaar 360 v. Chr. gingen de patriciërs toegeven en werd het gewoonte dat één van beide consuls uit de kringen der plebejers kwam. Omdat de Senaat was samengesteld uit oud-consuls, werd de Senaat nu dus ook toegankelijk voor de plebe­jers. Voortaan konden dezen alle ho­ge ambten bekleden.

De held Coriolanus

Cnaeus Marcius was een held in de strijd tegen de Volsken. Dankzij zijn moed werd de stad Corioli veroverd. Daarom kreeg hij de bijnaam Coriola­nus.
Het lag voor de hand dat hij nu ook tot consul zou worden gekozen. Maar hij was een uitzonderlijk trotse patriciër, die niets wilde weten van meer macht voor de plebejers. Het volk koos om deze reden een ander tot consul. Kort hierna kwam een voorraad graan in de havenstad Ostia aan. De senatoren wil­den het graan gratis uitdelen onder het volk. Coriolanus maakte daar echter bezwaren tegen. Hij vond dat de plebe­jers niet zo verwend moesten worden. ‘Geef hun het graan uitsluitend op de voorwaarde dat ze afstand doen van hun volkstribunen,’ zei hij. Toen het volk hiervan hoorde, daagde het Cori­olanus voor het gerecht. Hij weigerde te verschijnen: een patriciër hoefde geen verantwoording af te leggen te­genover plebejers! Maar of hij nu ver­scheen of niet, het gerecht verbande hem uit de stad!

De ledematen en de maag
.
Toen de plebejers zich op de Heilige Berg hadden teruggetrokken, kwam de patriciër Menenius Agrippa naar hen toe om te onderhandelen. Hij begon met een gelijkenis te vertellen: ‘In de tijd dat er nog geen eensgezind­heid binnen het menselijk lichaam bestond, waren de ledematen veront­waardigd dat al hun inspanningen er alleen maar toe dienden de maag lek­ker te laten genieten. Ze smeedden een complot: de armen beloofden dat ze het voedsel niet meer naar de mond zouden brengen, de kaken beloofden dat ze het niet meer zouden kauwen, enzovoort. Welnu, het gevolg was dat het hele lichaam in verval raakte! De ledematen zagen toen in dat de maag wel degelijk z’n nut had en dat hij, be­halve zelf gevoed te worden, op zijn beurt ook de ledematen voedde. Zo moesten de plebejers’, besloot Meneni­us Agrippa, ook inzien dat ze niet zonder de patriciërs konden’.

.

toneelstukken

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

.

698-638

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -biografieën – Peter de Grote

.

DE “ECHTE” TSAAR
.

De huidige* machthebbers in Rusland koesteren een buiten­sporige bewondering voor tsaar Peter de Grote. Zij noemen hem “de echte”. Ze stellen hem bijna op één lijn met Lenin. De redenen zijn duidelijk. Peter maakte Rusland, dat door West-Europa veracht en als minderwaardig beschouwd werd, tot een krachtige militaire mogendheid. Hij versloeg het Westen door Rusland een westerse beschaving op te dringen — en hij deed het alleen, dwars tegen alle gezapige traagheid en heftige tegenstand in.

De tsaren vóór Peter hadden zwakke pogingen gedaan om van West-Europa te leren. Er waren wat beroepssoldaten en technici binnengehaald. Maar zij werden afgezonderd in een kleine voor­stad van Moskou en mochten slechts weinig contact hebben met de Russen. Peter bracht een groot deel van zijn jongelingsjaren door in deze buitenlandse voorstad. Een Zwitserse avonturier, François Lefort, en een Schot, Patrick Gordon, behoorden tot zijn beste vrienden. Wat zij hem over het Westen vertelden wekte bij hem een intense nieuwsgierigheid — hij wilde meer weten.
Toen hij zelf de regering in handen kreeg stelde hij zich als eerste doel “vensters op de wereld” te krijgen. Er waren twee mogelijkheden: de Oostzee en de Zwarte Zee. De Oostzeekust was in handen van Zweden, de grote staat in het Noorden, met veel invloed in alle Europese aangelegenheden; de Zwarte Zee behoorde aan de Turken toe.
De tsaar was al jarenlang zeer geïnteresseerd in de scheepsbouw en de scheepvaart, en ten einde de Turken te kunnen aanvallen besloot hij een vloot te bouwen, de eerste in Ruslands geschiedenis. Onmiddellijk werden er horden werklieden zonder veel omslag de wouden langs de Don ingestuurd om het benodigde hout te hakken, en scheepsbouwers werkten dag en nacht. Peter werkte zelf mee, hij was de ijverigste scheepsbouwer van allemaal. Er werden tien­tallen kleine oorlogsschepen gebouwd.

Peter viel nu de Turkse havenstad Azof over land en over zee aan. Hij voerde het bevel over de vloot vanaf een galei dat hij zelf gebouwd had. Hij wist Azof een tijdlang te bezetten maar het avontuur bracht de zwakheid van Rusland aan het licht: de troepen waren slecht geoefend; de verbindingen waren abomi­nabel; er stond geen doeltreffende industriële productie achter het leger. Peter besloot een nieuw Rusland te maken naar het model van het Westen; hij zou naar West-Europa gaan om de militaire en industriële technieken daar te leren.

De delegatie die in maart 1697 uit Moskou vertrok was een vreemd uitziend gezelschap. De hooggeplaatste afgezanten, aan­gevoerd door Lefort, droegen schitterende oosterse gewaden en zoveel juwelen als ze maar konden plaatsen. Iedere afgezant had een gevolg van dienaren, en voorts clowns, dwergen en hans­worsten, alles bij elkaar zo’n 270 mensen. Een van de leiders, die zich Peter Mikhailow noemde, was eenvoudig gekleed en droeg geen juwelen. De tsaar had besloten incognito te gaan.

Om de scheepsbouw te leren ging Peter naar de kleine Neder­landse havenstad Zaandam. Hier leefde hij als een gewoon werk­man, hij sliep in een huisje waar hij zijn eigen potje kookte, en stond bij het aanbreken van de dag op om te gaan werken bij de werven. Tijdens bezoeken aan andere delen van Nederland steeds met een notitieboekje in de hand — inspecteerde hij hout­zaagmolens, korenmolens en allerlei fabrieken, waarbij hij voort­durend vragen stelde. En overal waar hij kwam nam hij technici en handwerkslieden aan — en stuurde ze ook naar Rusland met de belofte van een goed loon.

Zijn weetgierigheid strekte zich ook uit naar de geneeskunde en de chirurgie. In Amsterdam zag hij toevallig eens een tandarts aan het werk. In Rusland kende men geen tandartsen. Peter nam de man mee naar zijn kamers, leerde hoe hij zijn gereedschappen moest gebruiken, en kocht ze van hem. Dagen achtereen oefende hij op de leden van zijn gevolg, waarbij hij zonder onderscheid gezonde en rotte kiezen trok.

De delegatie reisde verder naar Engeland. Een waarnemer heeft beschreven hoe de Russen door de straten van Londen liepen en “kwistig parels en ongedierte verspreidden.” In Deptford hervatte Peter zijn studie van de scheepsbouw.

Toen hij naar het vasteland van Europa terugkeerde, begon Peter zijn studie te beperken tot zaken van praktische aard — vervoermiddelen, mijnbouw, fabricagemethoden, militaire op­leiding. Hij had weinig belangstelling voor cultuur. Ondertussen had hij van een barbaarse methode gehoord om misdadigers te executeren — radbraken. Hij vroeg het eens te mogen zien. Toen men hem zei dat er geen misdadiger beschikbaar was die zo’n straf verdiende, werd hij ongeduldig. “Waarom maakt u zich zo druk om een mensenleven?” vroeg hij. “Neem maar een van mijn bedienden.”

De tsaar was nu gereed om een geheel nieuw Rusland te maken. Hij probeerde het uiterlijk van zijn volk te verwestersen door hun oude klederdrachten en hun baarden en snorren te verbieden; op een avond joeg hij de voornaamste edellieden de schrik op het lijf door hen te grijpen en zelf hun baard af te knippen. Hij probeerde zelfs de tafelmanieren te veranderen. Hij liet boeken over etiquette rondgaan waarin de Russen verteld werd dat ze geen botten meer mochten afkluiven als ze aan tafel zaten en niet op de vloer mochten spuwen en dat ze binnenshuis geen hoed moesten dragen.

Hij begon een nieuw economisch systeem in te voeren: een productievere industrie en verbeterde landbouw. Rusland werd afgezocht naar kolen- en ijzerertslagen. Het vervoer werd sterk verbeterd door de aanleg van verbindingskanalen. Nieuwe soorten vee werden ingevoerd en de schapenteelt werd bevorderd.

Het doel van de hervormingen was militaire macht — een modern beroepsleger op westerse wijze geoefend en gebaseerd op een stelsel van algemene dienstplicht. Geen enkele van Peters hervormingen had de bedoeling het lot van zijn volk te verbeteren. Dat gold voor alle standen. De oude adel werd beroofd van zijn onafhankelijkheid. Ze werd verdrongen door grote aantallen nieuwe edelen die door Peter in de adelstand waren verheven. De kerk die vroeger een grote onafhankelijkheid had, werd volledig onder het gezag van de tsaar gebracht. Zelfs de nieuwe industriëlen wonnen er niet veel bij. De winsten werden afgeroomd door nieuwe en vernuftige belastingmethoden. Het ergst van alles was het lot van het volk. Voordat Peter aan de regering kwam waren sommige kleine boeren lijfeigenen, anderen waren betrekkelijk vrije
land­eigenaren. Peter maakte er allemaal lijfeigenen van, aan wie het op gevaar van strenge straffen verboden was bij hun eigenaar weg te lopen. Ze werden gebracht waar ze het meest nodig waren. Men kwam aan arbeidskrachten voor de nieuwe fabrieken door een verplichte arbeidsdienst voor lijfeigenen.

Vele jaren lang, terwijl Peter zijn strijdmacht opbouwde, werd Karel van Zweden elders in Europa beziggehouden. Vandaar dat Peter naar de Oostzee begon op te dringen. Ten slotte kreeg hij vaste voet aan de kust, waar de Newa uitmondt. Nu kon Peter het plan ten uitvoer brengen dat hij al zo lang gekoesterd had. Voor hem was Moskou, de hoofdstad van het oude Rusland, een sta-in-de-weg voor het nieuwe. Hij wilde een nieuwe, moderne hoofdstad bouwen, een zeehaven met het gezicht naar het Westen in plaats van het Oosten.

Hij bouwde Sint Petersburg, dat tegenwoordig Leningrad heet. Het was een ongelooflijke prestatie. Voordat de funderingen konden worden gelegd, moesten er honderdduizenden palen geslagen worden in de moerassen langs de oevers van de Newa. Er was weinig gereedschap beschikbaar, maar er waren
arbeids­krachten in overvloed. Peters lijfeigenen groeven in de modder met stokken en hun blote handen. Ze werden opgejaagd met de zweep — door de snikhete zomer en de bitterkoude winter. Soms hanteerde Peter zelf de knoet. Volgens de verhalen zijn er bij de bouw van de stad 200 000 mensen omgekomen.

Eindelijk kwam de krachtmeting met Karel en Zweden. De laatste veldtocht tijdens de barre winter van 1708 lijkt op die waarin later Napoleon en Hitler verslagen werden in Rusland. Peters leger trok terug voor Karel, en ontweek de strijd. De Russen verwoestten het land tijdens hun terugtocht. De Zweden stierven van honger en koude; tegen het voorjaar was er nog maar een schaduw van het leger over. In de slag bij Poltawa verpletterde Peter hen volkomen. Bij de Vrede van Nystadt in 1721 kreeg hij de Oostzeekust van Finland tot aan de rivier de Njemen in het tegen­woordige Polen vast in handen.

In zijn laatste jaren leefde Peter aan de grens van krankzinnig­heid, misschien overschreed hij die grens wel. Vroeger had hij wreedheden bedreven met een bepaald doel; nu deed hij het om de wreedheid zelf. Hij liet vrouwen en priesters afranselen, martelen en ombrengen — zonder enige reden. Hij wantrouwde iedereen. Er ging een golf van haat tegen hem over Rusland en er werden vele aanslagen op zijn leven gepleegd.

Peter stier fin 1725 op 52-jarige leeftijd. Op eigen kracht had hij Rusland tot een nieuwe natie gemaakt, sterk in de oorlog, een machtige agressor. Hij had zichzelf absoluut dictator gemaakt.

Maar het valt te betwijfelen of zijn leven iets had bijgedragen tot het geluk van enig levend mens op aarde.
*geschreven rond 1960

697-637

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas – Rome (3-1)

.

Rome gesticht en vervloekt

Beter zonder vrouw

De zangers die door de antieke wereld trokken, vertelden een sage over de held Aeneas. Hij was een prins die de Dardaners aanvoerde, een volksstam in de buurt van de Klein Aziatische stad Troje. En niet alleen een prins, ook een halfgod! Zijn vader was Anchises, zijn moeder niemand minder dan de godin van de liefde Afrodite. Tien jaar woedde er een oorlog om Troje. De Grieken probeerden de stad in te nemen, de Trojanen verde­digden zich uit alle macht. Er kwam een eind aan het uitzichtloze beleg, toen de Grieken de list met het ‘Paard van Troje’ bedachten en zo binnen de muren geraakten. Terwijl de stad door de belegeraars in brand werd gestoken, wist Aeneas te ontkomen. Hij droeg zijn oude vader op zijn rug en hij had zijn zoontje Julus aan de hand. Zijn vrouw volgde hem. Maar toen hij buiten de poort kwam, was hij zijn vrouw kwijt! Ontzet keek hij om zich heen en ging naar haar op zoek in de brandende stad. Toen hij haar vond was ze dood. Plotseling hoorde hij echter de stem van zijn moeder Afrodite, die hem zei dat hij weg moest uit Troje, maar dat zij hem zou helpen. Aeneas gehoor­zaamde.

6e klas Rome 1

Met een aantal mannen, vrouwen en kinderen dat eveneens ontkomen was, scheepte Aeneas zich in. Het groepje ging op zoek naar een nieuw vaderland. Na vele omzwervingen be­landde het gezelschap op Kreta, waar het gastvrij ontvangen werd. Er brak echter een periode van grote droogte aan, met rampzalige gevolgen. In een droom werd aan Aeneas verkondigd dat hij verder naar het westen moest zeilen om daar, aan het onbekende deel van de Middellandse Zee een stad te stichten. De stad zou machtig worden en op een dag de Trojanen wreken door de Grieken te verslaan!

Een roemrijke toekomst

Opnieuw gaf Aeneas gehoor aan het bevel van de goden; hij stak in zee en voer westwaarts. Het werd een lange reis met veel avonturen en ontberin­gen. Velen overleefden de tocht niet, want vlak voor de Afrikaanse kust kwamen de schepen in een storm te­recht en een aantal verging. Met slechts een klein restje van zijn volge­lingen kwam Aeneas ergens aan land. Moedeloos zaten de schipbreukelingen bijeen en treurden over de verlo­ren kameraden. Maar toen stond Aeneas op en sprak: ‘Vrienden, jullie hebben reeds erger beproevingen doorgemaakt. Ook aan deze ellende zal de godheid een einde maken. La­ten we moed houden en ons bewaren voor tijden van voorspoed, die zeker ook weer zullen komen. Heus, er zal weer een tijd komen, waarin we het nu doorstane leed feestelijk zullen herdenken. Door alle beproevingen heen streven wij naar het land, waar de goden ons een roemrijke toekomst beloven.’ Daarop ging hij, vergezeld van een schildknaap, op verkenning uit. Ze bleken dicht bij een stad te zijn. Een jageres vertelde aan de mannen dat die stad Carthago heette en dat er de koningin Dido heerste. Ook kregen ze te horen dat ze er waarschijnlijk welkom zouden zijn.

Uit de dood herrezen

Bemoedigd zetten de twee hun tocht voort en gingen de stad binnen, waar juist markt was. Ze schaarden zich bij een grote volksmenigte die om een verhoging stond. Op die verhoging zetelde de koningin Dido; ze gaf raad aan iedereen die erom vroeg. Aeneas was verrast door haar jeugd en haar schoonheid. Maar hij was nog meer verrast toen hij opeens een groepje mannen naar voren zag komen, waarvan de leider zich tot de konin­gin wendde. Dat was de stem van zijn vriend Ilioneus! En die mannen om hem heen waren allemaal doodge­waande Trojanen!
Ilioneus vertelde aan de koningin dat ze onderdanen waren van prins Aene­as en dat ze na een schipbreuk op de kust waren aangespoeld. Helaas had­den ze Aeneas niet onder de overle­venden aangetroffen. Tot overmaat van ramp bleek de bevolking ook nog onvriendelijk tegen hen te zijn. Kon de koningin daar niet iets aan doen? Dido antwoordde dat men het de Carthagers niet kwalijk moest nemen dat ze wat argwanend waren geweest tegen deze plotseling opduikende vreemdelingen. Maar ze voegde eraan toe dat de onderdanen van Aeneas al­leszins welkom waren in haar stad. Wat jammer dat ze Aeneas zelf niet meer kon ontmoeten! Toen hij dit hoorde, trad Aeneas naar voren en zei: ‘Koningin, ik ben Aeneas, en het is kennelijk de wil van de goden dat ik onder uw ogen mijn makkers terug mag zien.’
Er volgden uitbundige omhelzingen van de mannen die van elkaar ge­dacht hadden dat ze dood waren. Ko­ningin Dido nodigde allen uit voor een feestelijke maaltijd in haar paleis.

De plicht gaat voor het meisje

Een zorgeloze tijd brak aan. Aeneas en Dido werden smoorverliefd op el­kaar. Hand in hand wandelden ze on­der de palmen in de paleistuin. En Di­do stelde voor dat Aeneas altijd bij haar zou blijven en koning van Carthago zou worden. Maar dat was niet de bedoeling van de goden. Aeneas moest immers een nieuwe stad stichten. In een droom herinnerde Hermes, de bode van de goden, hem aan zijn opdracht. Het gevolg was dat Aeneas in het geheim voorbereidingen ging treffen voor zijn vertrek. Hij gaf het bevel de schepen zeilree te maken. Van zo’n grote onderneming kon Dido natuur­lijk niet lang onkundig blijven. Ze overlaadde Aeneas met verwijten. Zelfs dreigde ze zelfmoord te plegen als haar minnaar niet bij haar bleef.
Voor Aeneas woog de wens van de goden zwaarder dan de wens van zijn geliefde. Toen de schepen gereed wa­ren voer hij de haven van Carthago uit. Juist op het ogenblik dat ze de havenmond uitvoeren zagen de man­nen een rookpluim opstijgen uit de koninklijke burcht. Een vuur laaide hoog op. Koningin Dido had, onder het voorwendsel een offer te willen brengen, een hoge brandstapel laten oprichten, klom er zelf op en wierp zich in het zwaard van haar geliefde. Vóór zij de dood koos, had ze de ver­trekkende schepen evenwel nog een vervloeking nageroepen: ‘Mogen Carthago en de stad van Aeneas voor altijd vijanden zijn, en mogen ze el­kander beoorlogen en haten!’

Een brug tussen twee legenden

Na een voorspoedige reis kwamen Aeneas en de zijnen bij de Italiaanse westkust aan en volgden deze tot de rivier de Tiber. Ze voeren de rivier een eindje op en bereikten het grond­gebied van koning Latinus. Voorte­kenen hadden al aan Latinus kenbaar gemaakt dat er een vreemde prins zou komen aan wie hij zijn dochter Lavinia zou uithuwelijken. Daarom ont­ving hij Aeneas zeer welwillend. On­gelukkigerwijs was de dochter van Latinus eigenlijk niet meer helemaal beschikbaar. Haar moeder had haar reeds als bruid beloofd aan Turnus, de vorst der Rutuliërs. Er zat voor Aeneas niets anders op dan aan de Rutuliërs de oorlog te verklaren. In een tweegevecht wist hij Turnus te doden. Niets stond zijn huwelijk met Lavinia toen nog in de weg. Hij trouwde en hij stichtte een stad die hij naar zijn vrouw ‘Lavinium’ noemde. Moest de stad niet Rome heten? Nee, want men heeft de legende van Aene­as altijd willen vastknopen aan de le­gende van Romulus die Rome sticht­te. Aeneas kon dus alleen wat voor­bereidend werk doen. Wat daarna volgde, kunnen we zien als een ‘brug’ tussen de twee legenden. Omdat La­vinium een bloeiende stad werd en al gauw overbevolkt raakte, besloot Julus, de zoon van Aeneas, na de dood van zijn vader een nieuwe stad te stichten. Dat werd Alba Longa, de ‘Lange Witte Stad’. Zowel Lavinium als Alba Longa lagen op enkele kilo­meters van de plaats waar later Rome zou ontstaan.

