VRIJESCHOOL – 1e klas – Nederlandse taal (1)

.

schrijven klas 1  12 1

Vol verwachting staan zo’n dertig kinderen aan de hand van hun vader of moeder bij de deur van het klaslokaal. Eindelijk is het dan zo ver: de eerste dag op de ‘grote school’ is aangebroken. Het is spannend en eng tegelijk. Veel kinderen torsen een enorme schooltas met zich mee, met daarin een broodtrommeltje, zo’n lekkende beker en vaak ook een knuffelbeest. Groot en gewichtig voelen ze zich, maar als het moment van afscheid nadert zouden sommige kinderen maar het liefst weer mee naar huis gaan.

De overgang van kleuterklas naar eerste klas betekent niet dat alle kinderen ook meteen kleuter af zijn. Velen zien er nog uit als kleuters en gedragen zich ook zo. Praten over een meningsverschil is er niet bij. Spontaan springen ze op uit hun bank en timmeren razendsnel hun buurman in elkaar.[1] De juf kan alleen nog constateren dat Bartje een bloedneus heeft. Veel ruzietjes ontstaan doordat het verschil tussen mijn en dijn nog geleerd moet worden. Zeker in het begin zijn ze meer met elkaar in de weer dan met de leerstof.

Pas in de loop van het jaar worden het echte schoolkinderen, alles wat rond was wordt langer en dunner: hun hals, armen en benen. Het gezichtje met de grote, dromerige ogen verandert nu ook: steeds vaker kijken twinkelende ogen je aan, plezier of kattenkwaad verradend. Zelfs de kinderen die zich aan het begin van het jaar bedeesd en afzijdig hielden, doen nu vrolijk mee: eventjes met een vinger de hard stromende kraan dichtdrukken. Triomfantelijk kijken ze om zich heen. Een mooie tandenrij zien we steeds minder, de meeste kinderen zijn al met wisselen begonnen.

Ze zijn op deze leeftijd beweeglijker dan ooit. Op de speelplaats klauteren ze vliegensvlug de rekken op en af, springen touwtje, huppelen en rennen; hun energie lijkt onuitputtelijk.
Toch kunnen ze nu ook geconcentreerd luisteren en in hun bank stil aan het werk zijn. Daarbij merken ze dat hen nog niet alles lukt: tijden zijn ze met een tekening bezig, die daarna als mislukt wordt afgedaan omdat het nergens op lijkt. Voortdurend wordt de hulp van de juf ingeroepen. Het kind verwacht veel van haar en beoordeelt haar niet naar wat zij weet, maar naar wat zij kan.

Uit de leerstof in de eerste klas
Het onderwijs moet in de eerste klas heel levendig zijn. Omdat de spanningsboog om te leren bij het kind nog klein is, neemt het vrije spel, zeker in het eerste half jaar [2], nog een belangrijke plaats in.

De sprookjes zijn de vertelstof van het eerste jaar, in het bijzonder de sprookjes van Grimm. Deze verhalen hebben veel afwisselende beelden. Het sprookje vertelt vol wijsheid en humor over goed en kwaad, over verleiding en vernedering en over de prins of prinses, het beeld voor de mens, die tenslotte zegevierend tevoorschijn komt.

De taak van de leerkracht is, alles op een zo beeldend mogelijke wijze te vertellen; zijn woorden moeten kleurig zijn en het kind aanspreken. Zo kan het kind zich een eigen voorstelling vormen van de dingen, op weg geholpen door de fantasie van zijn leerkracht. De fantasie van leerkracht en leerling samen zullen nog gedurende de gehele lagere schooltijd de brug vormen naar de realiteit en de abstracties die geleerd moeten worden. Hierbij dient, misschien ten overvloede, opgemerkt te worden dat van feitelijke abstracties in de eerste klas nog nauwelijks sprake is.

De kinderen doen veel bewegingsoefeningen, kringspelletjes en vingerspelletjes. Ze zingen en reciteren versjes en spelen toneel. Schilderen, tekenen en boetseren met bijenwas doen ze veel en graag.

Bij het rekenen doen ze ritmische teloefeningen en bij de tafels van vermenigvuldiging stampen en klappen ze.

Het kind wil zijn omgeving leren kennen, de heemkunde helpt daarbij. De leerkracht vertelt over de dieren, de planten, de zeeën en rivieren, de lucht, de wei, het bos, de hemel, de zon, de maan en de sterren. Al deze natuurelementen dragen een eigen karakter: een heuvel is vriendelijker dan een grote grillige berg. De leerkracht beschrijft de natuur zo, dat het kind zich veilig en geborgen weet. Voor de kinderen is het de normaalste zaak van de wereld dat alles praat. De wind kan met de vogels praten, het bloempje met het lieveheersbeestje, de maan met de sterren, ja zelfs de brug spreekt met het water dat onder hem doorstroomt.

