VRIJESCHOOL – 1e klas – rekenen (11)

.

UIT DE EERSTE REKENLESSEN

Door het laten ontstaan van de letters uit beelden [1] komt het schrijven dicht bij het gevoel van de kinderen.
Op soortgelijke manier moeten ook de getallen voor het kind vertrouwde dingen zijn voor hij gaat tellen en rekenen. Dat proces wordt bij elke rekenperiode [2] weer verdiept.
In de eerste klas kun je bijv. vragen: ‘Waarvan is er maar één in de wereld?” (Bijv. Barbara en Ulrich en ieder ander kind in de klas), of twee, of drie, vijf of zeven? Dan vinden de kinderen al gauw de zeven dagen van de week, de zeven kleuren van de regenboog en de zeven tonen en als belangrijkste de zeven raven [3] en de zeven dwergen. Ze kunnen niet ophouden met op te sommen wat er zo al in het dwergenhuis aanwezig is: 7 mesjes en 7 vorkjes, 7 bordjes, bekertjes, stoeltjes, 7 bedjes, kussens, 7 lantaarntjes, 7 hamertjes.

Moeilijker is het wel om te ontdekken dat er ook in hen zelf een zeven zit: op hun 7e kwamen ze allemaal op school.
Zeven jaar was ook Sneeuwwitje toen ze bij de dwergen kwam.
En van klein Hansje, dat alleen het bos introk wordt gezegd: ‘Zeven jaar, klip en klaar, was Hansje in den vreemde (daar).’

En wat verbaasd zijn de kinderen, wanneer ze horen dat ook de maan met de zeven kan rekenen. Iedere zeven dagen verschijnt deze weer in een nieuwe fase. Wij maken nog weleens een rekenfout, de maan verrekent zich nooit! Ook de zon kan rekenen. De zon, hè??? De hele wereld kan rekenen!
De blaadjes van de narcis worden geteld, de zaden van de vruchten. Veel dieren hebben vier poten, koeien zelfs vier magen,( alleen geen vier staarten!)

De hele wereld rekent en wij rekenen ook; dat is de stemming die het rekenonderwijs doortrekt en levend maakt.

Iedere vorm van onderwijs heeft op het kind een andere uitwerking. Het rekenonderwijs kan de kinderen op een gezonde manier aards maken, vooral wanneer het rekenen met de vingers wordt geoefend.. Eerst moeten alle kinderen eens proberen hun vingers te spreiden en ervaren dat in die tien vingers heel het rekenen zit. Hoe onbezield de vingers van veel kinderen nog zijn, vooral bij kinderen die vaak wat buiten zichzelf zijn en het nodig hebben dat zij met hun zielenkrachten dieper in hun lichaam komen. Dan kan het wel moeilijk zijn – maar ook heilzaam – de vingers van iedere hand door een opening tussen twee en drie vingers te verdelen. Er zijn veel oefeningen waaraan de kinderen plezier beleven:
Ze vouwen de handen; dan staan eerst de twee pinken op en zeggen: ‘1 en 1 is 2’; daarbij komen dan de ringvingers: ‘2 en 2 is 4’; dan de middelvingers, enz. De kinderen kunnen, zonder hun vingers krampachtig te spannen, allerlei van zulke symmetrische figuren vormen. In het midden staan de duimen en de wijsvingers, rechts en links de drie andere: 10 = 4 en 3  en 3.

Wanneer ze zo een tijdje zichzelf met hun vingers wat geplaagd hebben en daarbij goed in zichzelf zijn gekomen, zorgt het ritmische tellen en rekenen voor de noodzakelijke afwisseling en ontspanning in de klas.

Kleine ritmische gedichten hadden ze al eerder geleerd, bijv. de eenvoudige jambe: ‘Te paard, te paard, door weer en wind!’ [4]
Wat een verrassing en een plezier als ze nu ontdekken dat in het gedicht de tafel van twee zit. Het rijmpje: ‘Komt een reus, groot en dom'[4] werd ‘een, twee, drie – vier, vijf  zes, enz. Dat wordt met handen en voeten na elkaar geoefend, want de voeten wachten er al een tijdje op ook mee te mogen doen. Maar, wanneer uiteindelijk handen en voeten samen op de mooie drietelsmaat moeten bewegen: oei! Handen en voeten apart ging nog wel, met de handen makkelijker dan met de voeten; maar samen, dan lijkt het erop of sommige kinderen uit twee vreemde delen bestaan.

Wat belangrijk om te weten dat je juist aan het vermogen of onvermogen een beeld voor je hebt van het spel der krachten in de kinderen en ook een  gezondmakend middel de boven- en ondermens harmonisch met elkaar te verbinden.

Zo wordt het rekenen met de ledematen geoefend. Natuurlijk worden de getallen ook sprekend geoefend. Maar hoe anders zijn de kinderen daarmee bezig, wanneer ze daadwerkelijk honderd stappen in de klas gezet hebben. En wanneer de passen dan uit louter ijver steeds luider worden en de kinderen het meteen nog eens willen doen, moeten we snel muisjes zijn en honderd pasjes heel zachtjes zetten. Je kunt ook 50 keer in je handen klappen en eraan ontdekken hoe warm en rood ze worden. Wat zit er een plezier in de ledematen van de kinderen!

Zo bezig zijn neemt de kinderen ongetwijfeld meer mee, dan het telraam of de rekenmachine die doods en af voor het kind staat of ligt en alleen maar de activiteit van het verstand en de ogen vraagt. Het populaire aanschouwelijkheidsonderwijs op alle gebied, het zien en ‘inzien’ behoort enkel tot het hoofd. Daarmee wordt iets intellectualistisch in het kind aangelegd.

Wanneer bij ons met carnaval honderd lampions beschilderd worden, in rijen van tien opgehangen, ontstaat weliswaar hetzelfde beeld als de bolletjes op een telraam, maar het kind heeft ieder gekleurd bolletje wel eerst zelf geschilderd.

Het grootste deel van de rekenlessen bestaat uit oefenen. Bijzonder belangrijk is elke stap die weer naar iets nieuws leidt. Al het nieuwe moet langzaam zo opgebouwd worden dat het kind met heel zijn ziel mee kan doen.

Je hebt bijv. de vier tekens voor de vier rekenoperaties – ze hebben een diepe betekenis en oorsprong.
Gelukkige Hans [5] heeft eerst een klomp goud, toen hij op weg ging; het werd een paard, na een poosje een koe, een varken, een gans, een molensteen en tenslotte had hij niets meer. Het stuk weg werd met een streep getekend, dat is het teken voor het aftrekken: 12  –  4  –  3  –  2  –  2  –  1  =  0.
Vergeet niet te zeggen dat hij gelukkig was, toen hij niets meer had.

Over het deelteken werd aan de kinderen verteld:
Een koningin had 12 dienaren en zij wilde dat er altijd drie samen hetzelfde werk zouden doen. In de zaal stonden twee zuilen, daar moesten zij zo doorheen lopen dat er vier groepen van drie dienaren zouden zijn. Daar werd een beeld bij getekend. En nu zjn de twee zuilen tot twee punten geworden.

Bij het vermenigvuldigen mocht er altijd iemand Nicolaas zijn. Er was een heel diepe zak en het kind moest zich vier maal diep bukken en viermaal drie noten pakken om die aan vier kinderen te geven. Bij het vermenigvuldigen hoort het dat het aan de activiteit ontwikkeld wordt. Je moet vier keer iets doen.

Heel verschillend is de invloed van de aparte rekenbewerkingen op de klas.
Bij het vermenigvuldigen ontstaat er een drukke, plezierige stemming die echter door schatten en vergelijken weer rustiger wordt; nadenkend worden de kinderen bij delen en aftrekken; ietwat saai is het optellen; vrolijk en vindingrijk zijn ze wanneer ze uit een totaalsom verschillende getallen kunnen halen.
Voor het aftrekken en optellen is het aan te bevelen niet al te snel de tien als grensgetal in te voeren. Het rekenen boven de tien geeft meer problemen wanneer je het te vroeg op de voorstelling 10-keer-10 vastpint. Wanneer dat niet is gebeurd, dan rekenen de kinderen zorgeloos boven die grens.

Aan het eind van de eerste klas kan er ‘gekocht en verkocht’ gespeeld worden. Wat een opmerkingen wanneer de winkelier de klant teveel geld teruggeeft of wanneer deze niet merkt dat hij te weinig terugkrijgt. Maar hoe tot tevredenheid stemt het niet, wanneer het rekenen het liefst geleerd wordt door weg te geven.

Er waren in de klas veel paashazen die de eieren vrolijk mochten beschilderen voor hun families met 3 of 4 of 5 kinderen. 12 of 15 eieren hadden ze daarvoor. Daar kwamen nog eens berekeningen uit!

Veel van wat belangrijk is voor de vorming van de mens gebeurt in het rekenonderwijs.

En toch is het precies te merken wanneer het rekenen weer beëindigd moet worden en de kinderen zich weer met veel plezier op het schrijven willen toeleggen en op de eerste heemkunde.

Elisabeth Klein. Erziehungskunst 16e jrg.7 1952

[1] 1e klas schrijven: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – letterbeelden

[2] Periode-onderwijs

[3] Spelletje De Zeven Raven
Grimm Sprookjes nr. 25

[4] Waarschijnlijk uit Hermien IJzerman (welk?) Bim Bam Belletje

[5] Grimm Sprookjes nr. 83

1e klasrekenen – alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

1198-1118

.

.

VRIJESCHOOL – Meetkunde (4-4)

.

Ter verduidelijking heb ik in een tekening wat letters aangebracht – het is een deel uit de grotere tekening.

Over het ontstaan van een gelijkzijdige driehoek

Teken eens drie cirkels X. Y, Z die ieder door het middelpunt van de twee andere gaan. Er ontstaan drie grote bladeren: AYZX; YZCX; XYBZ  en door de punten van ieder blad trek je een rechte lijn: a, b en c. Het resultaat is het belangrijke feit dat deze drie rechten elkaar in één punt D snijden. Dat kan niet anders, want dan zouden de drie grote bladeren uit ongelijke boogstukken moeten bestaan. En dan zou echter iedere cirkel onmogelijk door het middelpunt van de beide andere kunnen gaan.

meetkunde-strakosch-3-1

Voor twee van de drie punten pas je nu toe wat voor deze tekening al werd gezegd, (meetkunde 4-3) wanneer je de cirkelmiddelpunten op de drie rechten steeds verder naar buiten op laat schuiven. Zodra deze middelpunten in het oneindige vallen, worden de ieder door twee punten gaande cirkelbogen tot rechten:

In deze tekening (uit 4-3) is er 1 zo’n rechte lijn ontstaan; hier doet Strakosch
meetkunde-53

het met 2 punten en dan zie je de rechte lijnen – die met de vele steeds vlakker wordende boogjes ontstaan:
meetkunde-strakosch-3
Je.kan echter ook, zoals hieronder, de middelpunten op de drie rechten in plaats van naar buiten, ook naar binnen laten verschuiven, naar het middelpunt van de driehoek toe, het snijpunt van de drie rechten. Daarbij worden de boogstukken tussen elke twee punten meer gebogen. Wanneer tenslotte de drie middelpunten met het snijpunt van de drie rechten samenvallen, dan ontstaat een drievoudige cirkel door de drie punten. (Worden bij het opschuiven naar binnen de drie middelpunten even ver van het snijpunten van de drie rechten genomen, wat vrij staat, dan liggen de snijpunten van de deze cirkels op dezelfde rechten – en wel op het gepuncteerde deel.):
meetkunde-54

Wanneer je de beweging van de middelpunten naar buiten en naar binnen in dezelfde tekning weergeeft, krijg je een cirkel waarin een gelijkzijdige driehoek ingeschreven is, een van de basisfiguren van de geometrie.

Op basis van wat zojuist werd opgemerkt en door de tekeningen hoef je het trekken van rechte lijnen in regelmatige cirkelvelden niet meer als een vreemd, erbij gehaald element te zien..

Ook het vierkant kun je in het cirkelveld intekenen.
In de middencirkel van een ‘bloem’ teken je een zeshoek:

meetkunde-31

meetkunde-strakosch-4-1
Op  iedere hoek komen twee grote bladeren bij elkaar waarvan de middelpunten (deels verlengd en gepuncteerd) loodrecht op de zijden van de zeshoek staan die door de aanliggende kleine blaadjes gevormd worden. Ieder door een van de hoekpunten gaande cirkels snijdt op de middellijnen de lengte van zeshoekszijde. De verbindingslijnen van deze punten zijn de vier zijden van de zo ontstane zes vierkanten.

Snijd je de inzet tussen de vierkanten weg en breng je de vierkanten omhoog, dan krijg je een doosje. De vlakken kunnen binnen en buiten (wanneer je de tekening op de achterkant met behulp van de middelpunten nog een keer maakt) met behulp van de cirkels, gekleurd worden. –

Tussen ieder twee vierkanten ligt een klein blad. Snijd je ze langs hun middellijn door en schuif je de zo ontstane tussenruimten over elkaar, dan krijg je een schaal.

Meetkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas meetkunde

1197-1117

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (41)

.

VOORHOF VAN DE TEMPEL

leven-o-t-194


Voorhof in de Tempel
(naar een voorstelling van Ch. Chipiez en G. Perrot). Op de achterzijde van de voorhof, vóór het Tempelgebouw, staan de zuilen Jachin en Boaz (b en c). De hoogte van deze kolossale bronzen zuilen (1 Kon. 7 : 15 w.; 2 Kon. 25 : 13 v.v.; 2 Kron. 3 : 15 v.v.; Jer. 52 : 21 v.v.) was 18 ellen (9 m); „een draad van twaalf ellen omving de pilaar” (1 Kon. 7 : 15) wat dus wijst op een doorsnede van 39/11 el — ongeveer 1.90; de dikte was vier vingers en de pilaar was hol (Jer. 52 : 21). Boven op de schacht was een kapiteel van vijf ellen (21 m. hoog) en omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen, elk 100 in getal. Hoe die kapitelen er precies uitzagen, weet men niet (zie 40 no. 3). Vermoedelijk waren zij vóór het tempelgebouw, en hadden zij geen draagfunctie. Tussen de zuilen ziet men (bij h) de ingang tot de voorhal: een dubbele deur van cypressenhout; de deurposten van olijvenhout. Daarboven de tempelmuur van massieve, zeer grote en forse stenen opgebouwd (met volmaakte steen, zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd; 1 Kon. 6 : 7). — De Salomonische tempel stond in een groten voorhof (a); men neemt aan, dat de vloer met stenen platen is bedekt. Dit plein heet “In de Bijbel de „binnenste voorhof” (1 Kon. 6 : 36; 1 Kon. 7 : 12). Vóór de ballingschap had het volk vrije toegang tot deze voorhof, waar de feesthoudende menigte dan samenstroomde (Jes. 1 : 12). In deze voorhof stond het grote brandofferaltaar (d, e); de koperen zee (maar zeer gedeeltelijk te zien bij i) en de rijdende ketelwagens (ƒ). Het brandofferaltaar is een statig bouwwerk van steen. Aan de oostzijde van het altaar is (naar de voorstelling in Ezechiël 43 : 17) een trap (in de tempel van Herodes was de opgang aan de zuidzijde en dan zonder trappen naar het oude gebod in Exodus 20 : 26). Rechts en links van het grote brandofferaltaar waren vijf rijdende ketelwagens (ƒ) het zijn in horizontale doorsnede vierhoekige stellages, twee meter in het vierkant, anderhalve meter hoog, van lijstwerk of repen brons gemaakt, waarop een ketel staat met een inhoud van ongeveer 141 hl. (Prof. Dr Joh. de Groot). Immers die „wasvaten” (gelijk de statenvert. 1 Kon. 7 : 38 ze noemt) hielden veertig bath (en 1 bath = 6 hin = 36,44 l, dus 40 bath 40 x  36,44 l = 1457,6 l). Op het lijstwerk van de stelling waren versieringen nl. leeuwen, runderen, cherubs (1 Kon. 7 : 29). De stellages reden op raderen (1 Kon. 7 : 33).

De voorhof was mogelijkerwijze (naar de reconstructie van Chipiez en Perrot) omgeven door een zuilengalerij; het tempelcomplex zelf was omringd door zijgebouwen (g).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1196-1116

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – verhaal (14-2)

.

V.a. 10 jaar. Voorleestijd 20 min.

.
Ruth Sawyer
.

De herders

U, die Kerstmis houdt, die de heilige tijd viert, hebt u ooit bedacht, waarom het noodzakelijk is, dat er een kind geboren wordt om de wereld te redden? Hier is een kerstverhaal van God, die het Goede is. Het begint ver terug, toen de wereld pas geschapen was.

In den beginne had God twee aartsengelen, op wie Hij bijzonder gesteld was: de ene heette Lucifer, hetgeen Licht betekent, en de andere Michaël, hetgeen Kracht betekent, Zij voerden de hemelse legerscharen aan en stonden, de ene ter linker zijde, de andere ter rechter zijde van Gods troon. Zij waren zijn uitverkoren boodschappers.

Nu diende de aartsengel Michaël God met heel zijn hart en zijn engelenziel. Er was hem geen taak te groot om te volbrengen, geen dienst van duizend jaren was te lang. Maar de aartsengel Lucifer ergerde het een macht te dienen, hoger dan hij zelf. Naarmate het ene duizendtal jaren na het andere verging – en zij waren ieder als één dag ~ verbitterde hij ïn de dienst en werd afgunstig op God. De tijd brak aan, waarop God het heelal zou scheppen. Hij maakte de zon, de maan, de sterren. Hij maakte land en water en scheidde ze. Hij maakte bomen en bloemen, die groeiden, en gras. Hij maakte levende wezens, die de aarde bewandelden en zich daar voedden en Hij maakte vogels in de lucht en vissen in het water. En toen al het andere geschapen was, maakte Hij een man en noemde hem Adam en een vrouw en noemde haar Eva. Het kostte Hem zes hemelse dagen, om dit te scheppen en aan het einde was Hij moe en rustte uit. Terwijl de schepping tot stand kwam en God het allerdrukst bezig was, ging Lucifer heimelijk de hemel rond. Hij sprak met deze engel en met die, fluisterend, steeds fluisterend. Hij sprak met serafijnen en cherubijnen, met iedereen, die naar hem luisteren wilde. En wat hij fluisterde, was dit: ‘Waarom moet God oppermachtig regeren? Waarom moet Hij de enige zijn, die schept en zegt wat er geschapen zal worden? Wij zijn machtig. Wij zijn waard zelf te regeren. Wat zegt gij?’

