VRIJESCHOOL – Rekenen – 4e klas (7)

.

In mijn verzameling artikelen trof ik onderstaande aan, een uit 1931.

Toen ik het doorlas, viel me op dat ‘1931’ niet te herkennen is uit de tekst, zij het dan dat de spelling niet die van nu is. En ook de ter sprake komende munten hebben we niet meer.

De ‘aanpak’ echter, is nog lang niet ‘achterhaald’. Je kunt je door deze manier van werken nog altijd laten inspireren.

H.L.Janssen van Raay, Ostara, vrijeschool Den  Haag 4/2-1931
.

IETS OVER HET REKENEN II
.

In aansluiting aan mijn artikel in het vorige nummer van dit blad, zal ik nu wat vertellen over de gewone breuken en hare be­handeling.

Een nieuwe rekenperiode brengt den kinderen de gewone breu­ken. Ze kennen nu reeds de begrippen: 0,1, 0,01 enz. en ze weten dat ’t geheel 10 tienden is, 100 honderdsten, enz. Wanneer we dus zonder iets te becijferen op het bord, de kinderen uit het hoofd de bewerkingen laten uitvoeren met eenvoudige getallen, zooals bijv. 0,1 : 10 dat is 0,1 X 0,1 of 0,01, of 0,84 — 0,5 = 0,34, dan kunnen ze dit uit de vorige rekenperiode.

Hierin hebben ze alle vier bewerkingen geoefend, zoowel uit het hoofd als in ’t cijferen, en behoeven ze deze nu slechts uit het vergeten op te halen.

We hebben hierin dus een basis, waarop we verder kunnen op­bouwen.

Een tweede is: hoe zullen we dit opbouwen uitvoeren?

De weg, dien we kiezen, moet ons voeren naar een begrijpen met het ontwakend intellect en naar een zelf omgaan met de breuken in de 4 bewerkingen.

Deze weg zal weer moeten gaan door het doen over het
kunst­zinnige. Door het willen, over het voelen, naar het denken.

Dit brengt ons vanzelf op de gedachte het nieuwe aan te brengen door 3 dagen heen. We beginnen bijv. den eersten dag het kind te brengen in het bewegen, zoodat het met zijn geheele wezen in de leerstof leeft. Den tweeden dag voeren we het in het kunstzinnige — bijv. door schilderen, teekenen, reciteeren, enz. —•; waarop het, den derden dag, de begrippen leert vormen, ze in cijfers weergeven en ermee werken.

Door deze 3 dagen en 2 nachten heen heeft het kind zich geheel met de nieuwe stof kunnen verbinden: den eersten dag werd zij opgenomen in het wilssysteem en in den nacht, als het lichaam in den slaap zich herstelt en verfrischt, met de groeikrachten
ver­bonden. Den tweeden dag werd zij bovendien verbonden door den kunstzinnigen arbeid, met het rhythmisch-systeem.

Nu wordt zij nog eens door den nacht heen gedragen en vormt nu een goeden grond in het hoofd, dat zich den derden dag er van meester maakt. Dit beteekent dat we de leerstof verbonden hebben met den stroom van opbouwende groeikrachten, die in het kinderwezen, in den tijd tusschen het 7de en het 14de jaar, scheppend, vormend werkzaam zijn aan lichaam en ziel. Een voorbeeld hiervan zij gegeven:

De kinderen moeten nu ook de begrippen: 1/3   1/4    1/5  enz. en hun onderlinge verhoudingen leeren kennen.

We nemen de heele klas mee naar de Eurhythmie-zaal. Hier vinden we op den grond geteekend een grooten cirkel, in donker paars, die verdeeld is in 20 gelijke deelen in blauw kleurkrijt. Hier­van zijn er twee weer telkens onderling verbonden door een roode koorde-lijn, en 4 worden telkens samengebonden door een groene boog.

Het spel is nu als volgt: eerst de roode koorden tellen: dat zijn er 10, dus een roode streep geeft aan één tiende van het geheel. Nu loopen ze allen hard om den cirkel heen, dan wordt er geteld: één, twee, drie en bij drie mag er op elke roode streep één kind staan; die er het eerst is mag de anderen van zijn streep afhouden.

Er staan er dus 10 in den cirkel en de anderen er omheen. In koor zegt nu de klas: één geheel is 10 tienden, waarop de kinderen in den cirkel apart mogen zeggen: ,,ik sta op één tiende”.

Weer gaan we allen om den cirkel heen loopen en bij „drie” mogen er op elke koorde 2 kinderen staan. Ze zien allereerst, dat er 2 X zooveel kinderen een plaats in den cirkel vinden, verder dat, als ze de roode koorde „eerlijk” deelen, ze nu elk een eigen blauw vakje hebben, en ze komen er vanzelf op dat ze samen op één tiende, doch elk op één twintigste staan.

Dan de derde keer rondhollen; nu moeten ze met elken voet op een andere roode koorde staan en op 2 strepen mag maar één kind. De strijd wordt heviger, maar 5 kinderen krijgen een plaats in den cirkel, alle anderen blijven er buiten gesloten. De vijf uitverkorenen kunnen nu constateeren, dat ze elk in één groen vak (segment) staan, op twee roode koorden en vier blauwe punten. De klas
reci­teert: één geheel is tien tienden, 20 twintigsten, 5 vijfden. Waarop het antwoord van de vijf in den cirkel komt: 1/10  is  2/20; 1/5  is  2/10  is  4/20. En terug: 4/20  is 2/10  is 1/5

Daarop krijgen ze een serie korte, vragende bevelen, waarop ze in koor of apart moeten antwoorden.

  • Ga eens vlug met je allen op 2/s deel van den cirkel staan! Op hoeveel tienden sta je nu? En op hoeveel tienden sta je nu? En op hoeveel twintigsten?

Vul samen 5 tiende deel, kun je dit ook anders zeggen? Ja ’t is de helft. Hoeveel twintigsten. — Tien
Hoeveel vijfden? — Dat gaat niet. —

Vele variaties van dergelijke spelletjes zijn natuurlijk te vinden. Zoo leggen we in ’t spelen en hollen en schuiven den grondslag voor het vereenvoudigen en herleiden van de breuken.

Na een half uurtje gaan we naar de klas terug en brengen de rest van het hoofdonderwijs door met het herhalen van ’t vroeger geleerde.

Doch den volgenden dag grijpen we op het spel in de Eurhythmie-zaal terug: allen krijgen een velletje wit teekenpapier en, in mooie kleuren, teekenen we een cirkel en verdeelen dien in 20 gelijke deelen. Nu mogen ze uitknippen de breuk 2/5 en daarin aangeven dat dit hetzelfde is als hoeveel tienden? hoeveel twintigsten?

Eén schrijft er op het bord:

2/5 = 4/1o = 8/2o- wat daarna weer in koor gereciteerd wordt.

Het spreekt van zelf, dat we op deze basis ook een andere com­binatie kunnen vinden zooals derden en zesden en twaalfden. Dit laten we ook al gauw aan de kinderen zelf over; ze bedenken zelf wat ze willen uitknippen, zoodat ze ook zelf ontdekken welke her­leidingen opgaan en welke niet.

Maar alles wat er ontstaat moet op het bord geschreven. En na het teekenen en knippen, bergt de klas alle instrumenten weg, en worden de rijtjes zelf gevonden waarheden op verschillende wijze gereciteerd. Heen en weer, luid en zacht, vlug of langzaam, staccato of verbonden, al naar de onderwijzer op dat oogenblik voor de klas geschikt acht.

Den derden dag maken we nu gewoon op het bord alle mogelijke herleidingen en geen kind heeft er moeite mee. Het is volkomen begrepen.

Alleen blijft ons nog over de grondwet voor de breukbewerkin­gen eruit te lichten voor het bewustzijn der kinderen: teller en noemer van een breuk mogen altijd door hetzelfde getal gedeeld of met hetzelfde getal vermenigvuldigd worden.

Nu kunnen de kinderen zelf aan ’t werk tijgen, zooveel herlei­dingen en vereenvoudigingen maken als ze zelf willen en hun eigen moeilijkheden kiezen.

Op een dergelijke wijze, door drie dagen heen, kunnen ook de verschillende bewerkingen geleerd worden.

Het neemt wel is waar wat meer tijd in het begin, dan een vlotte methodische behandeling op het bord, maar het overtuigend belang­rijke ervan is dat alle kinderen, tenzij ze werkelijk abnormaal zijn, de leerstof machtig worden en vreugde voor het werken kunnen voelen, want ze hebben een nieuw gebied voor hun fantasie en zelfwerkzaamheid veroverd.

Dit is een goed en bovendien een geheel nieuw resultaat: dat alle kinderen met vreugde rekenen, niet alleen de meer intellectueel be­gaafden. Want natuurlijk moeten de kinderen leeren werken, maar productief voor de toekomst wordt de arbeid pas als zij met liefde volbracht is.
.

Rekenen 4e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over rekenen

Rekenenalle artikelen

RekenwerkboekRekenen in beweging‘ -inhoudsopgave met doorverwijzing naar alle hoofdstukken

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

685-626

VRIJESCHOOL – Rekenen – 3e, 4e, 5e klas

In mijn verzameling artikelen trof ik onderstaande aan, een artikel uit 1931.
Toen ik het doorlas, viel me op dat ‘1931’ niet te herkennen is uit de tekst, zij het dan dat de spelling niet die van nu is. En ook de ter sprake komende munten hebben we niet meer.

De ‘aanpak’ echter, is nog lang niet ‘achterhaald’. Je kunt je door deze manier van werken nog altijd laten inspireren.

(Opvalt dat de 10-delige breuken eerder aan bod komen dan de gewone)
.
H.Janssen van Raay, Ostara, vrijeschool Den Haag, 4/1. febr. 1931
.

OVER HET REKENEN IN DE 4DE EN 5DE KLAS
.
In het vorige nummer van Ostara beschreef en verklaarde ik hoe het leeren van een vreemde taal (hier het Engelsch), in de klassen der lagere school, zich voornamelijk aanpast aan het Wils- of Ledematensysteem (door middel van het bewegen, het doen) en het Rhythmisch systeem (d.w.z. het kunstzinnige: reciteeren, zingen, schilderen, enz.).

Het spreekt echter van zelf dat dit ook geldt voor het onderwijs in de vakken van het hoofdonderwijs, zooals rekenen, taal, enz..

Toch is het zeer begrijpelijk, dat bij velen de vraag opkomt: hoe is het mogelijk de kinderen het rekenen, het verdere rekenen, te leeren op een dergelijke wijze? Niet waar, juist bij het rekenen leeren, komt men zoo gauw in de verleiding te denken: dit moeten ze toch begrijpen en dat doen we met het intellect, het hoofd. Dus: allemaal rustig zitten, kijken naar het bord, en opletten! En nu wordt er uitgelegd.

Een dergelijke behandeling is juist voor kinderen van 10 en 11 jaar nog volkomen ernaast. Weten we niet allen veel te goed hoeveel moeite het de meeste kinderen kost de hun zoo „vóór-gedachte” gedachtengangen te volgen en dan later zelf weer na te denken, als ze de toepassingen moeten maken? Zelfs al zien ze de verschillende begrippen erbij op het bord ontstaan, dan is het gewoonlijk nog voor de kinderen te zwaar deze begrippen over te nemen en er zelf mee te werken. Alleen de begaafde kinderen kunnen het zoo aan­vaarden, maar ook voor hen is het een herseninspanning, die op hun leeftijd dikwijls zeer verkeerd en bovendien onnoodig is.

Even onnoodig als het voor een fietser is om te „begrijpen” welke spieren, en hoe hij die bij het fietsen gebruikt om vooruit te komen en zijn evenwicht te bewaren. Hij „begrijpt” immers uit het doen vanzelf hoe hij ze gebruiken moet, hij doet ‘t, éénvoudig!

Zoo kan het ook met het rekenen.

Het rekenen in de 4de klas brengt den kinderen een geheel nieuw onderwerp: de breuken.

Tot nu toe hebben ze met geheele getallen gewerkt, alle vier
hoofdbewerkingen zijn hun bekend en de tafels hebben de meesten
onder de knie.

Van oudere broertjes of zusjes hebben ze al gehoord over de breuken, maar niet zoo, dat ze er zich een goede voorstelling van kunnen maken. Nog heeft voor hen het woord een geheimzinnige klank: dit wekt bij hen op een verwachting van iets moois, dat hen dichter, nader zal brengen tot het begrijpen van de aarde. Die mooie, groote geheimzinnige aarde! En ook tot de „groote menschen”, die ze zoo bewonderen en daarom ook zoo graag willen begrijpen.

Is het niet te bewonderen, zooals moeder bij de kruidenier of in een andere winkel, snel de uitgaven berekent, vlugger of even vlug als de winkelier, om dan, als ze het bonnetje krijgt, met één blik te controleeren of het goed is: Ja, ƒ 1.75? Het kind wipt op zijn teenen om over moeders hand ook even het bonnetje in te zien en kijkt een beetje onthutst naar het getalletje 1.75, waarvan het de uitspraak nog niet zelf kent.

Op een goeden morgen komen de kinderen in school; ze weten: vandaag begint een nieuwe rekenperiode, ze gaan de breuken leeren! — en ziet, wel twee tafeltjes voor de klas en daarop uitgestald een weegschaal, een kom met noten en wilde kastanjes, die ze zelf gezocht hebben voor dit doel, maar dan nog het vreemdste van alles: een echt gouden tientje, 9 zilveren guldens, 9 dubbeltjes en 10 centen.

Voor dat ze het weten is de les begonnen. Alles wat los zit in de klas mag verkocht! Eén is winkelier, verschillende mogen inkoopen doen, telkens staat er één voor het bord om de uitgaven op te schrijven. Maar niets wordt opgeschreven zonder dat we ’t allen samen hebben gezegd. Bijv. 1 kilo noten kost ƒ 1.20. Al spoedig blijkt dat ook de schrijfwijze geen groot bezwaar is: de 2 staat op de plaats van de dubbeltjes, de o op die van de centen.

Nu hoeven we maar toe te tasten: overal liggen de
aanknoopingspunten voor het leeren van de munten, maten en gewichten en de tiendeelige breuken.

Dat er 10 centen in een dubbeltje gaan en honderd in een gulden weten ze nu allen en we doen dan ook ongemerkt de stap 1 cent = 0,1 dubbeltje en 0,01 gulden.

Wanneer we hun nu vertellen, dat cent en honderd hetzelfde woord is, spreekt ’t dus voor hen vanzelf dat 1 centigram = 0,01 gram en 1 centimeter = 0,01 meter.

We hoeven dus niet lang bij het geld te blijven stil staan. Spoedig genoeg zal dit toch wel een rol gaan spelen in hun leven! Het was hier slechts een bruggetje om uit de praktijk van ’t leven, waar hun interesse op deze leeftijd wakker genoeg voor is, te komen tot het rekenen. De gewichten, die ze gebruikt hebben, voeren ons tot het leeren van de namen deci, deca, hecto, enz..

Onder de hand schreven we, op het schoone bord, alle dingen die we zoo samen „gevonden” hebben, netjes onder elkaar:

1 goudtientje = 10 gulden; 1 gulden = 0,1 goudtientje;
1 gulden = 10 dubbeltjes; 1 dubbeltje = 0,1 gulden, enz.;

en een nieuwe rij:

1 kilogram = 10 hectogram; 1 hg = 0,1 kg;
1 hectogram = 10 decagram; 1 dg = 0,1 hg, enz..

Deze twee rijen worden nu klassikaal gereciteerd, liefst in een vast rhythme.

De schrijfwijze geeft ook niet veel moeite, we sluiten gewoon aan bij de plaatsen van de „éénen” en de tientallen, enz. in de geheele getallen; naast het kleinste geheele getal komt de komma en dan de tienden, de honderdtallen enz.. Het komma-spelletje helpt de kin­deren er bij: voor de klas plaatsen we een heele rij kinderen, die achteréén volgens een aantal kilogrammen, hectogrammen, enz. mogen voorstellen. Een kleine vluggerd mag de „komma” zijn, hij krijgt hiervoor een duidelijk teeken, bijv. een roode muts op, en zit eerst op den grond, tusschen grammen en decigrammen. Élk kind noemt nu op de beurt zijn aantal en één schrijft  het op: 8744,572 gram. Nu willen we er hectogram van maken, weg moet dan de komma en naar zijn nieuwe plaatsje, want nu zijn de hectogrammen de kleinste „geheelen”. Nu decigrammen, dan weer kilogrammen, vlug wipt de komma heen en weer, als we de gewenschte naam uit­spreken moet hij al weg zijn van zijn plaats om de nieuwe te zoeken. Vlug genoeg kunnen ze het nu ook in hun schrift.

Een andere draad nemen we op: er staan nog op het eerste bord de uitgaven van het winkeltje-spelen. Als we eens uitrekenden hoe­veel we samen uitgegeven hebben? We vinden dat, even goed als we voor 10 tientallen een honderdtal mogen opschrijven, we nu ook voor 10 honderdsten 1 tiende kunnen rekenen. En binnen enkele minuten rekenen ze er lustig op los.

Wat is er nu eigenlijk in den loop van den ochtend gebeurd? Wat hebben we met de kinderen gedaan?

Ja, we hebben veel met hen gedaan, maar het meeste hebben ze zelf gedaan: ze hebben rond geloopen door de klas, ze hebben even in de gang elkaars mutsen opgezet of een jas binnenste-buiten aan­getrokken, om er als een gefingeerde „klant” uit te zien; ze hebben zich ingespannen om den „winkelier” ‘van de wijs te brengen, door hun wenschen zoo te kiezen, dat het bedrag zoo groot mogelijk werd, of zóó dat ze maar een centje armer de gefantaseerde winkeldeur achter zich dichttrokken; ze hebben gelachen om den winkelier die zich vergiste, en hun verontwaardiging luidruchtig geuit om de heb­zuchtige klant, die de „heele klas” voor ƒ 20,— thuisgestuurd wilde hebben. Ze hebben ook gereciteerd en tot slot zelf met de nieuwe sommen gerekend. Hun geheele wezen heeft zich met dit rekenen kunnen verbinden: het willen in het doen, het voelen in het reciteeren en in het spelen, het voorstellen — want het denken is op dezen leeftijd nog voornamelijk voorstellen — in de fantasie, die zij bij alles ontwikkelden.

Van zelf spreekt het, dat dit alles nog maar een grondslag is, waarop in den verderen loop der periode het werken met de munten, maten en gewichten en de tiendeelige breuken moet worden opge­bouwd. Maar bij het leeren van elke nieuwe moeilijkheid gaan we weer op een zelfde wijze te werk.

Verder moeten de kinderen zelf het geleerde oefenen. Hieraan kan steeds meer tijd besteed worden. Ja, zelfs kunnen we dit oefe­nen, het gewone cijferen, door de andere perioden heen, elken dag even blijven doen, wanneer dit voor een klas gewenscht is. Doch ook bij dit gewone oefenen vergeten we niet steeds den kinderen een gelegenheid te geven hun eigen fantasie te gebruiken.

Ze mogen, moeten zelfs, zooveel mogelijk de opgaven zelf ver­zinnen. Dit laatste schept immers de mogelijkheid, dat alle kinderen eraan kunnen meedoen. Al zijn er in de klas kinderen die 4 of 5 opgaven als 87,94/78549,762/ uitrekenen, en anderen, die, in den­zelfden tijd, 2 opgaven als 1,25/62,5/; allen leeren en oefenen ze het werken met de tiendeelige breuken en ontwikkelen zich naar hun vermogen, zonder dat deze ontwikkeling door eenige pressie of rem zou worden geforceerd.

Alle kinderen uit de klas hebben aan een dusdanig onderwijs kunnen meedoen.

Over de gewone breuken, die op de tiendeelige volgen, een andere keer.

.

Rekenen 4e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over rekenen

Rekenen: alle artikelen

RekenwerkboekRekenen in beweging‘ -inhoudsopgave met doorverwijzing naar alle hoofdstukken

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

684-625

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de waarde van de biografie

.

Dr. Wolfgang Suchhardt, Die Menschenschule  22-11-1948
.

OVER DE VORMENDE WERKING VAN BIOGRAFIEËN
.

Zoals wellicht bekend was de dichter Christian Morgenstern bevriend met Friedrich Kayssler, de beroemde Berlijnse toneelspeler die na de eeuwwisseling (1800/1900) onder Max Reinhardt zijn loopbaan begon en ook door gedichten en essays op literair gebied op de voorgrond trad.

Morgenstern werd peetvader bij Kaysslers zoon, die in de voetsporen van zijn vader trad en een zeer gewaardeerd acteur werd, maar hij stierf vroeg, nog voor het midden van het leven. Hij werd vernoemd naar Morgenstern en zijn vader: Christian Friedrich. N.a.v. zijn geboorte schreef Morgenstern in 1899 een vierregelig gedicht, dat later in de ‘Epigrammen en spreuken’ opgenomen werd. Het had als titel: ‘Voor Christian Friedrich’ en gaat als volgt:

Woran sollen wir uns erziehen       waarmee moeten wij onszelf                                                                                opvoeden
An grossen Biographien                   met  grote biografieën
Plutarch unters Kopfkissen             Plutarchus onder het hoofdkussen
Wie wir es von Napoleon wissen!   Wat we van Napoleon weten!

De aansporing van Morgenstern is een oude en steeds weer een actuele pedagogische wijsheid. Rudolf Steiner [1] heeft er bij herhaling op gewezen dat biografieën van grote persoonlijkheden, levendig verteld, vanaf een bepaalde leeftijd, zo rond het 12e jaar, diepe, onuitwisbare sporen kunnen nalaten in de kinderziel. Je kunt de kinderen iets meegeven wat waar is en blijvend, wat dan a.h.w. latent aanwezig is onder de oppervlakte van het bewustzijn, wat het hele leven als een versterkend en krachtgevend geestesvoedsel  kan begeleiden. Wanneer er zich later bepaalde kritische of bedreigende situaties in het leven voordoen, dan kan een beeld onverwacht uit het duister van de herinnering opduiken, het kan er plotseling zijn, levend en fris.

Zo kan het gaan met een paar beelden van de daden van de groten uit de geschiedenis die je in een bepaalde, individuele situatie, bij een beslissing, bv. waarbij geen compromissen mogelijk zijn, geen andere wegen, voor je ziet. Deze als meteoren in de zielenhemel opstijgende beelden kunnen beslissende helpers zijn, zwijgende geestvrienden, wanneer de ziel voor de keuze staat of-of en nog niet weet of er een impasse dreigt en er geen uitweg meer is.

Steeds opnieuw, ook van de kant van de pedagogen die in de geest van Rudolf Steiner werken, is op de betekenis gewezen die het vertellen van verhalen en in het bijzonder van biografieën heeft.

Hier volgt een autobiografie. Werner von Siemens, de bekende natuurkundige en ontdekker uit de 19e eeuw heeft zijn levensherinneringen opgetekend. Voor pedagogen zijn die in velerlei opzicht verhelderend. Bovendien zijn er twee plaatsen die aan de psychologen het duidelijke bewijs leveren dat er niet te miskennen objectieve metamorfosewetten zijn, niet alleen in het organisch-plantaardige, maar ook op een hoger niveau, op het gebied van de ziel en de geest, wetten die Goethe al voorvoeld had en die Rudolf Steiner onvermoeibaar naar voren bracht en verklaarde.

