Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – de wil (3)

.

Stefan Leber, Weledaberichten 137, dec.1985

.

TRAINING VAN DE WILSKRACHTEN IN DE KINDERJAREN
.

Een van de belangrijkste zielenkrachten is de wil. Samen met de krachten van het voelen en het denken schept hij de mogelijkheid, als totale mens in het leven te staan.
Wij willen een paar eigenschappen van het willen in het hierna volgende bespreken.
In de eerste plaats valt het merkwaardige op, dat ik alleen maar kan willen wat niet aanwezig is, d.w.z. dat ik mijn wil slechts op iets kan richten wat nog vóór mij ligt, wat nog moet ontstaan. Als ik zit, dan kan ik mijn willen erop richten, niet om te vallen, maar niet op het doel, niet te willen zitten, want dat wordt in normale gevallen door de zwaarte al vanzelf bewerkstelligd.
Hieruit kan blijken, dat het willen altijd op iets wat er nog niet is -in de tijd gezien: op iets in de toekomst- wordt gericht en dat betekent tevens: op een verandering van hetgeen er is. Dit includeert ook een overwinnen van de zwaarte, zelfs van de traagheid. Als ik zit, kan ik willen opstaan, d.w.z. er is een bewegingsproces, waarin iets van doelgerichtheid moet zijn waarop de beweging afstuurt. Daarin is een reden aanwezig die dit of dat veroorzaakt. Die reden evenwel hoeft niet altijd zo duidelijk te zijn zoals dat bij een motief het geval is. De wil staat open voor redenen en hij heeft die ook nodig om zich te ontplooien. Als ze ontbreken of als ze niet sterk genoeg zijn, dan kan de wil niet steeds weer opnieuw ontvlammen; hij verlamt, verslapt, waardoor een van zijn eigenschappen, de volharding, teloor gaat. Dan komt er slechts een deel, het begin van het wilsproces tevoorschijn.

Activiteit van de wil en doelstelling

Uitgaande van deze korte schets kan nu op de ontwikkeling van de wil en de scholing daarvan in de kinderjaren worden ingegaan.

Aan het begin daarvan ligt het stadium van de zuigeling. In de dadelijk na de geboorte nog korte periodes van wakker zijn wordt dit altijd tegelijkertijd zichtbaar samen met de lichamelijke wilsuiting: door het trappelen en bewegen. Beide gebieden van de lede­maten, armen en benen, worden ongescheiden van elkaar bewogen. Als men op het verloop van deze bewegingen let, dan kan men zien, dat ze een soort van bolvorm om de gewrichten maken. In deze, men zou kunnen zeggen bewegingschaos, komt allengs orde, zodat “doelgerichte” bewegingen ontstaan: bijv. het naar iets grijpen. De aange­boden fles wordt gegrepen en vastgehouden. Tot dit lukt zijn er steeds weer “oefenings­bewegingen” nodig met veel falende pogingen. Maar toch wordt op den duur wat is gezien, wordt begeerd, doelbewust gegrepen.

Waar vinden wij de oorzaak van die bewegingen? De drijfveer om zich te bewegen, ligt in het lichaam zelf, want elke pasgeborene beschikt over de mogelijkheid om te trappelen en te graaien, maar in dit vermogen brengt de ziel zelf de richting aan, d.w.z. de reden voor het bewegen.

Maar dat is niet alles. Naarmate het kind moeder, vader, broertjes en zusjes opmerkt, probeert het dezelfde houding te veroveren die zij hebben: de opgerichte. Het hoofdje wordt steeds weer opgeheven, zinkt vermoeid achterover, opnieuw wordt de poging ondernomen. En dan ten slotte het oefenend zich veroveren van het staan, het lopen, tot dit na ongeveer een jaar zelfstandig gaat lukken. Ook hier weer is het tweevoudige prin­cipe zichtbaar: de wilsvoltrekking en de reden, d.w.z. de wilsactiviteit die uit het lichaam komt en de doelstelling, die via de nabootsing van een voorbeeld wordt overgenomen. Niet het woord is de reden voor het doen, geen voorstelling motiveert, maar door het actieve meedoen worden richting en doel in de handeling opgenomen en tot eigen bezit gemaakt. En toch kan de toeschouwer de reden vinden. Die ligt echter niet in het uitspreek- of bespreekbare, de reden heeft zelf wilskwaliteit.

Het oefenen van de wil door de nabootsing

Opvoeding van de wil op deze jeugdige leeftijd van het kind betekent dus: velden, ruimten voor nabootsende activiteiten scheppen, zodat de wil van het kind in de nabootsende activiteit kan onderduiken, waarbij het zich naar het volwassen voorbeeld richt. Door het mee-voltrekken ontwikkelen zich vaardigheden in de bewegingsprocessen (motoriek) van het kind. De wil wordt versterkt doordat zin en reden niet theoretisch voorop moe­ten worden gesteld, maar door de nabootsing vooreerst eenvoudigweg van de volwas­senen worden overgenomen.

Een jongetje van drie jaar dat met volharding naast zijn moeder een heleboel sokken en wollen ondergoed had gewassen en ten slotte uitspoelde, zei, toen er nog een paar sokken moesten worden gespoeld waarvan de moeder vond dat hij dit nu wel alleen kon: “Nee dat kan ik niet, ik ben immers nog klein.”

Volbrengen, zin en volharding zijn heel sterk aan het voorbeeld gebonden. Als dat aanwezig is, dan kan de wil van het kind zich daarmee verenigen en wordt hij door het mee­doen versterkt. Dit nabootsende doen maakt in zeker opzicht het begin van een brug van waaruit het kind dan op eigen kracht over de rivier naar de andere oever, het zelfstan­dige en zelf-gewilde handelen, komt. Men kan bijv. zien, hoe een kind van twee jaar met de grootste moeite een stoel, die bijna net zo zwaar is als hij zelf, naar een deur sjouwt, ten slotte met moeite en een vuurrood gezichtje op de zitting klimt om bij de deur­klink te komen, daarbij echter merkt, dat de afstand te groot is, opnieuw omlaag klimt, de stoel dichterbij schuift en er weer opklimt. Helemaal uitgeput maar met het grootste plezier opent het ten slotte de deur. Zolang er voldoende stimulering in de gedaante van zinrijke handelingen van de volwassene het kind omgeven, kan men zien, hoe het zo­wel zelf “meewerkt” als ook in het vrije spel voortdurend handelingen die het heeft ge­zien of die worden verzonnen “speelt”. Als echter het aanbod van zinrijke handelingen gering blijft, dan verschraalt de fantasie al spoedig en het kind begint zich te vervelen.

Taken en aansporingen

Menselijke ontwikkeling verloopt op geen enkel plan rechtlijnig, maar steeds in sprongen, omkeringen, achterwaartse bewegingen, vooruitsnellen. Dat geldt ook voor de ontwik­keling van de wil. Tevens is het over ’t algemeen zo, dat de wil van twee kanten kan worden ontwikkeld: van de kant der voltrekking en van de kant van het doel. Elke activiteit, al is het maar een eenvoudige beweging zoals bijv. het balanceren over een boom­stam of een gecompliceerdere klimoefening, is een scholing van de wil.
Instinctief kie­zen schoolkinderen vooral in het midden van de kindsheid – van het 8e-9e tot aan het 12e-13-jaar- oefeningen en spelen, die tegemoet komen aan hetgeen zij aan krachten willen en moeten ontwikkelen. Er zijn eenvoudige hoepels (altijd nog wel), die bij het boodschappen doen worden meegenomen. Behalve de eigen beweging moet de con­centratie op het sturen ervan worden gericht.

Verder is er de hinkelbaan. Op getekende vakken moet met één voet of gesloten benen, zonder de grens aan te raken in een bepaalde volgorde het doel aan het eind van de baan worden bereikt. Dit wordt moeilijker als met dichte ogen of met een op de neus van een schoen gelegde kiezelsteen de weg moet worden gehinkt. Inspanning, concen­tratie, volharding, behendigheid zijn nodig om de taak te volbrengen. Tevens, omdat het hinkelen zelden ineens lukt, is herhaalde oefening nodig -processen, die als zodanig versterkend werken op de wil. Touwtje springen, steltlopen en vele andere oefeningen in spelvorm gebeuren bij voorkeur in de krachtmeting met leeftijdsgenoten. Zelfs bij zulke spelen wordt zichtbaar, dat zij ook een zin bevatten, n.l. het speelse deel van de handeling: een duidelijk gestelde taak die door behendig te zijn moet worden volbracht. Het is van belang, het kind naar deze manier van taken te stellen te leiden opdat zijn wilskracht toeneemt.

Wat in vroeger tijden vanzelf lukte wordt tegenwoordig een pedagogische taak. Door­dat n.l. de ambachtelijke, productieve activiteiten uiteenvielen en achter fabrieksmuren verdwenen, heeft het kind weinig mogelijkheden om een volkomen ontplooide wilsvol­trekking, zoals die in de menselijke arbeid tevoorschijn komt waar te nemen. Twee ge­neraties geleden kon men nog zien, hoe een hoefsmid een paard besloeg, hoe een schoenmaker of meubelmaker, een timmerman werkten en in de werkplaats misschien zelfs wat meehelpen. Niet alleen, dat door de industrialisering dit gedeelte van de ken­nis van het leven is weggevallen, maar ’t ontbreekt het kind ook aan voorbeelden, prikkels, beelden die een grondslag bieden voor zijn eigen doen en laten. Daardoor wordt het in deze levensfase nodig om datgene, wat uit de sociale werkelijkheid als zichtbaar ge­halte van het leven is verdwenen, aan het bestaan van het kind op een andere manier toe te voegen om zijn ontwikkeling te stimuleren, n.l. via het ouderlijk huis en de school. Het kind moet in de gelegenheid zijn om bijv. de groeifasen van de plantenwereld door eigen activiteit mee te maken, door bijv. in land- en tuinbouw mee te werken. Het be­zoeken van een boerderij of een tuinderij wekt belangstelling, die dan overgeleid kan worden in het klaarmaken van een bed, waar planten (groenten, bloemen maar ook graan) gezaaid, in hun groei geobserveerd, verzorgd, ten slotte kunnen worden geoogst of ge­plukt.
Iets dergelijks kan met de basisberoepen zowel van de hout- en metaalbewerking alsook de vervaardiging en bewerking van textiel gebeuren. Daarbij is het zaak om het­geen vooreerst wordt bekeken, daarna met eigen activiteiten te verwerken, bijv. door al heel jong een pannenlap, later een paar kousen of zelfs een pullover te breien. Bij de houtbewerking kan men denken aan het vervaardigen van een pollepel, later van mooi speelgoed om te eindigen met kunstzinnig verantwoorde gebruiksvoorwerpen. De hierboven kort geschetste weg door het ambachtelijke gebied wordt in de vrijescho­len begaan van de 1e t/m de 8e klas. De verschillende vakken dragen en bevruchten elkaar, de vaardigheden worden gedifferentieerd, de wil wordt steeds weer anders door de zinrijke handeling aangespoord.

Dit kan door kunstzinnige bezigheden worden ondersteund: in de euritmie, het schil­deren, de muziek, maar ook door zinrijke beoefening van sport.
Alleen op die manier worden de krachten ontwikkeld, die de volwassene nodig heeft om een taak aan te pak­ken, ermee bezig te zijn, te volbrengen en niet voortijdig te verslappen of zelfs in een boog om dingen die noodzakelijk zijn, heen te lopen.

 

Menskunde en pedagogie: over de wil: [10

Algemene menskunde: 2e voordracht over de wil [2-3

Vrijeschool in beeld: alle beelden

819-754

VRIJESCHOOL- Menskunde en pedagogie – de wil (10-2)

 
Dit is een verslag van een voordracht en is enerzijds beknopt en mist de doorlopende verhaaltrant. Bepaalde opvattingen zouden nader besproken moeten worden, dan wel genuanceerder uiteengezet. Toch bevat het veel gezichtspunten waarover je kunt nadenken, die je zou kunnen onderzoeken; juist vooral wanneer je je inzichten over het verschijnsel ‘wil’ wilt verdiepen.(PhaW)

.

Verslag van een voordracht van Nel Lievegoed-Schatborn, 9-10-1991
.

De wil is iets heel geheimzinnigs en is eigenlijk niet goed op te voeden. Toch weten wij van Rudolf Steiner veel over hoe we toch op de wilsontwikkeling kunnen werken gedurende de opvoeding.
Wanneer de mens vanuit verschillende aspecten wordt bezien, is een driedeling te maken wat betreft ziel, geest en lichaam.

Bij de geboorte slaapt de wil nog helemaal, wel is het denken al in poten­tie aanwezig, maar moet ontwikkeld worden. Bij het opbouwen van het lichaam wordt de wil geheel in beslag genomen.

Komende uit het voorgeboortelijke brengen wij het denken als een goudschat mee. In een vorig leven heb je bepaalde daden verricht en interesses ge­toond; vooral van die interesse hangt ongelooflijk veel af voor een volgend leven.

Wanneer een mens sterft, heeft hij in het leven vele dingen niet gedaan. Die overgehouden kracht is wilskracht die na de dood een bepaalde weg gaat. Bij de geboorte brengen wij die kracht mee, maar het zit verborgen in ons lichaam, het vormde onze gestalte samen met hogere wezens. Vanuit de erfelijkheid krijgen we een model van onze vader en moeder van­uit een generatiestroom waarmee we ons lang voor onze geboorte (conceptie) verbonden. Dit model gaan we dan omvormen, ons eigen maken vanuit die kracht die we meebrengen en die gestaltevormend in ons verborgen zit.

De eerste 7 jaar gaat het kind zijn lichaam vormen en daarin werkt de wil. Die wil zit in iedere cel, in alle stofwisselingen, te midden van de voort­durende afbraak en opbouw: geweldige krachten zijn aan het werk op plaat­sen waar wij niet bij kunnen. Bij de geboorte is het kind qua wilsleven nog volkomen chaotisch, zijn ontwikkeling is sterk afhankelijk van de om­geving. Die eerste 7 jaar leert het kind nabootsend wat des mensen is: zich oprichten, lopen, spreken en ten slotte denken.

Steiner zegt dat deze, zin voor het goede moet gaan ontwikkelen en dat de mensen hem dat voor-leven. Als lot brengt het mee of het de mogelijkheid voor het ontwikkelen geboden wordt. Veel hangt ook af van het voor­beeld dat het krijgt.

In een normaal voelend gezin, waar het kind welkom is, waar men blij is met de geboorte ervan, voedt de nestwarmte en helpt in hoge mate mee aan de wilsopvoeding, vooral wanneer het er later om gaat dat het een morele wil wordt, gedragen door morele idealen en impulsen en niet toegevend aan driften en begeerten.

Over het begrip “wil” bestaan misverstanden, het woord wordt voortdurend verkeerd gebruikt. Je zegt bijvoorbeeld “Ik wilde zo dolgraag ingenieur worden, maar ik had geen goed pakket gekozen en het was financieel niet makkelijk en dus ging ik een andere weg”.
Wat er tenslotte gebeurde, was je eigenlijke wil, niet wat je zegt, want dat was wat je “graag wilde”. Als je iets echt wilt dan doe je het ook. Men gebruikt het begrip echter in de zin van lust, begeerte. Bovendien is het moeilijk om echte wil van dwangmatigheid te onderscheiden.

Hetzelfde kan men bij kinderen constateren. Een bepaalde lichaamsbouw kan duiden op een wilskrachtig mens, maar als gevolg van omgevingsstoor­nissen kan het voorkomen dat zo iemand later niets tot stand brengt, alleen maar verschrikkelijk kwaad wordt, wanneer iets niet lukt. Die onbeheerste drift is een niet-vrije wil, maar het is een zwakte van de wil wanneer het kind zich laat beheersen door krachten die uit het lichaam komen. Wél “wil” is bijv. een klein kind, dat steeds maar weer met eindeloos geduld probeert een klein blokje op een groter blokje te zetten, enzovoorts.

Kortom: echte, positieve wil moet worden onderscheiden van doen-waar-je zin-in-hebt, van gewoontepatronen, van datgene wat je niet uit heilig vuur doet.

Straks moet het ook de eigen vrije wil van het kind zijn.

Rudolf Steiner wijst de leerkrachten op de ontwikkelingspatronen en de daarbij behorende aanpak.
In de eerste 7 jaar geldt de wet van de nabootsing als opvoedingsmiddel. Dan is het zaak, vóór te doen en vóór te leven hoe de dingen moeten en niet te verbieden of te gebieden. Door je eigen handelingen leert het kind eerbied te krijgen voor wat het aan het doen is. Daarvoor is nodig dat het merkt dat wat de ouderen doen, dit met liefde doen.

De tweede 7 jaar moet het kind met een zékere autoriteit worden opgevoed. De leraar moet zichzelf, zoals Steiner dat noemt, “Liebbar” maken als leraar. Hij moet verhalen zo vertellen dat de kinderen sympathie krijgen voor wat goed is. Hij moet een bepaalde structuur aangeven, bepaalde grenzen stellen en door zijn wijze van vertellen de genegenheid van de kinderen winnen zodanig, dat zij, omdat ze van de leraar houden, bepaalde dingen goed of niet goed en mooi of niet mooi vinden. Dat doet de leraar door zo enthousiast te vertellen dat hij het goede overbrengt op een wijze dat de kinderen begrijpen wat erachter zit. Dat begrijpen ze niet met het hoofd, maar met het onbewuste, het slapende wilsleven.

De derde; fase is die van de puberteit. Daarin moet je naast het kind staan en je mag het in geen geval je wil opleggen. Je moet de stof zo brengen, dat ze zelf leren oordelen en zelf leren bepalen wat goed en niet goed is, zelf leren kiezen. In de huidige cultuur* is dat precies andersom, de basisschool laat vaak veel te vrij op bepaalde scholen tegenwoordig, men geeft te weinig structuur, terwijl het kind op de middelbare school een overvloede van feiten als dogma’s krijgt voorgeschoteld, die het maar moet aannemen als een denkpantser op alle gebieden (rekenen, aardrijkskunde, natuur- en scheikunde, biologie enz.) Een eigen ander oordeel of idee is dan fout. Inspelen op wat de leraar graag wil horen, is echter geen wilsontwikkeling.

Dan nu iets over de wetten die voor de ontwikkeling van de wil bepalend zijn.
Uit het voorgeboortelijke brengt een kind iets mee wat de wereld verder moet brengen. In die geestelijke wereld heeft het andere dingen meegemaakt en heeft dan ook andere impulsen om de wereld verder te helpen.
De wil moet zo worden aangepakt, dat het kind daardoor ook de mogelijkheid, de vrijheid, heeft om later zelf te kunnen kiezen.

De vrijeschool kan dat leren, nl. door veel inhoud en algemene ontwikke­ling te geven, waardoor het kind met de aangedragen stof kan werken.

Een van de allerbelangrijkste wetten, niet zozeer alleen voor de wilskracht, maar vooral ook voor de moraliteit van de wil, heeft betrekking op de eer­ste 3 jaar. Wie in die periode verwaarloosd is, kan later vrijwel niet meer werkelijke moraliteit ontwikkelen, omdat daarvóór te veel schade is aange­richt.

Wat wij gedaan hebben – een trui gebreid, een stap gezet – is niet meer onze wil, terwijl datgene wat nog niet is uitgevoerd, kiem, potentiële kracht is voor de wil. De wil zit dus of in de buitenwereld, of is nog als
kiem aanwezig; in het laatste geval komt de wil pas bij de dood vrij om dan bij het volgende leven gestaltevormend te hebben gewerkt.
Intussen komt hij tijdens het leven steeds deels vrij, nl. wanneer bepaalde daden worden verricht. De wil moet worden behandeld zoals de tuinman het zaad in de grond stopt: de omstandigheden moeten worden afgewacht, zoals regen, zon, humus enz.
Dat afwachten is bij de opvoeding van de wil zeer belangrijk. Onze tegenwoordige cultuur werkt echter versnellend, propulsief; de kinderen moeten, bijv. in het verkeer – wel wakker zijn, willen zij zich kunnen handhaven, maar deze cultuur werkt wilsverzwakkend.
Deze ontwikkeling in 7- jaar perioden kan men vergelijken met bollen die steeds groter worden, waarbij de tijden tussen de grote sprongen tijden van rijping zijn, zodat het aangeleerde ook het voelen en het willen gaat doordringen en eigendom van het kind wordt.

Als voorbeeld valt te denken aan de ovaria van meisjes, die met 5 jaar volgroeid zijn, waarna het nog tot ca. het 13de jaar duurt, voordat zij geslachtsrijp zijn. Er komt kracht met 5 jaar vrij die dan tot het 13de jaar gebruikt wordt voor de rijping van denken, voelen en van de wilsontwikkeling. Geen enkel dier, maar alleen de mens kent zo’n tussenfase van rijping.
Juist in de puberteit wordt de kinderen tegenwoordig die rijpingstijd ontstolen. De krachten die vrij zijn gekomen voor interesse voor de buitenwereld, wordt ze echter ontstolen door ze te vroeg als volwassenen te behandelen.

In een voordracht in 1918 wijst Steiner daarop ook al, wanneer hij zegt, dat niets zo wilsverzwakkend is als organen te laten gebruiken wanneer die daarvoor nog niet gebruikt moeten worden (i.c de geslachtsorganen) Dat werkt ontzettend wilsverslappend. Een van de grootste zonden is de jeugd de rijpingstijd niet te gunnen. De charmante tijd van verliefd op afstand!

De wil is zeer lichaamsgebonden, ook van het directe lichamelijke, van de totale gezondheidstoestand afhankelijk. Heeft een kind op school wei­nig inzet, dan kan de oorzaak daarvan in het lichamelijke liggen. Gaat de fut er plotseling uit dan kunnen milieu-omstandigheden (overle­den vader of moeder enz.) daarvan de oorzaak zijn. De disharmonie in vele gezinnen is ook een factor die invloed kan hebben, wilsverzwakkend kan werken en ook de gezondheid zelf kan beschadigen.

De kracht van de wil is een zeer sterke en zij kan door de opvoedingsregels in acht te nemen in goede banen worden geleid, maar het omgekeer­de is ook mogelijk. Krijgt een kind op het goede moment geen goede leiding dan blijft de wil zich alleen lichaamsgebonden uiten in begeerten e.d. Rudolf Steiner: de eerste 3 jaar het kind met interesses en liefde omhullen en gedurende de eerste 7 jaar niet verbieden, geen wil opleggen. Het is van belang zich in het spel van het kind te ver­diepen en bij overgang naar iets anders niet te gebieden maar daarvoor een geleidelijke aanpassing te vinden, bijv. van spelen naar eten door tijdig waarschuwen of met een verhaaltje aansluitend bij het spel. Een andere wet is dat de volwassene met zijn “ik” en zijn hele lichaam heel sterk inwerkt op het denken, voelen en willen en ook op de begeer­ten van het kind’, zo zegt Steiner. Hij raadt de leraren aan goed op te letten, of bepaalde kinderen misschien kleur verliezen, omdat dat kan betekenen dat te veel intellectuele stof is gegeven. Worden te hoge eisen gesteld dan kan overbelasting optreden, wat negatief op de gezondheid en ook op de wilsontwikkeling kan inwerken.

Wat werkt wilsversterkend? Denk aan de tijd van de Mysteriën (het Orakel van Apollo), aan de tijd van de farao’s en van de koningen, aan de tijd van Mozes, die toen het volk leidden. Bepaalde mensen hadden in die tijd een veel sterkere wil. In de voor-zondvloed-tijd had men een ongelooflijk sterke wil, daarna is de wil steeds zwakker geworden. Wel is vanaf de Griekse tijd – eigenlijk pas in de Middeleeuwen, sinds de Scholastiek- het intellect ont­wikkeld, daarop bouwen wij voort, maar het is ten koste gegaan van de wils­ontwikkeling, van de natuurlijke instinctieve moraliteit en van het warme vanzelfsprekende voelen; we zijn afstandelijker geworden. Denk maar aan de groepsprocessen die tegenwoordig nodig zijn om elkaar te vinden.

Steiner vertelt ook, dat denken, voelen en willen een van nature sterke harmonie hebben. Naarmate het kind zich verder ontwikkelt, wil het meer vat krijgen op zijn denken, op de mogelijkheid om bepaalde verbanden te leggen en vraagstukken op te lossen. Het handelen wordt bedachtzamer naar­mate meer met overleg moet worden gehandeld. Het behoort wel met vreugde te gebeuren, het voelen moet ermee verbonden zijn. Steiner zegt dat in onze tijd de natuurlijke harmonie van denken voelen en willen – Godsgeschenk-is verbroken: de mensen hebben er moeite mee die harmonie tot stand te brengen.

Onze cultuur met zijn vele media en overweldigende hoeveelheid van in­drukken werkt verslappend en verzwakkend, het gevoel wordt erdoor afge­vlakt, want men krijgt te veel indrukken, men wordt doodgegooid met alles wat leuk en mooi is. De vrijeschool probeert met zijn methode van opvoe­ding die harmonie weer tot stand te brengen.

