Tagarchief: Arkwright

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hargreaves en Arkwright

Hargreaves en Arkwright

Uitvinders van spinmachines

De eerste kleren werden gemaakt van ruige vachten van wilde die­ren, die de mensen met pezen aan elkaar naaiden. Taaie klimplan­ten draaiden ze tot stevige touwen en van riet werden matten ge­vlochten. Van de wespen leerden zij uit houtvezels een soort pap­achtig product maken, dat voor kleding bruikbaar was, op de Zuidzee-eilanden dragen de inboorlingen op dit ogenblik* nog dergelijke boomschorskleding, die ze fabriceren door het binnenste deel van de bast van bepaalde bomen te pletten in lange repen, die ze nat maken en aan elkaar stampen tot grotere lappen.
Er zijn vogels, die hun nesten onderaan de takken van bomen weven, spinnen weven meetkundige figuren in hun webben, rupsen maken zijdecocons en zijdewormen weven draden, die beter zijn dan die de mensen maken.
In oude tijden zetten de mensen twee stokken in de grond en span­den daartussen horizontale touwen bij wijze van schering of ketting; dan trokken ze daar verticale strengen doorheen: de inslag. Maar het was niet gemakkelijk de inslagdraden door de ketting heen te halen en toen kwam iemand op de gedachte een puntige spoel te ma­ken, die men veel sneller door de ketting heen kon halen. Dit primi­tieve weven had dus grote overeenkomst met het primitieve mattenvlechten.
Later vond iemand de schachten uit, die om de beurt op en neer gingen, waardoor de spoel (of het schuitje) zonder ophou­den heen en weer kon gaan en het tijdrovende doorsteken dus over­bodig werd.
Zo werden de weefgetouwen in de loop der jaren op allerlei manieren verbeterd. Doch tot op het midden der achttiende eeuw verschilden de spin- en weefmethoden nog niet veel van de primitieve spinnewielen en weefgetouwen. Toen ontstond er plotse­ling een geweldige ommekeer, die aanleiding gaf tot de industriali­satie van het spinnen en weven.

Een van de mannen, die veel bijdroeg tot de ontwikkeling van de spinnerij, was James Hargreaves, de uitvinder van de spinmachine (die hij naar zijn vrouw Jenny de spinning jenny noemde). Hij maakte die machine eigenlijk alleen maar voor zijn vrouw en hij maakte zo weinig ophef van zijn uitvinding, dat er bijna niets van hem bekend is geworden, zodat men zelfs niet eens precies weet, waar en wanneer hij geboren is. Wel weet men, dat hij in zeer ar­moedige omstandigheden leefde en niet schrijven en lezen kon, om­dat zijn ouders te arm waren om schoolgeld te betalen. Hij bracht zijn jeugd niet door met spelen en leren, maar met hard werken aan het weefgetouw.
Thuis had hij allerlei gereedschappen en instrumenten en hield zich daar bezig met het uitdenken van nieuwigheden. Zo maakte hij op een goeie dag een stel wolkammen met ijzeren punten die zo opge­hangen werden, dat de mogelijkheid ontstond om veel sneller wol of katoen te kaarden dan voorheen. In 1762 kwam dit een van zijn buren, Robert Peel, een rijk katoenspinner, ter ore en hij zei tot hem: ‘Zou je daar geen machine van kunnen maken, zodat een man er aan kan draaien en op die manier de katoen kaarden?’ Hargreaves zette zich aan het werk en kort daarna had hij een stel wolkammen in de vorm van een cilinder geconstrueerd met tanden van ijzerdraad, waardoor niet alleen de vezels in één richting kwa­men te liggen, maar waardoor tevens de resten van bladen, zaden en ander vuil werden verwijderd. Toen vroeg Hargreaves zich af, of hij er niet iets op zou kunnen bedenken, om het spinnen voor zijn vrouw Jenny gemakkelijker te maken.
Een poosje daarna zag hij een spinnewiel, dat omgevallen was en dat bleef doordraaien. Hé! dacht hij, de spoel staat overeind en werkt net zo goed als toen hij horizontaal stond. Dit stemde hem tot nadenken, vier jaar lang werkte hij in zijn vrije tijd tot hij een spinmachine in elkaar had gezet met een aantal spoelen, die rechtop naast elkaar stonden, en die in beweging werden gebracht door een wiel, zodat hij in plaats van één draad, er acht tegelijk kon spinnen en verbeterde daarna de machine tot hij dertig draden tegelijk kon spinnen. Hij was ervan overtuigd, dat men hem nu van alle kanten zou loven en prijzen om het feit, dat hij de spinners daardoor in staat stelde meer te spinnen.
Tot zijn grote verbazing waren zijn kameraden, de spinners en we­vers in de buurt, helemaal niet over zijn uitvinding te spreken. ‘Een mooie poets heb je ons daar gebakken,’ zeiden ze tegen hem, ‘je hebt een machine gemaakt, die sneller dan wij kan spinnen. Be­grijp je niet, waar dat op neer komt? Je neemt ons het werk uit han­den en waar moeten we dan van leven? Is dat je bedoeling? Dacht je ons zo te helpen?’ De belhamels staken de koppen bij elkaar en drongen onder luid geschreeuw zijn hut binnen. ‘Waar is die ma­chine van jou? We zullen je wel mores leren!’ Ze sloegen alles kort en klein en Hargreaves was blij, dat hij er levend afkwam.