Het eerste voorbeeld dat wij als bewijs voor deze samenhangen aanvoeren, is een jeugdervaring van de kleine Werner von Siemens, die als zodanig niets bijzonders of ongewoons voorstelt. Zeker talloze mensen hebben zo’n ervaring met een gans gehad, zoals Siemens hier schildert. De charme van deze beleving die hij voor de pedagoog heeft, is erin gelegen dat hij hier – wat zelden gebeurt – heel precies ervaart hoe zo’n gebeurtenis doorwerkt en vormt en tot een uitgesproken desem wordt voor de karaktervorming, dat de berichtgever hem zijn hele leven door, zoals hij steeds weer benadrukt, tot op hoge leeftijd  bij gebleven is.
Tegelijkertijd is dit kleine voorval de vroegste herinnering van de verteller, zodat hij zijn boek begint met deze aanschouwelijke schets:

‘Mijn eerste jeugdherinnering betreft een kleine heldendaad, die zich misschien daarom zo in mijn herinnering vastgezet heeft, omdat hij een blijvende invloed op mijn karakter uitgeoefend heeft. Mijn ouders woonden tot mijn 8e jaar in mijn geboorteplaats Lenthe bij Hannover, waar mijn vader het aan de Heer van Lente toebehorende landgoed ‘Obergut’ gepacht had. Ik moet ongeveer 5 jaar zijn geweest en ik was op een dag op mijn kamer aan het spelen toen mijn 3 jaar oudere zus Mathilde luid huilend door moeder naar haar kamer werd gebracht. Ze moest naar het parochiehuis, naar breiles, maar klaagde dat een gevaarlijke gans haar steeds maar de toegang tot de parochietuin versperde en haar al een paar keer gebeten had. Ze weigerde zeer beslist, ondanks moeder die op haar inpraatte, naar de les te gaan. Ook mijn vader slaagde er niet in haar van mening te laten veranderen; toen gaf hij mij een stok die aanzienlijk groter was dan ik zelf en zei: ‘Dan zal Werner je wel wegbrengen, die heeft hopelijk meer moed dan jij.’ Het leek mij eerst nog wel wat bedenkelijk, want vader gaf me voor onderweg de raad mee: ‘Als de gans komt, loop je hem dapper tegemoet en geef je hem er van langs met de stok, dan loopt hij wel weg!’ En zo gebeurde het ook. Toen we het tuinhek opendeden kwam de gans ons al met hoog opgerichte hals en een vreselijk gegak tegemoet. Mijn zusje keerde huilend om en ik had grote zin haar te volgen, maar ik vertrouwde op vaders raad en liep, wel met mijn ogen dicht, op het monster af en sloeg dapper met de stok om me heen. En kijk, de gans werd bang en liep luid gakkend naar de troep ganzen die er eveneens vandoor ging’.

Tot zover de belevenis van Werner von Siemens.

Als wij slechts dit hadden, beschikten we voor de pedagoog en de liefhebber van biografieën over een kostelijke anekdote. Maar er komen nog opmerkingen bij die voor de moderne psycholoog van onschatbare betekenis zijn. Want die bewijzen juist de geldigheid van de metamorfosewet voor het leven van de mens. Daarom leggen we op de vervolgzinnen van Werner von Siemens bijzonder de nadruk:

‘Het is merkwaardig wat voor een diepe, blijvende indruk deze eerste overwinning op mijn kinderlijk gemoed maakte. Nu nog, na bijna 70 jaar, staan alle personen en de omgeving die met deze belangrijke gebeurtenis verbonden waren, mij helder voor ogen. De enige herinnering aan hoe mijn ouders eruit zagen toen ze jong waren is er mee verbonden en zo vaak in latere moeilijke levensomstandigheden heeft de overwinning op de gans me ertoe aangezet dreigend gevaar niet uit de weg te gaan, maar het te overwinnen door het moedig onder ogen te zien.’

Het gaat om deze laatste zin. Daarop komt het in het bijzonder aan. Voor wie het geheel van een biografie bekijkt en erover spreekt, is het van vergaande strekking. Het bewijst duidelijk hoe bepaalde, morele gebeurtenissen in het eerste morgenrood van een mensenleven als desem verder werken en in het latere leven en het allerlaatste leven als vormende kracht groter worden. Deze alchemie van de fijnste lichtwerkingen van een hogere wereld in het troebele en donkere medium van de aardse omstandigheden verlangt een voorzichtige en tegelijkertijd eerbiedige beschouwing. Dat is de grote verheven les die een kijkje in een biografie en in het bijzonder in een autobiografie ons leert, een les die de leraar steeds weer aan de leerling overbrengt als het om de grote omvattende wetten van het wereldgebeuren gaat.

Nog een voorbeeld, niet minder indrukwekkend, is in de genoemde biografie te vinden.

Een jaar later, toen Werner von Siemens 11½ jaar oud was, stelde zijn vader voor de talrijke zonen een huisonderwijzer aan, een theologiekandidaat, Sponholz van naam, een nog jonge, maar hoogontwikkelde man, die over uitzonderlijke gaven moet hebben beschikt. Weliswaar stond hij bij zijn meerderen van het kerkelijk bestuur slecht aangeschreven, omdat hij niet ‘positief’ gezind genoeg was’, zoals Siemens het uitdrukt. Wij kunnen vermoeden dat het een innerlijk onafhankelijke, zelfstandige, geestelijk vrije persoonlijkheid was die zijn eigen diepgaande gedachten over de wereld en het bestaan had. Hij moet een zeer diep nadenkend mens zijn geweest, want in de loop van het verhaal komen we te weten, dat Sponholz sterk neigde naar hypochondrische stemmingen en hij moet het wel zwaar hebben gehad om met zichzelf en de wereld in het reine te komen. Maar ook al zag de burgerlijke maatschappij hem aan voor een mislukkeling, Werner von Siemens heeft in zijn levensherinnering toch een standbeeld voor hem opgericht wat bewijst hoe diep het beeld van deze anders volledig onbekende, anonieme figuur in de ziel van de jongen wortelde. Deze gecompliceerde, problematische natuur had wel het vermogen om voor de ‘halfwilde’ jongen een voortreffelijk leraar en opvoeder te zijn. Laten we naar de schets van von Siemens zelf luisteren

‘Hij wist al  in de eerste weken over ons, halfwilde jongens, een voor mij nu nog raadselachtig overwicht te krijgen. Hij heeft ons nooit bestraft, laat staan vermanend toegesproken; deed vaak met ons spel mee en verstond de kunst zo echt mee te spelen dat hij onze goede eigenschappen stimuleerde en de slechte weg hield. Zijn lessen waren erg prikkelend en stimulerend. Hij kreeg het steeds voor elkaar ons doelen voor ogen te laten stellen die we zouden kunnen halen en maakte onze daadkracht en onze ambitie sterker door het plezier over het bereiken van het gestelde doel, wat hij dan zelf oprecht met ons deelde. Zo lukte het hem in een paar weken uit verwilderde, luie jongens de ijverigste en vlijtigste leerlingen te maken die hij niet tot werk hoefde aan te sporen, maar voor overmoed moest behoeden. Het wekte in mij een gevoel van vreugde dat nooit meer weg is gegaan, aan zinvol werk en de ambitieuze drang iets te presteren. Een belangrijk middel dat hij daartoe gebruikte, waren zijn verhalen.’

Wij zien uitstekende eigenschappen als opvoeder, in deze persoonlijkheid zien we zijn mens vormende kracht aan de ene kant en een mislukt type, ongeschikt, aan de andere kant. Een ‘raadselachtig overwicht’ had hij over het hart van de jongens. Wij zouden zeggen, hij was niets anders dan een echte, vanzelfsprekende autoriteit, een persoonlijkheid met innerlijke zekerheid. Straf en berisping had hij niet nodig, want hij was de echte vriend, wanneer de vrije tijd lokte en het spel begon. Maar hij beschikte ook over methodiek in zijn onderwijs!

Hij was in staat de stof levendig te brengen, van veel kanten naar voren te brengen en de opgaven goed af te stemmen, niet te veel, maar ook niet te weinig te eisen. Daardoor plantte hij de eerste kiemen voor een levenslange vorming van het zo belangrijke plichtsgevoel. Ook al gaf hij de jongens maar een jaar les, Siemens benadrukt in het verdere verloop van zijn schets steeds weer: een overduidelijk plichtsbesef dank ik met name aan deze leraar.

Verder is er nog iets bijzonder origineels: hoe hij ’s avonds aan de knapen regelmatig verhalen vertelde. Je kunt vele verhalen vertellen: sprookjes, legenden, sagen, geschiedenisverhalen en biografieën van grote persoonlijkheden. Op hoe sterk de vormende waarde van de laatste is, is hierboven al gewezen.

Maar er bestaat nog een andere, niet minder belangrijk genre verhalen met een bepaalde werking, waarop Rudolf Steiner in het bijzonder heeft gewezen: de zelf bedachte, zelf gevonden, met eigen fantasie gezien, doortrokken met levenservaring! Hoor wat Siemens te zeggen heeft over deze herinneringen aan zijn geliefde leraar:

‘Wanneer ’s avonds onze ogen boven het werk toevielen, wenkte hij ons naar de oude leren sofa te komen waarop hij altijd zat en die naast de tafel stond waar wij aan werkten en terwijl wij ons tegen hem aanvlijden, schilderde hij ons beelden voor ogen van ons eigen toekomstige leven, enerzijds op de hoogtepunten van ons maatschappelijk leven die we door ijver en morele flinkheid hadden bereikt en dat ons in staat stelde ook de zorgen voor onze ouders – die namelijk in die moeilijke tijd voor iedere pachter zeer groot waren- te verlichten, anderzijds beelden die ons ook lieten teruggevallen in droevige levensomstandigheden, wanneer we onze ambities lieten varen en de verleiding tot het kwaad niet konden weerstaan.’

Wat Sponholz hier uit een fijn, rijp pedagogisch instinct doet, is die vorm van verhalen vertellen die we tegenwoordig in de geest van Rudolf Steiner als een nieuwe bouwsteen van moderne pedagogie moeten invoegen. Hier vinden we een wonderbaarlijk voorbeeld wat geniale figuren ook al veel vroeger vanuit een echt levensinstinct gedaan hebben. De verteller verzint een verhaal, laat zijn eigen scheppende fantasie zijn gang gaan – maar niet breidelloos, niet zomaar of subjectief, maar vanuit een diepere verantwoording aan de hogere machten van de geestelijke werkelijkheid, uit een echte wijze levenservaring. Een kind dat zulke zelf geweven beelden, als waren ze met het levensbloed van de verteller doortrokken, in zich opneemt, wordt tot in het diepst van zijn persoonlijke belevingswereld geraakt en gepakt. Wat op deze manier aan de jonge mens gegeven wordt, vormt zijn ziel tot in de diepste nuances, blijft een herinnering voor het verdere leven die op bepaalde ogenblikken weer in het bewustzijn komt* en aanwezig is. Op wat voor een fijnzinnige manier weet de jonge theoloog de morele kracht van de jongens, hun sociale plicht, aan te spreken! Hij schets hun hun eigen leven met hoogtepunten in hun bestaan, maar tegelijkertijd brengt hij de zorgen van de ouders in de beleving en roept zo hun verantwoordelijkheid op. Wanneer je je dit allemaal voor ogen stelt, moet je zeggen: deze onbekende jonge theoloog die door de maatschappij niet echt serieus wordt genomen, beschikt over een echt begenadigd pedagogisch talent, een gave die ook nu nog voor ons in menig opzicht een voorbeeldfunctie heeft.

Des te meer stof tot nadenken geeft het aan iedereen die voor de eerste keer deze autobiografie ter hand neemt, wanneer hij verder leest over het toekomstige lot van deze jonge opvoeder. Werner von Siemens zegt er in een paar zinnen over:

‘Helaas duurde dit gelukkigste deel van mijn jeugd  niet lang, niet eens een vol jaar. Sponholz had vaak last van diep melancholische aanvallen, die wellicht voor een deel te maken hadden met zijn mislukte beroep als theoloog en zijn levensloop en voor een deel veroorzaakt werd door dingen waar wij als kinderen nog niet voor open stonden. Tijdens een van die aanvallen verliet hij op een donkere winternacht met een jachtgeweer het huis en werd na lang zoeken op een afgelegen plek van het landgoed met een verbrijzelde schedel gevonden. Ons verdriet over het verlies van de geliefde vriend en leraar was grenzeloos. Mijn liefde en dankbaarheid is tot op de dag van vandaag bewaard gebleven.’

Wat een aangrijpend levenslot komt hier naar voren! We blikken in een diepe verbondenheid tussen een leerling en een leraar, tussen een kind en een zeker nog jonge persoonlijkheid wiens hoogtepunt van het leven nog lang niet bereikt was en dat nu zo plotseling en abrupt eindigt. Je kunt duidelijk ervaren dat er tussen leerling en leraar een diepe lotsverbondenheid bestaat. Juist in die levensfase van deze individuele ontvankelijkheid, van een sterker actief wordende persoonlijkheidskracht, valt het jaar waarin de jonge Werner deze bijzondere opvoeder als leraar krijgt. Wanneer Sponholz de opvoeding op zich neemt, is Werner 11½, wanneer hij door zelfmoord omkomt, een jaar ouder. Hoe diep moet een zo ingrijpende slag van het lot in het kindergemoed zijn binnengekomen, hoe niet te doven zo’n jeugdherinnering in de ziel gebrand.

Het beeld van deze bijzondere opvoeder wordt compleet wanneer je hoort hoe het met de opvoeding van de jongen en zijn broers verder ging. Siemens bericht daarover het volgende:

‘De opvolger van Sponholz was een oudere heer, die lang bij de adel de plaats van huisleraar ingenomen had. Hij was bijna in alles het tegendeel van zijn voorganger. Zijn opvoedingssysteem was heel formeel. Hij eiste allereerst dat wij gehoorzaam waren en ons netjes gedroegen. Jeugdige onstuimigheid stond hem tegen. De voorgeschreven uren moesten we opletten en ons werk doen; netjes met hem meelopen op de wandelingen en hem buiten schooltijd niet lastig vallen. De oude man was ziekelijk en stierf binnen twee jaar bij ons thuis aan longontsteking. Op ons was zijn invloed niet stimulerend en vormend; en zonder de invloed die Sponholz op ons had gehad, zouden de jaren voor mij en mijn broer Hans nutteloos verlopen zijn. Door Sponholz waren bij mij de wil om mijn plicht te doen en ijverig te leren vast verankerd en ik liet me niet in de war brengen en omgekeerd me niet door de leraar meeslepen.’

Wij zien aan deze schets wat een uitstekende leraar in een tijdsbestek van maar een jaar voor onuitwisbare invloed kan hebben op de kinderziel. Die kan zo diep ingrijpend, zo diep geworteld zijn dat ze alle schade en tekortkomingen van het onderwijs overleven en overstralen kan. Dat is een van de vele aspecten die we uit  deze tweede levensfase van Werner von Siemens kunnen leren kennen.

Wij wilden met deze voorbeelden laten zien, wat voor bron van lering, van aanzet, van waarneming van de meest subtiele levenswetten zo’n zelf beschreven levensweg kan zijn.
Daarbij hebben wij nog helemaal niet genoemd hoe leerzaam het hele leven van deze grote uitvinder met zijn reeks ontdekkingen voor pedagogen kan zijn. Het geschiedenisonderwijs van de 19. eeuw, de economische geschiedenis, de geschiedenis van de uitvindingen, van de techniek enz. kan het vertellen van zo’n biografie aanzienlijk rijker maken. Ook valt er te denken aan een natuurkundeleraar die mechanica geeft of een scheikundeleraar die deze stof eens tot zich neemt om te ervaren wat hij daarvan aan zijn leerlingen mee wil geven. Daar zal veel stimulans vanuit kunnen gaan.

Het was ons er vooral om te doen zo veel als mogelijk sprekend bewijs te leveren hoe de wet van de metamorfose in het leven van de mens werkt.

 

*Dat gebeurt; en kan ook gebeuren met bv. de inhoud van een fabel

[1] GA 294/112  
Vertaald/117

 

Alle biografieën

Rudolf Steiner: over vertellen

Vertelstof: alle artikelen

 

683-624

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Henry Ford

 

KONING VAN DE WEG
.

Na de dood van Henry Ford vond men onder een werkbank in het experimentele laboratorium bij hem thuis een kar­tonnen schoenendoos met persoonlijke bezittingen. Daar zat onder andere een hermetisch gesloten proefbuisje in, met op het etiketje de woorden: “De laatste adem van Thomas Edison.”

Ford was aan Edison verknocht omdat de uitvinder hem al in 1896 had aangemoedigd verder te gaan met zijn op benzine lopende auto, toen de meeste mensen de idee nog bespottelijk vonden. Sinds een beslissend ogenblik twintig jaar tevoren, toen Ford dertien jaar was, had het rijtuig-zonder-paarden hem niet losgelaten: hij reed met zijn vader op een boerenkar in de buurt van Dearborn in de staat Michigan, toen hij een stoommachine zag die zich op eigen kracht, met een ketting als verbinding tussen machine en achterwielen, over een landweg voortbewoog. Kleine Henry zette grote ogen op. Stoommachines had hij wel eens eerder gezien — ze werden op de boerderijen voor het dorsen en hout­zagen gebruikt; maar dit was de eerste die hij zag rijden zonder dat ze door een paard getrokken werd. Ford herinnerde zich jaren later duidelijk, dat de machine stilhield om zijn vaders paarden voorbij te laten, en: ‘Ik was al van de wagen af en met de be­stuurder aan het praten voordat mijn vader in de gaten had wat ik van plan was.”

Van die dag af wilde Ford niets van het boerenbedrijf weten. Hij leerde voor monteur, werkte als reparateur van landbouwma­chines en dreef een zaagmolen. In 1891, op zijn 28ste, vertelde hij zijn vrouw Clara dat hij een slecht betaald baantje als nacht­mecanicien aannam bij de centrale te Detroit van de Edison Illuminating Company. Hij legde haar uit dat dit een kans was om iets te leren van elektriciteit, wat hij nodig had voor de benzine­motor die hij al lang van plan was te maken. De gedachte naar de stad te trekken en haar nieuwe huis in Dearborn te verlaten schrikte Clara af, maar ze pakte zonder morren hun bezittingen in. Henry had haar zijn ontwerp voor een rijtuig-zonder-paarden uiteengezet, en zij geloofde er even vast in als hij.

Volgens Fords dagboeken werd hij gedurende de volgende twee jaren zo in beslag genomen door de benzinemotor, dat hij vaak vergat zijn loon bij de Edison-centrale af te halen. Op kerst­avond van 1893, toen zijn zoon Edsel zeven weken was en terwijl Clara het druk had met de toebereidselen voor het familiediner van de volgende dag, droeg Ford zijn eerste voltooide motor de keuken binnen. Hij stelde de motor op in de gootsteen en vroeg Clara hem met het starten te helpen. Hij wees haar hoe ze de benzine uit een kopje moest gieten in de metalen bak die als carburator dienst deed, en hoe ze de schroef om moest draaien die de brandstof tot de inlaatklep zou toelaten terwijl hij aan het vliegwiel draaide. Hij verbond zijn primitieve bougie met de elektrische leiding van het huis en gaf Clara het sein om te gaan gieten. De motor — die een uit één stuk gasbuis gemaakte cilinder had — proestte en sidderde, deed de aanrecht trillen en spuwde vlammen uit zijn uitlaat. Ford keek een paar minuten hoe hij liep. Toen wenkte hij Clara opzij te gaan en zette de motor af. Hij deed het; dat was alles wat hij moest weten. Hij vatte onmiddellijk het werk aan een tweecilinder motor op.

Fords huurwoning in Detroit besloeg de helft van een twee-ge­zinshuis. Erachter was een stenen schuurtje voor de kolen van de huurders. Ford gebruikte zijn helft van de schuur als werkplaats. Hier was het, dat hij om vier uur in de ochtend van 4 juni 1896 zijn eerste automobiel voltooide, waarmee hij meteen uit rijden ging langs de Grand River Avenue naar de Washington Boule­vard, waar de wagen bleef staan met een defect aan de ontsteking.

Twee maanden later nam Alex Dow, Fords baas bij de Edison-centrale, hem mee naar een door Edison belegde bijeenkomst in New York. Aan een diner na de bijeenkomst stelde Dow hem aan Edison voor als een man die een benzinewagen had gemaakt. Edison wilde er meer van weten. Hij keek toe hoe Ford schetsen maakte op een spijskaart en zei toen: “Je hebt het — een onaf­hankelijke eenheid die haar eigen brandstof meevoert. Dat is het! Ga ermee door!” Ford was in de wolken toen hij naar huis ging.

Ford is niet de uitvinder van de automobiel, maar hij was de eerste autofabrikant die een massa-afzet zocht. De meeste andere automobielfabrikanten ontwierpen kostbaar speelgoed voor rijke lieden. De wagen die Ford in gedachten had, moest een stevig en eenvoudig mechanisme zijn, licht van gewicht en gemakkelijk in elkaar te zetten, zodat de prijs de beurs van de gemiddelde man niet te boven zou gaan. Hij vond de oplossing in zijn verbazing­wekkend ongecompliceerde Model T, het bekende “Fordje” dat ook wel Tin Lizzie werd genoemd; en in de toepassing van de lopende band, waardoor de voor het in elkaar zetten van een chassis benodigde tijd bekort werd van veertien uur tot één uur en 33 minuten. Door overal in de Verenigde Staten assemblage­fabrieken op te richten, kon Ford zijn Model T afleveren in een tempo van 1,6 exemplaar per minuut — vijftien miljoen in negen­tien jaar. Bijna de helft van de tussen 1917 en 1927 in de Ver­enigde Staten geproduceerde auto’s waren Fords. En Henry bleef koppig de prijs verlagen opdat nog meer mensen ze konden kopen — van 850 dollar in 1908 tot 290 dollar in 1925.
Het Model T maakte van de Ford Motor Co. de verbluffendste onderneming in de Amerikaanse industrie. Hoe onvoorstelbaar groot het succes was blijkt wel zeer duidelijk uit het vaak vertelde verhaal van Rosetta Hauss, een zuster van James Couzens, de eerste zakelijke leider van de Ford-maatschappij. Couzens pro­beerde Rosetta voor een waarde van tweehonderd dollar van zijn aandelen over te doen, maar zij weifelde. Ten slotte investeerde zij honderd dollar. In de loop van de volgende zestien jaar ont­ving zij 95 000 dollar aan dividend, en toen Ford in 1919 zijn minderheidsaandeelhouders uitkocht, deed zij haar aandeel van honderd dollar van de hand voor 260 000 dollar. Twee advocaten, Horace Rackham en John Anderson, staken er 10 000 dollar in. Zij inden 25 miljoen.

