Tagarchief: touwtjespringen

VRIJESCHOOL – Leren lezen en het belang van motorisch vaardig zijn

.

Philia de Vries, leerkracht euritmie
.

Leuke spelletjes voor in de vakantie ….
en ook aan de leer- en leesvoorwaarden van je kind werken, het kan!
.

Inleiding

Ik kwam op een symposium een leuk boek tegen, dat heet: ‘Dyslexie en
touwtjespringen’, geschreven door Marijke van Vuure.
Het zag er heel praktisch uit en omdat ik net allerlei bewegingsspelen had gedaan, sloot dit mooi aan bij mijn stemming en behoefte om te kijken hoe ik met oefeningen in de euritmieles ook daarop kan aansluiten, als hulp!

Tijdens het lezen viel me op dat er heel veel dingen die zij noemt daadwerkelijk al in het vrijeschoolonderwijs verankerd zijn. Zo zie je maar, denk ik dan, dat Steiner zijn tijd ver vooruit was, of met andere woorden dat hij wist dat het kind van nu, deze pedagogische inzichten heel hard nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen.
Want op een enkele uitzondering na zitten kinderen van deze tijd heel anders in hun vel dan 100 jaar geleden!

De insteek van Marijke van Vuure is dat je als ouder al veel kan doen aan het voorbereiden van je kind op zijn leesvaardigheden door oefeningen te doen die aan deze vaardigheid ten grondslag liggen!
Zelf werkt ze in een programmaatje met kinderen m.n. aan deze vaardigheden, maar geeft daarnaast heel kort en bondig uitleg over deze vaardigheden en het hoe en waarom van het oefenen.
Omdat ze het zo belangrijk vindt, vult ze dit boek aan met een 14-wekenplan, waarin een ouder of andere volwassene met een kind aan deze voorwaarden kan gaan werken.
Aan de hand van de ontwikkeling van de ‘hersenbalk’ tussen de linker- en rechter hersenhelften is in het boek een afbeelding van de hersenen getekend, van bovenaf gezien die laat zien welke ‘route’ er genomen moet worden om tot die leesvoorwaarden te komen. Vanaf het leren onderscheiden c.q. ‘zien van een letter’ tot ‘begrijpend lezen’ wordt een pad afgelegd door de verschillende hersenhelften heen. Wanneer hier fases overgeslagen zijn, ontstaan er soms ‘omwegen’ (in de jungle!) waardoor het voor het kind zeer lastig wordt om ‘makkelijk’ tot lezen te komen.
Door die gebieden als nog te ontwikkelen door bewegingsoefeningen, bied je het kind de mogelijkheid om de route te vinden die hersentechnisch efficiënter werkt.
Dyslectische kinderen, geeft ze aan, zullen misschien altijd wel moeite
houden, maar een aantal blokkades op die weg kunnen wel ‘vereffend’ worden, zodat het kind minder belast wordt in dit proces.

Zo rond de leeftijd van zes jaar zijn bij de meeste kinderen de verbindingen die nodig zijn om te leren lezen, aanwezig en goed ontwikkeld. Dit is exact de leeftijd waarop kinderen in Nederland en België leren lezen. Maar hier ligt vaak de oorzaak van een leesprobleem: bij veel zesjarige kinderen zijn de nodige verbindingen nog niet aanwezig of zijn ze onvoldoende ontwikkeld.

Schematische voorstelling van de indeling van de hersengebieden.
(de roodgekleurde gebieden zijn nodig bij het lczen.

Rechtsachter:  het herkennen van tekens/vormen/patronen (het zien gebeurt in hersenhelften achter
Linksachter: letters worden omgezet in klanken, in woorden en zinnen; ook. begrijpen van taal
Rechtsvoor: het snel ordenen van materiaal (letters/woorden; ook: betekenis geven
linksvoor. articuleren/uitspreken; ook: het formuleren van zinnen, het snel woorden vinden

In haar praktijk werkt ze verder met Meskerborden, waarbij tweehandig getekend kan worden opzij van een bord en met de Davies-methode, waaronder het kleien van de letters.
Bij het lezen viel me op dat er veel spelletjes beschreven werden waarvan ik dacht, wauw leuk, die kan je juist ook heerlijk op vakantie inzetten! Dus vandaar dit artikel in de schoolkrant, waarbij naast uitleg en toelichting van haar, ik
er ook op wijs hoe op school vanuit het leerplan al aan deze voorwaarden gewerkt wordt.

De schoolrijpheid in samenhang met de ontwikkeling van de hersenstam

Het kleine kind maakt als baby, peuter en kleuter verschillende motorische fasen door, die rond de schoolrijpheid afgerond zouden moeten zijn. Op de vrijeschool wordt standaard (naast de emotionele ontwikkeling) d.m.v. verschillende testjes gekeken of het ‘schoolrijpe kind’ dit min of meer ‘onder de knie’ heeft.
Het gaat hier, zo wijst van Vuure erop, om de rijping en ontwikkeling van de hersenbalk. Die begint met de ontwikkeling van de grove motoriek in de baby-, peuter- en kleuterjaren en wordt naarmate het kind schoolrijp wordt, tot in de fijne motoriek ‘verfijnd’.

Fase 1: Rechts en links kunnen afwisselend bewogen worden.
Bv. kruipen, fietsen, klimmen e.d.
Deze fase begint al voor de geboorte in de baarmoeder!

Fase 2: Links en rechts bewegen tegelijkertijd (symmetrische fase).
Deze fase vereist een goed samenwerken van beide hersenhelften (en armen/benen) en begint al vanaf 4 maanden met bijvoorbeeld iets echt vast  kunnen houden!
Voorbeelden van waarin dit geoefend wordt zijn: vanaf het ‘in je handen kunnen klappen’, schommelen en schommelen op een hobbelpaard, touwtjespringen, zwemmen enz. als fasen waarin het kind zich verder ontwikkelt.

Fase 3: Links en rechts maken verschillende bewegingen en hebben elkaar nodig.
Het is de fase van vaardigheden als: zelf aankleden, veters strikken, knippen met een schaar, plakken enz.

Zijn op een of andere manier deze fasen nog niet geheel doorlopen of zelfs overgeslagen, dan kan het kind bij het lezen hiervan last van hebben: het lezen van de letters, het volgen van de leesrichting met de ogen, geven dan o.m.
problemen. Je vraagt dan iets van het kind dat het met zijn ‘instrument’ nog niet kan, nog niet geoefend heeft!

