VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 2

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht  [1]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]   [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

2e voordracht Basel, 21 april 1920 [2]

Inhoudsopgave
Drieledigheid van het mensenwezen:
Geesteswetenschap geen ‘verzameling aantekeningen’, maar iets wat leven schept; mens als drieledig wezen: zenuw-zintuigsysteem, ritmisch en stofwisselingsysteem; motorische en sensitieve zenuwen;
het muzikale;
kracht van stemmingmakende verkeerde hypothesen;
drieledigheid in de ziel: denken, voelen, willen;
sympathie en antipathie;
drieledigheid vanuit een geestelijk gezichtspunt: wakker, slapen, dromen.

Dreigliederung des menschlichen Wesens

blz. 26

Es wird unter Umständen schwierig, aus dem heutigen Zeitbewußt­sein heraus die besondere Artung der Geisteswissenschaft zu charak­terisieren; denn es ist ja selbstverständlich, daß man eine Sache zu­nächst, wenn sie einem gegenübertritt, nach dem beurteilt, was man schon hat. Geisteswissenschaft, wie sie hier gemeint ist, ist von anderer Art als dasjenige, was man heute gewöhnt ist, Wissenschaft zu nennen; natürlich nicht dadurch von anderer Art, daß sie etwa durchaus überall über die Dinge andere Inhalte, andere Ideen konstatieren wollte, son­dern dadurch, daß sie in einer gewissen anderen Art zum ganzen Menschen spricht. Und gerade durch diese andere Artung kann Geistes­wissenschaft fruchtbar werden für die pädagogische Kunst. Soll ich mich ausdrücken darüber, wie diese andere Artung ist, so möchte ich heute zunächst vorläufig das Folgende sagen.
Wenn wir von irgendeinem Wissen heute vernehmen, so denken wir uns, wir erwerben irgendwelche Vorstellungen über dieses und jenes und tragen dann diese Vorstellungen, wenn wir ein mehr oder weniger gutes Gedächtnis haben, mit uns das ganze Leben hindurch herum. Wir erinnern uns an die Dinge, und wir wissen sie dadurch. Auf eine solche Verwendung im Leben ist eigentlich Geisteswissenschaft nicht berech­net. Gewiß, aus den Lebensgewohnheiten der Gegenwart wird ja auch Geisteswissenschaft vielfach so aufgenommen. Aber diejenigen, die sie so aufnehmen wie gewissermaßen eine Notizensammlung, die betrach­ten Geisteswissenschaft nicht im rechten Sinne. Sie betrachten etwas, was dem Leben viel näher steht als die gewöhnliche sinnliche und ma­terielle Erkenntnis, in einer Weise, die dem Leben ebenso fernsteht wie die sinnlich-materielle Betrachtungsweise. Sehen Sie, wenn ein Mensch sagen würde: Ich habe gestern gegessen und getrunken, das ist einmal geschehen, also brauche ich das nicht mehr mein ganzes Le­ben hindurch, so würden Sie das selbstverständlich für einen Unsinn

drieledigheid van het mensenwezen

Het wordt onder bepaalde omstandheden moeilijk vanuit het huidige tijdbewustzijn het bijzondere karakter van de geesteswetenschap te karakteriseren; want het is vanzelfsprekend dat men een zaak allereerst als men ermee te maken krijgt, beoordeelt naar wat men al weet. Geesteswetenschap zoals die hier wordt bedoeld, is van een ander gehalte dan wat men tegenwoordig gewend is wetenschap te noemen; natuurlijk niet van een ander gehalte omdat zij zeer zeker over alles wel andere inhouden, andere ideeën wil constateren, maar omdat ze op een bepaalde andere manier tot de hele mens spreekt. En juist door dit andere gehalte kan geesteswetenschap vruchtbaar worden voor de pedagogische kunst. Wanneer ik over dat andere gehalte wil spreken, zou ik nu eerst voorlopig het volgende willen zeggen.
Wanneer we tegenwoordig van een of andere wetenschap iets horen, dan denken we, dat we bepaalde voorstellingen over dit of dat opdoen en dat we dan deze voorstellingen wanneer we een goed of minder goed geheugen hebben, het hele leven met ons mee dragen. We herinneren ons de dingen en weten ze daardoor. Op zo’n toepassing in het leven is geesteswetenschap eigenlijk niet berekend. Zeker, door de gewoonten in het leven van tegenwoordig wordt ook de geesteswetenschap vaak zo opgenomen. Maar degene die ze zo opneemt alsof het een verzameling aantekeningen is, die heeft geen juiste opvatting over geesteswetenschap. Die vat iets wat veel dichter bij het leven staat op, als de gebruikelijke zintuiglijke en materiële kennis, op een manier die even ver van het leven afstaat als de zintuiglijk-stoffelijke opvatting. Ziet u, als een mens zou zeggen: gisteren heb ik gegeten en gedronken, dat is nu eenmaal gebeurd, dus dat heb ik m’n hele leven lang niet meer nodig, dan zou u dat vanzelfsprekend onzin vinden.

blz. 27

ansehen. Denn die Verbindung des menschlichen Organismus mit dem­jenigen, was dieser menschliche Organismus aus der außermensch­lichen Natur zu sich nehmen muß, um zu leben, muß immer erneuert werden, und man kann nicht anders, als in diesen Prozeß des Aufneh­mens, des neuen Verarbeitens immer wieder und wiederum einzutre­ten. So, in einer gewissen Beziehung, ist es mit Geisteswissenschaft. Geisteswissenschaft gibt dem Menschen innerlich etwas ihn Durch-lebendes, das er eigentlich genötigt ist immer wieder zu erneuern, damit es in ihm immer lebendig bleibt. Und daher ist Geisteswissen­schaft etwas, was eigentlich dem im Menschen Schöpferischen viel näher steht als das gewöhnliche Wissen, und was daher tatsächlich von vielen Seiten her Anregung geben kann, um dieses wertvollste Material, das der Mensch nur als Künstler richtig in die Hand nehmen kann, den heranwachsenden Menschen, zu bearbeiten.
Es wird nicht gleich in den ersten Stunden so aussehen, als ob Gei­steswissenschaft in dieser Richtung etwas unmittelbar Lebendiges wäre. Aber wenn Sie die Geduld haben, dasjenige, was zunächst aus den Lebensgewohnheiten der Gegenwart in einer mehr abstrakten Form vorgebracht werden muß, so zu betrachten, daß Sie bemerken, wie das allmählich wirkliches Leben wird, so daß wir nicht nur Kenntnisse daran haben, sondern etwas, was in

Want de verbinding van het menselijk organisme met wat dit uit de natuur buiten de mens tot zich moet nemen om in leven te blijven, moet steeds vernieuwd worden en je kan niet anders dan met dit proces van opname, van het opnieuwe verwerken, altijd weer mee te doen. Zo, in zekere zin, is het ook met geesteswetenschap. Geesteswetenschap geeft aan de mens iets wat hem doorlééft, dat moet hij eigenlijk steeds weer vernieuwen, wil het in hem steeds levend blijven. En vandaar dat geesteswetenschap iets is wat eigenlijk veel dichter bij het scheppende element in de mens staat dan het gewone weten en vandaar werkelijk van veel kanten kan aansporen om met dit waardevolle materiaal dat de mens alleen maar als kunstenaar op een goede manier ter hand kan nemen, met de opgroeiende mens, te werken.
Het ziet er in de eerste tijd niet naar uit dat geesteswetenschap in deze richting iets is wat dan ook meteen lééft. Maar wanneer u geduld heeft om datgene wat nu nog uit de gewoonten van het leven van nu op een meer abstracte manier naar voren gebracht moet worden, zo te bekijken, dat u merkt hoe dat langzamerhand werkelijk leven wordt, zodat we niet alleen maar kennis hebben

jedem Augenblick, in jeder Stunde eine Schule der Lebensliebe zugleich ist, dann werden Sie eben sehen, wenn Sie Geduld haben, wie Geisteswissenschaft durchaus eine andere Richtung hat, und wie diejenigen der Geisteswissenschaft selbst am meisten schaden, die irgend etwas einmal kennengelernt haben von dieser Geisteswissenschaft und es dann so behandeln wie irgendein an­deres Wissen, es als eine Notizensammlung der Welt betrachten.
Ich habe dies vorausschicken wollen, weil gerade die Dinge, die ich werde heute genötigt sein zu sagen, zunächst schon in diesem Lichte zu betrachten sind. Ich habe gestern darauf hingewiesen, wie man zu wirklicher Menschenkenntnis den Menschen zu betrachten hat von den verschiedensten Gesichtspunkten aus, wie aber diese verschiedenen Ge­sichtspunkte gerade dazu führen, einheitlich zu überschauen das Kör­perlich-Physische und das Seelisch-Geistige. Ich habe gestern gesagt, daß man in der Geisteswissenschaft redet von dem physischen Men­schen, dem ätherischen Menschen, dem astralischen Menschen und dem Ich-Wesen. Von diesen Gliedern der menschlichen Natur ist jedes wie­derum in einer gewissen Beziehung dreigliedrig. Der physische Leib ist

daarvan, maar iets wat op ieder ogenblik, op ieder uur tegelijkertijd de school is van de liefde voor het leven, dan zal u zeker zien, wanneer u geduld hebt, hoe geesteswetenschap beslist een andere richting opgaat en hoe degenen die geesteswetenschap zelf het meeste afbreuk doen, die ooit iets hebben leren kennen van deze geesteswetenschap en daar dan zo mee omgaan als een willekeurig ander weten en het beschouwen als een aantekeningverzameling over de wereld.
Dat wilde ik vooropstellen, omdat juist de dingen die ik vandaag moet zeggen, allereerst in dit licht gezien moeten worden. Ik heb er gisteren op gewezen, hoe je bij echte menskunde de mens moet beschouwen vanuit de meest verschillende gezichtspunten, hoe deze echter er juist toe leiden, als een eenheid te zien het lichamelijk-fysieke en wat ziel en geest is. Ik heb gisteren gezegd dat je in de geesteswetenschap spreekt over de fysieke mens, de etherische mens; de astrale mens en het Ik-wezen. Elk van deze vier delen van de menselijke natuur is vanuit een bepaald standpunt ook drieledig. Het fysieke lichaam is

blz. 28

dreigliedrig; alle anderen Glieder der menschlichen Wesenheit sind auch dreigliedrig, so daß die verschiedensten sich durchkreuzenden Gesichtspunkte in Betracht kommen. Ich werde heute von einer ganz anderen Seite her die menschliche Natur zu beleuchten versuchen, und Sie werden sehen, daß sich in den verschiedenen Beleuchtungen zuletzt eine lebendige Charakteristik der menschlichen Wesenheit ergeben wird.
Wir können nämlich in ganz anderer Beziehung, als dies gestern ge­schehen ist, den Menschen wiederum betrachten von drei Gesichts­punkten aus: von dem leiblichen Gesichtspunkt, von dem seelischen Gesichtspunkt und von dem geistigen Gesichtspunkt. Ich betone eben ausdrücklich, daß das, was ich heute sage, von einem ganz anderen Gesichtspunkte aus gesagt ist und sich erst später mit dem zusammen­finden wird, was gestern erwähnt worden ist. Den Menschen können wir betrachten, sagte ich, vom leiblichen Gesichtspunkte aus. Da er­scheint er uns sogleich als ein dreigliedriges Wesen. Wiederum vom seelischen Gesichtspunkte aus erscheint er uns als ein dreigliedriges Wesen, und vom geistigen Gesichtspunkte aus erscheint er uns ebenfalls als ein dreigliedriges Wesen.

drieledig; alle andere delen van het menselijk wezen zijn ook drieledig, zodat de meest verschillende gezichtspunten die door elkaar lopen, bekeken moeten worden. Ik zal vandaag proberen de menselijke natuur van een heel andere kant te belichten en u zal zien, dat er met die verschillende visies uiteindelijk een levendige karakteristiek van het mensenwezen ontstaat.
We kunnen namelijk in een heel ander verband, anders dan gisteren, de mens weer bekijken vanuit drie gezichtpunten: vanuit het gezichtspunt lichaam, ziel en geest. Ik wijs er met klem op dat wat ik nu zeg, vanuit een heel ander gezichtspunt wordt gezegd en dat dit pas later samenkomt met wat gisteren gezegd is. Ik zei: we kunnen de mens beschouwen vanuit een lichamelijk gezichtspunt. Dan verschijnt hij meteen als een drieledig wezen. Vanuit het standpunt van de ziel verschijnt hij ook als een drieledig wezen en eveneens vanuit het standpunt van de geest.

Betrachten wir den Menschen zunächst vom leiblichen Gesichts­punkte aus. Da geht ja die heutige physiologische naturwissenschaft­liche Betrachtung vielfach fehl und bringt es nicht zu einer wirklichen plastischen Ansicht von der Wesenheit des Menschen. Ich habe auf diese Dinge hingewiesen, ich darf sagen, aus einem dreißig Jahre lang andauernden Studium dieser Sache heraus in meinem vor zwei oder drei Jahren erschienenen Buche »Von Seelenrätseln». Im Anfange habe ich hingewiesen auf diese naturgemäß gegebene Dreigliederung des Menschen vom Gesichtspunkte des Leiblichen aus. Ich werde zunächst diese Dinge wie berichtend anführen, um allmählich im Laufe der Stunde die Einzelbeweise für diese Sache beizubringen.
Wenn wir den Menschen zunächst in leiblicher Beziehung betrach­ten, so handelt es sich darum, daß wir erst hinsehen auf dasjenige, was der Mensch dadurch ist, daß er ein Wesen ist, das durch die Sinne die Außenwelt wahrnimmt. Aber Sie wissen ja auch, daß diese Sinne, die gewissermaßen an der Peripherie des menschlichen Organismus lokalisiert sind, sich nach dem inneren Menschen hin in den Nerven fortsetzen. Wer Sinnes- und Nervenorganisation ohne weiteres zusam­menwirft mit der Organisation des übrigen Menschen, der betrachtet den Menschen durchaus nicht so, daß er ihm seiner Wesenheit nach

Nu vanuit een lichamelijk standpunt. Daar gaat het met de huidige fysiologische natuurwetenschappelijke opvatting meestal mis en deze komt niet met een werkelijk plastische opvatting van het wezen mens. Ik heb hierop gewezen, ik mag wel zeggen, vanuit een dertig jaar durende bestudering van deze dingen in mijn voor een jaar of twee drie geleden verschenen boek ‘Vom Seelenrätseln’*. Aan het begin heb ik gewezen op deze door de natuur gegeven drieledigheid van de mens waar het het lichaam betreft. Ik zal deze dingen eerst als mededeling doen om in de loop van het uur de details hiervoor aan te dragen.
Wanneer we de mens eerst lichamelijk beschouwen, gaat het erom eerst aandacht te schenken aan wat een mens is door een wezen te zijn dat door de zintuigen de buitenwereld waarneemt. Maar u weet ook dat deze zintuigen die in zekere zin aan de buitenkant van de mens gelegen zijn, zich naar binnen toe voortzetten door de zenuwen. Wie de zenuw-zintuigorganisatie zonder meer op een hoop gooit met de organisatie van de rest van de mens, kijkt beslist niet zo, dat hij hem wat zijn wezen betreft, kan doorgronden.

*«Von Seelenrätseln» (1917): GA 21, Gesamtausgabe Dornach 1976.
.

blz. 29

durchschaubar werden könnte. Es ist ein hoher Grad von Selbständig­keit, von Individualisierung in dem, was ich nennen möchte den Ner­ven-Sinnes-Menschen. Und gerade weil man heute eigentlich den gan­zen Menschen wie eine nebulose Einheit nur naturwissenschaftlich betrachtet, kommt man nicht darauf, diese fundamentale Selbständig­keit des Nerven-Sinnes-Menschen ins Auge zu fassen. Wir werden uns gleich noch besser verstehen, wenn ich die Sache weiter ausführe.
Ein zweites selbständiges Glied der menschlichen leiblichen Wesen­heit ist dann alles dasjenige, was in unsern Organismus eingegliedert ist als – ich nenne es den rhythmischen, den rhythmisierenden Organis­mus des Menschen; was Atmungssystem ist und rhythmisch ist, was Blutzirkulationssystem ist und rhythmisches System ist, was Lymph­gefäßsystem ist und rhythmisch ist. Alles das, was in rhythmischer Tätigkeit im Menschen ist, das ist ein zweites System der gesamten menschlichen Wesenheit und hat eine relative Selbständigkeit gegen­über dem Nerven-Sinnes-Menschen. Es ist, als wenn diese zwei Systeme einfach ineinander verbunden wären als selbständige und nur kommu­nizierten. Es ist keine solche Einheit im Menschen, wie sie aus unklaren Begriffen heraus die heutige Naturwissenschaft konstatiert.

Er is een hoge graad van zelfstandigheid, van individualisering in wat ik graag noem de zenuw-zintuigmens. En juist omdat men tegenwoordig eigenlijk de hele mens als een vage eenheid beschouwt, komt men er niet op deze fundamentele zelfstandigheid van de zenuw-zintuig mens onder ogen te zien. We zullen dit zo nog beter begrijpen, wanneer ik de zaak verder uiteenzet.
Een tweede zelfstandig deel van het menselijk lichamelijk wezen is alles wat in ons organisme een plaats vindt als – wat ik noem – het ritmische, het ritmische organisme van de mens; het ademsysteem is ritmisch; de bloedsomloop is ritmisch; het lymfevatensysteem is ritmisch. Alles wat in een ritmische activiteit in de mens zit, is een tweede systeem van de totale mens en heeft een relatieve zelfstandigheid t.o.v. de zenuw-zintuigmens. Het lijkt alsof deze twee systemen simpelweg met elkaar verbonden zijn als zelfstandigheden en slechts communiceren. Zo’n eenheid als de huidige natuurwetenschap met vage begrippen vaststelt, zit er in de mens niet.

Und das dritte ist wieder etwas, was relativ selbständig ist in bezug auf den ganzen Menschen; das ist dasjenige, was ich den Stoffwechsel-Organismus nennen möchte. Wenn Sie in bezug auf die Tätigkeit ein­fach den dreifachen Menschen betrachten, den Nerven-Sinnes-Men­schen, den Menschen, der in gewissen rhythmischen Tätigkeiten lebt, den Menschen, der im Stoffwechsel lebt, dann haben Sie alles, was in der menschlichen Natur, sofern sie ein tätiger Organismus ist, vor­handen ist. Und Sie haben zugleich auf drei selbständige Systeme im menschlichen Organismus hingewiesen.
Sehen Sie, über diese drei selbständigen Systeme macht sich die heutige Wissenschaft ganz falsche Begriffe, indem sie einfach sagt: See­lenleben, das ist verknüpft mit dem Nervenleben. Wir können ja über­all als eine Gewohnheit, die sich im Laufe der Zeit, man kann sagen, etwa seit dem Ende des 18. Jahrhunderts eingebürgert hat, sehen, daß das Seelenleben in einen gewissen Zusammenhang gebracht wird nur mit dem Nervenleben. Wir wollen, um einen gewissen Sinn zu ver­binden mit dem, was ich gerade als die Dreigliederung des mensch­lichen Leibes angedeutet habe, die Zugehörigkeit des menschlichen Seelenlebens einmal zu diesem dreigliedrigen Menschen untersuchen.

En het derde is weer iets, wat relatief zelfstandig is m.b.t. de hele mens; dat is wat ik het stofwisselingsorganisme zou willen noemen. Wanneer je, wat de activiteit betreft, eenvoudig naar deze drievoudige mens kijkt, de zenuw-zintuigmens, die in bepaalde ritmen leeft, de mens die in de stofwisseling leeft, heb je alles wat in de menselijke natuur, in zoverre deze een actief organisme is, voor handen. En je hebt tegelijkertijd op drie zelfstandige systemen in het menselijk organisme gewezen.
Kijk eens, over deze drie zelfstandige systemen vormt de huidige wetenschap totaal verkeerde begrippen, als ze simpelweg zegt: het leven van de ziel is gebonden aan het zenuwleven. We kunnen zeker als een gewoonte die in de loop van lange tijd, je kan zeggen ongeveer vanaf het einde van de 18e eeuw, ingeburgerd raakte, zien dat het zielenleven in een zekere samenhang gebracht wordt, alleen maar met het zenuwleven. Wij willen om een bepaalde zin te verbinden met wat ik juist als drieledigheid van het menselijk lichaam aanduidde, de samenhang van het zielenleven van de mens met deze drieledige mens onderzoeken.

blz. 30

Nun müssen wir sagen: Alles, was im menschlichen Stoffwechselleib konzentriert ist, was als Tätigkeit der Stoffwechselleib ist, das hängt zusammen unmittelbar mit dem menschlichen Wollen. Dasjenige, was Zirkulationssystem ist, hängt zusammen unmittelbar mit dem mensch­lichen Fühlen, und dasjenige, was Nerven-Sinnes-System ist, hängt zusammen mit dem menschlichen Vorstellen. Sehen Sie, hier macht sich die neuere Naturwissenschaft eben ganz falsche Begriffe. Sie sagt, das Seelenleben des Menschen hängt zusammen mit dem Nervenleben über­haupt, höchstens also mit dem Nerven-Sinnes-Leben. Denken, Fühlen und Wollen hängen zusammen unmittelbar mit dem Nervenleben, und erst durch die Nerven wird übertragen die Tätigkeit des Seelenlebens indirekt auf den Zirkulationsmenschen, auf den rhythmischen Men­schen und auf den Stoffwechselmenschen. Dadurch kommt eine ganze Verwirrung in die Auffassung vom Menschen hinein. Man entfernt sich von der menschlichen Natur, statt daß man sich ihr nähert. Mit dem Nerven-Sinnes-Leben hat nichts anderes als das Vorstellen in unmittel­barer Art zu tun. Dagegen ist ebenso unmittelbar, wie das Vorstellungs-leben verknüpft ist mit dem Nerven-Sinnes-Leben, das Gefühlsleben des Menschen unmittelbar verbunden mit dem rhythmischen System des Menschen.

Nu moeten we zeggen: alles wat in het menselijk stofwisselingsgebied geconcentreerd is, wat dit stofwisselingsgebied als activiteit heeft, hangt direct samen met de menselijke wil. Wat circulatiesysteem is, hangt direct samen met het menselijk gevoel en wat zenuw-zintuigsysteem is, hangt samen met het menselijke voorstellen. Kijk, hier vormt de nieuwere natuurwetenschap ook verkeerde begrippen. Ze zegt dat het zielenleven van de mens in hoge mate samenhangt met de zenuwen, hooguit met het zenuw-zintuigleven. Denken, voelen en willen hangen direct samen met de zenuwen en  door de zenuwen wordt de activiteit van het zielenleven indirect op het circulatiesyteem, op de ritmische mens en op de stofwisselingsmens overgebracht. Daardoor ontstaat een complete verwarring over hoe de mens gezien wordt. Men neemt afstand van de menselijke natuur, in plaats dat men die nader komt. Met het zenuw-zintuigleven heeft niets anders van onmiddellijke doen: het voorstellen. Vergelijkenderwijs is even direct, zoals het voorstellingsleven verbonden is met het zenuw-zintuigleven, het gevoelsleven van de mens verbonden met het ritmische systeem van de mens.

Gefühlsleben als seelisches Leben pulsiert zugleich in Atmung, Blutzirkulation, Lymphzirkulation und ist ebenso unmittel­bar mit diesem System verbunden, wie das Vorstellungssystem mit dem Nervensystem. Und das Willenssystem ist unmittelbar verbunden mit dem Stoffwechselsystem. Immer geschieht irgend etwas im mensch­lichen Stoffwechsel, wenn eine Willenstätigkeit oder eine Willenskom­bination vorliegt. Das Nervenleben hat nicht die Beziehung zum Wol­len, die man ihm gewöhnlich zuschreibt, sondern der Wille hat un­mittelbar eine Beziehung zum Stoffwechsel, und diese Beziehung zum Stoffwechsel nimmt der vorstellende Mensch erst wiederum wahr durch das Nervensystem. Das ist die wirkliche Beziehung. Das Nervensystem hat keine andere Aufgabe als vorzustellen. Ob vorgestellt wird irgend­ein äußerer Gegenstand, ob vorgestellt wird dasjenige, was durch den Willen im Zusammenhange mit dem Stoffwechsel geschieht, der Nerv hat immer die gleiche Aufgabe. Die heutige Wissenschaft unterscheidet sensitive Nerven, die da sein sollen, um von der Körperperipherie aus gewissermaßen die Eindrücke der Außenwelt zum Zentralorgan, wie man sagt, zu tragen; dann wiederum sollen motorische Nerven da sein, welche dasjenige, was vom Zentralsystem als Willensimpuls ausgehen

Gevoelsleven als zielenleven pulseert tegelijkertijd in ademhaling, bloedsomloop, lymfecirculatie en is net zo direct met dit systeem verbonden, als het voorstellingsleven met het zenuwsyteem. En het wilssysteem is direct verbonden met het stofwisselingssyteem. Steeds gebeurt er iets in de menselijke stofwisseling, wanneer er een wilsactiveit of een wilscombinatie speelt. Het zenuwleven heeft niet die relatie tot het willen, die men er gewoonlijk aan toeschrijft, maar de wil heeft een onmiddellijke relatie tot de stofwisseling en deze relatie neemt de zich voorstellende mens pas weer waar door het zenuwsysteem. Dat is de werkelijke relatie. Het zenuwsysteem heeft geen andere opdracht dan het voorstellen. Of er nu een of ander voorwerp van buiten, of voorgesteld wordt wat via de wil samenhangt met de stofwisseling, de zenuw heeft steeds dezelfde opgave. De wetenschap van tegenwoordig onderscheidt sensitieve zenuwen die zouden bestaan om vanuit de lichaamsperiferie bepaalde indrukken uit de buitenwereld naar het centrale orgaan – zoals men zegt – te transporteren; en dan zouden er motorische zenuwen zijn, die dan wat vanuit het centrale zenuwstelsel als wilsimpuls uit moet gaan

blz. 31

soll, nach der Peripherie des Körpers zu tragen haben. Man hat, ich werde davon noch genauer reden, sehr geistreiche – geistreich sind sie ja, die Dinge -, sehr geistreiche Theorien ersonnen, um nachzuwei­sen, wie man durch Durchschneiden und so weiter von Nerven be­weisen könne, daß ein solcher Unterschied besteht zwischen sensitiven und motorischen Nerven. Aber in Wirklichkeit existiert er nicht. Und viel bedeutungsyoller als alle im Laufe der Zeit geistreich ersonnenen Theorien über den Unterschied von motorischen und sensitiven Nerven ist die andere Tatsache, daß man allerdings den sogenannten moto­rischen Nerv zerschneiden kann, sein Ende zusammenstückeln kann mit dem Ende eines ebenfalls durchschnittenen sensitiven Nervs, und daß dies dann wiederum einen Nerv von einer Nervenart gibt. Das ist viel mehr sprechend als alles übrige, was sonst ersonnen worden ist, daß ein Unterschied in der wirklichen Funktion zwischen motori­schen und sensitiven Nerven nicht gefunden werden kann. Er kann auch in anatomisch-physiologischer Beziehung nicht gefunden werden. Die sogenannten motorischen Nerven sind nicht dasjenige, was den Willensimpuls vom Zentralorgan zu der Peripherie des Menschen trägt, sondern diese motorischen Nerven sind in Wirklichkeit auch sensitive Nerven.

naar de periferie van het lichaam moeten brengen. Men heeft, ik zal daar nog preciezer over spreken, zeer geestrijke – geestrijk zijn ze, die dingen -, zeer geestrijke theorieën bedacht om na te gaan hoe je door het doorsnijden van zenuwen kan bewijzen, dat er tussen sensitieve en motorische zenuwen zo’n onderscheid bestaat. Maar in werkelijkheid bestaat dat niet. En veel belangrijker dan alle in de loop van de tijd geestrijk bedachte theorieën over het verschil in motorische en sensitieve zenuwen, is het andere feit dat je dus de zogenaamde motorische zenuw door kan snijden, het eind ervan aan het eind van een eveneens doorgesneden sensitieve zenuw kan koppelen en dat dit dan weer een zenuw van een van de soorten oplevert. Dat is veel sprekender dan al het andere, wat maar bedacht is, dat een onderscheid in de werkelijke functie tussen motorische en sensitieve zenuwen niet kan worden gevonden. Ook in anatomisch-fysiologisch verband kan dit niet worden gevonden. De zogenaamde motorische zenuwen zijn niet datgene wat de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens brengt, maar deze motorische zenuwen zijn in werkelijkheid ook sensitieve zenuwen.

Sie sind dazu da, sagen wir, wenn ich zum Beispiel einen Finger bewege, daß eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Willensentschluß und dem Stoffwechsel des Fingers zustande kommt, daß der unmittelbare Einfluß, der vom Willen ausgeübt wird, den Stoffwechsel des Fingers ergreift. Diese Stoffwechseländerung, dieser Stoffwechselvorgang wird durch den sogenannten motorischen Nerv wahrgenommen. Und wenn ich den Stoffwechselvorgang nicht wahr-nehme, dann erfolgt auch kein Willensentschluß, weil der Mensch darauf angewiesen ist, dasjenige, was in ihm vorgeht, ebenso wahr­zunehmen, wenn er dadurch etwas wissen soll, sich beteiligen soll daran, wie irgend etwas in der äußeren Welt wahrzunehmen ist, wenn er daran beteiligt sein soll.
Es ist geradezu, ich möchte sagen, diese Unterscheidung von sen­sitiven Nerven und motorischen Nerven der bequemste Knecht des Materialismus, allerdings ein Knecht, der nur hat heraufziehen können in der materialistischen Wissenschaft dadurch, daß man einen billigen Vergleich gefunden hat in dieser neueren Zeit, nämlich den des Tele-graphen. Man telegraphiert von einer Station zur anderen hin, und dann telegraphiert man wiederum zurück. Nach diesem Bilde des Telegraphierens

Ze zijn er om, laten we zeggen, als ik bijv. een vinger beweeg, dat er een directe verbinding tussen het wilsbesluit en de stofwisseling van de vinger tot stand komt, dat de directe invloed die door de wil uitgevoerd wordt, in de stofwisseling van de vinger dringt. Deze stofwisselingsverandering, dit stofwisselingsproces wordt door de zogenaamde motorische zenuw waargenomen. En wanneer ik het stofwisselingsproces niet waarneem, dan volgt er geen wilsbesluit, omdat de mens erop aangewezen is wat er in hem gebeurt, net zo waar te nemen, als wanneer hij iets weten moet, er deel van uit moet maken, hoe iets in de buitenwereld waar te nemen is, wanneer hij daar deel van uit moet maken.
Met name – zou ik willen zeggen – is dit onderscheid van sensitieve en motorische zenuwen de hulpvaardigste knecht van het materialisme, zeker een knecht die in de materialistische wetenschap opgeklommen is door een goedkope vergelijking te vinden in deze moderne tijd, die van de telegraaf. Men telegrafeert van het ene station naar het andere en dan telegrafeert men weer terug. Met dit beeld van telegraferen

blz. 32

stellt man sich ungefähr heute die Vorgänge vor von der Peripherie nach dem Zentralorgan und wiederum zurück durch sensitive und motorische Nerven. Das ganze Bild ist natürlich nur möglich in einem Zeitalter, in dem eben gerade die Telegraphie eine solche Rolle zu spielen hat wie im 19. Jahrhundert. Wäre die Telegraphie nicht da, so hätte man ja auch dieses Bild nicht gefunden, und man wäre vielleicht zu einer naturgemäßeren Anschauung der entsprechenden Vorgänge gekommen.
Sehen Sie, es sieht aus, als wenn man, ich möchte sagen, aus einem gewissen Radikalismus heraus, aus Kritikasterei dasjenige in Grund und Boden treten wollte, mit dem sich so viele Menschen soviel ernst­liche Mühe gegeben haben. Aber glauben Sie nicht, daß das leicht ist. Glauben Sie nicht, daß einem das leicht wird. Ich habe mich als ganz junger Mann zu beschäftigen angefangen mit der Nervenlehre, und es war für mich etwas Erschütterndes, zu bemerken, wie gerade diese Nervenlehre der schlechte Knecht des Materialismus ist, weil dasjenige, was ein unmittelbarer seelischer Einfluß des Willens auf den Stoff­wechsel ist, dadurch vermaterialisiert wird, daß man sich vorstellt, der materielle Nervenstrang trage den Willensimpuls vom Zetitralorgan zu der Peripherie des Menschen, das heißt zum Muskel, zum Be­wegungsorgan. Man zeichnet so die materiellen Prozesse in den Or­ganismus hinein.

stelt men zich min of meer tegenwoordig het proces voor van de periferie naar het centraalorgaan en weer terug door de sensitieve en motorische zenuwen. Dit hele beeld is natuurlijk slechts mogelijk in een tijd waarin nu juist de telegrafie een grote rol moest spelen, zoals in de 19e eeuw. Wanneer de telegrafie er niet was geweest, dan zou men dit beeld ook niet hebben gevonden en was man wellicht op een meer natuurgetrouwe opvatting van de onderhavige procesen gekomen.
Kijk, het lijkt erop dat men – zou ik zeggen – vanuit een zeker radicaliteit, vanuit criticasterij dat waarmee veel mensen ernstig bezig waren geweest, in de grond wilde boren. Maar geloof maar niet dat dit makkelijk is. Geloof maar niet dat dit iemand makkelijk afgaat. Ik ben als heel jong mens me al gaan bezighouden met de leer van de zenuwen en het was voor mij nogal schokkend te merken hoe met name deze leer de slechte bediende van het materialisme is, omdat hetgeen een directe gevoelsmatige invloed van de wil op de stofwisseling is, materialistisch gemaakt wordt door zich voor te stellen dat een stoffelijke zenuwbaan de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens transporteert, d.w.z. naar de spieren, naar het bewegingsorgaan. Op die manier stelt men zich de stoffelijke processen in het organisme voor.