Hij fluisterde de zes dagen van de schepping lang en toen God uitrustte, voerde Lucifer een schare opstandige engelen tegen God aan. Zij trokken hun vlammende zwaarden en belegerden Gods troon. Maar de aartsengel Michaël trok zijn vurige zwaard. Hij voerde Gods trouwe engelen aan en verdedigde de Hemel. Het leger van Lucifer werd op de vlucht gedreven en zijn veldheren werden gevangen genomen en voor Gods troon geleid. En God sprak: ‘Ik kan u het leven niet ontnemen, want gij zijt hemelse wezens, maar u zult niet langer bekend staan als de legerscharen van het Licht, U zult de legerscharen der duisternis zijn. Gij, Lucifer, zult de naam van Satan dragen. Gij en allen, die met u in opstand zijn gekomen, moeten elders een koninkrijk zoeken. Maar dit gebied ik u: ‘Laat de aarde, die ik zojuist geschapen heb, met rust. Bederf niet het werk Mijner handen.’
Aldus sprak God.
Dus werd Lucifer met zijn volgelingen verbannen en voortaan stond hij bekend als Satan. Hij vestigde een koninkrijk onder de aarde en noemde het de hel. Maar omdat God hem bevolen had de aarde niet te beroeren, begeerde hij de aarde voor zichzelf. Hij zond zijn geesten uit om hen, die op aarde geboren waren, te verleiden en slecht te maken.

Zo kwam het, dat de mensen op aarde tenslotte de macht van het kwaad evengoed kenden als die van het goede. Zij voelden de greep van de duisternis zelfs, wanneer zij hun ogen opsloegen naar het licht.
En nu werden de jaren eeuwigheden. De aarde werd bevolkt, in de vier
windhoeken en God keek erop neer en had verdriet. Hij riep de aartsengel Michaël bij zich en sprak: ‘Het is zover gekomen, dat de macht van Satan over de aarde groot is. Mijn engelen kunnen niet langer heersen. Een rijk van vernieling, hebzucht, haat en valse getuigenis is opgericht onder de mensen op aarde, die Ik heb geschapen. Hun harten zijn donker van het kwaad, hun ogen zien het licht niet meer. Ik moet mijn eigen Geest naar de aarde zenden, opdat het kwaad overwonnen wordt. Deze zal door de hemel verwekt worden en op aardse wijze geboren en niemand minder zijn dan Mijn eigen geliefde Zoon.’

Aldus sprak God.

De aarde was verdeeld in landen, sommige groot en machtig, sommige klein en zwak. En de sterke breidden hun macht steeds uit en overwonnen de zwakke met hun legers.
Een van die zwakke, overwonnen landen heette Judea. Te midden van de golvende heuvels, de olijfbossen de weidegronden, en kronkelende rivieren, hadden de mensen een stadje gebouwd, Bethlehem genaamd, de stad van koning David.
En de overwinnaars, de Romeinen, hadden bevolen, dat allen van de stam Isaï naar deze stad moesten gaan om eer te betonen aan Caesar.

Buiten de stad, op de hooggelegen weidegronden, hoedden vele schaapherders hun schapen. En nu geschiedde het, dat God Bethlehem koos als de geboorteplaats van Zijn Zoon en de tijd waarop dit gebeuren zou, zou de tijd zijn waarop de schattingen betaald moesten worden. En omdat schaapherders een eenvoudig geloof hebben en zuiver van hart zijn, waren zij de uitver­korenen, aan wie Hij de komst openbaarde.
En God zond een ster om hun de weg te wijzen en beval de engelen hun het blijde nieuws, zingend te vertellen.

Het was laat in de avond geworden. Op de hoge weidegronden hadden de herders vuren gebouwd om zich warm te houden, en verdwaalde wolven of rovers af te schrikken. Allen sliepen, behalve Esteban, de jongen. Hij alleen zag de engel en hoorde het nieuws. En dadelijk wekte hij de slapenden: ‘Hoort, er is ons juist een engel verschenen, die zong. Wordt wakker, wordt wakker gij allen! Ik geloof dat deze nacht veel voor ons zal betekenen.’
Nu stond Satan op dit ogenblik aan de ingang van de hel. Hij was de laatste tijd onrustig geweest, een gevoel van dreigend onheil beheerste hem. En toen hij naar de aarde keek, zag hij de engel verschijnen. Toen veranderde zijn onrust in angst. Hij riep zijn helse legerscharen op en beval hun zich gereed te maken: ‘Vanavond, zullen we Gods macht over het heelal weer betwisten. We zullen om de aarde vechten en die de onze maken. Ik ga er nu heen. Kom, als ik op de aarde stamp.

Even snel als zijn gedachten gingen, bereikte Satan de aarde. Hij kwam als zwerver, op zijn hoofd een breedgerande hoed, om zijn schouders een mantel, die tot op de grond hing, in zijn hand een staf. Over de aarde reisde hij zoals de bliksem de hemel doorkruist. Nu was hij hier – dan was hij al weer verder. En zo kwam hij aan de hoge weidegronden van Judea en stond aan een van de vuren, waaromheen de schaapherders de wacht hielden. Weer kwam de engel en verkondigde luid Gods nieuws: “Vrees niet, want u is heden in de stad Davids een Messias geboren!’

Satan bedekte zijn gelaat en sprak: ‘Wat betekent die boodschap?’ De schaapherders hurkten neer: ‘Wij weten het niet.’ ‘Wie is die Heiland, die Messias, van wie deze verschijning spreekt?’ ‘Wij weten het niet” Satan liet zijn mantel vallen, opdat ze het vervloekende vuur zouden zien, dat zelfs uit zijn ogen schijnt. ‘Ik gebied u, het te weten!’

Het was Benito, de oudste herder, die vroeg: ‘In de naam van God, wie bent u?’ En Satan antwoordde: ‘In mijn eigen naam, ik ben een zwerver. Eens werd mij een machtig rijk ontnomen. Ik ben hier om dat terug te winnen.’
Zou dit de Heiland zijn, van wie de engelen zongen? De herders kropen dichter en dichter bij elkaar. Zij keken. En zij werden overvallen door angst. Voorwaar, hier was duisternis, geen licht; hier was nameloos kwaad, geen goed. Hier was iemand, die de naam van God had geloochend. En samen riepen zij: ‘Weg van hier, Satan!’ En zij namen brandende takken en legden ze over elkaar, zodat ze kruisen van vuur tussen zichzelf en Satan hadden. Terwijl ze aan het praten waren geweest, was Esteban, de jongen, ver weggegaan om afgedwaalde lammeren te zoeken. Nu ging Satan hem achterna. ‘Jij hoorde de engel zingen. Waar is deze stad Davids?’ ‘Ik weet het niet’. ‘Wie is de Messias?’ ‘Spreekt u over Matthias?’ De jongen was wezenloos van angst. ‘Bedoelt u mijn moeders broeder? Hij is een wijs en trouw herder. Maar hij is ziek. Ik zorg voor zijn schapen.’
‘Idioot! Sukkelt Dwaas!’ De stem van Satan verhief zich als een wervelwind. ‘Door je grote domheid zondig je tégen mij, en dat is verschrikkelijker dan zondigen jegens God. Hiervoor zul je sterven!’
De jongen trachtte zijn mond te openen om genade af te smeken. Maar voordat de woorden konden komen, voordat Satans hand hem kon treffen, werd het onmetelijke hemelruim doorkliefd door een vlammend zwaard, dat tussen de jongen en de duivel gehouden werd en een stem klonk door het grote hemelruim: ‘Gij zult de onnozelen met rust laten!’                                                               [.

Het was de stem van de aartsengel MichaëL Hij stond nu geheel in glanzende wapenrusting naast Esteban en zijn zwaard beschermde hem. En opnieuw sprak hij: ‘Hoe durft gij Gods gebod te overtreden!’

‘Ik durf nog meer te doen dan dat’, sprak Satan spottend. ‘Gods aarde is niet langer van hem, maar van mij. Mijn volgelingen regeren er. Maar vannacht zal ik met u erom vechten. Ik zal hem u ontnemen door het recht van het zwaard en mijn sterkere legerscharen.’

Hij stampte op de grond. Die spleet vaneen en uit het diepste binnenste der aarde kwamen duivels, het ene legioen na het andere, zwaaiend met hun dubbelzijdige zwaarden, gesmeed in de vuren van de hel zelve. Toen stak Michaël zijn zwaard op en zie, een machtige trap, zoals de ladder van Jacob, werd gebouwd tussen hemel en aarde. En langs deze glanzende weg kwamen scharen en nog eens scharen van hemelse legers. En door de hemel weerklonk de kreet: ‘Valt aan!’

Toen werd een slag geleverd tussen de legers der duisternis en van het licht, zoals er sinds het begin aller dingen niet geweest was. En Michaëls zwaard nagelde Satan aan de grond, zodat hij niet op kon staan en Michaëls legerscharen joegen die van Satan op de vlucht, totdat de aardkorst open brak en ze in laaiende vlammen opgeslokt werden.

En toen de aarde van hen bevrijd was, sprak Michaël tot Satan: ‘Gij hebt aan velen vanavond gevraagd, wie de Heiland is, de Messias, Ik zal u antwoorden, verslagene. Hij is de Zoon van God en van de Mens. Hij is de vrede. Hij is de liefde. Hij is iemand, tegen wie uw kwaad geen stand kan houden. Want op God na is hij oppermachtig’.

Het gelaat van de aartsengel Michaël, louter goedheid, louter kracht, straalde van het licht van de alles overwinnende hemel en Satan, die overeind krabbelde, keek er naar op en haatte het. ‘Nu ben ik overwonnen, maar wacht nog duizend jaar, twee duizend!’

Intussen sloeg Esteban, de jongen, alles gade. En toen Satan terugkroop naar de hel, beval Michaël Esteban om de herders naar Bethlehem te leiden, opdat ze hun Heiland zouden kunnen aanschouwen en hem aanbidden.
En toen de jongen zich bij de herders rond het vuur voegde, verscheen de engel weer, ten derde male, en bij hem was een schare van het hemelse heirleger, prijzende God en zingende Halleluja!

En boven hen allen scheen een ster, zo groot als zij nooit tevoren aan de hemel gezien hadden.

Maar van de velen, die die nacht hun kudden hoedden, waren er slechts weinigen, die er acht op sloegen. Dezen hulden zich in hun mantels en volgden Esteban, de jongen. Onder het lopen wees hij hun op de rijen engelen, die in stralende wapenrusting de kanten van de weg bewaakten. Maar niemand dan de jongen zag ze. Toch steeg in ieders hart een grote vreugde op, zodat alle herders zich wel in een lied moesten uitspreken; Benito, de oudste, gaf hun de woorden voor het begin:

Gindse ster
Aan de hemel
Wijst de kribbe
Waar Hij ligt.

Toen nam Andres de wijs over en schonk hun het tweede vers om te zingen:

Vreugde en gelach
Zang en vrolijkheid
Luiden de geboorte
Van onze Heiland in.

Miguel verhief zijn stem, die sterk aanzwol van dankbaarheid:

Nu, is er goede wil
Onder de mensen,
Roept het uit, broeders,
Roept het uit.

Carlos nam het lied van hem over en gaf het vol vreugde aan de anderen door:

Vrede zij er dan
Onder ons allen,
Onder de grote volken
En onder de kleine.

Esteban gaf hun de woorden voor het laatste vers, en hij zong het tot het einde van de weg, en leidde hen naar de stal:

Laat iedere herder
Zijn stem verheffen,
Tot de hele wereld zich verheugt.
Tot allen eenstemmig
Zullen zingen,
Ere zij onze Heiland
En koning!

De ster boven hun hoofd verlichtte de weg, die naar de stal voerde. Binnen vonden zij een zeer schone, jonge vrouw en op het stro naast haar een pasgeboren kind.
Benito uitte de vraag, die op aller lippen lag: ‘Wat is uw naam, o vrouw?’
‘Men noemt mij Maria.’                                                              ‘
‘En die van het Kind?’ ‘Hij heet Jezus.’
Benito knielde. ‘Nene Jesus, kleine Jezus, de engelen hebben ons gezonden om u te aanbidden. Wij brengen u onze schamele gaven. Hier is een jong haantje voor u.’
Benito legde het op het stro naast het kind, stond toen op en riep: ‘Andres, het is uw beurt.’
Andres knielde: ‘Ik breng u een mandje vijgen, klein kind. Carlos, uw beurt’.
Carlos knielde, en hield het Kind een herdersfluit voor. ‘Ik heb hem zelf gemaakt. U zult er op spelen, als u groter bent. Juan, wat heb jij?’
Juan knielde. ‘Hier is wat kaas, goede geitenkaas.’

Om de beurt knielden zij, alle herders, totdat allen, behalve Esteban, de jongen hun gaven gegeven hadden.

‘Helaas, kleine Jezus, ik heb weinig voor U. Maar hier zijn de linten van mijn muts. Vindt U ze mooi? Ja? En nu bid ik: Zegen alle herders. Geef ons de gave anderen de liefde bij te brengen voor alles wat zacht en teer is in ons hart. Geef ons, dat wij altijd Uw ster zien in deze nacht, de nacht van Uw geboorte. En houd onze ogen altijd opgeslagen naar de verre heuvels.’
En toen ze hun gebed uitgesproken hadden en allen hun gaven gegeven hadden, verdwenen de herders zingend in de nacht.

Kerstverhalenalle

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis                         jaartafel

.

1195-1115

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (40)

.

HET HEILIGE

leven-o-t-1931. Het Heilige was van het Heilige der Heiligen
afgescheiden door de Voorhang (F) die daar aan vier pilaren is opgehangen. De wanden rechts en links zijn opgetrokken uit houten berderen.* Aan de zuidzijde (Ex. 40 : 24) staat de Kandelaar (A) beter: luchter (Ex. 25 : 6; 35 : 8) want tot verlichting van het heiligdom diende „reine olie van olijven, gestoten tot de luchter” (Ex. 27 : 20). Het is een kunstwerk van louter goud. Op het voetstuk verheft zich de schacht (de recht opgaande stam): daaruit schieten drie paar rieten uit, die met hun top gelijk in hoogte staan met de top van de schacht. Op die top en op de zes rieten zijn „schaaltjes gelijk als amandelnoten”; daarin werden lampen met olie geplaatst. Onder het schaaltje ziet men een versiering van knopen en bloemen (Ex. 25 : 35). De lichten van de lampen in de amandelnoten op de rieten branden „aan zijn zijden” (Ex. 25 : 3, eigenlijk staat er: naar ‘de kant van zijn aangezicht”, dus aan het voorste deel). Bij de luchter behoorden nog kleinere gereedschappen „snuiters” en „blusvaten” (D links). — Vlak tegenover de gouden luchter stond aan de noordzijde (Exod. 40 : 22) de Tafel der Toonbrooden (bij C). De beschrijving is in Ex. 25 : 23—30 en 37 : 10—16. De tafel was van sittimhout** met goud overtrokken. Aan alle zijden was haar blad omgeven door een gouden krans (c); onder de krans was een lijst van een hand breed en onder die lijst weer een gouden krans; zij stond op vier pooten; verder waren er vier gouden ringen en daardoor werden de handbomen gestoken (bij H). Bij de tafel waren verschillende gereedschappen: schotels, rookschalen, [vermoedelijk kleinere schalen om daarin wierook te doen; die wierook maakte, naar Lev. 24 : 7, 8 het brood ten gedenkoffer] ; platelen (lage bekers) en kroezen (offerkannen). De broden waren twaalf in getal in twee rijen, zes bij zes, op de reine tafel (Lev. 24 : 6; daarbij was dan de wierook). — Het Reukaltaar (B) (Ex. 30 : 1—7; 37 : 25— 28) was van sittimhout overtrokken met louter goud; aan de hoeken zijn hoornen. — In Ex. 30 : 7, 8 wordt van Aaron gezegd, dat hij het gouden Reukaltaar zou aansteken; Aaron deed het bij de inwijding van de Tabernakel, bij de aanvaarding van zijn priesterdom, gelijk hij en de Hogepriesters na hem het deden op de Grote Verzoendag, op de Sabbath, op het feest der nieuwe maan en op de gezette hoge feesten. (Zo’n geval is hier voorgesteld op de tekening, waar de Hogepriester staat bij het Reukaltaar). Het reukwerk bestond uit vier bestanddelen (Ex. 30 : 34—36). – Het is dit reukwerk waarvan David bij vergelijking zegt: Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht (Ps. 141 : 2).

2. De koperen zee (koper is brons). De hoogte van de koperen zee (a), het bekken bedraagt ongeveer 2½ m„ de doorsnede aan de bovenrand ongeveer 4.90 m.; de dikte is één handbreed. Het bekken wordt gedragen door vier groepen van drie runderen (b) alle van brons vervaardigd (1 Kon. 7 : 23 v.v.; 2 Kron. 4 : 2v.v.).

3. Twee vormen, hoe men zich de zuilen Jachin en Boaz voorstelt. De kapitelen zijn omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen.

*oud woord voor plank, bord
**sittimhout

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1194-1114

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – meetkunde (2-3/2)

.

1e week    3e week   4e week

Hier volgt een impressie van de 2e week van de periode meetkunde in klas 6.

Als voorbereiding is het raadzaam Meetkunde [1]   en [2] te bestudere

Vakkenintegratie is belangrijk: de leerlingen kunnen ervaren hoe alles met elkaar samenhangt. En wat ze in het ene vak leren, zien ze in een ander vak, vanuit een ander standpunt, terug.

Een indeling in dagen is nu niet zo makkelijk te geven, want als je bijv. teruggaat naar de 5e klas – Egypte – en je laat na, na het vertellen over hoe de akkers werden gemeten, de ‘godin van de richting’te tekenen – of aan het eind van de 1e dag daar een begin mee maken, wordt de tijdsindeling anders.

De tweede week

Een eerste dag

In klas 5 kwam in de gechiedenisperioden ook Egypte aan de beurt.

In het hier al genoemde boek van Alexander Strakosch besteedt de schrijver ook aandacht aan Egypte:

Wanneer duidelijk is geworden dat je kennelijk ‘stukken grond’ met een stok en een touw kunt bepalen, moet dat ook worden bekeken:

meetkunde-32

En hierin is wel een rechthoekige akker te zien:

meetkunde-33

Dit is een zeer belangrijk ogenblik in de meetkundeperiode: voor het eerst wordt duidelijk dat een meetkundig figuur – hier de rechthoek – ontstaat vanuit de cirkel. We gaan natuurlijk vanaf nu na of dat voor elke andere figuur ook geldt.

We gaan terug naar de eerste week en nemen deze tekening:

meetkunde-23

Daarin tekenen we alle mogelijke lijnen, nadat we ons goed gerealiseerd hebben, dat de lijnen een verbinding vormen tussen punten, zoals bij de rechthoek ontdekt werd.

meetkunde-34

De kinderen zien in ieder geval driehoeken en ja, ook deze figuur ontstaat in de cirkel; en ‘déze figuur’, waarmee ze de ontstane ruit bedoelen.

Maar ‘deze figuur’ is niet echt handig als mogelijkheid om iets in een meetkundige tekening aan te duiden.
En daar hebben de mensen iets voor bedacht. Een afspraak die over de hele wereld geldt: punten geven we een letter uit het alfabet en we schrijven die met een hoofdletter.

meetkunde-35

Wanneer je naar die punten kijkt, blijken het hoekpunten te zijn, maar D bijv. is ook middelpunt van een cirkel.

