Categorie archief: geschiedenis

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas – overzicht (3)

.
6E KLAS GESCHIEDENIS: ALLE ARTIKELEN
.

[1]  vakkenintegratie met het vak Engels
[2-1]  spelletjes in Rome
[2-2] geld in Rome
[3] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 6e klas; overzicht van de lesstof
uitwerking van Lindenberg
[3-1] Rome: Aeneas; Romulus en Remus
[3-2] Democratie of aristocratie; patriciërs en plebejers
[3-3]  Hannibal
[3-4] De Cracchen
[3-5] Julius Caesar
[3-6] Jeruzalem en Rome
[3-7] Volksverhuizing en ondergang Rome
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers
[5-1] Heilige Romeinse Rijk; Otto 1
[5-2] Otto 1
[5-3] Gregorius VI
[6-1] Kruistochten: 1e
[6-2] Kruistochten: de volgende en de gevolgen
[7-1] Monniken en kloosters
[7-2] Adel, boeren, ridderschap
[7-3] Steden
[8-1] Hoe ga je te werk: levendig vertellen
.

Als achtergrond voor het geschiedenisonderwijs kun je niet zonder “Geschichte lehren”  van Christoph Lindenberg:
Daaruit:

6e klas

Het geschiedenisonderwijs in de 6e klas is door de thema’s meteen heel anders dan de lesstof van de 5e klas. De leidende historische persoonlijkheden treden nu veel sterker op de voorgrond als leden van een groep, als exponenten van een sociaal verband. Daarmee hangt samen, dat er heel dikwijls een dualiteit optreedt: twee personen, twee groepen, twee levensopvattingen staan tegenover elkaar en tussen deze groepen speelt de geschiedenis zich af.

In het begin van de Romeinse geschiedenis
[3-1Romulus en Remus

In de tijd van klassenstrijd:
[3-2] patriciërs en plebejers

In de strijd om de wereldheerschappij:  
[3-3] Rome en Carthago
[3-4de Gracchen**
[3-5Julius Caesar**
[3-6] Jeruzalem en Rome**
[3-7] Volkverhuizing en ondergang **
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3] Karel de Grote

In de middeleeuwen:  
[4-1] Mohammed**
Arabieren
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote**
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers
[5-1] Keizer en Paus

monniken en ridders

Daarmee komt de geschiedenis uit de hoge sferen van cultuurstichting in het bereik van de menselijke uiteenzetting. Dit principe, dat is zeker zo, kun je niet absoluut stellen, maar je kan desondanks bedenken dat zelfs de nu nieuw optredende religie van het christendom betrokken raakt in deze uiteenzetting: alleen al de geschiedenis van de apostelen vermeldt meningsverschillen die later in een dogmastrijd en in de uiteenzetting tussen Rome en Byzantium hun voortzetting vinden.
In dit alles wordt het dialectische principe van de verstandsziel zichtbaar.

De leerkracht moet met het oog op de veelheid van de stof ook zijn eigen verstandsziel goed gebruiken en beslissingen nemen: wat wil je behandelen van deze veelheid aan stof, wat laat je weg.

De thematiek van de 6e klas vraagt meer dan sommige van de andere klassen om een plan, waaraan je je heel precies moet houden, want aan het einde van de 2e geschiedenisperiode moet je bij 1400 zijn aangekomen. In geen geval mogen de thema’s van de 6e klas in de 7e terechtkomen. Het gevaar is steeds, dat je aan het begin van een nieuw klassenjaar, net zoals aan het begin van een nieuwe periode episch breed begint om daarna verbaasd vast te stellen, dat je maar de helft van de hoeveelheid hebt gedaan.

Wanneer je bij jezelf te rade gaat hoe de 2 perioden te verdelen, lijkt het zinvol je in de 1e periode te beperken tot de geschiedenis van het Romeinse Rijk, het begin van het christendom en de volksverhuizingen: een ongelooflijk omvangrijk programma.
De 2e periode bestaat dan uit islam en de Arabieren als begin en loopt dan via Karel de Grote naar het ontstaan van het Duitse Rijk tot in de hoge middeleeuwen.

Als mogelijkheid je te oriënteren zal hier bij wijze van uitzondering een tijdsplan voor beide perioden voorgesteld worden.

1e  periode
1e week:
In de eerste drie dagen het ontstaan van Rome  en de 7 koningen tot 510, in de drie volgende dagen de strijd tussen patriciërs en plebejers en hoe door die strijd het recht en de wetgeving ontstaat [3-2]

2e week: De strijd tussen Rome en Carthago (Hannibal en
Scipio), [3-3]de Gracchen en de strijd voor de sociale hervorming [3-4], Caesar als voorbeeld voor het begin van een nieuwe heerschappij [3-5].

3e week: Paulus  en de uitbreiding van het Christendom in het Romeinse Rijk, Paulus in Rome. [3-6]
De laatste 3 dagen: Hunnen en Goten in de volksverhuizing, [3-7]
Ondergang van het Romeinse Rijk [3-7]

2e periode
1e week:
1e helft: Mohammed en de islam tot de verovering van Spanje door
Tarik.
2e helft: Karl Martel en de Franken. Karel de Grote en de vernieuwing van het R.R.
2e week:
Ontstaan Duitse Rijk: Hendrik I. en Otto I., kloostercultuurhervorming van Cluny en begin van de strijd tussen keizer en paus.
3e week:
kruistochten, ridderschap ridderorden, ontmoeting Oost/West
Frederik II en het begin van de stadscultuur. Poging tot samenvatting: verplaatsing van de cultuur van rondom de Middellandse Zee naar het noorden van Europa

Om dit voorstel meteen wat te relativeren en het niet een verplicht nummer te laten lijken, moet gezegd worden, dat je je best een leerkracht kan voorstellen die zegt: ‘De strijd tussen Rome en Carthago, de Gracchen en de sociale reformatie laat ik weg; ik vind het belangrijker dat ik bv. in de middeleeuwen de Franciscaner monniken en de Hanze behandel. Deze beslissing die bv. in Bremen, Hamburg en Lübeck bijna niet te vermijden is, kun je alleen maar toejuichen.
Waar het enkel en alleen op aankomt is dat de leerkracht voor het begin van zijn geschiedenisperioden een echt plan maakt en er alles aan doet zo economisch mogelijk les te geven; dat hij het uitvoert.

Met de voorgeschiedenis van de stichting van Rome kom je nog één keer aan het begin van de 6e klas in de sfeer van de sage. De geschiedenis van Rome verschijnt tegen de achtergrond van de mythe, die in de sage van de goddelijke afkomst van de tweeling, in de strijd tussen die twee, in de gedaante van de wolvin aangeduid wordt.
Van betekenis is de moord op Remus die de wet van de heilige muur aan zijn laars lapt. De pas gestichte stad wordt een vrijplaats voor het op drift geraakte volk uit de omgeving. Deze stad kan slechts door strijd en roof groot worden. Nu laat de sage van de 7 koningen met name in de figuur van Numa Pompilius, maar ook in die van Ancus Martius zien met welke middelen het leven van de gemeenschap op orde wordt gebracht.

Het ordenen van de rechtsverhoudingen is dan ook hét thema van de geschiedenis van de vroege Romeinse republiek. In plaats van een koning komen er twee consuls die zich beraden, elk heeft het recht van tegenspraak. Aan de hand van de standenstrijd kan dan de regeling van eenvoudige sociale verhoudingen beschreven worden, omdat hier problemen, posities en oplossingen helder en eenvoudig zijn: het ontstaan van het plebs als een eedgenootschap (coniuratio, samenzwering), het vertrekken naar de heilige berg, de missie van Menenius Agrippa en zijn beroemde fabel van de ledematen die weigeren nog langer de maag te dienen en tot slot het compromis met de 10 volkstribunen die ook allemaal het vetorecht krijgen
Op dezelfde manier gaat het met de twaalftafelenwet: de publicatie van het recht maakt rechtsgelijkheid mogelijk, vanaf 367 kunnen de plebejers consul worden, vanaf 300 priester, vanaf 287 zijn de besluiten van het volk (plebiscita) bindend voor heel het volk.
Net zo duidelijk kunnen voor een 6e klas de wetsbepalingen zijn die tot uitdrukking komen in de loopbaan van de ambten (cursus honorum) en in de principes van collegialiteit en annuïteit, alsmede in het instituut van de censor: dat het hoogste staatsambt alleen toegankelijk was na gebleken kwaliteit als questor, edil en pretor; dat een censor de uitvoering van het ambt controleerde, dat ieder ambt – tot en met dat van de dictator wiens tijd een half jaar (een veldtocht van één zomer) duurde – begrensd was tot op een jaar, dat ieder ambt tenminste door 2 burgers werd bemand om machtsconcentratie tegen te gaan: dat alles is zo duidelijk dat het iedere leerling diep tevreden kan stellen.

Een tweede deel zou het thema kunnen hebben: de Romeinse deugden scheppen een wereldrijk en het wereldrijk richt de Romeinse deugden ten gronde. Hier zou je intensief het cultuurhistorische aspect kunnen belichten: het landbouwvolk van de Romeinen komt in oorlog met de handelsmacht Carthago. Als Rome wint, verandert de stad. De lemen hutten maken plaats voor grotere huizen, straten worden geplaveid, Griekse cultuur komt  met Griekse slaven mee de stad in, de landbouwcultuur verdwijnt en daarmee de Romeinse krijgsman die huis en haard verdedigt. In plaats daarvan komt de soldaat, die aangewezen is op soldij en buit. In de flatgebouwen huizen nu mensen die van olie- en graangiften leven, die in het circus strijd willen zien. In de figuur en het leven van Caesar kan het culturele en politieke toneel van de wereldstad Rome geschetst worden. Rome wordt tot het middelpunt van een goed georganiseerd wereldrijk, een periode van 200 jaar vrede en welvaart breekt aan, de binnenstad van Rome wordt met marmer geplaveid, de straten overdekt, aquaducten leiden vers water uit de bergen de stad in, in de thermen baden de rijken, de armen worden met gladiatorenstrijd tevreden gehouden. Het Romeinse is verloren gegaan.

De uitbreiding van het christendom is voor heel de geschiedenis die volgt van de allergrootste betekenis; daarom moet die een plaats krijgen in het geschiedenisonderwijs.
In de figuur van de apostel Paulus komen op een unieke manier samen drie bepaalde aspecten van de wereld van toen: het Joodse, het Griekse en het Romeinse die in dienst komen te staan van de christelijke impuls. Van geboorte en religieuze afkomst was Paulus een strenggelovige Jood, wat zijn vorming betreft groeide hij in Tarsus op, beïnvloed door de Griekse geest, tenslotte was hij Romeins burger, die rechtspositie genoten bij lange na niet alle inwoners van Rome. Zijn reizen brachten hem uit Azië naar Europa; hij brengt het jonge christendom uit de kleine Joodse wereld door zijn predikingen in de cultuur van de antieken; hij sticht de gemeenten in Efese, Filippi, Thessaloniki, Athene, Corinthe en ook in Rome.
Nu komt het erop aan te laten zien hoe in het midden van een oude cultuur in de kleinste kringen de kiem voor iets nieuws ontstaat; hoe een mens die door de geest vervuld en van zijn opgave doordrongen gemeenschappen vormt die, ondanks vervolging en verachting de tijd overleven en stand houden in een tijd van ondergang van de uiterlijke beschaving.

Erg moeilijk is het wat er met de volksverhuizingen gebeurt ten tijde van de ondergang van het Romeinse Rijk, aan leerlingen duidelijk te maken. Het is een buitengewoon complex geheel, waarin Germaanse volkeren, Hunnen, Byzantium en Rome verwikkeld zijn en het kan misschien nog het beste aan het lot van de Westgoten duidelijk gemaakt worden, want het lot van de Westgoten voert ons in de tijd van de volksverhuizingen uit het vruchtbare gebied van de Donau tot voor de poort van Byzantium (378), tot aan de verovering en plundering van Rome (410), naar Gallië waar ze deelnemen aan de slag op de Catalaanse velden, tot aan Spanje, waar uiteindelijke het Westgotische rijk ontstaan.
Het eigene van de Germanen kun je het beste karakteriseren door hun manier van leven: de kleine dorpjes, de boerderij, persoonlijke trouw en door de wijze van rechtspraak. In al deze vormen van leven komt de aanspraak op individuele vrijheid naar voren. Vrij sloot de landman zich aan bij de landsheer die hij ook weer kan verlaten; vrij overlegd werd er over het recht en gemeenschappelijke ondernemingen. De vrouw stond bij de Germanen in aanzien, als priesteres kon ze een belangrijke activiteit ontplooien.

De orde van het Romeinse Rijk stort in, in zoverre dat deze al niet ongeschikt tot functioneren was geworden vóór de volksverhuizingen: de verkeerswegen werden onveilig, de handel stortte in, steden liepen leeg, van een staatkundig bestuur kon nauwelijks meer sprake zijn; de stedelijke wereld van de antieken moest plaats maken voor de agrarische maatschappij van de vroege middeleeuwen.

Behandeling van Mohammed en de islam kan vandaag de dag niet achterwege worden gelaten. Hier kun je beginnen met de biografie van Mohammed, zijn visioenen, zijn roeping tot profeet, zijn strijd. Het is dan belangrijk te laten zien dat de islam een heel ander soort religie voorstaat dan het christendom. De islam kent geen sacramenten, geen gewijde priesters, wezenlijk is het onderhouden van de 5 plichten: de erkenning van de enige god en zijn profeet, de mens Mohammed, het vijf maal bidden per dag, het geven van aalmoezen, het vasten overdag in de Ramadanmaand en de pelgrimstocht naar Mekka. De idee van de heilige oorlog (Jihad) maakt de verovering van verdere gebieden door deze godsdienst begrijpelijk.
Een tweede nadruk na de biografie van Mohammed zou op het behandelen van de culturele verworvenheden van het rijk van de kaliefen kunnen liggen, t.t.v. Harun al Raschid, waarbij bv. een ziekenhuis in Bagdad behandeld kan worden. Belangrijk en indrukwekkend is een blik in de islamitische kunst: kunst zonder beelden, zoals je wellicht in het Alhambra of in de moskee van Abbas de Grote in Isfahan kunt zien. Aldus ontstaat het beeld van een grootse cultuur die op een heel eenvoudige religie stoelt, het toenmalige Avondland ver overtreft, maar merkwaardigerwijs na deze hoge bloei maar weinig verder tot ontwikkeling komt.

De Franken hadden zich anders dan de Goten, Vandalen, Bourgondiërs enz. niet met een leger als bovenlaag gevestigd, maar als volk zich verspreid. Daarom doorstaat het Frankenrijk, anders dan de overige stichtingen van Germaanse rijken, de volksverhuizingstijd in de daarop volgende eeuwen. Op de Franken loopt dan ook de Arabische stormaanval stuk in de slag bij Tours en Poitiers. Maar in de 6e klas hoeft dat maar ternauwernood vermeld te worden om zo tijd te sparen om Karel de Grote te behandelen.
Karel de Grote legde de basis waarop de West-Europese cultuur zich verder zou ontwikkelen, door zijn werk, de Karolingische renaissance, ontstond de aanzet tot een vermenging van Germanendom, christendom en antieke wereld, die zich in de latere eeuwen tot de cultuur van het Avondland zou ontwikkelen. Er vindt iets uiterst merkwaardigs plaats: de Germaanse stammen van West- en Midden-Europa nemen in het teken van het christendom stap voor stap de cultuur van de oudheid in zich op.

De opdracht van de les ligt erin deze cultuurvernieuwing ook werkelijk zichtbaar te maken. Zeer zeker is de uitbreiding van het rijk niet te onderschatten, maar dit zou zonder duidelijke betekenis zijn gebleven, als het ontbroken zou hebben aan een culturele kern die de tijd overleefde.
Van de keizer moet het beeld ontstaan dat hij met Petrus van Pisa, Paulus Diaconus, Theodulf van Orleans en Alquin belangrijke geleerden om zich heen verzamelde, dat hij onderwijs en zielzorg bevorderde, kloosters beschermde en stichtte. Deze kloosters waren bv. door het verbouwen van wijn, fruit, kruiden een voorbeeld voor de landelijke omgeving. In de Capitulare de Vilis verordonneerde Karel dat iedere boerderij een geneeskruidentuin moest aanplanten met bijvoet, alruin, lavas, zwaardlelie, wortels, salie, rozemarijn, muntsoorten en vele andere planten. Zo bekommerde Karel zich niet alleen om vorming en theologie, om kloosterorde en bouwkunst, bij zijn cultuurvernieuwing hoorde ook het praktische voorbeeld voor de plattelandsbevolking.

Op deze manier kun je dan ook het begin van de Duitse geschiedenis, koning Hendrik 1 en keizer Otto 1, behandelen:
het proces van cultuurvorming zet zich nu in die gebieden voort die pas op het allerlaatst bij het Frankenrijk gekomen waren. De confrontatie tussen paus en keizer zou je in de 6e klas nog niet als zodanig hoeven te thematiseren, maar wel het proces dat eraan ten grondslag ligt: de sociale differentiatie. Het gaat erom dat eerst de kloosters en dan de geestelijkheid zelfstandiger worden en de geestelijkheid van het ambt weer herbeleven. Voor de priesters wordt het celibaat ingevoerd, opdat ze zich alleen wijden aan het geestelijk ambt; voor de kloosters wordt de vrije abtkeuze doorgevoerd en de seculiere invloed op de bezetting van dit ambt wordt opgeheven. In diezelfde tijd maakt de landbouw een  belangrijke opbloei door: langzaam doet in West – en Midden-Europa de wielploeg zijn intrede; op grotere schaal wordt ijzer als grondstof gebruik; naast ossen wordt ook het paard voor de ploeg gespannen. Dit alles is gebaseerd op het feit dat sinds het midden van de 11e eeuw de vredesbeweging (Treuga dei) zich steeds verder uitbreidde.
De gebruikelijke vorm van strijd om recht is in de middeleeuwen de vete die volgens bepaalde regels verloopt: nu worden door een vredesgebod de dagen van de week waarop de Heer heeft geleden: donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag tot vredesdagen verklaard, waarop er geen vete mag gelden. Dat geeft aan het hele leven – met name aan de boeren, handelslieden en handwerkslui grotere zekerheid. Deze zekerheid op de verkeerswegen werkt niet alleen door op de monnikenbeweging: die blijft niet tot enkele kloosters beperkt, gesteund door de keizer krijgt deze vaste voet in West – en Midden-Europa en uiteindelijk ook in Rome. Daardoor ontstaat uiteindelijk de strijd tussen keizer en paus.
Door de scheiding van het geestelijke en het wereldlijke breidde zich in West-Europa een nieuwe ascetische geestgezindheid uit, niet alleen in de kloosters, maar ook onder grote delen van de bevolking. Uit deze geestgezindheid ontstonden de kruistochten. Het oorspronkelijke idee was, de Grieken in Byzantium tegen de Seltsjoeken te helpen en in het oosten op de heilige plaatsen een nieuw rijk te stichten. De kruisvaarders die met groot enthousiasme en heilige ernst op weg gingen, konden hun doel niet bereiken. Hoe verder ze naar het oosten kwamen, des te meer vragen riepen hun gedragingen op. De verovering van Jeruzalem 1099, het verloop van de 4e kruistocht werden tot een gruwelijke perversie van wat oorspronkelijk werd nagestreefd. De culturele betekenis van de kruistochten is in het moderne onderzoek zeer omstreden. Vroeger werd algemeen de culturele invloed van de Oriënt op het Avondland toegeschreven aan de ontmoeting van de kruisvaarders met de Oriënt. Onderzoekers van tegenwoordig attenderen erop dat het overnemen van Arabisch cultuurgoed zich vroeger had voltrokken in de vreedzame contactgebieden op Sicilië en in Spanje. In ieder geval echter leidt de kennis maken met producten en productietechnieken van de Oriënt tot een sterke opbloei van de steden. Via de bekende, uit het Arabische of Perzisch stammende leenwoorden kan op de soort producten en nieuwe kennis gewezen worden: damast, katoen, mousseline, gaas, koffie, marsepein, suiker, siroop, sinaasappel, spinazie, abrikoos, muskaat, kaneel, kummel, kopje, karaf, pantoffel;, divan, sofa, matras, magazijn, tarief, schaal, algebra, cijfer.
Om het allemaal samen te vatten zou je het leven van Frederik 2 van Hohenstaufen kunnen vertellen: hoe hij op Sicilië opgroeit en daar in aanraking komt met de Arabische cultuur; hoe hij dan door Paus Innocentius 2 als tegenkoning naar Duitsland wordt gestuurd; hoe hij zich onderscheidt in het conflict tussen de vorsten en de nu zelfstandig geworden steden; de keizerskroning in 1220 en opnieuw bijzonder opvallend: de stichting van de universiteit van Napels, 1224 en Frederiks interesse in de natuur, die je kunt aflezen uit zijn boek over de valkenjacht. Op zijn kruistocht 1228/29 onderhandelt de keizer persoonlijk in het Arabisch met de vertegenwoordiger van de sultan en eist de teruggave van de heilige plaatsen aan de christenen en een veilige verbinding naar de kust. Er zijn nog andere belangrijke en karakteristieke situaties in het leven van deze Staufer.
Het beeld van de middeleeuwen zou echter te eenzijdig zijn geschetst, als je het met deze figuur zou afsluiten. Een persoon die het tegengestelde was van deze glansrijke en tragische keizer is Franciscus van Assisi. Hij en zijn orden vertegenwoordigen een nieuwe manier van vroomheid. Door de absolute armoede, niet alleen die van de monniken, maar ook van de kloosters, waren deze orden in het steedse proletariaat van Noord-Italië, bij de armen geloofwaardig. Uit dit facet van het werken van de Franciscanen kun je het beeld van de maatschappij aanvullen zo dat niet alleen het doen en laten van de grote heren, maar ook het lot van de kleine man, de arme vrouw zichtbaar wordt.

De mogelijkheid bestaat om deze chronologische en op thema’s van de Duitse geschiedenis georiënteerde historie wat naar de achtergrond te verdringen ten gunste van een nog sterkere cultuurhistorische thematiek.
Wat de vroege middeleeuwen betreft, zou het uitgesproken gelukkig zijn, wanneer de leerlingen vooral leerden begrijpen wat het woud in de middeleeuwen betekende: het was de woestijn waarin zich kluizenaars en vogelvrijen terugtrokken; het was wild en dreigend. In vele streken van Europa was de wolvenjacht een plicht van boeren en ridders. Het woud was aanvankelijk gemeenschappelijk bezit; de eikels waren voer voor de zwijnen, honingverzamelaars waagden zich diep in het woud om de begeerde zoete lekkernij te bemachtigen. In de loop van de tijd werd het woud door ontginning steeds verder teruggedrongen en de jacht werd het recht van de heer, het gemeenschappelijk bezit zijn eigendom. In de bossen ontstonden uit kleine nederzettingen dorpjes, de boeren bebouwden het land in vruchtwisseling van 2 of 3 veldjes. De onvrije boeren zijn verplicht tot herendienst en menigeen kijkt verbeten naar de burcht waarvan hij de stenen met de kar moest aanvoeren.

Steeds opnieuw hoor je in de middeleeuwen van volksopstootjes: boeren die zich tegen de heer, bv. Hendrik 4 verzetten. Vele boeren, vooral in Zuid-Duitsland en Frankrijk waren blij, wanneer ze onder de protectie en onder het gezag van een gemoderniseerd klooster konden komen, want deze kloosters hadden geen heer die naast de dienstverlening aan het klooster ook nog aanspraak kon maken op hun werkzaamheden. De kloosters boden de boeren niet alleen bescherming en stimuleerden niet alleen de landbouw, de monniken richtten zich met hun preken vaak meteen tot het volk – dat bestond niet voor de kloosterreformatie van Cluny en Hirsau – en zo leerde de boer niet alleen de inhoud van het geloof kennen, maar ook de dingen die in de afgelegen wereld plaatsvonden.

De plattegronden van de middeleeuwse kloosters laten zien – bv die van Sankt Gallen – dat de kloosters een wereld op zich vormden en tegelijkertijd een wereld voor anderen waren. In de kerk vind je 15 altaren en de priestermonniken zongen of lazen hier meerdere keren per dag de mes en baden dag en nacht voor de gestorvenen, voor hen die leven. Bij dit klooster horen buiten de bibliotheek en het scriptorium, buiten het huis van de abt en de kruisgang ook de herberg voor de pelgrims, het gastenverblijf, het hospitaal, de school, het huis voor de handwerkslieden en al de werkplaatsen, van de stallen, de molen tot aan de bakkerij; er is het huis van de medicus en de apotheek en een tuin met geneeskruiden. Aldus kwam er bij het gebod van de heilige Benedictus naast het gebed ook het werk.

Zoals in het klooster heerste ook in de middeleeuwse stad principieel vrede. Vrede betekende bescherming en recht. De stadsmuur beschermde de burgers, de poorten werden bewaakt, het recht, de markt- en jaarmarktverordeningen boden in de stad bescherming. Stadslucht maakt vrij en deze vrijheid leidt in veel steden tot zelfontplooiing. In Keulen wordt de gemeente in 22 gildes verdeeld; deze kiezen met de aftredende raad de raadsheren die op hun beurt de beide burgemeesters kiezen voor een jaar. De raad beslist over uitgaven en inkomsten, over belastingen, over bondgenootschappen en over oorlog en vrede. De burgemeesters vertegenwoordigen de stad naar buiten toe. Intern regelen de gilden de handel, de kwaliteit van de producten, maten en gewichten. Deze mogelijkheid tot zelfontplooiing, het bewustzijn van vrijheid, leidde in de steden zoals Keulen, Straatsburg en Basel en nog andere, ertoe dat men zich losmaakte van de heerschappij van de bisschoppen en dat op deze wijze de steden de wieg van een nieuw rechts- kunst- en geestesleven werden.*

Voor de vertelstof die je over heel het jaar kunt verdelen:
Romeinse sagen en verhalen

In het Duits – niet vertaald – Römische Sagen und Geschichten

Beide zijn zeer beeldend verteld.

*eigen vertaling.
Voor verbeteringen: vspedagogie apenstaartje gmail punt com

**Lindenberg geeft de onderwerpen aan in het weekoverzicht. Ik heb ze er hier voor het overzicht, bijgezet

6E KLAS GESCHIEDENIS: ALLE ARTIKELEN
[1]  vakkenintegratie met het vak Engels
[2-1]  spelletjes in Rome
[2-2] geld in Rome
[3] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 6e klas; overzicht van de lesstof
uitwerking van Lindenberg
[3-1] Rome: Aeneas; Romulus en Remus
[3-2] Democratie of aristocratie; patriciërs en plebejers
[3-3]  Hannibal
[3-4] De Cracchen
[3-5] Julius Caesar
[3-6] Jeruzalem en Rome
[3-7] Volksverhuizing en ondergang Rome
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers
[5-1] Heilige Romeinse Rijk; Otto 1
[5-2] Otto 1
[5-3] Gregorius VI
[6-1] Kruistochten: 1e
[6-2] Kruistochten: de volgende en de gevolgen
[7-1] Monniken en kloosters
[7-2] Adel, boeren, ridderschap
[7-3] Steden
[8-1] Hoe ga je ter werk: levendig vertellen
.

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas – alle beelden

.

695-635

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas (2-1)

.

Geschiedenis is vaak een ‘vertelvak’. En altijd weer een uitdaging hoe het midden te houden tussen een eenzijdig eenrichtingverkeer leerkracht-leerling en de mogelijkheden die er zijn om de leerlingen er – letterlijk – inderdaad bij te betrekken.

Een van de mogelijkheden is bv. in te gaan op hoe de Romeinen speelden.
Het is niet meteen het belangrijkste onderwerp van de geschiedenisperioden in klas 6, maar kan naast de ‘ernst’ van keizers, oorlogen, intriges, politiek enz. voor een luchtige noot zorgen.

SPELLETJES IN ROME
.
Van diverse Romeinse auteurs zijn teksten bewaard gebleven waaruit duidelijk blijkt hoe belangrijk spelle­tjes in die tijd waren. Ovidius (1ste eeuw voor Chr.) be­schrijft in zijn “Ars Amatoria11 (de kunst van het bemin­nen) dat een jongen de liefde van een meisje kan win­nen door haar te laten winnen in het spel; hij noemt daarbij spelletjes als dobbelen, bikkelen en het Ludus Latrunculorum (spel van de soldaatjes). In een volgend hoofdstuk van datzelfde boek volgen dan tips voor meisjes: zorg in hemelsnaam dat je goed bent in spelle­tjes, want een verliezende en huilende vrouw bevalt geen enkele man. Om er voor te zorgen geliefd te blij­ven, gaven de Romeinse keizers het volk brood en spelen, maar ook zelf kwamen ze op dit gebied niets te kort. Keizer Augustus (27 voor Chr. – 14 na Chr.) schreef in een aantal brieven o.a. dat hij zelfs tijdens het eten bikkelde. Terwijl in die tijd het kansspel verboden was gingen daarbij toch behoorlijke sommen over tafel. Augustus verloor veel, maar dat kwam “omdat hij ie­dereen het geld liet behouden dat hij, Augustus, had ge­wonnen.” Hij meende zo een plekje in het hiernamaals te kunnen bemachtigen. Aan tafelgasten deelde hij regelmatig geld uit, voor het geval dat ze met elkaar wilden dobbelen of het spelletje “even-oneven” wilden spelen. En Augustus was niet de enige keizer die zich schuldig maakte aan het overtreden van het kans­spelverbod, ook de keizers Commodus en Lucius Verus speelden jaren later naar hartenlust. Dat het voor sommige Romeinen heel belangrijk was om te winnen, bewijst het volgende voorval. Een ter dood veroordeelde man speelt voor z’n terechtstelling met een medegevangene het Ludus Latrunculorum. Als het moment is aangebroken waarop hij terechtgesteld zal worden vraagt hij zijn bewaker om als getuige op te treden voor het feit dat hij aan het winnen was. Hij wil namelijk niet dat zijn tegenstander na het voltrekken van het vonnis zal zeggen dat hij gewonnen had.

Benodigdheden

Bij bepaalde spelletjes worden noten gebruikt: we kun­nen hierbij kiezen voor walnoten of hazelnoten. Op speelborden wordt met speelsteentjes gewerkt. Wie heel veel geduld heeft kan in het grind gaan zoeken naar mooie, kleine witte en zwarte stenen ter grootte van een kwartje. Deze moeten het liefst tamelijk vlak zijn, dus niet bol. De Romeinen gebruikten ook wel scherven van twee verschillende soorten aardewerk die zij afvijlden tot ronde schijven ter grootte van een dam­steen. Ook vijlden zij stukjes bot, met heel veel geduld, af tot er mooie ronde schijfjes ontstaan waren. Ook dik vensterglas werd wel gebruikt. Petronius (1ste eeuw na Chr.) beschrijft in zijn “Cena Trimalchionis”, het ver­slag van een zeer decadente maaltijd, dat de gastheer Trimalchio gouden en zilveren munten gebruikte in plaats van zwarte en witte steentjes.

Dobbelstenen worden door archeologen regelmatig opgegraven. De vorm en cijferindeling waren hetzelfde als tegenwoordig. We kennen dobbelstenen in allerlei materiaal: bot, bergkristal en brons. Er zijn ook bronzen en zilveren dobbelstenen in mensengedaante gevonden.
Een dobbelbeker werd gemaakt uit brons of aardewerk. Valsspelers bestonden ook toen al: er zijn dobbelstenen gevonden waarbij een extra stukje lood is toegevoegd, zodanig dat het vlak met de 6 altijd boven kwam te liggen.

De turricula (dobbeltoren) werd gebruikt om te voorko­men dat er gesjoemeld werd bij het gooien. Meestal was er een speciaal bord met opstaande rand waarop de dobbelsteen gegooid moest worden.

6e klas dobbeltoren.bmp

Speelborden zullen veelal van hout geweest zijn, een materiaal waar door de eeuwen heen weinig van is overgebleven. Uit een epigram (spottend gedicht) van Martialis (1ste eeuw na Chr.) mogen we concluderen dat zo’n bord aan twee kanten te gebruiken was, net zoals wij onze dam- en schaakborden gebruiken. Romei­nen speelden blijkbaar graag een bordspelletje in de open lucht want er zijn talloze speelvelden gevonden op pleinen, traptreden, en trottoirs in steden als Rome en Pompeji. Ook in dakpannen werden speelvelden gekrast om de dakpannen op die manier als speelbord te ge­bruiken.

Bikkels (spronggewrichten van achterpoten van schapen, geiten of kalveren) worden in ruime mate gevonden bij opgravingen. Het is moeilijk te zeggen of het om slachtafval gaat of om speelstukken. Deze gewrichtjes kunnen namelijk direct gebruikt worden, zonder dat je er iets aan vijlt. Elke zijde van zo1 n bikkel, waarvan we ook uitvoeringen in ivoor en brons vinden, had een bepaalde waarde, vergelijkbaar met dobbelstenen.

Spelletjes zonder extra hulpmiddelen

Dag en nacht (2 grote groepen spelers)
In een speelveld met een lengte van ± 30 m staan de spelers van 2 groepen met de ruggen tegen elkaar, de ene groep heet dag, de andere nacht. Iemand gooit een stuk hout in het veld, dat aan de ene kant zwart (nacht) is en aan de andere kant wit (dag). De kleur die boven komt te liggen, “is het”. Deze groep moet de andere groep, die uit het speelveld probeert te lopen, gaan vangen. De gevangenen moeten met gesloten ogen met hun vanger (op de rug) naar de andere kant van het speelveld lopen. Als dat lukt, heeft hij zich vrijgekocht en speelt hij weer mee in zijn eigen partij. Als het niet lukt, moet hij bij de tegenstander meespelen. De wed­strijd is voorbij als een partij helemaal leeg is. Dan mag de andere partij de vanger spelen.

Micare digitis (snel je vingers opsteken, 2 spelers) De spelers staan of zitten tegenover elkaar, hun rechter­hand is tot een vuist gebald. Ze tellen: “Een, twee”, en bij drie steekt eenieder een aantal vingers naar voren en roept daarbij hoeveel het totaal aantal naar voren gesto­ken vingers van de beide spelers bedraagt. Hij/zij die het juiste aantal heeft geraden krijgt een punt en steekt daarbij 1 vinger van zijn linker hand omhoog. Wie het eerst 5 punten (dus de gehele linkerhand in de lucht) heeft, is de grote winnaar. Dit spel wordt in Italië nog steeds gespeeld onder de naam Morra.

Blindemannetje (minstens 4 spelers)
Eén speler wordt geblinddoekt,  de  anderen gaan hem/haar sarren. De blinde moet iemand vangen, die dan op zijn beurt weer de blindeman is. Een variatie hierop voor grote groepen is twee spelers te blinddoe­ken, die elkaar dan in de menigte moeten zien te vin­den

Spelletjes met weinig materiaal

Noten zijn bij deze categorie favoriet spelmateriaal, omdat ze voor allerlei doeleinden gebruikt kunnen worden. In het gedicht “Nux” (noot) van Ovidius staan 5 spelletjes uitgebreid beschreven, zodat we, samen met afbeeldingen op kindersarcofagen vrij nauwkeurig weten hoe deze spelletjes gespeeld werden.

Orcaspel (spel met de aarden pot, 2 of meer spelers).
Ieder heeft 5 (hazel)noten. Van een afstand van 2 m dienen de noten in een niet te grote bak (orca) te wor­den gegooid.
Voor iedere noot die in de orca verdwijnt krijgt hij/zij 1 punt. Dit spel over een aantal ronden spelen

Nuces Castellatae (torentjes van noten, 2 of meer spe­lers)
Dit is een soort bus-gooien, welbekend van kermissen. Vijf hoopjes van 4 walnoten maken, op een afstand van 2,5 tot 4 meter een lijn trekken van waaraf gegooid moet worden. Ieder heeft 5 walnoten en met elke noot probeert hij een hoopje noten omver te gooien. De ge­raakte noten mag hij houden. Daarna worden er uit de grote zak walnoten opnieuw 5 hoopjes gemaakt voor de volgende speler. Wie na 5 ronden de meeste noten heeft is winnaar.

