Tagarchief: Michaël

VRIJECHOOL – Religieus onderwijs

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

Toen ik op de basisschool zat – die toen nog lagere school heette – waren er in ons dorp twee scholen: een openbare en een christelijke.
Op de openbare school bestond de mogelijkheid, als de ouders dat wilden, hun kinderen godsdienstles te laten geven door de dominee of desgewenst de pastoor of kapelaan.

Toen in 1919 de vrijeschool in Stuttgart werd opgericht, was daar de situatie min of meer dezelfde. Steiner vertelt er o.a. hier (blz.181) over.

Toen ik op de vrijeschool in Den Haag kwam werken, stond er op de lesrooster het vak (vrij)godsdienstonderwijs en er waren enkele (klassen)leerkrachten die in de verschillende klassen dit vak gaven.
Zij kwamen regelmatig bijeen met andere godsdienstleraren uit het land en ook internationaal waren er studiebijeenkomsten.

Rond 1980 kwamen er al snel veel scholen bij en voor het vak godsdienst deden zich wel wat problemen voor: wie moesten dat geven en wilden de ouders dit wel.
Ik herinner me nog wel grotere weerstand bij die ouders die nu net in de vrijeschool een school gevonden dachten te hebben die had afgerekend met kerkelijk gedoe.

Er ontstonden tussen ouders en leerkrachten en tussen de leerkrachten onderling en met de landelijke godsdienstleerkrachten wel boeiende gesprekken over hoe dit religieuze onderwijs er dan uit zou moeten zien. 
En door gebrek aan godsdienstleerkrachten begonnen de ‘gewone’ leerkrachten zich te bezinnen op waar het ‘gewone’ onderwijs dan religieus is.
Het woord ‘godsdienstonderwijs’ werd hier en daar vervangen door ‘vensteruur’, om aan te geven dat er a.h.w. door een raam wordt gekeken naar o.a. andere godsdiensten, andersdenkenden.
Toen ik ook nog op andere scholen werkzaam was die de beginfase al achter zich hadden, viel me op dat het vak godsdienst niet op de rooster voorkwam; er waren ook geen speciale godsdienstleraren.

Hoe het nu met het vak is, en dat op de verschillende scholen – met een onderscheid in onder-midden- en bovenbouw? weet ik niet precies.

Als er kinderen van belijdende moslims worden aangemeld, mag dan desgevraagd de imam komen? Krijgt de Koran een plaats? Veel vragen. Zijn er al antwoorden?

In onderstaand artikel komen enkele aspecten van het godsdienstonderwijs naar voren zoals die in de laatste tientallen jaren konden worden verwoord:
.

Frank de Kiefte, nadere gegevens onbekend
.

GODSDIENST EN ONDERWIJS

(het is adventstijd)

Het ochtendbegin in de eerste klas staat elke dag in het teken van advent. De klas is donker, enkele lichtjes branden. De kaarsen van de adventskaars worden aangestoken, de kinderen zingen daarbij:Stil nu, stil nu.”

Na de ochtendspreuk en de andere adventsliedjes: “Het daghet in het Oosten” enHet komt een schip geladenwerken we aan ons kerstspelletje, waar elke dag een stukje aan wordt toegevoegd. Dan een kort verhaal uit “Maria’s kleine ezel” van Gunhild Sehlin. Hierna besluiten we ons “adventsbegin” met de spreuk:

“Donker is de aarde
Duister overal
Maar ons hart beware
’t Licht dat komen zal
Dat het helder branden
Lichten mag heel ver
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster.”

Dit dagelijkse ‘adventsbegin’ is een goed voorbeeld van een stukje religie in de dagelijkse praktijk van het vrijeschoolonderwijs. De sfeer in de klas zo aan het begin van de dag is daar ook naar. Het is een heel aparte en bijzondere stemming die er dan is in de klas. Het is alsof elk kind op dat moment ook echt even iets beleeft van het kerstgebeuren. Opdat uiteindelijk iets van het Christuswezen werkelijk ontvangen kan worden. Het Christuswezen dat zich via de mens Jezus van Nazareth met de aarde verbindt. Dit is niet louter iets dat in het verleden zich afspeelde, maar verrassend actueel is en blijft.

Door zo in het onderwijs deze kant aan bod te laten komen, wordt de kinderen iets heel waardevols geschonken.

Men zou het een kracht voor het verdere leven kunnen noemen. Dit is een voorbeeld, het betreft het verloop van de feesten door het jaar heen. Het beleven van de jaarfeesten draagt een belangrijk religieus element in zich.

Met religie wordt dan bedoeld het opnieuw verbinden. En dan gaat het om de verbinding met de wereld waar we vandaan komen, de oorsprong van de mens. Een wezenlijk karakter van de antroposofie en de vrijeschoolpedagogiek is het uitgangspunt dat er achter de zintuiglijk te beleven wereld een niet-zichtbare wereld schuilgaat.

In vroeger tijden was déze wereld reëler dan het aardse bestaan. Dit laatste was voor de Indiër “Maya”, schijn.
In onze cultuur is het besef van de realiteit van deze kant van het mens-zijn verloren gegaan. Dat is een noodzakelijke ontwikkeling, de mens heeft er zijn vrijheid aan te danken. We kunnen de klok niet terugzetten.

Typisch voor een moderne ontwikkelingsweg als de antroposofie is dat het erom gaat met behoud van de menselijke verworvenheden op eigen kracht de niet-zichtbare wereld te integreren in het aardse bestaan. Dat is niet alleen een religieus gegeven. We komen dan tegelijkertijd ook bij een ware Christuskracht. Het is Zijn taak met in Zijn voetspoor de aartsengel Michaël om beide werelden te verenigen.

Terug naar het onderwijs. In de school staat de opvoeding centraal. De leerstof dient het pedagogische, namelijk de ontwikkeling van het kind. Overigens betekent dit niet dat in de verwerking van de stof de kinderen rustig aan hoeven te werken. Integendeel. Er moet gewoon hard gewerkt worden, hetgeen een gezonde ontwikkeling alleen maar bevordert. Het doel is echter dit laatste en niet de prestatie op zich. Maar dit even terzijde.

In de pedagogiek is het streven erop gericht dat het kind in staat is, zichzelf te vinden. Dat ware zelf is nu juist afkomstig uit de geestelijke wereld. Ons Ik, onze individualiteit is drager van onze geest.

In onze cultuur is zichtbaar dat wat dát betreft veel mensen het spoor bijster zijn. Wat hen ten diepste beweegt is op de achtergrond geraakt. Vandaar dat juist in deze tijd dat religieuze zo op z’n plaats is, daarmee staat of valt alles.

Deze jaarfeesten zijn een van die religieuze elementen in de school.
Aan de andere kant hebben het vieren en beleven daarvan ook met tijd en tijdsbeleving te maken. Tijd is een aards kenmerk. Door het bewust omgaan met de tijd worden de kinderen in de richting van het aardse geleid. Dit gebeurt door de kinderen lang van te voren voor te bereiden op dat wat komen gaat. Ze krijgen daar zo meer zicht op. Op een hele natuurlijke en geleidelijke manier groeien ze in de aardse werkelijkheid.

Op andere momenten ontstaat Ik-wording door schokken, drempels, confrontaties. Dat is een andere wijze om echt aardeburger te worden. Zeker net zo belangrijk. Het heeft geen zin die drempels weg te nemen of confrontaties uit de weg te gaan. Door de weerstand word je mens. Moge het voorafgaande niet tot de misvatting leiden dat vanuit dit religieuze het erom gaat de kinderen weg te houden van het aardse. Integendeel, het is juist de bedoeling dat de kinderen uiteindelijk met de beide benen op de grond komen te staan. Dat ze bewust en zelfstandig een bestaan kunnen inrichten. Maar dat alles met behoud van de spiritualiteit.

Want al het kunstzinnige en de creativiteit is daarvan afkomstig. Als men over de ontplooiing spreekt, bedoelt men eigenlijk de ontwikkeling van datgene dat in de mens aan diepste impulsen leeft. Elk kind komt op aarde met een bepaald plan. Het heeft zich iets voorgenomen.

Het is de taak van de opvoeding de voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van deze impulsen.

Een andere element waarin het kind in z’n diepste zijn wordt aangesproken is de vertelstof. Elke klas in de basisschool heeft bij de ontwikkelingsfasen behorende verhalen.
Elke dag wordt aan het eind van het hoofdonderwijs (de eerste twee uren van de morgen) in iedere klas een verhaal verteld.
Als men een verhaal vertelt, dan wordt in feite een zichtbare realiteit geschapen. Zeker als het beeldende karakter daarvan sterk is. De verteller zou het verhaal dan ook in sterke mate voor zich moeten zien. Dat is geen eenvoudige opgave, maar de kinderen inspireren zeker daartoe. Ze zien het namelijk daadwerkelijk. Ze gaan er geheel en al in op. Het is net alsof ze even met hun bewustzijn in die andere realiteit zijn.
Er zijn kinderen die het dagelijks verhaal snel weer vergeten, als het dan weer tevoorschijn komt is het net alsof het van ver weg komt. Het moet uit hun tenen komen, zeggen we wel eens. Het doet een beetje denken aan de slaap, na het wakker worden kunnen we ook het gevoel hebben dat we van ver komen.

Maar dat is niet weg als we wakker worden. En ook het verhaal dat diep weggezakt is, is niet verdwenen. Het is er wel degelijk, alleen zijn we ons er niet meer van bewust. Maar het kan wel in sterke mate doorwerken. Datgene dat we uit de slaap meenemen kan van groot belang zijn. Ideeën kunnen we op deze wijze opdoen. Die zijn dan afkomstig uit de wereld van de nacht. Elke nacht bij het inslapen gaat het geest-zielenwezen van de mens terug naar de wereld waaruit het vandaan komt. Het neemt daaruit mee terug wat voor de wereld van alledag nodig is. Zeker als we bewust pogen ons iets daaruit te herinneren kunnen we dat versterken.
Zo is het precies als met het verhaal. Dat maakt dat kinderen heel even in dat andere vertoeven. Ze excarneren dan, in het kinderleven is dat heen en weer gaan, dat in-en excarneren veel vanzelfsprekender dan bij de volwassene. Bij het kind moet zoiets kunnen gebeuren, maar dan op verantwoorde wijze. Als kinderen er geheel uitvliegen, doen ze dingen waar ze geen bewustzijn van hebben. Zoiets moet zorgvuldig in de hand worden gehouden.

In de pedagogiek is in dit verband het “ademende” element van belang. Dat wil zeggen, het op elkaar afstemmen van de diverse activiteiten. Het ene vak werkt meer incarnerend, vormend, maakt dat het kind tot zichzelf komt. Vormtekenen en boetseren hebben zo’n werkzaamheid. Vakken als muziek en vertellen werken meer excarnerend, meer ontspannend. Als het verhaal op spirituele wijze “lukt”, dan kunnen daaruit inspiraties worden geput. Net zoals de wereld van de slaap doorwerkt in het alledaagse. Alleen veelal bij het verhaal is de kracht die erin doorwerkt voor “later”.
Het is een soort toekomstkracht. Iedere volwassene zal zich dingen kunnen herinneren uit de eigen jeugd die diepe, diepe indruk gemaakt hebben.
Het kan ontmoetingen als gevolg hebben gehad, dingen beslissend beïnvloed hebben.
Het woord ‘morele kracht’ is hier op zijn plaats. Juist als deze kracht later in de daden doorwerkt.

Men zou hier ook de begrippen waarheid, schoonheid en goedheid mee kunnen verbinden.
Dan zijn het krachten, kwaliteiten die aan het bestaan op aarde een glans kunnen geven, een glans uit de wereld van de geest.
Niet elk verhaal zal dit grootse in zich dragen, maar ook in de eenvoud, in heel elementaire beelden leeft iets hiervan. Sprookjes dragen het sterk in zich en alleen al een bekend sprookjesbeeld als: ‘de wijde wereld intrekken’ betekent in feite wakker in de wereld gaan staan, de wereld verkennen, ontdekken. Voor een kind kan zo’n verhaal een duidelijke stimulans zijn in de zin van, eropuit, alles wijst naar de aarde, dat is het doel.

Dat is eigenlijk ook de taal van het kind, de beeldentaal.

Dit wordt vaak beter verstaan dan het volwassen, meer abstracte en soms ook lege taalgebruik. Beelden gebruiken is de ziel aanspreken, zielenvoedsel aanbieden.

Sprookjes drukken het tijdloze element, de wereld van de geest zeer sterk uit. Zo wijst het sprookje van de stukgedanste schoentjes op het mysterie van de nacht. De koning in dat verhaal vraagt zich af waar zijn twaalf dochters zich ’s nachts bevinden. En hoe het komt dat de schoentjes stukgedanst zijn iedere morgen.

We worden hier duidelijk geconfronteerd met het mysterie van de nacht, van de slaap.
Men zou het een kerstmysterie kunnen noemen. Wat werkt door dit nachtelijke heen naar de wereld van de dag? Wie doorgrondt dit raadsel en legt de verbinding?
Als we de weg van de vertelstof vervolgen in grote stappen komen we bij de legenden uit. Hier wordt het sprookjesachtige meer persoonsgebonden. Het oerbeeld van het sprookje wordt geïndividualiseerd. Bij een sage speelt daarnaast nog de plaats van handeling een grote rol.
Mythologieën drukken iets uit van een vermenselijking, het speelt zich nu meer op aarde af. We zien een ontwikkelingsgang in één persoon. De zwerftocht van Odysseus bij voorbeeld.
Uiteindelijk wordt de mythologie dan tot geschiedenis. Dit zien we onder meer bij de overgang van Grieken naar Romeinen. Bij de Romeinen is geen plaats meer voor mythologie. Het is op de grond gekomen.

Zo leidt de stroom van de vertelstof het kind heel duidelijk naar het hier en nu. In het Oude Testament speelt zich dit heel in het klein af. Het scheppingsverhaal drukt iets kosmisch uit, iets van de oerbeelden. Later zien we bij de aartsvaderen een mythisch element, ten slotte wordt het bij de koningen historisch.

Het is goed om in de gaten te houden dat de vertelstof een weg in de richting van het concrete is. Een ontwikkeling die synchroon loopt met de ontwikkeling van de mensheid.

Eenzelfde verhaal zou in een godsdienstles een heel ander accent kunnen krijgen. Eenmaal per week zou dan dat verhaal vanuit een totaal andere invalshoek verteld worden. Wat is de achtergrond daarvan, waarin onderscheidt zich dat van de verhalen die in het hoofdonderwijs verteld worden?

De vertelstof, zo is in het bovenstaande aangetoond, is geordend volgens het principe van de ontwikkelingsfasen van het kind. Daarop is het verhaal van de klassenleraar gericht.
In een godsdienstles krijgt het beeld of de lesinhoud een heel andere glans. Hier gaat het nu juist om de morele kracht, om de religieuze inhoud.

In de derde klas worden de reeds genoemde verhalen van het Oude Testament verteld. De verhalen over het ontstaan van mens en mensheid, de grote rol van inspirerende leiders geven een gevoel van rust en zekerheid. Voor het laatst spreekt uit de verhalen een imponerende autoriteit die diepe indruk maakt. Het richt zich juist op het kind in déze fase.

In de godsdienstles zouden dergelijke beelden in een nog breder perspectief geplaatst worden. Dan gaat het niet om de fase waarin de mensheid zich bevindt, de grote overgang naar een nieuwe tijd. Dan zou juist benadrukt kunnen worden waar dat op wijst, waar het naartoe gaat.

Alles in het Oude Testament wijst op de geboorte van Christus. We kunnen dat op vele plaatsen, soms direct, soms meer verhuld, tegenkomen.

Ook een wezen als de aartsengel Michaël heeft zich diepgaand met het Joodse volk verbonden, juist om de weg voor Christus voor te bereiden.

In het godsdienstonderwijs zal het christelijke element een wezenlijke rol spelen. En dan wordt bedoeld het algemeen-christelijke. Niet uitgedrukt in een bepaalde vorm, maar het principe van de vereniging van twee werkelijkheden uitgedrukt in de mens als middelaar ertussen in.

Maar, zult u zich afvragen, wordt het kind in deze een bepaalde kant op geleid? Is er niet iets dwingends gelegen in deze lessen?

De ouders van de eerste Waldorfschule in Stuttgart vroegen ons “vrij godsdienstonderwijs”, hetgeen gerealiseerd werd. In die tijd was godsdienstonderwijs vanzelfsprekend. Een priester of een dominee verzorgden dit onderwijs al naar gelang de confessie. De antroposofisch georiënteerde ouders wilden graag ook dergelijke lessen in de geest van de antroposofie. Vrij godsdienstonderwijs is de grondslag hiervan.