Gooi de baby’s in de Tiber

Vele jaren waren voorbijgegaan. In Alba Longa heerste koning Numitor, de 15e nakomeling van Aeneas. Zijn regering werd ruw onderbroken. Want zijn jongere broer Amulius stootte hem van de troon, doodde zijn zoons en zorgde er ook nog voor dat zijn dochter geen kinderen zou krijgen door een Vestaalse Maagd van haar te maken. De Vestaalse Maagden waren de priesteressen van Vesta, de godin van de huiselijke haard. Zij moesten in hun tempel een eeuwig brandend vuur onderhouden en mochten niet trouwen. Gaven zij zich toch aan een man, dan werden ze levend ingemetseld. Amulius besteeg de troon vanwaar hij Numitor verdreven had. Hij meende niets meer te vrezen te heb­ben. Numitor was weggevlucht, en diens kinderen en kleinkinderen wa­ren ook uitgeschakeld. Maar de goden hadden andere plan­nen. Ze namen er geen genoegen mee dat Numitors dochter, Rea Silvia, geen nakomelingschap zou hebben. Mars, de oorlogsgod, kwam haar be­zoeken… Dit heimelijke bezoek re­sulteerde in de geboorte van een twee­ling, Romulus en Remus. Zodra Amulius van deze geboorte hoorde, liet hij Rea Silvia grijpen om haar te bestraffen. Bovendien gaf hij op­dracht de baby’s in de Tiber te wer­pen.

Weerzien met grootvader

De tweeling verdronk niet. Het mandje waarin de kindertjes lagen, dreef een eind stroomafwaarts en bleef toen in het riet steken. Daar trok een wolvin het mandje op de oever en zoogde de baby’s. Zo vond een herder, Faustulus, hen. Romulus en Remus groeiden op in het gezin van de herder. Maar al gauw onderscheidden ze zich van hun speelkameraden. Ze waren geboren aanvoerders. Weldra hadden ze een soort legertje georganiseerd, waar­mee ze de rovers achtervolgden die vee kwamen stelen. Als ze hun het vee weer hadden afgenomen, gaven ze het terug aan de rechtmatige eige­naar. De rovers vonden het gewoon te gek dat ze zich door een paar jon­gens lieten dwarsbomen. Op een dag pakten ze Remus en voerden hem mee naar de in ballingschap levende koning Numitor. Ze verklaarden dat ze Remus betrapt hadden bij het ste­len van Numitors vee. Gelukkig hechtte de verbannen koning niet veel geloof aan het verhaal. Wel werd hij getroffen door een frappante gelijke­nis tussen de gevangene en zijn doch­ter…

6e klas Rome 2

6e klas Rome 3

meer afbeeldingen

Intussen had ook de herder Faustulus een vermoeden gekregen. Hem be­reikte namelijk het gerucht dat Amu­lius jaren geleden een tweeling van koninklijken bloede uit de weg had proberen te ruimen. Zou het de tweeling zijn die hij, Faustulus, in het wolvennest had gevonden? Hij begaf zich naar Numitor. Er was voor de twee mannen maar een kort gesprek nodig om de zekerheid te krijgen dat Romulus en Remus de verloren kleinzoons van Numitor waren.

De twee broers wilden ook wat

Al het oude zeer werd opgehaald en men besloot Amulius te doden. In het holst van de nacht drongen Romulus en Remus het paleis binnen. Na een korte schermutseling met de lijf­wacht, wisten ze Amulius in zijn slaapvertrek om het leven te brengen. Reeds de volgende dag trok Numitor de stad Alba Longa binnen. Hij werd geestdriftig door de bevolking toege­juicht en hij kon als de wettige ko­ning weer op de troon plaatsnemen. Eind goed, al goed? Niet voor Romu­lus en Remus. Voor hen werd het leven een beetje saai. Ze waren gewend de leider te spelen en nu viel er niets meer te leiden. Daarom namen ze zich voor een nieuwe stad te stichten. Op enkele uren gaans van Alba Longa wisten ze een plaats die daar bij­zonder geschikt voor leek. De Tiber maakte er een grote bocht en in een vruchtbare vlakte lagen zeven heu­vels. Volgens het oude gebruik wer­den eerst de goden geraadpleegd. Waren die de onderneming welge­zind? En moest Romulus of Remus de stichter en eerste koning van de stad worden?

Plagerig

Romulus ging op de heuvel Palatijn staan en Remus op de Aventijn; bei­den tuurden naar een bepaald deel van de hemel om daar voortekenen te ontdekken. Na enige tijd zag Remus zes gieren van rechts zijn stukje hemel binnen­vliegen. Een prachtig voorteken! Jui­chend rende hij naar Romulus. Maar deze ontwaarde op dat ogenblik niet minder dan twaalf gieren, die even­eens van rechts kwamen. Er ontstond grote verwarring. Wie was de ko­ning? Remus, die het eerst een voor­teken had waargenomen? Of Romu­lus, die de meeste gieren had gezien? De twee broers begonnen te bekvech­ten. Uiteindelijk trokken ze zelfs hun zwaard. Er volgde een gevecht, waar­in Remus werd gedood. Volgens een andere versie van de legende was Ro­mulus al bezig met het bouwen van een stadsmuur toen Remus naar hem toekwam. Plagerig sprong Remus over het lage muurtje. Waarop Ro­mulus razend werd en zijn broer doodsloeg onder het uitroepen van de verwensing dat het iedereen zo zou vergaan die het waagde over zijn muur te springen. Zo begon de ge­schiedenis van Rome: met een broe­dermoord.

zie eventueel

6e klas Rome 4
Romes nationale heldendicht

De avonturen van Aeneas vinden we beschreven in Romes nationale
hel­dendicht, de ‘Aeneis’ van Vergilius. Publius Vergilius Maro werd op 15
ok­tober van het jaar 70 v. Chr. geboren in het dorp Andes, in de buurt van Mantua in Noord-Italië. Hij was van eenvoudige afkomst. De eerste 29 jaar van zijn leven bracht hij door met stu­die en werk op de boerderij van zijn ouders. Omdat hun land door de staat onteigend werd, kwam Vergilius op straat te staan. Alleen dankzij de hulp van Maecenas – de spreekwoordelijk geworden beschermer van kunst en kunstenaars – kon hij later weer over een stuk land beschikken en zijn letter­kundige arbeid voortzetten. Toen de schrijver in 19 v. Chr. ziek van een Griekse reis terugkeerde en en­kele dagen later stierf, was zijn hoofd­werk, de ‘Aeneis’, nog niet voor publicatie gereed. Hij wilde dan ook dat het vernietigd zou worden. Maar zijn vrienden gaven het, op verzoek van keizer Augustus, toch uit.

toneelstukken

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas: alle beelden
.

696-636

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas – overzicht (3)

.
6E KLAS GESCHIEDENIS: ALLE ARTIKELEN
.

[1]  vakkenintegratie met het vak Engels
[2-1]  spelletjes in Rome
[2-2] geld in Rome
[3] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 6e klas; overzicht van de lesstof
uitwerking van Lindenberg
[3-1] Rome: Aeneas; Romulus en Remus
[3-2] Democratie of aristocratie; patriciërs en plebejers
[3-3]  Hannibal
[3-4] De Cracchen
[3-5] Julius Caesar
[3-6] Jeruzalem en Rome
[3-7] Volksverhuizing en ondergang Rome
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers
[5-1] Heilige Romeinse Rijk; Otto 1
[5-2] Otto 1
[5-3] Gregorius VI
[6-1] Kruistochten: 1e
[6-2] Kruistochten: de volgende en de gevolgen
[7-1] Monniken en kloosters
[7-2] Adel, boeren, ridderschap
[7-3] Steden
[8-1] Hoe ga je te werk: levendig vertellen
.

Als achtergrond voor het geschiedenisonderwijs kun je niet zonder “Geschichte lehren”  van Christoph Lindenberg:
Daaruit:

6e klas

Het geschiedenisonderwijs in de 6e klas is door de thema’s meteen heel anders dan de lesstof van de 5e klas. De leidende historische persoonlijkheden treden nu veel sterker op de voorgrond als leden van een groep, als exponenten van een sociaal verband. Daarmee hangt samen, dat er heel dikwijls een dualiteit optreedt: twee personen, twee groepen, twee levensopvattingen staan tegenover elkaar en tussen deze groepen speelt de geschiedenis zich af.

In het begin van de Romeinse geschiedenis
[3-1Romulus en Remus

In de tijd van klassenstrijd:
[3-2] patriciërs en plebejers

In de strijd om de wereldheerschappij:  
[3-3] Rome en Carthago
[3-4de Gracchen**
[3-5Julius Caesar**
[3-6] Jeruzalem en Rome**
[3-7] Volkverhuizing en ondergang **
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3] Karel de Grote

In de middeleeuwen:  
[4-1] Mohammed**
Arabieren
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote**
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers
[5-1] Keizer en Paus

monniken en ridders

Daarmee komt de geschiedenis uit de hoge sferen van cultuurstichting in het bereik van de menselijke uiteenzetting. Dit principe, dat is zeker zo, kun je niet absoluut stellen, maar je kan desondanks bedenken dat zelfs de nu nieuw optredende religie van het christendom betrokken raakt in deze uiteenzetting: alleen al de geschiedenis van de apostelen vermeldt meningsverschillen die later in een dogmastrijd en in de uiteenzetting tussen Rome en Byzantium hun voortzetting vinden.
In dit alles wordt het dialectische principe van de verstandsziel zichtbaar.

De leerkracht moet met het oog op de veelheid van de stof ook zijn eigen verstandsziel goed gebruiken en beslissingen nemen: wat wil je behandelen van deze veelheid aan stof, wat laat je weg.

De thematiek van de 6e klas vraagt meer dan sommige van de andere klassen om een plan, waaraan je je heel precies moet houden, want aan het einde van de 2e geschiedenisperiode moet je bij 1400 zijn aangekomen. In geen geval mogen de thema’s van de 6e klas in de 7e terechtkomen. Het gevaar is steeds, dat je aan het begin van een nieuw klassenjaar, net zoals aan het begin van een nieuwe periode episch breed begint om daarna verbaasd vast te stellen, dat je maar de helft van de hoeveelheid hebt gedaan.

Wanneer je bij jezelf te rade gaat hoe de 2 perioden te verdelen, lijkt het zinvol je in de 1e periode te beperken tot de geschiedenis van het Romeinse Rijk, het begin van het christendom en de volksverhuizingen: een ongelooflijk omvangrijk programma.
De 2e periode bestaat dan uit islam en de Arabieren als begin en loopt dan via Karel de Grote naar het ontstaan van het Duitse Rijk tot in de hoge middeleeuwen.

Als mogelijkheid je te oriënteren zal hier bij wijze van uitzondering een tijdsplan voor beide perioden voorgesteld worden.

1e  periode
1e week:
In de eerste drie dagen het ontstaan van Rome  en de 7 koningen tot 510, in de drie volgende dagen de strijd tussen patriciërs en plebejers en hoe door die strijd het recht en de wetgeving ontstaat [3-2]

2e week: De strijd tussen Rome en Carthago (Hannibal en
Scipio), [3-3]de Gracchen en de strijd voor de sociale hervorming [3-4], Caesar als voorbeeld voor het begin van een nieuwe heerschappij [3-5].

3e week: Paulus  en de uitbreiding van het Christendom in het Romeinse Rijk, Paulus in Rome. [3-6]
De laatste 3 dagen: Hunnen en Goten in de volksverhuizing, [3-7]
Ondergang van het Romeinse Rijk [3-7]

2e periode
1e week:
1e helft: Mohammed en de islam tot de verovering van Spanje door
Tarik.
2e helft: Karl Martel en de Franken. Karel de Grote en de vernieuwing van het R.R.
2e week:
Ontstaan Duitse Rijk: Hendrik I. en Otto I., kloostercultuurhervorming van Cluny en begin van de strijd tussen keizer en paus.
3e week:
kruistochten, ridderschap ridderorden, ontmoeting Oost/West
Frederik II en het begin van de stadscultuur. Poging tot samenvatting: verplaatsing van de cultuur van rondom de Middellandse Zee naar het noorden van Europa

Om dit voorstel meteen wat te relativeren en het niet een verplicht nummer te laten lijken, moet gezegd worden, dat je je best een leerkracht kan voorstellen die zegt: ‘De strijd tussen Rome en Carthago, de Gracchen en de sociale reformatie laat ik weg; ik vind het belangrijker dat ik bv. in de middeleeuwen de Franciscaner monniken en de Hanze behandel. Deze beslissing die bv. in Bremen, Hamburg en Lübeck bijna niet te vermijden is, kun je alleen maar toejuichen.
Waar het enkel en alleen op aankomt is dat de leerkracht voor het begin van zijn geschiedenisperioden een echt plan maakt en er alles aan doet zo economisch mogelijk les te geven; dat hij het uitvoert.

Met de voorgeschiedenis van de stichting van Rome kom je nog één keer aan het begin van de 6e klas in de sfeer van de sage. De geschiedenis van Rome verschijnt tegen de achtergrond van de mythe, die in de sage van de goddelijke afkomst van de tweeling, in de strijd tussen die twee, in de gedaante van de wolvin aangeduid wordt.
Van betekenis is de moord op Remus die de wet van de heilige muur aan zijn laars lapt. De pas gestichte stad wordt een vrijplaats voor het op drift geraakte volk uit de omgeving. Deze stad kan slechts door strijd en roof groot worden. Nu laat de sage van de 7 koningen met name in de figuur van Numa Pompilius, maar ook in die van Ancus Martius zien met welke middelen het leven van de gemeenschap op orde wordt gebracht.

Het ordenen van de rechtsverhoudingen is dan ook hét thema van de geschiedenis van de vroege Romeinse republiek. In plaats van een koning komen er twee consuls die zich beraden, elk heeft het recht van tegenspraak. Aan de hand van de standenstrijd kan dan de regeling van eenvoudige sociale verhoudingen beschreven worden, omdat hier problemen, posities en oplossingen helder en eenvoudig zijn: het ontstaan van het plebs als een eedgenootschap (coniuratio, samenzwering), het vertrekken naar de heilige berg, de missie van Menenius Agrippa en zijn beroemde fabel van de ledematen die weigeren nog langer de maag te dienen en tot slot het compromis met de 10 volkstribunen die ook allemaal het vetorecht krijgen
Op dezelfde manier gaat het met de twaalftafelenwet: de publicatie van het recht maakt rechtsgelijkheid mogelijk, vanaf 367 kunnen de plebejers consul worden, vanaf 300 priester, vanaf 287 zijn de besluiten van het volk (plebiscita) bindend voor heel het volk.
Net zo duidelijk kunnen voor een 6e klas de wetsbepalingen zijn die tot uitdrukking komen in de loopbaan van de ambten (cursus honorum) en in de principes van collegialiteit en annuïteit, alsmede in het instituut van de censor: dat het hoogste staatsambt alleen toegankelijk was na gebleken kwaliteit als questor, edil en pretor; dat een censor de uitvoering van het ambt controleerde, dat ieder ambt – tot en met dat van de dictator wiens tijd een half jaar (een veldtocht van één zomer) duurde – begrensd was tot op een jaar, dat ieder ambt tenminste door 2 burgers werd bemand om machtsconcentratie tegen te gaan: dat alles is zo duidelijk dat het iedere leerling diep tevreden kan stellen.

Een tweede deel zou het thema kunnen hebben: de Romeinse deugden scheppen een wereldrijk en het wereldrijk richt de Romeinse deugden ten gronde. Hier zou je intensief het cultuurhistorische aspect kunnen belichten: het landbouwvolk van de Romeinen komt in oorlog met de handelsmacht Carthago. Als Rome wint, verandert de stad. De lemen hutten maken plaats voor grotere huizen, straten worden geplaveid, Griekse cultuur komt  met Griekse slaven mee de stad in, de landbouwcultuur verdwijnt en daarmee de Romeinse krijgsman die huis en haard verdedigt. In plaats daarvan komt de soldaat, die aangewezen is op soldij en buit. In de flatgebouwen huizen nu mensen die van olie- en graangiften leven, die in het circus strijd willen zien. In de figuur en het leven van Caesar kan het culturele en politieke toneel van de wereldstad Rome geschetst worden. Rome wordt tot het middelpunt van een goed georganiseerd wereldrijk, een periode van 200 jaar vrede en welvaart breekt aan, de binnenstad van Rome wordt met marmer geplaveid, de straten overdekt, aquaducten leiden vers water uit de bergen de stad in, in de thermen baden de rijken, de armen worden met gladiatorenstrijd tevreden gehouden. Het Romeinse is verloren gegaan.

De uitbreiding van het christendom is voor heel de geschiedenis die volgt van de allergrootste betekenis; daarom moet die een plaats krijgen in het geschiedenisonderwijs.
In de figuur van de apostel Paulus komen op een unieke manier samen drie bepaalde aspecten van de wereld van toen: het Joodse, het Griekse en het Romeinse die in dienst komen te staan van de christelijke impuls. Van geboorte en religieuze afkomst was Paulus een strenggelovige Jood, wat zijn vorming betreft groeide hij in Tarsus op, beïnvloed door de Griekse geest, tenslotte was hij Romeins burger, die rechtspositie genoten bij lange na niet alle inwoners van Rome. Zijn reizen brachten hem uit Azië naar Europa; hij brengt het jonge christendom uit de kleine Joodse wereld door zijn predikingen in de cultuur van de antieken; hij sticht de gemeenten in Efese, Filippi, Thessaloniki, Athene, Corinthe en ook in Rome.
Nu komt het erop aan te laten zien hoe in het midden van een oude cultuur in de kleinste kringen de kiem voor iets nieuws ontstaat; hoe een mens die door de geest vervuld en van zijn opgave doordrongen gemeenschappen vormt die, ondanks vervolging en verachting de tijd overleven en stand houden in een tijd van ondergang van de uiterlijke beschaving.

Erg moeilijk is het wat er met de volksverhuizingen gebeurt ten tijde van de ondergang van het Romeinse Rijk, aan leerlingen duidelijk te maken. Het is een buitengewoon complex geheel, waarin Germaanse volkeren, Hunnen, Byzantium en Rome verwikkeld zijn en het kan misschien nog het beste aan het lot van de Westgoten duidelijk gemaakt worden, want het lot van de Westgoten voert ons in de tijd van de volksverhuizingen uit het vruchtbare gebied van de Donau tot voor de poort van Byzantium (378), tot aan de verovering en plundering van Rome (410), naar Gallië waar ze deelnemen aan de slag op de Catalaanse velden, tot aan Spanje, waar uiteindelijke het Westgotische rijk ontstaan.
Het eigene van de Germanen kun je het beste karakteriseren door hun manier van leven: de kleine dorpjes, de boerderij, persoonlijke trouw en door de wijze van rechtspraak. In al deze vormen van leven komt de aanspraak op individuele vrijheid naar voren. Vrij sloot de landman zich aan bij de landsheer die hij ook weer kan verlaten; vrij overlegd werd er over het recht en gemeenschappelijke ondernemingen. De vrouw stond bij de Germanen in aanzien, als priesteres kon ze een belangrijke activiteit ontplooien.

De orde van het Romeinse Rijk stort in, in zoverre dat deze al niet ongeschikt tot functioneren was geworden vóór de volksverhuizingen: de verkeerswegen werden onveilig, de handel stortte in, steden liepen leeg, van een staatkundig bestuur kon nauwelijks meer sprake zijn; de stedelijke wereld van de antieken moest plaats maken voor de agrarische maatschappij van de vroege middeleeuwen.