Meestal gebruiken we voor het middelpunt de letter M, maar het is niet verplicht.

Het telkens moeten opschrijven: ‘teken een cirkel met een middelpunt M’ zijn wel veel woorden en daarom werken de mensen liever met symbolen en dat gaan wij ook voortaaan doen, dus zo:

ꙩ M

En nu we toch weer bij de cirkel stilstaan en aan het benoemen zijn, willen we ook weten hoe we de lijn noemen die de grootte van de cirkel bepaalt.

Wanneer de leerlingen ‘middellijn’ zeggen, is dit niet fout, maar hoe ontstaat dan die middellijn. Met een bepaald stukje lijn tussen de passer.

Dat bepaalde stukje lijn noemen de mensen een lijnstuk: van A naar B; of van D naar E. En omdat we het woord ‘naar’ niet echt nodig hebben, laten we dat weg: lijnstuk AB en/of DE enz.

In bovenstaande tekening kunnen we nu alle lijnstukken benoemen.

En we zien nu dat lijnstuk AD; DC; DB; DE; AB; BF even groot zijn, want het zijn dezelfde lijnstukken die we tussen de passer hadden toen we met de 1e cirkel begonnen.

Toen we in de 1e week deze tekening maakten:

meetkunde-10

was het woord ‘stralen’ al eens gevallen en ja, al deze lijnen zijn stralen.

Het Latijnse woord voor straal  = radius en de =r= staat symbool voor dit lijnstuk.

Dus als er dit staat:

Ꙩ M  r=5, dan weet je dat je een cirkel M – dit is het middelpunt – moet tekenen met een straal van 5 cm.

Ook de middellijn kunnen nu nog anders benoemen: 2 x de straal of wel 2  x   r. Dus 2r.

Uiteraard is het goed om te kinderen zelf de omschrijvingen te laten vinden! Zoals al eerder gezegd: ze zijn soms sprekender dan de officieel gangbare; maar de laatste leren we.

Een tweede dag
Voor je weer verder gaat met de lesstof, is het iedere dag belangrijk te herhalen wat er eerder werd geleerd. De ontstane begrippen, symbolen. Of in het algemeen: wat hebben we tot nog toe geleerd.

We gaan ook weer naar de ‘bloem’ kijken en tekenen Ꙩ M   r=5    r = MA

meetkunde-38

r blijft 5 en we tekenen nu vanuit A  Ꙩ A. De snijpunten waar deze cirkel de omtrek van Ꙩ M  raakt, noemen we B en C. Je ziet meteen dat AC een straal is van  Ꙩ A en AB eveneens.

meetkunde-39

We kunnen nu al de conclusie trekken dat MA=AB=AC

Met dezelfde passergrootte trekken we vanuit B    Ꙩ  B:
Het snijpunt op de omtrek van Ꙩ  M   noemen we D

meetkunde-40

En: BD = MA= AB (= AC, die ik hier niet teken om duidelijker te laten zien hoe de figuur verder groeit)

Weer verder met vanuit D: Ꙩ  D

meetkunde-41

We vinden op de omtrek van Ꙩ  M een nieuw snijpunt dat we E noemen.

Je kunt de letters omkeren, wanneer je vanuit de andere richting benoemt, wat je zeker moet doen om te laten zien dat het niet per se op één manier hoeft:

ED = DB =BA = AM

Vanuit E doen we het nog eens: snijpunt F

meetkunde-42

MA = AB = BD = DE = EF

En nog eens vanuit F: het snijpunt C staat er al!

meetkunde-43

CF = FE = ED = DB = BA = AM

Wanneer we dan nog C als middelpunt van de Ꙩ  C nemen:

meetkunde-44

zijn we rond en kunnen we concluderen dat AB =BD=DE=EF=FC=CA=AM

Dat betekent dat al deze lijnstukken evengroot zijn. Dat we hier 6 even grote stralen hebben en als we naar cirkel M kijken, hebben op die cirkelboog 6 punten gekregen die evenver van elkaar moeten liggen, omdat de afstand die tussen deze punten ligt dezelfde lijn is: straal MA.

Daarmee hebben we bewezen dat de straal van een cirkel 6 x op de omtrek past, m.a.w. we kunnen nu een cirkelboog in 6 gelijke delen verdelen.

Ook zien we in, dat we niet steeds de volledige cirkel hoeven te tekenen, maar alleen de punten die we nodig hebben.

meetkunde-45

De kinderen moeten er goed van doordrongen zijn, dat we, telkens als we iets willen construeren en we deze kleine boogjes zetten, we eigenlijk cirkels tekenen die we niet echt nodig hebben, maar die, als we ze wel volledig tekenen ons laten zien waarom het juist is wat we doen: het bewijs is er in te lezen!

Nu we de cirkel geometrisch juist in 6-en kunnen verdelen, levert dat weer nieuwe mogelijkheden op:

We zijn in staat een zeshoek én een zesster te construeren – het nieuwe woord dat we voortaan zullen gebruiken, mét het woord ‘constructie’.

En als we de cirkel(s) niet echt nodig hebben, tekenen we die uiterst dun, zodat we de overbodige lijnen later kunnen verwijderen:

meetkunde-46

Uiteraard levert dat weer vele schoonheidsvormen op:

6e-klas-meetkunde-2d

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas meetkunde onder nummer 2

Na een best inspannende manier van voorstellen om tot bovenstaande bewijzen te komen, is het fijn als er in het kunstzinnige toepassen weer een andere kwaliteit wordt aangesproken dan het denken: de wil in de exacte uitvoering van bijv. de zesster  en het gevoel in het zoeken van mooie kleurcombinaties.
Daarmee wordt dan dag 2 afgesloten.

Een derde dag
Nu we een tijdlang aan de cirkel hebben gewerkt, is het misschien een mooi tegengesteld onderwerp: de rechte lijn.
Als voorbereiding zou je nu meetkunde 4-3 kunnen bestuderen.
Omdat het goed is er telkens aan te denken, hoe kun je met de leerlingen ‘levend’ denken, welke weg kun je gaan om van levende begrippen – en hoe minder subjectief die zijn, des te meer zijn het ‘ideeën’, geestelijke realiteiten, in een zekere verstarring te komen, dus bij het begrip dat weinig ruimte meer laat: de definitie.
Zo zou je hier – zie Strakosch – ook van een cirkel uit kunnen gaan en – in gedachten – de middellijn langer kunnen denken . Wat gebeurt er dan met de cirkelboog. Deze komt dus steeds lager te liggen, totdat hij samenvalt met de middellijn. Je kunt even een uitstapje maken naar ronde of bijna ronde voorwerpen in je omgeving en deze op soortgelijke manier veranderen. Hilariteit! Ook als je de omgekeerde weg bewandelt en een rechte lijn probeert ‘naar een halve boog te denken’. Hoe wonderlijk en vreemd zou de wereld eruit zien, als dit ook met de materie zou kunnen. (Het principe van de lachspiegel!)

Nu laten we deze oefening even rusten.
We nemen de passer en tekenen Ꙩ,  r=willekeurig (maar niet te groot). We trekken de straal. Iets verder naast het middelpunt zetten we de passerpunt op de straal en in het verlengde van de straal, met dezelfde straalgrootte, zetten we een klein boogje ( dat is dus weer een heel klein gedeelte van een cirkel. Dat herhalen we een aantal keren.

meetkunde-55
Nu kunnen we weer een voorstellingsoefening doen: Denk je eens in dat we de passerpunt op de straal bijna op het middelpunt hadden gezet en zoals boven, een cirkelboogje getrokken en dat vele keren achter elkaar. Wat zie je buiten de cirkel in het verlengde van de straal ontstaan: heel veel dicht bij elkaar liggende kleine boogjes. Als je die boogjes nog kleiner denkt, krijg je het kleinst denkbare boogje: een punt. En als je die punten heel dicht tegen elkaar aan denkt, heb je een……lijn.
En daarom wordt er van de lijn gezegd dat het een verzameling van punten is.

meetkunde-56

We hebben de lijn dus leren kennen als ‘een spoor van een beweging’, onzichtbaar totdat er concreet – op aarde, op papier enz. – een stukje ervan zichtbaar wordt; en nu als een verzameling punten.

meetkunde-57Dit is een lijn

meetkunde-58Het zichtbaar geworden stuk: een lijnstuk. Een begrensd stuk, vandaar dat het afgebakend dient te worden:

meetkunde-59

strikt genomen kunnen we dus niet zomaar over ‘een lijn’ spreken als we die in de meetkunde nodig hebben. We moeten eigenlijk steeds ‘lijnstuk’ zeggen. Maar in het dagelijks spraakgebruik zeggen we toch meestal: een lijn van 5 cm bijv.

Wanneer je dit consequent verder denkt is een halve lijn dus dit:

meetkunde-60

Niet dat de leerlingen dat allemaal hoeven te weten (maar er zijn er altijd bij die deze wetenschap prachtig vinden, dus waarom niet), het is wél goed dat ze kennis maken met een wereld waarin het om exact formuleren gaat, om goede afspraken die voor iedereen gelden.

Uiteraard komt de vraag: wat is dan de helft van een lijn, dus in het spraakgebruik: een halve lijn – meetkundig gezegd: een half, de helft van een lijnstuk.
En als je dit niet met liniaal mag meten – of kunt meten – dan moet deze geconstrueerd kunnen worden. Hoe?
Je raadt het al: terug naar de cirkel(s).

meetkunde-35

De driehoeken ABC en ADC zijn op precies gelijke manier getekend. Als je ABC omklapt met AGC als vouwlijn, vallen ze precies over elkaar: ze zijn dus gelijk. Dat geldt ook voor ABD en CBD. Als je die omvouwt met BGD als vouwlijn, vallen ze ook precies over elkaar. Dat geldt dan ook voor ABG en BGC.
Daaruit volgt dat AG = GC en BG=GD.

Omdat we ‘daaruit volgt’ nog vaak nodig hebben, leren we alvast het geometrische teken daarvoor: →

M.a.w. we hebben het lijnstuk AC precies in het midden gedeeld in G.

We trekken een lijnstuk AB van bijv. 5 cm. Deze nemen we als straal en maken vanuit A en B 2 cirkels met de snijpunten C en D. We trekken CD die AB snijdt in G. G is het midden van AB.

meetkunde-61

Nu gaan we de overtollige lijnen weglaten:

meetkunde-62

Alleen de kleine omcirkelboogjes zijn nodig en punt G.

Het is goed om dit zo (lang) te oefenen (tot)dat ieder kind het moeiteloos kan. En ook weet waarom het goed is.
Dat hoort dus bij het herhalen, de volgende morgen: wat hebben we gisteren geleerd.
Nu komt het zeker aan op juist en in volgorde van handelen te formuleren.
Natuurlijk worden ook alle begrippen en symbolen iedere keer herhaald.

Nu we een lijnstuk kunnen delen, nemen de mogelijkheden om dit kunstzinnig toe te passen enorm toe. Want de 6-ster en de 6-hoek kunnen nu 12-ster en 12-hoek worden, met al die variaties waarvan we hier maar een klein deel zien:
(voor meer achtergrond: meetkunde 4-5)

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas meetkunde –  (onder nr. 4)

.
6e-klas-meetkunde-23

Een vierde dag
De geleerde constructie van gisteren wordt, nadat deze door de kinderen mondeling beschreven is, in het periodeschrift bij de constructies nauwkeurig schriftelijk beschreven. Dit kan bijv. ook een opdracht zijn voor thuis.

Het zal niet moeilijk zijn in te zien, dat je met het delen van een lijnstuk – zie boven – wanneer je G gevonden hebt – tegelijk eigenlijk een loodrechte lijn in G hebt opgericht. Loodrecht omdat G van driehoek ABG net zo groot is als hoek G van driehoek CBG, dus moet de lijn precies loodrecht staan.

Van hieruit proberen we nu een loodlijn op te richten op een willekeurig punt G op lijnstuk AB:

meetkunde-63

Gegeven: lijnstuk AB = 5cm
Punt G willekeurig
Gevraagd: loodlijn in G

Je zorgt ervoor dat G in het midden komt te liggen door GB als straal te nemen en deze af te zetten op GA, snijpunt C. Nu ben je bij het uitgangspunt van de constructie om een lijn doormidden te delen. Je neemt de opening tussen de passer iets groter en cirkelt boven G om vanuit C en B. Snijpunt D. Vanuit G naar D getrokken is de gevraagde lijn de loodlijn. Je kunt hem ook doortrekken naar E als je vanuit C en B omcirkeld hebt.

Een nieuw symbool: staat loodrecht op:   ⊥

Bij de constructie van een lijnstuk halveren, een loodlijn oprichten op een gegeven punt op een willekeurig(e) lijn(stuk, ‘hoort’ eigenlijk nog de construcite vanuit een gegeven punt boven (of onder) een willekeurig(e) lijn(stuk een loodlijn neerlaten, dan wel oprichten. ‘Hoort’ omdat ze bijna hetzelfde zijn.

Voor het lijnstuk onder de gegeven punt, nemen we nu eerst maar wat het meest natuurlijk lijkt: een horizontale.

Rond deze vorm kun je het nog over de heemkundeperiode in de 3e klas hebben, waarin de huizenbouw aan de orde kwam. Bij alle gereedschappen is zeker ook het schietlood behandeld en is het ‘lood’ in loodrecht weer wat duidelijker.

Gegeven:
willekeurig punt X en lijn a
Gevraagd: vanuit X een loodlijn op a

meetkunde-64

Neem een straal tussen de passer zo groot dat omcirkelen vanuit X op a twee snijpunten geeft: A  en   B.
Cirkel vanuit deze punten onder lijn a zo om dat de boogjes elkaar snijden: Y
Trek vanuit X met een liniaal het lijnstuk X tot op lijnstuk AB: C
XC is de gevraagde lijn.
Het is goed om zo precies te zijn, dat – hoewel XC en CX even groot zijn, tóch XC te zeggen, omdat de vraag is: vanuit punt X
C is dus ook het punt wanneer we vanuit Y een loodlijn op a construeren.

Om nog even bij de loodlijnen te blijven en ons te realiseren dat we de constructies eigenlijk maken met behulp van cirkels waarvan echter alleen maar kleine (om)cirkelboogjes worden gebruikt, is dit bijv. een mooie kunstzinnige verwerking:

Vanuit (het denkbeeldige) A en B is op XY steeds met een kleiner wordende straal omcirkeld. Zou je de straal bijv. steeds 1 cm kleiner willen maken, dan moet je die grootte vanaf een liniaal overnemen.

6e-klas-meetkunde-29

Een vijfde dag
Het herhalen neemt elke dag wel een bepaalde begintijd in.
Soms moet er ook gelegenheid zijn om dingen af te maken.
vooral de kunstzinnige tekeningen. Die kunnen ook wel als huiswerk thuis afgemaakt worden.

Inmiddels kunnen de leerlingen zessterren- en hoeken tekenen; daarin driehoeken; twaalfsterren- en hoeken met daarin ook weer driehoeken en vierkanten enz.
Omgekeerd is het ook een hele opgave om een kunstzinnige tekening zo te doorzien, dat je weet hoe die tot stand is gekomen.

Hoe is deze gemaakt?

6e-klas-meetkunde-31

Vanuit de waarneming de volgorde van handelen proberen te zien.
1)  de grote cirkel
2) zesmaal de straal afzetten op de cirkelboog
3) het midden bepalen van 1 zo’n boogje
4) vandaaruit weer zes keer afzetten op de cirkelboog: er zijn nu twaalf punten
5) De punten zo verbinden dat je er telkens twee overslaat
6) Het staande vierkant helemaal tekenen
7) Het vierkant daaronder: alleen de lijnen die zichtbaar zijn
8) Het onderste vierkant: alleen de lijnen die zichtbaar zijn.

Uiteraard maken de kinderen er zelf ook een, met andere kleuren; of halen bijv. als laatste de cirkel weg, waardoor er een puntiger karakter ontstaat.

Je kunt ervoor zorgen dat je een aantal van bovenstaande vormen – oplopend in moeilijkheidsgraad – klaar hebt liggen, die de leerlingen kunnen uitzoeken en meenemen naar hun plaats om de constructie ervan te vinden en uit te voeren.

cirkel; liniaal; lineair; willekeurig; onwillekeurig; omtrek; middellijn; middelpunt, verticaal, horizontaal, diagonaal; vlak; snijden; straal; snijpunt; constructie, construeren; zesster; zeshoek (hexagram, hexagoon); cirkelboog; verzameling; lijn; lijnstuk; loodlijn;

symbolen:
Ꙩ             cirkel met middelpunt
cirkel met middelpunt M
r              radius = straal
2r           2x de radius = de middellijn
→           daaruit volgt
⊥            staat loodrecht op

suggesties voor de periode:

1e week
3e week
4e week

6e klas: alle artikelen (waarbij de meetkunde-artikelen)

meetkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas- meetkunde: alle beelden

.

1193-1113

.

VRIJESCHOOL – Meetkunde (4-5)

.

Alexander Strakosch: ‘Geometrie durch übende Anschauung’
blz. 21 t/m 22

Over de bloem met de twaalf blaadjes

meetkunde-strakosch-4-2

Tussen twee kleine blaadjes* ontspringt een groot blad als direct vervolg van de bogen die de kleine blaadjes insluiten. De punten van de grote blaadjes liggen weer op een cirkel waarvan de straal even groot is als de lengte van het grote blad.**

Trek je door de grote alsmede door de kleine blaadjes een rechte lijn van punt naar punt, ontstaan er om het gemeenschappelijke middelpunt twaalf gelijke hoeken van ieder 360° : 12 = 30°  (tekening hierboven)

De punten als een rondje waar de cirkel de zes assen van de grote blaadjes snijdt, halveren ieder de boog tussen de punt van de kleine blaadjes. Wanneer je vanuit die punten met een gelijke straal cirkels trekt, ontstaan opnieuw zes blaadjes; in totaal krijg je dus een ‘bloem’ met twaalf blaadjes:

meetkunde-strakosch-4-6

Je kan echter niet een heel blad met ‘bloemen van twaalf blaadjes vullen; want bij ieder ring van cirkels die je rond de begincirkel tekent, verschuiven de middelpunten ieder met de breedte van een klein blad, zoals je kan ervaren bij het maken van deze tekening.