Vrij, omdat de ouders ervoor kiezen, vrij ook omdat een beeld aan de kinderen geschonken altijd ruimte laat. Een beeld is nooit dwingend. Het ene kind zal er dit uit putten, het andere kind wellicht iets heel anders. Waar het om gaat is dat het kind later zelf een keuze maakt op levensbeschouwelijk gebied op basis van een schat aan verhalen over mens en wereld. Op kunstzinnig gebied zal een kind eerst de kleuren moeten leren kennen, alvorens er creatief mee om te kunnen gaan.

Slaan we deze stap over en laten we het kind z’n gang gaan, dan zal de creativiteit letterlijk niet uit da verf komen. Deze namelijk is gebaseerd op een geleide ervaring en beleving maar wél vanuit het kind, in zijn taal.

Het godsdienstonderwijs in z’n praktische uitwerking is niet alleen een zaak van de school, maar juist ook van de antroposofische vereniging. Juist vanwege de specifieke achtergrond van de lessen. Dat is dan vooral gelegen in de geest van dit onderwijs. De sfeer, de stemming, die de godsdienstleraar tracht te bereiken is er een van glans, van zonnigheid. Daarom zal het godsdienstonderwijs meestal niet door de eigen leraar worden gegeven. Iemand die daar speciaal voor komt, brengt een heel speciaal element in de klas. Net zoals de Franse juf voor de kinderen een heel aparte wereld meebrengt.

Christus is een zonnewezen, een wezen van het midden. Het is Zijn taak de mensheid de liefde te leren. Ware broederschap, ware naastenliefde heeft Hij op aarde voorgeleefd. Deze kracht zien we op vele manieren, in vele mensen terugkomen.

Het kan op een concrete wijze gestalte krijgen. Alleen al als we de ons omringende natuurrijken met zorg en liefde behandelen. Ook een aspect van religie in de vrijeschool. Vele ingewijden zijn verbonden met het Christus-wezen. Zo was in het oude Perzië Zarathustra werkzaam.
De Perzen werden geconfronteerd met een weerbarstige natuur. Onvruchtbaar berglandschap, de bevolking was ruw en strijdlustig. “Smeed uit de zwaarden ploegen”, zou een gezegde van Zarathustra geweest kunnen zijn. Hij leerde de mensen de aarde te bewerken. De legende verhaalt hoe Zarathustra aan de Perzen het gouden mes en de gouden dolk geeft. Een nieuwe geest ontstaat in het volk. Nieuwe gewassen, vruchten ontstaan, de strijd wordt met de onvruchtbare grond aangegaan.

Even een sprong naar een andere tijd. De tijd van koning Arthur en zijn ridders. Een duistere periode in de geschiedenis. Het voorafgaande voorbeeld over de Perzen had een legende-achtig karakter. Koning Arthur is een mythische figuur met historische aspecten. Een zeer inspirerende persoonlijkheid, dat blijkt uit de vele bewerkingen die er van de Arthursagen zijn verschenen. Van Jaap ter Haar tot Marion Bradly, in al de prachtige verhalen spreekt een geest die op de een of andere manier tot daden inspireert.

Dat zou ik een grondbeginsel van de Arthurridders willen noemen; het doen, het werkelijk praktiseren van de Christelijk-Michaëlische impulsen.

In de voorbeelden van inhouden die in de godsdienstlessen aan bod zouden kunnen komen, mag eigenlijk het Graalgebeuren niet ontbreken. In de zevende klas wordt gewoonlijk het Parzivalepos verteld, in de bewerking van Wolfram von Eschenbach. Parzival die van Arthurridder Graalridder wordt. De Graal is het symbool van de krachten van de liefde, die vanuit het Zonnewezen door de aarde ontvangen worden. De Graal is een schaal waarin volgens de legende het bloed van Christus werd opgevangen.

Deze verhalen, het moge duidelijk zijn, hebben een heel eigen karakter. Heel anders dan de beelden die in het hoofdonderwijs verteld worden. Dan zal vaak ook de leerstof ermee verbonden worden, of het verhaal gedifferentieerd in één der vier temperamenten.

Geheel los daarvan staat het verhaal in de godsdienstles. Als een soort zuil staat het, even los van al het andere. Het krijgt in een apart uur even de volle aandacht die het verdient. Van de voorbeelden in het voorafgaande kan gezegd worden: dat kunnen de kinderen niet vaak genoeg horen. Dat is dermate wezenlijk, dat mag je de kinderen eigenlijk niet onthouden.

In onze cultuur neemt de onwaarachtigheid toe. De waarheid wordt in sterke mate geweld aangedaan. De draak waarover in de Michaëltijd gesproken wordt, krijgt gestadig meer macht.

In feite is het altijd Michaëltijd, niet alleen in de vroege herfst. Ons hele tijdsbestel staat in dit teken: Michaël als tijdgeest. De draak is dan een symbool van een wezen dat we tegenkracht kunnen noemen. Het zijn de tegenkrachten die wat aan goede impulsen in de mens leeft willen verstoren. Hun is er alles aan gelegen de bestemming van de mens te doorbreken. Ze zullen er steeds meer toe overgaan het ware wezen van de mens in slaap te sussen.

Juist in zo’n tijdsbestek zouden waarheid, schoonheid en goedheid een plaats moeten krijgen. Dat kan de mens nooit alleen. Daarvoor zou hij zich open moeten stellen voor datgene dat er aan kracht in de geestelijke werkelijkheden leeft. Die kracht is reëel aanwezig. Men kan het zien aan kleine initiatieven die overal genomen worden op uiteenlopende gebieden. Men kan een opening bewerkstelligen.

Op verzoek van de ouders in de eerste vrijeschool ontstond na het vrije godsdienstonderwijs ook nog een zondagsdienst, de Handeling.
Het woord geeft al aan waar het hier om gaat. Er wordt iets gedaan. Het betreft een cultische handeling. Een cultus drukt uit dat de geestelijke wereld in een zeer kort moment de op aarde bewegende mens beroert. Even komt het bij elkaar.
Een moderne cultus heeft Rudolf Steiner voor deze handeling ontwikkeld. Iets waar men vanuit volle vrijheid aan deelneemt.

In vroeger tijden vond inwijding plaats door een priester. Oude inwijdingswijzen zijn in deze tijd niet meer passend. De moderne mens maakt zelf de stap, wil zoiets meemaken. Het gaat niet meer buiten hem om.

Er is ook nog een Handeling voor de kinderen: de kinderhandeling. Ieder kind wordt dan aangesproken in wat hem tot mens maakt: de kracht waardoor een mens in staat is zich op te richten, zich te verheffen. Daarmee wordt de zwaartekracht overwonnen en in dienst van het Ik gesteld.
In de Handeling komt het meest wezenlijke van wat de vrijeschool zich ten doel stelt tot uitdrukking. Het is de bedoeling van datgene dat in de godsdienstles gebeurt.
En dat vanuit de daad.
Een verbinding wordt op deze wijze gerealiseerd, net als in het verhaal, net als in het omgaan met de materie.

Net als in de adventstijd.
.

Jaarfeesten: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

1347-1259

.

.

VRIJESCHOOL – Schimmenspel

.

SCHIMMENSPEL

Wat voor een stemming roept het in ons op als we met een nevelige herfstdag naar buiten lopen en toeschouwer zijn van de vormen en kleuren om ons heen.

De nevel verstilt de bomen, de huizen, een koe op het.weiland; het is of een onzichtbare sluier iets gevangen houdt van de ware vorm, de ware kleur. Meestal krijgen wij, mensen, ook iets verstilds, gedrukts, tastends, omdat we ons niet uiteen kunnen zetten met de omgeving.

De lijsterbes, de appelboom in de tuin krijgen iets onwezenlijks, het huis aan de overkant vervaagt, was de schoorsteen lang of kort? Alles doet een appèl aan je herinnering – hoe was het ook weer –

Dan komt het moment dat de zon het wint van de grijsheid, er gaat zich iets oplossen, de kracht van het licht breekt door en soms verrassend snel is alles er weer: de rode bessen aan de lijsterbes, de gele appels in de appelboom, de schoorsteen van het huis aan de overkant.

Hoe kunnen we voor onszelf in de duisternis het licht gaan beleven: door de innigheid op te roepen, kleur aan te brengen aan onze belevingswereld, wat alleen kan als het licht eraan meewerkt. Dat is het boeiende, inspirerende van bijv. transparanten maken met zijdevloei, juist in dit jaargetij.

Een vorm die voor het hele gezin en ook voor allen die pedagogisch of kunstzinnig werken in welke zin dan ook, een avontuur kan zijn, is het aloude schimmenspel. Daarin zijn geweldig veel mogelijkheden. Het doek is altijd het uitgangspunt. De zijde waar het spel zich afspeëlt is goed belicht; de toeschouwer zit aan de andere kant in het donker. Als men zoiets gaat ondernemen moet men weten dat de spelers altijd schimmen zullen blijven; het kost het uiterste aan uitbeeldingsvermogen.

Een andere mogelijkheid is op het doek een decor aan te brengen van dun karton, daar bewegen zich uitgeknipte figuurtjes heen en weer langs het doek.

Jaren geleden in de Michaelstijd hebben we met een groep ouders en een kleuterleidster een prachtige Michaelslegende gevonden en getracht dit in een schimmenspel te verwerken.

Het werd een reis langs alle soorten materiaal, en van het schuchtere op weg gaan werd het jaar na jaar anders terwijl het motief hetzelfde bleef. Onze indruk was dat zwart-wit voor de kinderen niet aanvaardbaar is. Tussen het licht en het duister ligt een gebied van de kleur en dat neemt het kind in zich op, daarin beleeft het alle zielestemmingen van het verhaal. We vonden dat het decor levendigheid kreeg door het gebruik van zijdevloei en schapenwol.

Werkwijze:
Het contour wordt geknipt uit niet te dik karton; er blijven grote ruimten over waar we het materiaal gaan inwerken, maar eerst moeten we houvast hebben.

schimmenspel-1

witte lijnen: de uitgeknipte contouren met gekleurde schapenwol

schimmenspel-2

kartonnen groepje kan berg op en af

Structuur:
U werkt aan één motief waar het hele verhaal zich af kan spelen, vooral niet teveel hooi op de vork nemen, want alles wat open is vereist een werkstuk. U kunt dan beter later nog voorzichtig wat wegknippen.

Dan nemen we een oud stuk laken (wel gaaf), leggen het goed plat; de contour wordt er opgelegd; kijkt u goed naar de verhoudingen – onder kunt u een flinke baan karton overhouden, dat valt straks weg als we met gordijnen gaan opbouwen.

We lijmen wet transparante ljjmstift prit of pelistift de contour op het laken, zijkanten en onderkant kunnen zelfs even vastgeniet. Maar het moet niet zichtbaar zijn.

U weet dat wat u rechts uitwerkt – links gezien wordt en andersom!

Nu zoekt u in een of andere kamer of op zolder een werkterrein; het geheel wordt opgehangen, zó hoog, dat u er zelf makkelijk bij kunt en misschien zelfs zó, dat de kinderen eraan mee kunnen gaan helpen. Achter is een bureaulamp opgesteld die uw werkterrein verlicht, voor het doek moet genoeg ruimte overblijven om toeschouwer te kunnen zijn.

Nu gaan we aan het werk en steeds wordt het een kiekeboespel: ‘Achter maak ik iets wat ik voor kan bekijken’, denkt u eraan dat u niet in de lamp kijkt, dat is storend voor het beeld. Het moet alleen licht zijn.

We nemen alle kleuren zijdevloei die er in de handel zijn en gekleurde schapenwol en gaan nu als het ware schilderen, boetseren met dit materiaal.

Met zijdevloei kunt u grillige vormen scheuren, knippen als iets een speciale vorm moet hebben en voorzichtig frommelen, dan krijgt u onverwacht schaduwen en verdiepingen, die u goed kunt gebruiken bij rotspartijen, gebergten, stammen en takken en bladerdak van geboomte, struikgewas. Nooit te precies, iets aan het toeval overlaten en aan de fantasie.

De vaste contourlijnen van het karton gebruikt u om het zjjdevloei vast te plakken, ook weer met stift. Er ontstaat een ondergrond waar we met al de voorgenoemde technieken kunnen verdergaan. Lijmt u nooit grote delen op elkaar, maar hier en daar iets, zodat het net vast zit, dan blijven nog genoeg openingen om een ander kleurtje tussen te schuiven en zelfs bepaalde lijnen die er niet moeten zijn met gekleurde schapenwol weg te werken; gaat u mee met het landschap, gebergte of glooiing, u zult zien, al doende krijgt u het te pakken.

De figuurtjes worden niet te star in de vorm uitgeknipt, zodat het vrolijke, het statige, het sombere, als houding naar voren komt, bedreven mensen kunnen zich wagen aan bijv. beweegbare armpjes. De figuurtjes krijgen een stevig kartonnen voetstuk. In een doe-het-zelfzaak zijn dunnen houten roetjes te krijgen die we van boven iets splijten en met wat bisonkit of iets dergeljjks wordt het kartonnen voetstukje in het spleetje vastgelijmd. Er is nu een goed speelstokje aan het figuur. De haren kunnen weer van schapenwol zijn.

De belichting:
Zijn nieuwsgierige, inventieve vaders en grote zoons al eens komen kijken, dan moeten ze een kriebelgevoel krijgen: hier wil ik wel een belichting bij maken! – Zo niet, gaan we zelf experimenteren, hebben wij ook gedaan.

We zijn begonnen met de bureaulamp en geëindigd met een
dia-projectieapparaat! Goed neergezet krijgen we daarvan een mooi basislicht. Wij kochten verschillende kleuren cellofaan. Het best hanteerbaar zijn stukken van boven en onder vasthechten aan karton en-dan heen on weer bewegen dichtbij de lichtbron. In een later stadium kwamen we op het idee een raamwerk te maken; door lagen op elkaar te leggen van het cellofaan kunnen we kleuren verdiepen en veranderen in de stemmingen die opgeroepen worden. Dit alles in de volgorde van het verhaal.

Dit moet voor ieder een eigen ontdekkingstocht zijn.

Als alles geschapen is, gaan we spelen. Eén leest of vertelt het verhaal maar met een beweeglijkheid, omdat de spelers begeleid moeten worden – ook kun je ineens het idee krijgen: hier hoort wat muziek bij en dan wordt de lier of de fluit bijv. erbij gehaald.

De generale repetitie volgt: op de plaats waar echt het schimmenspel zal uitgevoerd worden, moet het doek voorzichtig overgebracht. Het beste kan boven en onder een lat getimmerd, misschien iets om al bij de eerste bewerkingen stil te staan; anders trilt al uw mooie zijdevloei en schapenwol van de plaats. Een gordijn hangt u aan de onderste lat op, zodat het tot de grond rijkt. De spelers moeten niet zichtbaar zijn. U zult zien: de uitvoering is kostelijk en ik hoop dat het u zo vergaat als bij ons. Het wordt elk jaar weer: ‘uit de mottenballen gehaald’, iets bijgewerkt en weer beleefd: in de duisternis het licht te plaatsen en de innigheid op te roepen, kleur te brengen aan onze belevingswereld.

Heel in het kort volgt hier ‘onze’ Michaelslegende.

Het begint al met een prachtig beeld: Er was eens lang geleden een eiland dat klein en verlaten in de grote wereldzee lag. Machtige golven kwamen aanrollen en spatten in glinsterende druppels waarin de zon duizend keren weerspiegeld werd op de rotsen uiteen. Hier en daar was er tussen de rotswanden een kleine inham. Daar rolden de golven statig naar binnen, hielden hun wildheid in toom en bereikten tenslotte het strand als vriendelijke bezoekers, waar ze met een laatste buiging van het glinsterende water een schat van geschenken achter lieten op het strand.
Dichtbij het strand stonden armelijke vissershutjes. De.kinderen speelden veel op het strand. Eén van hen was Angelina die met een ziek voetje geboren was en hinkend door het leven moest gaan. De kinderen waren altijd blij als ze in de buurt was omdat zo altijd vrolijk was en grapjes maakte. Aan de andere kant van het eiland was het gevaarlijk. Angelina’s vader, de visser, had het zelf gezien en verteld dat diep onder de aarde een draak huisde. Soms zagen ze zelfs de dikke dampen en hoorden ze het gerommel.

Toen dat eens weer zo was in de avond, klommen de vissers met hun vrouwen en kinderen langs het bergpad omhoog naar een kapel waar ze kaarsen ontstaken en een vurig gebed zonden naar de aartsengel Michael. Een van de jongetjes die al gauw genoeg had van het bidden, liep naar buiten om steentjes te rapen en deze met een wijde boog naar beneden te gooien. Eensklaps bleef zijn arm in de lucht hangen, hij merkte het zelf niet eens, rende terug naar de kapel en riep de mensen toch vlug naar buiten te komen, zelf hielp hij Angelina. Toen zagen ze allen dat een lichtende boot zich voortbewoog naar het eiland, met een gouden gestalte, in de hand een opgeheven zwaard. Ze keken toe hoe de gestalte uitsteeg en zich vastberaden naar de plek des onheils richtte. Met angst in het hart zagen ze de gestalte verdwijnen in de dikke vuile dampen en het gerommel zwol aan. Plotseling, na een heldere lichtstraal was er stilte en een weldadige rust kwam in de mensenharten en over het eiland.

