VRIJESCHOOL Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1] [2] [3] [5] [6] [7]  [8]  [9]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording bij de 3e voordracht.

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOPHISCHER
GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Voordracht 4, Aarau 11 november 1921

Blz. 92

DIE PÄDAGOGISCHE GRUNDLAGE DER WALDORFSCHULE 

Als in Stuttgart nach dem Zusammenbruche Deutschlands eine gewisse soziale Arbeit begann, die sich die Aufgabe stellte, aus den Wirrnissen heraus Zielen entgegenzuarbeiten, die eine gewisse Hoffnung auf die Zukunft gestatteten, da entstand aus den mancherlei sozialen Erwägun­gen und Maßnahmen heraus bei einem der ältesten Freunde der anthro­posophischen Bewegung die Idee der Gründung der Waldorfschule in Stuttgart, bei unserem Freunde Herrn Emil Molt. Er hatte die Möglich­keit, sogleich nach der Entschlußfassung eine solche Schule wirklich ins Leben zu rufen, denn er stand einer industriellen Unternehmung mit einer zahlreichen Arbeiterschaft vor, und bei dem außerordentlich guten Einvernehmen zwischen der Direktion jenes Unternehmens und der Arbeiterschaft war es möglich, fast die gesamte Kinderzahl der Stuttgar­ter Waldorf-Astoria-Zigarettenfabrik in diese Schule hineinzubringen. Und so wurde denn vor jetzt mehr als zwei Jahren diese Waldorfschule gegründet, zunächst mit einer proletarischen Kinderschar.

DE PEDAGOGISCHE BASIS VAN DE VRIJESCHOOL

Toen in Stuttgart na het ineenstorten van Duitsland een bepaald soort sociaal werk werd begonnen dat zich als opdracht had gesteld naar bepaalde doelen toe te werken die een bepaalde hoop voor de toekomst zouden kunnen geven, ontstond vanuit allerlei sociale overwegingen en maatregelen bij een van de oudste vrienden van de antroposofische beweging de idee voor de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart, bij onze vriend de heer Emil Molt*. Hij had de mogelijkheid om onmiddellijk nadat het besluit was genomen zo’n school daadwerkelijk in het leven te roepen, want hij zag een industriële onderneming voor zich met talrijke werknemers; en met een buitengewoon goed wederzijds begrip tussen de directie van die onderneming en de werknemers, was het bijna mogelijk alle kinderen van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek in Stuttgart naar school te laten gaan. En zo werd dan deze vrijeschool meer dan twee jaar geleden opgericht, eerst met de kinderschare van de werknemers.

*Emil Molt, 1876-1936. Met de titel van een verdienstelijk industrieel (Kommerzienrat). Eigenaar van de Waldorf-Astoria-sigarettenfabriek in Stuttgart. In die hoedanigheid stichtte hij in 1919 vanuit de impuls van de driegeledingsbeweging de vrijeschool (Freie Waldorfschule) in Stuttgart, in eerste instantie voor de kinderen van de werknemers van zijn fabriek. Op zijn verzoek nam Rudolf Steiner de inrichting en leiding van de school op zich. 

Aber im Laufe der letzten zwei Jahre vergrößerte sich die Schule, man möchte sagen, von Monat zu Monat, und heute steht die Sache bereits so, daß wir in der Schule, deren Leitung mir anvertraut ist, nicht nur die ursprüngliche Zahl der proletarischen Kinder haben, sondern aus allen Ständen und allen Klassen Kinder zu unterrichten und zu erziehen haben. Heute betrifft allerdings die Zahl derjenigen, die von allen Seiten zugeströmt sind, schon mehr als der ursprüngliche Stamm der aus der Waldorf-Astoria-Fabrik entstammenden Proletarierkinder.
Die Waldorfschule ist damit in der Praxis als eine wirkliche Einheits­schule dastehend. Es sitzen eben in dieser Schule Kinder aller Bevölke­rungsklassen nebeneinander und können auch nach den Methoden, die dort angewendet werden, nebeneinander unterrichtet werden.
Herausgewachsen der Idee nach ist nun diese Stuttgarter Waldorf­schule aus der anthroposophischen Bewegung, aus jener Bewegung, welche heute von manchen Seiten so viel angefeindet wird, weil man sie mißversteht. Für die heutigen Zwecke will ich einleitungsweise von

Maar in de loop van deze twee jaar werd de school groter, iedere maand wel en nu staat het er inmiddels zo voor dat wij op school waarvan mij de leiding werd toevertrouwd, niet alleen het oorspronkelijke aantal van de werknemerskinderen hebben, maar wij moeten nu kinderen uit alle rangen en standen onderwijs geven en opvoeden. Nu is het getal van degenen die van alle kanten toegestroomd zijn al groter dan de oorspronkelijke groep kinderen van de werknemers van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek
In de praktijk is de vrijeschool één school. In deze school zitten kinderen uit alle bevolkingsgroepen bij elkaar en ze kunnen door de methoden die gebruikt worden, ook met elkaar les krijgen.
Wat de idee van deze vrijeschool in Stuttgart betreft, deze is ontstaan vanuit de antroposofische beweging, uit die beweging die tegenwoordig zo van alle kanten onder vuur wordt genomen, omdat men ze niet begrijpt. Voor de opzet van nu wil ik als inleiding

Blz. 93

einem einzigen Mißverständnis sprechen. Das ist dasjenige, daß man immer glaubt, wenn von Anthroposophie und anthroposophischer Gei­steswissenschaft die Rede ist und von all dem, was sich an sozialen ßewegungen daranschließt, es handle sich um irgend etwas Umstürz­lerisches oder dergleichen, während das alles nicht der Fall ist. Das hebe ich aus dem Grunde einleitungsweise hier hervor, weil es für mein päd­agogisches Thema von heute von ganz besonderer Bedeutung ist. Ge­radeso wie zum Beispiel mit Bezug auf die verschiedenen Wissen­schaften, welche aus dem modernen Geistesleben im Laufe der letzten drei bis vier Jahrhunderte herauswuchsen, anthroposophische Geistes-wissenschaft auf alle diese einzelnen Wissenschaften bis in die Me­dizin hinein befruchtend wirken will, Anregungen nach allen Seiten geben will, will sie aber durchaus nicht in irgendeinen Gegensatz zu diesen modernen Wissenschaften treten. Sie will durchaus nicht von irgendeiner Seite her einen Dilettantismus in den modernen Wissen­schaftsbetrieb hineinbringen, sondern gerade dasjenige, was aus den eigenen Voraussetzungen dieser modernen Wissenschaftlichkeit selber folgt, nur aber von dieser Wissenschaft selbst nicht angestrebt wird, das will sie, vertiefend diese Wissenschaften und erweiternd in diese Wissen­schaften hineintragen.

over een paar misvattingen spreken. Men gelooft maar steeds wanneer er over antroposofie en antroposofische geesteswetenschap gesproken wordt – en over alle sociale bewegingen die zich erbij aansluiten, dat het om iets revolutionairs o.i.d. gaat, terwijl dat helemaal niet het geval is. Ik licht dit er hier uit omdat het voor mijn pedagogisch thema voor vandaag heel erg belangrijk is. Net zoals bijv. met betrekking tot de verschillende wetenschappen die de laatste drie, vier eeuwen uit het moderne geestesleven ontstaan zijn, wil de antroposofische geesteswetenschap op deze verschillende wetenschappen tot aan de medische toe, bevruchtend werken, in elke richting stimulerend werken, wil ze juist in geen enkel opzicht helemaal niet een soort van tegenbeweging voor deze moderne wetenschappen vormen. Ze wil zeer zeker van geen enkele kant dilettantisme in de moderne wetenschappen brengen, maar wel wat uit de eigen eisen van deze moderne wetenschap voortvloeit, maar door deze wetenschap zelf niet nagestreefd wordt, aan verdieping en verruiming bijdragen.

Ebensowenig stellt sich dasjenige, was als eine pädagogische Konse­quenz sich aus anthroposophischer Geisteswissenschaft ergibt, nun in irgendeine Opposition oder in ein dilettantisches Verhältnis zu dem, was durch die Pädagogik der neueren Zeit und ihre großen Vertreter angestrebt worden ist. Gerade anthroposophische Geisteswissenschaft hat, so wie sie moderne Naturwissenschaft würdigt, auch allen Grund, in ausgiebigstem Maße anzuerkennen dasjenige, was an Ausgezeichnetem in die Welt gebracht worden ist durch die großen hervorragenden Pädagogen und pädagogischen Bestrebungen des 19. Jahrhunderts und des Beginnes des 20. Jahrhunderts. Sie will nicht in einen Gegensatz zu alledem treten, sondern sie will aus dem heraus, was sie auf anthroposo­phischem Boden erfrischen und finden kann, vertiefend und erweiternd wirken, sie will sich auch ganz auf den Boden moderner pädagogischer Denkweise stellen. Nur findet sie, daß gerade dieser modernen pädago­gischen Denkweise die Vertiefung und Erweiterung notwendig ist, von

Net zomin staat wat als een pedagogische consequentie uit de antroposofische geesteswetenschap volgt, op de een of andere manier tegenover of amateuristisch ten opzichte van wat door de pedagogiek van de moderne tijd en door de grote vertegenwoordigers daarvan wordt nagestreefd. Juist antroposofische geesteswetenschap heeft, zoals zij de moderne natuurwetenschap naar waarde weet te schatten, ook alle redenen om volledig te onderschrijven wat er aan uitstekends in de wereld is gebracht door grote begaafde pedagogen en de pedagogische bemoeienissen van de 19e en het begin van de 20e eeuw. Ze wil geen controverse vormen, maar ze wil met wat ze op antroposofische basis verfrissen en vinden kan, verdiepend en verruimend werken, ze wil ook op de basis van de moderne pedagogische manier van denken staan. Alleen vindt ze wel dat juist deze moderne manier van pedagogisch denken verdieping en verruiming nodig heeft

Blz. 94

der ich mich bemühen werde, heute Abend in einigen kurzen Strichen einiges zu zeichnen.
Wenn die Waldorfschule ihren Ausgangspunkt genommen hat von anthroposophischer Geisteswissenschaft, so ist sie deshalb keineswegs, und das bitte ich durchaus zu berücksichtigen, eine Weltanschauungsschule. Am wenigsten handelt es sich bei dieser Waldorfschule darum, die anthroposophische Dogmatik, wenn ich mich so ausdrücken darf, die anthroposophische Überzeugung als solche in die Schule hineinzu­tragen. Weder eine Weltanschauungsschule möchte die Waldorfschule sein noch irgendeine sektiererische Schule, denn das alles liegt eigentlich nicht, trotzdem man es zumeist glaubt, im Charakter der anthroposo­phischen Geisteswissenschaft.
Dasjenige aber, was aus anthroposophischer Grundlage aus der Wal­dorfschule gemacht werden soll, das ist eine Methodenschule, eine Schule, welche die gewöhnlichen Anregungen für die Pädagogik, für die Methodik, für die Didaktik aus anthroposophisch orientierter Geistes­wissenschaft heraus holt. Wir waren ja nicht in der Lage, uns auf einen so radikalen Boden zu stellen, wie viele moderne Pädagogen das tun, indem sie sagen:

en ik zal mijn best doen om daar vanavond wat van te schetsen.
Ool al heeft de vrijeschool de uitgangspunten genomen uit de antroposofische geesteswetenschap, dan is daarmee de vrijeschool geenszins en ik verzoek u dat goed te beseffen, een wereldbeschouwelijke school. Allerminst gaat het er bij deze school om de antroposofische inhoud, de antroposofische overtuiging als zodanig de school binnen te brengen. Noch een wereldbeschouwelijke school, noch een soort sekteschool wil de vrijeschool zijn, want dit brengt het karakter van de antroposofische geesteswetenschap, hoewel men dit vaak gelooft, niet met zich mee.
Wat uit de antroposofie als basis komt, wat van de vrijeschool gemaakt moet worden, is een methodeschool, een school die de gebruikelijke stimulans voor de pedagogiek, voor de methodiek, voor de didactiek uit de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap haalt.
Wij waren niet in de positie een radicaal standpunt in te nemen, zoals veel moderne pedagogen doen die zeggen:

Will man eine Kinderschar wirklich ordentlich erziehen und unterrichten, so muß man Landerziehungsheime oder dergleichen begründen. Es gibt ja viele solche Bestrebungen der neueren Zeit. Gegen sie alle soll nichts eingewendet werden, man kann sie von ihrem Stand­punkte aus durchaus verstehen, aber wir waren mit der Waldorfschule nicht in dieser glücklichen Lage. Wir hatten gegebene Tatsachen. Wir hatten vorliegend nur die Möglichkeit, innerhalb einer Stadt ins ganze Leben der Stadt hineinzustellen, zu begründen dasjenige, was eben aus der Waldorfschule werden sollte. Da kam es nicht darauf an, erst das äußere Milieu zu schaffen für diese Schule, sondern da kam es darauf an, dasjenige, was erreicht werden sollte, eben durch Pädagogik und Didak­tik selbst zu erreichen mit den gegebenen Mitteln und in der gegebenen Umgebung zu wirken.
Das aber liegt auch durchaus im Charakter anthroposophischer Gei­steswissenschaft, daß sie sich einer jeglichen Lebenslage anpassen kann, denn sie will aus dem unmittelbaren Leben heraus wirken. Sie will nicht in irgendeiner Weise utopistischen Ideen nachjagen, sondern sie möchte

Als je een groep kinderen werkelijk goed opvoeden en onderwijzen wil, dan moet je internaten o.i.d. stichten. De laatste tijd zijn er veel pogingen in die richting. Daar wil ik niets tegenin brengen, je kan ze vanuit hun standpunt zeer zeker begrijpen, maar wij waren met de vrijeschool niet in die gelukkige omstandigheden. Wij hadden de gegeven feiten. We hadden alleen de mogelijkheid in een stad, in het hele stadsleven iets in het leven te roepen wat de vrijeschool moet worden. Het ging er niet om, eerst het uiterlijke milieu voor deze school te creëren, maar het kwam erop aan om wat we moesten bereiken alleen door pedagogiek en didactiek te bereiken met de gegeven middelen en de beschikbare omgeving.
Maar dat is ook het karakter van de antroposofische geesteswetenschap dat zij zich aan alle levensomstandigheden kan aanpassen, want ze wil direct vanuit het leven werken. Ze wil niet op de een of andere manier utopieën najagen, ze zou liever