Henry Ford was een even gedenkwaardige persoonlijkheid als welke romanfiguur dan ook. President Franklin D. Roosevelt nodigde hem eens uit om op het Witte Huis te komen dineren met de koning en de koningin van Engeland. Ford liet weten dat hij verhinderd was omdat de tuiniersclub van zijn vrouw die dag een bijeenkomst had.

Ford verzamelde violen, antieke schoolboeken en allerlei vroeg-Amerikaanse curiosa. Hij was ook vogelliefhebber, volksdanser, en een gezondheids- en dieetmaniak, die in zijn fabrieken en kantoren nooit het roken toestond. Soms at hij dagenlang worte­len, en wanneer hij aan een van zijn langdurige sojaboonuitspattingen bezig was, bestelde hij niet alleen sojabonensoep en soja­bonenbrood, maar ook sojabonenijs.

Henry trachtte iedereen in zijn omgeving te overheersen, be­halve zijn vrouw Clara — een vrouw met een sterke geest die altijd het laatste woord had. Zij stierf in 1950, drie jaar na haar man. Zij waren 59 jaar getrouwd geweest en waren al die tijd elkaar innig toegewijde levensgezellen. Als Henry de deur van Fair Lane binnenkwam, bleef hij in de hal staan en floot. Van de bovenverdieping of uit haar eigen stoel op de veranda, waar beiden overdag met een verrekijker en een vogelboek naast zich zaten, floot zijn vrouw dan terug. Zij brachten hun avonden samen door. Ze las hem voor uit boeken als The Yearling, Bambi en Gejaagd door de Wind, of ze luisterden samen naar populaire radioprogramma’s. Haar geringste gril was hem een bevel.

Henry bood Thomas Edison in 1929, bij het gouden jubileum van het elektrisch licht, een gigantisch huldigingsdiner aan. Het werd bijgewoond door president Hoover en vijfhonderd andere beroemdheden, die Ford op zijn kosten van over de hele wereld had bijeengebracht. De kosten van het diner en het vervoer en de huisvesting der gasten beliepen, naar men zei, meer dan een mil­joen dollar. Later vroeg Ford zijn lijfschilder, Irving Bacon, om een schilderij van het Edison-diner te maken. Het was meer dan twee meter hoog en vijf meter breed en toonde 266 herkenbare portretten van de gasten; de voltooiing kostte verscheidene jaren. Van tijd tot tijd kwam Ford kijken om veranderingen in het schilderij voor te stellen. “Haal dat mens eruit,” zei hij eens, wijzend op de vrouw van een afdelingschef van de Ford-maat­schappij. “Mijn vrouw mag haar niet.” Altijd wanneer hij een bezoeker meebracht om naar het vorderende werk van Bacon te kijken, legde hij zijn vinger op het gezicht van zijn echtgenote en zei: “Dat is de knapste vrouw van het hele stel.” Verscheidene leden van Fords staf, die in zijn gunst stonden toen Bacon aan het schilderij begon, vielen in ongenade voordat het voltooid was. Hij liet hen van het linnen halen om nieuwe gunstelingen in hun plaats te stellen.

Ten minste een van de grote beslissingen der onderneming werd genomen door mevrouw Ford. Dit was in 1941 tijdens de staking die uitbrak toen de bond van arbeiders in de auto-industrie (de United Automobile Workers, aangesloten bij het CIO, Congress of Industrial Organizations) streed voor het recht om de werknemers der onderneming te organiseren. Tot die tijd had Henry nimmer een vakbond erkend. Poort 4 van zijn reusachtige fabriek in River Rouge werd berucht als het met bloed bevlekte slagveld van de UAW. Ten slotte werd hij echter gedwongen vergunning voor een stemming onder zijn arbeiders te geven en zij kozen het CIO.

Charles Sorensen, die lange tijd Fords productieleider was, ver­telt in zijn memoires, My Forty Years With Ford (Mijn veertig jaren bij Ford), hoe Henry na de stemming in zijn kantoor kwam en zei, dat hij nooit een overeenkomst met het CIO zou tekenen. “Sluit de fabriek,” zei hij. “Laat de bond hem maar overnemen als hij wil.” Toen Sorensen de volgende ochtend zijn radio aan­zette, hoorde hij dat Ford niet alleen had toegegeven door het CIO recht op organisatie toe te kennen, maar dat hij de vakbonds­leiders had verbaasd door extra-concessies te doen waar zij niet om hadden gevraagd: loonsverhogingen en de toezegging, dat de vak­bondscontributies door zijn eigen administratie van de lonen zou­den worden afgehouden. Een paar weken later vertelde Ford aan Sorensen waarom hij zo plotseling van gedachten veranderd was. Hij zei, dat mevrouw Ford gedreigd had hem te zullen verlaten als hij geen vrede sloot met de bond. “Ze zei, dat er relletjes en bloedvergieten van zouden komen en dat ze daar genoeg van had,” zei Ford. “Ik zie nu in dat ze gelijk had.”

Een belangrijke figuur in de geschiedenis van de familie Ford, en een meer subtiele, meer genuanceerde dan Henry, was zijn zoon Edsel, een knappe, rustige man met een hang naar verfijning die niet thuishoorde in het Detroit van de rumoerige jaren twintig. Voor Edsel begon Henry in 1913 met de bouw van het strenge en nogal sombere huis, Fair Lane, op een terrein van 554 hectaren naast de plek waar Clara en hij woonden toen ze pas getrouwd waren. Het landhuis bevatte een biljartkamer met de eerste indi­recte verlichting die in Detroit voorkwam, een orgel van 30 000 dollar, een kegelbaan, een overdekt zwembad met aan de kant marmeren banken, die verwarmd werden zodat de baders er konden zitten zonder het koud te krijgen, een rustieke jachtkamer en een schaatsvijver. En op Edsels eenentwintigste verjaardag gaf Henry hem een miljoen dollar in goud.

Topmensen van Ford zeggen dat Edsel, die op zijn 26ste door zijn vader tot president van de maatschappij werd benoemd, zijn tijd dertig jaar vooruit was, niet alleen in zijn denkbeelden over vormgeving en constructie van auto’s, maar ook in zijn ideeën over de arbeidsverhoudingen en de sociale en economische
ver­antwoordelijkheden van de grote ondernemingen. Hoewel Edsel nooit een universiteit had bezocht — Henry was tegen academi­sche vorming — wist hij meer af van Cellini en Renoir dan de meeste docenten. Uiteraard kon een zoon als Edsel nimmer be­grepen worden door een vader als Henry, en er moesten wel conflicten tussen hen ontstaan.

De verschilpunten tussen Edsel en Henry begonnen aan het licht te komen in het midden van de jaren twintig, toen het ieder­een in het bedrijf behalve Henry duidelijk werd, dat het Model T zijn populariteit begon te verliezen. Henry had het ontworpen voor de slechte wegen van vóór de Eerste Wereldoorlog, en meer de klemtoon gelegd op duurzaamheid en zuinigheid dan op com­fort en uiterlijk. Nu waren er vlakke autowegen zonder modder­poelen, en de gemiddelde automobilist was bereid een paar dollar meer te betalen voor een meer luxueuze wagen. De grapjes, die de conferenciers over het Fordje maakten, begonnen pijnlijk te wor­den. (“Een Fordje is net als een badkuip. Het is nuttig, maar je wilt er niet in gezien worden.”)

Aan de top van de Ford Motor Co. was Henry omgeven door jabroers, die het nooit met hem oneens waren. Alleen Edsel en enkele wanhopige verkoopleiders hadden de moed hem te zeggen, dat het Model T eruit moest. De oude Ford bestreed zijn zoon en mokte. Toen hij geconfronteerd werd met de dalende verkoop­cijfers gaf hij eindelijk toe. Daarna volgden er meer botsingen tussen de beide Fords over het ontwerp van het nieuwe Model A. Edsel wilde een wagen met hydraulische remmen en een met de hand te bedienen baladeurtandwiel-versnelling, net als de Che­vrolet, die met zijn omzetcijfers op Ford begon in te lopen. Ten slotte stemde de Oude Henry toe in de handschakeling, maar hij hield vast aan de mechanische remmen. Na een lange vertraging kwam het Model A uit tegen het eind van 1927. Wat sensationeel nieuws betreft was dat een bijzonder jaar, maar in Only Yesterday, zijn boek over de jaren twintig in Amerika, noemt Frederick Lewis Allen de verschijning van de nieuwe Ford “een van de grote gebeurtenissen van 1927.”

Uit het oogpunt van algemene belangstelling heeft geen enkele auto ooit zo’n dramatische onthulling beleefd, omdat geen enkele autofabrikant van Fords reputatie ooit zo’n ingrijpende wijziging in zijn product aanbracht. De Tin Lizzie — nog altijd de goed­koopste wagen — was nu niet alleen uitgerust met zaken als vier-wielremmen en een ruitenwisser, maar ook had de koper keuze uit vele verschillende kleuren!

Na de wrijving met Edsel over het Model A, trok Henry Ford zich gemelijk ten dele terug. Hij begon het grootste deel van zijn tijd te besteden aan zijn liefhebberij, het verzamelen van Ameri­kaanse curiosa.

De oude Henry leefde tot de lente van 1947, zijn 83ste jaar. Op zijn laatste dag scheen hij zich lichamelijk en geestelijk beter te voelen dan hij in lange tijd geweest was. Hij maakte een rit over het terrein van de fabriek te Rouge en langs de vertrouwde punten van Dearborn die hij als jongen gekend had. Toen hij op Fair Lane terugkwam, liet hij stoppen bij de elektrische centrale om te zien hoe de opzichter, Charles Voorhess, opschoot met het werk aan de turbines. De Oude Henry was heel trots op Fair Lane’s eigen elektriciteitsnet; onafhankelijk als hij was, wilde hij niets met een openbaar nutsbedrijf te maken hebben; hij wekte zijn eigen stroom op met waterkracht van de rivier Rouge.

Op deze dag was de Rouge echter door de voorjaarsdooi ge­stegen en buiten haar oevers getreden, zodat de turbines van de Centrale onder water kwamen te staan en Fair Lane geen licht kreeg. Er waren twee motoren aangevoerd en met een hulp-turbine verbonden, en terwijl de Oude Henry er was en het werk gadesloeg, ging het licht weer aan. Ford keek Voorhess aan en zei met een spotlachje: “Je wordt toch niet nijdig, hè, als ik tegen mijn vrouw zeg dat ik het licht in orde heb gemaakt?”

Maar de motoren waren te zwaar belast. Die nacht stonden zij stil en Fair Lane werd opnieuw in duisternis gedompeld.

Henry Ford, de wonderdoener van de gemechaniseerde mo­derne techniek, verliet de wereld zoals hij haar 83 jaar daarvoor betreden had — bij het licht van een paar kaarsen en een petro­leumlamp.

meer over Ford

alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

.

682-623

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (2)

.
tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: vspedagogie at gmailpuntcom
.

Wanneer Steiner over het aanleren van schrijven en lezen sprak, benadrukte hij het feit dat de letters die we nu schrijven abstracties zijn. Lijntjes in een bepaalde vorm. Die lijntjes hadden ook anders kunnen staan, want voor de klank maakt het niet uit hoe ze staan: er is geen relatie vorm-klank, vorm-betekenis.

In oude culturen was dat volgens Steiner wel het geval.

Sumerisch letterteken

(The Sumerians, their history and culture and character- Samuel Noah Kramer-University of Chicago Press)

Het beeld van een hoofd. De verticale streepjes geven de mond aan. De betekenis is: “mond”, maar tegelijkertijd ook “spreken”.

De letter is dus een eindfase. Een sintel, zeg maar, ten opzichte van het vuur – de levendige ver- en uitbeelding van veel meer dan in het symbool kon worden weergegeven.

Steiner wil – om het kind een verbinding te kunnen laten maken met wat het gaat leren – niet met die sintel beginnen, maar met het vuur en dat is voor hem het beeld – de veel vollere werkelijkheid dan de streepjes en de boogjes.
.
GEEN HISTORISCHE BEELDEN

Het is niet zo dat je nu als leerkracht alle beelden zou moeten kennen, waaruit onze letters tevoorschijn zijn gekomen.

Solche Dinge, solche Bilder muß man selber finden. Man braucht nicht das historisch Gegebene zu suchen. Man sollte die freie, gezügelte Phantasie wirken lassen und Vertrauen haben zu dem, was man selber findet; auch für Tätigkeitsformen, zum Beispiel für das S. Was Sie selbst erarbeiten!

Zulke beelden moet men zelf vinden. Men hoeft niet te zoeken naar wat historisch gegeven is. Men moet de vrije, beheerste fantasie laten werken en vertrouwen hebben in datgene wat men zelf vindt; ook voor vormen van activiteiten, bijvoorbeeld voor de S. Wat u zelf weet te ontdekken! [1]
GA 295/20  
Vertaald/20

=

Man braucht nun nicht etwa die Geschichte so weit zu stu­dieren, daß man die alte Bilderschrift wieder in der Schule lebendig werden läßt. Aber es ist gut für den Lehrer, seine künstlerische Phantasie so wirken zu lassen, daß er zunächst das Kind malen läßt, Formen zeichnen läßt, die durchaus dasjenige wiedergeben, was das Kind empfindet, in dem das Kind lebt.

Je hoeft de geschiedenis niet zo ver te bestuderen dat je het oude beeldschrift op school weer nieuw leven inblaast. Maar het is goed voor de leraar om zijn kunstzinnige fantasie zo te laten werken dat hij het kind eerst laat schilderen, vormen laat tekenen die uiteraard dat weergeven wat het kind ervaart, wat in het kind leeft.
GA 297a/148
Vertaald

=

Es kommt nicht darauf an, die Buchstabenform so zu entwickeln, wie es historisch ist, denn das ist in verschiedenen Gebieten ver­schieden, sondern daß dieser ganze Duktus des Weges aus dem Künstlerischen heraus erneuert wird. Man braucht nicht historische Formen zu bringen.

Het komt er niet op aan de lettervorm zo te ontwikkelen zoals die historisch is, want dat is in verschillende gebieden anders, maar dat het hele verloop van de karakteristieke vormgeving uit het kunstzinnige vernieuwd wordt. Je hoeft niet met historische vormen te komen.
GA 300B/69
Niet vertaald 

=

Sehen Sie, da kann man ja natürlich, wenn man wenig Erfindungs­geist hat, so vorgehen, daß man zum Beispiel die ägyptische Bilderschrift oder eine andere Bilderschrift nimmt und dann versucht, aus ge­wissen Formen dieser Bilderschrift die heutigen konventionellen Buch­stabenformen herauszubekommen. Aber das hat man nicht einmal nötig. Es ist ja nicht notwendig, daß wir uns ganz halten an den reali­stischen Gang der Menschheitsentwicklung.

Kijk, je kan natuurlijk als je niet zo vindingrijk bent, als voorbeeld het Egyptische beeldschrift nemen of een ander beeldschrift en dan proberen uit bepaalde vormen van dit beeldschrift de tegenwoordige conventionele lettervormen te herleiden. Maar dat is helemaal niet nodig. Het is helemaal niet nodig om je te houden aan hoe het werkelijk in de ontwikkeling van de mensheid ging.
GA 301/79
Op deze blog vertaald/79

=

Es braucht nicht immer der Fall zu sein, daß wir in dieser Weise gerade just das treffen, was die Menschheitsentwicklung selber durch­gemacht hat. Wir können durchaus unsere freie Imagination spielen lassen; denn es kommt nicht darauf an, daß das Kind wirkliche Kul­turgeschichte wiederholt, sondern daß es in der Art, die einmal sich abgespielt hat, nun auch von dem Künstlerischen, dem Zeichnerisch­-Bildhaften in die abstrakte Schriftform hineinkommt.

Het hoeft niet altijd zo te zijn dat wij op deze manier precies datgene tot stand brengen wat de mensheidsontwikkeling zelf heeft doorgemaakt. We kunnen zeer zeker ook onze vrije fantasie een rol laten spelen. Want het gaat er niet om dat het kind echt de cultuurgeschiedenis herhaalt, maar dat het op de wijze waarop de dingen zich ooit hebben afgespeeld, nu ook vanuit het kunstzinnige, het teken-beeldachtige element tot het abstracte schriftteken komt.
GA 303/165 

Vertaald/180
                                                                   =

Da ist es nicht nötig, daß wir nun immer historisch zurückgeben, wie aus der Bilderschrift wirklich in solcher Weise unsere heutige Schrift entstanden ist. Das ist gar nicht nötig, wir brauchen nicht kul­turhistorische Pädagogik zu treiben. Wir brauchen nur selber uns hineinzufinden, etwas durch die Phantasie beflügelt, dann werden wir in allen Sprachen die Möglichkeit finden, von charakteristischen Wor­ten auszugehen, die wir ins Bild verwandeln können und aus denen heraus wir dann erst die Buchstaben gewinnen.

Het is niet nodig die wij steeds historisch weergeven hoe uit het beeldschrift daadwerkelijk op zo’n manier (van beeld naar abstractie) het huidige schrift ontstaan is. Dat is helemaal niet nodig; wij hoeven geen cultuurhistorische pedagogie te bedrijven. We hoeven ons er alleen maar zelf in in te leven, iets door de fantasie geïnspireerd, dan zullen wij in alle talen de mogelijkheid vinden om van karakteristieke woorden uit te gaan die we in een beeld kunnen veranderen en daarvan kunnen we dan de letters afleiden.
GA 306/81
Op deze blog vertaald/81

=

Indem ich dies immer weiter ausbilde, hole ich aus dem malenden Zeichnen und dem zeichnenden Malen die Schriftzeichen heraus, wie sie auch entstanden sind. Ich bringe nicht das Kind in ein Zivilisations­stadium hinein, das mit ihm noch nichts gemeinschaftlich hat, sondern ich führe es so, daß niemals sein Verhältnis zur Außenwelt abreißt. Da muß man, wenn man nicht gerade Kulturgeschichte studieren will -denn aus der Bilderschrift ist die heutige Schrift entstanden, aber Kul­turgeschichte studieren braucht man gar nicht -, man muß nur seine Phantasie in Schwung bringen; denn dann bringt man das Kind dazu, aus dem malenden Zeichnen das Schreiben zu gestalten.

Doordat ik dit [het werken vanuit het beeld] steeds verder ontwikkel, haal ik uit het schilderend tekenen en het tekenend schilderen de schrifttekens op de manier zoals ze ook zijn ontstaan. Ik breng het kind niet in een stadium van beschaving waarmee het nog niets gemeen heeft. Integen­deel, ik leid hem zo dat zijn relatie tot de buitenwereld nooit afbreekt. Als je je niet wilt verdiepen in cultuurgeschiedenis – want uit het beeldschrift is het huidige schrift wel ontstaan, maar cultuurgeschiedenis hoef je echt niet te gaan studeren – dan moet je slechts je fantasie in gang zetten. Want dan breng je het kind ertoe om uit het schilderend tekenen het schrijven te ontwik­kelen.
GA 310/58-59 
vertaald/61-62

=

Man braucht nun nicht auf diese ursprünglichen Charaktere zu­rückzugehen, aber man kann erfinden. Erfinderisch muß der Lehrer sein; er muß aus dem Geiste der Sache heraus schaffen.

Je hoeft niet terug te gaan op deze oorspronkelijke karakters, je kunt ze zelf bedenken. De leerkracht moet vindingrijk zijn; hij moet uit de aard van de zaak creatief zijn.
GA 311/32
Op deze blog vertaald/32

Volg de link tussen de haken naar andere onderwerpen uit Steiners visie op schrijven en lezen:

[1]  onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

.

681-622

.





VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Maarten (21)

.
Verteltijd ca. 12 min.
.

SINT-MAARTEN

verteld door Jakob Streit

Martinus

Hoe hij zijn naam kreeg

In het land Pannonië dat nu Hongarije heet, woonde in het stadje Sabaria een dappere ridder.
Als beroep had hij oorlog voeren gekozen en diende in het leger van de Romeinse keizer Justinianus en Constantijn. Deze ridder trok als hoofdman in de landen rond en voerde de Romeinse soldaten aan.
Zo kwam het dat zijn vrouw vaak alleen met haar dienstmeisje in Sabaria achterbleef. Omdat ze echter een kindje verwachtte, liet ze haar man een boodschap sturen. En inderdaad, toen de geboorte dichterbij kwam, keerde de echtgenoot terug. De vreugde van de ouders was groot toen ze een zoontje geschonken kregen. Omdat de vader echter een heiden was die met toewijding de oorlogsgod Mars diende, dacht hij dat zijn zoon ook eens een dappere krijger zou zijn. Hij liet het jongetje naar het altaar van Mars brengen. Er werd een offervuur aangestoken. De vader hield zijn zwaard in de vlam tot de punt gloeiend was. Toen zwaaide hij het zwaard over het jongetje heen en weer om het in te wijden. Daartoe riep hij driemaal de naam: ‘Martinus, Martinus, Martinus!’ Deze naam betekent zo veel als ‘kleine Mars’.

De vader kon niet lang thuisblijven; want hij moest naar Italië terugkeren naar de stad Pavia, waar zijn soldaten gelegerd waren. Toen de moeder zag, dat ze helemaal alleen met de kleine achter zou blijven, smeekte ze de vader: ‘Neem ons allebei mee! Hoe moet de jongen een flinke soldaat worden, wanneer hij zonder vader moet opgroeien?’

Deze smeekbede van de moeder vond gehoor. Het gezin vertrok met paard en wagen, met geld en goederen naar Pavia. Hier vonden ze een huis in de stad en daarin groeide Martinus op. Omdat de vader bij deze stad aan de soldaten het vak van oorlog voeren leerde, kon hij vaker thuis zijn en hij was er blij mee dat de jongen ieder jaar vrolijker en sterker werd.

De dierenbeulen

Martinus had van zijn vader en moeder het goede hart meegekregen. Zag hij een jongen een dier plagen, dan liet hij dat niet gebeuren. En omdat hij er sterk uitzag en rechtvaardig was, was zijn woord wet. Op een dag slenterde Martinus over het veld. Bij een meertje zag hij drie jongens die gevangen kikkers kwelden. Met draadjes hadden ze de pootjes bij elkaar gebonden en ze stonden zich eraan te vergapen hoe de geplaagde diertjes trappelden en steeds maar weer over de kop sloegen. Martinus werd heel kwaad. Hij snauwde ze toe: ‘Wat zijn jullie nou aan het doen? Die beestjes hebben pijn! Laat ze los!’ Een spottend gelach was het antwoord. De grotere stond op, trok een dik touw uit zijn zak en zei tegen de anderen: ‘Kom op, dan binden we bij hem ook de benen bij elkaar!’ en tegelijkertijd liep hij op Martinus toe. De woede gaf hem dubbele kracht. Hij pakte de jongen van onderen vast en voor de anderen te hulp konden komen, had Martinus hem al in het modderige water gegooid. Nu wierpen de andere twee zich op hem. Martinus was dapper. De tweede vloog, kopje buitelend de eerste in het meertje achterna. De derde zette het op een lopen en ging er jammerend vandoor, dat je alleen zijn schoenzolen nog zag. Terwijl die twee drenkelingen uit het water kropen, maakte Martinus de knoopjes los van de vastgebonden kikkers en liet ze de een na de ander rustig in het water glijden.