Marijke van Vuure zegt hierover:
Een kind van 5 jaar gebruikt vaak nog zijn linker- of rechterhersenhelft en beleeft zijn rechter-linker lichaamshelft ook als hetzelfde. Zie het bekende ‘spiegelschrijven’. Bij het verder ontwikkelen van de hersenbalk, ontstaan verbindingen waardoor het leert dat er verschil is tussen links of rechts. Rond het 8ste jaar moet dit proces afgerond zijn.

Rudolf Steiner spreekt o.a. in ‘De opvoeding van het kind’ [1] over het einde van de eerste zevenjaarsperiode (0-7 jaar); dat dan pas de krachten vrijkomen om echt te gaan leren! [2]
Dus hier zie je hoe nauw die ontwikkeling is in samenhang met de ontwikkeling van onze hersenen.
In een heel ander verband wijst Rudolf Steiner op het volgende:
Juist doordat we links en rechts apart kunnen inzetten in onze dagelijkse handelingen, brengt dit ons op het niveau dat een stap verder gaat dan die van de dierenwereld. We zijn niet zo knap in die ene beweging, maar hebben de
mogelijkheid ons daarentegen ‘veelzijdiger’ te oefenen.

Grove en fijne motoriek

Marijke van Vuure: Het trainen van de fijne motoriek heeft invloed op de leesvorderingen. Het is dus zeer aan te raden om de fijne motoriek te trainen als er problemen zijn met lezen.

Op de vrijeschool is er vanaf de peuterleeftijd en zeker in de kleuterklassen en ook nog in de 1e klas, naast het beoefenen van bewegingsspelen, ook veel aandacht voor gebarenspelletjes en vingerspelletjes.
In de 1e klas wordt vaak geoefend met het gekruist uitvoeren van rechts/links in een concentratie-oefeningen zoals: raak met je rechterhand je linker hiel aan, enz. [3] Deze oefeningen helpen het kind zijn lijf goed te harmoniseren, zodat ziel en lijf goed één worden!
Rudolf Steiner wijst op het belang van het werken tot in de vingertoppen, voor de ontwikkeling van de hersenen.
De versjes en liedjes thuis, in de peuter- en kleuterklas of opvang ondersteunen daarin en hebben hun vervolg in knutsels, verfkwast hanteren en vooral handwerken en handenarbeid.
In de kleuterklassen vind je dit extra werken hieraan in de portfolio-werkjes die de oudste kleuters maken, zoals weven en naaien e.d. Dit is iets wat in de handwerklessen vanaf klas 1 doorgaat: Rudolf Steiner benadrukte namelijk steeds weer, dat het zo belangrijk is dat ook jongens (voor die tijd zeer revolutionair!) en meisjes handwerken hebben en vooral leren breien, omdat dit op de ontwikkeling van de rechter- en linker hersenhelft doorwerkt!
In de euritmie worden al deze fasen + de fijne motoriek zowel bij de kleuters als ook in de onderbouw steeds weer geoefend. Zo blijkt vaak dat een eenvoudige oefening als het ‘aantippen van je vingers met je duim’ in een 3e klas
ineens weer reuze moeilijk te zijn!
Wat betreft de ontwikkeling van de grote naar fijnere bewegingen, zegt van Vuure:
Als er een beroep wordt gedaan op de vingers en de ontwikkeling van de elleboog of pols is overgeslagen, ontstaat er iets krampachtigs. Schrijven kost dan moeite. Er wordt dan van het kind verwacht dat hij iets met zijn vingers doet, maar
hij heeft dat gevoel nog niet in zijn vingers -via de hele arm dus (red.)- ontwikkeld.

Ontwikkeling van de zintuigen

De ontwikkeling van het bewegen hangt dus samen met de ontwikkeling van de hersenen en tenslotte de helften via de rijping van de hersenbalk. Door te bewegen worden ook de zintuigen gestimuleerd. We kennen er normaal vijf die al benoemd werden door Aristoteles: voelen, zien, horen, ruiken en proeven.
Steiner geeft er zelfs twaalf [4] aan, als poorten naar de wereld, waarbij hij er steeds vier beschrijft voor de onderste, middelste en bovenste zintuigen die zich op een steeds hoger plan verder ontwikkelen tot het 21ste jaar [5].
Voor de eerste 7 jaar beschrijft hij hoe juist deze onderste vier zintuigen van belang zijn, om ook de andere goed te kunnen ontwikkelen!
Hij noemt ze tastzin, bewegingszin, evenwichtszin en levenszin. In het kort, datgene wat je
nodig hebt om je in welbevinden en evenwichtig het leven in de basis aan te kunnen.
Bij het lezen van het boek ‘Dyslexie en touwtjespringen‘ wordt duidelijk dat van Vuure bewust werkt met de bekende 5 zintuigen om de ontwikkeling van het leren te stimuleren.
Op de vrijeschool is het werken met de zintuigen vanuit de 12-delige indeling uitgangspunt van alle activiteiten in de klassen. Zo kunnen – naast de basis(wils-)zintuigen tastzin, bewegingszin, evenwichtszin en levenszin die m.n. in de kleuterklas gebruikt worden voor de opbouw van het fysieke lichaam – ook  de reuk-, smaak-, zien- en warmte/temperatuurzintuigvermogens in de onderbouw (klas 1 t/m 6) verder ontwikkeld worden en de gehoor-, woord-, ik- en denkzintuigen daarna in de bovenbouw.

Marijke van Vuure zegt in haar boek over de zintuigen het volgende:
– Ieder mens heeft zijn eigen voorkeur welk zintuig hij gebruikt om informatie op te nemen. Je kan spreken van een auditief geheugen, een visueel- en een tactiel geheugen, dus wat we voelen. Voor ieder mens geldt, hoe meer zintuigen we gebruiken hoe beter we iets kunnen opnemen en onthouden. Zintuigen werken vanuit de verschillende gebieden in de hersenen.
Marijke van Vuure beklemtoont, dat het geheugen pas optimaal werkt wanneer ‘alle vijf zintuigen’ goed ontwikkeld zijn, want ‘willen weten en onthouden’ doen we door ons hele lijf! [6]
Bewegen, spelen (het liefst buiten in de
natuur!) maakt dat deze zintuigen zich optimaal kunnen ontwikkelen. Dus haar advies is: Veel spelen en lekker naar
buiten!

Ruimterichtingen

Van Vuure wijst erop, dat behalve links/rechts, ook het oefenen van voor/achter en boven/onder zeer essentieel is voor de ontwikkeling van onze hersenen. Een hulpmiddel is het Meskerbord, waar je met twee handen tegelijk links en rechts vormen oefent.
Een voorloper hierop is op de vrijeschool het ‘vormtekenen’. Niet voor niets wordt m.n. in de 2e klas dit ‘spiegelen’ extra geoefend.
Maar ook in de euritmie worden dit spiegelen en de ruimterichtingen steeds weer geoefend: Zowel aan
de eigen gestalte als bij het lopen van vormen in de ruimte.
Van Vuure wijst op het belang van het fenomeen dat iedereen wel kent, ‘de spiegelende omkering van letters en cijfers’ bij een kind [7. Ze geeft nogmaals aan dat oefenen met de ruimterichtingen helpt de juiste verbindingen in de hersenen tot stand te brengen. Vandaar de titel van haar boek.