Notenglijbaan (2 of meer spelers)
Elke speler heeft 10 walnoten, die hij om beurten van een schuine plank laat rollen. Als de ene noot de ande­re raakt, mag de speler beide noten houden. Wie geen noten meer heeft is uit, de winnaar is diegene die als laatste nog noten heeft.

Par-impar (gelijk-ongelijk, 2 spelers)
Ieder heeft een aantal kleine voorwerpen (noten, bonen, steentjes). De ene speler neemt een deel hiervan in zijn hand en zijn tegenstander moet raden of het een even of oneven (par-impar) aantal is. Raad zijn tegenstander het goed dan krijgt hij een noot/boon/steentje. Vervol­gens is de ander aan de beurt om te raden. Verliezer is degene die als laatste geen voorwerpjes meer heeft.

Deltaspel (2 of meer spelers)
Teken met krijt (of met een stuk dakpan, zoals de Romeinen gedaan zullen hebben) een gelijkbenige driehoek (de Griekse letter Delta) op de grond en verdeel die in 10 gelijke stukken. Schrijf op de strook aan de basis I en vervolgens II, tot X in de top. Op een afstand van 2 tot 3 meter gooien de spelers telkens 5 noten in deze driehoek. Daarna worden de punten geteld. Wie de meeste punten heeft is de winnaar.

6e klas Romeinse spelletjes 1

Spelletjes met speelborden

Molenspel (2 spelers)
Beide spelers hebben 9 speelstenen, die ze om beurten op een zwart rondje op het bord leggen en daarbij proberen de stenen op een rij verbonden door een streep (= molen) te krijgen. Ieder probeert natuurlijk te voorkomen dat de ander een molen krijgt. Als iemand een molen heeft mag hij van de ander een steen wegne­men, maar niet uit een gesloten molen. Als alle stenen gezet zijn mag er om beurten een willekeurige steen 1 plaats opgeschoven worden. Als iemand nog slechts 3 stenen heeft mag hij springen d.w.z. zijn stenen op een vrije plaats zetten. Als iemand zijn tegenstander tot 2 stenen heeft teruggebracht is hij de winnaar. Dit spel heeft iets weg van ons boter, kaas en eieren.

6e klas Romeinse spelletjes 2
Loculus Archimedius (kastje van Archimedes, 1 speler)
Een geduldspel dat lijkt op het Chinese Tangram. U kunt het spel zelf maken door de figuren op triplex na te tekenen en uit te zagen. De meest fantastische voorstellingen kunnen hieruit te voorschijn komen, maar probeert u eerst maar eens om er weer een mooi vier­kant van te maken.

6e klas Romeinse spelletjes 3

6e klas Romeinse spelletjes 6

6e klas Romeinse spelletjes 7

Ludus Latrunculorum (spel der soldaatjes, 2 spelers)
De spelers zetten hun 16 stenen in de 2 rijen aan hun kant van het speel­bord. Om de beurt zetten ze een steen 1 plaats voor- of achteruit. Slaan mag alleen diagonaal (voor- of achteruit); er mogen meer stenen achter elkaar geslagen worden. Het ene leger moet het andere leger geheel uitroeien. Een soort damspel dus.

6e klas Romeinse spelletjes 4

Ludus XII Scriptorum (twaalfpuntenspel, 2 spelers)
Iedere speler heeft 12 speelstenen die in het midden van het bord worden opgesteld. De stenen moeten van I naar XXIV verplaatst worden, tegen de wijzers van de klok in. Iedere speler gooit met 2 dobbelstenen; het aantal ogen dat gegooid wordt, bepaalt hoeveel posities een steen verplaatst mag worden. Elke speler mag ge­bruik maken van 1 steen voor het totaal aantal ogen, of voor iedere dobbelsteen 1 speelsteen gebruiken. Komt er een speelsteen op het vlak waar een speelsteentje van een andere kleur staat dan moet deze steen terug naar af. Als er van 1 kleur 2 of meer stenen staan, dan mag hier geen andere kleur bij. Wordt er met beide dob­belstenen hetzelfde aantal ogen gegooid dan mag de speler nog een keer gooien. De winnaar is degene die al zijn stenen het eerst naar XXIV of erbuiten gegooid heeft. Dit is een soort Backgammon.

6e klas Romeinse spelletjes 5

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas w.o. geschiedenis

.

.

.

694-634

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas (1)

 .
Pieter HA Witvliet
.

VAKKENINTEGRATIE


Het op elkaar betrekken van verschillende vakken, is na de zeventiger jaren van de vorige eeuw als ‘vak(ken)integratie bekend geworden; de vraag is wel in hoeverre het in het onderwijs – in ’t algemeen – in de praktijk wordt gebracht.

Steiner wees er al meteen bij het begin van de eerste vrijeschool in Stuttgart op (1919!) hoe zinvol het is dezelfde leerstof vanuit verschillende vakoptieken met de leerlingen te behandelen.

Hij noemde dit af en toe ook ‘economisch’ waarbij je dan ook moet denken aan ‘tijdwinst’ en grotere interesse, betrokkenheid van de leerlingen bij de stof.

Tevens vloeide daaruit voort dat de leerkrachten: klassen- en vakleerkrachten met elkaar zouden moeten overleggen: waar ben jij in het hoofdonderwijs mee bezig en hoe kan ik daar met mijn vak bij aansluiten; of wat doe jij en wat doe ik of doen we allebei hetzelfde maar dan vanuit een verschillende invalshoek.

Zo zou je bv. wanneer je in klas 6 geschiedenis geeft, de rol van Julius Caesar voor onze streken kunnen belichten door in het Engels een boekje over hem te lezen.

Bij de uitgeverij Ladybird werd ooit gepubliceerd:

JULIUS CAESAR and ROMAN BRITAIN

Een klein, handzaam, goedkoop boekje, met een tekst die voor een 6-klasser – mits hij in de jaren ervoor goed Engels heeft gekregen – niet al te moeilijk is. Bovendien zijn de illustraties heel mooi.

Hier volgen een paar bladzijden. I.v.m. de rechten weet ik niet of ik heel het boekje mag weergeven.*

JULIUS  CAESAR AND  ROMAN BRITAIN

Long before the Romans conquered Britain, men had lived in these islands for hundreds of years. Some of them had come from northern countries like Norway or Denmark, others from France and Spain.

These people were divided into many tribes, each under its own chief. They lived in villages, in houses made of wattle and daub, that is, wooden poles and branches twisted together and covered with dried clay. These houses were usually just one room, thatched with reeds, and with a hole in the roof above the open fire. There was no glass in the small openings which let in the light, and they must have been very cold and draughty.
The men were mostly farmers, growing corn and grazing cattle. Their farming tools were made of bronze or iron by smiths, who also made swords and simple helmets; potters made bowls and jugs for domestic use.
The men and women wore brightly coloured clothes made of wool, and the wives and daughters of the chiefs had golden bracelets and necklaces, which may still be seen today in museums up and down the country.
Those of the Britons who lived by the sea were fishermen as well as farmers, and all of them fished in the rivers, which were cleaner than they are now.
The boats which the fishermen used were called coracles. They were very unlike the boats used today, although similar boats may still be seen in parts of Wales.
The coracles of the Britons were made of willow branches woven into what looked like a large shallow basket. This was covered on the outside with skins and then made waterproof with the resin or gum from pine and other trees. These little boats were very light, and the fisherman could easily carry his boat from his house to the lake or river.
Because they were round and flat, they were also very difficult to upset, and even on a rough sea they were safer than present-day rowing boats. On the west coast of Ireland coracles are still used by the islanders of Great Blasquet to cross the rough waters of the Blasquet Sound, and wrecks are said to be quite unknown.

engels 6e klas 1

engels 6e klas 2

*Bij de uitgever is het uitverkocht. Wie het met zijn klas zou willen lezen: ik kan je de tekst toesturen. Je kunt je bericht sturen naar:

pieterhawitvliet -voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

6e klas geschiedenis: alle artikelen

vertelstof: alle biografieën

Vrijeschool in beeld: 6e klas w.o. geschiedenis

.

552-506

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 8e klas (3)

.

Hier volgen een aantal belangrijke personen en hun uitvindingen die behoren bij de industriële revolutie:

Thomas Newcomen; James Hargreaves; James Watt;

Thomas Newcomen (1663-1729)

Newcomen maakte de eerste praktisch bruikbare stoommachine door het toepassen van condensa­tie in de cilinder, waardoor de druk van de
buiten­lucht de zuiger terugdreef. Newcomen kan be­schouwd worden als de voorloper van James Watt, wiens stoommachine pas werkelijk stoom tot een algemeen gebruikte krachtbron maakte.

Van Thomas Newcomens jeugd weten we niet veel meer dan dat hij in 1663 in Dartmouth, in Enge­land, geboren werd. Later dreef hij in Dartmouth een handel in ijzerwaren. Hij wist van de hoge kosten die de paarden in de tinmijnen in Cornwall met zich meebrachten. De paarden werden daar gebruikt om de pompen in werking te houden, die de mijnschachten voor onderstroming behoed­den. Newcomen besloot te proberen een
stoom­machine te bouwen, die dat werk kon doen. Het gebruik van stoom als drijfkracht werd al in de 1e eeuw na Chr. beschreven door de Griekse geleerde Heron van Alexandrië, die een eenvoudi­ge stoomturbine bouwde. Die bestond uit een bol die stond opgesteld op een as boven een stoomke­tel en die snel ronddraaide wanneer er stoom gedreven werd uit twee gekromde straalpijpjes. Nadien had niemand veel succes bij pogingen om stoomkracht te beteugelen, tot 1698. Toen kreeg de Engelse genie-officier Thomas Savery patent op zijn pomp, waarmee hij water kon omhoogwerken ‘door middel van de stuwende kracht van vuur’. Savery had daarbij gesteund op het onderzoek van de Franse natuurkundige Denis Papin, de eerste die had ingezien dat het mogelijk moest zijn om water omhoog te werken door in een afgesloten ruimte stoom te laten condenseren boven een zuigpijp. Savery zag de mogelijkheden die het door Papin ontwikkelde principe bood voor het oppompen van water uit kolenmijnen. De pompmachine van Savery bestond uit een stoomketel die verbonden was met twee vaten en met een stelsel van met de hand bediende kleppen. Er kon water mee opgepompt worden, maar tekortkomingen beperkten de bruikbaarheid ervan. Een van de gebreken was, dat het water niet meer dan zes meter omhooggewerkt kon worden.
Newcomen maakte, net als Savery, gebruik van de ideeën van Papin, vooral van de gedachte dat een zuiger die door de spanning van een hoeveelheid stoom werd opgesloten in een cilinder, in beweging werd gezet. Het kostte Newcomer meer dan tien jaar om de eerste praktisch bruikbare stoommachine ter wereld te bouwen. De machine bleek een groot succes, niettegenstaande het nadeel dat er vrij veel warmte, en dus energie, verloren ging bij het in beweging houden van de zuiger. Boven een stoomketel was een rechtopstaande cilinder opgesteld, waarin de stoom opsteeg en mét de zuiger een stang omhoogduwde, die op zijn beurt een zwaar balansjuk in beweging bracht.
Dat hield dan de pomp draaiende. Dan werd er wat water in de cilinder gespoten. Door de afkoe­ling condenseerde de stoom, waardoor een
gedeel­telijk luchtledig werd geschapen. De druk van de buitenlucht duwde de zuiger weer omlaag, terwijl het opgepompte water wegvloeide. Dit betekende dat de cilinder tijdens de opgang van de zuiger verhit moest worden en tijdens de neergang van de zuiger weer afgekoeld moest worden. Bovendien verzamelden zich dikwijls lucht en andere gassen in de cilinder, waardoor de machine tot stilstand kwam. Toch werden de ma­chines van Newcomen niet alleen in Engeland, maar in heel Europa veel gebruikt voor het drooghouden van mijnen en voor het oppompen van water. Bovendien werden door het inbouwen van automatisch bediende kleppen – ook een uitvin­ding van Newcomen – de machines steeds be­trouwbaarder. De – voor zover we weten – eerste Newcomen-machine die werd gebruikt, werd in 1712 gebouwd. De laatste van zijn machines wa­ren tot kort na 1900 nog steeds in gebruik. Newcomen stierf op 5 augustus 1729 in Londen. Hij had een flinke stap gedaan in de richting van het gebruik van stoomkracht. Maar het was de vindingrijke geest van James Watt die, later in de 18e eeuw, de poorten wijd openzette voor de tal­rijke toepassingen van stoom als krachtbron. Me­de daardoor werd de industriële revolutie moge­lijk gemaakt.

jjames watt 20

 De Newcomen-machine, bestaande uit een cilinder waarin een zuiger is opgesloten, die verbonden is met de rechter­kant van het balansjuk. Aan het andere eind van het juk is een pompstang verbonden aan de zui­ger van een waterpomp. Er werd stoom tot de cilinder toegelaten. Als door het gewicht van het pompmechanisme de zuiger in de cilinder omhooggegaan was, werd de stoomtoevoer afgesloten. Dan werd er koud water in de cilinder gespoten. Daardoor condenseer­de de stoom en werd er een ge­deeltelijk luchtledig geschapen. De druk van de buitenlucht duw­de de zuiger dan omlaag, waar­door de pompzuiger omhoog­ging. Daarna werd er weer stoom in de cilinder gelaten, en herhaal­de de gang van zaken zich.

james watt 21

Een Savery-Newcomen-machine, geïnstalleerd bij Dudley Castte in 1782. Omdat hun patenten gedeeltelijk met el­kaar samenvielen, zetten de uit­vinders samen een zaak op voor het fabriceren van machines voor het gebruik in mijnen.
8e klas (1)

James Hargreaves ca. 1710-1778

James Hargreaves was een Engelse wever. Hij zet­te een van de eerste stappen naar de volledige me­chanisatie van het spinnen, door de spinmachine uit te vinden.

In Europa waren vanaf de prehistorie tot in de middeleeuwen de belangrijkste werktuigen voor het spinnen van wol tot draden, het van een tegen­wicht voorziene spinrokken en de spindel. In de middeleeuwen werd het spinnewiel ingevoerd vanuit India. Het spinnewiel bracht het
vervaardi­gen van garen een klein stapje dichterbij de me­chanisatie. Tot in de 18e eeuw – en de nadering van de industriële revolutie – werden stoffen hoofdzakelijk vervaardigd door middel van het systeem van ‘uitbesteden’. Een stoffenfabrikant verstrekte ruwe wol, ruwe katoen of vlas aan spinners en wevers. Die maakten er balen stof van, die ze aan de koopman teruggaven. Ze wer­den betaald naar stukwerktarieven. Het geheel was dus grotendeels gebaseerd op huisindustrie.

james watt 23Het spinnen van linnen door een Iers plattelandsgezin. Voor de invoering van de jenny en de mule werd al het spinnen en weven als huisindustrie bedreven.

Over Hargreaves’ tijd en plaats van geboorte en zijn eerste levensjaren is niets bekend. We weten alleen dat hij rond 1760 in het dorpje Standhill in Lancashire woonde. Hij was daar zo’n thuiswe­ver, in het bezit van eigen spinnewiel en weefge­touw. Mogelijk heeft een tijdelijke betrekking bij een katoendrukkerij zijn technische vaardigheid verhoogd. In elk geval kwam in 1764 het idee van een spinmachine bij hem op. Hargreaves kwam op de gedachte dat één enkel wiel een aantal staande spindels moest kunnen aandrijven. Hij bouwde een proefmodel met acht spindels, waarop de draden gesponnen werden van een rij van acht spinrokkens. Alle acht draden konden met de spierkracht van één man of vrouw gespon­nen worden. Een beperking lag in het feit dat het geproduceerde garen nogal grof was en niet zo sterk. Maar Hargreaves kwam met zijn uitvinding precies op het goede ogenblik, in de periode waarin het fabriekssysteem zijn intrede deed. Zijn uitvinding kwam dertig jaar na de invoering van John Kay’s schietspoel, die het weven versnelde door het mechaniseren van het heen en weer be­wegen van de spoel door de schering. Het gebruik van de schietspoel had de vraag naar geschikte ga­rens doen toenemen.

jjames watt 22De spinning jenny, een van de machines die de industriële revolutie mogelijk maakten en het huidige industriële tijdperk inluidden. De vezels liepen in de jenny via een geleidebeugel naar de spindels, waarop ze gewonden werden. Verder rekte en twijnde de jenny de vezels tot draden.

Hargreaves begon zijn machines voor algemene verkoop te bouwen. Hij verbeterde ze zodanig, dat elk ervan tot dertig spindels kon hebben. Al gauw kreeg hij het aan de stok met de thuiswe­vers, die zich in hun broodwinning en hun onaf­hankelijkheid bedreigd voelden. Een groepje van hen brak in 1786 bij hem in en vernielde al zijn machines en werktuigen. Daarop verhuisde Hargreaves naar Nottingham, waar hij een compagnonschap sloot met een zakenman. Ze bouwden een fabriekje waarin de spinmachines gebruikt werden om garens te spinnen voor de textielindustrie.

Helaas stelde Hargreaves het aanvragen van patent op zijn spinmachine nogal lang uit. Pas in 1770 kreeg hij zijn patent. Een jaar na zijn dood – in 1779 – werd Hargreaves’ spinning jenny verbeterd door Samuel Crompton. De garens die met Cromptons machi­ne (spinning mule) werden verkregen, hadden een treksterkte die vergelijkbaar was met die van met de hand gesponnen garens. Deze machine maakte ook gebruik van enkele principes van het zoge­naamde waterframe, een oorspronkelijk door wa­terkracht aangedreven spinmachine die tien jaar daarvoor door Richard Arkwright ontwikkeld was. Met Cromptons ‘spinning mule’ kon één man tot 1000 draden tegelijk spinnen. Hoewel er rond 1812 zo’n 360 fabrieken waren die Cromptons uitvinding gebruikten, trok hij er zelf weinig profijt van. Hij had slechts 60 Engelse ponden ontvangen, omdat de fabrikanten in ge­breke bleven hun beloften aan hem na te komen. Een door het parlement verstrekte subsidie van 5000 Engelse ponden maakte wel wat goed. Maar het meeste ervan stak hij in speculatieve onderne­mingen die failliet gingen.

james watt 24Samuel Cromtons spinning mule in werking. Deze machine was een verbeterde en uitgebreide versie van Hargreaves’ jenny en produceerde een fijnere en ook veel sterkere draad.

Het drietal: Hargreaves, Arkwright en Cromp­ton, met Hargreaves als eerste, maakte door vin­dingrijkheid de enorme bloei van de textielin­dustrie in Noord-Engeland in de 19e eeuw moge­lijk. Het is een deel van het proces van de industri­alisatie, dat de geschiedenis is ingegaan onder de naam ‘industriële revolutie’.

0-0-0

Richard Arkwright 1732-1792

Arkwright, de Engelse uitvinder van onder andere door waterkracht aangedreven spin- en weefmachines, is waarschijnlijk nog het belangrijkst
ge­weest doordat met deze machines een enorme in­dustrie op gang werd gebracht, die vele duizenden werk verschafte.

Arkwright

Richard Arkwrighwerd in december 1732 gebo­ren in Preston, in het graafschap Lancashire, als de jongste van een gezin met 13 kinderen. Hij be­gon zijn loopbaan als reizend barbier en pruiken­maker, waarbij hij alle uithoeken van zijn vader­land bezocht. In elk geval begon hij al in deze pe­riode met zich door zelfstudie verder ontwikke­len. Dat zou hij tot zijn dood blijven doen. De fundamenten voor de mechanisatie van het weven en spinnen waren al gelegd door John Kay met zijn schietspoel en door James Hargreaves met zijn spinning jenny, een spinmachine. Ark­wright wilde nog een stapje verder gaan door de mankracht voor de bediening van de machines te vervangen door een andere krachtbron. Met de hulp van een klokkenmaker – voor de technische moeilijkheden – ging hij aan de slag. In 1769 kreeg hij zijn eerste patent op zijn spinning frame, een spinmachine die niet met de hand bediend werd.

Arkwright 2Arkwrights spinning frame, de eerste spinmachine die door een onafhankelijke krachtbron werd aangedreven. Ten slotte besloot Arkwright dat waterkracht hiervoor het geschiktst was. Daarna werd deze spinmachine water frame genoemd. De machine vormde een van de grondslagen van de moderne textielindustrie.

Omdat er in zijn geboortestreek Lancashire grote weerstanden waren tegen de mechanisatie, die uit­liepen op rellen, richtte hij met een aantal andere zakenlieden een aantal fabrieken op in Nottingham en in Cromford. In het begin gebruikte hij paarden als krachtbron, maar in 1775 schakelde hij over op waterkracht. De machine raakte daar­om bekend onder de naam water frame. De be­langrijkste vernieuwing eraan was feitelijk het ge­bruik van cilinders voor het lostrekken van de ve­zels die naar de spindels gevoerd werden. Dit wa­ter frame was het model waarnaar alle latere spinmachines ontworpen werden. Het gebrek van Hargreaves’ spinning jenny, dat de gesponnen draad alleen als inslag gebruikt kon worden om­dat de draad te zwak was om als scheringdraad voor het weefgetouw te kunnen dienen, was er ook mee overwonnen.

Arkwright was een van de eerste industriëlen. Hij verrichtte op grote schaal pionierswerk op het ge­bied van het fabriekssysteem. Daarmee legde hij de basis voor de niet meer te stuiten opmars van de industrialisatie tegen het eind van de 18e eeuw en in het begin van de 19e eeuw. In 1773, toen grove wollen stoffen uit de mode raakten, begon Arkwright met het vervaardigen van calicot, een fijne, witte, gemakkelijk te ver­werken stof van katoen, waar onmiddellijk grote vraag naar was. Ruw katoen was inmiddels in grote hoeveelheden verkrijgbaar van de slavenplantages in West-Indië en het zuiden van Noord-Amerika. Binnen enkele jaren vormde het weven van katoen de belangrijkste industrie in het noor­den van Engeland. Rond 1840, zo’n 50 jaar na Arkwrights dood, verzorgde deze industrie 40 procent van de totale Britse export. Er is veel kritiek op Arkwright uitgeoefend omdat hij uitvindingen van anderen zou hebben overge­nomen en gebruikt. Maar het feit blijft dat hij die uitvindingen bruikbaar en winstgevend maakte en dat hij het hele systeem opbouwde waarin dat kon gebeuren. Na zijn eerste patent van 1769 ver­kreeg hij er nog meer, maar die werden voortdu­rend geschonden en aangevochten. Toen hij naar de rechtbank ging om zijn recht te halen, luidde het vonnis in zijn nadeel. In 1785 werden al zijn patenten nietig verklaard.

Hoewel Arkwright rechtstreeks verantwoordelijk was voor de vestiging van het fabriekssysteem, dat het ambacht van de thuiswevers en -spinners ondermijnde en uiteindelijk te gronde richtte, werd Arkwright algemeen erkend als een goede en loyale werkgever. Hij had eens 5000 werknemers in zijn fabrieken. Hij hield voortdurend in het oog dat deze mensen moesten worden voorzien van behoorlijke behuizing en goede
arbeids­omstandigheden. In ruil eiste hij wel de grootst mogelijke doelmatigheid en voortvarendheid. In 1785 was Arkwright de eerste die de nieuwe stoommachine van James Watt gebruikte om er de machines van een katoenfabriek mee aan te drijven. Dat gebeurde in zijn fabriek in Nottingham. In 1786 werd Arkwright in de adelstand ver­heven, en het jaar daarop werd hij benoemd tot sheriff van Derbyshire, waarin zijn woonplaats Cromford lag. Daar bouwde hij een kasteel – Willersbey Castle – als woning. Ook bekostigde hij de herbouw van de plaatselijke kerk, St. Mary’s church. Hij stierf op 3 augustus 1792 op Willersbey Castle.

Arkwright 3Boven: klos- en draadtrekmachines
Onder: het bedrukken van de stof

Katoenfabriek tijdens de industriële revolutie:

Arkwright 4Het schoonmaken van de vezels in een machine waarin rollen met draadtanden ronddraaien. Dit heet het kaarden.

James Watt 1736-1819

De Schot James Watt was de uitvinder van de moderne stoommachine. Hij veranderde en ver­beterde reeds bestaande stoommachines zodanig, dat ze echt doelmatig werden. Het is wel zeker dat de industriële revolutie pas goed kon doorzetten, toen hij met zijn werk de noodzakelijke, doeltref­fende krachtbron ter beschikking stelde.

James Watt werd op 19 januari 1736 geboren in Woodall, aan de rivier de Clyde in Schotland. Zijn vader was daar scheepsbouwer en -eigenaar. Omdat hij zwak van gezondheid was, kreeg hij zijn eerste onderricht thuis, van zijn moeder.

Wat later ging hij toch nog naar de middelbare school, waar hij vooral in de wiskunde uitblonk. Zijn eerste technische kennis vergaarde hij in de
werk­plaats van zijn vader, waar hij zelf modellen bouwde van objecten als hijskranen. In 1755 ging hij naar Londen, waar hij in de leer ging om
in­strumentmaker te worden. Twee jaar later keerde hij terug naar Schotland. Hij opende er binnen de universiteit van Glasgow een werkplaats voor het maken en repareren van instrumenten. In 1764 kreeg Watt van een klant een stoomma­chine ter reparatie in zijn werkplaats. Het was een exemplaar van de machine die in het begin van die eeuw door Newcomen uitgevonden was. Watt be­sefte dat er ontzaglijk veel energie verloren ging doordat de zuiger beurtelings verhit en afgekoeld moest worden. Hij ging zoeken naar een andere oplossing. Een jaar later had hij die gevonden. Hij liet de stoom niet meer in de cilinder zelf con­denseren, maar in een aparte condensatiekamer, die met de cilinder in verbinding stond. Watt bouwde een demonstratiemodel van zijn machine, dat hij in 1769 patenteerde als ‘een nieu­we methode om het verbruik van stoom en brandstof te verminderen in vuurmachines’. Zijn vernieuwing leverde inderdaad een brandstof­besparing op van 75 procent. Zijn machine trok de aandacht van een ingenieur en fabriekseige­naar, Matthew Boulton, in Birmingham. Hij kocht een aandeel in Watts patent om de mogelijkheden van diens machine voor zijn fabriek onderzoeken.

In 1775 aanvaardde hij een compagnonschap met Boulton, wiens fabriek in Birmingham een grote naam had om de kwaliteit van haar metalen producten, van munten en knopen tot Sheffield-tafelgerei en zilverwerk. Al gauw werd Watts stoommachine er ook vervaardigd, waarbij ook deze onderneming voorspoedig opbloeide.
Kort nadat Boulton en Watt een compagnonschap waren aangegaan, namen ze een jonge technicus in dienst, William Murdock geheten. Met Murdocks hulp verkregen ze contracten voor het plaatsen van Watts machine in de tin- en kopermijnen van Cornwall. Ze vervingen daar vele van de oude Newcomen-machines, die daar al 50 jaar dienst hadden gedaan.
Watt werkte voortdurend aan het verbeteren zijn machine. Toen Boulton voorzag dat er in de industrie behoefte zou zijn aan een ronddraaiende as in plaats van een zuigerstang die beperkt was tot een recht op- en neergaande beweging, construeerde Watt het mechanisme dat in die verandering van soort van beweging voorzag: het planeetwiel. Vervolgens ontwikkelde hij de zuig-perscilinder, waarin de stoom beurtelings aan de beide zijden van de zuiger ingelaten wordt. Daardoor werd het vermogen van zijn machine sterk vergroot.
Verder ontwikkelde hij centrifugaal-regulateur, een onderdeel dat de snelheid van de stoommachine  automatisch constant houdt door het regelen van de stoom toevoer. Verder ontwikkelde Watt ook nog een drukmeter.

Door de veelzijdige bruikbaarheid en het hoge rendement van Watts stoommachines, vonden ze een enorm aantal verschillende toepassingen toen de industrialisatie hand over hand toenam. Zo werden ze gebruikt in papierfabrieken, de meelindustrie, katoenindustrie, ijzerfabrieken en
ijzer­gieterijen, graanstokerijen en bij de aanleg van kanalen en andere waterwerken. Aan het eind van de 18e eeuw waren er bijna 500 machines
ge­bouwd.
Watt was toen een gefortuneerd man. Hij had in 11 jaar 76.000 pond aan rechten op zijn pa­tent ontvangen. De erkenning kwam ook: in 1785 werden hij en Boulton gekozen tot lid van de Royal Society.

Nadat Watt met zijn vrouw wat door Europa had gereisd, trok hij zich terug in zijn buitenhuis in Heathfield. Daar werkte hij nog jaren in een
zelf­gebouwde werkplaats op de vliering van zijn woning, waar hij ook nog zeer productief was. Hij maakte een machine waarmee borstbeelden en dergelijke beeldhouwwerken nauwkeurig geko­pieerd konden worden. Verder nog een kopieer­pers, die met behulp van een speciale inkt kopieën maakte. Hij stierf in zijn woning, op 25 augustus 1819. Hij werd begraven naast zijn compagnon, Matthew Boulton, in een kerk nabij Birmingham. In de Westminster Abbey in Londen werd een borstbeeld van hem geplaatst. De eenheid van elektrisch arbeidsvermogen, de watt, werd te zij­ner ere zo genoemd.

Hargreaves en Arkwright

geschiedenis 8e klas: alle artikelen

geschiedenis: alle artikelen

.

511-472

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – alle artikelen

.De islam in het leerplan van de vrijeschool
Anne Bakker over: de islam in de 6e klas, als onderdeel van een bredere visie: de islam in het vrijeschoolonderwijs, van kleuterklas tot achtste klas.

5e klas geschiedenis:     alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: alle beelden

6e klas geschiedenis:     alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas geschiedenis: alle beelden

7e klas geschiedenis:      alle artikelen

8e klas geschiedenis:     alle artikelen

9e klas:
over VoltaireRousseau

Vaderlandse Geschiedenis
M.Mathijssen over: geschiedenis in de onderbouw. Een noodzakelijke aanvulling op de Romeinse geschiedenis van klas 6 (uitg. Paidos)

Epidauros
Onbekend over: het heiligdom van Asklepios; ziekte in die tijd; genezing in die tijd; priester-arts; ziekte als discrepantie in denken, voelen, willen; tholos; plaatsbepaling; slangen; haan; denken en urinezuur;

11e, 12 klas:
Omzien in verwondering
Willem F.Veltman over: het conflict tussen Israël en de Arabische wereld; achtergronden vanuit een Bijbels verleden; de impuls van Gondishapur; wat kan de taak van Europa zijn

.

509-470

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 8e klas (2)

.

DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE

De gevolgen van de (verbeterde) stoommachine

De geboorte der Macht

Een vloek over alle uitvindingen opent het laatste hoofdstuk. – Met het gezang der ijzeren engelen besluit het boek, ~ Daartussendoor wordt de geschiedenis van het ijzer verteld, – James Watt verdubbelt de rijkdom der wereld en laadt zich daarvoor een miljoen schulden op de hals. ~ De geschiedenis van een eerzuchtige Schot, – Roebuck en Boulton, ~ De ijzerman uit Birmingham sluit zich aan bij James Watt en de stoommachine wordt werkelijkheid, ~ De ijzeren Murdock bokst een weg voor de machine, – Het geheim van het parallellogram. -De Lords moeten niet in de meelmolen dansen. – Boulton vertelt een monarch waar de koningen naar verlangen en wat het lot der komende eeuwen zal bepalen. – James Watt sterft, ~ De ijzeren engelen halen de Guillotine omver en de herwaardering van alle waarden begint.

«Ik vervloek alle uitvindingen die ik gedaan heb. » Dit bittere woord was vele jaren lang het avondgebed waar­mee Watt zich te ruste begaf en de spreuk waarmee hij de dag begon. Zijn uitvindingen hebben hem tenslotte toch nog tot een rijk man ge­maakt. Voordien echter brachten zij hem vaak aan de rand van de afgrond en stortten zij hem telkens weer in vertwijfeling en schulden.

Dat het leven van James Watt zo heel anders verlopen is als dat der mannen, die voor hem aan de stoommachine gewerkt hadden, dat hij ondanks alle zorgen toch nog een rijk man werd, lag aan de veran­deringen die er in de loop van de tijd plaatsvonden. De wereld en vooral Engeland bevond zich in een houtcrisis. Engeland, dat streed om zijn monopoliepositie, had ijzer nodig voor kanonnen en machines. Om ijzer te kunnen maken had men erts en kolen nodig. Het erts kon men desnoods nog wel bereiken, maar de kolen lagen onder het grondwater en het grondwater was niet meer uit de mijnen weg te krijgen. Dus nam men hout. De oude Engelse bossen werden zonder veel omslag omgehakt en tot houtskool verwerkt. Met de houtskool maakte men ijzer en met de ijzeren kanonnen streed Enge­land op zee en overzee. De feodale patriotten verlangden in het par­lement, dat er een einde zou gemaakt worden met de verwoesting van de bossen. Merry Old England vocht om zijn leven en verloor het. De oude gelukkige tijden der grondbezitters waren voorbij. Met de inheemse wol viel geen wereldpolitiek te maken. Als Engeland nog een wereldmacht worden en blijven wilde, moest het alle katoen­markten controleren, men moest meer katoen kunnen spinnen dan de anderen. Daarvoor had men machines nodig. De machines hadden ijzer nodig en ijzer was krap.

De wolwevers verbonden zich met de feodale heren, de grondbe­zitters raakten hun schapenwol niet meer tegen de goede oude prijzen kwijt en de wolwevers zagen zich bedreigd door de machines. Als men een moordenaar opknoopte, die vroeger wever geweest was, richtte hij van af de trap van de galg een toespraak tot het volk. Hij bekende zijn zonden en bezwoer, dat hij geen moordenaar geworden zou zijn, als de crisis in de wolweverij niet was gekomen. Zo was hij tot een misdadiger geworden en verdroeg de smaad, in een katoenen hemd te worden opgehangen. « Hangt met mij ook maar de katoen op », zo legden de grondbezitters en de wolwevers die laatste
woor­den van de stervende uit. Met deze pathetische wevers echter waren de oude tijden gestorven. Engeland moest door de houtcrisis heen, de strijd om de wereldmacht moest ten einde gestreden worden en daar het een strijd om ijzer en kolen was, kregen de industriëlen gelijk. Maar zij konden alleen dat gelijk houden, als het hun en de mijneigenaren gelukte meer ijzer te maken. Met de oude Newcomen-machines kon men niet zoveel water uit de mijnen halen als nodig was. En toen er een nieuwe uitvinding kwam opduiken, waarmee men beter water kon pompen, sprak het vanzelf, dat de industriëlen zich van haar moesten meester maken. Daar Watt er echter in ge­slaagd was, zijn uitvinding onder de bescherming van een patent te brengen, konden de industriëlen zijn uitvinding alleen gebruiken, als zij hem in hun winst lieten delen.

De vier gezichten van de ingenieur

Van Guericke tot Watt heeft het gezicht van de ingenieur heel wat veranderingen ondergaan, maar eerst sinds James Watt draagt het de trekken van de moderne tijd. Tot aan Otto von Guericke was de ingenieur tegelijk oorlogsgod en filosoof, een man, die wist hoe hij de wetten der mechanica moest toepassen en wapens kon maken. De burgemeester van Maagdenburg was een onafhankelijke, trotse bur­ger, die het niet nodig had, zijn ontdekkingen voor zijn boterham te exploiteren. Toen echter de macht der Hanze gebroken en de rijkdom der oude steden voorbij was, behoorde ook de trotse positie der oude oorlogsingenieurs tot het verleden.