Daarvoor in de plaas biedt de bloem met de twaalf blaadjes de gelegenheid een nieuwe wetmatigheid in te zien. Terwijl zich bij de zes-bloem steeds gelijkzijdige driehoeken vormden of figuren die daaruit te vormen zijn (zeshoeken, ruiten) kan je hier ook vierkanten ontdekken. De volgende drie tekeningen laten een serie voorbeelden zien waarmee de hoeveelheid nog lang niet uitgeput is en de liefhebber rijkelijk gelegenheid biedt om ze zelf uit te werken. Daarbij moet je er echter op letten, dat de verlengde zijden van de vierkanten, ruiten of zeshoeken op de snijpunten van cirkels of in het midden van de driehoeken liggen. Je vindt steeds aanknopingspunten in de omgeving, je hebt een goede controle voor een precieze tekening en leert steeds meer de wetmatigheden kennen.

meetkunde-strakosch-4-3

meetkunde-strakosch-4-4

meetkunde-strakosch-4-5

*kijk naar de bovenste twee cirkels De twee kleine blaadjes met de stippellijn erdoorheen zijn ‘de kleine blaadjes’ en het ‘grote blad’ is het blad waarin deze twee kleinere liggen met ook nog een grotere ronde punt.
**Dat zie ik niet. Strakosch merkt over die lijn op: deze lengte, preciezer gezegd de lengte van zijn middellijn is √3, wanneer de lengte van het kleine blad als eenheid wordt genomen. √3 is echter ook de lengte van de ruimtediaognaal van een kubus met een lengte van 1. Zo zit in deze eenvoudigste constructie in het plattevlak een belangrijke wetmatigheid van de ruimte verborgen.

Vrijeschool in beeld: 6e klas meetkunde

Meetkunde: alle artikelen

1192-1112

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (23)

.

Sint-Maarten had ’n koe

Op 27 april 1948 kreeg Utrecht een nieuwe vlag. Of beter gezegd de oude stadsvlag werd in mooie ere hersteld. Uit oude documenten was namelijk gebleken, dat de oorspronkelijke vlag rechts-geschuind van rood en wit was en dat die witte helft de beeltenis van Sint-Maarten droeg. Om die Sint-Maarten gaat het, want de stad Utrecht staat onder zijn bescherming.
Te zijner ere werd vroeger een processie gehouden en de burgers droegen de erenaam Sint-Maartensdienst-mannen of welgeboren Sint-Maartensmannen. Was er – zoals dat vaak is voorgekomen – weer eens oorlog of ruzie tussen die van Holland en die van het Sticht en kwam het tot een treffen, dan klonk – volgens een overlevering – als antwoord op de strijdkreet

‘Holland! Holland!’

het ‘Sint-Martijn! Sint-Martijn!’ van de Stichtenaren.

Niet alleen in Utrecht, maar in heel Nederland is Sint-Maarten na Sint-Nicolaas de populairste volksheilige. De in de achtste eeuw gestichte Dom van Utrecht is een Sint-Maartenskerk en zo zijn er vele. Steden, dorpen, kerken, altaren, klokken, gilden, liefdadigheidsinstellingen stonden of staan onder bescherming van Sint-Maarten.

En vergeet nooit
‘die onder protectie van Sint-Maarten staat is veilig en wel bewaard.’

Wij kennen in Noord-Holland Sint-Maarten, op Tholen Sint-Maartensdijk, in Utrecht Maartensdijk en onder Schipluiden de buurtschap Sint-Maartensrecht; en daar staat dan maar één enkel Sint-Nicolaasga in Friesland tegenover.
Ook in gemeentewapens kreeg Maarten zijn plaats, zoals in Itteren en Eethen en natuurlijk in de wapens van de plaatsen met zijn naam.

Wie was deze populaire heilige? Hij was een eeuwgenoot van Sint-Nicolaas, een zoon van een Romeins tribuun uit Pavia. Nog een knaap trok hij als soldaat naar Gallië. Aan de stadspoort van Amiens, zo wil de legende, deelde hij op een winterdag zijn soldatenmantel met een bedelaar. In de daarop volgende nacht zag hij in een droom Christus, bekleed met het stuk mantel dat hij weggeschonken had en hoorde hij Christus tot de engelen zeggen: ‘Hiermede heeft Martinus, de geloofsleerling, mij bekleed.’

De jonge Romein zei de krijgsdienst vaarwel, liet zich dopen, werd kluizenaar en monnik, stichtte het eerste klooster in West-Europa en reisde stad en land af om het evangelie te prediken. Hij hielp de armen en genas de zieken. In 370 werd hij door het volk tot bisschop van Tours uitgeroepen. Niettegenstaande deze hoogwaardige plaats bleef hij een eenvoudig man, goed doende waar hij kon.

11 november werd zijn feestdag, de dag van Sint-Maarten die nog steeds wordt gevierd, zij het minder uitbundig dan het vroeger gebeurde.

In voorbije tijden kon het op Sint-Maarten wild toegaan; er werd duchtig gegeten en gedronken. De overheid moest paal en perk stellen aan baldadige uitwassen. Een Dordtse keur uit 1443 vertelt:
‘So die jonghe boefkens op Sint-Maartensavond lestleden veel onredelikheden bedreven mit groote vuren te bernen opter straten, daertoe der luden banken, doeren ende vengsteren ende houten, die zij afbraken ende krijgen konden, ende verbernden ze ende deden den luden schade.’
Dat kon natuurlijk niet en daarom werd iedereen aangeraden deze belhamels ’also te kastijen ende bedwingen, dat sij alsulcke hantieringe mit vuuren te bernen ende der luden houten ende banken oft vengsters te halen, niet meer en doen tot gheenre tijd.’

Sint-Maarten mag dan niet zo hoog genoteerd staan als Sint-Nicolaas, zijn naamdag wordt nog steeds gevierd en het is vooral een kinderfeest. Op 11 november trekken in vele plaatsen in het land kinderen door de straten met lampionnen of andere fraaie lichtjes. Er wordt gebedeld – als men dit bedelen mag noemen – om een appel of om een peer; het mogen ook koekjes, snoepjes of geld zijn. Om kenbaar te maken, dat ze er aan komen of al voor de deur staan, wordt er hard gezongen. Keuze genoeg uit een indrukwekkend en gevarieerd sintmaartensrepertoire.

Zo zingt men in de stad Groningen – met een Sint-Martinuskerk! – :

Sint-Martinus, Bisschop
Roem van alle landen.
Dat wij hier met lichtjes lopen
Is voor ons geen schande.
Hier woont een rijke man
Die ons wel wat geven kan.
Geef een appel of een peer
’k Kom van ’t hele jaar niet weer.
’t Hele jaar, dat duurt zo lang
Dat mijn lichtje branden kan.

Op Ameland was het volgende liedje in trek.

Sinte, Sinte Marten.
De koeien hebben starten,
Ossen horens,
Kerken torens,
Torens klokken,
Mooie meisjes rokken,
Schoenmakers elsen,
Oude wijven pelsen.

Een ander oud liedje weet te vertellen:

Sint Maarten had ’n koe,
die moest naar de slager toe;
was ie vet of was ie mager,
toch moest ie naar de slager.

Om de vrijgevigheid te stimuleren werd en wordt graag het nodige gedaan en beloofd. Door het hele land is daarom het volgende liedje bekend en populair geworden. Want iedereen wil wel graag voor een rijkaard worden uitgemaakt.

Hier woont ’n rijk man,
Die veel geven kan,
Veel wil ’ie geven,
Zalig zal ‘ie leven,
Zalig zal ’ie sterven,
Den hemel zal ’ie erven.
God zal hem loonen,
Met honderdduizend kroonen,
Met honderdduizend rokkies an:
Hier komt Sint her Martijn an!

Op vele plaatsen wordt ’s avonds het sintmaartensvuur ontstoken, waarbij alles wat maar branden wil, gebruikt wordt. Allerlei onderzoekers naar de diepere en de diepste betekenis van oude volksgebruiken, willen hierin een afweermiddel zien tegen de boze geesten en heksen die verdreven moeten worden. Sint- Maarten wordt door dat vuur natuurlijk aangetrokken en gaat er meteen voor zorgen dat allen die ongeluk zouden willen brengen de wijk nemen. Meteen!

Na al die drukte met lampions en vuur gaan wij even een stukje eten. Dat kan heel goed. Het feest van Sint-Maarten is namelijk steeds een eetfeest geweest; men brengt dit wel in verbinding met november als slachtmaand en met het feit dat deze Sint zo gul was voor de armen. Lang waren pannenkoeken een echt sintmaartensgerecht, maar ook schotels met mispels, een gerecht dat helemaal niet meer bestaat. Trouwens de vrucht mispel is nauwelijks bekend. De mispel komt van een appelachtige boom en wordt gegeten als zij overrijp is. Vandaar zo rot als een mispel. Een oud liedje vertelt over de mispel:

Heere, Sinte Maarten! heilig sant!
Goede platte mispelen wasschen in uw hand.

Het gerecht bij uitnemendheid was in enkele plaatsen de sintmaartensgans. Wie geen gans had gegeten, had geen feest gevierd. Aan het eten op Sint-Maarten herinnert ook de oude benaming – reeds in 1276 bekend – van schuddekorfsdag. Op deze dag werd een grote korf gevuld met allerlei versnaperingen zoals appels, peren, tamme kastanjes boven een vuur gehangen en af en toe rond geschud. Dan vloog een deel van de inhoud in het rond en de omstanders konden naar hartelust grabbelen. Voor weerkundigen en weervoorspellers is Sint Maarten een zeer belangrijke dag. Wie die dag goed in de gaten houdt, weet welk weer er te wachten staat.

Als op Sint-Maarten de ganzen op het ijs staan, moeten we met Kerstmis door het slijk gaan.
Is het donker lucht op Sint-Martijn, zo zal ’t een zachte winter zijn, maar is die dag het weder helder, de vorst dringt door in menig kelder.

Er is nog meer. Zo het loof niet valt voor Sint-Martijn, zal ’t een harde winter zijn, maar nevels in sintmaartensnacht, brengen winters kort en zacht.

En nu nog even snel naar een paar hoogtepunten van de viering zelf; daarvoor kan men naar Utrecht en Groningen of bepaalde delen van Drente, Twente, de Achterhoek, Noord-Brabant en Limburg gaan.

Shell Journaal van Nederlandse folklore

.

Sint-Maarten: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten

St-Maartensliedjes

1191-1111

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (29)

.

opspattend grind

Onderwijs vindt wiel opnieuw uit

Het programma ‘Droomvogel’ van een aantal basisscholen in Zaandam wil het kind weer laten spelen (Trouw, 30 oktober). De aandacht voor de cognitieve ontwikkeling is te ver doorgeschoten ten koste van het leren door spelen of spelend leren.

Frappant is dat in het ‘Leer- en handboek der Paedagogiek’ van de Rotterdamse schoolmeester Van de Griendt uit 1887 al dezelfde klacht is te lezen.

Ook toen werd de bewaarschool hier en daar al te veel beschouwd als een voorbereiding op de lagere school. “Het is het algemeen gevoelen van bekende opvoedkundigen, dat zulk vroegtijdig onderwijs schadelijk is voor lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. En wij zouden er willen bijvoegen, dat het vooral op het kinderlijk karakter ongunstig kan werken”, aldus Van de Griendt.

Een geschiedenisoverzicht van de nieuwe-schoolbeweging (1900-1935) zou voor leraren en onderwijsdeskundigen verplichte literatuur moeten zijn. Om te zien dat onderwijsvernieuwers uit die tijd al worstelden met punten waarmee inmiddels negentig jaar later nog steeds wordt geworsteld.

De pogingen om te komen tot beter onderwijs lijken daarom op een eindeloze herhaling van zetten. Zodat het niet de vraag is of de jonge leerlingen ooit harmonischer gevormd zullen worden, maar wel of het onderwijs zelf ooit wijzer is geworden.

Harry Raap, lezer te Veldhoven in Trouw,02-11-2013

.

zie ook: opspattend grind: 8, 16, 17, 18

Opspattend grind: alle artikelen

Peuters/kleuters: alle artikelen

1190-1110

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (39)

.

HOGEPRIESTER OP DE GROTE  VERZOENDAG

leven-o-t-192

De Hogepriester op de Groten Verzoendag in het Heilige der Heiligen
(naar Ds L. Schouten Hzn). Het Heilige der Heiligen was de plaats van de (e) Ark (kist) des Verbonds (Num. 10 : 33) of Ark der Getuigenis (Ex. 25 : 22 de Ark van de Heer, de Heer van de ganse aarde, Joz. 3 : 13); de Ark des Verbonds van de Heer der heerscharen, die tussen de cherubim woont (1 Sam. 4 : 4_) de Ark van Gods sterkte (Ps. 132 : 8). De Ark was gemaakt van sittimhout (Ex. 25 : 2), en had een lengte van 2½ el, een breedte en hoogte van 1½ el.* Voorts was de Ark van binnen en van buiten met louter goud overtrokken. De Ark werd gedekt door het Verzoendeksel (Ex. 25 : 21); daaromheen was een gouden krans (ƒ) of kroonlijst. Aan de vier hoeken waren vier gouden ringen: door die ringen staken handbomen van sittimhout met goud overtrokken. Op het verzoendeksel stonden twee cherubs (g) hun vleugelen omhoog uitgebreid; hun aangezichten tegenover elkaar, terwijl tevens hun aangezichten naar het Verzoendeksel gericht waren. Tussen de beide cherubijnen en daarboven (h) ziet men de „Schêchina” het zichtbaar teken van Gods tegenwoordigheid onder Israël, boven de vleugels van de Cherubijnen van de Ark des Verbonds, de letterlijke vervulling, door middel van dat teken, van hetgeen God gezegd had, ‘toen Hij ’t bevel gaf tot de bouw van de Tabernakel: „zij zullen Mij een Heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone” (Ex. 25 : 8).

In het Heilige der Heiligen trad de Hogepriester binnen op de Grote Verzoendag, op de tiende van de maand Tisri (Lev. 16 : 1—39; Lev. 23 : 26—32; Numeri 29 : 7—11). De Hogepriester trad het niet binnen in zijn gewoon hogepriesterlijk ambtsgewaad; hij droeg de heilige klederen (Ex. 39 : 41, de heilige linnen rok (a), de linnen gordel, de linnen hoed (b); Lev. 16 : 4. De Hogepriester was in witte linnen klederen gekleed; dit wit is symbolisch voor het verzoeningswerk (Hebr. 9 : 24; 7 : 26). De eerste maal, dat de Hogepriester binnentrad, wordt beschreven in Lev. 16 : 12, 13: „Hij zal een wierookvat (d) vol vurige kolen nemen van het Altaar, van voor het aangezicht van de Heer, en zijn beide handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen de Voorhang dragen. — Terwijl dan het Heilige der Heiligen geheel gevuld werd met de rook van het reukwerk, ging de Hogepriester naar buiten en nam daar van de Priester in de Voorhof, het gouden bekken (c) met het bloed van de var van de zondoffers, om nu met dat bloed het Heilige der Heiligen in te gaan en verzoening te doen voor zich en zijn huis. Hij steekt de wijsvinger van de rechterhand in het bloed van de var, en bespat met dat bloed het middelste gedeelte van het Verzoendeksel, tussen de gouden cherubijnen. — Daarna drukt hij nogmaals de wijsvinger in het zoenbloed, bespat nu de vloer vóór het Verzoendeksel en de Ark, en herhaalt dit tot zevenmalen toe. — Teruggekeerd naar de voorhof werd de éne bok van het offer van het volk geslacht, en met dat bloed ging de Hogepriester nu ten derden male het Allerheiligste binnen, om op gelijke wijze als de vorige maal het bloed te sprengen: nu tot verzoening voor het volk.

*de precieze grootte van deze el is niet bekend, maar wordt geschat tussen 42 en 52 cm.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1189-1109

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – rekenen (10)

.

Opnieuw een artikel van lang geleden.
Met een mooie kunstzinngie aanpak worden de kinderen vertrouwd gemaakt met de getallen.

Of je de hier meer gekozen ‘hemelse’ ( en (te?) ‘heilige’) kant kiest, of de meer ‘aardse’ is aan jou.
Er zijn een paar ‘gevaren’: Hiërarchische wezens (engelen) en elementairwezens in je onderwijs laten optreden, kan maar zo leiden tot een soort inflatie van deze aspecten van het leven. Bovendien zou het voor jou een beleefbare waarheid moeten zijn om er op een bepaalde manier over te kunnen spreken, anders wordt het een (vrijeschool)maniertje! en dan komt al gauw het tweede gevaar: het wordt antroposofie. En dat hoort als inhoud niet thuis op de vrijeschool. Daarover is Steiner heel duidelijk.
Ik geeft het artikel toch weer omdat het ook mooie voorbeelden geeft om kinderen met de getallenwereld op beeldende manier te laten kennis maken.


Hier en daar heb ik het wat vrijer vertaald.

GETAL EN CIJFER IN HET ONDERWIJS VAN DE 1E KLAS

Getal, maat en gewicht zijn de belangrijkste hulpmiddelen van de huidige natuurwetenschap. Met deze hulpmiddelen zijn de grootste uitvindingen en ontdekkingen van onze tijd gedaan.
Een natuurproces lijkt verklaard, wanneer ik het met het rekenende, metende en wegende verstand toegankelijk kan maken.
Maar het leven verstart, wanneer je het in getal, maat en gewicht alleen wil vangen. Bekijk ik bijv. een lichtstraal of een toon slechts als een golfbeweging van een meetbare lengte, dan heb ik het leven gedood en slechts het lijk voor me. Want alleen de dode dingen kun je tellen, wegen en meten; tegenover het leven schiet de verstarde vorm tekort.
We hebben een vloeistof voor ons en erin opgelost een of ander zout. We kijken naar de oplossing. We ontdekken er niets in van geometrische vorm en gestalte. Nu koelt de vloeistof steeds meer af. Plotseling komen er kristallen tevoorschijn; wonderbaarlijke vormen van een meetkundige, kristalheldere schoonheid. Krachten schieten in de vorm en verstarren tot geometrische beelden. Maar als ze de vorm hebben gekregen, is het leven erin gestorven. Geometrische vorm is verstard leven. Hier zien we duidelijk hoe uit het levende het dode ontstaat.

In de tegenovergestelde richting moeten we gaan, wanneer we kinderen voor ons hebben in een eerste klas. Nu moeten we van het leven uitgaan; van de geestelijke wereld afdalen in de fysieke. Want het kind is met de geestelijke wezens en hun vormkracht nog veel sterker verbonden dan de volwassene; het maakt in zijn ontwikkeling het afdalen van het levende naar het verstarrende pas langzaam door. Vóór de tandenwisseling werkten de vormkrachten aan de vorming van het fysieke lichaam, nu komen ze omgevormd tevoorschijn in de voorstellingsbeelden. Maar deze voorstellingsbeelden zijn doortrokken van beeldende kracht, ze zijn niet af of afgesloten, maar doortrokken van kosmisch leven; ze metamorfoseren voortdurend, de scheppende fantasie leeft zich erin uit, nooit zijn deze beelden dode begrippen, maar ze lichten op in alle kleuren van de ziel – het kind beleeft niet zozeer het gewordene, maar het worden, het groeiende, vomende, daar gaat het helemeaal in op.