Ondertussen waren de moddergeuzen iets verder naar een beekje gelopen om hun kleren schoon te maken. Ze durfden Martinus niet nog eens aan te pakken. Toen hij alle kikkers weer in het water had gedaan, ging hij weer naar huis.

Op zijn twaalfde jaar

Toen zijn vader op een keer naar huis was gekomen om te eten, sprak hij aan tafel met zijn moeder over mensen, die een nieuwe godsdienst beleden. ‘Ze worden christenen genoemd. Ze minachten de oude goden. Hun geheimteken is een vis. Velen willen geen soldaat worden. Zij vinden dat alle mensen broeders en zusters zouden moeten zijn. Maar omdat de keizer ze hun gang laat gaan, kunnen we niets tegen hen beginnen.’

Martinus vroeg: ‘Zijn er ook christenen in Pavia?’  ‘Ja, er is een huis in de buurt van de watertoren waar ze bij elkaar komen; maar er zijn er maar weinig in deze stad.’

Vanaf dat ogenblik dacht Martinus vaker over de christenen na die met alle mensen broeder en zuster wilden zijn. Uit nieuwsgierigheid liep hij op een avond eens naar die watertoren. Uit een huis klonk gezang. En inderdaad, op de boog van de poortingang was een vis in een steen gegrift. Graag was Martinus naar binnen gegaan. Toen hij nadenkend bleef staan, naar het zingen luisterde en naar het vissenteken keek, kwamen er een man en een jongeling aan. Toen ze de poort doorgingen, keerde de man zich om en nodigde Martinus uit om mee te komen. Zo kwam hij voor de eerste keer onder christenen. Hij hoorde hoe hun meester in Jeruzalem aan het kruishout was gestorven en na drie dagen uit zijn graf was verrezen. Sinds die tijd gaat hij als onzichtbare helper en trooster over de aarde en wekt liefde op in mensenharten.
Thuis durfde Martinus er niets van aan zijn ouders te zeggen of te vertellen; want hij had gemerkt dat zijn vader de christenen vijandig gezind was. Maar zij hadden wel het hart van Martinus gewonnen. Ook al was er maar zelden een heimelijke gelegenheid om erheen te gaan, werd zijn hart toch steeds meer vervuld met een wonderbaarlijke liefde voor mens en dier en voor heel de schepping.

De harde weg

Als zoon van een ridder en Romeins hoofdman deed de vader zijn zoon Martinus in de leer bij een leermeester die hem het boogschieten bijbracht, met een speer leerde werpen, paardrijden en een wagen mennen. Toen hij vijftien was besloot zijn vader dat hij soldaat kon worden. Dus moest hij mee op legerexpeditie tegen de Germanen, die steeds opnieuw de Romeinse gebieden binnenvielen. Soldaat zijn betekende veel ontbering en harde strijd. Zo ging jaar na jaar voorbij waarin Martinus in zijn leger diende. Elk contact met de christenen ging verloren. Maar er was iets in hem waardoor hij als soldaat niet echt blij kon zijn: in de strijd kon hij de kracht opbrengen en moedig zijn, maar zijn hart bleef leeg.

Het gebeurde dat het leger tegen de herfsttijd, toen de dagen kouder werden, in de buurt van de stad Augusta Treverorum kwam, die tegenwoordig Trier heet. Hier grensden Gallië en Germania aan elkaar. De verdienstelijke krijgers en officieren zouden nieuwe kleding krijgen. Martinus bevond zich onder hen. Er was een grote, wijde mantel bij waarvan het rugpand ’s winters met schapenvacht gevoerd was en zo lang, dat ook de rug van het paard ermee bedekt kon worden. Begin november werd het legioen waarin Martinus diende, naar de buurt van Amiens verplaatst.

De ontmoeting

Op een novemberdag reed Martinus naar de stad Amiens. Er stond een ijskoude wind en zelfs de raven vonden het te koud om te vliegen. De laatste dorre bladeren van de naherfst dwarrelden van de bijna kale bomen. Plotseling ontwaarde Martinus voor zich, opzij, een gedaante. Die was nauwelijks gekleed, stond tegen een grote steen geleund om beschutting voor de bijtende noordenwind te zoeken. Nu hief de bedelaarsgestalte een open hand op, fluisterde woorden die op de wind wegdreven en keek met grote ogen omhoog naar Martinus. Toen nam deze zijn wijde mantel van de schouder, trok zijn scherpe zwaard en sneed van boven naar beneden het kleed in tweeën. Hij reikte de helft aan de bedelaar die er dankbaar zijn bevroren ledematen mee omhulde. Het andere deel sloeg Martinus om zijn schouders. Hij reed verder om een herberg te zoeken.

In de volgende nacht toen Martinus in een diepe slaap lag, hoorde hij zijn naam noemen. Als in een droom werd het lichter om hem heen en hij zag twee engelgestalten zweven die zijn halve mantel droegen. Daarachter verscheen het gelaat van de bedelaar, maar met een van zonlicht glanzend gelaat met stralende ogen. Een stem sprak: ‘Martinus, je hebt in de bedelaar mijn nood verwarmd. Ik ben de broeder van iedere mens.” Toen het beeld verdween, was het of er bij Martinus in zijn hart warme zonneschijn neerdaalde, die nooit meer zou kunnen uitdoven.

In het teken van de vis

De volgende dag, toen Martinus doelloos, in gedachten verzonken door de stegen van de stad Amiens slenterde, kwam hij langs een huis waarop hij het teken van de vis gekerfd zag. Hij ging naar binnen en werd door de kleine gemeenschap vriendelijk opgenomen. Hij vertelde hen over de christenen in Pavia. Hier liet hij zich na dagen de christelijke doop geven. Moest hij hierna nog soldaat blijven?

Pas na twintig jaar krijgsdienst, zo luidde de regel, kon toen een Romeins soldaat het leger verlaten. Met zijn nood zocht hij de wijze, christelijke leermeester Hilarius op, die in de buurt van de stad Poitiers woonde. Na een lang gesprek toen Hilarius inzag dat Martinus een ridder wilde zijn in de naam van Christus, gaf hij hem een goede raad. Er was toen een nieuwe verordening van keizer Constantijn afgekondigd, dat wie priester wilde worden, het leger mocht verlaten. Dat wist Hilarius en hij raadde Martinus aan dit te doen. Dat gebeurde. Martinus werd leerling van de wijze Hilarius. Bij hem kon hij het leven en de boodschap van Christus ervaren en in zijn hart opnemen. Schild en wapens, paard en zwaard gaf hij terug en hij kleedde zich in een sober gewaad. Omdat hij echter de zegen van Christus in zich meedroeg, stelde hij zijn leven in dienst van het verkondigen van de christelijke boodschap onder de heidenen.

Droom en reis

Op een nacht, in de slaap, hoorde Martinus een stem die hem opdroeg zijn ouders op te zoeken die naar Hongarije terug gekeerd zouden zijn. Martinus nam de weg over de Alpen via Milaan naar Pavia. Toen hij over een eenzaam bergpad liep, sprongen er rovers tevoorschijn. Eentje zwaaide een bijl boven zijn hoofd om hem te doden. Bliksemsnel pakte een andere rover de hand die wilde doden en hield die tegen. Martinus werd vastgebonden. Omdat ze geen geld of spullen bij hem aantroffen, wilden ze hem als knecht verkopen. Hij werd onder de hoede gesteld van de rover die hem voor de dood behoed had. De anderen gingen weg om weer te roven. Toen Martinus alleen was met zijn redder, begon hij met hem te praten en aangezien deze zijn hart openstelde, vertelde hij hem over de zoon van God, die in Jeruzalem met twee misdadigers werd gekruisigd, een ter rechter en een ter linker zijde. Hij vertelde dat de ene anders over de betekenis van het sterven begon te denken en de woorden van Christus in zich opnam. Wat Martinus vertelde bewoog het hart van de rover zo zeer, dat hij hem losmaakte en hem in vrijheid zijn weg verder liet vervolgen.

In Pavia aangekomen, vernam Martinus dat zijn ouders inderdaad naar hun thuisland Pannonië teruggekeerd waren. Dus trok hij daarheen tot aan de stad Sabaria, waar hij ze terugvond. Zijn moeder sloot al zijn woorden en de boodschap die Martinus bracht, in haar hart. Zijn vader echter vond: ‘Met de god Mars heb ik geleefd en gevochten; die is ouder dan jouw Christus!’ En hij bleef daarbij.

Langs vele wegen keerde Martinus terug naar Hilarius in de buurt van Poitiers en stelde zich voortaan in dienst om de Christus te verkondigen onder de Galliërs.

Martinus van Tours

In de stad Tours bracht Martinus vele mensen tot Christus. Zij bouwden een mooie kerk. De gemeenschap van de christenen wenste Martinus als hun opperherder; maar hij ontvluchtte hen door naar het platteland uit te wijken. Hij wilde in afzondering werken, niet als bisschop een ambt bekleden. Omdat de burgers van Tours hem overal in de omgeving zochten, kwamen er ook een paar bij de boerderij waar Martinus zich verscholen had. Hij sliep in de stal, waar ook ganzen waren. Toen het volk dichterbij kwam, begonnen de ganzen luid te gakkeren. De staldeur werd geopend. De ganzen hadden niet alleen Martinus wakker gemaakt, maar ook zijn schuilplaats verraden. Met vreugde begroetten de burgers van Tours hem. Eindelijk stemde hij toe opperherder te willen zijn.
Vandaar het gebruik dat op 11 november, Martinusdag, in iedere streek bij elke familie nog altijd een gans wordt gebraden.

Martinus bleef niet lang in kerkelijke dienst. De vele dagelijkse bezoekers stoorden hem. Buiten de stad zocht hij een rustige kluizenaarshut. Hier vestigde zich langzamerhand een broederschap en werd er een klooster gebouwd. Naar het voorbeeld van Martinus leidden ze een vroom en werkzaam leven. Er kwamen zieken en vertwijfelden naartoe, misdadigers en zondaren. Martinus was voor elk een broeder. Omdat hij geen mantel en geen spullen meer had, schonk hij de rijke gaven van zijn ziel, van zijn hart.

Uit: Jakob Streit: ‘Ich will dein Bruder sein

(Eigen vertaling: bij mijn weten niet vertaald)

.

St.-Maarten: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSt.-Maarten

.

680-621

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Victoria

.

DE WEDUWE VAN WINDSOR
.

Victoria was koningin van Engeland, keizerin van India, en tegelijkertijd een eenvoudige, nauwgezette grootmoeder die zich zorgen maakte om de ziekten van de levenden, en de gedenkdagen der doden herdacht.
In haar ogen waren de koninkrijken van Europa gewoon de bezittingen van haar familie. Zij was verwant aan de koningshuizen van Duitsland, Grieken­land, Roemenië, Zweden, Denemarken, Noorwegen en België, en vond dat er weinig verschil bestond tussen haar persoonlijke re­laties met de vorsten en de betrekkingen van Groot-Brittannië met de vreemde mogendheden.
In 1899 was zij 80 jaar en nog steeds in de allereerste plaats een vrouw. De geschiedenis van haar tijd was in haar gedachten samengesmolten met haar eigen leven. Toen er een oorlog leek te dreigen tussen Frankrijk en Engeland vanwege de kwestie Siam, (Thailand) juist toen de koningin enige tijd in Nice verbleef, schreef zij haar eerste minister: “In het belang van het land hoop ik dat een crisis zal worden afgewend, en ook…. voor mij persoonlijk zou het zeer onaangenaam zijn als er moei­lijkheden rezen met een land waar ik momenteel verblijf houd.”

Zij vereenzelvigde zich met haar onderdanen. Vol toorn pro­testeerde zij toen een minister van financiën een hogere accijns eiste op het bier van “haar volk”. Met “haar volk” bedoelde zij hoofdzakelijk de middenstand. Die was samen met haar opge­groeid, want onder haar regering had het industriële Engeland de wereldmarkten veroverd. Zowel de arbeidersklasse als de land­arbeiders vielen buiten haar gezichtskring. Dat zij op Balmoral warme onderjurken uitdeelde aan oude vrouwen die haar hand grepen en Gods zegen over haar afsmeekten was “zeer aandoenlijk” ; maar van de ongelukkige stakkers die in de krotten van Londen woonden kon zij zich slechts een onduidelijke voorstelling vormen. Zij was verrast door de verkiezing van de eerste Labour-leden in het Lagerhuis en nodigde hen uit op Windsor Castle om aan haar voorgesteld te worden. Zoals zij in haar dagboek schreef: “zij voelden zich zeer gestreeld.”

De deugden en de smaak van de middenstand waren de hare en zij noemde de aristocratie een tikje minachtend “de hoogste kringen”. Soms vergeleek zij de Engelse adel met de Franse aan de vooravond van de revolutie, en zij geloofde dat het zoeken naar genot deze stand te gronde zou richten. In 1900 gaf een Amerikaanse jongedame in een brief naar huis een beschrijving van Londen. Zij schreef: “Koningin Victoria gaat nooit uit.” Volkomen terecht. De uitgaande wereld nam het de “Weduwe van Windsor” kwalijk dat zij zo teruggetrokken leefde. Het Hof was niet langer het middelpunt van de grote wereld. Victoria’s denkbeelden omtrent de schone kunsten waren de denkbeelden van de Engelse middenstand. Geruime tijd weigerde zij naar de muziek van Wagner te luisteren. “Volkomen onbegrijpelijk,” verklaarde zij. En toen iemand de opmerking maakte dat dit “de muziek van de toekomst” was, antwoordde ze vinnig: “De toe­komst kan me helemaal niet schelen en ik wil er niets meer over horen.”

Zij dacht nooit aan de indruk die zij op anderen maakte. Ze had een hekel aan lange kerkdiensten en in de kerk ergerde ze soms de dominee, als ze haar waaier in de hoogte hield om aan te geven dat zijn preek haar te lang ging duren. Iemand vertelde haar eens hoe een nieuwe ambassadeur, die juist aan haar was voorgesteld, over Hare Majesteit dacht. “Gunst!” zei ze, “daar heb ik niet bij stilgestaan. Het is zo onbelangrijk. Het gaat er alleen maar om hoe ik over hem denk.”

Dit volstrekte zelfvertrouwen gaf haar een natuurlijke
onge­dwongenheid. Zij was heel klein en heel gezet en leek op een
paddenstoeltje, zoals de kunstenaar von Angeli eens gezegd schijnt te hebben. Maar ze behield een opmerkelijke waardigheid. Haar lichtelijk puilende blauwe ogen waren nog jeugdig, haar gebaren waren nog steeds bekoorlijk, zelfs op hoge leeftijd. Zij had een lieve stem en een open lach. Zij maakte geen aanspraak op wijsheid en ook niet op een hoge beschaving, maar haar gezond verstand had iets geniaals. “Ik dacht altijd,” zei Lord Salisbury, “dat ik wan­neer ik eenmaal wist wat de koningin dacht, vrijwel zeker kon zijn van het standpunt van haar onderdanen, in het bijzonder dat van de middenstand.”

De koningin was overdreven nauwgezet en wilde dat haar dagen onafgebroken en volledig ingedeeld waren. Elke morgen om halftien reed zij uit in haar open ponywagen, die ze zelf be­stuurde. Er liep een hofdame naast haar die haar alles vertelde wat er thuis gebeurde; zij was evenzeer geïnteresseerd in kleinig­heden als in staatszaken. Als er de dag tevoren een jonge hofdame naar Portsmouth was geweest, moest de koningin weten of ze teruggekomen was en of de zee ruw was geweest. Zij stopte bij de huisdeuren om naar de zieken te vragen. En als zij het geluk had een orgeldraaier tegen te komen, hield zij haar rijtuigje in en praatte met de kleine Italiaan en toonde zich bezorgd over de ge­zondheid van zijn aap. Zij hield zich overal mee bezig:
de be­vordering van kapelmeesters, de grammofoonopname van een toespraak die zij aan de koningin van Ethiopië wilde sturen, een telegram aan de Chinese staatsman en generaal, Li Hung Tsjang.

Het aantal documenten dat zij persoonlijk moest ondertekenen was ontzagwekkend. Zij eiste de voortdurende aanwezigheid van haar secretarissen. Sir Arthur Bigge, haar privé-secretaris, moest haar speciale toestemming vragen om van Windsor naar Londen te gaan. Als de afgezant van de koningin er niet voor zorgde dat Sir Arthur Bigge precies op het moment dat zij hem nodig had terug was, vond hij een briefje op zijn bureau: “De koningin wenst te weten waarom Sir Arthur niet op zijn kamer was.”

Victoria werd in 1819 geboren en besteeg de troon als meisje van achttien. Zij heeft het langst geregeerd van alle Europese vorsten. Tijdens haar regering had Frankrijk twee dynastieën en een repu­bliek, Spanje had drie vorsten en Italië vier koningen. Toen zij in 1897 haar diamanten jubileum vierde en 60 jaar koningin was, werd dit vergeleken met een Engelse uitdaging aan de andere wereldnaties. Engeland mocht wel benijd worden, want het was een wereld op zichzelf. Engelse en inlandse troepen werden vanuit alle rijksdelen en koloniën naar huis geroepen. De jubileumop­tocht was als een Romeinse triomftocht. De koningin schreef in haar dagboek: “Ik geloof dat niemand ooit zulk een ovatie in ontvangst heeft genomen als ik heb gekregen.”

Die dag in juni 1897, een dag van diamanten, gejuich en tranen van geluk, was het hoogtepunt van haar regering, misschien het toppunt van de Britse macht. Minder dan drie jaar na die glo­rieuze jubileumoptocht werd het machtigste wereldrijk door twee kleine boerenrepublieken op het zuidelijkste puntje van het Afrikaanse vasteland in bedwang gehouden. Aan het begin van de Boerenoorlog hadden de Londenaars om die ongelijke strijd ge­lachen. Maar het hele jaar 1900 bleef er slecht nieuws komen en niemand leed er meer onder dan de 81-jarige koningin. Zij scheen absoluut onvermoeibaar, schreef aan generaals en soldaten, nam afscheid van regimenten die naar het front vertrokken, bezocht de gewonden in het ziekenhuis. Niemand had deze oorlog minder gewenst dan zij. Maar de dagbladen in Duitsland en Frankrijk vielen haar op een bijzonder oneerlijke manier aan.

Toen zij op 18 december, na een bezoek aan Ierland, van haar jacht Alberta aan land stapte, werden de toeschouwers getroffen door de grote verandering in haar uiterlijk vergeleken bij het voorgaande jaar. Zij was niet meer de kleine, mollige, bijna knappe vrouw die op de dag van het jubileum door Londen had gereden. Haar enige ziekte was de oude dag en de uitzonderlijke vermoeie­nissen van dat droeve jaar. Haar zoon, de prins van Wales, werd dringend ontboden. Een andere zoon, de hertog van Connaught, was juist in Duitsland en hij overhandigde de telegrafische tijding dat de koningin stervende was aan zijn neef, keizer Wilhelm II. “Ik wees hem erop,” zei de prins von Bülow, de Duitse kanselier, “dat het verstandig zou zijn om af te wachten hoe de ziekte zich ontwikkelde. De keizer antwoordde nogal ongeduldig dat het om het leven van zijn geliefde grootmoeder ging, dat hij vastbesloten was haar nog eenmaal te zien.”

De betrekkingen tussen de twee landen waren niet bepaald hartelijk geweest sinds de keizer zijn beroemde telegram aan Kruger, de president der Boeren, had verzonden om hem geluk te wensen met het afslaan van een Engelse aanval. Maar op de 22ste januari 1901 liepen de Duitse keizer en de prins van Wales samen op Engelse grond. Voor de eerste keer van zijn leven was de keizer populair in Engeland. Hij schreef naar de keizerin en vertelde haar dat de mensen in Londen die avond huilden van blijdschap toen zij hoorden dat hij bij zijn grootmoeder was. Zij was een van de weinigen die werkelijk van hem hielden.

Heel Engeland ging in de rouw toen zij in haar residentie op het eiland Wight stierf. In Londen was geen stukje zwarte stof meer te krijgen. Voor de begrafenis lagen er slagschepen en krui­sers in dubbele rijen voor anker langs de route van het jacht Alberta met het stoffelijk overschot van de koningin aan boord. Hun scheepskapellen speelden de Treurmars van Chopin. Hun kanonnen dreunden. Het was een indrukwekkend geheel: een kilometers lange rij van oorlogsschepen, de matrozen die het hoofd bogen over hun geweer met de kolf naar boven, de rode flitsen uit de lopen der kanonnen en tussen de salvo’s door de flarden droefgeestige muziek.

Toen de nieuwe vorst, haar zoon, aan boord van het koninklijke jacht kwam, zag hij de vlag halfstok en vroeg de commandant wat dit betekende.

“De koningin is dood, meneer,” antwoordde de officier.

“Maar de koning leeft,” antwoordde Edward VII en liet de standaard hijsen. Het gordijn viel over een eeuw geschiedenis.

De keizer bleef tot een paar dagen na de begrafenis. Tegen de tijd van zijn vertrek was het zeker dat hij door zijn oprecht verdriet de Engelsen, een volk van sentimentele mensen, weer veroverd had. Maar de Duitsers op hun beurt kookten van woede omdat hij het nodig had geoordeeld de orde van de Zwarte Adelaar te ver­lenen aan veldmaarschalk Lord Roberts, de overwinnaar van de Boeren. Nog lang na zijn thuiskomst bleef de keizer persoonlijk onder de betovering van Engeland.

Het leven in de hoofdstad hernam zijn loop. Een jonge officier, Winston Churchill geheten, gebruikte de lunch met een van de oudere staatslieden, Sir William Harcourt, en vroeg hem: “Wat gaat er nu gebeuren?”

“Beste Winston,” antwoordde Sir William, “de ervaring van een lang leven heeft mij ervan overtuigd dat er nooit iets gebeurt.”

En werkelijk, in de afgelopen 60 jaar was er niets gebeurd. De koningin had geregeerd, stukken getekend, liefgehad, en zij was oud geworden. Het keizerrijk was sterker, meer een eenheid, ge­worden. De rijkdom van Engeland was steeds meer toegenomen. Zijn bevolking had zich verdubbeld. Toen, in een paar maanden, was alles veranderd. Januari 1901: de koningin was dood, een ander nam het roer, Afrikaanse boeren trotseerden het keizerrijk. Elk Engels gezin ontving brieven van mannen aan het front: “Het eind is nog niet in zicht, integendeel.” Een heel land vroeg ver­baasd en bezorgd wat de jonge Winston al had gevraagd — “Wat gaat er nu gebeuren?”

Alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

.

679-620

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen – alle artikelen

..

Volg de link tussen de [  ]

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens: hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

[9] dat de kinderen de drukletter moeten leren lezen is vanzelfsprekend. Maar moeten ze die ook leren schrijven?

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

678-619

..

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (1)

.
Tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: vspedagogie  voeg toe  apenstaartje  gmail.com
.