De ingenieur werd, zoals Denis Papin, een halve hofnar, een man die merkwaardig speelgoed kon maken en springfonteinen aanleggen. Daarna, toen de vorsten zagen, dat zij van handel in mensen en van belasting op suiker alleen niet meer leven konden, werd de ingenieur bevorderd van hofnar tot minister. De vorsten stichtten academies, waarvan zij initiatieven voor de economische ontwikkeling van hun landen verwachtten en in het vrije Engeland tenslotte groeide de in­genieur op tot de middelaar tussen natuurwetenschap en economie, zoals wij hem tegenwoordig kennen en die de industriële revolutie heeft ingeleid.

James Watt is het voorbeeld van deze ontwikkeling. Gedurende de eerste helft van zijn leven is hij de geleerde dromer, die een dwaze idee najaagt, dan wordt de dromer een ontdekker en tenslotte ver­andert de ontdekker en uitvinder in een ondernemer, in een mede­bezitter van de grootste machinefabriek die er toen ter wereld be­stond.

Toen Watt zijn proefmachine klaar had, vermoedde hij al dat hem kwade tijden te wachten zouden staan en dat het er voor hem op aankwam, zo gauw mogelijk patent te nemen. Om de aanspraak op een patent te kunnen motiveren, moest hij de machine nog verder beproeven. Daartoe was vóór alles geheimhouding geboden. Zo werd de opgewekte verteller een wantrouwige zwijger. Hij vertrouwde alleen professor Black het geheim van zijn uitvinding toe. Black was een Schot zoals hij en een beproefde vriend. Hij had de mechanicus vaak kleinere en grotere sommen geld geleend en wat dat voor deze man betekende, kan men wel nagaan, als men hoort, dat hij, oud ge­worden, van zichzelf zei, dat het sparen van geld en het kapitalist worden hem veel plezier gedaan had.

james watt 9

Watt zei niet eens iets tegen zijn vriend Robison, die hem toch er toe had aangespoord zich met de stoom bezig te houden. Hij huurde in Glasgow een kelder, waarin hij zich opsloot met een oude lood­gieter en een nieuw model bouwde. De loodgieter kon hem niet veel helpen en Watt, de fijnwerker, moest ook smid en slotenmaker spelen. Met zijn zaak kon hij zich niet veel meer bemoeien en toen Craig, zijn vennoot, stierf, hief hij de werktuigkundige werkplaats op en trok zich met een assistent, John Gardiner, in een verlaten pottenbakkerij, die ver van de stad gelegen was, terug. Ingespannen werkend bouw­den zij beiden in twee maanden aan een stuk, alleen met behulp van een oude blikslager, een nieuwe, grotere machine. Maar ook deze voldeed nog niet aan de eisen van Watt. De cilinder van deze ma­chine was niet uitgeboord, maar uit plaatijzer gehamerd en gesol­deerd. Met deze cilinder moest men omgaan als met een rauw ei, terwijl gedurende het werk aan de machine de oude blikslager stierf en Watt en Gardiner in de kunst om ijzer te hameren lang niet zo bedreven waren als deze man.

james watt 10

Een ideale kapitalist gezocht

De verborgen arbeid kostte veel geld en het duurde niet lang, of Watt had een schuld van duizend pond. Black, die hem ondanks zijn spaarzaamheid graag uit de brand hielp, overlegde, dat het voordeli­ger zou zijn, als men Watt in contact bracht met een financier. Die geldschieter moest echter geen gewone kapitalist zijn, maar een gent­leman, die zijn partner zou weten te waarderen, het beste was na­tuurlijk een Schot. Professor Black had veel vrienden in de industrie. Toen hij ze allemaal had nagegaan, wist hij, dat alleen Dr. Roebuck de juiste man was. Roebuck, van huis uit een scheikundige en oprich­ter van een beroemde zwavelzuurfabriek, was niet alleen een succes­vol ondernemer, maar ook een eerzuchtig patriot. Hij dacht er over na, hoe men Schotland rijk zou kunnen maken en vond, dat het goed zou zijn, de ijzerindustrie te bevorderen.

Met het grote vermogen dat hij als zwavelzuurfabrikant en als eigenaar van een porseleinfabriek had verworven, bouwde hij aan de rivier de Carron in Schotland een hoogoven. Deze hoogoven werd de kern van een geweldige ijzersmelterij. Dr. Roebuck had uit Enge­land de beste smeden en metaalgieters bij elkaar gehaald, en de producten van zijn ijzersmelterij werden bijna zo beroemd als die van Birmingham. Voor zijn hoogovens had Roebuck kolen nodig en daarom had hij mijnen gekocht. Maar aan deze mijnen ontbrak weer een goede ontwateringsinstallatie.

Black schreef aan Roebuck. De stichter van de Carronmaatschappij zag onmiddellijk de mogelijkheden en richtte een brief aan Watt, waarin hij hem, met alle felheid waarover hij beschikte, ertoe aan­spoorde, de machine zo gauw mogelijk klaar te maken. Roebuck zag al, hoe Schotland door die machine zou groeien. Watt antwoordde, dat hij moeilijkheden had met de cilinder. Roebuck vroeg om gede­tailleerde tekeningen en toen probeerden de beste smeden en gieters van de Carronfabriek een zuiger en een cilinder precies zo te maken als Watt ze wilde hebben. De poging mislukte. Toen Watt het werk­stuk zag, vond hij zijn plaatijzeren cilinder toch nog beter.
Dr. Roe­buck was een man. die snel warm kon lopen voor een idee.
Daaren­boven beschikte hij over het zeldzame vermogen, zijn geestdrift fris te houden. Toen James Watt door de mislukte cilinder van de Car­ronfabriek teleurgesteld en terneergeslagen was, monterde Roebuck hem weer op en stelde voor, hem en zijn werk zolang te financieren totdat de machine compleet zou zijn, zoals Watt ze hebben wilde.

Roebuck’s echtgenote zei later, dat Watt wel zijn eigen uitvinding zou hebben laten schieten, als Roebuck met zijn optimisme er niet geweest was. Daar zal wel veel waars in schuilen. Watt was lang niet meer zo van zichzelf overtuigd als eerst. Hij had zijn zaak eraan gegeven en de gedachte voor een ijdele plannenmaker gehouden te worden, drukte hem toch wel heel erg.

Tenslotte nam Watt het aanbod van Roebuck aan, maar hij maakte een beperking. Roebuck zou de proeven en de kosten voor het patent betalen, zijn levensonderhoud echter wilde Watt alleen verdienen. De grootmoedige Roebuck was te fijngevoelig om verder bij Watt aan te dringen en liet de stijfkop maar lopen, nadat hij een overeenkomst met hem was aangegaan, volgens welke hij alle kosten voor de ma­chine op zich zou nemen en daarvoor voor twee-derden in de winst zou delen. Dat de machine geld zou opleveren, daar viel in de eerste tijd niet aan te denken. Roebuck was dus besloten, een zaak te financieren, die hij aanvankelijk voor een stokpaardje moest houden.

James Watt trok het land door en nam werk aan, waar hij het krijgen kon. Hij bouwde de Clydebrug bij Hamilton, bouwde kranen en haveninstallaties en verhuurde zich tenslotte als landmeter voor een jaarloon van tachtig pond. Langzaamaan verbeterden zich zijn omstandigheden. Hij slaagde erin, aandeelhouder in een kleine pot­tenbakkerij te worden en toen hij werk voor het Monklandkanaal aannam, waar hij de leiding had van honderd arbeiders, verdiende hij vierhonderd pond per jaar. Die pret duurde niet lang, want het werk aan het kanaal stokte. Watt werd ontslagen en moest tenslotte onder slechtere voorwaarden opmetingsarbeid verrichten bij de aanleg van het Kaledonische kanaal.

Terwijl hij ver van zijn gezin, in regen en mist en sneeuw en storm rondtrok, werkte men aan de Carronrivier verder aan de ma­chine en telkens, als Watt maar even kon, bracht hij een vrije dag door bij Roebuck. Zij werkten samen aan de machine en dan haastte hij zich weer naar zijn waterpasinstrumenten terug en leefde een el­lendig leventje, daar hij van zichzelf moest bekennen, dat hij nog liever voor een geladen kanon ging staan, dan een rekening op te zetten of een overeenkomst te sluiten, die hem verantwoordelijk maakte.

De ware ijzerman verschijnt

Intussen was er een nieuwe man komen opduiken, die voor het leven van Watt en voor de completering van de stoommachine van de allergrootste betekenis werd. Het was Matthew Boulton, een Engelsman uit Birmingham, een ijzerman in iedere betekenis van het woord. De Boultons waren in Birmingham, het vaderland der be­roemde smeden en metaalgieters, zeer vooraanstaande mensen.

In Birmingham waren er al in de vijftiende en zestiende eeuw ver­maarde messenmakers en metaalgieters geweest en hun traditie had zich in de zonen en nazaten voortgezet tot in de jongste tijd. Nergens waren betere ijzerdeskundigen te vinden en Matthew Boulton was de beste van allemaal. Zijn vader had een fabriek van metaalwaren bezeten, waarin hij als deelgenoot werd opgenomen toen hij nog maar zeventien jaar was, daar hij zijn vader bewezen had, dat zijn nieuwe inzichten in de fabricatie van horlogekettingen beter waren dan de oude methoden. Toen zijn vader stierf erfde Boulton een groot vermogen en trouwde hij met een rijke dame. Hij had niet meer behoeven te werken, maar het ijzerduiveltje liet hem niet met rust.

Boulton breidde allereerst de fabriek van zijn vader verder uit en zag toen in dat de uitbreidingsmogelijkheden daarmee ook uitgeput waren. Hij kocht het landgoed Soho, twee mijlen van Birmingham verwijderd en richtte daar een ijzerfabriek op die haar gelijke niet had. Achthonderd arbeiders waren bij Boulton aan het werk en twee waterraderen draaiden de walsen, poleerschijven en slijpstenen. Boul­ton maakte kunstwerken en de Sohofabrieken werden door hun kwa­liteit en fraaiheid wijd en zijd beroemd. Hoe groter de fabriek echter werd, des te ontoereikender werd de waterkracht. Boulton zocht naar een stoommachine. Hij zelf had wel een idee, hoe een dergelijke ma­chine moest werken en hij schreef daar ook over naar Benjamin Franklin. Maar overigens bleef hij ijverig rondkijken en toen hij hoorde, dat Dr. Roebuck in de Carron-fabrieken aan een machine bezig was, vroeg hij schriftelijk om inlichtingen daarover en kreeg toen de naam van James Watt te horen.

Van dat ogenblik af kenden Watt en Boulton elkaar. Zij corres­pondeerden. Maar hun poging om elkaar persoonlijk te leren kennen mislukte. Watt maakte een reis naar Soho. Boulton was juist afwe­zig, maar Dr. Small, een dokter die zich in Birmingham gevestigd en grote faam verworven had, een vriend van Boulton was en later ook met Watt in hartelijke relatie stond, liet de landmeter de beroemde ijzerfabriek zien. Watt viel van de ene verrukking in de andere. Hier zag hij eindelijk de geschikte smeden, waar hij zo naar verlangde, de wonderbaarlijke boormachines en alle hulpmiddelen waar men in de Carronfabrieken niet over beschikte. Toen Watt en Boulton elkaar eindelijk leerden kennen, kregen zij van stonde af aan een diepe sym­pathie voor elkaar en bleven van dat ogenblik af hun hele leven lang in nauw contact met elkaar.

Met Roebuck liep het slecht af. Wel had hij het patent voor de stoommachine in 1769 doorgezet en de patentakte, die James Watt daarvoor had opgesteld, wordt ook thans nog door iedere ingenieur met bewondering gelezen, omdat zij alle toepassingsmogelijkheden van de stoom vooruitzag en ook de hogedrukstoommachine omvatte en de uitzettingskracht van de stoom.

Die patentakte echter, met haar rijke, financiële mogelijkheden, was voor Roebuck dood kapitaal. Dat zou zo erg nog niet geweest zijn en hij zou het werk aan de machine ook verder financieel hebben gesteund als andere ondernemingen en telkens nieuwe stichtingen hem niet zo diep in de schulden gebracht hadden, dat hij tenslotte failliet ging. De geldzorgen van Roebuck maakten de zenuwachtige Watt hoe langer hoe melancholieker. Hij probeerde zich door arbeid uit zijn neerslachtigheid te redden en vond daarbij onder meer de kopieerpers uit. Maar het werd niet beter met hem en in de herfst van 1773, toen hij drie dagen lang door de regen had rondgelopen, kreeg hij ook nog bericht dat zijn vrouw was overleden.

Watt haastte zich naar huis, begroef zijn vrouw en bracht zijn kinderen bij familie. Toen hij vierendertig jaar werd, had hij ge­schreven : « Vandaag treed ik mijn vijfendertigste jaar binnen en ben voor de wereld nog voor geen vijfendertig cent van nut ge­weest. » Dat was in 1770 geweest. In 1773 stierf zijn vrouw en Roe­buck ging failliet. Watt bleef nog een jaar bij de geruïneerde onder­nemer. Boulton had Roebuck vierentwintighonderd pond geleend. Hij gaf de uitgeschakelde man er nog tweeduizend bij en nam als tegenwaarde daarvoor de rechten van Roebuck in de patenten van Watt.

Boulton schreef aan Watt, dat hij geen overdreven verwachtingen van de machine koesterde, maar aangezien hij als oud ijzerdeskundige geoefend was in de kunst van het experiment, wilde hij haar wel op haar « goudgehalte » onderzoeken. « Zij is nu een schaduw, alleen maar een idee, en het zal tijd en geld kosten, om er iets van te ma­ken. »

Watt in het Lagerhuis

In het midden van 1774 verhuisde Watt naar Birmingham en de beide mannen, geholpen door Dr. Small die zij om raad vroegen, be­studeerden alles nog eens nauwkeurig en kwamen tot de overtuiging, dat de enige man, die de cilinder voor de machine kon gieten, John Wilkinson in Bersham was. Deze beroemde ijzergieter stond ook als constructeur van grote boormachines bekend. Het werk van Wilkin­son was echter niet goedkoop en alvorens Boulton nieuw kapitaal stak in een onderneming, die hem al meer dan vierduizend pond ge­kost had, wilde hij gedaan krijgen, dat de patenttermijn, die op veertien jaar gesteld was, verlengd zou worden. Zes van de veertien jaren waren al verlopen, en daarom reisde Watt in het voorjaar van 1775, voorzien van wijze raadgevingen van Small en met geld van Boulton, naar Londen. Watt diende een verzoekschrift in voor de verlenging van zijn patent tot 1800 en werd op 28 februari 1775 in het Lagerhuis ontboden om zijn verzoek voor de afgevaardigden te motiveren. Voor politici had hij evenveel schrik als voor kooplieden. Hij noemde hen trage geesten. Maar het lukte hem toch hen voor zich te winnen. Tegen het verzoekschrift van Watt was door de vertegen­woordigers der mijneigenaren een heftig protest ingediend. Zij ver­klaarden de verlenging van het patent voor een monopolie en ver­langden de spoedige vrijgave van de uitvinding. Watt zette in zijn antwoord de moeilijkheden uiteen, die hij moest overwinnen, en dat hij voor alle moeite, die hij tot nu toe voor het algemeen welzijn had gedaan, geen dank zou krijgen als men zijn patent niet verlengde. Het parlement stond hem daarop patentbescherming toe tot het jaar 1800. Doodgelukkig keerde Watt naar Birmingham terug en Boulton ontving hem met de treurige mededeling, dat Dr. Small gestorven was.

Wilkinson in Bersham verklaarde zich bereid, de cilinder voor de machine te gieten, als de firma Boulton en Watt de eerste machine voor hem zouden bouwen. Hij had een machine nodig voor de blaas­balgen die zijn hoogoven van lucht voorzagen. Boulton en Watt wer­den het met Wilkinson eens en de ijzergieter goot een cilinder van achttien duim, die alles overtrof wat er tot dan toe ooit aan cilinders gemaakt was. Hij boorde hem met een apart daarvoor geconstrueerde machine uit. In 1776 kwam de cilinder klaar en de eerste stoomma­chine kon gebouwd worden. Zij werkte zo wonderbaarlijk, dat de roem van de firma Boulton en Watt in midden-Engeland hecht ge­vestigd was. De machine voor Wilkinson was een zo krachtige pro­paganda, dat Boulton en Watt de bestellingen nauwelijks afkonden, die van alle kanten, van mijneigenaren en smelterijen binnenkwamen.

In Londen werd de triomftocht der machine een halt toegeroepen. Het ingenieursgenootschap in Holborn, waarvan de beroemde Smeaton de leider was, zei, dat er geen werktuigen en geen arbeiders wa­ren, die in staat zouden zijn het gecompliceerde mechanisme der machine van Watt te bouwen en te bedienen.

Boulton beantwoordde deze woorden met de daad. Hij spoorde Watt aan in een Londense jeneverstokerij een stoommachine op te stellen en die machine werkte zo goed, dat Smeaton zijn tegenstand opgaf en voor het vervolg een vriend van Watt en Boulton werd.

Dit was de stoommachine:

De machine, vergeleken met het eerste proefmodel, was al zeer volmaakt. Watt had al gauw ontdekt, dat de buitenlucht, die op de zuiger drukte, de cilinder nog altijd teveel afkoelde en was er daarom toe overgegaan, de cilinder aan de bovenkant af te sluiten. Daarvoor werd een pakkingbus gebruikt, door welker bovenste ope­ning de zuigerstang heen en weer kon bewegen. De buitenlucht kwam nu he­lemaal niet meer met de zuiger in aanraking. Niet meer de atmosfeer drukte de zuiger omlaag, maar de stoom, die Watt met een kracht van anderhalve atmosfeer van boven af in de cilinder liet stromen op het ogenblik dat zich onder de zuiger het vacuüm gevormd had. Door deze verbetering was de oude « Newcomen-vuur-en-lucht-machine » voorgoed tot een stoommachine gewor­den, want thans deed de kracht van de stoom, wat tot nu toe bij de atmosferische machine de lucht gedaan had.

james watt 11

Dit is de grote daad van dat ogenblik : de stoom werd niet alleen gebruikt om het luchtledig te vormen, maar ook voor de beweging van de zuiger. De precieze benaming van de machine luidt: « Watt’s enkelvoudig werkende stoommachine». De enkelvoudig werkende stoommachine tot een dubbele te maken vereiste slechts een stap. Er hoefde niets anders te gebeuren, dan ook de bovenste cilinderruimte op de condensator aan te sluiten, om zo afwisselend het luchtledig boven of onder de zuiger te veroorzaken. Later isoleerde Watt de cilinder niet meer tegen koude lucht met een houten mantel. Hij legde om iedere cilinder een mantel van plaatijzer. Tussen de ijzeren mantel en de cilinder bevond zich stoom.

Deze verbeteringen lijken heel eenvoudig, maar in werkelijkheid waren zij zeer moeilijk. De zuiger trok de balans omlaag. Naar boven stoten kon hij ze niet, omdat de verbinding tussen de balans en de zuigerstang een ketting was. De slappe ketting kon de stoot van de zuiger niet op de balans overdragen. De zuigerstang direct met de balans verbinden ging niet omdat de zuigerstang dan al bij de eerste stoot zou zijn gebroken. De zuigerstang gaat immers recht naar bo­ven. Ieder punt van de balans echter beschrijft een cirkelboog. Er moest dus een schakel tussen de zuigerstang en de balans gevonden worden, die de rechte stoot van de stang op de balans zou kunnen overbrengen. Watt vond die schakel later. Het was zijn parallellogram.

Voorlopig echter voldeed de enkelvoudig werkende stoommachine aan alle eisen. In deze eerste vorm werd zij de redster van de mijnen in Cornwall. Deze eerste machines waren het, die men de « IJzeren Engelen » noemde of de « Zwarte Duivels ». Watt verbleef jaren achtereen in het mijndistrict van Cornwall, waar hij de ene ma­chine na de andere bouwde, waar hij en zijn monteurs voortdurend tegen de vijandschap van de arbeiders hadden te vechten en waar hij gedurende de nachten dat hij niet door hoofdpijn geplaagd werd, de ene verbetering na de andere bedacht.

Toen kwam er een smid bij Boulton en Watt. Hij heette William Murdock. De firma stelde hem in dienst omdat hij « een hoed vol eigen ideeën » meebracht. Van eenvoudig arbeider werd Murdock tot eerste ingenieur en bedrijfsleider van de machinefabriek Boulton en Watt. Murdock is de man, die de eerste locomotief gebouwd heeft, die het planetenraderwerk uitvond en die ook een der eersten was die het gas voor verlichtingsdoeleinden gebruikte. Toen hij dood was werd hij naast Watt en Boulton in de kerk van Handworth bijgezet. Murdock, een reus van gestalte, was de zoon van een molenbouwer; hij had een gelijkmoedig temperament en bezat grote geestelijke gaven. Hij trad met een weekloon van vijftien shilling bij de firma in dienst, had jarenlang ondanks zijn grote prestaties slechts een week­loon van een pond en kwam toen, zodra hij bedrijfsleider van de machinefabriek werd, en zevenhonderd arbeiders onder zich had, tot een vast inkomen van duizend pond per jaar. Het is moeilijk te over­zien, hoe Boulton en Watt in het mijndistrict van Cornwall alle moeilijkheden onder de knie gekregen zouden hebben als Murdock er niet geweest was. Waar de nieuwe machine in bedrijf gesteld werd, ontstonden er opstootjes, bestormingen en vechtpartijen. De « ijzeren Murdock » joeg alle aanvallers echter op de vlucht en ten­slotte had hij een afrossysteem bedacht, dat tegelijk met de in bedrijfstelling van de machine werd toegepast.

Waar de boden van de nieuwe tijd, de machinebouwers van de firma Boulton en Watt, tegenstand ontmoetten, daar trad William Murdock naar voren en verklaarde, dat hij bereid was, met de sterk­ste onder de machinebestormers een partijtje te boksen gedurende zoveel ronden als men maar hebben wilde. Aan een dergelijk voorstel kan geen Engelsman weerstaan, ook als hij een machinebestormer is. Murdock bokste en won altijd. Meestal was één partij voldoende, maar af en toe moest hij drie- tot viermaal optreden, omdat er altijd nog waren, die de machine of Murdock te lijf wilden.

Murdock ging helemaal in de machine op. Als de andere machine­bouwers, trots op  het feit dat zij bij de beroemde firma Boulton en Watt werkten, zich in de herbergen verzamelden en in een bodem­loze roes vielen, zat Murdock peinzend voor de machine. Op zekere nacht, toen hij vroeger was gaan slapen, klonk er een hevig kabaal uit zijn kamer en toen zijn vrienden gingen kijken om te zien wat er aan de hand was, lag Murdock slapend, maar hardop pratend op de grond. Hij was uit het bed gevallen en riep : « Jongens, de machine loopt! Ze loopt -! »

De mijnwerkers waren de vijanden van de machine. De onderne­mers waren de vrienden van de ijzeren engelen, maar hun vriend­schap was zeer eenzijdig. Zij bestelden de machine in massa, maar zij betaalden ze niet graag. Watt moest alle mogelijke listen verzin­nen om aan geld te komen. De ondernemers zeiden, dat zij wegens hun schulden geen liquide middelen hadden en Watt stelde hun voor de machines met kolen te betalen. Daar verklaarden zij zich mee akkoord en Watt kwam met hen overeen, dat hij een derde van alle kolen zou krijgen, die zijn machines minder verbruikten dan de oude Newcomenmachines. Maar toen de mijneigenaren zagen, welke
ge­weldige kolenbergen zich ten gunste van Watt ophoopten kregen zij er weer genoeg van.

Hoe Watt met zijn machines de kolenproductie heeft doen toene­men, moge een getal aantonen. De machine haalde zoveel water uit de mijn, dat de schachten van de mijnen in Cornwall binnen korte tijd zes en dertig meter dieper konden aangelegd worden.

De geschiedenis van het ijzer

Wij laatgeboren kinderen van het technische tijdperk aanvaarden ijzer als iets vanzelfsprekends. Voor ons is een ijzeren brug iets heel gewoons en dat heel de aardbol met talloze ringen van spoorrails helemaal als het ware omsmeed is, lijkt ons nauwelijks het opmerken waard. De geweldige hangbruggen, die rivieren en zee-inhammen overspannen en die men vijftig (in 2014  honderd) jaar geleden nog als wereldwonderen beschouwde, zijn voor ons alledaagsheden geworden. Dat men sche­pen niet meer van hout, maar helemaal van ijzer maakt, dat de skelet­ten van onze huizen van ijzer zijn, dat men zelfs metselstenen van ijzer maakt, dat er overal ijzer is, waar wij ook kijken, vinden wij zo natuurlijk alsof het altijd zo geweest is.

Dat een Assyrische koning tweeduizendvijfhonderd jaar geleden een ijzerschat bewaarde, die hem kostbaarder voorkwam dan alle goud, lijkt ons onbegrijpelijk. Wij kunnen haast niet geloven, dat de held der Griekse sage Achilles om een klomp ijzer van veertig pond een andere held versloeg en toen juichte, omdat hij en de zijnen, herders en ploegers, nu zoveel ijzer hadden, dat zij vijf jaar lang niet meer naar de stad hoefden te gaan. Iedere ploegschaar, iedere lans­punt van ijzer was een kostbaarheid. En toen Alexander de Grote temidden van zijn met bronzen wapens uitgeruste krijgers zich opmaakte voor zijn tocht naar het Morgenland, droeg hij, de Koning, als enige een stalen helm. Alle anderen hadden slechts een helm van brons.

Wat het ijzer eens betekend heeft, kunnen wij misschien opmaken uit die regel van Homerus, waar de grijsaard zijn zoon, voordat het feestmaal der soldaten begint, het bevel geeft, de wapens van de muur te nemen : « Want ijzer trekt mannen aan ! »

Het ijzer trekt de man niet alleen aan, omdat men er de beste wapens uit maken kan, maar omdat er een geheimzinnige macht in schuilt. Al onze betekenissen voor ijzer en erts zijn terug te brengen tot het sanskriet-woord « Ayas ». Het betekent : het lichtende. Ayas heeft zich gesplitst in isen, eisarn, iron, jarn, hierro, ferrum en fer, dat zijn woorden voor ijzer, en in éren en ehern, wat hetzelfde bete­kent als eer.

De Indiërs hadden het al in de oudste tijden zo ver gebracht in de smeedkunst, dat zij in de vierde eeuw na Christus ter ere van
Tsjan-dragoepta II een smeedijzeren zuil van veertig centimeter doorsnee en zeven en een kwart meter hoogte oprichtten. Die zuil staat er nu nog en tot het begin van de negentiende eeuw beschouwden de mensen haar als de grootste merkwaardigheid. De zuil, die in Delhi staat en de Koetoebzuil genoemd wordt, weegt honderdtwintig centenaar en tot de Parijse wereldtentoonstelling van 1855 gold zij als het grootste ijzerblok ter wereld. Op de wereldtentoonstelling vertoonde de staalgieterij uit Bochum echter twee staalblokken van elk honderdvijftig centenaar en in 1861 verblufte Alfred Krupp de hele wereld door het feit, dat hij voor het smeden van zijn zware blokken gietstaal de stoomhamer « Fritz » gebruikte, die duizend centenaar woog. Vier jaren later waren er in Engeland en Amerika al stoomhamers van tweeduizend centenaar en in 1891 hadden de Bethlehemstaalwerken een smeedhamer van tweeduizendvijfhonderd centenaar. Het aam­beeld daarvoor woog bijna vijftigduizend centenaar. Dat was de grootste hamer van de wereld. Na enkele jaren werd hij buiten
ge­bruik gesteld, omdat hij op slechte fundamenten stond en men ingezien had, dat smeedpersen dezelfde dienst deden als de stoomhamers en de grote aambeelden hoofdzakelijk ontstaan waren om de mensen te bewijzen hoe rijk de negentiende eeuw aan ijzer was.

In de Zuidzee en in Afrika wordt de bereiding van ijzer tegen­woordig nog als toverij beschouwd. Op vele plaatsen moeten degenen die ijzer bereiden zich onthouden van al wat onrein is. Zij moeten heilig en in onthouding leven als priesters, en dat het in de oudheid eveneens zo geweest is bewijst Isaias 44, vers 12 : « De smid neemt zijn gereedschap en maakt het vuur gereed. Met hamers geeft hij het beeld zijn vorm en werkt eraan met krachtige arm. Maar hij lijdt honger en raakt uitgeput, en drinkt ook geen water, al versmacht hij van dorst. »

Kettingen rond de kerken

De oude opvattingen over de heiligheid van het ijzer hebben zich ook in de christelijke godsdienst tot in de achttiende eeuw gehand­haafd. De katholieke kerk heeft een heilige, aan wie ijzer geofferd werd en waar er nu in de kerken van deze ijzerheilige teveel ijzer opgehoopt werd, lieten de priesters er kettingen van maken en die grote kettingen op stenen blokken om de kerk heen trekken. Zo vin­den wij ook tegenwoordig nog veel kerken met ijzeren kettingen om­gord en weten niet meer waar dat vandaan komt. IJzer omgeeft ons in overvloed en de gedachte dat de ijzerenring om de kerken heen de Boze zou hebben kunnen afschrikken komt ons onbegrijpelijk en als uit lang vervlogen tijden voor.

De voorname Spartanen en de vrije Romeinen droegen als teken van hun onafhankelijkheid ijzeren vingerringen. De wapens waar de Romeinen de hele wereld mee onderworpen hebben, de werpspietsen met de lange ijzeren punt, hebben zij aan de Etruskers te danken. De Etruskers waren al vroeg op de hoogte van de bereiding van ijzer. Met hen oefenden de Galliërs zich in de smeedkunst. Zolang de Ro­meinen aan het ijzer hebben vastgehouden, bleven zij machtig. Maar toen zij hun ijzeren vingerringen voor gouden ringen verwisselden, begon hun val. Brennus veroverde Rome en lachend wierp hij het zware ijzeren zwaard der Galliërs in de weegschaal; zo bepaalde het ijzer de hoeveelheid goud die er moest worden opgeleverd.

De Grieken hadden in hun sagen de smid Hephaestus of Vulcanus onder de goden opgenomen. Hij was gespierd en had een geweldig behaarde borst, maar dunne benen en een hoge rug. Bij de Germanen heet Hephaestus « Wieland ». Hij is een dwerg en smeedt het zwaard Mimung. Wieland heeft met de smid Aemilias gewed, dat Mimung de ijzeren wapenrusting van Aemilias glad zal doorsnijden. Voordat dit beproefd wordt, probeert Wieland zijn zwaard nog eens. Hij wil zien of het ook wol, die op de rivier drijft, glad kan doorsnijden. Dan zet hij de vijl op het zwaard, omdat de scherpte hem niet voldoet, hij vijlt het zwaard helemaal op, kneedt de spanen met meel en melk ondereen en geeft het deeg aan de mestvogels te eten. Van de mest smeedt hij een nieuw zwaard, vijlt het nogmaals op en geeft het an­dermaal aan de vogels te eten. Dan smeedt hij Mimung voor de derde keer, gaat achter Aemilias staan, legt heel zachtjes het zwaard op diens helm en snijdt helm, man en harnas netjes in twee helften. Aemilias merkt er intussen niets van. Hij heeft alleen het gevoel alsof er koud water over zijn lijf loopt. Maar als hij zich dan even beweegt valt hij in twee stukken.

james watt 12

In zijn « Geschiedenis van het IJzer » vertelt Otto Johannsen, dat ook de Arabische zwaardensmeden uit de Middeleeuwen zulke kunst­jes kenden als Wieland en dat de smid het opgevijlde zwaard door de ganzen liet opeten, opdat het maagzuur de zachte delen van het ijzer zou vernietigen en alleen het beste staal zou overblijven.

Het ijzer was in die oude tijden zo kostbaar, omdat het erg moeilijk was, ijzer te maken. De heiligheid ervan valt af te leiden van de meteoorstenen. De mens zag het stuk van een ster uit de hemel op de aarde vallen en als hij die groet van de goden nader ging bekijken, zag hij dat er ijzer uit de hemel was gevallen. De meteoorstenen wa­ren de enige grote stukken ijzer, die de mens kende. Zuiver ijzer vindt men zelden in de grond en waar de mens het in kleine stukken aantrof, bemerkte hij de verwantschap van het metaal met het uit de hemel gevallen erts en vereerde het als iets goddelijks. De Egyptenaren hebben in hun schilderwerken het ijzer altijd blauw voorge­steld. Blauw is de kleur van de hemel.

Als de mens ijzer wilde hebben, moest hij de ertshoudende stenen smelten. In het vuur en onder de hamer moest hij het ijzer van de slakken bevrijden. Daarom bouwde men ook hutten met ovens erin. die alleen dienden voor de ijzerbereiding. Maar welk een verschil ligt er tussen onze hoogovens en de ijzerhutten uit de oudheid, die er waarschijnlijk zo hebben uitgezien als die welke nu nog in de Zuidzee en in Afrika voorkomen.

james watt 13

Reeds vroeg zag de mens in, dat het niet goed is, steenkool en ijzererts samen te brengen of het ijzer met houtvuur te smelten. De zwavelgassen maakten het ijzer bros. Zo kwam men op de idee, het hout eerst in stapels te verkolen en dan de houtskool met het ijzererts in een oven te doen. Het houtskoolvuur moet worden aangeblazen om een hoge graad van warmte te verkrijgen. IJzer heeft een hoger smeltpunt dan koper.

De long als blaasbalg

De eerste blaasbalg was de menselijke long. De mens blies het vuur aan door een buis en later kwam men op de gedachte, dat een leren zak de lucht kan vasthouden. De leren zakken werden dan met de voeten betreden en wel afwisselend zo, dat zij eerst lucht inzogen en dan uitbliezen. Met zulke blaasbalgen hebben de Egyptenaren eeu­wenlang gewerkt.

Waar men zich met de natuurlijke trek van het vuur behelpen moet, omdat er geen blaasbalgen zijn, daar wordt het ijzer niet zo goed. Men moet het, om de weke delen van het begeerde staal te scheiden, in de grond begraven en wachten totdat al het weke er uit geroest is. Dit langdurige, maar zekere proces hebben de Japanners gevolgd. Wie gauwer aan ijzer wilde komen, moest het met hameren reinigen. Daartoe neemt men de met kolen en slakken vermengde ijzermassa uit de afgekoelde oven, verhit de massa in een smidsvuur en slaat er zo lang met de hamers op totdat het onzuivere verdreven en het brosse vast geworden is.

Van deze primitieve techniek der ijzerwinning hebben de oude volkeren een hoogstaande en geheimzinnige kunst gemaakt, en thans nog leggen de negersmeden amuletten onder het aambeeld en rond de ijzeroven. Ondanks alle moeite en alle kunst, alle bezweringen en to­verformules ten spijt, kon men toch maar weinig ijzer maken. Als de oven vierentwintig uren gebrand had, kwam er eindelijk een stuk ijzer uit, niet groter dan een suikerbiet.

Bezielde zwaarden

Doordat het ijzer zeldzaam was en moeilijk te vervaardigen, kwam het dat de mensen de smeden onder de goden plaatsten en het zwaard voor heiliger hielden dan de held. Wie ijzer bezat, kon andere men­sen onderwerpen. Hij kon hen dwingen voor hem te werken. Met het hemelse ijzer echter, met het heldere, stralende Ayas kon de mens ook Satan tegemoettreden en al die afschuwelijke hellemonsters over­winnen, die de weg van de mens met hun giftige adem versperren en verpesten. Zo gaat Siegfried, de held, naar Mime, de smid ; de smid leert hem een zwaard te maken. Doordat hij een smid wordt, beter dan alle anderen, kan Siegfried een held zijn, groter dan alle anderen. Met het zwaard Nothung in de vuist, treedt Siegfried op de draak toe en velt hem.