Zo kunnen we ons wel voorstellen hoe abstract en doods het is, wanneer we het kind de kant-en-klare getallen en cijfers, de geometrische vormen die af zijn en van het voorstellingsleven van de volwassene komen, voor de geest voeren.
De scheppende kracht van het getal, de zinvolle levendige betekenis, de vormgevende krachten moet het beleven, wil het niet voortijdig ouwelijk worden. We moeten de weg bewandelen van het levendige naar het verstarde, willen we het wezen van het kind recht doen.
En deze weg proberen we in het volgende te gaan; ik zou aan de hand van een paar voorbeelden willen laten zien, hoe ik gepoogd heb uit het leven het gestorvene, uit het wezen van het getal het cijfer te halen.

Vanuit de eenheid is de wereld ontstaan. In de ene God rustte verborgen de schepping voor deze zichtbaar werd. In de schoot van God-Vader ligt de hele kosmos besloten. Zo kun je van de één* uitgaan als de oerbasis van al wat geworden is.
Deze een bevat echter ook de tengenpolen: licht en donker. Goed en kwaad liggen er ook in verborgen. Ze worden zichtbaar wanneer de wereld vanuit de rust in het worden komt. Zo kun je de twee als de polaire tendens aan de kinderen uitleggen. Wanneer de wereld moet ontstaan, dan moet de godheid naast het goede principe ook het kwade zetten, moeten licht en duisternis elkaar tegenwerken, moet de deling in mannelijk en vrouwelijk ontstaan – Maar iedere schepping zou weer verloren gaan wanneer er geen hogere eenheid in de drie zou worden gevonden. Door de drie worden licht en donker samengenomen. Man en vrouw vinden de nieuwe drie-eenheid in het kind. Zo kun je de weg bewandelen van de eenheid als de oergrond van de schepping, door de zondeval in de twee en tot de verlossing door de drie.

Daarom vertelde ik de kinderen in de vorm van een sprookje in grote lijnen het volgende:
‘Er was eens een koning die een zoon had. Boven alles had hij deze zoon lief. Wat van zijn vader was, was van zijn zoon. Hij sliep in een bed van zijde, dronk uit een gouden beker, at van een zilveren bord, speelde met een gouden bal, plukte gouden appels; iedere dag was hij omgeven door muziek en werd er gedanst. Heel erg mooi was de tuin van zijn vader: wonderlijke bloemen bloeiden er, Vanaf de bergen bruisten klaterende stroompjes naar het dal, een milde wind ruiste door de twijgen van de bomen. En wanneer ’s avonds de sterren en de zilveren maan aan de hemel hoger kwamen en het zilveren licht van boven neerdaalde, dan hoorde en verstond de koningszoon het gezang van de sterren die zich in een kring aan de hoge hemel bewogen. Dan zongen de sterren hem toe:

‘Wij samen in het licht
van godes aangezicht,
wij
en jij!’**

(‘wir sind eins in Gottes Ruh –
Wir und du!’)

En wanneer de zon dan opging, bogen aan weerszijden van de weg waarover de koningszoon liep, de bloemen; de dieren kwamen op hem afgesprongen. Bronnetjes murmelden zachtjes naar hem:

‘Zegen mij, o mensenkind,
dat ik in mijn hart ook jou liefde vind!’

(om het te laten rijmen heb ik er één bron van gemaakt:
”Segne uns, o Menschenkind,
dass wir eins in deinem Herzen,
eins in deiner Liebe sind!’)

En de koningszoon hief zegenend zijn handen over dier, plant en steen en voelde zich een met hen en sprak: ‘Altijd zal ik van jullie houden enjullie zegenen en jullie broeder zijn!’
Op een dag riep de vader zijn zoon bij zich en sprak: ‘Nu ben je oud en sterk genoeg. Ga de wereld in en bevrijd de koningsdochter uit de macht van een boze draak.’ Toen sprak de zoon: ‘Ik wil graag daden verrichten, lieve vader, al lang hunker ik daarnaar. Maar ik heb geen zwaard!’- ‘Dit zwaard zul je zelf moeten smeden, ik kan het je niet schenken; maar de dwergen zullen je helpen, wanneer je moedig en sterk bent!’
En de konigszoon vertrok en zocht de koningsdochter, zo ver als de aarde groot was. Maar hij kon haar niet vinden. Toen kwam hij op een dag bij een donkere spelonk; hij ging er moedig in en daalde af in de donkere aarde. Toen zag hij voor zich een flakkerend vuur en daaromheen vele dwergen die aan het werk waren. Die vervaardigden uit goud, zilver en kristal de mooiste sieraden. Toen dacht de koningszoon: ‘Wat moet ik met sieraden, ringen en snuisterijen, ik wil een stevig zwaard smeden!’ Nauwelijks had hij dat gedacht of de dwergen brachten hem een hamer, een aambeeld en het harde ijzer. En de koningszoon smeedde daar in de diepte van de aarde een blinkend zwaard. Toen het klaar was, zwaaide hij het door de lucht en riep: ‘Nu wil ik daden verrichten!’ En hij trok verder, tot hij op een dag bij een hoge berg kwam; bovenop de berg stond een prachtig slot. De koningszoon beklom de berg en wilde door de poort naar binnengaan, toen een wilde draak hem tegemoet kwam. De draak blies vuur en vlammen uit zijn muil, maar de koningszoon zwaaide moedig met zijn zwaard en doodde de draak. Toen liep hij naar de deur van het slot en toen hij die wilde openen, sprong deze vanzelf open en een schone jonkvrouw schreed erdoor. Haar haar hing als een gouden stroom over haar schouder tot op de grond; haar ogen straalden als lichtende sterren. De jonkvrouw sprak: ‘Je hebt me bevrijd uit de macht van de draak! Welkom, jij held!’ En zij reikte hem haar hand en toen hoorden ze in het slot een meerstemmig gezang klinken:

‘Ga met haar aan je zijde,
Gij die de aarde (van hekserij) bevrijdde!’

(‘so schreitet zu zweit,
und grüsset die Erde,
vom Zauber befreit!’

Zo vond de koningszoon in de koningsdochter de heilige twee. En hij nam haar bij de hand en leidde haar het slot binnen en hij werd aan haar zijde koning over het hele land.”

Voorlopig vertelde ik tot hier het sprookje. De kinderen hadden het wezen van de twee eerste getallen in hun beleving opgenomen: de een als eenheid van de hele kosmos; de twee als ontmoeting van de koningszoon met de koningsdochter. Nu moest uit deze wezenlijke beleving het meetkundige beeld en ten slotte het cijfer worden gehaald. Want ik had me voorgenomen, de zuiver meetkundige vormen en de cijfers samen te nemen.

Het geometrische beeld van de eenheid is de cirkel. De cirkel is de grootste harmonie, de rust in god. De koningszoon staat in het midden. De kinderen beeldden dit beeld van de een uit. Eén kind stond in het midden als koningszoon, in de kring eromheen de andere kinderen als koor van sterren. Zij reciteerden:

Koningszoon:
Sterren bewegen zich in kringen
helder klinkt hun hemels zingen:

Koor:
‘Zegen mij, o mensenkind,
dat ik in mijn hart ook jou liefde vind!’

(Sterne schwingen sich im Kreise,
hell erklingt des Weltalls Weise`:
”Segne uns, o Menschenkind,
dass wir eins in deinem Herzen,
eins in deiner Liebe sind!’)

Het koor van de sterren veranderde in een rij van bloemen en dieren, die vragend hun handen hieven:

Koningszoon:
Bloemen neigen zich ter aarde
En de deren: elk gebaarde:

Koor:
‘Zegen mij, o mensenkind,
dat ik in mijn hart ook jou liefde vind!’

(Blumen neigen sich zur Erde,
Tiere flehn in Bittgebärde:
”Segne uns, o Menschenkind,
dass wir eins in deinem Herzen,
eins in deiner Liebe sind!’)

Gelijkertijd kwam er uit het beeld van de kijkende koningszoon in de kring de Romeinse I en uit het beeld van de zegenende koningszoon het Arabische cijfer 1:

rekenen-14

In de ontmoeting van de koningszoon en de koningsdochter  ontstaat de II. Ook deze ontmoeting werd gespeeld. Twee kinderen vormden de poort waaruit de koningsdochter de koningszoon tegemoet kwam. Daarbij werd gereciteerd:

Koningszoon:
Ik heb je verlost,
met het blinkende zwaard
de draak geveld!

Koningsdochter:
Welkom, jij held!’

(Ich hab dich erlöst,
met dem blitzendem Schwert
den Drachen gefällt!
Willkommen, du Held!’)

Ze geven elkaar de hand en spreken:

Hier  lopen wij bei(de)
en groeten je, aarde,
bevrijd van tovenarij!’

Wir schreiten zu zweit,
und grüssen dich, Erde,
vom Zauber befreit!’

rekenen-14-1

 De Arabische 2 ontbreekt in het artikel

Nu ligt het voor de hand, gezien het voorafgaande, dat ik de beleving van de drie aan de kinderen ook met het vervolg van dit sprookje zou brengen door het koningskind dat de beide ouders als geschenk kregen. Maar het leek me raadzamer ook nog van een andere kant het wezen van de drie de kinderen voor de geest te voeren. Je kunt de drie ook als een eenheid van denken, voelen en willen beschouwen en juist de eenheid van deze drie wilde ik de kinderen meegeven, dat leek me pedagogisch werkzaam te kunnen zijn. Ik vertelde daarom een verhaal, waarin ieder kind zichzelf zou kunnen herkennen.

‘Er was eens een bouwmeester die drie zonen had; maar wat waren deze drie verschillend! De eerste was altijd stil en in gedachten verzonken. Als hij eens ging wandelen, merkte hij bijna niets op van het moois van de bloemen of van de kracht van een storm; zijn blik en zijn hoofd waren naar beneden gericht – en hij dacht maar -. De tweede was heel anders. Die stormde bijna iedere dag naar buiten, de wei of de velden in; geen boom was hem te hoog, geen berg te steil, geen water te diep – hij wilde de wereld veroveren en daden verrichten. De derde zoon echter liep altijd vrolijk door de wereld en nam alles in zich op. Hij werd heel blij wanneer hij de vogels in de lucht hoorde, wanneer hij de bloemen op de wind zag wiegen, wanneer hij van de hoge berg in het dal keek. Wat was de wereld voor hem toch mooi!
Op een dag riep de vader zijn drie zonen bij zich en sprak: Jullie zijn nu wel oud genoeg en jullie hebben genoeg bij mij geleerd. Bouw nu maar eens een huis voor jezelf. We zullen eens kijken wie dat het beste voor elkaar krijgt!’
Toen ging de oudste zoon naar zijn kamertje, nam potlood en paier en begon te tekenen. En hij rekende en rekende en maakte een plan hoe hij zijn huis zou bouwen. Maar nauwelijks had hij zijn plan klaar of het beviel hem toch niet helemaal. Hij scheurde zijn tekening doormidden en begon opnieuw. En zo maakte hij vele plannen. Geen enkele beviel hem. De dagen gingen voorbij en hij was nog niet met het werk begonnen.
De tweede zoon echter spande de paarden voor de wagen en hij haalde stukken rots en stenen met een ongebreidelde werlust. Hij stapelde ze op elkaar en het ging hem niet snel genoeg. Wat gaf het dat de muren wat scheef stonden en de ramen niet recht en het dak te spits werd. Hoofdzaak was toch, dat het werk klaar kwam.
De derde zoon ging ook aan het werk. Zijn huis moest er mooi uitzien zoals een mooi volgroeide boom. Aan weerszijden van de poort stonden zuilen, er lag een grote tuin voor de ingang, de kamers werden met mooie kleuren opgeluisterd, de ramen moesten hoog en licht zijn. Wat kon het hem schelen of de muren vast en stevig stonden. De hoofdzaak was toch dat ze er prachtig uitzagen met vrolijke kleuren. Hij maakte zich geen zorgen dat zijn huis niet op een stevig fundament stond. Als het er maar mooi uit zag.
Na een jaar ging de vader eens kijken wat zijn zonen zoal gebouwd hadden. ‘Waar is jouw huis?’, vroeg hij aan de oudste. Die haalde zijn papieren en liet  hem zien wat hij getekend had. ‘Dat is zeker allemaal heel mooi’, sprak de vader, ‘maar wat heb ik aan een huis dat ik niet bewonen kan en waarin ik niet naar binnen kan? Dat alleen maar op papier staat?! –
Waar is jouw huis?’, vroeg hij aan de tweede. Die bracht hem naar het voltooide bouwwerk. De muren stonden weliswaar stevig, maar scheef, de deur was te smal, de ramen niet recht, het dak hing er zwaar boven. ‘Het was beter geweest’, sprak de vader, ‘als je langzamer te werk zou zijn gegaan en met meer overleg. Je bent te roekeloos met je kracht. – Nu wil ik jouw huis nog zien’, sprak de vader tot de derde.
En nu liepen ze naar het huis van de derde zoon: de muren glommen je in het zonlicht tegemoet; de ramen waren helder en hoog, de tuin mooi en groot en de kamers vrolijk geschilderd. Toen sprak de vader: ‘Je huis is mooi, maar wie verzekert mij dat een windstoot de zwakke muren niet omverblaast, de ramen breken en het dak instort? Wat heb je aan schoonheid, wanneer het de storm niet doorstaan kan!’
Alle drie de zonen zagen dat geen van hun huizen het oordeel van hun vader kon doorstaan en zij keken elkaar aan en zeiden tegen elkaar: ‘Wat zijn wij een dwazen! Ieder van ons apart kan zo’n werk niet aan. Kom op, laten we het samen bouwen!’
En samen gingen ze aan het werk en bouwden een huis. De oudste rekende en tekende, de tweede haalde de stenen en bouwde het sterke fundament en stevige muren volgens het plan van zijn oudste broer en de de derde zorgde ervoor dat het allemaal mooi werd. En toen ze het werk klaar hadden, straalde dat de kracht uit van een in drieën verdeelde eensgezindheid.’

Zo beleefden de kinderen de kwaliteiten van de drie zielenkrachten denken, voelen en willen en tegelijkertijd deze drie-eenheid in zichzelf. Toen pas konden ze de driehoek als geometrisch beeld voor deze drie-eenheid begrijpen.

rekenen-14-2

En dat laten ons de Romeinse en het Arabische cijfer zien.

Nu konden we ook zonder meer een spreuk van Dr.Rudolf Steiner leren:

In het hart weeft het voelen.
In het hoofd straalt het denken
In de leden werkt het willen.
Wevend in ’t stralen,
werkend in ’t weven,
stralend in ’t werken:
dat is de mens. [1]

In den Herzen webet Fühlen,
In dem Haupte Ieuchtet Denken
In den Gliedem kraftet Wollen.
Webendes Leuchten,
Kraftendes Weben,
Leucbtendes Kraften —
das ist der Mensch!

Met de vier komen we bij de vormgevende krachten, want door de vier ontstaat de zichtbare schepping. Alles wat op aarde vorm en gestalte heeft, wordt door de vier, de kracht van de vier elementen gevormd. In het vuur, in het water, in de lucht en op de aarde worden deze 4 etherische vormkrachten zichtbaar. In deze krachten doen zich de vier elementairrijken gelden, waarvan Goethe zegt, wanneer hij Faust Mefisto door de volgende spreuk laat zweren:

Eerst, ter bezwering dier dieren,
Gebruik ‘k de spreuk van vieren:
Salamander moet gloeien,
Undine zich winden,
Sylphe verzwinden,
Kobold moet broeien.
Wie geen bekende is
met de bende,
Hunne kracht
En toovermacht,
Hoede zich ’t meeste
Voor alle geesten.
Ga vlammend henen,
Salamander!
Vloei gij ruischend ineenen,
Undine!
Moogt ge in meteoorlicht dienen,
Sylphide!
Wil ’t huis hulpe bieden,
Incubus! Incubus!
Kom te voorschijn en sluit de lus.
Geen één van dezen
Steekt in het wezen.
Het ligt heel rustig
en grijnst mij aan,
Ik heb het nog geen pijn gedaan.
Ik zal u keeren,
Sterker bezweren. [2]

En pas voor het symbool van het kruis wordt het ware wezen van Mefisto duidelijk.

Faust:
Erst zu begegnen dem Tiere,
brauch ich den Spruch der Viere:
Salamander soll glühen,
Undene sich winden,
Sylphe verschwinden,
Kobold sich mühen.
Wer sie nicht kennte
Die Elemente,
Ihre Kraft
Und Eigenschaft,
Wäre kein Meister
Über die Geister.
      Verschwind in Flammen,
Salamander!
Rauschend fließe zusammen,
Undene!
Leucht in Meteoren –Schöne,
Sylphe!
Bring häusliche Hülfe,
Incubus! Incubus!
Tritt hervor und mache den Schluß!
Keines der Viere
Steckt in dem Tiere.
Es liegt ganz ruhig und grinst mich an;
Ich hab ihm noch nicht weh getan.
Du sollst mich hören
Stärker beschwören.

Hier noemt Goethe de vier elementairwezens met name:

Salamander      –    vuur
Undine              –    water
Silfe                   –    lucht
kobold              –    aarde

Ook voor mijn kinderen waren deze elementairwezens niet vreemd meer. Uit de sprookjes wisten ze, dat zich in het water de nimfen, in de lucht de elfen, onder de aarde de dwergen en in het vuur de reuzen actief zijn.

Het geometrische beeld van de vier is het vierkant dat ons de vier elementairwezens toont in een gemeenschappelijke activiteit. Dit vierkant is tegelijk een beeld voor de vier natuurrijken: steen, plant, dier en mens, voor zover het over de zichtbare schepping gaat. Het is echter ook het beeld van het lagere mensenwezen dat zichtbaar is als fysiek lichaam, ether- en astraallijf en Ik-wezen. We kunnen echter ook de vier jaargetijden en vooral de vier windstreken betrekken op de vier elementenrijken. Vanuit het noorden werkt het licht; vanuit het zuiden het vuur, vanuit het oosten de aarde en vanuit het westen het water.

rekenen-14-3

Maar ook het fysieke lichaam van de mens staat onder invloed van deze elementaire wereld. En bijzonder intensief werken deze krachten aan de vorming van het fysieke lichaam, wanneer de mens nog klein en zwak is, wanneer hij nog niet voor zichzelf kan zorgen, wanneer het nog in de wieg ligt en hogere wezens, engelen en elementairwezens beschermend voor hem zorgen.

Toen vertelde ik de kinderen een klein verhaal waarin na elkaar de vier elementen bij de wieg van het koningskind kwamen: uit het noorden kwam de gele engel van het licht, vanuit het zuiden de rode engel van het vuur, vanuit het westen de blauwe engel van het water en van het oosten de violette engel van de aarde en zij brengen voor het koningskind hun geschenken mee.
De kinderen schilderden dit beeld en boetseerden het en uit de opstelling van de 4 engelen ontstond het vierkant. Tegelijk leerden de kinderen een spreuk die de kenmerken van deze 4 wezens samenvat:

in het vuur laait op,
in het licht leeft,
in het water beweegt,
in de stenen werkt
de eeuwige scheppingskracht van de Vader

Im Feuer loht,
Im Lichte lebt,
Im Wasser webt,
Im Steine schafft
des Vaters ewige Schöpferkraft!