Ook de teamgeest binnen een lerarencollege en de saamhorigheid binnen een gezin of familie versterken de wil.

Een andere oorzaak van verzwakking van de wil is gelegen in de sterk af­genomen natuurlijke vroomheid en eerbied, ook al moet daarbij gezegd worden dat die vroomheid vroeger deels ook op angst was gebaseerd. Vroomheid en eerbied werken namelijk door tot in de onbewuste stofwisselingskracht. Verminderde vroomheid leidt tot een minder sterke wil; de mens moet zich­zelf opnieuw veroveren om die wil weer te krijgen, men krijgt het niet meer met het eerste gebedje mee.

Als voorbeeld van wilszwakheid kan worden gedacht aan de manier waarop bijv. werkloze jongeren leven: sterk vanuit de lust (popmuziek, brommers enz.). Die jeugd is ook vaak alles onthouden, moest al met 2 jaar vaak naar de crèche, daarna naar de peuterschool enz. Een kind mag niet te vroeg worden los gelaten, want dan moet het direct, terwijl er geen overbrugging is; de tijd moet nog een schakel zijn. Daarmee worden veel fouten gemaakt. Voor de versterking van de wil is de babytijd met zijn voedingsritme bij­zonder belangrijk. Onbewust leert het zich te voegen in dat patroon. In de tijd van slapen moet het ook werkelijk rustig zijn en mogen niet op de achtergrond televisie of radio of vliegtuigen die rust verstoren.

Een andere wet is dat het hogere werkt op het lagere. Steiner zegt dat in het woord, waarin de taalgeest werkt, iets hogers aan het werk is: in de taal ligt wijsheid. Daarom niet altijd die korte afgebroken woordjes (op­houden, aan tafel, naar bed, hier komen enz.). Op dat punt heeft de TV (woordenschat) wél wat goeds gedaan.

Ook het terugdringen van impulsen kan zeer wilsversterkend werken. Je moet kinderen laten merken dat je jezelf ook wel eens iets ontzegt, dat je iets graag zou doen maar het toch niet doet. Daarvoor moet je een fantasievolle vorm zoeken, het moet nl. ook echt zijn en geen gehuichel! Van belang is met interesse omgeving en kind waar te nemen en het kind leren met interesse waar te nemen. Altijd proberen beelden te verbinden met wat je doet.

Het hele leerplan bevat eindeloos veel wilsversterkende elementen, zoals bij de kringspelen of bijv. het achteruit lopen met het opzeggen van tafels en dan niet van 1 tot 10 maar verder dan 10, en weer terug. Steeds echter moet goed voor ogen worden gehouden dat de leerstof niet te vroeg mag worden aangeboden, dat de taken niet te hoog mogen worden ge­steld, maar ook dat eenmaal begonnen taken moeten worden afgemaakt.
.

*het was de tijd van de ‘anti-autoritaire’ opvoeding, waarvan men later weer is teruggekomen.

.
Menskunde en pedagogie: over de wil

Algemene menskunde: voordracht 2, over de wil

Drieledige mens: antroposofie een inspiratie

Vrijeschool in beeld: alle beelden

805-740

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie: de wil (1)

.

Freya Jaffke, weergegeven in schoolkrant van Vrijeschool Brabant, okt.1996
.

WILSOPVOEDING, BRON VAN MORALITEIT

Hoe voorbeeld en nabootsing opvoedend werkzaam zijn voor de wilsontwikkeling

De volgende bijdrage is uit een voordracht voortgekomen, die gehouden werd op de Internationale Kleuterleidsters­bijeenkomst in Hannover, Pinksteren 1989, voor de aanwezigen aldaar, maar kan ook ouders een levendige blik in de ontwikkeling en wezenlijke stimulansen voor de omgang met kinderen geven. De ontwikke­lingsfasen in de vroege kindheid zijn hier slechts kort geschetst, werden echter in het vorige schrift ‘Opvoedingskunst* door Freya Jaffke uitgebreider weergegeven. (Red.)
.

We willen ons vandaag met de ontwikke­ling en opvoeding van de wil bezig hou­den – vooral in de laatste kleuterfase – en daarbij in het bijzonder de blik op de voorbeeldgevende volwassene richten, die met al zijn kracht, zijn innerlijke en uiterlijke zekerheid, zijn liefdevolle con­sequentie, zijn vreugde en zijn humor, met zijn hele fantasievermogen, zijn te­genwoordigheid van geest enz. steeds weer flink wordt uitgedaagd. De uitdaging is met name daar te zien, waar tijdens de opvoedingstaak bijzon­dere ogenblikken in de overgangsfasen opvallen en aangepakt moeten worden.
Allereerst moeten de vroege ontwikke­lingsfasen van het kind geschetst wor­den, omdat deze medebepalend zijn voor de tijd daarna, tussen vijf en zeven jaar. Hoe is de situatie van het kleine kind aan het begin van zijn leven? We be­merken aan hem de grootste openheid, waarmee het aan alle invloeden van zijn omgeving overgeleverd is. Het is als het ware één zintuigorgaan (één zintuigwe­zen).
Een zintuigorgaan is een onbaat­zuchtig instrument, dat doorlaat, bin­nenlaat. Nemen we ter vergelijking het oog. Het staat onbaatzuchtig als instru­ment datgene ter beschikking wat door het orgaan heen wil kijken. Dat is het ‘wasachtige’ (Rudolf Steiner) in de mens. En het hele fysieke lichaam dient als zintuigorgaan van dit geest-zielenwezen van het kind, dat uit het voorge­boortelijke komend, zich uit het diepste innerlijk van het kind tevoorschijn werkt.

“Er is weinig, wat zo wonderbaarlijk op het menselijk gemoed werken kan, als wanneer we zien, hoe van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar in de eerste le­vensjaren van het kind het innerlijk geesteszielenwezen tevoorschijn komt; zoals aan de chaotische bewegingen van de ledematen, aan de naar buiten nei­gende blik, aan de gelaatsuitdrukking, waarvan we voelen, dat het eigenlijk nog niet helemaal hoort bij de individu­aliteit van het kind, al datgene zich naar buiten toe ontwikkelt en aan de opper­vlakte van de menselijke gestalte tot uit­drukking komt, wat uit het centrum, uit het middelpunt van de mens komt..”
We hebben dus met twee fenomenen van doen:

  1. Het kind is geheel zintuigwezen,
  2. Het kind is geheel wilswezen.

Met de wil wordt door de zintuigen de wereld opgenomen en ingelijfd. De syn­these, de samenwerking van deze twee verschijningen, wordt ons getoond door de, uit het voorgeboortelijke meege­brachte, kracht tot nabootsing. De na­bootsing omvat zowel het ontvangen via de zintuigen als het nadoen met de wil.

Rudolf Steiner zegt in ‘De opvoeding van het kind‘:
“Voor de ontwikkeling van een gezon­de, krachtige wil wordt de basis gelegd door de juiste hantering van de bovengenoemde opvoedingsprincipes gedu­rende de eerste zeven levensjaren. Want zo’n wil moet zijn steun in de volontwikkelde vormen van het fysieke li­chaam hebben”.

We weten, dat bij het kleine kind de or­ganen nog niet hun typische vormen hebben en eigen ritmes nog niet ontwik­keld zijn. Het kleine kind is het meest onritmische wezen, dat we ons kunnen bedenken. De vraag ontstaat: Hoe komt het tot eigen vormen, hoe ontstaan de ritmes van de afzonderlijke organen en hun ritmisch samenwerken als organis­me, hoe komt het tot geordende, doel­matige wilsuitingen? Vooral door in­vloeden van buitenaf! Het kind heeft het ingebed-zijn in ritmes nodig: bijv. waken, slapen, maaltijden, d.w.z. her­haaldelijke handelingen. Het kind als zintuig-wilswezen voegt zich in, in de hoe dan ook gevormde omgeving en boetseert zo zijn organen uit en leert zo zijn wil te ordenen. Voor­beelden zullen dit verduidelijken.

Aan de omgeving leert het kleine kind zijn wil te ordenen

Laten we kort kijken naar de tijd tot het derde levensjaar

Afgezien van de oneindige wilsinspanning in het zich-oprichten, leren lopen en het leren spreken, heeft het kind tal­loze mogelijkheden om zijn wil onbe­wust te oefenen bijv. dingen grijpen, loslaten, wegslingeren; het hanteren van zijn lepel, het omgaan met zijn beker; zichzelf aankleden; de moeder nabootsen bij huishoudelijke werkzaamheden, de boodschappentas uitpakken, eten voorbereiden. Dat alles zijn activiteiten, waarbij handigheid geoefend wordt en de wil zich leert te richten. Nu wordt niet meer chaotisch met de ledematen rond gesparteld, maar er wordt doelbe­wust gehandeld. Maar zonder vooraf­gaand nadenken, puur vanuit de na­bootsing en gewoonte, die door dagelijkse herhaling ontstond, leert het kind zich steeds zekerder in zijn levens­omgeving te bewegen. Als we zo met liefde en vreugde elke leerfase van het kind begeleiden, dan hoort daar, ook al op deze leeftijd, een liefdevolle grensaanduiding bij. De kin­deren bootsen niet alleen na, maar gaan ook op ontdekkingen uit. Als ze bijv. spinazie op het tafelkleed verdelen, aan het tafelkleed of aan het strijkijzersnoer trekken, uit onhandigheid de beker om­stoten of de prullenmand omrennen en de volwassene daarover slechts lacht en achter het kind aanloopt, om te zien wat er nu weer gedaan wordt, dan kunnen waarlijk slechte gewoonten ontstaan. Doch slechte gewoonten worden echter wel vermeden, als de volwassene voor­uitdenkt, fantasie voor afleidingen ont­wikkelt, consequenties trekt, d.w.z. ze­kerheid en houvast in de omgeving aanbiedt. Steeds komt het erop neer, dat wij het ongerichte wilsvermogen van het kind richting geven, zolang het daartoe zelf nog niet in staat is. Een eerste duidelijke crisis is merkbaar, als met het ik-zeggen het nee-zeggen optreedt. De eigen wil, die meer of min­der sterk opkomt, kan zichzelf aanvan­kelijk slechts laten zien en moet pas langzaam leren, in een harmonische sa­menhang met datgene wat in de omge­ving gewild wordt, te komen. Wat een zegen en wat een goede hulp is het, als goede gewoontes aangelegd werden, als ritme in de dag, bezonnenheid in het doen, zorgvuldigheid en beschaafdheid bij het eten en bij de voorbereiding op de maaltijd heersten.

De wil grijpt de ontwakende fantasie

Met het eerste zich-losmaken (vrijko­men) van de vormende levenskrachten uit de orgaanvormingsprocessen in het hoofdgebied worden nieuwe kwalitei­ten in de ontwikkeling van het kind zichtbaar.

De eerste kinderlijke fantasie verschijnt en het kinderlijk geheugen. Was de wil van het kind tot nu toe hoofdzakelijk op al die dingen gericht, waarmee de moe­der in het huishouden omging, zo ver­bindt hij zich nu meer en meer met de ontwakende fantasie en maakt van de­zelfde dingen meer als dat, wat ze voor­heen waren. Fantasie hebben betekent namelijk, over het aanwezig-zijnde uit­stijgen in de onuitputtelijke vrije ruimte der mogelijkheden. De wil in de fanta­sie is in staat, voorwerpen, zelfs als ze slechts in de verte aan reële dingen doen denken, deze als zodanig te accep­teren d.w.z. ze met innerlijke vreugde, overmacht, kracht, tot het gewenste te maken, aan het doel onttrekkend, nieuw te scheppen. Bijv. wordt de schoenborstel midden onder het schoe­nen poetsen plotseling een schip of vliegtuig en wordt tussen de klaarstaan­de schoenen bewogen. Of: een moeder heeft een pakketje ingepakt en het stuk­je touw dat overbleef over de stoelleu­ning gehangen. Het kind bindt aan het uiteinde een pollepel en trekt deze met het andere eind langzaam omhoog. Blijkbaar werd het aan een takel herinnerd.
We zien hoe tegelijkertijd met de fanta­sie, ook het geheugen en de herinnering verschijnen. Maar er kan slechts datge­ne herinnerd worden wat voordien be­leefd werd. De fantasie kan het meteen nieuw scheppen, als een uiterlijk ken­merk, iets soortgelijks in het gezichts­veld komt. De kracht van de wil is het, die datgene, wat in de fantasie en in het geheugen oplicht, in de daad omzet.
Er zijn beslist ook kinderen, die niet met de wil de fantasie grijpen en die zich bij inadequate leiding eerder chaotisch ge­dragen bijv. rondrazen, motors imite­ren, zich in een vreemde omgeving zon­der distantie gedragen; graag verstoren; of zulke kinderen die innerlijk volledig passief, initiatiefloos, gemakzuchtig zijn en zich urenlang aan het mechanisme van een driewieler overgeven. We onderscheiden dus:
= kinderen die harmonisch handelend zijn,
= chaotisch of doelloos handelenden,
= in de wil te­ruggehouden,
= zelfs “verlamde” kinderen.

Daarvan een voorbeeld:
Een ‘verdwaal­de’ doek wordt door harmonische kinderen opgepakt om zich er mee te ver­kleden of om er een huis mee te bou­wen.
De onberekenbaar handelenden gooien de doek bijv. op de grond en glijden ermee in het rond of ze gooien het in de lucht waarbij een bloemenvaas omvalt.

Bij een gezonde wilsontwikkeling heb­ben de kinderen op deze leeftijd tussen ongeveer drie en vijf jaar steeds nieuwe ideeën binnen het speelverloop of aan de hand van een speelobject.
Zo zetten twee ongeveer 4-jarige meisjes alle beschikbare stoelen in dubbele rijen achter elkaar, leggen er dan poppenkinderen en zichzelf op te rusten en zeg­gen: “We hebben een slaap trein”. Dan zetten ze de stoelen tegenover el­kaar, leggen alle poppenkinderen aan een kant en zeggen: “Nu is het een commode”. Kort daarna zetten ze alle stoe­len met de leuningen tegen elkaar, spreiden daar een grote doek over en bouwen een poppentheater. Een voe­tenbankje was eerst een bromfiets, een verjaardagstafel voor de pop, daarna een brievenbus, en ten laatste met ande­re daarop gestapelde voetenbankjes een ‘plofmolen’, waar kastanjes in ploften.

De crisis van de wil en de fantasie rond het vijfde levensjaar

Met het voortschrijdende vrijkomen of zich-losmaken van de levensvorm­krachten uit de orgaanvorming, nu van het middengebied van de menselijke gestalte, treedt weer een duidelijke ver­andering op in de ontwikkeling van het kind. Maar eerst nemen we ongeveer rond het vijfde levensjaar een duidelijke crisistijd waar, met name bij de schep­pend handelende kinderen. Wat ge­beurt er dan? Door de nu langzaam ont­wakende voorstellingen moet de wil zich opnieuw oriënteren. Dat heeft een beetje tijd nodig. De fantasie-ideeën nemen af, de wil schijnt als verlamt, de kinderen vragen: “Wat moet ik doen?” of ze zeggen: “Ik verveel me”.
Nu moeten we geen beroep doen op de fantasie, die heeft nu een rusttijd en moet dan ook geheel met rust gelaten worden. We kunnen de kinderen kleine, overzichte­lijke dingen laten doen die in samen­hang zouden moeten zijn met de hande­lingen van de volwassenen, bijv.:

= een klein prentenboek laten knippen, naaien, beschilderen;
= een naaldenboekje naaien, daarin naalden sorteren
= een  brievenopener polijsten, die men snel gesneden heeft;
= om hulp verzoeken, zonder te vragen
= band of elastiek aanbrengen;
= afdrogen, vegen;
= hout in de tuin zagen.

Alle arbeid zou bij de volwassene moe­ten gebeuren; zijn nabijheid wordt ge­zocht en is nodig. Het is nog altijd de tijd van de nabootsing, ook wanneer al met woorden tot handelen aangezet kan worden. Een eerste ‘moeten’ dient zich aan, geheel op de nabootsende hande­ling georiënteerd.

Na een ruime ‘arbeidstijd’ ontstaat op­nieuw drang tot spelen. In de voorstel­ling duiken beelden van levenssituaties op, die nu tot speelimpulsen worden bijv. de kapperszaak, het ziekenhuis met ziekenvervoer, restaurant, familie, brandweer, ruimtevaartuig.

De wil verbindt zich met de voorstellingskracht

Belangrijk is te bedenken, dat weliswaar de omgeving en het speelaanbod niet veranderd zijn, de relatie daarmee ech­ter ten zeerste. Om tot doorvoering van een spelimpuls te komen, moet de wil zich nu met de voorstelling verbinden, en met hulp van de voordien zo rijk ge­oefende fantasie, vindt hij of maakt hij -de wil- willekeurige voorwerpen tot datgene, wat hem in de voorstelling voor de geest komt. Dat is een sleutel­proces.
Om een spelidee in de daad om te zet­ten, is fantasie, geduld, doorzettingsver­mogen, enthousiasme nodig en de be­reidheid moeilijkheden te overwinnen. Dat zijn allemaal zaken, waarin de wil sterk werkt, en weliswaar door het doen!

Vóór het vijfde jaar ziet het kind bijv. een gebogen stok die hij over de schou­ders legt en zegt: “Oh, nu ben ik een schoorsteenveger”.

Na het vijfde levensjaar heeft het kind eerst het idee, schoorsteenveger te zijn, en zegt dan: “Ik heb zo’n lange bezem nodig, die zo vastgebonden is”. Hij zoekt en maakt uiteindelijk een plumeau vast aan een lange draad en bindt aan de draad een stok. Vóór het vijfde jaar greep de wil datge­ne, wat -van buitenaf inspirerend- in de fantasie oplichtte. Nu moet de wil een innerlijke inspanning volbrengen, omdat hij zich doelbewust met het voorstellingsbeeld en de fantasie moet verbinden. Een weldaad voor de kinde­ren, die voldoende gelegenheid vinden, deze innerlijke activiteit te oefenen! Het is inspannend en misschien niet een­voudig. Is het doel echter bereikt, dan treedt innige bevrediging of zelfs jube­lend enthousiasme op. Als kinderen niet tot deze innerlijke in­spanning komen, wordt de wil gemak­kelijk chaotisch en wij denken dan, nu zouden ze ijverig moeten werken, bijv. raspen, zagen, timmeren – oftewel, een­voudige zware werkjes doen, waarbij ze hun spierkracht flink kunnen gebrui­ken.

Dat zouden ze óók moeten kunnen doen, namelijk dan, als het dagelijks leven dat af en toe van hen vraagt. Een oplettende en vooruitdenkende op­voedkundige vindt daarvoor genoeg gelegenheden gedurende het hele jaar, bijv.:
= in de nawinter: Geschonken takken van de houthakker in de tuin doorza­gen.
= in de zomer: Bloemperken opnieuw aanleggen; grote stenen moeten ver­plaatst worden.
= boomstamschijven met planken in de tuin worden bijv. straatwalsen.
= met een schop mogen ergens in een hoek meren en rivieren gegraven wor­den.
= loop-, roep-, vang- en balspelen, hoe­pelen, touwtjespringen.

Wij mogen echter bij alle enthousiasme, waarmee kinderen en opvoeders wer­ken of spelen, niet vergeten, dat de wilskrachten niet alleen op het spierengebied geoefend moeten worden, maar ook – op deze leeftijd in het bijzonder – in het innerlijk, in relatie met de levendige voorstelling. Als de kinderen ook hier sterker worden, zullen ze eerder een evenwicht van hun wezen kunnen vin­den.
Maar dan nog is het beter, dat de kinde­ren werken i.p.v. zinloos tekeer te gaan.

Hulp van de volwassene bij het doordachte spel

In de tijd waarin de kinderen beginnen doordacht te spelen, zijn ze vaak nog op de hulp van de volwassene aangewe­zen. Diens innerlijk ‘ter-zijde-staan’, diens invoelingsvermogen, fantasie en diens terughoudend enthousiasme, zijn noodzakelijk.

Hiervan enige voorbeelden:
Een 6-jarige jongen speelde circusdirec­teur. Hij verkleedde vele kinderen met doeken als bepaalde dieren, wees hun hun ‘kooien’ aan en zei hun wat ze bij de voorstelling mochten doen. Allen volgden hem vredig voor een langere tijd. Toen het spel stagneerde, geen ideeën meer kwamen en de zin afnam, was hulp nodig. Ik zei dat het circus was afgelopen en de circusmensen had­den etenspauze. De jongen antwoordde: “Ja, en dan pakken ze alles in en dan rij­den ze naar een andere stad. Oh ja, hier is mijn wagen (tafel met stellages) niet­waar, circuswagens hebben zo een rond dak.”
Voordien was het een kooi en stond direct naast mijn werktafel. Hij bouwde de wagen nog wat beter op, keek toen door het raam direct op mijn werktafel en zei: “Oh, daar ben ik al aan de grens! En nu rijden we in een ander land en daar was heel veel sneeuw. En dan heb je natuurlijk een sneeuwschui­ver nodig!” Met veel moeite bond hij voor aan de wagen een veegblik als schuiver. Achterop bouwde hij met
op­eengestapelde krukjes een ‘zout-strooi-machine’, waarbij hij kastanjes door de handgrepen liet vallen. De volgende dag bouwde deze jongen meteen weer een wagen (zonder zoutstrooier en sneeuwschuiver) en zei toen: “Nu is het een locomotief geworden”. Met tafels en stoelen voegde hij er nog meer wagens achteraan, andere kinde­ren sloten zich erbij aan, maar een echt spel kwam niet op gang. Ik schakelde mezelf weer in en zei: “Ja, jullie hebben ook een bagagewagen en de kruiers zouden mijn koffers alvast kunnen halen, omdat ik op reis moet. En een restauratiewagen hebben jullie ook; on­derweg moeten de reizigers immers wat te eten hebben.”

Grote activiteit ontstond; bagage (grote houtblokken) werden gehaald en opge­laden, de restauratiewagen werd ge­bouwd en ingericht. Ik hoefde deze keer mijn werkplaats niet meer te verlaten, ik was ook zo volledig deelgenoot in het spel. Ik kreeg de menukaart en daarna de heerlijkste gerechten en niemand protesteerde dat ik niet in de ‘juiste’ res­tauratiewagen zat, wat ik anders wel doe.

Een andere jongen van 6 jaar had met zijn vrienden onder de tafels een kamp gebouwd, maar een spel bleef uit. Ik zei: “Bij zo’n kamp is toch ook altijd een kampvuur waar men zijn eten kan koken.” – “Oh ja, krijgen wij stokken?” -“Ja, haal er maar drie!”.  Ze bonden de stokken met moeite tot een drievoet tezamen, maakten met rode en gele lappen en houtblokken daaronder een vuur en hingen daarbo­ven in het midden een hengselmandje als pan. Ze vroegen om nog twee stok­ken die ze over twee stoelleuningen leg­den, daarover werden doeken gehan­gen en zo werden tenten gebouwd. Daarin kwamen wollen tapijten, kus­sens en kleine krukjes. Dit alles duurde tot het opruimtijd was en de jongens be­klaagden zich, omdat ze nog niet ge­speeld zouden hebben!

In het laatste kleuterschooljaar kan het nog eens tot een spelcrisis komen, voor­al dan, als de aannamegesprekken in de school plaatsvinden. De kinderen voe­len zich plotseling niet meer zo hele­maal kleuters en zeggen: “Wij willen nu alleen nog maar werken.” Zulke kinderen kan men in het eigen werkproces inschakelen en goed laten helpen. Na korte tijd beginnen ze weer opnieuw te spelen.

Waaraan moet de volwassene als ‘voorbeeld’ denken?

Nu kan de vraag ontstaan, wat de voor­waarden en consequenties voor het voorbeeld zijn, opdat ze een wilsontplooiing zoals in de geschilderde spelsi­tuaties in alle fasen mogelijk wordt. Als de vorming van de organen van buitenaf gebeurt, “in wiens volontwikkelde vormen de wil zijn steun moet hebben”, dan moeten daar buiten in de omgeving, regelmaat op velerlei gebied, ritme, goede gewoontes en liefdevolle consequentheid aanwezig zijn.
Opdat regelmaat ontstaat, moet de vol­wassene steeds vooruitdenken. Dat geeft zijn gebaren zin en ordening. Hij rent niet steeds heen en weer, omdat hij iets vergeten is. Vooruitdenken helpt ook slechte wilsuitingen van het kind te helen.

Als kinderen bijv. hun schoenen met de voeten uitdoen en de handen niet ge­bruiken of zich aangewend hebben deuren dicht te slaan, dan wordt van de volwassene gevraagd, steeds een ogen­blik voor de handeling naast het kind te gaan staan, tot de gewoonte geheel ver­anderd is en het daarna voldoende is om slechts met het bewustzijn bij het gebeuren te zijn.

Een verdere hulp is het ‘bij voorbaat bezig zijn’ van de volwassene. Als de kinderen bij ons komen, ontmoeten ze een al handelende opvoeder. De wil van de kinderen voegt zich nabootsend in de sfeer van de activiteiten, hoewel ze zich misschien op heel andere bezighe­den richten.