De schrik zat hem zo in zijn benen, dat hij het beter vond met pak en zak te verhuizen naar Nottingham, een centrum van spinnerij en weverij. Daar nam hij zoveel geld op als hij kon en maakte toen een aantal jenny’s, waarmee hij een spinnerij oprichtte. Zo nu en dan maakte hij een jenny voor anderen om aan contanten te komen en zo zijn bedrijf gaande te kunnen houden. Deze jenny’s waren uitstekend geschikt voor de fabricage van de zachte inslagdraden, maar niet voor de harde, stugge kettingdraden.
Het geld, dat hij met de verkoop verdiende, gebruikte hij om rechts­kundig advies in te winnen en vroeg toen patent aan op zijn uitvin­ding. Zijn verzoek werd geweigerd op grond van het feit, dat hij reeds een aantal ongepatenteerde machines had verkocht, en daar­door deze machines tot een gewoon verbruiksartikel had gemaakt, dat iedereen, die er zin in had, nu ook zelf kon namaken. Hargreaves trok het zich erg aan en bracht de rest van zijn leven in eenzaamheid in zijn hut door met het spinnen van katoen; hij stierf in 1778 onbekend en onbemind.

Van 1750 tot 1767 had Richard Arkwright een barbierswinkel in Bolton, Lancashire, en onder het scheren en knippen hield hij geani­meerde discussies met zijn klanten over hun zaken. Hij was geboren in 1732, in Preston, Lancashire, als het jongste kind van een dood­arm gezin, bestaande uit vader, moeder en dertien kinderen. Toen hij nog maar heel klein was, zei zijn vader tegen hem: ‘Je zult uit werken moeten gaan, jongen, ik moet vijftien monden openhouden.’ Zijn vader deed hem in de leer bij een barbier, waar hij eerst bood­schappen moest doen en de vloer aanvegen, maar al heel gauw het vak leerde en kon scheren, knippen en pruiken verven. Hij luisterde met beide oren naar de gesprekken van de klanten en omdat Ark­wright een goed prater en een vriendelijk jongmens was, stond hij goed bij hen aangeschreven. Hij vond een haarverfmiddeltje uit, dat hem zoveel geld opbracht, dat dit de afgunst van de andere
leerjon­gens opwekte. Op zijn achttiende jaar hoorde hij, dat er in Bolton veel weefsters woonden. Hij dacht, dat daar goede zaken gedaan konden worden door het haar van die vrouwen op te kopen en er pruiken van te maken. Hij trok dus naar Bolton en installeerde zich daar als onafhankelijk kapper en pruikenmaker en bleef er tot zijn vijfendertigste jaar.
In Bolton en omgeving verdiende iedereen zijn brood met spinnen of weven en de klanten praatten graag met de kapper, die zoveel van hun vak afwist. Eens begon een van de klanten een verhaal over een John Kay, een klokkenmaker, die op de gedachte was gekomen een spinmachine te maken. Een zekere Tom Highs had nu Kay opge­dragen zo’n machine te maken en samen hadden ze een stelletje wie­len en allerlei andere dingen in elkaar gezet en nu beweerden ze, dat ze daarmee konden spinnen. ‘En konden ze er werkelijk ook mee spinnen?’ vroeg Richard met grote belangstelling. ‘Welnee kerel, dat is juist de mop. Geen draadje konden ze ermee maken en dus hebben ze de hele boel maar op straat gegooid. Iedereen lachte ze uit en ze konden niet in de stad blijven.’ ‘Zozo!’ zei de barbier. Ongeveer dertig jaar geleden had Lewis Paul uit Birmingham
pa­tent genomen op een spinmachine, waarbij rollen paarsgewijze wer­den gebruikt, maar niemand had het patent willen kopen. Arkwright had van die machine gehoord in zijn kapperswinkel en hij had ook allerlei details opgevangen van dergelijke uitvindingen. Toen hij nu eens in een ijzergieterij zag, hoe de arbeiders een staaf witgloeiend ijzer tussen twee zware rollen door haalden, zodat de staaf lang en dun werd, vatte de gedachte bij hem post, dat hij ook van dergelijke rollen gebruik moest maken. Zo kon je een draad ook rekken en in­een draaien tot hij hard en sterk was.