Behandeling van Mohammed en de islam kan vandaag de dag niet achterwege worden gelaten. Hier kun je beginnen met de biografie van Mohammed, zijn visioenen, zijn roeping tot profeet, zijn strijd. Het is dan belangrijk te laten zien dat de islam een heel ander soort religie voorstaat dan het christendom. De islam kent geen sacramenten, geen gewijde priesters, wezenlijk is het onderhouden van de 5 plichten: de erkenning van de enige god en zijn profeet, de mens Mohammed, het vijf maal bidden per dag, het geven van aalmoezen, het vasten overdag in de Ramadanmaand en de pelgrimstocht naar Mekka. De idee van de heilige oorlog (Jihad) maakt de verovering van verdere gebieden door deze godsdienst begrijpelijk.
Een tweede nadruk na de biografie van Mohammed zou op het behandelen van de culturele verworvenheden van het rijk van de kaliefen kunnen liggen, t.t.v. Harun al Raschid, waarbij bv. een ziekenhuis in Bagdad behandeld kan worden. Belangrijk en indrukwekkend is een blik in de islamitische kunst: kunst zonder beelden, zoals je wellicht in het Alhambra of in de moskee van Abbas de Grote in Isfahan kunt zien. Aldus ontstaat het beeld van een grootse cultuur die op een heel eenvoudige religie stoelt, het toenmalige Avondland ver overtreft, maar merkwaardigerwijs na deze hoge bloei maar weinig verder tot ontwikkeling komt.

De Franken hadden zich anders dan de Goten, Vandalen, Bourgondiërs enz. niet met een leger als bovenlaag gevestigd, maar als volk zich verspreid. Daarom doorstaat het Frankenrijk, anders dan de overige stichtingen van Germaanse rijken, de volksverhuizingstijd in de daarop volgende eeuwen. Op de Franken loopt dan ook de Arabische stormaanval stuk in de slag bij Tours en Poitiers. Maar in de 6e klas hoeft dat maar ternauwernood vermeld te worden om zo tijd te sparen om Karel de Grote te behandelen.
Karel de Grote legde de basis waarop de West-Europese cultuur zich verder zou ontwikkelen, door zijn werk, de Karolingische renaissance, ontstond de aanzet tot een vermenging van Germanendom, christendom en antieke wereld, die zich in de latere eeuwen tot de cultuur van het Avondland zou ontwikkelen. Er vindt iets uiterst merkwaardigs plaats: de Germaanse stammen van West- en Midden-Europa nemen in het teken van het christendom stap voor stap de cultuur van de oudheid in zich op.

De opdracht van de les ligt erin deze cultuurvernieuwing ook werkelijk zichtbaar te maken. Zeer zeker is de uitbreiding van het rijk niet te onderschatten, maar dit zou zonder duidelijke betekenis zijn gebleven, als het ontbroken zou hebben aan een culturele kern die de tijd overleefde.
Van de keizer moet het beeld ontstaan dat hij met Petrus van Pisa, Paulus Diaconus, Theodulf van Orleans en Alquin belangrijke geleerden om zich heen verzamelde, dat hij onderwijs en zielzorg bevorderde, kloosters beschermde en stichtte. Deze kloosters waren bv. door het verbouwen van wijn, fruit, kruiden een voorbeeld voor de landelijke omgeving. In de Capitulare de Vilis verordonneerde Karel dat iedere boerderij een geneeskruidentuin moest aanplanten met bijvoet, alruin, lavas, zwaardlelie, wortels, salie, rozemarijn, muntsoorten en vele andere planten. Zo bekommerde Karel zich niet alleen om vorming en theologie, om kloosterorde en bouwkunst, bij zijn cultuurvernieuwing hoorde ook het praktische voorbeeld voor de plattelandsbevolking.

Op deze manier kun je dan ook het begin van de Duitse geschiedenis, koning Hendrik 1 en keizer Otto 1, behandelen:
het proces van cultuurvorming zet zich nu in die gebieden voort die pas op het allerlaatst bij het Frankenrijk gekomen waren. De confrontatie tussen paus en keizer zou je in de 6e klas nog niet als zodanig hoeven te thematiseren, maar wel het proces dat eraan ten grondslag ligt: de sociale differentiatie. Het gaat erom dat eerst de kloosters en dan de geestelijkheid zelfstandiger worden en de geestelijkheid van het ambt weer herbeleven. Voor de priesters wordt het celibaat ingevoerd, opdat ze zich alleen wijden aan het geestelijk ambt; voor de kloosters wordt de vrije abtkeuze doorgevoerd en de seculiere invloed op de bezetting van dit ambt wordt opgeheven. In diezelfde tijd maakt de landbouw een  belangrijke opbloei door: langzaam doet in West – en Midden-Europa de wielploeg zijn intrede; op grotere schaal wordt ijzer als grondstof gebruik; naast ossen wordt ook het paard voor de ploeg gespannen. Dit alles is gebaseerd op het feit dat sinds het midden van de 11e eeuw de vredesbeweging (Treuga dei) zich steeds verder uitbreidde.
De gebruikelijke vorm van strijd om recht is in de middeleeuwen de vete die volgens bepaalde regels verloopt: nu worden door een vredesgebod de dagen van de week waarop de Heer heeft geleden: donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag tot vredesdagen verklaard, waarop er geen vete mag gelden. Dat geeft aan het hele leven – met name aan de boeren, handelslieden en handwerkslui grotere zekerheid. Deze zekerheid op de verkeerswegen werkt niet alleen door op de monnikenbeweging: die blijft niet tot enkele kloosters beperkt, gesteund door de keizer krijgt deze vaste voet in West – en Midden-Europa en uiteindelijk ook in Rome. Daardoor ontstaat uiteindelijk de strijd tussen keizer en paus.
Door de scheiding van het geestelijke en het wereldlijke breidde zich in West-Europa een nieuwe ascetische geestgezindheid uit, niet alleen in de kloosters, maar ook onder grote delen van de bevolking. Uit deze geestgezindheid ontstonden de kruistochten. Het oorspronkelijke idee was, de Grieken in Byzantium tegen de Seltsjoeken te helpen en in het oosten op de heilige plaatsen een nieuw rijk te stichten. De kruisvaarders die met groot enthousiasme en heilige ernst op weg gingen, konden hun doel niet bereiken. Hoe verder ze naar het oosten kwamen, des te meer vragen riepen hun gedragingen op. De verovering van Jeruzalem 1099, het verloop van de 4e kruistocht werden tot een gruwelijke perversie van wat oorspronkelijk werd nagestreefd. De culturele betekenis van de kruistochten is in het moderne onderzoek zeer omstreden. Vroeger werd algemeen de culturele invloed van de Oriënt op het Avondland toegeschreven aan de ontmoeting van de kruisvaarders met de Oriënt. Onderzoekers van tegenwoordig attenderen erop dat het overnemen van Arabisch cultuurgoed zich vroeger had voltrokken in de vreedzame contactgebieden op Sicilië en in Spanje. In ieder geval echter leidt de kennis maken met producten en productietechnieken van de Oriënt tot een sterke opbloei van de steden. Via de bekende, uit het Arabische of Perzisch stammende leenwoorden kan op de soort producten en nieuwe kennis gewezen worden: damast, katoen, mousseline, gaas, koffie, marsepein, suiker, siroop, sinaasappel, spinazie, abrikoos, muskaat, kaneel, kummel, kopje, karaf, pantoffel;, divan, sofa, matras, magazijn, tarief, schaal, algebra, cijfer.
Om het allemaal samen te vatten zou je het leven van Frederik 2 van Hohenstaufen kunnen vertellen: hoe hij op Sicilië opgroeit en daar in aanraking komt met de Arabische cultuur; hoe hij dan door Paus Innocentius 2 als tegenkoning naar Duitsland wordt gestuurd; hoe hij zich onderscheidt in het conflict tussen de vorsten en de nu zelfstandig geworden steden; de keizerskroning in 1220 en opnieuw bijzonder opvallend: de stichting van de universiteit van Napels, 1224 en Frederiks interesse in de natuur, die je kunt aflezen uit zijn boek over de valkenjacht. Op zijn kruistocht 1228/29 onderhandelt de keizer persoonlijk in het Arabisch met de vertegenwoordiger van de sultan en eist de teruggave van de heilige plaatsen aan de christenen en een veilige verbinding naar de kust. Er zijn nog andere belangrijke en karakteristieke situaties in het leven van deze Staufer.
Het beeld van de middeleeuwen zou echter te eenzijdig zijn geschetst, als je het met deze figuur zou afsluiten. Een persoon die het tegengestelde was van deze glansrijke en tragische keizer is Franciscus van Assisi. Hij en zijn orden vertegenwoordigen een nieuwe manier van vroomheid. Door de absolute armoede, niet alleen die van de monniken, maar ook van de kloosters, waren deze orden in het steedse proletariaat van Noord-Italië, bij de armen geloofwaardig. Uit dit facet van het werken van de Franciscanen kun je het beeld van de maatschappij aanvullen zo dat niet alleen het doen en laten van de grote heren, maar ook het lot van de kleine man, de arme vrouw zichtbaar wordt.

De mogelijkheid bestaat om deze chronologische en op thema’s van de Duitse geschiedenis georiënteerde historie wat naar de achtergrond te verdringen ten gunste van een nog sterkere cultuurhistorische thematiek.
Wat de vroege middeleeuwen betreft, zou het uitgesproken gelukkig zijn, wanneer de leerlingen vooral leerden begrijpen wat het woud in de middeleeuwen betekende: het was de woestijn waarin zich kluizenaars en vogelvrijen terugtrokken; het was wild en dreigend. In vele streken van Europa was de wolvenjacht een plicht van boeren en ridders. Het woud was aanvankelijk gemeenschappelijk bezit; de eikels waren voer voor de zwijnen, honingverzamelaars waagden zich diep in het woud om de begeerde zoete lekkernij te bemachtigen. In de loop van de tijd werd het woud door ontginning steeds verder teruggedrongen en de jacht werd het recht van de heer, het gemeenschappelijk bezit zijn eigendom. In de bossen ontstonden uit kleine nederzettingen dorpjes, de boeren bebouwden het land in vruchtwisseling van 2 of 3 veldjes. De onvrije boeren zijn verplicht tot herendienst en menigeen kijkt verbeten naar de burcht waarvan hij de stenen met de kar moest aanvoeren.

Steeds opnieuw hoor je in de middeleeuwen van volksopstootjes: boeren die zich tegen de heer, bv. Hendrik 4 verzetten. Vele boeren, vooral in Zuid-Duitsland en Frankrijk waren blij, wanneer ze onder de protectie en onder het gezag van een gemoderniseerd klooster konden komen, want deze kloosters hadden geen heer die naast de dienstverlening aan het klooster ook nog aanspraak kon maken op hun werkzaamheden. De kloosters boden de boeren niet alleen bescherming en stimuleerden niet alleen de landbouw, de monniken richtten zich met hun preken vaak meteen tot het volk – dat bestond niet voor de kloosterreformatie van Cluny en Hirsau – en zo leerde de boer niet alleen de inhoud van het geloof kennen, maar ook de dingen die in de afgelegen wereld plaatsvonden.

De plattegronden van de middeleeuwse kloosters laten zien – bv die van Sankt Gallen – dat de kloosters een wereld op zich vormden en tegelijkertijd een wereld voor anderen waren. In de kerk vind je 15 altaren en de priestermonniken zongen of lazen hier meerdere keren per dag de mes en baden dag en nacht voor de gestorvenen, voor hen die leven. Bij dit klooster horen buiten de bibliotheek en het scriptorium, buiten het huis van de abt en de kruisgang ook de herberg voor de pelgrims, het gastenverblijf, het hospitaal, de school, het huis voor de handwerkslieden en al de werkplaatsen, van de stallen, de molen tot aan de bakkerij; er is het huis van de medicus en de apotheek en een tuin met geneeskruiden. Aldus kwam er bij het gebod van de heilige Benedictus naast het gebed ook het werk.

Zoals in het klooster heerste ook in de middeleeuwse stad principieel vrede. Vrede betekende bescherming en recht. De stadsmuur beschermde de burgers, de poorten werden bewaakt, het recht, de markt- en jaarmarktverordeningen boden in de stad bescherming. Stadslucht maakt vrij en deze vrijheid leidt in veel steden tot zelfontplooiing. In Keulen wordt de gemeente in 22 gildes verdeeld; deze kiezen met de aftredende raad de raadsheren die op hun beurt de beide burgemeesters kiezen voor een jaar. De raad beslist over uitgaven en inkomsten, over belastingen, over bondgenootschappen en over oorlog en vrede. De burgemeesters vertegenwoordigen de stad naar buiten toe. Intern regelen de gilden de handel, de kwaliteit van de producten, maten en gewichten. Deze mogelijkheid tot zelfontplooiing, het bewustzijn van vrijheid, leidde in de steden zoals Keulen, Straatsburg en Basel en nog andere, ertoe dat men zich losmaakte van de heerschappij van de bisschoppen en dat op deze wijze de steden de wieg van een nieuw rechts- kunst- en geestesleven werden.*

Voor de vertelstof die je over heel het jaar kunt verdelen:
Romeinse sagen en verhalen

In het Duits – niet vertaald – Römische Sagen und Geschichten

Beide zijn zeer beeldend verteld.

*eigen vertaling.
Voor verbeteringen: vspedagogie apenstaartje gmail punt com

**Lindenberg geeft de onderwerpen aan in het weekoverzicht. Ik heb ze er hier voor het overzicht, bijgezet

6E KLAS GESCHIEDENIS: ALLE ARTIKELEN
[1]  vakkenintegratie met het vak Engels
[2-1]  spelletjes in Rome
[2-2] geld in Rome
[3] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 6e klas; overzicht van de lesstof
uitwerking van Lindenberg
[3-1] Rome: Aeneas; Romulus en Remus
[3-2] Democratie of aristocratie; patriciërs en plebejers
[3-3]  Hannibal
[3-4] De Cracchen
[3-5] Julius Caesar
[3-6] Jeruzalem en Rome
[3-7] Volksverhuizing en ondergang Rome
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers
[5-1] Heilige Romeinse Rijk; Otto 1
[5-2] Otto 1
[5-3] Gregorius VI
[6-1] Kruistochten: 1e
[6-2] Kruistochten: de volgende en de gevolgen
[7-1] Monniken en kloosters
[7-2] Adel, boeren, ridderschap
[7-3] Steden
[8-1] Hoe ga je ter werk: levendig vertellen
.

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas – alle beelden

.

695-635

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas (2-1)

.

Geschiedenis is vaak een ‘vertelvak’. En altijd weer een uitdaging hoe het midden te houden tussen een eenzijdig eenrichtingverkeer leerkracht-leerling en de mogelijkheden die er zijn om de leerlingen er – letterlijk – inderdaad bij te betrekken.

Een van de mogelijkheden is bv. in te gaan op hoe de Romeinen speelden.
Het is niet meteen het belangrijkste onderwerp van de geschiedenisperioden in klas 6, maar kan naast de ‘ernst’ van keizers, oorlogen, intriges, politiek enz. voor een luchtige noot zorgen.

SPELLETJES IN ROME
.
Van diverse Romeinse auteurs zijn teksten bewaard gebleven waaruit duidelijk blijkt hoe belangrijk spelle­tjes in die tijd waren. Ovidius (1ste eeuw voor Chr.) be­schrijft in zijn “Ars Amatoria11 (de kunst van het bemin­nen) dat een jongen de liefde van een meisje kan win­nen door haar te laten winnen in het spel; hij noemt daarbij spelletjes als dobbelen, bikkelen en het Ludus Latrunculorum (spel van de soldaatjes). In een volgend hoofdstuk van datzelfde boek volgen dan tips voor meisjes: zorg in hemelsnaam dat je goed bent in spelle­tjes, want een verliezende en huilende vrouw bevalt geen enkele man. Om er voor te zorgen geliefd te blij­ven, gaven de Romeinse keizers het volk brood en spelen, maar ook zelf kwamen ze op dit gebied niets te kort. Keizer Augustus (27 voor Chr. – 14 na Chr.) schreef in een aantal brieven o.a. dat hij zelfs tijdens het eten bikkelde. Terwijl in die tijd het kansspel verboden was gingen daarbij toch behoorlijke sommen over tafel. Augustus verloor veel, maar dat kwam “omdat hij ie­dereen het geld liet behouden dat hij, Augustus, had ge­wonnen.” Hij meende zo een plekje in het hiernamaals te kunnen bemachtigen. Aan tafelgasten deelde hij regelmatig geld uit, voor het geval dat ze met elkaar wilden dobbelen of het spelletje “even-oneven” wilden spelen. En Augustus was niet de enige keizer die zich schuldig maakte aan het overtreden van het kans­spelverbod, ook de keizers Commodus en Lucius Verus speelden jaren later naar hartenlust. Dat het voor sommige Romeinen heel belangrijk was om te winnen, bewijst het volgende voorval. Een ter dood veroordeelde man speelt voor z’n terechtstelling met een medegevangene het Ludus Latrunculorum. Als het moment is aangebroken waarop hij terechtgesteld zal worden vraagt hij zijn bewaker om als getuige op te treden voor het feit dat hij aan het winnen was. Hij wil namelijk niet dat zijn tegenstander na het voltrekken van het vonnis zal zeggen dat hij gewonnen had.

Benodigdheden

Bij bepaalde spelletjes worden noten gebruikt: we kun­nen hierbij kiezen voor walnoten of hazelnoten. Op speelborden wordt met speelsteentjes gewerkt. Wie heel veel geduld heeft kan in het grind gaan zoeken naar mooie, kleine witte en zwarte stenen ter grootte van een kwartje. Deze moeten het liefst tamelijk vlak zijn, dus niet bol. De Romeinen gebruikten ook wel scherven van twee verschillende soorten aardewerk die zij afvijlden tot ronde schijven ter grootte van een dam­steen. Ook vijlden zij stukjes bot, met heel veel geduld, af tot er mooie ronde schijfjes ontstaan waren. Ook dik vensterglas werd wel gebruikt. Petronius (1ste eeuw na Chr.) beschrijft in zijn “Cena Trimalchionis”, het ver­slag van een zeer decadente maaltijd, dat de gastheer Trimalchio gouden en zilveren munten gebruikte in plaats van zwarte en witte steentjes.

Dobbelstenen worden door archeologen regelmatig opgegraven. De vorm en cijferindeling waren hetzelfde als tegenwoordig. We kennen dobbelstenen in allerlei materiaal: bot, bergkristal en brons. Er zijn ook bronzen en zilveren dobbelstenen in mensengedaante gevonden.
Een dobbelbeker werd gemaakt uit brons of aardewerk. Valsspelers bestonden ook toen al: er zijn dobbelstenen gevonden waarbij een extra stukje lood is toegevoegd, zodanig dat het vlak met de 6 altijd boven kwam te liggen.

De turricula (dobbeltoren) werd gebruikt om te voorko­men dat er gesjoemeld werd bij het gooien. Meestal was er een speciaal bord met opstaande rand waarop de dobbelsteen gegooid moest worden.

6e klas dobbeltoren.bmp

Speelborden zullen veelal van hout geweest zijn, een materiaal waar door de eeuwen heen weinig van is overgebleven. Uit een epigram (spottend gedicht) van Martialis (1ste eeuw na Chr.) mogen we concluderen dat zo’n bord aan twee kanten te gebruiken was, net zoals wij onze dam- en schaakborden gebruiken. Romei­nen speelden blijkbaar graag een bordspelletje in de open lucht want er zijn talloze speelvelden gevonden op pleinen, traptreden, en trottoirs in steden als Rome en Pompeji. Ook in dakpannen werden speelvelden gekrast om de dakpannen op die manier als speelbord te ge­bruiken.

Bikkels (spronggewrichten van achterpoten van schapen, geiten of kalveren) worden in ruime mate gevonden bij opgravingen. Het is moeilijk te zeggen of het om slachtafval gaat of om speelstukken. Deze gewrichtjes kunnen namelijk direct gebruikt worden, zonder dat je er iets aan vijlt. Elke zijde van zo1 n bikkel, waarvan we ook uitvoeringen in ivoor en brons vinden, had een bepaalde waarde, vergelijkbaar met dobbelstenen.