De Franken vochten met slagbijlen, die zij « Franziska » noemden, de Saksers met een mes, dat « de Sakser » heette. De sakser werd in de strijd geworpen en de oude liederen verhalen ervan, hoe de vlie­gende messen de held de lokken van het hoofd maaiden. Het lievelingswapen der Germanen was echter het lange zwaard, Wieland’s « Mimung », Siegmund’s « Gram », die het aambeeld van Regin deed splijten, « Nothung » waarmee Siegfried de draak versloeg,
« Nagelin » van Beowulf en « Dürnhardt» waarmee Roland de rotsen van de Pyreneeën kliefde. Deze zwaarden waren niet levenloos, maar het waren door God bezielde wezens en werkelijk konden die wa­pens voor heilig gehouden worden, daar alleen de voornamen ze bezaten en wijl alleen de vorsten lange zwaarden mochten dragen.

james watt 14

De onvrije mocht geen ijzeren wapens hebben en Karel de Grote zwaaide de machtigste klink die er ooit bestaan heeft. Het lemmet was negentig centimeter lang en een griezelige sage vertelt, dat de keizer er het lichaam van de gevangenen mee mat en iedereen liet onthoofden, die van aan de heup tot de schedel langer was dan het zwaard.

Eerst kanonnen, dan machines

Zo heersten de groten dus over de kleinen met het ijzer en hun heerschappij werd pas gebroken toen er meer ijzer kwam. De water­raderen en het kruit hebben de geschiedenis van het ijzer een nieuwe prikkel en een andere wending gegeven. Met de molens, met de kracht van het water en van de wind, konden grotere blaasbalgen bewogen worden dan met de zwakke kracht van de mens. De grotere blaasbalgen wakkerden de houtskool tot grotere gloed aan. Men kon grotere ovens bouwen, « hoogovens » noemde men ze en de grotere hitte daarin leverde beter ijzer op. Het betere ijzer werd met de ontploffingskracht van het kruit over grote afstanden weggeslingerd. « De eerste kanonnen », zegt Conrad Matschoss, « schoten het saluut in van een nieuwe tijd. » Het kanon ruimde meteen de vele kleine heren op, die het leven der mensen onderdrukten, de wolven vraten elkaar op en alleen de sterksten bleven over. Zo werden de verhou­dingen eenvoudiger. Achter de kruitdampen vernevelden de blinken­de wapenrustingen van de ridders, hun burchten stortten ineen en de zwaarden roestten in de handen der dode heersers.

james watt 15

Wat vroeger het zwaard geweest was, dat werd tot een nieuwe god omgesmeed. Het gedreun der schilden en het gerinkel der wa­pens werd overstemd door het machtiger geluid der kanonnen en wie de meeste bezat, die bezat het recht en de ware godsdienst. Zoals in Europa de macht van de ridderschap voor de macht van de kanon­nen ineenstortte, zo stortte voor de Europese kanonnen ook de heer­schappij der gekleurde volkeren over het Morgenland ineen.
De Mo­hammedanen waren uitgetrokken met de zeven zwaarden van de profeet, om Azië aan zich te onderwerpen. Met hun stalen sabels kliefden de Khans de buiken van de Boeddhabeelden open en lieten goud en edelstenen uit het lichaam der goden rollen. Hoe beter wa­penen de Mohammedanen smeedden, des te hopelozer werd de strijd der boeddhisten om hun vrijheid. De uiteindelijke overwinning der Moslems scheen reeds zeker, toen de Engelse kanonnen in Indië hun stem verhieven en alle andere strijders het zwijgen oplegden.

De Europese volkeren waren niet de enige, die grote smeltovens bouwden en in die smeltovens door blaasbalgen grote hitte konden verwekken. Ook de Chinezen bezaten hoogovens en ook het kruit hadden zij uitgevonden. Zij hadden het ijzer echter alleen nodig voor de ouderwetse, kinderlijke behoeften; zij maakten er sieraden van, zwaarden en ploegscharen en het kruit gebruikten zij om er kleurig vuurwerk van te maken.

De Europeanen echter goten kanonskogels van het ijzer dat uit hun hoogovens stroomde en gebruikten het buskruit om die kogels door de lucht te slingeren. In zijn verzameling Duitse spreekwoorden zegt Johann Agricola in 1528 : « De grote vesting diende tegen het geweld: bergkastelen, muren en stenen torens. Toen werden er buk­sen en gruwelijk geschut uitgevonden om de grote vestingen te kun­nen vernielen. Nu maakt men bolwerken en grachten, zodat de buk­sen geen schade meer kunnen doen. Maar spoedig zal er wel weer een kunst komen, waardoor men ook de bolwerken kan vernietigen, opdat het spreekwoord bewaarheid worde, dat zegt: Wat mensen­handen maken, dat kunnen mensenhanden ook weer vernietigen. »

Het ijzer scheen zijn vroegere heiligheid verloren te hebben. Met de vloek kwam echter ook nieuwe zegen. De heren van de kanonnen moesten op hun hoede zijn, dat andere heren geen betere kanonnen maakten en met die kanonnen hun heerschappij zouden stukschieten. Daarom richtten de vorsten werkplaatsen voor de kanonnenbouw op. « De eerste werkplaatsen voor geschut », zegt Matschoss, « werden scholen voor de machinebouw. Hier leerde men voor het eerst in grotere omvang metalen te bewerken. In de boormolens van de kanonnenfabrieken stonden de eerste machines voor metaalbewerking; van daar uit werd die kunst vaak op stoommachines overgebracht. »

Het was een ijzergieter, John Wilkinson, die de eerste bruikbare stoommachine-cilinder goot. Wilkinson zou hem niet hebben kunnen gieten en boren, als hij van te voren niet eerst kanonnenlopen gegoten en geboord had en zich bij het smeden van wapens niet de grote kunst eigen had gemaakt, die thans de stoommachine ten goede kwam.

De eerste stoommachine dreef het blaasbalgwerk van een hoogoven aan. Wat vroeger het waterrad gedaan had, deed thans de stoom, en de stoom deed de balgen zo machtig bewegen, hij joeg de tempera­turen zo hoog op, dat men niet alleen er toe kon overgaan, ook giet­staal naast gietijzer te bereiden, maar ook de steenkolen te verande­ren in cokes en met deze cokes de hoogovens te stoken.

De stoommachines van Watt hadden, zoals we reeds zeiden, de mo­gelijkheid geschapen, de schachten der mijnen na korte tijd zesendertig meter dieper te graven. Binnen enkele jaren dus kon Engeland zijn kolen en ertsproductie vermeerderen met alles wat vroegere tijden sinds de grauwe dagen der sage via de mijnbouw der Romeinen tot in de achttiende eeuw aan kolen en erts opgeleverd hadden. Daardoor was Engeland in een paar jaren tijds rijker aan erts en kolen als alle andere volken der aarde. Deze snel gegroeide rijkdom heeft Brittannië een overheersende positie over alle andere naties der we­reld verleend. Die overheersende positie werd het uitgangspunt van wat wij de industriële revolutie noemen en wat het aanschijn der aarde in de laatste honderdvijftig jaren zo fundamenteel heeft ver­anderd.

« Niet de ideeën der Encyclopaedisten », zo heet het in de « Ge­schiedenis van het ijzer », « hebben de Franse Revolutie veroorzaakt, want zij waren niet de oorzaak, maar werktuigen van de ineenstor­ting. De materiële zorg die op Frankrijk drukte, sinds Engeland de wereldmarkt door de uitvinding der mijntechniek en van de stoom­machine beheerste, heeft Frankrijk de revolutie ingedreven. Niets heeft meer het ontstaan van grote eenheidsstaten in de hand gewerkt als de verbetering van het verkeer door de invoering van de spoor­weg en thans is de wereldoorlog alleen maar een oorlog van de techniek geweest en gewonnen hebben de volkeren, die de rijkste technische middelen tot hun beschikking hadden. »

*

Angst voor gijzeling

De pogingen van de mijneigenaars in Cornwall om zich van het betalen der stoommachines van Watt af te maken, brachten Boulton en Watt in de grootste verlegenheid. Binnen enkele jaren drukte er op de machinefabriek een schuldenlast van bijna een miljoen, en daarbij deden zich nog andere teleurstellingen voor. Boulton twijfelde er niet aan, dat de mijneigenaren op zekere dag zouden moeten be­talen en dat men hen, als het anders niet ging, door de staat kon laten dwingen. De tijd echter, die er verstreek vooraleer men zijn geld zou krijgen, moest Watt niet ongebruikt laten verstrijken.
Boul­ton drong er bij zijn vennoot op aan, een stoommachine met een draaiende beweging te maken. De gebruiksmogelijkheden van de op trekken berekende machine waren beperkt en pas als de stoom een rad kon doen draaien, zou zij in staat zijn om de oude water- en windmolens geheel te verdringen.

Watt was liever nog bij de pompmachines gebleven. Hij voorzag de talrijke moeilijkheden, die hij zou moeten overwinnen, om de op- en neergaande beweging van de balans in een draaiende bewe­ging om te zetten. Hij was er zo terneergeslagen van, dat de firma telkens maar weer nieuwe schulden moest maken, dat hij het liefst helemaal niets meer gedaan had. Op het toppunt van zijn mismoedig­heid schreef hij aan Boulton, dat hij weigerde nog nieuwe machines te ontwerpen, als Boulton het niet klaarspeelde, baar geld van de mijneigenaren te krijgen. « U moet het mij ten goede houden, als ik U zeg, dat ik geen pen meer op papier zal zetten om de nodige teke­ningen voor nieuwe inrichtingen te maken, alvorens dat geschied is. Laat de gebruiksvoorwaarden matig zijn, zo mogelijk van te voren in geld uitgedrukt, dan zullen we tenminste genoeg ontvangen, om ons voor gijzeling te behoeden, want daar ben ik voortdurend als de dood voor. »

Boulton reisde naar Cornwall, nam eerst van een bankier nieuw geld op en kon vervolgens werkelijk een paar mijneigenaars tot ge­regelde betalingen bewegen. Zo werd er bij een machine in Chacewater een kolenbesparing van achtenveertigduizend gulden per jaar erkend en de firma een jaarlijkse betaling van veertienhonderd pond opgelegd. Twee andere machines brachten per jaar achthonderd pond op.

Die resultaten monterden Watt weer op en hij maakte zich op om aan de bewonderenswaardige arbeid te beginnen, waardoor de op- en neergaande beweging van de zuigerstang in een draaiende bewe­ging zou worden omgezet. Hij verbond de zuigerstang door een parallellogram met de balans, en aan de andere kant van de balans bracht hij een drijfstang aan, die een krukas deed ronddraaien. De krukas droeg die omdraaiingen over op een wiel. Wij mensen van tegenwoordig bekijken de eerbiedwaardige machines van James Watt met verbazing en verwondering. Wij zien niet in, waarom Watt het zich zo moeilijk gemaakt heeft. Hij had immers de omweg over de balans helemaal niet nodig. Hij zou, menen wij, de balans hebben kunnen weglaten en de zuigerstang direct aan de drijfstang met een krukas hebben kunnen koppelen, zoals wij aan de moderne stoommachines plegen te zien.

Helaas bestonden die mogelijkheden voor Watt niet. Het weglaten is de allergrootste kunst en zelfs als Watt het van zichzelf had kun­nen verkrijgen, de balans van zijn machine weg te denken, bleven er nog genoeg bezwaren over. Deze bezwaren waren onoverwinnelijk.

Als de zuigerstang het wiel direct, en alleen door een krukas daar­mee verbonden, moest bewegen, zou Watt het wiel of de cilinder in de lucht hebben moeten ophangen. Dat durfde hij echter niet. De cilinder boven de krukas aan te brengen, zoals wij vanzelfsprekend zouden vinden, zou immers betekend hebben, dat men hem van zijn gemetseld voetstuk, uit zijn hechte verankering zou moeten losmaken. Daar durfde toen niemand aan denken. De cilinder, in welks inwen­dige zich de geheimzinnige processen voltrokken, kwam iedereen zo gevaarlijk, zo onberekenbaar en geheimzinnig voor, dat men hem in alle geval stevig wilde vastzetten. De machinebouwers zijn er daarom ook later nog liever toe over gegaan het vliegwiel in de hoogte te monteren, dan dat zij de cilinder van zijn veilige plaats verwij­derden. De cilinder was nu eenmaal een griezelig voorwerp, waar­voor men in voortdurende angst leefde. De cilinder plat te leggen en de zuigerstang horizontaal of schuin naar de krukas te leiden, was toen eveneens ondenkbaar. Men wist niet, hoe men de eenzijdige wrijving van de zuiger in de cilinder zou moeten voorkomen.

Het parallellogram

Nu begrijpen wij waarom de balans gehandhaafd bleef en dat Watt liever het reusachtige werk ondernam de verticale beweging van de zuigerstang met behulp der wiskunde op de balans over te brengen. Zo vond hij het parallelogram.

Over het parallellogram van Watt is veel geschreven, maar weinig gezegd. De geschiedschrijvers der techniek stellen er zich mee tevre­den ons te verzekeren, dat het een krankzinnige geschiedenis is. Maar wat die krankzinnige geschiedenis inhoudt vertellen zij niet. Wie voor wiskunde geestdriftig kan worden, verdiepe zich in de volgende alinea.

james watt 17

Voor de constructie van het parallellogram ging Watt uit van het feit, dat elk der beide eindpunten van de balans een boog beschrijft. Als men die boogvormige beweging wil omzetten in een rechtlijnige, dan kan men een tweede hefboom met één arm in het verlengde van de eerste leggen, maar moet hem een beetje lager aanbrengen. Ver­bindt men nu de eindpunten der beide hefbomen door een stang, dan is er op de stang een punt te vinden, dat een bijna rechte beweging maakt. Op dat punt moet men de zuigerstang vastmaken. Men mag noch naar links noch naar rechts gaan, omdat alle andere punten meer of minder aan de cirkelbeweging van de beide hefbomen onderwor­pen zijn. De plaats van het punt hangt af van de lengteverhouding van de balansbalk en van de daaronder aangebrachte hefboom. Zijn de balk van de balans en de hefboom even lang, dan moet het punt in het midden liggen. In het parallelogram van Watt ligt het niet in het midden, omdat Watt de hef­boom van één arm korter ge­maakt had. Die nam minder plaats in.

Van deze omzetting in een rechte beweging kwam James Watt eindelijk tot zijn parallellogram. Het volgende had hij te overleggen :

Met de rechte beweging spaar­de hij — door het wegvallen van de cirkelboog bij de balans — wel aan hoogte uit in het machinehuis. Maar wat hij in de hoog­te uitspaarde, moest hij aan de zijkant weer toevoegen, omdat de ene hefboom te veel plaats nodig had. Dit bezwaar probeerde hij eerst op te vangen door deze hefboom korter te maken dan de balans. Helemaal tevreden was hij daarmee niet. Een tweede opgave die hij zich stelde, bracht hem tot het parallellogram. Hij wilde ook de aandrijving voor de condensator via een rechte beweging bewerkstelligen en kwam op de idee die rechte beweging met behulp van de pantograaf of tekenaap te verkrijgen. Dit is het vergrotingsinstrument voor de tekenaar, dat men gebruikt voor alles wat met parallellopende lijnen te maken heeft en dat James Watt welbekend was, daar hij zelf eens een vergrotingsapparaat had gemaakt. Zo vond hij door middel van de tekenaap het parallellogram en zag thans de mogelijkheid, om de ene hefboom veel dichter bij het middelpunt van de balans te kunnen brengen. Die hefboom hoefde alleen het binnenste, onderste draaipunt van het parallellogram te grijpen en kon zo de zuigerstoot op de balans overbrengen.

In het jaar 1808 schreef James Watt aan zijn zoon :

« De idee van het parallellogram ontstond op de volgende manier: Daar ik de dubbele kettingen of de getande stangen en getande bogen zeer ongeschikt vond, om de beweging van de zuigerstang op de hoekbeweging van de balans over te dragen, ging ik proberen of ik geen middelen en wegen kon vinden hetzelfde te verkrijgen door bewegingen rond assen. Na enige tijd viel mij te binnen dat, als AB en CD twee gelijke cirkelstralen zijn, die zich rond de middelpunten B en C draaien en door een stang AD met elkaar verbonden zijn, bij de beweging langs de curven van een zekere lengteer dezelfde en tegengestelde afwijkingen van de rechte lijn zouden zijn en dathet punt E een bijna rechte lijn zou beschrijven, evenals, wanneer de straal CD vanwege de  doelmatigheid slechts halt zo groot zou zijn als AB, hetzelfde zou gebeuren, wanneer men het punt E dichter naar D toebrengt en hieruit werd de constructie, die men later de parallelbeweging genoemd heeft, afgeleid. »

james watt18

Zo werkte het parallellogram aan de ene, de krukas aan de andere kant van de balans. James Watt beschouwde de krukas niet geschikt om gepatenteerd te worden en schrok er aanvankelijk voor terug ze te gebruiken. Hij wilde aan zijn machines zo mogelijk alleen maar onderdelen gebruiken die voor patent in aanmerking kwam. De krukasbeweging in de stoommachine toe te passen, zo zei hij op hoge leeftijd, vereiste niet meer uitvindersgeest dan er nodig is voor de gedachte om een broodmes te gebruiken bij het kaassnijden. « De ware uitvinder van dat mechanisme was de man, die het eerst een draaibank maakte om te trappen. Helaas is die man niet heilig ver­klaard. »

Zijn aarzeling is hem slecht bekomen. Een knopenfabrikant, James Pickard uit Birmingham, had er de lucht van gekregen, dat James Watt misschien een stoommachine met een krukas wilde maken. Pickard was niet zo fijngevoelig als Watt. Hij ging en probeerde patent te krijgen op de krukas, die reeds in de grijze Oudheid was uitgevonden. Het zal eeuwig een wonderlijk iets blijven, dat hij de krukas werkelijk gepatenteerd kreeg. In de machinefabriek van Soho stond men als van de bliksem getroffen, toen men van dat grappige patent van de knopenfabrikant hoorde en het duurde in alle geval twee jaren voordat de firma Boulton en Watt zich van haar verba­zing hersteld had en in het begin van 1782 patent op vijf verschillen­de mechanismen aanvroeg, die alle geëigend waren om de krukas te vervangen en die eigenlijk niets anders bedoelden als het krukaspatent te omzeilen. In februari werd op de vijf mechanismen patent verleend. Waarschijnlijk deed men het alleen om zich voor het pu­bliek door de eigenlijk noodzakelijke opheffing van het krukaspatent niet belachelijk te maken.

De regulator

Van de vijf mechanismen kozen Boulton en Watt het planetenraderwerk uit. Het is een heel schrandere en elegante manier om de as van een wiel door een tandradstel te bewegen. Het was geen vondst van Watt maar van William Murdock. Deze vond ook de eerste bakschuif uit voor de verdeling van de stoom, die later in de verbetering van Murray in alle machines van Watt werd ingebouwd. De bakschuif stond met de bekende regulateur in verbinding. Alleen de toepassing van deze regulateur, niet het van ouds bekende mecha­nisme zelf, is een inval van James Watt, James Watt kon pas op het idee komen de regulateur toe te passen, nadat hij de draaiende
bewe­ging bij de stoommachine tevoorschijn had geroepen.

De regulateur heeft een as, die men loodrecht zo met de krukas in verbinding stelt, dat de beweging van deze laatste zich aan de as van de regulateur meedeelt. Haar toerental is afhankelijk van dat van het vliegwiel en even snel cirkelen twee kogels rond de as van de regulateur. Hoe sneller de machine loopt, des te verder worden die kogels uit elkaar geslingerd en openen tenslotte een ventiel die de stoom afknijpt. Smoorklep noemde James Watt die ventiel.

De eerste machines met draaiende beweging stelden Boulton en Watt op voor een Londense brouwerij, voor een meelmolen en toen voor een zagerij. Spoedig volgden er bestellingen voor suikerfabrie­ken in Westindië en zaagmolens in Amerika en zo verbreidde zich de roem van de machine met draaibeweging door de hele wereld. Alleen in Londen bleef men conservatief en weer was het Smeaton, die er openlijk twijfel over uitsprak, dat men de draaibeweging van het waterrad ooit door stoommachines zou kunnen vervangen. Boul­ton wilde die mening door een daad ontzenuwen en ontwierp het plan in Londen een grote stoommolen te bouwen. Hij wilde een naam­loze vennootschap voor die onderneming oprichten, die hij groots wilde opzetten. Maar de molenaars, die met wind en water werkten dwarsboomden het plan. Zij wisten van het parlement gedaan te krijgen, dat de toestemming voor de vennootschap niet verleend werd. Maar Boulton liet de zaak niet los. Hij bepraatte zijn vriend en mede­vennoot Watt zo lang, totdat deze alle bezwaren opzij zette en Boulton zesduizend pond gaf. Boulton legde er uit zijn eigen kas nog twaalfdui­zend bij, ook een paar andere finan­ciers namen deel en zo kon de molen zo groots opgezet worden als Boul­ton zich had voorgesteld. De beroem­de Engelse architect Wyart ont­wierp de bouwplannen. Watt bouw­de de stoommachine en de maalderij­machines werden vervaardigd door de geniale Schotse molenbouwer John Rennie. Voor Boulton kan alles niet goed genoeg zijn en toen in het voorjaar van 1786 de ma­chines voor het eerst begonnen te lopen, werkten zij niet naar zijn zin. Watt bevond zich op dat ogenblik in Soho. Boulton raasde tegen de monteurs en schreef aan Watt, dat hij zo gauw mogelijk zou overkomen. Watt kwam niet, maar vermaande zijn partner schrifte­lijk, koelbloedig te zijn. « Alvorens men begint te mopperen, moet men eerst bedenken, dat bij nieuwe, gecompliceerde en moeilijke dingen het vooruitziend vermogen van de mens ontoereikend is. Tijd en geld moeten besteed worden om iets te vervolmaken en de fouten ervan te vinden. » Zo retourneerde Watt zijn vriend de woorden, waarmee Boulton vroeger de machine begroet had : « Het zal tijd en geld kosten er iets van te maken. »

james watt 19

Boulton liet zich overtuigen, kalmeerde en kreeg pas weer ruzie met Watt toen de molen met grote praal zou worden geopend. Boul­ton had het voornemen gemaakt de besten uit de Londense society eens te laten zien, dat een stoommolen iets heel anders is dan de stof­fige, met witte korsten overdekte watermolen. Bij hem blonk alles van zindelijkheid en de machines van Watt liepen volkomen geruis­loos. Deze nieuwe feiten meende Boulton de society het beste te kunnen aantonen, door een gemaskerd bal in de molen te houden. De dames zouden dansen, terwijl de molen maalde en zo wilde
Boul­ton op een symbolische manier tot uitdrukking brengen, dat tegenwoordig de machine werkte en niet meer de mens. Watt kwam heftig tegen dat feest op : « Wat moeten gemaskerde hertogen, lords en ladies nu in een meelmolen doen ? We worden toch al van alle kan­ten met afgunst gadegeslagen en daarom kunnen we beter alles ver­mijden wat opzien baart en ons beperken tot de zaak zelf. »

De massa zong koralen

Toen de molen eindelijk in bedrijf gesteld werd, dwong zij ieders bewondering af. Smeaton, de oude molenbouwer, gaf zijn verzet tegen de machine van Watt voorgoed op en in Soho moesten er al gauw meer machines met draaibewegingen gemaakt worden dan andere. De Londense stoommolen liep vijf jaren. Op 3 Maart 1791 werd zij door onbekende machinebestormers in brand gestoken. Zij brandde tot de grond toe af. Het vuur lokte een geweldige mensen­menigte. Toen de muren van de gehate molen donderend omvervielen. begon de menigte koralen te zingen. Watt en Boulton hadden hun geld verloren.

Ondanks al die tegenslagen kwam er toch eindelijk ook financieel succes. Boulton had de weerbarstige mijneigenaren van Cornwall aangeklaagd en het gerecht dwong hen, als eerste aanbetaling aan Boulton en Watt zeshonderdduizend gulden te betalen. Van zijn deel kocht Watt zich een landgoed in Wales. Hij had ook een huis ge­bouwd bij Birmingham, het terrein eromheen gekocht en een mooi park daarvan laten maken. Bij het huis bouwde hij een kleine smidse en op de zolder richtte hij een laboratorium in. Hij was hertrouwd. Zijn tweede huwelijk was evenzeer met kinderen gezegend als het eerste. De zonen werden flinke mannen. Een van hen ging een over­eenkomst aan met de zoon van Boulton. Beiden tezamen hebben het werk van hun vaders hoe langer hoe meer uitgebreid. De roem van de machinefabriek Boulton en Watt werd zelfs nog groter, toen in 1800 het hoofdpatent afliep. Tot dan toe was er in de machinefabriek namelijk al de tweede generatie van machineconstructeurs opgegroeid, die machines wisten te maken als niemand anders ter wereld.

Watt had een rustige levensavond. Maar de driftige Boulton rustte nog lang niet. Terwijl Watt zich aan de wetenschap wijdde en in de stilte van zijn studeerkamer de geschriften samenstelde, waardoor hij tot een der medegrondleggers van de nieuwe scheikunde werd en waarin hij de veronderstelling neerlegde en bewees, dat water geen ondeelbaar element is, wat voordien nog altijd een twistpunt geweest was, wierp Boulton zich telkens op nieuwe ondernemingen. Zijn stokpaardje was het muntwezen. De valsmunterij stond in die tijd in hoge bloei en Boulton stelde de regering voor, de muntstempels met stoom­kracht te bedienen en door de geweldige kracht van de stoom de munten beter te stempelen om het de valsmunters op die manier minder gemakkelijk te maken. De regering ging slechts aarzelend op zijn plannen in en Boulton stortte zich in de Franse revolutie. Van de revolutionaire regering in Parijs kreeg hij opdracht voor nieuwe muntstempels en hij leverde ook koperen munten naar Rusland, Span­je. Denemarken en Calcutta. Zo bleef de rusteloze man voortdurend verstrikt in de gebeurtenissen van zijn tijd, bracht zichzelf door zijn waaghalzerij meermalen tot aan de rand van de afgrond, sprak de spaarcenten van zijn kinderen aan om nieuwe machines te maken en wist tenslotte uit al zijn ondernemingen toch nog een vermogen te putten. Boulton was in zijn oprechtheid, door zijn vaderlijke hou­ding tegenover zijn arbeiders, door zijn stoutmoedigheid en in zijn mannelijke daadkracht een van de eerste moderne ondernemers. Zijn voorbeeld is helaas in de tijd der industriële revolutie slechts door weinigen geëvenaard.

Boulton was een trotse en indrukwekkende man. Toen hij voorge­steld werd aan de koning van Engeland, was het alsof Boulton ook een koning was.

« Wat maakt u eigenlijk ? » vroeg George III hem. Boulton: « Ik maak wat de Koningen zo graag wensen. » De koning : « En wat is dat dan ? » Boulton: « Macht, majesteit! »

In het Engels betekent « power » zowel macht als kracht. Toen hij bij een andere gelegenheid over de kracht van de stoommachine kwam te spreken, zei Boulton: « Ik heb in mijn machinefabriek niet alleen dat, wat heel de wereld zich wenst, maar ik heb ook in de stoommachine datgene, wat de werklieden van de wereld zal bevrij­den. Met de kracht van de stoom zal er voor de beschaving meer gedaan worden, dan alle tijden tot nu toe hebben kunnen doen en de stoommachine zal meer dan iets anders beslissend zijn voor de ko­mende tweehonderd jaren. »

De gezondheid van Watt was merkwaardigerwijze op zijn oude dag aanzienlijk beter geworden. Hij las veel, was onvermoeibaar be­zig, al was het maar voor zijn plezier en hij overleefde zijn vriend Boulton, die in 1809 op eenentachtigjarige leeftijd was gestorven, nog tien jaren. Hoe Watt in zijn laatste jaren was, daarvan heeft de grote Walter Scott ons een getuigenis nagelaten. In het voorwoord tot zijn « Klooster » schrijft hij :

« Watt was niet alleen de diepzinnigste geleerde en degene, die met het gelukkigste resultaat uit zekere combinaties van getallen en krachten bruikbare conclusies had getrokken, hij nam niet alleen een der eerste plaatsen in onder degenen die zich onderscheidden door de algemeenheid van hun ontwikkeling: hij was ook de beste, de beminnelijkste mens. De enige keer, dat ik hem ontmoet heb, was hij door een klein gezelschap geleerden uit het noorden omringd… Daar zag en hoorde ik, wat ik nooit meer zou zien en horen. De montere, beminnelijke, welwillende grijsaard van eenentachtig jaar nam in alle vraagstukken op een levendige wijze deel; zijn kennis stond ter beschikking van iedereen, die er een beroep op deed. Hij stelde ieder voorwerp in het licht van zijn talenten en verbeeldingskracht. Onder de heren bevond zich ook een geleerde taalkundige; Watt onder­hield zich met hem over de oorsprong van het alfabet, alsof hij de tijdgenoot van Kadmos geweest was. Toen een beroemde kunstken­ner zich bij hen voegde, zou men gezegd hebben, dat de grijsaard zijn hele leven lang de studie der schone wetenschappen of de staathuis­houdkunde beoefend had. Het zou overbodig zijn, te spreken over de exacte wetenschappen; die vormden een schitterende en speciale levenstaak; toen hij intussen met onze landgenoot Jedediah Cleisbotham sprak, zou men gezworen hebben, dat hij de tijdgenoot van Claverhouse en Burley, de vervolger der vervolgden was; dat hij werkelijk nauwkeurig het aantal geweerschoten geteld had, die de dragonders op de voortvluchtige Eedgenoten afgevuurd hadden. Wij kwamen tenslotte tot de ontdekking, dat geen roman van maar enige betekenis hem ontgaan was en dat de geestdrift van de beroem­de geleerde voor deze soort geschriften aan levendigheid gelijkstond met het enthousiasme waarmee een modiste van achttien jaren van zulke romans kennisneemt. »

Een stoomschip kiest zee

In de zomer van 1819 werd Watt door zijn laatste ziekte over­vallen. Hij stierf glimlachend en met een dankwoord tot God. In hetzelfde jaar waarin hij stierf, slaagde een stoomschip er voor het eerst in de oceaan over te steken.

In zijn laatste jaren had Watt, die zijn begaafdste zoon in de ver­warring der Franse revolutie had verstrikt zien raken, zich niet meer om het gedoe van de wereld bekommerd. Hij zag niet, wat er uit zijn machine werd. Hij wist alleen, als hij het leven der ingenieurs van Otto von Guericke af tot in zijn eigen dagen overschouwde, iets anders en meer dan de meeste mensen. Hij zag, dat de mens, toen hij om God begon te strijden, de machines had uitgevonden. Hoe groter de wereld geworden was, des te hoger had God zich in zijn hemel teruggetrokken en hoe vertwijfelder de strijd der mensen om God werd, des te groter werden de machines. God had de mensen niet alleen gelaten in hun zorg. Hij had hun het geheim der ijzeren enge­len geopenbaard.

Terwijl Watt de ijzeren engelen vervolmaakte, terwijl de mijnen van Cornwall door de machtige adem der nieuwe reuzen gered werden, overhandigde de Franse dokter Dr. Guillotin aan de Na­tionale Vergadering in Parijs een rapport over de uitvinding van een vallende bijl, waarmee men de mensen het hoofd kon afslaan. Toen Wieland zijn zwaard Mimung zachtjes door het corpus van Aemilias deed glijden, had deze het gevoel alsof er koud water over zijn lichaam stroomde. « De valbijl», zo zei Dr. Guillotin, « doet de delin­quent geen pijn. Het verschaft hem alleen het gevoel van een lichte verfrissing rond de nek. »

IJzer trekt mannen aan, omdat zijn kracht van God komt. Was God in de guillotine ? Hij was in de ijzeren engelen !

Terwijl de mannen in Parijs er ruzie om zaten te maken, hoe men de deugd en de rede het beste kon dienen, en terwijl de tegenstan­ders elkaar over en weer onder de valbijl legden, terwijl het fluiten, sissen en neerslaan van deze bijl de afschuwelijke muziek werd van het Europese vasteland, stak van het eiland Engeland de werkelijke revolutie haar hoofd op. Zij kondigde haar komst aan in het gedreun der machines, in het snuiven van de stoom, in het stampen der ba­lansen, met het geritsel der spinmachines en met het kraken van de weefgestoelten. De nieuwe revolutie rukte de guillotine omver en wierp de reusachtige Napoleon ter aarde. Zij was geroepen om het leven der mensen meer te veranderen dan alles wat tot dan toe de wereld had bewogen. Zij en niets anders heeft de herwaardering van alle waarden volbracht. Zij heeft vroegere ellende opgeruimd, nieu­we ellende verwekt en enkele mogelijkheden voorbereid voor het geluk, kansen die tot mijn, tot uw en tot ons aller geluk kunnen strek­ken, als wij de betekenis der ijzeren engelen juist weten te beoor­delen.
.

(Walther Kiaulehn, IJzeren engelen)
.

Geschiedenis 8e klas: alle artikelen
.

508-470

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 8e klas (1)

 

DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE

Zuinigheid schept geschiedenis

Habsburg ligt geveld en een baron, die zijn stipendium verdienen moet, helpt het weer overeind, – Op zoek naar Papin, – Een arme man uit Dartmouth rechtvaardigt de kletsmajoor van Marburg. -Newcomen en Savery, – De goddelijke voorzienigheid verbetert de machine. ~ Smeaton maakt ingenieurs van de Engelsen, – De man met hoofdpijn. – De Schotten brengen door hun gierigheid de wereld in beweging. – Watt, de geschiedenis van een dromer en hongerlijder, -Wie geen slaaf wil worden, moet zich verbergen. – Tabakshandelaars bestormen een theater, ~ Op een wandeling wordt de stoommachine voltooid, – Wat is stoom eigenlijk ? – Watt vloekt en Trevithick houdt van zijn rijkdom slechts een zilveren spoor over. – Het model der eerste werkelijke stoommachine.

Het ging in het Oostenrijkse huis Habsburg verdraaid slecht. De afscheiding van de Spanjaarden van het Oosten­rijkse Huis was de familie niet goed bekomen. De goudstroom uit de Nieuwe Wereld, die aanvankelijk onuitputtelijk scheen, mondde uit in Spanje. De behoefte der wereld aan edele metalen werd in Ame­rika gedekt en dat gebeurde allemaal in een tijd waarin de mijnen van Tirol, Karinthië en Hongarije hoe langer hoe minder erts ople­verden. De kooplieden die de mijnbouw tot zo’n hoge bloei gebracht hadden, waren uitgestorven. Hun nakomelingen ontbrak het aan moed om iets te wagen. Zij legden de mijnen liever stil dan dat zij telkens nieuwe kapitalen in de uitzichtloze strijd tegen het water staken.

De Keizer was naar buiten nog wel altijd de heerser van Duitsland, maar zijn leenheren, die al lang tot zelfstandige vorsten geworden waren, lachten hem uit. Hij moest zich met smeekbeden voor hen buigen en toen Habsburg tegen de Pruisische Frederik wilde optrekken, kon de keizerin niet meer zoals vroeger de leen roepen, maar moest zij troepen huurlingen zenden. De kleine vorsten en feodale heren ontnamen het keizerschap stukje voor beetje van de macht en de strijd om de keizerlijke macht was een strijd om geld.

De schatkistbewaarders in Wenen zaten vertwijfeld voor de lege geldkisten en overlegden hoe men aan geld kon komen.

In Engeland en Frankrijk, waar men voor dezelfde rampen gestaan had, was het economische systeem van Colbert ingevoerd. Colbert, die voor Lodewijk XIV, de fantastische waterwerken van Marly had moeten laten bouwen, was door de verkwisting van het hof door de onmogelijkheid om uit de mijnen nieuwe inkomsten te trekken, op het idee gekomen het ambacht en de neringdoenden tot de grootst mogelijke inspanning aan te sporen, vrouwen, grijsaards en kinderen te laten werken en door de verpaupering van het volk door hongerlonen en lange werktijden goedkope exportartikelen te vervaardigen.

De binnenlandse markt van zijn land beschermde Colbert door hoge toltarieven, de uitvoer echter maakte hij gemakkelijk.

