Tagarchief: Remus en Romulus

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (9-1)

 

HET ONTSTAAN VAN ROME
De Romeinen hebben eeuwenlang het overgrote deel van Europa beheerst. Ook Neder­land en België behoorden lange tijd tot het enorme Romeinse rijk. De Romeinen zijn genoemd naar de stad Rome, maar ze heetten eigenlijk ‘Latijnen’. Er was een tijd dat Rome een kleine nederzetting was aan de oevers van het riviertje de Tiber. Het zou toen nog wel enige tijd duren voordat de bewoners ervan hun wil aan de rest van de toen bekende wereld zouden opleggen. Vele duizenden jaren voor Chr. werd Italië al be­woond door verschillende volkeren. Ze hielden schapen en deden aan landbouw en visvangst. Ongeveer 800 jaar v. Chr. landde een vreemd volk in Italië. Het waren de Etrusken en ze kwamen waarschijnlijk uit Klein-Azië. Ze brachten een vrij hoge bescha­ving mee en overheersten al spoedig de andere volken in Italië. De Etruskische bescha­ving verbreidde zich over heel Italië. Eén van de overheerste volkeren, de Latijnen, kwam op den duur in verzet tegen de Etrusken. De Latijnen versloegen de Etrusken en namen hun plaats in als leidend volk. Ze zetten de Etruskische beschaving voort.

40 Latijnse dorpen
De Latijnen woonden in Midden-Italië aan de Tyrrheense Zee. Hun gebied heette ’ Latium’. [zie aanvulling in de reactieruimte] De Latijnen waren een volk van herders en landbouwers. Hun dorpen waren kleine, afzonderlijke staatjes, elk met een eigen koning. Tegen de 8e eeuw v. Chr. bestond Latium uit veertig van deze dorpen, waartussen een hechte band bestond door bloedverwantschap en de godsdienst. De hoofdstad van Latium was Albalonga, aan het Meer van Albano. Ieder jaar begaven de Latijnen zich naar deze stad om er feest te vieren. De feestdagen, die een godsdienstig karakter droegen, duurden vier dagen.

Dorpen op heuvels
In de laaggelegen gebieden van Latium, langs de rivier de Tiber en aan de kust van de Tyrrheense Zee, waren vele moerassen. In dit vochtige gebied heerste de muskiet, die malaria overbracht.
Maar in de heuvels was de grond vruchtbaar en geschikt voor landbouw. Daarom bouwden de Latijnen hun dorpen op de heuvels.
Vandaaruit ontgonnen ze het moerasgebied en legden dijken aan langs de Tiber, die daardoor niet meer kon overstromen.
De rivier bleek bovendien een uitstekende handelsweg naar de zee en naar het bin­nenland te zijn.
Zelfs toen het meeste moerasland was drooggelegd, bleven de Latijnen hun dorpen bouwen op de heuvels. Daar waren ze veiliger tegen de rooftochten van de Liguriërs en de Feniciërs, die met hun schepen de rivier opvoeren. Ook tegen aanvallen van volkeren uit het binnenland waren de dorpen op de heuveltoppen beter beveiligd.
Die volkeren probeerden verschillende keren om zich van Latium meester te maken.

6e klas rome 10

Latijnse herders

6e klas Rome 11

(slecht leesbare tekst links:)
Deze kaart van Italië laat zien waar de verschillende volkeren woonden in de tijd dat de Latijnen Rome stichtten.

(rechts:)
Deze tekening laat zien hoe Rome ontstond op het kruispunt van twee belangrijke handelswegen. Bij het eilandje in de Tiber was de rivier doorwaadbaar. Op de linkeroever zien we de zeven heuvels waarop de stad zou worden gebouwd.

