Tagarchief: Michaël

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – boeken over Michaël en de herfsttijd

OVER MICHAËL:

De kringloop van het jaar
Rudolf Steiner, Christofoor

Jaarfeesten
Rudolf Steiner, Christofoor

De jaarfeesten als kringloop door het jaar
Emil Bock, Christofoor

Jaarfeesten
Henk Sweers  Christofoor

LIEDJES EN SPREUKEN

zie: vrijeschoolliederen;   Tineke’s doehoek

Door het rozenpoortje
Maries Theissen, Christofoor

De gouden poort
Beatrijs Gradenwitz, Christofoor

Spreuken en liedjes voor kinderen
Arie Boogert e.a., Christofoor

Het groene boekje
Lena Struik
Hierin bevinden zich ook mooie Michaëls- en herfstgedichten

(PRENTEN)BOEKEN, VERHALEN

Het hele jaar rond
Marijke van Raephorst, Lemniscaat

Aus Michaels Wirken, eine Legendensammlung
Mellingerverlag

Sprookjes van Grimm,
Lemniscaat
Daaruit:
De grafheuvel – De twee gebroeders – IJzeren Hans – Het blauwe licht –De stukgedanste schoentjes – De gouden sleutel, het gespuis, Sterke Hans

De drie bruiloftsgaven
Ineke Verschuren, Lemniscaat
(Hier is een aantal verhalen te lezen)

Het verhaal van Sint-Joris
Legenda aurea

De Keltische drakenmythe
Christofoor

De koningszoon van Ierland
Christofoor

Het goud van de armen
Dreissig, Christofoor

Kaboutersprookjes
Christofoor
Daaruit:
De sterke smidsknecht

Zonnegeheimen, deel 4
D.Udo de Haes (Christofoor)

Florinoors herfstboek,
Hermien IJzerman

Sprookjes van de avondwind,
Hermien IJzerman
Daaruit
Het wandtapijt

Het jaar rond (gedichtjes)
Rie Cramer, van Goor
(via de link gedeeltelijk in te kijken)

Het jaar rond
Elsa Beskow, Christofoor

Hansje in ’t bessenland
Elsa Beskow, Christofoor

Okke, Nootje en Doppejan
Elsa Beskow, Christofoor                      bespreking op deze blog

De kabouterkinderen
Elsa Beskow Christofoor

Bloemenkinderen van de herfst
Barker, Ploegsma

Zonneroos, sprookjes uit de Oekraïne
Kluwer
Daaruit:
Iwan van de tsarendochter; Iwan van de keukenmeid

Vier grote Jan Klaasenspelen
A.Weissenberg, Christofoor

JAARFEESTEN EN KINDEREN

Jaarfeesten vieren met kinderen
Barz, Christofoor

Zonnejaargroep: Het Michaëlsfeest vieren
ABC-boeken

JAARTAFEL

De seizoenentafel
van Leeuwen/Moeskops, Christofoor

 .

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël  jaarfeest     jaartafel

.

.

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (4)

.

Juultje van der Stok, Jonas 2, 26-09-1975

.

DE HERFST ALS FEEST
.

Daar staat de herfsttafel! En of er nu kro­kussen bloeien op die tafel, of koningen op weg gaan naar het kind in de stal, het hele jaar rond wordt gepraat over ‘de herfsttafel’. Als het lage septemberlicht de bedauwde spinnenwebben laat glinsteren en het eerste goudgerande berkenblad het natte gras siert, is er grote bedrijvigheid rond deze centrale plaats in het huis. De kinderen trek­ken naar buiten om herfstschatten te verza­melen die binnen met veel zorg worden ver­werkt, of zo maar op tafel worden neerge­legd.
Déze bedrijvigheid is er alleen aan het einde van de zomer, en voor de kinderen is het een begin van een lange heerlijke tijd die komen gaat.
Als ze met hun volle mandjes voor de herfst­tafel staan hoor je ze zacht tegen elkaar zeggen: ‘Straks staat hier de stal’. Na een lange warme zomer, waarin we op­gingen in alles wat de natuur ons zo uitbun­dig bood, komt nu de tijd dat de plantenwe­reld nog één keer in haar herfstkleuren zal oplichten. Dan verdwijnen licht en warmte uit de natuur die ons omgeeft. De vruchten worden geoogst en de levens­krachten trekken samen in de zaden, die zul­len blijven rusten tot ze door warmte en licht weer worden gewekt. Wij mensen verinnerlijken de krachten die in de zomer werden opgedaan, maar hoeven niet op licht en warmte van buiten te wach­ten. Met bewustzijn en enthousiasme doen we in ons zelf die krachten opnieuw ontkie­men. Alles wordt weer opgepakt en nieuwe initiatieven ontwikkeld (de scholen begin­nen niet voor niets weer tegen de herfst). Kinderen die nog weinig zelfbewustzijn hebben, beleven deze processen intuïtief door het omgaan met de herfstschatten. Op 29 september wordt van oudsher het herfstfeest gevierd. Het is gewijd aan Michael. In het twaalfde hoofdstuk van de open­baring van Johannes staat geschreven hoe de aartsengel Michael, als aanvoerder van het hemelse leger, de draak verslaat en hem uit de hemel op aarde werpt (de val van Lu­cifer). Op afbeeldingen zien we hem met het zwaard, soms met een weegschaal. Verhalen en legenden vertellen, hoe hij staand voor Gods aangezicht mensen leert goed en kwaad te onderscheiden en hoe hij hemels licht in mensen harten, denken en doen kan kan laten doordringen.
En wat doen we in deze tijd dan met de kin­deren, de kleintjes die binnen manden vol eikels omkeren, en de groten, die
kastanje­mannetjes maken, flauwekul vinden? Kleine kinderen kunnen veel beleven aan een plek waar met zorg bijvoorbeeld herfsttakken, een mooie zonnebloem, gekleurde bla­deren, opgewreven vruchten, graanhalmen of gevonden schatten te zien zijn. Wanneer alles wat uit de manden en jaszak­ken tevoorschijn komt, zoals schors, hout, veertjes, eikels, kastanjes, beukennoten met hoedjes of bolsters, bij elkaar op tafel wordt gelegd, en daarbij komen: luciferhoutjes, priem, papier, plasticine of bijenwas, scha­penwol of watten, een tube lijm en voor de kastanjeketting een stevig touw en een brei­naald, die roodgloeiend door de kastanjes heengeprikt moet worden, dan gaan de kin­deren vanzelf aan het werk (en misschien zijn de voorbeelden een hulp). Halve walnoten, die een kaarsje dragen of een zeil, kunnen echt op het water varen. Grote kinderen kunnen zelf een vlieger ma­ken (het Duitse woord voor vlieger is Drache). In sommige streken proberen kin­deren met scherpe voorwerpen aan het vliegertouw, elkaars vliegers los te snijden om zo de draak te overwinnen. Als er gereedschap in huis is kunnen de ou­dere kinderen zelf een pers maken (zie voor­beeld) om de gekleurde blaadjes, en in de zo­mer de bloemen, in te drogen. (Tussen kranten onder een stapel boeken gaat het ook).
Maaltijden kunnen op zo’n feestdag anders zijn dan anders. Uit de grote keus van vruch­ten en granen, die zij zelf hebben zien oogs­ten, of hebben geoogst en waaraan verhalen verbonden kunnen worden, zal iedereen een feestelijke maaltijd samen kunnen stellen. (Denk dan bijvoorbeeld ook aan maiskolven, noten, meloenen, kalabassen…)

.

659-604

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (3)

 

(Marcel de Leuw, Jonas 5, **02-11-1990)
.

VERBORGEN LICHTJES
.

Sint-Maarten staat niet op zichzelf. Het donkere jaargetijde wordt ingeluid door Michael, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaelsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd.
Voor een Michaelsfeest op school kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook
op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.
Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michael is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose

Van 29 september naar 11 november, het Sint-Maartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.
We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar. Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhult.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus.
Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom.
De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen
is geen schande

Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer*

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is  verbonden. Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend

In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar** op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.
Van deze goede bisschop van Myra, een Arabische stad, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het Sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen

Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt – en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.
Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag: wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.
Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.
Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

 

*dit liedje begint zo:

 Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen (vriend is een variatie geworden, evenals
‘komt uit verre’)

[1-1] Jaarfeesten door het jaar
[1-2] Jaarfeesten door het jaar – peuter/kleuterklas

[2-1] Herfst met peuters
[2-2] Herfst: oogstfeest (dorsen, malen, bakken)
[2-3] Herfst met kleuters

[3-1] Michael (20)
[3-2] Michaël (29)

jaarfeesten: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: peuters/kleuters

.

658-604

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten in de herfst

.

(schoolkrant, nadere gegevens onbekend)
.

HERFST – ST- MICHAEL – ST – MAARTEN – ST – NICOLAAS – HERFST

De herfsttijd is duidelijk zichtbaar aangebroken. Het afstervingsprcoes buiten, maakt wat melancholiek. Het is mooi al dit kleuren en die bessen en die paddenstoelen en die fijne vogelgeluidjes, maar ja……
Drie heiligen doen in deze herfsttijd van zich spreken. Drie heiligen in hetzelfde jaargetijdemaar onderling toch verschillend.

St-Michaël29 september, in de natuur vinden we vruchten en een
uitbun­dige kleurenpracht. Het blad valt al. De zon schenkt haar laatste warmte als de ochtendnevel is opgelost. Er is veel te zien buiten. Nu maken we onze herfstwandeling.

St-Maarten, 11 november, de avonden zijn koud en winderig (het kaarsvlammetje in de knol waait steeds uit). Wanten aan en mutsen op. Het is al vroeg donker. De voeten gaan door het bladerenpak op de grond. De vogels hebben zich tegoed gedaan aan de bessen en trekken zuidwaarts.

St-Nicolaas, 5 dec, zijn naamdag is eigenlijk 6 december. Kaal zijn de bomen. De eerste sneeuw, de eerste nachtvorst, er is nog maar weinig te beleven buiten. We eten s avonds met het licht op. St-Nicolaas valt samen met het begin van de advent. De eerste kaarsen branden. Alles speelt zich binnen af.

In de herfsttijd zien we het proces van verinnerlijking, we zijn op weg naar de kerst.

Hebben deze drie heiligen iets gemeenschappelijk? Als we ze eens nader bekijken, dan zien we dat ze als overeenkomst hebben: GEVEN.

St-Michaël, meestal afgebeeld met zwaard of weegschaal. Het zwaard voor de strijd geeft ons de strijdlust en de weegschaal herinnert ons aan
het onontbeerlijke evenwicht: Michaëls gift is voor de geest, dus immaterieel.

St- Maarten geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar ondanks de
spottende woorden van zijn kameraden. De bedelaar wordt in zijn droom Christus. De knol die de kinderen meedragen is een gift van de aarde.
Het kaarsje in de hand duidt al op Kerstmis, maar het licht is nog buiten. Het rondlopen en zingen is vragen om een gift bij bepaalde huizen. Vroeger gaven de welgestelden met St-Maarten de armen een gift.

St-Nicolaas is ogenschijnlijk een feest van de middenstand. Als we ons aan dit idee onttrekken en eens fris naar het feest kijken, dan zien we veel symboliek: het paard is wilskracht, de gekrulde staf duidt op inkeer, het zwart van Piet is het aardse element en het wit van de Sint – het hemelse, de schoorsteen is de verbinding tussen aarde en hemel enz.
Centraal staat bij dit feest de gift. Maar deze gift is anoniem, is voorzien van levenswijsheden en heeft moraliserende bedoelingen. Sint vindt steeds tekortkomingen bij onze levenswandel die met gift en rijmwoorden gesigna­leerd worden. Dan geeft de Sint ons weer een jaar de tijd om met zwaard en weegschaal aan de slag te gaan. Wij geloven in Sint-Nicolaas, hij moet blijven bestaan, ter leringe ende vermaeck!

Drie heiligen begeleiden ons in deze melancholieke tijd. Zij komen vanuit de Middeleeuwen tot ons. En in de Middeleeuwen werden de mensen dagelijks begeleid door de heiligen. In de Middeleeuwen waren engelen en heiligen voor de mensen binnen handbereik. Deze drie heiligen hebben de beeldenstorm overleefd. Zij begeleiden heden ten dage nog steeds het belangrijke proces van de verinnerlijking.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldJaarfeesten – alle beelden
.

657-603

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten in de herfst (1)

.

Hans ter Beek, Steinerschool – nadere gegevens ontbreken
.

Michaël – Sint-Maarten – Sinterklaas

In de herfst vieren wij op school 3 feesten, nl.

op 29 september     – Michaël
op 11 november      ~ Sint-Maarten
op  5 december      ~  Sint-Nicolaas.

We kunnen dit als een trits van drie herfstfeesten beschouwen, waarvan sinterklaas duidelijk is uitgegroeid tot een nationaal feest.
Twee vragen doemen dan op:
Hebben deze herfstfeesten iets met elkaar van doen?
Hoeveel feesten zijn er eigenlijk?

Eerst even ingaan op de 2e vraag

Voor het kleine kind, kleuter en onderbouwer lijkt het wel of we van feest naar feest gaan. Zo beleeft hij het. De feesten zijn inderdaad de hoogtepunten van het jaar, denk maar eens aan de verjaardag; hoe geweldig belangrijk is dat toch! De jaarfeesten zijn voor het kind, maar toch eigenlijk ook voor de volwassen mens, wat de maaltijden zijn in de dag. De maaltijden, of ze nu iets feestelijks hebben of niet, vormen toch de vaste punten van onze dagindeling, en hoe jonger het kind, hoe belangrijker dat is. En zoals de maaltijden er zijn om ons lichaam te voeden, zo zijn de jaarfeesten het voedsel voor onze ziel. Het zijn er 9 in totaal.

In de 1e klas kun je bij de kwaliteiten van de getallen, voor het getal 9 (nog geschreven als Vllll of lX zeggen: DE 9 FEESTEN VAN HET JAAR. Eigenlijk merkwaardig. Je zou er misschien minder verwachten, 4 of 5, of veel meer: eerder 12 dan 9. Hoe zit dat? En welke feesten zijn het? Eerst maar de 9 feesten:
1.Michaël
2.Sint-Maarten
3. Sinterklaas
4.Kerstmis
5.Driekoningen
6.Pasen
7.Hemelvaart
8.Pinksteren
9.Sint-Jan

Er ontbreken dus in deze rij bv. advent, nieuwjaarsdag, carnaval, Palmpasen. Daar wil ik nu niet op ingaan. Wel wil ik deze NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR nog aanvullen tot twaalf, maar met dien verstande dat dat voor ieder kind individueel geldt:
10.IK ben jarig.
11.De meester/juf is jarig.
12.De koning(in) is jarig.

Het is duidelijk dat deze van een andere orde zijn dan de 9 feesten van het jaar.
Laten we nu nog even naar de eerste vraag kijken. Hebben de eerste 3 feesten iets met elkaar te maken?
Inderdaad, het zijn feesten van 3 heiligen: Sint-Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas (Michaël is een aartsengel, maar wordt als een heilige beschouwd). De feesten vallen in de herfst en zijn feesten van het lichaam.

De 2e groep van 3 feesten : Kerstmis, Driekoningen en Pasen zijn de feesten van de ziel, dwz.: feesten van het heden, feesten van de gemeenschap.

De 3e groep van 3 feesten tenslotte: Hemelvaart, Pinksteren en Sint-Jan zijn de feesten van de geest, dus waarin nog veel meer het bovenzinnelijke beleefd wordt en waardoor ze ook des te moeilijker te vieren zijn; maar daarover een andere keer.

Wat de eerste 3 feesten betreft zien we ook iets merkwaardigs:

MICHAËL – Strijd met de Hemelse Draak die hij niet doodt maar uit de hemel werpt, niet op maar naar onder de aarde verbant. Het is het beeld van het DENKEN. Een heldere, zuivere gedachte is als een scherp zwaard en krachtiger dan het fysieke gebruik van het zwaard.

ST.-MAARTEN – In alle St.-Maartenslegenden valt op dat hij, die zoon was van een Romeinse legerofficier, het zwaard niét wilde gebruiken om mee te strijden; ook gebruikt hij dit niet om het als een ploegijzer te gebruiken, hij gebruikt het om zijn mantel ermee door te snijden. Het is het feest van het MEDEDOGEN, van het voelen. Deze kracht is zo sterk dat hij indertijd het Christendom over heel Europa heeft verspreid, getuige de tal van St.-Maarten – of St.-Martinuskerken, van Amiëns tot de Domkerk in Utrecht, de St.-Martinuskerk in Groningen, als ook die in Cuyck.

NICOLAASZijn naamdag is 6 december, zoals we vroeger tot onze verbazing ineens ontdekten, toen we voor het eerst een agenda inkeken. Maar slechts in Nederland en Vlaanderen wordt Sinterklaas hoofdzakelijk gevierd op de vooravond van de naamdag, evenals de avond van 24 december kerstavond heet.
St.-Nicolaas werkt op het WILLEN van de mens. Hij staat erom bekend dat hij vrijgevig was, maar niet willekeurig vrijgevig, geen kostbare zaken die een bevrediging geven van je verlangen. Een typerend sinterklaasgeschenk was (en is nog steeds) de ‘vrijer’ of ‘vrijster’, een grote speculaaspop. Maar die werd alleen gegeven aan jonge mannen en vrouwen die nog vrij waren en dus nodig een vrijer of vrijster moesten vinden.

In de overlevering hoort St.-Nicolaas geweeklaag uit een openstaand venster. Hij blijft stilstaan en luistert, en begrijpt dat de man zijn 3 dochters publiekelijk moet verkopen, als slavin of aan een bordeel, omdat hij te arm is voor hen een bruidsschat te geven, die nodig was voor een ordentelijk huwelijk. Drie maal achtereen vindt de vader nu een zakje met goud in de schoenen van zijn dochters, waardoor het lot van deze meisjes wel een totaal andere loop neemt.
Daarom is het ook onze opgave de kinderen niet zozeer te overladen met geschenken, maar ieder die geschenken geeft moet op zoek gaan naar datgene wat de ander nodig heeft om zijn weg goed te vervolgen. In de klas kan dit bijvoorbeeld zijn: een eigen puntenslijper, omdat hij of zij die altijd komt lenen. Daarom kennen we ook de surprises en de sinterklaasgedichten, waarmee de maker tracht ‘iets van dat moeilijke gebied van het lot te ontdekken. Tenslotte is interessant om op te merken dat bij St.-Nicolaas het zwaard ontbreekt, en de pen de plaats van het zwaard heeft ingenomen, zodat we een soort metamorfose hebben van: ~ Michaël ~ denken door te doen. – St.-Maarten – voelen door invoelen en te delen. ~ Sinterklaas – willen door zich in te denken in de ander.