Hersenontwikkeling bij jongens en meisjes

Marijke van Vuure: Al tijdens de zwangerschap gaat de ontwikkeling en rijping van de hersenbalk bij jongens wat trager dan bij meisjes. Rond 6 jaar kan dat verschil zelfs een half jaar zijn. Meisjes zijn dan vaak wat voorlijker met fijne
werkjes. Jongens zijn door de wat langzamere ontwikkeling daarom vaak wat later toe aan fijne vaardigheden. Hierdoor kunnen ze rond die leeftijd ook meer problemen ondervinden bij het lezen en schrijven. zie Steiners opmerking dat m.n jongens in de 1e klas ook moeten leren breien!

Drie op de vier kinderen die bij haar in de praktijk komen zijn jongen, dus 75 %. Deze jongens ( uit groep 3 ) hebben ook vaak moeite met touwtjespringen, dus de beweging waarbij je twee handen tegelijkertijd nodig hebt. De
samenwerking van de hersenhelften spelen hier een rol, maar ook gevoel voor ritme en timing. Deze zijn heel essentieel en komen in de verschillende spelen en gebarenspelletjes als vanzelf vanuit de handeling of de taalstroom voort, maar zitten ‘verkleind’ ook in het lezen. Zie hiervoor ook de oefeningen onder ‘samen tekenen’.
In een extra noot voegt ze toe: Wees als ouder alert als je zoon tussen augustus en december geboren is. Hij is dan nog 5 jaar als hij naar groep 3 gaat.
Beter een jaar later leren dan te vroeg beginnen.

Dit sluit aan bij de zorgvuldige overwegingen die op de vrijeschool gemaakt worden over enerzijds de fysiek-vaardige ontwikkelingskant en anderzijds de emotionele ontwikkeling van het kind.
Wat betreft dyslexie is van Vuure geen voorstander van te vroeg diagnosticeren: liever pas als het relevant wordt rond de toetsen en overgang naar het voortgezet onderwijs.

Tot de leeftijd van 8 jaar zou elk kind zich in zijn eigen tempo en op zijn eigen manier moeten kunnen ontwikkelen.
Ook dit sluit aan bij Steiners idee van de eerste zevenjaarsfase, waarin het kind zich tot een schoolrijp kind mag ontwikkelen en de hersenen voor het leren voldoende gevormd zijn, maar ook voor de ontwikkeling daarna pleit, dat
(naast dat aan de leervoorwaarden gewerkt moet worden) het kind zijn eigen tempo mag gaan!
Voor het meer weten over verschillende ontwikkelingsfasen verwijst van Vuure naar het boek ‘Naar school’, van Ewald Vervaet.

De leervoorwaarden en hoe je als ouder hierin kan bijdragen

Voor de voorwaarden van het leren pleit Marijke van Vuure voor een ‘gezonde basis’, zoals hierboven beschreven, daar help je je kind meer mee dan met
almaar oefenen om te lezen, want aan het onderliggende mankement wordt dan niet
gewerkt. Het is fijn om je daarbij te realiseren dat op onze school daar meer inzicht over is en ook bij de ouders!
Als ouder kan je veel doen bij het oefenen van de motoriek, het ontwikkelen van de zintuigen en het trainen van het geheugen.
Hieronder volgen voorbeelden met tips van van Vuure en redacteur.

De zintuigen ontwikkelen:

Zien
Als de ogen niet goed samenwerken, kunnen er vertekende beelden aankomen in de hersenen. Soms kan een bril hierin uitkomst bieden. Tachtig procent van onze zintuiglijke waarneming vindt plaats via onze ogen, maar goed zien moet je leren!
De oogspier kan je trainen:
Bij het beeldscherm komt dit vast te zitten en de oogspieren worden lui, waardoor er 
bij steeds meer kinderen een beperkt gezichtsveld ontstaat.. Kinderen gaan dan radend lezen, omdat ze in de zin de letters en woorden niet kunnen goed kunnen waarnemen. Tijdens het lezen wordt er veel gevraagd van onze ogen, daarom is het belangrijk dat ze optimaal functioneren.
Kan het oog goed volgen, veraf/dichtbij kijken (diepte zien) details zien/herkennen.
Spel en beweging zijn belangrijk.

Marijke van Vuure noemt de volgende spelletjes die je altijd weer ergens kunt doen om de oog-volgbewegingen en diepte goed te oefenen.
Denk aan bijv. een bal gooien en vangen, (stand in de mand, kaatseballen), maar ook hinkelen, knikkeren, verstoppertje
spelen, boompje verwisselen, Annemaria koekoek, tikkertje, bellenblazen enz.
Voor binnenshuis: ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ en andere gezelschapsspelletjes.
Ze wijst ook op het belang van spelletjes met vingerpopjes (of een hoofdje getekend op de vinger) dat gevolgd moet worden, terwijl de ouder en/of het kind een verhaaltje maken, maar ook de knikkerbaan (of er een in het zand maken!), bevordert de coördinatie van de ogen.
Verder heb je in vakantieboeken vaak een keur van lijnvolgspelletjes, die ideaal zijn voor het goed leren onderscheiden van details en de oogspier ook traint, (leert focussen en aftasten van wat het ziet) en ook leuk zijn om zelf te maken!
– nummertje naar nummertje en dan komt er een plaatje uit.
– een dier zoekt eten, met 3 verschillende kronkellijnen
– een doolhof
– zoekplaatjes, of die met zoveel verschillen
– plaatjes waarin een figuur ontstaat als je die inkleurt.
– kleurplaten (of mandala’s) met meetkundige vormen.
– mozaïekvormen leggen

Horen
Ook al kunnen oren op zich goed ‘horen’, echt horen d.w.z ‘luisteren’ is nog een hele kunst. Kan je in al die vele geluiden om je heen nog iets onderscheiden?
Voorwaarde voor het leren lezen is het goed leren onderscheiden van de verschillende klanken; in onze taal. bijvoorbeeld: vullen en veulen, geel en gil.
Het trainen van het gehoor is en blijft soms moeilijk.
Maar ons onderwijs is nog steeds sterk gericht op mondeling gegeven informatie
Kan het kind zich focussen op een stem (bijv die van de leerkracht)?
Kan het kind toonhoogte onderscheiden?
Kan het snelle overgangen horen? Dyslectische kinderen hebben vaak wat meer tijd nodig.
Kan het kind goed articuleren?
Kan het kind informatie vasthouden en herinneren? Auditief geheugen.
Kan het iets horen en meteen nazeggen?