Men vond de indirecte belastingen uit. Op zout en suiker, op koffie en trouwens op alle genotmiddelen werd niet alleen invoerbelasting, maar ook nog een extra verbruiksbelasting gelegd. Het colbertisme, dat men in andere landen ‘mercantilisme’ noemde – een nieuw-Latijns woord voor een economisch systeem, dat op de handel gebaseerd is —, leidde tenslotte tot de sociale uitbarstingen, die een der oorzaken van de Franse revolutie zijn geweest. Voorlopig echter was de vorst ermee geholpen en het maakte het ook de kleine feodale heren, die het systeem navolgden, mogelijk een leven van pracht en praal te leiden. Ook de Oostenrijkse schatkistbewaarders voelden wel iets voor het nieuwe systeem. Maar toen zij het tenslotte wilden invoeren, lag Oostenrijk bijna al ter aarde. Nog meer dan waar ook was het keizerlijke kabinet en zijn geldgebrek het middelpunt van de economie. Daarom noemde men het mercantilisme in Oostenrijk Cameralisme, naar het Duitse woord « Kammer » voor kabinet.

Beschermeling van een filosoof
In hun radeloosheid viel de ministers een akte in handen, die Leibniz nog kort voor zijn dood, op 14 november 1716. aan het Weense hof gericht had en waarin hij nogmaals de aandacht vestigde op de waterpomp van zijn vriend Denis Papin en op de Engelse machine van van Thomas Savery. Deze akte werd gecompleteerd door een andere mededeling, volgens welke in Hessen een « vuurzuigwerk » in bedrijf zou zijn. Dat apparaat stuwde weliswaar alleen het water voor de springfonteinen in Kassel op, maar het zou ongetwijfeld in staat zijn ook het water uit de mijnen te verwijderen. Het kabinet won in Kassel inlichtingen in. In Kassel verwees men de heren naar Enge­land, waar Denis Papin was heengegaan.

Men schreef naar de gezant in Londen en toen er eindelijk bericht kwam, dat in Engeland inderdaad « vuurmachines » gebouwd werden,  met behulp waarvan men het water de baas kon, gaf men de jonge baron Fischer von Erlach, de zoon van de beroemde bouwmeester der Karlskerk in Wenen, opdracht om te zorgen dat er zo’n machine in Oostenrijk kwam.

james wat 1t.

Fischer von Erlach, toen een jongeling van tweeëntwintig jaar, was eveneens een beschermeling van de grote Leibniz. Leibniz had de vorming van de jongeman mee helpen bepalen. Hij mocht studeren aan de Nederlandse en Duitse, aan de Italiaanse en Franse universiteiten en het Weense kabinet had hem « met het oog op » de aanbevelingen van de filosoof een stipendium verleend.

Fischer von Erlach is een der grootste Oostenrijkse ingenieurs geworden, en toen hij in 1721 uit Engeland terugkeerde, bracht hij wel geen machine mee, maar zoveel kennis, dat hij zelf machines kon bouwen. Ook had hij in Engeland een ingenieur voor de Oosten­rijkse regering aangeworven. Deze ingenieur heette Isaak Potter en was een man, die uit de werkplaatsen van Thomas Newcomen kwam. Isaak Potter moet een broer gehad hebben, die eveneens ingenieur moet geweest zijn. Misschien is die broer de legendarische Humphrey Potter, die altijd zo graag Indiaantje wilde spelen en daarom de automatische stoomdistributie moet hebben uitgevonden. Als deze dus inderdaad door een Potter uitgevonden is, dan was deze niet een kind, maar deze volwassen ingenieur.

In Koningsberg, in Hongarije, in Wenen en later in Chemnitz  bouwde Fischer von Erlach samen met Isaak Potter de ene vuurmachine na de andere. Toen Fischer von Erlach, nog geen vijftig jaar oud, op 29 juli 1742 stierf, was de Oostenrijkse mijnbouw of tenminste het belangrijkste deel daarvan gered. De stipendia die men de begaafde baron op aanraden van de filosoof ter beschikking  had gesteld, hadden rijkelijk hun baten opgeleverd, de geldkasten in Wenen waren weer gevuld en Oostenrijk kon zijn erfopvolgingsoorlogen beginnen te voeren.

Er bestaat geen portret van Fischer von Erlach en onder zijn allongepruik was de adellijke ingenieur even onbekend gebleven als Denis Papin. In het Weense kabinet bevindt zich geen beschrijving van zijn werkzaamheden ook zijn vrienden hebben het in de verwarring en opwinding van de successieoorlogen vergeten, aantekeningen te maken. wij kennen zijn levenswerk alleen uit zijn machines. Een paar afbeeldingen daarvan hangen tegenwoordig in de Oostenrijkse musea. Doch al deze machines zijn gebouwd naar het beginsel van Thomas Newcomen.

Broederliefde der baptisten
Newcomen is even arm gestorven als Papin. Toen hij zijn eerste stoommachine bouwde, was hij al negenenveertig jaar. Dat gebeurde in het in het jaar 1712.

Newcomen werd niet door genialiteit gedreven. Het was de reinste armoe die hem stimuleerde. In 1663 geboren in de afgelegen havenstad Dartmouth, had hij in Exeter de ijzerhandel geleerd en was later werktuigmaker en meestersmid.

Zoals Arkwright, de uitvinder van de spinmachine, als kapper met haarverfmiddeltjes het land afreisde en daarbij opmerkzaam werd op de behoefte der wevers aan garen, zo ging Newcomen, die een vrome Baptist was, van mijn tot mijn en verkocht zijn gereedschappen aan de arbeiders in de tinmijnen. Daarbij viel het hem op, hoe hopeloos de paardentredmolen was voor de drainering van het water en kwam hij op de gedachte een machine te construeren. Dat Newco­men geestelijk een wakker man geweest is, staat buiten kijf. Hoe hij zijn technische kennis verwierf en hoe hij op het geniale idee kwam, het beginsel van de atmosferische zuigermachine met de bijzondere stoomketel uit de Kasselse pompinstallatie te verbinden, weten wij niet.

james watt 2.

Er bestaat geen portret van Thomas Newcomen en geen beschrijving van zijn per­soon. Alleen een brief van zijn hand is bewaard ge­bleven, en toen hij op 5 Augustus 1729 in Londen stierf en in Bunhill Fields, het kerkhof der Baptisten, begraven werd, vermeldde men de begrafenis wel in het kerkelijk register, maar men duidde niet de plaats van het graf aan.

Toen Thomas Newco­men erover peinsde, hoe men een machine voor het drooghouden der mijnen met stoom zou kunnen doen werken, kwam de beroemde natuurkundige Hooke hem te hulp. Deze wees hem op de zuigermachine van Papin. Dat moet ongeveer in 1702 geweest zijn. In 1711 was Newcomen dan zo ver dat hij zijn eerste machine kon bouwen. Zijn vriend en geloofsgenoot John Cawleu, een meester glazenmaker, schoot hem het geld voor de machine voor. Newcomen verkocht de eerste stoompomp aan een steenkoolmijn in Wolverhampton bij Dudley Castle. Het voorkomen van die machine en haar duidelijke constructie maakte zo’n indruk op de technici van de achttiende eeuw, dat ieder het vanzelfsprekend vond in hoofdzaak zo te construeren als Thomas Newcomen het gedaan had.

De machine bestond uit vier belangrijke delen: ketel, cilinder, balans en stangenwerk. De balans was het middenstuk van de machine. Het is een dubbele hefboom, waaraan aan de ene kant de pompstang hangt en aan de
andere kant de zuiger.
De hefboom was zo uitgewogen, dat de zuiger bijna even zwaar was als de pompstang. Deze laatste was een klein beetje zwaarder, zodat zij door haar eigen gewicht de zuiger in de cilinder kon optrekken. Onder de cilinder was de stoomketel aangebracht. De hals van de ketel mondde direct in de bodem van de cilinder uit. Een draaibare schijf in de hals van de ketel zorgde  ervoor, dat de stoomtoevoer regelmatig kon werken. Aan de bovenkant was de cilinder open en werd alleen door de zuiger afgesloten. Als degene die de machine bediende de stoomventiel opende, kon de zuiger door de pompstang naar boven getrokken worden, aangezien er dan stoom in de cilinder onder de zuiger stroomde. Dan sloot men de stoomkraan en koelde de cilinder van buiten af. Daartoe spoot men er water tegen met een slang. De stoom in de cilinder condenseerde dan, er ontstond een vacuüm en het gewicht van de buitenlucht drukte de zuiger in de cilinder terug. De zuiger trok de ene arm van de hefboom neer. Daardoor ging de andere arm naar boven en trok de pompstang en het water naar boven. Dan liet men weer stoom in de cilinder stromen en het spel begon van voren af aan.

james watt 3

james watt 4

De machine werkte heel moeilijk en langzaam, maar ook secuur. Zij werd als de grootste merkwaardigheid met verbazing bekeken en degenen die de machine bedienden golden als helden. De nadelen van de machine nam men op de koop toe, omdat men niet wist, hoe men ze kon voorkomen. Die nadelen waren: groot kolenverbruik en langzame loop.

Het gelukte niet de machine op hoge toeren te doen werken. Als de cilinder na het binnen­stromen van de stoom ge­lukkig verhit was, moest hij met water weer worden afgekoeld. Dat duurde lang en nog langer duurde het voordat men hem weer ver­hit had. De machine maak­te per minuut niet meer dan drie tot vier volledige be­wegingen, waardoor het water omhoog kwam.

Newcomen verbeterde de machine eerst door een ijze­ren mantel om de cilinder heen te bouwen. Nu ging de afkoeling van de cilin­der gemakkelijker in haar werk omdat men het water niet meer met een slang te­gen de cilinder hoefde te spuiten, doch het van een hoger gelegen reservoir in de ruimte tussen de ijzeren mantel en de cilinder kon laten lopen. Was de afkoe­ling tot stand gekomen, dan opende men in de bodem van de cilindermantel een kraan en liet het koelwater weglopen. Deze eerste verbetering bracht een merkwaar­dig toeval met zich mee. Op zekere dag begon de machine sneller te lopen en maakte, zonder dat men aanvankelijk begreep waarom, tien tot twaalf complete bewegingen per minuut. Er werkte toen een Zweedse ingenieur, Marten Triewald, bij Thomas Newcomen. De Zweed schreef in zijn dagboek, dat deze versnelling alleen te danken kon zijn aan de almachtige werkzaamheid Gods. Hij kon « onmogelijk iets anders geloven, dan dat deze gebeurtenis door een bijzondere beschikking van de voorzienigheid tot stand gekomen was ».

Wat was er in werkelijkheid gebeurd ?

Laten we een ogenblik terugdenken: Papin werd tot vertwijfeling gebracht, omdat hij geen arbeiders kon vinden, die het klaarspeelden een zuiger te maken, die precies in een cilinder paste. Ook New­comen, de meestersmid, was zo handig niet. Maar hij vertwijfelde niet. Daar hij een praktisch man was, zag hij ervan af, de zuiger zo nauwkeurig te slijpen. Hij vond een ander middel, om de luchtdicht­heid te bereiken. Hij wikkelde hennep om de zuiger heen. De hennep doordrenkte hij met een mengsel van paardenmest, grafiet en talk en wist te verkrijgen, dat de zuiger zonder moeite in de cilinder op en neer kon gaan en toch goed afsloot. Om de buitenlucht helemaal weg te houden, goot hij van boven water op de zuiger.

Het toeval nu, dat de machine plotseling sneller deed lopen, was een gietblaasje. Het water, dat altijd op de zuiger stond, had de wand van die luchtbel doen doorroesten en de atmosferische druk had het afsluitingswater in de cilinder geperst. Daar het met een fijne straal in de cilinder spoot, sloeg het onmiddellijk de stoom neer, het luchtledig ontstond nu met een ongelooflijke snelheid en zo was de condensatie door inspuiting ontdekt. De doorgeroeste gietfout derhalve, die het gaatje in de zuiger had veroorzaakt, kwam Marten Triewald als een beschikking van de voorzienigheid voor.

Toen Newcomen de « fout » gevonden had, begon hij de
binnencondensering, zoals men het neerslaan van de stoom door een
water­straal die binnen in de cilinder ontspringt, noemt, regelmatig toe te passen. Boven aan de hefboom maakte hij een waterbassin vast en liet een buis van dat reservoir naar de bodem van de cilinder lopen. Was de cilinder nu gevuld met stoom, dan werd de waterkraan geopend. Het water sprong als een fontein in de cilinder omhoog en deed de stoom in een ommezien condenseren.

De automatische verdeler

De eerste moeilijkheid die zich bij de nieuwe binnencondensatie voordeed, was, dat er zich te veel water in de cilinder verzamelde.
Deze moeilijkheid werd overwonnen door in de bodem van de cilinder een afvoerbuis te maken. Een nieuwe moeilijkheid: die afvoerbuis in de bodem van de cilinder kon men niet met een ventiel dichtmaken, omdat men immers niet in de cilinder kon kijken om te zien, hoeveel water er nog in was. Dat had evenwel het nadeel, dat de zuiger, als hij voor de volgende beweging omhoog ging, het water uit de afvoerbuis weer opzoog.
Als er water in de cilinder was, kon de stoom er niets uitvoeren, omdat hij dan telkens zou blijven condenseren, zolang totdat hij het water verhit had.
Het duurde een hele tijd alvorens men die moeilijkheid had overwonnen. Eindelijk behielp men er zich mee, de afvoerbuizen tien meter lang te maken, zodat de zuiger in de stoomcilinder niet meer als waterpomp zou kunnen werken.

james watt 5

De laatste correctie, die de machine van Newcomen onderging, was de automatische stoomverdeling. In beginsel is zij het werk van ingenieur Brighton. Het begon met een drijflichaam, dat in een waterbuis op en neer ging. Deze buis liep van de stoomketel naar de waterleiding die in de cilinder uitmondde. Door de stoomdruk van de ketel steeg de waterzuil in die buis en drukte de drijver tenslotte tegen een hefboom. Deze hefboom opende op zijn beurt de kraan waardoor het water in de cilinder kon worden gespoten. Die drijver was geen nieuwe uitvinding. Ktesibios had er al ge­bruik van gemaakt voor zijn waterklokken. Nieuw was alleen, dat de drijver in beweging werd gebracht door een waterzuil, waarvan de hoogte weer afhankelijk was van de hoogte van de druk in de stoomketel. Als er in de stoomketel van de machine van Newcomen voldoende stoom ontwikkeld was, zodat men de kraan kon openen waarlangs de stroom in de cilinder kon stromen, dan draaide de machinist tegelijkertijd de kraan van de buis om, die in de ketel inge­bouwd was. Als de stoom in de cilinder omhoogging, dan steeg ook de waterzuil en de drijver hief de hefboom voor het condenseringswater op dat ogenblik op, waarop de hele cilinder met stoom gevuld was. Het begin van de condensatie was dus afhankelijk van de druk in de stoomketel.

Het waterreservoir, waaruit men de cilinder voorzag van het koel­water, zat in de buurt van de balans, dus hoog boven de cilinder. De blik van de machinist ging afwisselend van de stoomventiel naar het waterreservoir. Daarbij zag hij voortdurend de balans zich be­wegen. Het kan niet mogelijk geweest zijn, op het idee te komen, de zwaaiende balans te gebruiken om de machine zelf de bediening van haar kranen op te dragen. Misschien heeft men aanvankelijk touwen van de balans naar de ventielen laten lopen. Maar lang kan men zich daar niet van bediend hebben. In 1712 bouwde Newcomen de eerste machine en in 1718 al had ingenieur Brighton zijn automatische stoomregelaar klaar. Hij gebruikte geen touwen meer, maar stangen.

Alhoewel de eerste zelfstandige verdelers nog heel ingewikkeld geconstrueerd werden, werkten de machines toch al met twaalf en zestien toeren in de minuut. In 1720 werd in Londen voor het wa­terbedrijf van de stad een Newcomen-machine opgesteld, die het water van de Theems zevenendertig meter hoog oppompte. Deze machine maakte achttien tot twintig toeren in de minuut. In 1722 maakte Newcomen voor een grote kolenmijn in de buurt van Coventry een nog betere machine. Zij bespaarde het werk van vijftig paar­den en verbruikte per jaar slechts honderdvijftig pond aan bedrijfs­kosten, terwijl het onderhoud van de paarden negenhonderd pond sterling gekost had.

Newcomen had gehoopt, dat de « vuur- en luchtmachine» niet alleen tot een zegen van de mijnen zou worden, maar ook van hem­zelf. Hij wilde geen arme man meer zijn en toch moest hij het blijven. Toen hij de eerste successen met zijn machines behaald had, kwam de door de koning begunstigde Savery op de proppen en dwong Thomas Newcomen hem als deelgenoot op te nemen. Het verstrek­kende patent van Savery omvatte niet alleen de mogelijkheid, water met behulp van vuur op te zuigen, maar het ook omhoog te brengen. Daardoor viel de machine van Newcomen onder zijn patent en de arme man uit Dartmouth kon zijn buikriem zo nauw laten als hij altijd geweest was.

Het optreden van Savery kwam de machine echter zeer ten goede. Savery bracht een hele staf van geschoolde ingenieurs mee. New­comen hoefde alleen nog maar te zeggen in welke richting zijn ge­dachten gingen, dan werkten de vaklieden zelfstandig verder en brachten zodoende de machine hoe langer hoe meer tot ontwikke­ling. Waarschijnlijk zullen de ingenieurs zich vaak wel eens ver boven Newcomen verheven gewaand hebben. Als dat zo is, dan was hun hoogmoed toch misplaatst, want toen Newcomen gestorven was, was het ook afgelopen met de verbeteringen van de machine. Die anderen ontbrak het nu eenmaal aan de scheppende geest, waarmee de vrome Baptist begenadigd was.

De man die ingenieurs maakte

Slechts een enkel man gelukte het, enkele verbeteringen te beden­ken. Die man was ingenieur Smeaton, over wie James Watt later het grote woord sprak: « Hij heeft ons allen tot ingenieur gemaakt! »

Smeaton was een bekwaam wiskundige. Zijn machines muntten uit door grote elegantie en zuinigheid. Waar Newcomen zich had laten leiden door vermoedens en toevalligheden, daar wilde Smeaton zekerheid hebben. Hij was de eerste ingenieur na Papin, die de stoom­druk begon te meten en de cilinder van een machine in een logische verhouding stelde tot de omvang van de stoomketel.
Smeaton, die van huis uit bouwer van water- en windmolens was, begon zich pas dertig jaar na de dood van Newcomen met de « vuurmachines » bezig te houden. Hij vond de machines zoals Newcomen ze verlaten had. De machines van Newcomen werkten overal voor­delig waar men voldoende brandstof had, bijvoorbeeld in kolenmijnen met voldoende afvalkolen. Waar men de brandstof echter eerst moest kopen, waren de machines niet economisch.

Newcomen vervaardigde de reusachtige cilinders van zijn machine van brons. Het brons heeft echter het nadeel dat het een te goede warmtegeleider is. Door de condensatie van de stoom koelde de hele cilinder af en moest telkens weer opnieuw verwarmd worden. IJzer is een slechte warmtegeleider, dus veel beter geschikt voor de cilin­der. Smeaton bouwde voor zijn machines, waar het maar even kon, ijzeren cilinders, die hij zo nauwkeurig mogelijk liet uitboren. Daar hij zijn cilinders kleiner hield dan Newcomen en daar de zuigers dichter aansloten, werd er bij de machines van Smeaton geen stoom verspild.

De snuifklep

Smeaton verbeterde ook de afvoer van het koude water uit de cilinder. Hij schafte de lange waterpijpen af en liet het water door een zogenaamde snuifklep ontsnappen, die men vroeger slechts als luchtklep voor de cilinder gebruikt had. De snuifklep is een terug­slaande klep, dus van een verend scharnier voorzien. Zij was aan­gebracht in een pijpje, dat in het onderste deel van de cilinder uit­mondde. Als de zuiger in de cilinder zich naar beneden bewoog, drukte hij het water door de snuifklep weg en de klep sloeg terstond terug, als het water weggelopen was en maakte zodoende de cilinder weer luchtdicht. Omdat deze ventiel als zij door water of lucht
be­wogen werd, een eigenaardig snorkend geluid maakte, noemde men ze snuifklep.

Smeaton maakte ook berekeningen over de grootte van de balans en ging er toe over, kortere te gebruiken dan zijn voorgangers.

Reeds bij de eerste machine van Newcomen was men op het idee gekomen om iedere slag van de pompzuiger niet helemaal te gebrui­ken. Want iedere slag was afhankelijk van de kracht van de stoom. Daar de stoomdruk onregelmatig was, waren ook de slagen onregel­matig. Begrensde men nu de slagen, dan was de hoeveelheid water, die er telkens werd opgepompt altijd gelijk. Deze begrenzing kon alleen verkregen worden door middel van de balans. Men kon niet toestaan, dat de armen van de hefboom zo ver naar boven of beneden zouden doorslaan al naar gelang de eventuele stoomdruk was. De balans moest in haar op- en neergaande beweging beperkt worden. Newcomen verkreeg die begrenzing van de slag door kettingen, die hij van de uiteinden van de balans af naar het dak van de machinekamer en naar de grond leidde. Daar de kettingen niet voldoende vastgezet konden worden, zonder het dak van de machinekamer aan instorten bloot te stellen, was deze manier van begrenzing van de slag uiterst gebrekkig en men kwam tenslotte op het idee. de balans op verende balken te laten neerkomen. Smeaton verbeterde deze vering. Eindelijk vond hij ook nog een vering uit voor de cilinder. Bij de eerste machines stond de cilinder hecht op een gemetseld voetstuk. Toen de zuiger al te woest in de cilinder neerkwam,
ge­beurde het wel, dat de cilinder sprong of dat de ventielen los gingen en vaak ook dat het verbindingsstuk tussen cilinder en ketel kapotsprong.

Reeds vóór Smeaton was men ertoe gekomen, in het bovenste stuk van de ketel een licht verende koperen schuif te zetten. Deze moest de stoten van de zuiger onschadelijk maken. Smeaton deelde het verbindingsstuk tussen cilinder en ketel in twee delen. Tussen de twee stukken zette hij een verende mof. De cilinder echter zette hij niet, zoals zijn voorgangers, op een voetstuk, maar hing hem tegen de muur van de machinekamer in een raam van verende houten balken.

Met al die verbeteringen slaagde hij er in, de werking van de Newcomen-machine met vijfentwintig paardenkrachten te vergro­ten. Dat lijkt voor ons niet veel, maar voor de toenmalige tijd was het aanzienlijk veel, want terwijl Newcomen met zijn beste machine vijftig paarden kon vervangen, maakte de machine van Smeaton, alhoewel zij minder brandstof verbruikte, vijfenzeventig paarden overbodig.

james watt6

De vuurmachine

De Duitse ingenieur Max Eyth heeft in zijn jeugd nog een verbe­terde Newcomen-machine zien werken. De geweldige indruk, die zij op hem maakte heeft hij nooit vergeten. Toen hij zijn roman « De Kleermaker van Ulm » schreef, stichtte hij een monument voor de machine, door te schrijven: «Onderweg naar de machinekamer hoorden zij de doffe, geheimzinnige slagen van het monster met iedere stap duidelijker worden. Voor het huis leek de grond te beven, kettingen rinkelden, stangen rammelden; achter het machinehuis hoorde men water ruisen, alsof een forse beek over rotsen liep. Toen zij de hoge, zwak verlichte ruimte binnentraden, was het eerst moeilijk iets te onderscheiden. Een donker, vormloos ding, zoiets als de bovenkant van een reusachtige zuil, stond op een onderstel van ruwe stenen. Dat was de nieuwe cilinder, waar een blinkende, ronde stang uit naar boven schoot, om er dan weer in weg te zinken. De stang hing aan een zware ketting die heel hoog, bijna aan het dak van het gebouw, door een arm van zware houten balken naar boven getrokken werd, die zich langzaam en plechtig op en neer bewoog, maar bij iedere neerwaartse slag met een dreunend geweld op een onderlaag terechtkwam die in het metselwerk was vastgezet. Achter de stenen pijler, die het draaipunt van deze op een weegschaal lijken­de dubbele arm droeg, hing, eveneens aan een ketting, de geweldige stang van een pomp, die in de onpeilbare diepte van een donkere schachtopening verdween. Aan de armen van de weegschaal hingen voor en achter de pijler nog meer stangen. Sommige daarvan trokken aan wonderlijk gevormde hefbomen of klossen, die soms de gang van de hoofdstang volgden, maar dan ineens, alsof zij kwaad waren, zelfstandige, onverwachte grijpbewegingen maakten. De stang aan de andere kant van de pijler zoog aan een kleine pomp, die in een kleine kuil verborgen was en met heftige stoten dampend water in een goot deed lopen, dat door een gat in de muur verdween.

Dat was dus de vuurmachine. Naast haar, in een plompe mantel van baksteen gemetseld, stond de stoomketel. Daarvoor stond een van zweet druipende, koolzwarte man. Als hij de deur van het vuur opende, om nieuwe kolen in de gloed te werpen, lichtte de hele ruim­te met hefbomen en klossen, de blinkende zuigerstang en de zwarte kettingen in een vlammend rood licht op, zodat wild bewegende, bijna tastbare schaduwen in de hoeken van het donkere gebouw rondspookten. Maar het naargeestigste waren de geluiden van het monster.

Het was een gekraak en gesteun, geknal en gekraak ! Het siste en suisde, zuchtte en kreunde, nu eens hier, dan weer daar, alsof er in ieder hoekje een andere kobolt zat. Maar alles werd overstemd door de donderende slag daarboven, als de zware weegschaal op de on­derlaag terechtkwam. Op die slag volgde er vijf seconden lang een plechtige stilte. Dan was het, alsof er iemand beneden op een ijzer klopte; langzaam, met tegenzin als het ware zette de weegschaal zich weer in beweging, onder in de schacht krasten de pompen en het angstaanjagende spel, het kreunen en zuchten, suizen en sissen, knallen en slaan begon opnieuw.

Wie denkt daar nog aan, als hij de spiegelblanke salon binnenkomt. waar tegenwoordig een stoommachine van duizend paardenkrachten met een nauwelijks hoorbaar zuchtje, zo niet volkomen ge­luidloos, haar reusachtig werk verricht? Zo echter zag het er uit en klonk het, toen de stoommachine in haar jonge jeugd voor het eerst haar ledematen begon te bewegen! »

Het zou vergeefse moeite zijn, deze schets nog te willen uitbreiden. Ieder onderdeel van de machine is hier beluisterd en alle geluiden zijn trouw weergegeven. Inderdaad was het geheimzinnigste bij de vuurmachine, als na de slag van de balans een beklemmende stilte intrad. Dat waren de seconden, waarin de cilinders van de pomp leegliepen, de stoomventiel geopend werd en het gewicht van de pompstang aan de balans als het ware op het idee scheen te komen, dat zij immers een heel klein beetje zwaarder was dan de zuiger en zij met tegenzin, steunend begon in de diepte te zinken en de zuiger naar boven te trekken.

Genie en vlijt

Toen op het einde van de negentiende eeuw in Engeland beweerd werd, dat James Watt de enige ware uitvinder van de stoommachine geweest was, kwamen andere geschiedschrijvers zo fel tegen die be­wering op, dat zij in hun ijver, James Watt bijna alle verdiensten ten opzichte van de stoommachine wilden afstrijden. Sommigen zeiden zelfs, dat Watt alleen een genie genoemd was, omdat de eigenaar van de fabriek waarin de stoommachine van Watt gebouwd werd, te veel kapitaal in de zaak gestoken had. Om dat kapitaal te redden zou hij geweldig misbaar gemaakt hebben om de betekenis van Watt te kunnen opblazen en alle mensen inderdaad wijs te maken, dat er iets bijzonders aan de machine was. Volgens de mening van deze ijverige historici zou het genie van James Watt dus eigenlijk slechts een product van de reclame zijn.

james watt

James Watt

Gelukkig bezitten wij tal van onbevooroordeelde getuigenissen omtrent Watt. Niet alleen de patentakte van Watt zijn bewaard gebleven, maar iedereen die onbevangen is kan zich uit de talrijke beoordelingen der tijdgenoten een beeld van de werkelijke betekenis van deze man vormen. Door verscheidene documenten kan men zelfs heel precies het moment bepalen, waarop James Watt voor de eerste keer met het probleem van de stoommachine in aanraking is gekomen. Het was in 1759, dus in hetzelfde jaar waarin Smeaton zich voor het eerst met de machine van Newcomen bezighield. Watt was toen tweeëntwintig jaar en mechanicus aan de universiteit van Glasgow. Hij wist evenweinig van Smeaton als Smeaton van hem.

Het verschil tussen beide mannen is zeer groot. Smeaton, de mo­lenbouwer, toch al een gerijpt man, was gewoon voor zijn dagelijks brood te werken. De jonge Watt is een hongerlijder en een dromer. Hij neemt alle opdrachten aan om zijn leven te rekken, maar daarbij gaat hij tot de grond van alle dingen. Als hij een scheepskompas moet maken, doet hij dat niet eerder, of hij moet eerst alle mogelijke litteratuur over scheepskompassen gelezen hebben die er bestaat. Als hij van een zijner vrienden hoort, dat er in Duitsland een boek van de schrijver Leopold verschenen is met de titel « Der Schauplatz der Maschinen », gaat hij Duits leren, alleen om dat boek te kunnen lezen. Als hij opdracht krijgt om een draaiorgel te maken gaat hij composi­tieleer studeren, en als men hem het model van de machine van Newcomen in zijn werkplaats neerzet, ziet hij al gauw, dat men de grondfouten van de machine niet uit de weg kan ruimen zonder in de constructie ervan in te grijpen.

De koele, praktische Smeaton werkt anders dan Watt. Hij aan­vaardt de machine in haar grondtrekken als gegeven en onverander­lijk, hij meet alles zorgvuldig na en vindt met zekerheid ieder klein gebrek, iedere krachtverspilling en alles wat overbodig is. Het gelukt hem echter niet in het fundamentele door te dringen. Hij geeft zich ook helemaal de moeite niet om dat te doen. Hij is een ingenieur die het heel druk heeft en niet over de tijd, misschien ook niet over het talent beschikt om zich zó te concentreren, dat hij fundamentele, theo­retische beschouwingen kan houden. Smeaton bezit een scherp ver­stand, hij is een zeer begaafd ingenieur, maar James Watt is een genie.

« Genie », heeft Goethe gezegd, « is vlijt ». Met dit harde woord wilde hij diegenen afstraffen, die doen alsof het genie alles maar in de schoot valt. Dat genie nog meer is dan vlijt, namelijk vlijt én de zeldzame gelukkige fundamentele gave om de vlijt productief te maken, heeft Goethe nooit willen betwisten. Het leven en de daden van James Watt zijn een bijzonder mooi voorbeeld voor de werking van het geniale.

Watt is een Schot. Dat moet men begrijpen en in gedachten hou­den als men hem wil doorzien. Schotten gaan door voor gierig. De gierigheid van Watt uitte zich allereerst in de pijnlijke liefde van de uitvinder voor het geld, in zijn correctheid, in zijn terneergeslagen­heid als hij schulden moest maken en in de krenterigheid die hij nog tegenover zijn zoons aan de dag legde, toen hij al een zeer rijk man was.

Nog indrukwekkender echter komt die vrekkigheid tot uitdruk­king, als Watt de grote dingen van het leven gaat overpeinzen. Dan wordt zijn gierigheid scheppend, dan vervluchtigen de Schotse mop­pen over de gierigaards en reiken hem niet eens meer tot de enkels. Toen Watt in de wijsheid van zijn ouderdom was, zeer in aanzien en met achter zich een succesvol leven, zei hij in een gesprek over de problemen van de mechanica: « Het is belangrijk te weten wat men niet nodig heeft om iets te maken. » De gierigheid van de Schotten, die in dit geweldige woord tot uitdrukking komt, reikt tot in de
wol­ken. Het is een vergeestelijkte gierigheid, die niets meer met kleinzieligheid uitstaande heeft. Die gierigheid is de grondtrek van de grootste uitvinding van James Watt en rechtvaardigt de eigenaardig­heden van het merkwaardige volk in zijn geruite rokken op een snedige wijze.

James Watt was er trots op, een Schot te zijn. Van het parallellogram naar de rechtlijnigheid van de zuigerstang, hetgeen hij voor zijn grootste uitvinding hield zei hij: « Hiervan moet u zeggen, dat dit het werk is van een Schot. »

Op de beslissende ogenblikken van zijn leven werkt James Watt altijd met Schotten samen. In zijn jeugd valt de laatste gewapende opstand van de Schotten tegen de Engelse macht. De natie die dan samen met James Watt opgroeit ziet ervan af, haar eigen aard met het wapen in de hand te verdedigen. Zij brengt haar recht op een eigen geaard bestaan tot uitdrukking in een rij van grote daden van civilisatie. Het is een generatie van uitvinders en ondernemers. Zij is bezield van de eerzucht Schotland te maken tot een monster van modern denken en de stoommachine, die James Watt verbetert, dwingt niet alleen Engeland, maar ook alle andere naties in de ban van het Schotse denken.

Door de stoommachine van James Watt zijn de bewoners der wereld zo rijk geworden, zoals zij nooit hadden kunnen dromen. Watts grootste uitvinding, de condensator, is ontstaan doordat de gierige Schot er niet overheen kwam, dat de machine van Newcomen zo krankzinnig veel stoom vermorste. Pas toen aan deze verspilling een eind gemaakt was, werd de stoommachine de uitvoerster van de grote revolutie, die zich in de moderne tijd heeft voltrokken.

Een levendig verteller

James Watt werd op 19 januari 1736 in Greenock geboren. Het land van sagen en zangen, van doedelzakspelers en dagdromers, het vaderland der romantische opstandelingen, der roversliederen, de eeuwige voedingsbodem van een mateloze mannelijke trots liet in dit kind al zijn eigenaardigheden groeien. Als James Watt niet zijn hele leven lang machines had moeten bouwen, zou hij zeker dichter ge­worden zijn. Walter Scott, de grote dichter, roemde het verteltalent van de uitvinder. Dit literaire talent demonstreerde zich al zeer vroeg en toen hij eens als veertienjarige bij een tante in Glasgow op bezoek was, beroofde hij de familie van de slaap, omdat hij iedere avond verhalen begon te vertellen. De jongen vertelde zo spannend en boeiend dat iedereen aan zijn lippen hing en niemand waagde het, naar bed te gaan, uit vrees het einde niet te horen. Tenslotte bracht de tante de jongen vroeger dan afgesproken was naar Greenock terug, omdat zij door de vele nachtwaken overspannen en ziek ge­worden was. Zijn plezier in het fantaseren van verhalen bleef Watt tot op hoge ouderdom bij.

In zijn club wachten zijn medeleden iedere avond erop, dat de grijsaard zijn zetel bij het vuur zou schuiven om een verhaal te ver­tellen. Hij sprak zo vlot en vlug, dat niemand ooit durfde denken, dat Watt zijn verhalen al vertellende bedacht. Toen hij eens begon te haperen en vaker dan anders in zijn snuifdoos greep, vroeg een van de clubleden: « Vandaag vertelt u zeker iets wat u zelf verzon­nen hebt? » — « Die vraag », antwoordde Watt, « verbaast mij. Sinds jaren breng ik nu mijn avonden al in uw midden door en heb nog nooit iets anders gedaan, dan u verhalen te vertellen, die ikzelf bedacht heb. »

Helaas heeft James Watt er nooit toe kunnen besluiten zijn ver­halen op te schrijven. Het enige literaire gedenkteken, dat hij heeft nagelaten, zijn zijn brieven. Zij staan vol beeldspraak en gelijkenis­sen en hun talrijke Latijnse citaten alsook uit andere talen bewijzen de rijke kennis van de man die alles wat hij wist zich zonder hulp had eigen gemaakt.
James Watt was de man met hoofdpijn. Die kwaal heeft hem zijn hele leven lang geplaagd en liet pas op latere leeftijd na. Zijn hoofd­pijn verhinderde hem toen hij klein was regelmatig de school te bezoeken en later heeft hij de grote werkstukken van zijn leven telkens weer dagenlang moeten onderbreken, omdat de hoofdpijn te erg was en zij hem het denken onmogelijk maakte.
Om de pijn te doen afnemen was hij al vroeg in zijn leven verplicht lange wandelingen te maken. Gedurende die tochten kreeg hij vaak de beste ideeën, en ook de grootste vondst van zijn leven, de uitvin­ding van de condensator schoot hem te binnen toen hij op de wande­ling was. De wandelaar met de hoofdpijn is een goed voorbeeld voor de bewering van Aristoteles, dat de mens alleen iets verstandigs invalt als hij gaat wandelen.