In Wahrheit ist bei einem Willensakt zunächst durchaus ein un­mittelbarer Zusammenhang zwischen dem, was der seelische Willens­impuls ist, und irgendeinemProzeß desStoffwechsels.DerNerv ist eben nur dazu da, um die Wahrnehmung dieses Prozesses zu vermitteln. Ebenso ist der Nerv nur dazu da, um jene Wahrnehmung zu ver­mitteln, welche bestehen muß für den Menschen, wenn zwischen seinem Fühlen und irgendeinem solchen Vorgang, der sich ausdrückt in Zir­kulation, eine Beziehung entsteht. Das ist immer dann der Fall, wenn wir fühlen. Da liegt zunächst nicht zugrunde irgendein nervöser Pro­zeß, sondern es liegt zugrunde eine Modifikation unseres Zirkulations­wesens. Bei irgendeinem Gefühl liegt immer ein Vorgang im, jetzt nicht Stoffwechsel, sondern im rhythmischen Gange der Zirkulations­prozesse vor. Und das, was vorgeht, was im Blute, in der Lymph­bildung vorgeht, in dem Sauerstoffwechsel, was aber nicht ein wirk­licher Stoffwechsel ist – der Sauerstoffwechsel ist schon ein Stoffwechsel, insofern gehört er aber zu den Willensvermittlern -, aber insofern wir

In waarheid is er bij een wilsactivieit allereerst een directe samenhang tussen wat de wilsimpuls van de ziel is en een of ander stofwisselingsproces. De zenuw is er alleen maar voor om de waarneming van dit proces over te brengen. Net zo is de zenuw er om iedere waarneming over te brengen die er voor de mens moet zijn, wanneer er tussen zijn voelen en een dergelijk proces dat zich uitdrukt in de circulatie, een relatie ontstaat. Dat is steeds het geval wanneer we voelen. Daaraan ligt niet meteen een of ander zenuwproces ten grondslag, maar er aan ten grondslag ligt een modificatie van ons circulatiewezen. Bij een of ander gevoel is er altijd een proces in – nu niet de stofwisseling – maar in het ritmisch verloop van het circulatieproces. En wat er gebeurt, wat in het bloed, in de lymfevorming plaatsvindt, in de zuurstofuitwisseling, die geen echte stofwisseling is – zuurstofuitwisseling is wel stofwisseling, in zoverre die hoort bij het overbrengen van de wil -, maar in zover wij

blz. 33

es zu tun haben mit einem rhythmischen Prozesse der Atmung, gehört das zum Fühlen. Alles Fühlen ist direkt zugeordnet dem rhythmischen Prozesse. Und wiederum sind die Nerven nur dazu da, um dasjenige wahrzunehmen, was sich da unmittelbar abspielt zwischen dem see­lischen Fühlen und dem rhythmischen Prozesse im Organismus. Ner­ven sind also auch da wiederum nur Wahrnehmungsorgane. So daß wir, ich möchte sagen, in dieser geisteswissenschaftlichen Unter­suchung erst sehen, was es eigentlich bedeutet, wenn wir in Lehrbüchern der Physiologie oder auch der Psychologie immer wieder und wie­derum finden mußten: Ja, man muß aus der Theorie heraus hypothe­tisch annehmen, der Mensch habe sensitive und motorische Nerven; aber anatomisch unterscheiden sich die beiden höchstens ein wenig durch ihre Dicke, jedenfalls nicht durch irgend etwas anderes. Speku­lationen bei der Tabes und dergleichen, die man gemacht hat – auf die werde ich noch zurückkommen. Ich wollte heute nur eben andeuten zu­nächst, daß eine unbefangene Betrachtung des menschlichen Organis­mus diesen als einen dreigliedrigen uns zeigt: den Nerven-Sinnes-Or­ganismus, der zugeordnet ist dem vorstellenden Seelenleben, dann den Organismus, der in Rhythmen lebt, zugeordnet dem Gefühlsseelen­leben, den Organismus, der im Stoffwechsel lebt, im weitesten Sinne, zugeordnet unmittelbar dem Willensteil des Seelenlebens.

te maken hebben met een ritmisch proces van de adem, hoort die bij het voelen. Alle voelen hoort direct bij het ritmische proces. En ook hier zijn de zenuwen er alleen maar om waar te nemen wat zich daar direct afspeelt tussen het voelen van de ziel en het ritmische proces in het organisme. Zenuwen zijn ook daar weer slechts waarnemingsorganen. Zodat we, in dit geesteswetenschappelijk onderzoek pas zien, wat het uiteindelijk betekent, wanneer we in de studieboeken over fysiologie of ook over psychologie steeds opnieuw weer moeten aantreffen: Ja, men moet vanuit de theorie hypothetisch aannemen dat de mens sensitieve en motorische zenuwen heeft; echter, anatomisch verschillen die twee hoogstens wat de dikte betreft, in ieder geval niet door iets anders. Op speculaties die men gemaakt heeft bij de tabes e.d. kom ik nog terug. Ik wilde nu allereerst even aanduiden dat een onbevangen waarnemen van het menselijk organisme ons dit als drieledig verschijnt: het zenuw-zintuigorganisme, dat hoort bij de zich voorstellende ziel, dan het organisme dat in ritmen leeft, behorend tot het gevoelsleven van de ziel; het organisme dat in de stofwisseling leeft, in de ruimste zin van het woord, direct behorend bij het wilsdeel van het zielenleven.

Nun können wir ja zur Verdeutlichung einmal ins Auge fassen das Leben, sagen wir, im Musikalischen. Dieses Leben im Musikalischen, es ist der allerbeste Beweis – zunächst einer von vielen, wir werden noch verschiedene kennenlernen, aber vielleicht einer der besten Be­weise – für die besondere Zuordnung des Gefühlslebens zum rhyth­mischen Leben des Organismus. Dieses rhythmische Leben wird in seinem Zusammenhang mit dem Gefühlsleben wahrgenommen von dem Vorstellungsleben, das an den Nerven-Sinnes-Organismus ge­bunden ist. Wenn wir etwas Musikalisches hören, ja, wenn wir irgend­wie uns einem Tonbilde hingeben, dann ist das allerdings scheinbar zunächst aufgenommen durch den Sinn. Aber diejenigen Physiologen, die etwas feiner beobachten können, merken, wie innerlich beteiligt ist an dem Verfolgen eines Tonbildes das Atmen, und wie wirklich unser Atmen etwas zu tun hat mit dem, was wir als dasjenige in uns erleben, was uns das Tonbild erscheinen läßt als etwas, das ästhetisch zu be­urteilen ist, das in das Gebiet der Kunst zu versetzen ist.
Wir müssen uns nämlich klar sein, welch komplizierter Prozeß 

Nu kunnen we ter verduidelijking eens de blik richten op het leven, laten we zeggen, het muzikale. Dit leven in het muzikale is het allerbeste bewijs – eigenlijk een van de vele (we zullen er nog verschillende leren kennen), maar misschien wel een van de beste bewijzen – voor de bijzondere verbondenheid van het gevoelsleven met het ritmische leven van het organisme. Dit ritmisch leven wordt in zijn samenhang met het gevoelsleven waargenomen door het voorstellingsleven dat aan het zenuw-zintuigorganisme gebonden is. Wanneer we iets muzikaals horen, ons op de een of andere manier op een toongeheel richten, dan wordt dat in ieder geval schijnbaar allereerst opgenomen door de zintuigen. Maar de fysiologen die iets preciezer kunnen waarnemen, bemerken hoe de adem innerlijk meedoet aan het volgen van het toongeheel; hoe daadwerkelijk ons ademen iets te maken heeft met wat we in onszelf beleven van wat het toongeheel ons geeft als iets wat je esthetisch kan beoordelen, wat je bij de kunst kan plaatsen.
We moeten wel duidelijk hebben, wat voor gecompliceerd proces

blz. 34

eigentlich in uns fortwährend vorgeht. Nehmen Sie einmal diesen un­seren Organismus an. Dieser Nerven-Sinnes-Organismus, der zentra­lisiert ist im menschlichen Gehirn, er ist ja so zentralisiert, daß das Gehirn eigentlich nur zum geringsten Teil in einem gewissen festen Zustande ist; das ganze Gehirn schwimmt im Gehirnwasser. Ich ver­suche dasjenige, was da zugrunde liegt, durch folgendes klarzumachen:
Es würde unser Gehirn, wenn es nicht im Gehimwasser wirklich schwimmen würde, fortwährend auf die an der Schädelunterlage be­findlichen Blutgefäße drücken und diese fortwährend zerdrücken. Un­ser Gehirn erleidet nämlich dadurch, daß es im Gehirnwasser schwimmt, einen fortwährenden Auftrieb – was man nach dem Archimedischen Prinzip den Auftrieb nennt, wie Sie aus der Physik wissen -, so daß von dem reichlich 1300 bis 1500 Gramm wiegenden Hirn eigentlich auf die Unterlage des Schädels höchstens 20 Gramm drücken. So daß also dadurch, daß das Gehirn einen mächtigen Auftrieb erleidet, auf die Unterlage des Schädels sehr wenig gedrückt wird. Aber dieses Ge­hirnwasser, das ist nicht minder beteiligt an unserem ganzen mensch­lichen Erleben als etwa das Feste des Gehirnes. 

zich daar eigenlijk voortdurend in ons afspeelt. Laten we ons eens naar dit deel van ons organisme richten. Dit zenuw-zintuigorganisme, dat gecentraliseerd is in de menselijke hersenen; zo gecentraliseerd dat de hersenen eigenlijk maar voor het kleinste deel zich in een zekere vaste toestand bevinden; het hele brein zwemt in het hersenwater. Ik probeer om wat daaraan ten grondslag ligt door het volgende duidelijk te maken: onze hersenen zouden, wanneer ze niet daadwerkelijk in het hersenvocht zouden zwemmen, voortdurend op de bloedvaatjes van de schedelbasis drukken en deze voortdurend verdrukken. Onze hersenen ondergaan namelijk doordat ze in het hersenvocht zwemmen een voortdurende opwaartse druk – wat je naar Archimedes de opwaartse druk kan noemen, zoals u dat uit de natuurkunde kent – zodat er van de ruim 1300 tot 1500 gram wegende hersenen eigenlijk op de schedelbasis hooguit 20 gram drukken. Zodat er door de opwaartse druk waaraan de hersenen onderhevig zijn, op de schedelbasis zeer weinig druk wordt uitgeoefend. Maar dit hersenwater is niet minder betrokken bij heel ons menselijk beleven dan de vaste hersensubstantie.

Dieses Gehirnwasser, das ist nämlich in einer stetigen Auf- und Abbewegung. Es bewegt sich das Gehirnwasser rhythmisch auf und ab vom Gehirn durch den Rückenmarkskanal, strahlt dann aus in die Bauchhöhlung, wird bei der Einatmung zurückgestoßen in die Gehirnhöhlung, wieder heraus-gestoßen, und bei der Ausatmung fließt es wieder herunter. In fort­währendem Auf- und Abbewegen ist dieses Gehirnwasser, das heißt, seine Fortsetzung in den übrigen Organismus hinein, so daß eine fort­währende vibrierende Bewegung stattfindet, die im Grunde genommen den ganzen Menschen erfüllt und die mit dem Atmen zusammenhängt.
Indem wir irgendeiner Folge von Tönen gegenüberstehen, stehen wir ihr als atmende Menschen gegenüber. Fortwährend wird das Was­ser aufwärts und abwärts getrieben. Und indem wir hören, schlägt innerlich der Rhythmus des auf- und absteigenden Wassers an das­jenige an, was da durch die Töne in uns im Gehörorgan als Sinnes-wahrnehmung figuriert, und ein fortwährendes Zusammenschlagen der innerlichen Vibrationsmusik unseres Atmens findet statt mit dem, was als Wahrnehmungsvorgang an unser Ohr schlägt. Darinnen besteht eigentlich das musikalische Erlebnis, in diesem Ausgleich zwischen der Gehörwahrnehmung und dem rhythmischen Atmungsprozeß. Und der schildert ganz falsch, der etwa das musikalische Wahrnehmen, das ja

Dit hersenwater is namelijk in een op-en-neerbeweging. Het hersenwater beweegt ritmisch op en neer vanuit de hersenen door het ruggenmergkanaal, straalt dan uit in de buikholte, wordt door het inademen weer teruggedrukt in de hersenholte, weer weggedrukt en bij de uitademing vloeit het weer naar beneden. In een voortdurende stijg- en daalbeweging is dit hersenwater; dat beteken:t het gaat vandaaruit de rest van het organisme in, zodat er een voortdurende vibrerende beweging plaatsvindt die uiteindelijk door de hele mens heengaat en die met de adem samenhangt.
Wanneer we te maken hebben met een bepaalde volgorde van tonen, hebben we daar als ademende mens mee te maken. Voortdurend wordt het water op- en neer geperst. En wanneer we horen, beroert innerlijk het ritime van het op-en-neergaande water dat wat door de tonen in ons gehoororgaan als zintuigwaarneming werkt en een constant samengaan van de innerlijke vibratiemuziek van onze adem vindt plaats met wat als waarnemingsproces in ons oor gebeurt. Daaruit bestaat eigenlijk de muzikale beleving, in deze uitwisseling tussen gehoorswaarneming en het ritmische ademproces. En degene die min of meer dit muzikale waarnemen

blz. 35

überall im wesentlichen durchzogen ist vom Fühlen, nur in Beziehung bringen möchte direkt mit den Nervenvorgängen. Die sind eigentlich beim musikalischen Wahrnehmen nur dazu da, daß wir dasjenige, was eigentlich vorgeht, tiefer mit unserem Ich verbinden, daß wir es so recht wahrnehmen, daß wir es ins Vorstellen umsetzen.
Ich habe nach allen Richtungen hin versucht, diesen Dingen nach­zugehen. Es war in der Zeit, in der die europäische Menschheit sich noch mehr für solche Fragen unmittelbar interessierte. Da war, wie Sie wissen, der lebhafte Streit vorhanden zwischen der Auffassung des Musikalisch-Schönen durch Richard Wagner und die Wagner-Schüler und durch den Wiener Hanslick. Da konnte man das Problem des mu­sikalischen Wahrnehmens nach allen Richtungen erörtert finden. Da wurde auch hingewiesen in diesem Zusammenhange auf diejenigen Versuche, die man machen kann, um hinter das musikalische Wahr­nehmen zu kommen. Und gerade beim musikalischen Wahrnehmen drängt es sich auf, die unmittelbare Beziehung zu suchen zwischen den Zirkulationsvorgängen und dem, was eigentliches menschliches Fühlen ist, während gleichzeitig eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Nervensystem und dem Vorstellen vorhanden ist.

dat overal hoofdzakelijk doortrokken is met gevoel, slecht meteen aan de zenuwprocessen wil koppelen, zit er naast. Die zijn er bij het muzikale waarnemen eigenlijk alleen maar voor, dat wij dat wat er gebeurt, dieper met ons wezen kunnen verbinden, dat we het zo goed waarnemen dat we het in voorstellen kunnen omzetten.
In alle richtingen heb ik geprobeerd deze dingen na te gaan. Het was in de tijd waarin de Euroeose mensheid zich nog meer voor zulke vragen direct interesseerde. Daar vond, zoals u weet, een levendige strijd plaats tussen de opvatting van het muzikaal-esthetische door Richard Wagner* en zijn leerlingen en door de uit Wenen afkomstige Hanslik**. Toen kon je het probleem van het muzikale waarnemen van alle kanten uitgelegd krijgen. In deze samenhang werd er ook gewezen op de proeven die je kan doen om achter het muzikale waarnemen te komen. En met name bij het muzikale waarnemen dringt zich op de directe samenhang te zoeken tussen de circulatieprocessen en wat eigenlijk menselijk gevoel is, terwijl gelijktijdig er een directe samenhang bestaat tussen het zenuwsysteem en het voorstellen.

*Ricbard Wagner, 1813-1883, deutscher Komponist. «Tannbäuser«, «Lohengrin«, «Ring des Nibelungen« u.a.
**den Wiener Hanslick: Eduard Hanslick (1825-1904). «Vom Musikalisch-Schönen« (Leipzig 1854/91).
.

Aber diese unmittel­bare Beziehung ist nicht zu suchen zwischen dem Nervensystem und dem Fühlen und nicht zwischen dem Nervensystem und dem Wollen.
Ich bin überzeugt davon, daß die falsche Hypothese von den sensi­tiven und motorischen Nerven, die in die Wissenschaft als der Knecht des Materialismus eingezogen ist, weit mehr als man meint schon die Denkweise der Menschen ergriffen hat und in der nächsten oder in der zweitnächsten Generation Gesinnung wird. Ja, ich bin überzeugt, daß diese materialistische Nervenlehre schon Gesinnung geworden ist in der Menschheit und daß wir eigentlich heute das, was wir in der Phy­siologie oder in der Psychologie so als Theorie hersagen, schon in un­seren Gesinnungen haben, und daß diese Gesinnungen eigentlich die Menschen trennen. Wenn man das Gefühl hat – und die Leute haben heute schon das Gefühl -, daß eigentlich der andere Mensch uns nur gegenübersteht so, daß wir selber auf ihn einen Sinneseindruck machen, er auf uns, daß er da abgeschlossen von uns in sich hat sein Gefühls­leben, das erst durch die Nerven vermittelt werden soll, dann richten wir eine Scheidewand zwischen Mensch und Mensch auf. Es ist ja wirk­lich so, daß diese Scheidewände zu merkwürdigen Anschauungen ge­führt haben, wenn man heute hört, daß Leute sagen: Ja, wenn ich

Maar deze directe relatie is niet te vinden tussen het zenuwsysteem en het voelen en niet tussen het zenuwsysteem en het willen.
Ik ben ervan overtuigd dat de valse hypothese van de sensitieve en motorische zenuwen die in de wetenschap als knecht van het materialisme is gekomen, veel meer dan men denkt, al bezit heeft genomen van de manier van denken van de mens en in de volgende of daarop volgende generatie de opvatting wordt. Ja, ik ben ervan overtuigd dat deze materialistische leer over de zenuwen onder de mensen al dé opvatting geworden is en dat wij eigenlijk wat we in de fysiologie of in de psychologie zo als theorie aangeven, al onze opvatting is en dat deze opvattingen de mensen eigenlijk verdelen. Wanneer je het gevoel hebt – en de mensen hebben tegenwoordig dit gevoel – dat de andere mens zo tegenover ons staat, dat wijzelf op hem een indruk maken, hij op ons, dat hij afgesloten voor ons een gevoelsleven heeft dat eerst door de zenuwen moet gaan, richten wij tussen de mensen een barrière op. Het is echt zo dat deze barrières tot merkwaardige opvattingen geleid hebben, zoals wanneer je hoort dat de mensen zeggen: Ja, wanneer ik

blz. 36

einen anderen Menschen ansehe, so sehe ich, daß er die Nase mitten im Gesicht hat, daß er zwei Augen hat an derjenigen Stelle, wo ich weiß, ich habe auch zwei Augen. Er hat ein Gesicht so geformt wie ich; indem ich das alles sehe, ziehe ich den unbewußten Schluß: Da ist ein ebensolches Ich in dem Organismus drinnen wie in mir. – Es gibt heute schon Leute, die auch diese Theorie vertreten und das Verhältnis vom Menschen zum Menschen so äußerlich auffassen, daß sie meinen, aus der Gestalt des Menschen wäre erst ein unbewußter Schluß notwendig, um darauf zu kommen, daß der andere Mensch ein mit dem eigenen Ich gleiches Ich hat. Die Anschauung, welche nur das Nervenleben zu­sammenbringt mit dem Vorstellungsleben, dagegen das Zirkulations-und Atmungsleben zusammenbringt mit dem Gefühlsleben, das ganze Stoffwechselleben zusammenbringt mit dem Willensleben, die wird, wenn sie Gesinnung wird, wenn sie einmal wirkliches Erleben wird, die Menschen wiederum zusammenführen. Ich kann für dieses Zusam­menbringen heute zunächst nur ein Bild gebrauchen.
Sehen Sie, wir würden ja wirklich geistig-seelisch als Menschen sehr voneinander getrennt sein, wenn wir geistig-seelisch so einander gegen­überstünden, daß wir eigentlich alles Fühlen und Wollen durch unsere Nerven in unserem Innern entwickelten und der ganze Mensch in sei­ner Haut abgeschlossen gedacht werden müßte. Da wird das Seelische sehr isoliert.

naar een ander mens kijk, dan zie ik, dat zijn neus midden in zijn gezicht zit, dat hij twee ogen heeft op dezelfde plaats waar ik ze heb. De vorm van zijn gezicht is net zo als het mijne en als ik alles overzie, trek ik onbewust de conclusie: in dit organisme zit net zo’n Ik als in het mijne. – Er zijn tegenwoordig ook mensen die ook deze theorie vertegenwoordigen en de relatie van mens tot mens zo uiterlijk nemen dat ze denken dat vanuit de gestalte van de mens eerst een onbewuste gevolgtrekking nodig is om erop te komen dat de andere mens in vergelijk met het eigen Ik eenzelfde Ik heeft. De opvatting die alleen maar het zenuwleven samenneemt met het voorstellingsleven, het circulatie- en ademleven daarentegen samenneemt met het gevoelsleven, heel het stofwisselingsleven samenneemt met het wilsleven, zal, wanneer dat de opvatting wordt, wanneer die ooit een echte beleving wordt, de mensen weer samenbrengen. Ik kan voor dit samenbrengen nu alleen maar een beeld gebruiken.
Kijk, wij zouden werkelijk als geest-zielenmensen zeer van elkaar gescheiden zijn, wanneer we als geest-zielenwezen zo tegenover elkaar zouden staan, dat we eigenlijk al het voelen en het willen door onze zenuwen in ons innerlijk zouden ontwikkelen en de hele mens binnen zijn huid opgesloten gedacht zou moeten worden. Dan komt de ziel heel alleen te staan.

Und ich möchte sagen: So fühlen sich heute die Menschen, und ein getreues Abbild dieses Fühlens ist der antisozial und immer antisozialer werdende Zustand Europas.
Aber es gibt auch eine andere Möglichkeit. Wir sitzen hier alle in diesem Saale zusammen; wir atmen die gemeinsame Luft zunächst, da können wir nicht sagen, daß wir jeder um uns herum unseren Luft-kasten abschließen können. Wir atmen die gemeinsame Luft. Wer das gesamte Seelenleben an das Nervensystem heftet, der isoliert die Men­schen. Wer zum Beispiel an das Atmungsleben wiederum zurückgibt das Seelenleben, der macht auch das Seelenleben zu etwas Gemein­schaftlichem. So wie diese Luft uns gemeinschaftlich ist, so ist uns und wird uns das Seelenleben gemeinschaftlich, wenn wir es an den Rhyth­mus-Organismus zurückgeben. Und wenn sich auch in unserer sozialen Ordnung die einen Menschen heute noch ein bißchen was Besseres kau­fen können, die anderen was Schlechteres kaufen müssen, es kann doch nicht der reiche Mensch, damit er nicht dasselbe ißt wie der Arme, seine Nahrungsmittel vom Monde her, von einem ganz anderen Weltenkörper

En ik zeg: zo voelen de mensen zich vandaag en een getrouw beeld van dit gevoel is de antisociale en steeds antisocialer wordende toestand van Europa.
Maar er is ook een andere mogelijkheid. Wij zitten hier allemaal in deze zaal bij elkaar; we ademen zodoende de gemeenschappelijke lucht in en dan kunnen wij niet zeggen dat ieder van ons om zich heen zijn luchtkastje af kan sluiten. We ademen dezelfde lucht. Wie het hele zielenleven aan het zenuwsysteem plakt, isoleert de mensen. Wie bijv. aan het ademleven het zielenleven weer teruggeeft, maakt ook het zielenleven tot iets gemeenschappelijks. Zoals deze lucht voor ons gemeenschappelijk is, zo is ons en wordt ons zielenleven weer iets gemeenschappelijks wanneer we het teruggeven aan het ritme-organisme. En wanneer ook in onze sociale orde de ene mens tegenwoordig nog wel wat beters voor zichzelf kan kopen, de anderen het met iets minder moeten doen, dan kan toch de rijke mens opdat hij niet hetzelfde eet als de arme, zijn voedsel niet van de maan halen, vanuit een andere planeet betrekken.

blz. 37

beziehen. In bezug auf den Stoffwechsel haben wir ein gemein­sames Leben. So aber wird auch unser Willensieben zu einem gemein­schaftlichen, wenn wir so ursprüngliche, unmittelbare primäre Bezie­hungen vom Willensleben zum Stoffwechselleben hin einsehen. Sie werden sehen, wie es von einer unendlichen Tragweite ist, daß man diesen Zusammenhang des Gefühlslebens mit allem, was rhythmisch ist in der menschlichen Natur, und was rhythmisch den Menschen auch mit der Außenwelt zusammenschließt, einsieht, und daß man auf der anderen Seite das Willensleben in seinem Zusammenhange mit dem Stoffwechselleben kennenlernt. Auch darinnen zeigt sich wiederum, wie Geisteswissenschaft gerade geeignet ist, die Materie und ihre Vor-gange wirklich kennenzulernen. Der Materialismus ist ja einmal dazu verurteilt, gerade von der Materie nichts zu verstehen.
Damit habe ich Sie zunächst präliminarisch – wir werden auf alle diese Dinge genauer eingehen – bekannt gemacht mit der Dreigliede­rung des menschlichen Leibeslebens in ein Nerven-Sinnes-Leben, in ein Leben des Rhythmus-Organismus und in ein Leben des Stoffwechsel-Organismus. In bezug auf das Seelenleben haben wir ja eigentlich die Dreigliederung schon gelegentlich des Leibeslebens besprochen.

Wat de stofwisseling betreft hebben we een gemeenschappelijk leven. Zo wordt echter ook ons wilsleven iets gemeenschappelijks, wanneer we de oorspronkelijke, directe relatie tussen wilsleven en stofwisselingsleven inzien. U zal zien hoe dit van een enorme reikwijdte is wanneer je deze samenhang van het gevoelsleven met alles wat ritmisch is in de menselijke natuur en wat ritmisch de mens ook met de buitenwereld verbindt, inziet en dat je aan de andere kant het wilsleven in zijn samenhang met het stofwisselingsleven leert kennen. Ook daarin blijkt opnieuw hoe geesteswetenschap met name in staat is de materie en de processen daarvan werkelijk te leren kennen. Het materialisme is er nu eenmaal tot veroordeeld, juist van de materie niets te begrijpen.
Hiermee heb ik u allereerst inleidend – we zullen op al deze zaken nog preciezer ingaan – bekend gemaakt met de drieledigheid van het menselijk organisme in een zenuw-zintuigleven, in een leven van het ritme-organisme en in een leven van het stofwisselingsorganisme. Wat betreft het zielenleven hebben wij eigenlijk de drieledigheid al bij de levende lichamelijkheid besproken.

Wir können einfach die triviale Einteilung, die man gewöhnlich zugrunde legt, in Denken, Fühlen und Wollen, als die Gliederung des Seelen-lebens betrachten. Aber man kommt dem Seelenleben ja nur schlecht bei, wenn man diese Gliederung, die eine durchaus berechtigte ist, in den Vordergrund stellt. Sie wissen ja, daß vielfach in den Psychologien wiederkehrt die Gliederung des menschlichen Seelenlebens in Vor­stellen, Denken, Fühlen und Wollen. Aber daß eine wirkliche Anschau­ung des Seelenlebens dadurch ja eigentlich doch nicht gewonnen wird, das muß immer mehr und mehr für ein unbefangenes Betrachten der Menschennatur klar werden.
Nun gibt es eigentlich eine Erscheinung, oder sagen wir einen Er­scheinungskomplex, der viel charakteristischer ist für das Seelenleben als die Abstraktion Denken, Fühlen und Wollen. Die Abstraktion Denken, Fühlen, Wollen ist, wie gesagt, gut, aber um lebendig das Seelenleben kennenzulernen, tut man besser, wenn man nicht gleich ausgeht von Denken, Fühlen und Wollen, sondern wenn man etwas, was im Seelenleben eigentlich ganz durchgeht, zunächst ins Auge faßt als eine viel primärere Offenbarung des Seelenlebens, nämlich, daß die­ses Seelenleben immer lebt abwechselnd in Sympathien und Antipathien,

We kunnen eenvoudigweg de alledaagse indeling die men gewoonlijk gebruikt, in denken, voelen en willen als de indeling van het zielenleven beschouwen. Maar je begrijpt het zielenleven maar slecht, wanneer je deze indeling die zeer zeker gerechtvaardigd is, op de voorgrond plaatst. U weet dat de indeling van het menselijk zielenleven veelvuldig in de psychologieën terugkeert als denken, voelen en willen. Maar dat een werkelijke waarneming van het zielenleven daardoor eigenlijk toch niet bereikt wordt, dat moet voor een onbevangen waarnemen van de mensennatuur, steeds meer duidelijk worden.
Nu is er eigenlijk een verschijnsel of laten we zeggen een complex van verschijnselen dat veel karakteristieker voor het zielenleven is dan de abstractie denken, voelen en willen. De abstractie denken, voelen, willen is – zoals gezegd – goed, maar om het zielenleven levendig te leren kennen, doe je er beter aan om niet meteen uit te gaan van denken, voelen en willen, maar wanneer je eerst let op iets wat het zielenleven eigenlijk helemaal doortrékt als een veel meer primaire uiting van het zielenleven, namelijk dat dit zielenleven steeds leeft in de afwisseling van sympathie en

blz. 38

in Lieben und Hassen. Wir merken nur gewöhnlich nicht, wie das Seelenleben hin- und herpendelt zwischen Lieben und Hassen, zwi­schen Sympathien und Antipathien. Wir merken es aus dem Grunde nicht, weil wir ja gewisse Vorgänge des Seelenlebens gar nicht in der richtigen Weise taxieren.
Sehen Sie, der Mensch urteilt. Das Urteil ist entweder ein bejahendes oder ein verneinendes. Ich sage: Der Baum ist grün. Ich verbinde die zwei Vorstellungen Baum und grün, ich verbinde sie in positiver Weise. Ich sage: Du bist gestern nicht bei mir gewesen. Ich verbinde zwei Vor­stellungen respektive Vorstellungskomplexe in negativer Weise. Auch einem solchen Urteile liegt zuletzt für das Seelenleben etwas von Sym­pathie und Antipathie zugrunde. Das bejahende Urteil wird immer mit Sympathie erlebt, das verneinende Urteil wird immer mit Anti­pathie erlebt. Nicht als ob die Richtigkeit des Urteils auf der Sym­pathie und Antipathie beruhte, aber erlebt wird die Richtigkeit des Urteils durch Sympathie und Antipathie. Und wir können sagen: ein drittes zwischen beiden, zwischen Sympathie und Antipathie ist ja auch deutlich vorhanden. Das ist, wenn der Mensch die Entscheidung tref­fen soll zwischen Sympathie und Antipathie.

antipathie; in liefhebben en haten. We merken gewoonlijk niet hoe het zielenleven heen en weer pendelt tussen liefhebben en haten, tussen sympathieën en antipathieën. We merken het niet, omdat wij bepaalde processen van het zielenleven helemaal niet op de juiste wijze taxeren.
Kijk, een mens oordeelt. Het oordeel is of bevestigend of ontkennend. Ik zeg: ‘De boom is groen.’ Ik verbind de twee voorstellingen boom en groen, ik verbind die op een positieve manier. Ik zeg: ‘Jij bent gisteren niet bij mij geweest.’ Ik verbind twee voorstellingen, respectievelijk twee voorstellingscomplexen op een negatieve manier. Ook aan zo’n oordeel ligt uiteindelijk voor het zielenleven iets van sympathie en antipathie ten grondslag. Het bevestigende oordeel wordt altijd met sympathie beleefd, het ontkennende oordeel wordt met antipathie beleefd. Niet als zou de juistheid van het oordeel op sympathie en antipathie berusten, maar beleefd wordt de juistheid van het oordeel door sympahtie en antipathie. En we kunnen zeggen: een derde element tussen die twee, tussen sympathie en antipathie is ook duidelijk aanwezig. Dat is wanneer de mens een beslissing moet nemen tussen sympathie en antipathie.

Wir haben ja nicht bloß im Seelenleben Sympathie und Antipathie, wir haben deutlich ein skeptisches Hin- und Herpendeln zwischen beiden, das auch ein posi­tiver Zustand ist. So finden wir auch da nicht so geschieden wie beim Leibe, weil wir es mit einem Prozeß zu tun haben und nicht mit unter­scheidbaren Gliedern, aber doch auch das Seelenleben gegliedert in Sympathien und Antipathien und was zwischen beiden ist.
Deutlicher aber tritt uns die Gliederung wieder auf, wenn wir das Geistige im Menschen betrachten, das ja von der neueren Psychologie in ganz entschiedener Weise immer zusammengeworfen wird mit dem Seelischen. Aber wir werden sehen, daß man eine wirkliche plastische Einsicht in das Wesen des Menschen nur gewinnen kann, wenn man in die Lage kommt, diese drei Gesichtspunkte der menschlichen Wesen­heit auseinanderzuhalten: das Leibliche, das da besteht im Nerven-Sinnes-Prozesse, im Zirkulationsprozesse, im Stoffwechselprozesse; das Seelische, das da besteht in den Erlebnissen von Antipathie und Sym­pathie und dem Hin- und Herpendeln zwischen beiden; und das Gei­stige, das nun auch uns ganz entschieden dreigliedrig entgegentritt. Auch das Geistige des Menschen tritt uns dreigliedrig entgegen, und zwar in drei deutlich voneinander geschiedenen Zuständen. Beim geistigen

We hebben in het zielenleven niet alleen maar sympathie en antipathie, we hebben duidelijk een sceptisch heen en weer pendelen tussen beide, wat ook een positieve toestand is. Zo vinden we daar ook niet zo’n scheiding zoals bij het lichaam, omdat we met een proces te maken hebben en niet met te onderscheiden delen, toch ook wel het zielenleven gedeeld in sympathieën en antipathieën en wat daar tussen ligt.
Duidelijker echter vertoont zich de deling weer, wanneer we de geest van de mens bekijken die dus door de nieuwere psychologie op een heel besliste manier steeds weer op één hoop gegooid wordt met de ziel. Maar we zullen zien dat je een werkelijk plastisch inzicht in het wezen van de mens alleen maar krijgt wanneer je in staat bent, deze drie gezichtspunten van het mensenwezen uit elkaar te houden: het lichamelijke dat dan bestaat uit zenuw-zintuigprocessen, uit het circulatieproeces, uit het stofwisselingsproces; de ziel die dus bestaat uit de belevingen van antipathie en sympathie en het heen en weerpendelen tussen die twee; en de geest die we ook heel duidelijk als drieledig aan ons zien verschijnen. Ook de geest van de mens verschijnt drieledig aan ons en wel in drie duidelijk van elkaar gescheiden toestanden.

blz. 39

Erleben des Menschen haben wir deutlich zu unterscheiden zwi­schen dem wachen Erleben, das wir alle kennen als einen Zustand unse­res Geisteslebens, der uns vom Aufwachen bis zum Einschlafen eigen ist, und dann haben wir einen anderen Zustand unseres Geisteslebens vom Einschlafen bis zum Aufwachen, das Schlafesleben. Und wir haben das dritte zwischen beiden, das wir in dem Momente des Aufwachens kennenlernen, das Traumesleben. Wachen, Träumen, Schlafen, das sind die drei Glieder des Geisteslebens. Wachen, Träumen, Schlafen. Nur muß man nicht bloß die triviale Vorstellung verbinden mit Wachen, Träumen und Schlafen, um zu einer wirklichen Erkenntnis des Geistes­lebens vorzudringen, sondern man muß sich klar darüber sein, daß man sich Beobachtungssinn aneignen muß für die Art, wie sich der schlafende Geisteszustand zunächst auslebt. Da sehen wir ja, daß uns der Schlaf einmal entgegentritt dadurch, daß der Mensch bewegungslos wird, daß er unempfindlich wird für Sinneseindrücke und so weiter; aber wenn wir versuchen, zunächst einen anderen Gesichtspunkt geltend zu machen – wir könnten viele andere Gesichtspunkte geltend machen-, können wir uns ja auch dem, was für unser Leben Schlaf ist, in der folgenden Weise nähern.

Bij het geestelijk leven van de mens moeten we duidelijk onderscheid maken tussen het wakkere leven, dat we allemaal kennen als een toestand van ons geestesleven die ons van wakker worden tot inslapen eigen is en dan hebben we een andere toestand van ons geestesleven van het inslapen tot het wakker worden, het slaapleven. En we hebben het derde daartussenin, wat we op het ogenblik van wakker worden leren kennen; het droomleven. Wakker, dromen, slapen, dat zijn de drie delen van het geestesleven. Waken, slapen, dromen. Alleen moet je niet de alledaagse voorstelling verbinden met waken, dromen en slapen, wil je tot een werkelijke kennis van het geestesleven komen, echter, het moet duidelijk voor je zijn dat je een waarnemingszintuig moet ontwikkelen voor de manier waarop de slapende geestelijke toestand zich allereerst uit. We zien dat we met de slaap te maken hebben, wanneer de mens geen bewegingen meer maakt, dat hij niet meer open staat voor zintuigindrukken enz., maar als we proberen eerst een ander gezichtspunt te laten gelden – kunnen we wat voor ons leven de slaap is, op de volgende manier benaderen.