De lichtgestalte keerde terug, lang nagekeken door het vissersvolk. De vissers die de volgende dag vroeg op zee waren hadden nog nooit zo’n vangst gehad. Dankbaar waren allen en zo gingen ze op weg naar de plaats waar het wonder was geschied. Op de plaats waar vroeger de dampen en het gerommel opstegen hoorden ze nu het geklater van een bron dië ontsprong uit de rotsen. Angelina zat met haar blote voetjes in het bronwater, maar nauwelijks had ze het aangeraakt of ze voelde dat ze weer krachtig op haar benen kon staan, ze kon weer huppelen en springen net als de andere kinderen. Vele mensen trokken naar de bron, zieken vonden er genezing en in de kapel werden vele kaarsen ontstoken; een dankgebed vervulde de ruimte.

Schoolkrant vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend

Je kunt ook eens een keer, bijv. met een 5e klas, een schimmenspel maken van o.a. een sprookje van Grimm.
Als je veel aan de kinderen zelf overlaat, komen je de mooiste vondsten tegemoet. Op allerlei gebied: hoe pas je de tekst aan; wat laat je zien; wat kún je (technisch) laten zien; welke spullen heb je allemaal nodig. Ze zullen veel vragen aan je stellen waarop je ook samen weer antwoorden kan vinden: uiteindelijk moet jij als leerkracht soms besluiten.
Omdat er door de kinderen veel samen moet worden gewerkt bij het ontwerpen en uitvoeren, is het ook zeer werkzaam voor het gevoel van ‘samen’: het sociale.
.

Suggesties: altijd welkom:  vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

handschaduwbeelden

1224-1143

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken een context geven bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

OVER DE ZGN. ‘ONGEDRUKTE PASSAGE’

Al in zijn openingszin gebruikt Steiner de woorden ‘geestelijk’ en ‘geestelijke werelden’.
Maar wat is ‘geest’, ‘geestes’leven; ‘geestelijk’; ‘geestes’wereld; ‘geest’wereld en wat er nog zou kunnen volgen.
We komen toch meestal niet verder dan die woorden in de sfeer te plaatsen van ‘kerkelijk’ of ‘geloofs-‘; of we hebben de geesteswetenschappen, zoals de filosofie. In het beste geval komen we nog tot iets ‘mentaals’, maar tegelijkertijd wordt beweerd dat dit mentale slechts het gevolg is van hersenactiviteit: ‘wij zijn ons brein’; en de mens als geesteswezen – als een volstrekt uniek wezen – is niet meer dan ‘de naakte aap’.

Voor de toekomstige leerkrachten aan de 1e vrijeschool was dat niet het geval. De meeste hadden al veel mededelingen van Steiner gehoord; ze hadden Steiners boeken gelezen; ze waren volop ‘bezig met antroposofie’ en ‘geest’ had voor hen in ieder geval inhoud.

ZO ANDERS!

(< > naar deze passage wordt verwezen vanaf een andere pagina)

Hoe anders was dat voor mij!
Ik leerde de vrijeschool  kennen, door wat ik tijdens een hospiteerperiode in een vrijeschoolklas zag. (We spreken nu over ‘stage’). Als leerling – je sprak nog niet van ‘student’ – van de Gemeentelijke Kweekschool in Rotterdam, (de Pabo moest nog worden geboren) – kwam ik in de 5e klas van de Rotterdamse vrijeschool.

IN MIJN JEUGD

ging ik regelmatig naar de kerk en op zondag naar de zondagschool – mijn lagereschool was een openbare.
In de kerk hoorde ik over God en de duivel; de geesten voor Gods troon, over Gods geest die o.a. ‘over de wateren’ zweefde. Maar met het vorderen van ‘de jaren des onderscheids’, nam ook de twijfel aan alles toe en ik zei de kerk vaarwel; met woorden als ‘geest’ hield ik me niet meer bezig.

IN HET JAAR

vóór ik op de Haagse vrijeschool mijn eerste 1e klas kreeg, volgde ik vaak lezingen vanuit een antroposofische visie over veel uiteenlopende onderwerpen.
Ter voorbereiding las ik veel ‘Vrije Opvoedkunsten'[4] en het verbaasde me telkens weer dat de meeste artikelen, hoewel al jaren oud, toch heel actueel bleken te zijn. Sommige auteurs hielden ook voordrachten en toen ik die begon te bezoeken, kreeg ik een voor mij heel acceptabel wereldbeeld uitgelegd. Zelfs het begrip ‘geest’ kreeg een inhoud waar ik wél wat mee kon.
En met het motto van de onnavolgbare Leendert Mees: ‘don’t say no, just say ‘oh’, [5] kon alles wat ik niet begreep, rustig wachten.

AAN HET WERK

De maanden vóór ik in augustus 1970 met mijn allereerste 1e klas zou beginnen, probeerde ik me zo goed mogelijk inhoudelijk voor te bereiden. Dat betekende bijna vanzelf dat ik ook met de ‘Algemene menskunde’ begon. Immers, dat is toch de gang van zaken: je wil je verdiepen, dus studeer je en probeer je de inhoud van je studie-onderwerp je eigen te maken. Dat lukte nauwelijks: inhoudelijk vond ik het moeilijk; ‘dingen’ onthouden had bijna geen zin; ik voelde onbewust dat het om een heel andere manier van denken ging, maar ook van waarnemen en ik ervoer al snel dat je antroposofie ‘er niet even bij doet’. Ik ben, uiteraard met grotere of kleinere tussenpozen, wel mijn hele vrijeschooltijd met dit boek bezig geweest en het is me vaak opgevallen dat ik dan weer iets las, waar ik de vorige keren kennelijk overheen gelezen had, want de betreffende passage leek me volkomen nieuw.
Door de andere voordrachtenreeksen (GA 294, 295) leerde ik de temperamenten kennen. Eerst was het de zoveelste typologie die ik bestudeerde – dat had ik op de kweekschool al veel vaker gedaan – maar nu deed zich het feit voor, dat de bestudering van de temperamenten [6] eigenlijk geen zin had, zonder ook daadwerkelijk met kinderen samen te zijn. Een frappante ervaring: een theorie die weinig waard blijkt zonder de praktijk van het leven. 

Ik hospiteerde in de verschillende klassen en zag het praktische vrijeschoolleven: de schilder- en tekenuren; de muziek, het periode-onderwijs; de extra hulp aan kinderen met ontwikkelings- en leerproblemen; het niet-Nederlandse talenonderwijs – kortom: het echte vrijeschoolleven.
De andere kant van het verhaal is dus de theorie – wat zijn de achtergronden die tot deze praktijk leiden en hoe maak ik me die eigen.

DE EERSTE VERGADERING

In de week vóór het schooljaar weer zou beginnen, werd de eerste lerarenvergadering gehouden.
Er zou worden gesproken over de ‘ongedrukte passage’. Die was dus aanvankelijk niet in een boekuitgave (GA 293) te lezen.

Steiner laat aan duidelijkheid niets te wensen over: vóór het vrijeschoolwerk begint, wil hij zich ‘bezinnen op de verbinding met de geestelijke werelden‘.
Wij zijn als mens geen wezens die op deze aarde uitsluitend een lichamelijk leven leiden; wij zijn ook ziel en geest. En zoals ons fysieke lichaam leeft op en van deze aarde, zo behoort onze ziel tot de wereld van de ziel en onze geest tot de wereld van de geest, de geestelijke wereld.

En dan zit je in zo’n vergadering, als nieuwkomer met totaal geen vrijeschoolachtergrond of antroposofische kennis, levend in een wereld waarin velen – vaak minder bewust door het vertrouwen in ‘de’ wetenschap – er wel min of meer van overtuigd zijn dat we ‘hogere dieren’ zijn; dat de schepping is begonnen met de oerknal en: niks ziel en/of geest: ‘wij zijn ons brein’.

Dat is ook voor vele leerkrachten de wereld waarin ze leven, de studiewereld waaruit ze komen en die ze meenemen het leven in; waarmee ze op de een of andere manier vrijeschoolleerkracht (willen) worden.

Toen ik later op pas opgerichte scholen werkte, gingen we eenmaal per jaar een weekend ergens heen om ons te bezinnen op ons werk. Omdat de groepen niet zo groot waren, was het mogelijk dat iedereen eens vertelde waarom hij of zij op de vrijeschool werkte. Buitengewoon indrukwekkend vond ik de biografieën van iedere collega; de levensloop van hem of haar die uiteindelijk (ook) naar deze school had geleid. Bij iedereen was de impuls méér van onderwijs en opvoeding te maken, dan ieder op de een of andere manier wel ergens had geleerd. De sterke wil om ‘geen vat te vullen, maar een vuur te ontsteken’ was bij iedereen aanwezig. De sterke wil om kinderen recht te doen: d.w.z. ze in het onderwijs dát te geven, waarom ze onbewust vragen: wat ze vanuit hun natuurlijke ontwikkeling verlangen en nodig hebben.

DE AFSTAND TOT DE WERELD VAN DE GEEST

Maar voor velen – ook voor mij dus – was die afstand naar ‘de geestelijke werelden’ groot. Eigenlijk: onoverbrugbaar groot. Je hoorde erover, je las erover, je wees het niet af, want je voelde ook zeer duidelijk dat het onderwijs waarvoor je zo enthousiast was, er nooit zou zijn gekomen zonder Steiners visie op die geestelijke wereld: als realiteit. Velen deden hun best die relatie met ‘een’ of ‘de’ geestelijke wereld aan te halen – er zijn van Steiner meditaties voor – velen probeerden zich op deze weg te scholen. Ik ook, maar ik moet zeggen dat het mij niet is gelukt. Met vlagen, maar dan kwam de klad er weer in: veel te druk: voorbereiden voor de andere dag; organisatie van de school; (bestuurs)vergadering(en); ouders bezoeken en er was je partner, later je gezin, de verhuizingen, de verbouwingen; er bestond ook nog familie waarvoor je nauwelijks tijd had: een verjaardag door de week: kan eigenlijk niet, ik moet nog zoveel voorbereiden; en de achtergronden en, en…..

Vaak veel te veel en niet hygiënisch wat het levensritme betreft.

NIEUWKOMERS

En dan, als je in de lerarenvergadering zit, bijv. als nuchtere docent wiskunde, die afgekomen is op de vacature en wel iets weet van de vrijeschool als school met een prettig onderwijsklimaat, gaat het over de ‘ongedrukte passage.’

Want vóór Steiner met zijn voordrachtenwerk bij de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart begon, wilde hij zicheerst bezinnen op hoe wij de verbinding met die geestelijke machten nu concreet leggen, in wier opdracht en mandaat ieder van ons in zekere zin zal moeten werken.’
Hij ziet zijn inleidende woorden als ‘een soort gebed tot de machten die de taak hebben imaginerend, inspirerend en intuïterend achter ons te staan, nu wij deze opdracht op ons nemen.’ [7]

Wat ik hier zo beschreef, met een wat persoonlijk karakter, kunnen veel meer vrijeschoolleerkrachten schrijven. We hebben ‘weet’ van een geestelijke wereld, maar er echt in doordringen lukt niet.
Misschien wel bij een enkeling. Maar wie zou van zichzelf durven beweren dat hij dat inzicht heeft. Nog nooit heb ik het van iemand vernomen, noch persoonlijk mondeling, maar ook niet in de vele publicaties over de vrijeschoolpedagogie.

OPDRACHT

We hebben dus enige ‘weet’ van de geestelijke wereld, van geestelijke machten. Maar zo concreet dat we, als we ons werk op de vrijeschool beginnen, er volledig van overtuigd zijn dat we dat gaan doen in de opdracht en met het mandaat van die geestelijke machten?

Later in de voordracht wordt Steiner voor mij concreter: dan gaat hij uitleggen wat er met ‘geest’ wordt bedoeld.

Maar wanneer hij in 1919 zijn 1e voordracht houdt, lijkt het net of al de toehoorders dat al weten en hij geeft ze meteen een handreiking hoe ze de verbinding met deze geestelijke machten kunnen realiseren of in ieder geval proberen te realiseren: in de ongedrukte passage.

DE ONGEDRUKTE PASSAGE

Steiner wilde niet dat de betreffende passage werd gestenografeerd. Ik heb nooit ergens gezien waarom niet, al kun je er wel je gedachten over hebben.

Vond hij de woorden te sacraal voor de drukletter? In de trant van Maria die de woorden van Gabriël in haar hart bewaarde en overdacht. Was dat de bedoeling? In de Duitse uitgave van GA 293 uit 1960 staat de passage niet, wel in die van 1992 en derhalve ook in de vertaling. Waarom werd er besloten Steiners wens niet (meer) te respecteren?

In de vertaling vinden we de volgende tekst:

een soort gebed:
Steiner wilde dus niet dat het betreffende gebed werd gestenografeerd. Het werd door twee cursisten, Caroline von Heydebrand en Herbert Hahn, achteraf als volgt opgetekend.

Notities van Caroline von Heydebrand:

‘Laat ons onze gedachten zodanig richten dat wij het bewustzijn kunnen hebben: achter ieder van ons staat zijn engel, wiens handen zacht op ons hoofd rusten; deze engel geeft jullie de kracht die je nodig hebt. — Boven jullie hoofden zweeft de reidans van de aartsengelen. Zij geven aan elkaar door wat de een de ander te geven heeft. Zij verbinden jullie zielen. Daardoor ontvangen jullie de moed die je nodig hebt. (Uit moed vormen de aartsengelen een schaal.) – Het licht van de wijsheid wordt ons geschonken door de verheven wezens van de archai, die niet een gesloten kring vormen, maar die uit verre oorsprongen verschijnen en in verre verten verdwijnen. Zij dringen slechts als een druppelvorm in deze ruimte door. (In de schaal van de moed valt van de heersende tijdgeest een druppel van het licht der tijd.)’

In de Duitse uitgave staat dit tekeningetje, behorend bij de versie van Von Heydebrand:

ga-293-blz-217

Notities van Herbert Hahn:

‘Wij mogen, omdat wij ons actief op de pedagogie van deze vijfde cultuurperiode richten en ons als leerkrachten daarvoor willen inzetten, voor ogen houden dat de wezens van de derde hiërarchie bereid zijn zich met ons werk te verbinden.

Achter ieder lid van het toekomstige lerarencollege zien wij de engel staan. Hij legt beide handen op het hoofd van de hem toevertrouwde aardemens. En door deze houding en dit gebaar laat hij kracht overstromen. Het is een kracht die aan het te volbrengen werk de noodzakelijke imaginaties meegeeft. Creatief imaginerend, krachtig imaginaties wekkend, staat zo achter ieder de engel.

Gaat de blik naar boven, dan zweeft daar boven de hoofden van de toekomstige leraren een schare aartsengelen. Rondgaand en weer teruggaand in hun kring dragen zij dat wat uit de geestelijke ontmoeting van de enkeling met zijn engel wil voortspruiten, naar ieder van de anderen. En zij dragen het, door de kracht van alle anderen verrijkt, weer naar de enkeling terug. – In dit rondgaan, dat als een geestelijk beeldhouwen aandoet, vormt zich boven de hoofden van de in gemeenschappelijk streven verbonden personen – een schaal. En deze schaal heeft een heel bepaalde substantie: hij is gevormd uit moed. – Tegelijkertijd laten de rondzwevend verbindende aartsengelen in hun beweging, in hun scheppende werkzaamheid inspirerende krachten instromen. Zij ontsluiten de bron van de inspiraties die wij voor ons werk nodig hebben.

Wanneer de schouwende blik nog verder naar boven gaat, bereikt hij het domein van de archai. Zij treden niet als een gezamenlijkheid op. Maar uit hun sfeer, de sfeer van het licht, laten zij een druppel vallen in de schaal van de moed. Wij mogen het zo beleven dat deze lichtdruppel ons geschonken wordt door de goede geest van onze tijd, die achter de stichter en achter de stichting van deze nieuwe school staat. Het zijn scheppende intuïtiekrachten die in dit lichtgeschenk werken. Zij willen in hen die nu het jonge pedagogische werk beginnen, de noodzakelijke intuïties wekken.