Als een rode draad loopt door heel het vrijeschoolonderwijs Steiners opvatting dat het onderwijs ‘levend’ moet zijn. Kinderen bruisen van leven en als het onderwijs of de opvoeding dat bruisen wil ondersteunen en niet tegenwerken of remmen, dan moet de aangeboden leerstof ook zoveel mogelijk bruisen. Dat betekent dat er bij het schrijven en lezen niet begonnen wordt met een eindproduct: de huidige letter, maar met een activiteit vergelijkbaar met het eerste schrijven in de beschaving van de mensheid, waarbij letters aanvankelijk alleen maar beelden waren om uiting te geven aan wat men bedoelde. Langzamerhand zijn deze beelden tot letters geworden en letters zijn dus te beschouwen als een eindproduct. Steiner wilde niet bij dit eindproduct beginnen, maar bij de beleving. M.a.w. niet bij de sintel, maar bij het vuur; niet bij de steen, maar bij het brood.

In zijn talloze opgetekende pedagogische voordrachten brengt hij dit onderwerp ter sprake.

Hier volgen de meeste passages:

Betrachten Sie nur äußerlich, wenn Sie heute dem Kinde Lesen und Schreiben beibringen, wie dieses Lesen und Schreiben eigentlich in der allgemeinen Kultur drinnensteht. Wir lesen, aber die Kunst des Lesens hat sich ja im Laufe der Kulturentwickelung herausgebildet. Die Buch­stabenformen, die entstanden sind, die Verbindung der Buchstaben-formen untereinander, das alles ist eine auf Konvention beruhende Sache.

Werpt u eens een vluchtige blik op de plaats die het lezen en schrij­ven, dat u het kind bijbrengt, eigenlijk inneemt in de cultuur in het algemeen. Wij lezen, maar de kunst van het lezen heeft zich zoals u weet in de loop van de culturele ontwikkeling gevormd. De vormen van de letters die zijn ontstaan, de verbinding van de lettervormen onderling, dat alles berust op conventie.
GA 294/8    
Vertaald/9

=

Wir müssen den Menschen allmählich zum Schreiben und Lesen hinführen. Denn wer sähe nicht, daß die Buchstaben, wie wir sie heute haben, etwas Konventionelles sind?

We moeten de mens langzamerhand tot schrijven en lezen brengen. Maar wie ziet dat de letters, zoals we die nu hebben, iets conventioneels zijn? 
GA 297/108
Op deze blog vertaald
/108

=

Wenn Sie zurückgehen auf die ältesten Formen der ägyptischen Schrift, die noch eine Zeichenschrift war, so finden Sie überall in den Buchstaben Nachahmungen von solchen Dingen. Und im Übergange von der ägyp­tischen Kultur in die phönizische hat sich das erst vollzogen, was man nennen kann: Entwicklung von dem Bilde zu dem Zeichen für den Laut.

Wanneer u terug gaat naar de oudste vormen van het Egyptische schrift, dat nog getekend werd, dan vindt u overal dat de letters nabootsingen zijn. En in de overgang van de Egyptische naar de Fenicische cultuur heeft zich de ontwikkeling van het beeld naar het teken voor de klank voltrokken. In de eerste tijden van de ontwikkeling van het schrift was het in Egypte zo dat eenvoudig alles wat opgeschreven diende te worden, door middel van beelden werd opgeschreven, werd getekend. Er werd dan wel zo getekend, dat men moest leren de tekening zo eenvoudig mogelijk te maken. Wie fouten maakte werd, als hij was aangesteld om deze beeldentaal te schrijven, bijvoorbeeld ter dood veroordeeld wanneer hij een heilig woord verkeerd opgeschreven had. In het oude Egypte nam men deze dingen die met het schrijven verband hielden zeer serieus. Maar toen was ook alles wat geschreven was een beeld.
GA 294/70
Vertaald//77

=

Dasjenige, was heute unsere Lesezeichen, unsere Schriftzeichen sind, ist ja im Grunde genommen etwas sehr Abgeleitetes. Man sehe nur einmal zurück auf die Urschriften – nicht auf die primitiver Völker -, zum Beispiel auf die der hochentwickelten ägyptischen Kultur, man sehe, wie da die Schrift noch etwas war, was durchaus künstlerisch gestaltet war. Das hat sich im Laufe der Zeit allmählich abgeschlif­fen. Unsere Schriftzeichen sind sozusagen konventionelle Zeichen geworden.

Dat wat tegenwoordig onze leessymbolen, onze schrifttekens zijn, is op de keper beschouwd iets wat in hoge mate van iets is afgeleid. Men moet eens terugblikken op het oerschrift, bv. van de hoogontwikkelde Egyptische cultuur en je ziet hoe het schrift daar nog in hoge mate kunstzinnig vorm werd gegeven. Dat is in de loop van de tijd vervlakt. Onze schrijftekens zijn zogezegd conventionele tekens geworden.
GA 297/168
Op deze blog vertaald/168

=

Wir sollen dem Kind beibringen das Lesen, das Schreiben der Schrift; aber gegenüber dem, was im Menschen lebt, ist ja die Schrift, das Gedruckte längst innerhalb der menschlichen Zivilisation etwas ganz Abstraktes geworden, etwas, was Zeichennatur angenommen hat und nicht mehr in innigem Zusammenhang steht mit dem vol­len, ursprünglichen, elementaren Seelenleben des Menschen. Nicht voll, aber doch einigermaßen gibt die äußere Kulturgeschichte über solche Dinge einigen Aufschluß. Wenn wir zurückgehen in die verschiedenen Kulturen, finden wir die Bilderschrift, wo allerdings in dem, was äußerlich fixiert wurde, bildhaft festgehalten wurde, was man eigentlich meinte. Es war in der älteren Kultur die Schrift nicht bis zu einer solchen Abstraktheit des bloßen Zeichens gebracht worden, wie das heute der Fall ist. Wir bringen in der Tat, wenn wir in der gewöhnlichen Weise Lesen oder Schreiben lehren, an das Kind etwas heran, was zunächst gar nicht mit seiner Natur ver­wandt ist.

We moeten het kind leren lezen en schrijven. Maar met betrekking tot wat er in de mens leeft, is het schrift, het gedrukte, allang in de menselijke beschaving iets heel abstracts geworden, symboolkarakter heeft aangenomen en niet meer innig samenhangt met het volle, oorspronkelijke, elementaire zielenleven van de mens. Niet volledig, maar toch enigszins laat de cultuurontwikkeling daarvan wat zien. Wanneer we teruggaan in de verschillende culturen, vinden we het beeldschrift, waarin zeer zeker uiterlijk bewaard gebleven is, als beeld vastgehouden, wat men ermee bedoelde. In de antieke cultuur is het schrift niet tot zo’n abstractie kunnen komen, zoals dat nu het geval is. Wij geven het kind wanneer we het op de gewone manier leren lezen en schrijven, iets wat in eerste instantie helemaal niets te maken heeft met zijn natuur.
GA 297a/24-25
Op deze blog vertaald/24-25 
    

=

Diese Buchstaben sind ja der menschlichen Natur etwas ganz Frem­des. Denken Sie nur daran, wie in früheren Zeiten eine Bilderschrift bestanden hat, eine Bilderschrift, die vor allen Dingen dadurch ent­standen ist, daß im Bilde dasjenige nachgeahmt wurde, was wahr­genommen worden war. Da war die Schrift ganz nahe bei dem, was man wahrnahm. Da hatte die Schrift etwas unmittelbar mit dem Menschen Zusammenhängendes. Im Verlaufe der Zivilisations­entwicklung haben sich die Buchstabenformen losgelöst vom Men­schen.

De letters zijn in de menselijke natuur iets heel vreemds. Denk er alleen eens aan hoe in vroeger tijden een beeldschrift heeft bestaan, een beeldschrift ontstaan is doordat in hoge mate in het beeld nagebootst werd wat men waargenomen had. Toen stond het schrift heel dicht bij wat men waarnam. Toen had het schrift direct iets wat met de mens samenhing. In verloop van de cultuurontwikkeling zijn de lettervormen los komen te staan van de mens.
GA 297a/148
Vertaald/
=

Das Lesen und Schreiben, wie wir es als erwachsene Menschen zu unserem menschlichen Verkehr oder zur Aufnahme von irgendwelchen Dingen des geistigen und sonsti­gen Lebens gebrauchen, ist ja so beschaffen, daß im Lesen die Zeichen, die unsere Worte zusammensetzen, die Zeichen für unsere Buchstaben, schon etwas ganz Konventionelles geworden sind. Ältere Völker haben noch eine Bilderschrift gehabt; in dieser Bilderschrift lag etwas Anschau­liches. Da war noch eine Beziehung zwischen dem, wodurch man schreibend etwas ausdrückte, und demjenigen, was ausgedrückt werden sollte. In unseren Buchstaben ist nichts mehr zu erkennen von dem, was ausgedrückt werden soll. Wenn man daher die Buchstaben so einfach den Kindern lehrt, wie sie ja in langer Entwicklung erst geworden sind, dann zwingt man das Kind an etwas ihm Fremdes heran.

Met het lezen en schrijven zoals wij dat als volwassen mensen in het sociale verkeer gebruiken of nodig hebben om wat dan ook van het geestelijk leven of wat dies meer zij op te tekenen, is het zo gesteld dat in het lezen de tekens waaruit onze woorden bestaan, de tekens voor onze letters, nu iets heel conventioneels zijn geworden. Oudere volkeren hadden nog een beeldschrift; in dit beeldschrift was iets aanschouwelijks. Er bestond nog een relatie tussen dat waardoor men schrijvend iets uitdrukte en wat uitgedrukt moest worden. In onze letters is niets meer te herkennen van wat uitgedrukt moest worden. Wanneer je dan de letters simpelweg aan kinderen aanleert zoals ze in een lange ontwikkeling zijn geworden, dan dring je de kinderen iets op wat hun vreemd is.
GA 298/73-74
Vertaald/15

=

Nicht wahr, wir haben die Aufgabe, die Kinder schreiben zu lehren. Ja, aber so wie die Schrift heute ist, ist sie ein vorgerücktes Kulturprodukt. Sie ist dadurch entstanden, daß sich im Laufe der Mensch­heitsentwicklung aus einer Bilderschrift unsere heutige, rein schon bis zum Konventionellen abstrakte Schrift entwickelt hat. Wenn man versucht, ältere Schriften, ich will sagen, die ägyptische Bilderschrift, sich noch in ihrem ganzen Grundcharakter vor die Seele zu führen, dann sieht man, wie ursprüngliche menschliche Veranlagung davon ausgegangen ist, die Außenwelt nachzuzeichnen.

We hebben de taak de kinderen te leren schrijven. Maar zoals het schrift tegenwoordig is, is het een cultuurproduct dat zich verder ontwikkeld heeft. Het is ontstaan doordat in de loop van de mensheidsontwikkeling uit een beeldschrift onze huidige, helemaal tot conventie geworden abstracte schrift zich ontwikkeld heeft. Wanneer je probeert je in te leven in de wezenlijke eigenschappen van ouder schrift, bv. het Egyptische beeldschrift, dan zie je hoe de oorspronkelijke menselijke aanleg begonnen is de buitenwereld na te tekenen.
GA 301/78
Op deze blog vertaald/78 

=

Denken Sie jetzt, wir bringen das Kind dazu, wenn es uns in die Schule hereingebracht wird, einfach in der gewöhnlichen Weise sich an dasjenige anpassen zu müssen, was zunächst ganz äußerlich an die Menschennatur herangetreten ist: Lesen und Schreiben. Dieses Lesen und Schreiben in unserer heutigen Form tritt ja ganz äußerlich an die Menschennatur heran. Dasjenige, was man da anschaut, was man macht im Schreiben, das wurde in verhältnismäßig nicht so weit zurückliegenden Zeiten noch ganz anders gemacht: es wurden Bilder gemacht; es erinnerte also nicht bloß in Zeichenart an die Wirklichkeit, sondern es bildete die Wirklichkeit ab.

Stelt u zich nu voor dat we een kind er toe brengen, als het onze school binnenkomt, zich op de gewone manier aan te passen aan dat wat zich als eerste heel uiterlijk tot de menselijke natuur richt: lezen en schrijven. Dit lezen en schrijven in de huidige vorm benadert de menselijke natuur heel uiterlijk. Wat je daar ziet, wat er bij het schrijven wordt gedaan, dat werd in tijden die relatief niet zo lang geleden zijn, heel anders gedaan: er werden afbeeldingen gemaakt; dat herinnerde de mens dus niet alleen op tekenachtige wijze aan de werkelijkheid, maar het beeldde die werkelijkheid af.
GA 302/128
vertaald/125-126

=

Sehen Sie, Sie brauchen sich ja nur vor die Seele zu rufen, was für Schreck­liches wir eigentlich tun, wenn wir ohne weiteres sechs-, sieben-, acht­jährigen Kindern das Schreiben und Lesen beibringen. Man rückt sich das nicht oft genug in aller Härte vor die Seele. Denn, indem das Kind aufwächst bis zum 6., 7., 8. Jahre, bringt es wirklich nichts mit sich, was es hinweisen könnte auf jene kleinen dämonischen Dinge, die da auf dem Papier vor es hintreten, oder die es gar nachmachen soll. Es gibt keine menschlichen Beziehungen zu den heutigen Buchstabenfor­men. Daher müssen wir uns klar sein darüber, daß eigentlich zwischen dem, was sich im späteren Verlaufe der Menschheitszivilisation als Schrifttum herausgebildet hat und demjenigen, was das Kind ist in seinem 7. Jahre etwa, ein furchtbare Kluft ist. Wir müssen dem Kinde heute etwas beibringen, nach dem es ganz sicher gar nicht begehrt, da­mit es in die heutige Zivilisation hineinwachsen kann. Und wenn wir das Kind nicht durchaus verderben wollen, so müssen wir eben in der Weise vorgehen, daß wir das Kind in diesen Jahren so anpacken, wie es angepackt sein muß, damit die Entwicklungshemmungen wegkom­men und es allmählich geführt wird nach Hinwegräumung der Ent­wicklungshemmungen zu dem Standpunkt der Seele, zu den Ver­fassung der Seele, wo die erwachsenen Leute in derjenigen Kultur­periode standen, als die heutigen Schriftformen entstanden sind. Die Natur des Kindes gibt ja natürlich selbst Veranlassung dazu.

Je hoeft je maar in te leven in wat voor vreselijks we eigenlijk doen, wanneer we zonder meer zes- zeven- achtjarige kinderen schrijven en lezen bijbrengen. De realiteit daarvan kan men niet vaak genoeg onder ogen zien. Want wanneer het kind opgroeit tot het 6e-, 7e-, 8e jaar brengt het echt niets mee  waardoor het zou worden gewezen op die kleine duiveltjes die daar op het papier voor zijn neus staan of die het graag na zou willen bootsen. Er bestaat geen menselijke relatie tot de huidige lettervormen. Daarom moet het voor ons helder zijn dat er eigenlijk tussen wat zich in het latere verloop van de beschaving als schrift ontwikkeld heeft en hoe het kind is als 7-jarige, een enorme kloof gaapt. We moeten het kind tegenwoordig iets bijbrengen, waar zijn verlangen zeer zeker niet naar uitgaat, opdat het in de huidige beschaving mee kan komen. En als we het kind beslist niet willen bederven, moeten we dus op die manier te werk gaan, dat wij het kind in deze jaren zo behandelen als het behandeld moet worden, dat de ontwikkeling niet geremd wordt en dat we het na het opruimen van wat de ontwikkeling remt, kunnen verplaatsen in de belevingswereld van de volwassenen uit die cultuurperiode waarin de schriftvormen ontstonden. De aard van een kind geeft daar natuurlijk zelf aanleiding toe.
GA 302a/89
Niet vertaald

=


Wir müssen natürlich heute einem Kinde Schreiben beibringen. Ich muß gestehen, ich finde in mir kein Geschmacksurteil, das unmittelbar aus dem Menschlichen heraus mir Antwort geben würde, ob ein Kind schreiben lernen soll oder nicht, nur aus der Betrachtung der Zivilisationsentwicklung heraus ergibt es sich. Die Menschheit ist heute dabei angekommen, daß ein gewisser Zivilisationsinhalt auf dem Schrift- und Leseweg wirkt. Nun müssen wir, damit das Kind nicht für eine andere, sondern für diese Welt er­zogen wird, dem Kinde Lesen und Schreiben beibringen. Das ist ja etwas, was wir als Bedingung der Zivilisation hinnehmen müssen, und so mussen wir die Entwicklungshemmungen wegschaffen, die dadurch, daß man in einem gewissen Zeitalter lebt, auch wiederum an den Men­schen herankommen.

We moeten natuurlijk tegenwoordig het kind leren schrijven. Ik moet wel bekennen dat ik in mijzelf geen esthetisch waardeoordeel vind dat direct vanuit het menselijke mij een antwoord zou kunnen geven of een kind moet leren schrijven of niet, behalve dan vanuit de optiek van de ontwikkeling van de beschaving. De mensheid is daarbij nu op een punt gekomen dat er vanuit een bepaalde kwaliteit van de beschaving invloed uitgaat op de ontwikkeling van schrijven en lezen. Nu moeten wij, omdat het kind niet voor aan een andere, maar voor deze wereld opgevoed wordt, het kind lezen en schrijven bijbrengen. Dat is iets wat we moeten accepteren als een eis van de beschaving; en dus moeten we wat de ontwikkeling remt, waarmee de mens te maken krijgt omdat hij in een bepaalde tijd leeft, opruimen.
GA 302a/100  
Niet vertaald

=

Wenn wir das Kind in die Schule hereinbekommen und uns nun aufgetragen ist, das Kind muß so schnell wie möglich zum Beispiel schreiben lernen, so könnte man ja versucht sein, die Buchstabenformen – die sich nun einmal innerhalb der heutigen Zivilisation aus dem Handgelenk der Menschen loslösen, wenn sie etwas fixieren wollen für den Mitmenschen -, so wie sie sind, an das Kind heranzu­bringen. Ja, aber diese Buchstabenformen sind ja etwas, wozu das Kind, wenn es den Zahnwechsel begonnen hat und in die Volksschule herein­kommt, nicht die allergeringste menschliche Beziehung hat. Als noch menschliche Beziehungen zum Schreiben waren, wie war es denn da? Man sehe nur zurück in ältere Kulturperioden: als zum Schreiben noch menschliche Beziehungen waren, da hatten die Alten auf den Täfelchen oder Pergamenten Bildchen fixiert, die noch etwas Ähn­liches hatten mit dem, was man angesehen hat. Da war eine mensch­liche Beziehung zwischen dem, was man da aus dem Bilde herausge­stalten mußte, und demjenigen, was in der Umgebung war. Die Ent­wicklung der menschlichen Zivilisation hat das durchgemacht, daß diese noch aus der menschlichen Natur herauskommenden Formen all­mählich durch alle möglichen Übergangsformen zu dem geworden sind, was heute ein A oder ein B oder ein E ist, zu denen es gar keinen mensch­lichen Bezug mehr gibt. Das Kind, das uns in seinen Neigungen in vieler Beziehung das­jenige zeigt, was frühere Kulturstufen dargeboten haben, verlangt einen menschlichen Bezug zu dem, was man von seinem Willen verlangt. Wir dürfen ihm nicht die abstrakten Formen beibringen, die die Buch­staben zum Beispiel angenommen haben. Wir müssen Menschliches in künstlerischer Weise gerade dann an das Kind heranbringen, wenn es uns beim beginnenden Zahnwechsel zur Schule übergeben wird.

Als het kind bij ons op school komt en ons is opgedragen het kind zo snel mogelijk te leren schrijven, dan zou je geneigd kunnen zijn de lettervormen – die nu eenmaal binnen onze huidige beschaving uit het handgewricht van de mens vrijkomen wanneer hij voor zijn medemens iets wil vastleggen – zoals ze zijn aan het kind aan te bieden. Ja, maar deze lettervormen zijn iets waarmee het kind wanneer de tandenwisseling begonnen is en het op de basisschool komt niet de minste menselijke relatie heeft. Toen die menselijke relatie met het schrijven er wel was, hoe was dat toen? Kijk dan terug in oudere cultuurperioden: toen het schrijven nog op de mens betrokken was; toen legden de antieken op tabletten of perkament tekentjes vast die nog iets leken op wat men waargenomen had.

Toen was er nog een menselijke relatie tussen wat men in het beeld vorm moest geven en wat er in de omgeving aanwezig was. In de ontwikkeling van de menselijke beschaving is het zo gegaan dat deze nog uit de menselijke natuur stammende vormen langzamerhand door alle mogelijke overgangsvormen geworden zijn tot wat tegenwoordig een A of een E is, waarmee helemaal geen verbinding meer bestaat. Het kind dat ons in zijn neigingen in vele opzichten laat zien wat vroegere cultuurfasen voortgebracht hebben, wil in een menselijke verbinding komen met wat we van hem verlangen te doen. We mogen hem niet de abstracte vormen bijbrengen die bv. de letters aangenomen hebben. We moeten wat bij de mens hoort op een kunstzinnige manier het kind aanbieden, wanneer het aan ons met de beginnende tandenwisseling op school wordt toevertrouwd.
GA 303/163-164  
Vertaald/178

=

Heute leben wir in einem Zeitalter, wo unser Schreiben und Lesen bereits konventionelle Zeichen hervorgebracht hat, die in keiner Unmit­telbaren, inneren Beziehung zum Menschen stehen. Vergleichen Sie die abstrakten Buchstaben unserer Schrift mit demjenigen, was in älteren Zeiten die Menschheit als Bilderschrift gehabt hat. Da wurde noch dasjenige fixiert in der Schrift, was man wirklich vorstellte. Heute ist die Schrift abstrakt geworden. Bringen wir diese abstrakte Schrift unmittel­bar an das Kind heran im Lesen und Schreiben, so bringen wir etwas Fremdes an das Kind heran, etwas was jedenfalls nicht für das sechste, siebente oder achte Jahr taugt. Daher erfolgt bei uns in der Waldorf­schule der Unterricht in einer anderen Weise. Wir beginnen überhaupt nicht mit den abstrakten Buchstaben im Lesen und Schreiben, sondern wir arbeiten aus dem Künstlerischen heraus.

Tegenwoordig leven we in een tijdperk waarin ons schrijven en lezen bijna alleen conventionele tekens heeft voortgebracht die niet rechtstreeks een innerlijke relatie tot de mens hebben. Vergelijk de abstracte letters eens met het beeldschrift dat de mensheid in oude tijden heeft gehad. Toen werd in het schrift nog vastgelegd wat men werkelijk dacht. Tegenwoordig is het abstract geworden. Wanneer we dit abstracte schrift meteen aan het kind aanleren bij het lezen en schrijven, dan brengen we het iets wezensvreemd bij, iets wat in ieder geval niet goed is vóór het zesde, zevende of achtste jaar. Daarom vindt bij ons in de vrijeschool het onderwijs op een andere manier plaats. Wij beginnen absoluut niet met de abstracte letters bij het lezen en schrijven, maar we werken vanuit het kunstzinnige.
GA 304/47-48
Op deze blog vertaald/47-48    

=

Das Lesen ist zunächst etwas, das im heutigen Zustande, im heutigen Menschenleben dem Kind eigentlich  recht fremd liegt. Wenn wir in Urzeiten, in frühere Zeiten zurückgehen, da haben wir noch eine Bilderschrift, da liegt noch in dem einzelnen Schriftzug etwas, was bildhaft zu dem Gegenstande, der bezeichnet werden soll, hinführt. In unserer Zeichenschrift haben wir nichts mehr, was in unmittelbarer Weise anknüpfend an die unmittelbaren Seelenkräfte, das Kind hinführen würde zu dem, was bezeichnet wird.