Man glaubt gewöhnlich, daß wir, wenn wir zurückschauen auf unser Leben, auf einen geschlossenen Strom blicken. Wir setzen ja eigentlich unsere Rückerinnerungen wie in einer geschlossenen Strömung zusam­men; das ist hingegen ein Irrtum. Sie erinnern sich an dasjenige, was Sie heute seit dem Aufwachen erlebt haben. Davor liegt die Zeit, wo Sie mit schlafendem Bewußtsein waren; da ist die Strömung der Er­innerung unterbrochen durch die ganze Schlafesdauer. Dann kommt wiederum das Tagesleben, dann kommt wiederum Schlafesdauer. Das­jenige also, was wir als einen einheitlichen Strom rückwärts so im Be­wußtsein haben, das ist eigentlich immer unterbrochen von den Schlaf-zuständen. Und sehen Sie, das hat eine gewisse Bedeutung. Schon für das Bewußtsein selber hat es eine gewisse Bedeutung. Man kann ge­radezu sagen: Wir sind manchmal darauf eingerichtet, geradezu darauf eingestellt, da, wo etwas fehlt, das Fehlende so sehr wahrzunehmen als das Ausfüllende; nur machen wir uns das nicht immer klar. Wenn ich Ihnen hier auf die Tafel eine weiße Fläche zeichnen würde, so, daß ich immer schwarze Kreischen ausspare, so würden Sie hinschauen auf die weiße Fläche, aber eigentlich die weiße Fläche weniger beachten als das, wo nichts ist, wo die schwarzen Pünktchen sind, die ich nur ausgespart

Men gelooft gewoonlijk dat wij, wanneer we terugkijken op ons leven, wij op een aaneengesloten stroom terugblikken. We nemen eigenlijk onze herinneringen als een aan elkaar verbonden stroom; dat is daarentegen een vergissing. U herinnert zich aan wat u vandaag, sinds het wakker worden, beleefd hebt. Daarvóór bevindt zich de tijd waarin u een slapend bewustzijn had; daar wordt de opeenvolging van de herinneringen onderbroken door de totale duur van de slaap. Dan komt het dagelijks leven weer, dan komt weer de tijd van de slaap. Wat we dus terugziend als één stroom in ons bewustzijn hebben, is eigenlijk steeds onderbroken door de toestand van het slapen. En dat heeft een bepaalde betekenis. Je kan wel zeggen: we zijn er dikwijls op ingesteld, juist erop ingesteld om waar iets ontbreekt, wat er ontbreekt net zo waar te nemen als wat er is; maar we weten dat niet altijd duidelijk. Wanneer ik hier op het bord een wit vlak teken, zodanig dat ik steeds zwarte cirkeltjes uitspaar. dan zou u naar het witte vlak kijken, maar eigenlijk minder op het witte vlak letten dan waar er niets is, waar de zwarte puntjes zijn die ik alleen uitgespaard heb,

blz. 40

habe, wo ich nichts hingezeichnet habe. Wir sehen, wenn wir zum Bei­spiel eine Selterswasserflasche haben, wir sehen auch da gewissermaßen das Wasser, das das Dichtere ist, nicht gegenüber den kleinen Blasen, Luftblasen, die drinnen sind, den Kohlensäureblasen. Wir sehen also dasjenige, was nicht da ist, in dem Wasser drinnen. Und so empfin­den wir, indem wir rückwärts empfinden, eigentlich nicht unsere Er­lebnisse; die überschauen wir ja gewiß, wie wir hier das Weiße über­schauen; aber unmittelbar wahrnehmen tun wir etwas anderes. Und was wir unmittelbar wahrnehmen, das erfordert, daß man sich dar-über recht genau unterrichtet. Darauf kommt man nur, wenn man nun wirklich versucht, wahrzunehmen, worauf eigentlich unser Ich-Gefühl beruht. Allmählich – und ich werde Ihnen die Erscheinungen, die dazu führen, in den folgenden Vorträgen sorgfältig aufzählen – kommt man dazu, zu bemerken, daß diese Wahrnehmung der ausgesparten Schlafzustände eigentlich unser Ich-Gefühl vermittelt, daß wir unser Ich-Gefühl zerstören, indem wir nicht ordentlich schlafen. Das ist schon eine Folge davon, daß eingestreut sein muß in unserer Rückerinnerung diese Unterbrechung durch den Schlaf, damit wir zu einem geordneten Ich-Gefühl kommen.

waar ik niets heb getekend. We zien, wanneer we bijv. een een flesje spuitwater hebben, ook hier het water, dat de dichtere substantie is, niet in relatie met de kleine belletjes, de luchtbellen die erin zitten, de koolzuurbubbels. Wij zien dus in het water, wat er niet is. En zo ervaren we, wanneer we teruggaan in de ervaringen, eigenlijk niet onze belevenissen; die overzien we wel, zoals we hier het witte overzien; maar direct waarnemen doen we iets anders. En wat we direct waarnemen, dat vereist dat je je daar goed rekenschap van geeft. Daar kom je alleen op, wanneer je nu werkelijk probeert, waar te nemen, waarop eigenlijk ons Ik-gevoel berust. Langzamerhand – en ik zal u de fenomenen die daartoe leiden, in de volgende voordrachten zorgvuldig  noemen – kom je ertoe te bemerken dat deze waarnemening van de uitgespaarde slaaptoestand eigenlijk ons Ik-gevoel tot stand brengt, dat we ons Ik-gevoel verstoren, wanneer we niet goed slapen. Dat is al een gevolg van het feit dat in onze herinnering de onderbreking door de slaap ingevoegd moet zijn.

Und studieren Sie – wie gesagt, einzelnes werde ich noch erwähnen -, studieren Sie im Zusammenhange jene Störungen, die durch ein ungeordnetes Schlafleben im Ich-Gefühle auftreten, dann werden Sie es, ich möchte sagen, mit Händen greifen können, daß das Ich-Gefühl beruht auf diesen Aussparungen im Bewußtsein, auf diesen Lücken, die da im Ich-Gefühl auftreten. Ich sage nicht, die Ich-Vorstellung, ich sage: im Ich-Gefühl.
Nun, im Menschen lebt nicht allein das, was wir den Inhalt des Wachbewußtseins nennen können, sondern auch das Schlafesleben hat einen unmittelbaren Anteil an dem, was im Menschen lebt, es hat sogar einen noch viel größeren Anteil. Wer wirklich die menschliche Subjek­tivität beobachten kann, der findet, wenn er so richtig den Wach-zustand sich zum Bewußtsein bringt, daß dieser Wachzustand eigent­lich nur im Vorstellen faktisch vorhanden ist. Wir können unmöglich denselben Grad des Wachzustandes in dem menschlichen Fühlen suchen. Das menschliche Fühlen ist unmittelbar durchaus nicht in derselben Weise in unserem Bewußtsein vorhanden wie das menschliche Vorstel­len. Das Fühlen hat vielmehr zu unserem Bewußtsein keine andere Be­ziehung als das Traumesleben. So sonderbar das klingt, so muß eben doch derjenige, der nun wirklich imstande ist, sich den Unterschied des

En bestudeer je – zoals gezegd – details zal ik nog geven – bestudeer je in samenhang met die stoornissen die door een onvoldoende slaapleven in het Ik-gevoel optreden, dan heb je binnen handbereik, dat het Ik-gevoel berust op deze uitsparingen in het bewustzijn, op die open plekken die in het Ik-gevoel optreden. Ik zeg niet de Ik-voorstelling, ik zeg: in het Ik-gevoel.
Welnu, in de mens leeft niet alleen wat we de inoud van zijn waakbewustzijn kunnen noemen, maar ook het slaapleven heeft een direct aandeel in wat er in de mens leeft; dat heeft zelfs nog een veel groter aandeel. Wie daadwerkelijk de menselijke subjectiviteit kan waarnemen, vindt wanneer hij de waaktoestand zich goed tot bewustzijn brengt, dat deze waaktoestand eigenlijk in feite alleen maar in het voorstellen aanwezig is. We kunnen onmogelijk dezelfde graad van waaktoestand in het menselijke voelen opzoeken. Het menselijke voelen is zeer zeker niet direct op dezelfde manier in ons bewustzijn aanwezig als het menselijke voorstellen. Het voelen heeft tot ons bewustzijn geen andere relatie dan die van het droomleven. Hoe wonderlijk dit ook klinkt, degene die werkelijk in staat is, zich duidelijk te maken wat het verschil is

blz. 41

Vorstellens und des Fühlens rein als Bewußtseinsphänomen klarzu­machen, er muß darauf kommen, daß dieselbe Art des Erlebens vor­liegt, wenn wir die Träume, die im Bewußtsein sind, wahrnehmen, wie beim Fühlen. Wir werden darüber noch genauer sprechen, heute wollen wir die Sache zunächst skizzieren.
Dann ist aber dieselbe Art des Erlebens, die im bewußtlosen Schlaf-zustande im traumlosen Schlafe da ist, eigentlich beim Wollen da. Sie brauchen sich nur einmal zu überlegen: Sie heben Ihre Hand, Sie heben den Arm, und Sie haben ein Willensergebnis. Sie nehmen das Willens-ergebnis wahr. Der Willensimpuls, der unmittelbare geistige Impuls, der hat zu tun mit dem Stoffwechsel. Den ganzen inneren Vorgang, der sich abspielt zwischen dem Willensimpuls und dem Stoffwechsel, durchschauen Sie genau genommen ebensowenig, wie Sie dasjenige be­wußt erleben, was vorgeht mit Ihnen, wenn Sie im bewußtlosen, im traumlosen Schlafe sind. Ganz gleichwertig sind die Bewußtseinserleb­nisse der eigentlichen Willensvorgänge und die traumlosen Schlaf-vorgänge. Gleichartig sind die Vorgänge des Gefühlslebens und die Traumvorgänge. Denn das wirklich wache Leben besteht eigentlich nur im Vorstellungsleben

tussen voorstellen en voelen puur als bewustzijnsfenomeen, moet er opkomen dat dezelfde manier van beleven aanwezig is, wanneer we de dromen die in het bewustzijn zijn, waarnemen, zoals bij het voelen. We zullen daarover nog preciezer spreken, vandaag willen we de dingen alleen maar schetsen.
Dan is echter dezelfde manier van beleven die in de bewusteloze slaaptoestand in de droomloze slaap zit, er eigenlijk bij het willen. Je hoeft het maar even bij jezelf na te gaan: je tilt je hand, je arm op en je hebt het resultaat van de wil. Je neemt het resultaat van de wil waar. De wilsimpuls, de directe geestelijke impuls heeft met de stofwisseling te maken. Het hele inwendige proces dat zich afspeelt tussen de wilsimpuls en de stofwisseling doorzie je precies genomen, net zo min als wat je bewust beleeft van wat er met je gebeurt wanneer je in een bewusteloze, in droomloze slaapt verkeert. Volkomen gelijkwaardig zijn de bewustzijnsbelevenissen van de eigenlijke wilsprocessen en de processen bij de droomloze slaap.  Gelijkwaardig zijn de processen van het gevoelsleven en die van het dromen. Want het werkelijk wakkere leven is eigenlijk alleen maar in het voorstellingsleven aanwezig.

So daß wir nicht bloß schlafen, wenn wir in dem Zustande sind zwischen Einschlafen und Aufwachen, sondern wir schlafen partiell auch wenn wir wach sind; denn wir wachen nur in bezug auf unser Vorstellungsleben, wir träumen in bezug auf unser Gefühlsleben, wir schlafen in bezug auf unser Willensleben.
Sagen Sie nicht, da müßte das Willensleben unbewußt bleiben. Nein, es bleibt eben nicht unbewußt. Wenn ich hier eine weiße Fläche hätte mit vier ausgesparten, schwarzen Kreisen, so würde ich da, wo nichts ist, wo ausgespart wurde, gerade so etwas wahrnehmen, wie ich in meinem Bewußtsein auch die ausgesparten Inhalte, die Willensinhalte, die eigentlich im wachen Tagesleben verschlafen werden, wahrnehme.
Und jetzt denken Sie, sieht man nun plastisch auf den Menschen hin, so sieht man eigentlich in ihm ein Zusammenspielen deutlich voneinan­der geschiedener Verhältnisse, drei Geisteszustände. In seinem Vor­stellen ist tätig der wache Geist; in seinem Fühlen ist tätig der träu­mende Geist; in seinem Wollen ist tätig der schlafende Geist. Wir müs­sen nicht nur Wachen und Schlafen voneinander unterscheiden lernen in ihren Wechselzuständen Tag und Nacht, sondern wir müssen Wa­chen und Schlafen auch voneinander unterscheiden lernen im wachen-den Menschen, wie sie ineinander spielen. Diese Sache hat eine sehr

Zodat we niet alleen slapen, wanneer we in de situatie verkeren tussen inslapen en wakker worden, maar we slapen gedeeltelijk ook wanneer we wakker zijn; want we zijn alleen wakker wat ons voorstellingsleven betreft, we dromen wat ons gevoelsleven betreft, we slapen wat ons wilsleven betreft.
Zeg nu niet dat het wilsleven dus onbewust moet blijven. Nee, dat blijft niet onbewust. Wanneer ik hier een wit vlak zou hebben met vier uitgespaarde zwarte cirkels, dan zou ik hier, waar niets is, waar uitgespaard is, net zo iets waarnemen, zoals ik in mijn bewustzijn ook de uitgespaarde inhoud, de wilsinhoud die eigenlijk in het wakkere dagleven verslapen wordt, waarneem.
Bedenk dus, wanneer je plastisch naar de mens kijkt, dat je eigenlijk in hem een samenspel ziet van duidelijk van elkaar gescheiden verhoudingen, drie geestestoestanden. In zijn voorstellen is de wakkere geest werkzaam; in zijn voelen is de dromende geest werkzaam; in zijn willen is de slapende geest werkzaam. We moeten wakkerzijn en slapen niet alleen leren onderscheiden bij de afwisseling van dag en nacht, maar we moeten wakkerzijn en slapen ook van elkaar leren onderscheiden in de wakkere mens, hoe die in elkaar grijpen. Deze zaak heeft een zeer

blz. 42

praktische Bedeutung gerade für die Pädagogik, eine sehr, sehr prak­tische Bedeutung. Wir müssen fragen: Wie lerne ich entsprechend eigentlich das Wechselspiel von Willen und Vorstellen kennen, und wie lerne ich damit am besten, wie ich das Kind vom sechsten, siebenten Jahre an, wo ich besonders zu beachten habe dieses Zusammenspiel von Vorstellen und Wollen, am besten zu behandeln habe. Die Antwort lautet: Indem ich das Zusammenspiel von Wollen und Vorstellen an dem anderen Phänomen beobachte, an dem es in handgreiflicher Weise, in augenscheinlicher Weise auftritt, an dem Wachen und Schlafen. Studiere ich das Wachen und Schlafen, so habe ich etwas, womit ich Wollen und Vorstellen vergleichen kann.
Dieses muß im Anfange dieses Kursus aus dem Grunde erwähnt werden, weil durch Geisteswissenschaft unsere Psychologie erst einen wirklichen realen Inhalt erhält. Nehmen Sie heute psychologische Lehr­bücher in die Hand, Sie finden Definitionen von Wollen, Definitionen von Denken – aber das bleiben mehr oder weniger Wortdefinitionen. Man muß diese Dinge real kennenlernen. Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann, wenn man zum Beispiel das Verhältnis von Wachen und Schlafen studieren kann, wie wir es tun werden, und wenn man damit zu gleicher Zeit ein Streiflicht wesentlicher Art auf das Verhältnis von Vorstellen und Wollen wirft. 

praktische betekenis, met name voor de pedagogiek een zeer praktische betekenis. We moeten ons de vraag stellen: hoe leer ik adequaat de afwisseling van willen en voorstellen kennen en hoe leer ik daarmee het best, hoe ik met het kind vanaf zijn zesde, zevende jaar, wanneer ik in het bijzonder op dit samenspel van voorstellen en willen moet letten, moet omgaan. Het antwoord is: wanneer ik het samenspel van willen en voorstellen aan het andere fenomeen waarneem, waarbij het meer voor de hand ligt, waarbij het duidelijk aanwezig is, aan het wakkerzijn en slapen. Als ik het wakkerzijn en slapen bestudeer, heb ik iets waarmee ik willen en voorstellen vergelijken kan.
Dit moet aan het begin van deze cursus gezegd worden , omdat door geesteswetenschap onze psychologie pas zijn werkelijk reële inhoud krijgt. Pak de huidige psychologieboeken, je vindt definities van willen, definities van denken – maar dat blijven min of meer woorddefinities.
Je moet deze dingen werkelijk leren kennen. Maar ze werkelijk leren kennen doe je alleen wanneer je ze in de wereld daadwerkelijk op elkaar betrekken kan, wanneer je bijv. de verhouding tussen wakkerzijn en slapen kan bestuderen, zoals wij het zullen doen en wanneer je daarmee tegelijkertijd op een wezenlijke manier licht werpt op de verhouding voorstellen-willen.

Dann dringt man ein in die wirkliche Welt. Das möchte eben Geisteswissenschaft tun. Diese betrachtet das geistige Leben wirklich nicht bloß aus irgendeinem subjektiven Be­dürfnis heraus, weil das was Schönes ist für manche Leute, die sonst nicht viel zu tun haben, die eventuell, statt daß sie ihre anderen Kaffee­klatsch-Inhalte suchen, einmal auch den Kaffeeklatsch-Inhalt suchen: der Mensch besteht aus physischem Leib, Ätherleib, astralischem Leib und Ich. Es ist dies ja vielfach der Gesinnung der Menschen nach bloß ein Kaffeeklatsch. Aber es handelt sich darum, daß das nicht im Sek-tiererischen des Kaffeeklatsches steckenbleiben darf, sondern daß das­jenige, was durch Geisteswissenschaft in der Erkenntnis des Geistes geleistet wird, in Wahrheit dazu berufen ist, in das menschliche Leben wiederum so hineinzuleuchten, daß wir dieses menschliche Leben sei­ner praktischen Wirklichkeit nach behandeln lernen, während wir ver­lernt haben, es seiner praktischen Wirklichkeit nach zu behandeln. Und das Ergebnis dieses Verlernens ist ja das Chaos von Europa, sind doch die absurden Ereignisse der letzten fünf bis sechs Jahre. Es ist ein Zusammenhang

Dan dring je door in de werkelijke wereld. Dat wil geesteswetenschap. Die bekijkt het geestesleven echt niet alleen maar vanuit een of andere subjectieve behoefte, omdat dit voor sommige mensen die anders niet veel te doen hebben, iets leuks is, die eventueel, in plaats van dat ze hun andere koffieleutgesprekken zoeken, ook een keer de koffieleutinhoud zoeken: de mens bestaat uit fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik. Dat is vaak de stemming van de mensen bij het koffiegeleuter. Maar het gaat erom dat dit niet in het sektarisch koffiegeleuter mag blijven steken, maar dat wat door geesteswetenschap voor de kennis van de geest gedaan wordt, er waarlijk toe geroepen wordt weer zo’n licht te brengen dat wij dit menselijk leven wat de praktische werkelijkheid betreft, leren verzorgen, omdat we dit verleerd zijn. Het resultaat daarvan is de chaos van Europa, het zijn de absurde gevolgen in de laatste vijf à zes jaar. Er is

blz. 43

zwischen dem Verlernen des eigentlichen realen Inhaltes der Welt und zwischen der Not unserer Zivilisation. Diejenigen, die glauben, man könne bei der alten Gesinnung verbleiben, die irren sich gar sehr. Insbesondere da, wo man am meisten an die Zukunft der Menschheit zu denken hat, weil man es mit dem zukünftigen Menschen zu tun hat, auf dem Gebiete der Pädagogik, da sollte zuerst gedacht werden an die Kräfte, die es uns möglich machen, daß wir der zu­künftigen Generation etwas anderes mitgeben, als was diese Genera­tion bekommen hat, die jetzt diese furchtbaren Zustände unserer Zivilisation herbeigeführt hat.
Da eröffnet sich schon der Blick, ich möchte sagen, von dem ein-geschlossenen, aber eigentlich für die Entwickelung der Menschheit heiligen Schulland hinaus in die ganze große Entwickelung der Menschheit.

een samenhang tussen dit verleren van de eigenlijke reële inhoud van de wereld en de ellende van onze beschaving. Degenen die geloven dat ze bij de oude toestand kunnen blijven stilstaan, vergissen zich heel erg. In het bijzonder waar we het meest aan de toekomst van de mensheid moeten denken, omdat het te maken heeft met de toekomstige mens; op het gebied van de pedagogiek moet allereerst gedacht worden aan die krachten die het ons mogelijk maken dat we de toekomstige generatie iets anders meegeven, dan wat deze generatie gekregen heeft, wat nu die vreselijke toestanden van onze beschaving gebracht heeft.
Dat opent al de blik – wil ik zeggen – van de besloten, maar eigenlijk voor de ontwikkeling van de mensheid heilige schoolgrond naar de heel grote ontwikkeling van de mensheid.
.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 2e voordracht (Duits)

.

Voor een nadere uiteenzetting, uitleg e.d. van de door Steiner gehanteerde begrippen, o.a. vierledige mens; denken, voelen, willen; Körper/Leib = lichaam-lijf; wakker-dromen-slapen enz.: zie Antroposofie een inspiratie
.

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1272-1187

.

.

VRIJESCHOOL – Handvaardigheid (4-1)

.

G. Veenman, vrijeschool Zeist, nadere gegevens ontbreken
.

HANDVAARDIGHEID
.

Vanaf de vroegste periode in de mensheidsgeschiedenis heeft men altijd het handwerk beoefend. Door waarnemingen ontmoeten wij de resultaten en wij kunnen door het denken verbanden leggen, wat de mens bewoog vorm te geven aan het gegeven materiaal. Bij de gebruiksvoorwerpen waarvan in de musea de prachtigste voorbeelden te vinden zijn, is het meestal duidelijk wat de maker voor ogen stond. Alhoewel de versieringen moeilijkheden konden opleveren als men leest, hoe verschillend de opvattingen hierover zijn.
Bij: beelden wordt het al moeilijker, omdat het beeld iets toont dat nog meer omhulling heeft. Sommige culturen geven aan dat hun scheppingen zijn ontstaan met de krachten van hemel en aarde. De Grieken geven eigenlijk een zuiver beeld hoe vanuit aarde en hemel gewerkt kon worden. De Griek had het vermogen om de scheppingskracht waarmee hij alles tot stand bracht, te beleven als komende vanuit ’t lichamelijke en van goddelijke wezens.

Wat vroeger als noodzaak voor direct gebruik in hout, ijzer, steen en brons zichtbaar is geworden, beleven wij nu als kunst.

De ontwikkeling heeft ertoe geleid dat scheppingskracht en leven steeds meer van elkaar vervreemdden. In deze tijd is het de kunstenaar die vanuit zijn zelfstandig bestaan probeert aan te geven wat hem bezighoudt, maar de kunst is niet meer opgenomen in het leven van de maatschappij. Wel doen wij alle pogingen de kunst tot de bevolking te laten doordringen, maar het blijft bij de beschouwing van de maker. Het oude handwerk, dat als ambacht werd uitgeoefend, wordt ook niet meer gezien als kunst, maar toegepast voor het werk. Nu kennen wij het onderscheid tussen gebruiksvoorwerp en kunstproduct. Door de invoering van machinale werkmethoden voltrekt zich de scheiding tussen industrie en handwerk. Het lange tijd aan een werkstuk bezig zijn is niet meer mogelijk. Door de taak die de machine heeft overgenomen, wordt de maker niet meer in staat gesteld ontwerper en uitvoerder tegelijk te zijn. Hiermee wordt ook de scheiding tussen kunstwerk en handwerk duidelijk.

De ambachtsman beschouwde het resultaat van zijn arbeid als zijn werk. Hij herkende dit werk als iets van hemzelf. In de handvaardigheid is deze houding tegenover het werkstuk weer terug te vinden. Daarom is het van belang dat de leerling weer begrip krijgt voor het zelf vervaardigen van een werkstuk. Het leren dat ieder werkstuk een eigen karakter heeft en dat het met hem verbonden is, moet in deze tijd opnieuw veroverd worden.

Bij de handvaardigheid met de leerlingen gaat het om de ontwikkeling van vermogens die in elk kind aanwezig zijn. De handvaardigheid vertoont veel aspecten, die zo typisch zijn voor het ambachtelijke werk. Immers, de leerling kan ontwerper en uitvoerder zijn van z’n eigen werkstuk. De kenmerken van vroegere culturen – het omgaan met ’t gegeven materiaal – vinden zij terug in de beperking van het gereedschap en het omgaan met ruw en ongevormd materiaal. De leerling krijgt gelegenheid aan materiaal vorm te geven hetgeen onvolledig of in de verbeelding aanwezig is. Bij klei is geen afstand door gereedschap, maar zijn ’t de handen, die direct contact met het materiaal mogelijk maken. Hoewel bij hout het gereedschap een zekere afstand schept, merkt men dat hier de waarneming en de activiteit weer verbinding geven met het materiaal. In de handvaardigheid merkt men dat het juiste begrip voor het materiaal en de logische vorm nodig zijn. De weg om dit te veroveren ontstaat als de leerling zich met zijn gevoelsleven met het werk kan verbinden. Als dit lukt, wordt de leerling geconfronteerd met de wetten van het materiaal en het gereedschap en is zijn inspanning nodig om tot vorm te komen.
De ontmoetingen die de leerling aangaat, zijn met de materialen uit de wereld. Bij klei heeft men een ongevormde massa, die tot vorm moet komen. Het is overigens een volgzaam materiaal, waardoor je direct met de handen kan ervaren hoe uit klei (aarde) een vorm tot leven kan komen. Bij hout denkt men onmiddellijk aan zijn afstamming, de boom. Men ervaart aan de taaiheid of weerbarstigheid de structuur, en de inspanning, die nodig is om tot een vorm te komen. Het betekent meestal volhouden tot alles klaar is. Bij de koperbewerking, die nog op bescheiden wijze wordt uitgevoerd, beleeft men dat het materiaal door activiteit beheerst wil worden. Het roept op tot contact en warmte van het gegeven. Zoals getracht is duidelijk te maken, is het de leerling, die door activiteit probeert de aardestof te bewerken. Zonder zijn ledematen komt dit niet tot stand. De benen zijn om voort te bewegen en het gewenste te bereiken. De armen, handen en vingers kunnen door allerlei verworvenheden de gaven van de aarde bewerken, technisch en kunstzinnig.

Wij zijn ervan uitgegaan vroegere culturen te karakteriseren met hun specifieke kenmerken van het handwerk, dat door industrialisatie het handwerk verdween en in de handvaardigheid ontwerp en uitvoering weer centraal zijn komen te staan.
In de les heeft men te maken met de mens, die tot activiteit wordt gebracht en een ruw of vormloos materiaal tot vorm moet zien te brengen. Men merkt dat de leerling in beweging komt van binnen naar buiten en van buiten naar binnen, en tenslotte, na veel inspanning, komt een vorm tot stand. Er is dan veel gebeurd tussen hem en zijn werk.

Nu, wanneer een mens hard loopt dan wordt hij warm. We gaan transpireren, de temperatuur stijgt. Dit gaat natuurlijk snel voorbij. Maar het betekent dat alles zich in warmte afspeelt. Wij weten dat als de mens zich koud voelt en zijn ledematen niet warm zijn, hij moeilijk een muziekinstrument kan bespelen.

Het warm worden bij de handvaardigheid door het in beweging zetten van ’t lichaam is noodzakelijk. In het heen en weer gaan tussen leerling en materiaal ligt een krachtenspel. Het lichamelijk bezigzijn – iets maken, iets eigens – geeft de mogelijkheid dat het werk als iets nieuws beleefd wordt. Een mens die zelfstandig het land bewerkt, kan merken dat hij krachten geeft en tegelijk ervaren hoe gezond deze uiteenzetting met de aarde is.
Ligt in dit oude ambacht niet veel scheppingskracht in de donkere aarde verborgen?

Mogen wij dan zeggen dat het omgaan met aardestof – klei, hout, koper – een relatie geeft, die de leerling de aarde en zichzelf beter doet verstaan? En is het gezond worden aan aardestof niet een uitdrukking van ontwikkeling?
..

Handvaardigheid: alle artikelen

Handen en intelligentie

1271-1186

.

VRIJESCHOOL – Leerproblemen (2-2)

.

DYSLEXIE

Dat dyslexie een gecompliceerd iets is, blijkt wel uit de vele benaderingswijzen van dit fenomeen.
Ook de neurowetenschap houdt zich ermee bezig en komt door onderzoek tot bepaalde conclusies.

In 1991 bijv. – zie het verslag hieronder -. Maar wat moet je met deze wetenschap in de praktijk van alle dag.
Wel, de onderzoeker trekt deze conclusie: „Dyslectici zouden wellicht geholpen zijn met wat grotere letters en meer ruimte tussen de woorden. De daarmee gepaard gaande krachtiger oogbewegingen intensiveren wellicht het signaal dat de hersenen bereikt. In modelsystemen veroorzaakt een krachtig signaal minder snel resonantie dan een minder krachtig signaal.”

Hier ligt m.i. opnieuw een lijntje naar het vormtekenen en de in dit verband belangrijke opmerking van Steiner dat vormen, met de ogen waargenomen en met de hand uitgevoerd (zonder dat deze vormen bijv. van het bord zijn na te doen, dus vormen die ‘van binnenuit’ moeten komen) het vormgevoel versterken.
En wat nog te denken over wat de onderzoeker zegt over ‘overprikkeling’. Hoeveel groter is die in deze tijd geworden door o.a. pc en smartphone?

Dyslexie of woordblindheid is het verschijnsel dat woorden verkeerd worden gelezen of letters worden verwisseld. Uit een promotie-onderzoek blijkt dat deze stoornis wordt veroorzaakt door een afwijking in de hersenen: het lees- en schrijfcentrum werkt veel te traag.

Een vlinder in het paleis van de Japanse keizer kan het weer op Terschelling beïnvloeden. Dat weten we sinds onderzoekers ons doodgooien met de
chaostheorie. Door een zekere mate van chaos in de meeste aardse processen kunnen kleine gebeurtenissen gigantische gevolgen over grote afstanden veroorzaken, houden zij ons voor.

Tegenwoordig heeft bijna alles met chaos te maken. Niet alleen meteorologen, natuurkundigen, wiskundigen en chemici hebben het erover, zelfs managers spreken over de noodzaak van chaotische interacties tussen personeelsleden en business-units.

Dat woordblindheid iets met de chaos-theorie te maken heeft, hoeft dan ook niemand te verbazen.
Pieter Been, psycholoog bij het interdisciplinair centrum voor de ontwikkeling van expertsystemen van de Rijksuniversiteit Groningen, promoveerde vorige week* op een onderzoek ernaar. Zijn proefschrift gaat over woordblindheid, oogbewegingen, sprong-resonantie, neurale netwerken en… chaos.

Woordblindheid of dyslexie komt bij ongeveer vijf procent van de bevolking voor. Zo’n driekwart miljoen Nederlanders hebben moeite met lezen doordat ze letters verkeerd spellen, stukken van een woord weglaten of toevoegen, of letters met elkaar verwisselen. Het gekke is dat ze de ene keer een woord fout lezen, terwijl ze even later datzelfde woord goed uitspreken en begrijpen.

Op het IQ van een woordblinde is niets aan te merken. Op zijn of haar hersenen echter vaak wel. Onderzoek van de afgelopen tien jaar wijst erop dat het centrum in de linker hersenhelft dat bij lezen en schrijven is betrokken, bij dyslectici vaak een afwijkende structuur heeft. Het aantal cellen en hun onderlinge verbindingen lijken kleiner te zijn dan gebruikelijk.

Woordblindheid gaat ook vaak gepaard met ongecontroleerde oogbewegingen. Bij het lezen fixeren de ogen zich gemiddeld vier tot vijf keer per seconde op telkens een nieuw gedeelte van een regel. Met dat fixeren begint het proces van patroonherkenning in de hersenen, wat uiteindelijk tot begrip van de tekst moet leiden.

In plaats dat de ogen met enkele regelmatige sprongen over een regel huppelen, blijven die van een woordblinde lezer nu eens wat langer steken en snellen dan weer met grote sprongen voorwaarts. Soms doen ze zelfs een stapje terug en ook het begin van een nieuwe regel missen ze geregeld, zodat corrigerende bewegingen noodzakelijk zijn.

Die ongecontroleerde oogbewegingen zetten Been en zijn promotoren op het spoor van een mogelijke verklaring voor het wat bizarre fenomeen woordblindheid. Been onderwierp de oogbewegingen van dyslexie-patiënten aan een wiskundige analyse. „Er zijn wel 20.000 publikaties over dyslexie verschenen”, zegt hij. „Ik heb een aantal resultaten van gerenommeerde onderzoekers genomen en naar de door hen gemeten oogbewegingen gekeken.”

Been is specialist in het maken van modelsystemen. Bij de universiteit werkt hii met expertsystemen en neurale netwerken. Dat zijn computerprogramma’s die op een slimme manier met kennis kunnen omgaan en — als waren zij deskundigen — op een schijnbaar intelligente manier oplossingen kunnen geven voor een gecompliceerd probleem.

Het belangrijkste gereedschap bij het maken van neurale netwerken zijn differentiaalvergelijkingen, zegt Been. Dat zijn formules waarmee wiskundigen, als ze er de juiste bewerkingen mee verrichten, de toestand van een systeem op elk moment kunnen voorspellen. Althans bij lineaire processen.

Bij niet-lineaire processen lukt dat niet; de differentiaalvergelijkingen daarvan zijn onoplosbaar en stellen de mathematici voor problemen. Sterk vereenvoudigd, kun je zeggen dat een systeem lineair is waneer er een harmonisch (regelmatig) signaal uitkomt, als je er ook een harmonisch signaal ingestopt hebt.

De beweging van een schommel is bijvoorbeeld lineair. Als je er regelmatig tegenaan duwt, komt hij ook regelmatig terug. Veel processen en systemen zijn echter niet lineair. Als je er iets regelmatigs instopt, komt er niet weer iets regelmatigs uit. De processen die zich in de hersenen afspelen, zijn bijvoorbeeld niet-lineair. Systemen bezitten in het algemeen een eigen frequentie, zoals bijvoorbeeld de slingertijd van een klok constant is. Niet-lineaire systemen zijn bijzonder doordat het onvoorspelbaar is wat er uitkomt als je er een signaal instopt dat in de buurt komt van die eigen frequentie. Het uitgangssignaal kan dan plotseling sterk toenemen en vervolgens volledig in elkaar klappen. Dat heet in de wis- en natuurkunde sprong-resonantie en het heeft te maken met chaos- en catastrofetheorieën.