Blz. 95

aus der unmittelbaren Daseins- und Lebenspraxis heraus dasjenige schaf­fen, was veranlagt ist in dem Menschen, aus den Verhältnissen, die man eben vorliegend hat.
Wie gesagt, nicht Dogmen sollen hineingetragen werden in die Schule; aber dasjenige, was der innerhalb der anthroposophischen Bewegung stehende Mensch gewinnt, ist eine Erkenntnis die ihn als Ganzen, als Vollmenschen ergreifen kann während doch im wesentlichen das Bil­dungsleben der neueren Zeit mehr auf einen gewissen Intellektualismus hinausläuft. Deshalb braucht man durchaus nicht zu glauben, daß die Waldorfschule die Kinder lehren soll, der Mensch bestehe, so wie man das in den Schriften über Anthroposophie findet, aus seinem physischen Leib nicht allein, sondern er trage in sich auch noch einen ätherischen Leib, der die Bildekräfte die organischen Bildekräfte des physischen Leibes enthält; er trage seinen astralischen Leib in sich, der dasjenige in die menschliche Leiblichkeit die auf der Erde lebt zwischen Geburt und Tod, hineinträgt, was sich entwickelt in dem präexistenten Sein des Menschen, in demjenigen was der Geburt oder sagen wir, der Empfäng­nis vorangeht und so weiter. Nicht diese Überzeugungen werden in die Schule hineingetragen

vanuit de directe levenspraktijk in het leven roepen wat in de mens als aanleg aanwezig is, met de omstandigheden die er zijn.
Zoals gezegd, er moet geen leer de school binnen gebracht worden; maar wat de mens die in de antroposofische beweging staand ontwikkelt, is een kennis die hem als een totaliteit, als een volledig mens enthousiast maakt, terwijl toch in hoofdzaak het huidige vormingswezen meer uitmondt in een bepaald intellectualisme. Daarom hoef je dus zeker niet te geloven dat de vrijeschool de kinderen moet leren dat de mens niet alleen bestaat, zoals je dat kan vinden in antroposofische literatuur, uit zijn fysieke lichaam, maar dat hij ook nog een etherlijf heeft dat de vormkrachten, de organische vormkrachten van het fysieke lichaam bevat; dat hij een astraallijf in zich heeft dat in zijn lichamelijkheid die op aarde leeft tussen geboorte en dood, meebrengt wat zich in het voorgeboortelijke bestaan, dus wat aan de geboorte of de conceptie voorafgaat enz. heeft ontwikkeld, deze overtuiging wordt de school niet binnengebracht.

Aber derjenige Mensch, der weiß, wie die menschliche Persönlichkeit wenn man sie nicht bloß äußerlich, sondern wenn man sie nach Leib Seele und Geist wirklich wissenschaftlich erfaßt, derjenige, der begreift wie sich diese menschliche Personlichkeit auch als werdender Mensch als Kind vor die Seele hinstellt, der erlangt vor allen Dingen eine tiefere Menschenerkenntnis, als sie die heutige Naturwissenschaft geben kann Aus dieser tieferen Menschenerkenntms heraus, aus demjenigen was anthroposophische Geisteswissenschaft über den Menschen selbst erkennen lernt, aus dieser Menschenerkennt­nis heraus, die nicht bloß das Denken, sondern die den ganzen Menschen nach Fühlen und Wollen ergreift, aus dieser Geisteswissenschaft heraus soll nun nicht dasjenige werden für die Waldorfschule, was man nennen könnte eine angelernte Methodik, sondern es soll dasjenige werden, was aus Menschenerkenntnis in dem Lehrer den Willen erzeugt, dem wer­denden Kinde gegenüber alles das zu tun, was gewissermaßen die menschliche Organisation selber von dem Lehrer, von dem Erzieher, von dem Unterrichtenden fordert. Der großte Lehrer für die Waldorfschule

Maar de mens die weet hoe deze menselijke persoonlijkheid wanneer je deze niet alleen uiterlijk, maar ook naar lichaam, ziel en geest daadwerkelijk wetenschappelijk begrijpt, begrijpt ook hoe deze menselijke persoon als wordend mens, als kind, voor zijn ziel komt te staan, die krijgt bovenal een diepere menskunde dan de huidige natuurwetenschap kan geven. Uit deze diepere menskunde, uit wat antroposofische geesteswetenschap je over de mens zelf leert, uit deze menskunde die niet alleen het denken, maar juist de hele mens met zijn voelen en willen raakt, uit deze geesteswetenschap moet voor de vrijeschool geen wat je zou kunnen noemen, aangeleerde methodiek ontstaan, maar er moet een menskunde ontstaan die in de leraar de wil ontwikkelt voor het wordende kind alles te doen wat de menselijke organisatie zelf van de leraar, van de opvoeder eist. De grootste leraar voor de vrijeschool

Blz. 96

ist nämlich, so paradox das klingen mag, das Kind selbst. Und indem der Waldorflehrer in seiner Brust die Überzeugung trägt: dasje­nige, was dir von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr in dem Kinde entgegentritt, das ist der Ausdruck einer göttlich-geistigen Wesenheit, die heruntersteigt aus einem rein geistig-seelischen Dasein, die sich so entwickelt, wie sich das Physisch-Leibliche hier zwischen Geburt und Tod entwickelt und die sich verbindet mit demjenigen, was durch die Vererbungsströmung von Eltern und Voreltern an den Menschen phy­sisch-ätherisch herankommt – diese ungeheure, tiefe Ehrfurcht, die man hat vor dem werdenden Menschen, der einem schon vom ersten Tage seines Daseins im physischen Leben zeigt, wie das Innerlich-Seelische hervortritt in den Offenbarungen der Physiognomie, in den ersten Bewegungen, im Lallen und in der werdenden Sprache, all dasjenige, was da durch wirkliche anthroposophische Menschenkenntnis hineinkommt an Ehrfurcht für dasjenige, was das Göttliche in die Welt heruntergesen­det hat, all das ist das Wesentlichste, mit dem der Waldorflehrer die Pforte seiner Klasse jeden Morgen neu betritt. Und er lernt von den täglichen Offenbarungen dieses geheimnisvollen geist-seelischen Wesens dasjenige, was er tun soll.
Daher kann man die Methodik der Waldorfschule nicht in abstrakte Lehrsätze fassen. 

is namelijk, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, het kind zelf. En als de vrijeschoolleerkracht de overtuiging voelt: wat je week na week, jaar na jaar in het kind ziet, is de uitdrukking van een goddelijk-geestelijk wezen dat uit een pure wereld van geest en ziel naar de aarde komt, dat zich zo ontwikkelt zoals het fysiek-levende zich hier tussen geboorte en dood ontwikkelt en dat zich verbindt met wat het door de erfelijkheidsstroom door de ouders en voorouders fysiek- etherisch krijgt – deze ongelooflijk diepe eerbied die je krijgt voor de wordende mens, die al vanaf de eerste dag van zijn bestaan in het fysieke leven laat zien hoe het innerlijke zielenleven zichtbaar wordt in de uitingen van fysionomie, in de eerste bewegingen, in het brabbelen en het zich ontwikkelende spreken, alles wat er door echte antroposofische menskunde ontstaat aan eerbied voor wat het goddelijke naar de aarde stuurt, dat is het meest wezenlijke waarmee de vrijeschoolleraar iedere morgen nieuw de klas in gaat. En van dit mysterieuze geest-zielenwezen leert hij wat hij moet doen.
Daarom kan je de methodiek van de vrijeschool niet in abstracte onderwijsregels verpakken.

Man kann nicht ein erstens, zweitens, drittens sagen, sondern man kann nur sagen: durch anthroposophische Geisteswissen­schaft wird der Mensch bekannt mit dem werdenden Menschen, lernt beobachten, was aus dem Auge des Kindes blickt, was aus den stram­pelnden Beinen spricht. Und dadurch, daß er mit dem Menschen bekannt ist, wird diese Anthroposophie nicht nur den Intellekt ergreifen, der systematisieren kann, sondern den ganzen Menschen, der empfindet, fühlt und will. Der Lehrer wird so vor das Kind hingestellt, daß die Methode für ihn ein lebendiges Dasein gewinnt, ein solches Dasein, daß er gegenüber jeder kindlichen Individualität, selbst in größeren Klassen, immer modifizieren und metamorphosieren kann, was er für dieses Kind gerade nötig hat. Man kann, wenn man abstrakt hört, sagen: Diese verdrehten Anthroposophen, die nehmen an, daß der Mensch nicht nur jenen physischen Leib hat, mit dem sich unsere Physiologie, unsere Biologie beschäftigt, den sie so sorgfältig untersucht, wenn er als Leichnam

Je kan niet zeggen: ten eerste, ten tweede, ten derde, maar je kan alleen maar zeggen: door antroposofische geesteswetenschap leert de mens de wordende mens kennen, leert waarnemen wat er uit de ogen van een kind spreekt, wat er spreekt uit de bewegende benen. En omdat hij de mens kent, zal deze antroposofie niet alleen het intellect aanspreken dat systematiseren kan, maar de hele mens, die beleeft, voelt en wil. De leraar komt zo voor het kind te staan dat de methode voor hem een levende aanwezigheid wordt, zo levend dat hij wat ieder individueel kind betreft, zelfs in grotere klassen, altijd differentiëren en veranderen kan in wat hij voor dit kind nodig acht. Je kan, wanneer je abstract hoort zeggen: die gekke antroposofen nemen aan dat de mens niet alleen dit fysieke lichaam heeft waarmee onze fysiologen, onze biologen zich bezighouden, dat ze zo zorgvuldig onderzoeken wanneer ze het als lijk

Blz. 97

vor ihr liegt, sondern er habe auch einen ätherischen Leib, einen astralischen Leib; den lerne man kennen, wenn man ganz besondere innere seelische Übungen macht, wenn man das Denken so erstarkt, daß der ganze Mensch zu einer Art von übersinnlichem Sinnesorgan wird, wenn ich mich dieses Goetheschen Ausdrucks bedienen darf, so daß er mehr sieht, als er sonst im gewöhnlichen Leben von dem Äußeren und von dem menschlichen Dasein sieht. Man kann sich lustig machen, wie gesagt, über die verdrehten Anthroposophen, die so von den übersinnli­chen Wesen in dem Sinnlichen des Menschen sprechen. Aber ohne daß diese nicht auf irgendwelchen Phantasmen, sondern auf gründlicher Erkenntnis beruhende Überzeugung etwa in die Schule hineingetragen wird, gewinnt derjenige, der das Kind erziehen und unterrichten soll, die Möglichkeit, aus dem, was er im Konkreten lernt über den Menschen nach Leib, Seele und Geist, den werdenden Menschen so anzuschauen, wie er angeschaut werden muß, damit man wirklich dem innersten Wesen des anderen, also in unserem Falle dem innersten Wesen des Kindes nahetreten kann.

voor zich hebben, maar het zou ook nog een etherisch lichaam, een astraallichaam hebben, dat je leert kennen wanneer je heel in het bijzonder innerlijke oefeningen doet, wanneer je het denken zo versterkt dat de hele mens een soort bovenzintuiglijk orgaan wordt, wanneer ik deze uitdrukking van Goethe mag gebruiken, zodat hij meer ziet dan wat hij anders in het dagelijks leven van de uiterlijke wereld en van het menselijk bestaan ziet.
Je kan dus om die gekke antroposofen lachen die op deze manier over iets bovenzintuiglijks in de zintuiglijke mens spreken. Maar zonder dat dit op een of andere fantasterij berust, maar wel op een overtuiging door grondige kennis, wordt dit op school gebruikt en krijgt degene die het kind moet opvoeden en onderwijzen de mogelijkheid uit wat hij in concreto leert over de mens naar lichaam, ziel en geest, zo naar de zich ontwikkelende mens te kijken als dat noodzakelijk is, wil je daadwerkelijk het diepste wezen van de ander, dus in ons geval het diepste wezen van het kind bereiken.