Zo neemt, kracht, licht en moed schenkend, de derde hiërarchie aan deze stichting deel. Imaginerend, inspirerend en intuïterend wil zij zich verbinden met ons aardse handelen.’ [8]

IN NAAM VAN DE GOEDE GEEST

Vóór Steiner nader ingaat op wat met geest wordt bedoeld, spreekt hij zijn dank uit. Hij doet dat – de vertaling heeft: in naam van’, dat enigszins dwingend betekent: ‘op gezag van’.
Zou het ook ‘uit naam van’, ‘namens’ kunnen betekenen? Het betekent m.i. toch dat Steiner a.h.w. plaatsvervangend optreedt voor de goede geest, wiens taak het is de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende; wiens taak het is de mensheid te brengen tot een hoger ontwikkelingsstadium in onderwijs en opvoeding uit diens naam dankt Steinerde goede geesten, die ons aller heer Molt de goede gedachte ingegeven hebben om in deze richting en op deze plaats voor de verdere ontwikkeling van de mensheid dat te doen, wat hij door de oprichting van de Waldorfschool heeft gedaan.

Als ‘nieuwkomer’, zal ik nog maar even zeggen, weet je nu in ieder geval dat het tóch om onderwijs en opvoeding gaat, dat dit op een hoger ontwikkelingsniveau gebracht moet worden en dat dit een onderdeel is van de taak van de goede geest, de mensheid te leiden en te verlossen van nood en ellende.

Dan kunnen er wel wat vragen rijzen: wie is die goede geest; wie zijn die andere goede geesten; zijn dat dezelfde als de geesten die genoemd worden in de ongedrukte passage, die ons willen helpen bij ons werk?

Steiner noemt ze hier niet.

Maar bij de vele gelegenheden waarop hij over de geestelijke wereld sprak, in het bijzonder over de hiërarchieën, beschreef hij de aartsengel Michaël als de leidende tijdgeest. Een tijdgeest van wie sterke impulsen uitgaan. Maar die niet zonder de mens gerealiseerd kunnen worden. Hij moet ze begrijpen én ernaar handelen. Ze moeten tot daad worden, alleen wéten is niet genoeg.

Op deze blog staan ook artikelen over de jaarfeesten, waaronder het Michaëlsfeest.

De vele aspecten die in deze artikelen over Michaël geschreven worden, bieden de gelegenheid een dieper inzicht te krijgen in wat met ‘Michaël’ wordt bedoeld.

In Michaël, aarde en mensheid is er sprake van ‘het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel; op de enkeling.

In andere beschouwingen over Michaël wordt hij beschreven als een tijdgeest – een abstractere naam, een idee of ideeën, onstoffelijk, maar zichtbaar gemaakt in wat we dan zien in de kunst waarin Michaël wordt afgebeeld, symbolisch?

Maar bij alles wat rondom deze tijdgeest wordt gezegd, voel je a.h.w. dat ‘het in de lucht hangt’, dat het er is, dat het komen wil: de mens als mens, ongeacht afkomst, ras, sekse enz. Niet meer behorend tot een ras of een natie, maar grensoverstijgend tot ‘het geslacht mens’ (Rosenstock-Huessy). De drang naar vrijheid, naar zelfontplooiing. Wie probeert zijn tijd te begrijpen, ziet het overal om zich heen.
Wie Steiners ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘ ‘kent’ zal vaak zijn tegengekomen dat – het gaat hier om de ontwikkeling van de geestelijke wezens die de hiërarchieën vormen – de ontwikkeling geremd wordt door wezens die in die ontwikkeling niet meegaan, die ‘achterblijven’, die het oude willen conserveren.

Het heeft er veel van weg dat ook in onze tijd ‘de Michaëlische’ ontwikkeling van wegvallende grenzen, grotere verantwoordelijkheid voor het geheel, vrije ontplooiing voor het individu – altijd in de context van meer verantwoordelijkheid voor de gemeenschap – op vele gebieden ook wordt geremd. De grenzen weer dicht? Terug naar de gulden? Eigen volk eerst?

De sociale nood is hoog, in onze tijd nog altijd: honger, armoede, oorlog, vluchtelingen enz.

Ook in Steiners tijd: de 1e Wereldoorlog.

Steiner beweert een antwoord te hebben op de vraag hoe de sociale nood veranderen, verdwijnen kan. Dat is zijn conceptie van de Driegeleding van het sociale organisme‘. Dat is in zijn overtuiging ook het concretiseren van de Michaëlische tijdgeest – wat de geestelijke wereld wil – . Waarop de geestelijke wereld wacht. De spirituele daden van de mens als mogelijkheid voor de geestelijke wereld om zich te ontwikkelen.

De regeringen van Duitsland en Oostenrijk die wel naar Steiners ideeën wilden kijken, doen er uiteindelijk niets mee. De driegeleding zal niet worden gerealiseerd. ‘Geen feest in de hemel!’

Maar dan vraagt Emil Molt aan Rudolf Steiner een school op te richten – vrij van de staat. Dat betekent toch nog iets van de idee van de driegeleding realiseren. Dat is – ik zeg het nu een beetje oneerbiedig – goed nieuws voor de geestelijke wereld.
Zo begrijp ik tenminste Steiners opmerking:

Een feestelijke handeling van de wereldorde,
in een andere vertaling staat een ‘feestelijke gebeurtenis in de ordening der werelden’

Op haar blogMooiteneemt Merel Boon je mee op haar zoektocht naar het wezenlijke van de ‘ongedrukte passage’.

Ruud Gersons spreekt erover op zijn website:
Inleiding, uitleg en vertaling in het Nederlands, klik hier

**Beste Leo
<2>De kans is niet groot dat je dit leest. Toch wil ik het hier uitgesproken hebben: door jou kreeg ik dit mooie beroep: vrijeschoolleerkracht.<2>

Daarvoor ben ik je heel dankbaar!

=

De vraag naar de, of een geestelijke wereld, of naar God, wordt door velen gesteld en dus door velen beantwoord. Dat is vaak zeer verrijkend!
‘Professor, bestaat God?

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Vrije Opvoedkunst – archief
[5] Leen Mees
[
6] Over temperamenten
[7]  imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in De wetenschap van de geheimen der ziel en in Zelfkennis en hoger inzicht, wv-d2, ga 12, 16 en 17 (eerdere vertaling van ga 12: De trappen van het hogere bewustzijn, Zeist 1982).
(Laatst genoemd boek tref ik op de website van Christofoor niet aan, wel De weg tot inzicht in hogere werelden)
[8GA 293/218
vertaald/238-239

.
Meer over blz. 17/18 [1-2-1]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1223-1142
 

.

**

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – nabootsing

De nabootsing bij het kind
.

Dat kinderen alles nadoen wat er om hen heen gebeurt, is bekend. Iedereen heeft wel eens meegemaakt hoe kleine kinderen naast volwassenen gaan staan en hun gebaren nadoen; zij bewegen hun benen, hun handen en schrapen hun keel heel precies zo.
Wie dan ook de gelegenheid heeft, gade te slaan wat jonge kinderen spontaan spelen, zal kunnen constateren dat het zgn. arbeidsspel daarbij een grote plaats inneemt. En geen wonder, want wat is beter in staat het
kinderideaal: volwassen te zijn, te verwezenlijken dan juist de mensenarbeid?
De dartele fantasie waarmee de meest onwaarschijnlijke dingen tot zeer bruikbare attributen van die mensenarbeid worden omgetoverd, wordt met de grootste ernst gehanteerd!

Een enkel voorbeeld van een “arbeidsspel” spontaan door kinderen gespeeld:

Een kind loopt rond met een bakkersmuts op en een kist met blokken, pittenzakken in zijn. handen. Hij roept: “Lekkere broodjes, taartjes te koop”. Hij straalt als ik met een mand in mijn hand het een en ander kom kopen. Daarna gaat hij met nog meer overtuiging ‘verkopen’.

Het is is waarschijnlijk voor de meeste volwassenen wel duidelijk, dat dit  alles gezond en goed spel is. Maar……het is niet altijd zo. Het kan ook gebeuren, dat men onze kinderen aantreft terwijl ze in soort bezetenheid een auto of een straaljager besturen….. en alleen maar dit. Ze zijn de machine zélf en produceren daarbij geluiden die niets menselijks meer hebben. Hun ogen staan wild en er is geen verband meer tussen hen en de omringende mensenwereld.

Hier ligt een verantwoordelijke taak voor ons volwassenen.

Want al kunnen wij niet veel van de invloed, die dit veroorzaakt, weren, we kunnen wel onze kleuters zoveel mogelijk ertegen beschermen, en ze, liever dan b.v. naar Schiphol, meenemen de natuur in. Waar alles nog organisch verband heeft, waar nog stilte te beluisteren valt, waar bet groeizaam is voor hun ontwikkeling en ze niet aangerand worden door de vele heftige indrukken, die de voortbrengselen der techniek teweegbrengen (natuurlijk is het niet altijd te vermijden dat kinderen blootgesteld zijn aan schadelijke invloeden, maar in dat geval is het goed dat men het zich terdege bewust is en voor tegenwicht kan zorgen).

En ook in het zo-even aangeduide spel kunnen, ja moeten we ingrijpen, om ze tot iets positiefs om te vormen. We kunnen de kinderen van deze bezetenheid verlossen door een menselijk doel aan hun gerace te geven. Niet waar: er kunnen toch mensen in dat vliegtuig zijn, die naar vreemde landen reizen en daar uitstappen en van alles beleven! Of brieven en pakken die bezorgd moeten worden. En die auto kan de auto van de groenteboer zijn, die rondrijdt om groente te verkopen.

En nu komen we vanzelf op de arbeidsspelen die wij bewust met de kinderen doen. Extra opbouwende kracht is het, als kleine kinderen kunnen meemaken (niet: uitgelegd krijgen) hoe een ding ontstaat door verschillende ambachten heen, als zij mogen beleven wat er allemaal aan mensenwerk gedaan moet worden voordat het zijn boterhammetje met jam op zijn bordje heeft, die in de eerste oorsprong altijd geschenken van zon en aarde zijn. Dankbaarheid groeit daar op natuurlijke wijze.
Hier volgt een voorbeeld van een arbeidsspel aangepast aan het jaargetijde en het komende jaarfeest:

Dwergenspel;

Zeg heb je ’t al vernomen
De herfst is weer gekomen
Het herfstvrouwtje tovert in het woud
Alles geel en goud.

Hoor de wilde wind eens waaien
hoor hem woelen door het bos
alle takken twijgen zwaaien
en de bladeren breken los.

Liedjes:

Blaadjes val maar neer (2x)
het is geen zomer meer (2x)
blaadjes maar neer

en:

Alle blaadjes klein en groot
worden geel en worden rood
dansen dan wel duizend keer
dwarrelen op da aarde neer
op de aarde neergevlijd
vormen zij een mooi tapijt
lopen wij nu stil en zacht
op die mooie bonte vacht.

Waaiewind waait in de bomen
Maar wij laten ons niet storen
Houden onze mutsen vast
Aan de punt en aan de kwast
Stevig stappen wij zo voort
Zingen blij zoals het hoort.

Hé kijk eens wat hier staat
Rozebottels, rozebottels
rode kralen ia de haag
nu de bloemen weg zijn
kunnen we met jou heel blij zijn
met je rode ronde buikje
en je grappige groene pruikje

En de dwergen plukken hun mondjes vol
zodat ze in hun huisje straks heerlijke jam kunnen maken

Plukken plukken
zonder te rukken

Zeg kabouters kijkt eens aan
zien jullie ook de paddenstoelen staan
Bruine, witte, gele
en ook rode. op lange stelen
Bolletjes, tolletjes, parasolletjes

Kom we gaan nog even bij de smidkabouter langs
(ijzer: Michael)

De hamer slaat de hamer slaat
Op het aambeeld van vroeg tot laat
Het vuurtje vlamt nu rood en fel
De slagen klinken hard en hel
Hij smeedt ’t ijzer voor het zwaard
Hij maakt !t heet en slaat met vaart
Zijn hamer zwaait hij flink en sterk
O hei,  de smidkabouter is aan het werk.

Ben ik dan niet een flinke smid
die met vlijt zijn kost moet winnen.
Dat gaat altijd altijd voort                       ,
Alle dagen zoals het hoort
Van je rikker, de tikker de rikker de tik (2x)

Nadat de dwergen goed meegeholpen hebben, gaan ze naar huis want het wordt al donker.

We zingen:

Michael, Michael hoort ons aan
en laat ons met uw mede gaan.
Door ’t donkere bos en ’t wijde veld
Michael, Michael sterke held.

We komen bij ons huisje, vegen onze voetjes
deurtje open, deurtje toe
O, wat zijn. de dwergjes moe
Maken we een gezellig vuurtje
dan spelen we eerst een uurtje
voordat we jam gaan maken.

Als de kleuters gaan spelen, zie je vaak zo’n spel terug komen. Kinderen die in hun huisje al ’n potje jam gaan maken, of een kind dat de smidkabouter naspeelt. Op deze manier “roest” een .spel niet vast omdat je telkens het kind nieuwe elementen aanbiedt, wat het in zijn spel kan verwerken.

Een ander kringspel i.p.v. ’t arbeidsspel rond dit jaargetijde is het spel van Sint Joris:

Een kind speelt St. Joris. Een paar kinderen achter elkaar met een laken over zich heen zijn de draak en een koningsdochter die in nood is.

De rest van de kleuters zingt het lied terwijl ze in een kring zitten, zij zijn in het paleis.

Komt heffen wij allen een feestlied aan,
kyrieleison
Van ridder Joris, de heilige man
kyrieleison
De koningsdochter is in nood
kyrieleison-
Het lot veroordeelt haar ter dood
kyrieleison

(hierbij moet de koningsdochter treurig kijken)

Maar daar komt ridder Joris aan
(op een stokpaard, in zijn hand een zwaard)

Hij zingt: “Ach jonkvrouw wat is u misdaan”,

De jonkvrouw zingt: “Geofferd word ik ’t wilde dier
dat komt mij nu verslinden hier”

Sint Joris zingt: “Dan zal ik voor u komen staan
en met Gods hulp de draak verslaan.”

Dan komen de kinderen onder de doek eraan, de draak; en Sint Joris verslaat de draak met zijn zwaard.
Het is een zeer geliefd spel bij de kleuters. Vooral de draak en Sint Joris te mogen zijn.
In het vrije spel zie je het dan ook telkens de kinderen uitspelen.

(nadere gegevens onbekend)
Nabootsing
Nabootsing

910-841

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (43)

Boeken over Michael en de herfsttijd

.
.

OVER MICHAËL:

De kringloop van het jaar
Rudolf Steiner, Steinervertalingen

Jaarfeesten
Rudolf Steiner, Steinervertalingen

De jaarfeesten als kringloop door het jaar
Emil Bock, Christofoor

Jaarfeesten
Henk Sweers  Christofoor

LIEDJES EN SPREUKEN

zie: vrijeschoolliederen;   Tineke’s doehoek

Door het rozenpoortje
Maries Theissen, Christofoor

De gouden poort
Beatrijs Gradenwitz, Christofoor

Spreuken en liedjes voor kinderen
Arie Boogert e.a., Christofoor

Het groene boekje
Lena Struik
Hierin bevinden zich ook mooie Michaëls- en herfstgedichten

(PRENTEN)BOEKEN, VERHALEN

Het hele jaar rond
Marijke van Raephorst, Lemniscaat
Ook bekend als: Van Sinterklaas tot Sintemaarten

Aus Michaels Wirken, eine Legendensammlung
Mellingerverlag

Sprookjes van Grimm,
Lemniscaat
Daaruit:
De grafheuvel (195) – De twee gebroeders (60) – IJzeren Hans (136) – Het blauwe licht (116) – De stukgedanste schoentjes (133) – De gouden sleutel (200), Het gespuis (10), Sterke Hans (166)

De drie bruiloftsgaven
Ineke Verschuren, Lemniscaat
(Hier is een aantal verhalen te lezen)

Het verhaal van Sint-Joris
Legenda aurea

De Keltische drakenmythe
Christofoor

De koningszoon van Ierland
Christofoor

Het goud van de armen
Dreissig, Christofoor

Kaboutersprookjes
Christofoor
Daaruit:
De sterke smidsknecht

Zonnegeheimen, deel 4
D.Udo de Haes (Christofoor)

Florinoors herfstboek,
Hermien IJzerman

Sprookjes van de avondwind,
Hermien IJzerman
Daaruit
Het wandtapijt

Het jaar rond (gedichtjes)
Rie Cramer, van Goor
(via de link gedeeltelijk in te kijken)

Het jaar rond
Elsa Beskow, Christofoor

Hansje in ’t bessenland
Elsa Beskow, Christofoor

Okke, Nootje en Doppejan
Elsa Beskow, Christofoor                      bespreking op deze blog

De kabouterkinderen
Elsa Beskow Christofoor

Bloemenkinderen van de herfst
Barker, Ploegsma

Zonneroos, sprookjes uit de Oekraïne
Kluwer
Daaruit:
Iwan van de tsarendochter; Iwan van de keukenmeid

Vier grote Jan Klaasenspelen
A.Weissenberg, Christofoor

JAARFEESTEN EN KINDEREN

Jaarfeesten vieren met kinderen
Barz, Christofoor

Zonnejaargroep: Het Michaëlsfeest vieren
ABC-boeken

JAARTAFEL

De seizoenentafel
van Leeuwen/Moeskops, Christofoor

 .