Tot Beens vreugde bleek zijn analyse van oogbewegingen — met behulp van zogenaamde fase-portretten — perfect overeen te komen met de plaatjes die hij kende van niet-lineaire modelsystemen uit de toegepaste wiskunde. Voor Been was dat een aanwijzing dat hij op het juiste spoor zat met de gedachte dat de hersenen van woordblinden wel eens extra gevoelig zouden kunnen zijn voor het optreden van sprong-resonantie bij het verwerken van geschreven informatie.

Been: „Als je de hersenen beschouwt als een niet-lineair systeem met een eigen frequentie, dan kun je op grond van de theorie voorspellen dat er problemen moeten gaan optreden als je informatie toevoert van ongeveer dezelfde frequentie als de eigen frequentie. Dan krijg je sprong-resonantie.”

Die gedachte vereist dat de hersenen ook over een eigen frequentie beschikken. Dat blijkt inderdaad zo te zijn. De hersenen van iemand in rust zenden een signaal uit van ongeveer tien hertz (10 Hz). Artsen kunnen die eigen frequentie eenvoudig meten met EEG-apparatuur. Zo’n eigen frequentie kun je vergelijken met de ’kloksnelheid’ van een computer: de snelheid waarmee bewerkingen achter elkaar uitgevoerd kunnen worden.

De hersenen van een gewone lezer krijgen — door het springen van de ogen over de tekst — elke seconde drie tot vijf keer een signaal te verwerken. De frequentie van het ingangssignaal is dan drie tot vijf hertz, ruim onder de eigen frequentie van 10 Hz. Niets aan de hand dus.

Experimenten die Been deed met gezonde proefpersonen, toonden aan dat je hun hersenen inderdaad ’op hol’ kunt brengen door het aantal aangeboden signalen per seconde te variëren.

Volgens verwachting vond hij rond de 10 Hz een sprong in de reactiesnelheid van de proefpersonen (want die werd in deze proef gemeten). Opvallend is dat de reactiesnelheid zowel plotseling kan stijgen als dalen, zoals de theorie van de sprong-resonantie voorspelt.

Wat heeft dat voor betekenis voor de woordblinden? Bij hen blijkt in met name het lees- en schrijfcentrum de eigen frequentie geen 10 Hz te zijn, maar aanzienlijk lager: tussen de 1 en 3 hertz. Dat betekent dat de gebruikelijke informatie-imput bij het lezen (3 tot 5 Hz) precies in het gebied van de eigen frequentie van het informatieverwerkende systeem ligt. Daardoor kunnen er voortdurend sprong-resonanties optreden.

De betekenis van die sprong-resonanties kan in verband worden gebracht met zowel het niet-systematische karakter van de leesfouten van woordblinden, als met de aard ervan (verkeerde letters lezen, letters toevoegen of weglaten). Door de sprong-resonanties kan — op onvoorspelbare momenten — zowel een overprikkeling als een onder -prikkeling van de neuronenschakelingen in de hersenen plaatsvinden.

De hersencellen die de herkenning van patronen op het netvlies regelen (men denkt dat deze onder meer gevoelig zijn voor de richting waarin zwart /wit-patronen liggen), prikkelen op hun beurt cellen in het taalcentrum.

Deze koppelen het patroon aan het ’bewust zijn’ van letters. Men wordt zich bijvoorbeeld pas bewust van de hoofdletter A als de cel(len) die dit bewustzijn in zich dragen voldoende worden geprikkeld. Bijvoorbeeld door groepen van cellen die herkennen dat er twee schuine streepjes (de benen van de A) en één liggend streepje op het netvlies staan geprojecteerd.

De schakelingen in de hersenen werken met drempelwaarden, zodat er pas iets gebeurt als er ook werkelijk iets aan de hand is. Spontaan optredende signalen en ’ruis’ worden daardoor genegeerd. Overprikkeling betekent dat de drempelwaarde onterecht wordt overschreden en onderprikkeling dat de drempel — ten onrechte — niet wordt gehaald.

Overprikkeling in het taalcentrum maakt daardoor dat letters worden ‘aangesproken’ die er helemaal niet staan. Onderprikkeling heeft juist het tegenovergestelde effect (letters die er wel staan, worden niet in het bewustzijn opgeroepen). Die over- en onderprikkeling komen perfect overeen met de onvoorspelbare capriolen van het uitgangssignaal in het gebied van de sprong-resonanties die modelsystemen laten zien.

„Daar hoef je niemand voor open te snijden. Op basis van in de literatuur beschreven experimenten, pure wiskunde en wiskundige modelsystemen, kun je tot deze conclusie komen”, zegt Been niet geheel zonder trots. „Bovendien kun je op grond van wiskundige vergelijkingen begrijpen dat de eigen frequentie van een niet-lineair systeem omlaag gaat als er minder verbindingen zijn tussen de verschillende elementen.”

Dat is precies wat anatomen hebben geconstateerd in de hersenen van mensen met woordblindheid. Het aantal cel-elementen is er afgenomen en daarmee ook het aantal verbindingen tussen de elementen onderling. Dat komt goed overeen met de gevonden lagere EEG-golven van rond de 3 Hz.

Op grond van zijn bevindingen over het mechanisme achter woordblindheid, is Been somber over de mogelijkheden die dyslexie-patiënten hebben om hun prestaties te verbeteren. ,Je ziet dat ze al van nature of langzamer of sneller dan gebruikelijk lezen. Klaarblijkelijk om die eigen frequentie van rond de drie fixaties per seconde te vermijden. Door sneller te lezen, maken ze echter ook veel meer fouten.

,Je zou misschien met behulp van medicijnen de eigen frequentie van de hersenen kunnen verhogen”, denkt de psycholoog. Hij vindt dat echter geen elegante oplossing, gezien de mogelijke bijwerkingen van zulke medicijnen.

Been: „Dyslectici zouden wellicht geholpen zijn met wat grotere letters en meer ruimte tussen de woorden. De daarmee gepaard gaande krachtiger oogbewegingen intensiveren wellicht het signaal dat de hersenen bereikt. In modelsystemen veroorzaakt een krachtig signaal minder snel resonantie dan een minder krachtig signaal. Maar ik ben bang dat het de dyslexie-patiënt in de praktijk niet erg veel zal helpen.”
.

Maarten Evenblij, De Volkskrant *16-02-1991

.

leerproblemenalle artikelen          over dyslexie onder nummer 2
.

Rudolf Steiner over: schrijven en lezen
.

1270-1185

.

.

VRIJESCHOOL – Leerproblemen (1-1)

.

Heeft ‘schrijven’ zijn langste tijd gehad? Sommigen (m.n. in Finland) beweren van wel. De toekomst is aan het toetsenbord.
Waarom dan al die inspanning om kinderen goed te leren schrijven?
En sommige kinderen die er zoveel moeite mee hebben?

In onderstaand artikel uit 1993 zijn zij het onderwerp. Is het nog actueel? Is het op de vrijescholen een onderwerp – dysgrafie? –

Komt het voor als je, vooral in de 1e klas, veel tijd inruimt voor de vormtekeningen die bij uitstek als vooroefening voor het schrijven een grote hulp kunnen zijn om het schrijfgerei ongedwongen over het papier te bewegen?
Heb je dan, zoals de onderzoekster voorstelt, bij problemen het blokschrift wel nodig?

‘Deze knoeiboel is onleesbaar, doe maar eens netjes over.’

Een vinnige, rode streep door het ingeleverde werkstuk, een schampere opmerking van de leerkracht en hoongelach van klasgenoten op de koop toe.

Dat wil nog wel eens het lot zijn van de leerling met ernstige schrijfstoornissen, hoe zeer hij ook zijn best doet, zijn gedachtengoed gestroomlijnd op papier te krijgen. Alle medelijden met het bespotte kind ten spijt, is zijn handschrift inderdaad onverbeterlijk slordig en vaak moeilijk leesbaar.

Acht tot tien procent van alle kinderen op de basisschool kampt in meerdere of mindere mate met dit probleem. Voornamelijk jongens hebben moeite met schrijven, zoals zich bij hen ook de meeste leerstoornissen voordoen.
De schrijfstoornis manifesteert zich gewoonlijk als leerlingen een jaar of zeven, acht zijn. Het lijkt erop dat velen de hanepoten ook in hun latere leven niet te boven komen.

Een dysgrafisch handschrift is te herkennen aan bijvoorbeeld een zeer onregelmatige lettergrootte; aan grove afwijkingen van letters van de standaardvormen waardoor ze moeilijk herkenbaar zijn; aan tegen elkaar botsende letters en woorden; en aan scherpe in plaats van ronde hoeken in letterverbindingen.

Onderzoeker dr E. Hamstra-Bletz definieert dysgrafie als een leerstoornis in de mechanische schrijfvaardigheid, af te lezen aan de gebrekkige uitvoering van het schrift van een overigens normale leerling.

Hamstra promoveerde op 15 juni*aan de Rijksuniversiteit Leiden op de dissertatie Het kinderhandschrift; ontwikkeling en beoordeling. Daarin doet de psycholoog haar onderzoek uit de doeken naar de handschriften van basisschoolleerlingen en naar hun schrijfproblemen.

Aanleiding voor dit onderzoek was begin jaren tachtig de geregelde aanmelding van moeilijk schrijvende kinderen bij de polikliniek Kinderneurologie van het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit in Amsterdam. De psychologen daar wisten niet goed raad met de beschreven stoornis en de vraag om hulp.

De term dysgrafie viel, analoog aan dyslexie (leesblindheid) en dyscalculia (een stoornis in het vermogen te leren rekenen). De aanduiding is in kringen van neuro (psycho) logen al decennia in omloop, maar er bestonden geen vastomlijnde objectieve normen waarmee dysgrafie onomstotelijk kon worden vastgesteld, noch was er inzicht in de problemen die deze leerstoornis op termijn geeft. Wel heeft een Frans team in 1964 de resultaten van een onderzoek naar dysgrafie gepubliceerd, maar die bleken niet goed te vertalen naar de Nederlandse situatie.

Hamstra stelt dat ‘kunnen schrijven’ nodig is om optimaal sociaal te kunnen functioneren. Voor een schoolkind is die vaardigheid zelfs cruciaal, aangezien het schrift een belangrijke peiler vormt van het onderwijs. Cru gesteld: een leerling schopt het in Nederland niet ver als hij niet behoorlijk kan schrijven.

De onderzoeker volgde van 1983 tot 1990 het zich ontwikkelende schrift van 121 leerlingen gedurende vijf jaar basisonderwijs. Ze liet hen jaarlijks een schrijftest maken, te beginnen in groep vier (vroeger de tweede klas in het lager onderwijs) en voor het laatst in groep acht (de vroegere zesde klas). Daarbij schreven de leerlingen in hun eigen tempo gedurende vijf minuten een eenvoudige, gedrukte tekst over, met hun eigen pen of potlood op ongelinieerd papier.

De onderzoeker heeft niet bekeken hoe behendig of onhandig haar proefkonijnen omsprongen met pen en papier: vooralsnog was alleen het produkt van die vijf minuten, het uiteindelijke handschrift, object van onderzoek. En dan niet zoals grafologen handschriften onder de loep nemen, schampert Hamstra.

‘Als ik vertel dat ik onderzoek doe naar dysgrafie, denken mensen te begrijpen dat ik me bezighoud met kinderzielen.’
Het karakter van de schrijver is nadrukkelijk geen object van haar onderzoek; Hamstra is louter geïnteresseerd in de motorische vaardigheid en de afwijkingen daarin.

Het eerste resultaat van haar studie was in 1987 een schrijftest. Met deze beoordelingsschaal bracht ze de normale ontwikkeling van het kinderhandschrift tijdens de basisschoolperiode in kaart. Met deze kennis van de normale ontwikkeling bij de hand, kan ze beoordelen of een afwijkend handschrift dysgrafisch is of niet.

Een lange lijst met kenmerken die kunnen wijzen op dysgrafie vormt de beoordelingsschaal, van te grote letters tot schots en scheve regels. Opvallend ge-noeg verwerpt Hamstra ‘leesbaarheid’ als criterium: omdat de ene lezer een handschrift wel kan ontcijferen en de andere niet, zijn er voor leesbaarheid geen objectieve maatstaven aan te leggen.

De lange looptijd van het onderzoek maakte het mogelijk, vast te stellen dat dysgrafie een blijvend probleem vormt, en niet een tijdelijke achterstand. De
onderzoeker meent dat dysgrafie een stoornis is die niet uit zichzelf overgaat.

De primaire taak van de behandelende hulpverlener is volgens Hamstra te bezien of geen ander ongemak het moeilijk schrijvende kind parten speelt: zwakbegaafdheid, of neurologische afwijkingen zoals epilepsie of spasticiteit kunnen ook schrijfstoornissen veroorzaken. ‘Bijvoorbeeld epilepsie is in het handschrift terug te vinden in de vorm van horizontale lijnen, die ontstaan op momenten dat de leerling korte absences heeft.’

Voorts is dysgrafie niet te verwarren met alledaagse slordigheid, benadrukt Hamstra. ‘Een slordig handschrift vertoont duidelijk regelmatigheden; die
ontbreken juist in het schrift van een dysgrafisch kind.’

De factor schrijfsnelheid blijkt verband te kunnen houden met dysgrafie, hoewel extreem traag schrijvende kinderen soms wel een normaal handschrift produceren.

Maar moeten deze kinderen sneller schrijven, dan ontspoort hun handschrift.

De jeugdige leeftijd van de knoeiers speelt volgens Hamstra geen rol. ‘Veel jonge kinderen schrijven juist overdreven netjes, nog helemaal in overeenstemming met de regels van de zojuist verworven kunst.’ Pas in de hogere klassen van de basisschool slaan sommigen aan het kliederen.
Luiheid, geen zin, onwil, werden vroeger gezien als veroorzakers van schrijfproblemen. Geen sprake van, meent Hamstra, al krijgen dysgrafische kinderen inderdaad vaak de pest aan schrijven omdat ze steeds op hun kop krijgen vanwege hun gekras. Hamstra denkt dat dysgrafie vooral wordt veroorzaakt door onhandigheid: de noodzakelijke motorische coördinatie van vinger- en polsbewegingen laat blijkbaar te wensen over. ‘Een dysgrafisch kind weet best wat het wil opschrijven en hoe de letters en woorden eruit moeten zien, maar zijn motoriek kan de opdracht niet uitvoeren.’

Bovendien vermoedt Hamstra dat bij sommige kinderen een mate van dyslexie (leesblindheid) een rol speelt: ‘Als je niet goed kunt lezen, is leren schrijven heel moeilijk. Maar lang niet alle kinderen met schrijfproblemen hebben moeite met lezen.’

Op termijn is het opvallend dat dysgrafische kinderen geen karakteristiek eigen handschrift ontwikkelen, daar waar anderen rond hun tiende juist experimenteren met vormen. Een blijvend kinderlijk handschrift is het resultaat, waarin de basisvormen die de beginnende schrijver ooit heeft aangeleerd, nauwelijks veranderen. De schrijver heeft al moeite genoeg de woorden op papier te krijgen; de extra inspanning die het ontwikkelen van een eigen stijl kost, schiet er daardoor bij in.

Hamstra beveelt aan, alert te reageren op de eerste tekenen van dysgrafie. Speciale begeleiding in schrijven in blokschrift, met losse letters, zou een
oplossing kunnen bieden. Aan elkaar schrijven is moeilijker dan met losse letters, omdat bij verbonden schrift de vorm van de letter moet worden aangepast aan wat ervoor en erna komt. Bovendien is blokschrift beter leesbaar voor anderen en blijkt het voor een dysgrafisch kind even snel te produceren als verbonden schrift.

Als we dan toch bezig zijn, besluit Hamstra, wordt het ook eens tijd dat het schrijfonderwijs in het algemeen op de basisschool meer aandacht krijgt. Het zou zes jaar in plaats van de gebruikelijke drie moeten worden volgehouden.
Wellicht produceren niet-dysgrafische kinderen dan uiteindelijk ook fraaiere manuscripten.

boven: normale handschriften van leerlingen van groep 4 en 5 van de basisschool
onder: dysgrafisch handschrift

Mieke Zijlmans, de Volkskrant *19-06-1993

.

schrijven: alle artikelen     [2-1]  [2-2]  [ 9]

1269-1184

.

.

.

VRIJESCHOOL – Schrijven (10)

.

In onderstaand artikel geeft ‘zomaar een onderwijzer’ zijn gezichtspunten weer over het materiaal waarmee de leerlingen schrijven. De balpen is niet favoriet.

Wel een oud artikel, maar met nog actuele vraagstellingen.

EN WAARMEE LATEN WE ONZE LEERLINGEN SCHRIJVEN

Zoals de titel reeds zegt, voel ik mij zo vrij eens even met u stil te staan bij het schrijfmateriaal waarmee de kinderen schrijven. Ruim vijftien jaar geleden* schreven vele kinderen op school nog met een stalen pen en losse inkt (o.a. kroontjespen). Dat dit een tamelijk onhandig en omslachtig gedoe was, spreekt voor zich. Toch kregen de kinderen hierdoor echter wel een goede schrijfhand; beheersing van de spieren (spierfunctietraining). Omdat na de oorlog de balpen zich met rasse schreden aan ons heeft opgedrongen is het geen wonder dat deze z’n invloed ook op de basisschool heeft doen gelden. Ik mag wel zeggen in negatieve zin, want met de komst van de balpen was het hek van de dam.

De fabrikanten slaagden erin steeds goedkopere balpennen op de markt te brengen. Of dit het schrijfonderwijs ten goede kwam, was niet zo belangrijk. Het motto was: als ie maar schreef; dat de pasta soms ook vreselijk vlekte nam men op de koop toe.

De leerkrachten ontdekten al vlot dat de schrijfresultaten met de dag slechter werden. Het enthousiasme om goed schrijfonderwijs te geven verminderde door de komst van de balpen zeer snel.
Het is unfair om dan de schuld maar aan de schrijfmethode te geven, want deze is eigenlijk maar één van de hulpmiddelen om de leerlingen een goede schrijfopvoeding te geven.
Er wordt in ons landje nog te vaak gedacht: als „het” maar te lezen is. Evenwel aan het laatste ontbreekt het vaak ook nog.

In West-Duitsland is men met het onderzoek aangaande de beste schrijfopvoeding al veel verder gevorderd dan in ons land. Het schrijfmateriaal wordt daar tenminste serieus genomen en men laat er niet van alles de scholen binnenslingeren. Wetenschappelijke onderzoekingen hebben daar bewezen dat tot op heden de vulpen het beste schrijfgereedschap is.

Bij ons komt het maar al te vaak voor dat een aantal leerlingen met zo’n z.g. standaardbalpen schrijft; een ander gedeelte brengt zelf allerlei troep mee van huis waarmee dan geschreven wordt, zelfs tot knotsen van tienkleurenbalpennen toe. Soms zijn dit ook balpennen die men gratis bij een of andere instelling of club heeft gekregen waardoor de pen ook nog ais reclameobject fungeert.

Een enkele leerling schrijft zelfs met een kostbare balpen omdat de ouders van zo’n kind op school willen laten zien wat zij wel voor hun kind over hebben. Dan is er een aantal dat mogelijk met een vulpen schrijft; soms ook nog afkomstig van een oudere broer of zus. Ook hier weer van allerlei kaliber.

Dat hierdoor de schrijfresultaten niet bepaald fraai zijn, lijkt me vanzelfsprekend. Hoe kan men hier nu verandering in brengen?

Wil men goed en verantwoord schrijfonderwijs geven, dan dient men – naar mijn mening – allereerst de balpen uit de klas te weren! De balpen heeft vele bezwaren:

– Hij is erg gevoelig voor temperatuursverschillen; bij warmte loopt de inkt te overvloedig en als ie koud is, dan komterte weinig inkt(pasta) uit.
– Bij de eerste aanzet ontstaat gemakkelijk, zeker bij goedkopere pennen, een uitvloeiing die een lelijk kladeffect geeft en lang plakkerig blijft.
– De aniline-inkt hecht zich onregelmatig aan het gebruikelijke papier waardoor het inktspoor/schriftspoor talrijke onderbrekingen vertoont. Dit is moelijk te verhelpen want het ligt in het wezen van de inktgeving van een rond kogeltje.
– Vaak moet je te hard drukken, waardoor afdrukken aan de andere kant van het papier erg zichtbaar zijn; groeven in het papier.
– Ten opzichte van de vulpen is de balpen erg labiel. Dit komt door het draaiende kogeltje. De stift gaat meestal al heen en weer, en daar doet het draaiende kogeltje nog een stapje bij op.
– De balpen schrijft alleen maar als je hem behoorlijk rechtop houdt. De pen moet met het schrijfvlak minstens een hoek van 50 graden maken omdat ze anders niet schrijft. Hierdoor krijg je een foute schrijfhouding.
– De balpen laat zich gemakkelijk alle kanten uitrollen waardoor de gevoelservaringen bij het schrijven steeds wisselen. Dit is niet bevorderlijk voor het vastleggen van een bewegingspatroon.
– Wanneer eersteklassertjes met een balpen schrijven, moeten ze, voor hun doen, hierop een behoorlijke druk uitoefenen; vooral de eerste maanden. Dit brengt een krampachttige schrijfhouding teweeg (spierverstijving). In een later stadium is het erg moeilijk de foute schrijfhouding te corrigeren.
– Nauwkeurige metingen van de schrijfdruk van dezelfde schrijver met een balpen en een vulpen hebben uitgewezen, dat deze druk bij de balpen zesmaal zo groot is als bij de vulpen. Dit is zonder meer ongunstig voor de vingerspieren (in dit stadium) en voor het schrift. Vandaar ook dat een balpen niet goed is voor het aanvankelijk schrijfonderwijs. Trouwens, na enige tijd met een balpen geschreven te hebben is het moeilijker met een vulpen te schrijven dan omgekeerd.
–  De schrijflijn van de balpen is veel minder genuanceerd dan die van een vulpen; het totaalbeeld van het schrift is bij de balpen beslist veel minder. Doordat er bij de balpen steeds druk uitgeoefend dient te worden is ritmisch schrijven niet altijd mogelijk.
– Vlekken, ontstaan door de balpeninkt zijn beslist moeilijker te verwijderen dan die van de uitwisbare vulpeninkt.

Willen we de kinderen verantwoord schrijfmateriaal geven, dan dienen we wat dit betreft ook samen te werken met de kleuterschool. Nu men in deze tijd de mond vol heeft van integratie lijkt me dit niet moeilijk. Om de vingers schrijfgevoelig te maken zou men op de kleuterschool allerlei kneedoefeningen met klei kunnen doen. De motorische vooroefeningen kunnen het best gedaan worden op grote vellen papier, gebruik makende van krijtjes en viltstiften. Vooral ook oefeningen op het bord; alles nog erg groot en komende tot een ritmisch geheel. Eveneens vingerpainting, werken met penseel, allerlei motorische vooroefeningen op werkbladen met voorbedrukte schrijfpatronen. Op veel kleuterscholen gebeurt dit gelukkig al. De ontwikkeling van de schrijfmotoriek verloopt van grof naar fijn, daarom dienen we het materiaal hier ook aan te passen.

In de eerste klas van de basisschool geven we de leerlingen fijnschrijvende viltstiftjes, speciaal voor het aanvankelijk schrijfonderwijs gemaakt. Liever geen potlood omdat hierop over het algemeen een flinke druk uitgeoefend moet worden (voor het tekenonderwijs is dat wat anders). De dikte van de potloodpunt verandert ook steeds tijdens het schrijven. Verder is de verleiding tot hantering van het gum erg groot; de kinderen werken niet meer netjes en de woorden (schrijfpatronen) worden onderbroken gemaakt.

Met voornoemde fijne viltstiftjes is het voor de beginnende schrijvertjes prima werken. We hoeven alleen maar te letten op de bewegingen en natuurlijk de schrijfhouding.

Na een klein halfjaar geven we de kinderen een vulpen in handen. Dit is voor de schooltijd het hoofdschrijfinstrument bij uitstek. Nu vraagt u zich natuurlijk af: Ja, maar welke vulpen? En terecht, want de laatste jaren zijn er vele soorten en modellen op de markt gekomen. U dient daarom wel even op uw hoede te zijn. Ik wil hier absoluut geen reclame maken voor een bepaald merk, vulpen, doch de Pelikano in West-Duitsland is er door researchwerk in geslaagd een erg goede vulpen speciaal voor het schoolkind op de markt te brengen. Deze vulpen werd in samenwerking met vooraanstaande pedagogen ontwikkeld. Vorm, gewicht en technische eigenschappen zijn op de scholierhand afgestemd. Grijpribbels met profiel verhinderen dat de vingers tijdens het schrijven verstijven of dat ze op het pennetje glijden.

Ook andere merken hebben de laatste jaren goede schoolvulpennen op de markt gebracht. De pennetjes zijn in verschillende schrijfdiktes verkrijgbaar. De ervaring is dat het beter is het kind niet met een al te fijne penpunt te laten schrijven. Een A(nfang), F(ijn), of een M(edium) pennetje schrijft beslist veel gemakkelijker dan een E(xtra) F(ijn) pennetje. Het beste is met een A-pennetje te beginnen en deze na ca. twee jaar te verwisselen voor een F-pennetje. Deze losse pennetjes kunnen heel gemakkelijk in en uit de vulpen geschoven worden. Waarom zou een schoolkind zoals vroeger bij de kroontjespen zo iel moeten schrijven waardoor het schrift nauwelijks karakter heeft?

Tot slot zult u misschien vragen: maar wie betaalt zo’n vulpen?. Relatief gezien zijn de vulpennen de laatste jaren steeds goedkoper geworden. De prijs hoeft absoluut geen handicap te zijn. Desnoods laat men de ouders de helft mee betalen; hierdoor krijgt het kind ook het gevoel zuinig op de pen te zijn omdat ze gedeeltelijk eigendom is.

Op meerdere scholen schrijven de kinderen reeds jaren met een vulpen. Men ziet de vervanging van de balpen door een goede vulpen als een enorme vooruitgang. Ook de andere vakken worden er positief door beïnvloed. Net en ordelijk schrift bevordert zelfs het ordelijk denken van het kind. Onderzoekingen hebben aangetoond dat ordelijk schrift tevens het karakter gunstig beïnvloedt. [1]

Wanneer evenwel de kinderen ook nog schrijven met balpennen die meer lijken op gereedschap voor timmerlieden, namelijk hamers, spijkers en schroeven – de tegenwoordige rage – dan hoeven we ons niet meer af te vragen hoe het komt dat de schrijfresultaten van vele leerlingen vaak zo beneden de maat liggen!

J.P.Westerik, De Vacature, *16-07-1977

[1]
Der S. T. in der 9. Klasse ist so unbeholfen im schriftlichen Ausdruck. Soll man das Aufsatzschreiben besonders mit ihm üben?

S.T. in de 9e klas is bij het zich schriftelijk uitdrukken zo onbeholpen. Moet het schrijven van opstellen met hem worden geoefend?

Dr. Steiner:
Man müßte seine Schrift kultivieren, ganz elementar, übungsmäßig. Wenn man anfangen würde, ihn als Nebenaufgabe täglich nur eine Viertelseite so schreiben zu lassen, daß er beim Schreiben auf jeden einzelnen Buchstaben formend achtgibt, wenn er also dies machen würde, jeden einzelnen Buchstaben geformt schreiben, dann würde das zurückwirken auf seinen ganzen Charak­ter.

Je zou zijn handschrift moeten cultiveren, heel elementair, met oefeningen. Wanneer je zou beginnen hem als hulpopdracht dagelijks een kwartiertje zo te laten schrijven dat hij bij het schrijven op iedere aparte letter op de vorm let, wanneer hij het dus zo iedere aparte letter gevormd zou schrijven, dan zou dan ook op heel zijn karakter terugwerken.
GA 300C/108    (1923)
Niet vertaald
.

Schrijven: alle artikelen

.

1268-1183

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301- voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:    [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]   [12]  [13]  [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

1e voordracht Basel, 20 april 1920 [2]

Inhoudsopgave:
Inleiding: geesteswetenschap en moderne pedagogie;
Herbart;
ondanks voortreffelijke pedagogische principes sociale chaos;
door geesteswetenschap kan de pedagogie kunst worden;
grenzen aan de antropologische zienswijze;
ziel en lichaam; denken, voelen en willen;
fasen in de kinderontwikkeling: melktanden, tandenwisseling, geslachtsrijpheid; metamorfose van krachten;
betekenis van autoriteit;
spraak en wilsvorming;
wil en voorstelling als levende krachten;
in plaats van abstracties levert geesteswetenschap waarneming van de menselijke wording.

Einleitung

blz. 9

Meine sehr verehrten Anwesenden!
Für die Veranstaltung habe ich den Herren Veranstaltern wirklich herzlich zu danken. Sie können sich ja denken, daß derjenige, der sein ganzes Sein einsetzt für die Verbreitung der sogenannten Geisteswissenschaft, auch mit einer ge­wissen Begeisterung an dieser Geisteswissenschaft hängen und den Glauben haben muß, daß diese Geisteswissenschaft innerhalb der uni­versellen Bildung und der ganzen Zivilisation unserer Zeit eine be­stimmte Rolle zu spielen hat. Daß dieser pädagogische Kursus zu­stande kommt, erscheint mir eine ganz besonders dankenswerte Tat­sache, denn gerade an dem Erziehungswesen wird sich vielleicht die Geisteswissenschaft am besten und am ehesten erforschen lassen. An dem Erziehungswesen wird sich auch zeigen können, wie wenig diese Geisteswissenschaft die Angelegenheit einiger Schwärmer und Träu­mer oder irgendeiner Sekte ist, sondern wie sie etwas sein will, womit der gesamten Menschheit eine Art von Anleitung an die Hand gege­ben wird.

inleiding

Zeer geachte aanwezigen!
Voor de organisatie moet ik de heren organisatoren werkelijk hartelijk bedanken. U kunt zich wel indenken, dat degene die zijn hele wezen inzet voor het bekend maken van de zogeheten geesteswetenschap er ook met een zeker enthousiasme aan gehecht moet zijn en erin moet geloven dat deze geesteswetenschap binnen de universele vorming en de hele beschaving van onze tijd een bepaalde rol heeft te vervullen. Dat deze pedagogische cursus tot stand komt, is voor mij een feit om bijzonder dankbaar voor te zijn, want juist bij de pedagogiek zal de geesteswetenschap het beste en het eerste onderzocht kunnen worden. Bij de pedagogiek zal zij ook kunnen laten zien, hoe weinig deze geesteswetenschap de aangelegenheid is van dwepers en dromers of op de een of andere manier een sekte is, maar dat ze iets wil zijn, waarmee de hele mensheid een soort leidraad ter hand gesteld wordt.

