VRIJESCHOOL – Sprookjes – 1e klas – toneelstukje ‘De zeven raven’

1e klas: alle artikelen

 

Van tijd tot tijd probeerde ik zelf ook een toneelspelletje voor een klas te maken.

Ik had ooit een 1e klas die dol was op het sprookje van de zeven raven uit de bundel van Grimm. (nr.25)

Ik probeerde het volgende:

Vader:
God gaf ons zeven zonen
die hier nu bij ons wonen.
Kregen wij toch een meisje klein:
Wat heerlijk zou dat zijn!

Moeder:
Mijn lieve man, wees blij!
Wij krijgen er nog een kindje bij.
Misschien wil God ons bedenken
En ons een dochtertje schenken.

(de melodie was simpel pentatonisch)

Alle kinderen zingen:

’t Kindje werd op aard’gebracht
In een stille, donkere nacht.
Vader en moeder vreesden zeer,
want het was zo klein en teer.

V:
Wij moeten ’t kindje vlug dopen.

(Hij roept zijn zonen):
Jongens; jullie kunnen heel snel lopen.

(Hij geeft een kruik aan één van hen)

Vul deze kruik bij gindse bron
En kom dan gauw weerom.

(Als bron zette ik vier stoeltjes met de rugleuning naar buiten, kleed erover).

(Ze proberen elkaar de kruik afhandig te maken):

1e Jongen:
IK schep!

2e:
Neen, IK!

3e:
Geef hier!

4e:
Blijf af!

5e:
O, neeee
daar valt de kruik diep naar benee

6e:
Wat nu gedaan?

7e:
Zo kunnen we niet naar huis toegaan!

De jongens verdwijnen uit het zicht.

Vader:
Waar blijven ze toch, wat duurt het lang!
O, kom nu snel, ik word zo bang.

Goddeloze jongens zijn het, geen brave.
Werden ze maar veranderd in zwarte raven!

(Achter een scherm staan 7 in het zwart geklede raven klaar, die nu al vliegend tevoorschijn komen en weer verdwijnen)

Allen zingen:
Nauwelijks was die wens gedaan,
Vlogen er zeven raven aan.
Betoverd gingen zij door de lucht
In een donkere, droeve vlucht.

Vader:
Ach, had ik dit maar nooit gezegd
Wat komt er nu van hen terecht.

Moeder:
Mijn lieve man, heb goede moed.
Het gaat ons zwakke dochtertje goed.
Laat haar nooit horen
Wat er gebeurde, toen zij werd geboren.

Allen zingen:
Jaren gingen er voorbij,
’t Meisje was heel mooi en blij.
Zong en speelde met plezier
Was heel lief voor plant en dier.

(Het meisje zit ergens te spelen. 2 Vrouwen komen voorbij en blijven op afstand staan):

1e vrouw:
Zie je dat mooie meisje daar
met die bloempjes in het haar.
Toen zij werd geboren,
waren haar 7 broers verloren.

(Meisje heeft het gehoord, staat op en rent naar haar ouders)

Meisje:
Vader, moeder, is het waar
wat ik zoëven hoorde daar.
Vertel mij snel en kort
Heb ik mijn broers in het ongeluk gestort?

Allen zingen:
’t Meisje was niet vrolijk meer
Dacht aan haar broertjes, iedere keer.

Meisje:
‘k Ga hen zoeken, ik hoop dat ik ze vind.

Allen zingend:
Sprak het moedige, dappere kind.

Meisje:
Een ring om vader en moeder niet te vergeten,
Een kruikje water en brood om te eten.
En dit stoeltje over mijn schouders.
Vaarwel mijn lieve ouders.

Ik loop hier ver vandaan.
Naar het eind van de wereld zal ik gaan.
Ik zal het wagen
Aan de zon om raad te vragen.

Zon:
Ga weg, mijn kind, eer
Ik je met mijn vlammend vuur verteer.

(Meisje haast zich weg)

Hier kan ik niet lang vertoeven.
Bij de maan wil ik mijn geluk beproeven

Maan:
Wat komt daar zonder vrees?
Ik ruik mensenvlees.

(Tot het meisje):
Mijn koude zal je doen verstijven
Dan moet je altijd bij mij blijven,

Meisje:
Vlug hier vandaan
Voordat het verkeerd zal gaan.