Arkwright ging naar Kay, de klokkenmaker, en stelde hem voor sa­men een spinmachine met rollen te maken. Ze construeerden toen een machine met twee paar rollen; het ene paar draaide echter veel harder dan het andere paar en de draad werd zo stevig ineenge­draaid en dun en sterk en bruikbaar voor alle soorten ketting. Zo slaagde Arkwright erin – net als Hargreaves – een aantal draden tegelijk te maken, van de verlangde sterkte. De nieuwe machine was de beste, die ooit gemaakt was en de spinners en wevers uit de buurt werden uitgenodigd het wonder te komen bekijken. Het gevolg was een herhaling van wat er met Hargreaves was gebeurd, want ze gin­gen allemaal tegen Arkwright tekeer en zeiden, dat hij hun van hun broodwinning zou beroven met zijn vervloekte machine en dreig­den die stuk te slaan.
Arkwright en Kay waren zo bang voor hun bedreigingen, dat ze in allerijl naar Nottingham verhuisden, maar daar konden ze eerst nie­mand vinden, die belangstelling toonde voor hun uitvinding en er geld in wou steken. Toen kwamen ze in aanraking met een rijk fa­brikant, genaamd Strutt, uitvinder van een kousenmachine. Hij werd deelgenoot in de zaak en in 1769 namen ze patent op de uitvinding, richtten een spinnerij op, waarbij ze gebruik maakten van paardekracht. Later richtten ze in Birkacre in Lancashire een tweede spin­nerij op, maar daar verwoestte een woedende menigte de spinnerij en de machines, ook al weer omdat de arbeiders zich in hun brood­winning bedreigd zagen. Zo algemeen was in die dagen de haat tegen alles wat machine was, dat de politie rustig bleef toezien bij het ver­nielingswerk.
Nog geen twee jaar, nadat ze Strutt er als partner hadden bijgeno­men, richtten Arkwright en Kay een grote spinnerij op in Cromford en gebruikten daar water als beweegkracht. Geruime tijd daarna voerden ze in andere spinnerijen stoommachines in.
Een aantal gewetenloze concurrenten trok profijt van de uitvin­ding van Arkwright zonder er voor te betalen en toen Arkwright een gerechtelijke vervolging tegen hen liet instellen, verloor hij al zijn processen, op grond van de overweging, dat het patent, dat hij genomen had, te vaag was, en verder door het getuigenis van Tho­mas Highs, dat hij de uitvinder van de methode van spinnen met be­hulp van rollen was. Ten slotte verklaarde John Kay nog, dat hij het toestel gemaakt had, al was hij er dan ook voor betaald door Ark­wright.
Arkwright liet zich echter door al die tegenslagen niet in het minst ontmoedigen en begon van voren af aan. Hij vestigde fabrieken te Lancashire, Derbyshire en in Schotland en verzamelde een groot fortuin. In de loop der jaren namen zijn aspiraties steeds groter vlucht, zodat hij zelfs het plan opvatte de katoenmarkt van de hele wereld in handen te krijgen en zoveel geld te verdienen, dat hij daarmee de nationale schuld van Engeland kon betalen. Hij bracht voortdurend verbeteringen aan in het kaarden en spinnen en in het beheer van zijn fabrieken. Zijn vrouw werd echter op den duur af­gunstig op de zorg en de aandacht, die hij aan zijn fabrieken be­steedde en voelde zich verwaarloosd; op een goede dag vernielde zij toen een paar modellen, die hij pas had gemaakt. Arkwright, voor de keus gesteld zijn vrouw of zijn werk op te geven, liet zich schei­den. Hij verdiende steeds meer geld en bezat langzamerhand ruim zesmiljoen gulden, reisde in vliegende vaart met een vierspan het land door, liet een kasteel bouwen, werd opperbaljuw van het graaf­schap Derbyshire en bekleedde nog een aantal andere belangrijke functies.