Luisteroefeningen – met ogen dicht
wat hoor ik, benoem de geluiden die je hoort, nadat je eerst even stil geluisterd hebt.
– uit welke richting hoor……
maak een geluidje ….
zoals tikken met een potlood op tafel en vraag waar het vandaan komt…
je kan ook de kraan laten lopen, een stoel verplaatsen, een fluitje, een belletje enz
tik een woord:
steeds als je dat woord hoort mag je op de tafel een klap geven of een belletje, fluitje laten klinken. Bv. ‘kees’, zeg nu langzaam eerst een namenreeks waarin kees steeds terug komt.
Je kan ook voorwerpen, activiteiten zoals zwemmen fietsen enz.
nemen, of een verhaaltje met ‘kees’, maar ook ‘rood’ en allerlei kleuren opnoemen.
rijmwoorden maan-baan; sloot-groot bijvoorbeeld in de auto!
of wat rijmt er allemaal op kip of huis enz.
– noem een kleur die rijmt op boot
of een dier dat rijmt op moe
wat hoort er niet thuis in ….de reeks: hond, poes, viool, schaap en geit
Onderweg doen we thuis vaak dit spel:
– Aanrijgwoorden: dieren en dan steeds is de laatste letter de
beginletter van een nieuw dier dus: duif – fazant – tijger, maar je mag ze niet herhalen!
of met spullen in een school, groentewinkel, steden, rivieren of anderen wateren in in Europa of de wereld enz.

Geheugen

We hebben, zoals al gezegd, drie vormen van geheugen: visueel, auditief en tactiel.
Bij dyslectische kinderen is het auditieve kortetermijngeheugen (en ook het visuele!) vaak minder goed ontwikkeld waardoor ze de opdrachten gauw vergeten. Hun voorstellingsvermogen en het langetermijngeheugen is vaak beter
ontwikkeld. Denk aan uitgebreide beschrijvingen van een verhaal of voorval van lang geleden met veel details.
Leer ze daarin te focussen door opdrachten als:
Kan je het woord zien… en kan je zinnen en woorden onthouden, zowel auditief als visueel? Hiervoor is het spel Memorie ideaal.

Het leren opzeggen van de tafels, het nazeggen van cijferreeksen, versterken ook het geheugen. Mijn moeder kende van elke provincie alle steden, rivieren e.d. in reeksen uit haar hoofd. Bij vaderlandse geschiedenis alle jaartallen. Het gaf haar
altijd weer steun om dingen terug te halen. Op welke scholen leer je nog gedichten of zoveel toneelteksten uit je hoofd?
Alles wat ‘heen en weer’ geoefend wordt, versterkt het geheugen. Dit doen we op school o.m. bij het leren van de tafels en ook in euritmische oefeningen komt dit steeds weer aan bod.
Maar ook een week-, periode-, en jaarritme e.d. werken diep door in het onthouden en als een kader: ze geven houvast in de dagelijkse gebeurtenissen.

Geheugenspelletjes:
– kan je reeksen onthouden die wel of geen verband in de betekenis hebben:
bv. jurk, schoen, sok, broek, jas of groen, tent, cijfer, lego, krijt
Ik ga op reis en neem mee….
of ik ga naar de dierentuin en zie…een aap, een olifant enz.
ik ga naar het strand en zie…
ik heb iemand in mijn gedachten (een dochter zei altijd ‘in mijn hoofd’ dus zeiden wij dan ‘raden: is het een man/vrouw, jongen/meisje, haarkleur, kort/lang, bekende, woont diegene, kan diegene, heeft diegene broers/zussen, hoeveel kinderen: jongens/meisjes enz. vragen die alleen met ja en nee beantwoord mogen worden. Maar dit kan ook met een dier!
– vroeger op de fiets was bij ons een favoriet woorden spellen: de ander moet dan
raden welk woord het is, evt. ook achterstevoren spellen om het moeilijker te maken!
– Maar ook ‘galgje’ is zo’n fantastisch spel: welke letters heb je al benoemd, zijn
er nog, kan je het woord al zien en raden?
– raadsels maken

Samen tekenen als voorbereiding:
Oefeningen die je lekker met elkaar kan doen en binnen als het regent:
Over deze oefeningen schrijft van Vuure: Het kind voelt dat er aandacht en begrip is, dat wekt zelfvertrouwen en maakt wat anders zo moeilijk geoefend wordt, hier tot een vreugdevolle verademing kan worden.
symmetrische vormen tekenen, evt. elkaar op een papier opdrachten geven voor een spiegelvorm, of een vorm afmaken aan een kant, maar dat kunnen ook malle poppetjes zijn zoals een clown. Teken de kleurvlakken die ontstaan
mooi in!
stippen verbinden: verbind op een blad waar op de zijlijnen verschillende stippen gezet zijn, deze met een slinger weg van de ene naar de andere zijde. Doe dit om de beurt en kleur ook hier na afloop enkele vlakken die ontstaan mooi in.
dansen op papier met kort, kort, lang d.m.v kleine hoekjes en een rechte lijn, of boogjes en een boog, of gecombineerd; Steeds ieder om en om, de een tekst ritmisch gesproken meezeggen en tekenen tot er een mooie vorm ontstaat.
zwierige linten. Teken een mooie golf en maak hier meerdere van, maar zet steeds aan bij het beginpunt en eindig op het einde van de golf, dan komt de volgende golf.
maak een lappendeken op papier, door om beurten een vlak te trekken en dit met vormen en kleuren op te vullen.
lapjesdeken tekenen: vlakjes opvullen met motiefjes!
lemniscaat tekenen: teken poppetjes, dieren, planten van lemniscaten
lemniscatenketting: om beurten grijpen ze met hun hoofdje in elkaar. Kleur die!
– teken een liedje: zoals de muziek en tekst over het papier wandelt, met kleine bewegingen bij korte delen en langer bij een grote toon of riedel.
Ten slotte: geeft ze voor de (fijne) motoriek nog de volgende spelideeën:
tollen; jongleren; mikado; domino; klapspelletjes; zie ook cup song oefeningen; bierviltjes vangen.
een bal in balans op een plankje (en andere balansspelletjes als bijv.
aardappel-lopen),
vormen en materiaal raden en wat hoort bij elkaar. Bv. van wat je onderweg vindt!
elkaar spiegelen met bewegingen of met vingers op een tafel. welke til je op of beweeg je: deze + de actie ook laten benoemen!