Nicht das Geringste soll hier von mir gesagt werden gegen dasjenige, was man heute etwa experimentelle Psychologie und experimentelle Pädagogik nennt. Ich kenne durchaus dasjenige, was diese wissenschaft­lichen Zweige leisten können und kann es auch würdigen. Allein gerade daß diese wissenschaftlichen Zweige vorhanden sind, macht auf der anderen Seite durchaus notwendig, daß eine Vertielung unseres Bil­dungslebens überhaupt eintritt. Denn neben all dem Verdienstvollen, das experimentelle Psychologie und experimentelle Pädagogik leisten, sind sie doch ein Beweis dafür, daß man im Grunde genommen in unmittel­barer, elementarer Art dem menschlichen Wesen nicht nähergekommen ist durch die moderne Bildung, sondern eigentlich diesem menschlichen Wesen gegenüber in die Ferne gerückt ist. Man experimentiert äußerlich an den Kindern herum, wie das Denken, wie das Gedächtnis sogar wie der Wille wirkt. Man soll sich dann pädagogische Regeln und Gesetze darnach bilden nach den verschiedenen Tabellen, die man sich gemacht hat über dieses oder jenes. Gewiß, gerade dem anthroposophischen Denker und anthroposophischen Erzieher werden solche Tabellen nütz­lich. Aber wenn man in ihnen das Ein und Alles sieht desjenigen, was wir

U zal mij hier niet het minste horen zeggen over wat men tegenwoordig experimentele psychologie of pedagogiek noemt. Ik weet heel goed wat deze wetenschappelijke disciplines kunnen opleveren en dat kan ik ook waarderen. Maar juist omdat deze disciplines er zijn, maakt dat het aan de andere kant noodzakelijk dat er in ons vormingswezen verdieping komt. Want naast al het verdienstelijke dat de experimentele psychologie en pedagogiek opleveren, bewijzen ze toch dat men op de keper beschouwd door de moderne vorming niet op een directe, elementaire manier nader tot het wezen mens gekomen is, eigenlijk is het wezen mens verder weggeraakt. Men experimenteert uiterlijk met de kinderen hoe het denken, het geheugen, zelfs hoe de wil werkt. En daarmee moeten dan pedagogische regels en wetten vastgesteld worden volgens bepaalde tabellen die men over dit of dat gemaakt heeft. Die zijn ook voor de antroposofische denker en opvoeder nuttig. Maar als je daar je heil in ziet

Blz. 98

heute etwa pädagogisch und didaktisch zur Grundlage machen können, so liefert man doch nur den Beweis dafür, daß man eigentlich dem wahren, inneren Wesen des Kindes fernsteht. Warum muß man denn experimentieren? Man muß experimentieren, weil die einstmals in älte­rer, wenn ich sie so nennen darf, patriarchalischer Zeit vorhandene unmittelbare Beziehung, die imponderable Beziehung der Lehrerseele, der Erzieherseele zur Kinderseele unter dem Einflusse der modernen materialistischen Bildung verlorengegangen ist. Man experimentiert äußerlich herum, weil man kein unmittelbares Anschauen und Empfin­den von demjenigen hat, was eigentlich innerlich in dem Kinde vor sich geht. Und eben gerade das äußerliche Experimentieren ist ein Beweis dafür, daß wir diesen innerlichen elementaren Bezug verloren haben und ihn wieder mit aller Kraft zu gewinnen suchen müssen. Wenn man heute experimentelle Psychologie und experimentelle Päd­agogik betrachtet, so ist es eigentlich so, als ob irgend jemand, sagen wir, einen Reiter betrachtet, wie der über einen glatten Weg hinkommt, oder wie er über einen schwierigen Weg hinkommt, und nun statistische Aufnahmen darüber macht:

voor wat wij pedagogisch en didactisch als uitgangspunt kunnen maken, dan lever je toch het bewijs dat je eigenlijk veraf staat van het ware innerlijke wezen van het kind. Waarom moet er dan geëxperimenteerd worden? Omdat wat er in vroegere tijd, in patriarchale tijden aanwezig was als de directe relatie, de imponderabele relatie van de ziel van de leerkracht, de opvoedersziel met de kinderziel door de invloed van de moderne materialistische vorming verloren is gegaan. Er wordt uiterlijk geëxperimenteerd, omdat men geen onmiddellijker waarneming en gevoel heeft voor wat er echt in een kind plaatsvindt. En dat uiterlijk experimenteren bewijst eigenlijk dat we deze innerlijke elementaire verbinding kwijt zijn en dat we die weer met alle kracht moeten zien te herwinnen.
Wanneer je tegenwoordig de experimentele psychologie en pedagogiek bekijkt, dan is het eigenlijk zo alsof er iemand, laten we zeggen een ruiter bekijkt die over een glibberige weg aan komt rijden of over een moeilijk begaanbare weg en dat daarvan dan statistische notities worden gemaakt:

 auf dem glatten Wege kommt er in einer Viertelstunde so weit vorwärts, auf einem schlüpfrigen Wege so weit, auf einem unebenen Wege so weit und so weiter. So ungefähr sind auch die Experimente, die man anstellt darüber, ob das Kind sich nach einer Viertelstunde dieses oder jenes merkt, so und so viel Worte ausläßt in seiner Erinnerung und so fort. Wenn man die statistischen Aufnahmen über den Reiter machen würde, so hätte man es zu tun mit dem äußeren Wege, außerdem aber damit, was das Pferd leisten kann auf diesem Wege; aber man kommt dem Wesen des Reiters nicht näher, obwohl es natürlich durchaus möglich ist, unter diesen Umständen solche statisti­schen Aufnahmen zu machen. Aber darauf kommt es an, daß man nicht bloß an der äußeren Oberfläche des zu Erziehenden äußerlich Untersu­chungen anstellt, sondern daß man unmittelbar hineindringt in das Innere.
In der anthroposophischen Geisteswissenschaft nun lernt man kennen dasjenige, was uns mit der Geburt des Kindes gegeben wird. Es trägt in sich nicht nur dasjenige, was sich den Sinnen offenbart, sondern es trägt in sich ein geistig-seelisches Wesen, das sich mit dem physischen Menschenkeim

op de glibberige weg komt hij in een kwartier zoveel verder, op een moeilijk begaanbare zoveel. Zo ongeveer zijn ook de experimenten die men houdt om te kijken of een kind na een kwartier dit of dat opmerkt, zus of zoveel woorden niet meer weet in zijn herinnering enz. Wanneer je statistische notities over de ruiter wil maken, heb je van doen met de uiterlijke weg, maar ook nog eens met wat het paard op deze weg kan presteren; maar bij het wezen van de ruiter kom je niet, hoewel het zeker wel mogelijk is om onder deze omstandigheden notities te maken. Maar het komt erop aan dat je niet alleen maar oppervlakkig onderzoek doet voor de opvoedelingen, maar dat je een directe ingang vindt tot het innerlijk.
In de antroposofische geesteswetenschap leer je kennen wat ons bij de geboorte van een kind gegeven wordt. Het draagt niet alleen in zich mee wat we met de uiterlijke zintuigen kunnen zien, maar het brengt een geest-zielenwezen mee dat zich met de fysieke mensenkiem

Blz. 99

verbunden hat. Und man lernt ganz genau kennen, wie sich dieses geistig-seelische Wesen entwickelt, ebenso wie man in der physi­schen Wissenschaft lernt, wie sich in der Vererbungsströmung der physische Keim entwickelt. Man lernt einsehen, wie in die menschliche Organisation, unabhängig von den vererbten Merkmalen, etwas übersinnlich Geistig-Seelisches eintritt. Ohne daß man – ich muß das immer wieder erwähnen – ein solches Dogma in die Schule hineinträgt, betrach­tet man es als eine Orientierungsrichtung, als dasjenige, was einem in der richtigen Weise Anleitung gibt, das Kind schon vor der Schule zu beobachten. Bei dem Kinde, das zum Beispiel die Sprache lernt, nützt einem diese Voraussetzung: du mußt nicht nur dasjenige beobachten, was in der Vererbungsströmung liegt, du mußt dasjenige beobachten, was aus geistigen Untergründen heraus in dem Kinde sich entwickelt, und dazu gehört die Sprache. Und nun, indem man den Menschen durch anthro­posophische Geisteswissenschaft wirklich kennt, indem man unterschei­den lernt zwischen dem mehr innerlichen astralischen Leibe und dem mehr äußerlichen ätherischen Leibe, lernt man in ganz anderer Weise noch das Wesen des Willens kennen, der mehr an den astralischen Leib gebunden ist, und das Wesen des Denkens zum Beispiel, das mehr an den ätherischen Leib gebunden ist, in ihrem Zusammenwirken im Sprechen

verbonden heeft. En dan leer je heel precies hoe dit geest-zielenwezen zich ontwikkelt, net zoals je bij de natuurwetenschap leert hoe in de erfelijkheidsstroom de fysieke kiem zich ontwikkelt. Je leert inzien hoe in de menselijke organisatie, onafhankelijk van de erfelijke eigenschappen, iets bovenzintuiglijks, wat ziel en geest is, binnenkomt. Zonder dat je – ik moet dat steeds weer noemen – zo’n opvatting de school binnenbrengt, beschouw je het als een richting om je te oriënteren, als iets wat voor jou op een goede manier aanleiding is, het kind al voordat het naar school gaat, waar te nemen. Bij een kind dat bijv. leert spreken, heb je iets aan deze vooronderstelling: je moet niet alleen maar kijken naar wat uit de erfelijkheidsstroom komt, je moet kijken naar wat vanuit het kind zich vanuit zijn geestelijk dieper liggende basis ontwikkelt en daar hoort het spreken bij. En als je de mens door de antroposofische geesteswetenschap echt kent, wanneer je weet te gaan onderscheiden tussen het meer innerlijke astraallijf en het meer uiterlijke etherlijf, dan leer je nog op een heel andere manier het wezen van de wil kennen, die meer aan het astraallijf gebonden is en het wezen van het denken bijv. dat meer aan het etherlijf gebonden is, in hun samenwerking bij het spreken.

Denn beim Beobachten, beim Erfahren handelt es sich nicht darum, daß man bloß die äußeren Tatsachen beobachtet, sondern darum, daß man diese äußeren Tatsachen in das richtige Licht stellen kann.
Und nun nehme man einen solchen geschulten Beobachter des Lebens, einen solchen durch Anthroposophie geschulten Menschenken­ner, und stelle ihn hin neben das Kind, das allmählich die Sprache lernt. Mehr als durch alle statistischen Aufnahmen, die zum Beispiel der ausgezeichnete Psychologe Wilhelm Preyer über die Psychologie des Kindes gemacht hat, lernt derjenige, der nun wirklich hineinschauen gelernt hat in das Seelenleben des Kindes, durch die imponderablen Kräfte, die von dem Erwachsenen zu dem Kinde hinüberspielen. Er lernt erkennen, welch ungeheurer Unterschied es ist, ob ich, sagen wir, höre, wie die Mutter oder der Vater des Kindes zu ihm spricht, um es zu beruhigen: Ei, ei -, oder indem man mit dem Kinde sich darüber  unterhält, wie der Raum, in dem sie sich befanden, ist, und sagt: Husch, husch! – Mit jedem Vokalischen spreche ich unmittelbar zu dem Emp­findungs-, zu dem Gefühlsleben des Kindes. Ich wende mich an das Innerste der Seele. Ich lerne durch anthroposophische Geisteswissen­schaft, wie ich da ein gewisses Gebiet der Seele errege, so daß eine gewisse Verbindung zwischen dem Erziehenden, dem Pflegenden und dem Kinde herbeigeführt wird, die unmittelbar eine Strömung von dem Pflegenden zu dem innersten seelischen Empfindungsleben des Kindes hervorruft.
Wenn ich, sagen wir, die Kälte der Umgebung bespreche und das Kind sich hineinfindet in das Husch, husch, so wirke ich unmittelbar auf den Willen. Und ich sehe, wie das eine Mal das Empfindungs- und Gefühls­leben des Kindes erregt wird, das andere Mal, wie es in das Bewegungsle­ben des Kindes hineinspielt, wie Willensimpulse zugrunde liegen.
Ich wollte mit diesem Beispiel nur andeuten, wie in den elementarsten Lebensäußerungen bei einer wirklichen Lebenserkenntnis Licht hinein­gestellt wird in alles. Wir stehen heute vor einer großartigen Sprachwis­senschaft, aus der ganz gewiß die Pädagogik auch Ungeheures lernen kann.

Want bij het waarnemen, bij het ervaren gaat het er niet om dat je alleen maar de uiterlijke feiten waarneemt, maar dat je deze uiterlijke feiten in het juiste perspectief kan plaatsen.
En zet nu eens iemand die geschoold is in het waarnemen van het leven, iemand die door de antroposofie geschoolde mensenkenner is en zet die eens naast het kind dat stap voor stap leert spreken. Meer nog dan alle statistische notities die bijv. de uitstekende psycholoog Wilhelm Preyer over de psychologie van het kind heeft gemaakt, leert degene die daadwerkelijk heeft leren kijken in het zielenleven van het kind door de imponderabele krachten die van de volwassene op het kind werken. Hij leert wat voor enorm verschil het maakt of ik hoor hoe de moeder of de vader van het kind tegen hem spreekt om het rustig te krijgen:
‘Hé, hé’, of wanneer je het er met je kind over hebt hoe de ruimte waar zij beiden zijn is, en je zegt: Sssst, ssst’!
Met iedere klinker spreekt ik onmiddellijk tot de gewaarwording, tot het gevoel van het kind. Dan richt ik me op het binnenste van zijn ziel. Door antroposofische geesteswetenschap leer ik, hoe ik daarmee een bepaald deel van de ziel activeer, zodat er een bepaalde verbinding tussen de opvoeder, de verzorger en het kind ontstaat die direct een stroom van de verzorger naar het binnenste van de gevoelsgewaarwording van het kind oproept.
Wanneer ik de kou van de omgeving bespreek en het kind zich bevindt in het sst, sst, dan werk ik direct in op de wil van het kind.
En ik zie hoe de ene keer het gewaarwordings- en gevoelsleven van het kind geactiveerd wordt, de andere keer hoe het inspeelt op het bewegingsleven van het kind, hoe daar wilsimpulsen aan ten grondslag liggen.

Met dit voorbeeld wilde ik laten zien hoe in de elementaire uitingen van het leven bij een echte kennis van het leven je op alles licht kan werpen. We hebben tegenwoordig met een grootse spraakwetenschap van doen waar heel zeker ook de pedagogiek heel veel van kan leren.

*Wilhelm Preyer, 1841-1897, fysioloog en psycholoog; schreef »Die Seele des Kindes«, Leipzig 1881.