Over het Nederlands in de eerste klas
Op de vrijeschool beoefenen we de taal voornamelijk mondeling. Vooral in de drie laagste klassen en helemaal in de eerste klas betekent taal: spreken en luisteren. De leerkracht gebruikt geen boekjes. Daarom is het gesprek tussen hem en de kinderen onderling de basis van de les. Dagelijks luisteren de kinderen naar sprookjes. Later mogen zij proberen het verhaal na te vertellen. Wie dat nog niet goed durft, let goed op of de ander niets vergeet en vult aan waar hij dat nodig vindt. Vaak maakt de leerkracht een gedichtje over een pas verteld sprookje. Hij probeert ervoor te zorgen dat zo’n versje echt klinkt. Het ritme en de klanken kunnen het gedicht zo leuk maken, dat de kinderen het steeds weer met enthousiaste stemmetjes reciteren, tenminste als de leerkracht het met verve brengt. Vanzelfsprekend hoeven de recitaties niet alleen over de sprookjes te gaan, de seizoenen, de natuur en de feestdagen geven genoeg mogelijkheden tot dichten. Als zelf dichten niet lukt, dan worden bestaande gedichten gebruikt.

Het klassikale reciteren geeft de kinderen een gevoel van saamhorigheid. De leraar tracht de gedichtjes zó te kiezen, dat ze voor ieder kind verrassend zijn, of  het nu een grote of een kleine woordenschat heeft. Ongemerkt nemen ze een rijkdom aan woorden en mooie klanken in zich op. Ook kunnen de kinderen op het ritme van de gedichtjes lopen. Op deze manier ondersteunt de beweging het spreken.

De oudste volkeren die schriftelijk iets wilden vastleggen, hadden nog niet het alfabet tot hun beschikking; dit is pas heel langzaam uit een beeldschrift ontstaan. Wanneer we de kinderen meteen de abstracte letters leren, geven we ze slechts de uitgeklede versie van de oorspronkelijke beeldvormen. Hoe de mensen door de eeuwen heen vanuit het leven zelf het schrift ontwikkelden, is dan voor de kinderen geheel verloren gegaan.

In de eerste klas probeert de leerkracht ook de gang van beeld naar letter met de kinderen te maken. Iedere leraar kiest daarvoor zijn eigen beelden, soms heel voor de hand liggende en veel gebruikte voorstellingen:
schrijven klas 1   1

schrijven klas 2   1

Soms minder voor de hand liggende, bijvoorbeeld in een sprookje:

schrijven klas 1  3   1

De leerkracht introduceert een letter vaak door middel van een verhaal, maar hij vertelt de kinderen wel van te voren dat ze er iets van gaan leren. Doet hij dit niet, dan voelen de kinderen zich na afloop gefopt. Bovendien spreekt de leerkracht hiermee de wil om te leren aan. Vaak schilderen de kinderen de voorstelling, de zwaan in het water, de vogel in de lucht, eerst met waterverf op een nat blad. Door dit nat-op-nat schilderen komen de vormen niet absoluut en stilstaand op het papier. De kleuren vloeien min of eerder meer in elkaar over, zodat er ruimte voor de fantasie overblijft.

Daarna doen ze het nog eens over met bijenwaskrijt en kleurpotlood. Langzamerhand wordt het beeld afgepeld en tenslotte komt de letter te voorschijn. Zo krijgt elke letter haar eigen geschiedenis mee. Bij veel kinderen behoudt de kale letter nog een tijdje een fantasie-element. Zo krijgt de ene K nog een kroontje en de andere een zwaard of een schoentje. Het blijkt dat de kinderen bij deze manier van leren, waarbij de fantasie zo’n grote rol speelt, hun kinderlijkheid niet vroegtijdig behoeven in te leveren.

Voor iedere medeklinker is wel een beeld te vinden. Toch leren de kinderen enkele letters zonder beeld, omdat zij toch ook in staat moeten zijn om de sprong in één keer te maken.

De klinkers worden niet samen met de medeklinkers geleerd. Zij bezitten een heel andere kwaliteit. Waar de medeklinkers de uiterlijke vorm in de spraak bepalen, zijn de klinkers juist directe gevoelsuitingen. Wanneer we iets uit de grond van ons hart zeggen, doet ons hele lichaam daarbij mee. Vooral kinderen hebben dat nog sterk. Ah, roepen zij bewonderend als zij iets moois zien en spreiden daarbij de armen ernaar uit. De klinkers worden vanuit de gebaren aangeleerd.