Een derde hulp is het, dat de opvoeder door erkenning van zijn ritmische da­gindeling, ja wellicht zelfs van zijn jaar­verloop -met betrekking tot zijn speciale handelingen- komt, tot regelmatige her­halingen, zonder stug of overdreven precies te zijn.

Zulke, en menig andere voorwaarden, vormen een wezenlijk deel van de ‘juis­te fysieke omgeving’, waarin de kin­deren op grond van hun nabootsings­kracht hun wil aan het voorbeeld leren ordenen en doelbewust leren gebrui­ken.

Nabootsen is wilsactiviteit. Wilsactiviteit is Ik-activiteit

De wil is iets van het meest individuele van de mens. Dat nemen we ook waar aan de wijze, hoe de kinderen naboot­sen. Allen hebben hetzelfde voorbeeld. De reacties zijn evenwel heel verschil­lend.
Ze variëren van het direct aanpakken tot het bijna niet-daardoor-bewogen zijn. In het nabootsen weeft de grootste vrijheid! Werkt de opvoeder trouw aan zichzelf, d.w.z. aan de voorwaarden, dan zal elk kind datgene voor zijn wilsontplooiing vinden, waarnaar het onbe­wust zoekt.

Als na het 5e levensjaar zich langzaam de overgang van willen naar moeten aandient, dan zijn ook hiervoor de beste voorwaarden:
= goede gewoonten
= ritmische, herhalende werkperioden
= feestvoorbereidingen, feesten vieren
= liefdevolle consequentheid

Dat alles werkt in het bijzonder op de zich ontplooiende wil. Het gaat er namelijk niet om, dat we nu bevelen geven aan de kinderen of dat ze dingen moeten doen, die ons net te binnen schieten, maar dat ze, op grond van hun verbondenheid met de volwassene ge­durende de voorafgegane opvoedings­periode dat, wat ze móeten, zelf willen! Zelfs als we ons nu meer en meer met het woord tot de voorstellingskrachten kunnen richten, als we de kinderen kunnen zeggen, wat ze moeten doen of hóe ze iets moeten doen, als we met be­moedigende woorden hun doorzet­tingsvermogen, hun geduld stimuleren kunnen, zelfs dan staat steeds nog de nabootsing op de voorgrond.

Hoe kan het kind dat, wat het moet, aan de volwassene beleven?

Er zal nu gepoogd worden te laten zien hoe het kind dat, wat het moet, gedu­rende de hele kleuterschooltijd aan het voorbeeld beleeft en nu op grond van de eigen rijpheid nabootsen kan. Hoe zie je dan aan het voorbeeld dat wat het kind moet doen? Bijvoorbeeld daaraan, dat men zijn plichten erkent en niet liefhebberijen te veel ruime geeft:

= in het doelbewust werken: De volwas­sene blijft langere tijd bij zijn werk; of­tewel hij maakt veel van hetzelfde bijv. voor feesten of de bazaar, of hij heeft een lange tijd nodig voor zijn werk, zoals bijv. bij houtsnijwerk of borduren. Hier wordt geduld, uithou­dingsvermogen, zorgvuldigheid, moei­te beleefbaar. De kinderen volgen geïn­teresseerd het verloop.
= het ‘moeten’ wordt beleefbaar, als ik mijn handigheid of ook onhandigheid overwin en me bijv. daaraan wen, met de vingerhoed te naaien – in feite een­voudig daarom, dat ik probeer elke arbeid graag te doen.

Een bijzondere hulp voor het moeten is ook de zogenaamde ‘ingeklede’ naboot­sing. Dat betekent, de kinderen wordt met aanschouwelijke woorden door be­paalde mensen iets verteld van hun beroepswerkzaamheden. De kinderen kunnen zich er voorstellingen van vor­men en willen deze dan in het handelen omzetten, omdat ze zich er nabootsend in willen verdiepen.

Een mooi voorbeeld is de dienaar Ludwig (Lodewijk). Die mocht altijd de gasten bedienen en alles wat zij nodig hadden uit de keuken en de kelder gaan halen. Hij mocht echter slechts tot de drempel van de deur gaan, hier nam ‘mevrouw’ de dingen over en bracht ze naar de gasten. – Onmiddel­lijk na deze vertelling over dienaar Lodewijk werd een 6-jarige jongen ge­vraagd de kopjes aan alle kinderen uit te delen. Zijn blik gleed over het hele dienblad en, nadat hij meende het vol­ste kopje ontdekt te hebben, zette hij deze tevreden bij zijn plaats. Toen ont­moette zijn blik die van de volwassene en ik zei: “Dat zou Lodewijk niet ge­daan hebben, die bediende altijd eerst de anderen en ten laatste zichzelf.” -“Is dat waar?” vroeg de jongen, nam het kopje, zette het bij zijn buurman en nam zelf het laatste.

Een ander voorbeeld is de’ borduur-meester’.
“Die zoekt steeds de mooiste draden uit en gaat dan gewoonweg met de naald uit wandelen. Huizen en vlieg­tuigen borduurt hij niet.”

Dat geeft een duidelijke aanwijzing. Of:

“En wie een goede kleermaker is, die heeft een blij gemoed, die zet er op zijn middelvinger een vingerhoed.”

Bij het moeten, wat de kinderen willen, kan ook een bepaald werkje horen uit de volgende leeftijdsfase (die van het basisschoolkind), waarop ze zich altijd al verheugden. Niet alleen door het werk zelf wordt het moeten gestimu­leerd – het gaat om een vrij aanbod­, maar het wordt ook tijdens het werk door de verscheidene arbeidsfasen geoe­fend.

De kinderen mogen bij ons een eenvou­dige knopenpop maken, waartoe me steeds weer de door Hedwig Hauck ge­citeerde zin impulseert: “Een eigenge­maakte clown, uit een linnendoek ge­knoopt, met inktvlekken bestippeld, wekt de genius in het kind.” 
Nadat een luier geborduurd werd, werd het poppenkind ‘geboren’, en tel­kens naar behoefte van het betreffende kind rijkelijk van kleren voorzien.
Tot het moeten hoort ook, dat de kinde­ren waarschuwingen volgen; dat ze ook hier de voorstelling, die door het woord ontstond, in het handelen leren omzet­ten.
Vóór het 5e jaar was afleiden oftewel richten op iets anders, de manier ze ergens vanaf te brengen. Nu zijn duide­lijke grenzen ook door woorden aange­geven bijv.: “Wij schieten niet, dat vind ik niet fijn, zo doen wij dat niet.”
Daar­uit spreekt de hele onomstotelijke over­tuigingskracht en consequentheid van de opvoeder die, op deze leeftijd al, als geliefde autoriteit die daarbij hoe dan ook onvermoeibaar probeert bij elk
ver­bod een aanbod te voegen.
Bij alles wat ik probeerde te schetsen, waren voor mij de volgende woorden van Rudolf Steiner richtingaangevend:
Hij zegt dat het leven voor de tandenwisseling verbonden is aan de innerlijk zich ontplooiiende wil die voor deze leeftijd niet onder gedachten staat, maar onder nabootsing van wat het kind li­chamelijk (concreet) tegemoet komt.

Pas met de lagere schoolleeftijd begint de bewuste wilsoefening

Met de basisschoolleeftijd begint dan langzaam de bewuste wilsoefening. Nu deelt de leerkracht opdrachten uit, bijv.: bloemen water geven, vensterbank schoonmaken, bord uitwissen en deze opdrachten moeten dan een week lang dagelijks uitgevoerd worden, ook dan als men er geen zin in heeft en men zich daartoe moet overwinnen. Natuurlijk moeten ouders en leerkrachten zulke opdrachten in het bewustzijn houden en als het nodig is daaraan herinneren, want deze hulp is ongetwijfeld nodig. Op de kleuterschoolleeftijd vind ik re­gelmatig uitgedeelde opdrachten nog te vroeg. (Het is natuurlijk veel moeilijker steeds in het bewustzijn te hebben wie er nu eens bijgetrokken zou kunnen worden, als wanneer daarvan een lijst wordt aangelegd!) Altijd weer gaat het om steevast terugkerende handelingen die in de regel door volwassenen uitge­voerd worden, maar ook door kinderen gedaan kunnen worden: tafel dekken, bloemvazen een plaats geven, schoenen netjes neerzetten, post uitdelen, vegen, enz. Men zou bijna kunnen zeggen, wie het doet is niet belangrijk. En er komen eigenlijk altijd kinderen die zeggen: “Mag ik vandaag…?” – “Zal ik u eens…” – “Ik wil vandaag eens, ik was nog nooit… .”

Als men eens op een verzoek als ant­woord krijgt: “Maar ik wil niet..” of “Maar ik heb geen zin..” en andere kin­deren opspringen en vragen “Mag ik dan?” dan moet je je snel afvragen wat in dit geval het juiste is. Was het ver­zoek misschien een overschatting van het betreffende kind? Of spant het zich niet zo graag in? Zeker zijn er situaties, waarin men tegenover een 6-jarige niet toegeeft, omdat men daarvoor
welover­wogen redenen heeft, maar niet omdat men denkt, die moet nu eens mooi moeten!

In zulke, en in vele vele andere situaties waarin we de kinderen met de grootste fijngevoeligheid van de nabootsing tot de gezochte en geliefde autoriteit moe­ten leiden, zien we dat pedagogie wer­kelijk een grote kunst is. En we zien ook hoe hierbij de voorbeeldgevende persoonlijkheid van de opvoeder voor de nabootsing en daar­mee voor de wilsontplooiing een zeer bijzondere betekenis heeft.

 

*welk schrift hier bedoeld wordt, is me niet duidelijk. Het zou het tijdschrift ‘Vrije opvoedkunst’ kunnen zijn. (zie bij ‘links’)

.
Menskunde en pedagogie: over de wil

Nabootsing: Steiners opmerkingen hierover in de pedagogische voordrachten

Ontwikkelingsfasen: 0 – 7 jaar

Peuter-kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuterklas

.

803-738

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (9)

.
Pieter HA Witvliet
.

HET IMPONDERABELE…….
.

In verschillende pedagogische voordrachten spreekt Steiner over ‘het imponderabele’.

Een niet zo eenvoudig te omschrijven ‘begrip’: het is ‘iets’ wat zich afspeelt tussen jou en je klas, maar ook tussen mensen onderling – ‘iets’ ongrijpbaars, maar toch aanwezig; ‘iets’ wat van ziel tot ziel gaat; waarvan we ons niet echt bewust zijn; wat we (soms) aanwezig voelen – de een meer dan de ander – .

Kijk je het woordenboek erop na dan zegt Van Dale: ‘onweegbare zaken; zaken waarvan de waarde niet juist is aan te geven, maar die toch haar onmiskenbare invloed doen gelden, b.v. tussen sym- en antipathie ( ).’

Uit Steiners woorden blijkt dat voor hem deze ‘onmiskenbare invloed’ een realiteit is en van daaruit is het niet moeilijk je in te leven dat hij de leerkracht oproept met ‘edele gedachten’ de klas binnen te gaan:

Al in de 1e voordracht van ‘Algemene menskunde’ stelt Steiner het aan de orde:

‘Laten we niet onderschatten dat het belangrijk is wat nu gezegd is, want u zult geen goede opvoeder en pedagoog wor­den wanneer u alleen kijkt naar wat u doet en niet naar wat u bent. De antroposofische geesteswetenschap bestaat eigenlijk om de volgende reden: om het belang in te zien van het feit dat de werking van de mens in de wereld niet alleen uitgaat van wat hij doet, maar vooral van wat hij is. Er is nu eenmaal een groot verschil, beste vrienden, tussen de ene leraar die de klas – groot of klein – binnenstapt en de andere.
Dat verschil is groot en ligt er niet in, dat de een er handiger in is de uiterlijke pedagogische vaardigheden op een bepaalde wijze toe te passen dan de ander; nee, het voornaamste verschil dat in de lessen doorwerkt, ontstaat door de richting die de gedachten van de leraar gedurende zijn hele leven hebben ge­nomen — en die hij meebrengt wanneer hij de klas binnenstapt.
Een leraar die zich bezighoudt met gedachten over de op­groeiende mens heeft een heel andere uitwerking op de leerlin­gen dan een leraar die van dat alles niets weet en zijn gedachten daar nooit op richt. Want wat gebeurt er zodra u over zulke ideeën nadenkt, dat wil zeggen, zodra u begint te weten welke kosmische betekenis het ademproces en de omvorming daarvan in de opvoeding heeft, en welke kosmische betekenis het ritmi­sche proces tussen slapen en waken heeft? Op dat moment dat u daarover nadenkt, bestrijdt iets in u alles wat enkel en alleen met de eigen persoon samenhangt. Op dat moment worden alle instanties die ten grondslag liggen aan het persoonsgebondene tot zwijgen gebracht; iets van datgene wat het meest in de mens aanwezig is, juist doordat hij een fysiek mens is, wordt uit­gewist. En wanneer u zo, niet alleen levend vanuit uw persoonlijk­heid, de klas binnenstapt, dan bewerkstelligen innerlijke krach­ten dat er een relatie ontstaat tussen de leerlingen en u.’
GA 293/27
Vertaald/27

‘Het is niet om het even of ik met edele gedachten de school binnenga of met onedele en of ik geloof dat wat ik uitspreek het enige is dat een werking heeft.’
GA 297a/24
Op deze blog vertaald/24

Onderstaande ervaring is niet een voorbeeld van ‘hogere of edele gedachten’, maar illustreert m.i. wel een ‘laag van verbondenheid’ met een klas die op deze manier tot uitdrukking kwam.

Toen ik voor het eerst een vrijeschoolklas leidde en we in de 4e klas waren aangekomen, werd er een beroep op me gedaan om bij het begin van het nieuwe schooljaar een overstap te maken naar een nieuw te beginnen vrijeschool.
Wie al een ‘rondje’* heeft gedaan, weet, hoe bijzonder het kan voelen voor de allereerste keer een vrijeschoolklas te hebben.

Ik voelde me zeer verbonden met deze kinderen.

Het was adventstijd. We hadden aan het begin van de morgen een paar kerstcanons gezongen en voor het eerst begon de 2e stem te lukken van ‘The first Nowell’. Daarna werkten de kinderen aan bepaalde opgaven in hun schrift. Terwijl de muziek a.h.w. nog naklonk, daalde er een rust in de klas en terwijl ik wat rondliep en hier en daar wat hielp, overviel mij een gevoel van diepe dankbaarheid; een soort gelukzaligheid: dat dit onderwijs bestond en dat ik er deel vanuit mocht maken. En sterk overviel mij de gedachte: ‘Ik kan deze kinderen toch niet in de steek laten; ik kan toch niet weggaan.’
In die weldadige stilte keek plotseling een kind van haar werk op, draaide zich naar alle kanten om en zei – als een donderslag bij heldere hemel: ‘Nou, ik hoop maar dat meneer niet weggaat.’

Ik was verbouwereerd.

Pas later, toen ik Steiners woorden over ‘het imponderabele’ las, kwam de vraag bij me op of die gebeurtenis in de klas daarvan nu een manifestatie was.
Ik denk het wel, al weet je het nooit zeker. Maar ik hoorde ook van collega’s ervaringen die duidelijk in de richting wijzen van ‘wat neem je aan gedachten en gevoelens mee de klas in.’

*’rondje’: populaire benaming van het klassenleraarschap gedurende – toen 7 à 8 jr – nu 6: de basisschooltijd.

(Voor mijn probleem kwam een oplossing die niemand van te voren had kunnen bedenken: een bijna gepensioneerde leerkracht die aan het eind van het schooljaar afscheid nam van haar 7e klas, nam het besluit ‘te gaan pionieren’ en ging in mijn plaats naar de nieuw op te richten school. Ik bleef bij mijn klas tot die 8e werd en volgde daarna mijn toen gepensioneerde, maar nog aan het werk zijnde, collega op. Met haar, Door Veenhof, mocht ik nog een aantal jaren daar in Groningen samen werken.
.

Rudolf Steiner: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

799-734

VRIJESCHOOL – In de trein

.

De onderwijzer C. Wilkeshuis schreef jaren geleden een column voor het blad ‘Vacature’. Uit hoe hij over kinderen schreef, over zijn vak – uit alles sprak een man met het onderwijzershart op de juiste plaats.

Op een keer berichtte hij zo:

Vrijeschool

We waren vroeg uit de veren, tenminste voor de zondag: om zeven uur! Met de trein van omstreeks half negen zouden we naar het zuiden reizen. Niet helemaal naar Nice of naar het land van Mignon „wo die Citronen blühn”, maar gewoon naar ons eigen Bra­bant. Dat is een aardige provincie en nog lekker dichtbij huis ook. Er waren maar weinig passagiers. Het is alsof op zondagmorgen de wereld langzamer draait dan door de week. Hoewel objectief gedacht de trein even snel reed als op maandagavond of woensdagochtend kwam het ons voor dat hij ons met een ge­matigd, zelfs ietwat peinzend gangetje langs de herfstige bossen van de Veluwezoom voerde. Geen relativiteit van de tijd, maar van de duur.

We vermoedden dat het een reisje zou wor­den waarop weinig te beleven viel. En eerlijk gezegd hoopten we dat ook want we had­den die rust ruimschoots verdiend, niet al­leen met het vroege opstaan maar ook met het haastige gezoek naar dingen die we ’s avonds hadden klaargelegd maar ’s mor­gens niet meer wisten te vinden . . . .

Het pakte anders, béter uit. Nog enigszins soezerig waren we in Arnhem aangekomen. En toen opeens stapten ze naar binnen, twee meisjes van naar schatting elf en negen jaar. Het haar hing hun in noncha­lante krullen langs de blozende gezichtjes, ze waren modern-kinderlijk gekleed en droe­gen ieder een tas van gevlochten touw over de schouder.

’t Waren leuke kinderen, fris, en blij met het leven, dat zag je zo, De hele wagon fleurde er van op.

„Gunst, zie je dat. Ze hebben een pop bij zich, “fluisterde ik ontsteld. „Nou,
én . . . . Mag dat soms niet?”, fluister­de mijn vrouw terug.
„Natuurlijk wel…. Maar de trend van tegenwoordig hè… . Meisjes moeten niet vrouwelijk worden opgevoed. . . . Denk aan Dolle Mina …. Gek, dat we op reis altijd meisjes met poppen tegenkomen. Ik herinnerde me de meisjes die ik eens op het perron in Leeuwarden had gezien, ieder met een prachtig aangeklede pop op de arm. Zó model, dat je er kil van werd.* En de kinderen droegen ze zo plechtig alsof het godinnen waren. De hele verdere reis voelde ik me er beroerd van.

„Dit zijn heel andere poppen,” zei mijn vrouw. Ja, het leken zelfgemaakte poppen, flodder­poppen, zomaar-poppen, poppen met een rond zonnebloemhoofd, een opgestopt lijf en slappe armen en benen. Poppen, die je thuis als een vrolijke noot op een bank neervlijt en onverschillig met je meesjouwt als je een trein binnen huppelt. De meisjes waren schuin tegenover ons in de coupé gaan zit­ten en tot onze verbazing troffen ze meteen voorbereidingen om aan het werk te gaan. „Een vrouwehand en een peerdetand mogen niet stille staan,” zei vroeger de boer, en hij stak nog een piepke op.
En wat haalden deze moderne kinderen uit hun schouder­tassen? U vermoedt misschien zo’n handig opvouwbaar werkbankje van Black en Decker of een miniatuur-lasapparaatje, in ieder geval iets anti-vrouwelijks? Vergeet het maar. De oudste ging zitten breien aan een rose wollen sjaal voor haar pop, de andere borduurde op het hoofd van haar pop de ogen en de neus nog wat duidelijker.

O, waar was de alternatieve wereld gebleven, waar was hier de prélude op de structuren van het jaar 2000, als het hele leven tot een wetenschappelijk bedrijf is gemaakt en alle madeliefjes en hondsdrafjes voorgoed zijn uitgeroeid?

Mijn vrouw begon een gesprek met de meis­jes. De bedrijvigheid van de kinderen paste wel in haar straatje.

Of ze poppenmaken een leuk werk vonden? O ja, en breien en borduren deden ze ook graag. Ze waren er op school ook druk mee bezig. „Op school. . . .?” „Ja mevrouw, we hebben toch zó’n fijne school,”zei de oudste. „Welke school is dat dan?” „We zitten op de Vrijeschool,” antwoordden beiden enthousiast. „Jullie bedoelt op een school van Rudolf Steiner?” Goed geraden! Ze begonnen nu vol vuur de heerlijkheden van hun school te beschrijven. Vooral de vrije expressie stond hoog genoteerd: rit­mische beweging, zang en dans, tekenen en handenarbeid.

„Maar taal en rekenen, doen jullie daar wel genoeg aan?” vroeg een dame die ook in de coupé zat, bezorgd.

„Soms doen we een héle tijd achtereen taal, en dan gaan we later weer een poos reke­nen, ” zei het oudste meisje. „Ik vind het op de Vrijeschool véél fijner dan op m’n vorige school!”

Jammer genoeg stapten de kinderen in Nij­megen uit, even vlot als ze gekomen waren, de poppen nonchalant onder de arm. ’t Was een plezierige ontmoeting geweest, zij het dan wat vluchtig, die ons ruimschoots het displezier van het vroege opstaan ver­goedde.
„En een goede reclame voor de vrijeschool,” constateerde mijn vrouw. Zo heel veel wist ik niet van deze scholen. Een paar boekjes gelezen over Steiner en zijn antro­posofie, enkele brochures doorgenomen van de leiding van de beweging, dat was alles. En ’t was nog lang geleden ook, zoals zo­veel in mijn leven „langgeleden” begint te worden.

Maar ik wist nu tenminste dat deze meisjes het er fijn vonden en dat ze er blijkbaar gewone meisjes mochten zijn die met zelfgemaakte poppen op reis gingen en plezier mochten hebben in breien en borduren, en niet in een krampachtig MVM-schema** werden
gedwon­gen.

Toevallig bracht het blad „Uitleg” in zijn integratie-nummer een artikel over de vrijeschool van Gerard van de Wetering. Ik heb nooit een hekel gehad aan mijn eigen klassikale school en ik vind dat er toch al veel te veel kwaad van die oude school is gezegd, maar….

„Ik zou eigenlijk nog wel eens opnieuw wil­len beginnen,” zei ik tegen mijn vrouw. „En dan op zo ’n vrijeschool.” „ Vruchteloze nostalgie,” zei ze glimlachend. En de trein voerde ons verder Brabant in.

(C.Wilkeshuis in ‘Vacature’, blad van uitgeverij Thieme, Zutphen, datum onbekend)

.

*Steiner over spel (en over poppen)
**Man-Vrouw-Maatschappij

.

797-732

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De kleuter naar de 1e klas

.

Annet Schukking, maandbericht Geert Grooteschool Amsterdam, maart 1975
.

KIND IN ONTWIKKELING   –   KIND NAAR SCHOOL
.

Het kind verandert als het schoolrijp wordt. Het meest opvallend zijn natuurlijk de mondjes met de gebitten met van die gezonde gaten er in en het spannende doorbreken van de ivoren kunstwerken, nog wit en gaaf en voorzien van een mooi kartelrandje.
Maar ook hoe het spel verandert, de manier van tekenen – het zijn allemaal aanwij­zingen dat er een wezenlijk verschil is tussen kleuter en schoolkind. De fase van groei en versteviging van het fysieke lichaam, de ontwikkeling van de zintuigen, is tot een zekere afronding gekomen. De krachten die in dit proces “geïn­vesteerd” waren, komen nu vrij en kunnen op een andere manier werkzaam [1] zijn. Bij de kleuter was het alsof hij aan de hand werd genomen door een fee, een speelfee, die alle voorwerpen overstraalde met een gouden glans en ze met haar toverstaf aan­raakte waardoor ze nu eens een boot dan weer een poppenbed werden, al naar gelang het kind het zich wenste. De dingen waren er voor hém, ondergeschikt aan zijn spel: alles was speelgoed tot de poes en oma toe.

Dan komt de nieuwe fase. Het kind wordt wakker, niet zozeer in zijn verstand, in zijn intellect, als wel in zijn gevoelsleven. De fee neemt afscheid, maar ze geeft het kind een geschenk. Het is alsof haar glans zich samentrekt, kristalliseert, en als een kleinood in de intimiteit van het innerlijk leven van het kind wordt opgenomen en daar begint te stralen. De stevige blijvende tanden sluiten nog iets anders af dan een fase in de ontwikkeling – ze sluiten de toegang af tot een kostbare innerlijke wereld. Het kind wordt geslotener. Kon de kleuter vaak nauwelijks wachten om te vertellen wat hij op het klasje beleefd had, het schoolkind antwoordt op de vraag: “Wat hebben jullie vandaag gedaan?” –
“O, niets.”