21 april 753 v. Chr.
De Latijnen moesten zich vaak verde­den tegen aanvallen van de Etrusken. Die probeerden vanaf de rech­teroever van de Tïber in Latium bin­nen te dringen, op de plaats waar een eiland in de rivier lag en waar het water doorwaadbaar was. De Latijnen besloten om de linkeroever van de Tiber, recht tegenover dit eiland, een versterkt dorp te bouwen. Het zou de vesting worden die de Etrusken moest beletten de rivier over te steken. Op de oever bij het eiland lagen verschillende heuvels, in totaal zeven.
De ‘Palatijn’, een van die heuvels, leek het meest geschikt om er een vesting op te bouwen. Vanaf die heuvel konden de Latijnen het rondliggende gebied goed overzien, ook de rivier de Tiber. Deze rivier was een belangrijke handelsweg. Van zee kwamen schepen met zout voor de volkeren in het binnenland. Naar zee voeren schepen met wol, die de Latijnen ruilden tegen de handelswaar van andere volkeren.
Zo werd de ‘Palatijn” de plaats voor het nieuwe versterkte Latijnse dorp. De overlevering wil ’dat men op 21 april van het jaar 753 v. Chr. aan de bouw ervan begon. Het dorp werd ’Roma’ genoemd. Misschien is deze naam afgeleid van het Etruskische woord ’rumon’, wat ’rivier’ bete­kent. Volgens anderen komt de naam van het Griekse ’ròme’, wat ’kracht’ betekent.

De zeven heuvels
Het dorp Rome ontstond dus op de heuvel ’Palatijn’. Al spoedig werd Rome een belangrijke handelsneder­zetting. Naburige volkeren die in moerasachtige streken woonden, ont­vluchtten de malaria en vestigden zich op de andere heuvels bij het dorp. De nieuwkomers bestonden uit groe­pen Sabijnen, Latijnen en Etrusken, die met de bewoners van de ’Palatijn’ een verbond sloten.

Zo ontstond een grote nederzetting op de zeven heuvels aan de oever van de Tiber, waar de bewoners het zoge­naamde ’ verbond van de zeven heuvels’ sloten. Overigens waarborgde dit verbond niet altijd een vreedzame samenleving. De Latijnen, Sabijnen en Etrusken, allen oorlogszuchtig van aard, raakten nogal eens in bloedige gevechten met elkaar verwikkeld. Maar langzamerhand brachten de handelsbelangen de verschillende volkeren op de zeven heuvels nader tot elkaar. Ze smolten samen tot het grote, nieuwe Rome.

6e klas Rome 12 - 0002

Op 21 april 753 v. Chr. begonnen de Latijnen aan de bouw van het dorp Rome, op de heuvel ‘Palatijn’ tegenover een eilandje in de rivier de Tiber.

6e klas Rome 13 - 0003Zo moet de constructie van een Latijns huis zijn geweest.

Hoe een nieuw dorp werd gesticht
De oude gebruiken bij het stichten van een nieuw dorp waren waarschijnlijk van de Etrusken afkomstig. Ongetwijfeld zal Rome volgens dezelfde gebruiken zijn gesticht. Op de heuvel werd een groot vuur van takkenossen ontstoken. Iedere bewoner van het nieuwe dorp sprong door de vlammen om zo ’gereinigd’ te worden van zijn zonden. Vervolgens werd een diepe kuil gegraven. Iedereen wierp daarin wat aarde uit het dorp waaruit hij afkomstig was. De leider van het nieuwe dorp trok vervolgens een priesterlijk gewaad aan en spande een stier en een koe voor de ploeg. Dan ploegde hij de voor, waarlangs men de muren van het dorp zou bouwen.

6e klas Rome 14 - 0002

Op de plaats waar de muren van het nieuwe dorp moesten komen, werd met de ploeg een voor getrokken.

De Latijnse godsdienst
De Latijnen waren een godsdienstig volk. Elk dorp, elk bos, elk huis en elke haard had een eigen beschermgod, die ’genius’ werd genoemd. Ook de mens had zo’n genius en de Latijnen geloofden, dat deze de mens van de geboorte tot de dood vergezelde. Kinderen stonden onder bescherming van vele goden.
Lucina moest het kind beschermen tijdens de geboorte, Cumina als het sliep, Rumina terwijl het melk dronk, enzovoorts.

Offers in de open lucht

6e klas Rome 15Zò brachten de Latijnen een offer. In het bos werd een ram geslacht.

De Latijnen bouwden geen tempels en brachten hun offers aan de goden in de open lucht. Dit gebeurde bijna altijd in de bossen.

6e klas Rome 18Dit oude Romeinse reliëf toont een offerplechtigheid aan de Latijnse god Penates, de beschermgod van het gezin.

