VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (6)

DUIMEN IS MEER DAN ALLEEN MAAR LEKKER

‘Er zijn maar weinig kinderen die zich het plezier van het duimzuigen ontzeg­gen’. Wat gebeurt er als een kind duimt?
Een interessante vraag, aldus Aart van der Stel, want hoe algemener een ver­schijnsel, hoe moeilijker er iets zinnigs over te zeggen is.

Een spinnende poes in een vensterbank met rode geraniums, een spelletje mens-erger-je- niet doen en een peutertje met de duim in de mond: ziehier het toppunt van knusse gezelligheid. Het roept een goed gevoel in je op wanneer je een duimend kind ziet, zeker als het z’n genot nog gecompleteerd heeft met een zich tussen neus en mond bewegend doekje, popje, of iets anders dat lekker zacht aanvoelt en, in de loop der tijd. ‘lekker’ is gaan ruiken.

Eigenlijk zou je als volwassene ook nog wel eens willen voelen hoe het is om te duimen. Natuurlijk kun je je vingers in je mond stop­pen, maar je merkt ogenblikkelijk dat het ge­voel dat je zo oproept in de verste verte niet overeen kan komen met de genietingen van het kleine kind. Je beleeft er niet meer zo­veel aan; het gaat snel vervelen. Een licht
ge­voel van jalouzie bevangt je: het genot dat je het peutertje aan zijn duim ziet ontlenen gaat (letterlijk) aan je neus voorbij. Tenmin­ste, zo verging het mij toen ik wat ‘oefening-en’ deed in deze richting. Maar waarom doe je dan zo dwaas, is dan de terechte vraag! Antwoord: duimen als verschijnsel intrigeert me en de oefeningen dienden als ervarings­materiaal.

Duimen is iets heel universeels. Maar weinig kinderen ontzeggen zich dit plezier. Is het ei­genlijk alleen iets plezierigs of zit er meer achter? Zou het een soort noodzaak zijn om te duimen? Wat voor noodzaak dan? En waar­om duimen andere kinderen niet? Het hele verschijnsel wordt geweldig interessant, zeker als je merkt dat eigenlijk niemand iets zinnigs weet te zeggen over de betekenis ervan. (Het is me zo langzamerhand wel duidelijk gewor­den dat, hoe algemener het verschijnsel is, hoe minder het verklaarbaar is.) Bijvoorbeeld in de antroposofische boeken over het ver­zorgen van kinderen vind je allerlei diep­gaands over kinderziektes, voeding, het ver­pakken van het kind in wol en zijde, enzo­voort, maar vrijwel niets over duimen. Het is zo gewoon dat de auteurs er steeds overheen gekeken hebben. Nu is het niet zo dat in dit artikel al deze feiten goed gemaakt kunnen worden. Het duimen is te gewoon en daarom te moeilijk om in al zijn aspecten in één arti­kel beschreven te worden. Het is veeleer de bedoeling eens wat gedachten los te laten over het duimzuigen en te kijken welke
reacties er te mobiliseren zijn van ouders die hun duimende kinderen veel beter en veel langer bekeken en meegemaakt hebben dan ik de mijne. Zoals gezegd zijn er maar weinig niet-duimende kinderen. En voorzover ze niet duimen hebben ze wel iets anders bedacht wat als een soort stand-in beschouwd kan worden. Zo is mijn oudste dochtertje gewoon met de haar voorgezette stukjes brood over haar gezicht, hals en armen te strelen met de­zelfde dromerige uitdrukking op haar gezicht als een duimend kind vertoont.