In de eerste klas leren de kinderen eerst schrijven, dan pas lezen. Zij lezen alleen hetgeen zij zelf geschreven hebben. De leerkracht eist nog niets van ze. Hij stimuleert de kinderen om zelf verhaaltjes te schrijven en is tevreden als zij de geleerde letters kunnen hanteren. Hij verbetert alleen de vorm van de letters; het gaat nog niet om foutloos spellen.

Ook aan het lezen wordt in de eerste klas nog geen eisen gesteld. Het komt wel eens voor dat de kinderen briefjes schrijven die hun moeders wel kunnen lezen, maar zij zelf niet meer.

Letters — een eerste taalperiode
Om de overgang van de kleuterklas naar de eerste klas voor de kinderen niet al te abrupt te maken, begint de leraar elke ochtend met een half uur kringspelen.

Een heel belangrijke inleiding op het schrijven is vormtekenen. De klas begint met het oefenen van de elementaire vormen: de rechte en de ronde lijn.

Het is een hele prestatie voor de kleintjes deze figuren mooi te krijgen. Vol bewondering kijken zij hoe knap de leraar de rechte en de kromme [3] op het bord voordoet. Een keer [4] mogen alle kinderen het op het bord nadoen. Dan oefenen zij in de lucht: met hun rechterhand, met hun linkerhand, met het puntje van hun neus zo groot mogelijk in de lucht en zelfs met hun grote teen over de vloer.
Als de vorm tenslotte overal zit, wordt deze eindelijk met een waskrijtblokje [5] op papier gezet. IJverig buigen de kinderen zich over hun tekenblad en tekenen de rechte en de kromme lijn. Gedurende deze periode zullen zij allerlei varianten oefenen:

schrijven klas 1  4   1

Als alle tekenspullen zijn opgeruimd, vertelt de leraar een verhaal over een vogel. Sommige kinderen hebben het hoofd op de armen op tafel gelegd en dromen weg naar de wijde verten waarover de meester vertelt.

De volgende dag vinden zij een kleurige vogel op het bord, die de kinderen

schrijven klas 1  5   1

natekenen. Iedere dag wordt uit dit beeld de vorm van de letter V [6] gehaald. De eerste letter kunnen zij nu schrijven.

Met de vogelletter kun je veel dingen doen: de kinderen zoeken uit wiens naam met een V begint. Zij doen pantomimespelletjes waarbij zij woorden die met V beginnen moeten raden: Wat is dit? Er wordt gewezen op vingers en voeten. Wat doe ik?  Vegen, vastbinden, vallen, vliegen.

De kinderen leren een versje:

Wieg, vlugge vogel,
vlieg je verre vlucht
en de vlugge vogel vloog
zijn verre vlucht.

Zij schilderen hierbij met geel een vogel in de blauwe lucht. Wanneer de schilderingen droog zijn, worden ze bekeken en daarna op de gang gehangen, zodat iedereen ze kan zien.

In een zaal waar de kinderen niet door stoelen en tafels gehinderd worden, vliegen zij klapwiekend als vogels op de woorden van het versje door de zaal. De vogelkinderen mogen elkaar niet raken, maar dat blijkt een kunst die alleen echte vogels verstaan.

Het wordt tijd om met de tweede letter te beginnen. De meester vertelt over een bruine beer met een bol buikje die in de boom klimt om van de bijenhoning te snoepen. Een boze bij steekt hem op zijn bolletje zodat er een dikke bult op groeit. De kinderen leven helemaal mee. Een enkeling betast voorzichtig zijn eigen hoofd.

De volgende dag staat er weer een tekening op het bord. Gaan we die bruine beer ook tekenen?

schrijven klas 1  6   1

Enkele dagen later komen een paar kinderen na het speelkwartier glunderend het lokaal binnen met het nieuws dat zij de Berenletter gezien hebben op de brandslang in de gang.

De meester vertelt nog eens over de waternimf uit het sprookje. Al gauw is de hele klas in deinend water veranderd. De armen golven door de lucht. Dan tekenen de kinderen met waskrijt de gouden haren van de nimf op het water.

schrijven klas 1  7   1

Naar aanleiding van het sprookje De zes zwanen schilderen de kinderen met blauw het water en vegen daarin met een natte spons zo, dat een witte zwaan ontstaat.
schrijven klas 1  8   1

Telkens als de kinderen een nieuwe letter geleerd hebben, zoeken zij uit in welke naam deze letter te vinden is. Veel kinderen proberen uit zichzelf op straat de pas geleerde letters te vinden.