Daarom is het goed deze 3 herfstfeesten, de 3 feesten van het LOT, intensief te vieren en het wezenlijke van het feest daarin tot zijn recht te laten komen.

.

Jaarfeestenalle artikelen 

Vrijeschool in beeldjaarfeesten   jaartafels

.

656-602

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (40)

.

Marika Ortmans Uit: ‘Wees stil mijn hart. Innerlijk leven met de jaarfeesten’, Uitgeverij Vrij Geestesleven. In Weledaberichten 166, najaar 1995
.

Het Michaëlsfeest
.

Een oogstfeest

Een lange draak van groengeverfde la­kens met daaraan vast een gevaarlijke kop, met vuurspuwende neus, sluipt voorzichtig, door vele kinderbeentjes gedragen, tussen de goudkleurige bo­men van het park. Hij wil zich verstop­pen, maar zijn lange lijf is duidelijk zichtbaar en verraadt hem. Kinderen die hem ontdekken, bekogelen hem met vruchten, door ouders en leerkrachten van papier-maché gemaakt. Onder luid gejuich en geschreeuw valt de draak neer. Hij is overwonnen. Ik ben erbij en denk na. Wat drukt dit beeld uit? Waarom sluipt op het feest van aartsengel Michaël een draak door het herfstige park en waarom wordt hij met zelfgemaakte vruchten bevochten?

Levenskiem

Het is herfst, de zomertijd is voorbij, de oogst zo goed als binnen, bloemen zijn er bijna niet meer, bladeren vallen van de bomen en vele vogels trekken naar warmere streken. De dagen worden kor­ter, de nachten langer. De duisternis lijkt het licht te overwinnen. In deze tijd trekt aartsengel Michaël ten strijde om de draak van de duisternis te verslaan. Hij wijst op de oogst en de levenskiem die in deze oogst verborgen ligt. Het feest van aartsengel Michaël wordt op 29 september gevierd. Voor velen is het een onbekend feest en toch is het al heel oud.

Rudolf Steiner heeft dit feest weer naar de voorgrond gehaald, omdat in het tijdperk waarin we nu leven duidelijke ‘herfstige’ verschijnselen zichtbaar zijn. In het seizoen van de herfst zien we dat het leven zich terugtrekt, bladeren val­len en alles wordt kaal. In de herfsttij van onze tijd zien we dat het leven zich terugtrekt, maar dan uit het leefmilieu, door een op de uiterlijke natuur gerichte natuurwetenschap, door het veelvuldige gebruik van de dode, starre taal van het verstandelijk denken en niet in de laat­ste plaats door onze liefdeloze omgang met de natuur. Het wordt donker. Hoe kan aartsengel Michaël de draak van de duisternis verslaan?

Aartsengel Michaël werd vroeger de be­schermgeest van de herfst en de behoeder van de vruchten en het graan ge­noemd. In deze vruchten en in dit graan ligt een nieuw levensbegin verborgen, en men zei dat aartsengel Michaël hierover waakt. Uit dankbaarheid hiervoor wer­den in die tijd aan Michaël oogst- en dankfeesten gewijd. Over welke oogst zal aartsengel Michaël in dit herfsttijdperk waken?

In het Nieuwe Testament (Openbaring van Johannes, hoofdstuk 12) komen we aartsengel Michaël tegen als de be­schermer van de hemel. Hij voert zijn hemelse heerscharen aan in de strijd te­gen de draak, die de plaats van God wil innemen. Michaël wint deze strijd en werpt de draak op de aarde.

Scheppingskracht

Rudolf Steiner vergelijkt deze draak met het verstandelijk denken. Vanaf het moment dat de draak op de wereld kwam, zo zegt hij, werd de mens geconfronteerd met dat wat uit het menselijk hoofd stamt. Was de mens in vroeger tijden meer met de godenwereld ver­bonden – maar dan vanuit een dromeri­ge persoonlijkheid – nu zien we het te­genovergestelde gebeuren. De mens wordt wakkerder in zijn persoonlijkheid en verliest daarmee grotendeels het contact met de geestelijke wereld. De deur naar de geestelijke wereld, waarin de mens als een paradijselijk wezen vertoefde, werd gesloten. De buitenkant van de verschijnselen, het zichtbare, meetbare werd steeds belangrijker. Dit heeft in de tijd waarin we nu leven ge­leid tot een zekere onafhankelijkheid van de mens ten opzichte van de gees­telijke wereld, een eerste voorwaarde voor vrijheid. De vraag is nu of de mens, met behoud van het moeizaam verworven vrijheidsbewustzijn, in staat is om vanuit een krachtige en sterke individualiteit ook in de geestelijke we­reld te ontwaken. Zijn wij in staat om een leerproces aan te gaan dat ons de mogelijkheid verschaft een blik te wer­pen achter de uiterlijke levensvormen? En zijn wij in staat het spel der elemen­ten te aanschouwen waaruit deze vor­men zijn voortgekomen? Een groeiend inzicht in deze scheppingskrachten lijkt vooral in deze tijd van groot belang, willen we meer kennis krijgen van de diepere bedoelingen van de wereld om ons heen en antwoorden vinden op de dringende vragen die ons nu worden gesteld over de schepping in herfststemming. Tot deze scheppingskrachten en het scheppingsproces krijgen wij echter niet gemakkelijk toegang.

In Italië, in de bergketen van de berg Monte Gargano aan de Adriatische Zee, ligt een van de vele heiligdommen die aan aartsengel Michaël zijn gewijd. Bo­ven de deur van het portaal, waardoor je moet lopen om bij het heiligdom te komen, staat:

Terribilis est locus iste. Hic domus Dei et porta coeli.

De betekenis van deze woorden is: ‘Verschrikkelijk is deze plaats. Hier is Gods huis en de poort naar de hemel’.
Aartsengel Michaël is de beschermer van deze hemel. De poort van de herfst, van de duisternis, leidt naar de schep­pende krachten van de geestelijke we­reld. Deze poort is niet gemakkelijk te openen. Maar wordt deze poort geo­pend, dan vinden we in dit heiligdom in de bergketen van de berg Monte
Gar­gano een beeld van Maria en haar kind. In dit seizoen, waarin de duisternis het licht wil overwinnen, wijst Michaël ons naar de scheppende krachten in de kiem van de oogst.

Wanneer we dit natuurbeeld en het beeld van het heiligdom van aartsengel Michaël als zielebeelden in ons opne­men, kunnen we ons afvragen wanneer wij in staat zijn de porta coeli te openen die ons toegang geeft tot deze kiem van scheppende krachten. Ik denk dat het belangrijk is om dan al­lereerst te leren de oogst van vruchten en levensvruchten in dankbaarheid te aanvaarden, iets waar aartsengel Mi­chaël ons in deze tijd toe oproept.

Bescherming

Het Michaëlsfeest is een oogstfeest dat gevierd wordt in een tijd dat de draak van de duisternis rondwaart. Dit oogst­feest draait om de bescherming van het nieuwe levensbegin dat in de oogst ver­borgen ligt.

Het Michaëlstijdperk, waarin wij nu le­ven, wordt ook gekenmerkt door
toene­mende duisternis, de draak van het een­zijdige, verstandelijk denken. In dit don­kere tijdperk is het meer dan ooit be­langrijk dat we het oogstfeest van de on­zichtbare zielevruchten vieren en wa­ken over de kiem van nieuw leven, die in deze zielevruchten verborgen ligt. Aartsengel Michaël vraagt dan ook aan ons of we deze oogst dankbaar in onze ziel willen ontvangen en, gelouterd van de diepere bedoelingen van deze oogst willen leren. En dat kan van de levens­vruchten van een jaar, van een mensen­leven of zelfs van de hele mensheids­ontwikkeling zijn. Al deze ziele-indrukken, deze levensvruchten, zijn voortge­komen uit de liefdesbron van de geest, en wanneer we ze met een ‘levend den­ken’ kunnen opnemen en begrijpen, zullen ze ons eens in staat stellen om ook uit onze eigen liefdesbron vruchten van hogere geestkiemen voort te bren­gen.

De draak sluipt door het park. Kinderen bekogelen hem met vruchten. De vruchten symboliseren de levensvruch­ten die wij onze kinderen kunnen meegeven. De draak is het levenloze, de duisternis, die in deze tijd de overhand dreigt te krijgen. Door de levensvruch­ten in dankbaarheid te oogsten, door de draak hiermee te bestrijden, kan de duisternis overwonnen worden en nieuw leven weer ontluiken. Een beeld van deze tijd. Een herfstspel met diepe inhoud!

 

Michael Cabellut

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michael    jaartafel

.

640-588

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (3)

.

 SINT-NICOLAAS/ADVENT

       

Confrontatie met ons eigen oerbeeld

Advent is een raadselachtige tijd, bijna even populair als Kerstmis en even problematisch als Kerstmis, als we het wezenlijke ervan proberen te ervaren door alle veruiterlijking heen. Het karakter van de adventstijd treedt misschien wel het meest volledig aan de dag bij het St.-Nicolaasfeest, dat meestal in de eerste adventsweek valt en soms in het begin van de tweede week. Het geschenkenfeest, met alle daaraan verbonden winkelactiviteiten, overstroomt het begin van advent.
Over het algemeen hebben de bloemenhande­laren pas na 6 december dennengroen in huis. Wie het op de eerste adventszondag hebben wil, krijgt het op speciale bestelling in een wat grotere hoeveelheid. Binnen de handel zelf is er voor de voorbereiding van advent geen plaats. Men kan zich indenken hoe dit doorwerkt in de gezinnen die binnen de productie- en handelssfeer hiermee te maken hebben – en dat zijn er heel wat – maar even­zeer binnen de consumptiesfeer – dat zijn we allemaal -.
Het zo belangrijke ritme van vier zondagen wordt doorbroken en tot drie of twee gereduceerd en daarmee ontkracht. Dit is weliswaar een specifiek Nederlandse si­tuatie, maar is in zijn tendens algemeen gel­dig. Deze veruiterlijking verbergt ook de ware gestalte van St.-Nicolaas als adventsheilige.

St.-Nicolaas vraagt ons immers rekenschap van onze daden. Hij is als ‘oude van dagen’ (meer dan honderd jaar oud) de vertegen­woordiger van de eeuwigheid. Aan de eeuw­igheid worden onze daden gemeten. De eeuwigheid (het boventijdelijke) is heilig, dat wil zeggen een uitzonderingstoestand, ‘norm’ in de goede zin van het woord.
Zwarte Piet hoort er noodzakelijk bij; hij is de wreker, maar wel in dienst van St.- Nicolaas, het beeld van de goede lichtmachten (het witte haar) en liefdekrachten (de rode mantel). De geschenken die St.-Nicolaas geeft, zijn geen geschenken zonder meer, maar in hun ware zin een correctie op onze tekortkomingen. In de zak gaat iemand slechts in het uiterste geval en humor behoort het zware gewicht van de ernst dragelijk te maken. De huivering van het kind voor Sint én Piet zijn gezond omdat ze de huivering voor echte mensheids­waarden zijn. De volwassene kan zich heel aan het begin van de adventstijd afvragen in hoeverre hij kan staan voor datgene wat hij in wezen is.

Het evangelie dat sinds vele eeuwen op de eerste adventszondag in de christelijke mis gelezen wordt, is Lukas 21 en het eindigt met de woorden: ‘Hemel en aarde zullen ver­gaan, maar mijn woorden zullen niet vergaan’. In de verzen 25-33 die in de mis gelezen wor­den, worden catastrofen in de kosmos en op aarde beschreven en wordt gemaand daarop te letten opdat men wakker kan zijn wanneer het gebeurt.
In de Mensenwijdingsdienst (de godsdienstoefening van de
Christengemeen­schap) wordt verder gelezen tot vers 36 en dat betekent dat er iets zeer wezenlijks aan toegevoegd wordt: ‘Zorgt ervoor dat uw har­ten niet afgestompt worden door roes, be­dwelming en zorgen voor het dagelijks leven… opdat gij de kracht zult hebben zonder schade door dit alles heen te gaan en te kunnen staan voor de Mensenzoon’.
Aan de mens wordt dus de taak gegeven zo met de verleidende en boze machten om te gaan dat hij sterk wordt en rechtop kan staan voor de Mensen­zoon, het oerbeeld van de mens, zoals hij in wezen is.
De adventstijd brengt de confrontatie met diegene die we eigenlijk zijn in ons eigen oerbeeld. We kunnen de vraag stellen in hoeverre we daaraan beantwoorden.

Het verschil in het beleven van hetgeen in de rooms-katholieke kerk gebeurt en dat wat door Rudolf Steiner werd bemiddeld ont­staat daardoor, dat het oude Christendom (de rooms-katholieke kerk) wel een feestdag van de aartsengel Michaël kent op 29 septem­ber, maar geen daarop volgende echte feest­tijd, waarin een beroep wordt gedaan op de krachten van de mens, die zich weer kunnen gaan richten op de wereld van de geest. De roep die uitgaat van Michaëls naam: ‘Wie is als God’ klonk vroeger als een waarschuwing tegen hoogmoed, maar kan nu als een oproep tot innerlijke activiteit klinken, die in alle deemoed wordt voltrokken. Daardoor krijgt de maand november, waarin de doden wor­den herdacht, een ander karakter. De doden zijn immers degenen, die ons zijn voorgegaan en die ons blijven voorgaan in een louterings­proces, dat de rooms-katholieke kerk beleef­de als straf, het vagevuur, waar de ziel zo kort mogelijk moest verblijven. Voor het volksgeloof kon men het verblijf daar bekor­ten door voorbede en zielenmissen. Men kan deze eerste tijd na de dood ook an­ders beleven: als een ontwikkeling aan de hand van de ervaringen, die in het aardse le­ven zijn opgedaan. Die ontwikkeling maakt men door doordat men zichzelf in zijn ware gestalte beleeft, positief en negatief. Steiner noemt deze periode met een oud Indisch woord het kama-loka. Het verblijf in dit kamaloka is wel pijnlijk maar kan positief er­varen worden als een hulp op de verdere ont­wikkelingsweg *)

De moed die Michaël geeft, stelt ons in staat met de gestorvenen in deze zin mee te leven door positief helpend aan hen te denken en hen in vrijheid over te laten aan de eigen ont­wikkeling. Er ontstaat door Michaël een an­dere verhouding tot de dood. De zogenaam­de doden zijn immers geestwezens die met hun eigen oerbeeld geconfronteerd worden, doordat daden en ervaringen gemeten wor­den aan geestelijke moraliteit. Dat zet zich nu voort in de adventstijd. Om dit te begrij­pen moeten we naar een andere kant van ad­vent zien. Het is een tijd van verwachting, verwachting van het kerstfeest. Verwachting kan zich – naar zijn aard – niet op het verle­den richten; dan is het herinnering. Verwachting richt zich op de toekomst, op iets wat wil komen. Misschien is de adventstijd wel zo veruiterlijkt omdat de mensen zich gingen richten op de herdenking van hoe eens de Christus verwacht werd en niet meer op de verwachting naar de toekomst vanuit het nu. Dan krijgen we een leegte die om vulling vraagt. Wanneer er geen geestelijke inhoud aan gegeven kan worden, dan wordt de leeg­te gevuld door de commercie, die precies weet waar onbevredigde behoeften leven. De verwachting kan ook een andere vervulling krijgen, die van een heiland, een messias, een profeet in uiterlijke gestalte. Daarvan kennen we er ettelijke, de laatste tientallen jaren in allerlei variaties, van Lou de Paling­boer tot Moon en de opdrachtgever van Ben­jamin Creme. Merkwaardig is dat deze ver­wachtingen wel allemaal aanknopen aan het algemene verwachtingskarakter van onze eeuw, maar niet direct aan de adventstijd van het jaar.

De adventstijd vindt zijn plaats in de loop van het jaar en wel in de tijd dat de dag steeds korter wordt en de nacht steeds langer. Rondom Michaël kan het korter worden van de dag drie à vier minuten per etmaal bedra­gen, rondom 21 december gaat het om se­conden per etmaal. Dat is een zich verlang­zamend proces. Je merkt dat het met het donkerder worden op zichzelf al stiller wordt, maar dat het als het ware langzamer verlopen van het tijdsproces deze stilte nog eens extra nadruk geeft. De beide zonnewen­des, in de winter en in de zomer, kennen dit verschijnsel. En in de stilte kunnen de zielen ontvankelijk worden voor het komende. Wat blijft er over van een muziekstuk dat tijdens gepraat begint? Is de stilte niet absoluut noodzakelijk om de eerste zo belangrijke toon op te nemen?

Deze stilte is in zijn meest volmaakte vorm in de dood te vinden. Wie beleeft het niet als een storing als er bij een opgebaarde gestor­vene zelfs maar het gebrom van een ventila­tor hoorbaar is? Maar in de stilte van de dood komt het wel op onze geestkracht aan. Wie er ervaring mee heeft, weet dat het vaak moeilijk is een gestorvene in huis te hebben, maar ook dat je er sterker aan wordt.
Wie het verhaal van Parcival kent, kan hier aan Sigune denken die vele jaren waakt bij het lijk van Schionatulander en daardoor de gees­telijke leidsvrouw kan worden voor Parcival op de meest kritieke momenten van zijn le­ven. Dit kunnen ‘staan’ voor de dood kan een voorbereiding zijn op het ‘staan’ voor de Mensenzoon. Als oerbeeld voor de mens is de Mensenzoon norm voor en oordeel over ieder mensenwezen.

Elke dood is ook een catastrofe, ook een voorlopig oordeel (geen ‘laatste’ oordeel). Sterven wil zeggen: deze uiterlijke wereld los­laten en helemaal alleen op het innerlijk ver­trouwen. Het wegvallen van het uiterlijke kan catastrofaal zijn. Deze catastrofe kan het innerlijke leven versterken als we reeds tijdens het leven de betrekkelijke waarde van de uiterlijke wereld doorzien. Dat kan ons een hulp zijn om ondanks de tegenwoordige ‘viering’ van de adventstijd tot een verinner­lijking te komen van deze periode, die ons leidt naar Kerstmis.