Een vermogen in de vingers

De lievelingsbezigheid van Watt was het hengelen. Aan de rui­sende beek gezeten, « koel tot aan het hart», gehuld in de dichte nevel van zijn vaderland en met alleen het gekrijs der vogels boven zich, heeft de uitvinder de gelukkigste uren van zijn leven gekend. Hij was een beschouwend mens, die graag rustig geleefd zou hebben. Zijn genie echter en de treurige omstandigheden waarin hij zich lange tijd bevond, dwongen hem telkens tot nieuwe ondernemingen en pas op hoge leeftijd vond hij wat behagelijkheid en vrije tijd.

De vader van de uitvinder was een rechtschapen en arme man. De inwoners van Greenock maakten hem vanwege zijn rechtschapen­heid burgemeester. Ook de grootvader, een zoon van een landbouwer uit het graafschap Aberdeen, was al burgemeester van Greenock geweest. De grootvader had zich in de tijd der revolutie onder Karel I naar Greenock begeven. Het ligt aan zee en die grootvader kon in die plaats gemakkelijker een bestaan vinden dan ergens anders. Hij was leraar in wis- en scheepvaartkunde. Zijn zoon, de vader dus van de uitvinder, heette eveneens James en was timmerman en scheepsbouwer. Zijn werkplaats lag in een bocht van de zeekust. Het bleek dat men in Greenock wel een man had kunnen gebruiken die de theorie van de scheepvaart kon onderrichten, maar geen
scheeps­timmerman. De vader moest de zaak dus al gauw over een andere boeg gooien. In zijn werkplaats werden scheepslieren gemaakt, meu­bels en doodkisten. Ook had hij een voorraad van katrollen, pompen en kanonaffuiten. Af en toe hield hij zich ook bezig met zakelijke speculaties, maar het geluk was hem niet goed gezind.

Zijn vijf kinderen verloor hij allemaal op zijn zoon James na. James was het vierde kind, het vijfde kwam om, gedurende een reis naar Amerika. James was zo zwak, dat men hem in het oude Sparta beslist niet in leven gelaten zou hebben. Op school gold hij voor dom en achterlijk. Hij wist eerst de welwillendheid van zijn leraren te ver­werven toen hij in de wiskundeklas kwam, waar hij uitstekend vol­deed. De ruwheid van zijn speelgenoten was oorzaak dat de jongen zich hoe langer hoe meer in zichzelf keerde. Door de vele onderbre­kingen van het schoolbezoek als gevolg van de hoofdpijnen hield zijn vader hem tenslotte thuis om te werken. Hij maakte een kleine draai­bank voor hem in zijn werkplaats. Aan deze draaibank en aan de bankschroef zat hij het liefst. De arbeiders van zijn vader hadden zo’n grote bewondering voor zijn handigheid dat zij gezegd moeten hebbe : « Die jongen heeft een vermogen in zijn vingers. »

De vroegrijpe ontwikkeling van de knaap viel ongetwijfeld toe te schrijven aan zijn zucht om van buiten te leren. Balladen en proza­stukken, die hem bevielen, las hij zo lang dat hij ze van buiten kende. Overdag ging hij met zijn vader om en ’s avonds met zijn moeder en de boeken.

De Schotse opstand tegen de Britse heerschappij vlamde nog in zijn kinderjaren op en de bewapende troepen der Hooglanders kwa­men ook naar Greenock. Al heel vroeg werd de jongen zich derhalve de traditie van zijn voorvaderen bewust. De overgrootvader was in een gevecht van de presbyteriaanse verbondenen tegen de koninklijke troepen om het leven gekomen en de grootvader gold voor de over­heid, vanwege zijn protestantisme als een « weerbarstige schoolmees­ter ».

Onder de vele boeken, die Watt in zijn kindertijd gelezen heeft, bevond zich ook het tweedelige werk van ’s Gravezande « Elementen der Natuurfilosofie ». Daarin stonden de toen bekende wetten der mechanica, van de lucht en de stoomdruk, alsook die van het licht en de elektriciteit, verlucht met talrijke plaatjes.

Om te beseffen welke indruk dit werk op de gevoelige jongen maakte, moet men zich kunnen voorstellen welk een plezier men in die tijd had in het experimenteren. De ontwikkelde volwassenen deden toen wat tegenwoordig de kinderen doen. Zij namen vlijtig elektrische proeven, zij gingen de samenstelling van het witte licht uit bonte kleuren na en hadden er plezier in als zij erin slaagden de proeven van Otto von Guericke te herhalen. Iedereen probeerde de nieuw uitgevonden barometer te krijgen en een verrekijker te bezitten. Zo bloeiden de exacte wetenschappen ook in de spelletjes die op vrije avondjes door de volwassenen gedaan werden en de zestienjarige James Watt verraste zijn vader en diens knechts ermee, dat hij hun op zekere dag een elektriseermachine demonstreerde, die hij volgens de beginselen van Otto von Guericke gebouwd had.

Watt had tot zijn veertiende jaar de handelsschool van Greenock bezocht en toen nog vier jaren in een gymnasium doorgebracht, waar hij Latijn en Grieks leerde en zijn wiskundige kennis verdiepte. In die tijd had de Schotse Lord Napier van Merchiston de logarithmen ingevoerd en daardoor de wiskunde uitgebreid. Watt moest beslis­sen, welk beroep hij zou kiezen. Hij zou graag dokter geworden zijn. Zijn hoofdpijnen hadden hem al vroeg met de geneesheren in aanra­king gebracht. De geneeskunst had toen juist nieuwe perspectieven gekregen. De microscoop was uitgevonden en de wereld van de kleine levende wezentjes ging open voor de ogen van de mens. In de jeugd van Watt valt ook nog de ontdekking van Trembley, dat de zoetwaterpoliep die een centimeter groot is zich in tien stukken laat snijden zonder haar leven te verliezen en dat ieder stukje een nieuwe poliep wordt. Daarmee was de wereld van de cellen ontdekt en de mensen schiepen nieuwe hoop voor hun strijd tegen de ziekten.

Tegen zijn eigen zoon heeft Watt later gezegd, dat hij zeker dokter geworden zou zijn, als hij er tegen had gekund het lijden van de zie­ken aan te zien. Zijn gevoeligheid en ongetwijfeld ook het geldgebrek van zijn vader hielden hem van de studie in de medicijnen af. Daar zijn vader wenste, dat de jongen iets zou doen, dat boven de be­kwaamheid van een scheepstimmerman uitging en dat tegelijkertijd in overeenstemming was met de gegeven omstandigheden, nam James Watt het besluit, het vak van mechanicus te leren. In Greenock was geen meester te vinden en dus verhuisde de jonge James op zijn achttiende jaar naar zijn verwanten in Glasgow. Behalve door de beroemde universiteit was deze stad toen alleen bekend door haar tabakshandelaren en haar domheid. Zij had slechts twee hoofdstraten die elkander kruisten, en het enige plezier der kooplieden in hun scharlakenrode rokken bestond hierin, dat zij ’s avonds hun gepoe­derde haren en de hanenveren van hun hoeden in deze straten lieten bewonderen en dan bij elkaar kwamen om een geweldig goed glas te drinken.
Toen er in de stad, waarvan de huizen nog met stro bedekt waren, eens een toneelgroep binnentrok, voelden de kooplieden zich zodanig in hun godsdienstige gevoelens gekwetst, dat zij het toneel bestorm­den en de spelers verjaagden.

Watt heeft later als mechanicus van de universiteit zeer lang in Glasgow gewoond, maar zijn eerste poging, er een meester te vinden en als leerling in Glasgow te wonen, mislukte. Wel kwam hij in de leer bij een man, die zich opticien noemde. Deze man handelde echter ook in violen en spinetten en was vooral knap in het maken van vis­hengels en netten. Voor iemand die graag hengelt is het erg belang­rijk te weten hoe het riet gespleten moet worden, maar daarvoor was Watt niet naar Glasgow gekomen.

De hoogleraar Dr. Dick voor wie de jonge Watt een aanbevelings­brief had, gaf hem de raad, naar Londen te verhuizen en dus reed de jongeling in gezelschap van een oude kapitein achttien dagen lang over land totdat hij in Londen was.

In Londen bemerkte hij spoedig, hoe moeilijk het voor hem zou zijn, een leermeester te vinden. De meesters in de mechanica ver­langden indertijd, dat een leerling zeven jaar in de opleiding zou zijn. Deze voorwaarde kon Watt niet vervullen. Dan had hij immers ook medicijnen kunnen gaan studeren. Daar hij aanvankelijk geen leermeester kon vinden, ging hij naar een klokkenmaker, een oom, gratis in dienst en hielp hem klokken te repareren. Intussen oefende hij zich in het graveren. Zijn vader had gedurende die tijd thuis wat geld kunnen overleggen en de jonge Watt ging een overeenkomst aan met een echte meester-werktuigkundige, Morgan geheten. De meester verplichtte zich, tegen een leergeld van twintig guinjes en eigendomsrecht op de gemaakte werkstukken, James Watt een jaar lang in de kunst van de instrumentenconstructie te onderrichten.

Liever reumatiek dan Indië

Morgan moet werkelijk een meester in zijn vak geweest zijn, want reeds na een maand was James Watt in staat, een uitstekende hoek­meter te maken. Op het einde van het jaar leverde James Watt zijn meester een sector van messing af. Dit gold voor een der moeilijkste dingen die men van een bekwaam instrumentmaker kon verlangen en dat Watt al na een jaar meester was, vindt niet alleen zijn oorzaak in zijn bijzondere bekwaamheid maar ook in het feit, dat hij de nachtelijke uren gebruikte en overigens nauwelijks van zijn plaats in de buurt van de winkeldeur wegging. In een van zijn brieven uit die tijd schreef hij, dat ’s nachts, als hij zijn bed opzocht, zijn handen erg beefden en dat hij last had van kou, hoesten en reumatiek. Hij zat echter liever op zijn tochtige plaats bij de deur van de winkel, dan dat hij naar buiten ging. Op de eerste plaats was daardoor zijn leven goedkoper — hij gaf toen nog slechts acht shilling in de week uit en op de tweede plaats was hij op straat niet veilig. In die tijd immers trokken er werftroepen door de straten en dwongen de jonge mannen ertoe matroos te worden. Het lot, aan de Oost-Indische Compagnie of aan een Amerikaanse planter verkocht te worden en op de katoenvelden te moeten werken, bedreigde toen iedereen, wiens papieren niet helemaal in orde waren. Wie zich voor de Lord-mayor niet kon legitimeren, werd overzee gezonden, en Watt kon zich niet legitimeren, omdat hij zich op een ongeoorloofde leerlings­plaats bevond.

Na zijn jaar leertijd ging Watt om van zijn kwellende hoest af te komen, voor een paar weken naar Schotland terug. Gedurende zijn wandelingen kwam hij op het idee, dat hij zich eigenlijk als mecha­nicus in Glasgow zou kunnen vestigen. De oude pianostemmer en hengelmaker zou hij daardoor niet veel last aandoen en voor zichzelf zou het voordelig zijn, wijl er immers in Glasgow geen behoorlijke instrumentmaker bestond.

Met een paar honderd gulden op zak, die zijn vader hem had gegeven, keerde hij in de herfst van 1756, nauwelijks twintig jaar oud, naar Glasgow terug en werd door de gildemeesters uitgelachen, toen hij hun verzocht, zich als werktuigkundige in hun midden te mogen vestigen. De gildemeesters motiveerden hun bezwaar tegen Watt door op te merken, dat hij geen zoon van een burger was en geen behoorlijke opleiding had genoten. Iedereen, die aan de brood­korf zit, probeert een ander er natuurlijk verre vandaan te houden.

Niet te slim willen schijnen

De professoren van de universiteit redden de jonge mechanicus ervoor met schande overladen weer te moeten vertrekken. Het ge­bied der Universiteit was een vrij gebied en door privilegies be­schermd tegen ieder ingrijpen van de overheid. De professoren ruim­den voor James Watt in de zomer van 1757 een kleine ruimte in in het gebouw van de universiteit, waar hij zijn werkplaats mocht in­richten. Later stonden zij hem ook toe dit vertrek door middel van een deur te verbinden met een ander en dit laatste vertrek kwam op straat, uit en had een winkelraam. In die werkplaats verbeterde Watt de instrumenten van de uni­versiteit en nam overigens alle opdrachten aan, die hij krijgen kon. Hij bouwde violen, klarinetten, draaiorgels en tenslotte zelfs orgels.

Zijn werkplaats werd tot een geliefkoosd trefpunt van de geleerde wereld van Glasgow. Daar troffen de professoren elkaar met hun beste studenten, rookten er hun pijp, wisselden nieuwtjes uit en pro­beerden de jonge werktuigkundige bij zijn werk te helpen of hem van zijn werk af te houden. Voor de veelzijdige Watt was deze om­gang heel prettig, en alhoewel hij toen nog niet zo geleerd was, won­nen de professoren in alle aangelegenheden der mechanica toch zijn raad in. De later zo beroemd geworden professor Robison, toen stu­dent in Glasgow, heeft ons een beschrijving nagelaten van zijn eerste ontmoeting met Watt, waarin hij erkent, hoezeer hem de kennis van de mechanicus verblufte.

« Ik was ijdel genoeg om te denken, dat ik het in de studie van de wiskunde en mechanica ver gebracht had, en was pijnlijk getrof­fen toen ik bemerkte, dat Watt veel meer wist dan ik. Maar zijn plezier in zulke dingen maakte dat een praatje daarover met iedereen een genot voor hem was. Met een aangeboren charme ving hij mijn nieuwsgierigheid op en moedigde hij mij aan tot nadere kennis­making met hem. »

Op een andere plaats zegt Robison : « Ik heb veel van de wereld gezien, maar ik moet bekennen, dat ik nooit een tweede ontmoet heb, wiens superioriteit iedereen erkende en voor wie zij zo’n genegenheid hadden. Want zijn superioriteit ging schuil onder de meest beminne­lijke oprechtheid en hij was bereid, altijd de verdiensten van anderen te erkennen. Hij had zelfs het liefst, als hij dingen, die in werkelijk­heid slechts uitwerkingen van zijn eigen aanwijzingen geweest zijn, kon toeschrijven aan de scherpzinnigheid van een vriend. »

In 1759 vroeg Robison de aandacht van James Watt voor de idee, een wagen door een stoommachine te doen besturen. Watt, die toen nog niet veel van stoom begreep, ging toch bereidwillig op de plan­nen van zijn vriend in en vervaardigde uit blik het model van een dergelijke wagen. Hij werkte echter niet en het zou Watt plezier gedaan hebben met zulke dingen niets meer te maken te hebben, omdat hij zich wegens zijn gebrek aan kennis niet zeker erbij voelde. Ten­slotte, omdat Robison telkens maar weer over de stoommachine sprak, ging Watt eens naar Dr. Black, professor in de scheikunde in Glasgow, die toen juist bezig was met studies over waterdamp. Watt liet zich door hem zoveel over de aard van de stoom vertellen, als Black zelf wist. Black heeft later en bijna tegelijkertijd met James Watt de latente, dat wil zeggen, de verborgen warmte in stoom ontdekt, maar toen was hij nog maar aan het begin van zijn arbeid en wat hij de mechanicus kon vertellen, was niet veel.

Men heeft al aan het voorbeeld van Heron gezien, dat iemand, die stoom-automaten bouwt, niet bepaald hoeft te weten, wat stoom is. Heron was van mening, dat de stoom lucht was, die door het vuur uit het water was verdreven. Tegen deze mening, die meer dan vijftien­honderd jaar lang opgeld gedaan heeft, stelde Denis Papin een nieuwe opvatting. Deze zei, stoom is een door het vuur veroorzaakte bijzonder elastische vorm van water. Die mening was juist en kwam met die van Heron alleen in dit opzicht overeen, dat vuur in staat is, de vaste natuur van iedere stof te veranderen. Boyle had er Papin op gewezen, dat het kookpunt van iedere vloeistof hoger is, naarmate de druk die er op rust sterker is.

Deze nieuwe inzichten had een zo eenvoudig man als Thomas Newcomen niet kunnen volgen. Hoe hij over de stoom dacht, blijkt wel uit het boek, dat de Zweedse ingenieur Marten Triewald over de stoommachines van Newcomen geschreven heeft. Newcomen en Triewald waren de oude mening van Heron toegedaan, dat niet het water de kracht heeft zich uit te zetten, maar alleen de lucht. Stoom was niets anders, zo leerden Newcomen en Triewald, dan uitgezette lucht, die door het vuur uit het water verdreven was.

Dr. Black was weer op de gedachten en waarnemingen van Boyle en Papin teruggekomen en formuleerde zeer nauwkeurige waarne­mingen. Hij sprak met nog groter duidelijkheid uit, wat Papin nog aarzelend gezegd had: stoom is een gas, damp en stoom zijn hetzelfde. Waterdamp is de door vuur veroorzaakte gasvorm van het water.

Black spoorde James Watt aan, dezelfde proeven te nemen als hij zelf gedaan had en beval hem aan daarvoor het model van de Newcomen-machine weer in elkaar te zetten, dat in de universiteit aan­wezig was.

Zo begonnen toen in Glasgow de onderzoekingen naar de natuur van de stoom, die weliswaar niet door Black en Watt ten einde gebracht zijn — pas in het midden van de negentiende eeuw vol­tooiden andere geleerden dit werk — maar die toch tot verrassende en revolutionaire resultaten leidden.

Stoom is onzichtbaar

Als wij tegenwoordig in een wetenschappelijk naslagwerk het hoofdstuk « stoom » doorlezen, wordt ons een rij van feiten meege­deeld. Deze feiten zijn zo talrijk, dat wij ze nauwelijks kunnen over­zien en onthouden. Als het ons bij het lezen van glasheldere resulta­ten al zo vergaat, hoe moet het toen dan de beide mannen te moede geweest zijn, die stap voor stap in het nieuwe gebied doordrongen en van wie de een bij zijn werk door de hevigste hoofdpijn geplaagd werd!

Men stelle zich zelf maar eens op de proef. Men vrage aan een mens van onze eeuw volkomen argeloos, wat eigenlijk stoom is. Als hij ons al antwoord geeft, zal hij zeggen, dat stoom dat witte wal­mende goedje is, dat uit een hete theeketel opkringelt. Als wij hem nu zeggen, neen, dat is geen stoom, maar alleen de waternevel, die zich door de koude van de lucht uit de eigenlijke, onzichtbare stoom vormt, zal hij grote ogen opzetten. Om het nog duidelijker te zeggen: als stoom uit een ventiel stroomt, dan is de stoom niet dat witte, maar dat onzichtbare kleine stuk tussen de witte nevel en de uitmon­ding van de ventiel. Dat men de stoom niet zien kan, wordt nog duidelijker als men naar het peilglas van een stoomketel kijkt. De ketel staat onder druk, hij voert voortdurend stoom naar de cilinder en als men de stoom zou kunnen zien, zou er toch boven het water in het peilglas een witte nevel moeten hangen. Maar men ziet daar niets, alleen maar een schijnbaar lege ruimte. Zo ziet men, dat men niets ziet en dat dit, wat men niet ziet, stoom is.

Stoom is een gas, waarvan het ontstaan niet onmiddellijk van de verhitting van een vloeistof afhangt. Iedere vloeistof verdampt voort­durend, alleen noemt men de verdamping zonder verhitting ver­vluchtiging. Wat wij de stoomvorming noemen, treedt in alle geval pas bij het kookpunt van de vloeistof op. Als een vloeistof verdampt, dan verdwijnt zij niet, dat wil zeggen, zij lost zich niet op in het niets, maar zij gaat over in haar gasvormige toestand.

Het model van de Newcomen-machine stelde erg teleur. Nadat Watt haar gerepareerd had, zag hij, dat de machine niet eens een behoorlijke slag kon maken, alhoewel de stoomketel in verhouding tot de werkelijke machine buitengewoon groot was. Watt probeerde van alles en kwam evenals Smeaton op de gedachte, dat het beter zou zijn, ijzeren cilinders te nemen inplaats van de bronzen, die deel van de machine uitmaakten, Maar veel beter werd de machine daar­door niet en Watt ging nu terug tot het werk van Denis Papin. Hij schafte zich een Papinse pot aan. Op de veiligheidsklep van die pot zette hij een kleine cilinder met een zuiger en begon een reeks proeven te nemen, die hem tot dezelfde overtuiging brachten als Papin, namelijk dat er stoom bestaat van hoge spanning, die veel sterker is dan de kracht van de atmosfeer. Uitgerust met deze erva­ring zou Watt een hogedrukstoommachine hebben kunnen bouwen. Hij overwoog dit plan ook, maar gaf het toen weer op, omdat hij van mening was, dat men nooit boven anderhalve atmosfeer druk zou mogen uitgaan. Een sterker druk zou ketel en ci­linder uit elkaar doen sprin­gen en hogedrukstoommachines zouden derhalve tot een voortdurende bedreiging van de mensheid worden. Toen veel later een mechanicus in Londen een hogedrukstoom­machine samenstelde en in zijn winkelraam liet lopen, noem­de Watt hem openlijk een misdadiger.

james watt 6 jpg

Trevithick sterft in ellende

Deze man intussen was de geniale Trevithick. Hij bouwde locomotieven en redde met zijn hogedrukstoommachine de Peruaanse zilvermijnen van overstroming. De hogedrukmachine werkt zonder condensator. Zij laat de zuiger niet door de atmosfeer, maar door de druk van de stoom bewegen. Als de stoom zijn werk gedaan heeft, ontsnapt hij in de lucht.

Toen Watt vernam, dat Trevithick een druk van vier atmosfeer toepaste, zei hij, dat hij er in zijn stoommachine wel acht wilde ge­bruiken, maar dat hij niemand zou aanraden die machine te bedienen. In zijn toorn tegen Trevithick ging Watt zo ver, dat hij het Lagerhuis tegen de machinebouwer ophitste. Hij zei, dat Trevithick verdiende opgehangen te worden. De hogedrukmachine heeft zich echter tegen de inzichten van James Watt in gehandhaafd. Dat kon zij echter pas, toen men met behulp van de stoommachine van Watt voldoende erts kon winnen en de ijzertechniek zo ver ontwikkeld was, dat men voldoende stevige cilinders kon gieten die tegen de hoge druk be­stand waren. Alle spoorweglocomotieven zijn hogedrukstoommachines. Zo heeft Trevithick toch gelijk gekregen, maar de vloek, die James Watt hem naar het hoofd slingerde, is op merkwaardige wijze in vervulling gegaan. Wel werd de machinebouwer niet opgehangen, maar hij stierf in ellende. Peruaanse bezitters van zilvermijnen zagen zijn machine in Londen. Zij haalden Trevithick naar Peru. Trevit­hick werd door de Peruanen met zilver overladen, maar hij raakte verstrikt in de warboel van de Peruaanse revolutie, verloor al zijn rijkdommen en kwam na een avontuurlijke vlucht over het Andesgebergte bij de Oceaan. Zijn enige rijkdom bestond uit een zilveren spoor aan zijn laars. Hij stierf in Londen zo arm, dat zijn vrienden een inzameling voor hem moesten houden, wilde hij niet als een hond-begraven worden.

De zachtmoedige Watt was zo heftig tegen Trevithick geweest, omdat hij niet wilde, dat men een zo gevaarlijk ding als stoom van hoge spanning zou gebruiken, zonder de natuur daarvan doorgrond te hebben. Hij ging daarom bij zijn eigen onderzoekingen weer een stap terug. Papin had de drukverhoudingen in zijn kookpot nooit precies kunnen bepalen. Watt stelde zich dit tot taak en zijn methode was zeer vindingrijk.

Hij deed in een glazen kolf een beetje water en kitte in de mond van de kolf een glasbuisje vast, dat bijna tot op de bodem van de kolf reikte. Uit de op die manier gesloten kolf konden lucht en stoom dus alleen door de buis ontwijken. Hij verhitte de kolf in een oven zo lang, dat al het water verdampt was en ook de lucht door de warmte en meegesleurd door de waterdamp de kolf verlaten had. De kolf scheen nu volkomen leeg te zijn, maar Watt wist, dat stoom eigenlijk een onzichtbaar gas is. Hij sloot de buis dus af, toen de laatste drup­pel water verdampt was, en hield de glazen kolf toen in een koude luchtstroom. Dat hoeven wij ons niet voor te stellen als een
ingewik­keld proces. Hij hield de kolf eenvoudig buiten het vensterraam. Daarbij nam hij waar, dat het onzichtbare gas door de koude weer in nevel en in water veranderde.

Toen woog hij de kolf, woog het uit de stoom door koude weer gecondenseerde water en vergeleek die cijfers met het gewicht van de met water gevulde kolf van vóór het experiment. Op die manier berekende hij, « dat een bepaalde hoeveelheid water bij verandering in stoom zich tot het achttienhonderdvoudige van zijn inhoud kan uitzetten. »

Bij zijn proeven met het Newcomenmodel was het Watt opge­vallen, dat het ingespoten water voor de condensatie zeer snel heet werd, ook als de zuiger van de machine stilstond, dus als er geen druk op het water werd uitgeoefend, maar er alleen hete stoom in de cilinder stroomde.

Ook dit feit was voor Watt vervolgens een voorwerp van diep­gaand onderzoek. Daarbij ontdekte hij de latente warmte van de stoom.

Het wonder van de verborgen hitte

Voor zijn onderzoekingen plaatste Watt twee waterketels naast elkaar. De ene bleef koud, de andere verhitte hij. Toen verbond hij beide ketels door middel van een gebogen glasbuis. De stoom uit de verhitte ketel werd op die manier in het koude water geleid. Dit zette Watt zo lang voort, totdat de stoom uit de kokende ketel het water in de koude ketel eveneens aan het koken gebracht had. Toen woog hij beide hoeveelheden water en stelde vast, dat het water dat eerst koud geweest was en waar de stoom in gevoerd was, met een zesde van zijn eigen gewicht was toegenomen. Dit leverde de stelling op: water, in stoom veranderd, is in staat het zesvoudige van zijn eigen gewicht aan gewoon water op kookhitte te brengen.

Achter die stelling lag evenwel nog een ander geheim verborgen. Het lag opgesloten in de vraag: Hoe kan kokend water alleen door de stoom te laten overbrengen het zesvoudige van zijn eigen gewicht aan het koken brengen, zonder zelf het kookpunt te overschrijden ?

Een enkel woord ter verduidelijking: we vullen een ketel met water, zetten er een thermometer in en leggen er een vuur onder aan. Het kwikzilver in de thermometer zal gaan stijgen tot aan het kookpunt en dan blijven stilstaan, ook als het kokende water al in stoom overgaat. Deze stoom is in staat zesmaal zoveel water aan het koken te brengen. Zijn temperatuur moet dus ver boven het kook­punt zijn. Nemen wij echter de thermometer uit het koken­de water en houden wij hem in de stoom, dan blijft het kwik ook dan voortdurend op dezelfde hoogte. Bij het verdampen neemt het water derhalve grotere hoeveel­heden warmte op en behoudt toch dezelfde temperatuur. Die warmte is latent, dat wil zeggen verborgen.

james watt 7

Daar Watt zich het wonder van de verborgen warmte niet kon verklaren, ging hij weer eens naar het laboratorium van zijn vriend Dr. Black. Hij vertelde Black van zijn waarnemingen. De professor hoorde hem glimlachend aan, stond toen op, haalde een boek uit zijn kast en legde het voor Watt op tafel. Het was een voordrachtenboek van Black en bevatte een voordracht over latente warmte. De pro­fessor was bij zijn werk tot precies dezelfde resultaten gekomen als Watt. Black had evenwel in de andere richting gewerkt. Hij had proeven genomen met ijs en bevonden, dat een zekere gewichtshoeveelheid ijs van nul graden Celsius in dezelfde gewichtshoeveelheid water van 80 graden Celsius smelt en dat dan de temperatuur van de beide hoeveelheden vloeibaar water nul graden is. Deze proef vulde hij aan met nog een andere. Een gewichtshoeveelheid water van nul graden met dezelfde hoeveelheid water van 80 graad levert gemengd een gemeenschappelijke temperatuur op van 40 graden. Daar mocht hij uit afleiden dat de uit het ijs voortgekomen hoeveelheid water 80 warmte-eenheden in zich had opgenomen, zonder dat die verborgen warmte zich direct – dus met een thermometer – liet meten.

Watt keerde weer naar zijn werkplaats terug en experimenteerde verder. Hij had nu al enkele feiten over de natuur van de stoom doorgrond, die tot dan toe onbekend geweest waren. Deze kennis alleen echter deed de Newcomen-machine geen haartje sneller lopen. Watt kende de uitzettingskracht van de stoom. Hij kende de verborgen warmte en kon toch niet bewerkstelligen, dat deze eigenschappen in de Newcomen-machine nuttig effect opleverden. De stoom verspilde zijn kracht bij de verwarming van de cilinder. Was de cilinder goed verwarmd, dan werd hij door het condenswater weer afgekoeld. Aan dit eeuwige wisselspelletje gingen krankzinnige hoeveelheden stoom verloren.

Over de Newcomen-machine ging toen in Engeland een mare rond, die de op spaarzaamheid bedachte Watt uit het hart gegrepen was. Zij luidde: « Om een mijn met een vuurmachine droog te houden, heeft men een ertsmijn nodig om de machine te maken en een kolen­mijn om ze te verhitten ».

Watt tobde maar rond in zijn werkplaats, zonder dat hij ook maar iets opschoot. Om de boeken, die er over de stoom bestonden, te kunnen lezen, had hij drie talen geleerd: Italiaans, Frans en Duits. Om de proeven met de stoom te kunnen nemen, had hij zijn nachten opgeofferd en alle geld uitgegeven dat hij bezat. Zes jaren waren er met zijn studies verlopen, en zijn vrienden waren van mening, dat de mechanicus zich in een hopeloze situatie had vastgebeten. Watt kon zich evenwel niet meer uit zijn gedachten losmaken. Hij was melancholisch geworden en zei eens: « Ik kan niets anders meer den­ken dan de machine. »

Slechts één mens kon Watt uit zijn melancholie tijdelijk bevrijden. Dat was zijn nicht, die hij in 1764 gehuwd had, wier vrolijk tempe­rament hem betoverde en die hij de mooiste brieven schreef. Deze vrouw stond hem dapper ter zijde en uiterlijk gezien ging het Watt niet slecht. Hij had zich, om al zijn krachten aan de machine te kun­nen wijden, een man gehuurd, die de boeken voor hem bijhield en door wiens handigheid de werkplaats tot bloei gekomen was. Watt bood deze flinke Craig deelgenootschap aan en hij heeft zich die grootmoedigheid nooit berouwd. In 1765 werkte de inrichting met zestien gezellen.

Een vruchtbare wandeling

In dat gedenkwaardige jaar kreeg de uitvinder gedurende een wandeling de verlossende gedachte. Daarover bericht hij zelf :

« Op een zondagmiddag had ik buiten Glasgow een wandeling gemaakt. Toen ik mij halverwege tussen het Hirtshuis en de Arnsbron bevond en mijn gedachten natuurlijk toefden bij de proeven waar ik juist mee bezig was om warmte in de cilinder te sparen, kwam net op dat gedeelte van de weg de gedachte bij mij op, dat daar stoom een elastische damp is, hij zich moet uitzetten en in een van te voren luchtledig gemaakte ruimte storten; ik overlegde, dat ik alleen een met verdunde lucht gevulde ruimte in een
afzon­derlijk vat hoefde te maken en van dit vat uit een verbinding te maken met de cilinder. Dan zal de stoom uit de cilinder in de lucht­ledig gemaakte ruimte trekken en de machine kan werken. »

Uit deze grondgedachte ontwikkelden zich voor Watt in verloop van twee dagen al de revolutionaire verbeteringen die hij aan de stoommachine heeft aangebracht.

Hij beredeneerde, dat de stoom alleen spaarzaam te gebruiken was, men de cilinder niet voortdurend dwong af te koelen en dan weer heet te worden, maar als men hem voortdurend warm hield, zodat hij geen stoom kon doen condenseren. Dat was op eenvoudige manier te bereiken door de beschermende cilindermantel, die bij Newcomen altijd met koud water gevuld was, met stoom te vullen. Maar zover durfde Watt pas later te denken. Voorlopig ging hij er toe over, het koude water uit de stoomcilinder te verbannen. Hij overwoog, dat men van de cilinder een buis naar een ruimte zou lijden. Die ruimte moest men vervolgens in verbinding stellen met een luchtpomp. Als men nu met de luchtpomp in die ruimte een luchtledig verwekte, zou de stoom uit de cilinder in die ruimte storten en in de cilinder een vacuüm achterlaten. De buitenlucht drukte de zuiger dan weer in de cilinder omlaag. Van de bodem van de cilinder kon de zuiger dan weer meteen naar boven gaan, omdat nu immers de cilinderwand niet meer opnieuw verwarmd hoefde te worden. Zo zou de ene slag op de andere kunnen volgen. De machine zou heel goedkoop werken en daarbij de prestaties van de machine van Newcomen veelvoudig overtreffen. Niet zestien slagen in de minuut was het ideaal, maar zestig.

Zo volgde de ene gedachte de andere op en toen Watt zich er toe zette een kleine proefmachine te bouwen, had het nieuwe zich al zo ver in zijn hoofd ontwikkeld, dat hij de machine op de volgende manier maakte :

james watt 8

Van de stoomketel D uit ging een buis omhoog. Zij leidde naar de cilinder. De cilinder Z was echter niet meer boven, maar naast de stoomketel aangebracht. De verbindingsbuizen tussen stoomketel en cilinder werden vertakt en kwamen boven en beneden in de cilinder uit. De zuigerstang St kwam bij de proefmachine niet boven uit de cilinder doch beneden. Twee stoomleidingen kwamen dus in de cilinder uit, een derde leidde naar buiten en verbond de cilinder met het vat K, waarin het luchtledig tot stand gebracht moest wor­den. Dit vat was met een pomp P verbonden. De pomp en het lucht­ledig werden in een kuip geplaatst, waar zich koud water in bevond. Dit moest het luchtledige vat zo laag gekoeld houden, dat de stoom, die uit de cilinder in het vacuüm terechtkwam, onmiddellijk neerge­slagen werd en er ruimte ontstond voor nieuwe stoom. Het gecondenseerde water werd door de pomp, die het luchtledig maakte, naar buiten gepompt.

De proefmachine had vier ventielen. In elke tak van de stoomlei­dingen zat er een, de derde scheidde de cilinder van het vacuüm en de vierde ventiel bevond zich aan de zuigerstang. Watt had deze stang namelijk in de lengte doorboord. Die doorboring diende om het water uit de cilinder te la­ten, dat zich toch nog uit stoom mocht hebben gecon­denseerd. Aan de zuiger­stang hing Watt een ge­wicht van achttien pond.

Eerste seconden van een nieuwe tijd

De proefmachine bouw­de Watt in enkele dagen tijds van blik en messing. Zij bestaat thans nog en staat in het Wetenschap­pelijk Museum in Londen.