Ondanks dit alles, hinderde zijn gebrekkige opvoeding hem en toen hij al ver in de vijftig was en eindelijk over wat vrije tijd beschikte, nam hij een kloek besluit en besteedde iedere dag een uur aan de studie van de grammatica en een uur aan het maken van opstellen. Tot het eind van zijn dagen stond hij om vijf uur op en werkte zes­tien uur per dag. Arkwright stierf op zijn zestigste jaar in Cromford.

*onbekend wanneer dit is geschreven

Meer: geschiedenis klas 8

Alle biografieën

829
Advertenties

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 8e klas (3)

.

Hier volgen een aantal belangrijke personen en hun uitvindingen die behoren bij de industriële revolutie:

Thomas Newcomen; James Hargreaves; James Watt;

Thomas Newcomen (1663-1729)

Newcomen maakte de eerste praktisch bruikbare stoommachine door het toepassen van condensa­tie in de cilinder, waardoor de druk van de
buiten­lucht de zuiger terugdreef. Newcomen kan be­schouwd worden als de voorloper van James Watt, wiens stoommachine pas werkelijk stoom tot een algemeen gebruikte krachtbron maakte.

Van Thomas Newcomens jeugd weten we niet veel meer dan dat hij in 1663 in Dartmouth, in Enge­land, geboren werd. Later dreef hij in Dartmouth een handel in ijzerwaren. Hij wist van de hoge kosten die de paarden in de tinmijnen in Cornwall met zich meebrachten. De paarden werden daar gebruikt om de pompen in werking te houden, die de mijnschachten voor onderstroming behoed­den. Newcomen besloot te proberen een
stoom­machine te bouwen, die dat werk kon doen. Het gebruik van stoom als drijfkracht werd al in de 1e eeuw na Chr. beschreven door de Griekse geleerde Heron van Alexandrië, die een eenvoudi­ge stoomturbine bouwde. Die bestond uit een bol die stond opgesteld op een as boven een stoomke­tel en die snel ronddraaide wanneer er stoom gedreven werd uit twee gekromde straalpijpjes. Nadien had niemand veel succes bij pogingen om stoomkracht te beteugelen, tot 1698. Toen kreeg de Engelse genie-officier Thomas Savery patent op zijn pomp, waarmee hij water kon omhoogwerken ‘door middel van de stuwende kracht van vuur’. Savery had daarbij gesteund op het onderzoek van de Franse natuurkundige Denis Papin, de eerste die had ingezien dat het mogelijk moest zijn om water omhoog te werken door in een afgesloten ruimte stoom te laten condenseren boven een zuigpijp. Savery zag de mogelijkheden die het door Papin ontwikkelde principe bood voor het oppompen van water uit kolenmijnen. De pompmachine van Savery bestond uit een stoomketel die verbonden was met twee vaten en met een stelsel van met de hand bediende kleppen. Er kon water mee opgepompt worden, maar tekortkomingen beperkten de bruikbaarheid ervan. Een van de gebreken was, dat het water niet meer dan zes meter omhooggewerkt kon worden.
Newcomen maakte, net als Savery, gebruik van de ideeën van Papin, vooral van de gedachte dat een zuiger die door de spanning van een hoeveelheid stoom werd opgesloten in een cilinder, in beweging werd gezet. Het kostte Newcomer meer dan tien jaar om de eerste praktisch bruikbare stoommachine ter wereld te bouwen. De machine bleek een groot succes, niettegenstaande het nadeel dat er vrij veel warmte, en dus energie, verloren ging bij het in beweging houden van de zuiger. Boven een stoomketel was een rechtopstaande cilinder opgesteld, waarin de stoom opsteeg en mét de zuiger een stang omhoogduwde, die op zijn beurt een zwaar balansjuk in beweging bracht.
Dat hield dan de pomp draaiende. Dan werd er wat water in de cilinder gespoten. Door de afkoe­ling condenseerde de stoom, waardoor een
gedeel­telijk luchtledig werd geschapen. De druk van de buitenlucht duwde de zuiger weer omlaag, terwijl het opgepompte water wegvloeide. Dit betekende dat de cilinder tijdens de opgang van de zuiger verhit moest worden en tijdens de neergang van de zuiger weer afgekoeld moest worden. Bovendien verzamelden zich dikwijls lucht en andere gassen in de cilinder, waardoor de machine tot stilstand kwam. Toch werden de ma­chines van Newcomen niet alleen in Engeland, maar in heel Europa veel gebruikt voor het drooghouden van mijnen en voor het oppompen van water. Bovendien werden door het inbouwen van automatisch bediende kleppen – ook een uitvin­ding van Newcomen – de machines steeds be­trouwbaarder. De – voor zover we weten – eerste Newcomen-machine die werd gebruikt, werd in 1712 gebouwd. De laatste van zijn machines wa­ren tot kort na 1900 nog steeds in gebruik. Newcomen stierf op 5 augustus 1729 in Londen. Hij had een flinke stap gedaan in de richting van het gebruik van stoomkracht. Maar het was de vindingrijke geest van James Watt die, later in de 18e eeuw, de poorten wijd openzette voor de tal­rijke toepassingen van stoom als krachtbron. Me­de daardoor werd de industriële revolutie moge­lijk gemaakt.