Herders en boeren
De Latijnen woonden in ruwhouten hutten met lemen wanden en strooien daken. Ook Rome bestond aanvankelijk uit dergelijke hutten.
De inwoners waren herders en boeren, die ook nog wat handel dreven.
Sommigen beoefenden de jacht of de visserij. Na de terugkeer van hun akkers en weidegronden hielden de Latijnen zich vaak bezig met het maken van gereedschappen en andere voorwerpen die in het gezin nodig waren. Zo kon men een herder ’s avonds zien werken als schoenmaker of kleermaker.

6e klas Rome 16

Latijnse boeren bezig met het maken van gebruiksvoorwerpen.

Grensstenen
Iedere Latijnse stam had een eigen gebied. De grenzen daarvan werden aangegeven met zware stenen, de grensstenen. Voordat deze stenen geplaatst mochten worden, moesten eerst offers worden gebracht aan Termine, de beschermgod van de grenzen. Geld kenden de Latijnen niet. Alle handel vond plaats door het ruilen van goederen. Boeren boden melk, kaas, groenten en wol aan. Ze kregen er van de handwerkslieden metalen voorwerpen, potten kleding en schoenen voor terug.

6e klas Rome 17

Op de grens van hun gebied handelen Latijnen met een boer uit een ander gebied. Tussen hen in de grenssteen.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

832
Advertenties

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas – Rome (3-1)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

Rome gesticht en vervloekt

Beter zonder vrouw

De zangers die door de antieke wereld trokken, vertelden een sage over de held Aeneas. Hij was een prins die de Dardaners aanvoerde, een volksstam in de buurt van de Kleinaziatische stad Troje. En niet alleen een prins, ook een halfgod! Zijn vader was Anchises, zijn moeder niemand minder dan de godin van de liefde Afrodite. Tien jaar woedde er een oorlog om Troje. De Grieken probeerden de stad in te nemen, de Trojanen verde­digden zich uit alle macht. Er kwam een eind aan het uitzichtloze beleg, toen de Grieken de list met het ‘Paard van Troje’ bedachten en zo binnen de muren geraakten. Terwijl de stad door de belegeraars in brand werd gestoken, wist Aeneas te ontkomen. Hij droeg zijn oude vader op zijn rug en hij had zijn zoontje Julus aan de hand. Zijn vrouw volgde hem. Maar toen hij buiten de poort kwam, was hij zijn vrouw kwijt! Ontzet keek hij om zich heen en ging naar haar op zoek in de brandende stad. Toen hij haar vond was ze dood. Plotseling hoorde hij echter de stem van zijn moeder Afrodite, die hem zei dat hij weg moest uit Troje, maar dat zij hem zou helpen. Aeneas gehoor­zaamde.

6e klas Rome 1

Met een aantal mannen, vrouwen en kinderen dat eveneens ontkomen was, scheepte Aeneas zich in. Het groepje ging op zoek naar een nieuw vaderland. Na vele omzwervingen be­landde het gezelschap op Kreta, waar het gastvrij ontvangen werd. Er brak echter een periode van grote droogte aan, met rampzalige gevolgen. In een droom werd aan Aeneas verkondigd dat hij verder naar het westen moest zeilen om daar, aan het onbekende deel van de Middellandse Zee een stad te stichten. De stad zou machtig worden en op een dag de Trojanen wreken door de Grieken te verslaan!

Een roemrijke toekomst
Opnieuw gaf Aeneas gehoor aan het bevel van de goden; hij stak in zee en voer westwaarts. Het werd een lange reis met veel avonturen en ontberin­gen. Velen overleefden de tocht niet, want vlak voor de Afrikaanse kust kwamen de schepen in een storm te­recht en een aantal verging. Met slechts een klein restje van zijn volge­lingen kwam Aeneas ergens aan land. Moedeloos zaten de schipbreukelingen bijeen en treurden over de verlo­ren kameraden. Maar toen stond Aeneas op en sprak: ‘Vrienden, jullie hebben reeds erger beproevingen doorgemaakt. Ook aan deze ellende zal de godheid een einde maken. La­ten we moed houden en ons bewaren voor tijden van voorspoed, die zeker ook weer zullen komen. Heus, er zal weer een tijd komen, waarin we het nu doorstane leed feestelijk zullen herdenken. Door alle beproevingen heen streven wij naar het land, waar de goden ons een roemrijke toekomst beloven.’ Daarop ging hij, vergezeld van een schildknaap, op verkenning uit. Ze bleken dicht bij een stad te zijn. Een jageres vertelde aan de mannen dat die stad Carthago heette en dat er de koningin Dido heerste. Ook kregen ze te horen dat ze er waarschijnlijk welkom zouden zijn.