Nu naar de sterren
Ik zie hen al van verre.

Morgenster:
Ik weet dat je je broeders vindt
Met dit beentje, mijn lieve kind
Open je de berg van glas
Met dit hinkelbeentje lukt dat ras.

Meisje:
Dank je, lieve morgenster.
Ik ga, want het is nog ver.

Allen zingen:
Vele dagen trok zij voort
In het onbekende oord.
Wat blonk ginds in de zonneschijn?
Ja, dat moet de berg wel zijn.

Meisje:

(zoekt beentje):
Het beentje zat in deze doek,
O, ongeluk, nu is het zoek.

Dan zal ik mijn pink afsnijden,
Want ik ZAL mijn broers bevrijden.

Dwerg:
Wat zoek je hier in deze berg?

Meisje:
Mijn zeven broers, o help mij dwerg!

Dwerg:
De heren raven zijn niet thuis.
Wacht hier op ze in hun huis.

(Dwerg af. Het meisje eet intussen iets van ieder bordje en drinkt uit ieder bekertje dat op tafel staat. In één bekertje doet ze het ringetje)

Dwerg:
Hoor je het vleugelgeruis
De heren raven komen thuis.

1e t/m 7e broer na elkaar:
Wie heeft er van mijn bordje gegeten?
(Wie heeft er van MIJN bordje gegeten enz)

Idem:
Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken.

De 7e niet, hij zegt:
Een mensenmond heeft het gedaan
En zie toch moeders ringetje eens aan!!
God geve dat ons zusje hier is.
Dan zijn wij verlost uit onze duisternis.

Meisje komt tevoorschijn:
O, broertjes, jullie leven!

De broers:
En onze mensengestalte  wordt ons teruggeven.

(Ze trekken nu hun vogelkapjes en snavel af en doen hun zwarte cape af. Ze gaan mooier rechtop staan)

Allen zingen:
O, wat was een ieder blij.
De betovering was voorgoed voorbij.
Vrolijk gingen zij naar huis
Leefden heel gelukkig thuis.

Met een beetje fantasie en improvisatie kun je van een paar tafeltjes en wat lappen een ‘berg’ maken, die je bv. links op het toneel zet. Daarin of daarachter verbergen zich dan de weggevlogen raven. De bron kan midden op het toneel en het huisje van de ouders rechts.

Verdere regie-aanwijzingen lijken mij overbodig. Al oefenend en spelend merk je vanzelf wat er nodig is en hoe je iets wilt vormgeven.

meer over sprookjes

aanvullingen, nuttige opmerkingen enz.:

pieterhawitvliet   voeg toe apenstaartje gmail punt com

 

1e klas: alle artikelen

 

Er bestaat nog een ander spel:

 

De zeven raven

.
Alle kinderen in een halve kring. Aan de ene kant staan: Moeder, sterren, de zon en het zusje. Aan de andere kant: De vader, de 7 raven, de maan en de wachterdwerg.

allen:
Luistert allen naar dit spel
misschien verwondert gij u wel.
Hoort gij hoe dat beekje kabbelt ?
Luister hoe dat eendje babbelt.
Bonte tortelduifjes vliegen
Vader kom, Help moeder wiegen
’t Lieve kleine kindje daar.
Zorgzaam knielt het ouderpaar.
Vader kom, Help moeder wiegen
Bonte tortelduifjes vliegen
Luister hoe dat eendje babbelt
Hoort gij hoe dat beekje kabbelt?
Misschien verwondert gij u wel
Luistert allen naar dit spel.

Moeder:
De nacht verdwijnt, de ochtend naakt
Zie ons dochtertje ontwaakt
Het sliep zo lang, het sliep zo zwaar
Zo diep, als of ’t gestorven waar.

Vader:
Moge God het kindje geven
Sterke krachten tot het leven.

Koor:
De zeven broertjes blj elkaar
Zien verwonderd, nu naar haar.

1e:
Wat een lief gezicht

2e:
Oogjes klaar en licht.

3e:
Hoofdje als een appel rond.

4e:
En een lachje om de mond.

5e:
En Ik wieg je heen en weer.

6e:
Ik leg hier wat bloempjes neer

7e:
Voor ons zusje zorgt de Heer
Ziet vol liefde op haar neer.