Tot slot: Oefeningen waarbij coördinatie en beide handen gebruikt worden activeren de hersenhelften en stimuleren deze, waardoor deze zich beter gaan ontwikkelen en gaan samenwerken. Het kind leert hiermee ook de verschillende
functies van de linker- en rechterhand beter kennen in het gebruik. De ontwikkelingsfasen die nog niet goed doorlopen waren, of overgeslagen, komen zo beter in balans.

Hiermee rijkt Marijke van Vuure ons een schat aan mogelijkheden aan om de ontwikkeling van het kind zoveel mogelijk te ondersteunen. Maar wat vooral in het boekje zonder woorden maar in opzet benaderd wordt, is hoe je zelf
als volwassene met je kind(eren) veel plezier kan beleven aan het spelend oefenen.

Hieronder nog een heerlijk spelletje voor onderweg.
Mijn moeder leerde mij vroeger het volgende spel en versje:
De koopvrouw van Parijs:
Ik ben de koopvrouw (-man) van Parijs,
ik heb waren in alle prijs.
Je mag niet zeggen ja of nee,
je mag niet zeggen wit of zwart,
juffrouw /meneer blieft u wat?
Degene die komt kopen wenst een product:
Wij deden altijd een fourniturenzaakje, kleding-, of groentewinkel
De koopvrouw probeert de producten zo aan te prijzen, dat de koper met ja, nee, wit of zwart antwoordt, dan is diegene af en wisselt het spel om.
Dus wilt u graag een rode of een witte sjaal… antwoordt de koper met witte? Moet hij van wol zijn…. is het antwoord ja
of liever niet, of….
.
Marijke van Vuure ‘Dyslexie en touwtjespringen

1. Steiner, R. De opvoeding van het kind
2. Dit wordt door steeds meer wetenschappelijk onderzoek bevestigd en neemt Marijke van Vuure in haar boek (naar ik weet als enige tot nu toe!) mee, zonder dat ze van de gedachten van Rudolf Steiner op de hoogte is, of deze vermeldt. (red.)
3. Audrey MacAllen is hier voorzichter mee. (red.). Zie: AudreyMcAllen. De extra les. (2012) Zeist: Christofoor,
4. helend leren
afzonderlijke-onderwerpen: de zintuigen; de ontwikkeling van de 12- intuigen bij het kind. Voordracht gehouden door Audrey MacAllen te Brugge
5 . Voor de zevenjaarsfasen
6 . Zie het klappen en stampen en springen bij versjes en de rekentafels op de Vrije school. (red).
7 . In mijn scriptie [nog niet op deze blog gepubliceerd (red).

.

Over hand en intelligentie: menskunde en pedagogie art. 5

Zintuigen: alle artikelen

Schoolrijpheid

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL – Kinderspelen en jaargetijden

.

KINDERSPELEN EN JAARGETIJDEN

Een overstelpende fantasie in vorm- en kleurencombinaties spreidt zich ieder jaar weer, vooral in het voorjaar met al zijn bloemen en bloesems, voor onze ogen uit. In iedere plantenfamilie is een rijkdom van vorm, die zich in iedere soort weer anders openbaart.

Wat in een plant het meest in verschijning treedt, is enerzijds het groeien en bloeien en anderzijds het verwelken. Geweldige groeikrachten kunnen uit een eikel een reus van een boom laten ontstaan. Uit iedere bladknop komen ieder jaar weer een aantal bladeren en zo vermenigvuldigt zich 100-, ja 1000-voudig het geheel der bladeren, zo komen b.v. bij een linde uit één knop 5 nieuwe bladeren. En hoeveel knoppen zal hij hebben? Ieder jaar in de herfst vallen deze bladeren weer af en verwelken. Een geweldige dood vaart omstreeks november door de plantenwereld. De groeikrachten die zich in het voorjaar op zo’n grandioze wijze in de planten hebben geuit trekken zich nu weer terug. Leven- en doodskrachten werken in de natuur voortdurend en wisselen elkaar af.

Ook wij mensen zijn ingeschakeld in deze grote stroom van levens- en doodskrachten, opbouwende en afbrekende krachten.

Het kind is in de eerste plaats in de opbouwende stroom ingeschakeld, de grijsaard leeft in het “verwelken”. Als men het kind gadeslaat, dat aan het bouwen is met gewone blokken hout, dan ziet men hoe als een natuurlijke behoefte het verlangen optreedt het ontstane kunstwerk, dat echter veel gevoel voor evenwicht en juiste verhoudingen kan vertonen, dit bouwsel weer overhoop te gooien. De vreugde van het overhoop gooien, is uiterlijk gezien vaak groter dan de vreugde van het opbouwen. Spanning en ontspanning zijn hier de elementen, die het spel beheersen.

Ik heb een tijdlang een kind meegemaakt dat een opgetrokken bouwwerk niet in elkaar wilde gooien. Hoe men het ook probeerde, dit van het kind gedaan te krijgen, het lukte niet. Ik wilde er achter komen, wat er gebeurde, als men dit toch deed. Het kind scheen een innerlijke smart of pijn te ervaren, want het begon te huilen, wat het overigens zelden deed. Het is haast overbodig te vermelden, dat dit een ziek kind was.

Opbouwen en afbreken, dit zijn de natuurlijke levenselementen van een gezond kind. Waar dit niet in harmonische opeenvolging kan gebeuren, wordt het kind ziek.

Overigens treedt dit element bij allerlei spelletjes zeer gevarieerd op.

Neemt men b.v. een van de allerbekendste kringspelen “In Holland staat een huis”. Alle kinderen vormen eerst een kring. Nu wordt de heer gekozen, hij staat in het midden, de vrouw, het kind enz., de kat en de koe, allen komen in het midden te staan, tot de hele kring is opgelost en naar het midden is verdwenen. In het tweede deel van het spel wordt iedereen uit het huis gejaagd zodat nu de een na de ander weer in de kring terugkeert, weer in de kring is opgenomen,. Cirkel wordt middelpunt, middelpunt wordt cirkel… het is één grote ademhaling wat zich daar in de beweging van buiten naar binnen en van binnen naar buiten afspeelt. Nadat dit gebeurd is, wordt ook nog het hele huis verbrand. En wat is het einde van dit spel? … en we bouwen het huis weer op…!

HET VOORJAAR en het ontkiemen en ontspruiten der planten

Ieder jaar verschijnt prompt, nog vóór alle planten uit de aarde te voorschijn komen, het knikkeren (soms nog een keer in de herfst). Er zijn streken waar de meisjes met bonen spelen op dezelfde wijze als hier met knikkers.