Blz. 100

Aber diese Sprachwissenschaft betrachtet die Sprache wie etwas vom Menschen Abgesondertes. Derjenige, der durch anthroposophische Geisteswissenschaft geschult ist, lernt die Sprache nicht, wie etwas, ich möchte sagen, über den Menschen Schwebendes kennen, das sie auf­nimmt, das sie in seine ganze Strömung hineinbringt, sondern derjenige, der anthroposophische Geisteswissenschaft, die immer auf das Voll-menschliche geht, auf das Leben wirklich anzuwenden versteht, der lernt, wie alles Vokalisieren, wie das ganze Sich-Hineinfinden in das Vokalisieren der Sprache bei dem Kinde verquickt ist mit einem innerli­chen Durchwärmen vom Gefühlsleben; währenddem alles Konsonantie­ren, alles dasjenige, was das Kind an den Konsonanten lernt, verknüpft ist mit Willensregungen.
Das ist es, daß man in der intimsten Weise das Kind beobachten lernt. Und eben diese intime Beobachtung, dieses intim Sich-Hineinfühlen in den Menschen, ist uns abhanden gekommen. Wir gehen gewissermaßen um den Menschen herum, um ihn zu erziehen, während wir den unmittelbaren Kontakt im Laufe der Zeit gerade durch die moderne

Maar deze spraakwetenschap kijkt naar de spraak alsof deze van de mens afgezonderd is. Wie door de antroposofische geesteswetenschap geschoold is, leert de spraak niet kennen, als iets wat boven de mens zweeft, wat hij dan in zich opneemt, wat hij dan aan wat er in hem fluctueert toevoegt, maar als iemand die de antroposofische geesteswetenschap die altijd met het totaal menselijke bezig is, die werkelijk in staat is deze op het leven te betrekken, leert hoe alles wat vocaliseren is, hoe dat in het kind dat helemaal opgaat in het vocaliseren van de spraak, verbonden is met een innerlijk doorwarmen van het gevoelsleven; terwijl alles wat met de consonanten te maken heeft, alles wat het kind leert door de consonanten, verbonden is met wilsimpulsen.
We leren op een heel fijnzinnige manier naar het kind kijken. En deze fijnzinnige waarneming, dit op een subtiele manier invoelen bij de mens, is ons uit handen geslagen. In zekere zin draaien we als we de mens willen opvoeden, om hem heen, terwijl we het directe contact in de loop van de tijd juist door de moderne

Blz. 101

Erziehungswissenschaft verloren haben. Wir wissen nicht, wie mit allen Wachstumsvorgängen, mit alledem, was im Kinde sonst vorgeht, inner­lich organisch die Sprache zusammenhängt, denn wir wissen im Grunde genommen nichts davon, wie der Mensch innerlich warm und gefühlvoll wird, wenn wir ihn zu einem richtigen Nachahmer erziehen. Das Kind ist bis zu seinem Zahnwechsel um das siebente Jahr herum ganz auf die Nachahmung angewiesen. Alle Erziehung beruht im Grunde genommen auf der Nachahmung. Nur wenn wir die Nachahmungsfähigkeit des Menschen in den ersten Lebensjahren richtig verstehen, sie von Jahr zu Jahr konkret verfolgen können, können wir wirklich tiefer hinein­schauen in das Wesen des Menschen und aus diesem Wesen heraus dann auch in einer Weise erziehen, die den Menschen dann als Vollmenschen später in das Leben hineinstellen kann.
So ist es nicht nur mit der Sprache, sondern so ist es mit alldem, was wir auch in den ersten Lebensjahren, bevor das Kind zur Schule geht, ihm beizubringen haben. Das Kind ist bis zum Zahnwechsel im wesent­lichen auf die Nachahmung angewiesen. Und dieses Studieren der Nachahmung, die Sprache selbst bildet sich ja durchaus durch Nachah­mung, dieses Studieren der Nachahmung auf allen Lebensgebieten, das macht anthroposophische Geisteswissenschaft möglich. Aber man sieht auch sonst tiefer in das Wesen des Menschen hinein. Und während un­sere heutige Psychologie immerfort herumdenkt:

opvoedingswetenschap verloren hebben. We weten niet hoe met alle groeiprocessen, met alles wat er in het kind anderszins gebeurt, innerlijk organisch de spraak samenhangt, want we weten eigenlijk niets van hoe de mens innerlijk warm wordt en rijk aan gevoelens, wanneer wij hem opvoeden tot een goede nabootser. Het kind is tot aan zijn tandenwisseling rond het zevende jaar geheel op de nabootsing aangewezen. Het kind is tot aan zijn tandenwisseling rond zijn zevende helemaal op nabootsing aangewezen. De hele opvoeding berust in wezen op de nabootsing. Alleen wanneer we het nabootsingsvermogen van de mens in de eerste zeven jaar goed begrijpen, die jaar na jaar concreet volgen, kunnen we werkelijk een diepere blik werpen in het wezen van de mens en hem vanuit zijn wezen dan op zo’n manier opvoeden dat hij later als een waardig mens zijn plaats in het leven kan innemen.
Zo is het niet alleen maar met de spraak, maar zo is het met alles wat we ook in de eerste levensjaren vóór het kind naar school gaat, hem moeten bijbrengen.
Het kind is tot aan de tandenwisseling aangewezen op nabootsing. En het bestuderen van de nabootsing op elk terrein van het leven – vooral het spreken zelf wordt door nabootsing ontwikkeld –  wordt door de antroposofische geesteswetenschap mogelijk gemaakt. En je blik in het wezen van de mens verdiept zich. En terwijl onze huidige psychologie steeds maar denkt

Welche Beziehung be­steht eigentlich zwischen der Seele des Menschen oder, wie man auch sagt, zwischen dem Geiste des Menschen und dem Physisch-Leiblichen? -ist die heutige Psychologie gar nicht in der Lage, sich Vorstellungen zu bilden über die Beziehung des Seelisch-Geistigen zu dem Physisch-Leiblichen, weil sie ja im Grunde genommen das Leibliche zwar kennt, aber erst kennenlernt richtig, wenn dieses als Leiche von dem Seelisch-Geistigen verlassen ist, und weil auf der anderen Seite eben jene Entfer­nung eingetreten ist von dem Seelisch-Geistigen, von der ich soeben gesprochen habe. Das sieht man am besten an einem einzelnen Beispiele.
Solche Ereignisse, wie der Zahnwechsel um das siebente Jahr herum, werden von der heutigen Wissenschaft nicht in einer Weise, die tief genug ist, gewürdigt. Denn derjenige, der solche Beobachtungsgabe hat, wie sie anthroposophische Geisteswissenschaft in den Menschen heranerzieht,

welke relatie bestaat er eigenlijk tussen de ziel van de mens of, zoals ook wordt gezegd, tussen de geest van de mens en het fysieke, is de huidige psychologie helemaal niet in staat zich voorstellingen te maken over de relatie tussen ziel en geest en het fysiek-levende, omdat deze in de aard der zaak het lichamelijke weliswaar kent, maar pas echt dan leert kennen als dit als lijk door ziel en geest achtergelaten is en omdat aan de andere kant die verwijdering opgetreden is t.a.v. ziel en geest, waar ik net over heb gesproken. Dat zie je het beste aan zo’n enkel voorbeeld.
Aan de gebeurtenissen zoals de tandenwisseling rond het zevende jaar wordt door de huidige wetenschap niet op een manier waarde toegekend die diep genoeg gaat. Want iemand die zo’n opmerkingsgave heeft zoals de antroposofische geesteswetenschap die bij een mens kan ontwikkelen,

Blz. 102

sieht, wie sich die seelischen Kräfte des Menschen durchaus umändern, wandeln, wenn der Mensch, das Kind, diesen Zahnwechsel durchmacht. Das Gedächtnis, die kindliche Denkfähigkeit, auch das kindliche Empfindungsvermögen, sie werden in diesen Jahren ganz andere, als sie vorher gewesen sind. Und eigendich sieht man eine gewisse Konfiguration des Seelenlebens erst mit diesem siebenten Jahre, es ist approximativ natürlich, aus dem Kinde heraussprießen. Wo war denn dasjenige, das da aus dem Kinde heraussprießt, das wir in der Schule eigentlich erst behandeln, wo war das vorher? Sehen Sie, die Denkweise der heutigen Wissenschaft ist auf dem unorganischen Gebiet durchaus auf einem richtigen Wege. Wenn ich irgendwo einen Körper habe und durch irgendwelchen Vorgang geht Wärme aus diesem Körper hervor, so studiere ich als heutiger Physiker, wie diese Wärme vorher in dem Körper schon enthalten war als latente, als verborgene Wärme, und wie sie durch einen gewissen Vorgang als freie Wärme aus dem Körper herausgetreten ist. Ich werde nicht sagen:
Diese Wärme ist dem Körper irgendwie angeflogen, sondern ich suche die Bedingungen, unter denen sie schon vorher in dem Körper drinnen war. 

ziet hoe de zielenkrachten van de mens daadwerkelijk veranderen wanneer de mens, het kind zijn tanden wisselt. Het geheugen, het denkvermogen van het kind, ook het gevoelsvermogen worden in de jaren heel anders dan ze daarvoor waren.
En feitelijk zie je pas met dit zevende jaar, bij benadering natuurlijk, een bepaalde vorm van gevoelsleven, van ziel vanuit het kind opbloeien. Waar zat datgene wat nu vanuit het kind opbloeit en waarmee we op school eigenlijk pas gaan werken, waar zat dat voordien?
De manier van denken van de huidige wetenschap zit op het gebied van het anorganische zeer zeker op de juiste weg. Wanneer ik ergens een voorwerp heb en door de een of andere handeling komt daar warmte uit, dan bestudeer ik als modern natuurkundige hoe deze warmte al als latente, verborgen warmte in dit voorwerp aanwezig was en hoe dit door een bepaald proces als vrijkomende warmte uit dit voorwerp naar buiten is gekomen. Ik zou dan niet zeggen: Deze warmte is op de een of andere manier aan komen waaien, maar ik zou naar de feiten zoeken waarom die al eerder in het voorwerp zat.

Die Denkrichtung, welche die Wissenschaft in dieser Beziehung schon inauguriert hat, die kann auch übertragen werden auf die kompli­zierteren Verhältnisse, vor allen Dingen auf die menschlichen Lebens­verhältnisse selber.
Derjenige, der im anthroposophischen Sinne studiert, wie Gedächtnis, Denkvermögen, Willensvermögen des Kindes die eigentümliche Konfi­guration im siebenten Jahre annehmen, der kommt nach und nach darauf, daß dieses alles ja auch nicht dem Kinde angeflogen ist, sondern daß es sich aus dem Kinde selbst heraus entwickelt hat. Wo war es denn vorher? Es war in dem kindlichen Organismus. Und dasjenige, was ich dann in der Schule zu behandeln habe, das war vorher als eine latente, als eine verborgene Kraft in dem Inneren des Menschen; es ist frei gewor­den. Es war in dem Inneren des Menschen, so lange der Mensch jene Kraft brauchte, die dann ihren Schlußpunkt findet in dem Hervorstoßen der zweiten Zähne. Sind die zweiten Zähne hervorgestoßen, dann wird dieser Vorgang im Leben des Menschen nicht wiederholt. Dasjenige, was zuerst im Inneren des Menschen organisierend gewirkt hat, was seinen

De denkrichting die de wetenschap wat dit betreft al geïnaugureerd heeft, kan ook toegepast worden op gecompliceerdere toestanden, vooral op de menselijke levensomstandigheden zelf. Wie in antroposofische zin bestudeert hoe geheugen, denk- en wilsvermogen van het kind in zijn zevende jaar hun specifieke vorm aannemen, komt er stap voor stap op dat dit ook bij het kind niet is komen aanwaaien, maar dat dit vanuit het kind zelf tot ontwikkeling is gekomen. Waar zat dat dan daarvoor? Het zat in het kinderlijke organisme. En waarmee ik dan op school moet werken, zat daarvoor als een latente, als een verborgen kracht in de mens zelf; die is vrij gekomen. Het zat binnen in de mens, zolang de mens die kracht nodig had, wat dan tot een einde komt bij het tevoorschijn komen van het vaste gebit. Als die blijvende tanden naar buiten zijn gedrukt, wordt dit proces in het leven van de mens niet herhaald. Wat eerst binnen in de mens vormend werkte,

Blz. 103

Abschluß gefunden hat mit dem Hervorstoßen der ersten Zähne, das wird frei, so wie aus gewissen Körpern die Wärme frei wird. Das tritt dann als seelisch-geistiges Vermögen, als die Fähigkeiten einem entge­gen, welche man in der Schule erziehend und unterrichtend zu behan­deln hat. Man lernt das Zusammenwirken von Seele und Leib nur kennen, wenn man ins Konkrete eingeht. Philosophisch-spekulativ kann man lange herumdenken: wie verhalten sich Seele und Leib. Man muß im Konkreten anschauen von der Geburt an bis zum siebenten Lebens­jahre, da haben die Kräfte, die ich nachher kennenlerne, nachher als Erziehender und Unterrichtender selber zu gestalten habe, die frei geworden sind, die haben im Organismus drinnen gewirkt, die sind aus dem Organismus hervorgetreten.
Und so ist es durch das ganze menschliche Leben hindurch. Alle Spekulationen, die man heute in Philosophie- oder Psychologiebüchern findet über das Verhältnis von Seele und Leib, die sind nutzlos, wenn nicht ein konkretes Anschauen nach wirklicher wissenschaftlicher Methode zugrunde gelegt wird.
Beobachtet man dann so etwas weiter und weiß: dasjenige, was dir als Lehrer in dem Kinde entgegentri tt, das ist dieselbe Kraft, die vorher in dem Organismus gewirkt hat, ann sagt man sich: jetzt muß sie eine andere Form annehmen, diese  raft; ich muß sie, indem ich zu unter­richten und zu erziehen habe in dieser anderen Form kennenlernen. 

wat tot een afronding is gekomen met het tevoorschijn drukken van de eerste blijvende tanden, komt vrij, zoals bij bepaalde voorwerpen warmte vrijkomt. Dat zie je dan terug als vermogen van de ziel en de geest, als de vermogens waar je op school opvoedend en onderwijzend mee van doen hebt. Je leert de samenwerking van ziel en lichaam alleen maar kennen, wanneer je op de concrete zaken ingaat. Filosofisch-speculatief kan je lang aan het denken blijven: hoe is de verhouding van de ziel met het lichaam. Je moet vanaf de geboorte tot aan het zevende jaar concreet waarnemen; toen hebben de krachten die ik daarna leer kennen, daarna als opvoeder en leerkracht zelf vorm moet geven, die vrij gekomen zijn, binnen in het organisme gewerkt; die zijn vanuit het organisme naar voren gekomen. En zo gaat het het hele mensenleven verder. Alle speculaties die men tegenwoordig in filosofie- of psychologieboeken leest over de relatie tussen lichaam en ziel, zijn nutteloos, wanneer er niet een concreet waarnemen volgens een echte wetenschappelijke methode aan ten grondslag gelegd wordt.