Michaël: alle verhalen

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël  bordtekeningen e.d.     jaartafel

.

 

.

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (4)

.

Juultje van der Stok, Jonas 2, 26-09-1975

.

DE HERFST ALS FEEST
.

Daar staat de herfsttafel! En of er nu kro­kussen bloeien op die tafel, of koningen op weg gaan naar het kind in de stal, het hele jaar rond wordt gepraat over ‘de herfsttafel’. Als het lage septemberlicht de bedauwde spinnenwebben laat glinsteren en het eerste goudgerande berkenblad het natte gras siert, is er grote bedrijvigheid rond deze centrale plaats in het huis. De kinderen trek­ken naar buiten om herfstschatten te verza­melen die binnen met veel zorg worden ver­werkt, of zo maar op tafel worden neerge­legd.
Déze bedrijvigheid is er alleen aan het einde van de zomer, en voor de kinderen is het een begin van een lange heerlijke tijd die komen gaat.
Als ze met hun volle mandjes voor de herfst­tafel staan hoor je ze zacht tegen elkaar zeggen: ‘Straks staat hier de stal’. Na een lange warme zomer, waarin we op­gingen in alles wat de natuur ons zo uitbun­dig bood, komt nu de tijd dat de plantenwe­reld nog één keer in haar herfstkleuren zal oplichten. Dan verdwijnen licht en warmte uit de natuur die ons omgeeft. De vruchten worden geoogst en de levens­krachten trekken samen in de zaden, die zul­len blijven rusten tot ze door warmte en licht weer worden gewekt. Wij mensen verinnerlijken de krachten die in de zomer werden opgedaan, maar hoeven niet op licht en warmte van buiten te wach­ten. Met bewustzijn en enthousiasme doen we in ons zelf die krachten opnieuw ontkie­men. Alles wordt weer opgepakt en nieuwe initiatieven ontwikkeld (de scholen begin­nen niet voor niets weer tegen de herfst). Kinderen die nog weinig zelfbewustzijn hebben, beleven deze processen intuïtief door het omgaan met de herfstschatten. Op 29 september wordt van oudsher het herfstfeest gevierd. Het is gewijd aan Michael. In het twaalfde hoofdstuk van de open­baring van Johannes staat geschreven hoe de aartsengel Michael, als aanvoerder van het hemelse leger, de draak verslaat en hem uit de hemel op aarde werpt (de val van Lu­cifer). Op afbeeldingen zien we hem met het zwaard, soms met een weegschaal. Verhalen en legenden vertellen, hoe hij staand voor Gods aangezicht mensen leert goed en kwaad te onderscheiden en hoe hij hemels licht in mensen harten, denken en doen kan kan laten doordringen.
En wat doen we in deze tijd dan met de kin­deren, de kleintjes die binnen manden vol eikels omkeren, en de groten, die
kastanje­mannetjes maken, flauwekul vinden? Kleine kinderen kunnen veel beleven aan een plek waar met zorg bijvoorbeeld herfsttakken, een mooie zonnebloem, gekleurde bla­deren, opgewreven vruchten, graanhalmen of gevonden schatten te zien zijn. Wanneer alles wat uit de manden en jaszak­ken tevoorschijn komt, zoals schors, hout, veertjes, eikels, kastanjes, beukennoten met hoedjes of bolsters, bij elkaar op tafel wordt gelegd, en daarbij komen: luciferhoutjes, priem, papier, plasticine of bijenwas, scha­penwol of watten, een tube lijm en voor de kastanjeketting een stevig touw en een brei­naald, die roodgloeiend door de kastanjes heengeprikt moet worden, dan gaan de kin­deren vanzelf aan het werk (en misschien zijn de voorbeelden een hulp). Halve walnoten, die een kaarsje dragen of een zeil, kunnen echt op het water varen. Grote kinderen kunnen zelf een vlieger ma­ken (het Duitse woord voor vlieger is Drache). In sommige streken proberen kin­deren met scherpe voorwerpen aan het vliegertouw, elkaars vliegers los te snijden om zo de draak te overwinnen. Als er gereedschap in huis is kunnen de ou­dere kinderen zelf een pers maken (zie voor­beeld) om de gekleurde blaadjes, en in de zo­mer de bloemen, in te drogen. (Tussen kranten onder een stapel boeken gaat het ook).
Maaltijden kunnen op zo’n feestdag anders zijn dan anders. Uit de grote keus van vruch­ten en granen, die zij zelf hebben zien oogs­ten, of hebben geoogst en waaraan verhalen verbonden kunnen worden, zal iedereen een feestelijke maaltijd samen kunnen stellen. (Denk dan bijvoorbeeld ook aan maiskolven, noten, meloenen, kalabassen…)

.

659-604

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (3)

 

(Marcel de Leuw, Jonas 5, **02-11-1990)
.

VERBORGEN LICHTJES
.

Sint-Maarten staat niet op zichzelf. Het donkere jaargetijde wordt ingeluid door Michael, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaelsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd.
Voor een Michaelsfeest op school kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook
op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.
Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michael is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose

Van 29 september naar 11 november, het Sint-Maartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.
We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar. Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhult.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus.
Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom.
De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen
is geen schande

Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer*

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is  verbonden. Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend

In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar** op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.
Van deze goede bisschop van Myra, een Arabische stad, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het Sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen

Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt – en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.
Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag: wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.
Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.
Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

 

*dit liedje begint zo:

 Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen (vriend is een variatie geworden, evenals
‘komt uit verre’)

[1-1] Jaarfeesten door het jaar
[1-2] Jaarfeesten door het jaar – peuter/kleuterklas

[2-1] Herfst met peuters
[2-2] Herfst: oogstfeest (dorsen, malen, bakken)
[2-3] Herfst met kleuters

[3-1] Michael (20)
[3-2] Michaël (29)

jaarfeesten: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: peuters/kleuters

.

658-604

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten in de herfst

.

(schoolkrant, nadere gegevens onbekend)
.

HERFST – ST- MICHAEL – ST – MAARTEN – ST – NICOLAAS – HERFST

De herfsttijd is duidelijk zichtbaar aangebroken. Het afstervingsprcoes buiten, maakt wat melancholiek. Het is mooi al dit kleuren en die bessen en die paddenstoelen en die fijne vogelgeluidjes, maar ja……
Drie heiligen doen in deze herfsttijd van zich spreken. Drie heiligen in hetzelfde jaargetijdemaar onderling toch verschillend.

St-Michaël29 september, in de natuur vinden we vruchten en een
uitbun­dige kleurenpracht. Het blad valt al. De zon schenkt haar laatste warmte als de ochtendnevel is opgelost. Er is veel te zien buiten. Nu maken we onze herfstwandeling.

St-Maarten, 11 november, de avonden zijn koud en winderig (het kaarsvlammetje in de knol waait steeds uit). Wanten aan en mutsen op. Het is al vroeg donker. De voeten gaan door het bladerenpak op de grond. De vogels hebben zich tegoed gedaan aan de bessen en trekken zuidwaarts.

St-Nicolaas, 5 dec, zijn naamdag is eigenlijk 6 december. Kaal zijn de bomen. De eerste sneeuw, de eerste nachtvorst, er is nog maar weinig te beleven buiten. We eten s avonds met het licht op. St-Nicolaas valt samen met het begin van de advent. De eerste kaarsen branden. Alles speelt zich binnen af.

In de herfsttijd zien we het proces van verinnerlijking, we zijn op weg naar de kerst.

Hebben deze drie heiligen iets gemeenschappelijk? Als we ze eens nader bekijken, dan zien we dat ze als overeenkomst hebben: GEVEN.

St-Michaël, meestal afgebeeld met zwaard of weegschaal. Het zwaard voor de strijd geeft ons de strijdlust en de weegschaal herinnert ons aan
het onontbeerlijke evenwicht: Michaëls gift is voor de geest, dus immaterieel.

St- Maarten geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar ondanks de
spottende woorden van zijn kameraden. De bedelaar wordt in zijn droom Christus. De knol die de kinderen meedragen is een gift van de aarde.
Het kaarsje in de hand duidt al op Kerstmis, maar het licht is nog buiten. Het rondlopen en zingen is vragen om een gift bij bepaalde huizen. Vroeger gaven de welgestelden met St-Maarten de armen een gift.

St-Nicolaas is ogenschijnlijk een feest van de middenstand. Als we ons aan dit idee onttrekken en eens fris naar het feest kijken, dan zien we veel symboliek: het paard is wilskracht, de gekrulde staf duidt op inkeer, het zwart van Piet is het aardse element en het wit van de Sint – het hemelse, de schoorsteen is de verbinding tussen aarde en hemel enz.
Centraal staat bij dit feest de gift. Maar deze gift is anoniem, is voorzien van levenswijsheden en heeft moraliserende bedoelingen. Sint vindt steeds tekortkomingen bij onze levenswandel die met gift en rijmwoorden gesigna­leerd worden. Dan geeft de Sint ons weer een jaar de tijd om met zwaard en weegschaal aan de slag te gaan. Wij geloven in Sint-Nicolaas, hij moet blijven bestaan, ter leringe ende vermaeck!

Drie heiligen begeleiden ons in deze melancholieke tijd. Zij komen vanuit de Middeleeuwen tot ons. En in de Middeleeuwen werden de mensen dagelijks begeleid door de heiligen. In de Middeleeuwen waren engelen en heiligen voor de mensen binnen handbereik. Deze drie heiligen hebben de beeldenstorm overleefd. Zij begeleiden heden ten dage nog steeds het belangrijke proces van de verinnerlijking.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldJaarfeesten – alle beelden
.

657-603

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten in de herfst (1)

.

Hans ter Beek, Steinerschool – nadere gegevens ontbreken
.

Michaël – Sint-Maarten – Sinterklaas

In de herfst vieren wij op school 3 feesten, nl.

op 29 september     – Michaël
op 11 november      ~ Sint-Maarten
op  5 december      ~  Sint-Nicolaas.

We kunnen dit als een trits van drie herfstfeesten beschouwen, waarvan sinterklaas duidelijk is uitgegroeid tot een nationaal feest.
Twee vragen doemen dan op:
Hebben deze herfstfeesten iets met elkaar van doen?
Hoeveel feesten zijn er eigenlijk?

Eerst even ingaan op de 2e vraag

Voor het kleine kind, kleuter en onderbouwer lijkt het wel of we van feest naar feest gaan. Zo beleeft hij het. De feesten zijn inderdaad de hoogtepunten van het jaar, denk maar eens aan de verjaardag; hoe geweldig belangrijk is dat toch! De jaarfeesten zijn voor het kind, maar toch eigenlijk ook voor de volwassen mens, wat de maaltijden zijn in de dag. De maaltijden, of ze nu iets feestelijks hebben of niet, vormen toch de vaste punten van onze dagindeling, en hoe jonger het kind, hoe belangrijker dat is. En zoals de maaltijden er zijn om ons lichaam te voeden, zo zijn de jaarfeesten het voedsel voor onze ziel. Het zijn er 9 in totaal.

In de 1e klas kun je bij de kwaliteiten van de getallen, voor het getal 9 (nog geschreven als Vllll of lX zeggen: DE 9 FEESTEN VAN HET JAAR. Eigenlijk merkwaardig. Je zou er misschien minder verwachten, 4 of 5, of veel meer: eerder 12 dan 9. Hoe zit dat? En welke feesten zijn het? Eerst maar de 9 feesten:
1.Michaël
2.Sint-Maarten
3. Sinterklaas
4.Kerstmis
5.Driekoningen
6.Pasen
7.Hemelvaart
8.Pinksteren
9.Sint-Jan

Er ontbreken dus in deze rij bv. advent, nieuwjaarsdag, carnaval, Palmpasen. Daar wil ik nu niet op ingaan. Wel wil ik deze NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR nog aanvullen tot twaalf, maar met dien verstande dat dat voor ieder kind individueel geldt:
10.IK ben jarig.
11.De meester/juf is jarig.
12.De koning(in) is jarig.

Het is duidelijk dat deze van een andere orde zijn dan de 9 feesten van het jaar.
Laten we nu nog even naar de eerste vraag kijken. Hebben de eerste 3 feesten iets met elkaar te maken?
Inderdaad, het zijn feesten van 3 heiligen: Sint-Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas (Michaël is een aartsengel, maar wordt als een heilige beschouwd). De feesten vallen in de herfst en zijn feesten van het lichaam.

De 2e groep van 3 feesten : Kerstmis, Driekoningen en Pasen zijn de feesten van de ziel, dwz.: feesten van het heden, feesten van de gemeenschap.

De 3e groep van 3 feesten tenslotte: Hemelvaart, Pinksteren en Sint-Jan zijn de feesten van de geest, dus waarin nog veel meer het bovenzinnelijke beleefd wordt en waardoor ze ook des te moeilijker te vieren zijn; maar daarover een andere keer.

Wat de eerste 3 feesten betreft zien we ook iets merkwaardigs:

MICHAËL – Strijd met de Hemelse Draak die hij niet doodt maar uit de hemel werpt, niet op maar naar onder de aarde verbant. Het is het beeld van het DENKEN. Een heldere, zuivere gedachte is als een scherp zwaard en krachtiger dan het fysieke gebruik van het zwaard.

ST.-MAARTEN – In alle St.-Maartenslegenden valt op dat hij, die zoon was van een Romeinse legerofficier, het zwaard niét wilde gebruiken om mee te strijden; ook gebruikt hij dit niet om het als een ploegijzer te gebruiken, hij gebruikt het om zijn mantel ermee door te snijden. Het is het feest van het MEDEDOGEN, van het voelen. Deze kracht is zo sterk dat hij indertijd het Christendom over heel Europa heeft verspreid, getuige de tal van St.-Maarten – of St.-Martinuskerken, van Amiëns tot de Domkerk in Utrecht, de St.-Martinuskerk in Groningen, als ook die in Cuyck.

NICOLAASZijn naamdag is 6 december, zoals we vroeger tot onze verbazing ineens ontdekten, toen we voor het eerst een agenda inkeken. Maar slechts in Nederland en Vlaanderen wordt Sinterklaas hoofdzakelijk gevierd op de vooravond van de naamdag, evenals de avond van 24 december kerstavond heet.
St.-Nicolaas werkt op het WILLEN van de mens. Hij staat erom bekend dat hij vrijgevig was, maar niet willekeurig vrijgevig, geen kostbare zaken die een bevrediging geven van je verlangen. Een typerend sinterklaasgeschenk was (en is nog steeds) de ‘vrijer’ of ‘vrijster’, een grote speculaaspop. Maar die werd alleen gegeven aan jonge mannen en vrouwen die nog vrij waren en dus nodig een vrijer of vrijster moesten vinden.

In de overlevering hoort St.-Nicolaas geweeklaag uit een openstaand venster. Hij blijft stilstaan en luistert, en begrijpt dat de man zijn 3 dochters publiekelijk moet verkopen, als slavin of aan een bordeel, omdat hij te arm is voor hen een bruidsschat te geven, die nodig was voor een ordentelijk huwelijk. Drie maal achtereen vindt de vader nu een zakje met goud in de schoenen van zijn dochters, waardoor het lot van deze meisjes wel een totaal andere loop neemt.
Daarom is het ook onze opgave de kinderen niet zozeer te overladen met geschenken, maar ieder die geschenken geeft moet op zoek gaan naar datgene wat de ander nodig heeft om zijn weg goed te vervolgen. In de klas kan dit bijvoorbeeld zijn: een eigen puntenslijper, omdat hij of zij die altijd komt lenen. Daarom kennen we ook de surprises en de sinterklaasgedichten, waarmee de maker tracht ‘iets van dat moeilijke gebied van het lot te ontdekken. Tenslotte is interessant om op te merken dat bij St.-Nicolaas het zwaard ontbreekt, en de pen de plaats van het zwaard heeft ingenomen, zodat we een soort metamorfose hebben van: ~ Michaël ~ denken door te doen. – St.-Maarten – voelen door invoelen en te delen. ~ Sinterklaas – willen door zich in te denken in de ander.

Daarom is het goed deze 3 herfstfeesten, de 3 feesten van het LOT, intensief te vieren en het wezenlijke van het feest daarin tot zijn recht te laten komen.

.

Jaarfeestenalle artikelen 

Vrijeschool in beeldjaarfeesten   jaartafels

.