Het lezen is allereerst iets zoals het nu is, in het huidige leven van de mens, iets wat voor het kind er eigenlijk heel vreemd uitziet. Wanneer we in oertijden, in vroegere tijden teruggaan, dan is er nog een beeldschrift, dan heeft het karakteristieke schrift iets, wat op een beeldende manier terugvalt op het voorwerp dat bedoeld wordt. In ons lettertekenschrift zit niets meer dat onmiddellijk aansluit bij wat meteen beleefd kan worden en wat het kind zou kunnen brengen bij wat bedoeld wordt.
GA 304/110-111
Op deze blog vertaald/110-111
=

Die Menschheit hatte zuerst eine Bilderschrift, die sich durchaus aus der äußeren Realität konkret ergeben hat und die sich dann erst in unsere Zeichenschrift, die vollends abstrakt geworden ist, umgewandelt hat.

De mensheid had eerst een beeldschrift dat helemaal concreet voortgekomen is uit de uiterlijke werkelijkheid en dat dan een verandering heeft doorgemaakt tot in ons lettertekenschrift dat volledig abstract geworden is.
GA 304/152
Niet vertaald

=

Wir lehren das Kind nicht von vornherein die abstrakten Buchstaben kennen. Das gibt kein menschliches Verhältnis zu den abstrakten Geheimzeichen, die in einer zivilisierten Kultur die Buchstaben sind. Die Schriftzeichen sind etwas Abstraktes.

Wij leren het kind niet meteen de abstracte letters aan. Er is geen menselijke verbinding met de abstracte geheime tekens wat in een beschaafde cultuur de letters zijn. De schrifttekens zijn iets abstracts.
GA 304a/99
Niet vertaald

=

Denken Sie doch einmal, daß das Kind in etwas hineinwachsen muß, was ihm zunächst fremd ist. Nehmen wir zum Beispiel unsere Schrift, die aus wirklich von uns nicht mehr in ihrer vollen Ästhetik empfunde­nen «Buchstaben» zusammengesetzt ist, wo wir den einen Buchstaben an den anderen reihen, um Worte und Sätze zustande zu bringen. Die heutige Schrift hat sich ja aus etwas anderem entwickelt: aus der Bilderschrift. Aber die Bilderschrift älterer Zeiten hatte noch ein lebendiges Verhältnis zu dem, was sie ausdrückte, wie einen lebendigen Bezug auch das Dargestellte hatte zu dem, was es bedeutete. Heute müssen wir schon gelehrte Studien machen, wenn wir den besonders kleinen Kobold, den wir als a bezeichnen, zurückführen wollen auf den Moment, wo das, was durch den Buchstaben a an dieser oder jener Stelle eines Wortes ausgedrückt werden soll, empfunden werden soll.

Denkt u zich eens in dat het kind in iets thuis moet raken wat hem in eerste instantie vreemd is. Laten we als voorbeeld ons schrift eens nemen, dat wordt samengesteld uit letters waarvan  de volle glans echt niet meer door ons wordt ervaren wanneer we de ene letter aan de andere vastmaken om woorden of zinnen te maken. Het huidige schrift heeft zich ergens anders uit ontwikkeld: uit het beeldschrift. Maar het beeldschrift uit vroeger tijden stond nog in een levendige relatie tot dat wat het tot uitdrukking bracht,  hetgeen dat werd gebruikt was levendig verbonden met de betekenis. Tegenwoordig moeten we al geleerde studies maken wanneer we de kleine kabouter die we ‘a’ noemen terug willen voeren tot het ogenblik waarop je zou ervaren wat door de letter ‘a’ op deze of gene plaats in een woord uitgedrukt werd.

GA 304a/113
Niet vertaald

=

Aber was hat das Zeichen, das wir auf dem Papier haben zum Lesen, mit diesem Laut zu tun? Das Kind hat kein Verhältnis zu dem, wie die Schrift heute ist. Gehen wir zurück in frühere Kulturen, finden wir, daß die Schrift nicht so war. Der Mensch malte selbst dasjenige, was er ausdrücken wollte. Sehen Sie sich die ägyptische Bilderschrift an: Die hat Verhältnis zum Menschen. Wir müssen wieder dazu zurückkehren, dem Kinde zunächst dasjenige, was es auszudrücken hat, im Bilde auszudrücken.

Maar wat heeft het teken dat op papier staat om te lezen met de klank te maken? Het kind heeft er geen verbinding mee hoe het schrift nu is. Als we teruggaan naar vroegere culturen, vinden we dat het schrift niet zo was. De mens ‘schilderde’ zelf hetgeen wat hij tot uitdrukking wilde brengen. Kijk naar het Egyptische beeldenschrift: dat heeft een relatie met de mens.
GA 304a/157
Niet vertaald

=

Nun bedenken Sie: diese Buchsta­ben, die wir schreiben, die wir lesen, wie fremd sie eigentlich dem Menschen sind! Sie sind so fremd, daß, als die Europäer, diese «besseren Menschen» nach Amerika kamen – noch in den vierziger Jahren des 19. Jahrhunderts sind Beispiele davon vorhanden -, da sagten die Indianer: Die Europäer haben da solche merkwürdigen Dinge auf dem Papier stehen, und das schauen sie an, und dann sprechen sie aus dasjenige, was da auf dem Papier steht, das sind kleine Teufel! – sagten die Indianer, und die Europäer, «die Blaßgesichter» nennen sie sie ja, die bedienen sich dieser kleinen Teufel! – Für das Kind sind die Buchstaben genauso wie für die Indianer kleine Dämonen; denn das Kind hat keine Beziehung zu 304a/173 den Buchstaben. Und wir ertöten ungeheuer viel, wenn wir das Kind gleich zum Lesen führen. Es hat gar keinen Sinn für denjenigen, der die Dinge überschaut. Darum sagt eine auf das Wirkliche der Menschenerkenntnis gehende Erziehungsmethode: Schaue dir einmal an, wie die Menschen im alten Ägypten geschrieben haben, wo sie noch notiert haben, was sie gesehen haben, das haben sie ins Bild gebracht; daraus sind die ersten unserer heutigen Buchstaben entstanden. – Er schrieb nicht Buchstaben auf, er malte Bilderschrift. Die Keilschrift hat eine ganz ähnliche Grundlage. Der Sanskritschrift sieht man es heute noch an, wie sie aus dem Bild hervorgegangen ist. Denken Sie sich: das ist der Weg, den die Mensch­heit gemacht hat, um zu den heutigen abstrakten Buchstaben zu kom­men! Nun führen wir das Kind an die heutigen abstrakten Buchstaben heran, zu denen es gar kein Verhältnis hat! Was hat man zu tun? Das hat man zu tun, daß man das Kind zunächst gar nicht mit Schreiben und Lesen plagt, sondern malendes Zeichnen, zeichnendes Malen an das Kind heranbringt.

Denk je eens in: deze letters die we schrijven, die we lezen, hoe vreemd zijn die eigenlijk voor de mens. Ze zijn zo vreemd, dat toen de Europeanen, die “betere mensen” in Amerika kwamen – er zijn nog voorbeelden uit de jaren veertig van de 19e eeuw – de Indianen zeiden: ‘De Europeanen hebben toch van die merkwaardige dingen op papier staan en daar kijken ze naar en dan spreken zij uit wat op papier staat, het zijn duiveltjes’, zeiden de Indianen en de Europeanen, de ‘bleekgezichten’ worden ze genoemd, die maken gebruik van die duiveltjes!’
Voor een kind zijn de letters precies zo als voor de Indianen: kleine demonen; want het kind heeft geen verbinding met de letters. En we helpen heel wat om zeep, wanneer we het kind meteen aanzetten tot lezen. Voor degene die de zaken overziet heeft het helemaal geen zin. Daarom zegt een zich op de essentie van mensenkunde teruggaande opvoedingsmethode: Kijk hoe de mensen in het oude Egypte geschreven hebben, waar ze nog vastgelegd hebben, wat ze zagen, dat hebben ze verbeeld. Het spijkerschrift heeft ook die basis. Aan het Sanskriet zie je tegenwoordig nog hoe het uit het beeld ontstaan is.
Bedenk: dat is de weg die de mensheid is gegaan om tot de huidige abstracte letter te komen. Nu geven we het kind die abstracte letters van nu waarmee het geen verbinding heeft. Wat moet je doen? Wat je moet doen is het kind niet lastig vallen met schrijven en lezen, maar het schilderend laten tekenen of tekenend laten schilderen.
GA 304a/172/173
Niet vertaald

=

Es ist aber in einem gewissen Sinne etwas durchaus Unnatürliches, wenn man in der gegenwärtigen Zeit auf einer vorgerückten Zivili­sationsstufe der Menschheit das Kind in seinem 6. oder 7. Lebensjahre unmittelbar veranlaßt, die Formen der Lesezeichen und des Schreibens nachzubilden, die üblich sind. Wenn man dasjenige in Betracht zieht, was man heute als Buch­staben hat für das Lesen und Schreiben, so muß man sich sagen, daß kein Zusammenhang besteht zwischen demjenigen, was das Kind in seinem 7. Jahre aus seiner Veranlagung heraus gestalten will, und diesen Buchstaben. Man bedenke, daß die Menschheit, als sie angefangen hat zu schreiben, sich malerischer Zeichen bedient hat, die eine Sache oder einen Vorgang der Außenwelt nachahmten; oder es wurde aus dem Willen heraus geschrieben so, daß die Schriftformen Wil­lensvorgänge zum Ausdruck brachten, wie zum Beispiel bei der Keil­schrift. Aus dem, was als Bilderschrift entstanden ist, entwickelten sich erst die ganz abstrakten Buchstabenformen, auf die heute das Auge geheftet wird oder die aus der schreibenden Hand heraus sich formen. Bringen wir dem ganz jungen Kinde diese Buchstaben bei, so fügen wir ihm etwas ganz Fremdes zu, was gar nicht seiner Natur entspricht. Wir müssen uns aber klar sein darüber, was das bedeutet, wenn wir etwas Fremdes in das Kind, in den ganzen kindlichen Organismus einfach hineinschieben. Es ist so, wie wenn wir das Kind frühzeitig daran ge­wöhnen würden, ganz enge Kleider zu tragen, die ihm nicht passen, und die dann seinen Organismus ruinieren. Heute, wo man, ich möchte sagen, nur oberflächlich beobachtet, sieht man eben nicht ein, was im späteren Alter an Hemmungen im eigenen Organismus da ist, einfach aus dem Grunde, weil man in falscher Weise mit dem Lesen und Schrei­ben an das Kind herangekommen ist.

Het is echter in zekere zin volstrekt iets onnatuurlijks wanneer men in de tegenwoordige tijd, in een gevorderd stadium van de beschavingsgeschiedenis van de mensheid, het kind op zijn zesde of zevende levensjaar rechtstreeks de gebruikelijke vormen laat nabootsen van de leestekens en het schrift.
Wanneer men bekijkt wat men tegenwoordig gebruikt als letters voor het lezen en schrijven, dan moet men tot de slotsom komen, dat er geen samenhang bestaat tussen deze letters en hetgeen het kind op zijn zevende jaar vanuit zijn aanleg vorm wil geven. Men bedenke, dat de mensheid toen zij begon te schrijven zich van beeldende tekens bediende, die een zaak of gebeurtenis uit de buitenwereld nabootsten, ofwel werd er vanuit de wil zodanig geschreven, dat de schriftvormen wilsprocessen tot uitdrukking brachten, zoals bijvoorbeeld in het spijkerschrift. Uit hetgeen als beeldschrift is ontstaan ontwikkelden zich pas de abstracte lettervormen waarop tegenwoordig het oog gevestigd wordt, of die door de schrijvende hand gevormd worden.

Brengen wij het zeer jonge kind deze letters bij, dan bieden wij het iets volkomen vreemds, iets dat in het geheel niet aan zijn natuur beantwoordt. Het moet ons echter duidelijk voor ogen staan, wat het betekent als wij botweg het kind, het hele kinderlijke organisme, iets vreemds opdringen. Het is alsof wij het kind er van jongs af aan aan zouden wennen te kleine kleren te dragen, die hem niet passen, en die zo zijn gehele organisme ruïneren. Tegenwoordig, nu men, ik zou willen zeggen, nog slechts oppervlakkig waarneemt, ziet men nu eenmaal niet in, welke remmingen op latere leeftijd in het eigen organisme aanwezig zijn, alleen al daarom, dat men op de verkeerde manier met het lezen en schrijven het kind heeft benaderd.
GA 305/96-97
Vertaald/83-84
                                                    =

Wenn man aber dem Kinde so etwas vorhält: VATER, und dann soll es das, was sein Vater ist, irgendwie mit dem in Zusammenhang bringen – da macht natürlich das innere Menschenwesen Opposition. 306/66 Diese Dinge, wodurch sind sie denn entstanden? Denken Sie doch nur einmal, die alten Ägypter haben noch eine Bilderschrift gehabt. Da haben sie in dem, was sie bildhaft fixiert haben, eine Ähnlichkeit gehabt mit dem, was das bedeutet hat. Diese Bilderschrift hatte noch eine bestimmte Bedeutung – auch die Keilschrift hatte noch eine be­stimmte Bedeutung, nur drückte diese mehr das willkürliche Ele­ment aus, während das gemüthafte Element mehr in der Bilderschrift ausgedrückt wurde – ja, bei diesen älteren Schriftformen, namentlich wenn man sie lesen sollte, kam einem das zum Bewußtsein: die hat­ten noch etwas zu tun mit dem, was dem Menschen in der Außenwelt gegeben ist. Aber diese Schnörkel da an der Tafel, die haben nichts zu tun mit dem «Vater», und just damit soll nun das Kind anfangen sich zu beschäftigen. Es ist gar kein Wunder, daß es das ablehnt. Nämlich mit dem Schreiben und Lesen ist im Zahnwechselalter die menschliche Natur am wenigsten verwandt, mit jenem Schreiben und Lesen, wie wir es jetzt in der Zivilisation haben – denn das hat sich entwickelt dadurch, daß die Erwachsenen das Ursprüngliche fortge­bildet haben. Nun soll das Kind, das erst jetzt in die Welt gekommen ist, das aufnehmen. Noch trat an das Kind nichts heran von all den Kulturfortschritten, und es soll sich jetzt plötzlich in ein späteres Sta­dium hineinfinden, das nichts damit zu tun hat, wo alles ausgelassen ist, was zwischen heute und Ägypten liegt. Ist es zu verwundern, daß das Kind sich da nicht hineinfinden kann?

Wanneer je een kind zoiets als dit: ‘VADER’ voor zijn neus houdt, dan zou het daarmee wat zijn vader is, in verband moeten brengen – daar verzet de innerlijke mens zich tegen. Deze dingen (de letters) waardoor zijn ze ontstaan? Denk er eens aan dat de oude Egyptenaren nog een beeldschrift bezaten. In wat ze beeldend hebben vastgelegd zat een overeenkomstigheid met wat het betekende. Dit beeldschrift had nog een bepaalde betekenis – ook het spijkerschrift had dat nog, al drukte dit wel meer iets willekeurigs uit, terwijl het gevoelselement meer tot uitdrukking kwam in het beeldschrift –wanneer je deze oudere schrijfvormen zou moeten lezen, zou je te weten komen: die hebben nog iets te maken met wat de mens in de buitenwereld gegeven is.  Maar het krulwerk dat op het bord staat heeft met ‘vader’ niets van doen en moet het kind zich daarmee nu bezig gaan houden? Het is geen wonder, dat het dat niet echt wil.
In de leeftijd rond de tandenwisseling namelijk heeft de mensennatuur het minst affiniteit tot schrijven en lezen, zoals we dat nu in onze beschaving hebben, want dat heeft zich zo ontwikkeld dat de volwassenen het oorspronkelijke verder vorm hebben gegeven.
En nu moet het kind dat net op de wereld is, dit oppakken. Het kind heeft nog niets meegekregen van alle cultuurontwikkeling en nu moet het plotseling zich thuis voelen in een latere fase, die niets te maken heeft met, waarin alles weggelaten is, wat tussen nu en Egypte ligt. Is het een wonder dat het kind daarmee geen verbinding kan krijgen?
GA 306/65
Op deze blog vertaald/65

=

Wenn wir in irgendeiner Zivilisation dasjenige betrachten, was die Lettern, die Buchstaben sind, die gelernt werden müssen zum Schreiben und zum Lesen, so müssen wir uns doch sagen, daß in diesen Buchstaben, in alledem, was der Mensch aufs Papier bringen muß, nichts ist, was in einer ursprünglichen, elementaren Beziehung zum Menschen steht. Es ist im Laufe der Zeit dasjenige, was 307/264 Schrift ist zum Beispiel, durchaus etwas Konventionelles geworden. Das war es nicht ursprünglich. Wir brauchen nur daran zu denken, wie aus der bildhaften Anschauung, aus der Imagination die Bilderschrift alter Völker hervorgegangen ist. Wir brauchen nur daran zu denken, wie die Keilschrift aus den Willensimpulsen der menschlichen Bewegungsglieder hervorgegangen ist und so weiter, und wir werden sehen, daß in jenen alten Zeiten, in denen die Zivilisation noch nicht so bis zum Konventionellen vorgerückt war, ein Abgrund, wie er heute besteht, zwischen dem, was der Mensch fixieren muß, wenn er schreibt, und dem, was er erlebt, nicht bestanden hat. Diesen Abgrund müssen wir für unsere Kinderwiederum überwinden.Denn das Kind findet schlechterdings keinen Zusammenhang zwischen dem, was es in seiner Seele erlebt hat, und dem, was es dann aufs Papier bringen soll als A, als B und so weiter. Das Kind weiß nicht warum, und es wird ihm, weil es nicht weiß, warum es solche geheimnisvolle Zeichen machen soll, der Unterricht selbstverständlich langweilig und unsympathisch erscheinen. Das alles wird überwunden, wenn man das Schreiben herausholt aus dem Malen – dem zeichnenden Malen, dem malenden Zeichnen -, wenn man das Kind zunächst überhaupt nicht an konventionell Buchstäbliches heranführt, sondern wenn man das Kind an Malerisches heranführt, und zwar an Malerisches, das möglichst demjenigen entspricht, was das Kind in seiner Seele erleben kann.

Als we in een of andere civilisa­tie bekijken wat de lettertekens, de letters zijn die geleerd moe­ten worden voor het schrijven en voor het lezen, dan moe­ten we toch zeggen dat in deze letters, in alles wat de mens op papier moet zetten, niets is wat in een oorspronkelijke, elementaire relatie tot de mens staat. In de loop van de tijd is wat schrift is bijvoorbeeld helemaal iets conventioneels geworden. Dat was het oorspronkelijk niet. We hoeven er alleen maar aan te denken hoe uit de beeldende aanschou­wing, uit de imaginatie het beeldschrift van oudere volkeren ontstond. We hoeven er alleen maar aan te denken hoe het spijkerschrift uit de wilsimpulsen van de menselijke bewe­gingsledematen ontstond enzovoort. En we zullen zien dat in die oude tijden, waarin de civilisatie nog niet zo tot in het conventionele gevorderd was, een kloof, zoals die tegen­woordig bestaat tussen dat wat de mens moet vastleggen wanneer hij schrijft en dat wat hij ervaart, niet bestond. De­ze afgrond moeten we voor onze kinderen weer overwinnen. Want het kind vindt gewoon geen samenhang tussen wat het in zijn ziel ervaart en wat het dan op papier moet zetten als A, als B enzovoort. Het kind weet niet waarom, en om­dat het niet weet waarom het zulke geheimzinnige tekens moet maken zal het onderwijs voor hem vanzelfsprekend vervelend en onsympathiek lijken. Dat alles wordt overwonnen als we het schrijven uit het schil­deren halen – het tekenende schilderen, het schilderende te­kenen -, als we het kind eerst überhaupt niet met het conventionele letters schrijven in aanraking laten komen, maar als we het kind met iets geschilderds in aanraking laten ko­men, en wel met iets geschilderds dat zoveel mogelijk beant­woordt aan wat het kind in zijn ziel kan beleven.
GA 307/263/264  
Vertaald/335
                                                     =

Man kann es nicht erleben, wenn man das, was man als Verwunderung, als ah! ausspricht, so aufschreiben soll, noch gar ein h dazu machen soll. Das war auch noch nicht vorhanden in einer älteren Menschheit. Da verbildlichte man in der äußeren Bilderschrift dasjenige, was äußere Vorgänge waren. Da hatte man, wenn man hinsah auf das Blatt, auf die Tafel, auf der man so etwas vergegenwärtigte, einen Nachklang des äußeren Prozesses oder äußeren Dinges.

Je hebt er onmogelijk een beleving bij wanneer je wat je als verwondering, als ‘ah!’ uitspreekt, zo moet opschrijven, zelfs nog met een h erbij. Dat bestond nog niet bij de mensheid van vroeger. In het uiterlijke beeldenschrift maakte men daar in een beeldvoorstelling aanschouwelijk wat uiterlijke processen waren. Daar had men, als men naar een blad keek, naar een tablet waarop men zoiets als voorstelling weergaf, een naklinken van een uiterlijk proces of  uiterlijk ding.
GA 308/39
Vertaald/62-63

=

Es ist kein Zusammenhang zwischen diesem Zeichen und dem Laute A. Das war in jenen Zeiten, in denen das Schriftwesen entstanden ist, etwas ganz anderes. Da waren in gewissen Gegenden die Zeichen bildhaft. Da wurde eine Art – wenn sie auch später kon­ventionell geworden ist – bildhafter Malerei gemacht, Zeichnungen, die die Empfindung, den Vorgang in gewisser Weise nachahmten, so daß man wirklich auf dem Papier etwas hatte, was wiedergab das­jenige, was in der Seele lebte.

Er bestaat geen samenhang tussen dit teken A en de klank A. Dat was in de tijden waarin het schrift ontstaan is, heel anders. In bepaalde streken waren de tekens beeldend. Daar werd op een bepaalde manier – ook al is die later conventioneel geworden – een soort van beelden geschilderd; tekeningen die het gevoel, de activiteit op een bepaalde manier nabootsten, zodat men ook werkelijk op papier iets had, wat weergaf, wat in de ziel leefde.
GA 309/56
Op deze blog vertaald/56 

=

Was wir heute als Buchstaben haben, war ja nicht immer da. Sehen wir auf diejenigen älteren Völker, die eine Bilderschrift gehabt haben: sie haben in Bildern, die schon etwas zu tun hatten mit dem, was ausgesprochen worden ist, das Aus­zudrückende versinnlicht. Sie hatten nicht solche Buchstaben wie wir, sondern Bilder, die einen Bezug hatten zu dem, was sie bedeuteten. Dasselbe könnte auch in einer gewissen Weise auf die Keilschrift an­gewendet werden. Das waren die Zeiten, in denen man noch, wenn man etwas fixierte, ein menschliches Verhältnis dazu hatte. Heute haben wir das nicht. Beim Kinde muß man wieder darauf zurück­gehen. Doch da handelt es sich nicht darum, daß man nun Kultur­geschichte studiert und auf die Formen zurückgeht, die einmal in der Bilderschrift vorhanden waren, sondern man bringe, um zu brauch­baren Bildern zu kommen, vor allem seine Lehrer-, seine Erzieher-phantasie etwas in Schwung.