.

(Jacobus Knijpenga, Jonas 7, 27-11-1981)
.

*)Literatuur: R. Steiner:
De dood, een andere vorm van leven
Mens, lot en ont­wikkeling

F. Husemann:
Het gezicht van de dood (Christofoor),
S. Drake:
Over de dood zwijgen? (Christofoor)
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

304-284

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (39)

.

MICHAËLSSTEMMING EN MENSELIJKE FYSIOLOGIE

We zijn als leraren deskundigen op het gebied van het jaarritme. Daarbij is de blik echter meestal sterk naar buiten gericht: op de natuurprocessen. Edmond Schoorel, kinderarts, belicht “Michaëlsprocessen” in de mens. De diepten van de menselijke ademhaling en spijsvertering worden in dit artikel betreden.

In een aantal afleveringen zal geprobeerd worden om de loop van het jaar – de seizoenen en de jaarfeesten – op te zoeken in de mens. We zijn immers een microkosmos: Michaëls drakenbestrij­dende zwaard en de rijpe gekleurde goudreinetten moeten ook in de lichamelijkheid van de mens hun plaatsje hebben.

Zijn het vlijmscherpe woorden en gedachten die de ander de mond snoeren, is het het uitgerijpte idee dat in de ziel kan opstijgen, of het enthousiasme dat onbekende wegen ontsluit? Rond Michaël kijken we in gedachten even terug naar Pasen: daar ontkiemde het nieuwe, de aarde wendde zich opnieuw tot de zon, de dagen lengden. In het begin van de herfst kijkt de aarde (en wij met haar) verrast-verbaasd naar de schatten die de zomer haar heeft gebracht: vruchten, die nieuwe zaden bergen.

Wanneer we de weg van de adem naar binnen toe vervolgen, vinden we verbrandingsprocessen. De opgenomen zuurstof-levensstof wordt met behulp van ijzer in het bloed vervoerd naar de weefsels. Daar is zuurstof de noodzakelijke stof, de noodzakelijke voorwaarde voor alle levensprocessen, die verbran­dingsprocessen zijn. Wat ontstaat er? Warmte na­tuurlijk, die wordt als het ware vrij-getoverd; en koolzuur: een verbinding van zuurstof met koolstof-aardestof. Zuurstof wordt aards, koolstof wordt levend. De mens schenkt de aarde het leven door zijn eigen substantie te verbranden. Waar dient het koolzuur voor? Voornamelijk om uitgeademd te worden en voor een klein deel voor de mens zelf. Daarmee worden verbindingen gevormd, bijv. kalkzouten, die onze botten nodig hebben om vast te worden.

Tussen de regels door zijn we het bloed ook al verschillende malen tegengekomen: als bemiddelaar, als vervoersorgaan tussen alle genoemde processen. Is het bloed dan alleen passief, moet het alles maar over zich heen laten komen, weerloos slachtoffer van de ademprocessen en stofwisselingsprocessen? Dat is het inderdaad! Maar dat alles wordt wel waargenomen, bemerkt. Ons arme hart neemt al kloppend alsmaar geïnteresseerd waar wat zich afspeelt op de weg van de adem naar binnen. Het hart doet er zelf niets aan, merkt het alleen op. Wat we er mee doen, hangt dan weer van onszelf af, daarin zijn we vrij.

Het jaar schrijdt voort, de aarde maakt zich klaar voor de winter. De feestelijke overdaad van de zomernatuur verdwijnt, vruchten en zaden worden onder de bladeren geborgen, de eerste sneeuw doet er straks nog een laagje overheen. De herfststormen maken duidelijk dat we in tijden van wisselvalligheid en verandering leven.
De heiligen van de herfsttijd maken ons zichtbaar dat er eerst geschonken moet worden, voordat we straks met kerst mogen ontvan­gen. Het beste wat de zomer ons gebracht heeft, de vrucht van warmte en kleur, wordt belangeloos ter beschikking gesteld van het nieuwe dat komen gaat: het nieuwe van Kerstmis, het nieuwe van het volgende voorjaar. De uitbundigheid van de zomer, maar ook van de herfstgloed verandert in innerlijk­heid.

Een avontuurlijke en gevaarlijke weg volgt ons voedsel. Op de lange route van de mond via de maag door de dunne darm, wordt de voeding ver­kleind, opgelost, gesplitst, gemengd, verzuurd en weer alkalisch gemaakt. Een efficiënt afbraakproces zien we voor ons; met de grootste zorg worden agressieve processen gestuurd en beteugeld. Waar leidt dat allemaal toe?

Onze spijsvertering heeft twee doeleinden. Natuurlijk moet het voedsel, dat we rauw of bewerkt uit de natuur ontvangen, zó omgevormd worden, dat het de darmwand kan passeren. Dat kan alleen met die stoffen die sterk vereenvoudigd zijn: waaraan niet meer te ontdekken valt van welk voedingsmiddel ze afkomstig zijn. De natuur, voorzover die ons tot voeding dient, offert haar eigenheid op gedurende de spijsvertering. De stoffen die als bouwsteen in het voedsel hebben gewerkt kunnen dan als onbe­stemde substantie door de darmwand opgenomen worden en de lymfe vormen, die lymfe kan weer overal in het lichaam ingezet worden als drager van menselijke processen en menselijke substantie. Dat is de ene kant van de spijsvertering. De andere kant komen we op het spoor als we ons afvragen wat er gebeurt met de eigenheid, de her­kenbaarheid van het voedsel. Verdwijnt dat in het niets, of heeft die ook nog een opgave? Hier zou een uitgebreide beschrijving passen van het ontstaan van planten- en dierensubstantie. Op z’n kortst kan gezegd worden, dat de “idee” van een plant zicht­baar wordt in die bepaalde plant die we als voeding gebruiken. In de spijsvertering komt die idee, dat bouwplan weer vrij, nl. ter beschikking van de mens, ten dienste van zijn opbouw en gezondheid. Zo levert de spijsvertering twee substantiestromen op: een zichtbare lymfe en een onzichtbare lymfe. Dit hele zorgzame, in warmte gehulde proces is alleen nog maar voorbereiding. Wat we er mee doen ligt in onze vrijheid. Welke menselijke substan­tie er ontstaat, welke mens er geboren kan worden, daarvan vertelt ons de kersttijd.

(E.P.Schoorel, Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

301-281

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – alle artikelen

.

[1] Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd
Maarten Udo de Haes 
overseizoenen; dag- en nachtevening; evenwicht; symbool zwaard/weegschaal; vrede; Holbein: Michaël met zwaard en weegschaal

[2] Knutsels
bladeren zie spatwerk; dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje; draak van grillige tak; draak vliegende; grasmatje; herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels; herfsttafel; kaars met draak; kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin; kijkdoos; koffertje; kransen en slingers; mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad; schimmenspel van een michaëlsverhaal; slang; slingers zie kransen; spatwerk met bladeren; transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant; versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier; vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger; vrouwtje appelwang; waaiewindje; weegschaal;

recepten: brooddraak; rozebotteljam; vlierbessensap

[3] Tussen zwaard en weegschaal 
Marieke Anschütz over: onstuimige elementen; moederschap; zwaard en weegschaal; ijzer en koper;  Rogier v.d. Weyden: Michaël

[4] Omwille van enthousiasme en moed
Jakobus Knijpenga over: Michaël in ’t verleden en voor de toekomst; Steiner en Michaël; huidige praktisch ingestelde generatie en Michaël; moed

[5] De hedendaagse strijd van Michaël
Elisabeth Klein over: er is een nieuwe manier van kijken naar de natuur nodig; wat zijn elementairwezens; antroposofie spreekt erover dat ze ‘verlost’ moeten worden; in Kleins ogen tref je daar ook een strijd van Michaël aan; de zeven dwergen als elementairwezens en de betekenis van Sneeuwwitje.

[6] Vieren wij werkelijk Michaëlsfeest?
Reijer Ploeg over: de zomer als uitademing; ‘ken uzelf’ en ‘ken de draak in u’; intellectuele kilte; hartewarmte; voer Michaëlsstrijd in jezelf!

[7] Michaël
P.C.Veltman 
over: plaats van het feest in het jaarMichaël vroeger en nu; hoe vier je dit feest? Wat is de draak

[8] Losmakingsproces
Wendela van Mansvelt over: afwegen in het gezin: opvoedingssituaties; loslaten: moed nodig; weegschaal als grens van goed en kwaad

[9] Michaël, aarde en mensheid
Jacobus Knijpenga over: gebeurtenissen rond geboorte en sterven; levenslot, biografie, engelen, draak; geen naties; vrijheid; ontwikkeling individu; verantwoordelijkheid; tijdgeest

[10] Michaëlsverhalen
St.-Michaël op de maansikkel;
het verhaal van de vlieger;
Franse Michaëllegende;
Kalo Dant;
verhalen in boeken

[10-2] Michaël stelt de offervaardigheid van Mozes op de proef
Hebreeuwse legende

[10-3] Michaël als redder van Izaak
Hebreeuwse legende. 

[11].Hoe spreekt Michaël nu tot ons
 E. Plessen over: hoe kan ik toegang vinden tot ‘Michaël’; wat zijn Michaëls ‘woorden’; Kalawala; ijzer.

[12]. IJzer, zwavel en het Michaëlsfeest
Emmy de Groot
overzwavel in natuurkunde; in menselijke lichaam; ijzer in natuur(kunde); in menselijk lichaam; pyriet; illustratie meteoorijzer en zwavel.

[13] Grenzen van de groei en groei van de grenzen
Walter Kugler
over: angst, fatalismemeteoorijzer; begrenzing en verruiming; geest-materie; (meteoor)ijzer; illustratie meteoorijzer; illustratie Michaël

[14] Michaëlstijd
P.C.Veltman over: in welke tijd leven we; wereldherfst? bezinning; wie of wat is Michaël; wandtapijt Angers; apocalypse; draak; drakenkrachten én Michaëlskracht in menselijke intelligentie;

[15] Michaëlsfeest 
W.F.Veltman over: geestelijke realiteiten in beelden; geest en/of materie? vrijheid; het kwaad; de moed

[16] Michaëlstijd
Rinke Visser over: zomer-uit; ijzer voor bewustzijn; (meteoor)ijzer en zwavel; strijd en moed; herfst-in; draak herkennen

[17] Kosmische achtergronden van het Michaëlsfeest
Rinke Visser over: zomer: uit=zwavel; winter: in=ijzer; Michaël en Perseus; komeetkrachten; kosmische krachten; meteoorijzer; ‘strijd in hemel zichtbaar op aarde; vrijheid; draak; moed

[18] De engel van de goede wil
Marieke Anschütz over: wil en onwil; zwaard in de taal; zwaard en weegschaal; moed; goede wil; Rogier van der Weyden; fresco in Vamlingbo; Michaël tegenover Pasen

[19] Michaëlsfeest:’ in spring de boog gaat in’
J.van Dam over: in- en uitademing in het jaar, in de mens, kun je innerlijk oogsten; initiatief

[20] Michaëlsfeest in de kleuterklas
C. de Pree over: een impressie van de Michaëlstijd en -dag in een kleuterklas.

[21] Michaël, strijd om menselijkeid
Wijnand Mees over: Solschenitzyn staat en volk; Staatsmacht; kracht van het individu

[22] Michaël
M.Matthijsen over: voorbereiding Michaël in de natuur; het feest dat er niet is en nog worden moet; mens als tiende hiërarchie; Morgenstern; Achterberg; offeren van het eigene

[23] De aartsengel Michaël
Maarten Ploeger over: Michaël; verhouding tot ‘bovenzintuiglijke’; hoe was dat ‘vroeger’; ontstaan religies; Lucifer en Ahriman; deze krachten in de wereld; taak voor mens 

[24] Smeden
Eg Sneek over: smeden met 7e, 8e en 9e klas tijdens het Michaëlsfeest. Ervaringen met het ijzer dat je moet smeden als het heet is.

[25] Michaël herfstfeest
Marijke Wouters en Toke Moeskops over: afstervende natuur, maar kiemkracht; verinnerlijken; moed ontwikkelen; Michaël als herfstfeest; oogstfeest in de kleuterklas; 

[26] Michaël herfstfeest
Sari Kodde Dingemans over: herfst: verval in de natuur; zaad: samentrekking; verinnerlijking; Michaël als herfstfeest, gedicht voor 4e, 5e of 6e klas

[27] Wat is een Michaëlsfeest
E.P. Schoorel
over: Michaël in het najaar, tegenover het voorjaar; opbloeien met de lente, maar afsterven in de herfst?;

[28] Wat is een Michaëlsfeest
P.C.Veltman over: ‘is’ het Michaëlsfeest of ‘wordt’ het?; Monte Gargano, Mont Saint-Michel, Michaëlsberg; het ‘kwaad’; Indra, Mithra, Tiamat, Mardoek; Michaël bij de Perzen

[29] Michaël in de kleuterklas
C. de Pree over: herfst; oogst; wat doen we in de kleuterklas; 

[30] Michaël
Ad Tiemens over: seizoenen; herfststemming; zwaard en weegschaal: innerlijke strijd voor evenwicht; Michaël in Aalst; Michaël bij de Germanen

[31] Michaël
Magchiel Matthijsen over: de zin van (jaar)feesten vieren; geen ‘herdenkingsfeest, maar toekomst; Russische legende over naam ‘mens’; innerlijke draken bestrijden; Vézelay: S-Madeleine; Freyrs boot: menselijk denken; menselijk denken veranderen

[32] Hemel, hel, Michaël
Henk Sweers over: ruimte/tijd, innerlijk/uiterlijk, zwaard/weegschaal

[33] Michaëlstijd
Madeline van Gilst over: natuurimpressies voorjaar-najaar, plaats Michaël

[34] Michaël
Werner Barfod over: natuurimpressies; kunst; euritmie

[35] De herfst en het Michaëlsfeest
Reyer Ploeg over: verschil jaargetij en jaarfeest; natuurimpressies; ijzer en koper -zwaard en weegschaal

[36] Michaël, feest van de toekomst
Henk Sweers over: jaarfeesten nu: veruiterlijking; vakantie en feest; de alom aanwezige draak; feest van de toekomst, kennen van de geestelijke wereld; de mens tussen twee uitersten; nodig: geestkracht en moed; innerlijke strijd; vier jaarfeesten als geheel; heden/verleden, zwaard/weegschaal

[37] Michaëlsdag op 29 september
Arie Boogert over: 5e eeuw: Michaëlkerk in Rome; wonder van Cho-nai; van oost naar west Michaëlheiligdommen; tussen God en mens; tussen goed en kwaad: weegschaal; draak; wat is kwaad; kwaad en vrijheid

[38] Michaël
Onbekende auteur over: herfst tegenover voorjaar; Michaël: zwaard én weegschaal; evenwicht; waarom op school

[39] Michaëlsstemming en menselijke fysiologie
Edmond Schoorel over: herfst; ademhaling, zuurstof/koolstof, bloed, hart als waarnemer, spijsvertering

[40] Het Michaëlsfeest
Marika Ortmans over: oogstfeest, ook in overdrachtelijke zin; oogst en Michaël;  waarom in deze tijd opnieuw proberen te vieren; Michaël en onze toekomst, sociaal en met de natuur.

[41] Michaël – tussen moed en depressie
J.F.Zeylmans over: spiegeling lente-herfst; Johannes-Kerst; Jezus-Johannes; afname-toename licht/duister; 280 dagen ‘verwachtings’tijd

[42] Herfst
Els Boekelaar over: de herfststemmingen; strijd en vrediger momenten; de draak in jezelf en om je heen

43. Boeken over Michaël(s)feest
     
en over de herfst

44.Inwendige processen  in de mens in samenhang met de herfsttijd – de michaëlstijd
Ita Wegman bespreekt de ijzerprocessen in mens en kosmos

45. Michaëlstijdperk
Maritgen Matter over: 7 aartsengelen; hun regentschap in de ‘engelenweek’; snelle en radicale veranderingen in deze tijd; Michaël als regent van deze tijd; vele omwentelingen; hoe bewust staan we daarin; vernieuwen en veranderen met geestelijk inzicht; handelen vanuit eigen moreel liefdesvuur vraagt moed

46. Michaël in 2 cantates van Bach  BWV 19 en 149
Met uitleg van Eduard van Hengel

47. Michaël en het christusbewustzijn
Daniëlle van Dijk over: wie is Michaël; christusbewustzijn; liefdekracht; opvoeding tot zelfstandig Ik; het belang van aandacht; drie oefeningen voor het bewustzijn

48. Michaëlstijd; Michaëlsfeest
Wim Veltman over: tegenstellingen in de wereld: verdeeldheid – eenwording, wie veroorzaakt veranderingen in de mensheid;

49. De aartsengel Michaël
Wim Veltman over: samengaan psychische eigenschappen en planeten; deugden, verleden tot nu; ‘zonnedeugd’ en aartsengel Michaël; hart en moed;

50. Moed
Loïs Eigenraam over: herfst, voor kinderen, voor volwassenen; Michaël schenkt moed; wat is moed, verschillende aspecten; Mandela; trouw, vertrouwen;

51. Van heldenmoed tot hartewarmte
Diederick Sprangers over: innerlijke ontwikkeling en het beeld van Michaël; zelfbewustzijn en wereldbewustzijn; zwaard en moed; weegschaal; humor: ‘de draak steken’; Sint-Maarten; draaksteken in Beesel

Jaarfeesten van de herfst (1)
Hans ter Beek over: de 3 jaarfeesten van de herfst: Michael, Sint-Maarten, Sint-Nicolaas; 9 feesten van het jaar; ‘feesten van het lichaam’; Michaërl ‘denken’; Maarten ‘voelen’, Nicolaas ‘willen’; 

Jaarfeesten van de herfst (2)
P. la Rivière over: er zijn verschillende soorten ‘jaar’; ritme vanuit economisch en geestelijk perspectief; sfeertekening van zomer naar herfst; de feesten van het najaar: Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas; advent en Lucia

Jaarfeesten van de herfst (3)  Verborgen lichtjes
Marcel de Leuw over: najaar: Michaelsfeest – wat kan er worden gedaan -; St.-Maarten en delen.

Jaarfeesten van de herfst (4)
Juultje v.d. Stok: wat kun je met kinderen doen in de herfst rond michaëltijd?

