VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hargreaves en Arkwright

Hargreaves en Arkwright

Uitvinders van spinmachines

De eerste kleren werden gemaakt van ruige vachten van wilde die­ren, die de mensen met pezen aan elkaar naaiden. Taaie klimplan­ten draaiden ze tot stevige touwen en van riet werden matten ge­vlochten. Van de wespen leerden zij uit houtvezels een soort pap­achtig product maken, dat voor kleding bruikbaar was, op de Zuidzee-eilanden dragen de inboorlingen op dit ogenblik* nog dergelijke boomschorskleding, die ze fabriceren door het binnenste deel van de bast van bepaalde bomen te pletten in lange repen, die ze nat maken en aan elkaar stampen tot grotere lappen.
Er zijn vogels, die hun nesten onderaan de takken van bomen weven, spinnen weven meetkundige figuren in hun webben, rupsen maken zijdecocons en zijdewormen weven draden, die beter zijn dan die de mensen maken.
In oude tijden zetten de mensen twee stokken in de grond en span­den daartussen horizontale touwen bij wijze van schering of ketting; dan trokken ze daar verticale strengen doorheen: de inslag. Maar het was niet gemakkelijk de inslagdraden door de ketting heen te halen en toen kwam iemand op de gedachte een puntige spoel te ma­ken, die men veel sneller door de ketting heen kon halen. Dit primi­tieve weven had dus grote overeenkomst met het primitieve mattenvlechten.
Later vond iemand de schachten uit, die om de beurt op en neer gingen, waardoor de spoel (of het schuitje) zonder ophou­den heen en weer kon gaan en het tijdrovende doorsteken dus over­bodig werd.
Zo werden de weefgetouwen in de loop der jaren op allerlei manieren verbeterd. Doch tot op het midden der achttiende eeuw verschilden de spin- en weefmethoden nog niet veel van de primitieve spinnewielen en weefgetouwen. Toen ontstond er plotse­ling een geweldige ommekeer, die aanleiding gaf tot de industriali­satie van het spinnen en weven.

Een van de mannen, die veel bijdroeg tot de ontwikkeling van de spinnerij, was James Hargreaves, de uitvinder van de spinmachine (die hij naar zijn vrouw Jenny de spinning jenny noemde). Hij maakte die machine eigenlijk alleen maar voor zijn vrouw en hij maakte zo weinig ophef van zijn uitvinding, dat er bijna niets van hem bekend is geworden, zodat men zelfs niet eens precies weet, waar en wanneer hij geboren is. Wel weet men, dat hij in zeer ar­moedige omstandigheden leefde en niet schrijven en lezen kon, om­dat zijn ouders te arm waren om schoolgeld te betalen. Hij bracht zijn jeugd niet door met spelen en leren, maar met hard werken aan het weefgetouw.
Thuis had hij allerlei gereedschappen en instrumenten en hield zich daar bezig met het uitdenken van nieuwigheden. Zo maakte hij op een goeie dag een stel wolkammen met ijzeren punten die zo opge­hangen werden, dat de mogelijkheid ontstond om veel sneller wol of katoen te kaarden dan voorheen. In 1762 kwam dit een van zijn buren, Robert Peel, een rijk katoenspinner, ter ore en hij zei tot hem: ‘Zou je daar geen machine van kunnen maken, zodat een man er aan kan draaien en op die manier de katoen kaarden?’ Hargreaves zette zich aan het werk en kort daarna had hij een stel wolkammen in de vorm van een cilinder geconstrueerd met tanden van ijzerdraad, waardoor niet alleen de vezels in één richting kwa­men te liggen, maar waardoor tevens de resten van bladen, zaden en ander vuil werden verwijderd. Toen vroeg Hargreaves zich af, of hij er niet iets op zou kunnen bedenken, om het spinnen voor zijn vrouw Jenny gemakkelijker te maken.
Een poosje daarna zag hij een spinnewiel, dat omgevallen was en dat bleef doordraaien. Hé! dacht hij, de spoel staat overeind en werkt net zo goed als toen hij horizontaal stond. Dit stemde hem tot nadenken, vier jaar lang werkte hij in zijn vrije tijd tot hij een spinmachine in elkaar had gezet met een aantal spoelen, die rechtop naast elkaar stonden, en die in beweging werden gebracht door een wiel, zodat hij in plaats van één draad, er acht tegelijk kon spinnen en verbeterde daarna de machine tot hij dertig draden tegelijk kon spinnen. Hij was ervan overtuigd, dat men hem nu van alle kanten zou loven en prijzen om het feit, dat hij de spinners daardoor in staat stelde meer te spinnen.
Tot zijn grote verbazing waren zijn kameraden, de spinners en we­vers in de buurt, helemaal niet over zijn uitvinding te spreken. ‘Een mooie poets heb je ons daar gebakken,’ zeiden ze tegen hem, ‘je hebt een machine gemaakt, die sneller dan wij kan spinnen. Be­grijp je niet, waar dat op neer komt? Je neemt ons het werk uit han­den en waar moeten we dan van leven? Is dat je bedoeling? Dacht je ons zo te helpen?’ De belhamels staken de koppen bij elkaar en drongen onder luid geschreeuw zijn hut binnen. ‘Waar is die ma­chine van jou? We zullen je wel mores leren!’ Ze sloegen alles kort en klein en Hargreaves was blij, dat hij er levend afkwam.