Beobachtet man dann so etwas weiter und weiß: dasjenige, was dir als Lehrer in dem Kinde entgegentri tt, das ist dieselbe Kraft, die vorher in dem Organismus gewirkt hat, ann sagt man sich: jetzt muß sie eine andere Form annehmen, diese  raft; ich muß sie, indem ich zu unter­richten und zu erziehen habe in dieser anderen Form kennenlernen.
Ich muß sie aber auch in ihre   rständen kennenlernen, wie sie vorher im Organismus drinnen gewirkt hat. Nun, darüber ließe sich vieles sagen. Ich will nur darauf aufmerksam machen: diese Kraft, die also in den Tiefen des Organismus drinnen lebenbetätigend wirkt, die ist es, die zunächst das Kind zum Nachahmer macht bis zum siebenten Lebens­jahre, und man muß schon hinschauen auf dieses nachahmende Vermö­gen in dem Kinde, wenn man das Kind vor dem schulpflichtigen Alter richtig verstehen will.
Da kommen zum Beispiel Eltern, die sagen: Mein Kind hat gestohlen. Sie suchen Rat. Man frägt dann: Ja, wie alt ist denn das Kind? Vier, fünf Jahre alt. Ein vier-, fünfjähriges Kind, so paradox das klingen mag, stiehlt in Wirklichkeit nicht. Ein vier-, fünfjähriges Kind ist ein Nachah­mer. Und wenn man weiter frägt, so wird einem zum Beispiel gesagt:

Bekijk je zoiets dan verder en als je weet: wat er jou als leerkracht uit het kind tegemoet komt, is dezelfde kracht die eerder in het organisme actief was, dan zeg je tegen jezelf: nu moet die kracht een andere vorm gaan aannemen, ik moet die, als ik wil lesgeven en opvoeden in deze andere vorm leren kennen zoals die voordien in het organisme werkend was. Daar zou veel over te zeggen zijn. Ik wil er alleen op wijzen: deze kracht die dus in de diepere lagen van het organisme levenwekkend werkzaam is, is dezelfde kracht die het kind tot zijn zevende jaar tot nabootser maakt en je moet dus naar dit nabootsend vermogen in het kind kijken, wanneer je het voordat het naar de basisschool gaat, goed wil begrijpen.
Dan komen er bv. ouders die zeggen: ‘Mijn kind heeft gestolen.’ Ze zoeken raad. Dan vraag je: ‘Maar hoe oud is het kind dan?’ ‘Vier, vijf jaar.’ Een vier- vijfjarig kind, hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken steelt in werkelijkheid niet. Een vier- vijfjarig kind is een nabootser. En als je verder doorvraagt, dan hoor je bv.

Blz. 104

Dieses Kind hat täglich gesehen, wie die Mutter aus einem Schrank heraus Geld nimmt. Es ahmt nach, es nimmt auch Geld. Ich habe sogar den Fall erlebt, wo ein solches Kind Geld herausgenommen hat aus dem Schrank und es nicht selber vernascht hat, sondern Sachen gekauft hat, die es an andere Kinder verteilt hat. Es war durchaus nichts Unmorali­sches dabei, sondern etwas Amoralisches, Nachahmerisches.Das aber bringt einen dazu, richtig zu erkennen, wie man bei dem Erziehen mit Imponderabilien zu tun hat. Bis in die Gedankenverfassung hinein muß man wissen, daß, indem man dem Kinde als Nachah­mer gegenübersteht, man in seiner Umgebung nur dasjenige tun und sprechen, ja sogar denken darf, was das Kind nachahmen kann. Auf die Nachahmung muß vor dem schulpflichtigen Alter die Erziehung gebaut sein. Das mag zunächst paradox klingen, das ist aber dasjenige, was einer wirklich gesunden Erziehung zugrunde liegen muß. Diejenigen Kräfte, die hier vorzugsweise den ganzen Menschen zum Nachahmer machen, die ihn bis zu dem Grade zum Nachahmer machen, daß er die leiseste Handbewegung seiner Umgebung nachahmt, die treten mit dem siebenten Lebensjahre, indem sie gleichsam frei werden, als diejenigen Kräfte hervor, die wir eben als Erzieher und Lehrer zu gestalten haben.

dat dit kind dagelijks heeft gezien hoe zijn moeder uit een kast geld gepakt heeft. Het kind doet het na, het pakt ook geld. Ik heb zelf het geval meegemaakt waarbij zo’n kind geld uit de kast had gepakt en het niet zelf versnoepte, maar er dingen voor kocht die het aan andere kinderen uitdeelde. Daar was niets immoreels bij, alleen iets buiten de moraal om, nabootsend. Dat kan iemand ertoe brengen op een juiste manier te weten hoe je bij opvoeding met het imponderabele te maken hebt. Tot in de gedachten die je ontwikkelt moet je weten dat als je te maken hebt met een nabootsend kind, je in zijn omgeving alleen maar moet doen en zeggen, ja zelfs denken, wat het kind kan nabootsen. Vóór de basisschool moet de opvoeding gebaseerd zijn op nabootsing. Dat mag dan tegenstrijdig klinken, maar het is wel wat ten grondslag moet liggen aan een gezonde opvoeding. De krachten die hier vooral de hele mens tot nabootser maken, tot dat niveau van nabootser maken dat hij de kleinste handbeweging van zijn omgeving nabootst; die komen met het zevende jaar wanneer ze a.h.w. vrijkomen als die krachten tevoorschijn die wij als opvoeder en leraar vorm moeten gaan geven.

Und wenn man diesen Gedanken weiter ausbaut, dann sagt man sich: Während das Kind bis zum siebenten Jahre ein Nachah­mer ist, ist es durch das schulpflichtige Alter hindurch bis zur Geschlechtsreife darauf angewiesen, daß ihm als selbstverständliche, richtunggebende Macht die Autorität des Lehrenden, des Erziehers gegenübersteht. Das ist dasjenige, um was es sich von dem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife handelt, daß man gründlich versteht, wie allein dieses auf selbstverständliche Autorität zwischen dem Kinde und dem Unterrichtenden und Erziehenden bestehende Verhältnis in der richti­gen Weise leiten kann.
Dieses Autoritäsverhältnis ist in abstracto leicht ausgesprochen. Man muß aber wirklich auf Anthroposophie gegründete Menschenerkenntnis in sich tragen, wenn man in jedem Augenblicke dieses Autoritätsverhält­nis in die richtigen Bahnen leiten will.
Sehen Sie, man redet heute in einem gewissen Sinne mit Recht davon -ich sage ausdrücklich in einem gewissen Sinne mit Recht -, Anschauungsunterricht

En wanneer je deze gedachten verder denkt, zeg je: ‘Terwijl het kind tot aan het zevende jaar een nabootser is, is het gedurende de leerplichtige leeftijd tot aan de puberteit erop aangewezen dat hij als vanzelfsprekende richtinggevende kracht de autoriteit van de leraar, van de opvoeder naast zich weet. Daar gaat het om vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit. Je moet diepgaand begrijpen hoe alleen de relatie die er bestaat tussen de leerkracht en opvoeder die op vanzelfsprekende autoriteit berust, op de juiste manier een richting kan bieden. Deze autoriteitsverhouding kan in abstracto makkelijk worden uitgesproken. Je moet echter wel een echte op antroposofie gebaseerde menskunde met je meedragen, wil je op ieder ogenblik deze autoriteitsrelatie in goede banen leiden.
Met recht spreekt men tegenwoordig in een bepaald opzicht, ik zeg met nadruk met recht in een bepaald opzicht – dat er aanschouwelijkheidsonderwijs

Blz. 105

müsse sein. Gewiß, es muß auch Anschauungsunterricht sein für gewisse Gebiete. Aber dasjenige, was nicht anschaulich ist, das kann eben nicht durch den Anschauungsunterricht an das Kind herange­bracht werden. Das ist vor allen Dingen die sittliche Weltordnung, das sind die religiösen Empfindungen, das ist alles dasjenige, was in der Welt das Geistige ist. Das Geistige ist zunächst für die äußeren Sinne unan­schaulich, und wenn man den sogenannten Anschauungsunterricht zu weit treibt, dann erzieht man das Kind direkt zu dem bloßen Glauben an das äußerlich sinnlich Anschauliche, das heißt zum Materialismus. Das­jenige, worauf es aber ankommt im schulpflichtigen Alter, das ist, daß das Kind durch das selbstverständliche Verhältnis zum Lehrer und Erzieher das Gefühl hat: der Mensch, der neben mir steht – es ist, wenn man das ausspricht, natürlich etwas anderes, als es im Kinde lebt, aber das Kind hat es in elementarer Weise -, derjenige, der neben mir steht, der weiß, was richtig ist, der verhält sich so, wie man sich zu verhalten hat, dem muß ich folgen. Während das Kind in den ersten sieben Lebensjahren seine ganze Betätigungsweise nachahmend in die Richtung seiner Umgebung hineinbringt, also ich möchte sagen, vorzugsweise auf Gebärden, auch auf jene inneren Gebärden hin, die in der Sprache hervortreten, sich bildet, bildet sich das Kind im schulpflichtigen Alter unter dem Einfluß desjenigen, was auf das Wort der selbstverständlichen Autorität ihm übertragen werden kann.

moet zijn. Zeker, voor bepaalde gebieden moet dat er zijn. Maar wat niet aanschouwelijk is, kan het kind niet door aanschouwelijkheidsonderwijs aangeleerd worden. Dit zijn allereerst de dingen van een morele wereldorde, dat zijn de religieuze ervaringen, dat is alles wat in de wereld geestelijk is. Het geestelijke is vooreerst voor de uiterlijke zintuigen niet aanschouwelijk en wanneer we met het zgn. aanschouwelijkheidsonderwijs te ver gaan, dan voed je het kind direct op te geloven aan het uiterlijk zintuiglijk aanschouwelijke, dat wil zeggen tot het materialisme. Waar het in de basisschoolleeftijd op aankomt is dat het kind door de vanzelfsprekende relatie tot de leraar en opvoeder het gevoel krijgt: de mens die naast mij staat – het is wanneer je dit zo zegt natuurlijk anders dan het in het kind leeft, maar zo zit dat bij het kind elementair – weet wat goed is, die gedraagt zich zoals het moet, zo wil ik het ook. Terwijl het kind in de eerste zeven levensjaren alles wat het doet nabootsend richt op z’n omgeving, vooral op de gebaren, ook de innerlijke die door het spreken naar buiten komen, vormt het kind in de basisschoolleeftijd onder invloed van wat door het woord van de vanzelfsprekende autoriteit op hem kan worden overgedragen.

Und da muß man gründlich hineingeführt werden durch wahre Menschenerkenntnis in dasjenige, was diese selbstverständliche Autorität sein kann.
Sie werden demjenigen, der wie ich vor vielen Jahren eine «Philoso­phie der Freiheit» geschrieben hat, nicht zumuten, daß er etwa im sozialen Leben einem reaktionären Autoritätsglauben das Wort rede. Das ist nicht aus irgendeiner solchen Absicht heraus, sondern aus pädagogischen und didaktischen Untergründen heraus, daß ich sage:
Das wesentlichste Erziehungsprinzip, die wesentlichste erziehende Kraft zwischen dem siebenten Lebensjahr und der Geschlechtsreife liegt in alle dem, was unter dem Glauben, daß die Autorität das Richtige weiß und das Richtige tut, in das Kind sich hineinsenkt. – Und ohne daß wir auf Autorität hin uns entwickeln, können wir später nicht in einer heilsamen Weise in das soziale Leben eintreten.

En dan moet je wel grondig door echte menskunde je eigen maken wat deze vanzelfsprekende autoriteit kan zijn. U zal degene die vele jaren geleden eenFilosofie van de vrijheidschreef, niet voor de voeten werpen dat hij het voor het sociale leven over een reactionair geloof in autoriteit wil hebben. Dat is beslist niet met die bedoeling, maar vanuit pedagogische en didactische grondbeginselen. Daarom zeg ik: het meest wezenlijke opvoedingsprincipe, die meest wezenlijke opvoedende kracht tussen het zevende jaar en de puberteit is gelegen in alles waarmee je kan geloven dat de autoriteit weet wat het juiste is en het juiste doet en dat dit bij het kind binnenkomt. En zonder dat we ons met autoriteit ontwikkelen, kunnen we later niet op een gezond makende manier deelhebben aan het sociale leven.

Blz. 106

Man muß nur wissen, was es heißt, auf Autorität hin etwas annehmen. Ich weiß, daß ich für viele damit etwas außerordentlich Paradoxes sage, allein im Grunde genommen doch nur für diejenigen, die nicht den Willen haben, das Leben in seiner Ganzheit zu betrachten.
Denken Sie nur, wenn die Natur im zweiten Lebensjahre des Men­schen nicht, sagen wir, unsere Fingerformen so anlegte, daß sie wachsen und gedeihen, wenn die Natur unsere Finger so anlegte, daß sie gewis­sermaßen in feste, schablonenhafte Formen gegossen wären, was mit uns wäre! Wir müssen wachsende, fortwährend in metamorphosierender Organisation sich befindliche Wesen sein als Menschen. Solches Wesen müssen wir auch, indem wir Erzieher sind, in die Seele des Kindes hineingießen. Wir müssen dem Kinde nichts beibringen, was ihm Vor­stellungen, Empfindungen, Willensimpulse erweckt, die gewissermaßen scharfe Konturen haben. So wenig als unsere Finger so bleiben mit ihren Konturen, wie sie im zweiten Lebensjahre sind, sondern durch ihre eigene Kraft wachsen, so müssen alle Vorstellungen, alle Empfindungen, die wir in das Kind hineingießen während der Schulzeit, in sich das Wesen des Wachstums tragen.

Je moet alleen weten wat het betekent dat je iets op gezag aanneemt. Ik weet dat ik voor veel mensen iets buitengewoon paradoxaals zeg, maar uiteindelijk alleen voor degenen die niet de wil hebben om het leven als een geheel te bekijken.
Wanneer de natuur in het tweede levensjaar van de mens onze vingervormen niet zo zou aanleggen dat ze groeien en zich ontwikkelen, wanneer de natuur onze vingers zo aanlegde dat deze op een bepaalde manier in vaste, sjabloonachtige vormen gegoten zouden zijn, wat zou er dan van ons worden! Als mens moeten we wezens zijn die voortdurende groeien, ons organisme moet voortdurend in metamorfose zijn. Maar dat moeten we als we opvoeder zijn, ook in de ziel van het kind laten stromen. We moeten het kind niets bijbrengen wat voorstellingen, gevoelens, wilsimpulsen wekt die op een bepaalde manier scherpe contouren hebben. Net zo min als onze vingers met hun contouren zo blijven zoals ze op ons tweede jaar zijn, maar door hun eigen kracht groeien, zo moeten alle voorstellingen, alle gevoelens die wij het kind geven gedurende de schooltijd, in zich de kwaliteit van groei met zich meedragen.