Dat is het beeld aan de buitenkant, Van binnenuit is er echter een grote openheid. Zoals het kleine kind een en al openheid was in zijn zintuigen, zo is het schoolkind in de eerste jaren een en al openheid in zijn gevoelens. Er leeft in hem een grote en warme belangstelling voor de aard en het karakter van de dingen, de dieren en de men­sen, voor stemmingen, voor nuances, voor schoonheid, voor dramatiek. Het ontdekt nu wat de poes tot poes maakt; het merkt ook plotseling of iemand verdriet heeft – de kleuter onderging dit alleen-, het lijdt zelf vaak aan angsten en het ziet dat anderen meer kunnen dan het zelf kan, er ontwaakt een gevoel van eerbied. Het kind is in deze jaren van zich uit religieus. Er is een rijk­dom aan gemoedskrachten, aan innerlijke belevingen en het is geen wonder dat de toegang hiertoe gevonden kan worden via een verwante wereld, de wereld van de sprookjes, my­then, sagen en legenden. Groot is de aandacht als het gaat over al die wezens met hun duidelijke karakterbeelden en hun dramatiek: de boze wolf, de oude koning, de mooie prinses, het dappere snijdertje – steeds gaat het over verpersoonlijkte zielenkwaliteiten, niet over lijfelijk rondlopende mensen of dieren, daarom is ook het onmogelij­ke mogelijk zonder dat het onzin wordt.

Heb je eenmaal die toegang gevonden, dan is er weer die grote vreugde om te leren. Want het schoolkind is werkelijk leergierig, als het gezond is; het gaat met grote verwachting naar de “grote” school. In vakken waarin kleuren (schilderen), vormen (boetseren), klanken (vreemde talen), tonen (muziek), beweging (euritmie) aan bod ko­men, spelen karakter en dramatiek vanzelf een grote rol, maar uitgaande van sprookjes is het ook mogelijk om bijvoorbeeld de abstracte lettertekens tot leven te brengen. Zelfs de schijnbaar dorre getallenwereld blijkt verrassend dynamisch te zijn en vol karakters te zitten.

Er is natuurlijk veel meer te vertellen over die eerste jaren van het schoolkind. Het kan niet alles aan bod komen in een maandberichtartikeltje. Dit is alleen maar bedoeld als aanmoediging om zelf waar te nemen en te gaan ontdekken en om hierdoor goede in­tuïties te ontwikkelen, waardoor je de toegang tot het kind blijft vinden. Het is im­mers enorm belangrijk dat de verborgen belangstelling gewekt en gevoed wordt en niet ondergaat in saaie eenzijdigheid, hetzij van de eigen beperkingen van het kind (tem­perament, aanleg), hetzij door een onaangepaste vorm van onderwijs. Het laten verkom­meren van het gevoelsleven, het laten doodbloeden van de belangstelling zijn misdaden die nooit meer te herstellen zijn.

Aanbevolen:
Steiner: ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’
Lievegoed: ‘De ontwikkelingsfasen van het kind’

zie hierover ook Paidos-uitgave Nr. 41 (16 artikelen over de overgang naar de tweede zevenjaarsperiode).

[1] zie: over het etherlijf
Ook in Algemene menskunde: voordracht 1: [1-7-2/2]  [1-7-2/2-4]

Schoolrijpheid: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

796-731

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Peuters

.

Dorien Versluis*
.

OVER DE PEUTER
.

Vrijeschoolpedagogie stoelt op menskundige inzichten en opvattingen die als basis door Rudolf Steiner zijn gegeven, voornamelijk in zijn pedagogische voordrachten. De kernvragen zijn: wat is een kind en hoe ontwikkelt het zich en hoe helpen we daarbij zo optimaal mogelijk. Je kunt dus kijken naar de ontwikkeling van baby tot peuter en dan vooral op het gedrag letten dat peuters laten zien. Goed observeren verschaft je veel feiten die wellicht een verhaal vertellen.
Een pasgeboren baby ligt op zijn rug, gericht op de wereld ‘boven’ hem – eigenlijk een ruimte ‘tot aan de hemel’. Daarin verschijnen a.h.w. de ‘hoofden’ van de ouders, de volwassenen of groteren in zijn omgeving en aan hen geeft hij zich vol vertrouwen over. In zijn eerste ontwikkelingen vormt het kind een hechte eenheid met zijn directe omgeving, zich niet van zichzelf bewust. Die paar mensen die hem omringen zijn zijn voor­beeld en hij bootst die aanvankelijk vooral na. Vanuit die nabootsing leert het kind met behulp van zijn zintuigen grijpen, bewegen, gericht kijken, staan, begrijpen, zijn eigen taal spreken, kortom de wereld te ontdekken. Het kind is zo vroeg nog niet in staat zich echt naar een groep te richten, zoals die bestaat in een peuterspeelzaal. Daarvoor vormt hij te veel één geheel met zijn ouders, met wie hij alle ervaringen direct wil delen. Dit inzicht: die nauwe relatie en de na­bootsing van waaruit het kind leert, zou je gevolgen kunnen laten hebben voor je eigen gedrag als ouder en zou de vraag op kunnen roepen hoe bewust moet je je zijn van je gedrag. Moet dat uitmonden in de manier waarop en de zorgvuldigheid waarmee je met ‘je wereld’ omgaat. De waarde daarvan en de eerbied daarvoor ervaart je kind in die vroege fase.
Enkele voorbeelden: gooi je het speelgoed bij het opruimen in mand of kist of leg je het er met een zekere aandacht in; schop je iets opzij dat in de weg ligt, of raap je dat met je handen op; hoe dek je de tafel, kortom: zeer veel vragen die tegelijkertijd aandachtspunt kunnen zijn voor je eigen voorbeeld voor de zeer intensief waarnemende peuter. Wie zich bezighoudt met de ritmen waarin, waarmee een baby leeft – slapen/wakker, kan tot de conclusie komen dat zo’n ritme letterlijk van levensbelang is. Blijft dat zo? Hoe ervaart een peuter de regelmaat. Eigenlijk ook steeds weer ‘aan den lijve’ Er zijn steeds dagelijks terugkerende handelingen: opstaan, je wassen, aankleden, eten, spelen, gaan slapen, bakens, de rode draad die door iedere dag heen loopt. De peuter leert ze kennen als vaste gegevens waarop hij rekenen kan: dat betekent: zekerheid. En er is veel meer dat hij als terugkerende bezigheden ziet en meemaakt: de was doen, bedden opmaken, afwassen, stof­zuigen, eten koken, ramen zemen, enz»

Van al deze dingen leert een peuter ontzettend veel, vooral als hij mee mag doen.
Aanvankelijk is een kind nog niet in staat ervaringen om te zetten in gedachten die het in taal uiten kan. Hij uit zich veel meer met zijn lichaam en zet vrijwel alles om in handelen. Een voorbeeld daarvan: het verhaal over de peuter die in de peuterklas een hele morgen bezig was dingen van de ene plaats naar de andere te sjouwen en tussendoor met zijn handen in zijn zij het werk eens goedkeurend bekeek. Zijn moeder vertelde dat ze thuis zo in de troep zaten, omdat de straat was opgebroken en opnieuw bestraat werd. Ze vroeg of haar zoontje dat niet gezegd had. Dat had hij wel, niet met woorden……..

Al zijn ervaringen krijgt het kind uit zijn directe omgeving door dingen na te doen. Hij is zich daarbij niet bewust van tijd, van hoe lang dingen duren en hij kan handelingen dan ook eindeloos herhalen, eindeloos tafel dekken, kleedjes op tafel leggen, enz. Hij vindt het prachtig als een verhaaltje afloopt als het donker is of als “ze gaan slapen”. Dat herkent hij. Bij al die handelingen gaat het ook meer om de ervaring van het verrichten van die handelingen dan om het resultaat ervan. Bv. de ervaring van het vol tekenen van een vel wit papier of te schilderen zonder dat het iets voorstelt of dezelfde rondjes boven op elkaar te plakken zonder een figuurtje te maken of kleuren te combineren. Daarom is het belangrijk dat een kind heel “open” kan staan, tegenover zijn omgeving zonder al te veel gericht te zijn op het detail. Anders zou hij gemakkelijk het geheel uit het oog kunnen verliezen.
Al die ervaringen van grijpen, voelen, handelen leiden’ uiteindelijk tot een begrijpen, zoals dat tot uitdrukking komt in de taal, in een vorm van fijnere motoriek die meer met het denken te maken heeft. Dan komt er zo rond het derde jaar een breekpunt in de ontwikkeling van de peuter. Het kind wordt zich meer en meer bewust van zichzelf tegenover zijn omgeving en de anderen. Daarmee wordt het mogelijk om ‘ik’ te zeggen in plaats van de eigen voornaam en “nee”. Het is nu niet meer zo vanzelfsprekend dat hij met plezier alle handelingen meedoet: boodschappen, stofzuigen enz. Hij kan steeds onafhankelijker van zijn omgeving handelen en de eenheid daarmee verdwijnt. Hij voelt zich dan ook wat eenzamer. Met deze ontwikkeling komt ook de fantasie op gang. Het kind is in staat zaken en handelingen los te koppelen uit hun directe omgeving. Je kunt nu eens een hapje van een zandtaartje ‘proeven’ zonder dat je peuter meteen het hele zandtaartje opeet. Hij kan een paleis hebben in een tentje.
Nu raakt de peuter de relatie kwijt met wat achter hem ligt. Hij is steeds meer gericht op de aarde en daarmee komt die eindeloze rij van vragen op gang: wat is regen, waar komt sneeuw vandaan enz. enz.

Welke antwoorden geef je; de natuurwetenschappelijke of ‘in een beeld’ en wat voor beeld dan.

De vrijeschoolpedagogie kiest duidelijk voor het laatste. Iets over het waarom komt hier aan de orde.

Ook de sprookjes geven beeldend antwoorden op veel vragen. Maar aan de peuter kun je nog niet elk sprookje vertellen.

*(bewerking van een artikel met onbekende bron, waarschijnlijk n.a.v. een ouderavond voor peuters in peuterklas ‘De kleine sterre’ Rotterdam, door Dorien Versluis)

.

Ritme: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Peuter/kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters/kleuters

.

791-726

VRIJESCHOOL – Zingen met kleuters

.

Fiona van Mansvelt, Jonas 18, 05-05-1978

.

ZINGEN MET KLEUTERS

daar reden drie ridders langs de Rijn……..

Vroeger werd er veel meer gezongen dan tegenwoordig. Ook door volwasse­nen bijvoorbeeld bij ‘t werk, op fami­liefeesten, of tijdens de wandeling. Veel mensen generen zich om te zin­gen. Vraag maar eens in een groep mensen of iemand z’n stem wil laten horen. Als er een plaat wordt ge­draaid of de top 10 van de radio aan­staat, wil het nog wel lukken, maar al­leen, of met elkaar zomaar wat zingen, waarom ook eigenlijk?

Dikwijls klinkt ‘s morgens uit de kin­derkamer waar twee van onze kleuter­zonen slapen een vrolijk gezang. Eerst zijn het vaak fantasiemelodieën, zingen ze zomaar zachtjes wat voor zich heen, ieder voor zich. Dan lang­zamerhand herken ik ook allerlei lied­jes, ‘t Kleintje van drie is er ook bijge­komen en samen wordt er van alles ge­zongen: Soms oefenen ze hele moei­lijke liedjes, dan weer maken ze grap­jes door alle woorden van zo’n liedje met éénzelfde klank te laten begin­nen (bijvoorbeeld in plaats van lamme­tje, pammetje enz.) Zo zingen ze uit volle  borst hun morgengezang.

‘t Is fijn als je kinderen veel zingen, vind ik. Het is voor mij een teken dat het goed met ze gaat. Samen met een paar andere moeders ben ik nu al een jaar of twee aan het werk om voor onszelf en vandaaruit ook voor de kinderen de feesten van het jaar te leren kennen, er meer aan te beleven en te proberen er vorm aan te geven. Een van de houvasten daar­bij zijn de liedjes. Liedjes die elk feest helpen voorbereiden en weer laten uit­klinken. Ik begin al enkele weken voor de feestelijke dag (dagen) die liedjes te zingen die erbij horen, kunnen gaan horen. En na het feest zingen we de­zelfde liedjes nog een tijd, soms lan­ger, soms korter, dat hangt van het feest, maar ook van de kinderen af. (De St. -Nicolaasliedjes overtreffen daarin alle andere, tot in maart kwa­men ze af en toe boven!)
Nu ik alweer zo’n tijd op deze manier met liedjes bezig ben, merk ik dat het langzamerhand een soort stroom wordt waarin we terecht komen. Som­mige liedjes vallen af, andere nieuwe komen erbij, maar het golft van het een in het ander, als eb en vloed is het meer.

Pasen hebben we achter de rug met een liedje over eieren zoeken (uit: De Gouden Poort), maar ook het moeilij­ke lied van: ‘Daar nu het feest van Pa­sen is’, waarbij de kinderen zo van het ‘halleluja’ genieten.

Ik houd me bij dit alles niet streng aan de pentatonische liedjes of liedjes in de kwintenstemming. Van de kwinten­stemming weet ik hoe die bij de kleu­terleeftijd hoort, maar het liedjes­repertoire dat je nu eenmaal hebt, is lang niet altijd aangepast aan de leeftijd van je kinderen. Daar moet je langzaam ingroeien. Dat kan je niet voor ze klaar hebben, zoals je een les kunt voorbereiden…’t Is met de opvoeding zó, dat je het, lijkt me, pas een beetje kunt als de kinderen groot zijn, nou, en dan zijn ze groot!
Zo komt het dat ik in een bepaalde situatie een liedje zing, dat me op dat moment invalt, van vrouw Holle (uit De Gouden Poort) als het sneeuwt, maar ook van de zwarte kraaien die in het weiland neerstrijken op een regenmiddag, als we vanuit de kamer uitkijken over de wei met van die grauwe voortjagende wolken erboven. Dat kraaienliedje is nu echt zo’n liedje van de heren uit de vorige eeuw waar Henk Sweers over schreef in zijn artikel van Jonas 16. (niet op deze blog)

Het “t is kras, ‘t is kras, ‘t is kras kras kras’, dat in dit liedje voorkomt geeft zo prima de stemming van buiten weer, dat ik het daarom gewoon graag zing.
De kinderen vinden het prachtig. Maar daar gaat het juist om. Alles wat je als volwassene met enthousiasme kunt doen voor kinderen vinden ze fijn. Dat maakt daarom ook niet minder een groot verantwoordelijkheidsgevoel noodzakelijk en het blijft nodig je te verdiepen in de ontwikkeling van je kinderen.

Maar het leven gaat gewoon door. Ik doe wel mijn best om mijn repertoire liedjes aan te passen aan de leeftijd van mijn kinderen, maar ik zing onder­tussen wat me invalt en wat ik leuk vind om mét of vóór ze te zingen. Liedjes, maar vooral ook rijmpjes kunnen vaak zo prachtig benarde si­tuaties verlichten. Ze geven ruimte en opluchting. Ze kunnen werken als iets objectiefs tussen mijzelf en het kind. Als het lukt om het juiste rijmpje, of liedje op zo’n moment te vinden, kan het kind er iets van zichzelf en de si­tuatie in herkennen. Het laat hem vrij en maakt mij vrij van gevit of geïrriteerd zijn. We beleven er samen iets aan en kunnen dan samen weer verder. Ik moet zeggen dat dit een streven van mij is en lang niet altijd lukt! Soms kan ook voor een kleuter een duidelijk woord meer op zijn plaats zijn. Laatst, toen ik met een paar kinderen bij de schapen was, die net gelammerd hadden, nam ik zo’n klein paar dagen oud lammetje op schoot, zodat de kinderen hem rustig konden aaien, ter­wijl de moeder wat bokkig tegen mijn rug duwde.

Eén van hen zei toen: ‘zullen we heel zachtjes voor hem zingen?’ We zon­gen:

lammetje lammetje in de wei
kwispel met je staartje
dansen, springen o zo blij
ieder naar zijn aardje

Heel zachtjes zongen we, terwijl wij het diertje streelden. ‘Ik geloof dat hij het heel fijn vindt’, zei toen een ander kind. Ik beschrijf deze situatie niet
al­leen omdat ik er zelf zo van genoot, maar om te laten zien hoe zo’n een­voudig liedje voor een kind een vorm kan zijn voor het uiten, het mededelen van een gevoel. Dat te verwoorden is voor een kleuter vaak nog niet moge­lijk. Wél wil hij zich uitdrukken en doet dat dan ook dikwijls door wild te gaan springen, of te schreeuwen. Soms kan dat ook best, maar soms verstoort het alles en zeker in dit geval waren alle lammetjes blatend achter hun moeders verdwenen.

Bij het pannenkoekenbakken hebben wij vaak veel plezier met het volgende rijmpje:

ale wale wanneke
moeder bakt koek in een panneke
moeder bakt koek van boekweitemeel
bruin van buiten, van binnen geel
heet is het vuurtje, dun is het deeg
‘t lepelke schept er het potteke leeg
‘sssissende-sis’, zegt het panneke
klaar is het koekske voor
‘t manneke

Zo’n rijmpje is veranderbaar en ge­makkelijk aan te passen aan de
situa­tie, bijvoorbeeld door boekweitemeel te vervangen door tarwemeel enz.

Wanneer wij uit de Betuwe komen en bij Rhenen de Rijnbrug overrijden, en dan aan de overkant de hoge Grebbeberg zien liggen, kunnen we het niet laten om het oude weverslied te zin­gen van:

daar reden drie ridders al over de Rijn,
zet aan (2x)
bij ene schoon’ jonkvrouw daar moesten ze zijn,
zet aan en trap neder, schiet door en sla weder,
zet aan (2x)*

Met kinderen reizen per auto: de een zit wat voor zich uit te staren, de ander heeft buikpijn, de derde vraagt maar steeds of we er nu nog niet zijn…
Door het zingen van een enkel liedje (best wel tien keer herhaalbaar) komt alle aandacht tezamen en is alle leed voor even verdwenen.

Vierentwintig juni is het St.- Jansfeest. Daarvoor vonden we een leuk volks­liedje van ‘Jezus en St.-Janneke’.

In de boekjes van Dien Kes, Jop Poll­man en Piet Tiggers, Kinderzang en Kinderspel, vond ik het later ook. Al­leen is de melodie daarin anders. In ‘De Gouden Poort’ staat een penta­tonisch liedje voor dit feest. We zingen dat ook. Ikzelf heb daar veel meer moeite mee. ‘t Spreekt me niet aan. En aan de kinderen merk ik dat. Wat ikzelf met plezier zing, nemen ze met plezier over. ‘t Omgekeerde is helaas ook waar.

Zo zingen we het jaar rond, rondom de feesten; in en om ons dagelijks doen en laten. Toch gebeurt het ook, dat het zingen wat op de achtergrond raakt, vergeet ik het een beetje en raak ik er soms helemaal uit. Dat werkt dan óók door naar de kinderen. In zo’n periode wordt het moeilijk want nu blijkt een liedje ineens niet meer te kunnen, zit het gewoon verkeerd, klinkt het niet, past het niet. Het wordt dan tijd om moed te verzame­len om de stroom weer op gang te brengen. Daarbij rekening houdend dat dat niet in één dag kan. Maar wanneer het weer begint te ko­men is het zingen fijn in het samenle­ven met opgroeiende kinderen, geeft het vreugde en verlichting (maar ook pedagogische mogelijkheden als je ze ontdekt), die, zo beleef ik het, ik zo goed kan gebruiken in mijn dagelijks bestaan.

Als ik bij liedjes of rijmpjes geen bron vermeldde, dan was die mij onbekend. Zelf heb ik veel aan de kombinatie van de volgende boekjes:
de Gouden Poort, Beatrijs Gradenwitz-van Bemmelen, uitg. Vrij Geestesleven. Spreuken en liedjes voor kinderen, uitg. Christofoor.

Drie deeltjes Kinderzang en Kinder­spel. Dien Kes, Jop Pollman, Piet Tiggers, uitg. De Toorts, Haarlem.

*ik heb de muziek hiervan (nog) niet kunnen vinden

Voor veel liedjes

Peuters en kleutersalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldde peuter-kleuterklas

787-722

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (6)

Aart v.d.Stel, arts, Jonas 4, 15-10-1982
.

DUIMEN IS MEER DAN ALLEEN MAAR LEKKER

‘Er zijn maar weinig kinderen die zich het plezier van het duimzuigen ontzeg­gen’. Wat gebeurt er als een kind duimt?
Een interessante vraag, aldus Aart van der Stel, want hoe algemener een ver­schijnsel, hoe moeilijker er iets zinnigs over te zeggen is.

Een spinnende poes in een vensterbank met rode geraniums, een spelletje mens-erger-je-niet doen en een peutertje met de duim in de mond: ziehier het toppunt van knusse gezelligheid. Het roept een goed gevoel in je op wanneer je een duimend kind ziet, zeker als het z’n genot nog gecompleteerd heeft met een zich tussen neus en mond bewegend doekje, popje, of iets anders dat lekker zacht aanvoelt en, in de loop der tijd ‘lekker’ is gaan ruiken.

Eigenlijk zou je als volwassene ook nog wel eens willen voelen hoe het is om te duimen. Natuurlijk kun je je vingers in je mond stop­pen, maar je merkt ogenblikkelijk dat het ge­voel dat je zo oproept in de verste verte niet overeen kan komen met de genietingen van het kleine kind. Je beleeft er niet meer zo­veel aan; het gaat snel vervelen. Een licht ge­voel van jalouzie bevangt je: het genot dat je het peutertje aan zijn duim ziet ontlenen gaat (letterlijk) aan je neus voorbij. Tenmin­ste, zo verging het mij toen ik wat ‘oefeningen’ deed in deze richting. Maar waarom doe je dan zo dwaas, is dan de terechte vraag! Antwoord: duimen als verschijnsel intrigeert me en de oefeningen dienden als ervarings­materiaal.

Duimen is iets heel universeels. Maar weinig kinderen ontzeggen zich dit plezier. Is het ei­genlijk alleen iets plezierigs of zit er meer achter? Zou het een soort noodzaak zijn om te duimen? Wat voor noodzaak dan? En waar­om duimen andere kinderen niet? Het hele verschijnsel wordt geweldig interessant, zeker als je merkt dat eigenlijk niemand iets zinnigs weet te zeggen over de betekenis ervan. (Het is me zo langzamerhand wel duidelijk gewor­den dat, hoe algemener het verschijnsel is, hoe minder het verklaarbaar is.) Bijvoorbeeld in de antroposofische boeken over het ver­zorgen van kinderen vind je allerlei diep­gaands over kinderziektes, voeding, het ver­pakken van het kind in wol en zijde, enzo­voort, maar vrijwel niets over duimen. Het is zo gewoon dat de auteurs er steeds overheen gekeken hebben. Nu is het niet zo dat in dit artikel al deze feiten goed gemaakt kunnen worden. Het duimen is te gewoon en daarom te moeilijk om in al zijn aspecten in één arti­kel beschreven te worden. Het is veeleer de bedoeling eens wat gedachten los te laten over het duimzuigen en te kijken welke reacties er te mobiliseren zijn van ouders die hun duimende kinderen veel beter en veel langer bekeken en meegemaakt hebben dan ik de mijne. Zoals gezegd zijn er maar weinig niet-duimende kinderen. En voorzover ze niet duimen hebben ze wel iets anders bedacht wat als een soort stand-in beschouwd kan worden. Zo is mijn oudste dochtertje gewoon met de haar voorgezette stukjes brood over haar gezicht, hals en armen te strelen met de­zelfde dromerige uitdrukking op haar gezicht als een duimend kind vertoont.