De schrik zat hem zo in zijn benen, dat hij het beter vond met pak en zak te verhuizen naar Nottingham, een centrum van spinnerij en weverij. Daar nam hij zoveel geld op als hij kon en maakte toen een aantal jenny’s, waarmee hij een spinnerij oprichtte. Zo nu en dan maakte hij een jenny voor anderen om aan contanten te komen en zo zijn bedrijf gaande te kunnen houden. Deze jenny’s waren uitstekend geschikt voor de fabricage van de zachte inslagdraden, maar niet voor de harde, stugge kettingdraden.
Het geld, dat hij met de verkoop verdiende, gebruikte hij om rechts­kundig advies in te winnen en vroeg toen patent aan op zijn uitvin­ding. Zijn verzoek werd geweigerd op grond van het feit, dat hij reeds een aantal ongepatenteerde machines had verkocht, en daar­door deze machines tot een gewoon verbruiksartikel had gemaakt, dat iedereen, die er zin in had, nu ook zelf kon namaken. Hargreaves trok het zich erg aan en bracht de rest van zijn leven in eenzaamheid in zijn hut door met het spinnen van katoen; hij stierf in 1778 onbekend en onbemind.

Van 1750 tot 1767 had Richard Arkwright een barbierswinkel in Bolton, Lancashire, en onder het scheren en knippen hield hij geani­meerde discussies met zijn klanten over hun zaken. Hij was geboren in 1732, in Preston, Lancashire, als het jongste kind van een dood­arm gezin, bestaande uit vader, moeder en dertien kinderen. Toen hij nog maar heel klein was, zei zijn vader tegen hem: ‘Je zult uit werken moeten gaan, jongen, ik moet vijftien monden openhouden.’ Zijn vader deed hem in de leer bij een barbier, waar hij eerst bood­schappen moest doen en de vloer aanvegen, maar al heel gauw het vak leerde en kon scheren, knippen en pruiken verven. Hij luisterde met beide oren naar de gesprekken van de klanten en omdat Ark­wright een goed prater en een vriendelijk jongmens was, stond hij goed bij hen aangeschreven. Hij vond een haarverfmiddeltje uit, dat hem zoveel geld opbracht, dat dit de afgunst van de andere
leerjon­gens opwekte. Op zijn achttiende jaar hoorde hij, dat er in Bolton veel weefsters woonden. Hij dacht, dat daar goede zaken gedaan konden worden door het haar van die vrouwen op te kopen en er pruiken van te maken. Hij trok dus naar Bolton en installeerde zich daar als onafhankelijk kapper en pruikenmaker en bleef er tot zijn vijfendertigste jaar.
In Bolton en omgeving verdiende iedereen zijn brood met spinnen of weven en de klanten praatten graag met de kapper, die zoveel van hun vak afwist. Eens begon een van de klanten een verhaal over een John Kay, een klokkenmaker, die op de gedachte was gekomen een spinmachine te maken. Een zekere Tom Highs had nu Kay opge­dragen zo’n machine te maken en samen hadden ze een stelletje wie­len en allerlei andere dingen in elkaar gezet en nu beweerden ze, dat ze daarmee konden spinnen. ‘En konden ze er werkelijk ook mee spinnen?’ vroeg Richard met grote belangstelling. ‘Welnee kerel, dat is juist de mop. Geen draadje konden ze ermee maken en dus hebben ze de hele boel maar op straat gegooid. Iedereen lachte ze uit en ze konden niet in de stad blijven.’ ‘Zozo!’ zei de barbier. Ongeveer dertig jaar geleden had Lewis Paul uit Birmingham
pa­tent genomen op een spinmachine, waarbij rollen paarsgewijze wer­den gebruikt, maar niemand had het patent willen kopen. Arkwright had van die machine gehoord in zijn kapperswinkel en hij had ook allerlei details opgevangen van dergelijke uitvindingen. Toen hij nu eens in een ijzergieterij zag, hoe de arbeiders een staaf witgloeiend ijzer tussen twee zware rollen door haalden, zodat de staaf lang en dun werd, vatte de gedachte bij hem post, dat hij ook van dergelijke rollen gebruik moest maken. Zo kon je een draad ook rekken en in­een draaien tot hij hard en sterk was.