Wir müssen uns klar sein darüber: was du heute dem achtjährigen Kinde beibringst, das darf nicht eine scharf umrissene Kontur haben, das muß innerliche Wachstumsfähigkeit sein; das muß im vierzigsten Lebensjahre etwas ganz anderes geworden sein können. Du mußt den ganzen Menschen ins Auge fassen können. Derjenige, der das Auton­tätsprinzip für diese Kindesjahre nicht in der richtigen Weise würdigt, hat niemals eine Erfahrung darüber gemacht, was es eigentlich heißt, wenn man zum Beispiel in seinem fünfunddreißigsten Jahre, wie aus einer dunklen Erinnerung heraus einen Begriff bekommt über Geschichte, Geographie oder irgend etwas anderes, oder auch nur einen Begriff aus dem Leben, den man auf die Autorität eines geliebten Lehrers oder Erziehers in seinem neunten Jahre angenommen hat, dazumal noch gar nicht verstanden hat, den man eben nur auf Autorität hin angenom­men hat. Wenn der heraufkommt und mit dem reiferen Verstande begreift man ihn nach Jahrzehnten erst, das ist belebendes Prinzip, das ruft in einem das unbestimmte Gefühl hervor, man braucht es sich gar nicht einmal zum Bewußtsein zu bringen: du hast etwas von deinen

We moeten goed weten: wat je nu aan de achtjarige leert, moet geen vaste contouren hebben, dat moet innerlijke groeipotentie hebben; dat moet op het veertigste jaar iets heel anders geworden kunnen zijn. Je moet de hele mens kunnen zien. Wie voor deze kinderjaren de autoriteit niet hoog genoeg inschat, heeft nog nooit ervaren wat het betekent wanneer je bijv. op je vijfendertigste jaar, vanuit een vage herinnering, begrip krijgt voor geschiedenis, aardrijkskunde of iets anders of een begrip uit het leven dat je door de autoriteit van een geliefde leerkracht of opvoeder op je negende aangenomen hebt, misschien toen helemaal nog niet begrepen, maar wel op gezag aanvaard. Wanneer dat naar boven komt en met het rijper geworden verstand pas na tientallen jaren begrepen, is dat het vitaliserende principe, dat roept bij iemand het onbestemde gevoel op, dat hoef je je niet eens bewust te worden: je hebt iets

Blz. 107

jüngsten Jahren Lebendes in dir auch in deinem Seelenleben. Wir müssen durchaus in dieser Beziehung den Wachstumskräften der Natur nachge­hen können.
Unsere Erziehungsprinzipien, die Methoden, müssen nicht in Para­graphen eingeschnürt werden, sie müssen gewissermaßen aus lebendiger Menschenkenntnis heraus dem Menschen, der zu erziehen, zu unterrich­ten hat, im Blute liegen; dann werden sie so sein, daß sie den Menschen behandeln und nicht, daß sie in den Menschen etwas hineinpfropfen. Dasjenige, was von den großen Pädagogen des 19. und beginnenden 20. Jahrhunderts gesagt worden ist, wird damit nicht negiert; im Gegenteil, es wird erst in der richtigen Weise befolgt.
Derjenige, der ein Waldorflehrer werden will, weiß sehr wohl, daß er nicht in dilettantischer Weise sich einfach in die Schule hineinstellen darf. Er muß alle die Anregungen empfangen, die die Pädagogik des 19. Jahrhunderts, des 20. Jahrhunderts gebracht hat, aber er muß zu gleicher Zeit diese lebendige Menschenerkenntnis, von der ich eben spreche, in die Schule hineintragen. Da möchte man das Goethe-Wort aussprechen: «Das Was bedenke, mehr bedenke Wie.» In bezug auf das Was, das heißt in bezug auf die Grundsätze und Prinzipien, wie unterrichtet werden soll, steht in der Tat in unseren pädagogischen Theorien und didakti­schen Lehr- und Unterrichtsbüchern Ausgezeichnetes.

levends in je vanaf je prilste jaren, ook in je gevoel. We moeten ook in dezen echt de groeikrachten van de natuur kunnen volgen.
Onze opvoedingsprincipes, de methoden, moeten niet in paragrafen vastgelegd worden, die moeten eigenlijk uit een levende menskunde voor de mens die opgevoed en onderwezen moet worden, vlees en bloed worden; dat ze zo zijn dat ze voor de mens betekenis hebben en niet dat de mens volgepropt wordt. Wat zo over de grote pedagogen uit de 19e en het begin van de 20e eeuw gezegd is, wordt daarmee niet genegeerd; in tegendeel, er wordt nu pas op de juiste manier naar gekeken.
Wie vrijeschoolleerkracht wil worden, weet heel goed dat hij niet op een dilettantische manier in de school bezig moet zijn. Hij moet alle aanwijzingen in zich opnemen die de pedagogiek van de 19e en 20e eeuw gebracht heeft, maar tegelijkertijd moet hij die levende menskunde waarover ik spreek de school binnenbrengen. Dan zou ik de woorden van Goethe willen uitspreken:
‘Das Was bedenke, mehr bedenke Wie’ – het gaat niet om het ‘wat’, maar om het ‘hoe’. 
Wat dit ‘Wat’ betreft, d.w.z. wat de basisregels en principes betreft hoe je les moet geven, staan er natuurlijk in onze pedagogische theorieën en didactische leer- en onderwijsboeken uitstekende dingen.

Es steht auch manchmal in ganz kurzen Anleitungen etwas geradezu Idealisches. Aber das ist das Was. Das Was bedenke, mehr bedenke Wie. Es handelt sich gar nicht darum, daß man abstrakte Grundsätze aufstellt, sondern es handelt sich darum, daß man als lebendiger Mensch mit innerlicher Seelenwärme, mit starken Lebensimpulsen diese Grundsätze ins Leben überführen kann. Ich bin vollständig davon überzeugt, wenn sich heute drei oder zwölf, es können auch mehr oder weniger sein, gar nicht beträchtlich gescheite Menschen zusammensetzen und aus ihrem Verstande heraus eine ideale Schule konstruieren, sie wird auf dem Papier mit erstens, zweitens, drittens und so weiter ganz ausgezeichnet sein. Man wird gar nichts Besseres ausdenken können. Die schönsten Ideale kann man ausdenken und zu parteimäßigen Prinzipien von großen Bewegungen, Reformbe­wegungen und so weiter machen. Aber auf all das kommt es ja nicht an

En af en toe staat er in de heel minieme leidraad iets wat op een ideaal lijkt. Maar dat is het ‘Wat’. Het gaat er helemaal niet om dat er abstracte grondregels opgesteld worden, maar wél dat je als levendig mens met innerlijke zielenwarmte, met sterke levensimpulsen deze grondregels tot leven kan brengen
Ik ben er volkomen van overtuigd wanneer er nu drie of twaalf, het kunnen er meer of minder zijn, helemaal niet van die pientere mensen bij elkaar gaan zitten en vanuit hun verstand een ideale school bedenken, dan zal die op papier met een ten eerste, ten tweede, ten derde enz. heel bijzonder zijn. Men kan niets beters meer bedenken. Men kan de mooiste idealen bedenken en tot grote partijprincipes van grote bewegingen, reformbewegingen enz. maken. Maar daar komt het allemaal niet op aan

Blz. 108

im Leben, sondern worauf es im Leben ankommt, das ist, das Leben selbst darauf anzusehen, daß man den lebendigen Menschen hat, der dasjenige tut, was eben gerade unter gegebenen Verhältnissen möglich und notwendig ist. Das Was bedenke, mehr bedenke Wie. Und so kommt es darauf an, daß tatsächlich überall die Liebe zu dem Kinde zugrunde liegt, daß aus diesem lebendigen Erleben heraus an das Unterrichten und an das Erziehen gegangen wird. Dann begründet man selbstverständlich alles in anderer Weise, als es sonst begründet wird. Und da darf ich gewissermaßen noch als einen allgemeinen Grundsatz etwa das Folgende aussprechen. Ich möchte wiederum anschaulich an einem Beispiel davon sprechen. Sehen Sie, man soll dem Kinde veranschaulichen: das Kind kann sich in abgezogene abstrakte Begriffe durch Anschauung hineinfinden, aber man kann auch mit der Anschauung über Abstraktes, über Ethisches, Religiöses in verschiedener Weise verfahren. Nehmen wir zum Beispiel an, ich will einem Kinde in dem entsprechenden Alter einen Begriff beibringen von der Unsterblichkeit der Menschenseele. Ich tue das durch einen Vergleich. Ich kann das aber in zweifacher Weise tun. Die eine ist die, daß ich mir sage: Ich bin der Lehrer, also bin ich sehr gescheit, furchtbar gescheit; das Kind ist noch jung, furchtbar dumm.

in het leven, wel dat je zo naar het leven kijkt dat je daar de levende mens hebt, die uitvoert wat er onder de gegeven omstandigheden mogelijk en nodig is. ‘Das Was bedenke, mehr bedenke Wie’ – het gaat niet om het ‘wat’, maar om het ‘hoe’. 
En zo komt het erop aan dat werkelijk overal de liefde voor het kind de grondslag vormt; dat vanuit dit krachtige beleven begonnen wordt aan het lesgeven en aan het opvoeden. Dan leg je de grondslag vanzelfsprekend anders dan wanneer er een andere basis genomen wordt. En dan zou ik nog als een algemene basisregel het volgende willen uitspreken. Dat doe ik weer aanschouwelijk met een  voorbeeld.
Je moet het kind iets aanschouwelijk maken: het kind kan zich wel in geabstraheerde begrippen inleven, maar je kan ook met de opvatting over het abstracte, het ethische, religieuze verschillend omgaan. Als voorbeeld: ik wil een kind op de daarvoor in aanmerking komende leeftijd een begrip bijbrengen van de onsterfelijkheid van de ziel. Dat doe ik door een vergelijking. Dat kan ik op tweevoudige manier doen. Bij de ene zeg ik: ik ben de leerkracht, dus ben ik heel knap, vreselijk slim; het kind is nog jong, weet nog niet veel.

Also bilde ich einen Vergleich. Ich sage: Sieh dir einmal an, da ist die Schmetterlingspuppe; aus der kommt der Schmetterling heraus. Ich zeige dem Kinde diesen Vorgang anschaulich und sage ihm dann: So wie der Schmetterling aus dieser Puppe herauskommt, so wird einstmals, wenn der Mensch an die Pforte des Todes tritt, die unsterbliche Seele in die geistige Welt sich hineinbegeben. So kann ich an das Kind herantre­ten, diesen Vergleich ausdenken, mir furchtbar gescheit vorkommen dem Kinde gegenüber, aber ich werde nicht viel erreichen. Da kommen eben die Imponderabilien in Betracht. Bin ich aber geschult durch anthroposophische Geisteswissenschaft über das Wesen der Welt, so daß ich weiß: in allem Materiellen ist Geist, dann sage ich gar nicht: ich bin furchtbar gescheit und das Kind ist furchtbar dumm und ich muß etwas ausdenken, sondern ich glaube selbst daran, daß dasjenige, was auf einer höheren Stufe die aus dem Leibe hervorkommende Seele ist, auf einer niederen Stufe durch Naturgesetzmäßigkeit sich hinstellt als das Herauskriechen

Dus maak ik een vergelijking. Ik zeg: kijk eens, daar heb je een vlinderpop; daar komt een vlinder uit. Dat laat ik het kind aanschouwelijk zien en dan zeg ik hem: zoals de vlinder uit deze pop komt, zo zal ooit, wanneer de mens door de poort van de dood gaat, de onsterfelijke ziel naar de geestelijke wereld gaan. Zo kan ik het kind benaderen, kan deze vergelijking bedenken, en me t.o.v. het kind heel slim vinden; maar dan zal ik niet veel bereiken. Want hier speelt het onweegbare mee. Maar ben ik door de antroposofische geesteswetenschap verder gekomen op het gebied van het wezenlijke in de wereld, zodat ik weet: in al het stoffelijke huist de geest; dan zeg ik helemaal niet: ik ben vreselijk knap en het kind weet niet veel en ik moet maar wat bedenken, maar dan geloof ik zelf dat wat op een hoger niveau de ziel is die het lichaam verlaat, op een lager niveau door de wetten in de natuur zich vertoont als het uit de pop komen van de vlinder.