Fantasie

Wat weten we nog meer over het duimen? Het is een verschijnsel waarbij de duim en/of de middel- en ringvinger in de mond gebracht worden, waarna er, soms uren, op gezogen wordt. Sommige kinderen doen het zodra ze geboren zijn. Men heeft met allerlei onder­zoek (echoscopie, amnioscopie, dat wil zeg­gen verschillende technieken waarmee het ongeboren kind ‘bekeken’ kan worden) kun­nen aantonen dat ook vóór de geboorte ste­vig geduimd wordt! Duimen begint dus heel vroeg en houdt ook pas laat weer op. Het is niet ongebruikelijk tien- of twaalfjarigen nog te zien duimen, stiekem in het halfdonker, zeker als ze moe zijn, vlak voor het inslapen. Dat is een algemeen kenmerk van duimen: het gebeurt vooral als het kind goed gegeten heeft, zich een beetje slaperig gaat voelen of moe is en zijn wakkere, alerte blik inruilt voor de dromerige stand-op-oneindig. Al dui­mend is het kind er niet meer helemaal bij; het heeft zich een beetje van zijn buitenwe­reld afgesloten. In plaats van naar buiten is de aandacht naar binnen gekeerd. Het is heel ontspannend. Vooral voor angsti­ge en daardoor verkrampte kinderen is het een probaat inslaapmiddel. Door het duimen kan de verkrampte greep op de waargenomen, beangstigende buitenwereld losser worden. Zeker met zo’n heerlijk knuffeldoekje, dat best eens een herinnering zou kunnen zijn aan de moederborst. Kinderen die lang borstvoe­ding kregen duimen overigens iets minder dan ‘flessenkinderen’. Samenvattend is dui­men een handeling die je wat losmaakt van je omgeving, je naar binnen keert in je eigen wereldje, je daardoor een gevoel van veilig­heid geeft en ontspant. Binnenin jezelf vind je de wereld van de fantasie. Los van de werke­lijkheid kun je je daar alles voorstellen wat je wilt. Beelden uit de buitenwereld kun je net zo vervormen en veranderen als je maar wilt. Door de fantasie wordt mogelijk wat onmo­gelijk leek in de werkelijkheid. En pas op, dat je met die fantasiebeelden niet al te op­vallend naar buiten treedt, want dan zegt men: ‘Dat zuig je uit je duim!’ In het taalge­bruik is het verband tussen de duim en de fantasie een vaststaand feit. ‘Duimzuigen’ krijgt dan overigens de negatieve betekenis van ‘verzinnen’, en zelfs ‘liegen’. Waarom gebruikt het kind trouwens zijn duim of zijn derde en vierde vinger? Wanneer je enig inzicht wilt krijgen in de betekenis van de afzonderlijke vingers dan kun je het beste terecht in het voortreffelijke boek van Norbert Glas, ‘Die Hände offenbaren den Menschen’, waarin hij een poging doet fenomenologische beschrijvingen te geven van de betekenis van de hand en de afzonderlijke vingers. Hij maakt in zijn boek aannemelijk dat de arm bij uitstek uitdrukking geeft aan dat, wat je het gevoel zou kunnen noemen. Het gebied dat zich beweegt tussen waarnemend denken en creatief, willend doen. De hand is de exponent van dat denkend-doend-voelende in enerzijds de uiterst fijne tast van vooral de vingertoppen, met name de tweede tot en met de vijfde vinger, en anderzijds de motoriek die, met als belangrijk instrument de duim, allerlei handelingen mogelijk maakt. In de hand spiegelt zich de hele mens. De duim is de meest gespierde, sterkste vinger, het meeste ‘wilsvinger’; de wijsvinger (‘Het Vingertje’) het meest ‘denkvinger’. De wijs­vinger is het beste te sturen en heeft het meeste tastorgaantjes in de vingertop. Je richt de aandacht op een voorwerp door met de wijsvinger ernaar te wijzen. Tegenover de zeer ‘bewuste’ wijsvinger staat de wilskrachti­ge duim, die niet waarneemt – wat zich ook uitdrukt in het geringere aantal tastorgaantjes in de duim ten opzichte van de wijsvinger – maar doet. Allerlei uitdrukkingen in de taal duiden daarop: ‘Iemand onder de duim houden’, ‘voor iemand duimen’ en in Zuid-Nederland bijvoorbeeld ‘alles op zijn duim doen draaien’, dat wil zeggen alles naar zijn hand zetten.

De overige vingers nemen een middenpositie in tussen wijsvinger en duim, waarbij de pink wat meer de kant van de duim opgaat in zijn hele verschijningsvorm en de middelvinger weer dichter bij de wijsvinger staat. Met tal van voorbeelden uit de gewone ‘gebarenwereld’ en de kunst laat Glas zien hoezeer elke vinger zijn eigen gebied heeft, waar hij echt bij hoort. De duim is uitdrukking van het doe-gedeelte van de mens, het creatieve, wilsmatige gebied, waartoe ook de fantasie be­hoort. Zoals we zagen, ontstaan door de fan­tasie ook steeds nieuwe dingen. Tegenover de registrerende, vastleggende wijsvinger staat de vernieuwende, als het ware toekomstge­richte, duim. Prachtig komt dat tot uitdruk­king in het internationale gebaar dat bij het liften gebruikt wordt: ‘Neem me mee, ik zie later wel waarheen!’ In afgezwakte vorm heb­ben middel- en ringvinger dat ook. Deze vin­gers hebben nog enige distantie tot het crea­tieve; het doen wordt nog enigszins in ba­nen geleid door het waarnemen. Middel- en ringvinger zijn de ‘echte’ gevoelsvingers, het evenwicht zoekend tussen uitersten. Niet voor niets is de vierde vinger dan ook de plaats voor de trouwring, symbool van het verbond dat twee mensen aangaan en uiting van de belofte dat binnen het verbindende elk zijn eigenheid mag bewaren.

Gesloten cirkel

Wat doet een kind nu wanneer het zijn duim in de mond steekt? Het eet die duim een klein beetje op! In de mond maak je als mens ken­nis met je voedsel, je probeert er een zekere relatie mee aan te gaan: wat beleef ik aan dit stuk materie en wil ik me er eigenlijk wel mee verbinden? Bij het duimzuigen neem je als mens-in-wording je duim waar, in al zijn wilsmatigheid. Je benadrukt het wilsmatige, crea­tieve in je, door de duim in contact te breng­en met het begin van de stofwisseling (in de mond), per definitie het gebied waar steeds allerlei opbouwends en vernieuwends gebeurt. Je zou kunnen zeggen dat de cirkel gesloten wordt: niet iets van buiten wordt waargeno­men, maar de eigen wilssfeer. Je neemt je­zelf waar als wilsmatig, creatief wezen. Daar­bij kun je alle beperkende feiten over jezelf, die je in de werkelijkheid kunt waarnemen, vergeten. Je kunt je jezelf heel ideaal voorstel­len. Wat of wie zou je nu eigenlijk willen zijn, wat denk je dat nu eigenlijk het doel van je bestaan is? Waarom ben je mens geworden? Dit soort vragen stelt het kleine kind zich natuurlijk niet. het is niet op psychologisch niveau met zichzelf bezig, maar op lichamelijk niveau. Alles wat het kleine kind doet is ge­richt op het toerusten van zijn lijf voor het verdere leven. Alles wat het kleine kind mee­maakt heeft zijn neerslag in de lichamelijke ontwikkeling. Ook op allerlei psychische
ge­waarwordingen (beangstigende gebeurtenis­sen, verdriet, vermoeidheid enzovoort) rea­geert het op een lijfelijke manier, bijvoor­beeld door ziek te worden, of over pijn in de buik te gaan klagen.

Mijn hypothese is nu dat alle bovengenoemde vragen, die een zoeken naar het oerbeeld van je eigen persoon, de kern van je bestaan, het doel van je leven, of hoe je het ook maar noemen wilt, behelzen, door het kind op een heel ijle wijze beleefd worden. Hij kan ze niet onder woorden brengen, maar ze houden hem wel bezig. Vooral als het kind de greep op de werkelijkheid om hem heen wat kwijt raakt worden die vragen minder ijl. De feiten van buitenaf zijn tot dan toe in staat geweest de innerlijke vragen te verdringen. (Je kunt je eigen spanningen en zorgen ook heel goed onder controle houden door hard te werken, naar de film te gaan of op andere wijze je zin­tuigen constant bezig te houden.) Vlak voor het slapen lukt dat verdringen niet meer. Het zoeken naar het oerbeeld wordt sterker be­leefd, nog niet vol-bewust, maar in een soort droomtoestand. Lichamelijk uit zich dat in het feit dat ook het lichaam een soort droom­toestand inneemt: het duimen.

duimen 2
In het prachtige boek over het vroeg Ierse christendom ‘Zon en kruis’, beschrijft Streit een groot aantal zonnekruisen en stèles (graf­stenen). Op een daarvan, de Stèle van Drum­hallagh in het graafschap Donegal, is een hur­kende man met zijn duim in de mond afge­beeld. Ter hoogte van zijn borst ziet men een ingewikkelde spiraal. Streit beschrijft dat zo­wel de spiraal als deze mens met zijn duim in zijn mond zeer oude symbolen zijn voor de ‘vita contemplativa’, dat wil zeggen de inner­lijke ontwikkelingsweg, de meditatieve le­venshouding. De duimende mens is het beeld van de mens die zich weer wil verbinden met de godenwereld, waar hij vandaan komt. Een en ander roept associaties op met het navelstaren. Streit memoreert ook de mysticus Finn MacCool, van wie de legende zegt dat hij op zijn duim zoog en zodoende dingen zag die in de toekomst verborgen lagen. Hij was daardoor in staat de toekomst te voorspellen. Dit moet niet opgevat worden als een bewijs voor mijn stelling dat duimzuigen iets te ma­ken heeft met een innerlijk bewustwordings­proces van het eigen ideaalbeeld, maar het verhaal van Streit wijst wel in dezelfde rich­ting als de dingen die ik eerder over het dui­mende kind naar voren bracht. Tot slot blijft de vraag waarom het ene kind niet en het andere wel duimt, nog staan. En als het duimt, waarom gebruiken dan sommi­ge kinderen hun duim en andere hun middel­- en ringvinger?

duimen 1

(Een op zijn wijsvinger ‘dui­mend’ kind is heel zeldzaam.) Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat een kind dat niet duimt zich innerlijk niet bezighoudt of geen fantasie heeft. Het is niet ondenkbaar dat zo’n kind van zichzelf uit al enigszins relati­verend staat ten opzichte van dat wat er om hem heen gebeurt, waardoor het niet ‘nodig’ is om aparte momenten van afsluiting voor indrukken van buitenaf te creëren voor dat zelfonderzoek. Het gebeurt permanenter, ge­leidelijker. Daarbij kan het ook nog zo zijn dat het kind een variant ontdekt heeft, zoals het aaien met broodkorstjes door mijn doch­ter.

Temperament

Iets dergelijks zou ook kunnen spelen bij de keuze van de vingers. Het temperament, de manier waarop het kind met zichzelf en zijn omgeving omgaat, zal daarbij een belangrijke rol spelen. Kinderen die heel fel zijn en heel gretig leven zullen dezelfde gretigheid aan de dag leggen in het mobiliseren van de fantasie­krachten en op ‘duim-gebied’ het onderste uit de kan willen hebben. Dan kiezen ze hun duim, de meest nadrukkelijke representant onder de vingers van het wilsmatige. De meer terughoudende, minder onstuimig levende kinderen kiezen liever die vingers die het even­wicht representeren, namelijk de middel- en ringvinger. Het is overigens best mogelijk dat een en hetzelfde kind afwisselend duim en andere vingers gebruikt. Het zal dan nogal
af­hangen van de stemming waarin het kind ver­keert. Zelfs is voorstelbaar dat de leeftijdsfase er nog iets toe doet: is het kind in een uitge­sproken wilsfase – zoals aan het eind van de kleutertijd, wanneer het kind dan ook zijn ledematen ontwikkelt en leert beheersen – dan zal de duim de voorkeur verdienen. Al dit soort overwegingen zijn echter nog louter speculatief en hebben geen algehele geldigheid. Elk kind gaat op zijn eigen, indi­viduele wijze met het duimzuigen om. Zoals gezegd is het niet mogelijk alle aspecten van het duimzuigen in een artikel samen te breng­en. Dit artikel beoogt ook niet alle andere denkbeelden over het duimen overbodig ma­ken. Het is meer een aanzet om steeds inten­ser met je kind mee te leven en aan te voelen wat er in zijn zieltje om gaat. Het is te snel geoordeeld wanneer duimen afgedaan wordt als vies of lekker of allebei. Al te snel verbie­den is nogal frustrerend voor een kind. Het heeft nauwelijks zin, of er wordt iets vervangends bedacht. Een kind duimt niet zomaar! Duimzuigen is meditatief bezig zijn en daar mag je best een beetje eerbied voor hebben!

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

786-721

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (2-1)

.
Lili Chavannes, Jonas 11., 27 januari 1978

.

AUTORITEIT EN GEZAG
  KINDEREN ACCEPTEREN ZOALS ZE ZIJN

.

‘Wie let op wat een kind van deze leef­tijd – tussen zeven en veertien jaar -werkelijk vraagt, oefent vanzelfspre­kend autoriteit uit omdat hij merkt dat het kind diep tevreden is als het gehoorzamen mag. Maar veel tijd­genoten passen datgene wat voor vol­wassenen juist is, toe op alle leeftij­den. De volwassene moet in vrijheid een oordeel kunnen vormen als hij daarvoor voldoende grondslagen krijgt in kennis van feiten en omstandighe­den en de verwerking onder de knie krijgt. Maar het kind is geen kleine volwassene en heeft geen oordeelsver­mogen. Als het kind beneden veertien jaar oordeelt, doet het dat uit wat het van de omgeving opneemt aan gedach­ten, emoties, gewoonten. Het kind laten oordelen voordat het veertien jaar is, betekent de grondslag te leggen voor een onvrij oordeel in het latere leven’.

Vooral dit stukje uit het veelomvat­tende artikel over het Kind tussen ze­ven en veertien jaar van J. Knijpenga in het kerstnummer van Jonas* zette mij aan het denken. In de kerst­vakantie heb ik er meer over gelezen en vooral heb ik geprobeerd na te gaan hoe ik voel en handel in dit opzicht tegenover onze kinderen. Vanzelfspre­kend autoriteit uitoefenen blijkt me niet makkelijk af te gaan.

In bijna alle voordrachten van Rudolf Steiner over de leeftijdsperiode tussen tandenwisseling en puberteit wordt de kwestie van autoriteit en gehoorzaam­heid aan de orde gesteld. Auroriteit is het steekwoord voor de opvoeder van het kind tussen zeven en veertien. Het woord autoriteit heeft in onze tijd een negatieve blijklank en dit op zich­zelf is al symptomatisch. Gezag heeft voor mijn gevoel een betere klank, er klinkt in mee dat het uit de kern komt van wie het uitoefent. Als bijvoegelijk naamwoord is hij nog duidelijker: ‘hij spreekt met gezag’ betekent iets heel anders dan hij spreekt autoritair. Van de opvoeder tegenover het kind wordt gezag gevraagd, ik-vervuld, echt.
Als een kind gehoorzaamt, leeft ‘op gezag’ van zijn ouders of opvoeder, hoeft het niet direct zijn eigen oor­deelsvermogen aan te spreken, het hoeft niet zijn eigen weg te kiezen. Dat is niet goed voor hem. Het klinkt nogal apodictisch. Waarom niet? Waarom moet een kind niet te vroeg, niet vóór ongeveer z’n twaalfde jaar oordeelsvermogen ontwikkelen? Het is in tegenspraak met de gangbare opvattingen van onze tijd, waarin kin­deren zo vroeg mogelijk tot zelfstan­digheid opgevoed moeten worden. Het vormen van een eigen oordeel, het le­ren kiezen, wordt juist op alle moge­lijke manieren aangemoedigd en niet alleen door de manier waarop de leer­stof wordt aangeboden, vaak met een multiple choice systeem. Ook door het speelgoed en dan vooral het zoge­noemde verantwoorde speelgoed dat immers dikwijls ontworpen is op grond van heersende pedagogische opvattin­gen – meer dan menig ander lelijk, maar betrekkelijk onschuldig plastic auto of pop.

En wat doet bijvoorbeeld een puzzel? Als iets het oordeelsvermogen aan­spreekt is het wel een puzzel. Stukje voor stukje beoordelend op vorm, kleur en voorstelling moet het kind er een geheel van maken, waarvan hij innerlijk geen beeld heeft – hoogstens een plaatje als voorbeeld. Alle stukjes op zich zijn nietszeggende fragmentjes waarvan je niet kunt zien wat erop afgebeeld wordt. Hoe moet een kind zich daarmee verbinden? Ja, het ene stukje is hem liever dan het andere, maar helemaal niet op grond van bruikbaarheid, maar omdat het hoofd erop staat of iets anders dat als beeld herkenbaar is. Wat kan je als volwas­sene ongeduldig worden als je ernaast zit en het hem toch zélf wilt laten doen. Vinden kinderen puzzelen leuk? Vaak wel, maar dan: hoe bepalend is dat criterium?

Anti-autoritair

Behalve in de school en de speelgoedwinkel hebben ook bij bewuste ouders in het begin van de zeventiger jaren verlichte, anti-autoritaire ideeën opgang gemaakt. Men is ervan teruggekomen, dat wel, maar toch heeft deze korte golf diepe invloed gehad op de houding van ouders tegenover hun kinderen. Of je wilt of niet, je bent er­door beïnvloed en dat heeft op zijn minst een stuk onzekerheid in dit opzicht bewerkt. Hierop kom ik later terug. Vanzelfsprekend ligt de zaak voor mij niet.

Zoals ik al schreef heeft Rudolf Stei­ner veel over dit onderwerp
gespro­ken. Vooral de volgende gedachte trof me en maakte me enthousiast. Wil het oordeelsvermogen opbouwend en gezond kunnen functioneren bij de volwassen mens, dan moet het in nauwe verbinding staan met de liefde­krachten in die mens; oordeelsvermo­gen en vermogen tot liefde moeten als het ware in dezelfde laag aangelegd zijn om zo bevruchtend op elkaar in te kunnen werken. Een oordeel, kritiek, is alleen dan terecht als het gedragen wordt door wel-willendheid. Een oor­deel zonder liefde breekt af, is vernie­tigend, doet afbreuk aan wat beoor­deeld wordt en uiteindelijk ook aan jezelf.

Het oordeelsvermogen dat te vroeg aangesproken wordt, vóór het twaalfde jaar, wordt dan aangelegd in een ontwikkelingslaag van het kind, waarin de liefdekrachten nog geen actieve rol spelen. Het oordeelsvermo­gen, dat in die periode al ontwikkeld wordt, krijgt dan te maken met nog ongeremde levenskrachten, die sterk op het eigen ik geconcentreerd zijn. Dan bestaat het gevaar dat in het oor­deelsvermogen een stuk destructiviteit mee aangelegd wordt. Ondertussen is er een verschil tussen oordeelsvermogen en oordeelskracht. Oordeelsvermogen, en dat wordt in het bovenstaande steeds bedoeld, is het vermogen om je juiste oordelen te vor­men en daarvoor je goede gronden te hebben. Dan is de vraag: ‘wat vind je er zelf van, en waarom?’ De oordeels­kracht is de kracht waarmee ja of nee gezegd wordt, de kracht waarmee je je met een bepaald oordeel verbindt, on­geacht de juistheid ervan. Dit laatste moet wel ontwikkeld worden door het kind tussen zeven en veertien. Het is een uiting van geestelijke levenskracht en wordt sterk aan duidelijke beelden, zoals die bijvoorbeeld in de volk­sprookjes en ook in veel verhalen uit het Oude Testament te voorschijn ko­men. De heks, de wolf zijn het kwade, van top tot teen. De koning, de prins of prinses daarentegen zijn het goe­de. Er is geen grijs middengebied waar­in juiste oordelen gevormd moeten worden om de goede weg te kunnen kiezen. De keus is opperduidelijk. Het zijn sterke beelden, waaraan de kracht van het oordeel groeien kan.

Ja of nee ontwikkelen

Samenvattend kan je zeggen dat tus­sen tandenwisseling en puberteit het erom gaat, de kracht waarmee het kind ja of nee zegt te ontwikkelen: de inhoud ervan is nog niet belangrijk. Dit gebeurt door het kind krachtige afgeronde beelden voor ogen te stellen die het in hun geheel kan aanschou­wen, overzien. Pas in de volgende le­vensperiode, als de puberteit begint, komt de inhoud van het oordeel en het waarom ervan aan de beurt. De liefdekrachten, die dan ontwaakt zijn, verbinden zich met het groeiend oor­deelsvermogen en maken het oordeel opbouwend, waar.

Tot zover de denkmatige omspe­lingen van het citaat uit Knijpenga’s artikel. Nu volgen nog wat meer gevoelsmatige reacties en een poging, die te verwoorden. Waarom houdt het me zo bezig? Wat roept het bij me op? Enerzijds enthou­siasme: voelen dat je warm loopt voor iets dat je als waar herkent, dat met jou te maken heeft, omdat je er nu aan toe bent. Aan de andere kant ook veel vraagtekens en een gevoel van ver­wardheid over waar de praktijk van de dagelijkse omgang met je kinderen nu eigenlijk aanrakingspunten heeft met die aantrekkelijke theorie. Waarom vind ik het zo moeilijk ‘van­zelfsprekend autoriteit uit te oefe­nen’ ? Niet dat ik het niet graag zou willen, maar het lukt me eenvoudig zo vaak niet. Al zoekend vond ik twee oorzaken.

De eerste heeft te maken met het zin­netje van Knijpenga ‘maar veel tijdge­noten passen datgene wat voor volwas­senen juist is, toe op alle leeftijden’.

Vooral de vrouw komt, als ze kinde­ren krijgt, in een totaal andere
situa­tie. Daarvoor een leven tussen volwas­senen, daarna, vooral de eerste tijd, een tamelijk geïsoleerd bestaan tussen kinderen. De oordelen, wat is goed ? wat is verkeerd? die je je vormt, wor­den in het verkeer met volwassenen vaak samen gedragen; je zoekt gelijk­gestemde mensen op en wisselt daar­mee van gedachten. Je steunt op een stukje collectiviteit. In de eerste tijd met je kleine kinderen ben je veel al­leen. Contact met vrouwen in dezelf­de situatie zoek je op, maar blijkt vaak schaars te zijn. En wat gebeurt er? Je gaat praten met je kinderen alsof het volwassenen zijn, je overlegt met ze over deze mogelijkheid of die, zonder je te realiseren dat jij degeen bent die het overzicht hebt het juiste oordeel te vormen, en de kinderen niet. Al heel vroeg begint dat. Wil je appel­stroop of pindakaas? Thee of limona­de? Zullen we deze kant opgaan of die? Het maakt hen in feite niets uit, ze vinden allebei even lekker, even fijn.

Jezelf

Eigenlijk stel je de vraag niet aan de kinderen, maar hardop aan jezelf. Het is moeilijk om de verantwoordelijk­heid echt helemaal alleen te dragen, jezelf de vraag innerlijk te stellen, de voor- en nadelen af te wegen en te doen wat je het beste lijkt. ‘Willen jul­lie naar het Amsterdamse bos of naar het Thijssepark?’ vraag ik hardop en denk zelf na wat het beste is: zijn ze toe aan bloemen bekijken of aan lek­ker uitwaaien? En als ik dan tot een andere keuze kom dan de kinderen, zijn de poppen aan het dansen en heb ik mezelf in een moeilijk parket ge­bracht. Je komt voor de dag met je mooie argumenten, maar wat maken die nu voor indruk op de kinderen? Zij kozen het Thijssepark – voor hun vandaag het fijnste: geen bloemen kij­ken, maar lekker op de bruggetjes stampen.

Dat is het eerste: helemaal alleen moet je oordeelsvermogen opbrengen, zeker in die situaties die het kind niet kan overzien of waarin hij niet vrij is om te kiezen – omdat ik de keus eigenlijk al gemaakt heb. Pindakaas of appel­stroop? Maar de appelstroop zit al op m’n mes – ja en dan wil ze natuurlijk pindakaas!

Autoriteit

Het tweede is moeilijker onder woor­den te brengen. Het heeft te maken met het verschil in klank tussen auto­riteit en gezag. Bij het woord autori­teit zie ik, enigszins overdreven, een streng gezicht en een wijzende of ver­manende vinger. De politieagent: zo moet jij het doen, maar ik sta boven de wet.

Dat dit niet de goede manier is om met kinderen om te gaan is duidelijk. Zo duidelijk, dat de neiging tot anti-autoritair opvoeden begrijpelijk wordt. Niet alleen in de cultuur, maar ook bij jezelf. Alles lijkt beter dan op deze manier, jezelf buiten schot hou­dend, autoritair zijn. Maar de stap van het anti-autoritaire ideaal – het respecteren van het kind in zijn individualiteit en vrijheid – naar ‘laat hij het zelf maar uitzoeken, laat hem z’n gang maar gaan’ is klein en vlug gezet. Het makkelijke ervan is, zo in negatieve zin opgevat, dat je niet zelf mee hoeft te doen. Je kunt zelfs iets anders doen!

Hier ligt het verschil met gezag. Ie­mand die voor mij gezag heeft zie ik op de rug, niet met een wijzende vin­ger, maar zelf bezig met waarin hij ge­zag heeft.

Wil je vanzelfsprekend gezag uitoefe­nen tegenover je kinderen dan vraagt dat een onvoorwaardelijk engagement, een onvoorwaardelijk je begeven in de relatie tot dat kind en in de situatie waarin het staat. Je kunt niet buiten schot blijven.

Iemand kwam me ophalen, ’s avonds om acht uur. Ze was nog vergeten iets te zeggen en vroeg of ze naar huis mocht opbellen. ‘Ja Maarten, met mamma. Ik ben nog vergeten je te hel­pen herinneren aan je medicijn.. .acht korrels uit het doosje op de kast.. .met een slokje water.. .als je nu de telefoon neerlegt ga je naar de kast, je pakt het doosje en je neemt acht korrels.. .niet eerst iets anders doen. Dag, slaap lek­ker.’ Ik zag dat ze niet hier was, aan mijn telefoon, maar daar, naast haar zoon en hem begeleidde in wat ze van hem vroeg. En ik denk dat hij het in­derdaad gedaan heeft.
.
*Niet op deze blog

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

785-720

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (11)

.