Voor wie thans in de geschiedenis terugblikken, is het moeilijk de
koorts­achtige haast opnieuw mee te beleven waarmee James Watt werkte en de nerveuze spanning mee te voelen, die hem vervulde, toen hij de machine voor de eerste maal ging verhitten. Toen er stoom in de ketel verwekt was, sloot de mechanicus allereerst de kraan, die de luchtpomp en het vacuüm van de werkcilinder scheidde en opende de stoomkraan, die de bovenste buis van de vork gesloten hield. Hij zelf heeft uit zijn geheugen deze eerste seconden beschreven. Daar hij zijn mededeling daarover neerschreef toen hij al heel oud was, is er natuurlijk weinig meer in te bespeuren van de opwinding die zich toen van hem mees­ter had gemaakt.

« De stoom werd in de cilinder toegelaten en kwam al spoedig door de holte van de zuigerstang en bij de ventiel van de condensa­tor – zo heette later het vacuüm – naar buiten. Toen aangenomen kon worden dat de lucht verdreven was, werd de stoomkraan geslo­ten en de zuigerstang van de luchtpomp omhooggetrokken; zij maak­te daardoor van de condensator een ruimte met verdunde lucht. Nu werd de kraan naar de condensator geopend, de stoom schoot in de ruimte met verdunde lucht en werd gecondenseerd. Onmiddellijk daarop ging de zuiger van de cilinder omhoog en hief zodoende het gewicht van achttien pond op, dat aan het benedeneinde van de
zui­gerstang gehangen was. De condensatorkraan werd gesloten, de stoom opnieuw in de cilinder toegelaten en het proces herhaald; de hoeveelheid verbruikte stoom en het opgeheven gewicht werd ver­geleken en, afgezien van het feit dat er geen stoommantel en buiten­bekleding was aangebracht, was de uitvinding compleet, voor wat betreft de besparing van stoom en brandstof.

Vlak daarop werd een groot model met een houten beschermings­mantel rond de cilinder gebouwd; de proeven die daarmee genomen werden bevestigden de verwachtingen, die ik koesterde en toonden het voordeel der uitvinding zonder enige twijfel aan. — Bij deze tweede machine werd de werkcilinder met zijn uitmonding naar boven gericht en de machine werd van een balans en van de andere apparaten voorzien, die bij de vroegere machine gebruikelijk waren, want het omkeren van de cilinder of beter gezegd, alleen van de zuigerstang in het model was immers alleen maar een middel geweest, om de nieuwe uitvinding gemakkelijker te kunnen proberen; bij grote machines zou daar veel bezwaar tegen bestaan. »
.

(Walther Kiaulehn ‘IJzeren engelen’)
.

8e klas geschiedenis: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

James Watt

James Watt en de industriële revolutie

.

507-469

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

.

Heil Caesar!

De piraten hadden er geen vermoeden van hoe gevaarlijk  hun gevangene was. Deze jonge Romein met zijn blanke huid, donkere ogen en volle lippen was duidelijk een edel­man en zij stelden de losprijs dus op twintig talenten (ongeveer 40 000 gulden).
Julius Caesar lachte hen openlijk uit. Hij was er vijftig waard, zei hij, en beloofde terug te zullen komen om hen stuk voor stuk aan de galg te brengen! De losprijs werd betaald en de jonge Caesar hield zich aan zijn woord. Op een vlootexpeditie nam hij zijn ontvoerders gevangen, stak de vijftig talenten weer in zijn zak en keek toe hoe de piraten werden opgehangen.

Dit gebeurde in 76 v. Chr., toen Caius Julius Caesar in de twintig was, maar toen al een rijp man. Opgeleid aan de beroem­de school van Rhodos, waar men de kunst van  het spreken en schrijven onderwees, was hij een der meest gecultiveerde mannen van zijn tijd, briljant causeur en uitmuntend redenaar. Deze eigenschappen en een nimmer aflatende ambitie zetten Julius Caesar ertoe aan zich in het openbare leven te storten. Hij schiep zich een reputatie door namens een aantal Griekse steden de Romeinse gouverneur te vervolgen wegens corruptie. In Rome wreef men zich de ogen uit toen men zag, hoe de meesters nu ter verantwoording werden geroepen wegens knevelarij van de overwonnenen en senator Cato, een van degenen die iedereen voortdurend van ondermijnende activiteiten verdachten, nam zich voor een onderzoek naar hem in te stellen.
Maar deze elegante aristocraat was tevens een slim politicus en het ene ambt na het andere viel hem toe. Om de schitterende partijen te kunnen geven, die daarbij hoorden, ging de roekeloze Caesar monsterachtige schulden aan, die hij slechts kon terug­betalen met leningen van zijn vriend Crassus, een miljonair. Bij het jagen naar macht bewoog hij zich onder de laagsten en de hoogst geplaatsten. Hij werd een fat en een genotzoeker. Hij liet zich van zijn tweede echtgenote, Pompeja, scheiden, omdat “Caesars vrouw boven elke verdenking verheven moet zijn” en zij dat niet was. Zo kwam de corruptie van het heidense Rome zijn briljante toekomst als een langzaam vergif ondermijnen.

Toen, na vele jaren verdaan te hebben, ontdeed Caesar zich van zijn ondeugden als van een stel vuile kleren. Hij aanvaardde een benoeming als gouverneur in West-Spanje en daar hardde hij zich door dagen en nachten in het zadel te blijven. Met zijn legioenen deelde hij honger en vermoeidheid. Van lichaam en wil smeedde hij stalen werktuigen. Zonder aflaten, in hitte en stof, storm en sneeuw, achtervolgde Caesar de bandieten die het land, dat onder zijn bestuur was gekomen, vergiftigden. Bij die expedi­ties bereikte hij de kusten van de Atlantische Oceaan en bracht dit gebied (het huidige Portugal) binnen het Romeinse rijk.

Na zijn terugkeer in Rome werd Caesar met algemene stemmen tot Romeins Consul gekozen. Als bestuurder van de staat stelde Caesar een wetsontwerp op, waarbij veteranen uit buitenlandse oorlogen land toegewezen zouden krijgen. Tot dusver had een ontslagen soldaat zich al gelukkig geprezen wanneer hij zijn ach­terstallige soldij uitbetaald kreeg, en land dat aan het rijk was toegevoegd, werd door de senatoren onmiddellijk in de wacht gesleept als speculatie-object.

De Senaat verzette zich als één man. Caesar ging toen met zijn wetsvoorstel naar het Forum, het grote marktplein in het hartje van Rome, en legde het daar ter stemming voor aan het plebs, het gewone volk. Deze handelwijze was in overeenstemming met de grondwet, maar Rome was verbaasd een Consul zo voor het volk te zien buigen. Caesar kreeg het zover, dat de afgod van de dag, Pompejus de Grote, hem op het rostrum (de stenen verhoging, die men in de ruïnes van het oude Rome nog altijd kan zien) bijstond. Het volk betuigde juichend zijn instemming en Caesar keerde terug naar de Senaat om bekend te maken dat het voor­stel nu kracht van wet had gekregen.

Daarna gaf Caesar bevel, dat de handelingen van de Senaat elke dag overal in de stad op muren moesten worden bekendge­maakt om de bevolking op de hoogte te houden. Hij liet een wet aannemen, waarbij de gouverneurs van veroverde provincies ertoe verplicht werden verantwoording van hun inkomsten af te leggen. Toen zijn ambtstermijn in 59 v. Chr. eindigde, stelde de Senaat hem prompt aan tot gouverneur van het Romeinse Gallië (nu Zuid-Frankrijk), een afgelegen provincie, voortdurend door wilde stammen bedreigd.

Julius Caesar schreef zelf het beroemde hoofdstuk van zijn leven dat nu zou volgen. Zijn “Oorlog in Gallië” (De Bello Gallico) is het meest gelezen van alle klassieke militaire werken, want in vele landen is het in het leerprogramma van de scholen opgenomen. Maar achter de stoffige Latijnse grammatica vinden de leerlingen het opwindende verhaal zelf— de suizende pijlen, de hete pek die vanaf belegerde muren op de aanvallers wordt gegoten, de
bagagetrein, die door ruiters in het water wordt verrast, het gillen van de wilde Gallische vrouwen.

Caesar was het type commandant dat door de soldaten veraf­good wordt, altijd bezorgd om rantsoenen en soldij voor de troe­pen, altijd erop uit de regimentstrots te versterken. Hij stelde zich aan gevaren bloot vóór ieder ander, zijn blinkende zwaard hoog geheven en zijn rode mantel achter zich aan fladderend in het heetst van de slag. Zo ging hij zijn legioenen voor in de botsing met de Helvetiërs, die uit hun Zwitserse valleien kwamen opzetten. Toen hij hen verslagen had, voorzag hij hen genadig van brood en graan, genoeg voor een jaar, en gaf hun zaaikoren mee naar huis.

Erger was de dreiging van de kant van de Germanen, die vanuit hun wouden de Elzas, in Oost-Frankrijk, waren komen binnenvallen. Daar vernietigde Caesar hen en naderhand, toen hij de eerste brug had laten aanleggen, die ooit over de Rijn was gebouwd (niet ver van het huidige Remagen) bestreed hij hen op hun eigen gebied. De Belgen versloeg hij aan de Marne, de Maas, de Sambre en de Somme. Op twee strafexpedities tegen de vijan­dige Britten stak hij het Kanaal over en behaalde een overwinning op de Britse vorst. Acht jaar lang trok hij op en neer, pacificeerde de woelige volken van Gallië en maakte er trouwe Romeinse onderdanen van, waarmee hij het gebied, dat thans geheel Frank­rijk en België omvat, vrede en eenheid bezorgde. Op die wijze werd Gallië een machtig bolwerk, dat het Romeinse Rijk nog gedurende 400 grootse jaren in tact zou laten. In Frankrijk zijn de wetgeving, de taal, de literatuur en de bouwkunst nog altijd evenzovele bewijzen van hetgeen Caesar daar tot stand heeft gebracht.

Caesars grote succes wekte ontsteltenis in de partij, die de Optimaten genoemd werd en de bevoorrechte adelstand vertegen­woordigde. Haar leider Pompejus was bitter jaloers op de nieuwe lauweren die Caesar vergaard had. Vandaar dat toen de terug­kerende Caesar met zijn overwinningslegioenen in de Povlakte ten noorden van Rome bleef liggen, de Senaat een onderzoek naar hem instelde, oude schandalen ophaalde en hem ten slotte bevel gaf zijn leger te ontbinden en zich naar Rome te begeven waar hij zou moeten terechtstaan. Caesar wist dat zijn legioenen hem overal zouden volgen. En niemand begreep beter dan hij, dat de eens zo glorierijke republiek in staat van verval verkeerde. De Senaat had de uitvoerende macht aan zich getrokken en Pompe­jus was daarvan het werktuig. Caesar trok onversaagd over de Rubicon, het riviertje dat de noordelijke grens vormde van het eigenlijke Rome. Hij was nu in oorlog met de Senaat.

Legioenen, die uitgezonden werden om Caesar tot staan te brengen, liepen naar hem over. Terwijl deze groeiende legermacht naar Rome optrok, vluchtte Pompejus naar Noord-Griekenland waar zijn hoofdleger zich bevond. Daar, op 9 augustus van het jaar 48 v. Chr., maten de twee militaire genieën van die tijd zich met elkaar op de vlakte van Pharsalus. Tegen de avond was Cae­sar meester van zijn wereld en Pompejus op de vlucht. Hij vluchtte naar Egypte om het tegen Rome op te zetten en Caesar achter­volgde hem. Maar de jonge koning daar, Ptolemaeus XII, liet Pompejus vermoorden en bood de van afgrijzen vervulde Caesar diens hoofd aan, verbaasd dat hij daarmee Caesars gunst niet had gewonnen. Ptolemaeus had zijn zuster Cleopatra van de troon verdreven, hoewel hun vader had bepaald dat zij samen zouden regeren. De koningin, nog maar een meisje, haalde Caesar binnen als haar beschermer. Weldra werd hij haar minnaar.

Voor haar en voor Rome dwong Caesar koning Ptolemaeus op de knieën. Cleopatra kreeg haar troon terug, onder Romeins protectoraat, en Caesar had daarmee het rijkste land ter wereld aan het Romeinse gebied toegevoegd.

Intussen hadden de volgelingen van Pompejus hun strijd­krachten opnieuw in Spanje en Noord-Afrika verzameld. Caesar trok dwars door Noord-Afrika naar Tunesië voor een treffen en kwam daar te staan tegenover tien legioenen onder Cato, versterkt door de snelle cavalerie en 120 oorlogsolifanten van de koning van Numidië. Aan de vooravond van de slag bij Thapsus werd Caesar belaagd door een oude vijand — vallende ziekte. Hij voelde de aanval aankomen, maar in alle kalmte sprak hij zijn vermoeide troepen moed in en deelde bevelen uit voor hij bewusteloos neer­viel. Toen hij weer bij zinnen was, bestonden Cato’s legioenen niet meer en had de koning van Numidië zijn troon verloren.

In triomf keerde Caesar, vergezeld van Cleopatra en hun zoon­tje Caesarion, naar Rome terug. Vier dagen lang was de overvolle stad het toneel van feesten, spelen en optochten. Standaarden en bloemenkransen dansten in de hete, heldere lucht. De bodem trilde onder de zware stap van soldaten, die de schitterende oor­logsbuit aan het volk toonden, de slepende tred van de gevangenen en de wielen van de strijdwagen, waarop de overwinnaar zelf stond, met opgeheven hoofd en een lauwerkrans om de slapen. Achter hem kwamen de legioenen, getekend in de strijd en ver­brand door de zon.

De Senaat kon nu niet onderdanig genoeg zijn jegens Caesar. Voor de duur van zijn leven gaf men hem een titel, die de soldaten hem lang tevoren uit aanhankelijkheid gegeven hadden — Imperator. Caesar nam dit op als een uitdaging om hervormingen aan te brengen in een bestel, dat eeuwen tevoren was ontworpen voor de behoeften van een kleine stadstaat, maar nu volkomen achterhaald was door een zich enorm uitbreidend rijk.

Caesar begon de beslotenheid van de aristocratische club, die de Senaat was, te doorbreken door er driehonderd leden aan toe te voegen, grotendeels voortkomend uit de tot dusver verachte koopmans- en werkmansstand, met vertegenwoordigers uit de veroverde landen. Hij gaf het Romeinse staatsburgerschap aan de zonen van slaven, die vrije mannen geworden waren en aan de Galliërs, met het voornemen het burgerschap uit te breiden tot alle vrije mannen in het gehele Rijk. Ook gaf hij de Joden, die vervolgd waren geweest, de vrijheid om hun eredienst uit te oefenen.

Hij trachtte een oplossing te vinden voor de vele afgedankte soldaten en werklozen in het propvolle Rome door tachtigduizend kolonisten naar Sevilla, Arles, Corinthe en Carthago te laten overbrengen. Hij stelde duizenden te werk bij de landontginning en het verfraaien van de hoofdstad. Hij maakte een eind aan de misbruiken van belastinggaarders, die zich verrijkten ten koste van handel en landbouw in de provincies. Het geld werd weer waardevast doordat het opnieuw aan de gouden standaard ge­bonden werd. Hij zorgde er ook voor dat gouverneursposten niet meer vergeven konden worden door de Senaat.

Zelfs de kalender behoefde hervorming. De oude Romeinse maand was gebaseerd op de kringloop van de maan en duurde 28 dagen, maar op wens van de Romeinse consul werden er telkens extra dagen en zelfs maanden aan toegevoegd. De Ro­meinse kalender was zozeer uit de koers geraakt, dat de herfst nu in juli viel (een maand die herdoopt was ter ere van de grote Julius). Caesar liet een Grieks sterrenkundige uit Alexandrië komen en op zijn advies baseerde hij de kalender op een zonne­jaar van 365 dagen, met om de vier jaar een schrikkeljaar.

Maar hoezeer hij ook zijn stempel drukte op de tijd waarin hij leefde, Julius Caesars dagen waren nu geteld, want de Iden van maart (de 15de) van het jaar 44 v. Chr. naderden. Shakespeare’s beroemde stuk, gebaseerd op de biografie van Caesar door Plutarchus, is juist voor zover het de essentiële feiten betreft, maar de betekenis van de handeling is erin veranderd. De waarheid is, dat de samenzweerders, van wie de meesten niet alleen hun fortuin maar zelfs hun leven aan Caesar dankten, niet optraden om de vrijheden van het volk te verdedigen, maar om de af­brokkelende privileges van hun eigen klasse te beschermen.

De aanslag werd gepleegd in tegenwoordigheid van de gehele Senaat. Casca, die van achter op Caesar was toegeslopen, bracht de eerste slag toe, maar zijn wapen schampte af op diens sleutel­been. Caesar draaide zich bliksemsnel om en vocht terug met zijn enige wapen — een schrijfstift. De samenzweerders sloegen nu allen tegelijk toe en raakten hun slachtoffer drieëntwintig keer. Cassius stak zijn dolk in Caesars gelaat en door een mist van bloed, dat hem in de ogen vloeide, zag Caesar dat Brutus, die zijn zoon had kunnen zijn, zich op hem wierp en hem zijn zwaard in de lendenen stak.

De woorden, die hij toen sprak, waren zijn laatste en hij zei ze in het Grieks: Kai su teknon? (“Ook gij, mijn kind?”). Toen viel hij dood neer, voor het standbeeld van zijn oude vijand Pompejus.

Alle omstanders vluchtten nu. En hoewel de samenzweerders, zwaaiend met hun bebloede wapens “vrijheid” riepen, oogstten zij geen bijval, maar brachten slechts paniek teweeg. Terwijl het volk, opgezweept door de lijkrede van Marcus Antonius, uiting gaf aan zijn smart werd het bloedige lijk op het Forum plechtig verbrand. Maar al het goede dat hij verricht had ging niet met hem teloor. Hij had miljoenen ongelukkigen in het bekken van de Middellandse Zee het rechtvaardigste, mildste en verstandigste bestuur bezorgd, dat zij ooit gekend hadden. Hij had zich voor­gesteld een wereld van vrije mensen te scheppen, allen burgers van één grote gemeenschap, en hij was daar halverwege in ge­slaagd. Hij had het Romeinse Rijk geschapen, op welks stevig fundament onze westerse beschaving kon groeien.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

.

493-456

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – alle artikelen

.

 .

[1] Algemene menskunde
[16] Autoriteit
[19] Bewegen
[2] Etherlijf (kind en etherlijf)
[18] Geheugen, herinneren
[4] Gezondmakend onderwijs
[24] Haar
[5] Intelligentie (hand en intelligentie)
[17] IJzer
[8] Kinderbespreking
[12] Leerplan Steiner/Heydebrand
i.v.m. Haeckel
[13] Lopen, spreken, denken
[14] Nabootsing
[20] Ontwikkeling kind
[3] Ritme
[26] Ruimte en tijd
[22] Seksualiteit
[6] Sigaud (typologie van)
[7] Spel
[15] Temperament
[26] Ruimte en tijd
[4] Trauma
[21] Waarnemen
[11] Warmte
[23] Wetenschap
[10] Wil
[9] Zintuigen

[1] Algemene menskunde als basis voor de pedagogie – GA 293
Pieter HA Witvliet: Een ‘wandeling’ door de voordrachten om ‘de omgeving’ wat beter te leren kennen
.

voordracht 1alle artikelen
voordracht 2: alle artikelen
voordracht 3: alle artikelen
voordracht 4: alle artikelen
voordracht 5: alle artikelen
voordracht 6: alle artikelen
voordracht 7: alle artikelen
voordracht 8: alle artikelen
voordracht 9: alle artikelen
voordracht 10: alle artikelen
voordracht 11: alle artikelen
voordracht 12: alle artikelen
voordracht 13: alle artikelen
voordracht 14 alle artikelen

[2KIND EN ETHERLIJF
 alle artikelen

[3] RITME
alle artikelen        

[4] GEZONDMAKEND ONDERWIJS

[4-1] Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs
Uitspraken in verschillende voordrachten.

[4-2] Antroposofie als basis voor pedagogie
Pieter HA Witvliet over: bloed t.o zenuw; voorbeeld van een bleek kind dat weer kleur kreeg.

[4-3] Zijn oud-vrijeschoolleerlingen gezonder?
Prof.Dr.Hueck over: heeft het vrijeschoolonderwijs invloed op de gezondheid van de leerlingen; een onderzoek naar gezondheidsklachten bij oud-vrijeschoolleerlingen en een controlegroep; gedetailleerde gegeven.

[4-4] Gezondheid en ziekte
Arie Bos over: somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten (SOLK); wat is ‘ziek’, wat ‘gezond’.

[4-5] Traumaverzorging
Loïs Eijgenraam over: wat is ‘trauma’; verschillender vormen; berschreven vanuit de antroposofische menskunde; hoe te helpen: verzorging.

[5] HANDEN EN INTELLIGENTIE|
Ernst-Michael Kranich over: de activiteit van de handen en de invloed daarvan op de hersenen; uitspraken van hersenwetenschappers; uitspraken van Rudolf Steiner over handwerken en intelligentie

Lichaamsoriëntatie

[6] DE TYPOLOGIE VAN SIGAUD
Inhoudsopgave en verdere verwijzing naar de hoofdstukken

[7] SPEL
alle artikelen

[8] KINDERBESPREKING
Alle artikelen

[9ZINTUIGEN
Alle artikelen

[10] WIL
[101] Wilsopvoeding, bron van moraliteit
Freya Jaffke 
over: de wil in de laatste kleuterfase; ontwikkeling tussen 5 en 7 jr; zintuigen; ritme; nabootsing; wil en fantasie; wil en voorstelling; hulp volwassene: voorbeeld.
[Bij ‘peuters en kleuters alle artikelen onder nr. 2-2] 

[102] Over de wil en de opvoeding ervan
 Nel Lievegoed-Schatborn over: wat is ‘wil’; relatie voorgeboortelijk en na de dood; de wil in de 3 zevenjaarsperioden; wat de wil versterkt en verzwakt.

[11WARMTE
[11-1] Organische eigenwarmte als ontwikkelingsgang
Wolfgang Schad over: warmte bij mens en dier: bij insecten, (bijen) vissen, slangen, mieren, vogels;
warmte in lichaam, ziel en geest.
[2] Warmte bij mens en dier; kwaliteit van warmte en kou; warmte als geestes- en zielenvuur; warmte in voeding/kleding
[3] Warmte als één van de elementen; warmte en lichamelijke gezondheid; innerlijke warmte; warmte in de farmacie

[11-4] Over de warmte
Joop van Dam
over: lichamelijke en geestelijke warmte; Ik en warmte; opvoeding en warmte; kleding en warmte; stoffen

[11-5] Warmte en leven

Olaf Koob over: warmte en kou; zomer en winter; psychische warmte; ontstaan, verbranding; kwantiteit wordt kwaliteit; voedingsstoffen; warmte in lichaam, ziel en geest; 

[ontwikkelingsfasen 1-5 ] Samen een zintuig ontwikkelen voor warmte
Aart van der Stel over: belang van warmte, niet alleen fysiek, maar ook psychisch; nabootsen is meer dan imiteren; kleding van natuurlijke materialen; betekenis van warmte voor het verdere leven

[ontwikkelingsfasen 2-3] Groei en warmte: een onafscheidelijk duo
Noor Prent
over: het belang van warmte aan een voorbeeld van een ‘open kind’; de ontwikkeling van het warmtezintuig vanaf de geboorte; kledingsuggestie voor kruipende kinderen; zweten in de nek;

[12HET LEERPLAN Steiner/Heydebrand
en i.v.m. Haeckel (recapitulatietheorie)
Alle artikelen

[131] Lopen, spreken, denken
Annet Schukking over: wat moet het voor een kind betekenen dat het kan (gaan) staan, lopen en los lopen?; meestal gevolgd door het spreken: wat moet dat wel niet betekenen?; hoe belangrijk is de omgeving; wat betekent het denken?

[13-2] Metamorfosen van lopen, spreken en denken
Alain Denjean over: lopen, spreken, denken en de 3 ontwikkelingsfasen; iedere cyclus bestaat uit drie kleinere fasen; bij iedere grote fase worden de kleinere besproken; nabootsing; hoe spreken zich ontwikkelt; belang van spel.

[14] NABOOTSING
Kleuterklas – nabootsing
Nabootsing
Nabootsing

[15] TEMPERAMENT
[1-1] de 4 temperamenten bij de volwassene; 4-ledige mens
[1-2]
[1-3]

[2] de 4 temperamenten van het kind; samenhang met elementen en 4-ledige mens 

Temperament en rekenen (1)
optellen “flegmatisch en cholerisch”
Temperament en rekenen (2)
vermenigvuldigen “sanguinisch en melancholisch”
Temperament en rekenen (3)
delen “cholerisch en flegmatisch”
Temperament en rekenen (4)
aftrekken “melancholisch en sanguinisch”

[16] Navolging: in de 2e levensfase ontstaat behoefte aan autoriteit

[17-1] Over het ijzer in de mens
Een artikel met eenzelfde strekking
In diverse artikelen over Michaël wordt over het ijzer gesproken
Zie ook meteoorijzer

[18] GEHEUGEN, HERINNEREN
Alle artikelen

[19] BEWEGEN
Bewegend deel in het hoofdonderwijs (1e kl)
N.a.v. Audrey MacAllen: ‘The extra lesson’ (Nederlands)
Het effect van bewegen op leren
Bewegen in de klas

.
[20-1] DE ONTWIKKELING VAN HET KIND
Alle artikelen

[20-2] Leer van het kind mens te zijn
Helmut von Kügelgen over: ontwikkelingsfasen van het kind; wat laat het kind tot in de adolescentietijd zien en wat betekent dat voor opvoeding en omgang?; verschillende visies op ontwikkeling mens, de (niet met die woorden genoemd) in het ‘nature-nurture’ idee en de aanvulling daarop met de idee van de incarnerende persoonlijkheid, het Ik.

[21-1] WAARNEMEN
Willem Beekman over: het waarnemen van de planten pastinaak en peen; gedetailleerde beschrijving van verschillen; wat betekent een exacte waarneming: verdieping van kennis, verbinding omgeving, schoonheidsbeleving, stimulans;

[21-2] Geschiedenis van de waarneming
Arnold Henny
over: wat is geschiedenis en waarom is het nu zo’n ‘mannelijk’ vak?; waarnemen is aan verandering onderhevig; Emile Male: het universum; perfectionering v.d. waarneming; scholingsweg Steiner en waarnemen; Goethe ‘oordelende aanschouwingskracht’;

[22-1] Seksualiteit
Aart v.d. Stel
over: zijn we echt gelukkiger geworden op seksueel gebied door de hier ontstane vrijheid; lichamelijk weten we het wel, hoe is het echter psychisch en geestelijk; ieder mens heeft iets ‘mannelijks’ en iets ‘vrouwelijks’ in zich; vanaf Adam en Eva, geschapen als ‘man-vrouw; scheiding van de geslachten; mannelijk, vrouwelijk: fenomenen; embryonaal; het fysieke als middel; zoeken naar echte ontmoeting.

[22-2] Seksualiteit
René de Winter
over: homoseksualiteit; vanwaar de afwijzing; eenzijdige benadering van het fysieke aspect; homofilie en homoseksualiteit; ‘ontstaan’ en verdere ontwikkeling seksualiteit; verschil met dieren; ontmoeting mens-mens; nog erg veel vooroordelen; kern- en perifere homoseksualiteit; ieder Ik voelt zich anders dan andere ‘Ikken’;

[22-3] Seksualiteit
Hugo Verbrugh
over: antroposofie en seksualiteit; seksualiteit als spanningsveld tussen lichaam en geest; seks als communicatie- en incarnatiemogelijkheid; deze zijn geheel losgeraakt van ekaar; denken, voelen, willen; zondeval en verlangen naar één-zijn; een nieuw woord nodig voor voortplanting;

[23] Wetenschap
Max Türkauf
over: drie vormen van wetenschap: mechanistisch-deterministisch, systematisch-reproduceerbaar, differentieel-causale; fysisch-chemische verklaring (v/h leven); grenzen van de moderne natuurwetenschap;

[24] Over het hoofdhaar en de baard van de mens
Paul Paede over: geschiedenis van het haar, culturen, verzorging; haar in het sprookje; anatomie van de haar; hersenen en haar; historie baard; baard en taal; baard en hersenen.

karakteriseren i.p.v definiëren
Pieter HA Witvliet over: Rudolf Steiner over karakteriseren en definiëren; leven t.o. dood; waarnemen en begrip; waarnemen, begrip, kennis; voorstelling; Filosofie van de vrijheid;

[26-1] Ruimte en tijd in het onderwijs
Christof Wiechert over: deze polariteit; voor het onderwijs: het beeldend-muzikale; steeds meer beeld(dragers), steeds minder woord; periodeschrift: wat in woorden werd gebracht wordt tot beeld verwerkt; polariteit kijken en luisteren; het tijdstip van de vakken; wat is wanneer zinvol; de wereld naar buiten, de wereld naar binnen; opvoeden via de wil; polariteit oog-oor; rol van de sprekende leerkracht; 

[26-2] Ruimte en tijd in het onderwijs
Christof Wiechert over: mens, burger van twee werelden; spiritualiseren van het ruimtelijk bewustzijn; wat gebeurt in de les: woorden worden voorstellingen; stimulans voor het denken; bij mediabeelden gebeurt dit niet; beeld kan ook woord worden; periodeschrift; verhalen vertellen, euritmie; samenwerken met geestelijke wereld.

.

437-406

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolpedagogie.com

.

DÉ SITE MET DE MEESTE ACHTERGRONDINFORMATIE OVER HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

.

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 2400 artikelen.
.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3klas 4klas 5klas 6klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogmet vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2]

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
Alle artikelen


VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

de vrijeschool: breinvriendelijk onderwijs

Vrijeschool in beeld: illustraties van het vrijeschoolonderwijs

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

434-404

.

VRIJESCHOOL- Atlantis in klas 5

.

ANTROPOSOFIE IN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS
Hoewel Rudolf Steiner op veel plaatsen in zijn (pedagogische) voordrachten duidelijk maakte dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn en zeker geen school waar antroposofie aangeleerd moet worden, zoeken critici* naarstig naar feiten die kunnen aantonen dat de vrijeschool wel degelijk in die zin een ‘antroposofische’ school is.

Zo wordt er ook ijverig gevorst om te kunnen bewijzen dat, wat men noemt het racistisch karakter van de antroposofie, ook terug te vinden is in het leerplan van de vrijeschool.

Voor hen biedt ‘Atlantis’ een aanknopingspunt.

Wie vertrouwd is met het werk van Steiner weet dat hij uitvoerig heeft bericht over Atlantis.

En zoals hij over Atlantis spreekt, is Atlantis antroposofie. En omdat antroposofie geen inhoud van leerstof hoort te zijn –het zijn de woorden van Steiner –zou het gemakkelijk voor de hand moeten liggen Atlantis geen onderwerp te maken van bv. het geschiedenisonderwijs in klas 5.

Dit gebeurt echter wel en daarmee hebben de critici een punt.

PERIODESCHRIFTEN
Ze beginnen hun kritiek vaak met het weergeven van tekst die ze hebben gevonden in de periodeschriften van het vak geschiedenis in de 5e klas.

En ook hier hebben ze een punt: wat in het periodeschrift staat is lesinhoud geweest.

In sommige schriftjes staat de indeling van tijdsfasen, zoals Steiner die gaf voor de na-Atlantische tijd:

Oer-Indische, Oer-Perzische, Babylonisch-Chaldeïsche-Egyptische tijd; Grieks-Latijnse tijd, Middeleeuwen. (en verder). Vaak compleet met jaartallen zoals ook die door Steiner zijn gegeven.

En de critici hebben nog een punt wanneer ze erop wijzen dat in het Oer-Indië, (7227-5067) , in het periodeschriftje ‘zomaar’ ineens sprake is van Buddha , die rond 540-480 voor Christus leefde.

Het gaat de critici niet zozeer om aan te tonen dat het geschiedenisonderwijs in de 5e klas eigenlijk antroposofisch onderwijs is, maar om iets veel ernstigers. Daar kom ik later op terug.

LEERPLANAANWIJZINGEN VAN STEINER
Kunnen we ons beroepen op de leerplanaanwijzingen van Steiner wanneer we over ‘zijn’ Atlantis vertellen?

Ik heb tot op heden geen concrete aanwijzingen gevonden.
In de vergaderingen met de leerkrachten [1] vraagt een leraar van de 8e klas of Atlantis genoemd kan worden in de geologieles. Steiner bevestigt dat, vertelt er wat bij, maar komt er later niet op terug wanneer voor de 8e klas de aanwijzingen voor het vak geologie worden gegeven. En voor de 5e klas worden die aanwijzingen ook niet gegeven.

Voeg daarbij Steiners opmerkingen over ‘antroposofisch’ onderwijs.

Dan zijn er m.i. geen motieven meer om Steiners Atlantis in de 5e klas aan de orde te stellen.

Moeten de leerlingen in de klas een opsomming van de ‘na-atlantische cultuurperioden’ voorgeschoteld krijgen?

Om dezelfde redenen is daar ook geen aanleiding toe.

Steiner heeft het niet over ‘fases’, maar over ‘scènes uit de oude geschiedenis.’ [2]
Moeten de leerlingen de door Steiner gegeven jaartallen in hun schrift schrijven en/of leren?

Wie bij zichzelf te rade gaat, heeft waarschijnlijk net als ik, eigenlijk geen benul hoe lang geleden 10.000 jaar is. Ja,erg lang, maar het blijft een leeg, niet doorleefd begrip. Voor zover ik bij mijn leerligen van 11 jaar heb kunnen waarnemen, is er nog geen ‘orgaan’ aanwezig om iets meer te beleven dan ‘erg lang’.
Voor Steiner was dit m.i. ook een feit. Hij geeft niet voor niets op zeker ogenblik een voorbeeld hoe je ‘lang geleden’ aan kinderen nog enigszins duidelijk kan maken.

Daaraan heb ik ook beleefd dat ‘lang geleden’ voor kinderen van die leeftijd dan wel ‘dichterbij’ komt. Maar de generaties terugvervolgen tot 8- of  9- of 10-duizend jaar, dat lijkt me niet te werken.

Dus zouden we m.i. die jaartallen geheel buiten beschouwing moeten laten. Het blijven abstracties.

‘GESCHIEDENIS AANLEREN’
Het boek ‘Geschichte lehren’ van Christoph Lindenberg [3] is m.i. hèt boek om je als leerkracht op het eerste geschiedenisonderwijs in klas 5 voor te bereiden. Er is geen Nederlandse vertaling van. Hier is een vertaling van het hoofdstuk ‘Klas 5’.

Als we in de 2e geschiedenisperiode in klas 5 vooral over Griekenland vertellen, is de stof voor het grootste gedeelte gebaseerd op bronnen en daarmee ‘echte’ geschiedenis. Wanneer je naar de geschiedenis kijkt van de Egyptenaren vertel je toch ook heel veel wat in de bronnen verifieerbaar is. En dat geldt ook voor de Perzische tijd met bv. de stedenbouw.

Van de Indische tijd is Buddha ‘geschiedenis’.

Maar al de genoemde culturen hebben ook hun bijzondere mythologieën en andere verhalen. Het wordt moeilijker om die exact onder ‘geschiedenis’ te rangschikken.

Voor het lesgeven is dat ook helemaal niet nodig. De mensheid heeft die voortgebracht en het is belangrijk dat jonge kinderen met de creaties van de mensheid waartoe ook zij behoren, kennismaken.

In de eerste geschiedenisperiode met name, zal er zeker in het begin, meer sprake zijn van cultuur, dan van geschiedenis. Voor sommige critici iets om over te vallen; voor ons als vrijeschoolleerkrachten iets vanzelfsprekends.

DE EERSTE ‘GESCHIEDENISDAG’
Als je als leerkracht daar op een maandagochtend staat – de eerste dag van de eerste geschiedenisperiode van je klas – (en misschien ook jouw eerste geschiedenisperiode in je 5e klas), moet je met ‘iets’ beginnen.

Ik greep vaak terug op wat de kinderen van het verleden al wisten en van lieverlee kwamen we zo ver terug in de tijd dat bijna vanzelf de verhalen uit de 3e klas, het Oude Testament, genoemd werden. En altijd was er wel een kind dat de zondvloed noemde.