Fantasie
Wat weten we nog meer over het duimen? Het is een verschijnsel waarbij de duim en/of de middel- en ringvinger in de mond gebracht worden, waarna er, soms uren, op gezogen wordt. Sommige kinderen doen het zodra ze geboren zijn. Men heeft met allerlei onder­zoek (echoscopie, amnioscopie, dat wil zeg­gen verschillende technieken waarmee het ongeboren kind ‘bekeken’ kan worden) kun­nen aantonen dat ook vóór de geboorte ste­vig geduimd wordt! Duimen begint dus heel vroeg en houdt ook pas laat weer op. Het is niet ongebruikelijk tien- of twaalfjarigen nog te zien duimen, stiekem in het halfdonker, zeker als ze moe zijn, vlak voor het inslapen. Dat is een algemeen kenmerk van duimen: het gebeurt vooral als het kind goed gegeten heeft, zich een beetje slaperig gaat voelen of moe is en zijn wakkere, alerte blik inruilt voor de dromerige stand-op-oneindig. Al dui­mend is het kind er niet meer helemaal bij; het heeft zich een beetje van zijn buitenwe­reld afgesloten. In plaats van naar buiten is de aandacht naar binnen gekeerd. Het is heel ontspannend. Vooral voor angsti­ge en daardoor verkrampte kinderen is het een probaat inslaapmiddel. Door het duimen kan de verkrampte greep op de waargenomen, beangstigende buitenwereld losser worden. Zeker met zo’n heerlijk knuffeldoekje, dat best eens een herinnering zou kunnen zijn aan de moederborst. Kinderen die lang borstvoe­ding kregen duimen overigens iets minder dan ‘flessenkinderen’. Samenvattend is dui­men een handeling die je wat losmaakt van je omgeving, je naar binnen keert in je eigen wereldje, je daardoor een gevoel van veilig­heid geeft en ontspant. Binnenin jezelf vind je de wereld van de fantasie. Los van de werke­lijkheid kun je je daar alles voorstellen wat je wilt. Beelden uit de buitenwereld kun je net zo vervormen en veranderen als je maar wilt. Door de fantasie wordt mogelijk wat onmo­gelijk leek in de werkelijkheid. En pas op, dat je met die fantasiebeelden niet al te
op­vallend naar buiten treedt, want dan zegt men: ‘Dat zuig je uit je duim!’ In het taalge­bruik is het verband tussen de duim en de fantasie een vaststaand feit. ‘Duimzuigen’ krijgt dan overigens de negatieve betekenis van ‘verzinnen’, en zelfs ‘liegen’. Waarom gebruikt het kind trouwens zijn duim of zijn derde en vierde vinger? Wanneer je enig inzicht wilt krijgen in de betekenis van de afzonderlijke vingers dan kun je het beste terecht in het voortreffelijke boek van Norbert Glas, ‘Die Hande offenbaren den Menschen’, waarin hij een poging doet fenomenologische beschrijvingen te geven van de betekenis van de hand en de afzonderlijke vingers. Hij maakt in zijn boek aannemelijk dat de arm bij uitstek uitdrukking geeft aan dat, wat je het gevoel zou kunnen noemen. Het gebied dat zich beweegt tussen waarnemend denken en creatief, willend doen. De hand is de exponent van dat denkend-doend-voelende in enerzijds de uiterst fijne tast van vooral de vingertoppen, met name de tweede tot en met de vijfde vinger, en anderzijds de motoriek die, met als belangrijk instrument de duim, allerlei handelingen mogelijk maakt. In de hand spiegelt zich de hele mens. De duim is de meest gespierde, sterkste vinger, het meeste ‘wilsvinger’; de wijsvinger (‘Het Vingertje’) het meest ‘denkvinger’. De wijs­vinger is het beste te sturen en heeft het meeste tastorgaantjes in de vingertop. Je richt de aandacht op een voorwerp door met de wijsvinger ernaar te wijzen. Tegenover de zeer ‘bewuste’wijsvinger staat de wilskrachti­ge duim, die niet waarneemt – wat zich ook uitdrukt in het geringere aantal tastorgaantjes in de duim ten opzichte van de wijsvinger -maar doet. Allerlei uitdrukkingen in de taal duiden daarop: ‘Iemand onder de duim houden’, ‘voor iemand duimen’ en in Zuid-Nederland bijvoorbeeld ‘alles op zijn duim doen draaien’, dat wil zeggen alles naar zijn hand zetten.