Herfst – Michaël – Sint-Maarten – Sint-Nicolaas – herfst
Over: de 3 feesten van de herfst; sfeertekening; schenken; Sint en Piet als eenheid

Waarom vieren we dit feest
blogartikel

VRIJESCHOOL – in beeld: JaarfeestenMichaël
b
ordtekeningen; transparanten         jaartafel

300-280

.

.

Wat op deze blog staat.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (38)

.

MICHAËL

Wie ’s ochtends vroeg op weg is, voelt het begin van de herfst, de zilveren nattigheid over het veld, de gloedvolle kleuren die de bomen beginnen te krijgen, de storm, de dwarrelende blaadjes, die een tapijt op aarde vormen en tot humus verworden. De natuur sterft af, de aarde neemt terug wat het in het afgelopen jaar tot bloei bracht, maar wel nadat de mens eerst heeft geoogst! Appels, peren, druiven, tarwe, mais, noem maar op, geschenken van de natuur waarmee wij in leven blijven.

Straks in de stille kou van de winter is de natuur kaal en zonder kleur. Diep
binnenin maakt de aarde zich klaar om rond Pasen in het voorjaar de kracht te hebben het nieuwe leven weer zichtbaar in de natuur te laten ontluiken.

Ten tijde van het Sint-Jansfeest in de zomer zal alles onder de warme zon weer volop in bloei zijn, op weg naar weer een nieuwe oogst. Het ritme der seizoenen herhaalt zich, maar aan dezelfde appelboom groeien ieder jaar niet dezelfde, maar nieuwe appels, nieuwe oogst.

Ook de mens heeft in deze tijd de behoefte zich letterlijk en figuurlijk terug te trekken in eigen huis. De wil om nieuwe ideeën op te doen en nieuwe levensdoelen te vinden gaat vaak gepaard met opruimen en ordenen, ook orde op zaken stellen in het werk en in sociale kring, zodat er ‘ruim­te’ gemaakt wordt voor ‘nieuwe wegen’.

Tegelijk met dit terugtrekken in onszelf ervaren we dat er zaken in de weg liggen, die niet zonder meer te ordenen zijn, situaties waar we niet tegen opgewassen zijn, moeilijkheden die ons verdrietig of kwaad maken, gebeurtenissen waarbij je steeds weer in je eigen onhebbelijkheden ver­valt. Met moed, beleid en trouw moet je zelf ten strijde durven trekken om deze zaken uit de weg te ruimen en positieve krachten te verwerven, die je het nieuwe dat voor je ligt, doet oogsten.

Op het schoolplein zien we in deze tijd de kinderen het nieuwe leerjaar, waar ze met veel zin aan begonnen zijn, bijna letterlijk binnenvechten! Sociale rangorden worden herzien en nieuwe vriendschappen vaak met strijd verworven en gevormd. Binnen in de klas heerst nu, in tegenstelling tot vlak voor de zomervakantie, stille werklust en gespannen verwachting naar de nieuwe periodelessen. Er zijn weer vakken bij waar nooit eerder van was gehoord.

En dan is het 29 september, de dag van het Michaëlfeest. Wij vieren het feest met de kinderen mee en leren het beeld van de Heilige Michaël ken­nen met zijn blinkend zwaard en de weegschaal. Michaël komt de mens te hulp. Met zijn zwaard overwint hij de draak, die het ‘duistere’ en ‘boze’ symboliseert. De mens krijgt de ijzeren kracht zichzelf te overwinnen. Ook zien we op oude afbeeldingen hoe Michaël de weegschaal waarop de ziel gewogen werd in evenwicht houdt. Een evenwicht tussen goed en kwaad. Hoe moeilijk is het niet om in plaats van achteraf, juist vooraf het goed en kwaad van ons eigen handelen te kunnen overzien en bepalen. Wij moeten zelf onze weg naar het ‘nieuwe’ banen door te wikken en te wegen en steeds te zoeken naar oplossingen, waarbij onze eigen ideeën en die van anderen in evenwicht blijven. Jaar in jaar uit wordt het Michaëlfeest met de kinderen op iedere vrijeschool gevierd. Het meegebrachte fruit, de oogst wordt geschonken en de strijd met de draak wordt moedig in spel­vorm en naar leeftijd gestreden.

Eenmaal kinderen op de vrijeschool wordt iedere ouder geconfronteerd met de vraag waarin het onderwijs van de school zich onderscheidt van dat van andere scholen. Een van de vele antwoorden kan zijn: ‘In het vieren van de jaarfeesten!’ Op de vraag, die iemand mij ooit stelde, of je daar dan beter van leerde lezen, schrijven of rekenen is het enige antwoord:’ Nee, daar leer je van leven!’

In de huidige tijd worden we bijna gedwongen alle verschillen in beter le­ren, beter kunnen en beter zijn uit te drukken. Dat ieder individu anders leert, iets anders kan en een ander is, maakt ze tot waardevolle deel­nemers aan de gemeenschap, vooral als het onderwijs leidt tot echt weten in plaats van beter weten. Juist als volwassene weten we hoe moeilijk het is om af te zien van alles en ieder, die ogenschijnlijk beter lijkt en moed te putten uit je eigen positie en bestaan.
Misschien, heel misschien, oogsten de kinderen, die jaarlijks het Michaëlfeest vieren, van nature het vermogen om de eigen levensmoed aan te spreken en met een positieve levenshouding zich een eigen nieuwe en even­wichtige weg door het leven te banen?!

Nadere gegevens onbekend

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

299-280

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (10)

.

MICHAËLSVERHALEN:

 

de sprookjes van Grimm:
de twee broeders
de wilde man

van Raaphorst: Van Sinterklaas tot Sintemaarten

Udo de Haes: Zonnegeheimen deel 4

von Baditz: Aus Michaels Wirken

Friedel Lenz: Die keltische Drachenmythe

Hieronder staan:

Sint Michaël op de maansikkel (2x)
Het verhaal van een vlieger
Franse Michaëllegende
Kalo Dant en de zevende wereld

verhalen

Sint-Michaël op de maansikkel

Het Michaëlsfeest luidt de herfsttijd in. Uiterlijk wordt de strijd tussen licht en donker in het voordeel van de duisternis beslecht. Of het innerlijk licht in ons ontstoken kan worden is niet afhankelijk van het natuurgebeuren buiten ons; de wijze waarop wij met onze innerlijke ruimte omgaan is bepalend. Daaraan wil het Michaels­feest ons herinneren.

Niet alleen in het jaarverloop, de op­eenvolging van de seizoenen, neemt de Michaëlstijd een plaats in. Men zou kunnen zeggen dat de Michaëlstijd zo­als we die in de herfst kennen, een tijd is die in verhevigde mate de signatuur van een veel groter tijdsbestek draagt: de periode waarin zich onze huidigecultuur afspeelt, waarin Michaël als tijdgeest de mensheid inspireert. Ook hier is sprake van strijd tussen licht en duisternis.

De draak die wij uit zovele verhalen kennen, wordt door Michael verslagen. Voor ons, in de twintigste eeuw, wordt die slag opnieuw werkelijkheid. Maar wie kan strijden als hij niet weet waar het slagveld is of de kleuren van de vijand niet kent?
Onderstaand verhaal begint met de woorden ‘Zag je…?’ Als we dit prach­tige beeld in ons opgenomen hebben, waar zowel de jaarfeest-Michaëlstijd als de huidige mensheids-Michaëlstijd doorklinken, kunnen we om ons heen kijken en ons afvragen: ‘Zie je werke­lijk de tijdsfenomenen, ontdek je de camouflage van de vijand en versta je de gecodeerde boodschappen die rondgaan?’

En lees dan dit verhaal nog eens.
Zag je in heldere, hoge herfstnachten de sterrenvonken aan de hemel spatten? Als de hoop van een mensenziel gaan ze op: als het besluit van een mensen­hart duiken ze onder, lichtend in kracht.
De mensen noemen het vallende ster­ren.

Maar wie zijn engel liefheeft en van kind af aan geen angst in zijn hart bin­nenliet, weet het beter. Hij ziet in klare herfstnachten daarbo­ven in de sterren de grote strijd, Sint-Joris op aarde genoemd, Sint-Michaël in de hemel. En hij ziet zijn gelaat over­straald door gouden wijsheid, die, zichzelf niet wetend, het hart van de hoogste godheid weerspiegelt. En ziet zijn arm glanzend in het wapen, dat sterk en zuiver is, als uit hemelse ge­rechtigheid gehard.

En met de weerbare hand heft Michaël het zwaard op, dat de kruipende en begerende, wroetende en stukvretende onreinheid treffen zal. En de sterren beven en vonken als dia­manten, springen op, als Sint-Michaël zijn zwaard opheft.
Zag je in donkere wintertijd de tere maansikkel boven de fijne witte wolken wegglijden? Het ruist om haar heen als het fluisteren van grassen van verre, schone hemelweiden. Een ver­langen, verder, verder weg te zijn, grijpt de harten van de mensen aan, die opkijken naar de sikkel aan de winterhemel.

Maar wie zijn engel liefheeft en van kind af aan de reinheid in zijn hart be­waart, weet het beter. Hij ziet daar boven op de smalle zil­veren sikkel de hemelse jonkvrouw Maria staan. En hij weet, dat zij een koningin is. Want zij lacht naar bene­den tot diegenen, die op aarde vurig verlangen en gebrek lijden. En schenkt uit haar rozige handen hemelse tarwe­korrels, die zegenend op de aarde val­len. Zij schenkt uit biddende gebogen handen. Zij bidt voor de diepten, dat ze verzadigd mogen worden en goed en vervuld met het wonder, dat het hoge nog bergt.

En eenmaal zal het gebeuren. In een herfst, waar de berk niet schreit om haar bladeren; waar het berkenloof vrolijk ter aarde valt. Dan zal op een dag boven de maan een trap verschij­nen waarvan de treden zijn als melk­achtig steen. En op deze witte treden, met zegenende handen verlossing wenkend, zal Maria omhoog schreiden naar de gouden hemelse oogstdanktafel, alsof haar voet op een zich sprei­dende duivenvleugel treedt. De sikkel van de maan zal dan niet verlaten zijn. Daar zal dan een lied klinken, dat in de hemel en op de aarde nog niet werd gehoord. Sint- Michael zal dan op de maansikkel staan. Als hemelse smid heeft hij zijn zwaard omgesmeed tot het raam van een lier en uit de mensengedachten van moed worden de snaren daarop gespannen. De draakoverwinnaar zal zingen en spelen en als hemelse luit­speler zijn ambt uitoefenen. Er is kracht in zijn lied. Van de vertroosting en vervulling van een oude tijd zal hij zingen en van het nabije neerstromen van het hoogste licht, waarin het la­chen van Maria verdween. En de berk zal tot in haar diepste wezen huiveren vol vreugde, als dit lied weerklinkt. En de herfst zal zijn als voorjaar.

Vele mensen zullen het niet zien, velen niet horen. Maar wie zijn engel
lief ­heeft en trouw in zijn hart draagt: die weet het goed en wil het beter.

(Rinke Visser, naar een Poolse legende, Jonas nr.2, 28-09-1977)
>

Sint-Michaël op de maansikkel

Heb je wel eens op een heldere, verheven herfstnacht sterren aan de hemel uitéén zien spatten? Zij gaan op als de hoop in een mensenziel, als het be­sluit van een mensenhart gaan zij onder, krachtig stralend. De mensen noe­men het sterrenregen. Wie echter zijn engel liefheeft en van kind af aan geen vrees in zijn hart binnenliet, weet wel heter. Hij ziet in de heldere herfstnachten daarboven de grote strijder, die Sint-Joris wordt genoemd op aarde en Sint-Michaël in de hemel. En hij ziet zijn aangezicht dat in een glans van gouden wijsheid stralend, zichzelve niet bewust, het hart van de godheid weerspiegelt. En hij ziet zijn arm schitteren in de wapenrusting die sterk is en rein, als gesmeed van hemelse gerechtigheid. En zijn rechterhand slaat St. -Michaël aan zijn zwaard, dat de sluipende, begerige, krioelende, verscheurende onreinheid treffen zal. En de sterren beven en diamanten vonken spatten als Michaël zijn hand aan zijn zwaard slaat .

Heb je wel eens in de donkere wintertijd de tere sikkel van de maan over de fijne witte wolken zien glijden? Het ruist om haar, als het fluisteren van de grasvelden van verre hemelse weiden, een verlangen om ver, ver weg te zijn grijpt het hart van de mensen aan, die opzien naar de maan aan de winterhemel. Wie echter zijn engel liefheeft en van kind af aan reinheid in zijn hart be­waarde, weet wel beter. Hij  ziet daarboven op de smalle sikkel van de maan de hemelse maagd Maria staan, en hij weet, dat zij koningin is. Zij  zendt haar glimlach naar de aarde, naar hen, die geplaagd worden door verlangen en ontbering. En zij laat uit haar tere handen hemelse graankorrels neerdalen, die zegenend op aarde vallen. Zij schenkt uit haar tot gebed gevouwen handen. Ze bidt voor de diepten, dat ze verzadigd mogen worden en goed gevuld met het wonder, dat de hoogten nog in zich bergen.

En eens zal het geschieden. In een herfst, wanneer de berkenboom zijn blade­ren niet meer zal betreuren; wanneer het berkenblad vrolijk ter aarde zal vallen. Dan zal op een goede dag een trap boven de maan verschijnen, waarvan de treden zullen zijn als van melkwitte steen. En langs deze witte treden zal Maria omhoogschrijden naar de gouden hemelse oogstdanktafel, met haar handen zegenend verlossing wenkend, als gingen haar voeten over gespreide dui­venvleugels.

Maar de maansikkel zal niet leeg achterblijven. Een lied zal van haar
weer­klinken, dat noch in de hemelen, noch op aarde ooit werd gehoord.
Sint-Mi­chaël zal dan op de maansikkel staan. Als hemelse smid heeft hij dan zijn zwaard tot lier omgesmeed en snaren erop gespannen van moedgedachten van de mensen. De overwinnaar van de draak zal spelen en zingen, en zijn ambt ver­vullen als hemelse luitspeler. Er is kracht in zijn lied. Van vertroosting zal hij zingen en van vervulling van een oude tijd en het nabije nederdalen van het hoogste licht waarin Maria’ s glimlach verdween.

En vreugde zal de berk tot in zijn diepste merg doorhuiveren als dit lied weerklinkt. En de herfst zal als voorjaar zijn.
Vele mensen zullen het niet zien, vele mensen zullen het niet horen. Wie
ech­ter zijn engel liefheeft en trouw in zijn hart draagt, die kent het goede en schaart zich met zijn wil erachter.
.
(Naar een Poolse legende, in het Duits bewerkt door Herbert Hahn, nadere gegevens onbekend)
.

Het verhaal van een vlieger

Een jongen had met zijn vader een vlieger gemaakt. Dat was een waar kunstwerk geworden, waar zij de hele winter aan gewerkt hadden. Het lichte houten kruis was omgeven door mooie doorzichtige kleuren die in levendige vormen omhoog golfden. Toen de jongen de vlieger in de zomer opliet, had de zon zoveel plezier in die heldere tinten, dat hij het niet kon laten, er voortdurend naar te kijken en er zijn lichtste stralen heen te zenden. Het allermeest genoot hij van het rood en het geel en dat liet hij ook helderder dan alle andere kleuren oplichten en zo kwam het dat de vlieger wel een vlammend kruis leek dat daar boven aan de hemel stond. De jongen genoot niet minder van de zon en hij liet zijn vlieger zo hoog opstijgen als maar enigszins mogelijk was. Helaas was het touw al gauw afgewikkeld en de vlieger kon niet verder.
Wat jammer was dat!
De jongen keek en keek en in zijn gedachten liet hij de vlieger steeds hoger gaan. Maar ach, dat was immers alleen maar verbeelding. Hoesch… ! kwam daar een grote windvlaag! Die brak het touw en… daar dwarrelde de vlieger werkelijk de hemel in! De jongen tuurde hem na en hij zag hoe hij aldoor maar hoger ging. Al spoedig was hij zo hoog gestegen dat de jongen niet goed kon zien wat er met hem gebeurde; maar voor de vlieger viel daar heel wat te beleven!

Het eerst ontmoette hij een kraai en er ontstond dadelijk een gesprek. ‘Goedemorgen!’,  kraste de kraait. ‘Goedemorgen!, antwoordde de vlieger.
‘Ben jij ook een vogel met je vlammende vleugels en je lange staart?’
‘Nee, ik ben geen vogel!’
‘Wat ben je dan en waar kom je vandaan?’
‘Ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken; die heeft me geloof ik zelf gemaakt.’
‘Zo, zo en waar ga je naar toe?’
‘Dat weet ik niet. Ik wil alleen maar de hemel invliegen! ‘Dan hoor je hier niet thuis. Hier boven weten alle wezens precies waar zij vandaan komen en waar zij naar toe gaan. Ik trek zelf elke winter naar het Zuiden en elke zomer naar het Noorden. Ik zou je raden weer naar de mensen terug te gaan, want als je niet weet waar je heen moet, verdwaal je in de hemel.’

