VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 2e klas (1)

 

tweedeklas

Spannend is het nog wel om na de zomervakantie terug op school te komen, nieuw is het niet meer.
Veel zelfverzekerder dan vorig jaar maken de kinderen hun entree in de klas: ze kennen hun juf en hun klasgenoten immers al lang. Ze weten precies hoe het toegaat, wat wel en wat niet mag. Ze praten over die eersteklassertjes alsof ze die tijd al jaren achter zich hebben.
Veel kinderen zijn in de laatste maanden enorm gegroeid: broeken op hoogwater en veel te korte mouwen getuigen hiervan. De grote, nieuwe tanden passen nog niet in hun gezichten: de juf heeft ineens een klas vol konijntjes.
Over klasgenootjes worden ongeremd en zonder pardon opmerkingen gemaakt: Juf, hij ruikt zo vies! De tweede klasser heeft het hart op de tong. Toch liggen sympathie en antipathie nog heel dicht bij elkaar: de ene dag heet iemand een stomme tut, de volgende dag mijn beste vriendinnetje. Partijtjes zijn op deze leeftijd een bron van ellende; het liefst nodigen ze de hele klas uit. De ouder moet helpen een  keuze te maken, maar desondanks bestaat het gevaar dat de jarige de samenstelling van de groep vriendjes steeds verandert, een spoor van verwarring en verdriet bij zijn klasgenootjes achterlatend.

Steeds meer komt het individuele van de kinderen naar voren. Het is moeilijk om ze iets anders te laten doen dan ze zelf in hun hoofd hebben. Ieder kind moet op zo’n manier aangesproken worden, dat het persoonlijk betrokken raakt. Ze zijn niet hetzelfde en hoeven dus ook niet altijd hetzelfde te doen. Ze mogen op deze leeftijd niet het gevoel krijgen dat ze te kort schieten. Uit zichzelf ervaren kinderen hun grenzen niet.

Uit de leerstof in de tweede klas
Het kind kan langer dan vorig jaar achter elkaar doorwerken. Een aan zichzelf gesteld doel wil het graag bereiken, het werk moet hélemaal af, of héél erg netjes zijn.

De vertelstof van dit jaar zijn fabel en legende.

De fabel waarin het dier met een van de menselijke karaktertrekken (ondeugend, sluw, gulzig) op scherpzinnige wijze wordt neergezet, houdt het kind als het ware een spiegel voor. Het dier loopt door zijn karaktertrek onveranderlijk tegen de lamp en leert er niet van.

De legende daarentegen handelt over mensen die tot inzicht zijn gekomen: de heilige was niet altijd heilig. Zowel uit de fabel als uit de legende spreekt een natuurlijke moraal, waarbij een oordeel over goed of kwaad onuitgesproken blijft.

Het rekenonderwijs heeft nog steeds een zeer levendig karakter: bij het klassikaal opzeggen van de tafels wordt hard geklapt en gestampt.[1] Ze leren even makkelijk de tafels van vermenigvuldiging als gedichtjes en versjes uit het hoofd.

De heemkunde in de tweede klas verschilt niet zoveel van die van de eerste. De leerkracht vertelt verhalen geïnspireerd door de jaargetijden, de elementen, en de planten en dieren.

Over het Nederlands in de tweede klas. Spreken
Ook in de tweede klas wordt het stijlgevoel vooral sprekend ontwikkeld. De toneelstukken en recitaties hebben nu vaak fabels of legenden als onderwerp.

De leraar probeert de kinderen verschillen in zinsmelodie te laten horen. Zo klinkt het als we iets vragen:

Zullen wij een wedstrijd houden, haasje?

Zo klinkt het als we blij zijn:

Ga jij maar vast, ik ga dansen in de maneschijn.

En zo als we gewoon iets vertellen:

kruipt de schildpad voort.

Schrijven
De kinderen leren nu de kleine drukletters schrijven [2] De leerkracht schrijft alleen op het bord wat de kinderen uit het hoofd kennen. Hij zorgt ervoor dat de kinderen bij het reciteren, bij het overschrijven van het bord [3] en bij het lezen altijd van een samenhangend geheel uitgaan.

Dus eerst leren de kinderen de tekst in zijn geheel kennen, dan richten zij de blik naar elke zin en tenslotte naar enkele woorden. Nooit [4] worden de letters los van elkaar geoefend, zij blijven in het woordverband.
Waarom nu altijd van het geheel uitgaan?