De overige vingers nemen een middenpositie in tussen wijsvinger en duim, waarbij de pink wat meer de kant van de duim opgaat in zijn hele verschijningsvorm en de middelvinger weer dichter bij de wijsvinger staat. Met tal van voorbeelden uit de gewone ‘gebarenwereld’ en de kunst laat Glas zien hoezeer elke vinger zijn eigen gebied heeft, waar hij echt bij hoort. De duim is uitdrukking van het doe-gedeelte van de mens, het creatieve, wilsmatige gebied, waartoe ook de fantasie
be­hoort. Zoals we zagen, ontstaan door de fan­tasie ook steeds nieuwe dingen. Tegenover de registrerende, vastleggende wijsvinger staat de vernieuwende, als het ware toekomstge­richte, duim. Prachtig komt dat tot uitdruk­king in het internationale gebaar dat bij het liften gebruikt wordt: ‘Neem me mee, ik zie later wel waarheen!’ In afgezwakte vorm heb­ben middel- en ringvinger dat ook. Deze vin­gers hebben nog enige distantie tot het crea­tieve; het doen wordt nog enigszins in ba­nen geleid door het waarnemen. Middel- en ringvinger zijn de ‘echte’ gevoelsvingers, het evenwicht zoekend tussen uitersten. Niet voor niets is de vierde vinger dan ook de plaats voor de trouwring, symbool van het verbond dat twee mensen aangaan en uiting van de belofte dat binnen het verbindende elk zijn eigenheid mag bewaren.

Gesloten cirkel
Wat doet een kind nu wanneer het zijn duim in de mond steekt? Het eet die duim een klein beetje op! In de mond maak je als mens ken­nis met je voedsel, je probeert er een zekere relatie mee aan te gaan: wat beleef ik aan dit stuk materie en wil ik me er eigenlijk wel mee verbinden? Bij het duimzuigen neem je als mens-in-wording je duim waar, in al zijn wilsmatigheid. Je benadrukt het wilsmatige, crea­tieve in je, door de duim in contact te breng­en met het begin van de stofwisseling (in de mond), per definitie het gebied waar steeds allerlei opbouwends en vernieuwends gebeurt. Je zou kunnen zeggen dat de cirkel gesloten wordt: niet iets van buiten wordt waargeno­men, maar de eigen wilssfeer. Je neemt je­zelf waar als wilsmatig, creatief wezen. Daar­bij kun je alle beperkende feiten over jezelf, die je in de werkelijkheid kunt waarnemen, vergeten. Je kunt je jezelf heel ideaal voorstel­len. Wat of wie zou je nu eigenlijk willen zijn, wat denk je dat nu eigenlijk het doel van je bestaan is? Waarom ben je mens geworden? Dit soort vragen stelt het kleine kind zich natuurlijk niet. het is niet op psychologisch niveau met zichzelf bezig, maar op lichamelijk niveau. Alles wat het kleine kind doet is ge­richt op het toerusten van zijn lijf voor het verdere leven. Alles wat het kleine kind mee­maakt heeft zijn neerslag in de lichamelijke ontwikkeling. Ook op allerlei psychische
ge­waarwordingen (beangstigende gebeurtenis­sen, verdriet, vermoeidheid enzovoort) rea­geert het op een lijfelijke manier, bijvoor­beeld door ziek te worden, of over pijn in de buik te gaan klagen.

Mijn hypothese is nu dat alle bovengenoemde vragen, die een zoeken naar het oerbeeld van je eigen persoon, de kern van je bestaan, het doel van je leven, of hoe je het ook maar noemen wilt, behelzen, door het kind op een heel ijle wijze beleefd worden. Hij kan ze niet onder woorden brengen, maar ze houden hem wel bezig. Vooral als het kind de greep op de werkelijkheid om hem heen wat kwijt raakt worden die vragen minder ijl. De feiten van buitenaf zijn tot dan toe in staat geweest de innerlijke vragen te verdringen. (Je kunt je eigen spanningen en zorgen ook heel goed onder controle houden door hard te werken, naar de film te gaan of op andere wijze je zin­tuigen constant bezig te houden.) Vlak voor het slapen lukt dat verdringen niet meer. Het zoeken naar het oerbeeld wordt sterker be­leefd, nog niet
vol-bewust, maar in een soort droomtoestand. Lichamelijk uit zich dat in het feit dat ook het lichaam een soort droom­toestand inneemt: het duimen.