Spelletjes zonder extra hulpmiddelen

Dag en nacht (2 grote groepen spelers)
In een speelveld met een lengte van ± 30 m staan de spelers van 2 groepen met de ruggen tegen elkaar, de ene groep heet dag, de andere nacht. Iemand gooit een stuk hout in het veld, dat aan de ene kant zwart (nacht) is en aan de andere kant wit (dag). De kleur die boven komt te liggen, “is het”. Deze groep moet de andere groep, die uit het speelveld probeert te lopen, gaan vangen. De gevangenen moeten met gesloten ogen met hun vanger (op de rug) naar de andere kant van het speelveld lopen. Als dat lukt, heeft hij zich vrijgekocht en speelt hij weer mee in zijn eigen partij. Als het niet lukt, moet hij bij de tegenstander meespelen. De wed­strijd is voorbij als een partij helemaal leeg is. Dan mag de andere partij de vanger spelen.

Micare digitis (snel je vingers opsteken, 2 spelers) De spelers staan of zitten tegenover elkaar, hun rechter­hand is tot een vuist gebald. Ze tellen: “Een, twee”, en bij drie steekt eenieder een aantal vingers naar voren en roept daarbij hoeveel het totaal aantal naar voren gesto­ken vingers van de beide spelers bedraagt. Hij/zij die het juiste aantal heeft geraden krijgt een punt en steekt daarbij 1 vinger van zijn linker hand omhoog. Wie het eerst 5 punten (dus de gehele linkerhand in de lucht) heeft, is de grote winnaar. Dit spel wordt in Italië nog steeds gespeeld onder de naam Morra.

Blindemannetje (minstens 4 spelers)
Eén speler wordt geblinddoekt,  de  anderen gaan hem/haar sarren. De blinde moet iemand vangen, die dan op zijn beurt weer de blindeman is. Een variatie hierop voor grote groepen is twee spelers te blinddoe­ken, die elkaar dan in de menigte moeten zien te vin­den

Spelletjes met weinig materiaal

Noten zijn bij deze categorie favoriet spelmateriaal, omdat ze voor allerlei doeleinden gebruikt kunnen worden. In het gedicht “Nux” (noot) van Ovidius staan 5 spelletjes uitgebreid beschreven, zodat we, samen met afbeeldingen op kindersarcofagen vrij nauwkeurig weten hoe deze spelletjes gespeeld werden.

Orcaspel (spel met de aarden pot, 2 of meer spelers).
Ieder heeft 5 (hazel)noten. Van een afstand van 2 m dienen de noten in een niet te grote bak (orca) te wor­den gegooid.
Voor iedere noot die in de orca verdwijnt krijgt hij/zij 1 punt. Dit spel over een aantal ronden spelen

Nuces Castellatae (torentjes van noten, 2 of meer spe­lers)
Dit is een soort bus-gooien, welbekend van kermissen. Vijf hoopjes van 4 walnoten maken, op een afstand van 2,5 tot 4 meter een lijn trekken van waaraf gegooid moet worden. Ieder heeft 5 walnoten en met elke noot probeert hij een hoopje noten omver te gooien. De ge­raakte noten mag hij houden. Daarna worden er uit de grote zak walnoten opnieuw 5 hoopjes gemaakt voor de volgende speler. Wie na 5 ronden de meeste noten heeft is winnaar.

Notenglijbaan (2 of meer spelers)
Elke speler heeft 10 walnoten, die hij om beurten van een schuine plank laat rollen. Als de ene noot de ande­re raakt, mag de speler beide noten houden. Wie geen noten meer heeft is uit, de winnaar is diegene die als laatste nog noten heeft.

Par-impar (gelijk-ongelijk, 2 spelers)
Ieder heeft een aantal kleine voorwerpen (noten, bonen, steentjes). De ene speler neemt een deel hiervan in zijn hand en zijn tegenstander moet raden of het een even of oneven (par-impar) aantal is. Raad zijn tegenstander het goed dan krijgt hij een noot/boon/steentje. Vervol­gens is de ander aan de beurt om te raden. Verliezer is degene die als laatste geen voorwerpjes meer heeft.

Deltaspel (2 of meer spelers)
Teken met krijt (of met een stuk dakpan, zoals de Romeinen gedaan zullen hebben) een gelijkbenige driehoek (de Griekse letter Delta) op de grond en verdeel die in 10 gelijke stukken. Schrijf op de strook aan de basis I en vervolgens II, tot X in de top. Op een afstand van 2 tot 3 meter gooien de spelers telkens 5 noten in deze driehoek. Daarna worden de punten geteld. Wie de meeste punten heeft is de winnaar.

6e klas Romeinse spelletjes 1

Spelletjes met speelborden

Molenspel (2 spelers)
Beide spelers hebben 9 speelstenen, die ze om beurten op een zwart rondje op het bord leggen en daarbij proberen de stenen op een rij verbonden door een streep (= molen) te krijgen. Ieder probeert natuurlijk te voorkomen dat de ander een molen krijgt. Als iemand een molen heeft mag hij van de ander een steen wegne­men, maar niet uit een gesloten molen. Als alle stenen gezet zijn mag er om beurten een willekeurige steen 1 plaats opgeschoven worden. Als iemand nog slechts 3 stenen heeft mag hij springen d.w.z. zijn stenen op een vrije plaats zetten. Als iemand zijn tegenstander tot 2 stenen heeft teruggebracht is hij de winnaar. Dit spel heeft iets weg van ons boter, kaas en eieren.

6e klas Romeinse spelletjes 2
Loculus Archimedius (kastje van Archimedes, 1 speler)
Een geduldspel dat lijkt op het Chinese Tangram. U kunt het spel zelf maken door de figuren op triplex na te tekenen en uit te zagen. De meest fantastische voorstellingen kunnen hieruit te voorschijn komen, maar probeert u eerst maar eens om er weer een mooi vier­kant van te maken.

6e klas Romeinse spelletjes 3

6e klas Romeinse spelletjes 6

6e klas Romeinse spelletjes 7

Ludus Latrunculorum (spel der soldaatjes, 2 spelers)
De spelers zetten hun 16 stenen in de 2 rijen aan hun kant van het speel­bord. Om de beurt zetten ze een steen 1 plaats voor- of achteruit. Slaan mag alleen diagonaal (voor- of achteruit); er mogen meer stenen achter elkaar geslagen worden. Het ene leger moet het andere leger geheel uitroeien. Een soort damspel dus.

6e klas Romeinse spelletjes 4

Ludus XII Scriptorum (twaalfpuntenspel, 2 spelers)
Iedere speler heeft 12 speelstenen die in het midden van het bord worden opgesteld. De stenen moeten van I naar XXIV verplaatst worden, tegen de wijzers van de klok in. Iedere speler gooit met 2 dobbelstenen; het aantal ogen dat gegooid wordt, bepaalt hoeveel posities een steen verplaatst mag worden. Elke speler mag ge­bruik maken van 1 steen voor het totaal aantal ogen, of voor iedere dobbelsteen 1 speelsteen gebruiken. Komt er een speelsteen op het vlak waar een speelsteentje van een andere kleur staat dan moet deze steen terug naar af. Als er van 1 kleur 2 of meer stenen staan, dan mag hier geen andere kleur bij. Wordt er met beide dob­belstenen hetzelfde aantal ogen gegooid dan mag de speler nog een keer gooien. De winnaar is degene die al zijn stenen het eerst naar XXIV of erbuiten gegooid heeft. Dit is een soort Backgammon.

6e klas Romeinse spelletjes 5

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

.

.

.

694-634

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Washington

.

GRONDLEGGER VAN EEN NATIE

Het tweede Continentale Congres, dat na de veldslagen bij Lexington en Concord in 1775 te Philadelphia bijeenkwam, koos vrijwel zonder aarzeling de man, die het Amerikaanse leger zou aanvoeren in de strijd tegen de Engelsen. Met zijn drieënveertig jaar was George Washington een blonde, breedgeschouderde en voor zijn tijd zeer lange man — 1 meter 80 bij een gewicht van 90 kilo — met de gespierde dijen van een ruiter, doordringende blauwe ogen en de persoonlijkheid van een leider. Als Virginiër was hij politiek aanvaardbaar. Hij had te­voren al troepen aangevoerd en bovendien bezat hij het voorko­men van een generaal. Gezeten op een wit ros, in een rood en blauw uniform, maakte hij een indruk, die maar weinigen konden vergeten. De afgevaardigden op het Congres waren ook onder de indruk van zijn kalm, gezond verstand, zijn vermogen om het juiste moment af te wachten en zijn besluitvaardigheid.
De afgevaardigden hadden er evenwel geen besef van hoe goed hun keus was geweest. Washington werd de Amerikaanse Revolu­tie. Zijn machtige wil, zijn onuitputtelijk geduld waren dikwijls de enige factoren, die de revolutie nog overeind hielden. Hij maakte zich geen illusies over de zwakheden van zijn land, maar hij bleef altijd intuïtief beseffen hoe sterk het was. Zijn doorzicht maakte het mogelijk met stalen zenuwen de zwaarste militaire risico’s te nemen wanneer hij met de rug tegen de muur stond. In al zijn strengheid kende George Washington zichzelf bovendien heel goed, al had hij zijn kleine zwakheden en ijdelheden. Hij liet zijden kousen en schoenen met zilveren gespen uit Engeland komen en wanneer zich de gelegenheid maar voordeed liet hij zijn bruine haardos verzorgen en poederen. Heel zijn leven leed hij aan slechte tanden (hij had verschrikkelijke kiespijn tijdens de belegering van Yorktown). Hij was dol op dansen. Hij ging vissen, schoot eenden en ging met de meute op de vossenjacht, steeds met dezelfde roekeloze bekwaamheid. Hij kon slecht tegen zonnebrand en in zijn latere jaren schaamde hij er zich niet voor zijn landerijen te inspecteren met een grote parasol op zijn zadel gebonden.

Al kwam hij voort uit de heersende klasse, hij was toch aardser, praktischer, eerzuchtiger en uit harder hout gesneden dan uit de latere geschiedschrijving zou blijken. Zoals zovele Virginiërs uit het patriciërsmilieu in het begin van de achttiende eeuw, was zijn familie rijker in land dan in geld. George had maar voor korte lijd, te hooi en te gras, een eigenlijke schoolopleiding gehad. Hij kreeg een paar jaar les in lezen, schrijven en aardrijkskunde. Daarna studeerde hij wiskunde. Toen hij zestien was, verliet hij het ouderlijk huis om hulpopzichter te worden op de woeste gronden aan de westelijke grens, die het eigendom waren van een rijke Engelsman, Lord Fairfax. Hij brandde van verlangen zelf land en rijkdom te bezitten en bovenal om eer te behalen in de ogen van zijn medevirginiërs. Op 21-jarige leeftijd vertrok hij, als gevolg van zijn eigen enthousiasme en dank zij de goedgun­stigheid van Robert Dinwiddie, koninklijk gouverneur van de kolonie, op een militaire missie, die ten doel had de Fransen te waarschuwen dat zij hun handen van de kroondomeinen in het Ohiodal moesten afhouden.

De op pelzen beluste Fransen weigerden in te binden en zo werd Washington de man op wie Virginia al zijn hoop vestigde. Zijn moed werd op een zware proef gesteld toen een expeditieleger onder generaal Edward Braddock vrijwel werd gedecimeerd in de bossen bij de rivier Monongahela. Washington, zwak en wankelend onder een “hevige ziekte”, reed twaalf uur aan één stuk naar het slagveld, waarbij twee paarden onder hem werden neergeschoten en hij vier kogels door zijn kleren voelde suizen. Maar geen ogenblik weifelde hij. Hij was er zeker van dat de Goddelijke Voorzienigheid hem zou beschermen.

Hij kreeg het bevel over alle troepen in Virginia en werd ver­antwoordelijk gesteld voor de veiligheid van alle verspreid wo­nende kolonisten aan de staatsgrenzen. Het was een harde leerschool: de moeilijkheden Amerikanen te rekruteren voor de mili­taire dienst, de harde noodzaak de tucht te handhaven (eenmaal liet hij twee deserteurs ophangen als afschrikwekkend voorbeeld voor zijn manschappen), en de jaloezie en intriges die aan de openbare dienst eigen zijn. Ten slotte kreeg hij een geschil met het Britse leger over zijn rang en rechten als officier.
Hij werd ge­kozen in het Huis van Afgevaardigden van Virginia en gaf vol ontgoocheling zijn militaire loopbaan op om voortaan het leven van een landedelman te gaan leiden. Maar 16 jaren later, toen de koorts van de opstand alle koloniën aangreep, schreef hij: “De vredige vlakten van Amerika zullen óf wel in bloed gedrenkt wor­den óf bewoond door slaven. Mag een oprecht man aarzelen bij die keus?”

Men moet het de Britse generaals vergeven, dat zij de opstand beschouwden als de roekeloze onderneming van een paar heet­hoofdige kolonels. Die kolonels waren slechts losjes met elkaar ver­bonden en berucht om hun onderlinge rivaliteit. Zij hadden slechts een kleine industrie achter zich, geen militaire traditie, bijna geen voorraden, geen vloot, geen bondgenoten en, naar Europese maatstaven gemeten, geen leger dat die naam waardig was. Tegenover zich vonden zij een grote militaire mogendheid, die beschikte over rijkdom en een geoefend leger, ondersteund door de grootste vloot van de wereld, wilde Indianen en zwermen Amerikaanse loyalisten.

Bij Bunker Hill hadden de schutters van Nieuw Engeland al zo iets als een wonder verricht. Zij hadden bewezen dat kolonialen een Britse charge konden weerstaan en dat de Britten voor hen onderdeden in trefzekerheid en in de kunst van het vechten vanuit een hinderlaag. Maar bij het beleg van Boston werd Washington er zich van bewust welk een verschrikkelijke verantwoordelijkheid hij op zich had genomen. Vijftienduizend Amerikanen, in een wijde kring om Boston gelegerd, moesten gevoed worden en tucht leren, terwijl hun de grondbeginselen van militaire zaken moest worden bijgebracht. Er waren maar weinig manschappen in uni­form en weinigen hadden voldoende kruit. De mannen hadden een lawaaiige dronk, haalden omheiningen van boerderijen omver voor brandhout en maakten ruzie met hun officieren. En daarbij kwam nog een veel schrikwekkender verschijnsel: Washingtons leger begon te verlopen. Men nam slechts voor een paar maanden dienst bij de militie. Als die tijd voorbij was, keerden de mannen naar huis terug en probeerden daarbij hun musket mee te nemen.
Hij ontkwam aan de noodzaak zijn logge, ongeoefende en steeds kleiner wordende legermacht bij een bestorming van de stad in te zetten, doordat geduldige soldaten met een aantal zware kanonnen helemaal van Fort Ticonderoga, aan het Champlainmeer, over de sneeuw kwamen aanzeulen. Toen die op Dorchester Heights wer­den opgesteld, voeren de Britten weg. Maar de volgende zomer al begon voor Washington het gezwoeg opnieuw, in het zuiden van New York. Zijn leger, op Long Island verslagen, wist onder dek­king van de mist over de East River naar Manhattan te ontkomen. Het moest zich al vechtend terugtrekken op White Plains, dan over de rivier de Hudson en dwars door New Jersey, en vervolgens over de rivier de Delaware Pennsylvania in. In het hartje van de winter waren er nog maar 2400 in lompen gehulde, ondervoede manschappen van het continentale leger over. Op 20 december 1776 schreef Washington aan het Congres: “Nog tien zulke dagen en wij hebben geen leger meer. . .”

Toen waagde hij een gok. Vijf dagen later, op kerstavond, leidde hij zijn troepen over de met ijsschotsen bedekte Delaware. Nat, half bevroren, onder striemende hagelbuien, marcheerde het leger over een afstand van negen mijl naar Trenton, waar men het Hessische garnizoen bij verrassing overviel. Na nauwelijks twee uur vechten hadden de Amerikanen gewonnen, zonder één man te verliezen. Slechts één week later deden zij bij Princeton weer een vermetele inval in New Jersey. Bij het verzamelen van zijn troepen reed Washington tot op dertig passen van het vijandelijke musketvuur zonder een schram op te lopen. Het land had een schok gekregen en de Revolutie was gered.

Volgens dat patroon verliep de oorlog — maanden van ont­moediging, nederlagen en rampen — en dan, wanneer alles ver­loren leek, een gewaagde aanval, waardoor men weer even aan de overwinning geloofde. Het was een grootscheepse oorlog, waarvan het toneel zich uitstrekte van Georgia tot Quebec en van New York tot aan de Mississippi. Ten slotte kwamen er zowel de vloot van Engeland als die van Frankrijk aan te pas. Men kwam slechts langzaam vooruit. Dikwijls gingen er maanden voorbij zonder een treffen van enige betekenis. Men bleef ook beleefd tegenover el­kaar. Krijgsgevangenen werden uitgewisseld, men eerbiedigde de witte vlag als er een bestand was overeengekomen en de
bevel­hebbers aan weerszijden wisselden correcte boodschappen met elkaar. Washington zond de hond van generaal Sir William Howe terug, toen die door de Amerikanen bij Germantown was buit­gemaakt.

Toch werd er dikwijls bitter gevochten, zelfs volgens moderne maatstaven. Eenheden van Amerikaanse vrijwilligers werden vrij­wel tot de laatste man gedood of gewond bij het doorbreken van de Britse stellingen bij Stony Point aan de Hudson. Toen hun vuursteengeweren door de regen onbruikbaar geworden waren, gingen Amerikanen en Britten elkaar bij Oriskany, in de Newyorkse
wil­dernis, te lijf met messen, musketkolven en strijdbijlen. Cowpens, Krandywine, Germantown — overal vloeide er veel bloed. En de last, die Washington te torsen kreeg, werd steeds zwaarder. Woe­dende leden van het Congres beschuldigden hem ervan te trachten het land een militaire tirannie op te leggen, die nog erger was dan die van de Britten. Het duurde anderhalfjaar voor hij verlof kreeg een leger op de been te brengen, waarvan de soldaten verplicht waren voor de duur van de oorlog in dienst te blijven. Er was altijd te weinig geld.

Washington had begrip voor de vrees van het Congres, res­pecteerde de wens het toezicht in civiele handen te houden en won het pleit ten slotte door zijn eerlijkheid — en zijn verbeten hoop op de overwinning. Hij onderschatte zijn leger niet. Al mochten er dan soldaten deserteren, zij keerden dikwijls terug om opnieuw te vechten. Zij mochten dan wel eens in elkaar storten in het aangezicht van de Britse bajonetten, maar dan hergroepeerden zij zich wel weer en vochten de volgende dag. Onder behoorlijke leiding doorstonden zij ongelooflijke ontberingen, dikwijls zonder soldij te ontvangen, zonder behoorlijke kleding en onvoldoende gevoed. In de herfst van 1777 was bij Saratoga het keerpunt van de oorlog gekomen, toen het Britse plan om de vallei van de Hud­son in te nemen mislukte. Generaal John Burgoyne kwam met 11000 Britten en Hessen vanuit Canada naar het zuiden afzakken, vrijwel zonder tegenstand te ontmoeten. Maar een Amerikaanse legermacht onder generaal Horatio Gates sneed Burgoyne de pas af op een stuk hooggelegen grond aan de westelijke oever van de Hudson. Opgesloten tussen een horde snel naderbij komende militiemannen en de wildernis in het noorden, gaf Burgoyne zich over.

Dat was een grote overwinning, die voor Frankrijk aanleiding was geld, manschappen en schepen te zenden, terwijl men er de actieve sympathie van Spanje en Holland voor de Amerikaanse zaak mee won. Maar men zou nog vier jaar moeten vechten. De Amerikanen kregen Valley Forge te verwerken, konden voor noch achteruit in het noorden en zagen het zuiden bijna verloren gaan door de veldtochten van Cornwallis in de beide Carolina’s.