Ze vonden het heel leuk hoe dan het beeld van het Arabische cijfer 4 uit de 4 elementen tevoorschijn kwam:

rekenen-14-4

In de vijf komt het leven zelf tot uiting, hier wordt het rijk van het organische zichtbaar. Het getal 5 is de verbinding van de tegenstellingen, van 2 ‘even’  en 3 ‘oneven’, het vrouwelijke en mannelijke principe, waaruit alleen het leven ontstaat. Daarom vinden we dit getal waar het eigenlijke leven tot uitdrukking komt; we vinden het in de plantenwereld, zeer zeker in het rijk van het organische. Overal waar vanuit het irrationele  vorm verschijnt. Het geometrische symbool is het gelijkzijdige pentagram dat in zijn vorm vijfmaal de gulden snede belichaamt. De gulden snede is nauw verwant met het getal √5. Slechts met behulp van de gulden snede kan weer een regelmatige vijfhoek in een cirkel en het pentagram geconstrueerd worden. We zien hier dus de onmiddellijke rekenkundige samenhang tussen het geometrische symbool, het pentagram en het cijfer 5. Vanuit het irrationele uit de gulden snede – ontstaat het heilige pentagram.
We vinden dus, zoals al gezegd, de gulden snede en het pentagram overal waar vanuit het irrationele de organische vorm opbloeit. We vinden de gulden snede uitgedrukt in het menselijke lichaam zelf, in de verhoudingen van de ledematen t.o.v. elkaar, bijv. in de verhouding van de borst tot een gestrekte arm; de voet is door de bal van de voet in een kleiner en groter deel gescheiden. We vinden hem bij de bladverdeling van de plant en de stengel. We vinden hem ook in kunstwerken die ontsproten zijn aan de menselijke geest. De volmaakste kunstvormen van de klassieke oudheid – de tempelbouw en de beelden – zijn geheel doordrongen van de beleving van de gulden snede. De scheppende hand van de kunstenaar volgt hier de organisch aangeboren oerkracht van de Logos.
Het pentagram zelf echter beheerst de plantenwereld. Je hoeft maar naar de vele vijfbladige bloemkronen en het vruchtbeginsel van appel en peer te kijken om te zien hoe prachtig daarin het gelijkzijdige pentagram, het nieuwe leven omvattend, gebouwd is. Iedere roos, iedere appelboom leert ons hetzelfde. Ook zij vertonen in hun bloem het gevormde pentagram. Vandaar dat de roos voor de Rozenkruisers een zo heilig symbool was. Voor de niet-ingewijde verhult zij dit diepe scheppingsgeheim, en maakt het gelijktijdig zichtbaar aan de ingewijde. – Maar ook het menselijk lichaam vertoont het pentagram: wanneer de mens loodrecht op twee voeten staat en naar boven kijkt, de geest als het hoogste beschouwend, de materie onder zich, staat en kijkt hij goed, d.w.z. hij leeft in overeenstemming met de wetten van de kosmos. Wanneer de punt naar beneden staat, staat de mens op zijn kop en neemt hij de materie als het hoogste goed; dan kijkt hij verkeerd.

De kinderen kan je op verschillende manieren met de vijf vertrouwd maken.
Ik vertelde hun o.a. het volgend kleine verhaal, dat ik hier in grote trekken weer zou willen geven:

‘Toen het koningskind zeven jaar oud was, liep het op een zomerdag met zijn moeder door de bloeiende tuin. De moeder bracht hem bij een bloeiende roos en liet hem de kelk zien. Toen zag het kind dat de bloemblaadjes op een heel wonderbaarlijke manier geordend waren. Toen zei de moeder tot het koningskind: ‘Ga eens met je beide voeten op de grond staan en strek je handen eens uit. Dan reik je je hoofd naar de lichte zon, met je handen zou je, wanneer je ze heel lang denkt, de sterren kunnen grijpen, met je voeten sta je zo stevig op de grond en verder naar beneden, tot in de diepte van de aarde. En kijk nu eens hoe je nu staat, dat ziet er zo uit!’ De moeder nam een stok en tekende in het zand het beeld van de mens en sprak:
‘Dit is het heilige pentagram. Je vindt het in de bloem van de roos en in je eigen lijf. Kijk er met eerbied naar, dan zal het al zijn geheimen aan je openbaren!’

We schilderden het koningskind, zoals het in de tuin staat en dan het pentagram:

rekenen-14-5

Het geometrische beeld van de zes  is het hexagram, de beide driehoeken die zich tegengesteld aan elkaar doordringen. Het hexagram geldt sinds onheugelijke tijden als het symbool van de macrokosmos: de fysieke wereld wordt doordrongen vanuit de geestelijke, dalend en stijgend gaan de hemelse krachten, zoals Goethe in zijn Faust dit onder het teken van de macrokosmos brengt:

Hoe alles toch te zamen streeft,
Het een in ’t ander schept en leeft,
Hoe hemelkrachten op en neder strijken,
Elkaar de gouden emmers reiken!
En met zegenrijke vlerken
Vanuit den hemel de aard bewerken, ‘
t Heelal tot één akkoord versterken!  [3]

Wie alles sich zum Ganzen webt,
Eins in dem andern wirkt und lebt!
Wie Himmelskräfte auf und nieder steigen
Und sich die goldnen Eimer reichen!
Mit segenduftenden Schwingen
Vom Himmel durch die Erde dringen,
Harmonisch all das All durchklingen!

In vergelijking met het pentagram heeft de zesster iets onveranderlijk-regelmatigs, je kunt hem makkelijk construeren, wanneer je de straal van de cirkel zes maal op de omtrek afzet. Dus is het niet verwonderlijk, wanneer we het hexagram in de natuur terugvinden als sneeuwster: water verdampt, stijgt op en valt uit de hemel weer op de aarde als kristalvorm, als eerste aanzet tot verstard leven. De vorm van de sneeuwster kan ons duidelijk maken, dat hemel en aarde elkaar doordringen en in deze doordringing verstard zijn.

Ook de Ster van Bethlehem is het hexagram, ook hij leert ons, dat in de geboorte van Christus hemel en aarde elkaar doordringen.
Zo heb ik dan ook de kinderen tot beleving gebracht de winter, van de beleving van de uit eeuwige hoogten neerdwarrelende sneeuwsterren, tot de beleving van de Ster van Bethlehem.
En tegelijkertijd konden we beleven dat het Arabische cijfer 6 ons hetzelfde kan leren.
Je kan de zes als een spiraal aan de kinderen geven die zich naarbinnen draait: ‘Blik in je!’ en dan weer naar buiten: ‘Kijk om je heen!’ Het fysieke beeld is het slakkenhuis en graag kruipen ze met de slak in het huisje en komen met de slak weer naar buiten:

rekenen-14-6

Is de 6 het teken van de macrokosmos en laat ze in haar geometrische vorm zien hoe hemel en aarde elkaar doordringen, zo staat de 7 in een bijzondere verhouding tot de mens. Je hoeft er alleen maar aan te denken, dat met 7 maanden het menselijk embryo levensvatbaar is, dat met iedere cyclus van 7 jaar ongeveer een nieuwe fase van ontwikkeling van de mens begint.
Maar ook de regenboog heeft 7 kleuren als teken van het verbond tussen god en de mens; de week heeft 7 dagen, er zijn 7 planeten, 7 vocalen begeleiden de planetenreeks.
Wanneer je een kind op een simpele manier op deze samenhangen wijst, voelt het de ongelooflijke belangrijkheid van het getal 7 voor de menselijke ontwikkeling
Hij weet al uit de sprookjes dat daarin het getal 7 een belangrijke rol speelt. Met deze eerbied voor het getal 7 zal het kind ook het oeroude geometrische symbool van de 7 bijzonder vinden, zoals dit in het bijzonder in de pythagoreïsche school werd geleerd. Dit symbool is het vierkant met daarboven de driehoek!
De goddelijke hogere drie-eenheid daalt af in de fysieke vierledige mens. Het kind zal dan later, wanneer het de 7 vragen van het Onzevader hoort, de diepe samenhang van dit gebed met het volledige menszijn inzien.

rekenen-14-7

En zoals het heilig licht zich zevenvoudig weerspeigelt in de heldere kleuren, zo zal eens, wanneer de mensheidsontwikkeling afgesloten is, de mens voor ons staan, zoals Christian Morgenstern het ons openbaart:

(ik wacht nog op de vertaling van dit stukje uit ‘Wir fanden ein Pfad’ uitgegeven bij Christofoor – ik heb het zelf niet)

Die Sonne will sich sieben Male spiegeln
in allen unsern sieben Leibesgliedern,
dass sie ihr siebenmal ihr Bild erwidern –
die sonne will uns siebenmal entsiegeln!

.

Dr.Franz Brumberg, Erziehungskunst jrg.4 nr. 1/2-1930

.

[1] In Rudolf Steiner: ‘Gedichtem spreuken, meditaties’ uitg. Christofoor
[2] Goethe ‘Faust’ 1 (regel 1270-1295)
[3] Goethe ‘Faust’ 1 (regel 448-453)

*Als we in de klas zeggen dat één het grootste getal is, is dat voor veel kinderen verwarrend. Eenheid kent dat bezwaar niet.
**ik heb hier vrij vertaald om een indruk te geven

Wanneer je de getallen verbindt met meetkundige figuren, kun je de 1e-klaskinderen wijzen op de 6e klas. Geef je in de 6e klas meetkunde en je hebt in de 1e deze figuren gebruikt, kun je ernaar terugwijzen.

1e klas – rekenen: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld 1e klas: alle beelden

1188-1108

.

.

VRIJESCHOOL – Zwarte Piet krijgt de zwartepiet (30-3/2)

.

Toen ik nog een basisschoolleerling was – een lagereschoolkind zoals je toen heette – hadden wij een meisje in de klas dat stonk, dat zeiden wij.
Ze stonk naar vis. Zo simpel beleefden we dat.
Zij was de dochter van een vishandelaar die uiteraard vis verkocht en ook bakte.
Vis- en baklucht trekken – nog steeds – in je kleren en je haar. En in vergelijking met nu, waren er niet veel middelen om dat tegen te gaan. Ook de bouw van winkel en woonhuis waren zo, dat de visgeur overal steeds aanwezig was. Dus ook om en aan het dochtertje.
En ja, ze werd ermee gepest. Heel erg is dat natuurlijk. Ik weet niet of ik het ook deed, maar als het zo is: mijn welgemeende excuses!

Tegenstanders van Zwarte Piet brachten vorig jaar bij Pauw in dat hun kinderen – met donkerder huidskleur – gepest werden met Zwarte Piet. En dat hij dus diende te verdwijnen.

De kinderombudsvrouw had daar een aantal weken geleden ook wel oren naar: omdat er kinderen mee gepest worden, dient de aanleiding voor de pesterij te verdwijnen.

De aanleiding voor de pesterij was voor het dochtertje van de vishandelaar het beroep van haar vader en vooral de viswinkel. Zouden die er niet zijn geweest: ze was er niet mee gepest.

Zou de ombudsvrouw – na haar klachten te hebben aangehoord – nu ook van mening zijn dat haar vader maar een ander beroep moet kiezen annex de viswinkel opdoeken?

Wat een vreemde gedachtegang, terwijl het toch zo simpel is: de pester moet worden aangepakt!
In vrijwel alle gevallen wordt bij pesten ook daadwerkelijk de pester aangesproken, maar bij Zwarte Piet….????

Zoals vrijwel iedereen in de zwartepietendiscussie: ook de ombudsvrouw laat zich inpakken door het ‘racisme- en discriminatiespook’.

In deel 1 van ‘Zwarte Piet als zwartepiet’ wordt duidelijk gemaakt dat ‘Zwarte Piet = racisme’ historisch gezien niet opgaat.

Wanneer je de verschillende opvattingen, gezichtspunten, verwachtingen van allerlei (willekeurige) mensen bekijkt, is het opmerkelijk hoe als vaststaand feit o.a.’racisme’ en ‘slavernij’ onlosmakelijk met Zwarte Piet worden verbonden.

“Bij ons krijgen alle Pieten een ander kleurtje dan zwart”, zegt Miriam Heijster, directeur van de Kleine Reus, een witte school in Amsterdam. “We hebben het er hier op school over gehad, en de leerlingen uit groepen 7 en 8 maakten zelf al een koppeling tussen Zwarte Piet en de slavernij. Dat vond ik knap voor kinderen van twaalf jaar oud. En de conclusie was dat we ande­re mensen kwetsen met Zwarte Piet, dus waarom zouden we daarmee door­gaan?

De juf vindt het knap, maar ze lijkt niet erg op de hoogte van de slavernij die in verband wordt gebracht met Zwarte Piet. Ze trekt een conclusie op basis van een zwak, zo niet verkeerd uitgangspunt.

Het is ook niet zo eenvoudig en je zou – alvorens tot conclusies te komen die grote gevolgen kunnen hebben, je eerst eens grondig moeten verdiepen in hoe het dan in werkelijkheid is of was.

In Trouw van 20-96-2013 schreef historicus Piet Emmer een artikel n.a.v. de afschaffing van de slavernij – 150 jaar geleden.

SLAVERNIJ IS GEEN EXCUUS

Wie ‘slavernij’ wil aanvoeren als motief tegen Zwarte Piet, kan dat op feitelijke gronden – volgens dit artikel niet.

Op grond van die feiten zegt historicus Emmer:

Het herdenken van de afschaffing van de slavernij zien sommige Caribische Nederlanders niet alleen als een stap naar een rechtvaardiger samenleving, maar vooral als een gelegenheid om de rest van Nederland erop te wijzen dat de gevolgen van de slavernij nog steeds niet voorbij zijn. Wat er maar fout kan gaan, wordt aan dat slavernijverleden toegeschreven: racisme, discriminatie, tienerzwangerschappen, gebroken gezinnen, echtelijke ontrouw, criminaliteit, slechte schoolprestaties, hoge bloeddruk en nog veel meer. 

Hij toont aan dat er voor dergelijke argumentaties historisch gezien feitelijk geen basis is.
En dat het geen ‘mededogen meer zal opleveren, laat staan maatschappelijke of financiële credits.’

Dat laatste klopt niet, wanneer je naar de rpaktijk van alle dag kijkt. Er is heel veel mededogen – en dat is m.i. niet verkeerd. En er zijn – juist waar het om Zwarte Piet gaat – steeds meer ‘maatschappelijke credits’.
Het sinterklaasjournaal, gemeenten waar Sint zijn intocht houdt, supermarkten en vooral scholen waar traditiegetrouw Sinterklaas het meest aanwezig is: mededogen en credits veranderen het aanzien van Zwarte Piet, omdat slavernij en discriminatie steeds meer onlosmakelijk verbonden worden gedacht met Zwarte Piet: de zwartepietenlobby!

“Het moet een feest van iedere Nederlander kunnen zijn’, zei minister Asscher, erop doelend dat kenmerken van slavernij en discriminaite niet kunnen.

De discussie is er over het algemeen een van hoogoplopende gevoelens; gevoelens die er op grond van de historische feiten niet zouden moeten zijn. Maar dat is nu juist het kenmerk van gevoel: dat het zich in eerste instantie onttrekt aan de ratio en dat je met rationele gedachten geen contact krijgt met mensen die sterk in hun gevoelens leven, ook wat Zwarte Piet betreft.
Ook de voorstanders reageren vaak vanuit hun gevoel. En dus is er de patstelling.
En daaromheen worden oplossingen bedacht: jij houdt niet van geel? Ik niet van blauw! Dan doen we ze toch bij elkaar: allebei tevreden met groen!

Mijn Zwarte Piet heeft niets te maken met het verleden: slavernij en discriminatie. Mijn Zwarte Piet is niet alleen zwart omdat hij door de schoorsteen kruipt, maar juist omdat hij de ‘yang’ is; de tegenpool van ‘yin’. Samen een eenheid, een hogere werkelijkheid – een beeld daarvan. Sint is niet wit omdat hij een blanke is. Sint is de lichtkant, hij is de heilige. Piet is niet zwart omdat hij een neger is en dus dom. Hij is niet de heilige – zoals weinigen van ons – hij is vrolijk en guitig tegenover de ernst en waardigheid van de Sint – daarmee is Piet niet onwaardig. Ze vormen een eenheid, zoals het etmaal van dag en nacht.
Mijn Piet is geen regenboogpiet of oranje, omdat ons koningshuis dat is en de shirtjes van het Nederlands elftal; mijn Piet is niet rood of welke kleur dan ook, behalve gitzwart. Mijn Piet is geen ‘leut’, maar een te achten figuur in de twee-eenheid die hij met Sint vormt.
Mijn Piet is een symbolisch figuur. Die symboliek kun je niet vinden zonder een bepaalde spiritualiteit.
Bij supermarkten, gemeenten en journaals hoef je die in deze tijd niet te verwachten.
Op de scholen zie je die ook niet, wanneer je de verschillende opvattingen van de juffen en meesters leest.

Ja, dan blijven de vrijescholen over: die zouden nog een spirituele basis kunnen geven aan Zwarte Piet.

Maar of dat ervan komt? 

De ombudsvrouw wil graag reacties van de kinderen.
Deze vond ik op straat voor een basisschool:

Sint Nicolaas

30-1.Zwarte Pietdiscussie
Zwarte Piet is symbool; geen maatschappelijke realiteit

30-2 Zwarte Piet verbleekt

30-3/1 Zwarte Piet krijgt de zwartepiet

Sint-Nicolaas (en Zwarte Piet): alle artikelen

1187-1107

.

VRIJESCHOOL – Meetkunde (4-3)

.

Alexander Strakosch: ‘Geometrie durch übende Anschauung’
blz. 19 t/m 20

Over het ontstaan van de rechte lijn

Na wat over de cirkel als oervorm is gezegd, zou het als een soort inbreuk beschouwd kunnen worden, wanneer je rechte lijnen in het cirkelveld zou willen tekenen.
Daarom zal er aan een paar oefeningen getoond worden, hoe er in een cirkelveld lijnen kunnen ontstaan en wel zo, als zogenaamde grensgevallen van cirkels. Hiervoor moet je het feit helder hebben dat een cirkelboog, d.w.z. een deelstuk van de cirkelomtrrek des te vlakker wordt, naarmate de doorsnede van de betreffende cirkel langer wordt. Stel je dan voor dat het middelpunt steeds verder in de verte verdwijnt. De doorsnede kan uiteindelijk zo lang worden dat voor het oog en zelfs bij meting het boogstuk geen duidelijke afwijking meer vertoont t.o.v. een rechte lijn.  Zolang echter de doorsnede – ook al is deze nog zo groot – een meetbare grootte heeft, dus mathematisch gesproken: meetbaar _ eindig, zolang is een boog van zo’n cirkel, mathematisch gezien, nog geen rechte lijn. Dat wordt deze pas op het ogenblik dat het middelpunt in het ‘oneindige’ verdwijnt en de doorsnede dus geen begrensde lengte meer heeft, maar een die boven al het meten en voorstellen uitgaat, dus ‘oneindig’. Je kunt een rechte lijn dus opvatten als een boogstuk van een cirkel, waarvan het middelpunt in het oneidige licht.