duimen 2
In het prachtige boek over het vroeg Ierse christendom ‘Zon en kruis’, beschrijft Streit een groot aantal zonnekruisen en stèles (graf­stenen). Op één daarvan, de Stèle van Drum­hallagh in het graafschap Donegal, is een hur­kende man met zijn duim in de mond afge­beeld. Ter hoogte van zijn borst ziet men een ingewikkelde spiraal. Streit beschrijft dat zo­wel de spiraal als deze mens met zijn duim in zijn mond zeer oude symbolen zijn voor de ‘vita contemplativa’, dat wil zeggen de inner­lijke ontwikkelingsweg, de meditatieve le­venshouding. De duimende mens is het beeld van de mens die zich weer wil verbinden met de godenwereld, waar hij vandaan komt. Een en ander roept associaties op met het navelstaren. Streit memoreert ook de mysticus Finn MacCool, van wie de legende zegt dat hij op zijn duim zoog en zodoende dingen zag die in de toekomst verborgen lagen. Hij was daardoor in staat de toekomst te voorspellen. Dit moet niet opgevat worden als een bewijs voor mijn stelling dat duimzuigen iets te ma­ken heeft met een innerlijk bewustwordings­proces van het eigen ideaalbeeld, maar het verhaal van Streit wijst wel in dezelfde rich­ting als de dingen die ik eerder over het dui­mende kind naar voren bracht. Tot slot blijft de vraag waarom het ene kind niet en het andere wel duimt, nog staan. En als het duimt, waarom gebruiken dan sommi­ge kinderen hun duim en andere hun middel­- en ringvinger?

duimen 1

 

(Een op zijn wijsvinger ‘dui­mend’ kind is heel zeldzaam.) Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat een kind dat niet duimt zich innerlijk niet bezighoudt of geen fantasie heeft. Het is niet ondenkbaar dat zo’n kind van zichzelf uit al enigszins relati­verend staat ten opzichte van dat wat er om hem heen gebeurt, waardoor het niet ‘nodig’ is om aparte momenten van afsluiting voor indrukken van buitenaf te creëren voor dat zelfonderzoek. Het gebeurt permanenter, ge­leidelijker. Daarbij kan het ook nog zo zijn dat het kind een variant ontdekt heeft, zoals het aaien met broodkorstjes door mijn doch­ter.

Temperament
Iets dergelijks zou ook kunnen spelen bij de keuze van de vingers. Het temperament, de manier waarop het kind met zichzelf en zijn omgeving omgaat, zal daarbij een belangrijke rol spelen. Kinderen die heel fel zijn en heel gretig leven zullen dezelfde gretigheid aan de dag leggen in het mobiliseren van de fantasie­krachten en op ‘duim-gebied’ het onderste uit de kan willen hebben. Dan kiezen ze hun duim, de meest nadrukkelijke representant onder de vingers van het wilsmatige. De meer terughoudende, minder onstuimig levende kinderen kiezen liever die vingers die het even­wicht representeren, namelijk de middel- en ringvinger. Het is overigens best mogelijk dat een en hetzelfde kind afwisselend duim en andere vingers gebruikt. Het zal dan nogal
af­hangen van de stemming waarin het kind ver­keert. Zelfs is voorstelbaar dat de leeftijdsfase er nog iets toe doet: is het kind in een uitge­sproken wilsfase – zoals aan het eind van de kleutertijd, wanneer het kind dan ook zijn ledematen ontwikkelt en leert beheersen – dan zal de duim de voorkeur verdienen. Al dit soort overwegingen zijn echter nog louter speculatief en hebben geen algehele geldigheid. Elk kind gaat op zijn eigen, indi­viduele wijze met het duimzuigen om. Zoals gezegd is het niet mogelijk alle aspecten van het duimzuigen in een artikel samen te breng­en. Dit artikel beoogt ook niet alle andere denkbeelden over het duimen overbodig ma­ken. Het is meer een aanzet om steeds inten­ser met je kind mee te leven en aan te voelen wat er in zijn zieltje om gaat. Het is te snel geoordeeld wanneer duimen afgedaan wordt als vies of lekker of allebei. Al te snel verbie­den is nogal frustrerend voor een kind. Het heeft nauwelijks zin, of er wordt iets vervangends bedacht. Een kind duimt niet zomaar! Duimzuigen is meditatief bezig zijn en daar mag je best een beetje eerbied voor hebben!

(Aart v.d.Stel, arts, Jonas 4, 15-10-1982)
738

 

 

 

Advertenties

4 Reacties op “VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (6)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Peuter- kleuterklas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (9-2/2) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.