Arkwright ging naar Kay, de klokkenmaker, en stelde hem voor sa­men een spinmachine met rollen te maken. Ze construeerden toen een machine met twee paar rollen; het ene paar draaide echter veel harder dan het andere paar en de draad werd zo stevig ineenge­draaid en dun en sterk en bruikbaar voor alle soorten ketting. Zo slaagde Arkwright erin – net als Hargreaves – een aantal draden tegelijk te maken, van de verlangde sterkte. De nieuwe machine was de beste, die ooit gemaakt was en de spinners en wevers uit de buurt werden uitgenodigd het wonder te komen bekijken. Het gevolg was een herhaling van wat er met Hargreaves was gebeurd, want ze gin­gen allemaal tegen Arkwright tekeer en zeiden, dat hij hun van hun broodwinning zou beroven met zijn vervloekte machine en dreig­den die stuk te slaan.
Arkwright en Kay waren zo bang voor hun bedreigingen, dat ze in allerijl naar Nottingham verhuisden, maar daar konden ze eerst nie­mand vinden, die belangstelling toonde voor hun uitvinding en er geld in wou steken. Toen kwamen ze in aanraking met een rijk fa­brikant, genaamd Strutt, uitvinder van een kousenmachine. Hij werd deelgenoot in de zaak en in 1769 namen ze patent op de uitvinding, richtten een spinnerij op, waarbij ze gebruik maakten van paardekracht. Later richtten ze in Birkacre in Lancashire een tweede spin­nerij op, maar daar verwoestte een woedende menigte de spinnerij en de machines, ook al weer omdat de arbeiders zich in hun brood­winning bedreigd zagen. Zo algemeen was in die dagen de haat tegen alles wat machine was, dat de politie rustig bleef toezien bij het ver­nielingswerk.
Nog geen twee jaar, nadat ze Strutt er als partner hadden bijgeno­men, richtten Arkwright en Kay een grote spinnerij op in Cromford en gebruikten daar water als beweegkracht. Geruime tijd daarna voerden ze in andere spinnerijen stoommachines in.
Een aantal gewetenloze concurrenten trok profijt van de uitvin­ding van Arkwright zonder er voor te betalen en toen Arkwright een gerechtelijke vervolging tegen hen liet instellen, verloor hij al zijn processen, op grond van de overweging, dat het patent, dat hij genomen had, te vaag was, en verder door het getuigenis van Tho­mas Highs, dat hij de uitvinder van de methode van spinnen met be­hulp van rollen was. Ten slotte verklaarde John Kay nog, dat hij het toestel gemaakt had, al was hij er dan ook voor betaald door Ark­wright.
Arkwright liet zich echter door al die tegenslagen niet in het minst ontmoedigen en begon van voren af aan. Hij vestigde fabrieken te Lancashire, Derbyshire en in Schotland en verzamelde een groot fortuin. In de loop der jaren namen zijn aspiraties steeds groter vlucht, zodat hij zelfs het plan opvatte de katoenmarkt van de hele wereld in handen te krijgen en zoveel geld te verdienen, dat hij daarmee de nationale schuld van Engeland kon betalen. Hij bracht voortdurend verbeteringen aan in het kaarden en spinnen en in het beheer van zijn fabrieken. Zijn vrouw werd echter op den duur af­gunstig op de zorg en de aandacht, die hij aan zijn fabrieken be­steedde en voelde zich verwaarloosd; op een goede dag vernielde zij toen een paar modellen, die hij pas had gemaakt. Arkwright, voor de keus gesteld zijn vrouw of zijn werk op te geven, liet zich schei­den. Hij verdiende steeds meer geld en bezat langzamerhand ruim zesmiljoen gulden, reisde in vliegende vaart met een vierspan het land door, liet een kasteel bouwen, werd opperbaljuw van het graaf­schap Derbyshire en bekleedde nog een aantal andere belangrijke functies.

Ondanks dit alles, hinderde zijn gebrekkige opvoeding hem en toen hij al ver in de vijftig was en eindelijk over wat vrije tijd beschikte, nam hij een kloek besluit en besteedde iedere dag een uur aan de studie van de grammatica en een uur aan het maken van opstellen. Tot het eind van zijn dagen stond hij om vijf uur op en werkte zes­tien uur per dag. Arkwright stierf op zijn zestigste jaar in Cromford.

*onbekend wanneer dit is geschreven

Meer: geschiedenis klas 8

Alle biografieën

829
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.