Wanneer de meester de kinderen vraagt waar ze de mmm voelen trillen, wijzen ze op hun mond. Vanuit de vorm van de mond leren ze de letter M. Bij het gebruikelijke zoeken naar namen met een M, verwisselen sommige kinderen de M met de N. Ze moeten nu allemaal nnn zeggen en ze voelen dat niet de mond, maar neus trilt. En zie…….de Neuzenletter is ook gevonden.
De meester introduceert de D met het verhaal van Joris en de draak.
Vandaaruit gaat hij naar de T omdat deze in klank veel op de D lijkt. Bij de T voelen de kinderen de tong tegen de tanden komen. De Tandenletter! roepen zij. Uit de vorm van de voortanden ontstaat de T. De kinderen zoeken naar T- en D-woorden die veel op elkaar lijken of met elkaar te maken hebben. Zo ontstaan er rijtjes:

DAS      –    TAS                  DOL   –    TOL
DAK      –   TAK                 DOM  –   TOM
DAM       –   TAM                    DOR   –   TOR
DRIE      –   TWEE                  DOP   –   TOP

Als de kinderen deze acht nieuwe letters kennen, wordt er veel mee geoefend. Ze bedenken zelf woorden die beginnen of eindigen met zo’n letter of de meester schrijft nu en dan een woord of een zinnetje waarin de bekende letters in een mooie kleur worden geschreven, bijvoorbeeld in KASTANJEBOOM.
Zo  raken de kinderen ook vertrouwd met de onbekende letters. Ik heb een woord geschreven! klinkt het opgetogen wanneer ze voor het eerst een woord van het bord hebben overgeschreven.

De ‘S’ en de ‘G’ een korte tweede taalperiode
Nadat eerst de vertrouwde letters zijn herhaald, leren de kinderen nieuwe.
In een tekenschrift tekenen zij bladzijdegroot de beelden en daaromheen schrijven ze enkele malen de letter die erbij hoort. Onder de nieuwe letters van deze periode is de S:

Sssss, sist de slang.
Ik sluip en slinger
door het slanke gras. [8]

Met een touw maakt de meester slingerende bewegingen over de vloer. Er hangt een opgewonden stemming als de kinderen proberen er overheen te springen zonder het touw aan te raken.
De G leren de kinderen uit een grot van kristal. Hiervoor heeft de meester een stuk amethist mee naar school genomen. Hij vertelt een verhaal over een jongen en een meisje die zich tussen de rotsen willen verbergen en daarbij wonderlijke wijze in een kristalgrot terecht komen. Het lokaal wordt verduisterd. Twee kinderen bewegen kaarsen langs de paarse en lila kristallen. Ademloos kijkt de klas toe.
De kinderen staan in een kring. Zij moeten allemaal een woord in gedachten houden dat met een G begint. Wie de bal toegeworpen krijgt, zegt zijn woord en gooit de bal terug naar de meester.

De klinkers — een derde taalperiode
In de derde periode [9] leren de kinderen de klinkers. De meester heeft deze periode speciaal voor de adventstijd bewaard.
Op de eerste maandag van de advent voeren de leraren traditiegetrouw het Paradijsspel op voor alle leerlingen van de school. In dit spel wordt de schepping van de eerste mensen uitgebeeld, de verwondering van Adam en Eva in het Paradijs, de zondeval, de verjaging uit het Paradijs en de belofte van de engel Gabriël de mens op aarde terzijde te staan. Vooral het moment van de verjaging maakt altijd grote indruk op de jongere kinderen.

De meester van de eerste klas timmerde een zwaard en schilderde er vlammen op. Hij bouwde met de kinderen een groot podium van de tafels en op een van de tafels een extra verhoging met een stoel. Wanneer de klas het moment van de verjaging naspeelt, staat een zesjarige engel hoog boven de klas, heft fier zijn vlammenzwaard, zodat dit bijna het plafond raakt en spreekt de legendarische woorden:,, Gaat heen tot ik u weer binnen laat”.

De kinderen spelen om de beurt deze rol en spreken allemaal de tekst zo krachtig mogelijk uit. Ze willen dit gedeelte zo graag spelen, dat zij weer in de rij gaan staan in de hoop nog eens aan de beurt te komen.

In de gestrekte houding van de engel voelen de kinderen de I. Als zij daarna deze letter schrijven, kennen ze er een gevoelswaarde aan toe.