Toen trok Cornwallis met zijn leger, dat het zwaar te verduren had gehad van de nimmer aflatende Amerikanen, Virginia bin­nen en sloeg in Yorktown zijn hoofdkwartier op. Washington was in Nieuw Engeland, waar hij een aanval op New York overwoog. De Fransen hadden 5000 man aan land gezet om hem te steunen en een grote Franse vloot maakte zich zeilklaar in West-Indië. Vrijwel van de ene dag op de andere besloot hij nu in plaats van tegen New York tegen Cornwallis op te trekken. De Franse oor­logsbodems zetten eveneens koers naar Virginia. Na vijf weken snel marcheren sloeg Washington het beleg voor Yorktown, met 16 000 Franse en andere Europese soldaten.

Cornwallis had zich op een smal schiereiland tussen de rivieren York en James verschanst, hetgeen voor een Britse bevelhebber, die op de vloot vertrouwde, een normale manoeuvre was. Maar de Franse vloot van De Grasse beheerste de Chesapeake Baai. Op­gesloten en dag en nacht blootgesteld aan de mokerslagen van de artillerie, zag Cornwallis, een uitstekend soldaat, geen uitweg meer. Op 19 oktober 1781 marcheerden zijn 7000 manschappen de stad uit, waarbij de fanfare een mars speelde met de toepasse­lijke titel “De wereld ondersteboven”, en gooiden hun wapens op een hoop. De oorlog was nu praktisch voorbij. De opstandelingen hadden gewonnen.

Toen hij op het punt stond het leger te verlaten, schreef Washington: “Daar ik voor mijzelf geen beloning vraag, zal ik voldaan zijn indien ik het geluk mag hebben de goedkeuring van mijn landgenoten weg te dragen. Op hen blijft de taak rusten mijn wensen geheel te vervullen door een zodanig politiek stelsel op te bouwen, dat de toekomstige reputatie, de rust, het geluk en de glorie van dit uitgebreide rijk verzekerd zullen zijn.” Uit deze passage komt de hele mens naar voren — zijn nederigheid, zijn trots, zijn eergevoel en zijn visie op “dit uitgebreide rijk”.

De natie was echter nog niet geboren en het “politiek stelsel” nog niet opgebouwd. Alle moed en alle oorlogsleed zouden nog kunnen verzanden in een verwarde vrede zonder politiek of systeem. Voor hij zich op Mount Vernon terugtrok, schreef Washington aan zijn vrienden dat “er iets gedaan moet worden, anders stort het hele gebouw nog in elkaar….. ”

Hij sprak niet voor dovemans oren. Zijn invloed was van be­slissende betekenis voor hen, die de Constitutionele Vergadering in 1787 bijeenriepen, waarvan hij voorzitter was. Met de bril­jante geesten, de politieke geleerden en de grote stilisten, die op die vergadering aanwezig waren, kon Washington zich niet meten. Dat probeerde hij ook niet. Hij sprak weinig, nam zelden een initiatief en kon geen enkel onderdeel van de Grondwet het zijne noemen. Maar het hele document is even goed van hem als van ieder ander. Het is immers doordrenkt van zijn praktische zin, zijn koene visie en zijn conservatisme.

Voor de eerste president der Verenigde Staten was er slechts één keus. Het ambt was minder nauwkeurig omlijnd dan de rechterlijke en wetgevende machten en het had in een marionettenpresidentschap kunnen ontaarden. Door het op zich te nemen gaf Washington er een definitie aan. Hij gaf het de waardigheid die in zijn eigen karakter lag.

Tijdens zijn ambtsperiode van acht jaar weigerde hij iemand de hand te schudden — zulk een familiariteit kwam volgens hem niet overeen met het presidentschap — en maakte in plaats daar­van altijd een buiging. Hij droeg kostbare fluwelen kostuums, verplaatste zich in een rijtuig met zesspan en beschouwde zich als de gelijke van om het even welke vorst op aarde. Maar hij zag zichzelf altijd als de “Zeer gehoorzame, nederige dienaar” van het volk der Verenigde Staten, waarop hij jarenlang het stempel van zijn karakter heeft gedrukt. Na het einde van zijn tweede ambtstermijn heeft hij maar twee jaar meer geleefd. In zijn laatste ogenblikken zei hij: “Ik sterf moeilijk.”

En zo is het ook geweest.

alle biografieën

Vertelstofalle artikelen
.

693-633

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – Sterrenkunde – sterrenbeelden

.

STERRENKUNDE  7E KLAS

Wanneer je in de 7e klas sterrenkunde geeft, kun je met de leerlingen een aantal sterrenbeelden tekenen om die ook daadwerkelijk met ze te bekijken wanneer er een heldere sterrenhemel is.

De naam van het sterrenbeeld staat boven de afbeelding.
De link verwijst naar nóg een afbeelding
De link van het cijfer gaat direct naar de betreffende afbeelding in dit artikel.

Aan het eind van de rij die hier volgt, staan de dierenriemtekens.

[3] Andromeda
[9] Antinous
[10] Arend, adelaar (en pijl)
[18] Argo
[15] Beker
[14] Boötes  Jachtonden
[3] Cassiopeia
[17] Centaur
[3Cepheus
driehoek: dierenriemtekens [3]
[19] Eenhoorn
[20] Eridanus
[7] Gans
[1] Grote Beer
[19] Grote Hond
Haar van Berenice: dierenriemtekens [7]
[20] Haas
[12] Hercules
[14] Jachthonden
[1] Kleine Beer
[19] Kleine Hond
[13] Kroon
[8] Lier
[20] Orion
[5] Pegasus
[4] Perseus
[7] Pijl
[2] Pooldraak
[1] Poolster
[15] Raaf
[9] Schild
[18] Schip Argo
[11] Slangendrager
[7] Vos
[21] Walvis
[15] Waterslang
[17] Wolf
[8] Zwaan
[17] Zuiderkruis
Zuidervis: dierenriemtekens [12]l

Dierenriemtekens

[1]  Grote Beer, Kleine Beer, Poolster
grote beer

[2] Pooldraak
pooldraak

[3] Cepheus, Cassiopeia, Andromeda
cepheus, cassiopeia, andromeda

[4] Perseus
perseus

[5] Pegasus
pegasus

[6] Dolfijn
dolfijn

[7] Vos, Gans, Pijl
vos, gans, pijl


[8] Zwaan, Lier
zwaan lieer

[9] Antinous, Schild
Antinous, schild

[10] Arend
arend

[11] Slangendrager

[12] Hercules
Hercules

[13] Kroon
kroon

[14] Boötes en Jachthonden
Boötes, jachthonden

[15] Waterslang, Beker, Raaf
waterslang, beker, raaf

[16] Voerman
voerman

[17] Centaur, Wolf, Zuiderkruis
centaur, wolf, zuiderkruis

[18] Schip Argo
schip Argo

[19] Kleine Hond, Eenhoorn, Grote Hond
kleine hond, eenhoorn, grote hond

[20] Orion, Haas, Eridanus
Orion, haas, Eridanus

[21] Walvis
walvis

DIERENRIEMTEKENS

De link verwijst naar nóg een afbeelding- – – alfabetisch

[1] Waterman           -Aquarius                                            [1] Aquarius
[2] Vissen                  -Pisces                                                [3] Aries
[3] Ram                      – Aries                                                [6] Cancer
[4] Stier                     – Taurus                                               [12] Capricornus
[5] Tweelingen         – Gemini                                               [5] Gemini
[6] Kreeft                  – Cancer                                               [7] Leo
[7] Leeuw                  – Leo                                                    [9] Libra
[8] Maagd                – Virgo                                                  [2] Pisces
[9] Weegschaal          – Libra                                                 [11] Saggitarius
[10] Schorpioen      – Scorpio                                               [10] Scorpio
[11] Boogschutter   – Saggitarius                                          [4] Taurus
[12] Steenbok          – Capricornus                                        [8] Virgo

[1] Waterman       Aquarius.svg

waterman

 

[2] Vissen Pisces.svg

vissen

 

[3] Ram Aries.svg, Driehoek

ram, driehoek

 

[4] Stier Taurus.svg

stier

 

[5] Tweelingen Gemini.svg

tweelingen

 

[6]  Kreeft  Cancer.svg

kreeft

 

[7] Leeuw,  Leo.svg Haar van Berenice         Leeuw

leeuw, haar van Berenice

 

[8] Maagd Virgo.svg     Maagd        

maagd

 

[9] Weegschaal  Libra.svg Weegschaal

weegschaal


[10] Schorpioen Scorpio.svg

[11] Boogschutter Sagittarius.svg

boogschutter


[12] Steenbok Capricorn.svg

steenbok, zuidervis

 

 

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

.

692-632

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – moeilijkheden bij kinderen

.

(Jelle van der Meulen en Petra Weeda, Jonas *18, 29-04-1983)
.

LEES- EN SCHRIJFMOEILIJKHEDEN BIJ KINDEREN

Alfred Baur: ‘Laat ze rustig letters tekenen van een halve meter hoog

Onlangs* verbleef de logopedist Dr. Alfred Baur uit Oostenrijk enkele weken in ons land voor het geven van cursussen en lezingen.
Zijn werk met ernstig spraakgestoorde kinderen vormde de aanleiding tot het ontwikkelen van een speciale therapie: de chirofonetiek. Daarnaast houdt Baur zich bezig met de begeleiding van kinderen met lees- en schrijfmoeilijkheden. Over dit onderwerp hadden wij een gesprek met hem.

‘Mensen veranderen. Juist aan het feit dat kinderen in toenemende mate lees- en schrijfproblemen hebben, kun je zien dat de menselijke constitutie verandert.’

Alfred Baur kijkt ons weifelend aan. Er valt een stilte waarvan de betekenis ons niet hele­maal duidelijk is. Wacht hij op een volgende vraag? Of heeft hij tijd nodig om naar de vol­gende woorden te zoeken? Of wil zijn weife­lende blik zeggen dat hij er niet helemaal ze­ker van is dat dit het is wat we van hem wil­len horen? Een van ons knikt. Hij wacht nog even, terwijl hij bedachtzaam naar zijn han­den kijkt die uitgespreid op tafel liggen. Dan kijkt hij plots op, laat zijn blik even over on­ze gezichten glijden en vestigt zijn ogen ver­volgens op een punt ergens in de ruimte ach­ter ons.

Zorgvuldig kiest hij zijn woorden. ‘Later zal er misschien een tijd komen dat de mensen het vermogen hebben verloren te leren lezen en schrijven. De oorzaak daarvan ligt in het feit dat onze hersenfuncties veranderen. Dat betekent niet dat de mens slechter wordt. Alleen maar anders. We zullen andere vaar­digheden ontwikkelen, die in de plaats ko­men van vermogens die verdwijnen. Er zal dus wellicht een tijd komen waarin nog maar heel weinig mensen kunnen lezen en schrij­ven. Tegenwoordig echter leven we nog in een tijd waarin we lezen en schrijven drin­gend nodig hebben. Daarom moeten we onze kinderen toch zover brengen dat ze het wil­len leren.’

We praten met Alfred Baur in de verlaten eetzaal van instituut Scorlewald in Schoorl. Baur geeft daar een cursus voor beginnende en gevorderde belangstellenden in de chiro­fonetiek. Het is – naast het geven van lezin­gen over lees- en schrijfstoornissen – een van de belangrijkste onderdelen van zijn verblijf in Nederland.

Sinds 1972 heeft hij zich ingezet voor het verder ontwikkelen van de chirofonetiek – een therapie die vooral geschikt is voor kin­deren die door een ernstige storing in hun ontwikkeling niet of nauwelijks in staat zijn te spreken. De basis van de chirofonetiek is de wetenschap dat er een samenhang bestaat tussen het spraakorganisme en bepaalde de­len van het lichaam, vooral de rug. Baur kwam, zoals hij zelf zegt, door een ‘spe­ling van het lot’ op de gedachte dit funda­mentele gegeven verder uit te werken tot een genezende therapie. Tijdens zijn werk als lo­gopedist kwam hij in aanraking met een drie­jarig jongetje dat volledig stom was. Baur werd zich pijnlijk bewust van het feit hoe moeilijk het is een kind dat niet spreekt, te behandelen. Het vermogen tot spreken zit diep in het lichaam verscholen; ingrijpen van buitenaf, zoals dat bij veel andere handicaps kan, is niet mogelijk. In zijn wanhoop viel Baur terug op een ouderwetse methode die wel voor doofstommen wordt gebruikt, na­melijk het kloppen op de rug onder het uit­spreken van klanken. Deze behandeling vol­deed in het geval van zijn driejarige patiëntje in het geheel niet. Het jongetje vond het heerlijk, maar bleef volledig stom. Toch was Baur ervan overtuigd geraakt dat de rug de plek is waarop iets moet gebeuren. Alleen zou dat ‘iets’ meer moeten lijken op wat er gebeurt bij het spreken. Zo ontstonden bewegingen, met de handen over de rug gemaakt, die overeenkomen met het stromen van de adem door de longen naar de mond wanneer men een bepaalde klank uitspreekt. Iedere klank heeft zijn eigen beweging. Baur kent de beperkingen van zijn therapie. ‘Chirofonetiek is een tamelijk omslachtige en intensieve behandeling. Het kan bij veel ziek­tes een genezende werking hebben, maar ik vind het het meest zinvol voor ernstig spraakgestoorde kinderen, en zeker  niet voor kinderen met lees- en schrijfstoornis­sen.’

Alfred Baur is door zijn werkzaamheden als logopedist in een neurologisch-psychiatrisch ziekenhuis in Oostenrijk en in een instituut voor spraaktherapie al jarenlang geïnteres­seerd in lees- en schrijfproblemen. Over de ideeën die hij over dit probleem heeft ont­wikkeld, zal ons gesprek met Baur gaan. Een tijdsverschijnsel, aldus Baur, dat we in de toekomst steeds vaker zullen gaan waarne­men bij lagere schoolkinderen en dat daarom ook een toenemende aandacht zal vragen van ouders en leerkrachten. Iedere leerkracht die al wat langer werkzaam is in het basisonderwijs, weet dat kinderen in toenemende mate moeilijkheden ondervin­den bij het leren lezen en schrijven. Behalve met de overbekende spellingsproblemen, zo­als de d’s, de t’s, de dt’s en de dd’s in de werkwoordsvervoegingen en de ei’s en ij’s, de au’s en ou’s, de effen en veeën, wordt de leerkracht ook geconfronteerd met schrijf­fouten als tlup in plaats van tulp, valg in plaats van vlag. Het zijn spelfouten die niet samenhangen met bepaalde specifieke spelproblemen die iedere taal kent, maar met het vermogen – of beter: onvermogen – om klan­ken weer te geven met abstracte letterte­kens. Naar Baurs oordeel is het een symp­toom van een veel omvangrijker verschijnsel, dat enerzijds samenhangt met veranderingen in de constitutie van de mensen en ander­zijds met ongunstige invloeden die vanuit de cultuur inwerken op het zich ontwikkelende kind. Hij beschouwt het als een probleem waartegen de scholen in zijn algemeenheid niet opgewassen zijn.

Alfred Baur:
‘De vrijeschoolpedagogie kan problemen op dit gebied voorkomen. Maar dat is niet helemaal voldoende voor de pro­blemen die opduiken. We moeten iets extra’s ondernemen. Op zeker moment houdt het op een pedagogisch probleem te zijn en moet er naar een therapeutische benadering wor­den gezocht. We kunnen de kinderen opvoe­den, zo goed als we dat kunnen, maar de omstandigheden kunnen toch zo zijn, dat een kind desalniettemin niet leert lezen en schrijven. Er zijn hele begaafde, fantasievolle kinderen die van alles kunnen en willen leren, maar niet de minste aandrang hebben tot het lezen en het schrijven’.

Alfred Baur onderscheidt twee typen kinde­ren die moeilijk leren lezen en schrijven.:
‘Het eerste is het fantasievolle kind, dat zich voor alles interesseert, behalve uitgerekend voor het lezen en schrijven. Zoiets als rekenen geeft minder problemen; het lezen en schrij­ven kan ze gestolen worden.

Het tweede ty­pe is anders. Zo’n kind heeft moeite met het begrijpen van de dingen; hij blijft al gauw achter met zijn taalontwikkeling, leert pas laat spreken en blijft ook een beetje achter in zijn sociale ontwikkeling. Hij kan niet scherp waarnemen hoe een bepaalde vorm er precies uitziet, heeft weinig vat op zijn lichaam en kan bijvoorbeeld minder goed boompje klimmen dan zijn vriendjes. Fietsen leert hij met moeite, haalt links en rechts door elkaar en dergelijke.
Het eerste, fantasievolle kind heeft een peda­goog nodig die hem kan motiveren, die dat ‘suffe gedoe van het lezen en schrijven’ appetijtelijk kan maken, even interessant als de rest van de wereld.
Met het tweede type ligt het allemaal wat anders, moeilijker.’

Hij pakt een vel papier en een potlood en begint een vorm te tekenen.
‘Je moet je eigenlijk eerst realiseren waarmee die kinderen nou precies moeilijkheden hebben. Zoiets als dit is ka­rakteristiek voor ze.’

Hij trekt een lijn in de vorm van een halve peer.

schrifproblemen 1

‘Als je kinderen van het tweede type vraagt de peer af te maken, dan blijkt dat ze dat nauwelijks kunnen. Daarvoor is nodig dat ze de lijn die ik hier tekende niet precies zo na­tekenen, want dan ontstaan twee halve peren naast elkaar. Nodig is dat ze deze lijn kunnen spiegelen. Ze moeten innerlijk een exacte te­genbeweging kunnen maken van hetgeen ze met hun ogen op het papier zien. Eigenlijk moeten ze zich van binnen los kunnen ma­ken van wat ze zien, ze moeten zich los kun­nen maken van het nabootsen en precies het tegenovergestelde in zichzelf voltrekken. Maar dat is nou net wat ze niet kunnen.’

Baur laat zijn potlood aarzelend over het pa­pier glijden, als het ware zoekend naar de ‘tegenvorm’. Wat ontstaat is een verwrongen peer. ‘

‘Vaak beginnen ze goed, maar houden het niet vol. Halverwege de spiegelende lijn gaan ze ineens nabootsen, zodat dit ont­staat.’
Hij laat het resultaat zien (tekening).

‘Veel van de schrijfproblemen van deze kin­deren vloeien voort uit het onvermogen in­nerlijk te spiegelen. Ze schrijven bijvoorbeeld tein in plaats van tien. Of ze schrijven de let­ters omgekeerd, zodat er ‘Adfel’ staat in plaats van Apfel.’

schrjifproblemen 2

 

schrjifproblemen 3

Waardoor ontstaat dat onvermogen?

Alfred Baur: ‘Tot ongeveer het zevende le­vensjaar leert een kind door na te bootsen. Een innerlijk spiegelende beweging maken, zoals met het voorbeeld van de peer, kan een kind van vier nog niet. Dat moet je ook niet aan een kind van vier vragen. Zo’n kind doet anders dan het spiegelen. 
Met het zevende levensjaar treedt een belangrijke verandering op in het kind. Je zou kunnen zeggen dat de levenskrachten die tot op dat moment inwerkten op het fysieke lichaam van het kind en dat lichaam opbouwden, nu vrij komen en een andere taak krijgen. Die levenskrachten worden nu gebruikt om een innerlijke ‘ruimte’ te scheppen, een innerlijk leven waardoor het kind een meer bewuste verhouding met zijn omgeving kan krijgen. De levenskrachten maken zich in zekere zin los van het lichaam en krijgen een andere functie. In de antroposofische wetenschap wordt dat de geboorte van het etherlichaam genoemd. Door het vrij worden van de krachten van het lichaam, krijgt  het kind het vermogen om te spiegelen. Hij kan van binnen iets doen, een voorstelling scheppen, die in spie­gelende zin tegengesteld is aan iets dat hij buiten zichzelf waarneemt en dat hij tot dan toe alleen maar kon nabootsen. In het voorstellingsleven van een kind moet het spiegelende zich bewust gaan voltrekken.

Bij de kinderen van het tweede type voltrekt dat loslaten van de levenskrachten zich niet on­gestoord – het is alsof die krachten niet kun­nen loskomen van het lichaam. Die innerlijke ruimte ontstaat daardoor niet zoals dat zou moeten: er ontstaat geen innerlijke stevigte waarmee ze de wereld tegemoet kunnen tre­den. Ze worden niet zelfstandig, zoals een schoolkind eigenlijk moet zijn.