jjames watt 20

 De Newcomen-machine, bestaande uit een cilinder waarin een zuiger is opgesloten, die verbonden is met de rechter­kant van het balansjuk. Aan het andere eind van het juk is een pompstang verbonden aan de zui­ger van een waterpomp. Er werd stoom tot de cilinder toegelaten. Als door het gewicht van het pompmechanisme de zuiger in de cilinder omhooggegaan was, werd de stoomtoevoer afgesloten. Dan werd er koud water in de cilinder gespoten. Daardoor condenseer­de de stoom en werd er een ge­deeltelijk luchtledig geschapen. De druk van de buitenlucht duw­de de zuiger dan omlaag, waar­door de pompzuiger omhoog­ging. Daarna werd er weer stoom in de cilinder gelaten, en herhaal­de de gang van zaken zich.

james watt 21

Een Savery-Newcomen-machine, geïnstalleerd bij Dudley Castte in 1782. Omdat hun patenten gedeeltelijk met el­kaar samenvielen, zetten de uit­vinders samen een zaak op voor het fabriceren van machines voor het gebruik in mijnen.
8e klas (1)

James Hargreaves ca. 1710-1778

James Hargreaves was een Engelse wever. Hij zet­te een van de eerste stappen naar de volledige me­chanisatie van het spinnen, door de spinmachine uit te vinden.

In Europa waren vanaf de prehistorie tot in de middeleeuwen de belangrijkste werktuigen voor het spinnen van wol tot draden, het van een tegen­wicht voorziene spinrokken en de spindel. In de middeleeuwen werd het spinnewiel ingevoerd vanuit India. Het spinnewiel bracht het
vervaardi­gen van garen een klein stapje dichterbij de me­chanisatie. Tot in de 18e eeuw – en de nadering van de industriële revolutie – werden stoffen hoofdzakelijk vervaardigd door middel van het systeem van ‘uitbesteden’. Een stoffenfabrikant verstrekte ruwe wol, ruwe katoen of vlas aan spinners en wevers. Die maakten er balen stof van, die ze aan de koopman teruggaven. Ze wer­den betaald naar stukwerktarieven. Het geheel was dus grotendeels gebaseerd op huisindustrie.

james watt 23Het spinnen van linnen door een Iers plattelandsgezin. Voor de invoering van de jenny en de mule werd al het spinnen en weven als huisindustrie bedreven.

Over Hargreaves’ tijd en plaats van geboorte en zijn eerste levensjaren is niets bekend. We weten alleen dat hij rond 1760 in het dorpje Standhill in Lancashire woonde. Hij was daar zo’n thuiswe­ver, in het bezit van eigen spinnewiel en weefge­touw. Mogelijk heeft een tijdelijke betrekking bij een katoendrukkerij zijn technische vaardigheid verhoogd. In elk geval kwam in 1764 het idee van een spinmachine bij hem op. Hargreaves kwam op de gedachte dat één enkel wiel een aantal staande spindels moest kunnen aandrijven. Hij bouwde een proefmodel met acht spindels, waarop de draden gesponnen werden van een rij van acht spinrokkens. Alle acht draden konden met de spierkracht van één man of vrouw gespon­nen worden. Een beperking lag in het feit dat het geproduceerde garen nogal grof was en niet zo sterk. Maar Hargreaves kwam met zijn uitvinding precies op het goede ogenblik, in de periode waarin het fabriekssysteem zijn intrede deed. Zijn uitvinding kwam dertig jaar na de invoering van John Kay’s schietspoel, die het weven versnelde door het mechaniseren van het heen en weer be­wegen van de spoel door de schering. Het gebruik van de schietspoel had de vraag naar geschikte ga­rens doen toenemen.

jjames watt 22De spinning jenny, een van de machines die de industriële revolutie mogelijk maakten en het huidige industriële tijdperk inluidden. De vezels liepen in de jenny via een geleidebeugel naar de spindels, waarop ze gewonden werden. Verder rekte en twijnde de jenny de vezels tot draden.