Op het bord staat een tekening van een brug. De pijlers zijn opgebouwd uit de al bekende medeklinkers. In één van de bogen, waardoor het water stroomt, staat de letter I.

schrijven klas 1  9  1

De overige klinkers zullen, zodra ze geleerd worden, ook een plaatsje onder de bogen vinden. De kinderen noemen de klinkers stroomletters. Zonder stroomletters klinkt de taal niet, dat wordt duidelijk als ze de namen van de klas zonder de klinkers uitspreken: Rtsk, Chrltt, Ixndr. Nu houdt de meester een hoepel vlak boven de grond. Ritske komt naar voren en kijkt hem lachend aan. Dan zegt de meester langzaam zijn naam en op het moment waarop Ritske de stroomletter hoort, duikelt hij parmantig door de hoepel.

Kerstmis nadert. In de klas spelen de kinderen het kerstverhaal. Iedere dag mogen andere kinderen spelen. De meester zegt de woorden voor en al spelend spreken de kinderen hem na. Na enkele dagen kennen ze de strekking van de tekst bedenken ze de woorden zelf. Wanneer Maria het kind in haar armen houdt, zegt zij: ‘Oh. wat een lief kindje.’

Vanuit de verwondering leren de kinderen de letter O. Ook de andere klinkers worden vanuit een verhaal, dus spelend, geleerd. Dan schilderen en tekenen de kinderen de letters: eerst heel groot op enorme vellen papier, daarna in kleiner formaat.
De klas doet allerlei oefeningen met de oude en de nieuwe letters. Verbaasd ontdekken ze dat je met de stroomletters zo veel verschillen kunt maken:

pit    mis     hik
pol    mos    hok
pet    mes     hek
put    mus    hak

Op een dag maken de kinderen lampionnen. In de lampionnen worden vijf vensters uitgeknipt en met wit transparantpapier beplakt. Hierop moeten de klinkers komen. De A, de E en de I kunnen de kinderen zelf uitknippen, maar de O en de U willen nog niet erg lukken. De kinderen kunnen nog lang niet wat de leraar van ze verwachtte. Ze maken er een vieze knoeiboel van. Het glibberige plaksel plakt niet alleen op het papier, maar ook op de kleding, op de tafels en op de vloer.
Maar wanneer de lampionnen met een beetje hulp tenslotte toch klaar zijn, stralen de kinderen even hard als de brandende lampionnen. Voor de kerstvakantie nemen zij hun lampje met de pas geleerde letters behoedzaam mee naar huis.

Het alfabet — een vierde taalperiode
Het alfabet staat in hoofdletters op het bord. Dit gaan de kinderen uit het hoofd leren.
Dagelijks zingen zij het ABC-lied:

A B C D E F G,
H I J K L M N O P
Q R S T U V W
X Y Z doen ook nog mee.
Nu ken jij het ABC,
Kom en zing nu met ons mee.

Soms zeggen de kinderen het alfabet op, zetten daarbij een stap vooruit op elke letter en klappen bij elke derde letter in de handen of stampen met de voeten: ABCDEFGHI…

Later in de periode bereidt de klas hun aandeel voor het komende schoolfeestje voor. Vijf klassen zullen elkaar iets laten zien van wat ze de afgelopen weken geleerd hebben. Dat kunnen liedjes, recitaties of toneelstukjes zijn.

De eerste klas zal het ABC-lied laten horen. Ze staan achter elkaar in de kring en klappen en stampen op de letters:

A (klap), B (klap), C (stamp), D (klap), E (klap), F (stamp), enz.

Het alfabet wordt nu ook in omgekeerde volgorde geoefend.

De leraar heeft een spel bedacht: ieder kind is een letter. Alle letters staan aan dezelfde kant van de zaal. De tikker, die in het midden van de ruimte staat, noemt een letter, bijvoorbeeld B, waarop B de poging waagt om ongetikt aan de overkant te komen. Wanneer de situatie voor B penibel wordt, roept hij gauw een andere letter, zodat de tikker achter een nieuwe renner aanmoet.

Voor een andere oefening krijgen de kinderen een blaadje waarop een van de letters van het alfabet staat. Zij moeten op de juiste volgorde gaan zitten. De ene keer van A tot Z, de andere keer in omgekeerde volgorde.

De leraar is van plan om de kinderen de laatste nieuwe letters gewoon kaal te leren, maar daar nemen zij geen genoegen mee. Wanneer hij de L op het bord schrijft, zegt een meisje: Dat is net een laars. Je tekent er toch wel een laars van, hè meester? Vooruit, toch maar weer letterbeelden! De L wordt ook in de spraak geoefend. Eerst met een dikke L:

Lekker lopen op je laarzen in de kledder.

Dan met een lichte L:

Luchtig lispelen de bladeren in het licht.

Tenslotte moeten ze de twee zinnen overschrijven in het schrift, maar dat is sneller gezegd dan gedaan.