Maar een rechte lijn kan ook ontstaan als een rij punten die bij een bepaalde plaats horen, de zgn. ‘geometrische plaats’:

meetkunde-52

Om twee willekeurige punten als middelpunt trek je cirkels en wel met zo dat iedere twee dezelfde straal hebben. Iedere twee van die even grote cirkels snijden elkaar in twee snijpunten en al deze snijpunten liggen op een rechte lijn.

meetkunde-53

Hier zijn twee willekeurige punten genomen als middelpunt waaromheen twee cirkels zijn getrokken. Door hun snijpunten is – zoals hierboven – een rechte ontstaan (met puntjes getekend) Door de middelpunten die we net genomen hebben, kun je cirkelbundels trekken; de middelpunten van de cirkels liggen op de rechte met de puntjes. Hoe verder die middelpunten in beide richtingen uit elkaar gaan, des te vlakker worden de boogstukken tussen de beide punten. Wanneer de middelpunten aan beide kanten in het oneindige verdwijnen, dan worden de boogstukken tussen de beide punten rechte lijnen, die op elkaar liggen, een dubbele rechte vormen; want door beide punten kun je nu maar een rechte lijn trekken. (Dit behoort tot de grondbeginselen, de zgn. axioma’s van de geometrie, die ogenschijnlijk hun geldigheid vertonen en geen bewijs nodig hebben).

In de tekening is zo gewerkt dat van de ‘bloem’ de middencirkel en de drie onderste getekend zijn. (De eerste is wat benadrukt). Zo ontstaat een groot blad, waardoorheen de rechte met de punten vastgelegd is en een kleine waarbij de dubbele rechte door hun toppunten loopt*. (De bedoeling van dit boek is dat de vriend van de meetkunde zich niet tevreden stelt alleen naar de tekeningen te kijken, maar deze vaak en vanuit verschillende standpunten zelf uitvoert)

Wanneer je de bladeren met als vouwlijn de lijn met de puntjes omgevouwen denkt, dan zullen alle lijnen boven precies op dezelfde lijnen onder komen te liggen. Zo’n rechte lijn heet een symmetrie-as. Wanneer je goed kijkt zul je moeten bevestigen dat ook de dikke lijn door de twee punten een symmetrie-as is. Uit deze dubbele symmetrie wordt duidelijk dat alle vier hoeken die rond het snijpunt van deze beide rechte lijnen liggen, even groot moeten zijn; dan moeten het rechte hoeken zijn. Je komt weer bij het feit dat een klein blad loodrecht op daarbij behorende grote blad zal staan.

* van de onderste cirkels is dit toppunt beneden

.

Vrijeschool in beeld: 6e klas meetkunde

Meetkunde: alle artikelen

1186-1106

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – rekenen (9)

.
Onderstaand artikel is een van de eerste na Rudolf Steiners dood in 1925 dat een leerkracht aan de vrijeschool te Stuttgart schreef over het rekenonderwijs in de 1e klas.
Hoewel het dus een kleine 90 jaar! oud is, had het ook vandaag geschreven kunnen zijn, want aan inhoud heeft het nauwelijks iets ingeboet.

Voor de leesbaarheid heb ik hier en daar een kopje aangebracht en het voorzien van noten en een enkele persoonlijke opmerking.

het eerste rekenen

Voor Dr. Rudolf Steiner was het opvoedingsvraagstuk allereerst een leerkrachtenvraagstuk. Voorwaarde voor een adequate opvoeding van de leerlingen was voor hem de zelfopvoeding van de leraar wat betrreft het vermogen om fantasievol te zijn, waarachtig te zijn en moreel verantwoordelijk. In een onderwijs waarin deze geestelijke aspecten aanwezig zijn, zullen die krachten waarover de leraar dan beschikt ook aan de leerlingen worden doorgegeven wat betreft behoefte aan fantasie, waarheidszin en verantwoordelijkheidsgevoel.
Dat geldt voor het onderwijs in het algemeen als ook voor ieder vak.
Omdat de lesstof door de persoonlijkheid van de leraar in wie deze stemming leeft aan de kinderen wordt overgebracht, bereiken deze krachten onwillekeurig ook de ziel van de kinderen en wel door de bepaalde kleuring die de leerkracht eraan geeft, zoals het licht van de zon wanneer dat door een prisma schijnt.
En nog meer worden in de kinderen deze zielenkrachten versterkt, wanneer de leerkracht in ieder vak bewust bezig is deze te verzorgen. Zelfs in het rekenen, dat toch met de abstracte, nuchtere getallen van doen heeft, waar de kinderziel niet zo snel een verbinding mee heeft, krijgt de interesse een hoge morele betekenis wanneer de leerkracht zich van deze eisen rekenschap geeft. Voor het rekenonderwijs zal dit in het volgende stukje worden getoond.

In zijn boek ‘Het rekenen in het licht van de antroposofie’ [1] maakt Ernst Bindel, die hier op een zeer verdienstelijke manier de aanwijzingen en opdrachten van Rudolf Steiner op het gebied van rekenen en van de getallen verwerkt heeft, er op attent, dat, gekeken naar de pedagogische vorming van de aparte lesstof,  wat het rekenen betreft, zeer veel wordt overgelaten aan de initiatieven van de leerkracht en wat deze zoal aan fantasievolle vondsten doet. Hoe meer hij zijn fanatasie ontwikkeld heeft, des te beter zal hij erin slagen, de behoefte aan fantasie van de kinderen te bevredigen.

Bijna vanzelf kan een onderwijs dat daar rekening mee houdt, de kleintjes via omwegen bij het rekenen brengen. Je knoopt aan bij het beleven van het eigen lijf, wanneer je ze de tien laat beleven aan hun vingers, d.w.z. wanneer ze in het begin met behulp van hun tien vingers binnen deze kleine getalsruimte, mogen rekenen. Weldra kun je tot de twaalf overgaan, die nu eenmaal meer mogelijkheden kent dan de tien. En aangezien ook de twintig met behulp van de tenen – vooral wanneer in de zomer de kinderen blote voeten hebben – aan het eigen lichaam ervaren kan worden, is het heel vanzelfsprekend de eerste tijd tussen de 1 en de 20 te blijven, maar wel met alle rekenoperaties, tot de kinderen zich daarin vrij kunnen bewegen.

Steeds heb ik in het begin iets gezocht wat dicht bij de kinderen staat. Na de vingers ben ik al gauw overgegaan tot andere dingen, knikkers [2], hazelnoten enz., dingen die verdeeld kunnen worden. Op een keer – het was in de kersentijd [3] – kon ik meemaken hoe heerlijk ze het vonden met deze gewaardeerde vruchten te rekenen.

‘Voor ieder van jullie,’ zei ik, ‘heb ik vanmorgen een kers meegebracht. Laten we eerst maar eens kijken of er genoeg in dit mandje zitten, zodat ieder van jullie er een kan krijgen.’
Een kind mocht nu de kinderen tellen, een ander het aantal kersen. Ze telden allebei tot 36. Omdat door de opstelling in mijn klas er drie gelijke groepen van elk twaalf kinderen waren, was het voor hen heel aanschouweliljk dat die 36 te verdelen kersen, net zoals de 36 kinderen in drie maal twaalf konden. Hun tot zover duidelijke oplettendheid werd met een kers beloond. Nadat de kinderen door deze verdeling hadden begrepen, dat je van 36 kersen drie hoopjes van elk twaalf  kan maken, dat dus in de 36 het getal 12 precies driemaal zit, kon ik hen ook laten zien, dat er ook andere verdelingen mogelijk zijn. Daarvoor had ik geen kersen meer nodig. Ik kon ertoe overgaan kleurige sterretjes op het bord te tekenen, in rijen verdeeld en met kleur zodat door de kleur de gelijke groepjes zichtbaar werden.
Bij 36 sterretjes kwam er een rij van 18 witte en 18 rode; daaronder een tweede rij van 12 witte, 12 rode en 12 gele; daaronder 9 witte, 9 rode, 9 gele, 9 groene; daaronder 6 witte, 6 rode, 6 gele, 6 groene, 6 violette, 6 blauwe. De groepjes werden steeds kleiner. Bij 9  x  4  groepjes kregen we negen verschillende kleuren, bij de 18  x  2  groepjes eigenlijk 18 kleuren, maar we behielpen ons zo, dat we steeds 2 witte en 2 rode sterretjes afwisselden.

Om nog op een andere manier de fantasie aan te spreken, zette ik binnen een grote cirkel, rond een als zon gedacht middelpunt, 36 sterretjes, zodanig dat deze drie concentrische cirkels vormden, waarvan de kleinste er 8, de middelste er 12, en de grootste er 16 hadden en iedere cirkel een andere kleur. Zo konden de kinderen ervaren dat 16  +  12  +  8  eveneens 36 zijn. Door andere tekeningen bleek dan dat 36 ook uiteengelegd kan worden in 6  +  13  +  17 of  7  +  11  +  18  of in  6  +  8  +  10  +  12.
De kinderen tekenen ook dergelijke figuren met kleurpotloden op het papier. Ze vinden het heel plezierig dat ze niet alleen kunnen tekenen als het om het tekenen gaat, maar ook bij het rekenen. De kleurige beelden die daarbij ontstaan, bijv. door het kunstzinnig ordenen van sterretjes, bloempjes, kaarsjes enz. zijn een grote hulp om het begrip van kinderen voor het rekenen te ontwikkelen.

Om bijv. te laten zien, dat 20 = 2  x  10,  4  x  5,  5  x  4  of  10  x  2  is, tekende ik 20 kaarsjes, dus gele streepjes met een rood vlammetje, naast elkaar op het bord. Met andere kleuren markeerde ik de verdelingen die we noemden en tekende ik de daarbij horende verbindingsboogjes, dus 2 violette vanuit het midden, 4 blauwe, 5 rode, 10 groene. Zo ontstond er een vrolijk, bont gekleurd beeld. Op soortelijke manier kon ik in beeld laten zien, dat 30 =  2  x  15,  5  x  6  en  15  x 2. Je kunt de voorbeelden naar believen uitbreiden en tekenend variëren.

VANUIT HET GEHEEL NAAR DE DELEN
Als een belangrijk pedagogisch aspect leerde Rudolf Steiner ons, het optellen in het begin zo te oefenen dat daarbij van de som (de totaliteit) wordt uitgegaan die dan in verschillende gelijke of ongelijke delen wordt verdeeld. Dus niet van de optelgetallen gaan we uit, maar van de som als geheel; niet  5  +  5, dat altijd 10 blijft, maar 10 =  3  +  7;  4  +  6  enz. Dat is voor de fantasie van de kinderen stimulerender. Het blijft in zijn denken beweeglijker, omdat het een rijkdom aan mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, waaruit het vrij kan kiezen.

moraliteit
Maar het heeft ook een morele betekenis, eerst het optellen op deze manier te leren. Het is niet zonder betekenis wanneer we het kind leren waarde op waarde te stapelen, waarbij het zich kan indenken: zoveel, ik zou nog meer willen hebben – of wanneer we het een totaliteit, een optelsom van dingen geven die het onder zijn vrienjes kan verdelen. In het eerste geval voed je op tot hebzucht, in het tweede tot vrijgevigheid. Wanneer de kinderen als ze op deze manier leren optellen, ook meteen een gevoel voor delen krijgen, is dat natuurlijk helemaal niet erg. Dr. Steiner wilde dat alle vier de rekenbewerkingen tegelijkertijd aan de orde zouden komen en bijna tegelijkertijd zouden worden geoefend. Dit is economischer dan wanneer je te lang bij de aparte rekenoperaties blijft hangen.

Een vertrouwde verhouding tot de getallen krijgen de kinderen, wanneer je ze vaak hardop laat tellen en daarbij ritmisch in de handen laat klappen of met de voeten laat stampen, bijv. 1,2;  1,2;   1,2,3;  1,2,3;  1,2,3,4; 1,2,3,4;  1,2,3,4,5 enz. of 1,2,3,4,5,6;7,8,enz. of in een ander ritme.

Het kind moet goed kunnen tellen voor het leert rekenen.

Ook de tafels moet je voor de verzorging van het geheugen al snel aanleren en ritmisch in koor [4] laten spreken. Bij zulke oefeningen, net zoals bij het hoofdrekenen, moeten de kinderen levendig kunnen zijn; want de hele mens komt daardoor in een vreugdevolle activiteit.
Alleen moeten ze weten, wanneer het weer ‘mondje dicht’ is, wanneer je niets wordt gevraagd. Bij het doornemen van de tafels, liet ik de kinderen er telkens over nadenken, van welke dingen er in de wereld maar 1 is, van welke een 2-tal; waar je 3-tallen of 4-tallen ziet.
Daardoor krijgen de kinderen tot ieder getal een bepaalde verhouding, dat ze bijv. bij de 3, het eigen lijf kunnen ervaren aan hoofd, romp en ledematen; bij de 4 aan de 4 hemelsrichtingen en de jaargetijden, bij de 5 aan de vingers van de hand, aan de klinkers in onze taal, aan de bloemblaadjes van de roos; bij de 6 aan de poten van de insecten; bij de 7 aan de dagen van de week en aan de kleuren van de regenboog, om er maar een paar te noemen. Bovendien liet ik ze bij een paar tafels een kleurige tekening maken, in een bepaalde vorm die door het getal werd bepaald, waarin bijv. de 3, de 4, de 5 steeds terugkeerden, zoals bijv, in driehoeken, vierkanten of een vijfster, omrand door een vijfhoek of een cirkel, met verschillende kleuren. Bij één keer 7 tekende ik voor hen een 7-armige kandelaar op het bord, die ze mochten natekenen. Ook één maal 12 leerden ze nog in de 1e klas en tekenden daarbij een klok waarvan de grote wijzer, zoals bekend, 12 keer vaker en 12 keer zo snel gaat dan de kleine. Over het algemeen vermijden we dat de kinderen natekenen, we sporen ze aan hun fantasie voor eigen vormen te gebruiken.

Een prachtig voorbeeld van de manier waarop Dr.Steiner zelf een levendige rekenles wist te geven, heeft Bettina Mellinger voor ons opgetekend in het mooie verzamelwerk ‘Rudolf Steiner in de vrijeschool’, uitgegeven door Caroline von Heydebrand. [5]
“Dr.Steiner ging eens bij een bezoek aan de virjeschool de eerste klas binnen, waar juist een tafel werd geoefend met allerlei sprookjesmotieven. Zoals dat in zijn aard lag, begon hij zelf les te geven en sprak tot de blij luisterende kinderen: ‘Denk er eens aan, we leven nu toch in de zomer en buiten bloeien de rozen; wat zou het heerlijk zijn, wanneer er nu iemand binnenkwam en ons een mand met rozen bracht. En dan moeten jullie er allemaal evenveel krijgen. Kijk, jij krijgt de eerste drie.’ Daarbij ging hij naar een klein meisje met dromerige ogen. ‘Maar’, zo klonk het, ‘je moet echt wel handig zijn om ze op te vangen en dadelijk zullen we zien hoeveel rozen er in de mand zaten.’ Zo kreeg nummer twee zijn drie rozen en die riep ‘zes’, dan de derde die ‘negen’ riep – en het ging steeds sneller 12, 15, 18, 21, 24, 27 tot bij 30 [6] het mandje leeg was. Nu was er gejuich, maar ook protest, want de andere 20 wilden ook rozen krijgen en dus moest alles weer snel herhaald worden en toen iedereen zijn drie rozen had, was de tafel van drie op de meest levende manier vol frisheid geoefend. En het was door het hele lijf gegaan, want de kleine handjes en voetjes waren bij het opvangen van de rozen minstens net zo in beweging gekomen als het hoofd. Mooi daarbij was het ritme in de beweging bij het gooien en opvangen, die tegelijk een verbinding betekende tussen de onderwijzer en het kind.”