Daher, ich darf es wohl mit diesen kurzen Worten ausspre­chen, bin ich wirklich herzlich dankbar denen, welche diese Vorträge veranstaltet haben, und ich danke auch Ihnen, die Sie sie besuchen wollen und hoffe, daß wir uns im Laufe der nächsten Tage über wich­tige Angelegenheiten der Menschheit werden unterhalten können.
Im heutigen Vortrag werde ich mir erlauben, eine Art von Ein­leitung, einen Hinweis zu geben auf die Richtung, welche das Thema, das ich mir vorgesetzt habe, nehmen wird. Nun bitte ich Sie, aus der Formulierung meines Themas durchaus nicht etwa den Schluß ziehen zu wollen, daß ich, wie irgendein unvernünftiger Radikaler es vielleicht tun würde, durch diese Themaformulierung etwa habe andeuten wol­len, daß die Erziehungswissenschaft, so wie sie sich namentlich im Laufe des 19. Jahrhunderts und bis in unsere Tage herausgebildet hat, nichts tauge, und daß sie auf Geisteswissenschaft gewartet habe, um

Daarom, ik mag het wel met deze korte woorden uitspreken, ben ik daadwerkelijk de mensen dankbaar die deze voordrachten georganiseerd hebben en ik dank ook u, omdat u ze wil bijwonen en ik hoop dat we elkaar in de loop van de komende dagen over belangrijke zaken die de mensheid betreffen, kunnen spreken.
In de voordracht van vandaag neem ik de vrijheid een soort inleiding, een aanwijzing te geven in de richting van het thema dat ik gekozen heb. Nu verzoek ik u uit de omschrijving van mijn thema beslist niet de conclusie te willen trekken dat ik met dit thema zoiets heb willen aanduiden als dat de opvoedkundige wetenschap, zoals die zich in de loop van de 19e eeuw tot vandaag de dag zich ontwikkeld heeft, niet zou deugen en dat die op geesteswetenschap heeft zitten wachten om

blz. 10

gewissermaßen erst geschaffen zu werden. Dieser Glaube lag ganz ge­wiß der Formulierung des Themas nicht zugrunde. Im Gegenteil, es ist eigentlich eine ganz andere Empfindung als Ausgangspunkt da für dasjenige, auf das ich in diesen Vorträgen aufmerksam machen möchte. Ich glaube durchaus, daß die Erziehungswissenschaft, welche gerade im Laufe des 19. Jahrhunderts so hervorragende Persönlichkeiten zu ihren Vertretern gehabt hat, deren Wirksamkeit ja hereinragt in die pädagogische Betätigung der Gegenwart, daß diese Erziehungswissen­schaft gerade eine gewisse Vollkommenheit erlangen kann. Ich glaube, daß derjenige, der heute aus diesem oder jenem Grunde genötigt ist, sich in den verschiedensten Wissenschaften umzusehen und kennen­zulernen, wie man diese Wissenschaften theoretisch und praktisch ver­tritt, wie sie hineingehen in das Leben, und der dann auch sich mit der Erziehungswissenschaft beschäftigt, daß der eigentlich mit dieser Erzie­hungswissenschaft im Vergleich mit den andern Wissenschaften – so sonderbar das klingen mag, ich möchte es als meine eigene Erfahrung aussprechen – das Urtei. verbinden muß: sie enthält eigentlich, so wie sie heute gestaltet ist, die allersorgfältigsten Grundsätze, manche un­anfechtbaren Formulierungen desjenigen, was eigentlich der Erzie­hungstätigkeit als Prinzip zugrunde liegen müßte, so daß man,

in zekere zin nu pas in het leven te worden geroepen. Deze overtuiging lag zeer zeker niet aan de formulering van het thema ten grondslag. Integendeel, eigenlijk is een heel ander gevoel als uitgangspunt aanwezig, waarop ik in deze voordrachten wil duiden. Ik geloof zeer belsist, dat de opvoedingswetenschap die in de 19e eeuw zulke eminente persoonlijkheden als vertegenwoordigers heeft gehad, van wie de invloed nog tot in het pedagogisch werk van heden reikt, dat deze opvoedingswetenschap juist een zekere perfectie kan bereiken. Ik geloof dat degene die tegenwoordig om een of andere reden verplicht is de meest verschillende wetenschappen te bekijken en te leren kennen hoe men deze wetenschappen theoretisch en praktisch vertegenwoordigt, op de manier waarop ze er in het leven zijn en die zich dan ook met opvoedingswetenschap uiteenzet, dat die met deze wetenschap in vergelijking met de andere – hoe gek dat ook mag klinken, maar ik zou het als mijn eigen ervaring kunnen uitspreken – het oordeel moet verbinden: eigenlijk bevat ze, zoals ze tegenwoordig gestructureerd is, de meest zorgvuldige basisregels, veel niet aanvechtbare formuleringen van wat eigenlijk ten grondslag moet liggen aan dit opvoedkundig werken, zodat men,

wenn man auf das Wollen und auf das urteilsmäßige Durchdringen der Er­ziehungsnotwendigkeiten hinsieht, von dieser pädagogischen Wissen-schaft eigentlich nur den allerbesten Eindruck erhält. Gerade davon möchte ich ausgehen, daß ich durchaus nicht unterschätze, um nur einen zu nennen, die Wirksamkeit eines solchen Geistes, wie es zum Beispiel Herbart ist.
Ich habe selber die Herbartsche Strömung recht intim kennengelernt. Ich bin ja die erste Hälfte meines Lebens in Österreich gewesen, bin in Österreich fast bis zum 30. Lebensjahre herangewachsen; und in Öster­reich war eigentlich die Herbartsche Pädagogik für das gesamte staat­liche Unterrichtswesen, das dazumal Oetzler (?) und andere geordnet hatten, tonangebend geworden. An allen österreichischen Universitäten wirkten für die Pädagogik Herbartianer, so daß mir im Laufe meines Lebens gerade die Herbartsche Pädagogik, ich möchte sagen, in ihren einzelnsten Bestrebungen entgegentrat. Aber auch, wenn ich die Betrachtung ausdehne von der Herbartschen Pädagogik auf andere pädagogische Strömungen, die aus der jüngsten Vergangenheit in die Gegenwart hereinragen, so möchte ich auch sagen: Es ist eigentlich auf

wanneer je naar de impulsen kijkt en naar hoe er geoordeeld wordt bij het doordringen tot de noodzaken van de opvoeding, je van deze pedagogische wetenschap eigenlijk alleen maar de allerbeste indruk krijgt. Ik wil er juist van uitgaan dat ik beslist niet onderwaardeer, om maar een voorbeeld te noemen, wat er van zo’n geest als Herbart uitgaat. Ik heb de stroming die van Herbart* uitging tamelijk van dichtbij leren kennen. Ik ben de eerste helft van mijn leven in Oostenrijk geweest, ik ben bijna tot mijn 30e in Oostenrijk opgegroeid; en in Oostenrijk was eigenlijk voor het hele onderwijsbestel van de staat, dat toentertijd Oezler(?) en anderen ingericht hadden, de pedagogie van Herbart toonaangevend geworden. Aan alle universiteiten werkten voor de pedagogiek aanhangers van Herbart, zodat ik in de loop van mijn leven juist de pedagogiek van Herbart – ik zou willen zeggen – als meest gedetailleerde beweging, tegenkwam. Maar ook, wanneer ik de beschouwing van de pedagogiek van Herbart naar andere pedagogische stromingen nog wat verder voer, die uit het jongste verleden tot op heden doorwerken, zo zou ik ook willen zeggen: Eigenlijk

*Johann Friedrich Herbart, 1776-1841, Philosoph und Pädagoge. Leitete mittels Psychologie aus Anschauungen der Ethik das Ziel der Erziehung ab. «Allgemeine Pädagogik« (1806), «Umriß pädagogischer Vorlesungen« (1835).

blz. 11

den Gebieten des pädagogischen Denkens, Empfindens überall Erfreu­liches zu verzeichnen. Das ist eine Strömung, ich möchte sagen, der wir gegenüberstehen, wenn es sich darum handelt, das Pädagogische als ein wichtigstes Glied unserer ganzen Zivilisation ins Auge zu fassen.
Das andere aber, das ist dieses, daß eigentlich – es war ja immer bis zu einem gewissen Grade der Fall, aber so stark doch nicht, wie heute -das Ganze der pädagogischen Kunst, des pädagogischen Denkens einer weitgehenden Kritik unterworfen wird. Wir sehen, wie von Laien und von Fachleuten wiederum das Pädagogische in einer herben Weise zu­weilen bekrittelt wird, wie es auf der anderen Seite manchmal ge­schickt, manchmal auch nicht besonders geschickt verteidigt wird, so wie es nun einmal sich herausgebildet hat und wie es heute herrschend ist. Wenn wir sehen, was alles gesagt wird von Leuten, die etwa Land­erziehungsheime gründen, und die da von einer völligen Erneuerung des pädagogischen Wesens sprechen, wenn wir dann weiter verfolgen, wie weiteste Kreise an solchen Diskussionen Anteil nehmen, so müssen wir auch sagen:

is er op het gebied van pedagogisch denken, aanvoelen, overal iets verheugends op te tekenen. We staan tegenover een stroming waarbij het erom gaat wat pedagogie is, als een zeer belangrijk deel van onze gehele beschaving te beschouwen.
Het andere echter is dit, dat eigenlijk – dat was altijd wel een beetje het geval, maar niet zo sterk als nu – de hele pedagogische kunst, het denken over pedagogiek aan een vergaande kritiek onderworpen wordt. We zien hoe door leken en door vakmensen  de pedagogiek af en toe opnieuw op een frisse manier bekritiseerd wordt en hoe die enerzijds soms adequaat, anderzijds soms ook niet zo bijzonder handig verdedigd wordt, zoals dat nu eenmaal gaat en gangbaar is. Wanneer we zien wat er allemaal gezegd wordt door mensen die zoiets als instituten op het platte land stichten (Landerziehungskeime) en die daarom van een volledige vernieuwing van de pedagogie spreken, wanneer we dan verder volgen, hoe uit de breedste kringen mensen aan dergelijke discussies deelnemen, moeten we ook wel zeggen:

Indem die Menschen hinschauen auf dasjenige, was eigentlich erreicht wird durch das – ich sage es ganz unverhohlen – groß­artige unserer Erziehungswissenschaft, so können wir wieder manchmal nicht ganz Unrecht der Kritik geben, die sich da geltend macht.
Zwischen diesen beiden Gesichtspunkten steht man eigentlich mit­ten drinnen. Dazu kommt ein anderer, ein viel umfassenderer. Und ich glaube wirklich nicht das Gebiet eines einleitenden Vortrages zu einem pädagogischen Kursus zu überschreiten, wenn ich auf dieses Sonder­bare auch aufmerksam mache.
Wir sind in den letzten fünf bis sechs Jahren, wenn das auch in der Schweiz weniger bemerkbar geworden ist als in den anderen Gebieten Europas, wir sind durch eine schwere Zeit durchgegangen, jedenfalls
– das wird auch jeder Schweizer ohne weiteres zugeben müssen – durch eine solche Zeit, von der sich die Menschen vor zehn Jahren keine Vor­stellung gemacht haben. Man frage sich nur einmal, ob sich die Men­schen vor zehn Jahren hätten träumen lassen, daß über Europa das kommen werde, was nun gekommen ist. Wir dürfen nicht vergessen, was heute, ich möchte sagen, wie ein Niederschlag der furchtbaren Kriegsnot sich ergeben hat: ein Chaos in den sozialen Verhältnissen über einem großen Teil von Europa. Und derjenige täuscht sich, der glaubt, daß dieses Chaos etwa bereits an einem Wendepunkt wäre und daß es nächstens besser wird. Wir stehen in bezug auf diese chaotischen

als de mensen kijken naar wat er in feite bereikt wordt door – ik zeg het zonder er doekjes omheen te winden – het grootse van onze opvoedingswetenschap, dan kunnen we soms weer de kritiek die gegeven wordt, niet helemaal onterecht vinden.
We staan eigenlijk midden tussen deze beide gezichtspunten in. Daarbij komt nog wat anders en dat is veel omvattender. En ik geloof werkelijk niet buiten mijn boekje te gaan, wanneer ik in een inleidende voordracht bij een pedagogische cursus op dit wonderbaarlijke ook de aandacht vestig.
Wij hebben de laatste vijf of zes jaar, ook al merkte men dit in Zwitserland minder dan in andere gebieden van Europa, een zware tijd gehad, in ieder geval – dat zal iedere Zwitser zondermeer moeten toegeven – zo’n tijd waarvan de mensen tien jaar geleden zich geen voorstelling maakten. Vraag maar eens of de mensen tien jaar geleden hadden kunnen bevroeden dat er over Europa zou komen, wat nu plaatsgevonden heeft. We mogen niet vergeten wat nu het ernstige gevolg is van die vreselijke oorlogsnood: chaos in de sociale verhoudingen in een groot deel van Europa. En wie gelooft dat deze chaos nu al op een keerpunt is en dat het hierna beter wordt, vergist zich. We staan wat deze

bl. 12

Verhältnisse im Grunde genommen erst im Anfang. Und da muß man sich dann doch fragen: Liegt es denn wirklich nur an den äußeren Verhältnissen, daß wir in dieses Chaos sozialer europäischer öffent­licher Angelegenheiten hineingekommen sind? Muß man denn nicht bei unbefangener Betrachtung sich sagen: Es kann nicht an den Verhält­nissen liegen, denn die Verhältnisse werden durch die Menschen ge­macht; es muß an den Menschen liegen.
Sieht man genauer zu, so findet man audi sehr bald heraus, wie es an den Menschen liegt; wie es daran liegt, daß heute, in der Zeit, in der man am meisten schreit nach sozialer Gliederung unserer gesellschaft­lichen Verhältnisse, so wenig eigentlich wirklich soziale, sondern zu­meist antisoziale Empfindungen vorhanden sind. Und wirklich, kann man denn umhin, sich zu gestehen, daß dies alles herangezogen worden ist trotz aller Vorzüglichkeit der pädagogischen Grundsätze, trotz alles dessen, was in anerkennenswerter Weise geleistet worden ist und was vom besten Willen beseelt ist? Wir müssen sagen: Trotz allem haben wir nicht vermocht, die Menschheit der neueren Zeit dahin zu bringen, daß der eine dem andern wirklich verständnisvoll gegenüber­stehen kann.

chaotische verhoudigen betreft in wezen pas aan het begin. En dan moet je je toch afvragen: ligt dit dan werkelijk alleen maar aan de uiterlijke verhoudingen, dat wij in deze chaos van sociale Europese publiekelijke aangelegenheden terecht zijn gekomen? Moet je niet zeggen, wanneer je er onbevangen naar kijkt: het kan niet aan de verhoudingen liggen, want de verhoudingen worden door de mens gemaakt; het moet aan de mensen liggen.
Kijk je nauwkeuriger, dan vind je al gauw hoe het aan de mens ligt; hoe het komt dat tegenwoordig, in een tijd waarin het hardst om een sociale verdeling van onze maatschappelijke verhoudingen wordt geroepen, er zo weinig echte sociale, maar meestal antisociale sentimenten aanwezig zijn. En kun je er dan daadwerkelijk omheen toe te geven dat dit alles naderbij gekomen is, ondanks alle voortreffelijke pedagogische basisprincipes, ondanks alles wat op een gerespecteerde manier tot stand is gebracht en door beste wil bezield? We moeten zeggen: ondanks alles zijn we niet in staat gebleken de mensheid van de nieuwere tijd daar te brengen, dat de ene mens met werkelijk begrip de ander ontmoeten kan.

Wir haben eine Zeit heraufziehen sehen, in der wahr­haftig die Menschen nicht gegeizt haben mit dem Lob, daß wir es so herrlich weit gebracht haben. Aber wir haben auch das Sich-selbst-ad­absurdum-Führen dieser Zeit gründlich kennengelernt. Da müßte es denn wenigstens in die Herzen einziehen wie eine Sehnsucht, zu prü­fen, ob denn nicht doch gerade durch diese pädagogische Kunst dieses Geschlecht, das heute sich so in den Haaren liegt in Europa, heran­gezogen worden ist? Dies müßte doch sehr einer näheren Fragestellung unterworfen werden. Und sieht man etwas genauer zu, so findet man da: Es ist gar nicht anders möglich, als mit wirklicher Verehrung zu hängen an den großen Gestalten der Pädagogen des 19. Jahrhunderts, an Herbart, Ziller, Diesterweg, Pestalozzi und so weiter – Ihnen brauche ich ja die einzelnen Namen nicht zu nennen -, aber auf der anderen Seite muß man auch sagen: Ja, wir haben eine mustergültige Erziehungswissenschaft, aber es handelt sich beim Erziehen gerade mehr als sonstwo um noch etwas anderes als um eine vorzügliche Wissenschaft, es handelt sich gerade beim Erziehen darum, daß diese Wissenschaft übergehen kann in eine wirkliche Kunst; daß Pädagogik Kunst werden kann.
Wenn man die Sache einmal, nur um zu verdeutlichen, im Vergleich

We hebben een tijd op zien komen waarin de mensen echt niet zuinig waren met de loftuitingen dat we zo geweldig ver gekomen zijn. Maar we hebben ook leren kennen hoe deze tijd zichzelf ad absurdum heeft gevoerd. Dan moet het tenminste als een verlangen in de harten komen, te onderzoeken of dan toch deze generatie die in Europa elkaar in de haren is gevlogen, niet juist door deze pedagogische kunst opgevoed is. Dit zou toch aan een nader onderzoek onderworpen moeten worden. En kijk je nauwkeuriger, dan vind je: het is echt niet anders mogelijk dan met werkelijke verering de grote pedagogische persoonlijkheden van de 19e eeuw te volgen: Herbart, Ziller*, Diesterweg**, Pestalozzi*** enz. = ik hoef u niet alle namen een voor een te noemen -. maar aan de andere kant moet je toch zeggen: Ja,we hebben een voorbeeldige opvoedingswetenschap, maar het gaat bij de opvoeding juist meer dan ergens anders, om nog wat anders, dan om een voortreffelijke wetenschap, het gaat er bij het opvoeden juist om dat deze wetenschap een werkelijke kunst kan worden; dat pedagogie kunst kan worden.
Wanneer je de zaak eens, alleen maar ter verduidelijking, in vergelijking

  *Tuiskon Ziller, 1817-1882.
**Adolf Diesterweg, 1790-1866. Pädagoge und Schulpolitiker, der der staatlichen und kirchlichen Einflußnahme auf das Schulwesen entgegenwirkte.
***Johann Heinrich Pestalozzi, 1746-1827. Eigentlicher Begründer der Volksschule. Werke: u.a. «Abendstunde eines Einsiedlers«, «Lienhard und Gertrud«. Vgl. auch C. Englert-Faye, «Vom Menschen Johann Heinrich Pestalozzi« (Basel 1967).

blz. 13

mit der Kunst betrachten will, so kann man sagen: Es kann eine vor­zügliche Asthetik geben, vorzügliche Kenntnisse, wie man es in der Musik oder in der Plastik oder Malerei macht, und diese Wissenschaft vom Malen, diese Wissenschaft vom Bildhauern, diese Wissenschaft vom Komponieren, sie kann großartig sein; aber es ist doch etwas an­deres, diese Wissenschaft nun anwenden zu können. Ja, man kann sagen: Derjenige, der sie anwendet, der Bildhauer, der Maler, der Musiker, der hat sogar in der Regel eine rechte Antipathie gegen die Grundsätze, die ausgedacht worden sind. Bei ihm handelt es sich darum, daß diese Grundsätze überhaupt gar nicht ins Vorstellungs­leben übergehen, sondern daß diese Grundsätze in seinen Händen, in seinern ganzen Wesen leben, daß sie in ihm lebendige Gestalt werden können. In der Erziehungswissenschaft liegt die Sache nicht ganz so wie in irgendeiner anderen ästhetischen Wissenschaft. Inder Erziehungs­wissenschaft muß alles bewußter, muß alles viel mehr von Vorstellun­gen durchdrungen sein, als, sagen wir, in der Malerei oder Musik oder Plastik. Aber dennoch, was wir als richtig begreifen im Erziehen, das muß übergehen können in das ganze Wesen unserer Persönlichkeit, wenn wir pädagogische Künstler werden wollen. 

met de kunst wil bekijken, kun je zeggen: je kan een voortreffelijke schoonheidsleer hebben, voortreffelijke kennis over hoe men het in de muziek of bij het beeldhouwen of het schilderen doet en deze wetenschap van het schilderen, deze wetenschap van het beeldhouwen, deze wetenschap van het componeren kan groots zijn; maar iets anders is het toch deze wetenschap te kunnen toepassen. Ja, je kan zeggen: degene die ze toepast, de beeldhouwer, de schilder, de musiscus heeft zelfs in de regel heel wat tegenzin in al die grondregels die er bedacht zijn. Bij hem gaat het erom dat deze basisregels helemaal niet in zijn voorstellingen terechtkomen, maar in zijn handen, in zijn hele wezen leven, dat die in hem tot iets levends kunnen worden. Bij de opvoedingswetenschap ligt de zaak niet helemaal zo als in een of andere esthetische wetenschap. In de opvoedingswetenschap moet alles bewuster, moet alles veel meer van voorstellingen doordrongen zijn, dan – laten we zeggen – bij de schilderkunst of in de muziek of het beeldhouwen. Maar toch, wat we bij de opvoeding goed begrijpen, moet kunnen overgaan in onze hele persoonlijkheid, als we een pedagogisch kunstenaar willen worden.

Und gerade auf diesem Gebiete glaube ich, daß Geisteswissenschaft helfen kann. Und von dieser Hilfe, die durch Geisteswissenschaft der Pädagogik werden kann, möchte ich eben in diesem Kurse sprechen. Nicht, daß ich glaube, daß die Grundsätze der pädagogischen Wissen­schaft reformiert zu werden brauchen, sondern ich glaube, um diese richtigen Grundsätze – sei es in einem einzelnen Falle der Erziehung, sei es der großen Klasse gegenüber – in wirklicher praktischer Weise an-zuwenden, ist es notwendig, daß diese Grundsätze belebt und durch­zogen werden von dem, was eigentlich nur Geisteswissenschaft geben kann. Geisteswissenschaft ist etwas, was einziehen will in alle Gebiete gegenwärtigen wissenschaftlichen Erkennens. Geisteswissenschaft ist etwas, das eine Auffrischung geben soll für alles, was von unserer Zeit-kultur angestrebt wird; dieser Zeitkultur, die – wenn auch heute viele Menschen glauben, man sei bereits in einer Art Rückschritt zum Idealis­mus begriffen – ja doch hervorgegangen ist aus dem Materialismus, und die den Materialismus aus der letzten Hälfte des 19. Jahrhunderts noch voll in sich hat. Alle Zweige menschlicher Geistesbetätigung, ja man kann fast sagen alle Zweige menschlicher Kulturbetätigung, haben ihre heutige Gestalt durch diese materialistische Zeitgesinnung. Nicht

En juist op dit terrein geloof ik, dat geesteswetenschap kan helpen. En over deze hulp die door de geesteswetenschap aan de pedagogie ten goede kan komen, wil ik dus in deze cursus spreken.
Niet omdat ik geloof dat de basisprincipes van de pedagogische wetenschap vernieuwd moeten worden, maar omdat ik geloof  – om deze basisprincipes die goed zijn – zij het dat in een enkel opvoedingsgeval, zij het bij een grote klas – op een daadwerkelijke praktische manier toe te passen, het noodzakelijk is dat deze principes gevitaliseerd worden en doortrokken met wat eigenlijk alleen de geesteswetenschap kan aanreiken. Geesteswetenschap is iets dat op elk gebied van de tegenwoordige wetenschappelijk kennis deel wil uitmaken. Geesteswetenschap is iets dat verfrissend moet zijn voor alles wat door de cultuur van onze tijd nagestreefd wordt; deze tijdscultuur die – ook al geloven tegenwoordig veel mensen dat we al op een soort terugweg naar het idealisme gaan – toch uit het materialisme voortgekomen is en die het materialisme van de 19e eeuw nog helemaal met zich meedraagt. Alle geledingen waarbij het om de menselijke geest gaat, ja je kan bijna wel zeggen alle geledingen waarbij het om de menselijke cultuur gaat, hebben in hun huidige gedaante een materialistische tijdgeest.  Niet

blz. 14

in allem zeigt sich diese materialistische Zeitgesinnung in gleich schäd­licher Weise: am meisten Einfluß in schädigender Weise muß Ma­terialismus, wenn er da ist, im Erziehungswesen bringen.
Das ist, was ich heute einleitend nur andeuten will, was sich aber durch die ganze Haltung der Vorträge ergeben wird. Geisteswissen­schaft wird heute vielfach verkannt, und deshalb habe ich schon nötig, wenigstens mit einigen Worten auf das hinzuweisen, wodurch sich Mißverständliches richtigstellen kann. Denn bevor ich in die Lage komme, Ihnen zu beweisen, was Geisteswissenschaft gerade für die rechte Anwendung einer vorzüglichen pädagogischen Wissenschaft lei­sten kann durch die Verwandlung des pädagogischen Wissens in päd­agogisches Können, muß ich schon im einzelnen von Mißverständnissen gegenüber der Geisteswissenschaft sprechen. Und da möchte ich nicht in Abstraktionen sprechen, sondern möchte möglichst gleich konkret darauf eingehen.
Sie werden – wenigstens viele von Ihnen – gehört haben, daß Gei­steswissenschaft es nicht so leicht hat wie die äußere Anthropologie der Gegenwart, den Menschen zu betrachten, den Menschen, mit dem wir es ja vorzugsweise in der Erziehung zu tun haben. Diese äußere An­thropologie der Gegenwart, die vereinfacht sich gewissermaßen die Probleme, welche uns in bezug auf den Menschen obliegen.

in alles vertoont deze materialistische tijdsgeest zich op even schadelijke wijze: de meeste invloed op een schadelijke manier moet het materialisme, als het er eenmaal is, wel op de opvoeding hebben.
Dit wil ik vandaag slechts als een inleiding aanstippen, het zal door de hele ductus van de voordrachten blijken. Geesteswetenschap wordt tegenwoordig veelal miskend en daarom is het voor mij nodig om in ieder geval met een paar woorden op iets te wijzen wat misverstanden uit de wereld kan helpen. Want voor ik in de gelegenheid kom om u te bewijzen wat geesteswetenschap juist voor een goede toepassing van een voortreffelijke pedagogsiche wetenschap kan betekenen door het omwerken van pedagogisch weten naar pedagogisch kunnen, moet ik toch in detail over de misvattingen wat de geesteswetenschap betreft, spreken. En dit wil ik niet abstract doen, maar zoveel mogelijk wil ik er direct concreet op ingaan.
U zal wel – in ieder geval velen van u, vernomen hebben dat geesteswetenschap het niet zo gemakkelijk heeft als de alledaagse antropologie bij het waarnemen van de mens, de mens met wie we hoofdzakelijk in de opvoeding te maken krijgen. Deze uiterlijke antropologie van nu maakt de problemen waar wij ons wat de mens betreft mee bezig houden, wat simpeler.

Und man sieht dann, ich möchte sagen, so wie auf eine Art von Aberglauben herunter, wenn man hört, Geisteswissenschaft habe nötig, übersinnliche Glieder der menschlichen Wesenheit zu verzeichnen; in dem aufwach­senden Kinde schon zu sehen, wie sich nicht nur dieser Mensch im all­gemeinen entwickelt, sondern wie sich zunächst – approximativ sei es gesprochen – vier Glieder der menschlichen Wesenheit entwickeln.
Man hat es leicht, aus unserer fortgeschrittenen Naturerkenntnis und der aus ihr gezogenen Weltanschauung heraus heute darüber zu lachen, wenn man hört, Geisteswissenschaft sage, der Mensch bestehe aus physischem Leib, aus Ätherleib, aus astralischem Leib und noch aus einem besonderen Ich-Wesen. Ich kann auch dieses Lachen ganz gut verstehen. Ich kann verstehen, wie man aus dem Mißverstehen heraus sich über diese Dinge lustig macht. Aber man macht sich eigentlich lustig auf Kosten einer wirklich gedeihlichen Fortentwickelung der Menschheit und auf Kosten einer richtig auf den Menschen hinschauen-den Erziehungskunst. Wohl muß ich Ihnen recht geben: Wenn Sie hören, daß da oder dort in sektiererischer Weise sich Theosophen in

En dan kijk je naar een soort bijgeloof, wanneer je hoort dat geesteswetenschap het over iets bovenzintuiglijks moet hebben; al in het opgroeiende kind wil zien hoe niet alleen deze mens zich in het algemeen ontwikkelt, maar hoe – bij benadering genoemd – vier delen van het mensenwezen zich ontwikkelen.
Het is makkelijk om zich vanuit onze voortgeschreden natuurwetenschappelijke kennis en de daarop gebaseerde wereldbeschouwing zich daar vrolijk over te maken, wanneer men hoort dat de geesteswetenschap zegt dat de mens bestaat uit een fysiek lichaam, uit een etherlijf, een astraallijf en nog uit een bijzonder Ik-wezen. De lachlust kan ik wel begrijpen. Ik kan best begrijpen dat men zich vrolijk maakt over wat men niet begrijpt. Maar men lacht wel ten koste van een echt vruchtbare verdere ontwikkeling van de mensheid en ten koste van een opvoedkunst die op een goede manier naar de mens kijkt. Ik moet u wel gelijk geven, wanneer hier en daar op een sektarische manier theosofen bij elkaar komen

blz. 15

Zweigen zusammensetzen, und nun irgend jemand, der es im Buche gelesen oder in den Vorträgen gehört hat, den Leuten vorträgt: Der Mensch besteht aus physischem Leib, aus ätherischem, astralischem Leib und dem Ich – so ist dies wirklich eine höchst unfruchtbare Wissenschaft, und es ist etwas, worüber man vielleicht sogar ein Recht hat, sich in einer gewissen Weise lustig zu machen. Denn wenn es dabei bleibt, daß Leute diese Dinge wie eine Art religiöses Bekenntnis sek­tiererisch verbreiten, so kommt für die Kultur der Menschheit, für das wirkliche Leben eigentlich nichts Besonderes dabei heraus. Heraus kommt erst dann etwas aus diesen Dingen, wenn man sie nimmt, ich möchte sagen, als Richtkräfte, um das Leben reicher zu betrachten, als man es betrachten kann, wenn man bloß den abstrakten Begriff des Menschen oder des heranwachsenden Kindes zugrunde legt.
Es ist gewiß, wenn wir beim Allerabstraktesten stehenbleiben, ein außerordentlich guter Grundsatz der Pädagogen, zu sagen, man müsse den Menschen nach seiner Individualität entwickeln, man müsse stu­dieren, welche Kräfte nach und nach in der menschlichen Wesenheit beim sich entwickelnden Kinde herauskommen, und man müsse ge­wissermaßen dasjenige entwickeln durch die pädagogische Kunst, was da sich herausarbeiten will aus der menschlichen Wesenheit.

en dat er dan iemand die dat in een boek gelezen heeft of in een voordracht gehoord, aan de mensen vertelt: de mens bestaat uit fysiek lichaam, uit een etherische en een astraal lijf en uit een Ik – dan is dit werkelijk een hoogst onvruchtbare wetenschap en het is iets waarover men wellicht zelfs een beetje terecht op een bepaalde manier kan lachen. Want wanneer het blijft bij dat de mensen deze dingen als een soort religieuze belijdenis sektarisch verspreiden, levert dat voor de cultuur van de mensheid, voor het echte leven eigenlijk niets bijzonders op. Uit deze dingen komt pas echt iets, wanneer je ze als richtlijn neemt om het leven op een vollere manier te bekijken dan wanneer je dat kan doen, wanneer je je slechts baseert op het abstracte begrip mens of opgroeiend kind.
Zeker, wanneer je bij het allerabstractste blijft staan, een buitengewoon goede basisregel van de pedagogen die zegt, dat je de mens in overeenstemming met zijn individualiteit moet ontwikkelen, dan moet je bestuderen welke krachten zich bij het zich ontwikkelende kind geleidelijk manifesteren en dat je tot op zekere hoogte door de pedagogische kunst ontwikkelen moet wat uit het mensenwezen worden wil.

Es ist dieses ein vorzüglicher Grundsatz, aber er darf nicht Abstraktion blei­ben, er darf nicht so bleiben, daß man ihn nur ansieht als einen vor­züglichen Grundsatz, und daß man nur den guten Willen dazu hat, ihn auch anzuwenden. Nein, der Grundsatz hat nur dann eine Be­deutung, wenn er wirklich ins Leben übergehen kann, wenn wirklich das Leben die Möglichkeit gibt, den werdenden Menschen vom ersten Lebensjahre bis zum Erwachsensein so zu betrachten, daß man die Kräfte, die sich herausarbeiten, wirklich sieht.
Wenn man nur denjenigen Menschenbegriff nimmt, den die heutige Anthropologie gibt, den Sie heute aus der Wissenschaft gewinnen kön­nen: dann merken Sie eben nicht, was eigentlich im Menschen zutage treten, was sich aus dem Menschen herausarbeiten will. Es sind bloß Richtlinien, die angedeutet werden, wenn man sagt: Der Mensch be­steht aus physischem Leib, Ätherleib, astralischem Leib und Ich-Wesen. Denn dann sagt man: Du mußt die Art der Betrachtungsweise, an die man sich heute gewöhnt hat aus der materialistischen Naturwissen­schaft heraus, nur für den physischen Menschen anwenden; du mußt aber noch andere Gesichtspunkte für die Menschenbetrachtung geltend

Dat is een uitstekende basisregel, maar die mag geen abstractie blijven; die mag niet zo blijven dat men deze alleen ziet als een voortreffelijk grondprincipe en dat men alleen maar de goede wil heeft, deze toe te passen. Nee, de basisregel is alleen van betekenis, wanneer die werkelijk leven kan worden, wanneer deze daadwerkelijk de mogelijkheid verschaft de wordende mens vanaf zijn eerste levensjaar tot de volwassenheid zo te bekijken dat men de krachten die naar buiten komen, werkelijk waarneemt.
Wanneer je alleen al het begrip mens, zoals de huidige antropologie levert, die je tegenwoordig uit de wetenschap kan afleiden, dan heb je niet in de gaten wat er eigenlijk vanuit de mens zichtbaar wil worden, naar buiten komen wil. Het zijn maar richtlijnen die toegepast worden, wanneer men zegt: de mens bestaat uit fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik-wezen. Want dan zeg je: je moet de manier van waarnemen waaraan men nu gewend is door de materialistische wetenschap, alleen toepassen op de fysieke mens; maar je moet nog andere gezichtspunten bij het waarnemen van de mens 

blz. 16

machen. Du mußt den Menschen als ein viel komplizierteres Wesen ansehen, und du mußt dir einen Blick gewinnen, wie aus der Menschen-natur sich auch etwas herausentwickelt, was nicht in den bloßen Naturgesetzen eingeschlossen ist, was wir durch höhere Glieder der menschlichen Natur allein umfassen können.
Was heißt es denn eigentlich, wenn wir sagen: Der Mensch besteht aus vier Gliedern? Sehen Sie, da deutet man auf etwas hin, was ja im Grunde genommen selbstverständlich jedem Pädagogen, der seine Psychologie kennengelernt hat, bekannt ist; was ihm aber so bekannt ist, daß noch nicht aus dieser Bekanntschaft fließt ein wirkliches tiefes Hineinschauen in die ganze menschliche Wesenheit. Bekannt ist ja, wie­viel von Psychologen, auch von pädagogischen Psychologen, darüber diskutiert worden ist, daß wir das Seelische des Menschen zu sehen haben – sagen wir, um ganz vorsichtig zu sprechen – in einer drei­gliedrigen Metamorphose als Denken, Fühlen und Wollen. Sie wis­sen, wieviel im Laufe des 19. Jahrhunderts und bis in unsere Tage herein darüber gestritten worden ist, ob der Wille das Ursprüngliche ist und sich das Denken gleichsam herausarbeitet aus der Willensnatur, oder ob das Denken zugrunde liegt oder das Vorstellen.

laten gelden. Je moet de mens als een veel gecompliceerder wezen beschouwen en je moet je een blik zien te verwerven voor hoe uit de natuur van de mens iets naar buiten komt wat niet valt onder alleen maar natuurwetten, wat we alleen maar kunnen begrijpen door hogere wezensdelen van de mensennatuur.
Wat betekent het dan toch wanneer we zeggen: de mens bestaat uit vier wezensdelen? Ziet u, dan doel je toch op iets wat uiteraard natuurlijk iedere pedagogoog die zijn psychologie goed geleerd heeft, weet; wat hij echter zó weet, dat uit deze kennis nog geen werkelijk diepe blik in heel het wezen mens tevoorschijn komt. Bekend is ook hoeveel er door psychologen, ook door pedagogische psychologen gediscussieerd is over hoe we naar de ziel van de mens moeten kijken – laten we heel voorzichtig zeggen – in een drieledige metamorfose als denken, voelen en willen. U weet hoeveel er in de loop van de 19e eeuw en tot in onze tijd erover geredetwist is of de wil het oorspronkelijke is en het denken a.h.w. uit de wilsnatuur tevoorschijn komt, of dat het denken ten grondslag ligt aan het voorstellen.