Uit de dood herrezen
Bemoedigd zetten de twee hun tocht voort en gingen de stad binnen, waar juist markt was. Ze schaarden zich bij een grote volksmenigte die om een verhoging stond. Op die verhoging zetelde de koningin Dido; ze gaf raad aan iedereen die erom vroeg. Aeneas was verrast door haar jeugd en haar schoonheid. Maar hij was nog meer verrast toen hij opeens een groepje mannen naar voren zag komen, waarvan de leider zich tot de konin­gin wendde. Dat was de stem van zijn vriend Ilioneus! En die mannen om hem heen waren allemaal doodge­waande Trojanen!
Ilioneus vertelde aan de koningin dat ze onderdanen waren van prins Aene­as en dat ze na een schipbreuk op de kust waren aangespoeld. Helaas had­den ze Aeneas niet onder de overle­venden aangetroffen. Tot overmaat van ramp bleek de bevolking ook nog onvriendelijk tegen hen te zijn. Kon de koningin daar niet iets aan doen? Dido antwoordde dat men het de Carthagers niet kwalijk moest nemen dat ze wat argwanend waren geweest tegen deze plotseling opduikende vreemdelingen. Maar ze voegde eraan toe dat de onderdanen van Aeneas
al­leszins welkom waren in haar stad. Wat jammer dat ze Aeneas zelf niet meer kon ontmoeten! Toen hij dit hoorde, trad Aeneas naar voren en zei: ‘Koningin, ik ben Aeneas, en het is kennelijk de wil van de goden dat ik onder uw ogen mijn makkers terug mag zien.’
Er volgden uitbundige omhelzingen van de mannen die van elkaar ge­dacht hadden dat ze dood waren. Ko­ningin Dido nodigde allen uit voor een feestelijke maaltijd in haar paleis.

De plicht gaat voor het meisje
Een zorgeloze tijd brak aan. Aeneas en Dido werden smoorverliefd op el­kaar. Hand in hand wandelden ze on­der de palmen in de paleistuin. En Di­do stelde voor dat Aeneas altijd bij haar zou blijven en koning van Carthago zou worden. Maar dat was niet de bedoeling van de goden. Aeneas moest immers een nieuwe stad stichten. In een droom herinnerde Hermes, de bode van de goden, hem aan zijn opdracht. Het gevolg was dat Aeneas in het geheim voorbereidingen ging treffen voor zijn vertrek. Hij gaf het bevel de schepen zeilree te maken. Van zo’n grote onderneming kon Dido natuur­lijk niet lang onkundig blijven. Ze overlaadde Aeneas met verwijten. Zelfs dreigde ze zelfmoord te plegen als haar minnaar niet bij haar bleef.
Voor Aeneas woog de wens van de goden zwaarder dan de wens van zijn geliefde. Toen de schepen gereed wa­ren voer hij de haven van Carthago uit. Juist op het ogenblik dat ze de havenmond uitvoeren zagen de man­nen een rookpluim opstijgen uit de koninklijke burcht. Een vuur laaide hoog op. Koningin Dido had, onder het voorwendsel een offer te willen brengen, een hoge brandstapel laten oprichten, klom er zelf op en wierp zich in het zwaard van haar geliefde. Vóór zij de dood koos, had ze de ver­trekkende schepen evenwel nog een vervloeking nageroepen: ‘Mogen Carthago en de stad van Aeneas voor altijd vijanden zijn, en mogen ze el­kander beoorlogen en haten!’