Blz. 109

des Schmetterlings aus der Puppe. Ich glaube selbst an meinen Vergleich. Das ist für mich heilige Überzeugung. Das sind zwei verschie­dene Dinge. Rede ich aus heiliger Überzeugung zu dem Kinde, nun, da berühre ich auf imponderable Weise das Innerste des Kindes. Da rufe ich in ihm dasjenige hervor, was ein lebendiges Empfinden, ein lebendiger Begriff ist; und so kann man sagen, ist es in allen Dingen. Man muß nur weder unterschätzen noch überschätzen dasjenige, was moderne, auf das Äußere gerichtete Wissenschaft sein kann.
Lassen Sie mich ein etwas weithergeholtes Beispiel anführen, nur zum Beleg. Sie wissen ja, es war einmal viel die Rede von den sogenannten rechnenden Pferden. Diese rechnenden Pferde führten ganz besondere Kunststücke auf. Nun, ich habe die Elberfelder nicht gesehen, aber ich habe das Pferd des Herrn von Osten selber gesehen und habe gesehen, wie dieses Pferd tatsächlich mit seinem Fuß, mit seinem ßein auf­stampfte: eins, zwei, drei, vier, fünf, sechs und so weiter, wenn irgend einfache Rechnungsaufgaben gegeben worden sind. Man muß schon Beobachtungssinn für solche Dinge haben, wenn man nicht auf der einen Seite in nebulose Mystik und auf der anderen Seite in Rationalismus verfallen will

Ik geloof zelf in mijn vergelijking. Daarvan ben ik heilig overtuigd. Dat zijn twee verschillende dingen. Spreek ik vanuit een heilige overtuiging tot het kind, dan raak ik op een imponderabele manier het innerlijk van het kind. Dan roep ik bij hem op, wat een levende gewaarwording, een levend begrip is; en dan kun je zeggen, zo zit het met alles. Je moet noch onderschatten, noch overschatten wat de moderne, op het uiterlijk gerichte wetenschap kan zijn.
Mag ik er nog een vergezocht voorbeeld bijhalen, alleen maar als onderbouwing.
U weet dat er eens veel gesproken werd over de zogenaamde rekenende paarden. Deze voerden heel bijzondere kunststukjes op. De Elderfelders heb ik wel niet gezien, maar ik heb het paard van de heer van Osten zelf gezien en gezien hoe dit paard inderdaad met zijn hoef, met zijn been schraapte: een, twee, drie, vier, vijf, zes enzovoort. wanneer er een simpele rekensom opgegeven werd. Voor deze dingen moet je wel een opmerkingsgave hebben om niet aan de ene kant in zweverige mystiek of aan de andere kant in rationalisme te vervallen-

man kann ja da alles erklären. Sehen Sie, da gab es zum Beispiel einen Privatdozenten der Psychologie, der Physiologie, der sah sich auch dieses Pferd des Herrn von Osten an. Der sagte: Ja, dieses Pferd, das stampft mit dem Fuße bei irgendeiner Zahl auf, weil es ganz bestimmte feine Bewegungen in den Mienen, die der Herr von Osten macht, sieht. Und wenn der Herr von Osten dann bei drei mal drei ist neun, die entsprechende Miene macht, dann hört das Pferd auf, mit dem Bein aufzustoßen. Nun mußte natürlich der betreffende gelehrte Mann auch plausibel machen, daß es solche Mienen gibt in dem Antlitz des Pferdebesitzers. Aber es ließen sich solche Mienen in Herrn von Osten nicht nachweisen. Da sagte der gelehrte Mann in einer sehr gelehrten Abhandlung eben: Ja, die Mienen sind so fein, daß sie eben ein Mensch nicht sieht; und ich kann selber nicht sagen, sagte er, worinnen diese Mienen bestehen. – Sie sehen also, diese Gelehrsamkeit, die bestand eigentlich darin, daß er sagte: Ja, ich bin nicht so gescheit, um die Mienen herauszubringen; das ist aber das Roß. Das ist also wesentlich gescheiter als ich oder hat wesentlich feineres Empfindungsvermögen.

het is allemaal te verklaren. En nu was er een professor psychologie, fysiologie, die ook naar het paard van de heer van Osten keek. Hij zei: ja dit paard schraapt met zijn been bij een bepaald getal, omdat het heel bepaalde, fijnzinnige bewegingen in de gelaatstrekken die de heer van Osten maakt, ziet. En wanneer de heer van Osten dan bij drie keer drie is negen de mimiek heeft die daar bij hoort, dan stopt het paard met schrapen. Nu moest de betreffende geleerde man ook plausibel maken dat er in het gezicht van de paardenbezitter ook die mimiek aanwezig was. Maar die mimiek was op het gezicht van de heer van Osten niet te zien. Toen zei de geleerde man in een zeer geleerd artikel: ‘Ja, die gezichtstrekken zijn zo fijn dat een mens die niet ziet en ik kan zelf niet zeggen, zei hij, wat dat voor mimiek is.’  U ziet dat deze geleerdheid dus eigenlijk bestond in het zeggen van: Ja, ik ben niet zo slim om die mimiek te zien, het paard wél. Dat is dus wezenlijk slimmer dan ik of heeft een veel fijner waarnemingsvermogen.

Blz. 110

Wer unbefangener als solch ein gelehrter Mann die Sache betrachtete, der beobachtete, wie der Herr von Osten aus seiner rechten Rocktasche, die sehr groß war, fortwährend Zuckerstückchen herausnahm und, während das Pferd diese Bewegungen machte, seine Rechnungen aus-führte, fortwährend ihm Zuckerstückchen zuführte, so daß das Pferd während seiner Rechnerei fortwährend Zucker schleckte. Und dieses Behandeln des Pferdes bringt nämlich ein ganz besonderes – bitte, mißverstehen Sie mich nicht – Liebesverhältnis hervor, ein besonderes inneres Verhältnis. Das liegt dann den innersten Wirkungen zugrunde, die nun tatsächlich ausgehen. Da muß man schon ausgehen von jener Strömung, die entsteht durch ein solches Anregen der Liebe, wie es mit den Zuckerstückchen geschieht, wenn man einsehen will, welches unter der Oberfläche der gewöhnlichen Beobachtung liegende Verhältnis da ist. Und tatsächlich, man kann nicht im groben Sinne von Hypnotismus und Suggestion sprechen, sondern man muß von ganz anderen feinen Beziehungen sprechen, wenn man auf diese Dinge kommen will. Diese Dinge lassen sich weder mit nebuloser Mystik, noch mit Rationalismus begreifen, sondern nur, wenn man wirklich Seelenerkenntnis hat, in diesem Falle nicht nur menschliche Seelenerkenntnis, sondern auch Seelenerkenntnis für das Tier.

Wie er met meer onbevangenheid dan zo’n geleerde naar kijkt, neemt waar dat de heer van Osten uit zijn rechter jaszak die heel erg groot was, voortdurend suikerklontjes pakte en terwijl het paard die bewegingen maakte, zijn som maakte, gaf hij het voortdurend klontjes, zodat het paard gedurende zijn rekenen suiker slikte. En zo’n omgang met een paard brengt namelijk iets heel bijzonders met zich mee – begrijp me niet verkeerd – een soort liefdesrelatie, een bijzonder intieme relatie. Dat ligt ten grondslag aan de intieme werking die plaatsvindt. Je moet dan uitgaan van een bijzondere stroom die door een dergelijk stimuleren van de liefde ontstaat, zoals met de suikerklontjes gebeurt, wanneer je wil inzien wat er onder de oppervlakte van de gewone waarneming aan relaties speelt. En feitelijk kan je ook niet grofweg spreken van hypnotisme of suggestief optreden, maar je moet over andere intieme verhoudingen spreken wanneer je op deze dingen wil komen. Die kun je noch met mistige mystiek, noch rationalistisch begrijpen, maar alleen wanneer je echte kennis van de ziel hebt, in dit geval niet alleen van de menselijke ziel, maar ook die van het dier.

Und das ist es, worauf es nun vor allen Dingen ankommt, wenn man eine lebendige Pädagogik begründen will im Gegensatze zu einer auf bloßen Prinzipien, auf bloßer äußere, intellektualistisch gefaßte Sätze begründete Pädagogik oder Didaktik. Diese Pädagogik führt einem dazu, dann wirklich das Kind von Jahr zu Jahr beobachten zu können. Und auf dieses Wie kommt es an, auf das individuelle Behandeln eines jeden Kindes selbst in einer größeren Klasse. Man kann das. Das hat die Waldorfschule durchaus gezeigt, schon in den wenigen Jahren, seit denen sie besteht. Ich kann jetzt bloß in großen Linien zeigen, was aber im Konkreten, Einzelnen ausgeführt werden könnte. Da haben wir dann das, daß das Kind in die Schule gebracht wird und zunächst schreiben und nach und nach lesen lernen soll, vielleicht auch rechnen und so weiter; aber -nehmen wir zunächst das Lesen. Das Lesen ist zunächst etwas, das im heutigen Zustande, im heutigen Menschenleben dem Kind eigentlich

En daarop komt het vooral aan wanneer je een levende pedagogiek wil ontwerpen, tegenovergesteld aan een pedagogiek of didactiek die stoelt op alleen maar uitgangspunten, op alleen maar uiterlijke, intellectualistisch opgestelde zinnen. Die levende pedagogiek leidt ertoe dat je het kind werkelijk van jaar tot jaar kan waarnemen. En op dit Hoe komt het aan, op de individuele behandeling van ieder kind in een grotere klas. Dat kan. Dat heeft de vrijeschool laten zien, in die paar jaar dat ze al bestaat.
Ik kan nu alleen maar in grote lijnen aangeven, wat eigenlijk concreet, in detail uitgewerkt zou moeten worden. We hebben het feit dat het kind naar school gebracht wordt en eerst moet leren schrijven en langzamerhand ook lezen, misschien ook moet leren rekenen enz.; maar, laten we nu eens naar het lezen kijken. Lezen is allereerst iets wat, zoals het nu is, in het leven van de mens van nu, voor het kind

Blz. 111

recht fremd liegt. Wenn wir in Urzeiten, in frühere Zeiten zurückgehen, da haben wir noch eine Bilderschrift, da liegt noch in dem einzelnen Schriftzug etwas, was bildhaft zu dem Gegenstande, der bezeichnet werden soll, hinführt. In unserer Zeichenschrift haben wir nichts mehr, was in unmittelbarer Weise anknüpfend an die unmittelbaren Seelen-kräfte, das Kind hinführen würde zu dem, was bezeichnet wird. Daher darf man auch nicht, wenn das Kind mit dem sechsten, siebenten Jahre in die Schule kommt, anfangen, in dieser Weise die Schriftzüge beizubrin­gen. Bei uns in der Waldorfschule geht aller Unterricht, auch der des Schreibens, der dem Lesen vorangeht, aus von einem gewissen appellie­ren an den künstlerischen Sinn des Kindes. Wir bringen dem Kinde zunächst, und zwar von allem Anfang an eine gewisse Möglichkeit bei, sich zeichnerisch mit Farben, nicht bloß mit den Stiften malend zu betätigen, so daß wir aus dem Zeichnen, aus dem Malen, aus dem Künstlerischen, wie wir es in der einfachen Weise an das Kind heran­bringen können, etwas geben, woraus wir dann die Buchstabenformen entstehen lassen. Gewiß, solche Dinge werden auch sonst schon beob­achtet; aber es kommt hier wiederum auf das Wie an.

eigenlijk behoorlijk vreemd is. Ga je terug in de oertijd, in vroegere tijden, dan vind je nog een beeldschrift; daar vind je in de afzonderlijke tekenlijn iets wat verbeeldend uitkomt bij het voorwerp waarom het gaat. In onze schrifttekens hebben wij niets meer wat meteen aansluit bij wat direct beleefbaar is, bij wat het kind zou moeten brengen bij wat er mee bedoeld wordt.
Daarom mag je ook niet, wanneer het kind met 6, 7 jaar op school komt, beginnen op deze manier de lettertekens aan te leren. Bij ons op de vrijeschool gaat al het onderwijs, ook het leren schrijven dat vóór het lezen komt, uit van een bepaald appelleren aan de kunstzin van het kind. We geven het kind meteen vanaf het begin de mogelijkheid tekenend met kleur, niet alleen met [er staat ‘Stiften’: stiften, pennen of waren het griffels waarvan sprake is in GA 311/28) schilderend bezig te zijn, zodat we uit dit tekenen, uit het schilderen, uit het kunstzinnige, zoals wij dat op een simpele manier het kind kunnen aanbieden iets geven waaruit we dan de lettervormen laten ontstaan. Het is zeker zo, dat deze dingen ook elders zo worden gezien, maar het komt opnieuw weer aan op het ‘hoe’.

Vor allen Dingen kommt es darauf an, daß wir an dasjenige, was nicht auf den Intellekt wirkt, bei dem man sich etwas merken muß, sondern was vor allen Dingen auf den Willen wirkt, an das Kind heranbringen, und aus dem heraus, was Zeichnerisch und Malerisch ist, das Kind allmählich führen zu dem, was aus dem Willen aufsteigen kann zu dem intellektuellen Begreifen der Sache. Und so führen wir die Kinder von Stufe zu Stufe, indem wir alles aus der Natur des Kindes heraus entwickeln. Bis auf den Lehrplan hin kann tatsächlich der werdenden Natur des Kindes alles abgelesen werden, was mit ihm zu geschehen hat. Dazu gehört eben anthroposophische Men­schenkenntnis.
Da möchte ich nun darauf aufmerksam machen, daß man zum Beispiel genau beobachten kann wie man das Kind verdirbt, man bringt ihm nicht wachsende Begriffe und wachsende Empfindungen und wachsende Willensimpulse bei, wenn man zu früh damit anfängt, das Kind aufmerk­sam zu machen auf den Unterschied der äußeren Welt mit dem eigenen Seelenleben. Bis ungefähr zum neunten Jahre unterscheidet sich das

Boven alles komt het erop aan dat we aan het kind niet iets geven wat op het intellect werkt, waarbij je iets moet snappen, maar dat we iets geven dat vooral op de wil werkt en dat we met wat getekend en geschilderd is, het kind langzamerhand leiden tot wat uit de wil kan opstijgen tot het intellectuele begrijpen van de zaak. En zo leiden we de kinderen van fase naar fase, wanneer we alles vanuit de natuur van het kind ontwikkelen. Tot aan het leerplan aan toe kan met zekerheid gezegd alles afgelezen worden aan de wordende natuur van het kind en wat er moet hem moet worden gedaan. Daar heb je antroposofische menskunde voor nodig.
Nu wil ik er ook op wijzen dat je heel precies kan waarnemen hoe je het voor het kind verknalt, wanneer je het geen meegroeiende begrippen en meegroeiende ervaringen en meegroeiende wilsimpulsen meegeeft, wanneer je te vroeg begint met het kind bewust te maken van het verschil tussen zijn eigen zielenleven en de uiterlijke wereld. Tot ongeveer het negende jaar maakt het kind geen onderscheid