Sie wissen, daß zum Beispiel in der Herbartschen Pädagogik ein gewisser Intellek­tualismus vorherrscht, daß der Wille gewissermaßen nur gilt als eine Art Resultierende aus den Vorstellungsbestrebungen und so weiter. Gerade wenn man unbefangen auf die ganze Art des Diskutierens über Denken, Fühlen und Wollen hinsieht, dann merkt man, daß diesen Diskussionen etwas fehlt. Das wirkliche Hineinblicken in die mensch­liche Wesenheit fehlt. Und gerade wirklich hineinblicken in die mensch­liche Wesenheit möchte Geisteswissenschaft. Sie möchte, daß man wie­derum die Fähigkeit gewinne, diese menschliche Wesenheit in ihrer Totalität zu durchschauen.
Wir reden ja, wenn wir nicht grobklotzige Materialisten sind, da­von, daß der Mensch nicht nur den äußeren physischen Leib hat, son­dern eine Seele, und dem Seelischen sprechen wir eben das Denken, Fühlen und Wollen zu. Aber kennen Sie denn nicht die Diskussionen, die heute gepflogen werden und immer wieder und wieder darauf hinauslaufen: man könne sich eigentlich keine Vorstellung machen, wie das Seelische mit dem Leiblichen zusammenhänge, wie das Seelische auf das Leibliche, das Leibliche auf das Seelische wirke? Im Grunde ge­nommen leiden an dieser Fragestellung alle Menschen, die es mit diesen

U weet dat bijv. in de pedagogiek van Herbart een zeker intellectualisme de overhand heeft, dat de wil in zekere zin slechts gezien wordt als een soort resultaat van voorstellingsactiviteit enz. Juist wanneer je onbevangen naar de manier van discussiëren over denken, voelen en willen kijkt, merk je dat er aan deze discussies iets ontbreekt. Wat er ontbreekt is de juiste blik op het wezen mens. En dat wil geesteswetenschap nu juist; een realistische blik in het wezen van de mens. Zij wil dat men weer de vaardigheid krijgt het wezen mens in zijn totaliteit te doorgronden.
Wij zeggen dus, omdat we geen grofstoffelijke materialisten zijn, dat de mens niet alleen maar zijn uiterlijke fysieke lichaam heeft, maar een ziel en aan de ziel schrijven we denken, voelen en willen toe. Maar kent u dan de discussies niet die vandaag de dag plaatsvinden en er steeds weer in uitmonden: je kan je er eigenlijk geen voorstelling van vormen hoe de ziel met het lichaam samenhangt; hoe de ziel op het lichaam, het lichaam op de ziel werkt? In de grond van de zaak lijden alle mensen die de dingen serieus nemen aan deze manier van vragen.

blz. 17

Dingen ernst nehmen. Aber sie kommen nicht darauf, daß vielleicht die ganze Fragestellung, so wie sie gewöhnlich gegeben wird, eine nicht ganz richtige ist. Sie kommen nicht darauf, daß vielleicht die ganze Betrachtungsweise einmal geändert werden müßte.
Gerade wenn wir das heranwachsende Kind ins Auge fassen, dann kommen wir dazu, einzusehen an der Entwickelung dieses heranwach­senden Kindes, wie Seelisches sich herausarbeitet in dem Leiblichen. Wer nur einen Sinn hat für äußere Gestaltung, wie sie sich so wunder­bar, so rätselhaft auf der einen Seite, und so zum Menschensinn spre­chend auf der anderen Seite, in dem Kinde ergibt, wenn wir es von Tag zu Tag in den ersten Lebenswochen, wenn wir es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in dem folgenden Leben be­trachten – wer diese Umgestaltung betrachtet und einen Sinn dafür hat, wie das Seelische sich herausarbeitet, der muß die Frage stellen: Wie hängt denn eigentlich zusammen dasjenige, was wir an Seelischem ent­wickeln, mit dem Körperlichen in seiner äußeren Offenbarung? Denn offenbar ist es ja, daß im Körperlichen das Seelische drinnen arbeitet; gerade im Kinde sieht man es. Aber die heutige Wissenschaft ist nicht stark genug, ich möchte sagen, sie hat zu stumpfe Waffen, um nun an diese Fragestellung:

Maar ze komen er niet op, dat wellicht de hele vraag, zoals die gewoonlijk gesteld wordt, niet helemaal juist is. Ze komen er niet op dat wellicht de hele manier van kijken eens veranderd zou moeten worden.
Met name als we naar het opgroeiende kind kijken, komen wij door naar dit opgroeiende kind te kijken tot het inzicht hoe alles van de ziel in het lichamelijke zichtbaar wordt. Wie alleen al een zintuig heeft voor wat zich uiterlijk vormt, wat je aan de ene kant zich zo wonderbaarlijk, zo raadselachtig in het kind ziet voltrekken, wat anderzijds zo tot het menselijk bewustzijn spreekt, wanneer je het in de eerste weken van zijn leven van dag tot dag volgt, wanneer we het waarnemen van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar in het leven dat volgt – wie die omvorming waarneemt en er een zintuig voor heeft hoe de ziel tevoorschijn komt, moet zich de vraag stellen: hoe hangt dan eigenlijk wat we aan zielenkrachten ontwikkelen samen met het lichamelijke dat we uiterlijk zien. Want duidelijk is dat in het lichaam de ziel vanbinnen werkzaam is; juist bij het kind zie je dat. Maar de huidige wetenschap is niet krachtig genoeg – ik wil zeggen – haar instrumenten zijn te bot – om deze vraag:

Wie arbeitet das Seelische in dem Physischen drin­nen? – in der richtigen Weise herantreten zu können. Gewisse Er­scheinungen, sie werden einfach heute von der Wissenschaft nicht sach­gemäß betrachtet. Und da sehen wir, indem wir die ersten Lebensjahre des Kindes durchlaufen, eine Erscheinung, die uns mit jedem Tag neue Rätsel aufgibt; wir müssen sie nur sehen.
Wir sehen diese Erscheinung, wie das Kind ungefähr am Ende des ersten Lebensjahres oder etwas später seine ersten Milchzähne be­kommt. Wir sehen, wie diese Milchzähne wiederum ausfallen und vom siebenten Jahre an durch die bleibenden Zähne ersetzt werden. Diese Erscheinung, gewiß, sie wird nach allen Noten beschrieben von der heutigen Wissenschaft, aber was diese Erscheinung eigentlich bedeutet, worauf sie deutet im ganzen Entwickeln des Menschen, das zu unter­suchen, dazu hat die heutige Wissenschaft eben nicht wirkliche Kraft. Und weiter, wir sehen, wie sich dann das heranwachsende Kind bis zur Geschlechtsreife hin entwickelt, wie dieses Eintreten in die Ge­schlechtsreife eine völlige Revolution im körperlichen und seelischen Leben des Menschen bewirkt. Wir wissen, indem wir an die Volks­schule denken: gerade in die Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife

hoe werkt de ziel binnen het fysieke? op de juiste wijze te kunnen benaderen. Bepaalde verschijnselen worden simpelweg door de wetenschap niet adequaat bekeken. En dan zien we, als we de eerste levensjaren van een kind volgen, een fenomeen dat ons iedere dag voor nieuwe raadsels stelt; je hoeft ze alleen maar te zien.
Wij zien het fenomeen hoe het kind ongeveer aan het einde van zijn eerste levensjaar of iets later zijn eerste melktandjes krijgt. We zien ook dat deze melktanden weer uitvallen en vanaf het zevende jaar door de vaste tanden worden vervangen. Dit verschijnsel, zeker, wordt door de wetenschap in alle toonaarden bezongen, maar wat dit fenomeen betekent, waarop het wijst in de totale ontwikkeling van de mens, om dat te onderzoeken heeft de huidige wetenschap de instrumenten niet. En verder zien we dan hoe het opgroeiende kind zich tot aan de puberteit ontwikkelt, hoe het geslachtsrijp worden een totale ommekeer in lichaam en ziel teweegbrengt. We weten, wanneer we aan de basisschool denken: juist in de tijd van tandenwisseling tot aan de puberteit

blz. 18

ist das wichtigste vom Volkserziehen in der Volksschule ein­geschlossen. Aber die Wissenschaft und alles Leben hat heute nicht die Macht, einzudringen in das, was da eigentlich geschieht in dem Gebiet, das wir nun nicht einseitig das Leibliche und Körperliche und einseitig das Seelische, sondern das Seelisch-Leibliche des Menschen nennen.
Es läuft einfach darauf hinaus, daß wir uns eine genauere, eine in­timere Beobachtungskunst der menschlichen Wesenheit aneignen. Be­obachten Sie nur einmal intimer. Der menschliche Organismus kommt ein Jahr oder nach einer etwas längeren Zeit nach seiner Geburt dazu, aus sich herauszugestalten, aus seinem Ganzen herauszugestalten, wahr­haftig nicht bloß aus dem Ober- und aus dem Unterkiefer, sondern aus seinem Ganzen herauszugestalten die ersten Zähne. Das ist etwas, was sich vollzieht in dieser rätselvollen Wesenheit des Menschen. Aber das ist etwas, was sich noch einmal wiederholt durchschnittlich gegen das siebente Jahr hin. Da sehen wir aber, wie der Organismus eine viel längere Zeit braucht, um dies härteste Gebilde, den Zahn, aus sich herauszudrücken, als er gebraucht hat, um in der frühsten Kindheit die Milchzähne herauszudrücken.
Sehen Sie, man muß nun, indem man so etwas körperlich betrachtet, dies nicht bloß mit den Mitteln der heutigen Naturwissenschaft tun.

vindt het belangrijkste van de volksopvoeding op de basisschool plaats. Maar de wetenschap en alles wat er leeft heeft tegenwoordig niet het vermogen door te dringen tot wat er eigenlijk gebeurt op het gebied dat we nu niet eenzijdig lichaam en eenzijdig ziel noemen, maar de psychische lichamelijkheid van de mens.
Het leidt er simpelweg toe dat we ons bekwamen tot een nauwkeurigere, een intensievere waarnemingskunst van het wezen mens. Neem gewoonweg intensiever waar. Het menselijke organisme komt er een jaar na de geboorte of wat langer toe uit zijn hele organisme, niet alleen maar uit de boven- of onderkaak, de eerste tanden zichtbaar te laten worden. Dat is iets wat zich voltrekt in dit raadselachtige wezen mens. Maar dit wordt nog eens herhaald, gemiddeld tegen het zevende jaar. Nu zien we dat het organisme veel meer tijd nodig heeft om dit hardste bouwwerkje, de tand, van zich uit naar buiten te drukken, dan het nodig had om in de prilste kindertijd de melktandjes naar buiten te werken.
Ziet u, je moet nu, wanneer je zoiets lichamelijks bekijkt, dit niet alleen maar doen met de middelen van de huidige wetenschap.

Man muß zugleich sehen, wie während dieser Zeit mit jeder Woche vom Bekommen der Milchzähne bis zum Bekommen der bleibenden Zähne das ganze Wesen des Menschen auch im Seelischen ein anderes wird. Wie in dieser Zeit aus der menschlichen Wesenheit heraus andere Kräfte auch seelisch wirken als etwas später zwischen dem Zahnwech­sel und der Geschlechtsreife. Man muß den Menschen ganz in seiner Totalität betrachten, und dann findet man, daß das ganze seelische Leben in einer anderen Weise sich vollzieht vor dem Zahnwechsel als nach dem Zahnwechsel. Und wenn man einen Sinn dafür hat, was eigentlich da herauskommt nach dem Zahnwechsel, so wird man sich sagen: Vernehmen wir das denkerische, das intellektuelle Wesen im Menschen, und versuchen wir dasjenige zu ergründen, was da bis zum Zahnwechsel hin und während des Zahnwechsels herauskommt an menschlichem, intellektuellem Wesen, an Vorstellungswesen! Wenn man unbefangen betrachtet, muß man eigentlich sagen: Da kommt viel heraus. Jean Paul, der auch viel über Pädagogik nachgedacht hat, hat nicht mit Unredit darauf aufmerksam gemacht, daß die ersten Lebens-jahre mehr Einfluß auf den Menschen haben als die drei akademischen

Je moet tegelijkertijd zien, hoe gedurende deze tijd met iedere week van het krijgen van melktanden tot het krijgen van de blijvende tanden het hele wezen van de mens ook psychisch, anders wordt. Hoe in deze tijd vanuit het wezen mens andere krachten ook psychisch werken dan iets later tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid. Je moet de mens geheel in zijn totaliteit bekijken en dan vind je dat heel het zielenleven zich op een andere manier voltrekt vóór de tandenwisseling dan erna. En wanneer je open staat voor wat er eigenlijk na de tandenwisseling gebeurt, zul je zeggen: wanneer we naar het denken kijken, naar het intellectuele aspect in de mens en proberen te doorgronden wat er tot de tandenwisseling en tijdens de tandenwisseling zich manifesteert: wat we daar tevoorschijn zien komen aan wezenlijks op het gebied van menselijke intellectualiteit, aan voorstellingen! Wanneer je onbevangen kijkt, moet je eigenlijk zeggen: er verschijnt heel veel. Jean Paul, die ook veel over pedagogiek nagedacht heeft, heeft er niet ten onrechte op gewezen, dat de eerste levensjaren van grotere invloed op de mens zijn dan de drie academische

blz. 19

Jahre. Dazumal gab es nur drei. Es ist schon so, daß, wenn wir auf die Konfiguration des Intellektuellen hinschauen, die wichtigsten Jahre für die Gestaltung der Intellektualität des Menschen, für die Gestal­tung der Urteilskraft, die ersten Lebensjahre bis zum Zahnwechsel sind. Man versuche nur einmal, sich einen wirklichen Beobachtungssinn anzuerziehen für dasjenige, was da seelisch anders wird. Man versuche auch zurückzudenken, bis wie weit das deutliche Gedächtnis reicht und versuche zu denken, wie wenig weit es hinter die Zahnwechselepoche zurückreicht, wie wenig also vor der Zahnwechselepoche der Mensch fähig ist, in sich anzusammeln festgestaltete Begriffe, die dann der Er­innerung einverleibt werden. Dann kann man geradezu sagen: je weniger der Organismus jene starken Kräfte, die er später nicht mehr braucht, um die harten Zähne zum zweiten Male aus sich herauszu­gestalten, anzuwenden braucht, desto mehr kommt er gerade in die Lage, dasjenige, was er intellektuell aufnimmt, zu festen Vorstellun­gen zu gestalten, die ihm in der Erinnerung bleiben.
Ich will Ihnen heute die Sache zunächst nur andeuten.

jaren. In die tijd waren er maar drie. Het is inderdaad zo, wanneer we naar het complex van het intellectuele kijken, dat de belangrijkste jaren voor de vorming van de menselijke intellectualiteit, voor de vorming van het oordeelsvermogen, de eerste levensjaren tot aan de tandenwisseling zijn. Probeer echt een daadwerkelijk zintuig te ontwikkelen om waar te kunnen nemen wat er psychisch anders wordt. Probeer er ook eens aan te denken tot hoe ver terug jouw duidelijke herinneringen gaan en probeer er eens aan te denken hoe ver dat vóór je tandenwisseling is, hoe slecht de mens dus in staat is vóór de periode van tandenwisseling vastomlijnde begrippen te bewaren die dan deel worden van de herinneringen. Dan kun je wel zeggen: hoe minder het organisme die sterke krachten die het later niet meer nodig heeft om de harde tanden voor een tweede keer naar buiten te brengen, hoeft te gebruiken, des te meer komt het in de toestand om wat het intellectueel opneemt, tot vaste voorstellingen te vormen, die dan als herinnering blijven.

Sie sehen aus dem eben Gesagten, daß zunächst dieses Kraften im Körper, das ge­wissermaßen wie in einer Kulmination in dem Hervorgehen der zwei­ten Zähne gipfelt, parallel geht mit dem Festsetzen derjenigen Kräfte in der Seele, welche die Vorstellungen, die sonst vergessen werden, um­formen in festgestaltete Begriffe, die dann bleiben, die ein Schatz in der menschlichen Seele werden. Ich möchte das, was ich heute sagen will, zunächst nur als eine Frage hinstellen; in den nächsten Tagen wird es sich uns erweisen. Müssen wir doch danach fragen: Hat denn nicht vielleicht das Vorstellen gerade mit diesen Kräften, die im Zahn-entstehen sich geltend machen, etwas zu tun? Ist es denn nicht gerade so, als wenn das Kind in den ersten sieben Jahren bis zum Zahnwech­sel gewisse Kräfte körperlich verwenden müßte, die Seele in den Kör­per hinein ergießen müßte, damit die Zähne herauskommen? – Ist es fertig damit, dann geschieht eine Metamorphose, dann wandelt das Kind diese Kräfte um, und sie werden eigentlich seelische Vorstellungs­kräfte. Sehen wir denn nicht, wie die Seele, die vorstellende Seele in dem Zahnbilden arbeitet? – Und wenn das Zahnbilden, das heißt die Verwendung gewisser seelischer Kräfte in der vorstellenden Seele er­schöpft ist, nachdem die Zähne herausgekommen sind, da machen sich diese selben Kräfte seelisch geltend.
Denken Sie nur einmal, wie wenig man geneigt ist, heute mit den

Ik wil nu de zaak alleen maar terloops noemen. Uit wat net werd gezegd ziet u dat aanvankelijk dit krachtenspel in het lichaam in zekere zin uitmondt als een culminatie in het tevoorschijn komen van de blijvende tanden en dat dit parallel loopt met het zelfstandig worden van die zielenkrachten die de voorstellingen die anders vergeten worden, omvormen tot vastomlijnde begrippen die daarna blijvend zijn, die een schat worden in de menselijke ziel. Ik zou wat ik nu wil zeggen, eerst als vraag op willen werpen; in de komende dagen zal het blijken. Maar we vragen toch: heeft het voorstellen wellicht te maken met deze krachten die in de tandenwisseling manifest zijn? Is het dan niet juist zo dat wanneer het kind in de eerste zeven jaar tot de tandenwisseling bepaalde lichamelijke krachten gebruiken moet, zijn zielenkracht in zijn lichaam moet uitstromen, zodat het tanden kan krijgen? – Is het daarmee klaar, dan vindt er een metamorfose plaats, dan werkt het kind deze krachten om en die worden dan de krachten om zich met de ziel te kunnen voorstellen. Zien we dan niet, hoe de ziel, de zich voorstellende ziel werkzaam is bij het vormen van de tanden? – En wanneer het vormen van de tanden, d.w.z. het gebruik van bepaalde zielenkrachten, afgerond is als de tanden naar buiten komen, manifesteren diezelfde krachten zich psychisch.
Maar bedenk wel hoe weinig geneigd men is, tegenwoordig met de

blz. 20

Mitteln der Naturwissenschaft auf solche Metamorphosen hinzuschauen! Wie sehr man sich heute den Kopf darüber zerbricht: Wie hängen Leib und Seele zusammen? Aber man muß doch erst hinschauen auf diejeni­gen Gebiete, wo das Seelische im Leibe tätig ist. Denkt man daran zu fragen: Ist es vielleicht das vorstellende Seelische, das ganz augen­scheinlich in dem Bau der Zähne sich zum Ausdruck bringt? Sehen wir nicht da das Seelische im Leibe drinnen wirksam, und erkennen wir nicht, wie es sich dann erspart diese Wirksamkeit und in anderer Weise, nämlich rein seelisch herauskommt? Da handelt es sich wirklich darum, zu gesünderen Vorstellungen – die man schon früher gehabt hat, bevor der Materialismus in der heutigen Gestalt sich verbreitete – wiederum zurückzukehren, nämlich tatsächlich zu sehen, wie das Geistig-Seelische im Physisch-Körperlichen wirkt.
Es ist nämlich etwas höchst Merkwürdiges richtig: Der Materialis­mus hat die Eigentümlichkeit, daß er allmählich die Fähigkeit verliert, Materie und ihre Erscheinungen zu verstehen. Es ist nicht so, daß der Materialismus etwa bloß den Zusammenhang mit dem Geist verliert; nein, sein tragisches Schicksal besteht darinnen, daß er zuletzt gerade dazu verurteilt ist, das Materielle nicht zu verstehen.

middelen van de natuurwetenschap naar zo’n metamorfose te kijken!
Hoe zeer breekt men vandaag het hoofd over : wat is de samenhang tussen lichaam en ziel? Maar eerst zul je toch moeten kijken naar de gebieden waar de ziel in het lijf actief is. Denk je eraan te vragen: is het wellicht de voorstellingskracht van de ziel die zich heel duidelijk in de vorming van de tanden laat zien? Zien we daar niet de activiteit van de ziel in het lichaam en zien we niet in, hoe zij dan deze activiteit laat gaan om op een andere manier, namelijk puur psychisch, manifest te worden? Nu gaat het er werkelijk om weer terug te gaan naar gezondere voorstellingen, die men eerder al had, vóór het materialisme in de huidige vorm zich verspreidde, om daadwerkelijk te zien, hoe geest en ziel werkzaam zijn in het levend-fysieke.
Iets hoogst merkwaardigs is namelijk juist: het materialisme heeft de eigenaardigheid dat het langzaam de mogelijkheid verliest de materie met haar verschijnselen te begrijpen. Het is niet zo dat het materialisme zoiets als de samenhang met de geest verliest; nee, haar tragisch lot is, dat ze er uiteindelijk juist toe veroordeeld is, de materie niet te begrijpen.

Wir haben den Materialismus heraufkommen sehen: Er hat keine Möglichkeit, hinein-zuschauen in das Leibliche mit denselben Kräften, mit denen Sie später sich erinnern, mit denen Sie später in Gedanken tätig sind, mit den­selben Kräften, die im Leiblichen in der Zahnbildung wirksam sind. Nicht, daß der Materialismus just das Geistige verkennt  er ver­kennt das Körperliche sogar noch stärker, indem er gar nicht sieht, wie das Geistig-Seelische an dem Körperlichen arbeitet.
Das will gerade Geisteswissenschaft bringen: Ein richtiges Verstehen dessen, was am Menschen arbeitet. Der Materialismus ist geradezu verurteilt, das Materielle nicht zu verstehen; denn das Materielle ist dasjenige, worin das Geistige fortwährend arbeitet, und die materia­listische Betrachtungsweise kann nicht verfolgen diese Arbeit im Geistig-Seelischen des Menschen. Man müßte doch glauben, der größte Schaden würde angerichtet, müßte der Mensch zu denken aufhören, müßte der Mensch zum Tier werden, wenn der Materialismus das Geistige voll-ständig verkennen würde! Es kann ja kein Mensch zugeben, daß, wenn man denkt, man nicht in irgendeiner Geistigkeit drinnen ist! Aber das ist gerade das Schicksal des Materialismus, daß man das Physisch-Leibliche nicht versteht.

We hebben het materialisme op zien komen: ze heeft geen mogelijkheid inzicht te krijgen in het lichamelijke, dat het dezelfde krachten zijn waarmee je je later kunt herinneren, waarmee je later denkend bezig bent, als de krachten die in het lichamelijke in de tandenvorming werkzaam zijn.
Niet dat het materialisme nu juist de geest verkeerd beoordeelt – ze beoordeelt het lichamelijke zelfs nog verkeerder, daar ze niet ziet hoe geest en ziel aan het lichaam werken,
Dat wil geesteswetenschap nu juist wél brengen: een juist begrip voor wat aan de mens bouwt. Het materialisme is er juist toe veroordeeld het stoffelijke niet te begrijpen, want het is de stof waarin de geest voortdurend werkzaam is en de materialistische manier van beschouwen kan de activiteit in geest en ziel van de mens niet volgen. Je moet toch aannemen dat het grootste onheil aangericht zou worden, als de mens op zou moeten houden met denken, als de mens een dier zou moeten worden, mocht het materialisme de geest volledig ontkennen! Geen mens kan toegeven dat wanneer je denkt, je niet op een of andere manier je in iets geestelijks bevindt. Maar dat is juist het noodlot van het materialisme dat het ’t fysiek-levende niet begrijpt.

blz. 21

Nun ist es nicht so, daß man etwa an diesem abstrakten Grundsatz Genüge haben kann: Dieselben Kräfte, die im Vorstellen sind, arbeiten an der Zahnentstehung. Sondern, wenn man das weiß, dann beobach­tet man das Kind in einer ganz anderen Weise, und vor allen Dingen, man beobachtet es nicht nur im Intellekt in einer anderen Weise, son­dern man steht mit dem Gefühl, mit der Empfindung, mit allen Wil­lensimpulsen in einer ganz anderen Weise zum Kinde. Sie werden in den folgenden Vorträgen sehen, wie diese Dinge, die wirklich vom Gei­stig-Seelischen aus eindringen, nicht etwa bloß abstrakte Grundsätze sind, sondern unmittelbar inderGegenwart angewandt werden können.
Und weiter: Wir sehen dann gerade während der Volksschulzeit, jener wichtigen Epoche in dem heranwachsenden Kinde, wo das Ge­dächtnis schon wirkt, wo wir mit dem Gedächtnis schon rechnen kön­nen, wie gerade beim Kinde es so unendlich wichtig wird, daß es an dem Lehrer, an dem Erzieher eine Autorität fühlt, eine selbstgewählte, freiwillig gewählte Autorität empfindet. Es ist ein vollständiges Ver­kennen der Menschennatur, wenn man nicht zugibt, daß die Sehnsucht, eine Autorität neben sich zu haben, zu den Grundkräften und Grund-empfindungen des kindlichen Lebens vom 6., 7. bis zum 14., 15. Le­bensjahre gehört.

Nu is het niet zo, dat je aan die abstracte basisregel wel zo ongeveer genoeg hebt: dezelfde krachten die bij het voorstellen een rol spelen, werken aan het ontstaan van de tanden. Echter, wanneer je dat weet, dan kijk je toch heel anders naar het kind en vooral, je neemt het niet alleen anders waar met je intellect, maar met je gevoel, gevoelsmatig, met al je wilsimpulsen sta je op een andere manier t.o.v. het kind. U zal in de komende voordrachten zien hoe deze zaken die echt uit de geest en de ziel vandaan komen, niet simpelweg abstracte basisregels zijn, maar direct toepasbaar. En verder: we zien dan met name tijdens de basisschooltijd, die belangrijke tijd in het leven van het opgroeiende kind, waar het geheugen al werkt, waar we al rekening kunnen houden met het geheugen; hoe het bij het kind zo oneindig belangrijk wordt, dat het in de leraar, in de opvoeder een autoriteit voelt, een zelf gekozen, een vrijwillig gekozen autoriteit ervaart. Het is een volledig miskennen van de mensennatuur wanneer je niet erkent, dat het verlangen een autoriteit naast zich te hebben, tot de elementaire en basisgevoelens behoort in het leven van een kind van 6, 7 jaar tot het 14e, 15e.

Wir werden hören, wie das zu dem tiefstbedeut­samen Lebenselemente des Menschen gehört, daß er in dieser Weise eine Autorität, freigewählt durch seine Empfindung, außer sich und neben sich haben kann.
Aber wer einmal geschärft hat seinen Blick dafür, daß ein gewisser Zusammenhang besteht zwischen dem Seelisch-Geistigen und dem Leiblichen bis zur Periode des Zahnwechsels, der merkt dann für die folgende Periode etwas außerordentlich Wichtiges. Sehen Sie, wir brau­chen eine gewisse Zeit, um als Menschen die ersten Milchzähne zu be­kommen. Das ist eine kurze Zeit. Dann brauchen wir eine längere Zeit, bis wir sie auswechseln können gegen die zweiten Zähne. Wir werden hören im Verlaufe dieser Vorträge, wie die zweiten Zähne in einer viel innigeren Verbindung mit der Individualität stehen als die ersten Zähne, die mehr auf Vererbung von den Vorfahren beruhen. Aber wahrhaftig, nicht bloß mit den Zähnen ist es so, daß wir uns gewisser­maßen aus unserer eigenen Natur heraus dasjenige noch einmal an­eignen, was wir erst durch Vererbung bekommen haben, sondern es ist für etwas anderes auch.so; es ist vor allen Dingen so mit der mensch­lichen Sprache. Und ich möchte hier gleich einleitungsweise auf etwas

We zullen horen hoe dat tot de meest betekenisvolle aspecten in een mensenleven behoort om op deze manier een autoriteit, vrijwillig gekozen met zijn gevoel, om zich heen en naast zich te hebben.
Wie eenmaal zijn blik verscherpt heeft voor het bestaan van een samenhang tussen geest-ziel en lichaam tot aan de tijd van de tandenwisseling, merkt dan voor de volgende periode iets buitengewoon belangrijks op. Kijk, we hebben een bepaalde tijd nodig om de eerste melktanden te krijgen. Dat is een korte tijd. Dan hebben we een langere tijd nodig om ze te kunnen wisselen voor de blijvende tanden. Tijdens deze voordrachten zullen we horen, hoe de blijvende tanden een veel intiemere verhouding met de indivdualiteit hebben dan de eerste tandjes die meer te maken hebben met de erfelijkheid van de voorouders. Maar echt, niet alleen met de tanden is het zo dat wij ons in zekere zin vanuit onze eigen natuur nog een keer iets eigen maken, wat we eerst door de erfelijkheid hebben gekregen; het is bij iets anders ook zo; met name bij het menselijke spreken. En ik wil hier meteen als een soort inleiding op iets

Blz. 22

hindeuten, was natürlich in den Vorträgen erst näher ausgeführt wer­den kann: Das Geheimnis der menschlichen Sprachentwickelung ver­birgt sich eigentlich in ihrem wesentlichsten vor der heutigen natur-wissenschaftlichen Denkweise, vor der gesamten heutigen Wissenschaft. Man weiß nicht, daß in der Tat gerade so, wie man die ersten Zähne erhält durch eine Art Vererbung von den Eltern, man die Sprache er­hält durch eine Art äußeren Einflusses der Umgebung, durch das Nach­ahmungsprinzip, das aber zum organischen Prinzip wird.
 Aber diese Sprache, die man da lernt, die das Kind bis zum 4., 5., 6. Jahre noch spricht, die verhält sich zum ganzen Menschen, wie sich die Milchzähne zum ganzen Menschen verhalten. Und was der Mensch, nachdem er die Geschlechtsreife erlangt hat, nachdem er 14, 15 Jahre alt geworden ist, eigentlich an der Sprache hat, was er da spricht, was da in ihm betätigt wird, indem er spricht: das ist gerade so ein zweites Mal angeeignet, neuerdings angeeignet, erarbeitet vom Menschen, wie das Zahnerhalteprinzip ein zweites Mal erarbeitet ist. Das zeigt sich äußerlich bei der Knabenentwickelung in dem Wandel der Stimme – bei der weiblichen Entwickelung geht es mehr ins inner­liche Leben zurück, aber es ist auch vorhanden.

wijzen, wat natuurlijk in de voordrachten pas verder uitgewerkt kan worden: het geheim van de menselijke spraakontwikkeling is voor de huidige natuurwetenschappelijke manier van denken, voor alle hedendaagse wetenschappen, wat het wezenlijke betreft, verborgen.
Men weet niet dat het net zoals je de eerste tanden krijgt door een soort overerving van de ouders, je het spreken verkrijgt door invloed van buiten, van de omgeving, door het principe van de nabootsing, dat echter een organisch principe is.
In de eerste levensjaren leer je spreken door je omgeving. Maar het spreken dat je leert, dat het kind tot z’n 4e, 5e, 6e jaar nog doet, verhoudt zich tot de hele mens, als de melktanden zich tot de hele mens verhouden. En wat de mens, nadat hij geslachtsrijp geworden is, als hij zo 14, 15 jaar oud geworden is, eigenlijk aan spreken heeft, wat hij spreekt, wat er actief is als hij spreekt: dat is net zo voor de tweede keer geleerd, nog een keer aangeleerd, door de mens bewerkt, zoals de tanden die blijven een tweede bewerking is. Dat blijkt uiterlijk bij de ontwikkeling van de jongen, bij de stemwisseling – bij de vrouwelijke ontwikkeling houdt zich dat wat terug in het innerlijke leven, maar het is ook aanwezig.

Weil diese Kräfte beim Knaben im Kehlkopf anders arbeitend sind, zeigt sich das auch äußer­lich. Das ist eine Offenbarung, wie nun auch gerade in diesen wichtigen Volksschuljahren im ganzen Menschen, nicht bloß im menschlichen Leibe und nicht bloß in der menschlichen Seele, sondern im mensch­lichen Seelen-Leib, in der Leibes-Seele, fortwährend von Jahr zu Jahr, von Monat zu Monat Dinge vorgehen, die zusammenhängen mit der innerlichen Aneignung desjenigen, was man als Sprache äußerlich schon in der ersten Kindheit aus der Umgebung her sich angeeignet hat. Wer das weiß, wie Seelisch-Geistiges arbeitet am Menschen bis zum
14.,    15. Jahre hin, wer das in unmittelbar instinktiver Intuition an dem Volksschüler beobachten kann, bei dem wird diese Beobachtung unmittelbares Leben. Man sagt sich: Da ist der eine Schüler – Kehl-laute bringt er in dieser Weise hervor, Lippenlaute in dieser Weise her­vor, Gaumenlaute in dieser Weise; der bringt Gaumenlaute leichter hervor, der Lippenlaute und so weiter. Das wird eine ganz intensive Wissenschaft, aber eine Wissenschaft, die in allen ihren Einzelheiten in dasjenige hineinweist, was als Seelisch-Leibliches, Leiblich-Seelisches am Kinde sich heranentwickelt

Omdat deze krachten bij de jongen in het strottenhoofd anders actief zijn, is dat ook uiterlijk waarneembaar. Het is een uiting van hoe ook juist in deze belangrijke basisschooljaren in de totale mens, niet alleen in de fysieke mens en niet alleen in de psychische mens, maar waar ziel en lichaam en lichaam en ziel interacteren, voortdurend van jaar tot jaar, van maand tot maand dingen plaatsvinden die samenhangen met de innerlijke verwerving van wat je als spreken uiterlijk al in de eerste kindertijd uit de omgeving je eigen hebt gemaakt. Wie weet hoe geest en ziel aan de mens werken tot het 14e, 15e jaar, wie dat in directe instinctieve intuïties aan de basisschoolleerling kan waarnemen, voor hem wordt deze waarneming meteen leven. Dan zeg je: daar is de ene leerling – keelklanken laat hij op deze manier horen, lipklanken op deze, gehemelteklanken op die enz. Dat wordt een heel intensieve wetenschap die met al haar details op datgene wijst wat zich als psychisch-lichamelijks, lichamelijk-psychisch ontwikkelt.

blz. 23

Und es werden einem einfach die Umgestaltungen der Sprache, auf die man gewöhnlich gar nicht achtet, zwischen dem 7. und 15. Jahre dasjenige, was seelisch gerade da in der Sprache so großartig wirkt, wenn man einen Beobachtungssinn dafür hat. Das entgeht einem, wenn man seinen Beobachtungssinn nur schärft an dem, was man heute ohne Geisteswissenschaft lernt. Denn wer hier beobachten kann, der findet nun das Folgende: In den ersten Lebensjahren bis zum Zahnwechsel sieht man, wie das Vorstellen sich gleichsam ausspart in dem Zahn-wechsel, so daß, wenn der Zahnwechsel sich vollzogen hat, die Vor­stellung dann sich gestalten kann! Während da das Vorstellen ge­wissermaßen sich aus dem Leiblichen zurückzieht und selbständig See­lisches wird, ist es später, zumeist schon vorher sich ankündend, aber namentlich vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, der Wille, das, was wir Wille nennen, was sich zurückzieht aus der ganzen Organisa­tion des Kindes und sich lokalisiert in der Kehlkopf- und Sprachorgani­sation. Ganz genau so, wie sich nach innen drängt das Vorstellungs-leben, und selbständig seelisches Element wird, so lokalisiert sich in dem, was aus der Sprache und ihren Organen im 14., 15. Jahre wird -bei manchen Kindern etwas früher natürlich -, das Willenselement. Man kann sehen in dem, was als Organ-Umgestaltung des Knaben im Kehlkopf eintritt – wir werden noch davon zu reden haben, was dem bei Mädchen entspricht – dasjenige, wohin der Wille kulminiert.

Wanneer je er een opmerkingsgave voor hebt, worden eenvoudig de omvormingen van het spreken tussen het 7e en 15e jaar waarop gewoonlijk niet gelet wordt tot iets van de ziel die met name in het spreken zo geweldig werkzaam is. Aan iemand die zijn opmerkingsgave alleen scherpt aan wat men tegenwoordig zonder geesteswetenschap leert, ontgaat dat. Want wie hier waar kan nemen, vindt het volgende: in de eerste levensjaren tot de tandenwisseling zie je, hoe het voorstellen a.h.w. een plaats krijgt binnen de tandenwisseling, zodat, als de tandenwisseling zich voltrokken heeft, dan het voorstellen gevormd kan worden! Terwijl het voorstellen in zekere zin zich uit het lichamelijke terugtrekt en zelfstandig een zielenkwaliteit wordt, is het later, meestal zich van te voren aankondigend, maar wel van de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid, de wil, wat wij de wil noemen, die zich terugtrekt uit de hele organisatie van het kind en zich lokaliseert in het strottenhoofd en de spraakorganisatie. Precies zoals het voorstellingsleven zich een weg baant naar het innerlijk en een zelfstandig deel van de ziel wordt, zo lokaliseert de wil zich in wat er uit de spraak en de organen in het 14e, 15e jaar ontstaat – bij sommige kinderren natuurlijk wat vroeger. In wat als een omvorming van een orgaan bij de jongen in het strottenhoofd plaatsvindt – we zullen er nog over spreken hoe dat bij het meisje is, kun je zien waar de wil zijn culminatiepunt bereikt.