Hargreaves begon zijn machines voor algemene verkoop te bouwen. Hij verbeterde ze zodanig, dat elk ervan tot dertig spindels kon hebben. Al gauw kreeg hij het aan de stok met de thuiswe­vers, die zich in hun broodwinning en hun onaf­hankelijkheid bedreigd voelden. Een groepje van hen brak in 1786 bij hem in en vernielde al zijn machines en werktuigen. Daarop verhuisde Hargreaves naar Nottingham, waar hij een compagnonschap sloot met een zakenman. Ze bouwden een fabriekje waarin de spinmachines gebruikt werden om garens te spinnen voor de textielindustrie.

Helaas stelde Hargreaves het aanvragen van patent op zijn spinmachine nogal lang uit. Pas in 1770 kreeg hij zijn patent. Een jaar na zijn dood – in 1779 – werd Hargreaves’ spinning jenny verbeterd door Samuel Crompton. De garens die met Cromptons machi­ne (spinning mule) werden verkregen, hadden een treksterkte die vergelijkbaar was met die van met de hand gesponnen garens. Deze machine maakte ook gebruik van enkele principes van het zoge­naamde waterframe, een oorspronkelijk door wa­terkracht aangedreven spinmachine die tien jaar daarvoor door Richard Arkwright ontwikkeld was. Met Cromptons ‘spinning mule’ kon één man tot 1000 draden tegelijk spinnen. Hoewel er rond 1812 zo’n 360 fabrieken waren die Cromptons uitvinding gebruikten, trok hij er zelf weinig profijt van. Hij had slechts 60 Engelse ponden ontvangen, omdat de fabrikanten in ge­breke bleven hun beloften aan hem na te komen. Een door het parlement verstrekte subsidie van 5000 Engelse ponden maakte wel wat goed. Maar het meeste ervan stak hij in speculatieve onderne­mingen die failliet gingen.

james watt 24Samuel Cromtons spinning mule in werking. Deze machine was een verbeterde en uitgebreide versie van Hargreaves’ jenny en produceerde een fijnere en ook veel sterkere draad.

Het drietal: Hargreaves, Arkwright en Cromp­ton, met Hargreaves als eerste, maakte door vin­dingrijkheid de enorme bloei van de textielin­dustrie in Noord-Engeland in de 19e eeuw moge­lijk. Het is een deel van het proces van de industri­alisatie, dat de geschiedenis is ingegaan onder de naam ‘industriële revolutie’.

0-0-0

Richard Arkwright 1732-1792

Arkwright, de Engelse uitvinder van onder andere door waterkracht aangedreven spin- en weefmachines, is waarschijnlijk nog het belangrijkst
ge­weest doordat met deze machines een enorme in­dustrie op gang werd gebracht, die vele duizenden werk verschafte.

Arkwright

Richard Arkwrighwerd in december 1732 gebo­ren in Preston, in het graafschap Lancashire, als de jongste van een gezin met 13 kinderen. Hij be­gon zijn loopbaan als reizend barbier en pruiken­maker, waarbij hij alle uithoeken van zijn vader­land bezocht. In elk geval begon hij al in deze pe­riode met zich door zelfstudie verder ontwikke­len. Dat zou hij tot zijn dood blijven doen. De fundamenten voor de mechanisatie van het weven en spinnen waren al gelegd door John Kay met zijn schietspoel en door James Hargreaves met zijn spinning jenny, een spinmachine. Ark­wright wilde nog een stapje verder gaan door de mankracht voor de bediening van de machines te vervangen door een andere krachtbron. Met de hulp van een klokkenmaker – voor de technische moeilijkheden – ging hij aan de slag. In 1769 kreeg hij zijn eerste patent op zijn spinning frame, een spinmachine die niet met de hand bediend werd.

Arkwright 2Arkwrights spinning frame, de eerste spinmachine die door een onafhankelijke krachtbron werd aangedreven. Ten slotte besloot Arkwright dat waterkracht hiervoor het geschiktst was. Daarna werd deze spinmachine water frame genoemd. De machine vormde een van de grondslagen van de moderne textielindustrie.