Wat we tegenwoordig als letters hebben, was er niet altijd. Kijken we naar die oude volkeren die een beeldschrift gehad hebben: zij hebben in beelden die iets te maken hadden met wat werd uitgesproken, dat wat er uitgedrukt moest worden, verbeeld. Zij hadden niet zulke letters als wij, maar beelden die een relatie hadden met waar ze voor stonden. Iets dergelijks kan in zekere zin ook gezegd worden over het spijkerschrift. Het was de tijd waarin men nog, wanneer men iets vastlegde, er een menselijke betrokkenheid bij had. Dat hebben we tegenwoordig niet. Bij het kind moet je daarop weer teruggaan. Maar het gaat er niet om dat je nu cultuurgeschiedenis gaat studeren en tot op die vormen teruggaat die ooit in het beeldschrift aanwezig waren, maar je moet allereerst, om tot bruikbare beelden te komen, je leraar- je opvoedingsfantasie in beweging brengen. Die moet je natuurlijk altijd hebben, want zonder, kun je geen leraar of opvoeder zijn.
[GA 310/57
Vertaald /60

=

Die Menschen haben ja früher Bilderschrift gehabt, das heißt, sie haben etwas auf das Blatt gemalt, was an den Gegenstand er­innerte. Wir brauchen nicht Kulturgeschichte zu studieren, aber wir können den Sinn und Geist desjenigen, was die Menschen mit der Bilderschrift wollten, vor das Kind hinbringen, dann wird sich das Kind dabei wie zu Hause fühlen.

De mensen hadden vroeger een beeldschrift, d.w.z. ze hebben iets op een blad getekend wat aan het voorwerp deed denken. Wij hoeven geen cultuurgeschiedenis te studeren, maar we kunnen de zin en de teneur van wat de mensen met het beeldenschrift wilden, aan het kind aanbieden, dan voelt het kind zich daarbij thuis.
GA 311/30  
Op deze blog vertaald/30

volg de link tussen de haken voor andere onderwerpen

[[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halfysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

.

677-619

.


















 

VRIJESCHOOL – 5e klas – alle artikelen

.

Uit het leerplan

Aardrijkskunde
alle artikelen

Dierkunde
alle artikelen

Geschiedenis
alle artikelen

Handenarbeid
[1]

Nederlands
[1] o.a. grammatica – lijd.v.; directe-indirecte rede; hexameter

[2] Nederlandse taalonderwijs
Het binnenste buiten
over: leer- en ontwikkelingsdoelen klas 5; vertelstof; n.a.v. literatuur uit de Oudheid; van beeld – naar abstract bewustzijn; grammatica: bedrijvend en lijdend; hexameter; voorbeelden grammatica: actief/passief, directe en indirecte rede; naamvallen; toneel, met voorbeeld (gedeelte)

[3] Grammatica op de vrijeschool
Martin Tittmanns boek over: actief en passief; directe en indirecte rede; verbuiging; stijlsoorten.

taalspelletjes vanaf klas 1
Naamvallen

Niet-Nederlandse talen
Frans: leerplangezichtspunten

Plantkunde
alle artikelen

Rekenen
alle artikelen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

Vertelstof
algemeen, waaronder klas 5
idem

Vormtekenen
zie de blog

676-618

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Montessori

.

ONTDEKKINGSREIZIGSTER IN DE KINDERGEEST
.

Toen ik een jongen was, werd ik eens in ons huis in Rome vroeg in de morgen wakker doordat mijn bed stond te schudden, terwijl ik een diep rommelend geluid hoorde. Ik had nog maar net mijn ogen open toen mijn moeder binnenkwam, kalm en glimlachend, en op de rand van mijn bed ging zitten.
“Mario,” zei zij, “zie je hoe de lamp aan het plafond hangt te zwaaien?” Ik zag het. “Voel je hoe de grond trilt?” Ik knikte. Mijn moeder spreidde haar armen uit alsof ze een heerlijke ver­rassing voor mij had. “Mario, dit is nu een aardbeving.”
Voor Maria Montessori was zelfs een aardbeving een gelegen­heid om de geest van een kind te ontwikkelen. Zij geloofde dat God de mensen had begiftigd met de drang en de kracht om zich te ontplooien. Door het vinden van een manier om die kracht ruim baan te geven, schonk zij de wereld een nieuwe benadering van de opvoeding, die een verrukkelijk proces van zelfontdekking en zelfverwerkelijking in gang zet.
Als ik terugdenk, is het moeilijk te bevatten hoe zij zoveel ge­presteerd heeft in één mensenleven, eerst als vrouw van weten­schap — zij was antropologe en de eerste vrouwelijke arts in Italië — daarna als de bezielde opvoedster die de over de hele wereld verbreide beweging van de opvoeding van de kleuter stichtte welke haar naam draagt. Mijn grootste trots is dat ik haar medewerker heb mogen zijn.

Als jongen raakte ik haar eens kwijt in een menig­te. Toen ik haar weer vond pochte ik: “U kunt nergens heen gaan waar ik u niet kan volgen.” Ik heb deze opschepperij bijna waar kunnen maken. Veertig jaar lang heb ik haar als secretaris, assistent en jongere collega over de halve wereld gevolgd — waar­heen haar missie haar ook voerde.

Heel anders dan de meeste strenge, werkende vrouwen om­streeks de eeuwwisseling, kleedde moeder zich elegant en straalde zij vrouwelijke charme uit. Zij hield van goed eten, goed gezel­schap en een goed gesprek. Haar sprekende bruine ogen konden stralen van verrukking, en ze konden ook scherp waarnemen.
“Het geheim van het goede leven,” hoorde ik haar eens zeggen, “is te leven in gehoorzaamheid aan de werkelijkheid.” Zij bezat de objectiviteit om de wereld om haar heen waar te nemen en te zien wat er werkelijk was, niet gekleurd door wensen of verwach­tingen. Haar opleiding voor onderwijzers begon met lessen in het zien. “U hebt geleerd het kind op u te laten letten,” zei ze tegen hen. “Hier bent u het die het kind moet observeren.”

Als klein meisje was mijn moeder de slechtste leerling van haar klas; zij kon de lessen niet in haar hoofd krijgen. Toen, op tien­jarige leeftijd, veranderde Maria plotseling. Tegelijk met een ver­hoogde belangstelling voor religie, die niet ongewoon is bij meisjes van die leeftijd, ontwikkelde ze een gevoel van roeping. Haar ouders merkten het voor het eerst toen ze ernstig ziek lag met griep. De dokter zei hun dat zij zich op het ergste moesten voorbereiden. Maria stelde haar moeder gerust: “Maak u niet bezorgd, Mamma mia, ik ga niet dood. Ik heb te veel te doen.”

Nu werd zij de eerste van haar klas. Haar ouders stelden voor dat ze onderwijzeres zou worden, het enige beroep dat een vrouw kon uitoefenen. Ze weigerde het in overweging te nemen; ze had besloten om ingenieur te worden! Op 14-jarige leeftijd begon ze de lessen op een technische school voor jongens te volgen. Een jaar later stapte ze over op biologie en ten slotte besloot ze medicijnen te gaan studeren.

“Onmogelijk,” zei professor Guido Baccelli, de deken van de medische faculteit van de universiteit te Rome, tegen haar. Maar ten slotte werd ze toch toegelaten, verwierf een beurs, en droeg bij in haar studiekosten door het geven van privé-lessen. Haar vader, die haar handelwijze sterk afkeurde, weigerde jarenlang tegen haar te spreken. Als enige vrouw aan de medische faculteit moest ze zich hatelijkheden en kwellingen laten welgevallen. Maar ze behaalde haar graad.

Ze werd opgenomen in de staf van de psychiatrische kliniek van de universiteit, waar ze onder meer tot taak had de
krankzinnigen­gestichten van de stad te bezoeken om er proefpersonen als studie­materiaal uit te halen. In die dagen werden zwakzinnige kinderen ingedeeld — en gehuisvest — bij de krankzinnigen. In een ge­sticht zag La Dottoressa (zoals zij vaak werd genoemd) een aantal van dergelijke kinderen als gevangenen bijeen in een kaal vertrek. “Nu moet u ze eens zien,” zei de directrice vol afkeer. “Als ze hun eten op hebben, werpen ze zich op de grond als dieren die naar kruimels zoeken.” Mijn moeder keek toe. Met schrille en onsamen­hangende kreten strekten de kinderen hun handen uit naar de stukjes brood, die ze in verschillende vormen kneedden.

In een flits van inzicht zag mijn moeder dat deze kinderen niet zozeer hunkerden naar voedsel als wel naar ervaringen. Die kleine handen tastten naar contact met de buitenwereld! De een of andere innerlijke kracht zette deze kinderen aan om hun lichaam, geest en persoonlijkheid te ontwikkelen. In plaats dat men hen afzonderde en beteugelde, moest hun de vrijheid worden gegeven. Maar hoe waren ze te bereiken?

Dr. Baccelli, die toen minister van Onderwijs in Italië was, nodigde Maria uit om lezingen te komen houden over de op­voeding van zwakzinnigen. Als resultaat van de gewekte publieke belangstelling, stichtte hij een experimentele staatsschool voor geestelijk gehandicapte kinderen — onder leiding van dr. Mon­tessori. “Tenslotte bent u dus toch nog maar een vrouw en een kleuteronderwijzeres!” schertste dr. Baccelli.

“Mijn lieve idioten,” noemde moeder de kinderen in haar dag­boek. De hele dag lang, van acht uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds, bracht zij door met deze kinderen die de maatschappij als hopeloos had opgegeven — met waarnemen, experimenteren, en “het aanwakkeren van het vlammetje van begrip dat ik in hun ogen zag”. Na twee jaar van intensieve arbeid liet zij haar leer­lingen een gewoon schoolexamen afleggen. De “lieve idioten” lieten zien dat ze toch niet zo hopeloos waren. Velen maakten het werk even goed als normale kinderen.

Toen het bericht werd gepubliceerd, veroorzaakte het een sensatie. Maar moeder, met haar onverstoorbare objectiviteit, zag heel goed dat de werkelijke betekenis niet was dat zwakzinnige kinderen zoveel konden presteren, maar dat normale kinderen het zo weinig beter deden.

Bij haar bezoeken aan diverse scholen moest ze constateren dat al het mogelijke werd gedaan om het initiatief van het kind te ont­moedigen. De leerlingen moesten in veel te nauwe banken zitten, zodat ze zich achter de lessenaar moesten wringen. En als zij dan eenmaal goed en wel zaten, zo werd verondersteld, dan moesten ze wel naar de onderwijzer luisteren. De hoogste deugd bestond uit stilzitten; de geringste beweging werd streng gestraft. “Ons moreel besef schijnt te zetelen in het zitvlak,” zei ze tegen een groep op­voeders en hoge ambtenaren.

Nadat zij de school voor geestelijk gehandicapte kinderen op gang had gebracht, keerde moeder naar de universiteit terug, waar zij later werd benoemd tot hoogleraar in de antropologie, maar er zouden nog zeven jaren voorbijgaan voor zij haar levenswerk vond. In een woningbouwplan van particulieren waren verscheidene honderden arme gezinnen uit hun vuile en overbevolkte kazerne­woningen gehaald en overgebracht naar betere flatwoningen. Maar terwijl de ouders naar hun werk en de oudere kinderen naar school waren, werden de kinderen onder de zes aan hun lot over­gelaten. Men besloot een kleuterschool te stichten, en dr. Montes­sori werd gevraagd de leiding op zich te nemen. Ze nam het da­delijk aan. Dit was haar kans waar zij zo lang op had gewacht: haar ideeën op normale kinderen te proberen.

Haar Casa dei Bambini (Kindertehuis) werd geopend in de beruchte achterbuurten van San Lorenzo. “Zestig huilende, bange kinderen, zo verlegen dat het onmogelijk was ze aan het praten te krijgen; ontmoedigde, onverzorgde, bleke, ondervoede kinderen die waren opgegroeid in donkere krotten, waar niets hun geest stimuleerde.” Zo beschreef mijn moeder haar leerlingen op de eerste dag dat zij ze bij elkaar had.

In de volgende twee jaar zouden deze “kleine vandalen”, zoals een verslaggever ze noemde, mijn moeder helpen een omwenteling in de opvoeding te ontketenen. In plaats dat zij hun willekeurige regels oplegde en feiten in hun hoofd pompte, zocht zij naar ma­nieren om hen onafhankelijk te maken.

Haar eerste stap was de kinderen vrij te maken door hen bescha­ving bij te brengen. “Leer hun dat het belangrijk is om zelfs de geringste taak goed te doen,” zo hield moeder haar onderwijzeres­sen voor. “Geef hun dan de vrijheid om zelf hun werk te kiezen en daarmee bezig te blijven zo lang zij willen.” De Montessori-kinderen leerden hun neus zachtjes te snuiten, hun handen te wassen, hun schoenen te poetsen, hun veters en broekriemen vast te maken, en zonder morsen water of melk in te schenken. “Zelf­vertrouwen en zelftucht,” schreef zij, “zijn uiterlijke kenmerken van een gezond innerlijk leven.” Dr. Sigmund Freud merkte eens bewonderend op dat kinderen die in de geest van Montessori werden opgevoed, later in het leven slechte klanten voor de psycho­analyse zouden worden.

Ervan uitgaande dat het kind zijn verstand ontwikkelt door middel van de zintuigen, ontwierp moeder leermiddelen waarmee zij de tastzin oefende door directe ervaring met tastbare voor­werpen. Door het gebruik van volkomen gelijke stukjes hout in verschillende kleuren, leert het kind de kleurschakeringen van de lichtste tot de donkerste tinten. Met bellen die er precies eender uitzien maar een verschillende toon geven, ontdekt hij muziek­noten en leert die in volgorde te plaatsen. (Het meeste tegenwoor­dige spelmateriaal met opvoedkundige waarde dankt zijn ontstaan aan de leermiddelen die moeder meer dan een halve eeuw geleden ontwierp.)

Volgens moeder kan een kind van drie jaar al beginnen de letters te leren door het betasten van letters die uit schuurpapier geknipt zijn, een van haar vele vindingen. Op een dag schreef een jongen, die met een krijtje zat te tekenen, het woord mano (hand). Hij gilde luidkeels: “Ik kan schrijven.” De kinderen en de onder­wijzeres kwamen vol verbazing en enthousiasme om hem heen staan. En toen begonnen de andere kinderen, een voor een, ook te schrijven, terwijl ze uitriepen: “Ik ook, ik ook.” Niemand had het hun geleerd. Alles wat moeder had gedaan was het kind te laten werken in een geschikt gemaakte omgeving, waarin het zijn eigen ontdekkingen kon doen en door zijn eigen concrete ervaringen tot begrippen kon komen.

In de Casa dei Bambini leerden de kinderen schrijven, vier of vijf maanden voor ze leerden lezen. In een klas met kinderen die wat waren begonnen te schrijven, schreef moeder eens op het bord: “Als je dit kunt lezen, kom mij dan een kus geven.” Verscheidene dagen gingen voorbij zonder dat er iets gebeurde. “Ze dachten dat ik voor mijn plezier op het bord schreef, net als zij,” zei ze. “Toen, op de vierde dag, kwam er een heel klein meisje naar mij toe, en zei: ‘Eccomï (‘Hier ben ik’) en gaf me een kusje.” Op vier- of vijfjarige leeftijd konden de meeste kinderen lezen en schrijven.

De school bracht nog iets anders aan het licht; dat het niet de vrees voor straf of de hoop op een beloning is die het kind aan­spoort, maar louter de voldoening die het in het werk zelf vindt. De kinderen kregen de vrijheid om te zien wat in hen aanwezig was — en de grootste beloning lag in de overgang naar de vol­gende fase.

In de jaren die volgden op de verschijning van moeders eerste boek over de opvoeding, ‘De methode Montessori’ in 1912, werden haar beginselen voor het onderwijs aan de allerjongsten door vele scholen in Europa en de Verenigde Staten overgenomen. Later, met de opkomst van het totalitarisme, werden zij aangevallen. In Duitsland en Oostenrijk verbrandden de nazi’s haar beeltenis boven brandstapels van haar boeken. Mussolini probeerde haar roem uit te buiten, maar keerde zich tegen haar toen zij weigerde zich te lenen voor zijn propagandadoeleinden. De scholen en in­stellingen die zij had opgericht werden door de regering gesloten.

“Mario,” zei zij, “wij moeten beseffen dat dit de enige manier was waarop God ons kon doen begrijpen dat wij hier genoeg hebben gedaan en dat Hij ons ergens anders nodig heeft.” En op 64-jarige leeftijd verliet moeder Italië en ging naar Barcelona.

Toen de Spaanse burgeroorlog uitbrak, was ik in Londen en moeder was alleen in ons huis in Barcelona met drie van mijn kin­deren. Vrachtauto’s, bemand met de regeringsgetrouwe militairen, zwierven door de straten, en arresteerden personen die werden verdacht van sympathieën voor Franco. De haatgevoelens tegen Rooms-Katholieken liepen hoog op, en voor wie bovendien Italiaan was, werd het gevaar nog groter.
Er stopte een vrachtauto voor onze deur. De gewapende “milicianos” die erin zaten keken strak naar ons huis. Mijn oudste zoon vertelde mij later dat moeder bij het raam vandaan liep en de kinderen bij elkaar haalde. Even rustig als ze mij had verteld van de aardbeving, zei zij: “Eens moet iedereen sterven. Voor de een komt het vroeger dan voor de ander. We zullen nu bidden en God vragen ons te leiden, waarheen wij ook moeten gaan.”
Toen hoorden zij de vrachtauto wegrijden. Mijn zoon ging naar beneden en keek behoedzaam om de hoek van de voordeur. De mannen waren vertrokken, maar zij hadden een bord achtergela­ten, waarop met rode letters geschreven stond: “Ontzie dit huis; het behoort toe aan een kindervriendin.” Het was getekend met het communistische embleem: de sikkel en hamer.

In tal van landen werden de Montessorischolen door de oorlog gesloten. Nadat zij met een Britse kanonneerboot uit Spanje was ontkomen, vestigde moeder haar hoofdkwartier in Amsterdam. Er kwam een oproep uit India, en we gingen erheen om te helpen bij de onderwijzersopleiding. Italië verklaarde de oorlog toen we daar waren, en hoewel we werden geïnterneerd, zette moeder haar onderwijs voort.

Na de oorlog, toen zij al in de zeventig was, keerde zij naar Europa terug. Wederom kwamen haar ideeën zeer in trek, en de Montessorischolen en opleidingscentra begonnen weer te bloeien. Zij bracht veel tijd door met lezen en schrijven, terwijl ze bij ons in Noordwijk aan Zee woonde.

Op een dag in mei, midden in het tulpenseizoen, zat ik met haar te lunchen voor een raam dat uitzag over de bloemen en de zee. Ik vertelde haar dat ik een ambtenaar had ontmoet uit Ghana, dat spoedig onafhankelijk zou worden en dringend behoefte had aan scholen. Hij wilde dat moeder en ik zouden komen helpen bij de onderwijzersopleiding.
“Als er ergens kinderen zijn die hulp nodig hebben, dan zijn het wel die arme kinderen in Afrika,” zei moeder. “Wij moeten zeker gaan.”

Ik herinnerde haar aan de hitte, de zeer primitieve levensom­standigheden. Tenslotte was zij 81. “En dus je wilt niet dat ik ga!” wees ze mij zacht terecht. “Ik ga nog één keer weg en laat jou achter.” “U zult nooit ergens heen gaan waar ik u niet kan volgen,” zei ik tegen haar, waarmee ik die kinderlijke grootspraak van jaren geleden herhaalde. Ik ging de kamer uit om een kaart van Afrika te halen. Toen ik terugkwam was moeder dood. Ze zou naar Ghana zijn gegaan, of welke andere plaats ook waar kinderen haar nodig hadden.

alle biografieën

Vertelstofalle artikelen

.

675-618

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (5-1)

.
Carla Niphuis, Jonas 16, *30-03-1984
.

DE ZIN VAN HET BEWEGEN

De zintuigleer van Rudolf Steiner gaat niet uit van vijf, maar van twaalf zintuigen. Vier hiervan – de tastzin, levenszin, bewegingszin en de evenwichtszin – vormen de zogenaam­de ‘onderste’ zintuigen, die je infor­meren over je eigen fysieke toestand. Na de tast- levenszin en evenwichtszin nu een bespre­king over het functioneren van de bewegingszin.
.

Schaatsen! Dit jaar weer een voorbije droom. Jammer, want eigenlijk is schaatsen toch wel dé manier om Nederland te leren kennen. Wie zelf niet schaatst voelt zich desondanks vaak betrokken bij de typisch Nederlandse beweging die een echte winter met zich mee­brengt. Het daarbij behorende vallen en op­staan wordt zelfs, onze handelsgeest ge­trouw, door een ieder vlot in klinkende munt vertaald: als je valt heb je een dubbeltje ver­diend! Wie wel zelf schaatst kent het pure genieten van de beweging op zich, het gevoel van vrijheid dat veroverd werd dankzij een ooit moeizaam ingeprente, elk schaatsjaar opnieuw geoefende, maar dan ook bijna tot perfectie uitgevoerde wijze van voortbewe­gen.
De volmaakte balans van een beheerst bewe­gend en zelfverzekerd schaatser is een fasci­nerend schouwspel. Die schaatser zelf ziet zijn bijna moeiteloze beweging beloond met een ervaring die niet in een optelsom van dubbeltjes uit te drukken valt: hij beweegt zoals hij wil, en leert daarin zijn beweegre­den kennen in ruimere zin dan het kader waarin zijn schaatstocht staat. Misschien heeft zijn tocht een doel, misschien ook niet, hoe dan ook gaat het daar niet om: hij er­vaart, al schaatsend, vooral zijn eigen bewe­ging en daarin zijn wil om op weg te zijn.
De tentoonstelling ‘Winter in Holland’ die de afgelopen maanden* in het Brabants Museum (’s Hertogenbosch) te zien was trok een re­cord aantal bezoekers: in zes weken werd het aantal gehaald waar anders zes maanden voor nodig zijn. Hoewel het moeilijk aan­toonbaar is, zou dit op een vorm van nostal­gie kunnen wijzen waarvan het mij niet on­waarschijnlijk lijkt dat ervaring met schaat­sen daarin een rol speelt. Hoeveel bezoekers van die tentoonstelling hebben zich ter plek­ke hun eigen vallen en opstaan, hun eigen ontmoeting met het Nederlands landschap… en met zichzelf, herinnerd? Dat laatste vooral lijkt me van belang: het functioneren van de bewegingszin op zich onttrekt zich goeddeels aan ons bewustzijn, maar door een beweging bewust te leren be­heersen, ontmoet je jezelf. Voorwaarde is dan wel dat dit gebeurt in een kader dat door jezelf als zinvol ervaren kan worden. Er is alle reden om negatieve effecten te vrezen als dit niet het geval is: lopendebandwerk bijvoorbeeld, en vormen van dansen die tot mechanisch uitvoeren van een opgelegde be­weging worden, zullen weinig bij kunnen dragen tot het beleven van de eigen beweeg­redenen en juist vervreemdend ten opzichte daarvan werken.