Maar de vlieger was eigenwijs en ging verder omhoog. Toen ontmoette hij een zaadpluisje. Dat was nog hoger gezweefd dan de kraai. ‘Goedemiddag’, fluisterde het zaadpluisje. ‘Goedemiddag’, antwoordde de vlieger. ‘Ben jij ook een zaadpluis met al die wonderlijke uitsteeksels en kleuren?’ ‘Nee, ik ben iets dat door de mensen is gemaakt en ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken.’ ‘Waar moet je dan heen?’ ‘Dat weet ik niet. Ik wil zo maar de hemel in!’
‘Dan hoor je hier niet thuis! Iedereen weet hier wat het doel is van zijn tocht. Ik ga de lucht in om op te vangen wat van Oost naar West gaat: dat is de zonnewarmte. En als ik die gekregen heb, daal ik weer neer om hem aan de aarde te brengen en dan laat de aarde daaruit een nieuwe bloem groeien. Maar als jij niet weet wat je te doen hebt, zou ik maar liever weer omlaag gaan, want anders verlies je de koers in deze hoge werelden!’ Maar de vlieger bleef eigenwijs en steeg nog hoger. Toen kwam hij voorbij een wolk gezweefd. ‘Goedenavond! zoemde de wolk. ‘Ook goedenavond!’, zei de vlieger. ‘Ben jij een wolk met al je vlammende avondrood?’, vroeg de eerste weer. ‘Nee ik ben van de mensen. Ik kom van dat kleine jongetje daar beneden.’ ‘Waar ga je heen?’ ‘ Zomaar de hemel in.’ ‘Dan hoor je hier niet thuis. Iedereen kent hier zijn bestemming. Ik ver­zamel het laatste avondrood; dat maak ik in de nacht tot morgenrood; dat geeft water in de sloot! Daar regen ik zelf mee neer om de aarde te zegenen en als ik dat gedaan heb, draagt de zon me weer omhoog om nieuw avondrood te maken. En zo ga ik maar steeds op en neer. Maar jou geef ik de goede raad, terug te gaan naar dat jongetje, want zonder doel verdwaal je hierboven!’
Maar de vlieger liet zich niet van zijn stuk brengen en steeg nog hoger. Toen kwam hij bij de sterren. ‘Goedenacht!’, zongen de sterren in koor met klare hoge stemmen. Goedenacht!”,  zong de vlieger mee.
Wat voor konde kom je ons brengen, staartster van de aarde?’ zongen de sterren weer. ‘Ik ben geen staartster, ik kom van dat jongetje, dat daar op de aarde ligt te slapen, zong de vlieger. ‘Dat heeft mij laten opstijgen, maar ik ben van hem weggevlogen. Toen wachtte hij tot ik terug zou komen, maar ondertussen is hij in slaap gevallen en nu droomt hij van mij.’
‘Dan zullen we je onze zegen meegeven voor die jongen’, zeiden de sterren en elk van hen gaf hem iets van zijn heldere glans.

Maar toen kwam daar de engel Michaël uit de hemel.

Die nam een grote ster in zijn handen, wierp die suizend op de vreemde  indringer neer. De ster trof de vlieger en op hetzelfde ogenblik sloegen de vlammen eruit en brandende stortte hij omlaag!

Toen de jongen ontwaakte, vond hij dat hij een wonderlijke droom had gehad en hij was met een schok wakker geworden. Maar toen hij om zich heen keek, merkte hij dat zijn droom geen gewone droom was geweest, want naast hem lag het kruis van zijn vlieger, waarvan het papier was verbrand. Dat kruis was echter niet meer van hout, het was van lichtend hemelijzer! Hoe verbaasd was de jongen dat te zien! Maar hij was toch ook een beetje verdrietig….Nu was hij immers zijn mooie vlieger kwijt!
Maar toen hij met zijn kruis thuis kwam, sprak zijn vader: ‘Mijn jongen, laten we blij zijn! Als je vlieger niet verbrand was, had je nooit dit kruis van hemelijzer gekregen. Dit ijzer is sterker dan het hardste staal. We maken hieruit een vlieger die nog veel mooier is dan de vorige.’
Dat deden zij in de winter en toen de nieuwe vlieger werd opgelaten in de volgende zomer, ontmoette hij in de hemel opnieuw wat daar ging van Noord
naar Zuid, van Oost naar West en van de hemel naar de aarde. En toen hij bij
de sterren kwam, werd hij opnieuw door Michaël getroffen, waardoor hij
brandend ter aarde stortte. Maar het kruis van het hemelijzer dat de jongen vond, was nog glanzender dan tevoren.

Zo ging het vele jaren achtereen en ieder jaar werd het kruis stralender en sterker. Maar toen de jongen groot geworden was, veranderde het kruis van gedaante en werd tot een machtig zwaard, dat nog glinsterde van het sterrenlicht. Daarmee trok de jongeling door de wereld en hij werd een dappere ridder. Maar hij was geen gewone ridder, want zelfs bij de grootste overwinningen die hij behaalde vloeide er geen bloed. Andere ridders die hij ontmoette, bewonderden zijn zwaard en zijn daden en zij wilden zich tot hem scharen. Maar de jongeling sprak: ‘Het zwaard dat gij aan uw zijde draagt, is niet het zwaard, waarmee gij met mij door de wereld kunt gaan. Daartoe moet gij u een ander zwaard verwerven. Laat alles wat ge op aarde gemaakt en geleerd hebt verbranden door de sterren die uit de hemel vallen. Uit de as kan het zwaard groeien, waarmee gij mij volgen kunt.’
De jonge ridders verbaasden zich. ‘Tot welke orde behoort gij dan?’

De jongeling toonde het gevest van zijn zwaard. Daarin glinsterde een naam.
De ridders moesten zich inspannen om de lichte letters ter lezen.
Toen herkenden zij de naam:…..Michaël.
.

(Uit: Zonnegeheimen. D.Udo de Haes)
.

Een Franse Michaëllegende

Aubert, de vrome en bij God geliefde bisschop van Avranches, verscheen een engel toen hij sliep en gaf hem opdracht op de berg Tumba een kerk te bouwen, die aan Michaël gewijd moest worden. Michaëls naam moest niet alleen geëerd worden op de berg Gargano, maar ook midden in zee!

De bisschop kende het woord van de apostel Johannes – “onder­zoek of de aan U verschenen geesten wel uit God zijn!” – en overwoog dit in zijn ziel. Toen juist verscheen de engel hem ten tweede male en beval hem te doen wat hij hem had opgedragen. Nog aarzelde de bisschop. Wie bouwt er nu een kerk op een rots in zee? Tenslotte wierp hij zich op de knieën en bad vurig tot onze Heer Jezus Christus en ook tot de heilige aartsengel Michaël zelf. Hij vroeg in zijn gebed of zij hem hun wil zouden willen openbaren.

Juist in die tijd steelt een man een stier en verstopt die op de berg. Hij wil hem verkopen, zodra de eigenaar berust in het verlies van het dier.

Onderwijl werd de eerwaarde bisschop voor de derde keer op zeer dringende wijze aangemaand om niet langer ongehoorzaam te zijn, maar dadelijk naar de aangeduide plaats te gaan en die niet meer te verlaten voordat het werk zou zijn voltooid. Op de vraag van de bisschop waar de meest geschikte plaats zou zijn om de kerk te bouwen antwoordde de engel: “Daar, waar je een gebonden stier zal vinden.” Op de vraag, hoe groot de plaats moest zijn, antwoordde de engel:  “Gebruik de bodem die door de stier is omgewoeld en geef het beest daarna aan zijn baas terug!”

Toen begaf de eerwaarde bisschop zich vol zekerheid en onder het spreken van heilige lofprijzing en het zingen van heilige gezangen naar de berg en begon aan het werk. Hij vond de vast­gebonden stier en liet die aan de eigenaar teruggeven. Een flinke schare boeren bracht hij bijeen. Die effenden de grond en maakten de plaats schoon. Maar, o wee, midden op de plaats bevond zich een reusachtig rotsblok, dat de sterkste, mannen ondanks hun verwoede pogingen niet van zijn plaats konden krijgen, lange tijd deden zij moeite, maar vergeefs. Niemand wist meer raad. Maar ziet! In de nacht daarop had een boer – hij heette Bain  – uit het naburige dorp Itius een droom. Hem werd het bevel gegeven zich bij de arbeiders te voegen. Met zijn twaalf zonen begaf hij zich op weg.
Zij kwamen bij de grote rots. Wat de mensen niet hadden gekund, volbracht deze man met Michaëls hulp: de rots scheen zeer licht te zijn, want Bain schoof de rots gemakkelijk terzijde. Allen prezen God en de aartsengel Michaël. Men toog met nieuwe moed aan het werk.

De bisschop aarzelde nog over de afmeting van de muren. Maar ziet! Evenals in het verhaal van Gideon viel er ’s nachts dauw op de top van de berg. De aarde bleef echter droog op de plaats waar de grondvesten gelegd moesten worden. De bisschop hoorde een stem die sprak: ‘Gaat heen en zet de stenen, zoals het U aangegeven is!’

Toen stond hij op, prees de almachtige God en ging vrolijk aan het werk, Michaëls zegen afsmekend.

Dat was het begin van de beroemde Michaëlskerk op de Mont-Saint-Michel.
>

(Uit de verzameling van Nora von Baditz  ‘Aus Michaels Wirken’)
(opgenomen in vrijeschoolkrant Leiden)
.

Kalo Dant en de zevende wereld

Kalo Dant had in de twintig jaren van zijn leven met de zigeuners van zijn stam onnoemelijk veel landen bereisd. Zoveel, dat hij dacht dat ze bijna aan het einde van de wereld waren be­land en dat er nauwelijks meer landen te ontdekken waren. Toen hij hoorde dat God zeven werelden boven elkaar had geschapen, waarvan de onze er één is, was hij erg blij. ‘Dan hoef ik tenminste niet weer al die bekende plaatsen op te zoeken’, dacht hij. Aan iedereen vroeg hij de weg naar die hogere werelden. Maar hij werd uitgelachen; de ze­ven werelden zijn immers van elkaar gescheiden door solide hemelse gewelven. Daar kom je nooit doorheen! Tot hij eens, een grassprietje tussen de tanden, in het gras lag en naar de he­mel keek. Ja, de hemel is hoog. Maar dat zijn de bergen ook. Wie weet, of je op de toppen van de bergen niet met je hoofd in de wereld boven ons steekt? Een mooie gedachte. En zo begon Kalo Dants avontuur.

Hoog in de bergen komt Kalo Dant in de mist terecht en hij durft niet verder te gaan. Boven zich voelt hij niets van een hemelgewelf. Als de mist optrekt en hij een kaal berglandschap om zich heen ziet, loopt hij verder. Dan vindt hij een slanke, rechte boom, die almaar om­hoog groeit, zo ver dat de top niet te zien is. Hij begint omhoog te klimmen. Moe geworden, rust hij na een tijdje uit. Tussen de takken door omhoogkijkend, ziet hij daar boven een, ja – wat?, een oude pantoffel. Aan een bruine blote voet. Zo ontmoet Kalo Dant zijn bescher­mengel. Hij kan duidelijk zien dat het de beschermengel van een zigeuner is. Die hebben gevleugelde voeten. Kalo Dant mag de pantoffel lenen en schiet omhoog. Waar hij weer vas­te grond onder de voeten krijgt, wordt hij gastvrij ontvangen door een menigte zigeuners, maar hun taal verstaat hij niet. Hij wordt naar een oude man gebracht. Deze is negenenne­gentig jaar oud en kent negenennegentig talen, ook die van Kalo Dant. ‘Nieuwsgierigheid’, zegt de oude, ‘is de eerste stap op de ladder die wij kennis noemen.’ En zo blijft Kalo Dant een jaar bij hem om te leren. Hij leert er de taal van de bomen om te we­ten, welke hij als houthakker kan vellen en welke niet. Na een jaar wordt de oude man hon­derd jaar oud en leert hij zijn laatste taal: die van de vogels. Nu moet Kalo Dant hem verlaten en naar huis teruggaan. Maar nee, hij wilde toch alle werelden daarboven leren kennen, en hij is er nu toch al veel dichter bij?

Op aanraden van de oude man zoekt hij een eenzame weide op. Na drie dagen in de een­zaamheid ziet hij de Schepper zelf voor zich staan, die hem eerst duchtig de les leest, maar ten slotte helpt. Hij mag de andere werelden leren kennen. Maar verder moet hij het alleen opknappen. Terugkeren naar zijn eigen wereld moet hij op eigen kracht. Zo leert Kalo Dant de ene wereld na de andere kennen; en hoe hoger ze zijn, hoe minder be­volkt. In de zevende wereld treft hij alleen maar vogels aan, zwermen en zwermen vogels. Daar beschermt hij impulsief de jongen van de vogelkoning; die wil hem vervolgens bijstaan naar zijn eigen wereld terug te keren. Want Kalo Dant heeft genoeg van zijn omzwervingen en wil naar huis. De vogelkoning kan hem echter niet helpen, maar hij kan één van zijn on­derdanen, de gevleugelde draak Sjarkan, de opdracht geven.

In onze wereld had niemand ooit een draak, zo’n vuurspuwend en onsmakelijk, onvriendelijk monster gezien. Kalo Dant schrikt van hem, maar kan hem met een veer uit de staart van de koning van de vogels gezeglijk maken. De koning beveelt de draak, al zijn vee te slachten en het vlees te zouten. Dant helpt de draak en ze raken daarbij een beetje bevriend. Met Kalo Dant, vaten gepekeld vlees en water op zijn rug begint de draak zijn reis naar de werelden beneden. De tocht duurt eindeloos, de weg door de hemelse gewelven heen is niet altijd gemakkelijk te vinden. Als vlees en water opraken, wordt de draak onwillig en moet hij met de veer in toom worden gehouden. Eindelijk ontdekt Kalo Dant de plek waar hij zijn tocht begon. Hij is thuis! Maar hoe moet de draak nu terug? Kalo Dant wil bij zijn stam raad en hulp halen en laat de draak zolang in een grot achter. Deze belooft te wachten, maar de veer moest er wel aan te pas komen.

Zo kwam de draak in onze wereld. En hij bleef er. Want hij hield zich niet aan zijn belofte en begon het land onveilig te maken, vee en zelfs kinderen te roven. Toegegeven, Kalo Dant had zoveel te vertellen dat hij de draak wat lang aan zijn lot had overgelaten. Hij liet zich overhalen het dier niet terug te sturen; als het zich maar zou gedragen! En dat gebeurde na­tuurlijk niet. De draak weet hem zelfs nog over te halen, hem gezelschap te geven: dan is hij niet meer zo alleen en zal hij zich beter gedragen. Kalo Dant geeft de draak met behulp van de veer twee koppen erbij. Hij trouwt de koningsdochter maar raakt later de veer kwijt. Er zijn mensen die zeggen, dat de draak zelfs meer dan drie koppen heeft…

(verkorte weergave door Arie Boogert in Jonas nr. 2, 18-09-1987)

Dit verhaal wordt genoemd in Michaël 37

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel

.

294-275

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (37)

.

OP 29 SEPTEMBER VALT HET JAARFEEST VAN MICHAEL

In het westen kennen wij sinds de vijfde eeuw op 29 september het feest dat oorspronkelijk herinnerde aan de wijding van de kerk van Michaël aan de Via Salaria in Rome. Alhoe­wel niet overal bekend, is het het feest van Michaël geworden. In het oosten leeft de herinnering voort aan het wonder van Cho-nai. Bij dit Phrygische stadje in het westen van Klein-Azië stond al in de vierde eeuw een aan Michaël gewijd heiligdom. Dat dreigde door geweldige watermassa’s te wor­den weggespoeld. Door het ingrijpen van Michaël verdween het water in de aardbo­dem en kwam het als geneeskrachtige bron weer omhoog. In het oosten wordt dit be­schouwd als het eerste grote wonder van Mi­chaël en dit wordt op 6 september gevierd. Wij kunnen Michaëls spoor volgen langs grote heiligdommen die in Europa van oost naar west ontstonden. De aartsengel ver­scheen aan het einde van de vijfde eeuw na Christus in het zuidoosten van Italië op de Monte Gargano. Van deze plek gaat zijn weg naar het westen. Daarvan getuigen heilig­dommen als op de Mont Saint-Michel aan de westkust van Frankrijk en op St. Michaels Mount voor de zuidkust van Cornwall. En in de oude Ierse kerk was het eiland Skellig Mi­chaël in het zuidwesten van Ierland een cen­trum van kloosterlijk leven. Het zijn allemaal hooggelegen plaatsen die aan Michaël werden gewijd en zij bevinden zich vaak aan de grens van land en water. Bo­vendien vindt men vele aan Michaël gewijde kapellen hoog in de westelijke toren van ker­ken. Michaël wilde men vroeger ontmoeten aan de overgang van de vaste grond naar de beweeglijker elementen van water en lucht, net iets boven de aarde. Tegenwoordig gaan wij in het teken van Michaël van de wat rusti­ger en gezapige zomer naar de stormachtige herfst.

Michaëls werkzaamheid is steeds grensover­schrijdend. Hij brengt als de goddelijke bo­de uit de hoogten de boodschap van Gods bedoelingen met de mens naar beneden. Hij staat de ziel terzijde, als het voorbije leven na de dood wordt beoordeeld. Hij helpt als zie­lenweger de gestorvene het evenwicht tussen goed en kwaad vinden. Hier op aarde helpt hij het menszijn behoeden en genezen. Juist daar, waar de mens mens moet worden, is zijn bijstand groot. Hij of Sint-Joris, die zijn aardse evenbeeld is en hem op aarde verte­genwoordigt, beschermt de mens tegen de lagen en listen van de boze macht die zich in de draak manifesteert.

Niet zo maar een mens
In een apocrief geschrift uit de eerste helft van de derde eeuw, de zogenaamde ‘Open­baring van Paulus’, wordt verhaald dat Mi­chaël dag en nacht ononderbroken bidt voor het menselijk geslacht. Hij kan dus ook wor­den aangeroepen als de engel, die het voort­bestaan van de aarde ter harte gaat. ‘Want omwille van uw gebeden blijft de aarde be­staan.’

Een heel bijzondere uitspraak. Want hierin komt de essentie van het gebed naar voren. Het gebed is, aldus opgevat, zeker niet zo­maar een wens, maar tegelijk verwerkelij­king. De innerlijke intentie van de mens schept in diens bede hier op aarde heel even de realiteit, die biddend wordt uitgesproken. Die is dan door het gebed even aanwezig. Als hemelse machten bidden, scheppen zij een duurzame werkelijkheid. De aarde bestaat voort dankzij Michaëls ‘gebed’.
Zo helpt Michaël de mensen tijdens hun le­ven op aarde. Hij is de bode van hun hemelse vaderland. Hij helpt om de gevolgen van het aardse bestaan te dragen. Hij geeft de mens vaste grond onder de voeten. Hij staat hem bij, wanneer de mens verstrikt dreigt te raken in het aardse bestaan.
Met de draak is het eigenaardig gesteld.
De Openbaring van Johannes, het laatste boek van de bijbel, beschrijft hoe de draak juist door een strijd in de hemelen op de aarde te­rechtkwam. Michaël en zijn engelen strijden tegen de draak en zijn engelen en overwin­nen hen. In de hemelen bedreigde de draak Maria en haar zoon om hen, nog voor ze op aarde kunnen verschijnen, te vernietigen. Om hen te behoeden werd de draak omlaag geworpen op de aarde. Daar belaagt hij de mensen nu.

Wij leren uit de Openbaring dat de mensen op aarde, om der wille van de hemelse mens, telkens voor zware opgaven worden gesteld. Geen wonder, dat Michaëls inzet voor de aarde en voor de mensen die daarop leven, na de val van de draak zoveel sterker is ge­worden.