656-602

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (40)

.

Marika Ortmans Uit: ‘Wees stil mijn hart. Innerlijk leven met de jaarfeesten’, Uitgeverij Vrij Geestesleven. In Weledaberichten 166, najaar 1995
.

Het Michaëlsfeest
.

Een oogstfeest

Een lange draak van groengeverfde la­kens met daaraan vast een gevaarlijke kop, met vuurspuwende neus, sluipt voorzichtig, door vele kinderbeentjes gedragen, tussen de goudkleurige bo­men van het park. Hij wil zich verstop­pen, maar zijn lange lijf is duidelijk zichtbaar en verraadt hem. Kinderen die hem ontdekken, bekogelen hem met vruchten, door ouders en leerkrachten van papier-maché gemaakt. Onder luid gejuich en geschreeuw valt de draak neer. Hij is overwonnen. Ik ben erbij en denk na. Wat drukt dit beeld uit? Waarom sluipt op het feest van aartsengel Michaël een draak door het herfstige park en waarom wordt hij met zelfgemaakte vruchten bevochten?

Levenskiem

Het is herfst, de zomertijd is voorbij, de oogst zo goed als binnen, bloemen zijn er bijna niet meer, bladeren vallen van de bomen en vele vogels trekken naar warmere streken. De dagen worden kor­ter, de nachten langer. De duisternis lijkt het licht te overwinnen. In deze tijd trekt aartsengel Michaël ten strijde om de draak van de duisternis te verslaan. Hij wijst op de oogst en de levenskiem die in deze oogst verborgen ligt. Het feest van aartsengel Michaël wordt op 29 september gevierd. Voor velen is het een onbekend feest en toch is het al heel oud.

Rudolf Steiner heeft dit feest weer naar de voorgrond gehaald, omdat in het tijdperk waarin we nu leven duidelijke ‘herfstige’ verschijnselen zichtbaar zijn. In het seizoen van de herfst zien we dat het leven zich terugtrekt, bladeren val­len en alles wordt kaal. In de herfsttij van onze tijd zien we dat het leven zich terugtrekt, maar dan uit het leefmilieu, door een op de uiterlijke natuur gerichte natuurwetenschap, door het veelvuldige gebruik van de dode, starre taal van het verstandelijk denken en niet in de laat­ste plaats door onze liefdeloze omgang met de natuur. Het wordt donker. Hoe kan aartsengel Michaël de draak van de duisternis verslaan?

Aartsengel Michaël werd vroeger de be­schermgeest van de herfst en de behoeder van de vruchten en het graan ge­noemd. In deze vruchten en in dit graan ligt een nieuw levensbegin verborgen, en men zei dat aartsengel Michaël hierover waakt. Uit dankbaarheid hiervoor wer­den in die tijd aan Michaël oogst- en dankfeesten gewijd. Over welke oogst zal aartsengel Michaël in dit herfsttijdperk waken?

In het Nieuwe Testament (Openbaring van Johannes, hoofdstuk 12) komen we aartsengel Michaël tegen als de be­schermer van de hemel. Hij voert zijn hemelse heerscharen aan in de strijd te­gen de draak, die de plaats van God wil innemen. Michaël wint deze strijd en werpt de draak op de aarde.

Scheppingskracht

Rudolf Steiner vergelijkt deze draak met het verstandelijk denken. Vanaf het moment dat de draak op de wereld kwam, zo zegt hij, werd de mens geconfronteerd met dat wat uit het menselijk hoofd stamt. Was de mens in vroeger tijden meer met de godenwereld ver­bonden – maar dan vanuit een dromeri­ge persoonlijkheid – nu zien we het te­genovergestelde gebeuren. De mens wordt wakkerder in zijn persoonlijkheid en verliest daarmee grotendeels het contact met de geestelijke wereld. De deur naar de geestelijke wereld, waarin de mens als een paradijselijk wezen vertoefde, werd gesloten. De buitenkant van de verschijnselen, het zichtbare, meetbare werd steeds belangrijker. Dit heeft in de tijd waarin we nu leven ge­leid tot een zekere onafhankelijkheid van de mens ten opzichte van de gees­telijke wereld, een eerste voorwaarde voor vrijheid. De vraag is nu of de mens, met behoud van het moeizaam verworven vrijheidsbewustzijn, in staat is om vanuit een krachtige en sterke individualiteit ook in de geestelijke we­reld te ontwaken. Zijn wij in staat om een leerproces aan te gaan dat ons de mogelijkheid verschaft een blik te wer­pen achter de uiterlijke levensvormen? En zijn wij in staat het spel der elemen­ten te aanschouwen waaruit deze vor­men zijn voortgekomen? Een groeiend inzicht in deze scheppingskrachten lijkt vooral in deze tijd van groot belang, willen we meer kennis krijgen van de diepere bedoelingen van de wereld om ons heen en antwoorden vinden op de dringende vragen die ons nu worden gesteld over de schepping in herfststemming. Tot deze scheppingskrachten en het scheppingsproces krijgen wij echter niet gemakkelijk toegang.

In Italië, in de bergketen van de berg Monte Gargano aan de Adriatische Zee, ligt een van de vele heiligdommen die aan aartsengel Michaël zijn gewijd. Bo­ven de deur van het portaal, waardoor je moet lopen om bij het heiligdom te komen, staat:

Terribilis est locus iste. Hic domus Dei et porta coeli.

De betekenis van deze woorden is: ‘Verschrikkelijk is deze plaats. Hier is Gods huis en de poort naar de hemel’.
Aartsengel Michaël is de beschermer van deze hemel. De poort van de herfst, van de duisternis, leidt naar de schep­pende krachten van de geestelijke we­reld. Deze poort is niet gemakkelijk te openen. Maar wordt deze poort geo­pend, dan vinden we in dit heiligdom in de bergketen van de berg Monte
Gar­gano een beeld van Maria en haar kind. In dit seizoen, waarin de duisternis het licht wil overwinnen, wijst Michaël ons naar de scheppende krachten in de kiem van de oogst.

Wanneer we dit natuurbeeld en het beeld van het heiligdom van aartsengel Michaël als zielebeelden in ons opne­men, kunnen we ons afvragen wanneer wij in staat zijn de porta coeli te openen die ons toegang geeft tot deze kiem van scheppende krachten. Ik denk dat het belangrijk is om dan al­lereerst te leren de oogst van vruchten en levensvruchten in dankbaarheid te aanvaarden, iets waar aartsengel Mi­chaël ons in deze tijd toe oproept.

Bescherming

Het Michaëlsfeest is een oogstfeest dat gevierd wordt in een tijd dat de draak van de duisternis rondwaart. Dit oogst­feest draait om de bescherming van het nieuwe levensbegin dat in de oogst ver­borgen ligt.

Het Michaëlstijdperk, waarin wij nu le­ven, wordt ook gekenmerkt door
toene­mende duisternis, de draak van het een­zijdige, verstandelijk denken. In dit don­kere tijdperk is het meer dan ooit be­langrijk dat we het oogstfeest van de on­zichtbare zielevruchten vieren en wa­ken over de kiem van nieuw leven, die in deze zielevruchten verborgen ligt. Aartsengel Michaël vraagt dan ook aan ons of we deze oogst dankbaar in onze ziel willen ontvangen en, gelouterd van de diepere bedoelingen van deze oogst willen leren. En dat kan van de levens­vruchten van een jaar, van een mensen­leven of zelfs van de hele mensheids­ontwikkeling zijn. Al deze ziele-indrukken, deze levensvruchten, zijn voortge­komen uit de liefdesbron van de geest, en wanneer we ze met een ‘levend den­ken’ kunnen opnemen en begrijpen, zullen ze ons eens in staat stellen om ook uit onze eigen liefdesbron vruchten van hogere geestkiemen voort te bren­gen.

De draak sluipt door het park. Kinderen bekogelen hem met vruchten. De vruchten symboliseren de levensvruch­ten die wij onze kinderen kunnen meegeven. De draak is het levenloze, de duisternis, die in deze tijd de overhand dreigt te krijgen. Door de levensvruch­ten in dankbaarheid te oogsten, door de draak hiermee te bestrijden, kan de duisternis overwonnen worden en nieuw leven weer ontluiken. Een beeld van deze tijd. Een herfstspel met diepe inhoud!

 

Michael Cabellut

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michael    jaartafel

.

640-588

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (3)

.

 SINT-NICOLAAS/ADVENT

       

Confrontatie met ons eigen oerbeeld

Advent is een raadselachtige tijd, bijna even populair als Kerstmis en even problematisch als Kerstmis, als we het wezenlijke ervan proberen te ervaren door alle veruiterlijking heen. Het karakter van de adventstijd treedt misschien wel het meest volledig aan de dag bij het St.-Nicolaasfeest, dat meestal in de eerste adventsweek valt en soms in het begin van de tweede week. Het geschenkenfeest, met alle daaraan verbonden winkelactiviteiten, overstroomt het begin van advent.
Over het algemeen hebben de bloemenhande­laren pas na 6 december dennengroen in huis. Wie het op de eerste adventszondag hebben wil, krijgt het op speciale bestelling in een wat grotere hoeveelheid. Binnen de handel zelf is er voor de voorbereiding van advent geen plaats. Men kan zich indenken hoe dit doorwerkt in de gezinnen die binnen de productie- en handelssfeer hiermee te maken hebben – en dat zijn er heel wat – maar even­zeer binnen de consumptiesfeer – dat zijn we allemaal -.
Het zo belangrijke ritme van vier zondagen wordt doorbroken en tot drie of twee gereduceerd en daarmee ontkracht. Dit is weliswaar een specifiek Nederlandse si­tuatie, maar is in zijn tendens algemeen gel­dig. Deze veruiterlijking verbergt ook de ware gestalte van St.-Nicolaas als adventsheilige.

St.-Nicolaas vraagt ons immers rekenschap van onze daden. Hij is als ‘oude van dagen’ (meer dan honderd jaar oud) de vertegen­woordiger van de eeuwigheid. Aan de eeuw­igheid worden onze daden gemeten. De eeuwigheid (het boventijdelijke) is heilig, dat wil zeggen een uitzonderingstoestand, ‘norm’ in de goede zin van het woord.
Zwarte Piet hoort er noodzakelijk bij; hij is de wreker, maar wel in dienst van St.- Nicolaas, het beeld van de goede lichtmachten (het witte haar) en liefdekrachten (de rode mantel). De geschenken die St.-Nicolaas geeft, zijn geen geschenken zonder meer, maar in hun ware zin een correctie op onze tekortkomingen. In de zak gaat iemand slechts in het uiterste geval en humor behoort het zware gewicht van de ernst dragelijk te maken. De huivering van het kind voor Sint én Piet zijn gezond omdat ze de huivering voor echte mensheids­waarden zijn. De volwassene kan zich heel aan het begin van de adventstijd afvragen in hoeverre hij kan staan voor datgene wat hij in wezen is.

Het evangelie dat sinds vele eeuwen op de eerste adventszondag in de christelijke mis gelezen wordt, is Lukas 21 en het eindigt met de woorden: ‘Hemel en aarde zullen ver­gaan, maar mijn woorden zullen niet vergaan’. In de verzen 25-33 die in de mis gelezen wor­den, worden catastrofen in de kosmos en op aarde beschreven en wordt gemaand daarop te letten opdat men wakker kan zijn wanneer het gebeurt.
In de Mensenwijdingsdienst (de godsdienstoefening van de
Christengemeen­schap) wordt verder gelezen tot vers 36 en dat betekent dat er iets zeer wezenlijks aan toegevoegd wordt: ‘Zorgt ervoor dat uw har­ten niet afgestompt worden door roes, be­dwelming en zorgen voor het dagelijks leven… opdat gij de kracht zult hebben zonder schade door dit alles heen te gaan en te kunnen staan voor de Mensenzoon’.
Aan de mens wordt dus de taak gegeven zo met de verleidende en boze machten om te gaan dat hij sterk wordt en rechtop kan staan voor de Mensen­zoon, het oerbeeld van de mens, zoals hij in wezen is.
De adventstijd brengt de confrontatie met diegene die we eigenlijk zijn in ons eigen oerbeeld. We kunnen de vraag stellen in hoeverre we daaraan beantwoorden.

Het verschil in het beleven van hetgeen in de rooms-katholieke kerk gebeurt en dat wat door Rudolf Steiner werd bemiddeld ont­staat daardoor, dat het oude Christendom (de rooms-katholieke kerk) wel een feestdag van de aartsengel Michaël kent op 29 septem­ber, maar geen daarop volgende echte feest­tijd, waarin een beroep wordt gedaan op de krachten van de mens, die zich weer kunnen gaan richten op de wereld van de geest. De roep die uitgaat van Michaëls naam: ‘Wie is als God’ klonk vroeger als een waarschuwing tegen hoogmoed, maar kan nu als een oproep tot innerlijke activiteit klinken, die in alle deemoed wordt voltrokken. Daardoor krijgt de maand november, waarin de doden wor­den herdacht, een ander karakter. De doden zijn immers degenen, die ons zijn voorgegaan en die ons blijven voorgaan in een louterings­proces, dat de rooms-katholieke kerk beleef­de als straf, het vagevuur, waar de ziel zo kort mogelijk moest verblijven. Voor het volksgeloof kon men het verblijf daar bekor­ten door voorbede en zielenmissen. Men kan deze eerste tijd na de dood ook an­ders beleven: als een ontwikkeling aan de hand van de ervaringen, die in het aardse le­ven zijn opgedaan. Die ontwikkeling maakt men door doordat men zichzelf in zijn ware gestalte beleeft, positief en negatief. Steiner noemt deze periode met een oud Indisch woord het kama-loka. Het verblijf in dit kamaloka is wel pijnlijk maar kan positief er­varen worden als een hulp op de verdere ont­wikkelingsweg *)

De moed die Michaël geeft, stelt ons in staat met de gestorvenen in deze zin mee te leven door positief helpend aan hen te denken en hen in vrijheid over te laten aan de eigen ont­wikkeling. Er ontstaat door Michaël een an­dere verhouding tot de dood. De zogenaam­de doden zijn immers geestwezens die met hun eigen oerbeeld geconfronteerd worden, doordat daden en ervaringen gemeten wor­den aan geestelijke moraliteit. Dat zet zich nu voort in de adventstijd. Om dit te begrij­pen moeten we naar een andere kant van ad­vent zien. Het is een tijd van verwachting, verwachting van het kerstfeest. Verwachting kan zich – naar zijn aard – niet op het verle­den richten; dan is het herinnering. Verwachting richt zich op de toekomst, op iets wat wil komen. Misschien is de adventstijd wel zo veruiterlijkt omdat de mensen zich gingen richten op de herdenking van hoe eens de Christus verwacht werd en niet meer op de verwachting naar de toekomst vanuit het nu. Dan krijgen we een leegte die om vulling vraagt. Wanneer er geen geestelijke inhoud aan gegeven kan worden, dan wordt de leeg­te gevuld door de commercie, die precies weet waar onbevredigde behoeften leven. De verwachting kan ook een andere vervulling krijgen, die van een heiland, een messias, een profeet in uiterlijke gestalte. Daarvan kennen we er ettelijke, de laatste tientallen jaren in allerlei variaties, van Lou de Paling­boer tot Moon en de opdrachtgever van Ben­jamin Creme. Merkwaardig is dat deze ver­wachtingen wel allemaal aanknopen aan het algemene verwachtingskarakter van onze eeuw, maar niet direct aan de adventstijd van het jaar.

De adventstijd vindt zijn plaats in de loop van het jaar en wel in de tijd dat de dag steeds korter wordt en de nacht steeds langer. Rondom Michaël kan het korter worden van de dag drie à vier minuten per etmaal bedra­gen, rondom 21 december gaat het om se­conden per etmaal. Dat is een zich verlang­zamend proces. Je merkt dat het met het donkerder worden op zichzelf al stiller wordt, maar dat het als het ware langzamer verlopen van het tijdsproces deze stilte nog eens extra nadruk geeft. De beide zonnewen­des, in de winter en in de zomer, kennen dit verschijnsel. En in de stilte kunnen de zielen ontvankelijk worden voor het komende. Wat blijft er over van een muziekstuk dat tijdens gepraat begint? Is de stilte niet absoluut noodzakelijk om de eerste zo belangrijke toon op te nemen?

Deze stilte is in zijn meest volmaakte vorm in de dood te vinden. Wie beleeft het niet als een storing als er bij een opgebaarde gestor­vene zelfs maar het gebrom van een ventila­tor hoorbaar is? Maar in de stilte van de dood komt het wel op onze geestkracht aan. Wie er ervaring mee heeft, weet dat het vaak moeilijk is een gestorvene in huis te hebben, maar ook dat je er sterker aan wordt.
Wie het verhaal van Parcival kent, kan hier aan Sigune denken die vele jaren waakt bij het lijk van Schionatulander en daardoor de gees­telijke leidsvrouw kan worden voor Parcival op de meest kritieke momenten van zijn le­ven. Dit kunnen ‘staan’ voor de dood kan een voorbereiding zijn op het ‘staan’ voor de Mensenzoon. Als oerbeeld voor de mens is de Mensenzoon norm voor en oordeel over ieder mensenwezen.