Het op de juiste wijze aanspreken en oefenen van de bewegingszin is van het grootste be­lang, niet alleen met betrekking tot fysieke gegevenheden. Wat wij bijvoorbeeld geneigd zijn te beschouwen als visuele waarneming, wordt in sterke mate meebepaald door le­venszin, bewegingszin en evenwichtszin. Bij kinderen kun je dat duidelijk zien, als ze ren­nend, dansend, kortom bewegend, een ruim­te verkennen. De volwassene zal eerder ge­neigd zijn een hem onbekende ruimte zonder zichtbaar te bewegen op zich in te laten wer­ken, maar innerlijk beweegt hij met vorm en verhoudingen mee. Ook in de omgang met de ander speelt de waarneming van eigen (in­nerlijke) beweging mee in onze beoordeling van de situatie. Een gesprek is ruimte waarin je in meerdere of mindere mate bewegen kunt.

Dat het alleszins de moeite waard is om ook aan de bewegingszin alle kans te geven om ingeschakeld te worden zal duidelijk zijn. Bij kinderen is de behoefte daaraan op bijna elk moment zo zichtbaar aanwezig dat de opvoe­der er als vanzelf aan tegemoet komt. Van simpele grijpoefeningetjes naar ‘klap eens in je handjes’ en, wat later, ‘wie komt er in m’n huisje?’ Daarop volgt een onuitputtelijk aan­tal zang-, dans- en bewegingsspelletjes waar ze nooit genoeg van lijken te krijgen, en die ook werkelijk belangrijk voor ze zijn. Houdt het bij het toegroeien naar volwassen­heid op? Zeker niet. Het blijft zaak de bewe­gingszin niet alleen als een gegevenheid te be­schouwen, maar het oefenen ervan bewust voort te zetten. Daartoe staan vele wegen open. Wandelen, fietsen, elke vorm van li­chaamsbeweging biedt, zolang er geen ver­blinding door prestatiedwang optreedt, in principe de mogelijkheid om de eigen bewe­ging als waarnemingsinstrument te scholen.

Ook elke vorm van kunstzinnig bezig zijn is natuurlijk een goede weg. Hoe gebondener de beweging (bijvoorbeeld bij het bespelen van een muziekinstrument, bij euritmie, bij arceren) hoe duidelijker de rol van de bewe­gingszin. Dan valt ook bij een ander soms ui­terlijk waar te nemen hoe de bewegingszin als informatiebron functioneert. Kijk naar de handen van een geconcentreerd pianist, een fluitspeler, de aandacht waarmee het instru­ment aangeraakt wordt. Je kunt je voorstel­len hoe door de uitvoerder datgene wat uit­gedrukt wil worden mede via de beleving van de eigen beweging verstaan wordt. Er vindt een omkering plaats waarbij de beweging zelf zich lijkt te gaan uitspreken. Probeer maar eens rustig te gaan zitten arceren. Het vraagt geduld en concentratie om de schuine streep­jes regelmatig op papier te krijgen, maar na een poosje gaat het bijna vanzelf, en dan komt er ook ruimte voor waarneming via de beweging, en mogelijk ontstaat er, ten slotte ook op het tekenpapier, een beeld. Welke beweging ook geoefend wordt, steeds opnieuw zal kunnen gebeuren wat hierboven als effect van het schaatsen beschreven werd: in de beheerste beweging leert de mens zijn eigen doel, zijn persoonlijke streefrichting kennen. Hij komt in contact met wat hij eigenlijk wil. Tezelfdertijd ontwikkelt hij een steeds verfijnder waarnemingsinstrument dat wel degelijk ook op de buitenwereld gericht kan worden.

De schaatser ontmoet niet alleen zichzelf, hij leert ook zijn land op een zeer wezenlijk niveau kennen. Zo ook de vogelwaarnemer die een vogel niet alleen vanuit het zien en ho­ren, maar vanuit het meebeleven en herken­nen van het voor die ene vogel karakteristie­ke bewegingspatroon herkent: hij dringt diep door in wat door F.H. Julius in zijn boek Dier tussen mens en kosmos ‘het beeldweef­sel van de natuur’ genoemd wordt, en legt daardoor een heel eigen verbinding met zijn omgeving.

.

Zintuigen: alle artikelen

Soesman: ‘De 12 zintuigen
König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

.

674-617

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – evenwichtszin (4-1)

.

DE EVENWICHTSZIN

Oefenen in het zelf ~ standig zijn

Een van de twaalf zintuigen door Rudolf Steiner beschreven is de evenwichtszin. Het is het zintuig waar­mee kinderen in hun spel graag experi­menteren. Ook voor volwassenen is dit zintuig van het grootste belang. Als er iets aan mankeert ontstaat onrust en onzekerheid. Carla Niphuis over de evenwichtszin: ‘Ik ben zelf-standig’.

Wankelend maar vastberaden, de lippen op elkaar geperst van inspanning, de armen wijd, gaat ze stap voor stap over het muurtje langs het park. Voor de voeten is alle plaats, en het muurtje is geen halve meter hoog, maar het is evengoed de vraag of je niet in de rozen of op straat zult vallen. Nog een paar stappen, vlugger nu… en het is gelukt. Stra­lend kijkt ze naar een mevrouw, waarschijn­lijk haar moeder die, eigenlijk ook opgelucht dat het weer goed afliep, haar dochter trots naar beneden helpt springen. Rechtop, zelf­bewust, stappen ze samen verder. Rechtop: hoe lang is het geleden dat het kleintje voor het eerst ‘op eigen benen’ stond? De moeder ziet het nog voor zich, zoals alle moeders – en de meeste vaders – zich zullen herinneren hoe hun kind ging staan. Op het consultatiebureau vraagt de arts meestal naar het moment waarop het kind los ging lopen. Dit ligt natuurlijk in het ver­lengde van die eigen beweging omhoog. Hoe je het ook bekijkt, het veroveren van de ver­ticale ruimterichting maakt het ons pas mo­gelijk ons als mens te gaan bewegen. Onze oriëntatie op de drie ruimterichtingen (voor-achter, links-rechts, onder-boven) wordt bewaakt door onze evenwichtszin. We zijn ons er meestal niet van bewust, maar zodra er, door welke oorzaak ook, gevaar dreigt dat de geruststellende vanzelfspre­kendheid dat in alle richtingen alles ‘in orde’ is wegvalt, heeft dat gevolgen voor ons wel­bevinden, en die kunnen tamelijk ernstig zijn. Zo is het voor sommigen al moeilijk om in een bewegende lift te staan, vooral als deze naar beneden gaat. Anderen worden ziek van steeds opnieuw een andere richting inslaan, bijvoorbeeld in een auto, om over de effecten van een over woeste golven deinend schip al helemaal niet te praten! En na een vliegreis is het zonder meer nodig om je evenwicht te hervinden door, stevig over de vaste grond stappend, ‘tot jezelf’ te komen, opnieuw de vanzelfsprekendheid van je eigen plaats in de ruimte te ervaren. Hier ben ik, en ik kan mij staande houden, vrij bewegend in alle richtingen, want ik neem steeds mij­zelf mee.

evenwichtszin

Ik ben zelf-standig. Ruimterichtingen (en tijd) zijn dimensies van mijn aardse bestaan, maar dwars daar doorheen kan ik een diepe­re dimensie van het mens-zijn ervaren. Rudolf Steiner beschrijft hoe de evenwichts­zin gemoedsrust beleefbaar maakt. De rust van het als mens niet uitsluitend aarde-ge­bonden zijn.

In de mythologie staat deze geestelijke di­mensie bij voorbaat vast. Odysseus vastge­bonden aan de mast van zijn schip om niet aan de verleiding van de Sirenen ten prooi te vallen, brengt de betekenis van het als mens rechtop staan prachtig in beeld. Als je dat eenmaal beleefd hebt, bekijk je een zeilschip in de verte met andere ogen! Wat de verleiding van de buitenwereld ook is, Odysseus volgt zijn eigen koers, zij het dankzij de kunstgreep van het vastbinden. Het is vast geen toeval dat Odysseus in de direct hierop aansluitende avonturen door de zeemonsters Scylla en Charybdis wordt bedreigd. Scylla vangt zeelieden (zes tegelijk) en eet ze op, Charybdis verzwelgt twee maal per dag alles wat zich toevallig in de buurt bevindt. Scylla is links van Odysseus, Charybdis rechts. Ge­vaar in de links-rechts ruimte richting dus; tot beide polen moet Odysseus de juiste verhou­ding zien te vinden. Ook dit lukt, weliswaar met verlies van zes manschappen. Dan dreigt Charybdis Odysseus nog naar de bodem van de zee te trekken, maar Odysseus weet ook deze onder-boven problematiek op te lossen door zich aan de tak van een boom vast te klampen en pas naar beneden te springen als hij dat zelf wil.

Mede tegen de achtergrond van de boven be­doelde geestelijke dimensie zal het belang van een juiste evenwichtszin-ontwikkeling duidelijk zijn. Niets forceren, maar het kind wel alle gelegenheid bieden om de ruimte-oriëntatie te oefenen. Wie het – later – wat dit betreft in de sport zoekt kan allerlei kanten op. Misschien is skiën wel bij uitstek een uitdaging aan de even­wichtszin: op zo’n gladde berghelling is het opnieuw zeer de vraag of je kunt staan en gaan zoals je wilt. ‘Stehen bleiben’ roept de skileraar zijn leerlingen toe, jawel…
We kun­nen het ook dichter bij huis houden: een stuk klei, en dan proberen om bijvoorbeeld een kubus te boetseren. Het zal alleen luk­ken als vanuit alle richtingen tegelijk gewerkt wordt.

evenwichtszin 1

Schilderen doet weer op een heel an­dere manier een appèl op de evenwichtszin. Vanuit onszelf moet binnen het tweedimensi­onale gegeven van het tekenpapier een derde dimensie tot stand gebracht worden. In let­terlijke zin kan dit leiden tot zoeken naar perspectief; het kan zich ook beperken tot het zoeken naar de juiste verhouding in vorm en kleur.

evenwichtszin 2

Aan de andere kant van de lijn (links-rechts, boven-onder, als in een spiegel gezien de lijn opnieuw tekenen….een evenwichtsoefening die je jezelf steeds opnieuw kunt opgeven.*

Zoiets kan alleen onze innerlijke rust bevor­deren. Een rust die we maar al te zeer nodig hebben als we werkelijk vanuit onszelf willen kunnen inspelen op wat ons in de buitenwe­reld, met name ook in de ontmoeting met de medemens, tegemoet treedt. Rust om ook daarin steeds het evenwicht te zoeken, af te wegen wat afgewogen moet worden, en daar­door bij te dragen aan niets minder dan
ver­menselijking van die wereld. Niet voor niets valt de evenwichtszin in de zintuigleer van Rudolf Steiner onder de wilszintuigen!

*Dit soort vormtekenenoefeningen worden vooral in klas 2 en 3 gedaan.
.

Zintuigen: alle artikelen
.
Soesman: ‘De 12 zintuigen
.
König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

.

673-616

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – levenszin (3-1)

.
Carla Niphuis, Jonas 12, *03-02-1984
.

DOE DE ‘LEVENSZIN’
.

Kun je luisteren naar ‘jezelf’. Kun je je ademhaling, hartslag,
bloeds­omloop horen? Het is duidelijk dat die signalen ons niet bereiken via het gehoor, maar door een ander zintuig: de levenszin. Carla Niphuis geeft enkele suggesties om de werking van de levens­zin waarneembaar te maken.
.

Een eenvoudige concentratie-oefening: ogen sluiten, luisteren. Wat hoor je om je heen? In de kamer, buiten de kamer? Hoe ver weg kun je luisteren? Kun je – luisterend – terug­komen in de kamer bij jezelf? Kun je ook binnenin jezelf ‘luisteren’? Alle keren dat ik deze oefening met een groep deed – ter voorbereiding van een schil­deroefening of iets dergelijks – is het mij op­gevallen met hoeveel vreugde de deelnemers vertelden over hun waarneming, met name over wat ze in zichzelf bleken te kunnen waarnemen. Je kunt in jezelf kruipen, en wat je daaraan beleeft is voor anderen nog her­kenbaar ook! Wel rijst de vraag wat je nu nog echt hoort, je ademhaling vast wel, maar je hartslag, het stromen van je bloed? Het is duidelijk dat ons innerlijk welbevin­den niet via het gehoor, maar via een ander zintuig ons bewustzijn bereikt. De werking van de toestand- of levenszin zijn we ons merkwaardigerwijs meestal alleen door nega­tieve signalen bewust: we beseffen dat we honger hebben, pijn, een gevoel van onbeha­gen, behoefte aan lucht of beweging. De po­sitieve kant word je je alleen bewust als je daar uitdrukkelijk moeite voor doet, zoals in de hierboven beschreven oefening. Toch kan, langs indirecte weg. de werking van de levenszin ook in positieve zin overtui­gend waarneembaar zijn.
Ik ken iemand die het presteert om, ondanks een druk bezet le­ven, soms midden op de dag ergens rustig te gaan zitten op een manier die zoveel tevre­denheid uitstraalt dat je er bijna jaloers op zou worden. Blijkbaar hoeft er dan niets, dreigt er niets, is alles volmaakt in orde. Niet gaan zitten omdat je ergens op wacht, omdat je moe bent, omdat je werkt. Nee, zomaar, zitten omdat dit – zo te zien – op dat mo­ment als zinvol ervaren wordt. Ook aan kleine kinderen valt in dit opzicht veel te beleven. Gebaad, gevoed, kan zo’n kindje in-tevreden lijken, een en al vertrou­wen en goede zin. Als volwassene ligt dit po­sitieve contact met jezelf veel minder van­zelfsprekend binnen bereik. Jammer, want het geeft vertrouwen om jezelf als levend we­zen te ervaren, het vormt een hechte basis voor wat je als mens onderneemt, het is een goede remedie tegen angst en gevoel van leeg­te. Het zou daarom weleens heel belangrijk kunnen zijn om onze levenszin bewust te ac­tiveren.

Een manier om daar verder mee te komen zou kunnen zijn het omgaan met signalen die met name kinderen vanuit hun levenszin geven. Dat signalen van onbehagen (honger, dorst, pijn, slaperigheid) die een kind geeft voor ons aanleiding moeten zijn tot verzor­gende maatregelen, spreekt vanzelf. Het uitblijven van een adequate reactie op primaire levensbehoeften kan ernstige groeistoornis­sen ten gevolge hebben en een harmonische ontwikkeling blijvend in de weg staan. Maar het is misschien net zo belangrijk om de po­sitieve signalen vanuit die primaire levens­sfeer te honoreren, minstens door ze op te vangen en liefst door erop te reageren. Niet alleen voor het kind belangrijk, ook voor onszelf.

We doen het trouwens al: niet voor niets pra­ten we bijna vanzelf tegen het kindje dat er zo tevreden bij ligt. De sfeer die daarvan uit­gaat kunnen we versterken en in onszelf ver­der tot ontwikkeling brengen. Een goed ont­wikkelde levenszin maakt ontvankelijk voor kwaliteit van leven. Alles is in orde, we zijn zelf het instrument waardoor het leven stroomt, z’n evenwicht vindt, oproept tot vertrouwen.

Een heel andere mogelijkheid om onze le­venszin te oefenen wordt op dit moment* (tot eind februari) geboden door het Rijks­museum. De tentoonstelling ‘Ierse Kunst’ biedt een unieke kans om te beleven hoe de mens in staat is vraag en antwoord in vol­maakte harmonie met elkaar te verbinden. Met aandacht het lijnenspel op stenen, schil­den, sieraden en tekstversieringen volgend, kun je je verbinden met het gebied van waar­uit ooit dit geduldig en harmonisch scheppen mogelijk was. Je kunt je zodanig in een be­paald motief verdiepen dat je op- en neer­gaande lijn, beweging en tegenbeweging, detail en totaal gaat meebeleven. Zo kan een Iers (vlecht)motief een meditatieobject wor­den waar moed uit geput wordt voor de dag, voor het leven.

‘Luisteren’ naar de harmonie in ons lichaam, in dialoog treden met het vertrouwen dat het kind uitstraalt, vlechtmotieven** meebeleven: mogelijk zijn het levenszin versterkende acti­viteiten waarbij nog plezier gewaarborgd is ook.

**vlechtmotieven worden in de 4e klas geoefend in het vak vormtekenen

Zintuigen: alle artikelen

.
Soesman: ‘De 12 zintuigen
König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

.

672-615

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-1)

.
Elisabeth van Cruijsen, Jonas 4, 14-10-1983
.

DE TASTZIN

Oefenen met spelletjes

Onze zintuigen werken veelal de hele dag op volle toeren. Maar wat gebeurt er wanneer je een ervan min of meer geïsoleerd gebruikt?
Elisabeth van Cruijsen geeft suggesties voor het oefenen van de tastzin.

.

We spelen blindemannetje – daar sta ik… al­leen in het donker. Alles wordt anders zon­der hulp van mijn ogen. Mijn hele lijf wordt oog. Schuifelend ga ik door de kamer, met mijn handen vooruit en mijn oren helemaal open. Ik tast met mijn handen in de ruimte tot ik iets vind. Met mijn heupen, met mijn knieën, met mijn voeten voel ik hard en zacht, hoekig en rond en herken ik wat het is. Ik ruik de bloemen op de tafel. Loop, hierdoor afgeleid, met mijn hoofd tegen de lamp en moet iets vastpakken om mijn even­wicht niet te verliezen.

Als we iets betasten, nemen we eigenlijk niet dat voorwerp waar, maar onszelf, ons eigen lichaam. En omdat we ons eigen lichaam waarnemen, is het belangrijk wat we aanra­ken en wat voor gevoelens dat bij ons op­roept. Dit heeft een rechtstreekse invloed op hoe wij ons in ons eigen lichaam voelen. Wanneer we de slaap niet kunnen vatten komt dit misschien doordat we niet genoeg ‘in onszelf’ zijn. We piekeren over het verle­den of maken de wildste plannen voor de toekomst en doen alles, behalve met rustig vertrouwen in het nu de slaap afwachten. Het helpt dan om voor het naar bed gaan een stukje klei te pakken dat goed in de hand past, dit door te kneden, zodat het onze eigen temperatuur aanneemt en hiervan rustig, met beide handen een bol te vormen. Door steeds een zachte druk uit te oefenen met de palmen van de handen ontstaat de bol als van zelf. De laatste oneffenheden kunnen we met on­ze vingertoppen, vooral die van de duimen, glad strijken.

Een andere manier om onze eigen lichame­lijke grenzen te leren kennen, is rustig te gaan liggen of zitten en dan met ons bewust­zijn af te tasten waar we iets raken of waar onze huid bedekking voelt. Door deze oefe­ningen ontstaat ‘grond’vertrouwen. De basis voor dit grondvertrouwen wordt in de aller­vroegste jeugd gelegd. Een kind moet gekoes­terd worden, gestreeld en stevig vastgehou­den, om zo zijn grenzen te kunnen voelen. Het bakeren, het inwikkelen, zoals dat vroe­ger gebeurde, kunnen we nu begrijpen, al zullen we het zo niet meer doen. Maar nu blijkt ook dat het niet juist is het kindje te weinig of te losse kleertjes aan te trekken. De lichaamservaringen die het kind opdoet bij het zuigen, duimen, het vastpakken en in de mond stoppen van alles wat maar binnen be­reik is, vormen het zelfgevoel. Daarom is het belangrijk waar we onze kinderen mee laten spelen. Hoe onmisbaar kunststoffen ook zijn in de techniek, in de wereld van het kind ho­ren ze eigenlijk niet thuis. We geven het liever natuurlijke materialen. Een knooppopje van een lapje zijde, met wat schapenwol ge­vuld is een ideaal babyspeeltje. Bovendien zijn wol, zijde, linnen en hout wel door men­sen bewerkt, maar niet door mensen ge­maakt en verwijzen zo naar een andere we­reld, waar we verwondering en eerbied voor kunnen voelen.

Naarmate het kind ouder wordt, krijgt het belangstelling voor de wereld buiten zich en gaat het de tastzin gebruiken om die te
ver­kennen. Via allerlei spelletjes kunnen we de­ze ontwikkeling ondersteunen. Voor een kleuter is niets mooier dan een bewaarzak, waarin overdag allerhande schatten verza­meld worden, die dan ’s avonds, met de ogen dicht, een voor een tevoorschijn worden ge­haald om te raden wat het is. Ook voor ons heeft de omgeving altijd wel iets te bieden, waarmee we onze tastzin kun­nen oefenen. Doe de afwas maar eens met ogen dicht. Dat is alleen al goed om de sleur te doorbreken. Zo zijn er in huis talloze oefeningen te bedenken. Als we buiten zijn kunnen we bladeren vergelijken, de bast van de verschillende bomen betasten en het fruit, dat nu geoogst wordt, door onze handen la­ten gaan. Om niet in een chaos van waarne­mingen terecht te komen is het goed, steeds twee dingen te vergelijken. Hoe anders voelt een getand berkenblad dan het gegolfde blad van de eik. Hoe verschillend is de gladde huid van de appel dan de stroeve schil van een peer. Omdat meestal persoonlijke gevoe­lens onze waarnemingen te sterk kleuren, is dit een goede oefening om deze wat naar de achtergrond te dringen en te proberen on­zelfzuchtig waar te nemen. Zo kunnen de dingen voor zichzelf gaan spreken en komt alles wat er is veel dichterbij. Veel kinderen en volwassenen hebben tegen­woordig een slecht geheugen. Zodra we ons, via de tastzin, heel bewust met iets hebben beziggehouden, merken we, dat het een deel van onszelf geworden is, staat het in ons ge­heugen gegrift. Zo is het mogelijk het geheu­gen te versterken door iedere dag, met geslo­ten ogen, een bepaald werkje te doen, steeds een beetje moeilijker. Vlechten is heel ge­schikt. Eerst met drie banden, dan met vier of vijf. Of bestaande vormen naboetseren, die we niet gezien mogen hebben, alleen maar betast. En vergeet niet zo nu en dan eens blindemannetje te spelen. Spelletjes doen is de leukste manier om aan de zintui­gen te werken, omdat niet de oefening, maar het spel het doel is.

.

Zintuigen: alle artikelen


Soesman: ‘De 12 zintuigen

König: ‘De eerste 3 jaren van een kind’

.

671-614

.

.