Bij het eer­ste type, het fantasievolle kind, geeft dit geen problemen. Die rooien het meestal wel.

Aan een complex van verschijnselen kun je’, aldus Baur, ”zien dat kinderen problemen kunnen hebben bij het overschrijden van de ‘zevenjaargrens’.

Baur: ‘Die kinderen kun­nen zich bijvoorbeeld niet losmaken van de moeder, blijven aan de rokken hangen, ge­dragen zich bij tijd en wijle als zuigelingen en worden geen schoolkind. Het kenmerkende van een schoolkind, dat zoals dat heet ‘schoolrijp’ is geworden, is juist dat het er plezier in heeft weg te gaan uit huis om naar school te gaan. Zo’n kind huilt minder, blijft niet aan de moeder plakken, maar gaat eropuit. Een kind bij wie het losmaken van de le­venskrachten zich niet goed voltrekt, wil niet weg, wil alsmaar thuis spelen, durft niet naar buiten, heeft geen vriendjes en is vaak huile­rig. Het punt is – en dat is belangrijk om in te zien – dat de leerproblemen niet pas op de school ontstaan, maar daarvoor al aanwezig waren. Nu kun je gaan psychologiseren en je afvragen: hebben de ouders het fout gedaan enzo. Veel ouders van zulke kinderen heb­ben schuldgevoelens, gaan vaak gebukt onder zelfverwijten en maken zo het probleem nog groter. Het punt is dat het geen psycholo­gisch, maar een ‘leibliches’ fenomeen is. Het is juist in onze tijd moeilijk zich het proces te laten voltrekken van het vrij worden van de lichaamsgebonden levenskrachten. In on­ze cultuur zijn er allerhande factoren die lang voor het zevende jaar zo hebben inge­werkt dat de geboorte van het etherlichaam wordt bemoeilijkt’.

Welke factoren zijn dat?

Alfred Baur: ‘Het begint al met het moment van conceptie. Door geboorteregeling is dat vaak beïnvloed. Ook het moment van ge­boorte is nogal eens gemanipuleerd; op zon­dag kun je niet geboren worden, want dan heeft de dokter een vrije dag. Je kunt ook niet meer midden in de nacht geboren wor­den, want dan slaapt de dokter. Hoe vaak wordt er tegenwoordig niet een keizersnede gebruikt op het moment dat het goed uit­komt? Het kind komt niet meer op de we­reld op het moment dat het zelf wil. Vervol­gens komen steeds meer kinderen in de cou­veuse, die hebben die tijd eigenlijk helemaal geen moeder. Zo’n hospitalisering werkt na­delig in op de ontwikkeling van het kind. En dan de moedermelk. In de kliniek al is het vaak zo dat om praktische redenen het kind op bepaalde tijdstippen wordt gevoed en niet wanneer het kind of de moeder dat wil. Eigenlijk is onze cultuur kindvijandig. Neem nou de televisie. De inhoud, de beelden kan het kind nog niet waarnemen, het ziet alleen maar het geflakker, het geflikker op het scherm. Daar wordt een kind nerveus van; het zenuwstelsel wordt er door belast. We weten zelfs dat het geflikker van het beeldscherm bij mensen die daar gevoelig voor zijn epilep­tische aanvallen kan oproepen. Er zijn zoveel factoren! Van geen kun je zeggen: die is de schuldige, of die… Het zijn allemaal factoren waarvan we kunnen aannemen dat ze de ontwikkeling van een kind niet ten goede komen. Al die factoren kunnen er mijns in­ziens toe leiden dat het vrij komen van de le­venskrachten zich niet op de juiste wijze meer kan voltrekken. Er kunnen werkelijk grote complicaties ontstaan. Het kind kan de dingen niet goed en scherp waarnemen, het blijft innerlijk in de ziel afhankelijk van de moeder. Het wordt, kort gezegd, niet schoolrijp’.

Spraakcentrum

‘Alhoewel een kind niet schoolrijp is, kan het natuurlijk wel leren. Maar het gaat moei­lijker. Dat spitst zich toe met het leren lezen en schrijven, want lezen en schrijven is nog een stukje moeilijker dan bijvoorbeeld reke­nen. Als we schrijven doen we in de grond van de zaak iets dat geen innerlijke zin heeft. Het is innerlijk zinloos.’

Hij pakt weer een vel papier en begint te te­kenen.
‘Kijk, als ik hier een appel teken, dan heeft dat iets met een appel te maken. Maar als ik de abstracte tekens a-p-p-e-l neer­schrijf, dan doe ik iets zinloos. Wij geven die tekens een zin, omdat we met elkaar afspre­ken dat het teken a voor een klank staat, en het teken p, enzovoorts. Het is de conventie dat de tekens betekenis geeft. Vanuit zich­zelf hebben ze die niet. Als we een appel te­kenen zeggen we niet: we spreken met elkaar af dat deze vorm een appel betekent, maar we zien eenvoudig dat de vorm die van een appel is. Er is een samenhang tussen de
teke­ning en de vrucht. Als we schrijven doen we dat met onze handen, meestal met de rech­terhand. Er bestaat een verband tussen het schrijven met de hand en het spraakcentrum in onze hersenen, het zogenaamde Broka’s spraakcentrum. Dat centrum hangt met het spreken samen, is actief als we spreken. Het staat in verbinding met het motorische spraakcentrum in onze keel. Welnu, als ik met mijn handen die tekens neerschrijf, dan gaat dat eigenlijk in tegen hetgeen zich in mijn denken voltrekt. Het is, hoe zal ik dat zeggen, net zoiets als wanneer ik een bril wil opzetten, maar hem feitelijk op tafel leg. Je doet iets anders dan je wilt doen. Het spraak­centrum wil een spraakbeweging in werking zetten; dat gebeurt echter niet, er gebeurt iets heel anders. Er wordt geschreven. Abstracte, zinloze tekens worden op papier ge­zet. Dat druist eigenlijk in tegen de beweging die door het centrum in werking wordt ge­zet. Schrijven is iets dat geen samenhang heeft met wat het spraakcentrum eigenlijk wil. Daarom is het voor kinderen zo moeilijk te leren schrijven. Voor het fantasievolle kind is het iets saais, iets wezenloos. Zo’n kind zegt: het leukste is om een appel te eten. Daama is het het leukste om een appel te tekenen. Schrijven heeft echter niets met een appel te maken en is daarom eenvoudig weg oninteressant. Zo’n kind denkt er niet over om vanuit zichzelf de tekens a-p-p-e-l neer te graveren. Zo’n kind heeft een inner­lijke weerzin tegen het schrijven omdat het niets met de werkelijkheid te maken heeft. Dat is een pedagogisch probleem. Met een beetje vindingrijke pedagogen wordt dit pro­bleem in de klassen opgelost. Met het tweede type kind ligt dat echt anders.’

Hij pakt weer een stuk papier en schrijft de letters Bsht op. ‘

schrjifproblemen 4

Je moet je maar eens voor­stellen voor wat voor een problemen die kin­deren staan. Het zijn nou net de problemen waartegen ze niet opgewassen zijn, omdat er geen innerlijke ruimte is waarin ze de dingen zelfstandig kunnen laten voltrekken. We ho­ren de woorden in de ruimte om ons heen. Bij het schrijven moet die driedimensionale ruimte worden omgevormd in een tweedi­mensionale. De tekens moeten op het platte vlak verschijnen. Daar komt dan nog bij dat taal met de tijd te maken heeft. Het een komt na het ander. De klankvolgorde B-l-e-i-s-t-i-f-t moet tot grafische vorm worden. Waar het om gaat, is dat er een innerlijke stevigte nodig is zo’n proces in jezelf als het wa­re na te doen, om er zo afstand van te kun­nen nemen dat je het zijn weerslag kunt la­ten vinden in grafische tekens. Dat is onge­hoord moeilijk! Kinderen die die innerlijke ruimte niet hebben, kunnen dat niet en schrijven dan Bsht. De rest kunnen ze inner­lijk niet vasthouden. Tsja, en dan zijn er lera­ren die laten zo’n kind honderd keer Bleistift opschrijven. Honderd keer onder elkaar. Ze denken dan dat dat helpt, dat het kind zich bij de honderdeneerste keer wel herin­nert dat het Bleistift is en niet Bsht. Maar zo gaat dat niet. Zo gaat dat echt niet. Leren schrijven gaat niet langs de weg van instam­pen en instampen. Waar het om gaat is dat zo’n kind oefeningen krijgt waardoor het bewust wordt van hetgeen er zich van bin­nen voltrekt. Er moet iets gebeuren waar­door de levenskrachten los komen van het
lichaam en aangewend kunnen worden voor het opbouwen van een innerlijke ruimte. Het moet innerlijk beweeglijk worden, een liqui­de beweeglijkheid moet ontstaan, waardoor hij los komt van het strikt nabootsende.’

Oefeningen

Als we Baur naar oefeningen vragen, noemt hij ondermeer die waardoor het spiegelende vermogen wordt aangesproken. Hij tekent slingerende lijnen op het papier en zegt: ‘Het kind moet proberen het exacte spiegelbeeld ernaast te tekenen. Hij ondervindt dat dat moeilijk is, hij ervaart de innerlijke weer­stand die erdoor wordt opgeroepen. Dat is belangrijk. De oefeningen moeten hem als het ware wakker maken in het gebied waar zijn probleem ligt. Hij moet in de innerlijke ruimte getrokken worden. Een ander voor­beeld, voor kinderen die moeite hebben met het scherp neerschrijven van de lettertekens (‘slordig’ schrijvende kinderen dus), is het schrijven met de voet.

Schrijven met de voet?

Baur: ‘Ja, schrijven met de voet. Door zo’n oefening verbind je de wil van het kind met de vorm van zo’n letter. Hij moet veel be­wuster kijken en in zich opnemen hoe zo’n letterteken eruit ziet. Het is een heel inspan­nende bezigheid. Daar wordt zo’n kind wak­ker van. Ik geloof dat je het deze kinderen juist heel moeilijk moet maken. Maar dan bedoel ik écht moeilijk. Ze moeten die moeite als een innerlijke realiteit ervaren. Kijk, je kunt natuurlijk zeggen: die abstractie is juist toch heel moeilijk voor kinderen? Maar dat is eigenlijk niet het geval. Daarvan is niet het probleem dat het moeilijk is, maar dat het niet interessant voor ze is. Dat is heel iets anders. Door ze bijvoorbeeld met de voet te laten schrijven, wordt het op zo’n manier moeilijk voor ze dat ze er iets mee kunnen beginnen. Het is een moeilijkheid die ze in­nerlijk herkennen, die de wil opwekt’.

schrjifproblemen 5

 

Baur vertelt hoe hij samen met de ouders het geval van een kind dat niet leert lezen en schrijven, een plan opstelt.
‘Ik zeg tegen die ouders dat het heel moeilijk is, maar dat het kan. Als zij dan zeggen dat ze het willen, dan zullen we de klus klaren. Ik maak bijvoor­beeld een soort van weekrooster waarop het kind moet invullen welke oefeningen hij op maandag, dinsdag enzovoorts heeft gedaan. Van tevoren vertel ik het kind dat hij niet langer dan twintig, maar ook niet minder dan tien minuten per dag moet oefenen. Per dag moet het kind het aantal minuten invul­len. Aan het eind van de week telt hij de mi­nuten bij elkaar op en brengt het rooster naar me toe. Daar praten we dan over. U vindt dit misschien schoolmeesterachtig, maar mijn ervaring is dat kinderen van dit soort afspraken houden. Tenminste na het zevende jaar. Ik heb ontdekt (hij begint te lachen) dat kinderen altijd eerlijk zijn met zo’n rooster. Of ouders er altijd even eerlijk mee omgaan, dat betwijfel ik wel eens…’

Andere oefeningen: het buitensporig groot schrijven van de lettertekens. ‘Jawel, laat ze rustig letters tekenen van een halve meter hoog. En het schrijven langs lijntjes. Drie lijntjes… Eén waar de letters op rusten, één waar ze naar boven toe niet overheen mogen komen, zoals de k’s en de I’s en een lijn er tussen in, om aan te geven hoe hoog letters als de e, de a, de v en de z mogen worden.’ Na even praten, merken we dat Alfred Baur een hele toverdoos vol heeft met dit soort oefeningen.

Mensen veranderen

Tot dusver is duidelijk geworden dat het toe­nemen van het aantal kinderen dat lees- en schrijfproblemen heeft, samenhangt met het proces dat zich rond het zevende jaar vol­trekt en dat nadelig wordt beïnvloed door al­lerhande factoren die in onze cultuur een rol zijn gaan spelen. Maar dat merkte Baur op naar aanleiding van het tweede type kind. Ook over het eerste type, het fantasievolle kind, zegt Baur dat het in toenemende mate voorkomt. Er moeten dus nog andere dan genoemde oorzaken zijn waardoor het verschijnsel steeds vaker optreedt. In het begin zei hij er al iets over: het veranderen van de menselijke constitutie.

Alfred Baur: ‘Het hoogtepunt van de mate­rialistische cultuur lag in het midden van de vorige eeuw. Het interessante is dat wie in die tijd ‘dom’ heette te zijn, ook niet kon le­zen en schrijven. Omgekeerd kun je dat ook zeggen: wie niet goed kon lezen en schrijven, was eenvoudigweg dom. Tegenwoordig is dat anders. Er zijn vele intelligente, fantasievolle en overigens zeer begaafde mensen, die de grootste moeite hebben met lezen en schrij­ven. Intelligentie en schrijfvermogen waren in die tijd identiek. Als je niet kon schrijven, kon je ook geen bankdirecteur worden. Ik denk dat dat tegenwoordig anders is…(lacht). Wanneer je nog verder terug gaat in de tijd, naar de Griekse, Egyptische, Perzische en de Indische cultuur, dan zul je zien dat intelli­gentie en schrijfvermogen ook niet identiek waren. De menselijke constitutie in die tijd was eenvoudigweg anders; men kon andere dingen, had andere vaardigheden. Ook naar de toekomst toe zal zich dat naar mijn me­ning opnieuw veranderen. De tijd dat het om dingen als abstractievermogen gaat, is al aan het voorbij gaan; we stellen het al minder op prijs dan de mensen uit de vorige eeuw. So­ciale vaardigheden, fantasie, beeldend den­ken… dat zal in toenemende mate belangrijk worden in onze cultuur. Dat komt door een veranderende constitutie. Je ziet het aan de kinderen: ze dragen een goudmijn van ver­mogens in zich – misschien niet lezen en schrijven! – en zoeken de weg waarlangs ze dat naar buiten kunnen brengen. Dat is de taak van het onderwijs, het vinden van het­geen de kinderen nog verborgen met zich meenemen als ze op aarde komen. Ze willen in het onderwijs de schoffels en beitels vin­den waarmee ze hun goudmijn kunnen del­ven. De kinderen zijn niet minder intelligent dan vroeger, maar geloof me, ze zijn geschik­ter voor het jagen en vissen dan voor het le­zen en schrijven!
Niettemin is het belangrijk dat ze dat leren. Dat zal in toenemende mate minder vanzelf gaan. Het zal er steeds meer om gaan dat de kinderen in hun wil worden aangesproken en dat ze op basis van die wil leren lezen en schrijven’.

.

 

Rudolf Steiner over schrijven en lezen: alle artikelen

Schrijven en lezen: alle artikelen

Leerproblemen: alle artikelen

.

691-631

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – alle artikelen

.

6e klas(ser): impressie

Aardrijkskunde
alle artikelen

Geschiedenis
alle artikelen

Handenarbeid
[1] hout

Meetkunde
alle artikelen

Mineralogie
alle artikelen

Natuurkunde
alle artikelen

Nederlandse taal
[1] ontleden
[2] het Nederlandse taalonderwijs
Het binnenste buiten
over: ontwikkeling kind v.a. 12e jr.; overzicht van de woordsoorten; enkelvoudige en samengestelde zin; stijl: door gebruik van ‘de wijzen’; vertelstof; leer- en ontwikkelingsdoelen; ontleden;

woordsoorten

Niet-Nederlandse talen
Frans: leerplangezichtspunten
Engels: vakkenintegratie met geschiedenis: Engels leesboekje over Julius Caesar and Roman Britain

Rekenen
alle artikelen

Raadsels
‘gewone’; rekenraadsels; breinbrekers

Spraakoefeningen

sterrenkijken (8 – 12jr)

Tekenen
zwart-wit (1)
tekenen met houtskool
zie ook:
de vele nuttige aanwijzingen op deze site 

Vertelstof
Over de Kalevala

Vormtekenen
zie de blog

6e klas: alle artikelen


VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas: alle beelden

.

690-630

.

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – naamvallen

.

“GEVALLEN” EN “NAAMVALLEN” IN ONZE HEDENDAAGSE TAAL
.

Ons taalonderwijs is in eerste aanleg geheel gebaseerd op spreken en luisteren. Het schriftelijk taalonderwijs – ten onrechte voor het enige belangrijke versleten – gaat eigen wegen om zich via het tekenen tot schrijven te vormen en uitdrukking voor taal op papier te worden. Wanneer de vereniging van schrijven en spreken, van luisteren en lezen heeft plaatsgevonden is een belang­rijke nieuwe fase in het taalonderwijs gekomen. Er ont­staan vragen bij het kind. Hoe zit de taal “in elkaar”? Met de zich verscherpende bewustzijnskrachten is het vragen naar het hoe en wat gerechtvaardigd.
Dan komt de vraag naar de structuur van de taal te voor­schijn. Onbewust spreekt via de nabootsing elk kind ver­staanbare en begrijpelijk gevormde zinnen. Maar het kind is er in de vierde klasse aan toe bewust te gaan onder­scheiden, wat een zin is en daarbij te gaan beseffen, wat onzin is.

Eerst gaat het in hoofdzaak om het gebruik van de goede woorden en het onderscheiden van woordsoorten. Maar vanaf de vijfde klas komt geleidelijk een aantal struc­tuurwetmatigheden te voorschijn, die onderscheiden, herkend en gehanteerd  dienen te worden.
In een zin komen zinsdelen voor die niet uit één woord be­hoeven te bestaan. Het onderkennen van die zinsdelen wordt meestal “ontleden” genoemd. Dit is in de taal eigenlijk een onsmakelijke term, die meer aan artsenijkunde en de snijzaal herinnert.
Het is meer een rubriceren en herkennen van belangrijke zinsdelen. Zij worden immers niet opgegeten of weggegooid, maar verbonden met elkaar.

Het typische van die zinsdelen is, dat hun waarde, ongeacht hun plaatsing in de zin, onaangetast blijft voor het vatten van de structuur. Er steekt iets achter.
Men noemt dat “naamvallen”.

Een collega, niet de eerste de beste overigens, leerde, dat naamvallen in de Nederlandse taal niet voorkomen. Een aanvechtbare bewering. Er zijn wel degelijk aparte ge­vallen, waarin een woord in een zin kan voorkomen. Voorbeeld: ik geef hem iets, de hoed van hem, ik ga naar hem. Onjuist is (zonder naamvallen)  “ik geef hij iets, de hoed van hij, ik ga naar hij toe.

In de normale zin is iets een hoofdzaak waarom het in die zin gaat. Dat is het eerste geval. Dan is er weer een activiteitswoord of een zijnswoord met die hoofdzaak ver­bonden.

Zo’n activiteitswoord kan een ander woord in nauw verband bij zich hebben.

“Ik zie”, heel goed, maar wat?  “Ik zie een koe”.

Men noemt de drager van de handeling van het eerste geval meestal vierde geval. Er is zo’n nauwe betrekking, dat geval vier geval één kan worden. “Hij gooit een steen”, “Een steen wordt gegooid door hem”. Vierde en eerste geval zijn niet geheel verwis­selbaar doordat, ondanks de gelijke betekenis, de vormen verschillen, de eerste vorm is actief, de tweede passief.

Er is nog een geval nodig achter een helpend voorzetsel. “Door hij” is onzin. “Door hem” moet het zijn. Achter het voorzetsel behoort de vorm van een vierde geval. Ook in het Nederlands moest men vroeger zeggen: “Ik ga tot enen goeden vriend.