MR. KANAMORI

Columniste Suzanne Groeneveld schreef in het ED van 15 september 2012 in haar rubriek ‘THUIS’ een stukje met de titel ‘SCHOOLMEESTER’.

Zij gaf een interview weer dat zij had met een leerkracht van de school van een van haar kinderen. (geen vrijeschool)

Er was haar één uitspraak van de schoolmeester bijgebleven:
‘Ieder kind heeft een sleutel en het is de taak van de leraar om die sleutel te vinden en het kind te openen.’

Zij moest aan dit interview denken toen zij later naar een andere schoolmeester luisterde: Mr. Kanamori uit Japan.

Ze schreef:
“Wat mr. Kanamori zo spe­ciaal maakt? Hij vindt het belangrijk om zijn kinde­ren kennis bij te brengen, maar nóg belangrijker dat ze gelukkig zijn. Dat ze ‘glanzen’. Daarom laat hij ze praten en schrijven over emoties. Pesten wordt met­een de kop ingedrukt. Mr. Kanamori leert zijn kinderen om de zintuigen te gebruiken, hij laat ze zien, horen, rui­ken, proeven, aanraken. Daarom neemt hij ze mee naar buiten als er een regen­boog aan het firmament hangt, als het sneeuwt in de winter of als het regent in de zomer, want wat is er lekkerder dan springen, rollen en dansen in de modder? De tassen met extra kleren heeft ieder kind naast zijn tafeltje staan. Mr. Kanamori is een inspirerend voor­beeld voor veel docenten en docenten in de dop. Een paar van zijn uitspraken: ‘Als een kind niet gelukkig is, is nie­mand het’, ‘Vergeet nooit het kind dat je zelf was’ en ‘Laat kinderen toe in je hart, er kan altijd nog iemand bij’. ‘Zo zou in Nederland ook les gegeven moeten worden’, las ik op Twitter. Jaze­ker, zo zou in Nederland ook les gege­ven moeten worden. Waarom dat niet gebeurt? Omdat bij ons te veel tijd verlo­ren gaat in vergaderen, rapporteren, om­dat door bezuinigingen steeds minder kan, omdat klassen te groot zijn en het aantal extra-aandachtskinderen groeit. Aan de mensen in het onderwijs ligt het niet. Onder hen zijn heel veel Kanamori’s te vinden, dat weet ik zeker. Oudere docenten, die al lang meedraaien, maar ook net afgestudeerden, die staan te po­pelen om aan de slag te kunnen. Maar die moeten wel aangemoedigd worden én kansen krijgen. Alleen als een bodem vruchtbaar is, gaan plantjes groeien. En alleen dan kunnen al die leraren doen wat de meester uit mijn laatste school­krantinterview veertig jaar met succes deed: de sleutel vinden om elk kind te openen.”

Rudolf Steiner:
‘Een heilig raadsel wordt de wordende mens daardoor, een heilig raadsel dat we ieder uur willen oplossen. Wanneer we op deze manier met onze pedagogische kunst ons in dienst stellen van de mensheid, dan dienen we dit leven, uit grote interesse voor dit leven.’
GA 297 /180
Op deze blog vertaald/180

Meer over ‘het kind als raadsel’

Meer over Mr. Kanamori

Opspattend grind: alle artikelen

.

782-717

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinrijke vertelling (1)

.

DE  ZINNIGE VERTELLING TUSSEN SPROOKJE EN FABEL

 

Hieronder volgt een gedeeltelijke vertaling en een bewerking van een artikel, verschenen in ‘Erziehungskunst’ [1]

De uitdrukking ‘sinnige Geschichte’ heb ik vertaald met ‘zinrijke vertelling’.

De uitdrukking ‘sinnig’ i.v.m. vertellen, wordt door Steiner gebruikt, bv. in een voordracht [2], waarin hij spreekt over het belang dat kinderen de natuur niet meteen in abstracte natuurwetten moeten leren kennen, maar op ‘liefdevol aanschouwende’ manier.

Zo wordt wel gezegd dat de ‘sinnige Geschichte’ tussen het sprookje en de fabel staat.

Het sprookje gaat het o.a. om grootse mensheidsmotieven: geboorte en dood, geluk en ongeluk; lot en noodlot; wilskracht en zwakte; egoïsme en altruïsme. Over een koning (in ons) of de prins(es) in ons. Wel met beelden van ‘vroeger’, maar toch ook weer tijdloos.

De fabel is wat dat betreft kijken door een vergrootglas, met oogkleppen: naar het alledaagse, het lichamelijk gebondene: begeerte, sluwheid, list, egoïsme, deugden en ondeugden, belichaamd in dát dier met die specifieke eigenschappen. Dat stukje dier zit ook in ons.

Het kind ontwikkelt zich

Het behoeft geen betoog dat het kleine kind een nabootser is. Het wil nadoen wat het buiten zich ziet, beleeft. Het heeft veel fantasie waardoor de wereld voortdurend getransformeerd wordt in zijn eigen wereld: een stuk hout is een hond, of een paard of wat maar past in het spelbeeld. ‘Fantasiewereld en werkelijkheid gaan voortdurend in elkaar over’ (Jakob Streit). Buiten en binnen zijn nog niet gescheiden.

Dat verandert met de tandenwisseling. Van de levenskrachten die vooreerst aan het fysieke lichaam werkten, komt een deel ‘vrij’ en vormt nu mee aan de ziel. Voor nadere uitleg: zie  ‘kind en etherlijf’.

Het 6/7-jarige kind wordt meer een ‘navoeler’ al werkt de nabootsingskracht nog heel lang door (soms langer dan we denken…) De ziel wil beleven en zo ontstaat er een diepe behoefte aan beelden. Ook de fantasiekrachten veranderen en het vermogen om te onthouden neemt toe. Er is sprake van verinnerlijking. De vrijgekomen vormkrachtenzelf scheppend – willen geen abstracte feiten en wetten, maar levensvolle beelden. Het is bekend dat de meeste kinderen dol zijn op verhalen, vooral die het kan meebeleven.
Het kleine kind heeft eigenlijk een grenzeloos vertrouwen in zijn (directe) omgeving. Door het nadoen leert het de meest essentiële menselijke vaardigheden: rechtop lopen, spreken en daarmee het denken. Het is met zijn omgeving existentieel verbonden. Dat verdwijnt niet, maar komt alleen op andere manier tot uitdrukking.
Met de tandenwisseling komt er zo’n verandering, maar ook rond het negende, tiende levensjaar.

Eerst is de wereld net zo als hij zelf is; hij maakt niet veel onderscheid tussen zichzelf en die wereld, knuffel kan ook pijn hebben, zoals hij zelf; de wereld heeft een ziel! Knuffel kan praten en honger hebben, moet ook slapen.

Rond het 9e jaar is dat niet meer zo; de wereld is al weer anders. Het openstaan voor die wereld is er nog steeds, maar niet meer zo vanuit het kind zelf, het wil nu de wereld in zich opnemen, toelaten zoals die wereld is.

En daar vertellen wij dan over: hoe die wereld is. Maar met in het achterhoofd het inzicht dat die wereld nog lang niet in de kale, intellectuele natuurkundige wetten-abstracties verlangd wordt. Nee, de verhalen moeten nog voedsel voor de ziel zijn: er moet iets te beleven zijn; waarmee je sympathie kunt hebben, of wat je juist moet afwijzen; wat lief is en niet; wat mooi is, bewonderenswaardig; wat te denken geeft (bedenkelijk is).

In klas 1 en 2 kan daarom het ‘zinrijke’ verhaal, zo’n zinvolle rol vervullen.

Aanwijzingen voor het vertellen

Steiner zegt:
In de bedoelde verhalen kunnen bv. zon en maan, regen en wind, wolken en bergen enz. nog met elkaar spreken en handelen zoals mensen doen. En wanneer je op deze manier aan de kinderen iets vertelt, zie je dat ze in deze verhaaltrant opgaan.[3]

Wanneer je SteinersHet viooltjebestudeert, zie je dat de kern van het verhaal het gesprek tussen het viooltje en de hond en het viooltje en het lam is. Door het uiterlijke beeld heen, word je iets gewaar van ‘ziel’. Dat beleven de kinderen mee. Ze hebben medelijden met het viooltje, maken zich ook zorgen, worden eveneens getroost en zijn ook blij. Spanning is er tussen het boze en goede antwoord; je merkt die spanning soms aan de ademhaling. Een eind goed, al goed is wel een noodzaak.
De kinderen kunnen deze stemmingen diep in zich opnemen. Vaak heb ik meegemaakt dat, wanneer het verhaal ten einde was en ik zweeg, er nog even een diepe stilte bleef. En vaak, bij veel kinderen, daarna een diepe zucht! (van verlichting?)

Steiner over dit verhaaltje:
‘Als het gaat om er met de kinderen over te spreken, is het niet goed om met hen de conclusie uit het verhaal te trekken: ‘dat men in het leven dikwijls bang is voor iets wat men verkeerd begrijpt of wat verkeerd voorgesteld wordt’.
De beelden moeten hier hun werk doen en pas veel later bestaat de mogelijkheid dat ze veranderd zijn in conclusies.[3]

Het zinrijke verhaal(tje) is toch enigszins een vergelijking voor het menselijk leven in samenhang met iets religieus, iets goddelijks. En waar dit aanwezig is, is ook vaak iets moreels aanwezig.

Steiner heeft voor de bespreking van de fabel aangeraden om vóór de vertelling met de kinderen te spreken.

Hier komt hij er met de kinderen op terug ná het vertellen, maar, om aan te geven dat de kinderen misschien iets willen vragen.

Steiner oppert in die voordracht dat een kind misschien zou kunnen vragen: ‘Waarom heeft die hond dan zo’n lelijk antwoord gegeven?’
Hij geeft de verklaring voor het feit dat de hond vaak een waakhond is, die ‘de mensen schrik moet aanjagen.’ Hieruit kun je concluderen dat Steiner hier het ‘lelijke, kwaadaardige, boze’ een functie geeft. Het wordt dus niet zomaar veroordeeld, maar op de juiste plaats gezet.

Er is nog een ander verhaaltje van Steiner,De ruiker’, de bos bloemen waarin Steiner de kinderen iets meedeelt door middel van een droom.

Zoiets is goed te gebruiken wanneer je in je klas kinderen hebt, die niet meer zo gemakkelijk meegaan in ‘dat planten en dieren met elkaar spreken’.

Steiner vertelt dit op een zgn. maandfeest – wanneer de kinderen van de hele school aan elkaar laten zien en horen wat ze de afgelopen maand geleerd hebben.[4]
Aan het einde van het verhaal zegt hij: ‘Want de zielen van de mensen krijgen de mooiste krachten voor hun leven als ze volwassen zijn, wanneer ze zo’n bos bloemen uit de school hebben kunnen meenemen. Dat zijn levenskrachten die er tot de dood zijn en zelfs daarna.’

Hoe vind je zelf verhalen

Dat is nog niet zo gemakkelijk. De kans bestaat dat je te snel iets ‘bedenkt’, ook dat het te ‘intellectueel is’. Grenzen zijn niet eenvoudig te trekken.

Het gaat ook hier om het beeld: wat spreekt daar doorheen, wat heeft het te zeggen.
In ‘Opvoeding in het licht van de antroposofie’ zegt Steiner:
‘Steeds moet voor ogen gehouden worden, dat abstracte voorstellingen op het zich ontwikkelende etherlichaam geen effect hebben, maar wel beelden, die reëel en levendig voor de innerlijke aanschouwing staan. Natuurlijk moeten deze dingen met de grootst mogelijke tact gehanteerd worden, opdat ze geen ave­rechtse uitwerking hebben. Bij het vertellen komt alles aan op de manier, waarop het gedaan wordt. Daarom is het niet mogelijk het mondelinge verhaal willekeu­rig door voorlezen te vervangen.
Het innerlijke aanschouwen van beelden, of, zoals men ook zou kunnen zeggen het zinnebeeldige voor­stellen, komt ook nog op andere wijze in aanmerking voor de leeftijdsfase tussen tandenwisseling en puber­teit. Het is noodzakelijk, dat het kind de geheimen van de natuur, de levenswetmatigheden zo min moge­lijk in de vorm van intellectuele, nuchtere begrippen opneemt, maar in symbolen. De geestelijke samen­hang der dingen moet in de vorm van gelijkenissen voor de ziel treden op zodanige manier, dat de wet­matigheden van het leven onder het beeldgewaad meer vermoed en aangevoeld dan verstandelijk begre­pen worden. ‘Alles Vergangliche ist nur ein Gleichnis’, dat moet bepaald een strak te volgen stelregel voor de opvoeding in deze fase zijn.

Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van ge­lijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Veronderstel, dat men met een kind wil spreken over de onsterfelijkheid van de ziel, over het uittreden van de ziel uit het lichaam. Men moet dat zo doen, dat men bijvoorbeeld de vergelij­king gebruikt van de vlinder, die uit de pop te voor­schijn komt. Zoals de vlinder zich uit de pop los­maakt, zo stijgt de ziel na de dood uit de woning van het lichaam op. Geen mens zal in verstandelijke be­grippen precies vatten, wat er in werkelijkheid bij zo­iets gebeurt, als hij niet vroeger dit gebeuren in een dergelijke beeldvorm heeft leren kennen. Door zulk een gelijkenis spreekt men namelijk niet alleen tot het verstand, maar ook tot het gevoel, tot de innerlijke gewaarwording, tot de gehele ziel. De jonge mens, die dat alles in zich heeft opgenomen zal later, wanneer hem de dingen in verstandelijke begrippen geleerd worden, daar met een geheel andere stemming tegen­over staan. Het is zelfs zeer ongelukkig voor de mens, als hij niet eerst met het gevoel de levensraadselen kan benaderen. Het is noodzakelijk, dat de opvoeder voor alle natuurwetten en wereldgeheimen gelijkenis­sen tot zijn beschikking heeft.
Hieruit blijkt buitengewoon duidelijk, hoezeer de geesteswetenschap bevruchtend op het praktische le­ven werken moet. Wanneer iemand gelijkenissen be­denkt op grond van een materialistische intellectuele beschouwingswijze en deze gelijkenissen dan aan kin­deren vertelt, zal hij in de regel zeer weinig indruk maken. Zo iemand moet namelijk die beelden eerst geheel intellectualistisch in elkaar flansen. Zulke ver­zonnen beelden, waartoe men zich met moeite verwaardigd heeft, werken niet overtuigend op kinderen. Wanneer men namelijk in beelden tot iemand spreekt, dan werkt op hem niet alleen wat men zegt of aan­toont, maar er gaat van degene, die vertelt, een fijne geestelijke stroom uit naar degeen, die de mededeling ontvangt. Als de verteller zelf niet een warm gevoel heeft voor zijn beeld, als hij niet zelf aan zijn gelijke­nis als aan een werkelijkheid gelooft, dan maakt hij geen indruk op zijn toehoorder. De juiste uitwerking heeft het beeld slechts, wanneer het gevormd wordt uit een geesteswetenschappelijke overtuiging, wanneer de gelijkenissen zelf uit de geesteswetenschap voort­vloeien. Iemand die de antroposofische inzichten als levende gedachten in zich draagt, behoeft zich niet af te pijnigen om de bovengenoemde gelijkenis van de vrijkomende ziel te vinden, want voor hem is dit waarheid. Voor hem is het te voorschijn komen van de vlinder uit de pop dezelfde gebeurtenis op een la­gere trap van de natuur, als het zich losmaken van de ziel uit het lichaam, waarbij zich dit gebeuren op een hoger niveau afspeelt. Hij gelooft er zelf aan uit volle overtuiging, en dit geloof gaat als in een geheimzin­nige stroom van de spreker op de toehoorder over en wekt eveneens overtuiging. Zo stroomt leven, onmid­dellijk, tussen opvoeder en leerling over en weer.'[5]

Wanneer de leerkracht aan de ene kant moeite doet tot het wezen van de dingen door te dringen, moet hij aan de andere kant ook precies weten hoe de natuur en de natuurprocessen in elkaar zitten. Er moet per se naar een exacte fantasie gestreefd worden. Gesprekjes en wat de planten en dieren bv. doen, moet wel bij hun gewoonten en wezen passen. Je moet dus ook van deze kant de planten en dieren bestuderen. Dat is meestal er over lezen, wat anderen geschreven hebben. [6]
Maar ook tijdens wandelen kun je geïnspireerd raken. Wanneer je een eigen tuin hebt, kun je ook van alles waarnemen. En ook op reis, in andere natuurgebieden, zou je ook tot mooie gedachten kunnen komen. Voorwaarde is wel dat je in rust en overgave openstaat voor wat de natuur je te bieden heeft. En dan kan het maar zo zijn, dat er plotseling bepaalde gedachten door je heen schieten; je hebt een inval.
Je moet die nog uitwerken en of het wat geworden is, zal vooral uit de reacties van de kinderen blijken. Je weet bij voorbaat al dat het altijd beter kan; dus waarom niet gewoon begonnen.

Het sneeuwklokje en de beukenhaag

Onder een beukenhaag die nog de verdorde blaadjes van vorig jaar draagt, spruiten de eerste sneeuwklokjes tevoorschijn. Ze zitten in de schaduw van het blad en willen in het licht. ‘Och beukenhaag’, jammeren ze, ‘jij hebt je bladerkleed van vorig jaar nog aan en daar hebben wij last van, wij krijgen zo geen zon! Trek dat nu maar eens uit!’ De beukenhaag wordt er verlegen van en weet geen goed antwoord. Daar ritselt het in de twijgen en beneden op de grond. Een merel is het en een egel; zij hebben het gesprek gehoord en nu bemoeien ze zich ermee. ‘Jullie zijn heel dom’, zegt de merel fel, ‘wat denken jullie; het was voor ons vogels van de winter heel fijn dat wij ons in de beukenhaag konden verstoppen: alle bomen waren kaal!’
‘Daar zeg je wat,’ stemt de egel in, ‘ik kon mijn honger nog stillen vóór de winter kwam, omdat er onder het loof nog allerlei kleine friemeldiertjes zaten.
De beukenhaag vindt het fijn dat hij zichzelf niet hoeft te verdedigen en de sneeuwklokjes zwijgen beschaamd en wachten geduldig af tot de zonnewarmte ook hen bereikt.

De anemonen

Het heeft deze winter nog niet gesneeuwd, alleen de vorst was streng en de aarde was zo bevroren dat ze helemaal kruimelig werd. Dat was niet verkeerd, maar kon toch de sneeuw niet vervangen. De aarde klaagde: ‘Als er geen sneeuwvlokken vallen, komt er veel te weinig sterrenkracht naar de aarde. Hoe kan ik dan in het voorjaar voor alle planten zorgen?’

Dat hoorden de wortels van de anemonen en ze vroegen de aardmannetjes die bij hen woonden: ‘Ga naar alle voorjaarsbloemen: het leverbloempje, de krokus, de narcis, de boterbloem en nog naar andere bloemen en bespreek met de dwergen hoe we de aarde kunnen helpen. De dwergen dachten er ernstig over na. Toen ze weer bij hun bloemen kwamen zeiden ze: ‘We hebben besloten om ’s nachts het fijne licht dat van de sterren neerschijnt tot een draad te spinnen en die zullen we in de wortels van de planten vlechten. Zo kunnen we de aarde misschien helpen.’ En dat deden ze.

Toen het lente werd hadden de planten in hun bloemen de stralen van de sterren; er waren zoveel anemonen dat ze de aarde met een wit sterrenkleed bedekten. ‘Zie je, moeder aarde,’riepen ze, ‘nu heeft het toch gesneeuwd, louter witte sterrenbloemen!’ Wat was de aarde blij. – En als je goed naar de anemonen kijkt, dan zie je zes bloemblaadjes, net als de sneeuwvlokken met hun zes sterrenstraaltjes.

De kersenboom en de appelboom
Wisselvallig was het dit jaar met het voorjaarsweer. De noordenwind streek met zijn koude adem over de aarde, zo dat de bloesem het nog niet waagde zich te vertonen. Maar de zon scheen toch ook al zo verlokkend warm. ‘Wij houden het niet meer uit, we willen naar buiten en de zon zien!’ Steeds meer groene kelkblaadjes lieten de witte bloesemkindertjes uit de knoppenbedjes stappen. Dat gaf een bloesempracht! Overgoten met deze pracht stond daar de kersenboom. En veel meer kersenbomen, heuvel op, heuvel af, net zo mooi. Ze jubelden tot de voorbijtrekkende wolken: ‘Wij bloeien, wij  bloeien!’

Eén kersenboom was bijzonder prachtig. Hij keek om zich heen of andere zijn schoonheid wel zagen. Toen zag hij naast zich een appelboom staan, die er nog bijna net zo uitzag als in de winter. ‘Word wakker, slaapkop!’, riep de kersenboom naar zijn buurman, ‘zie je dan niet hoe alles bloeit en blij is met de zon?’ – ‘Rustig aan’, antwoordde de appelboom, half dromend, ‘ik wacht tot het warmer wordt.’ En zo ging het ook. De zon deed wel haar best de appelboom wakker te maken en stuurde haar zonnekinderen naar de appelbloesemknoppen om ze te verwarmen. Die werden daar aan de buitenkant heel roze van. En ineens stond ook de appelboom in volle bloei. Hij zag eruit alsof hij met het ochtendrood was overgoten. Hij was zeker net zo mooi als de kersenboom.
Wat was er met hém gebeurd? Zijn pracht was bijna weer voorbij. De bloesemblaadjes waren uitgevallen en de lege stelen strekten zich uit in de lucht. ‘Ik heb haast,’ zei de kersenboom, ‘ik wil mijn kersen klaar hebben; de kinderen hebben mijn zoete kersen nodig na zo’n lange winter’. En hij hield zijn takken in de zon.  – Het duurde maar een paar weken en toen staken de kinderen de kersen in hun mond en hingen ze over hun oren. –
Kersen moet je snel opeten, want ze blijven niet zo lang goed.

Heel anders is dat met de appels. De appelboom nam ook de tijd voor zijn appels. Het werd herfst, toen kon je ze pas plukken. En toen waren alle appels nog lang niet rijp. En hoe lang kun je die stevige, sterke appels wel niet bewaren? Tot Kerstmis zeker en nog wel langer. Dat komt, omdat de appelboom in alles zorgvuldig is, daarom gaan zijn vruchten langer mee. Wij mensen kunnen wel blij zijn met allebei de bomen, want ze geven ons rijke vrucht, ieder op zijn tijd.

De pioenroos en de brandnetel
Buiten het hek groeiden brandnetels langs een harde grindweg; daarachter in de tuin groeide een prachtige pioenroos in zwarte, luchtige tuinaarde. Er liep een grootvader met zijn kleinzoon voorbij. Het kind plukte bloemen die langs de kant van de weg stonden. Daarbij raakte het de brandnetels en snel trok het zijn handje ‘au’ roepend terug. ‘Booswicht,’ riep het, ‘ik heb je toch niets gedaan, waarom brand je me!’ Zijn dwalende ogen vielen op de pioenroos achter het hek; de prachtige knoppen waren aan het opengaan. ‘Wat zijn die mooi, die rode bloemen; en wat is die brandnetel gemeen, die heeft niet eens bloemen.’
Grootvader ging op een bankje langs de weg zitten en nam zijn kleinzoon op schoot en begon over de brandnetel te vertellen. ‘Kijk, die rode bloemen daar in die tuin, hebben het goed: die staan in vruchtbare grond, worden verzorgd, krijgen water en zo kunnen ze mooie, grote bloemen ontwikkelen die zo ongeveer bloeien wanneer het Pinksteren is; daarom heten ze ook pinksterrozen.
De brandnetel groeit altijd op plaatsen waar het niet in orde is, waar rommel ligt en waar bijna geen bloemen willen groeien. Met zijn vuurkracht die jij gevoeld hebt, maakt hij de grond schoon en maakt die weer geschikt voor andere planten. Daar geeft hij al zijn krachten aan, zodat hij niets meer over heeft voor mooie bloemen. Maar, kijk nu eens’, ging grootvader verder, hij nam zijn kleinzoon weer bij de hand en liet hem iets moois zien dat op een brandnetelblad zat. Het was een mooie vlinder, een dagpauwoog. ‘Daar heb je nu de bloem van de brandnetel! Die twee houden van elkaar, het zijn vrienden! Wat voor geheim daar nog meer achter zit, vertel ik je later.’ Toen vloog de vlinder op. ‘O’, zei het kind bewonderend. Het had volkomen vrede met de brandnetel; die was toch wel heel hulpvaardig en had mooie vrienden.

ANDERE VOORBEELDEN
Een ‘sinnige Geschichte’- een zinrijke vertelling – die het hele leven mee kan groeien, is bv. ‘de geschiedenis van de waterdruppel’.