Frans, een jongetje uit de klas, vraagt elke dag wanneer zijn letter nu eens aan de beurt is. Als het zover is, staat er een brandende fakkel op het bord getekend. Frans krijgt de hoofdrol in de spraak- en schrijfoefening:

Frans zit met een Fakkel op zijn Fiets.

De kinderen vinden het overschrijven nu heerlijk. Ze zetten hun tafels kaarsrecht voor het bord. zorgen dat er geen overbodige dingen op het schrijfblad liggen en zijn muisstil tijdens het schrijven. Ze kijken zelfs verstoord op als iemand het waagt een potlood te laten vallen.

Zelfs voor de Q is een beeld te vinden.

schrijven klas 1  10 1

Quispel, de verwaande dikke kater, is menigmaal nagespeeld.

Clown Woudi geeft een voorstelling op school. Tussen het publiek zitten veel eersteklassers. De volgende dag zijn ze er nog vol van; het juiste moment om de C leren:

schrijven klas 1  11 1

 

Ten slotte komen de dubbelklanken [7] aan de beurt.

In het sprookje De duivel met de drie gouden haren, moet een geluksjongen drie gouden haren van de duivel meebrengen om de koningsdochter te mogen huwen. Wanneer de duivel met zijn hoofd op de schoot van zijn petemoei ligt te snurken, rukt zij hem de haren uit.  ‘Au,’ schreeuwt de duivel. Onder de tekening van dit duiveltje op het bord, lezen de kinderen AU.

Twee dubbelklanken tegelijk leert de klas bij het verhaal over een meisje dat in een sneeuwstorm verdwaalt. ’s Avonds zoekt zij haar toevlucht in een vervallen kerk. Die nacht doorstaat zij duizend angsten: rondom ziet zij vurige ogen gloeien en de onheilspellende geluiden die zij hoort, gaan haar door merg en been. Wanneer de zon opkomt, ziet zij waarvoor zij zo bang is geweest: uilen die in de nissen in de muren zitten.

OEHOE en UIL lezen de kinderen onder de wijze uil op het bord.

Zoals steeds volgen oefeningen als de klas een nieuwe letter of klank geleerd heeft . Op het bord staan nu OE-woorden:

BOER
BOEM
BOEK
BOEL
BO
EF

Wie het kan lezen, mag zeggen welk woord bovenaan staat. De volgende herhaalt dit woord voor hij het tweede voorleest. Als een stapelliedje lezen de kinderen de woorden van het rijtje. Op deze manier krijgen ook de zwakke lezers het gevoel dat zij weten wat er staat. Ook bedenken de kinderen zelf woorden met dubbelklanken en schrijven deze op.

De kinderen vonden het verhaal van de duivel met de drie gouden haren zo grappig, dat de leraar het nogmaals vertelt, maar nu met de bedoeling om de IE aan te leren. Hij breidt de rol van Piep de muis uit, maar het beeld blijkt toch te klein om het echt tot leven te brengen bij de kinderen.
Daarom vertelt hij de volgende dag een nieuw sprookje: Meester Priem. Deze schoenlapper heeft zoveel aanmerkingen, dat geen knecht het bij hem uithoudt. Ondertussen maakt hij zelf door zijn springerige drukte de meeste fouten.

DE WIPNEUS VAN MEESTER PRIEM
WIE HEEFT ER OOIT ZO EEN NEUS GEZIEN.

schrijven de kinderen in hun schrift.

Nu volgen vele soorten schrijfopdrachten waarbij alle nieuwe letters geoefend worden.

Wanneer de kinderen enkele dagen het liedje

EEN, TWEE, DRIE, VIER, HOEDJE VAN PAPIER,

hebben gezongen, lezen zij het daarna van het bord. Als de leraar een woord aanwijst, bijvoorbeeld HOEDJE, kunnen sommigen het echt lezen. Anderen zingen het liedje stilletjes voor zich uit, tellen de woorden en weten dan ook wat er staat. Na enige oefening hebben zij het aftellen niet meer nodig en lezen zij het echt.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

[1] Door dit voorval in deze ‘algemene’ beschrijving op te nemen, zou men de indruk kunnen krijgen dat dit een soort ‘algemene’ vorm van gedrag is. Wat ik in de kleine 40 jaar van mijn werk als vrijeschoolleerkracht heb ervaren is, dat dit gedrag juist tot de uitzonderingen behoort. Natuurlijk zijn er altijd kinderen met korte lontjes of snelle driftbuien.