Omdat er in zijn geboortestreek Lancashire grote weerstanden waren tegen de mechanisatie, die uit­liepen op rellen, richtte hij met een aantal andere zakenlieden een aantal fabrieken op in Nottingham en in Cromford. In het begin gebruikte hij paarden als krachtbron, maar in 1775 schakelde hij over op waterkracht. De machine raakte daar­om bekend onder de naam water frame. De be­langrijkste vernieuwing eraan was feitelijk het ge­bruik van cilinders voor het lostrekken van de ve­zels die naar de spindels gevoerd werden. Dit wa­ter frame was het model waarnaar alle latere spinmachines ontworpen werden. Het gebrek van Hargreaves’ spinning jenny, dat de gesponnen draad alleen als inslag gebruikt kon worden om­dat de draad te zwak was om als scheringdraad voor het weefgetouw te kunnen dienen, was er ook mee overwonnen.

Arkwright was een van de eerste industriëlen. Hij verrichtte op grote schaal pionierswerk op het ge­bied van het fabriekssysteem. Daarmee legde hij de basis voor de niet meer te stuiten opmars van de industrialisatie tegen het eind van de 18e eeuw en in het begin van de 19e eeuw. In 1773, toen grove wollen stoffen uit de mode raakten, begon Arkwright met het vervaardigen van calicot, een fijne, witte, gemakkelijk te ver­werken stof van katoen, waar onmiddellijk grote vraag naar was. Ruw katoen was inmiddels in grote hoeveelheden verkrijgbaar van de slavenplantages in West-Indië en het zuiden van Noord-Amerika. Binnen enkele jaren vormde het weven van katoen de belangrijkste industrie in het noor­den van Engeland. Rond 1840, zo’n 50 jaar na Arkwrights dood, verzorgde deze industrie 40 procent van de totale Britse export. Er is veel kritiek op Arkwright uitgeoefend omdat hij uitvindingen van anderen zou hebben overge­nomen en gebruikt. Maar het feit blijft dat hij die uitvindingen bruikbaar en winstgevend maakte en dat hij het hele systeem opbouwde waarin dat kon gebeuren. Na zijn eerste patent van 1769 ver­kreeg hij er nog meer, maar die werden voortdu­rend geschonden en aangevochten. Toen hij naar de rechtbank ging om zijn recht te halen, luidde het vonnis in zijn nadeel. In 1785 werden al zijn patenten nietig verklaard.

Hoewel Arkwright rechtstreeks verantwoordelijk was voor de vestiging van het fabriekssysteem, dat het ambacht van de thuiswevers en -spinners ondermijnde en uiteindelijk te gronde richtte, werd Arkwright algemeen erkend als een goede en loyale werkgever. Hij had eens 5000 werknemers in zijn fabrieken. Hij hield voortdurend in het oog dat deze mensen moesten worden voorzien van behoorlijke behuizing en goede
arbeids­omstandigheden. In ruil eiste hij wel de grootst mogelijke doelmatigheid en voortvarendheid. In 1785 was Arkwright de eerste die de nieuwe stoommachine van James Watt gebruikte om er de machines van een katoenfabriek mee aan te drijven. Dat gebeurde in zijn fabriek in Nottingham. In 1786 werd Arkwright in de adelstand ver­heven, en het jaar daarop werd hij benoemd tot sheriff van Derbyshire, waarin zijn woonplaats Cromford lag. Daar bouwde hij een kasteel – Willersbey Castle – als woning. Ook bekostigde hij de herbouw van de plaatselijke kerk, St. Mary’s church. Hij stierf op 3 augustus 1792 op Willersbey Castle.

Arkwright 3Boven: klos- en draadtrekmachines
Onder: het bedrukken van de stof

Katoenfabriek tijdens de industriële revolutie:

Arkwright 4Het schoonmaken van de vezels in een machine waarin rollen met draadtanden ronddraaien. Dit heet het kaarden.

James Watt 1736-1819

De Schot James Watt was de uitvinder van de moderne stoommachine. Hij veranderde en ver­beterde reeds bestaande stoommachines zodanig, dat ze echt doelmatig werden. Het is wel zeker dat de industriële revolutie pas goed kon doorzetten, toen hij met zijn werk de noodzakelijke, doeltref­fende krachtbron ter beschikking stelde.

James Watt werd op 19 januari 1736 geboren in Woodall, aan de rivier de Clyde in Schotland. Zijn vader was daar scheepsbouwer en -eigenaar. Omdat hij zwak van gezondheid was, kreeg hij zijn eerste onderricht thuis, van zijn moeder.