In de belevingswereld van het kind hangt alles met elkaar samen. Wanneer de kinderen de dingen als afzonderlijke onderdeeltjes leren, maken we de werkelijkheid doods. De bloem die het kind plukt, bekijkt het ook nog niet op de aparte blaadjes, stamper en meeldraden.
Een andere reden is dat de kinderen door van het geheel uit te gaan een goed gevoel van onderlinge saamhorigheid krijgen. Daar hebben zij behoefte aan.
De overschrijfoefeningen en de verhaaltjes en de beschrijvingen die de kinderen maken, komen in een periodenschrift. Zij schrijven met kleurpotlood en versieren hun werk met bijpassende tekeningen en met kleurige sierranden vol bloemen, sterren en andere feestelijkheden.

Lezen
Pas wanneer de kinderen zichzelf op zeer eenvoudige wijze schriftelijk kunnen uitdrukken, wordt met het eigenlijke leesonderwijs begonnen. Meestal leert de leerkracht hun een gedichtje en wanneer de kinderen dit uit het hoofd kennen, wordt het op het bord geschreven en gaan ze gezamenlijk „lezen”. Wanneer een van de kinderen het even niet volgen kan, pikt hij het altijd ergens verderop weer op.

De leerkracht geeft de spaarzame individuele leesbeurten nooit aan een kind dat het niet kan. Anders wordt het lezen voor sommigen iets om met angst tegemoet te zien.
Voor de kinderen die erg veel moeite hebben met schrijven en lezen, heeft de leerkracht een mooi spel in petto.
Hij tekent op de grond een hinkelblok met bijvoorbeeld vier letters. Dan spreekt hij een simpel woord uit dat gesprongen moet worden, bijvoorbeeld LA.
Daarna springt het kind op andere woorden:

schrijven klas 2  1

 

Op deze manier schrijft en leest de kleine springer met zijn hele lichaam en kan hij spelend leren, wat hij stil zittend in zijn stoeltje niet voor elkaar kreeg. Niet alleen de moeilijke lezer krijgt een beurt. Deze mag zichzelf nooit een uitzonderingsgeval voelen. Bovendien springen alle kinderen graag.

In elke klas zit wel een kind dat een bepaalde spreektaal spreekt. Omdat zo’n taal vaak veel levendiger is dan het Algemeen Beschaafd Nederlands, is het voor dit kind, maar ook voor zijn klasgenoten, een verrassing en een verrijking als de leerkracht erop ingaat.

Grammatica
In de tweede klas krijgen de kinderen geen grammatica. Wel maakt de leerkracht de kinderen opmerkzaam op het gebruik van de punten en de komma’s in de zin.

Fabels — een eerste taalperiode
Een tijd geleden heeft de lerares de fabel van de vos en de raaf verteld. De kinderen hebben genoten van de krassende stem van de raaf en de kruiperige vleierijen van de sluwe vos. Nu komt het verhaal bij het schrijven en lezen terug. Op het bord staat een versje:

Van de vos en de raaf.

De raaf stal een stuk kaas,
Maar ach, helaas,
Hij wordt door de vos verleid
En raakt zijn lekkers aan hem kwijt.

Een tekening toont het tweetal op en onder de boom in gesprek.

De lerares laat de kinderen het verhaal navertellen. Dat gaat heel rap.

Wie wil de vos spelen?

De vingers vliegen omhoog.

Wie de raaf?

Ook veel liefhebbers. Twee kinderen komen naar voren en even later zit de raaf gehurkt op de stoel van de juf en staat de vos een eindje van haar vandaan, klaar om toevallig langs te lopen. Terwijl de lerares de fabel opnieuw vertelt, spelen zij hun rol. Als het spel uit is, zegt de juf het vers regel voor regel voor, de kinderen herhalen het. Even later zitten zij over hun schrift gebogen. Zij maken een tekening van de vos en de raaf.

Wanneer de kinderen het gedichtje de derde dag samen met de juf hebben opgezegd, vraagt zij hun of zij het woord de vos kunnen vinden op het bord. Bijna alle kinderen kunnen het. Sommigen omdat zij slechts één letter herkennen. Op deze manier ontstaat er een wisselwerking: de lerares noemt woorden uit het versje en de kinderen wijzen het aan. Nadat zij de tekst samen gelezen hebben, schrijven de kinderen het over  [3] in hun schrift op de bladzijde naast de tekening.