Ik vond dat een welkome aansluiting om op verder te gaan: ‘Veel meer bevolkingsgroepen hebben zulke verhalen over de ondergang van de wereld.’ (Sommige kinderen noemen bijna vanzelfsprekend de Dag Ragnarok uit de Edda).

Dan kun je verder met bv.:

‘Dit is het verhaal van het volk van de Indiërs’: hier vertel je dan het verhaal van ‘Manoe en de vis’.

MANOE?
Wanneer dit in het periodeschrift wordt naverteld, hebben de critici, denken ze, weer ‘beet’. Immers: ook Steiner spreekt over een Manoe en, jawel, hij doet dit in samenhang met de ondergang van ……Atlantis.

Uit de Atlantismededelingen van Steiner halen de critici meestal de ondergang van Atlantis naar voren. Deze zou zich hebben voltrokken door grote watersnoden – vergelijkbaar met de ondergang van de wereld zoals beschreven in het zondvloedverhaal in de bijbel.

Volgens Steiner werden er wel mensengroepen gered. Deze trokken onder leiding van ‘Manoe’ naar veiliger streken en zouden weer bewoonbaar land hebben gevonden.
Ook in de verhalen over het ontstaan van de Indische cultuur is sprake van  ‘Manoe’
Worden er dan in de klas verzen uit de heilige boeken van India opgeschreven en gereciteerd, dan kunnen ook de ‘rishis’ ter sprake komen.

VOER VOOR CRITICI
Voor de critici opnieuw een handvat: immers, ook Steiner spreekt over rishis in zijn mededelingen rond Atlantis. En wanneer er dan ook nog sprake is van een bevolkingsgroep die de Indiërs zelf de Arayans noemen, vaak vertaald met Ariërs, dan is het feest voor de critici, want ook Steiner spreekt over Ariërs en het blanke ras, dat het leidende zou zijn in de huidige ontwikkelingsfase van de mensheid.

En met deze ingrediënten vormen de critici hun standpunt dat het geschiedenisonderwijs in klas 5, Atlantis’  een middel is, ‘om Steiners mensheidsontwikkelingsmodel het onderwijs binnen te smokkelen.’ (De bedriegelijke verpakking (Prange);  het Paard van Troje (De Jonghe) en de in mijn ogen schaamteloze opmerking  ‘dat op deze manier (Duits:‘kindgerecht’, dus op kinderniveau, racisme bedreven wordt. (Lichte)

ATLANTIS TABOE?
Moet Atlantis dan vermeden worden?

Het gaat erom, denk ik, wat je met het noemen voorhebt.

Er zijn de mededelingen van Plato; er zijn verschillende visies op Atlantis; de Atlantische Oceaan dankt er zijn naam aan.

Er zijn videospelletjes die Atlantis heten. Sommige kinderen hebben die; ze weten ervan of hebben oudere broers of zussen die ze hebben.

Zo was er in mijn klas ooit een kind met een oudere broer die fan was van de Engelse zanger Donovan die een Atlantissong heeft.

Dus, wat wil je ermee in de klas.

Hoe je het ook wendt of keert, bij wie je ook te rade gaat, Atlantis blijft een schimmig gebied.

DIT IS WEL EEN AANWIJZING VAN STEINER:
‘In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijke historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken.’ [4]
M.i. valt Atlantis niet onder ‘werkelijk historische begrippen’.

In het Duitse vrijeschoolblad  ‘ERZIEHUNGSKUNST’ :
‘Het zou onzin zijn om uitspraken van Steiner in de vorm van leuke verhalen of in de vorm van overgeleverde mythen aan zijn leerlingen te vertellen, omdat ze dat niet zijn en omdat er geen aanleiding bestaat om over zulke uitspraken (bedoeld wordt hier alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd) in de zin van een op zichzelf staand esoterisch weten te beschikken.
Afgezien daarvan zijn er geen leerplanaanwijzingen van Steiner die tot zoiets aanleiding zouden geven.’

[1] R.Steiner: GA 300 A Konferenzen mit de Lehrern, blz.85/86
[2]R.Steiner: GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen, 1969
Vertaling: Praktijk van het lesgeven, blz.20
Uitg.Vrij Geestesleven1989 ISBN 90-6038-187-4
(nu: uitg.Christofoor)
[3]Lindenberg: Geschichte lehren
Stuttgart 1981 ISBN 3-7725-0243-1
[4]Praktijk van het lesgeven, blz.149

 *Ramon de Jonghe; Prange; Andreas Lichte

.

[1] Is het geschiedenisonderwijs in klas 5 ‘antroposofisch?
[2] deel 2
.

5e klas geschiedenis: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis

71-69

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – klas 5 geschiedenis – (1)

.

Christoph Lindenberg:
‘geschiedenis onderwijzen’

vertaling van ‘Geschichte lehren’                    

HOOFDSTUK: 5E KLAS                                         blz.77-88

In de eerste leerplanvoordracht van 6 september 1919 [2] formuleert Rudolf Steiner de taak van de klassenleerkracht voor het eerste geschiedenisonderwijs: ‘In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijke historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken.’ [3] blz.149

Hoe zien de geschiedkundige begrippen eruit waar het vóór het 12e levensjaar om kan gaan? In ieder geval gaat het nog niet om een consequent doorgevoerde voorstelling van causaliteit van geschiedkundige ontwikkelingen en het in begrippen vatten van de meer verborgen impulsen in de geschiedenis.

Omdat naar de cultuur van de volkeren uit het Morgenland gewezen wordt, wordt het duidelijk dat het in de allereerste plaats gaat om het anders-zijn van deze oude culturen en hierin ligt ook meteen het wezenlijke historische begrip. Voor de leerling van klas 5 wordt dit anders-zijn van de cultuur zichtbaar door historische figuren en wat ze verrichtten. Inderdaad heerst in ieder van de afzonderlijke culturen van het Morgenland een heel andere levenssfeer en levenshouding, die die culturen hun stempel gaven.

INDIA*
De moeilijke opgave, die meteen aan het begin gesteld wordt, is de beschrijving van de oud-Indische cultuur. Wat van deze cultuur uit historische tijd bewaard is, is slechts een schaduw, waarvan de Indische sage bericht, wanneer ze over de grote Manoe en de 7 wijzen verhaalt. Deze oer-Indische cultuur aanschouwelijk te maken kan lukken, wanneer men uitgaat van de glans die er later nog is. De leerkracht kan uitgaan van teksten uit de Veda’s, uit de Upanishads, of de Bhagavad Gita om zich een beeld te vormen van het bewustzijn van die tijd waarvoor zich de godenhemel met zijn eindeloze reeks gestalten opent. Deze wereld is zo machtig dat daartegenover, de aarde  als maja, als schijn wordt beleefd. Daarom gaat de interesse van de vroege Indiër –net zoals tegenwoordig ook nog, niet uit naar de landbouw, niet naar de industrie en werken voor de kost, maar naar het kunnen doorgronden van de godenwereld. De oorspronkelijk rijke, overvloedige, gevarieerde vegetatie van het Indiase subcontinent maakte het in die vroege tijd ook mogelijk te leven zonder al te veel inspanning en daardoor weinig gehinderd een geestelijk leven te leiden om zich zo in de geheimen van de kosmos te verdiepen. Dit geestelijke leven stond in hoog aanzien en wordt weerspiegeld in de kastenorde waarin de priesters de hoogste plaats innamen.

Het heeft geen zin op het kastenstelsel in te gaan, wanneer het niet lukt om de leerlingen duidelijk te maken dat deze ordening van het sociale leven in die vroege tijd van de Indiase cultuur heel anders  ervaren werd dan in deze tijd.

Voor de leerling van klas 5 kan deze cultuur alleen maar echt duidelijk worden, wanneer deze aan een historisch figuur beleefbaar wordt. Deze figuur is Boeddha. Gelukkig is het leven van Boeddha in de Boeddhalegende op een typisch Indiase wijze, rijk aan beeld en gestalten, bewaard gebleven en ook in het boek van Herman Beckh [4] voortreffelijk weergegeven.

Tegen de leerlingen kan men zeggen: nu willen we eens kijken hoe de Indiërs zelf het leven van een van hun grootste mensen schilderen en met de aanwijzing dat de weergave authentiek is, begin je met het op aarde komen van de bodhisattva uit de godenwereld, je schildert aan de hand van de legende het paleis van koning Suddohana, het binnengaan van de bodhisattva in de moederschoot en alle andere episoden van de legende, vrij uitvoerig, want deze beeldenrijkdom  is karakteristiek voor de Indiase geestesgesteldheid. Deze legende zelf zal aan de leerlingen iets meegeven van de ‘couleur locale’ van de vroeg-Indiase cultuur en inderdaad is het paleis van Suddhodan een spiegel van de oer-Indische cultuur, die het gouden tijdperk van India was.

Tegelijkertijd komt het erop aan dat de leerling begrijpt dat de legende van Boeddha geen sprookje is, en dat de laatste resten van de oud-Indische cultuur tegenwoordig in India op een gemetamorfoseerde manier nog levend zijn. Men kan het huidige India als het archeologisch overblijfsel van een oude cultuur beschouwen die veel grootser en zuiverder was, dan hetgeen vandaag de dag uit India in het Avondland doordringt. Daarbij wordt ook duidelijk dat de oude culturen helemaal niet ‘primitief’ waren.

PERZIË
Een heel andere sfeer hangt boven de oud-Iraanse cultuur, de wereld van Zarathustra. Hierin gaat het om het werk op aarde aan te pakken, om veeteelt, om het verbouwen van graan, om huizenbouw, het aanleggen van kanalen, bevloeien van de akkers in een gebied dat veel minder uitnodigend was dan het Indiase subcontinent; het gaat om de landstreken tussen Pamir en de Kaspische Zee, iets ten zuiden van de Oxus. Deze wereld tot een weerspiegeling te maken van een goddelijke orde, dat was de wil van het oer-Perzische volk.

Allereerst moet de leerkracht zelf goed weten wat het voor de mens van die tijd betekende op een vaste plaats te blijven. Met dit sedentair worden offert men een zekere bewegingsvrijheid op: het leven dat nog geen vaste verbinding met de aarde kent. Wij kennen de gevolgen van de vaste woon- en verblijfplaats en wij kunnen ons het leven nauwelijks anders voorstellen dan dat we in huizen wonen en geregeld brood en de producten van de akkerbouw gebruiken; wij weten dat graanverbouw en ergens gevestigd zijn, mogelijk is. Dat was anders vóór de tijd van het sedentair worden; men had de voorstelling en de ervaring daarvan niet. Met het verkrijgen van een vaste woonplaats verandert ook de zielenstemming: van een consument van natuurproducten werd de mens nu een producent van voedsel, de bouwer van zijn woning, van jager werd hij tot verzorger en beschermer van de dieren.

Deze reusachtige vooruitgang wordt weerspiegeld in de sage van Zarathustra. De leerkracht is hier in de gelukkige omstandigheid dat hij gebruik kan maken van het boek van D.J. van Bemmelen ‘Zarathustra’ [5] waarin deze sage en een groot aantal teksten van Zarathustra zijn te vinden.

De vraag is hoe men dit in de 5e klas moet doen.

Mij schijnt het juist – dat net zoals de Griekse sagen en de strijd om Troje en andere – ook de sage van Zarathustra, het leven van Zarathustra in korte bewoordingen verteld wordt en dan aan de hand van de archeologische vondsten duidelijk maakt dat deze sagen op een realiteit wijzen. De leerling leert op deze manier sagen naar waarde te schatten en hij leert dat de mensen in de oude tijden, meer dan honderden jaren lang de grote gebeurtenissen in de herinnering meedroegen en dat het aan het ritme van de teksten gebonden geheugen, iets oerouds bewaart.

In vergelijking met de Indiase cultuur en de Boeddhalegende wordt het heel andere karakter van de Iraanse cultuur duidelijk: de mensen bevinden zich in een strijd tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad en in deze strijd krijgen zij langzaam voet aan de grond, akkerbouw is hun godsdienst.

Zij bevinden zich in het gevecht tegen de duivelaanbidders en kiezen voor de geest van de zon, Ahura Mazda:

‘ik veracht het een Deva-aanbidder te zijn, ik kom ervoor uit dat ik een Mazda-aanbidder ben, een aanhanger van Zarathustra  een vijand van de Deva’s (demonen), een belijder van de Heer, als iemand die de onsterfelijke heilige engelen looft, als aanbidder van de onsterfelijken. Aan de wijze Heer beloof ik al het goede, aan hem het goede, het goedgunstige, het rechtvaardige, prachtige, heerlijke, al het beste, waarvan de koe, waarvan de wet, het hemelse licht zijn! Ik kies voor de heilige deemoed. Ik zweer af diefstal en roof van vee, plundering en verwoesting van de dorpen. De bewoners gun ik vrijheid, onbezorgd wonen, de huisdieren waarmee ze op aarde wonen. Met eerbied beloof ik bij het gewijde water aan de heilige wet dit: ik wil van nu af geen plundering en verwoesting in de dorpen van de Mazda-aanbidders aanrichten, noch dat ik begeerte heb naar lijf en leven. Ik kom ervoor uit een Mazda-aanbidder te zijn, een aanhanger van Zarathustra met de gelofte en de belijdenis. Ik beloof plechtig het goede te denken, ik beloof eerlijk te spreken, ik beloof goede werken’ (Yasna 12, 1-3, 8)*

*(dit is geen officiële vertaling-die is er wel, maar t.t.v. dit schrijven beschikte ik hier niet over)

De strijd en de keuze voor het goede karakteriseert ook het leven van Zarathustra, dat vanaf het begin bedreigd wordt. Ook Zarathustra moet steeds strijd voeren tegen de vijanden om de nieuwe leefwijze, de verering van het goede zeker te stellen.

Voor de leerkracht van de 5e klas is het een lastig probleem een keuze te maken bij de behandeling van de cultuur van het Tweestromenland. Het Tweestromenland is zonder enige twijfel van grote betekenis: hier komt het tot het stichten van de eerste steden van de mensheid; hier wordt het eerste schrift ontwikkeld, hier ontstaan de culturen van Ur, Assyrië en Babylon. Het is haast niet mogelijk al deze culturen, hun opkomst en ondergang voor de 5e klasleerling te schilderen. Wat moet men kiezen? Als vertelling is het Gilgamesjepos voorhanden – maar kan men aan de hand van dit epos de cultuur van Soemerië belichten? Of moet men liever op grond van de beschijvingen van Herodotus een stad als Babylon behandelen? Moet men voor het ontstaan van het schrift het spijkerschrift als voorbeeld nemen of vindt iemand het ontstaan van de hiëroglyfen in Egypte aanschouwelijker? Het is wellicht het verstandigste dat men meteen in het begin duidelijk voor ogen heeft, wat men van de oude hoog ontwikkelde culturen in samenhang met het Tweestromenland behandelen wil en wat in samenhang met Egypte. Voor Egypte is dat natuurlijk de bouw van tempels en piramiden; de heerschappij van de farao’s, de dodencultus; voor het Tweestromenland het stichten van steden en de indeling van het werk; verder kan men aan de hand van het Gilgamesjepos de vroege stadscultuur met de tempelhandel schilderen en daarbij de geschiedenis van een mislukte inwijding. Wat het schrift betreft kan men voor de ontwikkeling daarvan en het schoolwezen bij het Tweestromenland aanknopen en voor de ontcijfering van een schrift bv. bij de hiëroglyphen.

Het begin van het Gilgamesj-epos bevat een korte beschijving van de stad Oeroek, de muren die met schitterende stenen gesierd zijn, de Istartempels. De leerkracht is in staat op grond van archeologische vondsten deze beschrijving aan te vullen, hij kan over de rechtszaal, de handwerkslieden, de woonwijken  vertellen en het stadsleven schetsen dat vanuit de tempel bestuurd wordt die ook alle handelsgoederen beheert, waarin het archief met de kleitabletten gehuisvest is en over de school die in de buurt is waar een paar kinderen  de keg in de vochtige kleitablet drukken om zo het schrijven te leren. Rondom de stad strekt zicht het vruchtbare land uit dat door kanalen bevloeid wordt. In deze omgeving verschijnt Gilgamesj over wie het epos zegt:

‘Dit is de man die alles wist, hij is de koning die de landen van de wereld kende. Hij was wijs, schouwde de geheimen en wist van verborgen dingen. Hij verhaalde over de tijd van voor de grote stormvloed- de muren van Oeroek bouwde hij, de verdedigingswal en de tempel’.

Zo kan in de beginsituatie van het epos de schildering van de stad en het stadsleven met elkaar verweven worden. De leerkracht die dan nog een grotere stad op het hoogtepunt van de cultuur behandelen wil, heeft daarvoor twee uitstekende mogelijkheden: de beschrijving van Assyrië die Walter Andrae [6] gegeven heeft en die veel op gang kan brengen en de beschrijving van Herodotus [7] van Babylon in het eerste boek van zijn ‘geschiedenissen’. – mij lijkt het moeilijk om dieper op de religie en de cultuur van Soemerië of Babylon in te gaan, maar men kan erop wijzen dat hier de waarneming van de hemel bijzondere aandacht kreeg, dat de indeling in dierenriemtekens van Babylonische oorsprong is, zon, maan en planeten beschouwd werden als verschijningsvormen van goden: de zon=schamasch, de maan=Sin, Mercurius=Nabu, Venus=Ischtar, Mars=Nergal, Jupiter=Marduk, Saturnus=Ninurta. Voor de Babyloniër was echter heel het universum een geestelijke staat, een wereld van goden die op veel gebieden werkzaam waren: Anu was de hemel die zich over allen uitspande, Enlil de ‘heer van de storm’, Enki die van de aarde; de aarde die in een andere gestalte ook Nin-tu is, de godin die baart. Het geestelijk-goddelijke werd op deze manier in het veelvuldige  inwerkend en zich manifesterend beleefd – . Het makkelijkst kan deze beleving van de kosmos in samenhang met het Gilgamesj-epos aan de leerlingen duidelijk gemaakt worden.

EGYPTE
De cultuur van Egypte is hier te lande, oppervlakkig gezien, op z’n minst veel bekender dan  die van het Tweestromenland. Uiterlijk bezien heeft men dat aan het feit te danken dat de Egyptische cultuur veel beter bewaard gebleven is dan die van bv. Oeroek of Assyrië. Enerzijds komt dat doordat er veel meer met steen –en niet met leem-gebouwd werd, anderzijds zorgde het droge woestijnzand voor een veel betere conservering van de vele voorwerpen. Toch moet men, wanneer men bv. een piramide bekijkt, voor ogen houden dat alles wat we zien, alleen maar de puinhopen zijn van een prachtige cultuur. Voor het onderwijs is het alleerst belangrijk dat men niet begint met het kijken naar die puinhopen. Voor de leerkracht hier met zijn uiteenzetting begint, heeft hij de mogelijkheid deze wereld in zijn fantasie opnieuw te scheppen. Men verkeert in de gelukkige omstandigheid dat men de eerste stenen bouw in Egypte precies kan reconstrueren en de betekenis ervan bepalen. Hier gaat het om het piramidencomplex van koning Djoser bij Sakkara. Het complex, in steen rondom de piramide opgetrokken, is een kopie van het koninklijke gebied van Memphis. Tot aan de trappiramide, die het centrum van het complex vormt, is het gebied van Sakkara  uit onvergankelijke steen een kopie van de koningsresidentie in Memphis die uit leemtegels, uit hout en vlechtwerk opgetrokken is. Op een andere, maar wel vergelijkbare manier laten de rijke grafbijzettingen ons het dagelijks leven van de Egyptenaar zien.

Om duidelijker te maken wat er in de Egyptische cultuur is gepresteerd, is het zinvol om de leerlingen eerst een beeld te schetsen van het vruchtbare Nijldal met de overdadige vegetatie en de rijke dierenwereld. Midden in die wereld van menselijke nederzettingen, dorpen op heuvels aan de rand van het vruchtbare dal, enige grotere nederzettingen die door stamhoofden beheerst werden, misschien ook een vorstenzetel, maar allemaal bouwwerken uit kleitegels, hout en bossen riet. In deze wereld vormen koningen binnen een korte tijd een staat. De eerste koning die wellicht werkelijk regeert –na een reeks voorlopers-zou Djoser geweest kunnen zijn. Door hem en zijn wijze raadgever Imhotep wordt bijna zonder enige voorfase het stenen bouwwerk geconstrueerd en zo ontstaat bijna meteen met alle perfectie en op grote schaal het piramidencomplex van Sakkara. Alleen de muur al die eromheen staat is 10 meter hoog en meet 277 bij 544 meter. Binnen het complex vond men het rondom bewerkte beeld van een farao, basreliëfs, de oervorm van het Egyptische schrift. Djoser en Imhotep hebben de Egyptische staat vorm gegeven, deze eigenlijk voor het eerst georganiseerd en de Egyptische cultuur de basis gegeven die deze meer dan 2000 jaar hield. Alles bij elkaar genomen een onvoorstelbaar proces.

Ook de bouw van de grote piramide zou zo besproken kunnen worden. Alleen al het egaliseren van het rotsige grondoppervlak waar de piramiden op staan; de precieze afstemming van de zijden op elkaar is bijna onvoorstelbaar; dan nog de organisatie van de bouw van de piramide: voor de grote piramide van Gizeh werden ongeveer 2.600.000 steenblokken met een gemiddeld gewicht van ongeveer 2,5 ton aangesleept –  hoeveel mensen hebben hier meer dan 20 jaar gewerkt, hoe werden ze gevoed? Hier staat de leerkracht voor de opgave om deze verhoudingen eerst zelf zich voor te stellen, dan in de klas, zoals hij zich maar een piramide kan voorstellen met geheel gladde buitenwanden, 146 meter hoog en bij de basis 230 meter lang. Een volgende stap in de les moet samenvallen met de vorige: deze gebouwen en complexen te bekijken vanuit het oogpunt van wat de mens daar beleefde; bv. zich voor te stellen wat een Egyptenaar ervoer die door de overdekte gang vanuit het tempeldal van de grote pirimade toeliep op de dodentempel aan de voet van de piramide en dan opeens de stralende piramide voor zich zag. Met het oog op deze opgaven is het erg fijn dat er voor de leerkracht een inspirerend boek is—van de inhoud kun je zeker zijn- van Frank Teichmann: ‘De mens en zijn tempel’, band 1, Egypte.[8] Juist bij de Egyptische cultuur neigt de leek ertoe verschijnselen als o.a. de piramide uit de losse hand te duiden, zonder al teveel voorkennis.

Teichmann heeft door zijn precieze kennis van oud-Egyptische uitspraken perspectieven geopend die vaktechnisch zeker zijn en die uitleg bevatten die zo goed als mogelijk bij het denken van de Egyptenaren aansluit.

Het is niet zo zinvol de Egyptische geschiedenis: het oude rijk, de tijd van verval, het middenrijk, de invallen van de Hyksos en het nieuwe rijk afzonderljk te behandelen. Men kan zich goed tot twee elementen van het oude rijk beperken, tot het ontstaan van de cultuur en de bouw van de Cheopspiramide. Wie hier nog dieper op in wil gaan, zou bv. de tijdsbepaling, het vastzetten van het jaar,  de oogst- en zaaikalender aan de hand van de overstromingen van de Nijl enz. kunnen nemen.

De behandeling van een gestalte als Echnaton past beter in de 9e klas, omdat de voor ons zichtbare prestaties van deze farao op het terrein van de beeldende kunst liggen. Zou men nog op Toetanchamon komen, dan moet men niet vergeten erop te wijzen dat men hier met een heel onbelangrijke farao te maken heeft en dat zijn graf het kleinste was in de reeks graven in het dal van de koningen.

GRIEKENLAND
Bij de overgang naar de Griekse cultuur moet een heel andere stemming in de klas komen. Het grootse van de Egyptische prestaties, de strengheid van de godsdienst van Zarathustra, het zich afkeren van de wereld bij de Indiër hebben nog iets wat eerbied oproept, ja bijna iets beklemmends-ook de leerkracht die deze culturen behandelt zal steeds merken dat hij de grens bereikt waarbij nog iets te begrijpen valt; het verhevene heeft de overhand. Bij de Grieken echter beginnen wij het te begrijpen. Iets van de overgang die hier nodig is, wordt door een mededeling van Plato gegeven, die in zijn dialoog ‘Timaios’ Kritias laat verhalen over een reis van Solon naar Egypte. Een hoogbejaarde Egyptische priester zei tot Solon toen die de stad Sais bezocht: ‘Solon, ach Solon! Jullie Hellenen blijven toch kinderen, geen Helleen wordt grijsaard!’- ‘Hoezo? Wat bedoel je?’ zou Solon gevraagd hebben. “Jullie zijn allemaal jong van ziel, want jullie bezitten geen oude, op de oudste berichten stoelende overtuiging, noch een door de tijd oud geworden weten….Wat bij jullie en in andere streken waarvan wij hoorden is bereikt, is hier al van oudsher in de tempels opgetekend en bewaard.’
Met deze woorden leidt de oude Egyptische priester zijn mededeling over het verzonken werelddeel Atlantis in. Door dit bericht wordt duidelijk dat in Egypte nog wijsheid heerste die boven het individu uitsteeg, in een bovenindividueel geheugen voortleefde. Uit deze bovenindividuele wijsheid hebben cultuurscheppers als Imhotep en Djoser kunnen handelen en een cultuur kunnen stichten.

In Griekenland staat de cultuur in het teken van ontwikkeling en van het denken. Terwijl in Egypte het hoogtepunt aan het begin van de cultuur, dus tussen de jaren 2700 en 2400 v. Chr. ligt, ontwikkelt de Griekse cultuur zich vanuit een eenvoudig begin naar het hoogtepunt in de 5e en 4e eeuw voor Chr. Voor de 5e klas is het nu belangrijk, door zoveel mogelijk levensechte gestalten een beeld van deze ontwikkeling te krijgen. De leerkracht heeft eerst de mogelijkheid nog aan de hand van een rij sagen de helden van de voorafgaande tijd te schilderen: Perseus, Theseus en Herakles komen hier in aanmerking. In deze sagen zitten zoveel oerbeelden van ons huidige denken, dat men nauwelijks zonder kan; weliswaar blijft de vraag staan of men deze oersagen van de Europese cultuur in de geschiedenisperiode moet vertellen  of dat men dit doet bij andere gelegenheden. De eigenlijke geschiedenis kan men beginnen met de Trojaanse oorlog. In aansluiting daarop bestaat de mogelijkheid het levensverhaal en de onderzoekingen van Heinrich Schliemann [9]te brengen, opdat de leerling op een aanschouwelijke manier ervaart hoe voor onze tijd deze sage bewaarheid is. Van beslissende betekenis is het  dan de sage van Odysseus te vertellen, omdat in deze gestalte de intellectuele kracht die later doordringt in de Griekse cultuur, hier zichtbaar wordt. De Odyssee bericht ook met grote nauwkeurigheid over het leven van de Grieken in de tijd van Homerus, zoals wanneer de aankomst van Odysseus bij de Faiaken beschreven wordt. Men kan hier daarnaast het leven en de sociale orde van de vroege Grieken behandelen. Een tweede stap in de behandeling is Sparta. Men moet  ervan afzien, los van het overige over de Dorische volksverhuizing te spreken, maar bv. bij de verovering van Laconië door de Spartanen kan men deze noemen. In het middelpunt van het thema Sparta moet Lycurgus staan. Bij de leerlingen moet nu voelbaar worden dat de wetten van Lycurgus uit de menselijke geest voorkomen, dat al zijn maatregelen in hoge mate onnatuurlijk zijn en het doel hebben de natuurlijke loop van de dingen tegen te gaan, men denkt hierbij aan het ijzergeld of aan de Spartaanse opvoeding. Een derde motief kunnen de Olympische Spelen zijn, deze zijn een model voor de vele andere spelen die de Grieken om de goden te vereren, organiseerden.
Met Solon begint dan de geschiedenis van Athene. Hier heeft men een soortelijk proces als bij Lycurgus. Iemand maakt wetten voor het geheel. Omdat het nauwelijks zin heeft heel de ontwikkeling van de Attische democratie van Solon via Kleisthenes tot in het tijdperk van Perikles in detail te behandelen, moet men op de gestalte van Solon, zijn rol als bemiddelaar, op zijn afzonderlijke maatregelen, voor zoverre de leerling die kan begrijpen, de grootste nadruk leggen en de mentaliteit karakteriseren die in het feit gedocumenteerd wordt, dat Solon nadat hij het werk aan de wetgeving heeft beëindigd de  Atherners  als verklaring geeft: ‘Nu ga ik op reis.’ Zij moeten hem zweren zich aan zijn wetten te houden tot hij weer terugkomt. Solon ging op reis, maar hij keerde nooit weer naar Athene terug, want hij wilde dat wetten zouden heersen i.p.v. van een man.

Voor de leerling van de 5e klas is het niet nodig de gebeurtenissen die na Solon plaatsvonden: de tirannie van Peisistratos en wat dies meer zij te leren kennen. Wel echter kan men de oorlogen met de Perzen behandelen waarbij een sterke nadruk moet vallen op het culturele aspect van deze strijd tussen twee wereldopvattingen. Wanneer men de uiteenzettingen van Herodotus volgt die in boek V van zijn ‘Historiën’ beginnen, merkt men weer dat de Grieken de intelligentie als strijdmiddel of als politiek middel inzetten. De leider van de Ionische opstand, Aristagoras maakt bv. gebruik van een landkaart die in brons gegoten is, om de Grieken van het moederland over te halen de Ionische Grieken te helpen, Themistokles laat een theaterstuk ‘De val van Milete’, schrijven en opvoeren om de Atheners voor het gevaar van de Perzen te waarschuwen, net zo dwingt hij de Grieken door een list tot de slag bij Salamis enz. enz. Voor de Grieken verschijnen de Perzen als louter een massa, de koning van de Perzen als een tiran die geheel zinloos de Hellespont laat geselen, omdat de storm de brug van schepen over de zeeëngte heeft verwoest. Als centrale figuren van deze tijd kunnen Themistokles en Aristides gelden. Het tragische lot van Themistokles na de zege op de Perzen behoort onmiskenbaar tot de Griekse geschiedenis: het schervengericht, de vervolgingsjacht door Griekenland en de dood als tiran in het machtsbereik van de Perzenkoning.

Een heel moeilijke pedagogische opgave is Athene te schetsen in de tijd van Perikles, de dramatische gebeurtenissen makkelijk voor te stellen is er niet bij. Deze tijd is echter wel het hoogtepunt van het antieke drama, het is de tijd waarin de Akropolis opnieuw gebouwd wordt, het is de tijd van de grote beeldhouwers, het is de tijd waarin Socrates opgroeit, het is tegelijk ook de tijd van de radicale democratie waarin het Attische volk over iedere aangelegenheid op de markt overlegt.

Een mogelijkheid om deze tijd  de leerling eigen te laten maken , is tekenen en schilderen. Je zou bv. een voorstelling van de Akropolis of van het Parthenon kunnen maken; je zou kunnen proberen een Attische vaas te kopiëren of een Grieks beeld weer te geven-of een metope van het Parthenon-de strijd van de Lapithen tegen de kentauren uit te beelden of een kaart van Athene te maken met de verbindingen naar de wereld van de Middellandse Zee. Andere wegen bewandelen is ook mogelijk, je kunt proberen de bouw van het Parthenon uit de optiek van Phidias te ontwikkelen, je zou ook op de Attische opvoeding kunnen ingaan en het leven van Athene vanuit het gezichtspunt van een opgroeiende jongeling  kunnen beschrijven; je zou ook van de figuur van de uit Halikarnassus stammende Herodotus kunnen uitgaan, zijn reizen, zijn onderzoekingen, zijn nieuwsgierigheid tot thema kunnen maken en hem tenslotte naar Athene laten komen-wat in overeenstemming is met de waarheid.

Ter afsluiting van de Griekse geschiedenis is het ook aan te bevelen, met weglating van de Peloponnesische oorlog en de tijd van de hegemonie van Thebe ook met de gestalte van de Macedoniër Alexander en zijn leermeester Aristoteles verder te gaan. De figuur van Alexander belichten is eenvoudig: er zijn genoeg biografieën. Het probleem van de beschrijving bestaat uit 2 delen: ten eerste heeft men de neiging te uitvoerig op de jeugd van Alexander in te gaan en de grote Alexandertochten af te doen met een paar lijnen op de landkaart. Maar de tochten van Alexander bieden nu juist de mogelijkheid om de geschiedenis van de 5e klas terug te vervolgen en samen te vatten. Het is daarom wellicht zinvol in het bijzonder zich ook bezig te houden met Alexander in Egypte, in het tweestromenland, in Perzië en Indië. Het andere probleem is gelegen in hoe we Alexander beoordelen. Het komt erop aan hier geen valse heldenverering te houden. De moord op Philotas, Parmenion en Kleitos zijn slechte getuigen voor zijn karakter en veel onderzoekers beweren op goede gronden dat ook de moord op Philippos door Alexander in scene is gezet. Misschien kan men om dit probleem heen,  door de teleurstelling te schetsen die Aristoteles in zijn pupil had. Ook de vraag naar Alexanders rol als Griekse imperialist in Azië vormt een probleem bij de beoordeling. De leerkracht moet weten dat in de huidige wetenschappelijke literatuur deze vraagstukken controversieel behandeld worden: de een ziet in de ca 30 stedenstichtingen van Alexander alleen maar militaire bases, anderen zien in Alexander de apostel van het Griekse die aan de barbaren de Griekse cultuur wilde brengen. Hoe het ook met de motiven van Alexander geweest moge zijn, voor het openleggen van de Oriënt voor het Griekendom is hij van wereldgeschiedkundige betekenis.

[1]Christoph Lindenberg: Geschichte lehren
Menschenkunde und Erziehung 43
Verlag Freies Geistesleben, 1981. ISBN 3-7725-0243-1
[2]R.Steiner: GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen, 1969
[3] Vertaling: Praktijk van het lesgeven
Uitg.Vrij Geestesleven**1989 ISBN 90-6038-187-4
**nu: uitg.Christofoor

*om het zoeken iets makkelijker te maken heb ik de ‘kopjes’ aangebracht

LITERATUUR
kleur= Nederlandse vertaling

[4] Hermann Beckh: Buddha und seine Lehre. 5. Auflage, Stuttgart 1980
[5] D. J. van Bemmelen: Zarathustra, Stuttgart 1975
Jonathan N. Leonard: Die ersten Ackerbauern. Time-Life-Buch, Reinbek 1977
Helmut von Glasenapp: Die nichtchristlichen Religionen. Fischer-Lexikon 1, Frankfurt 1957
Wilson Frankfort Jacobsen: Frühlicht des Geistes. Stuttgart 1954
Hartmut Schmökel: Ur, Assur und Babylon. Stuttgart o. J.
Samuel Noah Kramer: Mesopotamien. Time-Life-Buch, Reinbek 1971
[6] Walter Andrae: Das wiedererstandene Assur. 2. Auflage, München 1977
Das Gilgamesch Epos: Verschiedene Ausgaben, die billige Reclam-Ausgabe ist nicht leicht lesbar.
John A. Wilson: Ägypten. In: Propyläen Weltgeschichte Band 1, verschiedene Auflagen
[8] Frank Teichmann: Der Mensch und sein Tempel. Bd. 1 Ägypten, Stuttgart 1978 Jean-Philippe Lauer: Saqqara. Bergisch Gladbach 1977 H. D. F. Kitto: Die Griechen
[7] Herodot: Historien. Verschiedene Ausgaben, billig bei Reclam, neu und gut
übersetzt bei Artemis
Plutarch: Große Griechen und Römer. Band 1-6, leicht und gut erreichbar in dtv
Zur Archäologie:
[9] Heinrich Schliemann: Selbstbiographie
C. W. Ceram: Götter, Gräber und Gelehrte. Hamburg 1949

 

5e klas geschiedenis: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis

 

68-66

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.