In de 1e klas kun je vertellen dat de waterdruppel op zijn reis van de hemel naar de aarde veel meemaakt. Hij praat met de wolken, de wind, valt met ontelbare andere naar beneden, komt in een donkere kloof terecht en komt weer in een bruisende bron tevoorschijn, speelt als beekje met de bloemen aan de oever, zet het molenschoepenrad in beweging, draagt houtvlotten en schepen en komt uiteindelijk in de grote zee terecht. Daar roepen de zonnestralen hem weer naar de hemel terug.

Steeds kun je op zo’n verhaal terugkomen: in de heemkundeperiode in de 3e klas, wanneer het over de landbouw gaat, het graan en de kringloop van het water of wanneer je met de kinderen een gedicht leert waarin het water belangrijk is.

Belangrijk is dat je als leerkracht de moed hebt om het te proberen, ook al gaat het nog moeilijk en ben je niet tevreden.

Je moet het vormgeven van zo’n verhaal niet onderschatten: welke woorden kies je, hoe is de stemming. Dieren kun je met een paar temperamentsstemmingen karakteriseren waardoor de tegenstellingen meer voor zich spreken. Je moet wat kunstzin hebben om zo’n verhaal te componeren. Soms kan het een gedicht zijn – naverteld als zinrijk verhaal.

In het leesboek ‘Zonlicht’ staan veel voorbeelden. Daarvan kun je er veel vertellen; later lezen de kinderen ze dan nog een keer. Maar toch is het het mooist als je de meeste zelf maakt en niet alles van een ander gebruikt, omdat die het beter kan of omdat je te weinig tijd hebt.

‘Wat je zelf voor de kinderen maakt, gaat het hele leven mee, dat heeft iets buitengewoon verfrissends’, aldus Steiner [6]

Als de leerkracht zijn eigen ziel in beweging zet, actief zijn beelden schept, stroomt dit levendige naar de kinderenzielen en vindt daar hun eigen levendigheid en fantasie: ‘leven voedt leven’.

Wijsheid van beelden bereikt diepere lagen van de kinderziel dan begrippen. Wanneer een kind eerst iets met zijn gevoel heeft opgenomen, kan het daar beklijven om later pas door het verstand op een nieuwe manier begrepen te worden.

Kinderen luisteren heel graag naar verhalen. Je kunt bijna van ‘honger’ spreken.

Wat gebeurt er als deze behoefte niet wordt bevredigd? Een uitspraak van Steiner luidt: ‘wanneer het verlangen naar beelden, gelijkenissen om de wereld te begrijpen niet wordt bevredigd, slaat het om in ‘rebelsheid’. Er ontstaan rebellie, revolutionairen, ontevreden mensen.’

(Te denken valt bv. aan de studentenopstanden van 1968 – de verbeelding aan de macht)

Kan de honger naar beelden via tv, film, internet, het gamen; strips ermee te maken hebben?

Is er een samenhang tussen het ontstaan van de ‘fantasterijbeelden’ en het gebrek aan beeldend onderwijs?

Misschien dat de antwoorden op deze vragen je nog meer stimuleren om de kinderen met ‘echte’beelden te voeden.

[1] Inge Finkbeiner: Die ‘sinnige Geschichte’ zwischen Märchen und Fabel, Erziehungskunst, 56e Jr.-10-1992.
[2] GA 177, 20/21-10-1917
[3] GA 311/13-08-1924       op deze blog vertaald/40
[4] GA 298/03-05-1923     vertaald Beste ouders, lieve kinderen  blz. 98
[
5] GA 34/330-331              vertaald De opvoeding van het kind     blz. 43-44
[
6] GA 306/19-04-1923     op deze blog vertaald/105

Aanbevolen literatuur:

Over het zinrijke verhaal

M.Matthijsen: (14) Theorie en praktijk van de ’Sinnige Geschichte’

Over planten en dieren:

planten:

Gerbert Grohmann: 
Pflanze, Erdenwesen, Menschenseele
Die Pflanze, Bd. I und II
Lesebuch der Pflanzenkunde – vertaling
Die Metamorphose der Pflanzen

Wilhelm Pelikan:
Heilpflanzenkunde I und II

A.Usteri:
Pflanzenmarchen und Sagen
Pflanze, Menschen und Sterne
Die Pflanzenwelt im Jahreslauf
Pflanzenskizzen

dieren

Hermann Poppelbaum:
Mensch und Tier
Tierwesenkunde

Wolfgang Schad:
Säugetier und Mensch

F.H.Julius:
Das Tier zwischen Mensch und Kosmos

F.A.Kipp:
Höherentwicklung und Menschenwerdung

Gerbert Grohmann:
Tierform und Menschengeist
Lesebuch der Tierkunde

Karl König:
Bruder Tier

boeken met zinrijke vertellingen

Jakob Streit:
Tiergeschichten
Bergblumenmärchen
Zwergengeschichten
Zwerg Wurzelfein
Kindheitslegenden – vertaald

Elisabeth Klein:
Von Pflanzen, Tieren, Steinen und Sternen

Michael Bauer:
Pflanzenmärchen, Tiergeschichten und  Sagen – vertaald

Herbert Hahn:
Sonne im Tautropfen

Dan Lindholm:
Wie die Sterne entstanden – vertaald
Die Stimme der Felswand

Udo de Haes:
Die Mühle und der wachsende Riese
Zonnegeheimen 1,2,3,4

Walter Schmidkunz:
Christuslegenden

Leo Tolstoi:
Das ABC-Lesebuch
Volkserzahlungen

Erhard Fucke:
Die Bedeutung der Phantasie …

Jörg Erb:
Blumenlegenden
Tierlegenden

Käthe Wolf-Feuer:
Jasmin und andere Erzahlungen

Hermien IJzerman
Bloemensprookjes, fabels en legenden

Vertelstof: alle artikelen

 

773-708

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (10)

In deze rubriek is plaats voor wat me opviel in kranten- en tijdschriftartikelen, brochures enz. aan pedagogisch nieuws, pedagogisch-didactische opvattingen. Wel zoveel mogelijk bezien tegen de achtergrond van de vrijeschoolpedagogie. Het is niet mijn bedoeling een onderwerp helemaal te bespreken, te analyseren.


opspattend grind‘Zingen, dat is beter dan muziekonderwijs’

betoogt Evert Bisschop Boele, lector aan het Prins Claus Conservatorium.

‘Muziek is te veel een zaak van experts geworden. Terwijl iedereen kan zingen. Investeer daar dan ook in.’

Jarenlang heeft Nederland geïnvesteerd in het marginaliseren van muziekles op de basisschool. Muziek is inmiddels opgeslokt door een abstract en amorf ‘leergebied kunst­zinnige oriëntatie’ waarin het gaat om ‘gevoelens en emoties uitdruk­ken’, ‘communiceren’ en ‘reflecte­ren’. En, oh ja, om ‘enige kennis’. De invulling daarvan wordt geheel over­gelaten aan de school en de onder­wijzers, die ondertussen met Cito-scores en Pisa-resultaten om de oren worden geslagen. Ook op vele peda­gogische academies is het vak mu­ziek gemarginaliseerd. En de resulta­ten in het basisonderwijs zijn ernaar.

[PHAW]: Het is wel jammer en ook een tekort dat de vrijescholen hier niet worden genoemd. Wat ik hierover verder wil zeggen, vind je hier.

Maar het tij keert. Vrijdag* maakte minister Bussemaker (onderwijs) be­kend dat er 25 miljoen uitgetrokken wordt voor verbetering van het mu­ziekonderwijs op basisscholen. Joop van den Ende levert nog eens 25 mil­joen en ook het Oranje Fonds springt bij. Fantastisch nieuws, zeker waar de minister meldt dat met het extra geld ook de deskundigheid van de onderwijzers wordt bevorderd. De minister zegt: “Ze missen vaak het zelfvertrouwen om bijvoorbeeld te zingen voor en met de klas”.

Specialisme

Inderdaad, de kern van het probleem is dat we van muziek, het wonder­baarlijke en vanzelfsprekende ver­schijnsel dat in het dagelijks leven van vrijwel iedereen zo’n belangrijke rol speelt, een specialisme hebben gemaakt. Muziek wordt het liefst overgelaten aan de expert – en dus niet aan de juf of meester zelf. Dat is trouwens een algemeen maatschap­pelijk verschijnsel. Het Vocalisten Concours in Den Bosch, maar ook ‘The Voice of Holland’, leren ons dat alleen de besten door mogen. En ‘Holland’s Got Talent’ leert ons wat we doen met de minder getalenteer­den: uitlachen en afzeiken.

Dat moet veranderen. Ik geef de mi­nister graag drie adviezen. Ten eer­ste: investeer niet in muziekonder­wijs, investeer in zingen, de toegan­kelijkste vorm van muziek maken. Iedereen kan het, iedereen doet het: in voetbalstadions, op verjaardags­feestjes, onder de douche. Vroeger stond niet ‘muziek’ maar ‘zingen’ op het rooster. Misschien moeten we daar eerst naar terug. Pas als er in de klas weer luidkeels en met plezier gezongen wordt, kunnen we nadenken over instrumenten in de klas, over componeren en improviseren, over ‘reflecteren’ en ‘enige’ kennis. Ten tweede: zet niet alleen in op wat de minister “eigentijdser muziekonderwijs” noemt. Zingen kan bevolkingsgroepen en generaties verbinden, en dat is hard nodig in onze samenleving. Daarvoor is een gezamenlijk te zingen repertoire onontbeerlijk. Repertoire moet zichzelf voortdurend aanpassen aan de tijd, maar we leven ook in het verlengde van onze voorgangers. Als de kinderen met Sint- Maarten de de deuren langsgaan, schept het een band als niet alleen de ‘Sint-Maartens-Blues wordt gezongen, maar we elkaar ook herkennen in de koeien die staarten hebben en de meisjes die rokjes aan hebben. Anachronistisch, zeker, maar zonder anachronismen wordt ons bestaan wel érg a-historisch

Kunstenaars in de klas

En ten derde: leer de juffen en meesters weer zingen. Niet door lessen zangtechniek en notenlezen, maar door ze te leren vertrouwen te hebben in zichzelf als muzikale persoonlijkheid. Zodat ze weer het gevoel krijgen dat ze mógen zingen in de klas. Dat moeten ze leren op de pedagogische academie. Dus, minister, stop even met investeren in het brengen van ‘kunstenaars in de klas’ sleutel eerst aan het échte probleem. Zorg dat muziek – en vooral zingen – op de pedagogische academies de ruimte krijgt. Want daar begint het! Als we dan over tien jaar merken dat onze scholen weer zingende scholen worden, hebben we een enorme eerste stap gezet.

(Bron: dagblad Trouw, *29-10-2014)

.

Die ‘zingende scholen’ bestaan al: de vrijescholen. En al hééééél lang. Zo lang, dat sommigen menen dat het leerplan ‘dan wel achterhaald’ zal zijn.

Maar, door de ogen van Evert Bisschop Boele, duurt het nog minstens tien jaar eer ‘het onderwijs’ het niveau van het vrijeschoolmuziekonderwijs zal hebben benaderd.

Zo’n krantenberichtje maakt het weer heel concreet: de juffen en meesters zijn nog geen ‘kunstenaars’. 

Vrijeschooljuffen- en meesters hebben wél de opdracht het te worden:

Steiner:

‘Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar wanneer hij, wat hij moet ontwikkelen, moet vormen, begrijpt, zoals de schilder alleen schilderen kan wanneer deze de kwaliteit, het wezen van de kleur kent; de beeldhouwer alleen maar werken kan wanneer hij het wezen van zijn materiaal kent, enz.
Wat voor de kunst in het algemeen geldt, die met concrete materie werkt, zou dat niet opgaan voor die kunst die met de edelste materie werkt die de mens maar in handen krijgt: de mens zelf- hoe die wordt en zich ontwikkelt.’
GA 308/9  
Vertaald: ‘De wordende mens‘ blz. 21/22

‘Alle methodiek moet in een bad van kunstzinnigheid gedompeld zijn.’

Opvoeding en onderwijs moeten tot een ware kunst worden.’
GA 294/11    
Vertaald: ‘Opvoedkunst‘ blz. 12

‘Alleen uit echte menskunde kan een echte onderwijs- en opvoedkunst ontstaan.’
GA 297A/50  
Op deze blog vertaald

( ) ‘Maar dat doen we ook met het muzikale, zodat het kind er van het begin af aan aan went een of ander instrument te bespelen. Daardoor kan het kunstzinnig gevoel in het kind opgewekt worden.’
GA 294/11
Vertaald: ‘Opvoedkunst‘ blz. 12


Muziek
: alle artikelen

Opspattend grind  [7]  [24]   [26]  [66]
Opspattend grind: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; alle beelden

746-683

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (9)

opspattend grind

Ons onderwijs leidt kinderen op voor het verleden, niet voor de toekomst. Om je staande te houden in de wereld van morgen heb je meer aan ondernemerschap dan aan rekenen en taal, betoogt de Amerikaanse hoogleraar Yong Zhao.

LAAT HET KIND LEREN

Het is de hoogste tijd dat we leerlingen gaan zien als mensen, en niet als werkne­mers van de leraar.[1]
Dat be­toogt de Amerikaanse hoog­leraar en onderwijsontwik­kelaar Yong Zhao.
In zijn boek ‘World-class learners, onderwijs voor een ondernemende generatie’, vraagt hij zich af of succesvolle vernieuwers als Steve Jobs, Bill Gates en Daan Roosegaarde groot zijn geworden dankzij het onderwijs of desondanks?

Het is de retorische vraag die Zhao opwerpt in zijn boek, dat deze week* in Nederlandse vertaling verschijnt. Want naarmate kinderen lan­ger naar school gaan, neemt hun creativiteit af, evenals hun nieuwsgierigheid, constateert Zhao. En dat is een probleem.

Nu steeds meer banen verdwijnen en de jeugdwerkloosheid oploopt, moeten we leer­lingen niet langer opleiden tot ‘werknemer’, maar moeten we hun leren ‘ondernemend’ te worden. Met die boodschap maakt hij deze week een ronde langs leerkrachten, schoollei­ders en het ministerie van onderwijs.

Hoe stimuleer je creativiteit bij de leerling?

“Leerling zijn is nu echt een hondenbaan: de he­le dag moet je naar school, waar je gemicro-managed wordt en ieder uur andere taken [2] moet uitvoeren waarvan je in de verste verte het nut niet inziet.

Aan het eind van de dag krijg je een cijfer of een sticker, zijn je ouders tevreden en mag je eindelijk iets gaan doen dat je wél leuk vindt. Veel leerlingen zitten hun dag uit en rennen daarna zo snel mogelijk weg naar de echte we­reld. Ze zijn gedemotiveerd. We moeten af van het idee dat leerlingen de werknemers van de leraar zijn. Jongeren moeten de eigenaar wor­den van hun schoolloopbaan.

Want als je zelf de baas bent over wat je leert en wilt leren, dan ga je meedenken, ideeën ver­zinnen, verbeteringen voorstellen. Dan ben je gemotiveerd, dat prikkelt de creativiteit, en zo leer je dus meer.”

Kunnen kinderen dat aan?

“Jazeker. We zouden ze echt veel meer krediet moeten geven. Wij denken altijd dat andere mensen minder kunnen dan wij zelf. Zoals we ook denken dat bepaalde mensen eigenlijk geen stemrecht zouden mogen hebben.
Verder hebben wij volwassenen de neiging te denken dat wat wij weten het allerbelangrijkste is dat iemand zou moeten leren om succesvol te zijn in de wereld.[3] Fout. De toekomst zal van alles zijn, maar geen herhaling van gisteren. We zijn slecht in vooruit denken: twee honderd jaar geleden dachten we dat het onmogelijk was een mens op de maan te zetten.

Natuurlijk moeten docenten leerlingen begeleiden in hun ontwikkeling. Als kinderen maar het idee hebben dat zij aan de knoppen zitten en iets betekenisvols leren.”

Hoe doe je dat?

“Door de interesses van leerlingen aan te boren, door hun te helpen hun passies te vinden. Op school doen we het nu andersom. We zeggen tegen een kind dat het een boek moet pakken en moet lezen. Daardoor leert het weliswaar lezen, maar krijgen veel kinderen er een hekel aan. Dat is het paard achter de wagen spannen. Als je wilt dat ze meer en beter lezen, dan moet je kinderen niet dwingen, maar stimuleren.

Wat veel onderwijssystemen doen – ook het Nederlandse – is zorgen dat kinderen hun interesse verliezen in leren. Terwijl kinderen in­trinsiek de drang hebben om te doen. [4] Je hoeft ze dus helemaal niet te motiveren, je moet al­leen voorkomen dat je ze demotiveert! Maar in ons systeem raken ze hun nieuwsgierigheid en hun motivatie kwijt. Kinderen zetten hun cre­ativiteit nu in om onder school en huiswerk uit te komen, om te spijbelen, om hun leraren te foppen. Is dat niet treurig? [5]

Docenten moeten leerlingen helpen zich goed te voelen, ze begeleiden bij het vinden van hun passie, vergezichten bieden. Een goede docent kan je opbeuren als je je niet goed voelt. Een leerkracht die dat kan – een mens, kortom – is een veel betere docent dan iemand ‘ die je hoge cijfers laat halen.”

De kwaliteit van het onderwijs wordt toch bepaald door het niveau van de leerkracht?

“Docenten doen er echt veel minder toe dan we denken. Ze zijn heel belangrijk, maar niet voor het halen van hoge cijfers. Dat wordt enorm overdreven. Laat me een voorbeeld ge­ven: landen als China en Singapore voeren de internationale ranglijsten aan in taal en reke­nen. In die landen zijn docenten niet allemaal hoogopgeleid. Toch halen leerlingen hoge sco­res. De verklaring daarvoor is: cultuur, de nadruk op discipline, druk van ouders.

U pleit voor het afschaffen van toetsen. Waarom? Zijn ze echt nergens goed voor?

“Het is prima als leerkrachten in de klas bij individuele leerlingen diagnostische toetsen afnemen, om te kijken waar een kind staat en; hoe het verder kan worden geholpen. Zoals je naar het ziekenhuis gaat voor een diagnose.
Maar toetsen worden vaak met een heel an­der doel afgenomen: om scholen, leerlingen en leraren onderling te vergelijken. We toetsen om de verkeerde redenen: om onszelf ervan te verzekeren dat een kind wel wat geleerd heeft en dat een docent wel gedoceerd heeft.
Op die manier schiet verantwoordingsplicht zijn doel voorbij. Sterker: wat gebeurt er als je met toetsen scholen, landen en leerlingen gaat vergelijken? Dan gaan ze vals spelen.”

In Nederland maken kinderen aan het eind van de basisschool een toets om het niveau vast te stellen van de leerling én van de school.

“Really? China is dat soort tests juist aan het af­schaffen! Wat een afgrijselijk idee. Kinderen voorsorteren als ze twaalf jaar oud zijn? Dat is veel te vroeg, dat is belachelijk. Dan determi­neer je hun toekomst. Dat is schadelijk voor hun ontwikkeling. Op die leeftijd kun je ze net zo goed op lengte selecteren: het is onzinnig. Elk kind ontwikkelt zich in een ander tempo: dat geldt voor lichaamsgroei, voor leren lezen.[6]
Nederland is een ontwikkeld land. Jullie heb­ben dit soort mechanismen helemaal niet no­dig. Het is zonde om daar geld en energie in te steken. Ik vraag me af wat je ‘hiermee wint.”

Hier wordt met jaloezie gekeken naar landen als China en Zuid-Korea. Hun leerlingen scoren in internationale vergelijkingen veel beter dan de Nederlandse. Raken we niet achterop als we de focus op rekenen en lezen loslaten?

“Integendeel. Zulke toetsscores hebben weinig betekenis. Ze vertellen vooral welke leerlingen goed zijn in testen maken, en veel minder of leerlingen echt taalvaardiger of rekenvaardiger zijn. Daarbij doen Nederlandse leerlingen het helemaal niet slecht in zulke tests. Je moet je echt afvragen of het nodig is om nog beter te scoren.”
“Aziatische landen realiseren zich steeds meer hoe hoog de prijs is die ze betalen voor zulke scores: de focus op zulke toetsresultaten gaat ten koste van de diversiteit aan talenten van leerlingen, ze draait passie de nek om. Faal­angst is een groot probleem onder Chinese jon­geren. Hoe heeft het kleine Nederland de halve wereld, inclusief China, gekoloniseerd? Door ondernemerschap, durf. Dat is de houding die jongeren in de toekomst nodig hebben.”

Maar je moet kunnen rekenen en lezen?

“Absoluut. Maar Nederlandse kinderen beheer­sen de basics. Een sterke focus in het onderwijs op taal en rekenen is nuttig voor ontwikke­lingslanden, niet voor een land als Nederland. Jullie hebben dat probleem honderd jaar gele­den al opgelost.
Lezen en rekenen is zoiets als lopen, iedereen kan dat op een gegeven moment. Maar lopen brengt je niet ver. Als je ver wilt komen moet je atleet worden en veel trainen, of iets beters verzinnen: een fiets, auto of vliegtuig. Onder­wijs moet leerlingen verder brengen, en ze niet alleen maar trainen in hardlopen.”

U bent tegen landelijke leerdoelen. Moeten overheden het onderwijs helemaal loslaten?

“Het enige dat de overheid moet doen is kinde­ren gelijke kansen bieden en toegang tot on­derwijs garanderen. Inhoud opleggen om je te verzekeren dat iedereen hetzelfde leert, is ner­gens voor nodig. Dat allemaal vastleggen leidt tot verspilling van geld en energie. [7] Het is bo­vendien overbodig: scholen zullen hoe dan ook aandacht besteden aan taal of geschiedenis.
In die homogenisering van leerstof schuilt zelfs gevaar: je loopt het risico dat we diversi­teit en vooruitgang verliezen.”

Welke garantie bieden creativiteit en ondernemerschap?

“Er zijn geen garanties. Maar de geschiedenis heeft ons geleerd dat vrijheid, democratie en respect voor individuele rechten hebben geleid tot betere menselijke condities.
Wat we zeker weten, is dat steeds meer banen verdwijnen. Het gaat in de toekomst niet om harder werken, maar om slimmer werken. Een universitair diploma biedt geen garanties meer. Ouders denken misschien nog dat dat een ticket naar succes is, maar dat is het al lang niet meer. In de VS is meer dan 20 procent van de hoogopgeleide twintigers werkloos of werkt onder zijn niveau.

Wil je het in de toekomst redden, dan moet je ondernemend en creatief zijn, dan moet je jezelf onderscheiden. De enige veilige baan is  ”de baan die je voor jezelf creëert.”

Rudolf Steiner
[1] Je moet niet zeggen: je moet dit of dat in de kinderziel gieten, maar je moet eerbied voor zijn geest hebben. Die geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zich zelf. Je hebt alleen maar de plicht de obstakels voor die ontwikkeling op te ruimen en hem dat te geven wat hem stimuleert zich te ontwikkelen.
GA 305/74

[2] Tegenwoordig wordt het onderwijs in het opvoedings-en onderwijssysteem heel erg versplinterd en daardoor werkt het niet geconcentreerd genoeg op het opgroeiende kind in.
GA 303/139

[2/1] Wanneer je op deze manier – bedoeld is de vrijeschoolmethode -opvoedkunst uit wil voeren, is het nodig in het leven van het kind de concentratie te hebben. En dan kun je niet, zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is, van 8 tot 9 rekenen doen, van 9 tot 10 geschiedenis, van 10 tot 11 weer wat anders; al het mogelijke door elkaar. Maar in de vrijeschoolpedagogie hebben we het zo georganiseerd dat gedurende een 3 of 4 weken hetzelfde vak dagelijks van 8 tot 10 wordt gegeven, zodat de concentratie daar bij blijft.
GA 304a/120                                  het zgn. periodeonderwijs

[3] In iedere opvoedkunst moet het uitgesloten zijn dat wij ernaar streven de mens zo op te voeden dat hij wordt zoals wij zelf zijn.
GA 303/297

[4] Kijk, het echte leerplan ontstaat uit de menskunde van de leeftijdsfasen. Het kind zelf zegt ons – wanneer we het werkelijk kunnen waarnemen – wat het op een bepaalde leeftijd wil leren.
GA 297/53

[5] Het gaat erom dat je de opvoeding zo vormgeeft dat je niet tegen de wilsinitiatieven ingaat, maar aan de wilsinitiatieven meewerkt. Daar komt het op aan.
GA 301/104

[6] Je hoeft niet zo zeer het idee te hebben dat de kinderen dit of dat moeten bereiken, maar je moet je afvragen, wat kunnen de kinderen, naar hun psyche gekeken, bereiken? Vanuit het kind werken. Dat kun je in ieder afzonderlijk geval je eigen maken, wanneer je er echt naar streeft het kind in al zijn verschillen te leren kennen. Ieder kind is interessant.
GA 300A/156

[7] Hier kun je zo bedroefd van worden: dat steeds meer het schematisch-bureaucratische op de voorgrond treedt en dat de inhoudelijke zaken op de achtergrond raken.
GA 300B/188

We hebben de opgave voor de school van het leven de voorbereidende school te zijn

GA 298/104

Bron: Trouw *15 okt.2014

Opspattend grind: alle artikelen
.