Vader:
Jongens, door de laatste regenval
Ontstond een beekje In het dal.
Ga daar water halen nu terstond
Dopen maakt de mens gezond.
Doe het snel en keer dan weer
Zet het water hier dan neer.

Ie:
lk draag de kan.

2e:
Ik zal lopen wat ik kan

3e:
Ik loop als de wind

4e:
Ik weet dat ik de weg wel vind

5e:
Zie hoe Ik door de struiken dringen kan

6e:
Geef mij de kan ik loop vooran.

7e: (bij de bron)
lk zal scheppen voor ons allen.

Allen:
O weel De kan is gevallen I
Stil, houd toch je mond
De kan viel op de grond
En vader wacht en wacht
Wie had dat nu gedacht
Wie zal nu water geven
Wie vertelt het vader zonder beven
Wie zal nu water geven
Wie had dat nu gedacht
En vader wacht en wacht
De kan viel op de grond
Stil, houd toch je mond
O wee! De kan is gevallen!
Dat ongeluk treft ons allen!

Moeder:
De avondwind speelt om het huls
En nog zijn de jongens niet thuis
Misschien bij vrolijkheid en spel
Vergaten zij hun opdracht wel!

Vader:
Weet je wat ik vind
Straffen moet men ieder kind
Dat zo zijn plicht vergeet
Voor zover ik weet
Zou het het beste zijn
In plaats van een groot festijn
De duivel met zijn kracht
Hen beet neemt in zijn macht.
Raven zullen ze voortaan zijn .
Allemaal, groot en klein .

De 7 Raven:
Klein zusje wees jij lief en braaf
Wij vliegen nu als raaf
Met veel en luid geruis
Over ons eigen oud tehuis
Zie toch hoe vreselijk erg
Zo vliegen we over dal en berg
Wij vliegen nu als raaf
Klein zusje wees jij lief en braaf.

Koor:
Zo als er uit het knopje
De roos opbloelt in zonneschijn
Zo heft het meisje op haar kopje
En wil nu flink en dapper zijn.
Haar broertjes zoekt zij over berg en dal
Of zij ze daar wel vinden zal?
Zij zoekt bij sterren en bij maan
Hoe zal het verder met haar gaan ?
Zij zoekt bij sterren en bij maan
Of zij ze daar wel vinden zal ?
Haar broertjes zoekt zij over berg en dal
En wil nu flink dapper zijn
Ze loopt in regen en in zonneschijn.

(Bnnenkring gevormd door drie sterren, Zon en Maan.
Sterren hurken neer en het Zusje komt en spreekt: )

Zusje:
Zo wandel ik de hele dag
Waarheen de weg mij voeren mag
Maar tegen bittere hongersnood
Gaf moeder mij een flink stuk brood
Een gouden ring gaf vader mij
Dat maakte dapper mij en blij.
In het oosten uit de wolkenpoort
komt moeder Zon, zij moet steeds voort.
Flikkerend rood in het morgenlicht
Schijnt verblindend zij mij in ’t gezicht.
Lieve Zon, waar zijn mijn broertjes nu
Wijs mij de weg, dit smeek ik U.

Zon:
Mijn vlammenadem heet en rood
Verbrandt het mensenhart, brengt hen de dood.

Zusje:
Ik red mij door Uw hete gloed.
Vader Maan, weest gij zo goed
Geeft gij mij milde manenschijn
Vertel mij toch waarof mijn broertjes zijn.

Maan:
Met koude sneeuw en het harde ijs
Breng ik het mensenhart snel van de wijs.

Zusje:
Ik red mij voor Uw vorst en kou
Door dat ik van mijn broertjes hou
Gij sterren aan de blauwe hemelboog
Tot U richt ik me nu omhoog.
Verlicht mijn schreden, wijst gij mij toch de baan
Hoe moet ik tot mijn broertjes gaan?

Sterren:
WIJ wachten voor de hemelpoort
En wandelen mee zoals het behoort
En wie zo trouw vervult zijn plicht
Die schenken wij ons kleine licht.