Tussendoor verzint de lerares allerlei oefeningen die met deze tekst te maken hebben. Met welke letter begint KAAS? Verzin eens een ander woord dat met een K [5] begint. Verzin eens een woord waarin de AA van RAAF staat en een waarin de A van ach staat.  Welke woorden beginnen hetzelfde als RAAF?
RAAS, RAAK, RAAM, RAAP.
Welke woorden eindigen als STAL? BAL, VAL, KNAL.
Welke woorden kun je maken van de letters uit RAAKT?
KAR, RAT, TAK, KAART.
Ook rijgen de kinderen woordkettingen waarbij het ene woord begint met de laatste letter van het vorige:
RAAF – FLAP – POES – STER – ROND – DIK – KOEK.

De sprinkhaan. de mol en de rups heet het korte toneelstuk dat deze klas gaat instuderen.
Allereerst leest de lerares de tekst voor. Dan komen elke dag drie andere kinderen voor de klas, een sprinkhaan, een mol en een rups. Zij spelen wat de juf op hetzelfde moment voorleest. De rest van de klas neemt de rol van de verteller voor haar rekening. Al na enkele dagen spreken de kinderen hele stukken tekst met de juf mee. Het duurt niet lang of haar stem is niet meer nodig. De kinderen weten nu zelf wat zij moeten zeggen.

Op een schoolfeestje voeren zij hun toneelstuk op voor de andere klassen. Het koor staat in de vorm van een halve cirkel op het podium en vertelt over een rups die in de lente ijverig aan een jong berkenblad zit te knabbelen. Daar komt de sprinkhaan met zijn groene vleugels aangesprongen.

Wat ben je daar aan ’t  luieren,
En stap voor stap aan ’t kuieren,
Jij dikke, domme rups?
Wordt toch als ik zo hups!
Voel jij dan niet de zonneschijn,
En spring je niet, al ben je klein
Naar het stralend gouden licht?
Zie hoe ik spring, ‘k heb geen gewicht!

Dan komt  de mol met grote rose handen en een zwarte snuit uit de aarde gekropen. Zijn oogjes knipperen tegen het felle licht. Hij vindt het maar niks in de zon en raadt de rups aan met hem mee te gaan onder de grond. De rups gaat echter zijn gang. Na enkele weken vinden de mol en de sprinkhaan de rups zonder kop of poot bewegingloos aan een takje van de berkenboom hangen. Zij schudden meewarig het hoofd: Had ik het niet gezegd!

Dan vertelt de klas:

Maar beide zwegen plotseling,
Er kwam beweging in het ding!
Twee blaadjes kwamen aan het licht
En klapten open en weer dicht.
Toen nu het knopje open was,
Vloog daar iets kleurigs boven ’t gras.
Weg fladderde het bloempje fijn,
Gedragen door de zonneschijn!

Een vlinder met grote kleurige vleugels is uit de pop tevoorschijn gekomen. De mol die niets van vliegen wil weten, kruipt nu voorgoed onder de grond. De sprinkhaan gaat hoopvol net zoveel groene blaadjes eten als de rups, maar nooit zal hij vliegen zoals de vlinder het kan.

Lettergrepen — een tweede taalperiode
Het is vroeg in het voorjaar. Op alle tafeltjes staat een jampot waarin een boon begint te ontkiemen. Op het bord staat een bonenvers:

Boontje in je aardekluit
Spreid je tere blaadjes uit,
Sta steviger in je steel
Krijg je blaadjes, groen en geel.
Je worteltjes kronkelen in het rond
En kruipen overal door de grond.
Daarmee zuig jij het water op.
Ben je stevig genoeg om zelf te staan,
Dan is niet Boon, maar Boonstengel jouw naam.

De kinderen lezen dit versje samen voor. Dan doen zij er allerlei leesoefeningen mee. De lerares wijst kris-kras woorden aan en later ook regels, die hardop gelezen moeten worden. Zij noemt woorden waarmee de kinderen nieuwe zinnen bedenken en wanneer zij het gedichtje helemaal hebben overgeschreven, [3] krijgen zij ook enkele regels als dictee op.

Om de samenhang tussen de klank en de schrijfwijze van de korte en de lange klinkers aanschouwelijk te maken, vertelt de lerares over een paar kinderen die op een mooie dag in de nazomer met grote manden naar zo’n oude appelboomgaard gaan. Zij mogen van de boer de rijpe appels meenemen. De kinderen klimmen in de bomen en schudden aan de takken zodat de rijpe appels in het gras rollen. Deze appels zijn door het vele zonlicht dat ze gekregen hebben, glanzend rood. Er zijn zoveel rijpe appels, dat zij niet alles kunnen meenemen. Na enkele weken komen de kinderen terug in de boomgaard om er boompjeverwisselen te spelen. Ze zien dat de appels die zijn blijven liggen, bruine schaduwplekjes hebben gekregen. Ze zijn rot geworden.