Elke dood is ook een catastrofe, ook een voorlopig oordeel (geen ‘laatste’ oordeel). Sterven wil zeggen: deze uiterlijke wereld los­laten en helemaal alleen op het innerlijk ver­trouwen. Het wegvallen van het uiterlijke kan catastrofaal zijn. Deze catastrofe kan het innerlijke leven versterken als we reeds tijdens het leven de betrekkelijke waarde van de uiterlijke wereld doorzien. Dat kan ons een hulp zijn om ondanks de tegenwoordige ‘viering’ van de adventstijd tot een verinner­lijking te komen van deze periode, die ons leidt naar Kerstmis.

.

(Jacobus Knijpenga, Jonas 7, 27-11-1981)
.

*)Literatuur: R. Steiner:
De dood, een andere vorm van leven
Mens, lot en ont­wikkeling

F. Husemann:
Het gezicht van de dood (Christofoor),
S. Drake:
Over de dood zwijgen? (Christofoor)
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

304-284

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (39)

.

MICHAËLSSTEMMING EN MENSELIJKE FYSIOLOGIE

We zijn als leraren deskundigen op het gebied van het jaarritme. Daarbij is de blik echter meestal sterk naar buiten gericht: op de natuurprocessen. Edmond Schoorel, kinderarts, belicht “Michaëlsprocessen” in de mens. De diepten van de menselijke ademhaling en spijsvertering worden in dit artikel betreden.

In een aantal afleveringen zal geprobeerd worden om de loop van het jaar – de seizoenen en de jaarfeesten – op te zoeken in de mens. We zijn immers een microkosmos: Michaëls drakenbestrij­dende zwaard en de rijpe gekleurde goudreinetten moeten ook in de lichamelijkheid van de mens hun plaatsje hebben.

Zijn het vlijmscherpe woorden en gedachten die de ander de mond snoeren, is het het uitgerijpte idee dat in de ziel kan opstijgen, of het enthousiasme dat onbekende wegen ontsluit? Rond Michaël kijken we in gedachten even terug naar Pasen: daar ontkiemde het nieuwe, de aarde wendde zich opnieuw tot de zon, de dagen lengden. In het begin van de herfst kijkt de aarde (en wij met haar) verrast-verbaasd naar de schatten die de zomer haar heeft gebracht: vruchten, die nieuwe zaden bergen.

Wanneer we de weg van de adem naar binnen toe vervolgen, vinden we verbrandingsprocessen. De opgenomen zuurstof-levensstof wordt met behulp van ijzer in het bloed vervoerd naar de weefsels. Daar is zuurstof de noodzakelijke stof, de noodzakelijke voorwaarde voor alle levensprocessen, die verbran­dingsprocessen zijn. Wat ontstaat er? Warmte na­tuurlijk, die wordt als het ware vrij-getoverd; en koolzuur: een verbinding van zuurstof met koolstof-aardestof. Zuurstof wordt aards, koolstof wordt levend. De mens schenkt de aarde het leven door zijn eigen substantie te verbranden. Waar dient het koolzuur voor? Voornamelijk om uitgeademd te worden en voor een klein deel voor de mens zelf. Daarmee worden verbindingen gevormd, bijv. kalkzouten, die onze botten nodig hebben om vast te worden.

Tussen de regels door zijn we het bloed ook al verschillende malen tegengekomen: als bemiddelaar, als vervoersorgaan tussen alle genoemde processen. Is het bloed dan alleen passief, moet het alles maar over zich heen laten komen, weerloos slachtoffer van de ademprocessen en stofwisselingsprocessen? Dat is het inderdaad! Maar dat alles wordt wel waargenomen, bemerkt. Ons arme hart neemt al kloppend alsmaar geïnteresseerd waar wat zich afspeelt op de weg van de adem naar binnen. Het hart doet er zelf niets aan, merkt het alleen op. Wat we er mee doen, hangt dan weer van onszelf af, daarin zijn we vrij.

Het jaar schrijdt voort, de aarde maakt zich klaar voor de winter. De feestelijke overdaad van de zomernatuur verdwijnt, vruchten en zaden worden onder de bladeren geborgen, de eerste sneeuw doet er straks nog een laagje overheen. De herfststormen maken duidelijk dat we in tijden van wisselvalligheid en verandering leven.
De heiligen van de herfsttijd maken ons zichtbaar dat er eerst geschonken moet worden, voordat we straks met kerst mogen ontvan­gen. Het beste wat de zomer ons gebracht heeft, de vrucht van warmte en kleur, wordt belangeloos ter beschikking gesteld van het nieuwe dat komen gaat: het nieuwe van Kerstmis, het nieuwe van het volgende voorjaar. De uitbundigheid van de zomer, maar ook van de herfstgloed verandert in innerlijk­heid.

Een avontuurlijke en gevaarlijke weg volgt ons voedsel. Op de lange route van de mond via de maag door de dunne darm, wordt de voeding ver­kleind, opgelost, gesplitst, gemengd, verzuurd en weer alkalisch gemaakt. Een efficiënt afbraakproces zien we voor ons; met de grootste zorg worden agressieve processen gestuurd en beteugeld. Waar leidt dat allemaal toe?

Onze spijsvertering heeft twee doeleinden. Natuurlijk moet het voedsel, dat we rauw of bewerkt uit de natuur ontvangen, zó omgevormd worden, dat het de darmwand kan passeren. Dat kan alleen met die stoffen die sterk vereenvoudigd zijn: waaraan niet meer te ontdekken valt van welk voedingsmiddel ze afkomstig zijn. De natuur, voorzover die ons tot voeding dient, offert haar eigenheid op gedurende de spijsvertering. De stoffen die als bouwsteen in het voedsel hebben gewerkt kunnen dan als onbe­stemde substantie door de darmwand opgenomen worden en de lymfe vormen, die lymfe kan weer overal in het lichaam ingezet worden als drager van menselijke processen en menselijke substantie. Dat is de ene kant van de spijsvertering. De andere kant komen we op het spoor als we ons afvragen wat er gebeurt met de eigenheid, de her­kenbaarheid van het voedsel. Verdwijnt dat in het niets, of heeft die ook nog een opgave? Hier zou een uitgebreide beschrijving passen van het ontstaan van planten- en dierensubstantie. Op z’n kortst kan gezegd worden, dat de “idee” van een plant zicht­baar wordt in die bepaalde plant die we als voeding gebruiken. In de spijsvertering komt die idee, dat bouwplan weer vrij, nl. ter beschikking van de mens, ten dienste van zijn opbouw en gezondheid. Zo levert de spijsvertering twee substantiestromen op: een zichtbare lymfe en een onzichtbare lymfe. Dit hele zorgzame, in warmte gehulde proces is alleen nog maar voorbereiding. Wat we er mee doen ligt in onze vrijheid. Welke menselijke substan­tie er ontstaat, welke mens er geboren kan worden, daarvan vertelt ons de kersttijd.

(E.P.Schoorel, Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

301-281

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – alle artikelen

.

[1] Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd
Maarten Udo de Haes
overseizoenen; dag- en nachtevening; evenwicht; symbool zwaard/weegschaal; vrede; Holbein: Michaël met zwaard en weegschaal.

[2Knutsels
bladeren zie spatwerk; dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje; draak van grillige tak; draak vliegende; grasmatje; herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels; herfsttafel; kaars met draak; kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin; kijkdoos; koffertje; kransen en slingers; mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad; schimmenspel van een michaëlsverhaal; slang; slingers zie kransen; spatwerk met bladeren; transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant; versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier; vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger; vrouwtje appelwang; waaiewindje; weegschaal;

recepten: brooddraak; rozebotteljam; vlierbessensap.

[3] Tussen zwaard en weegschaal
Marieke Anschütz over: onstuimige elementen; moederschap; zwaard en weegschaal; ijzer en koper;  Rogier v.d. Weyden: Michaël.

[4] Omwille van enthousiasme en moed
Jakobus Knijpenga over: Michaël in ’t verleden en voor de toekomst; Steiner en Michaël; huidige praktisch ingestelde generatie en Michaël; moed.

[5] De hedendaagse strijd van Michaël
Elisabeth Klein over: er is een nieuwe manier van kijken naar de natuur nodig; wat zijn elementairwezens; antroposofie spreekt erover dat ze ‘verlost’ moeten worden; in Kleins ogen tref je daar ook een strijd van Michaël aan; de zeven dwergen als elementairwezens en de betekenis van Sneeuwwitje.

[6] Vieren wij werkelijk Michaëlsfeest?
Reijer Ploeg over: de zomer als uitademing; ‘ken uzelf’ en ‘ken de draak in u’; intellectuele kilte; hartewarmte; voer Michaëlsstrijd in jezelf!

[7] Michaël
P.C.Veltman
over: plaats van het feest in het jaarMichaël vroeger en nu; hoe vier je dit feest? Wat is de draak.

[8] Losmakingsproces
Wendela van Mansvelt over: afwegen in het gezin: opvoedingssituaties; loslaten: moed nodig; weegschaal als grens van goed en kwaad.

[9] Michaël, aarde en mensheid
Jacobus Knijpenga over: gebeurtenissen rond geboorte en sterven; levenslot, biografie, engelen, draak; geen naties; vrijheid; ontwikkeling individu; verantwoordelijkheid; tijdgeest.

[10] Michaëlsverhalen
Alle verhalen.

[11] Hoe spreekt Michaël nu tot ons
E. Plessen over: hoe kan ik toegang vinden tot ‘Michaël’; wat zijn Michaëls ‘woorden’; Kalawala; ijzer.

[12] IJzer, zwavel en het Michaëlsfeest
Emmy de Groot
overzwavel in natuurkunde; in menselijke lichaam; ijzer in natuur(kunde); in menselijk lichaam; pyriet; illustratie meteoorijzer en zwavel.

[13Grenzen van de groei en groei van de grenzen
Walter Kugler
over: angst, fatalismemeteoorijzer; begrenzing en verruiming; geest-materie; (meteoor)ijzer; illustratie meteoorijzer; illustratie Michaël.

[14] Michaëlstijd
P.C.Veltman over: in welke tijd leven we; wereldherfst? bezinning; wie of wat is Michaël; wandtapijt Angers; Apocalyps; draak; drakenkrachten én Michaëlskracht in menselijke intelligentie.

[15Michaëlsfeest
W.F.Veltman over: geestelijke realiteiten in beelden; geest en/of materie? vrijheid; het kwaad; de moed.

[16] Michaëlstijd
Rinke Visser over: zomer-uit; ijzer voor bewustzijn; (meteoor)ijzer en zwavel; strijd en moed; herfst-in; draak herkennen.

[17] Kosmische achtergronden van het Michaëlsfeest
Rinke Visser over: zomer: uit=zwavel; winter: in=ijzer; Michaël en Perseus; komeetkrachten; kosmische krachten; meteoorijzer; ‘strijd in hemel zichtbaar op aarde; vrijheid; draak; moed.

[18] De engel van de goede wil
Marieke Anschütz over: wil en onwil; zwaard in de taal; zwaard en weegschaal; moed; goede wil; Rogier van der Weyden; fresco in Vamlingbo; Michaël tegenover Pasen.

[19] Michaëlsfeest: ‘in spring de boog gaat in
J.van Dam over: in- en uitademing in het jaar, in de mens, kun je innerlijk oogsten; initiatief.

[20 Michaëlsfeest in de kleuterklas
C. de Pree over: een impressie van de Michaëlstijd en -dag in een kleuterklas.

[21] Michaël een strijd om menselijkheid
Wijnand Mees over: Solschenitzyn staat en volk; Staatsmacht; kracht van het individu.

[22] Michaël
M.Matthijsen over: voorbereiding Michaël in de natuur; het feest dat er niet is en nog worden moet; mens als tiende hiërarchie; Morgenstern; Achterberg; offeren van het eigene.

[23De aartsengel Michaël
Maarten Ploeger over: Michaël; verhouding tot ‘bovenzintuiglijke’; hoe was dat ‘vroeger’; ontstaan religies; Lucifer en Ahriman; deze krachten in de wereld; taak voor mens. 

[24] Smeden in de Michaëlweek
Eg Sneek over: smeden met 7e, 8e en 9e klas tijdens het Michaëlsfeest. Ervaringen met het ijzer dat je moet smeden als het heet is.

[25] Michaël herfstfeest
Marijke Wouters en Toke Moeskops over: afstervende natuur, maar kiemkracht; verinnerlijken; moed ontwikkelen; Michaël als herfstfeest; oogstfeest in de kleuterklas. 

[26] Michaël
Sari Kodde Dingemans over: herfst: verval in de natuur; zaad: samentrekking; verinnerlijking; Michaël als herfstfeest, gedicht voor 4e, 5e of 6e klas.

[27] Het Michaëlsfeest
E.P. Schoorel over: Michaël in het najaar, tegenover het voorjaar; opbloeien met de lente, maar afsterven in de herfst?

[28] Wat is een Michaëlsfeest
P.C.Veltman over: ‘is’ het Michaëlsfeest of ‘wordt’ het?; Monte Gargano, Mont Saint-Michel, Michaëlsberg; het ‘kwaad’; Indra, Mithra, Tiamat, Mardoek; Michaël bij de Perzen.

[29] Michaël in de kleuterklas
C. de Pree over: herfst; oogst; wat doen we in de kleuterklas. 

[30Michaël
Ad Tiemens over: seizoenen; herfststemming; zwaard en weegschaal: innerlijke strijd voor evenwicht; Michaël in Aalst; Michaël bij de Germanen.

[31] Michaël
Magchiel Matthijsen over: de zin van (jaar)feesten vieren; geen ‘herdenkingsfeest, maar toekomst; Russische legende over naam ‘mens’; innerlijke draken bestrijden; Vézelay: S-Madeleine; Freyrs boot: menselijk denken; menselijk denken veranderen.

[32] Hemel, hel, Michaël
Henk Sweers over: ruimte/tijd, innerlijk/uiterlijk, zwaard/weegschaal.

[33] Michaëlstijd
Madeline van Gilst over: natuurimpressies voorjaar-najaar, plaats Michaël.

[34] Michaël
Werner Barfod over: natuurimpressies; kunst; euritmie.

[35] De herfst en het Michaëlsfeest
Reyer Ploeg over: verschil jaargetij en jaarfeest; natuurimpressies; ijzer en koper -zwaard en weegschaal.

[36] Michaël, feest van de toekomst
Henk Sweers over: jaarfeesten nu: veruiterlijking; vakantie en feest; de alom aanwezige draak; feest van de toekomst, kennen van de geestelijke wereld; de mens tussen twee uitersten; nodig: geestkracht en moed; innerlijke strijd; vier jaarfeesten als geheel; heden/verleden, zwaard/weegschaal.

[37] Michaëlsdag op 29 september
Arie Boogert over: 5e eeuw: Michaëlkerk in Rome; wonder van Cho-nai; van oost naar west Michaëlheiligdommen; tussen God en mens; tussen goed en kwaad: weegschaal; draak; wat is kwaad; kwaad en vrijheid.

[38] Michaël
Onbekende auteur over: herfst tegenover voorjaar; Michaël: zwaard én weegschaal; evenwicht; waarom op school.

[39] Michaëlsstemming en menselijke fysiologie
Edmond Schoorel over: herfst; ademhaling, zuurstof/koolstof, bloed, hart als waarnemer, spijsvertering.

[40] Het Michaëlsfeest
Marika Ortmans over: oogstfeest, ook in overdrachtelijke zin; oogst en Michaël;  waarom in deze tijd opnieuw proberen te vieren; Michaël en onze toekomst, sociaal en met de natuur.

[41] Michaël – tussen moed en depressie
J.F.Zeylmans over: spiegeling lente-herfst; Johannes-Kerst; Jezus-Johannes; afname-toename licht/duister; 280 dagen ‘verwachtings’tijd.

[42] Herfst
Els Boekelaar over: de herfststemmingen; strijd en vrediger momenten; de draak in jezelf en om je heen

43. Boeken over Michaël(s)feest
en over de herfst

44. Inwendige processen  in de mens in samenhang met de herfsttijd – de Michaëlstijd
Ita Wegman over: bespreekt de ijzerprocessen in mens en kosmos.

45. Michaëlstijdperk
Maritgen Matter over: 7 aartsengelen; hun regentschap in de ‘engelenweek’; snelle en radicale veranderingen in deze tijd; Michaël als regent van deze tijd; vele omwentelingen; hoe bewust staan we daarin; vernieuwen en veranderen met geestelijk inzicht; handelen vanuit eigen moreel liefdesvuur vraagt moed.