Wat later ging hij toch nog naar de middelbare school, waar hij vooral in de wiskunde uitblonk. Zijn eerste technische kennis vergaarde hij in de
werk­plaats van zijn vader, waar hij zelf modellen bouwde van objecten als hijskranen. In 1755 ging hij naar Londen, waar hij in de leer ging om
in­strumentmaker te worden. Twee jaar later keerde hij terug naar Schotland. Hij opende er binnen de universiteit van Glasgow een werkplaats voor het maken en repareren van instrumenten. In 1764 kreeg Watt van een klant een stoomma­chine ter reparatie in zijn werkplaats. Het was een exemplaar van de machine die in het begin van die eeuw door Newcomen uitgevonden was. Watt be­sefte dat er ontzaglijk veel energie verloren ging doordat de zuiger beurtelings verhit en afgekoeld moest worden. Hij ging zoeken naar een andere oplossing. Een jaar later had hij die gevonden. Hij liet de stoom niet meer in de cilinder zelf con­denseren, maar in een aparte condensatiekamer, die met de cilinder in verbinding stond. Watt bouwde een demonstratiemodel van zijn machine, dat hij in 1769 patenteerde als ‘een nieu­we methode om het verbruik van stoom en brandstof te verminderen in vuurmachines’. Zijn vernieuwing leverde inderdaad een brandstof­besparing op van 75 procent. Zijn machine trok de aandacht van een ingenieur en fabriekseige­naar, Matthew Boulton, in Birmingham. Hij kocht een aandeel in Watts patent om de mogelijkheden van diens machine voor zijn fabriek onderzoeken.

In 1775 aanvaardde hij een compagnonschap met Boulton, wiens fabriek in Birmingham een grote naam had om de kwaliteit van haar metalen producten, van munten en knopen tot Sheffield-tafelgerei en zilverwerk. Al gauw werd Watts stoommachine er ook vervaardigd, waarbij ook deze onderneming voorspoedig opbloeide.
Kort nadat Boulton en Watt een compagnonschap waren aangegaan, namen ze een jonge technicus in dienst, William Murdock geheten. Met Murdocks hulp verkregen ze contracten voor het plaatsen van Watts machine in de tin- en kopermijnen van Cornwall. Ze vervingen daar vele van de oude Newcomen-machines, die daar al 50 jaar dienst hadden gedaan.
Watt werkte voortdurend aan het verbeteren zijn machine. Toen Boulton voorzag dat er in de industrie behoefte zou zijn aan een ronddraaiende as in plaats van een zuigerstang die beperkt was tot een recht op- en neergaande beweging, construeerde Watt het mechanisme dat in die verandering van soort van beweging voorzag: het planeetwiel. Vervolgens ontwikkelde hij de zuig-perscilinder, waarin de stoom beurtelings aan de beide zijden van de zuiger ingelaten wordt. Daardoor werd het vermogen van zijn machine sterk vergroot.
Verder ontwikkelde hij centrifugaal-regulateur, een onderdeel dat de snelheid van de stoommachine  automatisch constant houdt door het regelen van de stoom toevoer. Verder ontwikkelde Watt ook nog een drukmeter.

Door de veelzijdige bruikbaarheid en het hoge rendement van Watts stoommachines, vonden ze een enorm aantal verschillende toepassingen toen de industrialisatie hand over hand toenam. Zo werden ze gebruikt in papierfabrieken, de meelindustrie, katoenindustrie, ijzerfabrieken en
ijzer­gieterijen, graanstokerijen en bij de aanleg van kanalen en andere waterwerken. Aan het eind van de 18e eeuw waren er bijna 500 machines
ge­bouwd.
Watt was toen een gefortuneerd man. Hij had in 11 jaar 76.000 pond aan rechten op zijn pa­tent ontvangen. De erkenning kwam ook: in 1785 werden hij en Boulton gekozen tot lid van de Royal Society.

Nadat Watt met zijn vrouw wat door Europa had gereisd, trok hij zich terug in zijn buitenhuis in Heathfield. Daar werkte hij nog jaren in een
zelf­gebouwde werkplaats op de vliering van zijn woning, waar hij ook nog zeer productief was. Hij maakte een machine waarmee borstbeelden en dergelijke beeldhouwwerken nauwkeurig geko­pieerd konden worden. Verder nog een kopieer­pers, die met behulp van een speciale inkt kopieën maakte. Hij stierf in zijn woning, op 25 augustus 1819. Hij werd begraven naast zijn compagnon, Matthew Boulton, in een kerk nabij Birmingham. In de Westminster Abbey in Londen werd een borstbeeld van hem geplaatst. De eenheid van elektrisch arbeidsvermogen, de watt, werd te zij­ner ere zo genoemd.

Hargreaves en Arkwright

geschiedenis 8e klas: alle artikelen

geschiedenis: alle artikelen

.

511-472

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.