[2] Of het vrije spel nog een belangrijke plaats moet innemen, hangt sterk af van de leeftijd van de klas of van bepaalde kinderen. In het leerplanconcept van Steiner heeft het geen plaats. Het gaat er juist om dat beweging en fantasie – kenmerken van het vrijespel – nu terugkomen in het onderwijs.  Bij het leren, dus.

[3] In het Duits gebruikte Steiner ‘recht’ und ‘krumm’. Ons ‘krom’ heeft een enigzins negatieve bijklank; mooier lijkt het mij om te spreken van ‘recht en rond’.

[4] Die ‘een keer’ is het heel bijzondere ogenblik wanneer de 1e- klassers voor het eerst op school zijn en van de leerkracht horen waarom ze op school zijn. O.a. om met hun handen te doen. Dan tekent de leerkracht een rechte (vertikaal) en ronde (halve cirkel opening rechts) op het bord. Een voor een mogen de kinderen dit ook doen: zij maken in hun 1e schooluur kennis met de ‘oergebaren’ van de schepping: recht en rond – waarvan Kepler zei: ‘dat is God’.

[5] Het waskrijtblokje is m.i. niet om mee te schrijven. Het is te klein voor de fijne motoriek van het schrijven; het is ook bedoeld om te tekenen en moet eigenlijk op een speciale manier worden vastgehouden – zoals je je vingers op de gaatjes van een blokfluit hebt. Bovendien en dat geldt bijna nog meer voor het waskrijtstiftje, ‘stroopt’ dat over het papier en remt de schrijfbeweging. Ik weet het uit ervaring, want ik heb een keer met beide bij het schrijven gewerkt. Later ben ik overgestapt op het dikke kleurpotlood. Je hebt hiermee ook meteen gelegenheid vanaf het prilste begin het op de juiste wijze vasthouden van het potlood aan te leren.

[6] Alle letters worden uitgesproken als klank, niet als alfabetletter: vvvvv en niet vee

[7] Tweeklanken worden (meestal) pas in klas 2 aangeboden.

[8] Het is zeer belangrijk om deze oefeningen ook goed te leren spreken. Meer spraakoefeningen.

[9] Het is niet nodig – ook al is het mooi – tot de advent te wachten met de klinkers. Wat er tegen pleit is dat je te lang bezig bent met medeklinkers en dan ook bijna niet vanuit het geheel naar de delen kan lezen: vanuit het woord tot de letters komen. Het echt leren lezen komt dan toch te laat op gang.

.
1e klas: Nederlandse taal 2

1e klas schrijven: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

462-428

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

16 Reacties op “VRIJESCHOOL – 1e klas – Nederlandse taal (1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – NEDERLANDSE TAAL – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL 1e klas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (1) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (3) | VRIJESCHOOL

  7. Wauw, wat fijn om zoveel informatie bij elkaar te zien!
    Ik was op zoek naar het antwoord op een heel specifieke vraag, namelijk bij welke maanstand een periode idealiter begint. Ik vermoed met nieuwe maan, klopt dat?

    • Beste Inge,
      Dat antwoord kan ik je niet geven. In de pedagogische voordrachten vind je er niets over, wat niet wil zeggen dat er geen gezichtspunten zouden kunnen zijn (uit andere voordrachten?) die wel een antwoord zouden kunnen bieden. Ook ken ik geen auteurs die er wel iets over gezegd hebben.
      Waarop is jouw vermoeden van nieuwe maan gebaseerd?

  8. Omdat de antroposofie veel met de maanstand en planeten werkt lijkt het me logisch om dat in de klas of bij het onderwijs ook toe te passen. Het moment van de volle maan is het moment waarop de creatie energie het sterkst is. Dat lijkt me het moment om het hoogtepunt van de periode te ervaren. Als ik het goed heb wordt er aan het eind van de periode vooral geoefend?
    Ik heb niet de onderbouwspecialisatie gedaan, dus ik vul de halve kennis die ik op dat gebied heb aan met allerlei dingen die ik ondertussen in mijn leven geleerd heb. Ik dacht weleens gelezen te hebben over het mee laten bewegen van de periode met de maanstanden, maar misschien komt het uit een heel andere hoek.

    • Je vraag is heel inspirerend, maar roept meteen een reeks andere vragen op. Zeker, uit de antroposofie is de kosmos en de invloed(en) op de mens niet weg te denken. Maar hoe is die invloed dan op het lerende kind. Is die er op het lerende kind. En zo ja, hoe moet je die dan omzetten in methodiek en didactiek. En kan dat bij alle perioden? Is die invloed in de jaren 7-14 steeds dezelfde?
      Als ik Steiners aanwijzing volg: ‘je moet je tot in de fundamenten bewust zijn van wat je doet’, sta ik daar, wat jouw vraag betreft, nog ver vanaf.
      En praktisch zie ik het voor veel vakken niet voor me. Wanneer je in de 5e klas geschiedenis geeft, mag je blj zijn dat je alle cultuurperioden ‘haalt’, met vertellen, verwerken enz. Een creatieve verwerking van alles, kun je niet samen laten vallen met volle maan die kan wel aan het begin van de periode optreden. Je kunt n.l. met vakanties e.d.nooit zo plannen dat je altijd een periode van 4 weken hebt, laat staan dat je die nog aan een maancyclus zou kunnen knopen.