Mit anderen Worten, wenn man so geisteswissenschaftlich die Dinge betrachtet, so hören Vorstellung und Wille auf, solche Abstraktionen zu sein, wie sie gewöhnlich sind. Von diesen Abstraktionen aus kann man allerdings nicht die Brücke hinüberziehen zu ganz anders gearte­tem Leiblichem. Lernt man aber wirklich beobachten, und lernt man namentlich erkennen, wie ganz anders die Wesenheit eines Kindes ist, bei der man sieht, wie die Lippenlaute anders angeeignet sind als die Gaumenlaute, und anders als die Kehllaute und so weiter, dann lernt man auf diese Dinge hinschauen, dann lernt man erkennen, wie das Vorstellen in den ersten sieben Lebensjahren im Leibe arbeitet. Man lernt erkennen die äußere physische Offenbarung eines Geistig-See­lischen, und man lernt erkennen das Sich-Lokalisieren der Willens-natur in der Kehlkopfnatur, man lernt beobachten das Hineinschießen des Willens in die menschliche Sprache. Wille wird entwickelt, und Vorstellen wird nicht mehr Abstraktion, sondern wird etwas, was wir an den realen Vorgängen des Lebens beobachten. So wie wir beobachten

M.a.w., wanneer je geesteswetenschappelijk naar deze dingen kijkt, houden voorstelling en wil op, die abstracte begrippen te zijn, die ze gewoonlijk zijn. Vanuit deze abstracties kun je niet de verbinding leggen naar een lichamelijkheid van heel andere aard. Leer je echt waarnemen en leer je ook kennen hoe heel anders het wezen van een kind is, dat de lipklanken zich op een heel andere manier eigen maakt dan de gehemelteklanken en anders dan de keelklanken enz., den leer je naar die dingen te kijken, dan leer je kennen hoe het voorstellen in de eerste zeven jaren aan het lichaam werkt. Je leert kennen het uiterlijk fysieke zichtbaar worden van iets van geest en ziel en je leert kennen het lokaliseren van de wilsnatuur in de strottenhoofdnatuur en je leert waarnemen hoe de wil in het menselijk spreken stroomt. Wil wordt ontwikkeld en voorstellen wordt geen abstractie meer, maar wordt iets wat wij bij de reële processen van het leven waarnemen.

blz. 24

die Fallkraft, die Schwerkraft an dem vom Berge herabstürzenden Wasser, wie wir die Schnelligkeit des Wassers beobachten an der Schwerkraft und ihren Widerständen, so lernen wir erkennen, wie sich das Leibliche von Woche zu Woche entwickelt gerade aus dem Geistig-Seelischen heraus, wenn wir erst beobachten lernen dieses Seelisch-Geistige in seinem Arbeiten im Leiblichen darinnen.
Sehen Sie in dem, was ich sage, einfach eine Anleitung, das Werden des Menschen so zu beobachten; eine Anleitung dazu, wirklich hinein­schauen zu können in das, was im werdenden Menschen vor sich geht. Das ist die etwas unbequemere, komplizierte Art, wie Geisteswissen­schaft von der menschlichen Wesenheit spricht – gegenüber der heutigen Naturwissenschaft, die eben einfach nicht berücksichtigt, daß dieser Mensch ein wunderbares Wesen ist, das zusammenzieht aus der ganzen Welt die Gesetzmäßigkeit, das in sich selber wiederum eine Welt, eine kleine Welt gegenüber der großen Welt enthält. Wenn wir sagen: Der Mensch besteht aus dem physischen Leib, er besteht außerdem noch aus dem Ätherleib – so bedeutet das:

Op de manier waarop wij de kracht van het neerstorten, de zwaartekracht van het water dat van een berg naar beneden stort, waarnemen, hoe wij de snelheid van het water waarnemen aan de zwaartekracht en aan de weerstand, zo leren wij kennen hoe het lichamelijke zich van week tot week ontwikkelt vanuit geest en ziel, als we dan deze ziel en geest leren waarnemen in hun activiteit in het lichaam.
Ziet u in wat ik zeg, eenvoudig een aansporing het wezen van de mens zo waar te nemen; een aansporing daadwerkelijk te kunnen waarnemen wat er in de wordende mens gebeurt. Dat is die enigszins ongemakkelijke, gecompliceerde manier waarop de geesteswetenschap over de mens spreekt – t.o.v. de huidige natuurwetenschap die er even gemakkelijk geen notie van neemt, dat deze mens een wonderbaarlijk wezen is dat uit de hele wereld in zich samenbalt de wetmatigheid dat in hem ook een wereld, een wereld in het klein tegenover de grote wereld aanwezig is. Wanneer wij zeggen: de mens bestaat uit het fysieke lichaam, hij bestaat bovendien nog uit het etherlijf – dan betekent dit:

Du sollst beobachten lernen, wie du nicht bloß an dem Leichnam oder dergleichen äußerlich naturwissen­schaftlich anatomisch, physiologisch verfolgen sollst, wie sich die kör­perliche Entwickelung in den ersten kindlichen Jahren bis zum sieben­ten Jahre hin gestaltet, sondern du sollst beobachten lernen, wie es ein Seelisch-Geistiges ist, und dieses Seelisch-Geistige, ob man es nun Ätherleib nennt oder wie man es nennen will, im Leiblichen arbeitet. Denn dadurch lernt man erkennen, wie es erst am Leibesgestalten arbeitet im Zahnbilden, das aus dem ganzen Leibe heraus kommt, und dann arbeitet in dem Grunde der Vorstellungen, so daß sie bleibend werden können, diese Vorstellungen. Und so können wir sagen: Beim Zahnwechsel wird eigentlich der Ätherleib erst geboren; bis zum Zahn-wechsel wirkt er noch im physischen Leib drinnen; da gestaltet er das­jenige, was im Zahnwechsel kulminiert. Dann wird er frei und arbeitet in der Bildung von Vorstellungen, die erinnerungsmäßig bleiben kön­nen. Und später sprechen wir von dem selbständigen Ich, das vorzugs­weise im Willen konzentriert ist, das sich aber auch in dem Werden der Sprache, in dem richtig geschauten Werden der Sprache ankündigt. Wir reden davon, daß der Wille erkannt wird, wenn man ihn nun nicht einfach bloß seelisch vergleicht mit dem Vorstellen, sondern wenn man ihm ansieht, wie er tätig ist an der Sprachbildung als an etwas ganz Konkretem. Wir erkennen in dieser Willensbildung die Ich-Entwickelung,

je moet leren waarnemen hoe je niet alleen maar aan het lijk of iets dergelijks uiterlijke natuurwetenschap anatomisch, fysiologisch moet studeren, hoe zich de lichamelijke ontwikkeling in de eerste jaren van een kind tot het zevende jaar verloopt, maar je moet leren waarnemen hoe het iets van geest en ziel is en of je dat nu etherlijf noemt of hoe je het ook noemen wil, op het lichamelijke inwerkt. Want daardoor leer je kennen hoe dit eerst aan de vorming van het lichaam werkt in de vorming van de tanden wat uit het hele lijf komt en dan basaal werkt aan de voorstellingen zodat die blijvend kunnen worden. En dan kunnen we zeggen: bij de tandenwisseling wordt eigenlijk het etherlijf pas geboren; tot aan de tandenwisseling werkt dit nog in het fysieke lijf; daarin vormt het, wat uitmondt in de tandenwisseling. Dan wordt het vrij en werkt aan het vormen van voorstellingen die in de herinneringen blijvend kunnen worden. En later spreken we van een zelfstandig Ik, dat allereerst in de wil geconcentreerd is, dat zich echter ook in het ontstaan van de spraak, in de op de juiste manier bekeken wording van de spraak zichtbaar wordt. Wij zeggen dat de wil gekend wordt, wanneer je deze niet eerst als zielenaspect eenvoudigweg vergelijkt met het voorstellen, maar wanneer je deze beschouwt in hoe hij werkzaam is aan het vormen van het spreken, als aan iets heel concreets. Wij kennen in deze wilsvorming de ontwikkeling van het Ik

blz. 25

die man für sich verfolgen muß, und mitten drinnen sehen wir dasjenige, was zwischen Ätherleib und Ich liegt, was gerade in der Sprache zum Ausdrucke kommt, was besonders beachtet werden muß in den ersten Volksschuljahren in der pädagogischen Kunst.
Wir sehen da, was das eigentlich Seelische des Menschen ist. Es lebt im werdenden Kinde so, daß, wenn das Kind nun zur Volksschule kommt und gerade unter dem Einflusse der Kräfte des Zahnwechsels steht, das Intellektuelle noch gar nicht herauskommt; aber das Willens­artige schießt während der Volksschulzeit von Woche zu Woche, von Monat zu Monat in das Leibliche hinein, in dem es sich lokalisiert. Weiß man dies, so wird man im Volksschullehrplan dasjenige drinnen haben, was in der richtigen Richtung liegt, so daß es dieses Hineingestalten des Willens in den Intellekt fördert. Wenn man so versteht, was Wille, was Intellekt ist, und auch beobachten kann, wie bei man­chem Kinde von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr der Wille, der sich lokalisiert im Sprechen, der Intellekt, der sich zurückgezogen hat in das Geistig-Seelische, zusammenwirken, erst dann versteht man, was man da zur leiblichen und seelischen Erziehung und zum Unterricht des Kin­des tun muß; erst dann betrachtet man die Pädagogik als Kunst und erkennt, wie man erst das Material, die Menschennatur, verstehen muß. Wie der Bildhauer Ton oder Erz hat und dieses bearbeiten muß, wie man die Farben und so weiter bearbeiten muß, so muß der päd­agogische Künstler verstehen, wie man den Willen hineinarbeitet in den Intellekt, wie man wirkt, um die richtige Ineinanderfügung, die rich­tige künstlerische plastische Gestaltung des Intellektes, der sich bis zum 7. Jahre geboren hat, durch den Willen vorzunehmen, der sich unter den Händen des Volksschullehrers entwickelt bis zur Geschlechtsreife hin.

die je op zich moet volgen en in het midden zien wij wat tussen etherlijf en Ik ligt, wat ook in het spreken tot uitdrukking komt, waarop in het bijzonder moet worden gelet in de eerste jaren van de basisschool, in de pedagogische kunst.
Wij zien hier wat eigenlijk de ziel van de mens is. Die leeft in het wordende kind zo, dat wanneer het kind op de basisschool komt en dan net door de krachten van de tandenwisseling beïnvloed wordt, het intellectuele nog helemaal niet naar buiten komt; maar het wilsmatige stroomt gedurende de basisschooltijd  van week tot week, van maand tot maand in het lichamelijke waarin het zich lokaliseert. Wanneer je dit weet, dan zul je in het leerplan van de basisschool datgene hebben wat in de juiste richting gaat, zodat het deze vorming van de wil in het intellect ondersteunt. Wanneer je op deze manier begrijpt wat wil is, wat intellect is en je kan waarnemen hoe bij veel kinderen van maand tot maand, van jaar tot jaar de wil die zich in het spreken lokaliseert, het intellect dat zich teruggetrokken heeft in geest en ziel, samenwerken; dan begrijp je pas wat je voor een lichamelijke en psychische opvoeding en voor het onderwijs van het kind moet doen; pas dan beschouw je de pedagogiek als kunst en dan weet je hoe je eerst het materiaal, de natuur van de mens, moet begrijpen. Zoals de beeldhouwer klei en ijzer heeft en deze moet bewerken, hoe je met kleur enz. moet werken, zo moet de pedagogische kunstenaar begrijpen hoe hij de wil werkzaam laat zijn in het intellect, hoe hij bezig moet zijn om het juiste samengaan, de juiste kunstzinnige plastische vorming van het intellect dat zo tegen het 7e jaar geboren wordt, dat door de wil moet worden bewerkstelligd die zich in de handen van de basisschoolleerkracht ontwikkelt tot aan de geslachtsrijpheid.

Voor een nadere uiteenzetting, uitleg e.d. van de door Steiner gehanteerde begrippen, o.a. vierledige mens; denken, voelen, willen; Körper/Leib = lichaam-lijf; enz.: zie Antroposofie een inspiratie

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 1e voordracht (Duits)

1267-1182

..

VRIJESCHOOL – Schrijven (9)

.

Toen in 1985 de Wet op het Basisonderwijs veranderde – de kleuterscholen hielden officieel op te bestaan; het ‘hoofd der school’ werd directeur – was er veel discussie over hoe het nu met de kleuter verder moest. 

Er vond veel onderzoek plaats; er ontstonden vele meningen. Hoe is het daarmee, zo’n 30 jaar later, curieus of nog actueel?

te vroeg beginnen met schrijfles is slecht voor kind

Taal is het minst geliefde vak op de basisschool. In de zesde klas kan zeven percent van de leerlingen vrijwel niet lezen, laat staan zelf iets begrijpelijks op papier krijgen (de Volkskrant 7 september 1985). Hoe kan dat? Daarover vandaag Marius Lindeman, begeleider van jongeren en volwassenen met schrijfproblemen. Dat ook kleuters al moeten leren schrijven, kon wel eens de verklaring zijn.

Het Centrum voor Onderwijsonderzoek {SCO) van de Universiteit van Amsterdam heeft een onderzoek uitgevoerd onder 1200 leerlingen op 300 basisscholen. Uit deze aanzet tot een periodieke peiling van het onderwijsniveau blijkt dat „taal het minst geliefde vak op school is” en dat scholieren brieven schrijven die ze alleen zelf kunnen lezen en begrijpen.

Het gevaar van zulk onderzoek is dat de uitkomsten zo alarmerend klinken. Bovendien worden die resultaten over de hoofden van de onderwijsgevenden de samenleving ingegooid. Het is mogelijk dat daardoor een vertekend beeld ontsaat. Onderwijsgevenden in het basisonderwijs verrichten mierenarbeid: naast het lesgeven met bijbehorend correctiewerk moet er nog veel meer ge-beuren.

Het aantal leerlingen loopt terug, onderwijskrachten kunnen daardoor worden uitgerangeerd, hun bloeddruk loopt door dit alles langzaam op. Dat er onderzoek in het onderwijs wordt gedaan is uitstekend. Kwaliteitscontrole van het onderwijsnivoau is dringend nodig, zeken in een laad als Nederland, waar zoveel hoofden, zoveel zinnen voor een gevarieerd pedagogisch klimaat zorgt. Maar zorgvuldigheid bij het hanteren van de uitkomsten is gewenst.

In de onderzoeksresultaten wordt de aandacht voornamelijk gericht op de taalvaardigheid van de leerlingen. Taal blijkt een vak te zijn dat kinderen niet aanspreekt, terwijl het toch leuke kanten heeft: spreken, schrijven, luisteren en lezen. In de laatste klas, dus een jaar voordat de kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan, kan 7 percent van de leerlihgen vrijwel niet lezen. Zij worden .. dan ook als functioneel analfabeet beschouwd

Hun briefjes, notities, schriftelijke aanwijzingen, beschrijvingen en andere schrijfproducten zijn vaak zo gebrekkig dat ze naar verwachting niet begrijpelijk zijn voor anderen, dus niet leiden tot een geslaagde communicatie. Dan volgt dat 9 percent van de leerlingen zich met hun schrijfvaardigheid buiten school niet kan redden, en voor 24 percent is dat twijfelachtig. Zesde-klassers schrijven in hun vrije tijd gemiddeld maar krap tien minuten per dag. Van die leerlingen vindt 38 percent schrijven moeilijk. Meer dan de helft van de onderzochte kinderen heeft dus problemen met schrijven.

Schrijven en schrijven
Wordt de tegenzin bij de kinderen veroorzaakt doordat ze niet weten wat ze moeten schrijven? Nee, want fantasie hebben kinderen genoeg, zoals blijkt uit het feit dat spreekvaardigheid minder problemen geeft. Of wordt er zo weinig geschreven, omdat de leerling het hanteren van de pen zo moeilijk vindt? De onderzoekers hebben het handschrift zeer nadrukkelijk niet in het onderzoek betrokken. „Er is waarschijnlijk geen relevant verband tussen
handschriftproblemen en spellingproblemen”, aldus een zegsman.

Het woord schrijven kan verwarring stichten. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen schrijven als formuleren op papier (stellen en spellen) en schrijven als de motorische beheersing van de bewegingsuitvoer (motoriek en pengreep). We gaan ervan uit dat het schrijven met de pen gebeurt.

In het verleden heeft onderzoek naar taalvaardigheden nooit aandacht aan het schrijven met de pen besteed. Er is wel onderzoek naar motorische aspecten van het schrijven verricht. Aan de Katholieke Universiteit Nijmegen wordt onderzocht wat er allemaal gebeurt als de pen over het papier bewogen wordt. In Leiden wordt onderzoek gedaan naar de ideale zit-schrijfhouding in Groningen, Amsterdam en inUtrecht wordt onderzocht op welke manier kinderen met een motorische achterstand het schrijven kunnen leren.

De veronderstelling dat de kinderen uit het SCO-onderzoek problemen met de motorische ontwikkeling hebben, is waarschijnlijk niet juist. Toch moet in die richting naar een oorzaak van de tegenzin en het onvermogen worden gezocht.

De motorische ontwikkeling van de kleuter dreigt in de huidige onderwijsorganisatie volledig geforceerd te worden (zie ook Open Forum 19 maart 1985). De laatste vijftien jaar zijn onder druk van de eisen van de basisschool kleuterleidsters ertoe overgegaan de kleuters voor te bereiden op het leren hanteren van vaardigheden die daar nodig zijn. Die dwaling doet ook opgeld na de integratie van kleuter- en basisschool. Ik doel speciaal op het kleuterschrijven.

Heel veel kleuters zijn in hun motorische ontwikkeling nog niet zo ver, dat zij een potlood of een pen ontspannen kunnen vasthouden. Als er in een kleuterklas dan toch wat aan schrijven wordt gedaan, is het risico groot dat er een motorisch onvermogen wordt gecultiveerd, waarmee de weerzin van 38 percent om te schrijven kan worden verklaard. Wie de pen heel gespannen en krampachtig hanteert, vergaat de lust tot schrijven.

Een verregaande conclusie? Uit literatuur over het methodisch handelen in ergotherapie blijkt dat bepaalde vaardigheden pas op latere leeftijd verwacht mogen worden dan nu het geval is bij het leren schrijven.

Het schrijfonderwijs op de Nederlandse basisscholen is traditioneel. De begeleidende ondersteuning door de Pedagische Studiecentra is vrijwel nihil.

De wildgroei in de praktijk heeft geleid tot een verregaand gevarieerd aanbod van schrijfmethodes die onderling sterk uiteenlopen. Zelfs het lettertype is niet bij alle methodes gelijk. In de praktijk is er bovendien een geweldige variatie in de pedagosche aanpak en de didactische ondersteuning.

Verouderd
Alle schrijfmethoden die de afgelopen vijftien jaar zijn verschenen, zijn gebaseerd op verouderde pedagogische principes. Een vooraanstaand
schrijfpedagoog heeft het onlangs in een maandblad voor het onderwijs zo geformuleerd: „Leren lezen en schrijven is een kunst waarbij de beide vaardigheden als autonome functies gescheiden blijven.”
De meeste schrijfmethoden zijn afgestemd op klassikaal onderwijs, maar de huidige opvattingen in het onderwijs gaan in een andere richting. De nieuwe basisschool is daar een sterk voorbeeld 
van. Integratie, kindgericht onderwijs en individualisering zijn ontwikkelingen die in het schrijfonderwijs bij lange na niet zijn gerealiseerd. Er is zelfs nog geen taal-leesmethode samengesteld, waar het schrijven met de pen een geïntegreerd onderdeel van is. Er wordt wel geëxperimenteerd, maar leren lezen en gebruik maken van een schrijftaal is geen veilige manier om het Nederlands te hanteren.

Door de traditionele inrichting van het schrijfonderwijs is integratie van lezen en schrijven op dit ogenblik vrijwel onmogelijk. Bij het aanbod van leermiddelen staat als norm het voorbeeld centraal. Als de letters maar mooi geschreven worden. Hoe die letters tot stand komen kan nooit door controle van het resultaat worden beoordeeld. Daar is individuele begeleiding of videoregistratie voor nodig. Het is vaak het onderwijs dat de ontwikkeling van taalvaardigheden in de weg staat.

Marius Lindeman, Volkskrant 3 okt. 1985

.

Schrijven: alle artikelen

1266-1181

.

.

 

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (8)

.

De getuigschriftspreuk – een wezenlijke ontmoeting met de leerling

Elk jaar staat de klassenleerkracht op de vrijeschool voor de opgave voor elk van zijn leerlingen een getuigschriftspreuk te maken of te zoeken hoe deze de leerling het komende schooljaar kan begeleiden.

De dramatiek van de kinderlijke ontwikkeling ligt voor de wordende jonge mens in de uitdaging zijn door de erfelijkheid gevormde lichaam en zijn door de omgeving gestemde ziel zo te veranderen dat deze geleidelijk in staat raken om de persoonlijkheid zelf tot uitdrukking te brengen.
De beeldinhoud van deze getuigschriftspreuk, die naast het tekstgedeelte ook wordt gegeven, kan de volgende stap die te zetten is, verduidelijken, bij deze verandering helpen en een weg wijzen naar de toekomst.
Het is altijd schipperen tussen ‘je weet wat de bedoeling is en toch heb je er geen goed gevoel bij’ en een te vage aanduiding die niet aankomt. Buiten de inhoud om werken klanken en ritme in het herhaaldelijk oefenende spreken voor de klas.

Aan het eind van het eerste schooljaar heb je een aanbod van sprookjesbeelden, waarbij het niet steeds makkelijk is, om deze kort samen te vatten.

Als voorbeeld hier het sprookje van het Ezeltje, dat wanneer hij op zijn instrument speelt, zijn ware wezen als prins vindt:

(p.w.: ik heb de Duitse tekst hier niet overgenomen+ ook geen vertaling gemaakt van de spreuk. Wie het beeld dat gebruikt is wil zien, volge de link naar het artikel. )

Ook gelijkenissen uit de natuur zijn geschikt. De volgende spreuk werd – aan het eind van de eerste, dus voor de tweede klas – aan een zeer tere blonde jongen gegeven, die door zijn sanguinisch temperament zich niet voldoende met de aarde kon verbinden. Voor zijn gevoelsleven leidde dit niet kunnen verbinden tot pijnlijke ervaringen met zijn klasgenoten.
(zie spreuk in artikel:  ‘Ein Blümlein fein……’)

In zekere zin homeopathisch (similia similibus curantur – het gelijke wordt door het gelijke genezen) begint de eerste strofe bij de bestaande situatie; in de jambische versmaat ( v -) voelde de jongen zich wel thuis. In de wat meer strijdvaardige anapest (vv -) die wij samen gestampt en geklapt hebben, vindt de confrontatie met de elementaire krachten van de aarde plaats, die tot de bange vraag leidt of dan zo’n kwetsbaarheid opgewassen is tegen deze beproeving.
De laatste vier regels houdt jambisch weer een verzoening in, zeker met de hint naar het wortelen.
Zulke gezichtspunten worden natuurlijk niet bij de kinderen tot bewustzijn gebracht; die werken door het doen.

Een zeer teruggehouden meisje met een sterk innerlijk leven kreeg deze spreuk om op aarde meer thuis te raken.
(Zie spreuk in artikel: ‘Ein Baum steht…..’)

Een jaar later – in de derde klas – kreeg het meisje een soortgelijke spreuk, die zich nu echter, daar rond het 9e/10e jaar het Ik-gevoel sterker wordt, meer in de zielenruimte afspeelt (vreugde-leed)
(Zie spreuk: ‘Wie die Weber….’)

In de periodestof van de derde klas zitten prachtige beelden. De trochee (- v) met de ledematen gedaan, werkt op de wil die tot een bruikbaar instrument te vormen is wat in het beeld van de smid opgeroepen wordt.
(Zie spreuk: ‘Halt das Eisen ……’)

Deze directe vorm van een uitdaging kan zeer sterk beleefd worden. Men moet echter niet vergeten, dat de spreuk door de leerling zelf gesproken wordt, dus eigenlijk aan de klas gericht wordt.

Wanneer een kind makkelijk de draad van zijn gedachtegang verliest, moet het maar spinnen…..
(Zie spreuk: ‘Sieh, wie die Spinnerin…..’)

Rudolf Steiner wijst erop dat het de wil sterker maakt, wanneer we de nieuwe regel met hetzelfde woord laten beginnen, waarmee de vorige regel eindigt.
(Zie spreuk: ‘Müller, lass’die …..’)

Vervolgens zullen we een zeer wakkere, intelligentie jongen door de derde, vierde en vijfde klas volgen.
(Zie spreuk: ‘Tobias der Töpfer …..’)

De jongen met de ietwat ‘dunne huid’ neemt zeer snel op, maar het is moeilijk voor hem om zijn handen krachtig en handig te gebruiken. Ook heeft hij moeite met de gebieden die alleen door herhaald oefenen toegankelijk worden. Zijn spreuk voor de vierde klas sluit op een humorvolle manier bij de menskundeperiode aan.
(Zie spreuk: ‘Der Kopf liegt auf—–‘)

Omdat het hem begrijpelijkerwijs door zijn leeftijd nog aan onderscheidingsvermogen ontbreekt, is hij door zijn wakker opnamevermogen uitgeleverd aan alle indrukken uit zijn omgeving.
In de vijfde klas – Griekenland wordt in de oude geschiedenis besproken – biedt Odysseus zich aan met de verlokkende sirenen. (Hier vrij naar Kafka: ‘Das Schweigen der Sirenen’)
(Zie spreuk: ‘Sieh, wie der list’ge…..’)

Heel anders,  door klinkende vocalen,  probeert deze spreuk een timide kind in de vierde klas aan te moedigen, zich te laten zien.
(Zie spreuk:´Gusseiserne Glocken…..´)

Soms kan het nodig zijn om in te gaan op een voorval in het levenslot van het kind dat hem een klap gegeven heeft. Van dit kind was de vader gestorven.
(Zie spreuk: ‘Was kreucht im Gras…..’)

Wie kent hem niet, de cholericus, die iedere moeilijkheid door strijd wil oplossen? De rustig voortschrijdende hexameter en het voorbeeld van Herakles moeten helpen.
(Zie spreuk: ‘Nicht allein die Giganten….’)

De Griekse sagen zijn een echte goudmijn. Wat voor beeld is meer geschikt om de kracht van de fantasie te bezweren?!
(Zie spreuk: ‘Das Haupt der Medusa….’)

Deze jongen heeft sterk ontwikkelde vormkrachten. Hij beweegt zich hoekig en wat hij maakt, is buitengewoon precies, maar star. Ook is hij zeer op zichzelf gericht.
(Zie spreuk: ‘Schneekristall!’)

Maar genoeg voorbeelden! En passant – ieder kind spreekt zijn spreuk een keer per week – verinnerlijken de kinderen in de loop van het jaar ook de spreuken van hun klasgenoten. Is er een kind ziek, dan neemt een ander kind het graag over om die spreuk te zeggen.

Door de jaren heen is er in de schoolbeweging een aanzienlijke schat aan openbaar gemaakte en ondershands doorgegeven spreuken ontstaan. Niet iedere leerkracht zal zich in staat achten, zelf actief bezig te gaan. Om de juiste spreuk uit die voorhanden zijn te kiezen, moet men zich toch, buiten dat wat in het getuigschrift wordt gezegd, met het wezen van het kind verbinden. Bijzonder werkzaam kan die verbinding dan zijn, wanneer uit het innerlijke beeld dat men van het kind heeft en het uiterlijke beeld van de lesstof, de getuigschriftspreuk als mijlpaal ontstaat.

Voor buitenstaanders die nooit ervaren hebben, hoe zeer de kinderen zich op hun nieuwe spreuk verheugen en met welke ernst ze er dan mee omgaan, kan de vraag blijven hangen, of de leerkracht het ‘recht’ heeft zulke ‘spreuken’ uit te delen. In de derde klas had ik een essentiële ervaring:
nadat alle kinderen hun getuigschriftspreuk gekregen hadden, vroeg een leerling mij: ‘Hebt u eigenlijk ook een getuigschriftspreuk?’ Godzijdank had ik er een! ‘Mogen we die ook eens horen?’ Toen werd het heel stil in de klas en ik sprak ‘mijn getuigschriftspreuk’, een korte meditatieve tekst. Die hebben de kinderen hoogstwaarschijnlijk niet begrepen; maar begrepen hebben ze wel dat de volwassene ook op weg is.

Iedere leerkracht gaat op eigen wijze met het opvoedingsmiddel ‘getuigschriftspreuk’ om. Zo zal ook ieder zijn eigen manier ontwikkelen om te dichten. Daartoe willen deze voorbeelden een stimulans zijn. Uitgebreide hulp vind je in de boeken van Heinz Müller [1], Martin Tittmann,[2]  Lore Schäfer [3] en Martin Georg Martens. [4].

Met een kleine raadgeving zou ik willen besluiten:
Dikwijls verging het me zo dat ik mij ’s avonds installeerde en met de beste wil probeerde, een getuigschriftspreuk te ‘maken’. Maar het ging niet. De volgende morgen – dikwijls bij het scheren – flitste het beeld door me heen, waarnaar ik de vorige avond tevergeefs had gezocht! (Deze methodische aanwijzing moet voor vrouwen en dragers van een baard natuurlijk worden veranderd…..)
In een getuigschriftspreuk uitgedrukt:
Zie de spreuk: ‘Im Lebenden und …..’) [5]

.

Johannes Denger,  ‘Erziehungskunst, 50e jrg.nr.5, 1986
.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.
[4] Martin Georg Martens, ‘Rhythmen der Sprache – Ihr Leben im Jahreslauf. Studienmaterial der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft Goetheanum.

[5] Alle getuigschriftspreuken in dit artikel kunnen met de notitie ‘van Johannes Denger’ worden gebruikt.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

.

Getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften
.

1265-1180

.

.

..

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (46)

.

de hogepriester

Zie, daar komt hij, in zijn prachtige klederen.
Onderaan zijn priesterrok klingelen de gouden belletjes. Op zijn voorhoofd, juist onder de priesterlijke hoed, draagt hij een gouden plaat; daarop staat: Heiligheid den Heere.

De hogepriester Aäron was een beeld, een type van de hemelse Hogepriester.

De hogepriester met zijn ,, kleding tot sieraad’

Twee schouderstenen
Op elke schouder van de hogepriester was een edelsteen bevestigd, een sardonix.
Exodus 28 : 9 – 14.
In elk van deze stenen waren zes namen gegraveerd, namelijk de twaalf namen van de stamvaders van het volk Israël.
Symbolisch droeg zo de hogepriester het hele volk van God op zijn schouders.

In vers 10 bij staat: naar hun geboorten. Ze moesten op de steen gezet worden naar de volgorde van hun geboorte. D.w.z. de volgorde van de namen was naar de volgorde van de geboorte van de aartsvaders: Ruben, Simeon, Levi, Juda enz. Het is logisch dat men tot het volk Israël alleen kon behoren door geboorte.

Het borstschild met de twaalf stenen
Exodus 28:12-29
Het volk wordt in het beeld van de twee sardonixstenen gedragen op de schouders van de hogepriester.
Daar komt nu iets bij dat zo mogelijk nog rijker is: Ieder lid van het volk droeg hij ook apart, en wel op zijn borst.

Een onderdeel van het hogepriesterlijk kleed was de borstlap of het borstschild, een span breed en lang. Een span is bij een uitgestrekte hand de afstand van de top van de duim tot de top van de pink, ongeveer twintig centimeter.

Dit borstschild was geborduurd in vier prachtige kleuren en daarop waren, in goud gevat, twaalf kostbare stenen. Drie rijen van vier edelstenen.

Op de schouders waren het 2 x 6 namen, de twaalf stammen als geheel, op het borstschild 12 x 1, de namen van de twaalf stamvaders ieder op een aparte steen.

Over het borstschild wordt extra vermeld dat hij de namen op zijn hart droeg. Het hart spreekt van de liefde.

1e rij v.l.n.r.:
1] sardis
2] topaas
3] karbonkel

2e rij v.l.n.r.:
4] smaragd
5] saffier
6] diamant

3e rij v.l.n.r.:
7] opaal
8] agaat
9] amethist

4e rij v.l.n.r.:
10] turkoois
11] sardonix
12] jaspis

Edelstenen in de Bijbel
Bij de vertaling van de namen der edelstenen weten we in enkele gevallen niet of niet zeker wat de betekenis van een bepaalde edelsteennaam is.
Daarbij komt dat sedert bijbelse tijden verschillende edelstenen andere namen hebben gekregen.

Uit de verschillende bijbelvertalingen  is een keus gemaakt, veelal uit de Statenvertaling. Deze is weer grotendeels in overeenstemming met de in Duitsland veel gebruikte ‘Elberfelder Bibel’, die aansluit bij de vertalingen in Engels en Frans van J.N Darby en W. Kelly.

Overzicht: het leven in het Oude Testament       [43] borstlap

3e klas: vertelstof

Mineralogie

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

.

1264-1179

.

.

VRIJESCHOOL – Aandacht

.
Als je in de klas van de kinderen geen aandacht krijgt, zullen ze weinig leren.
Iedere dag worden duizenden leerlingen gesommeerd op te letten. 
Als leerkracht vind je het misschien vanzelfsprekend dat je die aandacht krijgt, maar het is m.i. veel meer een zaak van ‘aandacht verdienen’. ‘Boeien’ is toch het toverwoord. Hoe? – het is een open deur: door interessante stof, door het boeiend te brengen.
De vrijeschoolleerstof is in wezen een aaneenschakeling van stof die dicht bij het kind staat. Waarmee veel wordt gedaan wat geoefend moet worden: waarbij het zonder aandacht niet gaat: vormtekenen, euritmie, schilderen, de juiste ritmen lopen bij het leren rekenen en zoveel meer.

In onze taal spreken we ook over ‘aandacht schenken’. Aandacht als geschenk?

Door het hersenonderzoek kunnen steeds meer interessante gezichtspunten worden gegeven over wat er eigenlijk in ons brein gebeurt.
Soms is dat schokkend:

De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte  nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier:

Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie.  Niet aangeboren dus, maar veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op.

(S.Gerhardt: Why love matters. How affection shapes a baby’s brain)  [1]

Zichtbaar geworden aandacht…….

x

AANDACHT
In de reguliere psychiatrie bestaan grofweg twee soorten van benadering. Ten eerste de biologische psychiatrie, die uitgaat van het idee dat wij geheel bepaald worden door onze hersenen. De enige manier waarop je invloed op de hersenen kunt hebben, zo denken de biologische psychiaters, is met medicatie. En, als tweede, de psychotherapie, die juist uitgaat van de gedachte dat je niet overgeleverd bent aan wat de hersenen voor je in petto hebben. Maar dat je, met behulp van gesprekken en oefeningen, daar zelf een verandering in kunt brengen. Veel psychiaters combineren beide vormen van aanpak.