Geloof voor mooie dagen
Hoe de draak op de aarde kwam, beschrijft een Oost-Europees sprookje. Ik ken het in een Engelse vertaling uit het boek Gypsy Folk Tales door M. Voriskova. Dat de draak op de aarde terecht kwam, was te wijten aan nieuwsgierigheid, maar vooral aan onderne­mingsgeest. Zo verhaalt althans het sprookje van ‘Kalo Dant en de zevende wereld’. Maar er kwamen ook nog wel wat verbroken belof­ten bij te pas, zoals het vervolgsprookje ‘Hoe Sjarkan onheil stichtte’ vertelt. Het sprookje zegt dat de draak degene die al­le werelden wilde leren kennen naar de aar­de terugbrengt. De mens, in dit verhaal de persoon van Kalo Dant, is er samen met de heerser in de bovenste wereld verantwoorde­lijk voor dat de draak op aarde terecht is ge­komen. De Openbaring van Johannes ver­telde in het beeld van de hemelse strijd het bovenmenselijke aspect; hier vinden we een menselijke betrokkenheid. Want Kalo Dant komt alleen terug naar de aarde dankzij de bemiddeling van een macht, die op aarde onheil brengt.

Gewoonlijk menen we min of meer instinc­tief, dat het kwaad er eigenlijk helemaal niet zou mogen zijn. Wij zijn nauwelijks geneigd het kwaad een positieve rol toe te kennen. De wereld zou, zonder het boze, beslist leefbaar­der zijn… Maar is het kwaad in zijn verschil­lende verschijningsvormen en gestalten al­leen maar negatief? In het Oude Testament laat het boek Job zien, dat deze vraag niet zo­maar met een ‘neen’ kan worden beant­woord. Het beschrijft op een dramatische en bijzonder menselijke manier, hoe een boze macht ingrijpt in het leven van Job. De satan mag met toestemming van God, Job binnen bepaalde grenzen op de proef stellen. Dan zal blijken of Jobs godsvertrouwen onder al­le omstandigheden sterk blijft. Of dat het al­leen maar een geloof is voor mooie dagen, dat bij tegenspoed verdwijnt. Als enige voor­waarde heeft God gesteld, dat de satan niet aan Jobs leven komt. En Job komt dankzij leed en beproevingen, uiteindelijk gesterkt uit zijn beproevingen te voorschijn. Het zijn niet de minste eigenschappen, die Kalo Dant ertoe brachten ten slotte de hulp van de draak nodig te hebben: nieuwsgierig­heid, die volgens de oude man de eerste stap is op de ladder die wij kennis noemen, on­dernemingsgeest, en een goede dosis gezond verstand en humor. Die beide laatste trekjes gingen hierboven wel verloren bij de korte weergave in dit sprookje, het verhaal van de mens op zijn zwerftocht door de zeven werel­den, dat werd overgeleverd door een zwer­vend en vrijgevochten volk!

Vrijheid
‘Het kwaad ontstaat dus ter wille van de mens’, concludeert Hans-Werner Schroeder in zijn boek De mens en het kwaad. In zijn uit­eenzettingen betoogt hij, dat het kwaad in de wereld is omdat de mens zonder het boze niet werkelijk vrij kan worden. In de heme­len, binnen de sfeer van de goddelijke al­machtigheid, kan vrijheid niet bestaan. Er moest een plek in de wereld zijn, waarbin­nen de werking van het goddelijke zich niet rechtstreeks laat gelden. Waar machten ac­tief zijn, die de mens in de richting van het anti-goddelijke drijven, om zo zijn sterkste krachten op te roepen. Vrijheid is een inner­lijke kwaliteit die bevochten moet worden. Velen vragen zich tegenwoordig af of de toe­name van het kwaad de menselijke moge­lijkheden niet te boven gaat. Schroeder geeft op deze vragen behoedzame en verhelderen­de antwoorden. Hij onderzoekt, welke rol het kwaad in de ontwikkeling van de mens­heid heeft gespeeld. Schroeder stelt ook de vraag naar de overwinning en verlossing van het kwaad. Hij doet dit vanuit beleving van de helpende nabijheid van Christus en diens dienende geesten. Na het sleutelwoord van de ‘vrijheid’ verschijnt aldus de even essen­tiële gedachte van ‘helpende nabijheid’. Hierboven beschreef ik welke impressies mensen in het verleden van de aartsengel Michaël hadden, hoe zij hem vonden bij de grenzen die het leven ons stelt. Dit is sinds­dien mogelijk gebleven. Hij vertegenwoor­digt het beginsel van de ‘openheid naar bo­ven’. Een mens die alleen maar zichzelf wil zijn, is nog lang niet ‘zichzelf’ in de ware zin van het woord. Wie tevreden is met zichzelf zoals hij is, met de wereld die hij aantreft, ne­geert ook de toenemende macht van het kwaad in de wereld. Het complementaire begrip van de ‘openheid naar boven’, die Mi­chaël vertegenwoordigt, heet ‘vrije kracht’. Met vrije kracht kunnen wij de grenzen van ons bestaan naderen. Met de vrije kracht die in het denken wordt gewekt door de moed, het geestelijke in ons toe te laten. In het ge­bed hebben we de mogelijkheid de werke­lijkheid van de geest in onze wereld te laten binnenstralen.

Wij kunnen het feest van Michaël maken tot een feest van het wordende. En zijn de eerste stappen daartoe niet de ondernemingsgeest en de nieuwsgierigheid, waarmee we ons afvragen hoe het met onze wereld werkelijk is  gesteld?

(Arie Boogert, Jonas nr. 2, 18-09-1987)                                        
Gypsy Folktales, M.Vorisková. Uitg. Paul Hamlyn, Londen 1967
De mens en het kwaad, Hans-Werner Schroeder. Uitg. Christofoor, Zeist 1967
Het tijdperk van Michaël, Emil Bock. Uitg. Christofoor, Zeist 1986

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel
.

293-274

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (2)

 

.  vliegerliedjse bij vlieger

voor veel meer (knutsels en liederen) :      Tineke’s doehoek en Antroposofie en het kind    vrijeschoolliederen
vliegerliedje bij vlieger

.
KNUTSELEN

draak van grillige tak
Van een grillige tak kun je met bladeren en dennenappels een mooie draak maken, vooral als je een krabbenpoot als staart (of kop) gebruikt.

Jonas 4, 21-10-1977
.
grasmatje weven
Een raamwerk maken van 4 stokken, spandraden worden er gewoon omheen geslagen. Voor de inslag nemen wij materiaal uit het bos zoals takjes, grassen, riet,  bladeren, hei enz. Wanneer het matje klaar is, kunnen we het verder versieren met trosjes bessen, rozebottels, hazelnoten en al wat verder het seizoen nog biedt.
.
herfsttafel
De herfst is een dankbaar jaargetijde voor onze seizoenen­tafel. De nieuwe ouders onder u zullen zich misschien afvragen: wat is dat en hoe moet dat, zo!n seizoenentafel? Welnu, op een mooie plaats in uw kamer of hal zet u een lage tafel, plank of kist, die u bekleedt met een lap stof, waarvan de kleur en het materiaal aangepast zijn aan het seizoen.

Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uit­stallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren,  zonnebloemen etc.
Een boomstronk kan dienst doen als kabouterhuis, maar ook kunnen we met St. Michaël daar de draak in verstoppen. Boven de tafel hangen we een mooie plaat of ansichtkaart met een herfsttafereel.
Het fijne van zo’n tafel is, dat de kinderen ook hun ge­vonden schatten bij b.v. een boswandeling hierop kunnen uitstallen en zo het hele jaar door ook binnenshuis mee kunnen’leven met alles, wat zich in de natuur afspeelt. Kaboutertjes voor het kabouterhuis zijn makkelijk zelf te maken.
Materiaal: restjes gekleurd vilt en schapewol. Knip het manteltje van het dwergje. Naai de naad van de capuchon dicht en haal er op de aangeduide plaats een draad door om te rimpelen. Doe een plukje goed uitgeplozen wol in het manteltje, trek de draad aan en knoop die vast. Knip aan de onderkant de wol weg, waardoor een plat vlak ontstaat: nu kan het dwergje staan. Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uit­stallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukenootjes, korenaren,  zonnebloemen etc.
De draak.kunnen we maken van gekleurd papier en zijn lijf opvullen met appeltjes en andere vruchten. Met het St. Michaëlsfeest kunnen de kinderen dan met zelf gemaakte zwaarden en schilden op zoek gaan naar de draak, deze verslaan en opeten.
.
bron onbekend
.
In het gelijknamige artikel is sprake van allerlei knutsels die hieronder verspreid zijn te vinden. Het artikel gaf als voorbeelden:

herfstknutsel 4

Het genoemde droogpersje:

herfstknutsel 5 droogpersje

herfstknutsels
herfstknutsel 3Jonas 4, 21-10-1977

 

michael 6
 
Annet Schukking/ Hanneke v.d. Bij, Jonas, 18-09-1981)herfstknutsel 7
 herfstknutsel 6(bron onbekend)
.
kaars voor de Michaëlstijd
Neem hiervoor een dikke witte kaars en versierwas in allerlei kleuren: een groen-oranje draak kronkelt zich om de kaars heen – onderaan donkergroen en blauwpaars – naar boventoe worden de kleuren lichter; uit de muil komt vuur.
(Als we lang kneden zijn de kleuren goed te mengen, maar als de handen door het kneden té warm worden, blijft de was niet meer plakken – dan deze afkoelen onder de kraan).
Met het branden van de kaars wordt de draak langzaam verteerd. Geef kleinere kinderen een kleinere kaars. Ook zij kunnen dan hun eigen draak laten verbranden.

 

Michael kaars

kastanjes en eikels|
Ritsel, ’n herfstdanseresje is een heuse marionet van een kastanje en eikels, aan elkaar rijgen, neus een bosbes, rokje van blaadjes.

Michaël herfstknutsel 1

Michaël herfstknutsel 2

Het gewei van dit hert is gemaakt van twee esdoornvruchtjes

Michaël herfstknutsel 3kastanje uithollen; stokje erin. Klaar is de pijp.

Michaël herfstknutsel 4Een spin. Prikstokjes zig-zag in een kastanje; knoop een draad aan één van de stokjes, wikkel de draad om en om rond de stokjes. einde van de draad vasthouden, spin loslaten en…roets, daar gaat hij naar beneden.

Vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken)
.

kijkdoos
Een (schoenen)doos
Gewoon met lijm in de doos plakken zodat het een gezellig tafereeltje wordt. Wanneer u de deksel van de doos vervangt door een vel transparant gekleurd papier (rood of oranje), ziet het er helemaal betoverend uit.

Ideeën:
eikeltjes, kastanjes, herfstbladeren, paddenstoeltjes van bijenwas, kaboutertjes van vilt of bijenwas, droogbloempjes, takjes boerenwormkruid, trossen besjes, rozenbottels, grassen en granen.
.
koffertje om in te verzamelen
Beplak een kartonnen kinderkoffertje met gedroogde bladeren, bestrijk het met blanke lak en verzamel hierin herfstschatten.
.
kransen en slingers
herfstknutsel 8
lantaarntje
Op een feestelijk aangeklede Michaëlsherfsttafel kan een klein tafellantaarntje een gezellig lichtje zijn.
Een reep goudkarton van ca 60 cm lang en 20 cm hoog.
drie of vier raampjes erin uitknippen, transparant papier erachter en versieren met wat gedroogde bloemen, gras of blad.
.

mozaïek van zaden
Een zeldzaam zonnige zomer was het. In een bijna tropische warmte heeft het fruit zich overvloedig rijp laten stoven. Nu is het geoogst, gegeten, verwerkt of opgeslagen. Al eerder zijn de vele kleurige bessen verdwenen, de meeste waarschijnlijk in vogelmagen. Ver­dwenen voor het oog weliswaar, maar niet uit de kringloop van de natuur, waar het nu juist spannend wordt. Want in bessen zit zaad en in het zaad zit de toekomst van de plant. Het hangt er maar van af wat er met het zaad gebeurt, maar als het goed terecht komt, zal het in het voorjaar ontkiemen en uitgroeien tot een nieuwe boom of struik.
Ja, waar komt het terecht? Een boom als de lijsterbes bijvoorbeeld zou natuurlijk dom­weg z’n vruchtjes kunnen laten vallen in de verwachting dat daar dan wel nakomelingen uit opgroeien. Dat zou natuurlijk een on­voorstelbaar gedrang geven aan de voet van de boom en al die kleine lijsterbesjes zouden het ook niet zo best doen in de schaduw van de oude. Dat gebeurt dus niet. Als je over een heide-achtig terrein loopt, zie je dat de lijsterbessen verspreid staan. Hoe komen die bomen daar? Ze groeien in ’t wild, zijn niet door mensen geplant. Het zijn inderdaad de vogels die voor de verspreiding zorgen. Ze eten de bessen, verteren wel het vruchtvlees maar niet het zaad. Integendeel, het zaad on­dergaat in de vogelmaag een proces dat de kiemkracht bevordert. Daarna wordt het met een beetje mest op een of ander plekje gede­poneerd, waar het na de winter ontkiemen kan.
Het is trouwens interessant om te ontdekken hoe veelzijdig en inventief de verspreidings­technieken van zaden zijn. Behalve vogels doen ook mieren hieraan mee en helpen zo bijvoorbeeld het wilde viooltje. Maar veel bo­men en planten zorgen ook zelf voor de ver­spreiding van hun zaadjes door ze te voorzien van allerlei vernuftige voortbewegingshulp­middelen en hun dan snel de vrijheid te ge­ven. Zo zijn er de vliegers, zoals de gevleu­gelde (berk), de parachuutjes (paardebloem), de molentjes (esdoorn), de pluizen (distel), die zich op de wind laten meevoeren. Weer anders doen de klitten het, die zich met klei­ne haakjes aan dierenvachten vasthechten en dan bij het reinigen van de vacht afgeworpen worden, de zwemmers die het water verkiezen (kokosnoot) of de schutters zoals de springbalsemien!
Maar een echte zaaier is de mens: hij kiest bewust, veredelt, verzorgt en oogst, zaait weer en heeft zo zijn aandeel in de kringloop van de natuur. Daarnaast heeft hij ook zijn fantasie, zijn creativiteit. Een klein deel van de oogst mag gebruikt worden voor versie­ringen. Zo kun je bijvoorbeeld kettingen rij­gen van diverse boontjes, zoals kapucijners en kievitsboontjes: eerst een paar uur weken tot je er een scherpe stopnaald door kunt prikken. Of je kunt een sierknoop maken van de afgezaagde onderkant van een dennenappeltje. De achterkant gladschuren en een klein schroefoogje indraaien of een broche­speldje aan bevestigen. Een wat preciezer werkje is het maken van mozaïeken van zaden, heel mooi als je ze in hout inlegt en later met een stevige transpa­rante lak verglanst, als versiering van houten voorwerpen. Maar ’t kan ook eenvoudiger, bijvoorbeeld een deksel van een rond spanen doosje met zaden beplakken en dan eveneens, als ze goed vastzitten, lakken, waardoor ze ook niet meer losgestoten kunnen worden. Snij een aantal donkere jeneverbessen in twee helften, één plak je in het middelpunt van het deksel. Daaromheen straalsgewijs acht on­gepelde rijstkorrels. Knip nu twee mallen uit dun karton, één voor de binnenkring en één voor de gegolfde rand, dat wil zeggen van bin­nen open. Leg de eerste mal op het dekseltje (even vastzetten met prittstift), smeer lijm op de open ruimte en strooi er bijvoorbeeld gierst (goudgeel) op, goed alle gaatjes vullen. Neem de mal weg en leg de tweede er op. Halve jeneverbessen in de golven lijmen, de rest als boven vullen met bijvoorbeeld ra­dijszaad (paarsachtig). Mal wegnemen en de buitenrand vullen met zaad van koekoeks­bloemen of maanzaad (zwart). Probeer zelf andere zaden, andere figuren en andere combinaties. De tuin, het veld en de markt bieden volop materiaal!
.
Annet Schukking, Jonas 3, 01-10-1982
.
slang
Knip of scheur twee even lange repen papier. Leg de beide repen haaks op elkaar en maak de op elkaar liggende uiteinden vast met plakband of lijm. Vouw beurte­lings de repen over elkaar heen, tot het papier op is. De eindjes maakt u weer vast met plakband of lijm. Vouw een neus en plak van een stukje papier een tong vast. De slang kan gekleurd worden of van gekleurd papier gevouwen worden. Met dezelfde techniek kunt u allerlei dieren maken door de breedte van de repen papier te variëren.

herfstknutsel 10

 

Spatwerk met bladeren
Speels kunnen we allerlei platgeperste bladeren, naast of over elkaar heen, spattend op papier uitsparen met behulp van ecoline-inkt, een tandenborstel en een metalen thee­zeefje of spatraampje.
.
transparant

Sint-Joris en de draak
Voor de wat grotere kinderen en voor U zullen we hier een transparant beschrijven voor de Michaëlstijd; niet zo moeilijk als op het eerste gezicht lijkt. We gebruiken dezelfde techniek die al eerder in het voorjaarsnummer van Drieluik werd beschreven voor de wortelkindertjes. Dit tafereel is wel een stuk eenvoudiger.

Benodigdheden:
donkerrood karton,
dun en wat dikker wit karton,
enkele kleurtjes vloeipapier,
schaar
lijm.

Werkwijze:
Nr. 1. We maken 4 coulissen die achter elkaar komen te staan en beginnen met het donker­rode karton te knippen als lijst
Een goede grootte is 22 x16 cm.

Nr. 2. Van het iets dikkere witte karton knippen we het eerste landschap. Links de bergen.

Nr. 3. Net als 2, maar iets minder diep uitknippen, omdat het landschap goed zichtbaar moet worden achter coulisse 2.

Nr. 4. Net als nr. 1 knippen we een raamwerk, maar nu van het witte karton. Daarna beplakken aan de achterkant met de kleuren blauw – turquoise ~ rood in de linker hoek voor de vurige kant waar de draak staat. De rechter hoek wordt beplakt met stralend geel voor de plaats van de prinses. Probeer van buiten naar binnen van donker naar licht te plakken, waar­door in het midden een lichte opening blijft, één enkel geel velletje.