46. Michaël in 2 cantates van Bach  BWV 19 en 149
Met uitleg van Eduard van Hengel

47. Michaël en het christusbewustzijn
Daniëlle van Dijk over: wie is Michaël; christusbewustzijn; liefdekracht; opvoeding tot zelfstandig Ik; het belang van aandacht; drie oefeningen voor het bewustzijn.

48. Michaëlstijd; Michaëlsfeest
Wim Veltman over: tegenstellingen in de wereld: verdeeldheid – eenwording, wie veroorzaakt veranderingen in de mensheid;

49. De aartsengel Michaël
Wim Veltman over: samengaan psychische eigenschappen en planeten; deugden, verleden tot nu; ‘zonnedeugd’ en aartsengel Michaël; hart en moed;

50. Moed
Loïs Eigenraam over: herfst, voor kinderen, voor volwassenen; Michaël schenkt moed; wat is moed, verschillende aspecten; Mandela; trouw, vertrouwen;

51. Van heldenmoed tot hartewarmte
Diederick Sprangers over: innerlijke ontwikkeling en het beeld van Michaël; zelfbewustzijn en wereldbewustzijn; zwaard en moed; weegschaal; humor: ‘de draak steken’; Sint-Maarten; draaksteken in Beesel.

52. Michaëltijd
W.J Stein over: ritme, Platonisch jaar, cultuurperioden; kosmische week, aartsengelen; kosmische intelligentie; Michaëlstijdperk (601-247 v Chr) wat er gebeurde; tijdperk beginnend in 1879, veranderingen die zich voltrekken; Michaël als christusbode; Michaël als regent van de tijd; betekenis van het zwaard.

53. Michaëlsviering
Anne H.J.Bakker over: kernachtig samengevat waarom het Michaëlsfeest wordt gevierd.

[54] Van Michaël naar Theodore en Joris in 1300 jaar
Tim van Tongeren over: Sint-Joris; 29 september; draak – slang; Sint-Theodore

[55] Strijdbaar de herfst in
Tineke Croese over: Michaël en de draak; wat is ‘michaëlisch’, wat moeten wij ermee; ‘moed’, voor wat? het kwaad, ook in ons?

Jaarfeesten van de herfst (1)
Hans ter Beek over: de 3 jaarfeesten van de herfst: Michael, Sint-Maarten, Sint-Nicolaas; 9 feesten van het jaar; ‘feesten van het lichaam’; Michaërl ‘denken’; Maarten ‘voelen’, Nicolaas ‘willen’; 

Jaarfeesten van de herfst (2)
P. la Rivière over: er zijn verschillende soorten ‘jaar’; ritme vanuit economisch en geestelijk perspectief; sfeertekening van zomer naar herfst; de feesten van het najaar: Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas; advent en Lucia

Jaarfeesten van de herfst (3)  Verborgen lichtjes
Marcel de Leuw over: najaar: Michaelsfeest – wat kan er worden gedaan -; St.-Maarten en delen.

Jaarfeesten van de herfst (4)
Juultje v.d. Stok: wat kun je met kinderen doen in de herfst rond michaëltijd?

Herfst – Michaël – Sint-Maarten – Sint-Nicolaas – herfst
Over: de 3 feesten van de herfst; sfeertekening; schenken; Sint en Piet als eenheid

Waarom vieren we dit feest
blogartikel

VRIJESCHOOL – in beeld: JaarfeestenMichaël
b
ordtekeningen; transparanten         jaartafel

300-280

.

.

Wat op deze blog staat.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (38)

.

MICHAËL

Wie ’s ochtends vroeg op weg is, voelt het begin van de herfst, de zilveren nattigheid over het veld, de gloedvolle kleuren die de bomen beginnen te krijgen, de storm, de dwarrelende blaadjes, die een tapijt op aarde vormen en tot humus verworden. De natuur sterft af, de aarde neemt terug wat het in het afgelopen jaar tot bloei bracht, maar wel nadat de mens eerst heeft geoogst! Appels, peren, druiven, tarwe, mais, noem maar op, geschenken van de natuur waarmee wij in leven blijven.

Straks in de stille kou van de winter is de natuur kaal en zonder kleur. Diep
binnenin maakt de aarde zich klaar om rond Pasen in het voorjaar de kracht te hebben het nieuwe leven weer zichtbaar in de natuur te laten ontluiken.

Ten tijde van het Sint-Jansfeest in de zomer zal alles onder de warme zon weer volop in bloei zijn, op weg naar weer een nieuwe oogst. Het ritme der seizoenen herhaalt zich, maar aan dezelfde appelboom groeien ieder jaar niet dezelfde, maar nieuwe appels, nieuwe oogst.

Ook de mens heeft in deze tijd de behoefte zich letterlijk en figuurlijk terug te trekken in eigen huis. De wil om nieuwe ideeën op te doen en nieuwe levensdoelen te vinden gaat vaak gepaard met opruimen en ordenen, ook orde op zaken stellen in het werk en in sociale kring, zodat er ‘ruim­te’ gemaakt wordt voor ‘nieuwe wegen’.

Tegelijk met dit terugtrekken in onszelf ervaren we dat er zaken in de weg liggen, die niet zonder meer te ordenen zijn, situaties waar we niet tegen opgewassen zijn, moeilijkheden die ons verdrietig of kwaad maken, gebeurtenissen waarbij je steeds weer in je eigen onhebbelijkheden ver­valt. Met moed, beleid en trouw moet je zelf ten strijde durven trekken om deze zaken uit de weg te ruimen en positieve krachten te verwerven, die je het nieuwe dat voor je ligt, doet oogsten.

Op het schoolplein zien we in deze tijd de kinderen het nieuwe leerjaar, waar ze met veel zin aan begonnen zijn, bijna letterlijk binnenvechten! Sociale rangorden worden herzien en nieuwe vriendschappen vaak met strijd verworven en gevormd. Binnen in de klas heerst nu, in tegenstelling tot vlak voor de zomervakantie, stille werklust en gespannen verwachting naar de nieuwe periodelessen. Er zijn weer vakken bij waar nooit eerder van was gehoord.

En dan is het 29 september, de dag van het Michaëlfeest. Wij vieren het feest met de kinderen mee en leren het beeld van de Heilige Michaël ken­nen met zijn blinkend zwaard en de weegschaal. Michaël komt de mens te hulp. Met zijn zwaard overwint hij de draak, die het ‘duistere’ en ‘boze’ symboliseert. De mens krijgt de ijzeren kracht zichzelf te overwinnen. Ook zien we op oude afbeeldingen hoe Michaël de weegschaal waarop de ziel gewogen werd in evenwicht houdt. Een evenwicht tussen goed en kwaad. Hoe moeilijk is het niet om in plaats van achteraf, juist vooraf het goed en kwaad van ons eigen handelen te kunnen overzien en bepalen. Wij moeten zelf onze weg naar het ‘nieuwe’ banen door te wikken en te wegen en steeds te zoeken naar oplossingen, waarbij onze eigen ideeën en die van anderen in evenwicht blijven. Jaar in jaar uit wordt het Michaëlfeest met de kinderen op iedere vrijeschool gevierd. Het meegebrachte fruit, de oogst wordt geschonken en de strijd met de draak wordt moedig in spel­vorm en naar leeftijd gestreden.

Eenmaal kinderen op de vrijeschool wordt iedere ouder geconfronteerd met de vraag waarin het onderwijs van de school zich onderscheidt van dat van andere scholen. Een van de vele antwoorden kan zijn: ‘In het vieren van de jaarfeesten!’ Op de vraag, die iemand mij ooit stelde, of je daar dan beter van leerde lezen, schrijven of rekenen is het enige antwoord:’ Nee, daar leer je van leven!’

In de huidige tijd worden we bijna gedwongen alle verschillen in beter le­ren, beter kunnen en beter zijn uit te drukken. Dat ieder individu anders leert, iets anders kan en een ander is, maakt ze tot waardevolle deel­nemers aan de gemeenschap, vooral als het onderwijs leidt tot echt weten in plaats van beter weten. Juist als volwassene weten we hoe moeilijk het is om af te zien van alles en ieder, die ogenschijnlijk beter lijkt en moed te putten uit je eigen positie en bestaan.
Misschien, heel misschien, oogsten de kinderen, die jaarlijks het Michaëlfeest vieren, van nature het vermogen om de eigen levensmoed aan te spreken en met een positieve levenshouding zich een eigen nieuwe en even­wichtige weg door het leven te banen?!

Nadere gegevens onbekend

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

299-280

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-5)

.
D.Udo de Haes, Zonnegeheimen 4

.

Het verhaal van een vlieger
.

Een jongen had met zijn vader een vlieger gemaakt. Dat was een waar kunstwerk geworden, waar zij de hele winter aan gewerkt hadden. Het lichte houten kruis was omgeven door mooie doorzichtige kleuren die in levendige vormen omhoog golfden. Toen de jongen de vlieger in de zomer opliet, had de zon zoveel plezier in die heldere tinten, dat hij het niet kon laten, er voortdurend naar te kijken en er zijn lichtste stralen heen te zenden. Het allermeest genoot hij van het rood en het geel en dat liet hij ook helderder dan alle andere kleuren oplichten en zo kwam het dat de vlieger wel een vlammend kruis leek dat daar boven aan de hemel stond. De jongen genoot niet minder van de zon en hij liet zijn vlieger zo hoog opstijgen als maar enigszins mogelijk was. Helaas was het touw al gauw afgewikkeld en de vlieger kon niet verder.
Wat jammer was dat!
De jongen keek en keek en in zijn gedachten liet hij de vlieger steeds hoger gaan. Maar ach, dat was immers alleen maar verbeelding. Hoesch… ! kwam daar een grote windvlaag! Die brak het touw en… daar dwarrelde de vlieger werkelijk de hemel in! De jongen tuurde hem na en hij zag hoe hij aldoor maar hoger ging. Al spoedig was hij zo hoog gestegen dat de jongen niet goed kon zien wat er met hem gebeurde; maar voor de vlieger viel daar heel wat te beleven!

Het eerst ontmoette hij een kraai en er ontstond dadelijk een gesprek. ‘Goedemorgen!’,  kraste de kraait. ‘Goedemorgen!, antwoordde de vlieger.
‘Ben jij ook een vogel met je vlammende vleugels en je lange staart?’
‘Nee, ik ben geen vogel!’
‘Wat ben je dan en waar kom je vandaan?’
‘Ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken; die heeft me geloof ik zelf gemaakt.’
‘Zo, zo en waar ga je naar toe?’
‘Dat weet ik niet. Ik wil alleen maar de hemel invliegen! ‘Dan hoor je hier niet thuis. Hier boven weten alle wezens precies waar zij vandaan komen en waar zij naar toe gaan. Ik trek zelf elke winter naar het Zuiden en elke zomer naar het Noorden. Ik zou je raden weer naar de mensen terug te gaan, want als je niet weet waar je heen moet, verdwaal je in de hemel.’

Maar de vlieger was eigenwijs en ging verder omhoog. Toen ontmoette hij een zaadpluisje. Dat was nog hoger gezweefd dan de kraai. ‘Goedemiddag’, fluisterde het zaadpluisje. ‘Goedemiddag’, antwoordde de vlieger. ‘Ben jij ook een zaadpluis met al die wonderlijke uitsteeksels en kleuren?’ ‘Nee, ik ben iets dat door de mensen is gemaakt en ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken.’ ‘Waar moet je dan heen?’ ‘Dat weet ik niet. Ik wil zo maar de hemel in!’
‘Dan hoor je hier niet thuis! Iedereen weet hier wat het doel is van zijn tocht. Ik ga de lucht in om op te vangen wat van Oost naar West gaat: dat is de zonnewarmte. En als ik die gekregen heb, daal ik weer neer om hem aan de aarde te brengen en dan laat de aarde daaruit een nieuwe bloem groeien. Maar als jij niet weet wat je te doen hebt, zou ik maar liever weer omlaag gaan, want anders verlies je de koers in deze hoge werelden!’ Maar de vlieger bleef eigenwijs en steeg nog hoger. Toen kwam hij voorbij een wolk gezweefd. ‘Goedenavond! zoemde de wolk. ‘Ook goedenavond!’, zei de vlieger. ‘Ben jij een wolk met al je vlammende avondrood?’, vroeg de eerste weer. ‘Nee ik ben van de mensen. Ik kom van dat kleine jongetje daar beneden.’ ‘Waar ga je heen?’ ‘ Zomaar de hemel in.’ ‘Dan hoor je hier niet thuis. Iedereen kent hier zijn bestemming. Ik ver­zamel het laatste avondrood; dat maak ik in de nacht tot morgenrood; dat geeft water in de sloot! Daar regen ik zelf mee neer om de aarde te zegenen en als ik dat gedaan heb, draagt de zon me weer omhoog om nieuw avondrood te maken. En zo ga ik maar steeds op en neer. Maar jou geef ik de goede raad, terug te gaan naar dat jongetje, want zonder doel verdwaal je hierboven!’
Maar de vlieger liet zich niet van zijn stuk brengen en steeg nog hoger. Toen kwam hij bij de sterren. ‘Goedenacht!’, zongen de sterren in koor met klare hoge stemmen. Goedenacht!”,  zong de vlieger mee.
Wat voor konde kom je ons brengen, staartster van de aarde?’ zongen de sterren weer. ‘Ik ben geen staartster, ik kom van dat jongetje, dat daar op de aarde ligt te slapen, zong de vlieger. ‘Dat heeft mij laten opstijgen, maar ik ben van hem weggevlogen. Toen wachtte hij tot ik terug zou komen, maar ondertussen is hij in slaap gevallen en nu droomt hij van mij.’
‘Dan zullen we je onze zegen meegeven voor die jongen’, zeiden de sterren en elk van hen gaf hem iets van zijn heldere glans.

Maar toen kwam daar de engel Michaël uit de hemel.

Die nam een grote ster in zijn handen, wierp die suizend op de vreemde  indringer neer. De ster trof de vlieger en op hetzelfde ogenblik sloegen de vlammen eruit en brandende stortte hij omlaag!

Toen de jongen ontwaakte, vond hij dat hij een wonderlijke droom had gehad en hij was met een schok wakker geworden. Maar toen hij om zich heen keek, merkte hij dat zijn droom geen gewone droom was geweest, want naast hem lag het kruis van zijn vlieger, waarvan het papier was verbrand. Dat kruis was echter niet meer van hout, het was van lichtend hemelijzer! Hoe verbaasd was de jongen dat te zien! Maar hij was toch ook een beetje verdrietig….Nu was hij immers zijn mooie vlieger kwijt!
Maar toen hij met zijn kruis thuis kwam, sprak zijn vader: ‘Mijn jongen, laten we blij zijn! Als je vlieger niet verbrand was, had je nooit dit kruis van hemelijzer gekregen. Dit ijzer is sterker dan het hardste staal. We maken hieruit een vlieger die nog veel mooier is dan de vorige.’
Dat deden zij in de winter en toen de nieuwe vlieger werd opgelaten in de volgende zomer, ontmoette hij in de hemel opnieuw wat daar ging van Noord
naar Zuid, van Oost naar West en van de hemel naar de aarde. En toen hij bij
de sterren kwam, werd hij opnieuw door Michaël getroffen, waardoor hij
brandend ter aarde stortte. Maar het kruis van het hemelijzer dat de jongen vond, was nog glanzender dan tevoren.

Zo ging het vele jaren achtereen en ieder jaar werd het kruis stralender en sterker. Maar toen de jongen groot geworden was, veranderde het kruis van gedaante en werd tot een machtig zwaard, dat nog glinsterde van het sterrenlicht. Daarmee trok de jongeling door de wereld en hij werd een dappere ridder. Maar hij was geen gewone ridder, want zelfs bij de grootste overwinningen die hij behaalde vloeide er geen bloed. Andere ridders die hij ontmoette, bewonderden zijn zwaard en zijn daden en zij wilden zich tot hem scharen. Maar de jongeling sprak: ‘Het zwaard dat gij aan uw zijde draagt, is niet het zwaard, waarmee gij met mij door de wereld kunt gaan. Daartoe moet gij u een ander zwaard verwerven. Laat alles wat ge op aarde gemaakt en geleerd hebt verbranden door de sterren die uit de hemel vallen. Uit de as kan het zwaard groeien, waarmee gij mij volgen kunt.’
De jonge ridders verbaasden zich. ‘Tot welke orde behoort gij dan?’

De jongeling toonde het gevest van zijn zwaard. Daarin glinsterde een naam.
De ridders moesten zich inspannen om de lichte letters ter lezen.
Toen herkenden zij de naam:…..Michaël.
.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

.

.

294-275

.