Op het bord tekent de juf twee appels: een gave rode appel en een met bruine plekken. Zij schrijft er rood en rot onder en vertelt de oo van rood zo helder klinkt. Dat komt door het zonlicht. Deze oo noemt zij lichtklank. De o van rot klinkt dof, deze heeft in de schaduw van de appelboom gelegen: een schaduwklank. Nu bedenken de kinderen zelf in welke woorden de oo voorkomt. Dat vinden zij niet moeilijk: school, boot, sloop, knoop, roos…. De juf schrijft het rijtje onder de rode appel. Ook zoeken zij naar woorden schaduw-o: kop, bok, stok, ros, bos, kok…
Niet lang daarna staan de woordenrijtjes onder aanvoering van de twee getekende appels in de schriften. De volgende dag zoeken de kinderen naar woorden met aa en a, met ee en e, met uu en u. Soms schrijft de lerares enkele woordparen op die slechts een klinker verschillen:

veel     vel
steel    stel
veer    ver

Zij vervolgt dit rijtje door steeds een van de twee woorden op te schrijven, zodat de kinderen het corresponderende woord moeten noemen:

heel   —
teel    —
—     Nel
—     net
—     scheel

In plaats van lettergrepen  leren de kinderen dat ieder woord „kamers” heeft. Sommige woorden hebben maar een kamer, andere hebben er twee of meer. Wanneer je met het uitspreken van een woord in je handen klapt, kun je horen hoeveel kamers er zijn. Dat proberen de kinderen uit:

mus
me-rel
nach-te-gaal
een-den-vij-ver

De kamers zijn niet helemaal gesloten. Een lichtklank kan de vensters openen. Het is dan zo licht in de kamer dat maar één lichtklankletter hoeft binnen te blijven.

schrijven klas 2  2

Natuurlijk blijft het niet bij deze voorbeelden. Zoals steeds gaan de kinderen zelf op zoek naar gesloten en open kamers.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] met ‘hard’ zal moeten zijn bedoeld: ‘intensief, we zijn flink aan het werk’; wat het geluid betreft: er moet ook zachtjes worden geklapt of slechts met de vingers in de handpalm e.d. Wat het stampen betreft: vooral niet ruw (dat dringt zelfs te veel door tot in de maag). Ook hier uiteraard afwisseling in steviger en minder stevig. Wat bij klappen en stampen de basis moet vormen is een zekere elegantie: mooie gebaren die ritme en maat tot zijn recht laten komen.

[2] het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet overtuigend dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander! Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wèl!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.
En dan nog dit: waarom zou je iets gaan aanleren wat later weer moet worden afgeleerd!

[3] het overschrijven van het bord is in zekere zin uit ‘nood’ ontstaan. In Steiners tijd was er simpelweg geen geld om veel leermiddelen te kopen en wat er bestond vond hij vaak te onkunstzinnig. Dat laatste geldt voor veel methoden nóg.
Overschrijven van het bord is voor veel (jonge) kinderen moeilijk: steeds weer fixeren op waar je was gebleven: hoofd op, hoofd neer. Het kost veel meer tijd dan wanneer het kind ‘het versje’ op papier voor of naast zich heeft. Maar ja, hoe bied je dat ‘kunstzinnig’ aan.
Er zijn in deze tijd in ieder geval veel meer mogelijkheden om tot mooie kopieën enz. te komen. Voor veel kinderen is het ‘overschrijven’ een crime en er wordt weinig mee geleerd. Er gaat (te) veel tijd in zitten. Voor sommige kinderen is het zelfs frustrerend. Terwille van de ‘economie’ -het vlotter en makkelijker verloop van leren lezen en schrijven: wees kritisch bij het ‘overschrijven’.

[4] dat lijkt me wat absoluut gesteld. Het analytische proces is wat het leven ons voorhoudt: van het geheel naar de delen; dan kun je ook bij de losse letters terechtkomen – dat is om te leren spellen toch nodig.

[5] hier zou ik niet de alfabetletter Kaaa noemen, maar de klank.
.

Pieter HA Witvliet

.

2e klas: Nederlandse taal (2)

2e klas schrijvenalle artikelen

2e klas: alle artikelen

Spraakoefeningen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas: alle artikelen

.

463-429

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties

5 Reacties op “VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 2e klas (1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – NEDERLANDSE TAAL – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – klas 3 (groep 5) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Heemkunde – klas 2 | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – 2e klas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – 2e klas (3) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s