Zoals iedere leerkracht in het eerste rekenuur uitgaat van een getal dat hem goeddunkt, zullen ook de tekeningen die hij laat maken, de verhaaltjes waarmee hij dikwijls de opgaven inleidt, de voorbeelden die hij kiest, heel individueel door hem gevonden worden. Door alle levensgebieden kunnen we ons laten inspireren, bij alles kun je wel iets rekenachtigs aanknopen. Het getal beheerst ruimte en tijd. De sterren aan de hemel, de bloemen op de wei, de vruchtbomen in de tuin zijn voor de kinderen even welkom als rekenobject als de dagen van het jaar, van de maand, van de week en de uren en minuten van de dag.

optellen        geheel naar delen
Hoe je morele impulsen met het rekenen kan verbinden, werd al getoond, toen er werd gezegd waarom Dr.Steiner bij het aanleren van het optellen van de som uit liet gaan. Hij wilde dat het uitdelen, het weggeven van een hoeveelheid eerst aan de kinderen zou worden geleerd; de impuls van liefde moet daardoor sterker worden. Maar ook vanuit andere wel overwogen motieven wordt door Dr.Steiner deze weg van het geheel naar de delen gekozen. Niet de weg van de optellers naar de som, maar omgekeerd, doceerde hij, is in overeenstemming met de menselijke natuur als gegeven. In de organische stoffelijkheid is het geheel meteen al het primaire. Uit het geheel van de cel ontstaan de tweedeling, de vele delingen. En ook de mens, wanneer deze geleidelijk tot bewustzijn komt, of dat nu uit de slaperige tijd van de eerste kindertijd is of uit de slaap van de voorbije nacht, iedere morgen, eerst neemt hij het geheel waar, dat zich langzaam laat onderscheiden in de delen; niet stelt hij vanuit kleine deeltjes de totaliteit samen.
In de moderne tijd hebben de mensen het tot gewoonte gemaakt te denken dat het hele wereldal uit de kleinste deeltjes is samengesteld. Dr.Steiner wijst ons erop dat uit zo’n foute manier van denken de atomistische theorieën in de natuurkunde zijn ontstaan en dat dit denken berust op fouten in de opvoeding. Een van die fouten zullen we vermijden, wanneer we de kinderen het optellen leren, uitgaande van het geheel, vóór we ze op de gebruikelijke manier losse getallen bij elkaar laten optellen. Een waarneming die levensecht is laat zien, dat de weg van het geheel naar de delen de natuurlijke is.
Dr.Steiner geeft daarvoor in een in Engeland (Torquay) gehouden voordracht [7] op 16 augustus 1924 voor leraren de volgende voorbeelden: ‘Dat moet  in het bijzonder bij het rekenonderwijs worden gezegd. Wanneer je van verre een bos nadert, zie je toch eerst het bos en pas wanneer je dichterbij komt, ga je de aparte bomen onderscheiden. Dat moet je ook bij rekenen volgen. Je hebt in je portemonnee nooit, laten ze weggen 1, 2, 3, 4, 5, maar je hebt een handje munten. Je hebt er 5 bij elkaar. Dat is het geheel. Dat heb je eerst. Je hebt ook zeker niet, wanneer je erwtensoep kookt, 1, 2, 3, 4, 5 tot 30, 40 erwten, maar je hebt een hoopje. Je hebt ook niet, wanneer je een mandje met appels hebt, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 enz  appels, maar een hoeveelheid appels in je mand. Je hebt een geheel.

waarheid
Toen Dr.Steiner ons leerde in het rekenonderwijs van dit geheel uit te gaan, het in delen uit elkaar te leggen en dan te onderzoeken of de som van de losse delen weer het geheel vormt, stimuleerde hij ons de zin voor waarheid, het denken in overeenstemming met de realiteit bij de kinderen te ontwikkelen.
Hoe je met deze manier van rekenen volgens de opvatting van Dr.Steiner de Ik-ontwikkeling versterkt en vandaar bijzonder gunstig op de flegmatici werkt waarbij hun zwakkere Ik versterkt wordt, kan je nalezen in het genoemde boek van Ernst Bindel in het 7e hoofdstuk dat over de vier rekenbewerkingen en de vier temperamenten gaat.[8]

aftrekken
Ook bij het aftrekken kan deze methode dienovereenkomstig worden toegepast, als je niet, zoals gewoonlijk gebeurt, van het aftrektal en de aftrekker uitgaat, maar van de rest, het verschil. Je neemt van een hoopje papiersnippers* waarvan je tegen de kinderen zegt: ‘Het zijn er 18, een hoopje weg. Je ziet: het hoopje is kleiner geworden; er is een nieuw hoopje bij gekomen. Wat van het eerste hoopje over is gebleven, noemen we de rest, 11. Van dit feit, dus van de rest, 11 gaan we uit en onderzoeken nu met hoeveel het hoopje kleiner is geworden. We constateren: dat is 7, dus net als het nieuwe hoopje, kleiner geworden; want we hadden er 18 en heben er nu nog 11. Er wordt dus niet vastgesteld wat er over blijft, maar hoeveel er verdwenen zijn, bijv. wanneer het om munten zou gaan, hoeveel je er onderweg door omstandigheden bent kwijt geraakt of hebt uitgegeven. Zo is het toch ook in het dagelijks leven: Je weet wat je had en wat er over is en je stelt vast wat er weg is. De kinderen worden dus aangespoord vast te stellen hoeveel er van een aantal moet worden afgenomen om een bepaalde rest over te houden of hoeveel er van een bepaalde hoeveelheid verdwenen is, een proces waar de melancholicus graag lang bij stilstaat. Dr. Steiner wilde ook graag een moreel neveneffect sorteren door de kinderen vol vertrouwen van de leerkracht te laten horen: dit hoopje is 18, deze rest noem ik 11. Hij benadrukte dat daardoor tegelijkertijd het autoriteitsgevoel onwillekeurig verzorgd wordt, wat volgens zijn pedagogiek tussen de tandenwisseling en het veertiende jaar beslist nodig is, zonder dat kunstmatig een autoriteitsgevoel afgedwongen mag worden.
Wanneer je deze manier van optellen en aftrekken, dat van de realiteit uitgaat, een tijdje geoefend en daarmee de vormkrachten van de kinderen levensecht gestimuleerd hebt, dan geeft het niets wanneer ze daarna ook de meer abstracte manier van het gewone optellen en aftrekken leren kennen.

vermenigvuldigen
Bij het vermenigvuldigen moet je in het begin ook niet meteen van de beide factoren uitgaan, maar van het product en het vermenigvuldigtal. En je vraagt naar de vermenigvuldiger. Dus je vraagt niet: hoeveel zijn 5 x 6 appels, maar je zegt: ‘Ik heb in een mandje 30 appels. Hoe vaak kan ik er 6 tegelijk uit nemen?’ Of je gaat uit van het product en de vermenigvuldiger en zoekt dan het vermenigvuldigtal, – dan vraag je: ‘Wanneer ik uit een klas waarin 30 kinderen zitten, 5 keer het gelijke aantal wil roepen, hoeveel moet ik er dan elke keer roepen?’ Deze manier van vermenigvuldigen spreekt vooral het sanguinische temperament aan. Een ritmisch pulseren, een ritmisch springen van getallen is het gevolg, wanneer het steeds wordt geoefend, bijv. 2 =  1  x  2;  4 =  2  x  2; 6  =  3  x  2 enz.

delen
Ten slotte wordt ook bij het delen rekening gehouden met het reële leven. Je vraagt naar wat moet worden gedaan, wanneer bijv. 12 appels onder verschillende kinderen verdeeld moeten worden. De deler wordt gezocht – hij die iets doet. ‘Wat moet je doen om de 12 appels zo te verdelen, dat meerdere kinderen 4 appels krijgen? Het quotiënt is bekend, gezocht wordt de deler, d.w.z. in dit geval het aantal kinderen. Je kunt ook naar het deeltal vragen: ‘Van hoeveel appels kunnen 3 kinderen elk 4 appels krijgen?’ Dus de vraag naar het quotiënt wordt in het begin vermeden. De gedachtesprongen die bij deze vragen nodig zijn om van kind naar kind ieder zijn deel te geven, zijn in het bijzonder voor het cholerische temperament geschikt.
Het kan voorkomen dat het bezigzijn met de temperamenten van de afzonderlijke kinderen de leerkracht ertoe brengt bepaalde vragen in wezen aan bepaalde temperamenten te stellen, niet expres, maar vanuit een onwillekeurige aanpak op grond van een aan het leven geleerde en daarom zinvolle kennis. Op de antroposofische basale gezichtspunten de rekenoperaties in samenhang te zien met de temperamenten, zal hier niet nader worden ingegaan.Het boek van Ernst Bindel bericht daarover. Hier wordt alleen maar een oproep gedaan ook wanneer je rekent, je bezig te houden met het wezen van het kind.
Het komt er in ieder geval zeer op neer de eerste vragen in de rekenlessen zo te stellen, dat de kinderen de praktische waarde ervan duidelijk zien, dat ze met spanning en interesse meedoen en niet door abstracte vragen zich gaan vervelen en ze de zin in rekenen, die bij ieder kind in het begin zeker aanwezig is, snel verliezen. Hier houdt de methode die hier gebruikt wordt rekening mee. Hoe meer het kind zo aangespoord wordt langs de weg van het rekenen de waarheid te ontdekken van hoe getallen zich verhouden, precies na te gaan hoeveel er bijv. van een totaal mag worden uitgegeven, opdat er een bepaalde rest overblijft of over hoeveel kinderen je een hoeveelheid dingen kan verdelen wanneer ieder kind een bepaalde hoeveelheid dient te krijgen, des te meer zal ook de zin voor realiteit in het leven, waarheidszin in het kind wakker worden. In het bijzonder zal je er in het verdere verloop van het lesgeven op letten, dat er alleen maar levensechte voorbeelden gekozen worden die daadwerkelijk in het leven voorkomen. Daar hechtte Dr.Steiner grote waarde aan.

verantwoordelijkheid
Zoals nu de leerkracht door het rekenen de pedagogische basiseisen van fantasie kunnen hebben en van gevoel voor waarheid, eisen die hij zichzelf  moet stellen, op deze manier aan zijn leerlingen doorgeeft, zal hij ook de derde basiseis ‘morele verantwoordelijkheid’ door zijn lessen aan de kinderen overdragen.
Juist het rekenen, wanneer het niet in dienst staat van egoïsme, kan het verantwoordelijkheidsgevoel bij kinderen buitengewoon versterken. Aan de andere kant bestaat bij het rekenen wel het bijzondere gevaar dat kinderen egoïstisch worden. Er moet dus bewust aan gewerkt worden, dat onderwijs in rekenen kinderen niet ‘berekenend’ laat worden in de negatieve betekenis, maar dat veel eerder van begin af aan het nieuw verworven vermogen in dienst van het goede wordt gesteld.
Toen Dr.Steiner eens zei: ‘We moeten zielekrachten leren met het rekenen’, dan hoort daar in het bijzonder de morele verantwoordelijkheid bij. Karaktereigenschappen waarop je deze uitdrukking ‘morele verantwoordelijkheid’ terug kan voeren, zal niemand kunnen ontwikkelen die niet van goede wil is. Een pedagogische hoofdtaak van het rekenonderwijs zal dus zijn, de goede wil in de kinderen sterker te maken. Nu heeft Dr.Steiner laten zien, hoe de wil in het kind versterkt kan worden door een kunstzinnig gevormd onderwijs. En voor het rekenen gaf hij aan hoe dat samen met ritmische bewegingskunst, in het bijzonder met behulp van de euritmie, een sterker wordende wil ontwikkelt. Dus mag je de kinderlijke zin in bewegen niet buiten beschouwing laten, wanneer je met het rekenen een stimuleren van de wil nastreeft.
Je kunt in het rekenen zwakbegaafde kinderen helpen, wanneer je ritmisch uitgevoerd de ledematen krachtige bewegingen laat maken op de getallen, bijv. 7 passen naar voren, 4 terug, enz. Deze wilskrachten nu op het goede te richten, dat zal de leerkracht proberen met opdrachten met een inhoud die morele impulsen over kan brengen. Juist in het onderwijs in het eerste schooljaar zal het gemakkelijk zijn een sociaal element, de gedachte van de schenkende deugd, in de mondelinge en schriftelijke opdrachten te laten overheersen. Een rekenvoorbeeld zal niet aan waarde verliezen, maar juist winnen, wanneer het tegelijkertijd een voorbeeld van het goede is. Onze voorbeelden moeten wel uit het praktische leven komen. Wanneer daarin veelvuldig personen handelen – oude en jonge – laten die dan voorbeeldig handelen. Ook op dit terrein krijgt het fantasievermogen van de leerkracht de mooiste gelegenheden, actief te zijn.
Zou het niet op de jaloezie werken, wanneer de leerlingen de inhoud van een spaarpot, d.w.z. de waarde van de gespaarde munten, de 50-, 20-, 10-, 5-, 2-, en 1-centstukken moeten uitrekenen en daarbij horen dat dit geld door een jongen werd gespaard om met kerst kinderen iets te geven die anders niets hadden ontvangen? Wordt dat geen aanleiding om zelf zo te handelen, wanneer er verder wordt uitgerekend wat deze jongen wel niet allemaal had kunnen kopen van dit bedrag en hoeveel kinderen er nu blij van worden? Het is wel belangrijk dat de kinderen het gebruik van geld door het rekenen zo leren kennen, dat het gebruikt kan worden om te helpen.
Iedere rekenoperatie biedt de mogelijkheid er een gevoel voor te wekken dat je voor een goed gebruik van jouw geld verantwoordelijk bent en dat je ook voor het welzijn van de medemens verantwoordelijkheid draagt, wanneer het in je vermogen ligt dat te vergroten of te verkleinen.
Zo zou bijv. het rekenonderwijs in de kinderen het inzicht kunnen wekken dat je door ergens vanaf te zien, door een offer, de mogelijkheid kan scheppen tot iets goeds. Je kunt laten uitrekenen hoeveel geld er per week nodig is voor het dagelijks brood in een gezin. Je vergelijkt dat dagelijkse broodgeld met het bedrag dat moeder nodig heeft voor bijv. op zondag een lekkere taart en je laat dan uitrekenen hoe duur het zou zijn, wanneer je elke dag taart zou willen eten. Je zou een moeder kunnen laten vertellen dat ze het eten van taart op door-de-weekse dagen helemaal achterwege liet en het daarmee uitgespaarde geld schonk aan een collecte voor mensen in nood. Het bedrag dat per maand nodig is, kan door de kinderen uitgerekend worden. Van tijd tot tijd zal er ook wel een aanleiding vanuit de klas zijn de kinderen erop te wijzen dat zij voor de dingen die hun zijn toevertrouwd in de klas, de tafeltjes, de muurversiering, de ruiten verantwoordelijk zijn. Heeft een kind schade veroorzaakt, dan is het voor een klas interessant om bij zo’n gelegenheid uit te rekenen hoeveel tijd en geld het kost om de schade weer te herstellen.
Zoals bekend wilde Dr.Steiner dat de kinderen zelf – naar vermogen – de dingen die ze kapot hebben gemaakt, weer repareren, eventueel naar de vakman te kijken en deze te helpen. In een enkel geval zou kunnen worden uitgerekend hoeveel de klas samen moet opbrengen om de betreffende klasgenoot te helpen de aangerichte schade weer goed te maken.
Wanneer er in de rekenopgaven vaak over dergelijke verantwoordelijkheden als een vanzelfsprekenheid wordt gepraat, dan wordt het verantwoordelijkheidsgevoel bij de kinderen tot een tweede natuur.

Wanneer we op deze manier proberen de grote pedagogische basiseisen die Dr.Steiner voorstond ook in het rekenonderwijs tot zijn recht te laten komen, dan zal het onderwijs niet alleen voor de kinderen stimulerend zijn en morele vruchten afwerpen, het zal ons ook op een heel andere manier tevreden stellen, dan wanneer we ons zouden moeten beperken tot het ontwikkelen van de louter intellectuele, geautomatiseerde activiteit bij de kinderen.
Een leerkracht die zich elke dag weer opnieuw inzet om alles wat aan de kinderen als leerstof geboden wordt, te voeden vanuit zijn ziel en geest, zal erin slagen ook uit de nuchtere materie van de getallen en berekeningen de esprit tevoorschijn te toveren en daardoor waarachtig opvoedend en vormend in dit onderwijs te werken.
.

Johannes Geyer, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 1e jrg. 5/6/ nr.4 1928
.

[1] Nu uitgegeven met de titel ‘Das Rechnen, Mellinger Verlag
[2] Rudolf Steiner heeft het in GA 295 over vlierbessen, maar ik zou erg oppassen met dingen die van de bank kunnen rollen of met ‘bes of kers’ die stuk kunnen gaan, met alle gevolgen van dien. Papiersnippers waaien bij de geringste beweging van het tafeltje.
[3] Het nieuwe schooljaar begon toen nog na Pasen – een paar maanden later zijn de kersen rijp.
[4] Over het spreken in koor
[
5] Bij Mellinger Verlag verscheen in 1926/27 een van de eerste uitgaven onder de titel ‘Rudolf Steiner in de vrijeschool‘ 2 toespraken
Van die uitgave heb ik niets teruggevonden.
Wel verscheen in de GA onder nr. 298 . ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule’, maar daarin staat de bedoelde rekenles (volgens mij) niet.
[6] interessant voor het kleine vraagstuk of je de tafel tot 10 x moet aanleren, of tot 12 x…….
[7] GA 311/78
Vertaald
[
8] Op deze blog staan de rekenoperaties in samenhang met de vier temperamenten uitvoerig beschreven.

1e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle beelden

1185-1105

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (38)

.

leven-o-t-191

De Tabernakel en de Voorhof (naar Ds L. Schouten Hzn).
De Voorhof (Exodus 27 : 9—18; Exodus 38 : 9—20) bestond uit een niet overdekte langwerpig vierkante ruimte. Hij was honderd ellen lang en vijftig ellen breed (dus ongeveer 54 bij 27 m.). De afsluiting werd gevormd door „behangselen van fijn linnen” opgehangen tussen pilaren. Er waren twintig pilaren aan de zuidzijde, evenzoveel aan de noordzijde, tien aan de west- en tien aan de oostkant. Aan elk der vier hoeken stonden twee pilaren (zie bij E). Aan de oost- of voorzijde hing in het midden een voorhangsel „deksel” aan vier pilaren (Ex. 27 : 16). De „behangselen” waren van fijn getweernd linnen, van een helder witte kleur. Zij hingen aan zilveren haken, die in zilveren banden, onder de zilveren hoofden of kapitolen van de pilaren, waren aangebracht, en hadden de hoogte van vijf ellen (Ex. 27 : 18). In het midden aan de oostzijde van de omheining van de voorhof hing een voorhangsel, dat de naam „deksel” draagt (Ex. 27 : 16): dat „deksel” was zoveel als de deur of poort door welke men in de Voorhof kwam en werd gedurende de dienst of opgebonden of ter zijde geschoven.
In de voorhof ziet men allereerst het Brandofferaltaar (B) waarvan de beschrijving gegeven wordt in Ex. 27 : 1—8; 38 : 1—7.
’t Bestond uit een grote vierkante bak of kast van sittimhout, zonder deksel en zonder bodem, van vijf ellen in de lengte, vijf ellen in de breedte en drie ellen in de hoogte. Van binnen en buiten was die bak beslagen met dikke koperen platen. Het altaar had voorts aan de bovenkant, in ’t vierkant, een platte, naar buiten uitstekende lijst of rand, de „omgang”. Uit die lijst kwamen op de vier hoeken, de „hoornen” te voorschijn. Onder de „omgang was een rooster of netwerk; daaraan hingen ringen ; die ringen dienden om daardoor de „handbomen” te steken. „Wij zijn van meening (aldus Ds L. Schouten Hzn) dat de holligheid of ’t inwendige van het altaar gevuld werd met aarde [in overeenstemming met Ex. 20 : 24], Naar Ex. 40 : 6 moest het altaar gezet worden „voor de deur van de Tabernakel” terwijl het Wasvat gezet moest worden „tussen de Tent der samenkomst en tussen het altaar.” Bij het binnentreden zag men dus eerst het Brandofferaltaar (B) dan het Koperen wasvat (C). Symboliek heeft men daarin gezien: eerst’t Altaar, en dan het Wasvat; eerst Christus tot rechtvaardiging, dan Christus tot heiligmaking. Over de vorm van het Wasvat wordt niets in de Bijbel vermeld: slechts dat Bezaleël maakte „het koperen wasvat, met zijn koperen voet (Ex. 38 : 8). — De Tabernakel (D) stond 50 el af van de oostzijde. De Tent bestond uit 48 staande „berderen” of planken van sittimhout. Daaroverheen waren vier soorten van „dekkleden” of tapijten. Het eerste kleed bestond uit „fijn getweernd linnen”; de grondkleur was wit; maar daarin was op een „allerkunstigste” wijze geweven: hemelsblauw, purper en scharlaken. Het tweede kleed was van geitenhaar. Daarover een kleed van „vellen van rammen, die rood geverfd zijn.” Het vierde of buitenste dekkleed, was naar de Statenvertaling van „dassenvellen”; vermoedelijk moeten wij verstaan „vellen van zeehonden of zeekoeien”. Dat werd aan drie kanten, door middel van koorden, en koperen pinnen, welke aan die drie kanten in de grond werden geslagen, vastgemaakt en stevig aangetrokken. — De Tent bevatte twee vertrekken: het Heilige en het Heilige der Heilige.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1184-1104

.

.