Er bestaan voor een zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en voor de voornaamwoorden verschillende vormen, afhankelijk van de gevallen, waarin zij in de zin ge­bruikt worden.

Soms sleten die vormen af. Soms werden ze vervangen door een voorzetsel.

Er zijn nog twee belangrijke gevallen. Het ene kijkt naar het verleden, de ontstaansgrond, hoe triviaal ook. Men noemt dat een genitief geval. Er tegenover staat de andere. Die kijkt a.h.w. naar de toekomst. Waar gaat het heen? Dat noemt men een datief-geval. Een geef-geval. Het genitief geval is een ontstaans-geval.
Behalve het activiteitswoord zijn er dus hoofdzakelijk vier gevallen: hoofdgeval, genitief-geval, datief-geval en (de Romeinen waren dol op rechtszaken), beschuldig-geval? lijdend geval of accusatief. Hoe ver is een geval van de hoofdzaak afgevallen?

grammatica

In zeer vele talen komen deze gevallen voor. Men is hen naamvallen gaan noemen. Het Latijn spreekt echter rustig van ‘geval’ (casus).
In het Nederlands en andere talen is een verschil te zien tussen geval en naamval.

Maarten geeft de bedelaar een (halve) mantel
Martinus    mendico      pallium  dat.
1e naamv.  3e naamv.   4e naamv.

Maar wanneer wij een voorzetsel te hulp roepen, hebben wij te maken met het slijtageproces, waarin achter elk voorzetsel een vierde naamval moet staan. Er is dus verschil:  “geval” is een veel omvattender begrip voor de structuur van een zin.

Maarten geeft aan de bedelaar een (halve) mantel
1e naamval     4e naamval                 4e naamval
1e geval           3e geval                        4e geval

Grammaticaal zit het dan zo. Evenals het meisje, dat met zijn pop speelde (hetgeen grammaticaal correct is), zetten we de grammaticaregel opzij, voor het ruimere begrip “vrouwelijk wezen”. Het meisje speelt met haar pop.

De kwestie van “geval” en “naamval” is opgelost. Het kan voor een kind duidelijk gemaakt worden. Voor een taalgeleerde misschien niet.

P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)
.

Nederlandse taal: alle artikelen

.

689-630

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – taalspelletjes (1)

 

Onderstaande spelletjes zijn te spelen met een of meerdere kinderen.
Achter de naam staat aangegeven om hoeveel kinderen het gaat
o = onbeperkt
m = meerdere

[1] Letterprikken                                  o
[2] De domme diender                        o
[3] Letterhutspot                                  o
[4] Woordbouwen                                1 of meer
[5] Woordjes rijgen                               o
[6] Woordrafelen                                  o
[7] Woordverhuizen                              o
[8] Namenspel                                     m
[9] Kettingwoorden                             m
[10] Woorden rijgen                              <5
[11] Weggestopte woorden                  m
[12] Letterspel                                       m
[13] Letters verwisselen                         m
[14] Woorden maken

(Nicole Karrèr, Jonas 20, 30-05-1986
.

Kinderen bezitten een verbazingwekkend vermogen tot spelen met taal, zoals het verzinnen van rijmwoorden of het ontwerpen van een geheimtaal. Volwassenen oefenen hun taalbehendigheid liever met cryptogrammen of ‘scrabble’.
Nicole Karrèr geeft een aantal ideeën voor taalspelletjes die door kinderen en volwassenen zijn te spelen.

Het spelen met taal lijkt soms meer op stoeien of worstelen, het aftasten en overschrijden van grenzen is de on­weerstaanbare uitdaging. Het verzinnen van rijmwoordjes op namen door kleuters is een van die grensgevallen. Mijn naam schijnt voor kleine kinderen op rooie kool te rijmen. Dat valt nogal mee, maar op sommige namen volgen onweerstaan­baar wat pijnlijke rijmwoorden waar de drager flink mee gejend kan worden. Het verdraaien of weglaten van woorden in zinnen volgt vaak op de rijmwoorden; om te schelden hebben ze dan allang de schuttingwoorden en krachttermen ont­dekt die met overduidelijk genoegen
wor­den gebezigd.

Het ontwerpen van een geheimtaal, waar­mee een groepje vriendjes zich in een zelf­geschapen fantasiewereldje kan verstop­pen voor oningewijden, is een geweldig spel. Wanneer alle leden trouw blijven aan de geheimhoudingsplicht kan het maan­denlang steeds weer opgepakt worden. Volwassenen oefenen hun taalbehendig­heid doorgaans alleen met kruiswoord­raadsels en cryptogrammen of af en toe met Scrabble. Misschien dat er onder hen ook mensen zijn die onderstaande taal­spelletjes leuk vinden om te spelen, al was het maar met de kinderen. Ik kreeg deze spelletjes van de Zutphense taalliefhebber Guus Koopman, die al enige tijd taalspel­letjes verzamelt en ontwerpt.

[1] Letterprikken
Aantal spelers: onbeperkt. Prik een letter in een krant of tijdschrift of wanneer het spel tijdens een autorit wordt gespeeld, laat het nummerbord van de eerstvolgen­de passerende auto een letter aangeven. Bepaal de speeltijd. (Bijvoorbeeld een minuut.) Bepaal eventueel een onderwerp en schrijf binnen de overeengekomen tijd zoveel mogelijk woorden die beginnen met de geprikte letter. Wie heeft de mees­te en wie heeft de meeste originele woor­den?

[2] De domme diender
Aantal spelers onbeperkt, maar voor kin­deren misschien te moeilijk. Prik weer een letter en tracht binnen een afgesproken tijd een zin te maken waarvan elk woord met dezelfde letter begint. ‘Achterlijke Amsterdamse  Aannemers  Adresseren Aalsmeerse Anjers Aan Arnhemse Archi­tecten.’

[3] Letterhutspot
Aantal spelers: onbeperkt. Knip hiervoor flink wat letters uit tijdschriften.
Plak ze eventueel op stevig karton. Losse letters kunnen voor veel spelletjes gebruikt wor­den of gebruik Scrabble-letters Verdeel de letters over de spelers. Elke speler maakt met zijn letters een woord waarvan de lengte is afgesproken. Vervolgens hus­selt hij het woord weer door elkaar en schuift het hoopje letters van de buurman van de andere zijde. Wie heeft de ‘huts­pot’ het eerst opgelost? Welk woord had de buurman met z’n letters bedoeld?

[4] Woordbouwen
Eén of meer spelers. Prik weer een letter en probeer die door steeds een letter toe te voegen uit te bouwen tot een piramide.

letterspel
letterspel 2

[5] Woordjes rijgen
Aantal spelers: onbeperkt. Bij dit spel gaat het erom na elkaar samengestelde woorden te noemen die op elkaar aanslui­ten. Een spelletje dat vroeger op lagere scholen wel gespeeld werd. Bijvoorbeeld: koekepan-panfluit-fluitketel-ketelhuis-huisbaas-baas? Spreek onderling af welke straf staat op het niet vervolgen van de reeks.

[6] Woordrafelen
Eén of meer spelers. In welke woorden kan een samengesteld woord
uiteengera­feld worden? Bijvoorbeeld vensterglas: ven-venster-ster-er-glas en las. Bij verder rafelen kun je nog maken: sla-gave-sta enzovoort.

[7] Woordverhuizen
Aantal spelers: onbeperkt. Neem een woord, bijvoorbeeld klaar. Probeer nu, door steeds een letter te veranderen het hele woord weg te werken. Dus klaar-kaars-knars-snurk-kunst-gunst en dan weer terug: gunst-stang-staan-slaan-slaak-klaar.

Als boven:
Geef de kinderen een woord, mes. Nu telkens een letter wijzigen: mos; ros; rot; rat; kat; vat; vet; pet enz.
Dit kan je al vanaf (eind) klas 1 spelen; vooral als je even op een collega moet wachten die een vakles komt geven, of als je iets te vroeg bent om naar buiten te gaan. De kinderen kunnen het ook voor zichzelf spelen, maar ook met elkaar: wie vindt de meeste; of in een ‘team’. In hogere klassen worden de woorden natuurlijk moeilijker.
einde bijdrage N.Karrèr

[8] Namenspel

Nodig: een stuk papier, iets om te schrijven

De eerste speler noemt een jongen- of meisjesnaam, bv. Henk.
Nu moet er van de letters h  e  n  k  een zin worden gemaakt: bv. hij eet nooit kroepoek.
Er kan met de zandloper, klokje enz. worden gewerkt om de tijd te bewaken.
Je kan natuurlijk ook andere namen nemen: dieren, planten enz.
Nog wel moeilijk voor kleinere kinderen; misschien 5x: wie de meeste heeft is winnaar.

[9Kettingwoorden

Dit kan je al met z’n tweeën spelen. De eerste speler noemt een willekeurig woord, bijvoorbeeld ‘stok’. De tweede speler moet hier nu een langer woord van maken. Dat kan het woord ‘stokpaard’ zijn. Nu is de volgende speler aan de beurt. Hij moet van het woord ‘paard’ een langer woord maken. Dat kan bijvoorbeeld ‘paardmens’ zijn. De volgende woorden die dan kunnen worden gemaakt, zijn onder meer ‘mensdom’, ‘domoor’, ‘oorbel’, enzovoort. Als een van de spelers geen nieuw woord meer kan maken, valt hij af en is de volgende speler aan de beurt. Degene die als laatste overblijft, is winnaar.

Je kan het bv. ook met dierennamen doen, waarbij na het genoemde woord, bv. paard, de volgende verder moet zoeken naar een dierennaam beginnend met een d (das)  s  (salamander) enz. Je kan afspreken hoe lang je mag nadenken (zandloper, secondewijzer)

[10Woorden rijgen

We gaan een woordenketting maken.

Nodig: stuk papier of karton
Maak 40 kaartjes van ongeveer 3 bij 1,5 centimeter.
Schrijf daarop onderstaande woorden. De laatste letter van een woordje is steeds schuin geschreven.

Maximaal vier spelers.
Iedereen krijgt acht kaartjes.
De kaartjes die overblijven, leg je ondersteboven op een stapeltje.

De eerste speler legt een van zijn kaartjes open op tafel. Bijvoorbeeld e e n. De volgende speler mag daar een kaartje aanleggen mits er samen met de schuine N een nieuw woordje kan worden gevormd. Hij legt misschien het kaartje met ’aar’ zodat het woord ‘naar’ ontstaat. Hij had overigens ook een kaartje vóór het andere kaartje mogen leggen. Dat mag als er tenminste samen met de schuine letter een nieuw woord ontstaat. In dit geval had dat het kaartje met het woord
‘ind’  kunnen zijn zodat het woordje ‘deen’ was ontstaan.

Zo gaat het spel door tot aan het moment dat iemand geen nieuw woord meer kan maken. Hij moet dan een kaartje van het stapeltje nemen en mag het nog een keer proberen. Lukt het dan nog niet, dan is de volgende speler aan de beurt. Degene die als eerste al zijn kaartjes op heeft, is winnaar.

AAN                             EIK                              IJ                              OOR

AA                             E                               IJ                              OP

AA                            EL                                 I                               DOR

A                               EN                                 OB                                OS

A                                EP                                 OL                                OUD

AR                                 E                               OM                                UIL

AU                                 E                                 ON                               UIT

E                                IEL                                ONS                              UL

EG                                  IE                              OO                             UUR

EEN                               IND                              OO                             UW

Voorbeeld:

ES-IER-AAP-EN-OR

[11] Weggestopte woorden

In elk vierkant zit een woord verborgen. Steeds is dat een woord uit een bekend spreekwoord of gezegde. De rest van elk spreekwoord of gezegde kun je in de zes zinnen vinden. Zoeken maar!

Heb je alle woorden gevonden? Pak dan een vel papier en probeer zelf ook een aantal weggestopte woorden te maken. Je kunt daarvoor spreekwoorden gebruiken, maar bijvoorbeeld ook titels van bekende liedjes.

1. Niet alleen koks dragen ze lang.
2. Zo vegen nieuwe bezems wel.
3. Hij heeft er veel van op zijn zang.
4. Dit heeft hij beslist niet uitgevonden.
5. Als de vos dit preekt, moet de boer op zijn kippen passen.
6. Van hieraf kun je in de drup raken.

[12] Letterspel

Leuk met een grote groep. Het aantal moet even zijn. (Een ‘oneven kind’ kan spelleider zijn)

Maakt dubbel zoveel kaartjes als er spelers zijn. Op elk kaartje zet je de naam van iets dat bij elkaar hoort. Zo kun je op kaartje A voorbeeld het woord ‘auto’ schrijven en op kaartje B het woord ‘band’. Op kaartje C ‘kussen’ en op D het woord ‘sloop’. Je kan het ook gebruiken om bijvoorbeeld tegenstellingen aan te leren: ‘hard’ – zacht’; ‘sympathie’- ‘antipathie’.  Gooi de kaartjes door elkaar. (woorden niet zichtbaar). Nu neemt ieder kind een kaartje en speld, plakt (plakbandje) dat op zijn kleding. Dan gaan alle deelnemers op zoek naar hun partner.
Wie elkaar heeft gevonden, mag een envelop met letters pakken. Je kunt hiervoor letters gebruiken, die je uit de koppen van een krant hebt geknipt. (Neem geen ‘eetletters’, die bevatten of veel suiker en/of veel zetmeel, en zijn dus ‘dikmakers’.

Tot het spel stopt kan ieder koppel proberen zoveel mogelijk woorden te maken. (Schrijfgerei neerleggen om te kunnen noteren!)- Wie de meeste heeft, wint (een prijs(je).

[13] Letters verwisselen

Een leuk spel waar je lang mee bezig kunt zijn. Iedere speler krijgt een stuk papier en een potlood of een balpen. De eerste speler bedenkt een woord van vier letters, bijvoorbeeld ‘slim’. Alle spelers schrijven dit woord op. Nu moet iedereen onder dit woord een nieuw woord schrijven dat één letter van het eerste woord verschilt. Dat kan ‘list’ zijn, maar ook ‘slib’, ‘slik’, ‘mals’ of ‘stil’. Er zijn nog veel meer mogelijkheden. De spelers hoeven de opgeschreven woorden niet aan elkaar te laten zien. Het is de bedoeling dat er een zo lang mogelijke lijst wordt gemaakt. Zodra een van de spelers niet meer verder kan, stoppen ook de anderen en worden de lijsten vergeleken. Degene met de meeste goede woorden heeft gewonnen.

Er zijn varianten. Je kan een woord geven: slim en er mag 1 letter veranderd worden: klim, dan weer een: klom, enz. klam, klas, kaas. Dat kan heel lange rijen opleveren.
Ik deed het vaak op ‘verloren’ ogenblikken. Nog net geen tijd om naar huis te gaan; vlak voor een pauze. Je kan het op bord veranderen en de kinderen mondeling laten meedoen. Gedurende het jaar probeerden we het ‘record’ aantal woorden te verbeteren.

In hogere klassen kan dat ook met woorden van 5 letters.

[14] Woorden maken

Ook deze variant kan je vaak en makkelijk gebruiken.
Het kan individueel, maar ook klassikaal met het woord op het bord.
Het gaat om een lang woord, bijv. vrachtwagenchauffeur. Welke woorden kun je daar uithalen, ook door letters te verwisselen of letters niet te gebruiken: vracht; wagen, chauffeur; vacht, wacht, gracht, geur, grauw enz.
Je kan als je het mondeling doet, het kind dat met een woord komt, vragen dit in een zin te gebruiken. ‘Hij zag als as zo grauw.

Nederlandse taal: alle taalspelletjes

Nederlandse taal: alle artikelen

 .

688-629

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Darwin

.

DE EVOLUTIE VAN CHARLES DARWIN
.

Toen Zijner Britse Majesteits brik Beagle in 1831 zee koos voor een karteringsexpeditie om de aarde, kon niemand dromen dat dit de belangrijkste tocht sinds de dagen van Columbus zou worden. Al evenmin had de jeugdige Darwin, die de reis als natuuronderzoeker meemaakte, er het flauwste ver­moeden van dat hij daarmee op weg was een nieuwe wereld van kennis te ontdekken. De toen nog slechts 22-jarige, kersvers van Cambridge gekomen Charles Darwin, was een bescheiden, ge­voelige, vriendelijke jongeman, die de gehele tocht bijna door­lopend te kampen had met zeeziekte. Maar onaangetast bleef de gretige weetgierigheid van zijn scherpe geest, die de hebbelijkheid bezat voor alles een verklaring te bedenken. Hij kon eenvoudig een feit niet klakkeloos als feit aanvaarden. Hij moest en hij zou achter het hoe en waarom komen.

Hij begon dan ook terstond als een nieuwsgierige hond rond te snuffelen zodra hij voet aan wal had gezet op de onbewoonde Galapagos Eilanden, honderden kilometers uit de kust van Zuid-Amerika in de Grote Oceaan gelegen, op een der eenzaamste plekken van de streek der windstilten. Hier vond hij een levend museum uit een lang vervlogen geologisch tijdperk; reuzenhage­dissen, die al lang uitgestorven hadden moeten zijn, leefden er naast kolossale landschildpadden, en enorme, exotisch gekleurde krabben kropen rond tussen blaffende zeeleeuwen. Zo volslagen onbekend was het verschijnsel mens voor de dieren in deze Hof van Eden, dat een havik rustig op zijn boomtak bleef zitten toen iemand met een stok op hem afkwam, en de wilde duiven argeloos op de schouders van de mannen neerstreken.

Maar de merkwaardigste ontdekking die Darwin op deze afge­legen archipel deed, was dat ieder afzonderlijk eiland, dat toch hetzelfde klimaat en dezelfde bodem had als de andere, zijn eigen specifieke fauna bezat. Daar waren bijvoorbeeld de zwermen vinken, kennelijk alle met elkaar en met de vinkenfamilies op het Zuid-Amerikaanse vasteland verwant; toch kon hij geen twee eilanden ontdekken waarop precies dezelfde soort voorkwam. Wat voor de vinken gold, constateerde Darwin, gold ook voor de duiven, de hagedissen, de schildpadden, de insecten, de slakken. Maar waarom zou moeder natuur de  moeite hebben genomen om, ogenschijnlijk zonder enige reden, afzonderlijke soorten van nauw verwante levensvormen te creëren op vlak bij elkaar gelegen eilanden? Dat leek onlogisch. Maar in die dagen in twijfel te trek­ken dat de ettelijke miljoenen levende wezens, planten zowel als dieren, de aarde hadden bevolkt van de eerste dag der Schepping af – dat betekende het gezag trotseren, niet slechts van Genesis, maar ook van toonaangevende mannen van wetenschap.

Darwins dagboek vermeldt het eerste gloren van het licht dat hem begon op te gaan. “Men zou zich kunnen voorstellen,” schreef hij, “dat één soort veranderingen had ondergaan voor verschillende doeleinden. Op deze kleine, kale, rotsachtige eilanden schijnen wij dichter te worden gebracht bij de oplossing van het grootste aller raadselen, de eerste verschijning op aarde van nieuwe levende wezens.”

Vijf jaar kruiste de Beagle rond — naar Tahiti, Nieuw-Zeeland, Tasmanië, Australië, Ascension, de Kaap Verdische Eilanden, de Azoren. En overal stelde het eilandleven Darwin voor dezelfde verwarrende vraag en gaf het hem hetzelfde ongelooflijke ant­woord in.

Terug in Engeland, dat hij verder nooit meer zou verlaten, bleek Darwin zich daar, zo jong als hij was, reeds een bescheiden naam te hebben gemaakt — vanwege zijn boeiende brieven en prachtige verzamelingen. Enige jaren later vestigde hij de aan­dacht op zich met zijn boek over het ontstaan van ringvormige koraaleilanden (atollen) en met zijn studies op het gebied van de mariene biologie. Maar slechts aan heel enkele vrienden vertrouw­de hij het geheim toe van zijn theorie. Ze stond opgetekend in een notitieboekje dat hij altijd bij zich droeg en waarin hij met on­eindig geduld alle gegevens vastlegde die op zijn idee betrekking schenen te hebben. Hij ging zijn licht opsteken bij kwekers en fokkers, wier aantekeningen hij grondig doornam en vergeleek.