En de jongens? De knikkers worden naast elkaar geplaatst in een rij, en met een grotere knikker, die meestal uit lood is gegoten (dat gieten doe je dan zelf) uit de rij gemikt. Bij een voltreffer rollen alle knikkers naar alle richtingen uiteen. Je kunt het wel zelf aanvoelen: het is een spannender gebeuren dan het spel van de meisjes (de bonen in een kuil rollen). Het heeft iets van dat open scheuren b.v. van de kastanjeknoppen, dat soms in één nacht kan gebeuren, na een zachte voorjaarsregen. – Iets later, wanneer de hele natuur zich vol ontplooit, komt het touwtjespringen van de meisjes, dat zeer ritmisch verloopt: ook heden ten dage nog een geliefd spel. Het kan door kinderen van verschillende leeftijd worden gespeeld, in ’t bijzonder door de iets oudere meisjes met verschillende variaties, aangepast aan de concentratiemogelijkheden. Is het niet alsof er in de machtige groei-atmosfeer, die overal in deze tijd buiten aanwezig is en in het opkomen van duizenden plantenkiemen zichtbaar wordt, een verborgen transformator schuilt? Het zich losmaken van de aarde bij het springen is een bevrijdend gebeuren. Eigenlijk hoort hier ook het hinkelen bij, waarover ik in het vorige verslag alleen een aspect beschreven heb. Het is een oeroud spel, dat in veel variaties voorkomt.

IN DE ZOMER zijn het de reidansen, die in vroegere tijden in vele landen door jong en oud gedaan werden in de tijd vóór de langste dag van het jaar.

Het is steeds weer een opvallend gebeuren hoe het ene of het andere volk deze dansen tot uiting brengt. Een meer oostelijk volk zal zijn “volksdansen” met een sterk cholerische inslag en daarbij de liederen veel meer consonantisch ten gehore brengen. Een ander volk, b.v. de Grieken zullen hun dansen veel harmonischer in wijde kringen, waarbij deze in wisselende ritmen een grote ademhaling vormen van systole en diastole, ten tonele brengen. Deze spelen kan men ook tegenwoordig met veel vreugde zien dansen. Met hun zeer gevarieerde aankleding wordt door verschillende kleuren in de volksdracht het karakter van deze landstreken onderstreept.

Het feest van dc zomerzonnewende in de voor-christelijke tijd en later het SINT- JANSFEEST worden gevierd wanneer de zon het hoogste aan de hemel staats als de dagen niet willen eindigen en de nacht heel kort is. Er zijn nog vele streken waar nog heden op de bergen en heuvels vuren worden ontstoken, als het ware om de toch al zo korte nacht nog te verlichten. De langste dag wordt met de kortste nacht en de daarop volgende dag tot één grote dag verbonden (dag-nacht-dag).

Zelf heb ik in deze tijd tijdens een tocht naar huis, ’s avonds vóór het donker worden, vele kleine lichtjes zien zweven en dansen. Het zijn de ‘Johanneskevertjes’, die vooral aan de rand van het bos hun reidansen uitvoeren. Het is een. fascinerende gewaarwording wanneer je dit nooit te voren hebt gezien. – Een andere keer heb ik in juni ’s morgens vroeg bij het opkomen van de zon de roze flamingo’s hun wonderlijke dans zien uitvoeren. Het is een even schoon als in zijn soort wonderlijk gebeuren.

Volgens een bericht van een ooggetuige voeren ook de olifanten op open plekken in het oerwoud bij maneschijn midden in de nacht wonderlijke dansen uit.
U begrijpt wel dat deze dansen van de juni-kevertjes, de flamingo’s en die van plompe olifanten in hun karakter heel verschillend zijn.

Bij het hoog oplaaien van het vuur worden meestal liederen gezongen die bij deze feestdag horen. St.-Jansliederen en oude zonnewende-liederen. Daarna werden stropoppen, ook wel eens st.-janskruid in het vuur gegooid als
zinne
beeld voor het verbranden van persoonlijke slechte eigenschappen (en wie zal die niet hebben?), die door het louterende vuur worden opgenomen en verbrand. De genezende kracht van het st.-janskruid zal daarbij helpen. Met het “over het vuur springen” dat de moedkrachten oproept, wordt dit mooie jaarfeest afgesloten.

VLIEGEREN IN DE MICHAËLSTIJD

De herfst brengt weer andere spelen, bij voorbeeld het vliegeren. Na een hete zomer is het loslaten van de vliegers bij de opkomende winden een bijzonder geliefd spel. Wat een gewaarwording! je ziet ook de vaders meedoen: wat is het heerlijk met je vader erop uit te trekken om te vliegeren! Nu eens je blik te richten, niet alleen naar de aarde… om dubbeltjes te zoeken, maar nu gericht naar boven, naar de hemel. Wat zou dat goed zijn voor een melancholische jongen. Wat een hoogte kan zo’n vlieger bereiken! Aan de rand van Amsterdam heb ik er vaak naar gekeken, hoe dan het snoer, het touw van de vlieger door een stuk papier werd getrokken en dan in ijltempo langs het touw omhoog zweeft, totdat het uiteindelijk terecht komt bij de vlieger, die dan alle ‘berichten verzamelt’. Dit ‘briefschrijven’ is een ware ‘luchtpost’. – Het zelf maken van de vlieger gaat aan deze luchtvaart vooraf, want de handvaardigheid hoort nu eenmaal bij het spel.

DE TOLLEN
Wanneer de bladeren van de bomen vallen, alle zaden van de planten neergevallen zijn en door de aarde zijn opgenomen, de plantensappen weer teruggaan naar de wortels in de aarde, de aarde als het ware weer inademt, dan verschijnen in zonnige herfstdagen de tollen, die dan in wijde kringen of in spiralen ‘onvermoeid’ over de grond dansen, (in verschillende streken worden de tollen ook Tanzer genoemd.) De speler moet steeds actief met zijn zweep in beweging blijven, zodat de tol niet ‘moedeloos’ omvalt.

Buiten wordt het in het bos al kil en bij het wandelen aldaar krijg je ieder ogenblik een spinnendraad over je gezicht, een akelige gewaarwording. ‘Hoe komt dat zo?’ vraag je je dan af… De spinnen zijn bezig zich uit de bomen aan draden neer te laten, om op de aarde gekomen, zich in te graven om daar in een of ander holletje zich voor hun winterslaap tegen de kou te verbergen. De spiralende draaibewegingen (boorbewegingen) van de tol, zijn ze niet een beeld voor de kosmische krachten, die nu terugkomen en zich weer verbinden met de aarde? Die uit de hemelsferen neerdalende kosmische krachten hebben nu de opgave de aarde voor te bereiden op een nieuwe zomer. Dit gebeuren wordt in de sprookjeswereld tot het beeld van het nijvere smeden van de kabouters .