Morgenster:
Aan ’t eind van de wereld staat een berg
Daar houdt de wacht een dappere dwerg.
Daar boven op staat fier een groot paleis
Daarheen vervolg je nu je reis,
Daar vlogen 7 raven uit en in.
Hier is de sleutel – dat is het begin.

Sterren:
Wij volgen steeds het gouden spoor|
De morgenster die gaat ons voor
Wij zingen saam een sterrenlied
Maar vele mensen horen ’t niet.
Doch hoort er iemand ons gezang
Begeleiden wij zijn stoere gang.

Zusje:
Daar sta ik nu voor de poort,
Maar och heden
Het sleuteltje is uit mijn zakje gegleden.
U lieve sterren geef me sterkte en moed
Dat ik durf, wat helaas nu geschieden moet.
Ik snijd nu tot mijn straf
Vlug mijn eigen pinkje af
Tot sleutel wordt het vingertje snel
En laat mij binnen In de glasberg wel.

Wachterdwerg:
lk behoed de poort en houd de wacht
Wie zijt gij meisje lief en zacht?
De heren raven zijn niet thuis vandaag
Ze vlogen over muur en haag
En ’t is eerst ’s avonds laat
Dat de groep naar huis toe gaat.

Zusje:
Ik smeek U wachterdwerg
Laat mij binnen in Uw berg
Ik kwam van o zo ver
Geholpen door de morgenster
Laat mij rusten nu en slapen gaan
Ik kan van moeheid niet meer staan.

Wachterdwerg:
Kom binnen, kom binnen kind
Ik ben je zeker goed gezind
Een maaltijd staat hier voor je klaar
Flink eten en ook drinken maar
En rusten doe je onderwijl maar goed
Dan heb je straks weer lust en moed.

Zusje:
Van leder bordje nam ik veel
Uit ieder bekertje mijn deel
In het zevende doe ik stil en snel
Mijn vaders ring, die vindt broer wel.

Wachterdwerg:
Ik hoor de raven vleugelslag
Wat of deez’ dag ons geven mag ?
In open huis en zaal zo wijd
Heer Raven ’t is Uw etenstijd!

(Raven vliegen binnen, zusje verbergt zich, wachterdwerg op de achtergrond.
Raven zingen hun lied)

Raaf 1:
Wie at er van mijn bordje klein?

2:
Wie dronk er van mijn wijn ?

3:
Wie nam een hapje van mljieten ?

4:
Wie heeft dit lege bord op zijn geweten ?

5:
Wie at er van mijn appel zeg ?

6:
Wie nam heel mijn pannenkoekje weg?

7:
En mij is het naar de zin
Mijn Vaders ring lag onderin
Toen Ik flink dronk hier van mijn wijn.

Alle raven:
Oh! Zal ons zusje gekomen zijn ?

zusje:
Goddank mijn broers heb Ik gevonden
De sterren hebben mij gezonden
De sterren kunnen raven weer genezen
Om mensen weer te kunnen wezen,

1: 
Ik werp mijn vleugels weg goddank!

2:
Ik leg mijn kleed op deze bank,

3:
Ik sta weer op mijn voeten

4:
Met deze hand kan ik mijn zus begroeten,

5:
Ik richt mij op en hef mijn hoofd,

6: Ik kan weer spreken, Gode zij geloofd,

7: 
En nu terug naar vaders huls
Ik breng je allemaal weer thuis.

Broers zusje en wachterdwerg:
WIJ trekken van de berg vandaan
’t Is huiswaarts dat we nu weer gaan.
Wij varen over het wilde meer
De tocht verheugt ons allen zeer.
Dan gaat de tocht weer verder voort
Geen moeilijkheid je ons meer stoort.
Dank God wij zijn bevrijd van tovenarlj.
We gaan door ’t leven zij aan zij
We helpen en we steunen op elkander
En altijd helpt de een de ander.
Maar zonder Godes licht en kracht
Heeft niemand het ooit ver gebracht
De zeven broertjes zijn gevonden
En met hun zusje weer verbonden.
Nu is alles hier weer goed
Besluiten met een heuse groet

-0-0-

 

toneelstukken

 

Advertenties

3 Reacties op “VRIJESCHOOL – Sprookjes – 1e klas – toneelstukje ‘De zeven raven’

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – 1e klas – rekenen (11) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL 1e klas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – VERTELSTOF – Sprookjes, alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s