Hij kocht duiven — alle soorten die hij kon bemachtigen — ging ze fokken, bestudeerde ze en paste er sectie op toe. Ofschoon onze tamme duiven allemaal afstammen van de gewone Europese Rotsduif, bleek het Darwin dat kroppers, pauwstaarten, Engelse postduiven en tuimelaars als gevolg van de eeuwenlang door duivenhouders toegepaste selectie zozeer van elkaar zijn gaan ver­schillen, dat een zoöloog ze tot verschillende families zou rekenen als hij een dergelijke verscheidenheid in het wild zou aantreffen. Hetzelfde verschijnsel merkte Darwin op bij honden en verschil­lende soorten tarwe. Evolutie moest derhalve niet slechts hebben plaatsgehad op geïsoleerde eilanden, eeuwigheden geleden; ze leek zich vlak onder zijn ogen nog altijd te voltrekken.

Twintig jaar was Darwin bezig met het geduldig uitwerken van zijn theorie, volstrekt onverschillig voor mogelijke roem en nauwe­lijks denkend aan publicatie. Een vriend vertrouwde hij ten langen leste toe: “Eindelijk begint het mij te dagen, en ik ben er nu vrijwel van overtuigd (in tegenstelling tot wat ik aanvankelijk dacht) dat de soorten niet onveranderlijk zijn (het is mij te moede of ik een moord beken).” Maar een moord zal in de regel uitkomen, en op een ochtend vond hij op de ontbijttafel een brief, die bij opening een theorie bleek te ontvouwen, zo frappant overeenkomend met de zijne, dat men zou kunnen menen dat de aan het andere einde van de wereld vertoevende auteur ervan heimelijk een blik moest hebben geslagen in de 231 bladzijden van Darwins eigen onge­publiceerde manuscript. Op een reis in de Indische Archipel was Alfred Russel Wallace, een bekend dierenverzamelaar, ziek ge­worden en had, met de vreemde helderheid die koorts soms kan teweegbrengen, in een flitsend moment van intuïtie gezien hoe de natuur de wereld heeft verrijkt.

“Er is,” schreef Wallace, “in tegenstelling tot wat men vroeger dacht, geen grens aan de variabiliteit van een soort. Het leven van dieren in de vrije natuur is een strijd om het bestaan. De talrijk­heid of het zeldzaam worden van een soort wordt bepaald door de meer of minder perfecte wijze waarop ze zich weet aan te passen aan de omstandigheden waaronder ze moet leven. Nuttig blijkende variatievormen zullen in aantal toenemen, onbruikbare of schadelijke variaties zullen een achteruitgang gaan vertonen. Superieure variëteiten zullen ten slotte de oorspronkelijke soort uitroeien. Er is in de natuur een tendentie tot een stapje voor stapje voortschrijdende vooruitgang.”

“Strijd om het bestaan”, “aanpassing aan de omstandigheden”, “een stapje voor stapje voortschrijdende vooruitgang” — het waren Darwins eigen woorden! Darwin was opgetogen over deze bevestiging van zijn ontdekking, maar tegelijkertijd ook danig overstuur door het pijnlijke ethische probleem waarvoor hij werd gesteld. Hoe kon hij nu zijn eigen bevindingen publiceren zonder de indruk te wekken de ideeën van de zich in het Verre Oosten bevindende natuurvorser te hebben gestolen en te handelen in strijd met het wetenschappelijk fatsoen? Er werd een gelukkige oplossing gevonden — beide mannen kwamen overeen aan hun nieuwe theorie van evolutie door natuurlijke selectie gezamenlijk bekendheid te geven op de eerstvolgende vergadering van het biologisch genootschap, de Linnaean Society. De stellingen, op die historische avond van 1858 aan het geleerde gezelschap voorge­legd, luidden als volgt:

Eerste feit: Levende wezens planten zich voort volgens een meet­kundige reeks (door vermenigvuldiging).

Tweede feit: Toch pleegt het aantal individuen van elke soort, op de lange duur beschouwd, min of meer constant te blijven.

Gevolgtrekking uit deze beide feiten: Concurrentie tussen individuen en tussen soorten houdt hun aantallen binnen zekere perken. Dit is de strijd om het bestaan.

Derde feit: Alle levende wezens geven duidelijke onderlinge verschillen te zien. Geen twee individuen zijn volmaakt gelijk en binnen dezelfde soort kunnen sommige opvallend van elkaar verschillen. Ofschoon niet al zulke variaties overerfelijk zijn, tonen fokproeven aan dat sommige dit wel zijn.

Gevolgtrekking uit deze feiten: Daar er een strijd om het bestaan wordt gevoerd en niet alle individuen precies gelijk zijn, zullen bepaalde gunstige variaties, die een kleine voorsprong geven aan de individuen die ze hebben ontwikkeld, zich handhaven. Minder gunstige variaties zullen worden geëlimineerd. Dit is de natuurlijke selectie.

Conclusie: Doorgevoerd van generatie op generatie zal de natuurlijke selectie op den duur zoveel kleine verschillen kunnen teweegbrengen, dat ze gezamenlijk tot een groot verschil worden. En dit is evolutie.

Na sluiting van de vergadering steeg uit de leden van de Lin­naean Society een beleefd geroezemoes van stemmen op. Als Wallace en Darwin het bij het rechte eind hadden, dan zou het levenswerk van menig ouder man reeds zijn verouderd. Aan de andere kant — uit de tot dan zo mysterieuze fossielen van uitgestorven dieren en planten zou het beeld oprijzen van een ononder­broken schepping, nog grootser dan dat, opgeroepen door de letterlijke Bijbeltekst. Het volgende jaar deed Darwin Het ont­staan der soorten het licht zien. De eerste druk was reeds op de dag van verschijning uitverkocht. Het ontketende een storm van hefti­ge disputen in woord en geschrift. De man was gek! De man was een genie! De man haalde de anarchie in de wetenschap binnen!

Onder de ruimdenkende elementen in de kerken had het reeds lang gegist onder de loodzware druk van een onwrikbaar leerge­zag. Na de publicatie van Het ontstaan der soorten vloog het deksel van de hermetisch gesloten kookketel en kwamen de opgekropte gevoelens naar buiten. Felle discussies ontbrandden. Als gij de onfeilbare waarheid van het Evangelie niet meer letterlijk aan­vaardt, riepen de Victoriaanse fundamentalisten vertoornd uit, dan zet ge de sluizen wijd open voor het ongeloof en zullen alle morele maatstaven worden weggespoeld. Klets! antwoordden de opgetogen vrijzinnigen. Hier wordt ons een nieuwe vrijheid ge­boden ons te buigen voor de waarheid Gods zoals die staat
ge­grift in de gesteenten der aarde!

Dit was het klimaat waarin bisschop Samuel Wilberforce de uitdaging aanvaardde tot een debat in Oxford met Darwins felle jonge “schildknaap”, de bioloog Thomas Huxley. De grote zaal was stampvol. Dames wuifden met hun zakdoekjes de knappe bisschop Wilberforce “met de fluwelen tong” toe. Vele geestelij­ken waren opgekomen, stoere verdedigers van de publieke moraal. Mannen van wetenschap gaven acte de présence om te zien hoe “Zalvende Sam”, zoals zij de bisschop noemden, zou worden ge­vloerd.

Met het beetje wetenschappelijke kennis, dat Wilberforce inder­haast was bijgebracht, zou hij twintig jaar eerder misschien nog niet eens zo’n slecht figuur hebben geslagen. Maar hij wilde zich blijkbaar niet alleen op die kennis verlaten; hij trachtte ook de lachers op zijn hand te krijgen. Zich tot Huxley wendend met wat de genadeslag moest zijn, vroeg hij: “Is mijn geachte opponent van grootvaders of van grootmoeders zijde geparenteerd aan een aap?”

Opspringend zei de jonge Huxley op scherpe toon: “Ik zou liever langs beide ouders afstammen van een aap dan van een man die zijn schitterende talenten om godsdienstige vooroordelen op te roepen gebruikt in discussies over onderwerpen waarvan hij niets afweet.” Kreten van woede bij de geestelijken, hoerageroep bij de Oxford-studenten. De zege was aan Huxley —- en aan Darwin.

Intussen leefde Darwin teruggetrokken op zijn landgoed in Kent. Hij zou net zo lief zijn gestorven, zei hij, als te hebben moeten deelnemen aan het debat in Oxford. Darwin had ge­gronde reden om de afzondering van een rustig huiselijk leven te verkiezen. Hij tobde met een wankele gezondheid, en de minste opwinding kon hem ziek maken. Rust en vrede waren nood­zakelijk voor zijn werk. En werk kwam er bij stromen uit zijn studeerkamer en laboratorium, ieder jaar opnieuw. De afstamming van de mens, dat de stamboom van het menselijke dier naploos, gaf aanleiding tot nieuwe uitbarstingen van gramschap bij de kerkelijken. Daardoor niet van zijn stuk gebracht, schreef Darwin Het uitdrukken der gemoedsaandoeningen bij de mens en de dieren, waarin wordt aangetoond dat onze dierbaarste menselijke trekjes reeds zijn terug te vinden in het gedrag van het redeloze dier. Juist als zijn criticasters dan in angst en beven zaten te wachten op weer zo’n “lasterlijke aanval” op de goddelijke afkomst van de mens, overrompelde hij hen met een onschuldige verhandeling over de bevruchting bij orchideeën of over de wijze waarop bij primula’s zelfbestuiving wordt voorkomen.

Tevergeefs werd Darwins leven nagesnuffeld naar de morele defecten, die naar de vaste overtuiging van zijn vijanden aan­sprakelijk moesten zijn voor zijn vrijdenkerij. Alles wat er voor hen viel te ontdekken was een vriendelijke oude heer die zijn dagen sleet te midden van bloemen en kinderen — zijn twee grootste vreugden. Met geen woord had hij ooit God, of de men­selijke ziel, geloochend.

Onder de mannen der wetenschap was er nooit iemand meer geliefd dan hij. Wanneer hij in latere jaren op een wetenschappe­lijke bijeenkomst verscheen, plachten alle aanwezigen als één man op te staan om hem toe te juichen. Het was moeilijk te geloven dat rond deze stille man de verbitterdste filosofische strijd van de negentiende eeuw was ontbrand. Zelf had hij aan die strijd nauwe­lijks deelgenomen. Als een nijvere tuinman had hij zijn stukje grond omgespit en er het ene jaar na het andere grote klompen vruchtbare gedachten uit opgedolven, zich weinig aantrekkend van het ruziënd gekwetter der vogels die hem in de voren van zijn ordelijk werk volgden.

Aan wetenschappelijke kritiek placht Darwin echter aandachtig het oor te lenen, want hij was te allen tijde bereid de warmst aan­gehangen theorie te laten vallen voor een betere. En aan diep­gaande kritiek heeft het niet ontbroken. De tegenwerping werd gemaakt dat de natuurlijke selectie wel een vernietigende maar geen scheppende rol kan spelen en geen verklaring geeft van het ontstaan van de eerste variaties die de selectie in werking doen treden. Het belangrijke werk van Mendel over de erfelijkheid, dat deze vragen helpt beantwoorden, is eerst na Darwins dood ver­schenen. De erfelijkheidsleer moest in zijn tijd nog worden gebo­ren. En de mutatietheorie — inhoudend dat de evolutie zich voltrekt in plotselinge grote sprongen (“spelingen der natuur”) in plaats van stapje voor stapje — was nog niet door Hugo de Vries opgesteld. Maar deze latere ontdekkingen hebben Darwin niet in het ongelijk gesteld; integendeel, ze hebben zijn evolutiegedachte bevestigd en verder uitgewerkt. Want evolutie is allang geen theorie meer, maar een door vrijwel alle wetenschappelijke den­kers aanvaard feit.

Darwin was niet de eerste die de evolutie ontdekte, zomin als Columbus de eerste was die Amerika ontdekte, maar hij was de eerste die de feiten onweerlegbaar vaststelde. Zijn ontdekking heeft tot ver buiten het domein van de biologie haar nawerking gehad. Astronomen spreken nu over de evolutie der sterren; fysici constateren evolutie in alle stoffelijke dingen. De geschiede­nis wordt nu gezien in het licht der evolutie, en sociologen onder­kennen de evolutie in de maatschappij. Niets blijft onveranderlijk wat het eens was — zomin de zon als ’s mensen gedachten over God of de soevereiniteit van staten.

Het leven van Charles Darwin, begonnen op 12 februari 1809, eindigde kalm en zacht op 19 april 1882 — een leven zonder opvallende gebeurtenissen behalve het grote avontuur van zijn geest. Hij had begraven willen worden op zijn landgoed, maar de Britse natie eiste zijn stoffelijk overschot op. Zijn kist werd over­gebracht naar de Westminster Abdij — tot de slippendragers be­hoorden o.a. Huxley, Wallace en James Russell Lowell — en bij­gezet in een tombe naast die van Sir Isaac Newton. En daar rust, geëerd en in vrede, een van de edelste typen van homo sapiens die in de opmars der beschaving ooit zijn aangetreden.

alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

.

687-628

VRIJESCHOOL – 7e klas – scheikunde (1)

.

M. v.d. Made, nadere gegevens onbekend

.

In de loop van de 5e, 6e en 7e klas wordt aan de hand van de diverse vakken een ontwikkeling in gang gezet, die uit moet monden in het verwerven van een wereldbeeld. We kunnen dat bijvoorbeeld aan de hand van geschiedenis mooi volgen: 5e klas: Griekse Tijd, 6e klas: Romeinse Tijd, 7e klas: Vroege Middeleeuwen, Mohammedaanse impuls, late Middeleeuwen, Ontdekkingsreizen tot + 1500.

Of aan de hand van de Aardrijkskunde: 5e en 6e klas: Europa, economische aardrijkskunde, 7e klas: Volkenkunde in brede zin. Zien we naar de meer exacte vakken, dan beginnen die zo rond het 12e jaar.

Dat heeft te maken met de manier waarop de 6e-klasser waar­neemt, en in welke mate zijn zelfbewustzijn al gewekt is. In het vak natuurkunde zijn er de bekende fenomenen, die al lang bekend zijn – als verschijnsel -, maar nu worden ze losgemaakt uit hun alledaagse verschijningsvorm en als los­staand waargenomen: licht, geluid, magnetisme! Wat een hoe­veelheid boeiende proeven is er te tonen, schijnbaar zo eenvoudig. Nu wordt begrijpelijk, dat zo rond en na het 12e levensjaar de beschrijving van het licht in het oog kan plaatsvinden: de wijze, waarop de buitenwereld in de mens zelf werkt, hoe de activiteit van de buitenwereld zich voort­zet in de organen, kan door jonge kinderen nauwelijks beseft worden.

In de 7e klas een uitbreiding met meer ingenieuze ver­schijnselen: elektriciteit, de hevel, de schroef en gecombi­neerde bewegingen (tandwielen), uitlopend in mechanica (blokken en katrollen).

En dan is er het vak scheikunde in de 7e klas: 13 jaar zijn de leerlingen ongeveer en in staat om zich nu in de wereld van de stoffen te begeven. Geen eenvoudige wereld, en het besef dat de stoffen om ons heen, – waarop we lopen, waar­aan en waarmee we werken, waarmee we gekleed zijn en zelfs waaruit we bestaan, alle wellicht aan dezelfde scheikundige wetten onderworpen zijn (net als bv. keukenzout), kan schokkend zijn. Nadenken over scheikunde slaat een beetje de grond onder je voeten weg.
Waar te beginnen? Bij weer een uiterst bekend verschijn­sel, nl. vuur.

Maar nu bezien we het vuur met geheel andere ogen dan bij de St.- Jansviering. We stoken een houtvuur, stro, gras, takken, bladeren: alles heeft zijn eigen manier van ver­branden. Soms veel rook en weinig vlam (stro), anderzijds veel vlam en kleur. Een tweede vuur werd gevoed door de gefabriceerde stoffen: textiel, plastic, etc. We hielden ons beschouwend bezig met wat er in de lucht verdwijnt (gassen, rook, warmte) en wat er blijft liggen. Zo zagen we dat een reactie was verkregen, waarbij een stof uiteenviel in elementen, d.w.z. de oude elementen van de Grieken (Empedocles) aarde, water, lucht en vuur! Vervolgens maakten we kennis met drie andersoortige vurige stoffen: zwavel, koolstof en fosfor. Ook deze stoffen lieten we branden. Gele zwavel brandt dan met een prachtige, blauwe vlam, koolstof brandt zonder vlam, en fosfor ontbrandt spontaan. Voor de fosforverbranding gingen we naar het goed geoutilleerde scheikundelokaal van de bovenbouw in de Surinamestraat, waar we tegelijk enkele dagen te gast waren ter kennismaking. Fosfor-, zwavel- en ook koolstof-verbranding levert giftige gassen op, zodat deze proeven in een afzuigkast plaatsvonden.

We namen het ontstaan en de winning van deze stoffen door en het gebruik. De lucifer werd behandeld, evenals het meisje met de zwavelstokjes. De leerlingen moeten hun klassieken kennen, nietwaar?

Een verdere verdieping volgde: kalk werd beschouwd. Het ontstaan, waarbij we teruggrepen op de mineralogieperiode van de 6e klas. We losten kalk op, we verbrandden marmer (in een oven), verkregen zo ongebluste kalk. Blusten het met water, wat een sissende reactie gaf, probeerden het ontsnappende koolzuurgas te vangen en lieten lucifers daar­in uitdoven.

Door de verschillende fenomenen zorgvuldig op te schrijven, kwamen we eigenlijk vanzelf tot die wonderbaarlijke schei­kundige wet:

kalk – ongebluste kalk + koolzuurgas
zout – base + zuur

Hetzelfde principe werd bekeken, maar nu aan de hand van keukenzout. Ook hier vele proeven: oplossen, kristalliseren, en bereiden van zout uit een neutrale oplossing van natron­loog en zoutzuur. Nog beter liet zich nu bewijzen:

base + zuur  –  zout + water
natronloog + zoutzuur – zout + water
(ontstopper)                      (kristallen)

Men kookt het natronloog en zoutzuurmengsel nl. dan net zo lang tot al het water verdampt is. We kregen prachtige grote zoutkristallen van zeker 3 mm! Zoutwinning, zoutpannen, zoutmijnen, enz., alles kwam aan bod.
Nu konden we de beroemde lakmoesproeven gaan doen. De kinderen toverden in het practicumlokaal op de bovenbouw de prachtigste kleuren in hun reageer­buisjes. Roden, paarsen, blauwen, groenen en alle tussenschakeringen! Ze gebruikten rodekoolsap: een wel zeer veilige indicator.

Een voortdurend aanwezige stof werd nu onderzocht: nl. water. Dit is zeker geen stap terug naar het begin van een periode, integendeel! Als men water in alle verschijningsvormen bestudeert, als levenbrengende stof, raakt men zelfs onder de indruk van al dat wonderlijks. Als vaste stof, als kristal, in zijn oervorm (de druppel), als hagel (de bevroren druppel), sneeuw, als rijp, als dauw enz.

Kan water onder 00  C  in vloeibare toestand bestaan? Ja­zeker, als er druk op ijs wordt uitgeoefend gaat het weer over in water.

Zo kunnen we schaatsen en skiën, zo ‘glijdt’ een gletsjer naar beneden.

Zet deze stof uit bij verwarming? Zet de stof uit in vaste toestand? Dus bij afkoeling? Hoe werkt een centrale ver­warming?

Daarnaast vonden we steeds water in alle oplossingen die we gebruikten. Een dankbaar onderwerp, dat water.

Tot slot behandelden de de 7 hoofdmetalen: goud, zilver, tin, lood, kwik, ijzer, koper. Vindplaatsen, karakter, mogelijkheden, enz.

Dit overzicht geeft aan, hoe men voor het eerst de stoffen op andere wijze kan bezien. Het uitgangspunt is wel feno­menologisch, d.w.z., hoe doet de stof zich aan ons voor, hoe kennen we die stof?

Het is dan duidelijk,  dat vanuit dit gezichtspunt de molecuul- en atoomtheorie nog helemaal niet in zicht is. We spreken dus gewoon over natronloog, zoutzuur, water enz. i.p.v. NaOH, HCL, H0 enz.

.

7e klas scheikunde: alle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

686-627

.

.