Nog laat in november, wanneer alleen nog enkele plat op de grond groeiende planten kantachtige rozetten vormen, die streng uitgeciseleerd zijn en meer een kristalachtig dan een plantachtig karakter hebben, of nog later wanneer sterk kosmische werkingen nog duidelijker op aarde zichtbaar worden: de eerste sneeuwkristallen, dan wordt een soort meetkundig spelletje gespeeld: van een touwtje worden de uiteinden aan elkaar geknoopt en zo tot een cirkel gevormd. Met beide handen wordt dit touwtje op de vingers vastgehouden, door overnemen ontstaan velerlei speelvormen en variaties.

De kinderen zijn vol van deze spelletjes, en wie zou hieraan ook niet willen meedoen? Deze spelen hebben een internationaal karakter en zijn als zodanig niet de uitvinding van een enkeling, maar volksspelletjes, die gevarieerd, naar gelang van verschillende klimaten, over wijde gebieden verspreid zijn.

Er zijn nog veel meer spelen, die ik had moeten beschrijven, ik heb hier alleen de doe-spelen aangehaald. Voor de winter binnen in de verwarmde huiskamer worden dan de denkspelen, dammen, halma, schaken en vele andere spelen gespeeld.

Daarnaast nemen de gezelschapsspelen een belangrijke plaats in, ze worden meestal in de familiekring met vrienden gespeeld en hebben een
gemeenschapsvormende sociale opgave te vervullen.

A.J. Miedaner, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend. In de reactieruimte: zie aanvullende informatie over de schrijver.

.

Spel: alle artikelen

Aftelversjes  bikkelen   hinkelen   touwtjespringen

 vliegeren

.

1635

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – de wil (3)

 

TRAINING VAN DE WILSKRACHTEN IN DE KINDERJAREN.

Een van de belangrijkste zielenkrachten is de wil. Samen met de krachten van het voelen en het denken schept hij de mogelijkheid, als totale mens in het leven te staan.
Wij willen een paar eigenschappen van het willen in het hierna volgende bespreken.
In de eerste plaats valt het merkwaardige op, dat ik alleen maar kan willen wat niet aanwezig is, d.w.z. dat ik mijn wil slechts op iets kan richten wat nog vóór mij ligt, wat nog moet ontstaan. Als ik zit, dan kan ik mijn willen erop richten, niet om te vallen, maar niet op het doel, niet te willen zitten, want dat wordt in normale gevallen door de zwaarte al vanzelf bewerkstelligd.
Hieruit kan blijken, dat het willen altijd op iets wat er nog niet is -in de tijd gezien: op iets in de toekomst- wordt gericht en dat betekent tevens: op een verandering van hetgeen er is. Dit includeert ook een overwinnen van de zwaarte, zelfs van de traagheid. Als ik zit, kan ik willen opstaan, d.w.z. er is een bewegingsproces, waarin iets van doelgerichtheid moet zijn waarop de beweging afstuurt. Daarin is een reden aanwezig die dit of dat veroorzaakt. Die reden evenwel hoeft niet altijd zo duidelijk te zijn zoals dat bij een motief het geval is. De wil staat open voor redenen en hij heeft die ook nodig om zich te ontplooien. Als ze ontbreken of als ze niet sterk genoeg zijn, dan kan de wil niet steeds weer opnieuw ontvlammen; hij verlamt, verslapt, waardoor een van zijn eigenschappen, de volharding, teloor gaat. Dan komt er slechts een deel, het begin van het wilsproces tevoorschijn.

Activiteit van de wil en doelstelling.
Uitgaande van deze korte schets kan nu op de ontwikkeling van de wil en de scholing daarvan in de kinderjaren worden ingegaan.

Aan het begin daarvan ligt het stadium van de zuigeling. In de dadelijk na de geboorte nog korte periodes van wakker zijn wordt dit altijd tegelijkertijd zichtbaar samen met de lichamelijke wilsuiting: door het trappelen en bewegen. Beide gebieden van de lede­maten, armen en benen, worden ongescheiden van elkaar bewogen. Als men op het verloop van deze bewegingen let, dan kan men zien, dat ze een soort van bolvorm om de gewrichten maken. In deze, men zou kunnen zeggen bewegingschaos, komt allengs orde, zodat “doelgerichte” bewegingen ontstaan: bijv. het naar iets grijpen. De aange­boden fles wordt gegrepen en vastgehouden. Tot dit lukt zijn er steeds weer “oefenings­bewegingen” nodig met veel falende pogingen. Maar toch wordt op den duur wat is gezien, wordt begeerd, doelbewust gegrepen.

Waar vinden wij de oorzaak van die bewegingen? De drijfveer om zich te bewegen, ligt in het lichaam zelf, want elke pasgeborene beschikt over de mogelijkheid om te trappelen en te graaien, maar in dit vermogen brengt de ziel zelf de richting aan, d.w.z. de reden voor het bewegen.

Maar dat is niet alles. Naarmate het kind moeder, vader, broertjes en zusjes opmerkt, probeert het dezelfde houding te veroveren die zij hebben: de opgerichte. Het hoofdje wordt steeds weer opgeheven, zinkt vermoeid achterover, opnieuw wordt de poging ondernomen. En dan tenslotte het oefenend zich veroveren van het staan, het lopen, tot dit na ongeveer een jaar zelfstandig gaat lukken. Ook hier weer is het tweevoudige prin­cipe zichtbaar: de wilsvoltrekking en de reden, d.w.z. de wilsactiviteit die uit het lichaam komt en de doelstelling, die via de nabootsing van een voorbeeld wordt overgenomen. Niet het woord is de reden voor het doen, geen voorstelling motiveert, maar door het actieve meedoen worden richting en doel in de handeling opgenomen en tot eigen bezit gemaakt. En toch kan de toeschouwer de reden vinden. Die ligt echter niet in het uitspreek- of bespreekbare, de reden heeft zelf wilskwaiiteit.

Het oefenen van de wil door de nabootsing.
Opvoeding van de wil op deze jeugdige leeftijd van het kind betekent dus: velden, ruimten voor nabootsende activiteiten scheppen, zodat de wil van het kind in de nabootsende activiteit kan onderduiken, waarbij het zich naar het volwassen voorbeeld richt. Door het mee-voltrekken ontwikkelen zich vaardigheden in de bewegingsprocessen (motoriek) van het kind. De wil wordt versterkt doordat zin en reden niet theoretisch voorop moe­ten worden gesteld, maar door de nabootsing vooreerst eenvoudigweg van de volwas­senen worden overgenomen.