Een brug tussen twee legenden
Na een voorspoedige reis kwamen Aeneas en de zijnen bij de Italiaanse westkust aan en volgden deze tot de rivier de Tiber. Ze voeren de rivier een eindje op en bereikten het grond­gebied van koning Latinus. Voorte­kenen hadden al aan Latinus kenbaar gemaakt dat er een vreemde prins zou komen aan wie hij zijn dochter Lavinia zou uithuwelijken. Daarom ont­ving hij Aeneas zeer welwillend. On­gelukkigerwijs was de dochter van Latinus eigenlijk niet meer helemaal beschikbaar. Haar moeder had haar reeds als bruid beloofd aan Turnus, de vorst der Rutuliërs. Er zat voor Aeneas niets anders op dan aan de Rutuliërs de oorlog te verklaren. In een tweegevecht wist hij Turnus te doden. Niets stond zijn huwelijk met Lavinia toen nog in de weg. Hij trouwde en hij stichtte een stad die hij naar zijn vrouw ‘Lavinium’ noemde. Moest de stad niet Rome heten? Nee, want men heeft de legende van Aene­as altijd willen vastknopen aan de le­gende van Romulus die Rome sticht­te. Aeneas kon dus alleen wat voor­bereidend werk doen. Wat daarna volgde, kunnen we zien als een ‘brug’ tussen de twee legenden. Omdat La­vinium een bloeiende stad werd en al gauw overbevolkt raakte, besloot Julus, de zoon van Aeneas, na de dood van zijn vader een nieuwe stad te stichten. Dat werd Alba Longa, de ‘Lange Witte Stad’. Zowel Lavinium als Alba Longa lagen op enkele kilo­meters van de plaats waar later Rome zou ontstaan.

Gooi de baby’s in de Tiber
Vele jaren waren voorbijgegaan. In Alba Longa heerste koning Numitor, de 15e nakomeling van Aeneas. Zijn regering  werd   ruw   onderbroken. Want zijn jongere broer Amulius stootte hem van de troon, doodde zijn zoons en zorgde er ook nog voor dat zijn dochter geen kinderen zou krijgen door een Vestaalse Maagd van haar te maken. De Vestaalse Maagden waren de priesteressen van Vesta, de godin van de huiselijke haard. Zij moesten in hun tempel een eeuwig brandend vuur onderhouden en mochten niet trouwen. Gaven zij zich toch aan een man, dan werden ze levend ingemetseld. Amulius besteeg de troon vanwaar hij Numitor verdreven had. Hij meende niets meer te vrezen te heb­ben. Numitor was weggevlucht, en diens kinderen en kleinkinderen wa­ren ook uitgeschakeld. Maar de goden hadden andere plan­nen. Ze namen er geen genoegen mee dat Numitors dochter, Rea Silvia, geen nakomelingschap zou hebben. Mars, de oorlogsgod, kwam haar be­zoeken… Dit heimelijke bezoek re­sulteerde in de geboorte van een twee­ling, Romulus en Remus. Zodra Amulius van deze geboorte hoorde, liet hij Rea Silvia grijpen om haar te bestraffen. Bovendien gaf hij op­dracht de baby’s in de Tiber te wer­pen.

Weerzien met grootvader
De tweeling verdronk niet. Het mandje waarin de kindertjes lagen, dreef een eind stroomafwaarts en bleef toen in het riet steken. Daar trok een wolvin het mandje op de oever en zoogde de baby’s. Zo vond een herder, Faustulus, hen. Romulus en Remus groeiden op in het gezin van de herder. Maar al gauw onderscheidden ze zich van hun speelkameraden. Ze waren geboren aanvoerders. Weldra hadden ze een soort legertje georganiseerd, waar­mee ze de rovers achtervolgden die vee kwamen stelen. Als ze hun het vee weer hadden afgenomen, gaven ze het terug aan de rechtmatige eige­naar. De rovers vonden het gewoon te gek dat ze zich door een paar jon­gens lieten dwarsbomen. Op een dag pakten ze Remus en voerden hem mee naar de in ballingschap levende koning Numitor. Ze verklaarden dat ze Remus betrapt hadden bij het ste­len van Numitors vee. Gelukkig hechtte de verbannen koning niet veel geloof aan het verhaal. Wel werd hij getroffen door een frappante gelijke­nis tussen de gevangene en zijn doch­ter…

6e klas Rome 2

6e klas Rome 3

meer afbeeldingen

Intussen had ook de herder Faustulus een vermoeden gekregen. Hem be­reikte namelijk het gerucht dat Amu­lius jaren geleden een tweeling van koninklijken bloede uit de weg had proberen te ruimen. Zou het de tweeling zijn die hij, Faustulus, in het wolvennest had gevonden? Hij begaf zich naar Numitor. Er was voor de twee mannen maar een kort gesprek nodig om de zekerheid te krijgen dat Romulus en Remus de verloren kleinzoons van Numitor waren.