      Ik noem hier je blog even, waarop je al een paar mooie ervaringen hebt verteld (morgenspreuk en ‘vergeten’).

      LEREN VAN HET LEVEN

      • Nog even verder zoekend op internet kwam ik bij de Steinerschool uit Gent de opmerking tegen: “Oorspronkelijk is een periode gebaseerd op
        het ritme van de maan. Die cyclus van 4 weken is een
        bioritme, eigen aan de mens.”
        Daar worden overigens dezelfde praktische bezwaren genoemd als die jij aangeeft.
        Ik ben er persoonlijk voor om eerder dingen te doen die voor mij als juist aanvoelen dan om bij aanwijzingen van anderen te blijven. Steiner gaf aan dat het leraarschap kunstzinnig zou moeten zijn en dat is het in mijn ogen pas als je er je eigen authenticiteit aan koppelt.
        Met de opmerking dat de creatie energie rond volle maan het sterkst is bedoel ik niet dat een creatieve verwerking op dat punt moet vallen, dat zie ik eerder als een afsluiting van de periode.
        Voor het inleven in hoe de periode vormgegeven kan worden stem ik af op mijn persoonlijk maan(d)cyclus. Daarin kan ik de verschillende krachten en de op en afbouw daarvan goed voelen.
        En ongetwijfeld kom ik nog alsmaar uitdagingen tegen en loop ik (zoals jij nu laat zien) tegen vragen aan. En hopelijk ook tegen de bijpassende antwoorden.

        • Om met dat laatste te beginnen: als je antwoorden vindt, hoor ik die graag. Ook ik zal verder letten op gezichtspunten die in de richting gaan van je opmerkingen. Zo vond ik al wat in GA 107 vanaf blz. 152 bijv.
          De opmerking van de school in Gent vind je niet in de pedagogische voordrachten – voor zover ik weet. En ook hier weer: wat wordt bedoeld. In genoemde GA 107 is ook sprake van dit 4-wekelijkse ritme, maar het wordt niet in verband gebracht met de onderwijsperiode van 4 weken. Zie op deze blog Rudolf Steiner over periode-onderwijs. Er is sprake van ‘weken’, van ‘6-8 weken’, van ‘weken lang’; zelfs is er nog sprake van ‘3 maanden!’; ‘3 tot 4 weken’. Kortom: Steiner beperkt het periode-onderwijs niet tot strikt 4 weken die hij dan zou baseren op het ritme van de maan. Als dat voor hem zo belangrijk was, had dat er wel gestaan; in ieder geval was er dan steeds sprake geweest van 4 weken, en dat is zeker niet het geval als je de verschillen in tijdsduur ziet die hij noemt.

          Zeker, in de uitvoering is authenticiteit erg belangrijk. Voor mij betekent het echter wel dat de basis altijd de menskunde moet zijn.

          • Oh, dat is interessant wat je daar schrijft. Meebewegen met de maanenergie hoeft inderdaad vast niet 1 op 1 gekoppeld te worden aan de perioden!
            Wat bedoelt hij met rekening houden met de temperamenten bij het periodeonderwijs? Geef je een flegmatisch kind ander soort opdrachten dan een cholerisch?
            De link waar ik op doelde is de volgende, de laatste paragraaf begint met het citaat: http://www.steinerschoolgent.be/give_pdf.php?dm=1&filename=periodeonderwijs

            • Bedankt voor de link!

              Zeker in de lagere klassen kun je – als je de temperamentskleur van de kinderen kent, tenminste, in veel lessen opdrachten geven die bij hun temperament passen. Dat kan in een periode zijn, maar ook in een vakles, bijv. bij een niet-Nederlandse taal.
              Voor het vak rekenen in de 1e klas meen ik – vanuit de tmeperamentsaanwijzingen voor het vak vormtekenen een bepaalde samenhang te hebben ontdekt met hoe Steiner de 4 rekenbewerkingen aanleert.
              Op deze blog (de eerste vier artikelen)

        • Zou je me de link naar de opmerking uit Gent nog even kunnen geven?

          Bedankt!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s