720-657

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind – alle artikelen

.

In ‘opspattend grind’ is plaats voor wat me opviel in kranten- en tijdschriftartikelen, brochures enz. aan pedagogisch nieuws, pedagogisch-didactische opvattingen. Wel zoveel mogelijk bezien tegen de achtergrond van de vrijeschoolpedagogie. Het is niet mijn bedoeling een onderwerp helemaal te bespreken, of te analyseren.

[1] Engels leren om Nederland een betere concurrentiepositie te geven in de wereld of gaat het veel meer om het ‘universeler’ worden van de mens.

[2] Nu de vrijescholen al lang niet ‘vrij’ meer zijn – zijn ze het ooit geweest? – zegt directeur Bart van Dam (vs. Leiden}: ,,Het vrije staat voor dat we leerlingen willen opvoeden tot vrije mensen, die zelfstandig zijn en zelf hun verantwoordelijkheid nemen’. Hoe gaat dat dan in de praktijk? Pedagogie of diplomacratie!

[3] De overheid claimt de term ‘excellente’ school. Zoals ze eerder al ‘zwakke of sterke’ school monopoliseerde. Vrijescholen kunnen met de ene bril op bv. ‘zwak’ zijn; wordt de andere bril gedragen ‘excellent’ (of omgekeerd!)

[4] Cito- en andere toetsen waren ooit héééél belangrijk. Nu al en in de toekomst nog meer: veel minder. Waar blijft het eigene van de vrijeschool in deze opgedrongen chaos?
Meer over toetsen:  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92]  [96]

[5] Woordvoerder van leermiddelenindustrie heeft liever dat de kleuters leren; de hart-en-ziel kleuterjuf liever dat ze spelen………

[6] Euritmie als vak dat alle vakken steunt’ beweert een brochure van de Vereniging van vrijescholen. Maar uit de bovenbouwen is het nagenoeg verdwenen. Wie slaapt hier?

[7] Muziekdeskundigen over de waarde van muziekonderwijs. En dat er op de Nederlandse scholen te weinig muziekonderwijs is. De vrijescholen worden niet genoemd. Steiner over muziek.
Zie [7]  [10]  [24]  [26]  [66]  [99

[8Is wetenschap een spel dat jongere kinderen moeten spelen? Fenomenologie als ‘wetenschapshouding’ opnieuw in de belangstelling.

[9] De Chinese onderwijsdeskundige Yong Zhao spreekt behartenswaardige woorden over onderwijs en opvoeding. Interessant is dat hij – waarschijnlijk zonder dit te weten – gedachten onder woorden brengt die Rudolf Steiner een kleine eeuw geleden al uitsprak.

[10] Muziekdeskundige over ‘zingen in de klas’. En dat er op de Nederlandse scholen te weinig wordt gezongen. De vrijescholen worden niet genoemd. De deskundige verlangt niet meteen ‘kunstenaars’ voor de klas. Steiner wel! Zouden de vrijescholen op muziekgebied daarom zo voorlopen? (Of in inspectietermen: zo sterk zijn?)
Zie [7]  [24]  [26]  [66]  [99

[11] Een onderwijzer zoekt ‘de sleutel tot het kind’; de Japanner Kanamori wil dat kinderen ‘glanzen’ en gelukkig zijn. Rudolf Steiner noemt het kind ‘een raadsel dat we iedere dag, ja ieder uur zouden moeten oplossen’. Krijgt ‘echte opvoeding’ nog een kans in de ‘kennis-economie’?

[12] Van een encyclopedie verwacht je dat de artikelen objectief zijn geschreven. Ook van de digitale Wikipedia. Het artikel over de vrijescholen is echter geschreven door een fanatieke tegenstander van de vrijeschool die geen middel onbeproefd laat om ze in een kwaad daglicht te stellen.

[13] Worden wie je bent‘ is een mooie omschrijving van wat je als vrijeschool voor je leerlingen beoogt.
Randstad uitzendbureau  ziet er ook wel wat in……

[14] Een moeder komt met haar huilbaby bij een therapeute. Ze hoort opmerkelijke dingen…..

[15] Nu zelfs vrijescholen – die toch als geen ander iets over ‘beelden’ weten, zich laten meeslepen in de ‘discriminatie-discussie’, is de verbleking van Sints wederhelft- naar het lijkt – ook op de vrijescholen begonnen….

[16] Jonge kinderen leren vooral wanneer ze echt – d.i. spontaan – kunnen spelen. Het bedenkelijke van voor-schools onderwijs….

[17] Op veel kinderen heeft het onderwijs zo’n invloed dat ze stressverschijnselen vertonen, met buikpijn en daarvoor zelfs in het ziekenhuis terecht komen…..

[18] Claire Boonstra pleit voor een andere kijk op onderwijs en op kinderen….

[19] Kinderen zijn pas echt kind als ze kunnen bewegen. Dat blijkt wereldwijd zo te zijn.
Getuige het fotoboek van James Mollission ‘Playground’.

[20] Staatssecretaris wil de grondwet wijzigen. 17 vrijescholen dreigen te verdwijnen of zijn deze een voorbeeldfunctie van een ‘pedagogische visie’?

[21] Gemeente Amsterdam wil school voor 0 – 18-jarigen.
De vrijeschool begon ooit als scholengemeenschap voor 4-18-jarigen…….

[22] Jorien uit Gent is enthousiast over antroposofie. En over het onderwijs dat de uitgangspunten in de antroposofie vindt: Jorien schrijft over het…..montessori-onderwijs.

[23] Bioloog Frans de Waal doet uitspraken over diergedrag. Hij noemt ook de octopus. In de 4e klas wordt dit dier in de dierkundeles behandeld. Opmerkelijke overeenkomsten…….

[24] Minister Bussemaker trekt meer geld uit voor o.a. muziekonderwijs. Maar cultuur moet wel in de Cito-toets passen…….
Zie [7]  [10][26]  [66]  [99

[25] De vereniging van vrijescholen heeft een leuk voorlichtingsfilmpje gemaakt. Over de rekbaarheid van ‘leuk’.

[26] Muziekonderwijs verbroedert. Ervaringen in Zeeland, op een niet-vrijeschool.
Zie [7]  [10]  [24][66]  [99

[27] Vrijheid van onderwijs. Volgens Steiner zou het de hoogste prioriteit moeten hebben, maar dat is zo’n 100 jaar geleden! Bij Marianne Luyer – CDA – staat het wel hoog in haar vaandel.

[28] De ‘Oei-ik-groei-app.: ‘vrijeschoolse’ opvattingen. Marjolijn van Heemskerk voegt er als goed waarnemende moeder nog een paar aan toe.

[29] Het programma ‘Droomvogel’ wil kinderen weer laten spelen.

[30] Jacques Vriens, oud-basisschooldirecteur en kinderboekenschrijver maakt bezwaar tegen het woord ‘doorkleuteren’ en pleit voor onderwijs dat recht doet aan de kleuter.

[31] Quasi spiritueel over karma spreken, kan veel onheil aanrichten. En een kind verdrietig maken. Dat kan nooit de bedoeling zijn van vrijeschoolpedagogie.

[32] Bij Zwarte Piet mag al jaar en dag geen roe.’ Opvoedkundig niet verantwoord’. Wat zien kinderen van 7 à 8 jaar dan?

[33] ‘Onderwijs zonder principes kan eigenlijk niet’, vindt leraar Rene Kneyder.
De vrijeschool heeft volgens hem die principes: euritmie, natuurverheerlijking en met een bloemenkrans op dansjes doen’.

[34] Woorden hebben waar de baby bij is, blijft daar iets van hangen?’
Interessante ervaringen, vooral tegen de achtergrond van Steiners opmerkingen over het kleine kind: ‘het is een en al zintuig!’

[35] Componist Louis Andriessen (1939) over wat hij in zijn leven heeft ervaren. Waar gaat het in de opvoeding eigenlijk om?

[36] Er is veel dyslexie. men weet niet wat het is. Helpen Steiners opvattingen?

[37] Verdwijnt het handschrift? En is dat erg?

[38] Erica Ridzema betoogt dat de kleuter ‘niet kan blijven zitten’ en dat ‘doorkleuteren’ een verkeerde term is: het kind gaat gewoon door met zijn ontwikkeling. Daarvoor moet het ruimte krijgen. Weg met onzinnige toetsen (en beleidsmakers)

[39] Suzanne Groeneveld over ‘voorlezen’. Hoe waardevol is vertellen.
Niet in de ogen van een inspecteur!

[40] ‘Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat kleuters beter gaan spreken als ze worden voorgelezen (uit prentenboeken)’.
Op de vrijescholen – ook in de kleuterklassen – staat ‘vertellen’ al vanaf het begin (1919) hoog aangeschreven

[41] In zijn afscheidsrede als hoogleraar pedagogiek beweert Mischa de Winter dingen die Steiner zo’n kleine 100 jaar geleden ook al opmerkte. Ik neem aan dat De Winter Steiner niet ongenoemd citeert.
Dan mogen we Steiners opmerkingen wel héél actueel noemen!

[42] Autisme: psychiaters wijzen op ‘te weinig spelen en te veel scherm’

[43Prof. Ervin Laszlo is wetenschapper, filosoof, musicus en auteur. Hij werd meermalen onderscheiden voor zijn inzet voor het verbeteren van de mondiale verstandhouding. Hij ziet het als waardevol ‘dankbare gevoelens t.o.v. de aarde te koesteren. Zoiets als de vrijeschoolochtendspreuk, lijkt het.

[44] Jenaplanschool raakte in de ogen van een schoolleider door ‘meer aandacht voor rekenen en taal mooie concept kwijt’.

[45] Psychiater mevrouw Binu Singh ziet de kinderen als brein die een breinleerkracht nodig hebben. De kinderen in je klas zijn een lichting breinen.
Naast dit breinfestijn zegt de psychiater ook zeer behartenswaardige dingen, die de vrijeschoolpedagogie al sinds jaar en dag beweert – dat dan weer wel!

[46] 100 jaar Grondwetsart. 23: vrijheid van onderwijs; 100 jaar Driegeleding van het sociale organisme – vrijheid van onderwijs; 100 jaar vrijeschool: ieder voor zich en de Staat voor ons allen.

[47] Vooral de grote steden willen vooral meer ‘roetveegpieten‘. Maar dat kunnen alleen blanken zijn: op een donker getinte huid zie je ze niet. Je wordt dus buiten gesloten door je huidskleur. Dat heet discriminatie en dat mag niet van de Grondwet. Een weldenkend mens discrimineert niet – wel of geen Grondwet!

[48] Wie Steiners uitspraken kent over het hoofd en de handen, kan zich wel vinden in enkele opvattingen van cabaretier Pieter Derks.

[49] Er bestaat ‘blokkendoosbouw‘ en organische bouw. En sommige vrijescholen mogen nieuw bouwen.

[50] Het is kennelijk nodig dat er een  ‘Platform “Met ons kun je Schrijven en Lezen”’.: moet worden opgericht dat zich bezig houdt met ‘schrijven en lezen op de vrijeschool’. Het heeft er alle schijn van dat dit gebeurt – niet ter verdieping of vervolmaking – maar ter verdediging.

[51] Ingrid Boelens – ervaren vrijeschoolleerkracht – roept de Begeleidingsdienst voor vrijescholen ter verantwoording. Waarom een methode propageren die niet strookt met de vrijeschoolpedagogie: de methode Schraven?
En het verdriet van een oud-vrijeschoolleerling en ouder  over de teloorgang van een wezenlijk stuk vrijeschoolpedagogie.

[52] Om kinderen te laten wennen aan een geschreven woord, bijv. ‘koe’ wordt er een plaatje bij vertoond van een koe; deze signaalplaatjes worden ook op vrijescholen gebruikt. In hoeverre speelt de gedachte nog mee ‘dat onderwijs kunstzinnig’ moet zijn? En wat te denken van Steiners opmerkingen over ‘banaal aanschouwelijkheidsonderwijs’?

[53] Met grote regelmaat verschijnen er opiniestukjes over kind en en spel. Mevrouw Kooijman – haar kinderen van 4 en 6 zijn na een schooljaar ‘écht aan vakantie toe’ -pleit voor meer spelen, zelfs voor een ‘lummeltijd’.

[54] In China wordt een proef gehouden met camera’s in een middelbareschoolklas. Dat zou goed zijn voor de motivatie van leerkracht en leerling. Welke onvrijheid heeft dat als gevolg?

[55] Ondanks pestprotocollen en grote media-aandacht voor de impact van pesten, zouden kleuters – er wordt gesproken over groep 1 – steeds op jongere leeftijd pestgedrag vertonen? Schiet de opvoeding tekort of zijn we als mens ‘gewoon’ pestkoppen?

[56] Wanneer een kind lezen heel moeilijk vindt en bang is te falen, kan een luisterende hond uitkomst bieden. ‘Die lacht je niet uit!’

[57] De betekenis van ‘vrije’ in ‘vrijeschool‘ wordt soms ‘eigentijds’ gebruikt – [zie Opspattend grind 2]. Nu ook in Haarlem.
In Delft weet men nog wat het betekent.

[58] Juf Naomi Smits heeft geen Cito-toets nodig. Ze weet als leerkracht dondersgoed welke stof de kinderen onder de knie hebben, waar ze in uitblinken en waaraan nog extra aandacht moet worden besteed.

[59] Columnist Bas Scheepers pleit ervoor dat de kinderen in de vakantie lekker spelen en bouwen. Dat n.a.v. het feit dat twee juffen een ‘kennis-bijhouden-programma hebben ontwikkeld voor in de vakantie: opdat de kinderen niet ‘dommer’ terugkomen.

[60] Neuropsycholoog Erik Scherder vindt dat kinderen veel te weinig bewegen. Zeker ook op school. Een pleidooi voor verplicht bewegen! Maar het kan ook al bij rekenen: ‘los de sommen springend op’.

[61] De mens is een machine; wij zijn ons brein, enz.: de mens als een ding. En het hart dus een pomp. Voorzichtig wordt deze mening bijgesteld: men spreekt nu over ‘een gevoelige pomp’. Dankzij dokter Sandeep Jauhar.

[62] In 1905 formuleerde Rudolf Steiner zijn ‘sociale hoofdwet
In 2019 bezitten op een wereldbevolking van 7.670.000.000    26    mensen evenveel als 3.800.000.000 mensen die tot de armsten behoren.

[63] Engels geven aan kleuters zou zinloos zijn: het sorteert geen effect. Aldus onderzoek. Maar hoe zit het met de gebruikte methode(n). Een leraar Frans heeft zo zijn eigen opvatting en ervaring!

[64] Docent Pieter Abrahams vindt de Cito-toets zwaar achterhaald.

[65] Kritiek hebben mag; het ergens mee oneens zijn ook.
Maar de opmerking van auteur Tommy Wieringa gaat alle fatsoensperken te buiten: hij is smerig!

[66] Het muziekonderwijs op de vrijescholen is veelal van een uitstekend niveau. Maar ook blokfluit spelen moet wel zo professioneel mogelijk aangeleerd worden!
Zie [7]  [10]  [24]  [26] [99

[67] Er wordt een petitie aangeboden aan de 2e Kamer om EHBO-les in het onderwijs in te voeren. Op de 1e vrijeschool in Stuttgart werd dit in de jaren 20 van de vorige eeuw al gegeven en ook in Nederland in de 10e klassen van de bovenbouw.

[68] Sieneke Goorhuis ziet de afkorting VVE voor Voorschoolse en Vroeg-schoolse Educatie liever veranderd in Verwonderen, Verkennen en Experimenteren.
Voorschools leren heeft geen effect, erger nog: het levert minder sociaal gedrag en minder initiatiefkracht op. Vrij spelen is essentieel.

[69] Hoe – nu bij monde van Statenlid Jeurink het niet-vaccineren aan de vrijeschool wordt gekoppeld. Dat is niet terecht. Ze heeft het over ‘desastreuze gevolgen’. Of dat terecht is?

[70] Schrijfster/columniste Saskia Noort probeert ‘lollig-kritisch’ over de vrijeschool te schrijven. Ze kletst maar wat – feitelijk nauwelijks op de hoogte – en bevestigt opmerkingen van een recensent bij het verschijnen van een van haar romans.

[71] Weer gedoe over de toets: de minister wil het anders dan het Centraal Planbureau en de Tweede Kamer. Maar hij luistert nu naar de docenten: hij vertrouwt hun oordeel. Dat is heel wat, maar nog lááááááng geen vrijheid van INrichting.

[72] Terwijl ergens in Nederland gefietst wordt om geld in te zamelen voor de genezing van kanker, zitten ergens in Nederland moslimkinderen te leren dat sommige Nederlanders gerust mogen sterven.

[73] De vereniging tegen de kwakzalverij moet niet veel hebben van o.a. antroposofie. Als pleitbezorger van een allopathische geneeswijze gaat ze stelselmatig voorbij aan de negatieve gevolgen van de zgn. als ‘wetenschappelijk’ te boek staande medicijnen. Deze middelen kosten jaarlijks aan honderden mensen het leven. Daarover hoor je de vereniging niet.

[74/1]
Over het sinterklaasjournaal: een ouder/kleuterjuf schrijft een brief aan het NOS-journaal: veel angst, onrust en stress bij de kinderen, vooral als iets niet goed afloopt.

[74/2] De brief kwam ook in de vrijeschoolfaceboekgroep te staan: een bloemlezing van de vele reacties.

[75] Minister Arie Slob wil het onderwijs 30% meer vrijheid geven. John Hoogervorst bekijkt deze vrijheid vanuit de invalshoek van de driegeleding.

[76] ‘De’ onderwijskoepel komt met een met enthousiast ontvangen standpunt: de kinderen op de middelbare school niet meteen indelen naar intelligentie, maar alle leerlingen bij elkaar’. 
Een basisgedachte van de vrijeschool – om zeep geholpen door overheidsmaatregelen – wordt als een novum binnengehaald. 

[77] Zeister vrijeschooldocente: wij zijn bijna een ‘mainstream’ school. Het eigene dreigt onder te sneeuwen; we zijn braaf voor de inspectie; ‘gewoner’ voor meer ouders: de vrijeschool is populairder dan ooit.
Groei door minder vrijeschool(s)?

[78] Juf Naomi Smits [zie 58] slaat weer een (vrijeschool)spijker op de kop: ‘Den Haag bepaalt niet wat ik in de klas doe’. De populaire vertaling van: vrijheid van onderwijs, ofwel wat ‘vrije’ betekent in ‘vrijeschool’.

[79] N.a.v een promotieonderzoek over het rendement van toetsen bij jonge kinderen: dat is er nauwelijks. De toets gaat nooit over het ware wezen van het kind. Of zoals Wim ter Horst† het uitdrukte: nooit over het eigene, het geheim, de Ware Aard van het kind.

[80] Ontwikkelingspsycholoog Ewalt Vervaet signaleert op het gebied van leren schrijven en lezen een schijf- en leesonrijpheid bij de jonge kinderen. Dat moet anders. Dan zal ook de werkdruk en het lerarentekort in het onderwijs afnemen

[81] NPO radio1 heeft een nachtprogramma met de de titel: ‘Duistere figuren in het daglicht’. Tot die duistere figuren wordt ook Rudolf Steiner gerekend. Geschiedenisdocent Boike Teunissen mag het licht werpen. Maar hij komt niet verder dan een zielig gesleep met een lantaarntje dat een flauw schijnsel verspreidt…..

[82] Door de coronacrisis konden middelbare scholieren niet naar school. Hoe was dat voor hen? School als rem op ontwikkeling?….

[83] Het gebeurde vaker: een misleidende uitleg over het ; vrije’ in vrijeschool. Zie ‘opspattend grind’ [2]. In Ede slaat Maartje ter Beek de plank mis.

[84] Het ABP ontvangt voor de ambtenaar pensioenpremie. De ambtenaar heeft geen zeggenschap over waar het geld in wordt belegd. Ja, waarin eigenlijk?

[85] In deze coronatijd beginnen veel mannen te breien. Op de vrijeschool was dit vanaf de start gewoonte en niet iets vreemds. ‘Het is goed voor de ontwikkeling van de hersenen’, aldus Steiner toen en de hersenwetenschap nu.

[86] In het onderwijs wordt te weinig bewogen. Bedroevend dat er ‘een week van de beweging‘ moet bestaan om het belang van bewegen voor het onderwijs in te zien. Van de vrijeschoolpedagogie valt op dit gebied (ook) veel te leren.

[87] Docente Gerda Harleman legt de vinger op de zere plek: onderwijskwaliteit is verworden tot onderwijskwantiteit: prestaties, scores, cijfers. Voor haar is docent-zijn véél meer. Wanneer zou ze volledig zó in haar beroep kunnen staan. – Als er echte, inhoudelijke vrijheid van onderwijs is – zeg ik.

[88] Een aantal kinderopvangprofessionals spreekt met de Tweedekamer.
Onderwerp: ‘vroeg leren funest voor ontwikkeling jong kind‘.
Dat onderwerp kwam hier vaker aan de orde: [16]  [38]  [53]  [68]
Zolang er geen echte vrijheid van onderwijs is, bepaalt de regering(s)coalitie en controleert de inspectie.

[89] Voor hoogleraar Bekkering werkt ons Nederlands onderwijssysteem niet. Hoe het wel zou moeten werken, toont opvallende overeenkomsten met het vrijeschoolonderwijs.

[90] Voor juf Hanegraaf moet het kind weer centraal. ‘Kijk naar het kind en laat die toetsen zitten.”
Over toetsen: [4]  [71]
Andere mooie gedachten: [9]  [11]  [18]  [29]  [58]  [78]

[91] Vele jaren wordt ons voorgehouden dat we als mens van de aap afstammen. Prof. Vreecke (universiteit Leuven) wil af van deze opvatting.
Zijn de uitspraken als ‘wij en de andere dieren‘ en de vele variaties daarop nu pseudo en/of nepnieuws?

[92] Toetsen: ‘bleke snoetjes; stress; kindermishandeling‘, zomaar wat opmerkingen die het programma Pointer optekende bij het onderwerp ‘toetsen’.

[93] Denken: doen wij het of ons brein. ‘Wij doen het, zegt auteur Arie Bos; ‘het brein kan niets’, zegt columnist Bert Keizer. Verhelderende gezichtspunten over het geest-materiedilemma.

[94] 2e-Kamerverkiezingen 2024. Wat staat er eigenlijk in de verkiezingsprogramma’s van de deelnemende partijen over het onderwijs?

[95] Emille van Opstaltens boek ‘Op ooghoogte‘ gaat over filosofische vragen aan kinderen. Nu blijkt de verbeelding een grote rol te spelen en volgens de schrijfster is die zeer gebaat bij ‘verhalen vertellen’  (met een pleidooi voor sprookjes!)

[96] De eindtoets vervangen door de doorstroomtoets.
Op de achtergrond blijven deze gezichtspunten actueel:
[4]  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90] [92]

[97] Het onderwijs schiet weer eens tekort. Dus pleit de hoofdinspectrice voor nog meer rekenen, taal en burgermanschap. Gelukkig gaat ook veel goed, dus ‘we kunnen van elkaar leren’. Moet de vrijeschoolleerkracht nu leren hoe het intellectualistischer kan of leert hij de ander hoe het kunstzinniger moet.

[98] Journaliste Daphne van Paassen uit kritiek op de vrijeschool. Meer dan ‘van oude koeien en open deuren, de dingen die maar niet begrepen worden’ is het niet. De vraag die zij in de kop van haar artikel stelt, lijkt mij niet beantwoord te worden.

[99] Pabo-docenten pleiten voor meer muziek: het zou ook helpen beter te rekenen; over het positieve effect van muziekonderwijs op de hersenen; nieuwe plannen om het muziekonderwijs te verbeteren.
Meer over muziek:  [7]  [10]  [24]  [26]  [66]

[100] Juf Maxe de Rijke wordt (weer) geconfronteerd met ‘meer taal, meer rekenen’. Maar zij vindt de emotionele ontwikkeling van het leerlingen minstens zo belangrijk.

[101] Juf Maxe de Rijke over de doorstroomtoets die niet meet wat belangrijk is, nl. wat je nog in je mars hebt; de toets zou de ontwikkeling van het kind moeten dienen.
Meer over toetsen in deze rubriek: [4]   [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92]  [96]

[102] In Made gaan ouders met kleintjes veel meer bewegen; de noodzaak daarvan belicht vanuit WHO en GGD; op kinderdagverblijven is de beweging onder de maat.
IK zeg: niet op vrijeschool/antroposofische dagverblijven!
Zie:  [19]  [60]  [86]

[103] Een experiment met een 4-jarige en een marshmallow leidt tot de conclusie dat intellectuele vorming veel minder zegt over een toekomst dan een wilskrachtige. Doorzettingsvermogen: daar draait het om! Het artikel rept met geen woord over hoe je dat vermogen ontwikkelt. 
Opvoeding van de wil loopt als een rode draad door het vrijeschoolonderwijs (maar dat vind je niet in het artikel).

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

708-645

.

.

.

.