De twee broers wilden ook wat
Al het oude zeer werd opgehaald en men besloot Amulius te doden. In het holst van de nacht drongen Romulus en Remus het paleis binnen. Na een korte schermutseling met de lijf­wacht, wisten ze Amulius in zijn slaapvertrek om het leven te brengen. Reeds de volgende dag trok Numitor de stad Alba Longa binnen. Hij werd geestdriftig door de bevolking toege­juicht en hij kon als de wettige ko­ning weer op de troon plaatsnemen. Eind goed, al goed? Niet voor Romu­lus en Remus. Voor hen werd het leven een beetje saai. Ze waren gewend de leider te spelen en nu viel er niets meer te leiden. Daarom namen ze zich voor een nieuwe stad te stichten. Op enkele uren gaans van Alba Longa wisten ze een plaats die daar bij­zonder geschikt voor leek. De Tiber maakte er een grote bocht en in een vruchtbare vlakte lagen zeven heu­vels. Volgens het oude gebruik wer­den eerst de goden geraadpleegd. Waren die de onderneming welge­zind? En moest Romulus of Remus de stichter en eerste koning van de stad worden?

Plagerig
Romulus ging op de heuvel Palatijn staan en Remus op de Aventijn; bei­den tuurden naar een bepaald deel van de hemel om daar voortekenen te ontdekken. Na enige tijd zag Remus zes gieren van rechts zijn stukje hemel binnen­vliegen. Een prachtig voorteken! Jui­chend rende hij naar Romulus. Maar deze ontwaarde op dat ogenblik niet minder dan twaalf gieren, die even­eens van rechts kwamen. Er ontstond grote verwarring. Wie was de ko­ning? Remus, die het eerst een voor­teken had waargenomen? Of Romu­lus, die de meeste gieren had gezien? De twee broers begonnen te bekvech­ten. Uiteindelijk trokken ze zelfs hun zwaard. Er volgde een gevecht, waar­in Remus werd gedood. Volgens een andere versie van de legende was Ro­mulus al bezig met het bouwen van een stadsmuur toen Remus naar hem toekwam. Plagerig sprong Remus over het lage muurtje. Waarop Ro­mulus razend werd en zijn broer doodsloeg onder het uitroepen van de verwensing dat het iedereen zo zou vergaan die het waagde over zijn muur te springen. Zo begon de ge­schiedenis van Rome: met een
broe­dermoord.

zie eventueel

6e klas Rome 4
Rome’s nationale heldendicht
De avonturen van Aeneas vinden we beschreven in Rome’s nationale
hel­dendicht, de ‘Aeneis’ van Vergilius. Publius Vergilius Maro werd op 15
ok­tober van het jaar 70 v. Chr. geboren in het dorp Andes, in de buurt van Mantua in Noord-Italie. Hij was van eenvoudige afkomst. De eerste 29 jaar van zijn leven bracht hij door met stu­die en werk op de boerderij van zijn ouders. Omdat hun land door de staat onteigend werd, kwam Vergilius op straat te staan. Alleen dankzij de hulp van Maecenas – de spreekwoordelijk geworden beschermer van kunst en kunstenaars – kon hij later weer over een stuk land beschikken en zijn letter­kundige arbeid voortzetten. Toen de schrijver in 19 v. Chr. ziek van een Griekse reis terugkeerde en en­kele dagen later stierf, was zijn hoofd­werk, de ‘Aeneis’, nog niet voor publicatie gereed. Hij wilde dan ook dat het vernietigd zou worden. Maar zijn vrienden gaven het, op verzoek van keizer Augustus, toch uit.

toneelstukken
6e klas geschiedenis: alle artikelen
6e klas: alle artikelen
654