Op de voorkant van deze coulisse maken we rechts een hoge berg d.m.v. verschillende laagjes groen vloeipapier over elkaar te plakken. We gebruiken gescheurde stukjes vloeipapier.

Nr. 2 en 3. Nu scheuren we stukjes groen en bruin vloeipapier en beplakken beide coulissen hiermee. Rechts meer het groen en en links het bruin voor de grot van de draak.

Sint-Joris, de draak en de prinses knippen we van het dunnere witte karton.

Sint-Joris:
het paard en de lans blijven wit. Geef St.-Joris een  rode wijde mantel aan, door rood vloeipapier erop te plakken, dat aan alle kanten uitsteekt (zie stippellijn). Plak tegen de achterkant van het hoofd een gele aureool (zie stippellijn ). Vastzetten rechts vooraan op nr. 1.

De draak:
Een gedeelte van de draak is maar zichtbaar. Dit deel heb ik met turquoise, rood en oranje be­plakt – vurige felle kleuren, om hem goed uit de andere kleuren te voorschijn te laten komen. Vergeet niet het vuur uit zijn bek. Vastplakken links op coulisse nr. 3 tussen beide rotsbergen.

De prinses:
Staat heel in de verte op de berg. Met een oranje jurkje aan (zie stippellijn) plaatsen we haar helemaal op de achterkant van de laatste coulisse nr. 4. Daar kijkt ze van verre toe. Knip haar daarom ook niet te groot.

Maak de zijkanten van de coulisse d.m.v. stroken papier aan elkaar vast. Neem hiervoor 2×3 repen tekenpapier, van 6cm. breed en met de hoogte van de coulisse; dan iedere reep als een harmonica in vieren vouwen en plakken.

Deze beschrijving kan ook dienen als idee om er zelf verder mee aan de gang te gaan, bv. het maken van een kijkdoos waarin je de draak en Sint-Joris kan laten bewegen.

MichaEl St.Joris en draakknutsel 1

Michaël Joris en draakknutsel 3
Michaël Joris en draakknutsel 4
Michaël Joris en draakknutsel 2
(Aeola Baan, nadere gegevens ontbreken)
.

herfsttransparant

Materiaal:
herfstbladeren
dun karton
transparantpapier
schaar
hobbylijm

Er zijn bomen die prachtig gevormde bla­deren hebben. Die nemen we tijdens onze herfstwandeling mee naar huis om ze te drogen.
In twee stukken dun karton knippen we twee gelijke gaten, bijvoorbeeld in de vorm van een ovaal. De buitenkant kunnen we iedere gewenste vorm geven. Naarmate we de transparant groter willen maken, moet ook het karton steviger zijn zodat het niet krom trekt. Voor kinderen is een transpa­rant waar één herfstblad in past heel geschikt.
De binnenkanten van de twee stukken karton beplakken we met transparantpapier, waarna we één of meer gedroogde bladeren op het transparantpapier van één van de kartonnetjes met een beetje lijm aan de punten vastmaken. Als het blad op z’n plaats ligt plakken we het tweede karton­netje er met de transparantpapierkant bovenop en bevestigen aan de bovenkant een draadje om de transparant te kunnen ophangen.

herfstknutsel 9
.

versieringen op het raam

bladeren
Net geraapte of mooi gedroogde herfstbladeren in allerlei kleuren, met behangerslijm of bijenwas op het raam plakken. Voorstellingen, paddenstoelen, bomen of Michaël en de draak – maar ook willekeurig geplakte bladeren zijn mooi.

bijenwas
Tussen warme vingers dun uitgewreven stukjes gekleurde bijenwas tot een kleurig schilderij op het raam rangschikken.

(Jonas nr.2., 21-09-1979)
.

fietswiel
In een fietswiel een zon weven of een touwschering voor het raam spannen. Weef in oranje-gele tinten met verschillende materialen, zoals stroken textiel, papier, touw en wollen draden. Of met gedroogde grassen, bloemen en bladeren.
>

vloeipapier op het raam
Geknipte of gescheurde stukjes vloeipapier in herfstkleuren op het raam plakken.
.

 

vlieger vlieger

vlieger – drakenvlieger
Negenentwintig september is de dag van Michaël, de heilige die naar de oude legende de draak van het kwaad verslaat. Het Michaëlfeest is dan ook een gelegenheid bij uitstek om de draak eens op te laten. Zo’n draakje is heus niet zo moeilijk te maken. Nicole Karrèr vertelt er meer over.

Om deze draak te maken heeft u niet veel nodig:
stevig papier
een schaar
lijm
een speld
een borgringetje (wordt gebruikt met bout en moer als zekering tegen
lostrillen, vaak los verkrijgbaar bij de ijzerhandel).
Een lineaal is handig bij het inkerven van de vouwlijnen.

Vouw het papier dubbel en neem het pa­troon van het drakenlijf over, zó dat de gestip­pelde onderlijn tegen de vouw komt. Knip het lijf uit en kerf de vouwlijnen in. De grote vleugel moet uit enkel papier wor­den geknipt. De geschulpte rand van de grote vleugel steekt na het lijmen een flink stuk over die van de ondervleugel uit. Het is mooi dat te accentueren door de onderkant een donkerder tint te geven. Doe dat met pot­lood of viltstift, verf maakt het papier snel bobbelig.

Smeer de kop van de draak aan de binnen­kant in met lijm. Laat de ronde lijn van de achterste hoorn in gedachten doorlopen tot de vouwlijn om zo de lijmgrens aan te geven. Leg het borgringetje tussen de kopdelen, ge­deeltelijk valt het in de opening onder de kop. Voor de kopdelen tegen elkaar gedrukt worden, de speld in de vouwlijn schuiven langs het ringetje. Die speld beschermt de drakenneus bij botsingen en voorkomt tevens dat de hele kop al snel een knik krijgt. Het uitstekende ringetje heeft eenzelfde functie voor de onderkant en geeft de kop het nodi­ge gewicht om mooie duikvluchten te kun­nen maken.

Leg nu de grote vleugel met de eventueel bij­gekleurde onderkant boven voor u op tafel, dicht bij de tafelrand; de schulprand moet omhoog wijzen.

In het begin zal de draak mooie lange rechte duikvluchten maken. Als het papier echter wat te lijden heeft gehad zal hij al snel gaan cirkelen. Door een beetje te buigen aan de vleugels en de staart is dat nog een tijd te verhelpen.

Voor de lancering pakt u de draak bij de kop, daar waar het ringetje zit. Gooi hem met een vloeiende beweging van u af.

(Nicole Karrèr, Jonas, 20-09-1985)

DRAKENVLIEGER

1,2 en 3 vouwlijnen

Michaël vliegende draak

 

vlieger
even een draakje oplaten

Op zijn naamdag vloog Michaël naar de aarde. Hij zag een vlieger die be­weerde ook een engel te zijn en dat het touw waar hij aan vast zat hem al­leen maar belemmerde. Michaël sneed het touw door, waarop de vlieger machteloos naar de aarde kronkelde. Tineke Geus: ‘Je moet de draak altijd in de gaten houden’.

Een schitterende herfstdag: 29 september, het Michaëlsfeest. Langs de zonovergoten kade trekt een bonte stoet naar het park: de kersverse eersteklassertjes, gechaperonneerd door de negende klas van een vrijeschool. De leerlingen van de negende klas hebben vliegers gemaakt om die samen met de klein­tjes op te laten op de speelwei. Het enige probleem is dat er nauwelijks wind is. On­danks dat is het feest een groot succes. De kleintjes geven het gehol snel op omdat je wel heel hard moet rennen om bij deze fluisterwind een vlieger de lucht in te krij­gen. Af en toe lukt het een krachtpatser on­der de ‘groten’ en dan stijgt er een luid ge­juich op. Daarna wordt er lekkers uitgedeeld en de eersteklassers laten kastanjes met crêpepapieren staarten wegwaaieren: die doen het ook zonder wind!

De bakermat van de vlieger is China. Vliegers hadden daar vaak de vorm van een draak. Wanneer je een vlieger oplaat, kun je heel goed begrijpen dat de vlieger het beeld van de draak vertegenwoordigt: voordat je het weet duikelt hij weer omlaag. Je moet de draak altijd in de gaten houden. Bovendien heeft de draak het vermogen tot in de hemel te komen. Bij een oogstfeest werd een drakenvlieger met spreuken opgelaten, die zo de go­den konden bereiken. In Guatemala leeft nog het gebruik om aan het einde van de oogsttijd – op Allerheiligen -een ronde vlieger op te laten van gigantische afmetingen, vervaardigd uit bamboe en vloei­papier. Men hoopt daarmee de geesten van de doden te bereiken.
Ik herinner me dat wij vroeger ook briefjes met wensen langs het vliegertouw omhoog lieten klimmen. Een vrij banale vorm van een oude traditie. De vlieger lijkt dit soort activiteit op te roepen. In een Vlaams boek las ik over een kind dat een ‘draakje’ op ging laten op het strand. In veel talen is ‘draak’ het woord voor vlieger: in het Duits ‘Drache’, in het Frans ‘cerf vo­lant’ (vliegende griezel) en de Italianen spra­ken al in 1589 over de rechthoekige Chinese vliegers – waarschijnlijk de oudste vorm – als margiae maturalis: vliegende draak.
In de Middeleeuwen bestond er een griezelige vari­ant. Een gravure toont ons een drakenvlieger uit 1346 die een bom vervoerde. Het was een draakvormige windzak met vleugels die zich naar de wind richtte en de bom boven de be­legerde stad liet vallen.

Een hedendaagse drakenvlieger staat beschre­ven in het boekje Plezier met papier van Aart van Breda. Hij is gevouwen van een stevig stuk papier (tekenpapier) dat drie maal zo lang is als breed (31 bij 93 cm geeft een mooie vlieger). Teken de drie hulplijnen a, b en c. Knip de gestreepte hoeken weg. (figuur 1)

Michaël 2

Verdeel het stuk tussen AG en BH (zie fi­guur 2) met potloodlijnen in 17 gelijke stuk­ken (elk stuk is 4 cm). Teken de pootjes en snijd deze met een scherp mesje aan drie kanten los (let goed op de maten). Snijd ook de ogen los en verwijder de gestreepte rondjes in het midden daarvan. Knip de gestreepte stukjes bovenaan weg. Vouw het gestippelde randje om de stippellijn AB en weer terug. Vouw om de onderbroken stippellijnen DC en FE, en weer terug (de pootjes en de ogen blijven dus vlak liggen). Doe lijm op het ge­stippelde randje. Vouw de twee zijstukken naar elkaar toe om DC en FE en plak het be­lijmde randje op de bovenrand van het linker zijstuk (de lijn GH komt in de vouwlijn AB te liggen). Hierdoor ontstaat de driehoekige kokervorm die de vlieger stijf maakt.

Michaël 3

figuur 2

Hieronder volgt ook een beschrijving van de traditionele ruitvlieger, die een drakenkop van papier opgeplakt krijgt. Bij het maken van deze eenvoudige vlieger bevalt het mij nog steeds het beste om uit te gaan van een kruis, dat gemaakt is van stukken gespleten en bij­gesneden bamboestok. De verhouding tussen de korte en de lange stok is ongeveer 3:4. Zorg voor een evenwichtige verdeling bij het maken van het kruis en bevestig de latjes ste­vig aan elkaar met touw. Maak inkepingen aan de uiteinden van de latten en span langs de 4 einden een touw.

Maak nu het vliegerpapier op maat (met plakrand). Indien je meer kleuren wilt gebrui­ken de stukken aan elkaar plakken. Voordat het papier op de vlieger geplakt wordt moet de korte lat aan de achterzijde met een dun touw iets worden gespannen, zodat hij een beetje rond gaat staan. Als het papier nu om de touwtjes is geplakt rest ons nog een zoge­naamd ‘toom’ te maken, waar het vlieger­touw aan vast komt. Dit toom bevestig je door het ene eind van een dun touw aan het houten kruis te knopen, dit op dezelfde hoogte door een gaatje in het papier te ste­ken en daarna het andere eind aan de onderpunt van de vlieger te binden. Het toom moet zo lang zijn dat, als het in een hoek wordt gelegd, het precies bij het einde van de korte lat komt. Op die plek leg je een lusje in het toom. Als je de vlieger nu bij het lusje vasthoudt moet hij in evenwicht zijn. Als dit niet zo is, de lichtste kant iets verzwaren. De vlieger zal meestal een staart nodig heb­ben (een touw met verzwaring aan de onder­kant). Deze staart zal buiten aan de
omstan­digheden moeten worden aangepast.

 

Michaël 4

(Frans en Tineke Geus Jonas nr. 2, 16-09-1983)
.

vlieger – tunnel slee

vlieger2

vliegerliedje Duits

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is vliegerlied.jpg

2.
Und er wackelt mit dem Ohr,
wackelt mit dem Schwänzchen.
Und er tanzt den Winden vor
hui! ein lustig Tänzchen

 

vogel van dennenappel

herfstknutsel

vrouwtje appelwang
Wat heb je nodig:
Een echte appel en twee rozijntjes als ogen (hoeft niet).
Doe een (zak)doekje om het appeltje heen als hoofddoekje. Drie vingers verberg je in het hoofddoekje, en duim en pink zijn de armpjes als bij een poppenkastpop. Als je je kind van tevoren het appeltje flink laat oppoet­sen heeft het vrouwtje prachtig glimmende wangetjes.
.
waaiewindjes

herfstknutsel 2

(bron onbekend)
.
weegschaal

Zelf de balans opmaken

Vooral uit de middeleeuwen zijn vele af­beeldingen van Michaël bewaard geble­ven. Niet alleen als strijder met de draak, een kant die in onze tijd sterk naar voren komt, maar ook als drager van de weeg­schaal waarmee de gestorven zielen gewogen werden. In de ene schaal de ziel, in de andere het kwaad dat hij tijdens zijn leven heeft be­gaan in de vorm van een duiveltje. Kennelijk wordt een ieder gewogen, beoordeeld naar zijn eigen mogelijkheden en niet aan de hand van een objectieve maatstaf in de vorm van gewichten.

Het was dat gegeven dat mij deed besluiten een weegschaal te maken ter gelegenheid van het Michaëlsfeest. De septembermaand – de maand van de weegschaal! -, de herfstmaand is toch juist de tijd waarin de balans van de vruchtbare zomertijd moet worden opge­maakt, zowel uiterlijk in de vorm van de oogst, als innerlijk door je af te vragen wat je van ‘buiten’ – in de ruimste zin van het woord – hebt meegebracht en wat je daarvan kunt meenemen op de tocht naar binnen, op weg naar Kerstmis.

Voor het opmaken van die balans bestaan geen objectieve gewichten. Ik heb er dan ook geen gemaakt voor mijn weegschaal. Toch was de taart die ik bakte, uitgaande van een pakje boter in de ene schaal met eerst bloem, dan suiker, dan eieren en tenslotte verschil­lende vruchten die de balans herstelden, heel lekker.

Ik ben uitgegaan van twee gekochte schaaltjes met een diameter van 17 cm. De hele weeg­schaal is gemaakt van blank grenen met ko­perkleurige haakjes, kettinkjes en spijkers.
Voor het dragende gedeelte (tekening 1):
A 1 bodemplank, 1,8 cm dik, 51 cm lang, 21,5 cm breed.
B 1 plank, 1,8 cm dik, 47 cm lang, 17 cm breed.
C 1 achthoekig blokje, 1 cm dik, diameter 7 cm.
D 1 houten ring diameter 3,5 cm om de ingang van de steel in de bodem te camoufleren.
E 1 koperen ring als versiering.
F 1 bezemsteel van 47 cm lang.

Lijm en spijker de delen A, B en C op elkaar en boor in het midden een gat waar de be­zemsteel in kan worden klem gezet, niet te ruim dus.
Het gat van de houten ring moet waarschijnlijk wat uitgevijld worden.
Boven in de bezemsteel worden op een af­stand van 1,5 cm twee gaten van 1 cm ge­boord.
Met de figuurzaag worden die verbonden tot een lang ovaal.
Boor daar een klein gaatje dwars doorheen voor het asje dat straks de balans laat uitslaan.
Nu kan de be­zemsteel vast gezet worden in de basis, maar wie net als ik het versieren niet kan laten, moet dat eerst nog doen.
Ik nam een stukje messingfolie (van de ijzerhandel) en tekende er met een lege ballpointpunt een Michaël in. De achtergrond bewerkte ik met de achter­kant van een spijker om de gestalte beter uit te laten komen. Eigenlijk heb ik te dik folie gebruikt, neem liever de wat dunnere soort, dan komt de afbeelding duidelijker uit.
Om het plaatje goed te kunnen bevestigen, heb ik het met plakband stevig vastgezet voor ik het met (veel) spijkertjes vastnagelde. Dat is nodig om het dunne metaal niet te laten scheuren. Het plakband is later gemakkelijk te verwij­deren.
Boor in het dwarslatje (G), dat de schaaltjes straks moet dragen, op twee cm van de uit­einden een gaatje voor de koperen oogjes, en boor in het (absolute) midden een gaatje wat groot genoeg is om er een koperen buisje van lege ballpoint in te slaan. Door dat kleine buisje gaat straks het asje waardoor het geheel heel soepel draait. Bevestig deze hangende bezemsteel door een koperen spijkertje achtereenvolgens door een koperkleu­rig pailletje, de steel, de hanger, de steel en een pailletje te steken (tekening 2).
De pailletjes zetten het spijkertje klem.
Boor nu door de rand van de houten schaaltjes op drie plaatsen gaatjes waar s-vormige koperen oogjes in passen (tekening 3).
Haak daar steeds een dertig cm lang kettinkje aan en laat deze samen komen in een ander s-haakje wat in het oogje aan de drager gehangen wordt. Klaar! Wanneer het geheel eventueel niet helemaal in balans hangt kan er van de zwaarste kant van de hanger wat afgevijld worden.

(Nicole Karrèr, Jonas nr. 3. 28-09-1984)Michaël herfstknutsel 5 weegschaal

 

Michaël herfstknutsel 5   1   weegschaal

recepten

brooddraak
Er zijn 2 mogelijkheden:
1. in plat reliëf ( voor brooddeeg eigenlijk de beste manier)
2. in hoogstand, dus zittend rechtop (alsof je met klei bezig bent)

Bij meer kinderen zou je ieder kind zijn eigen draak kunnen laten vormen!