Kun je dan invloed uitoefenen op je eigen hersenen? Er is een overweldigende hoeveelheid onderzoek die dat bevestigt. Bij Londense taxichauffeurs, die een examen moeten doen waardoor ze alle straten moeten kennen en in gedachten een traject door de stad moeten afleggen, werd een sterke verdikking gevonden van de hippocampus, een structuur in de hersenen die een grote rol speelt in het geheugen. Dieren die een beloning kregen wanneer ze op geluiden letten, bleken een grotere auditieve schors en bij beloningen voor aandacht voor visuele prikkels een grotere visuele schors te ontwikkelen. Violisten hebben een veel groter gebied dat de vingers van de linker hand representeert in hun motorische schors dan die van de echter hand. En ervaren mediteerders hebben een dikkere prefrontale schors, het gebied dat gebruikt wordt om aandacht vast te houden en om de impulsen van de rest van de hersenen in toom te houden. Wat je oefent wordt versterkt in de hersenen. Of het nu lichamelijke of cognitieve vaardigheden zijn. Zodat de hersenen je kunnen bijstaan om de vruchten van die oefening te kunnen plukken. Hersenen zijn een instrument. Alle vormen van psychiatrische problematiek, zwaar en licht, kun je zien als een disbalans tussen de gestoorde invloeden van de hersenen op je gedrag en innerlijke ervaringen en anderzijds de mate waarin je die invloeden in toom kunt houden. Om ze in toom te kunnen houden heb je een goed ontwikkelde prefrontale schors nodig. Die wordt pas ontwikkeld na de geboorte en het duurt ongeveer dertig jaar tot deze ontwikkeling voltooid is. In die tijd kan er dus van alles misgaan, maar, zoals aangetoond is bij mensen die mindfulness ofwel aandachtstraining praktiseren, kan dit gebied met oefening alsnog versterkt worden. De Amerikaanse psychiater Daniël Siegel beschrijft in zijn boek ‘Mindsight’ hoe hij een jongen met een bipolaire (manisch-depressieve) stoornis het heft weer in handen geeft met mindfulnessoefeningen, zodat hij zonder medicatie kan. Dat laatste is nogal bijzonder. Henk Schutte heeft een boek geschreven met de titel ‘Ik herstelde van een bipolaire stoornis’. Hij gebruikt de aandachts-trainingsoefeningen van Steiner: de terugblik op de dag en de Nebenübungen, die sinds het boek van Joop van Dam als ‘het zesvoudige pad’ bekend staan. Of zijn prefrontale schors dikker is geworden kan niet meer onderzocht worden. Wanneer je leest wat het hem heeft opgeleverd, kan dat haast niet anders.

Arie Bos, Stroom nr.4 herfst 2014
.

[1]  Arie Bos: ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Arie Bos: ‘Hoe de stof de geest kreeg

Arie Bos over mazelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen  waaronder over aandacht [nr 8]

.

1263-1178

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

OP ZOEK NAAR VROUW HOLLES RIJK

Vrouw Holle is een zeer bijzondere vrouw.

Stralend mooi kan zij als “ de hoge witte vrouw” aan de mensen verschijnen, maar ook afschrikkend lelijk; grauw, oud en krom. Haar gestalte kan de ganse hemel vullen, maar ook verschijnt zij in het kleinste hutje op de hei. Zij voedt en laaft de ongeboren kinderen, beschermt de dieren, zegent het gewas en waar haar voet de aarde raakt, bloeien in de zomer de liefelijkste bloemen.
In haar liefde voor de mensen kan zij vol genade schenkend of wijs straffend zijn; het lot  in een mensen leven loopt als een draad door haar hand.
Haar rijk strekt zich eigenlijk over de gehele aarde uit. In Midden-Europa is zij echter het meest door de mensen ervaren; hier zijn de sagen en sprookjes over Vrouw Holle het talrijkst.

Tussen het Harzgebergte in het noorden en het Thuringer woud in het zuiden, in de streek Hessen, verheft zich de Meiszner, de berg  waar Vrouw Holle het liefst verblijft. Hier rust zij uit van haar tochten over de aarde, baadt zij zich in haar vijver, die toegang geeft tot haar onderaardse rijk, waar zij de moeder is van de ongeboren kinderen.

Deze zomer zijn wij op zoek gegaan naar de Meiszner. Het was heet en ver voor een oude Lelijke Eend, volgeladen met kinderen, tent en kampeergerei. Vanuit het groene, vlakke Holland reden wij de heuvels en bergen van Duitsland in, het Westerwoud, kwamen in Marburg, de oude universiteitsstad, waar wij alleen verkoeling vonden in de Elizabethskathedraal. Verder moesten we; met spanning keek ik uit naar de Meiszner en eindelijk op een zondagmiddag zagen wij haar opdoemen, maar hoe anders was ze dan ik mij had voorgesteld! Langgerekt en afgeplat, het hoogste punt wel 750 m hoog; een geweldig heuvelmassief, niet zoals je je in Holland een berg voorstelt. De bergen, voor Zwitsers zullen het heuvels zijn lijkt mij, daar tussen de rivieren de Fulda en de Werra en zuid- oostelijk van Kassel zijn langgerekt en donker.

Ze doemen tegen de horizon op zoals in Holland, tegen de avond langgerekte wolken zich formeren, donker en samen met de aarde, terwijl de lucht daarboven nog licht is. En de grootste van alle is de Meiszner, Vrouw Holles uitverkoren berg.

We reden er langzaam naar boven; het was er druk met zondagsmensen, die kwistig hun ijspapiertjes en lege limonadebekertjes rond strooiden en we merkten dat zondag geen geschikte dag was om de Meiszner te bezoeken.

‘S nachts kwam er een geweldig onweer, dat tussen al die bergen heen en weer gegooid werd en daardoor uren duurde; Vrouw Holles verontwaardiging over al die zondagsdrukte?

Maar gelukkig vonden wij de volgende dag de Blaue Kuppe, een  hoog oprijzende heuvel, middenin een groot breed golvend akkerland. Daar was het stil, daar bloeiden de prachtigste bloemen, daar flitste een salamandertje tussen de stenen en daar vonden we plotseling een alleenstaande kruisbessenstruik, waarvan de takken diep door bogen onder het gewicht van de ontelbare vruchten; had Vrouw Holle die daar neergezet om onze dorst te lessen ?

De Blaue Kuppe is een bijzondere heuvel. Zij is begroeid met naald- en loofbomen; je klimt omhoog en dan opeens sta je aan de rand van een diepte, een geweldige wijde ronde kom en daarin ligt een blok rots, puntig omhoog wijzend, hoger dan een huis. De kinderen renden er om heen en probeerden er tegenop te klauteren.

Lang geleden, zo gaat het verhaal, was Vrouw Holle thuis gekomen van een lange tocht over de aarde. Zij was vermoeid en stoffig van de reis bij de Meiszner aan gekomen en een stekende pijn in haar voet zei haar dat zij een steentje in haar schoen had gekregen.
Zij schreed over de rivier de Werra en zag bij het stadje Eschwege een heuvel, die haar goed als voetenbank kon dienen.
Zij bukte zich, gespte haar gouden schoen los en keerde hem om. Met donderend geweld sloeg daar een rotsblok in de grond. Het ligt er heden ten dage nog en is wijd en zijd bekend als de Blaue Kuppe; het steentje uit vrouw Holle haar schoen.

Ons zoeken naar Vrouw Holles rijk werd in dat zelfde stadje Eschwege bekroond: ik vond daar in een boekwinkeltje het boek wat ik al tijden zocht. “Volkssagen en Sprookjes over Vrouw Holle” van Karl Paetov.  Deze Duitse uitgave is jaren later in het Nederlands vertaald en uitgegeven, naar ik meen, bij Christofoor. Vast nog wel 2e hands te krijgen.

Ybel Pronk – Sluyter, door de auteur op 21-03-2017 aan deze blog ter beschikking gesteld.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1262-1177

.

VRIJESCHOOL en antroposofie – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over: antroposofie en vrijeschool; wereldbeschouwelijke school; antroposofische leer.

[1-1]  ‘antroposofisch’ onderwijs
De vrijescholen bestaan in 2019  100 jaar; in Nederland in 2023. In die 100 jaar zijn er veel (voor)oordelen (hardnekkig) blijven bestaan; over het ‘vrije’ bijv.; ook over de rol van de antroposofie; enige antroposofische gezichtspunten t.a.v. bloed en zenuw en in verband hiermee een paar voorbeelden uit de onderwijspraktijk.

[1-2] ‘antroposofisch’ onderwijs
Voorbeeld van het waarnemen van een kind en een pedagogische behandeling.

[1-3] ‘antroposofisch’ onderwijs
Voorbeeld van omwerken van antroposofische gezichtspunten naar pedagogiek.
Een kind met te veel fantasie en hoe het geholpen werd. Karakteriseren i.p.v. definiëren, vooral bij het waarnemen van kinderen. Een lijst met aandachtspunten voor de kinderbespreking.

[1-4] ‘antroposofisch’ onderwijs
In 1919 hoogst ongebruikelijk in het onderwijs, op de vrijeschool vanaf die tijd vanzelfsprekend: handenarbeid en handwerken voor jongens én meisjes; ze zitten ook samen in een klas; invloed van motorische activiteit op het brein en leren schrijven

Is ‘antroposofisch’ onderwijs indoctrinatie?

[2-1]
De Fransman Perra, lang lid van de Antroposofische Vereniging in Frankrijk en jarenlang vrijeschoolleerkracht beschuldigt de vrijescholen in Frankrijk dat ze kinderen indoctrineren d.m.v. het vertellen van sprookjes.
In zijn artikel toont hij dit niet aan.

[2-2]
De Fransman Perra, lang lid van de Antroposofische Vereniging in Frankrijk en jarenlang vrijeschoolleerkracht beschuldigt de vrijescholen in Frankrijk dat ze kinderen indoctrineren d.m.v. het dierkundeonderwijs in klas 4. Het gevaar van een standpunt is dat je maar één aspect ziet. Ik zie dat vanuit mijn standpunt weer heel anders.

Is de vrijeschool een antroposofische school?
De Vlaamse pedagoog Luc Cielen, ex-vrijeschoolleraar, oprichter van scholen met veel steinermethodiek,  stelt deze vraag en beantwoordt die in – stand eind febr. 2018 – elf artikelen.
Hij toont dit vanuit een bepaald (zijn) standpunt aan. Er is echter ook een ander standpunt mogelijk en dan is daar geen sprake van.
.

[3-1/1]
Een discussie over ‘Atlantis‘. Is het ‘Atlantis van Steiner’ lesstof in klas 5

[3-1/2]
Vervolg van [3-1/1] over antroposofie in het geschiedensionderwijs van de 5e klas.

[3-1/3]
Over dierkunde.
Is het drieledig mensbeeld iets exclusief ‘antroposofisch’? Cielen vindt van wel en dus: wanneer je dit gebruikt in het dierkunde-onderwijs, is dit (te) ‘antroposofisch’.
Maar ‘hoofd, romp, ledematen’ is geen antroposofisch bedenksel. Het ‘via de mens naar de dieren’ is een briljante vondst om kinderen op een respectvolle manier met hun leefwereld te verbinden.

[3-1/4]
Over plantkunde:
De vergelijking ontwikkeling kind – planten op de ‘plantenladder’ is eveneens een briljante vondst om kinderen met hun leefwereld te verbinden.

[3-2]
Over de morgenspreuk in de lagere klassen:
Is de spreuk van een ‘geloofsbelijdenis’, of juist iets ‘algemeen menselijks’. Om kinderen innerlijk vertrouwen te geven. Dat staat ver van ‘indoctrinatie’.

[3-3]
Over de morgenspreuk in de hogere klassen:
Er wordt iets beweerd wat niet waar is: niet alleen de mens heeft een ziel, ook het dier; een dubieuze opvatting over het woord ‘rusten’; een vergissing te denken dat de ‘de geest’ boven alles staat; verwarring over ‘de ziel een woning geven’; verschillende opvatting over ‘geloof’; een zwak argument bij ‘indoctrinatie’

[3-4]
Over meer spreuken:
Een willekeurige (niet van Steiner) spreuk als pars pro toto. Verkeerde vergelijking met dierkunde; wonderlijke gevolgtrekkingen die op indoctrinatie zouden moeten wijzen; 

[3-5]
Over nog meer spreuken:
Luc meent dat ‘de’ vrijeschool de antroposofie aan de leerkracht opdringt. Maar geen enkele leerkracht wordt (van staatswege) gedwongen op een vrijeschool te gaan werken: je kiest zelf. Dan kies je ook voor de achtergronden. Een kromme redenering leidt tot de conclusie dat ‘er dwang is, en dat dit
 in tegenspraak is met de beleden vrijheid’

[3-6]
Over nóg meer spreuken:
Dat ook vaklessen met een spreuk zouden moeten beginnen en eindigen is onjuist. Dat kan, maar hoeft niet; een lied een gedicht volstaat; dat leerkrachten bij bepaalde gelegenheden ‘onder ons’ een spreuk zeggen, als werkmotto b.v. speelt zich af buiten het zicht van de leerlingen; of een getuigschriftspreuk dwang is? Luc erkent de waarde van een ‘tafelspreuk’, zo erken ik de waarde van andere spreuken: moreel kunnen ze mens en wereld verrijken; daardoor kunnen ze niet indoctrinerend genoemd worden.

[3-7]
Over ‘het’ schoollied:
Dat sommige scholen een schoollied hebben, is niet direct als ‘iets van de vrijeschool’ te noemen. Steiner heeft zich er nooit over uitgelaten. Het hebben van een schoollied is dus een individuele schoolaangelegenheid. Dat geldt ook voor de gekozen inhoud. Dat moet niet uitmonden in het zingen van antroposofische inhouden.

[3-8]
Kan een atheïst of agnost vrijeschoolleerkracht zijn:
Luc beweert van wel; ik van niet: hoe zou je met een mensbeeld waarin ‘de geest’ een centrale rol speelt, kunnen werken, als je de geest ontkent.
Kan een vrijeschool zonder Steiner?
Luc beweert van wel; ik beweer dat je dan hetzelfde zegt als dat de hand los van het lichaam zinvol kan bewegen.

[3-9]
Jaarfeesten
Op de vrijescholen worden jaarfeesten gevierd. Luc vindt dat de christelijke elementen eruit moeten: terug naar de natuurfeesten. Hij ziet de zin van het michaëlsfeest aan het begin van de herfst niet, maar zinnige gezichtspunten daarover zijn ook op deze blog te vinden: Michaël – alle artikelen
Ik:
Michaël neemt een prominente rol in in allerlei kunstuitingen. Waarom zou je die de kinderen moeten onthouden. En waarom zouden ze ‘moed’ en ‘strijdvaardigheid’ niet als beeld mogen beleven?

[3-10]
euritmie en bothmergymnastiek
Door een verwijzing naar Wikipedia om daar te weten te komen wat bothmergymnastiek is, lijkt me geen basis om te kunnen constateren dat deze vorm van onderwijs ‘antroposofisch’ zou zijn.
Ook Lucs opmerkingen over de euritmie blijven ongenuanceerd aan de oppervlakte. Hij beweert iets over een klank, wat volkomen in tegenspraak is met wat er over die klank door Steiner is opgemerkt. Uit Lucs gebruikte ‘waarschijnlijk’ blijkt geen zeker weten: daarmee komt zijn bewijs op nog lossere schroeven te staan. Ook bij zijn opvatting over ‘tooneuritmie’ mist hij een paar essentiële zaken. Bij ‘intervallen’ zou het tekortschieten, waarvan echter door Luc niets aangetoond wordt.

[3-11]
muziek

In de lagere klassen van de vrijeschool worden naast bekende bestaande kinderliedjes ook pentatonische gezongen en liedjes in de stemming van de zgn. kerktoonladders. In niet-pedagogische voordrachten heeft Steiner over deze ‘stemmingsmuziek’ het e.e.a. gezegd. Voor sommigen is dat aanleiding geweest om daar in het leerplan muziek rekening mee te houden. Maar omdat Steiner iets over pentatoniek heeft gezegd, is het zingen van pentatonische liedjes nog geen ‘antroposofisch’ onderwijs.

.

1261-1176

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Hier in Nederland kennen wij onder de sprookjes van de ge­broeders Grimm bijna allemaal het verhaal van Vrouw Holle. De oude vrouw, die goedheid en deugd beloont met goud, en onwil en luiheid met zwarte pek bestraft.

In het sprookje wordt zij zeer summier aangeduid – zij had zulke grote tanden dat het meisje er bang van werd. Zij is oud en lelijk, maar als het meisje haar vriendelijke stem hoort, is haar angst verdwenen en inderdaad blijkt Vrouw Holle een zeer goed en rechtvaardig wezen te zijn.
Dit sprookje komt uit Hessen, de streek in midden-Duitsland, ongeveer tussen Frankfurt en Kassel en nu blijkt, dat juist in die streek er veel meer dan dit ene sprookje over Vrouw Holle verteld werd en misschien nog verteld wordt.

In al die sprookjes en sagen,  die door Karl Paetow verza­meld zijn en uitgegeven bij de Bärenreiter Verlag in Kassel, komt Vrouw Holles wezen en gestalte duidelijk naar voren. Langzamerhand gaan wij haar voor ons zien,  een hoge lichte vrouw, die telkens weer op een nieuwe wijze (soms inderdaad ook oud en lelijk) aan de mensen verschijnt, hun deugd belo­nend, hun ondeugd bestraffend. Ook is zij Moeder Aarde,  de heerseres over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid, waar zij uitrust zullen de mooiste bloemen bloeien. Zij hoedt in haar onderaardse rijk de ongeboren zielen en tot haar komen de gestorvenen.
Ook haar naam is wisselend:  Frau Holle of Holda,  Frau Berchta, Frau Frigg.

De tijd waarin zij vooral het mensenland bezoekt is de tijd van de twaalf heilige nachten; dit zijn de nachten te be­ginnen met de kerstnacht tot aan Driekoningen op 6 januari. Driekoningenavond heette zelfs toendertijd in Hessen Berchtesabend.

In deze stille tijd wanneer het oude jaar door deze heilige nachten heen zich vernieuwt tot het volgende jaar, heeft de natuur zich helemaal teruggetrokken, zich verinnerlijkt en ontvangt nieuwe kiemkracht voor de komende lente.
De grote moeder komt en zegent land, boom en dier en de mensen, die van goede wille zijn.

Hier volgt een kleine sage uit het boek van Paetow: ‘Vrouw Holle en de Vlierboom’. In het Duits heet de vlier Holunder Strauch of Hollerbusch, in het Nederlandse woord gaat de overeenkomst van Frau Holle met Holler of Holunder helaas verloren.

 Vrouw Holle en de Vlier

Lang, lang geleden toen Vrouw Holle zich, zoals ieder jaar, op weg begaf om het land van de mensen te bezoeken, gebeur­de het dat zij over een uitgestrekte met sneeuw bedekte heide kwam.

Het was Kerstmis overal,  de tijd van de twaalf heilige nach­ten en  zij luisterde naar het gezoem van de bijen in de holle boom, naar de rustige ademhaling van de dieren,  die hun winterslaap deden. Zij beluisterde de zachte fluisteringen der stenen en het stromen van de sappen in boom en struik. Al het verlangen van de bloemen, die nog in de donkere aar­de sliepen, naar het komende voorjaar, klonk in haar oor. Op die heide stond ook een kale eenzame struik; zijn twijgen kraakten meelijwekkend in de ijzige wind.
Vrouw Holle gaf gehoor aan zijn treurige bede en zij vroeg de struik: “Waarom weeklaag jij zo?”
“O,  grote moeder”, klonk het, “al uw kinderen hebt ge een zin voor hun bestaan meegegeven. De mensen voeden zich met de noten van de hazelaar, zij gebruiken de taaie wilgentenen en zelfs de ruige brem binden zij  ’s winters tot hun bezem. Het vlas hebt ge zijn sterke vezel gegeven en het kleedje van iedere bloem is een lust voor het oog van elke mens. Alleen mij hebt ge glans noch zin meegegeven en zelfs de armste mensen kunnen mijn dorre hout in hun kachel niet sto­ken.”

Deze klacht beroerde het hart van vrouw Holle en zij ant­woordde glimlachend: “Nu dan, omdat jij de mensen zo goed ge­zind bent, wil ik jou zelf je naam geven,  vlierboom (Hollerbusch)  zul je van nu af aan in de mensenmond heten. Daartoe verleen ik je edele eigenschappen, die jou waardevol maken boven alle andere struiken.”

En zij schonk zijn bast genezende kracht, zij sierde hem met sneeuwwitte bloesem en vulde zijn ontelbare bessen met gezondmakend donkerrood sap.

In moeilijke tijden als de mensen bezocht werden door ziekte en nood ontdekten zij spoedig de genezende kracht van de vlierstruik. De struik,  die eens tot niets diende werd ge­plant in tuin en op erf en zijn witte bloesemtrossen sierden in het voorjaar de dorpen en boerderijen.  In de herfst ver­zamelde men zijn bessen en de gebrekkigen werden verlicht door het gezonde sap.

Dit was Vrouw Holles eerste kerstgeschenk aan alle mensen en spoedig ging het gezegde van mond tot mond:

 “Holunder tut Wunder”

Y. Pronk-Sluyter, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken
.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1260-1176

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (8-1)

.
Caroline von Heydebrand, Erziehungskunst, 2e jrg. nr. 5, 1928
.

In een aantal artikelen [1]  [2] wordt ingegaan op de vraag of het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool ‘antroposofisch’ onderwijs is. 
In wezen gaat het om 3 elementen: Atlantis, zoals Steiner daarover spreekt; de volgorde van de cultuurperioden zoals die meestal op de vrijeschool aan de orde komt en Steiners gezichtspunten over deze cultuurperioden.

Van Steiner vind je in de pedagogische voordrachten géén aanwijzingen voor genoemde 3 elementen. De enige verwijzing naar Atlantis geeft hij voor het vak geologie aan een 8e-klasleraar waarbij een verwijzing naar ‘geschiedenis’ sterk wijst in de richting van de datering van de ijstijden. 
Later, wanneer het leerplan voor de 8e klas en voor geologie wordt gemaakt, is er geen verwijzing meer.
Wanneer deze opmerking aan de 8e-klasleraar wordt gemaakt, kan deze door Caroline von Heydebrand zijn gehoord: zij had destijds de 5e klas. Later vatte zij in een klein geschrift het leerplan samen.
Bij het vak geschiedenis vind je de 3 elementen niet.
In 1928 schrijft zij voor het blad ‘Erziehungskunst’ een artikel over ‘geschiedenis in klas 5’.  Ook daarin ontbreken de 3 elementen.
Daaruit kan de vrijwel zekere conclusie worden getrokken dat Steiner deze 3 elementen bij de opbouw van het leerplan geschiedenisonderwijs verder volledig buiten beschouwing heeft gelaten.

Tegen deze achtergrond geef ik het artikel hier vertaald weer:

OVER DE EERSTE GESCHIEDENISLESSEN

Wat mensen in de loop van de aardeontwikkeling beleefden, dachten, bewerkstelligden, schiepen, dát in een grote samenhang te overzien, kan een kind pas op een heel bepaald ogenblik van zijn ontwikkeling. Het moet een beetje los gekomen zijn van een dromend, een vanzelfsprekend harmonisch samengaan, met zijn leefwereld. Zelf op weg een persoonlijkheid te worden, met een eigen zelfstandig zielenleven, moet het in staat zijn andere persoonlijkheden met een eigen zielenleven te gaan zien, los van zichzelf – met het bewustzijn dat het kind dan heeft. Vanaf zijn negende vindt dat losser komen te staan plaats, het kind wordt steeds meer een persoonlijkheid. Uit het droomachtige, kunstzinnige fantasieleven wordt langzamerhand het kritische, analyserende intellect wakker. Wij opvoeders zien deze ontwikkeling aan en we gaan erop in met wat we het kind dan willen meegeven.

Op een wonderbaarlijke manier wijst de bestudering van de wereldgeschiedenis ons echter ook een weg. Vaak wordt aan de leerkrachten van de vrijeschool gevraagd: ‘Waarom beginnen jullie, wanneer je met het eigenlijke geschiedenisonderwijs in het vierde, vijfde leerjraar – het 11e, 12e levensjaar begint, met de geschiedenis van de oudste voor-christelijke volkeren? Maar dat antwoord lijkt simpel.
Wat de oudste geschiedenis ons als meest wezenlijke inhoud te bieden heeft zijn mythen, sagen en sprookjes. Een wereld van geheimzinnig gevormde gestalten, groots en kinderlijk tegelijk in zovele gedaanten. In de vorm van deze beelden begrepen de oeroude volkeren de wijsheid van de wereld met een dromend bewustzijn. Dat past ook nog bij de ziel van het kind.
Maar deze is wel op weg wakker te worden voor het exacte waarnemen van de wereld der zintuigen, voor het oordelende denken, voor het kunnen begrijpen van wat in de loop van de geschiedenis geworden is. Door de sagenwereld van de oudste volkeren, Indiërs, Perzen, Babyloniërs, Egyptenaren, de Grieken van Homerus voeren we het kind in de 5e klas naar een Griekenland dat de schoonheid bewonderde en apprecieerde, tot de daden van Alexander de Grote. Zijn leven was voor de middeleeuwense dichters nog vervlochten in een net van wonderlijke sagen en legenden. Maar zijn persoonlijkheid en wat hij verrichtte staan ook in de volle schijnwerper van geschiedkundig onderzoek.

We hebben de kinderen van de hemel op aarde gebracht tot aan het tijdstip waarop wij als hedendaagse mens de persoonlijkheden uit de geschiedenis vanuit ons bewustzijn kunnen begrijpen.

(Hierna volgt in het artikel nog een kleine inleiding op een kerstspel dat von Heydebrand n.a.v. de geschiedenislessen voor de kinderen heeft gemaakt.)

Alexander de Grote op Bucephalus  bordtekening

.

Geschiedenis 5e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: geschiedenis

.

1259-1175

.

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (7)

.

een bijdrage voor het maken van getuigschriftspreuken

Van de redactie:
Het is een opdracht aan de klassenleerkracht van de vrijeschool die zijn klas door 8 schooljaren heen begeleidt, naast een karakteriserend getuigschrift – dat meer voor de ouders bedoeld is – ieder kind een getuigschriftspreuk mee te geven op de weg door het volgende schooljaar.*
Deze spreuk die het kind eenmaal per week voor de klas spreekt, moet voor alles een gezonde lichamelijke ontwikkeling mogelijk maken, alsmede die van ziel en geest. Hindernissen bij de ontplooiing van de in het kind aanwezige krachten worden niet door een morele oproep in zo’n spreuk aangepakt; veel eerder werkt de spreuk door het beeld, dat het beschrijft, door de klank en het ritme impulserend en vereffenend in de gevoels- en wilssfeer, zelfs tot in ademhaling en hartslag. 

Dankbaar neemt de klassenleerkracht naast de vertrouwde boeken [1] kennis van nieuwe publicaties van getuigschriftspreuken en is blij met de veelheid aan beelden, ritmen en rijmen, met iedere aparte spreuk.
Hij heeft wel een vermoeden van wat er in de loop van een jaar tot stand gekomen is, weet uit eigen ervaring de achtergrond, beoordeelt de spreuken als een verdichting van eigen individuele resultaten, waaruit ook iets algemeens spreekt. Kostbare edelstenen zijn het, hij ervaart de waarde, hun elan ook, maar helemaal duiden kan hij ze toch niet. Pas in samenhang met degene voor wie ze gemaakt zijn, krijgen ze hun glans, komen de facetten tot volle werking in de  individuele verhouding  tussen de leerling en de leerkracht die de spreuk voor deze heeft gemaakt.

Bijzonder stimulerend is het voor mij, ieder jaar het boekje van Heinz Müller te bestuderen waarin hij de meest uiteenlopende gezichtspunten geeft. De gezondmakende kracht van de ritmen, de verandering ten goede door de werking van de klinkers en de medeklinkers, tot de veranderingen die de spreuken in de loop van de jaren bij een kind kunnen ondergaan.

Hoewel Heinz Müllers verzameling schier onuitputtelijk is, legt hij er meer dan eens de nadruk op de getuigschriftspreuken zelf te maken; slechts aanwijzingen en aansporingen bevat zijn verzameling, hoe de getuigschriftspreuken door de individuele leerkracht zelf te maken zijn.
Het overnemen ziet hij als noodgeval. Die opmerking gaat terug tot Rudolf Steiner, door wie Heinz Müller met betrekking tot de spreuken rechtstreeks gestimuleerd werd.
Zodra Rudolf Steiner over de getuigschriften komt te spreken, geeft hij de voorkeur aan de zelfgevonden spreuk boven de gekopieerde, ook wanneer de eigen spreuk slechter of onbeholpener is. ‘Wanneer deze niet goed is, merkt u dat wel. U moet de spreuk wel het hele jaar aanhoren. In het ergste geval moet u een nieuwe maken’.

Dat is mij meer dan eens gebeurd, gelukkig steeds voor het schooljaar ten einde was en de getuigschriften uitgedeeld.
Dan was er een spreuk klaar, weer een, de vijfentwintigste, ik was blij! Maar deze liet mij niet met rust, is hij echt goed? Het beeld past haarscherp (ietsje te scherp), dan was er een bepaalde geschiktere wending in het ritme, daarvan wil je niet graag afzien. En wanneer zo’n spreuk je dan 14 dagen niet met rust laat, kun je beter een nieuwe maken, die vind je dan ook.

De opdracht van Rudolf Steiner de spreuken zelf te maken, kun je in het begin beleven als zoveel waartoe hij je aanspoort, als een onredelijke eis, je bent tenslotte geen dichter. Je moet er wel de moed voor hebben, aan de andere kant hecht Rudolf Steiner geen waarde aan perfectie.
Wezenlijk is de kracht van het eigen streven, zoals in heel ons onderwijs, en de stemming van beeld en ritme, klanken ook, in verhouding tot wat de leerkracht nodig acht in die innerlijke ontmoeting met de leerling.
Dat is niet alleen een probleem, er is ook veel wat fijn, teer, licht is.

De getuigschriftspreuken, ook al het andere, spel en rijm, ontstaan uit de klassengemeenschap. Zonder de klas zouden de spreuken niet ontstaan. Hieruit bestaat voor mij het meest wezenlijke verschil tussen de klassenleerkracht en de dichter, die in zijn vormgeving vrij is. Met andere woorden, de dichter heeft het in zich heel de wereld te dragen, wij klassenleerkrachten, bezitten daarvan maar een heel klein deel, alleen onze klas, – ook een wereld.

Wanneer het tijd is om de getuigschriftspreuken voor te bereiden en ik mij heel intensief met ieder kind bezighoud, klinkt er vanuit de achtergrond iets door mij heen, ik kies een ritme, vind een regel, vang een beeld op. Een wezenlijk deel van de voorbereiding voor de spreuken is dat iedere klassenleerkracht de formulering van de getuigschriftspreuk goed voor elkaar krijgt.
Op deze voorbereide akker kiemt de getuigschriftspreuk makkelijk.
Het kost wat moeite, wat tijd. Maar zeker minder dan de tijd die het kost om uit verzamelingen een keus te maken die weloverwogen is. Dus het is ook economischer de spreuken zelf te maken.

Hoe vaak het mij nu al gelukt is, met een paar uitzonderingen, alle spreuken voor de kinderen van mijn klas zelf te maken, staat de opdracht toch ieder jaar als een berg voor me en ik twijfel en ben onzeker of deze ook dit jaar weer te bedwingen is. Natuurlijk begin je niet onvoorbereid aan een bergbeklimming. Ieder jaar pak ik eerst het boekje van Heinz Müller, breng me de gezichtspunten weer onder de aandacht die voor het maken van de spreuken nodig zijn. Nuttig is het om in de talrijke verzamelingen te bladeren, door de beelden en stemmingen te dwalen, hun ritmen op je in te laten werken. Impulsen met meer kracht gaan uit van Morgenstern, Rilke, Goethe.

Soms kwam het voor dat ik voor een kind geen spreuk kon maken en ik mijn toevlucht moest nemen tot een niet eigen spreuk. Van een meisje uit de vijfde klas kreeg ik een verwijtende blik toen ik haar een spreuk van Goethe gaf – en terecht, hij werkte in onze situatie te algemeen en zwak.
Aan de andere kant is voor mij het proces waarin de spreuk samen met het getuigschrift ontstaat, niet willekeurig herhaalbaar, wanneer er in het nieuwe schooljaar een kind bijkomt, ook wanneer men het na zes weken al tamelijk goed kent. Voor zulke kinderen die later kwamen heb ik in het eerste jaar een bestaande spreuk gezocht.
Het zoeken naar getuigschriftspreuken verloopt altijd weer anders. Een keer stond mij bij het ontwerpen een ritme, een beeld zo direct voor de geest, dat de spreuk zich meteen liet formuleren. Een andere keer ontstond er eerst een zin, een ritme, een beeld en de spreuk liet nog een poos op zich wachten. Het ene jaar ontstonden de spreuken uit intensieve natuurwaarnemingen voor ieder kind, aan het bureau; een ander jaar ontstonden de spreuken waarvan de beelden meer uit de periodenstof kwamen, wanneer ik aan het wandelen was.  Steeds meer ging ik ertoe over geschikte beelden uit de lesstof te halen en die op de kinderen te betrekken. Dikwijls ga ik uit van het ritme dat ik bij het eerste ontwerp voor het getuigschrift opgetekend heb, beelden en rijm ‘vallen er dan in’.

Steeds duidelijker kwam ik tot de ontdekking dat de spreuken niet alleen met het individuele kind te maken hebben, maar voor de hele klas worden gegeven. De wederzijdse interesse voor de spreuken is buitengewoon groot. Dikwijls merken kinderen die in de klas niet veel met elkaar hebben, over en weer hun spreuken op. Aan het eind van het schooljaar kennen veel kinderen de spreuken van hun kameraden.
Aan de andere kant heb ik steeds weer, wat ik inhoudelijk vind en in de klas levend wil houden, tot spreuk gevormd, aan een kind gegeven, minder om aan zijn persoonlijke problemen te werken, meer als lichtend voorbeeld voor de klassengemeenschap. Af en toe was daar ook een spreuk bij die ik voor het periodenonderwijs bedacht had.

Tegen het einde van het schooljaar mogen de kinderen in plaats van hun eigen, de spreuk van hun klasgenoten opzeggen. Dan let ik erop dat op één dag de spreuk maar een keer klinkt.
Zelf zeg ik deze tijd, zo’n beetje vanaf Pinksteren, een nieuwe spreuk, zonder een naam te noemen. Vaak valt er een devote stilte. Dan worden de vermoedens voor wie deze spreuk wel zal zijn uitgesproken en het komt voor dat de juiste kinderen zich aangesproken voelen.

Tot in de middenklassen, zolang de getuigschriften aan de ouders gericht zijn, vormen de spreuken het meest wezenlijke deel waarmee de kinderen op de laatste schooldag naar huis gaan, de vrucht van het jaar.|
Die dichtgeplakte getuigschriftenvelop kan dat natuurlijk niet  zijn. Woord en inhoud van het getuigschrift zijn allang vergeten, spreuken  worden na vele jaren nog herinnerd.

Toen ik voor de eerste keer getuigschriften schreef, kreeg ik een dag van te voren de suggestie de getuigschriftspreuken op een apart blad of op een kaart te schrijven en op deze manier de kinderen hun eigen getuigschriftspreuk ter hand te stellen. Voor dit voorstel was ik zeer dankbaar, hoewel  ik toen een nacht door moest werken. Ik heb de bladen steeds in het handschrift geschreven dat ik gedurende dat jaar met de kinderen had geoefend.

In deze bijdrage voor het maken van getuigschriftspreuken zijn een paar ervaringen vastgehouden die ik bij het tot stand brengen van de spreuken heb opgedaan. Zeker zijn er nog andere invalshoeken en belevenissen. Voor mij kwam het eropaan te laten zien dat het op geen enkele manier verkeerd is de spreuken zelf te maken, dat ons, klassenleerkrachten, deze opdracht terecht is gegeven en dat wij daaraan ook kunnen voldoen. Daarvoor wilde ik een hart  onder de riem steken.

Christian Gerblich, Erziehungskunst 05-1990

.

*Naast ‘voor het volgend (school)jaar’ zegt Steiner ook, ‘voor de toekomst’. (P.W.)

.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

.

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

.

1258-1174

.

.