Een jongetje van drie jaar dat met volharding naast zijn moeder een heleboel sokken en wollen ondergoed had gewassen en tenslotte uitspoelde, zei, toen er nog een paar sokken moesten worden gespoeld waarvan de moeder vond dat hij dit nu wel alleen kon: “nee dat kan ik niet, ik ben immers nog klein.”

Volbrengen, zin en volharding zijn heel sterk aan het voorbeeld gebonden. Als dat aanwezig is, dan kan de wil van het kind zich daarmee verenigen en wordt hij door het mee­doen versterkt. Dit nabootsende doen maakt in zeker opzicht het begin van een brug van waaruit het kind dan op eigen kracht over de rivier naar de andere oever, het zelfstan­dige en zelf-gewilde handelen, komt. Men kan bijv. zien, hoe een kind van twee jaar met de grootste moeite een stoel, die bijna net zo zwaar is als hij zelf, naar een deur sjouwt, tenslotte met moeite en een vuurrood gezichtje op de zitting klimt om bij de deur­klink te komen, daarbij echter merkt, dat de afstand te groot is, opnieuw omlaag klimt, de stoel dichterbij schuift en er weer opklimt. Helemaal uitgeput maar met het grootste plezier opent het tenslotte de deur. Zolang er voldoende stimulering in de gedaante van zinrijke handelingen van de volwassene het kind omgeven, kan men zien, hoe het zo­wel zelf “meewerkt” als ook in het vrije spel voortdurend handelingen die het heeft ge­zien of die worden verzonnen “speelt”. Als echter het aanbod van zinrijke handelingen gering blijft, dan verschraalt de fantasie al spoedig en het kind begint zich te vervelen.

Taken en aansporingen.
Menselijke ontwikkeling verloopt op geen enkel plan rechtlijnig, maar steeds in sprongen, omkeringen, achterwaartse bewegingen, vooruitsnellen. Dat geldt ook voor de ontwik­keling van de wil. Tevens is het over ’t algemeen zo, dat de wil van twee kanten kan worden ontwikkeld: van de kant der voltrekking en van de kant van het doel. Elke activiteit, al is het maar een eenvoudige beweging zoals bijv. het balanceren over een boom­stam of een gecompliceerdere klimoefening, is een scholing van de wil.
Instinctief kie­zen schoolkinderen vooral in het midden van de kindsheid -van het 8e-9e tot aan het 12e-13-jaar- oefeningen en spelen, die tegemoet komen aan hetgeen zij aan krachten willen en moeten ontwikkelen. Er zijn eenvoudige hoepels (altijd nog wel), die bij het boodschappen doen worden meegenomen. Behalve de eigen beweging moet de con­centratie op het sturen ervan worden gericht.

Verder is er de hinkelbaan. Op getekende vakken moet met één voet of gesloten benen, zonder de grens aan te raken in een bepaalde volgorde het doel aan het eind van de baan worden bereikt. Dit wordt moeilijker als met dichte ogen of met een op de neus van een schoen gelegde kiezelsteen de weg moet worden gehinkt. Inspanning, concen­tratie, volharding, behendigheid zijn nodig om de taak te volbrengen. Tevens, omdat het hinkelen zelden ineens lukt, is herhaalde oefening nodig -processen, die als zodanig versterkend werken op de wil. Touwtje springen, steltlopen en vele andere oefeningen in spelvorm gebeuren bij voorkeur in de krachtmeting met leeftijdsgenoten. Zelfs bij zulke spelen wordt zichtbaar, dat zij ook een zin bevatten, n.l. het speelse deel van de handeling: een duidelijk gestelde taak die door behendig te zijn moet worden volbracht. Het is van belang, het kind naar deze manier van taken te stellen te leiden opdat zijn wilskracht toeneemt.

Wat in vroeger tijden vanzelf lukte wordt tegenwoordig een pedagogische taak. Door­dat n.l. de ambachtelijke, productieve activiteiten uiteenvielen en achter fabrieksmuren verdwenen, heeft het kind weinig mogelijkheden om een volkomen ontplooide wilsvol­trekking, zoals die in de menselijke arbeid tevoorschijn komt waar te nemen. Twee ge­neraties geleden kon men nog zien, hoe een hoefsmid een paard besloeg, hoe een schoenmaker of meubelmaker, een timmerman werkten en in de werkplaats misschien zelfs wat meehelpen. Niet alleen, dat door de industrialisering dit gedeelte van de ken­nis van het leven is weggevallen, maar ’t ontbreekt het kind ook aan voorbeelden, prikkels, beelden die een grondslag bieden voor zijn eigen doen en laten. Daardoor wordt het in deze levensfase nodig om datgene, wat uit de sociale werkelijkheid als zichtbaar ge­halte van het leven is verdwenen, aan het bestaan van het kind op een andere manier toe te voegen om zijn ontwikkeling te stimuleren, n.l. via het ouderlijk huis en de school. Het kind moet in de gelegenheid zijn om bijv. de groeifasen van de plantenwereld door eigen activiteit mee te maken, door bijv. in land- en tuinbouw mee te werken. Het be­zoeken van een boerderij of een tuinderij wekt belangstelling, die dan overgeleid kan worden in het klaarmaken van een bed, waar planten (groenten, bloemen maar ook graan) gezaaid, in hun groei geobserveerd, verzorgd, tenslotte kunnen worden geoogst of ge­plukt.
Iets dergelijks kan met de basisberoepen zowel van de hout- en metaalbewerking alsook de vervaardiging en bewerking van textiel gebeuren. Daarbij is het zaak om het­geen vooreerst wordt bekeken, daarna met eigen activiteiten te verwerken, bijv. door al heel jong een pannenlap, later een paar kousen of zelfs een pullover te breien. Bij de houtbewerking kan men denken aan het vervaardigen van een pollepel, later van mooi speelgoed om te eindigen met kunstzinnig verantwoorde gebruiksvoorwerpen. De hierboven kort geschetste weg door het ambachtelijke gebied wordt in de vrijescho­len begaan van de 1e t/m de 8e klas. De verschillende vakken dragen en bevruchten elkaar, de vaardigheden worden gedifferentieerd, de wil wordt steeds weer anders door de zinrijke handeling aangespoord.

Dit kan door kunstzinnige bezigheden worden ondersteund: in de euritmie, het schil­deren, de muziek, maar ook door zinrijke beoefening van sport.
Alleen op die manier worden de krachten ontwikkeld, die de volwassene nodig heeft om een taak aan te pak­ken, ermee bezig te zijn, te volbrengen en niet voortijdig te verslappen of zelfs in een boog om dingen die noodzakelijk zijn, heen te lopen.

(Stefan Leber, Weledaberichten 137, dec.1985)

wil: alle artikelen

772