Recept brooddraak:
500 gr. bloem of meel
10 gr. zout
20 gr. gist (bij meel 25 gr.)
ca 4 dl water – evt. 1 scheutje olie

Bereiding:
De gist met suiker en warme melk laten wellen.
Zout door het meel roeren, daarna het gistmengsel.
Het deeg afmaken met water en de olie.
Enige tijd kneden en daarna 1 uur laten rijzen op een warme plaats.
Ten slotte op een bemeelde plank of tafel de brooddraak vormen met een krent als oog
Met een mesje vormgeven aan schubben, poten en bek.
Deeg van half-bloem, half-volkorenmeel geeft de beste resultaten.
Nog eens 15 min. narijzen
De oven in, waar de draak zich kan opblazen.
Stand 5 of 240º
30 minuten

.

recept brooddraak met voorbeelden
.

rozenbotteljam
De vruchten schoonmaken, koken en door de groentemolen(zeef) malen.
Suiker bijvoegen, iets minder dan het gewicht aan vruchten.
Goed doorroeren en afsluiten in een glazen pot.*

Een vergiet vol
De bottels van de kroontjes ontdoen
glaasje water
voorzichtig aan de kook brengen in een pan met dikke bodem
deksel erop: half uurtje laten pruttelen
bottels en sap door de draaizeef
vocht en gezeefde massa een uurtje laten pruttelen met toegevoegd sap van 1 citroen en een kilo suiker.
Als de massa dik genoeg is – d.i – als een druppel sap op een koud bord niet meer uitloopt, kan men de potjes* vullen – afsluiten met een schroefdeksel of cellofaantje + elastiekje
*zorg voor brandschone spullen: met kokend water en soda uitwassen – niet afdrogen – maar op een schone doek laten uitlekken

.

vlierbessensap
De vruchten  goed wassen, met de handen afrissen, een goede pan gebruiken en zonder water op het vuur zetten, langzaam laten trekken, flink doorkoken, door een zeef laten lopen (niet kwetsen of roeren) en in goede flessen vullen, cellofaan er omheen, geen suiker gebruiken.
.

Marijke Wouters, Toke Moeskops, nadere gegevens onbekend)
.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Kinderspelen en jaargetijden

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël: tekeningen/transparanten    jaartafel

.

289-272

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (36)

.

SINT-MICHAËL: EEN FEEST VAN DE TOEKOMST

Vele mensen zijn nog verknocht aan oude vormen van beschaving. Ten onrechte. Veel uiterlijke vormen moeten verdwijnen en zijn reeds verdwenen. Er zullen nieuwe gevon­den moeten worden. Zo is het ook met de jaarfeesten. Er is nog van enkele oude fees­ten iets uiterlijks overgebleven: een Sinter­klaas die snoepgoed en geschenken brengt, een kerstboom met elektrische lichtjes, eitjes en hazen en kippetjes met Pasen.
Wat kunnen wij er nog voor wezenlijks en werkelijks aan beleven?

Toch is het vieren van feesten een noodza­kelijkheid. Zoals een werkweek van zeven dagen zonder een zondag onleefbaar is, zo is een jaar zonder feestdagen niet om dóór te komen. Voor kinderen niet en voor volwas­senen niet. De vakantie is achter de rug. Of hij werkelijk geslaagd is, dat heeft op de eer­ste plaats van ons zelf afgehangen. Zoals voor de meeste mensen de vakantie iets is waar je naar uit kijkt als naar een oase in de dorheid van de dagelijkse sleur, zo zouden er door het hele jaar verspreid feestdagen moeten zijn als lichtpunten van vreugde en troost, waar je naar toe kunt leven. Die feesten zijn er altijd geweest. Maar de mens is in deze tijd zo zelfstandig geworden, zo op zichzelf aangewezen, dat geen en­kel feest, geen enkel ‘vrij-zijn’ hem van bui­tenaf die troost en vreugde kan verschaffen. (Vakantie betekent vrij zijn, de Duitsers noe­men het nog ‘Ferien’, dat betekent feest).
In vroeger tijden werd er door de feesten iets gegeven. De goddelijke wereld schonk zijn gaven aan de aarde. In de feesttijden ontving de mens van de hemelse machten de kracht en de vreugde die hij in zijn aardse leven no­dig had. Waarvoor dienen de feesten nu? De mens kan zich bezinnen. Hij kan zichzelf herinneren aan dat wat hij volbrengen wil. Hij kan zichzelf zijn opdracht inprenten. Verschillende aspecten heeft die opdracht. Ieder jaargetijde kan voor de mens de aan­leiding zijn, om een ander aspect van zijn taak in zichzelf te beleven. Zijn levenstaak ligt op de aarde. De opdracht echter ontvangt hij uit die wereld, die in en achter alle zintuigelijk waarneembare, stoffelijke dingen ver­borgen is. Als de mens die goddelijke wereld niet erkent, dan staat hij alleen tegenover de wereldslang ‘Nijdhouwer’, het monster van de genotvolle hebzucht, de draak van de zelf­zucht. Hoe kan hij dat gedrocht overwin­nen? Lukt hem dat niet, dan betekent dat voor hem de dood. Op de eerste plaats een geestelijke dood, die erger is dan de lichame­lijke.

Onze middelen tot zintuigelijke waarneming zijn uitermate geperfectioneerd. De telescoop laat ons dingen zien in het heelal, die ons blote oog niet kan waarnemen. Dat is niet de geestelijke wereld. De microscoop laat ons een onzichtbaar klein levend wezen zien. Dat is niet de geestelijke wereld. Die vergroting is een leugen. Ik rek dat wezentje een paar duizend maal uit… Dat is geen wer­kelijkheid meer. Het is een spook, een mon­ster geworden. Een vlieg van zo’n tien meter lang is toch ook geen werkelijkheid? Geluk­kig niet! Op stoffelijk gebied kan deze ‘geperfectioneerde’ waarneming ons onschatba­re diensten bewijzen. Maar toch zou zo’n microscopisch monster ons moeten stem­men tot nadenken over de werkelijkheid der dingen. In symbolische taal gesproken: dat monster, die draak moet ons uitdagen om hem te overwinnen, omdat wij anders zelf een prooi worden van hem. En zijn wij al niet hard op weg om aan die draak ten offer te vallen? Is dit geen tragi­sche tijd, waarin lucht en water en voedsel door de adem en de uitwerpselen van die draak worden vergiftigd? Men merkt het, maar de diepste oorzaak ziet men niet. Wat houdt de mens tegenwoordig ervan terug, het goddelijk-geestelijke in alle dingen te er­kennen? Nog steeds wil de mens alles passief slikken. De microscoop, de telescoop, de chemische analyse moeten hem alles vertel­len. Hij gaat voor de wereld zitten als voor een televisiescherm. Het instrument van zijn eigen geest, zijn eigen ziel wil hij niet vol­doende perfectioneren. Hij lijdt aan een soort psychische moedeloosheid, als het geen psychische lafheid is.

Het nieuwe stoelt op het oude. De jaarfees­ten in hun nieuwe vorm zullen moeten terug­gaan op oeroude vormen, die ontstaan zijn toen de mensheid nog kon schouwen in de geestelijke wereld; toen zij de goddelijke we­zens, die in de aarde, in de lucht, in het zon­licht belichaamd zijn, nog kon ontmoeten. Helder en duidelijk neemt de mens de wisse­ling van de seizoenen waar met zijn fysieke ogen. Als hij nog niet geheel van de natuur is afgesnoerd, beleeft hij in zijn gevoel nog iets van wat er zich afspeelt in weer en wind, in de opeenvolging der jaargetijden. Maar ach­ter deze fysiek en psychisch waarneembare wereld strekt zich nog een veel wijdsere gees­telijke wereld uit, die slechts met geestelijke vermogens waarneembaar is. Die geestelijke vermogens bezit ieder mens. Ze zijn alleen nog meestal versluierd door wat hij zo helder waarneemt met zijn zintuigen en vertroebeld door de onbewuste emoties die hij daarbij beleeft. De geestkracht die in alles en door alles werkt zullen wij niet alleen moeten aan­vaarden, maar ook gewaar worden en steeds meer gaan kennen.

De bomen worden kaal. De dorre bladeren dwarrelen neer. De vlinders, de kevers zijn verdwenen. Vele dieren beginnen hun win­terslaap. De hele natuur, die in het voorjaar en in de zomer haar krachten aan ons mee­deelde, schijnt te gaan sterven. De mens is nu aangewezen op zichzelf. Nu zal hij in zijn geest actief moeten worden. Nu heeft hij zielenmoed nodig. Want er is moed voor nodig om jezelf als normatieve derde geplaatst te zien midden tussen twee polen, om je eigen wereld te zien in twee werelden: opkomst en ondergang, goed en kwaad, licht en duister­nis, leven en dood. Hebben wij genoten van de zomerzon, dan moeten wij ook af kunnen dalen in de winterkou. Hoe intensiever men in voorjaar en zomer het bloeiende leven kan ervaren, hoe dieper men ook het sterven en de dood in najaar en winter beleeft. Wat blijft de mens anders over dan mee te ster­ven? Dit verwelken, dit verlammen, dit dood­gaan kan niet verder gaan dan zijn sensitiviteit. Moet hij dan zijn bewustzijn laten opgaan in de natuur, zoals in de hoogzomer? Nee. Hem blijft over zijn zelfbewustzijn. Dit moet de mens in de herfst stellen tegenover de stervende natuur. Weer is hier sprake van strijd en overwinning. Strijd tegen hebzucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest.

Tegenover Kerstmis staat in de krans van de jaarfeesten het Sint -J ansfeest. Tegenover de helderste zonnedag de diepste winternacht. Wat staat er tegenover het lentefeest, het feest van de opstanding uit de dood? De on­dergang in de dood. Kan dát een feest zijn? Er zou helemaal niet meer sprake kunnen zijn van welk feest dan ook, als in de mid­winternacht niet het zonnekind geboren werd, dat de drager werd van het goddelijk wezen: Christus. Christus heeft zich verbon­den met het aardewezen. Door Hem, met Hem, in Hem kan de mens zijn eigen zelf, zijn onsterfelijk geestelijk wezen wedervinden.
En zo moet het vroegere Herfstfeest, het oogstfeest, het Dankfeest verdiept worden en een plaats gaan veroveren in de tijdkrans van de feesten als één van de vier hoogte­punten van het jaar: Kerstmis en Sint-Jan, Pasen en Sint-Michiel.
Met een soort profe­tische blik stelde men in de middeleeuwen op de 29e september het feest in van de aartsengel Michaël. Over hem wordt in het boek der Openbaringen (12:2-12) verteld, dat hij de draak versloeg en uit de hemel verdreef. Daar wordt de draak ook genoemd: de Slang van het Oerbegin, Diabolos en Sata­nas. Hoewel veel kerken en kloosters aan Sint-Michaël gewijd zijn en hoewel zijn feest in de Rooms-Katholieke kerk een feest is van de hoogste rang, in de volksoverlevering neemt het bijna geen plaats in. Dat kan ook niet, omdat het ‘zelf’, het bewuste ‘ik’ van de mens eerst in deze tijd ontwaakt. Het is dan ook een feest voor de tijd van nu en voor de toekomst. Dit nieuwe feest moet ons er aan herinneren, dat wij, met hulp van de Christus, nu zelf de leiding moeten zoeken van de geestelijke wereld, zelf de strijd moe­ten opnemen tegen de machten, die ons de hemelse wereld willen ontnemen en op aarde ten prooi doen vallen aan de dood der mate­rie. Daar is bewustzijn voor nodig en moed en vooral ook een wilsbesluit. De wil om te trachten bewust inzicht te krijgen in de bo­venzinnelijke wereld. In abstracte gedachten zal ons dat niet lukken. Wij zullen zó concreet moeten denken en ons de werkelijk­heid van die wereld zó reëel moeten maken, dat wij nieuwe sociale vormen en nieuwe feesten kunnen scheppen.

Geestelijke feiten kunnen slechts in beelden worden weergegeven. Daarom komt in dit feest van zielenmoed en wilskracht ons het beeld te hulp van Michaël die over de draak zegeviert of van Sint-Joris die de draak over­wint en zo de prinses (de menselijke ziel), redt van de dood.

Met Pasen is Christus in het graf gelegd en is Hij opgestaan uit het graf. Met Sint- Michiel staat de mens op. Hij kan gerust in het graf worden gelegd, want hij heeft ingezien, dat hij in dit aardse leven wel sterft, maar dat zijn ziel kan verrijzen uit de dood. Hij heeft ervaren, dat, als hij innerlijk levend wordt in dit stoffelijke leven, dat innerlijk leven de aardse dood overwint.

Wanneer dag en nacht weer aan elkaar gelijk zijn bij de intrede van de herfst en de nacht de dag gaat overwinnen, dan staat vóór ons Sint-Michiel-die-de-draak-overwint als een geweldige uitdaging om méé te strijden. Dan spoort de kracht van Sint-Michiel ons aan om niet slechts de fysieke en chemische krachten te leren kennen en dienstbaar te maken, maar veel meer nog om met werke­lijke geestdrift die kracht te leren kennen, waardoor wij de verrezen Christus tijdens ons aardeleven in onze ziel kunnen opnemen. De kracht van Michaël zal ons helpen om in Christus het reële eigen-leven te vinden, ook als wij gestorven zijn. Deze kracht zal de aarde zuiveren van het kwaad, zodat het Christuskind met Kerstmis in haar geboren kan worden.

Sint-Michielsfeest. Een feest van nu en van de toekomst. Het feest van de nieuwe mens vol wezenlijk enthousiasme. Een feest van ware Mensenmoed.

(Henk Sweers,Jonas 2, 24=09-1976)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

287-271

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (35)

.

DE HERFST EN HET MICHAËLSFEEST

Jaargetijden en jaarfeesten doordringen elkaar, maar zijn toch in zekere zin tegengestelde bewegingen. Jaargetijden bewegen zich in de ons omringende wereld en doordringen ons van daaruit, mits we de wereld van de natuur dan wel ontmoeten natuurlijk. Jaarfees­ten daarentegen moeten we van binnenuit vieren en de wereld indragen als cultuurgoed.
In de jaargetijden staat de inwerking van de zon op de aarde centraal, in de jaarfeesten, is het universele Godswoord de spil waarom alles draait. Kerst en Pasen en ook Johanni dui­den dit onverbloembaar aan. Michaëli is daarin een minder eenvoudig te doorgronden feest.

Wanneer we eerst kijken naar het jaargetijde, de herfst, dan bespeuren we hoe de zonnekracht aan de hemel afneemt, maar hoe ze zichtbaar wordt op de aarde in de rijping der vruchten, de kleuring der bladeren, de bloei van zonnebloemen, de maïs­kolven, pompoenen; kortom in alles wat een eindstadium is van plantaardige groei. Voor de aardse plantenwereld is het werk volbracht, maar vanuit het sterven van de plant in uiterlijke zin nemen aarde en mens kiemen, zaden op voor een nieuw leven dat na de winter weer zal ontspruiten. De plantenwezens ballen samen in de vaak uiterst kleine zaden, die zich weer terugtrekken in de aarde. De stoffelijke plant neemt af, de idee plant neemt daarmee juist toe.

Met deze beweging in de natuur gaat ook de mens mee. Vanuit de zomer vol expressie en beweging keren we weer in onszelf terug. Van buiten naar binnen, ook heel reëel van het eten in de tuin weer naar het zitten rond de haard. Het meedrijven op de getijdenstroom, kan echter geheel onbewust gebeuren: de mens kan dromen in het weer van de dag. Of hij leeft zo inge­kapseld in geconditioneerde ruimten, auto’s, tussen apparatuur en allerlei andere mechanische geluidenmakers,  dat hij de stem van de natuur nog maar heel flauwtjes opnemen kan. Voor de mens die zijn verbinding met de loop van de natuur wil bekrachtigen bestaat er de Zielekalender* van Rudolf Steiner waardoor men zich in het eenvoelen met de natuurbeweging kan laten inspireren, en kan komen tot zelfkennis.

Nu de jaarfeesten.
We noemden Kerst als geboortefeest. Pasen als Opstandingsfeest, Johanni  als geboortefeest en Michaëli. We kunnen vanuit de andere jaarfeesten inzien hoe Michaëli ons oproept als mens om ook een opstanding door te maken; “Stirb und Werde”. We kunnen bij het naar binnen keren in deze tijd het gevaar lopen te verharden, innerlijk net zo te worden als het uiterlijke zaad in de wereld. We verliezen de zomerse beweeglijkheid en komen niet tot een in ons opgewekt enthou­siasme, tot een beleving van ons ik, onze persoonlijke kiemkracht waarmee we tot scheppers en herscheppers kunnen worden, niet slechts uiterlijk, doch ook in onze eigen ziel. Dit ge­vaar lopen we ook wanneer we Michaël te eenzijdig benaderen. Ik denk zelf bij Michaël altijd aan twee metalen: ijzer en koper. IJzer hangt samen met het zwaard dat Michaël draagt; het is symbool van strijd, van onverzettelijkheid en kracht. Het metaal hangt ook samen met de Marskrachten die bijvoor­beeld in het Romeinse Rijk zo sterk inwerkten. Het ijzeren zwaard kan ons juist doen vervallen tot verharding en egoïsme. Michaëls opgave vinden we slechts dan, wanneer we ook de ko­peren weegschaal in onze beleving betrekken; symbool van evenwicht, harmonie, in zekere zin ook genezing.
Wanneer we deze weegschaal op ons eigen zieleleven betrekken en zoeken naar een innerlijk evenwicht tussen denken en handelen, dan ont­staat ook genezing doordat ons voelen zich vult met kunst­zinnigheid. Met het koper hangt Mercurius** samen. We zien hier door de sterkende Michaëlskrachten heen de helende krachten van Rafaël stralen.

Krachtig en moedig trekken wij door de wereld, maar wij doden niet, ook niet de draak van de materialistische gezindheid, maar wij temmen, wij houden de dingen terug en scheppen een evenwicht, wij genezen ons zelf en de wereldordening door in onze ziel het beeld van Michaël en de draak in moed en har­monie, genezing;  in ijzer en koper  in zwaard en weegschaal te laten oplichten.

(Reyer Ploeg, nadere gegevens onbekend)

.

*Rudolf Steiner ‘Weekspreuken‘.
Bij ‘Antrovista‘ staat iedere week de nieuwe spreuk

**De auteur gaat er niet verder op in; meestal wordt het koper in samenhang gezien met Venus.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

286-270