Blz. 112

Kind überhaupt nicht von der Welt. Nur muß man nicht solche abstrak­ten Begriffe anwenden, wie es manche heute tun, die da sagen: Nun ja, ein Kind, wenn es sich anstößt an einer Tischecke, schlägt den Tisch, weil es den Tisch auch für etwas Lebendiges hält. Das ist natürlich ein Unsinn. Das Kind hält den Tisch gar nicht für etwas Lebendiges; es behandelt den Tisch so wie ein anderes Kind, weil es nicht unterscheidet zwischen sich und dem Tisch; das Lebendige spielt dabei noch gar keine Rolle. Der Begriff dafür ist noch nicht da. Man muß überall mit realen, mit wirklichen Begriffen rechnen, nicht mit dem, was man sich einbildet. Was man bis zum neunten Jahr an das Kind heranbringt, muß durchaus einen rein menschlichen Charakter haben, muß sozusagen überall vor­aussetzen, daß das Kind sich in die Welt hereinstellt und alles dasjenige, was es sieht, gerade so zu sich rechnet, wie seinen eigenen Organismus. Gewiß, wenn man in grober Weise unterscheiden will, kann man auf das oder jenes hinweisen, wo das Kind sich unterscheidet von seiner Umge­bung; aber die feinere Ausbildung kann man nicht haben, wenn man nicht alles wirklich belebt, wenn man nicht alles zu einem Gleichnis macht, nicht zu einem toten, sondern zu einem lebendigen Gleichnis macht, was man dem Kinde über Leben und Tod zwischen dem sieben­ten und neunten Jahre beibringt.

tussen zichzelf en de wereld. Nu moet je niet van die abstracte begrippen hanteren zoals sommigen doen wanneer ze zeggen: nou ja, een kind dat zich aan de punt van een tafel stoot, geeft die tafel een klap, omdat het de tafel voor een levend ding aanziet. Dat is natuurlijk onzin. Het kind beschouwt de tafel helemaal niet als iets levends; het gaat met de tafel om zoals het dat doet met een ander kind omdat het geen onderscheid maakt tussen zichzelf en de tafel; of het leeft speelt daarbij nog helemaal geen rol. Er bestaat nog geen begrip voor. Je moet overal met reële begrippen werken, niet met wat je je inbeeldt. Wat je het kind voor het negende jaar meegeeft, moet echt een puur menselijk karakter hebben, moet zogezegd er bij alles van uitgaan dat het kind zo in de wereld staat en alles wat het ziet vooral op zichzelf betrekt, als betrof het zijn eigen organisme. Zeker, als je grofweg een onderscheid wil maken, kan je op het een of het ander wijzen waarbij het kind zich wél onderscheidt van zijn omgeving; maar de fijnzinnigere vorming kan niet tot stand komen, wanneer je niet alles echt levend brengt, wanneer je niet van alles een gelijkenis maakt; niet een dode, maar een levende gelijkenis, voor wat je het kind over leven en dood tussen het zevende en negende jaar bijbrengt.

Zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre tritt etwas außeror­dentlich Wichtiges für das Kind ein. Das Kind lernt eigentlich erst dann sich von seiner Umgebung richtig unterscheiden. In diesem Lebensjahr können wir dem Kinde eigentlich erst die vom Menschen unabhängige Pflanzen- oder Tieresnatur wirklich nahebringen. Aber da geht über­haupt etwas sehr Erhebliches in der Kindesnatur vor. Und da handelt es sich darum, daß der Lehrer oder Erzieher tatsächlich zu beobachten versteht, wie es bei dem einen Kinde früher, bei dem anderen etwas später kommt; da geht im tiefsten Gemüte des Kindes etwas vor. Es wird ein anderes Wesen. Es lernt sich gefühlsmäßig, nicht durch Begriffe, von der Welt unterscheiden. Wenn man den Zeitpunkt in der richtigen Weise beobachtet, dadurch, daß man das rechte Wort, das rechte Verhalten gerade zwischen dem neunten und zehnten Jahre findet, kann man dadurch etwas tun, was dann für das ganze Leben des Kindes von ungeheurer Wichtigkeit ist. Man kann in diesem Zeitabschnitte des

Tussen het negende en tiende jaar vindt er bij het kind iets buitengewoon belangrijks plaats. Dan leert het kind zich daadwerkelijk pas goed van zijn omgeving te onderscheiden. In dit levensjaar kunnen we het kind nu pas plant- en dierkunde geven die niet afhangen van de mens. In de natuur van het kind vindt iets heel belangrijks plaats. Nu gaat het erom dat de leerkracht of de opvoeder echt in staat is bij het kind waar te nemen hoe dit bij het ene kind vroeger, bij het andere kind later komt; diep in de ziel van het kind gebeurt er iets. Het wordt een ander wezen. Het leert zich gevoelsmatig van de wereld te onderscheiden, niet door begrippen. Wanneer je dat tijdstip op de juiste manier in de gaten hebt door het juiste woord te vinden, de goede houding, dus tussen het negende en het tiende jaar, kun je iets doen wat voor het hele leven van het kind buitengewoon belangrijk is. Je kan in deze tijd van het

Blz. 113

kindlichen Lebens etwas zur Verödung bringen, so daß das Kind unter Zweifeln, unter innerer Verödung, unter innerer Unbefriedigtheit das ganze Leben hindurchgeht. Oder aber man kann, wenn man selber die innere Lebendigkeit hat, wenn man so viel Mitgefühl hat, daß man in der richtigen Weise diesen Zeitpunkt auffaßt, daß man gewissermaßen in das kindliche Wesen untertaucht und aus dem Kinde selbst heraus die richtigen Worte, das richtige Tun findet, dann kann man für das Kind ungeheuer Bedeutsames in diesem wichtigsten Zeitpunkte tun. Und auf die Beobachtung der richtigen Zeitpunkte im kindlichen Lebensalter für das oder jenes, auf dieses kommt es bei so etwas, wie es die Waldorf­schul-Pädagogik und -Didaktik ist, besonders an.
Von diesem Zeitpunkt an ist durchaus die Möglichkeit vorhanden, an das Kind schon dasjenige heranzubringen, was einfache Beschreibung von Pflanzen, einfache Beschreibung von Tieren ist und so weiter; während man vorher das alles gleichnismänig behandeln muß. Und zwischen dem elften und zwölften Jahre, eigentlich erst um das zwölfte Lebensjahr herum beginnt die Möglichkeit, dem Kinde dasjenige beizu­bringen, was dann Gegenstand des Physikalischen, des Unorganischen ist.

kinderleven iets armelijks brengen, zodat het kind met twijfels, met een innerlijke armoede, met innerlijke ontevredenheid door het verdere leven gaat. Of je kan, wanneer je zelf de innerlijke levendigheid hebt, wanneer je zoveel compassie hebt dat je op een goede manier dit tijdstip begrijpt, dat je op een bepaalde manier op kan gaan in het wezen van het kind en vanuit het kind zelf de juiste woorden, het juiste handelen vindt, dan kan je voor het kind bijzonder veel belangrijks doen. En op het waarnemen van het juiste tijdstip in de kinderleeftijd voor dit of voor dat komt het bij zoiets als de vrijeschoolpedagogiek en didactiek bijzonder aan.
Vanaf dit tijdstip is het dan heel goed mogelijk voor het kind eenvoudige beschrijvingen van planten en dieren te geven enz., terwijl je daarvóór alles in gelijkenissen moet behandelen. En tussen het elfde en het twaalfde jaar, eigenlijk rond het twaalfde, ontstaat pas de mogelijkheid het kind te leren wat in de natuurkunde, in de scheikunde de onderwerpen zijn.

Erst da, nachdem das Kind alles dasjenige innerlich aufgenommen hat, was es so recht ins Leben hineinstellt, erst da kann man dann durch das Lebendige hindurch auf das Unlebendige hinweisen.
Und so führt man das Kind – ich erwähne nur einzelne charakteristi­sche Dinge, die ich mehr beispielsweise herausgreife – bis zu demjenigen Alter, mit dem auch in der Regel die Volksschule abschließt, zum Alter der Geschlechtsreife.
Was wird heute alles über die Geschlechtsreife diskutiert, philoso­phiert, psychoanalysiert und so weiter. Dasjenige aber, um was es sich handelt, ist, daß man sieht: geradeso wie mit dem Zahnwechsel ein wichtiger Lebensabschnitt dasteht, so steht mit der Geschlechtsreife ein wichtiger Lebensabschnitt da. Die Geschlechtsreife selbst ist nur ein Glied in einer Metamorphose, die vieles, das ganze Menschliche in diesem Lebensalter umfaßt. Was beim Kinde durch den Zahnwechsel aufgetreten ist, das ist, daß seine inneren Seelenkräfte frei geworden sind, die früher im Organismus gewirkt haben. Zwischen dem siebenten und etwa dem vierzehnten Jahre hat man es zu tun mit dem, was man so

Pas als het kind innerlijk alles opgenomen heeft, wat het zo echt z’n plekje in het leven geeft, kan je daarna door het levende naar het niet-levende wijzen.
En zo leid je het kind – ik noem maar een paar karakteristieke dingen die ik meer als voorbeeld gebruik – tot de leeftijd waarop ook meestal de basisschool wordt afgesloten, naar de puberteit.
Wat wordt er tegenwoordig niet gediscussieerd, gefilosofeerd, psychoanalyse bedreven, enz. Maar waar het om gaat is, dat je ziet: zoals we met de tandenwisseling te maken hebben met een belangrijke cesuur in het leven, zo hebben we dat ook met de geslachtsrijpheid. De geslachtsrijpheid zelf is slechts een onderdeel van een metamorfose die op deze leeftijd veel van de hele mens omvat. Wat er bij de tandenwisseling met het kind is gebeurd, is dat zijn innerlijke zielenkrachten vrijgekomen zijn die voordien aan het organisme werkten. Tussen het zevende en ongeveer het veertiende jaar heeft de mens te maken, met wat je zo

Blz. 114

recht aus dem Kinde entwickeln kann auf die Art, wie ich heute davon gesprochen habe. Mit der Geschlechtsreife tritt das Kind in dasjenige Lebensalter ein, wo es gewissermaßen erst in der richtigen Weise der Außenwelt gegenüber urteilsfähig auftritt. Während es früher sein eige­nes Wesen aus den Tiefen seines Organismus heraus an die Oberfläche gebracht hat, wird es jetzt fähig, das Geistige der Welt als solches aufzunehmen. Das ist eines der größten Erziehungsprobleme, und auch eines der bedeutendsten Probleme einer wirklichen lebenskräftigen Didaktik, wie man das Kind zu erziehen hat zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre, um es in einer ganz selbstverständlichen Weise heranzubringen an das Alter, wo es eigentlich erst zu einem selbständi­gen, individuellen Verhalten zur Welt, zu dem Verhalten, das in der geschlechtlichen Liebe eben nur einen Ausschnitt hat, bringen kann. Dasjenige, was in der geschlechtlichen Liebe, in der Liebe zu einem anderen Menschen hervortritt, das ist eben nur ein Glied in dem gesamten sozialen Leben des Menschen.
Wir müssen den Menschen dazu bringen, daß er sein Inneres so weit reif macht, daß er nun mit Interesse die Dinge der Außenwelt verfolgt, daß er nicht an den Dingen vorübergeht, zu denen er in Liebe sich hingetan fühlen soll. Wir müssen den Menschen zum sozialen Wesen entwickeln bis zur Geschlechtsreife hin.

goed vanuit een kind kan ontwikkelen op de manier zoals ik daar vandaag over heb gesproken. Met de puberteit komt het kind in de leeftijdsfase waarin het in zekere zin pas op een goede manier tegenover de buitenwereld in staat is met oordelen te komen. Bracht het eerder nog zijn eigen wezen uit de diepten van zijn organisme naar buiten, nu is het in staat het geestelijke in de wereld als zodanig op te nemen. Een van de grootste opvoedingsproblemen en ook een van de belangrijkste problemen bij een werkelijk levenskrachtige didactiek is, hoe je het kind tussen het zevende en het veertiende jaar op moet voeden om het op een heel vanzelfsprekende manier naar de leeftijd te begeleiden waarop het eigenlijk pas tot een zelfstandige, individuele verhouding tot de wereld komt, tot een relatie die in de vorm van de geslachtelijke liefde maar een onderdeel is. Wat in de geslachtelijke liefde, in de liefde voor een ander mens naar voren komt, is maar een deel van het totale sociale leven van de mens.
We moeten de mens ertoe brengen dat hij zijn innerlijk in zoverre rijp maakt, dat hij nu met interesse de dingen in de uiterlijke wereld volgt, dat hij niet aan de dingen voorbij gaat waartoe hij zich liefdevol aangetrokken zou moeten voelen. We moeten de mens tot een sociaal wezen ontwikkelen tot aan de geslachtsrijpheid aan toe.

Wir müssen den Menschen aber auch in einer gewissen Weise zum frommen Wesen entwickeln, fromm nicht im muckerischen Sinne, sondern in dem Sinne, daß der Mensch tatsächlich jenen Ernst in sich entwickelt, durch den er hineinwächst in ein Leben, das überall das äußerliche Sinnlich-Physische von dem Geisti­gen durchdrungen weiß; das nicht sich begnügt an der Beobachtung des bloßen äußerlich Physisch-Sinnlichen, sondern das die geistigen Grund­lagen überall zu sehen vermag. Wir müssen dem Menschen in der Zeit, in der er uns sein eigenes Wesen entgegenbringt und an unsere Autorität glaubt, in uns selbst das entgegentragen, was für ihn gewissermaßen die Welt ist. Hat er in uns eine Welt gefunden, indem wir seine Lehrer und Erzieher sind, dann steht er in der richtigen Weise vorbereitet zum frommen, vorbereitet zum sozialen Wesen vor der Welt. Wir entlassen ihn aus unserer Autorität, die für ihn die Welt gab, in die Welt selber.

Maar op een bepaalde manier moeten we de mens ook tot een vroom wezen ontwikkelen; vroom niet in een onoprechte zin, maar zo opgevat dat de mens echt die ernst in zich ontwikkelt waardoor hij zo in het leven staat dat hij overal de zintuiglijk-fysieke wereld doordrongen weet van iets scheppends; dat hij niet tevreden is met alleen het uiterlijk-zintuiglijke, maar dat hij overal de geestelijke grondslag kan zien. We moeten voor de mens in de tijd waarin hij zijn wezen voor ons openstelt en aan onze autoriteit gelooft, in ons zelf oproepen wat voor hem op een bepaalde manier de wereld is. Heeft hij bij ons een wereld gevonden doordat wij zijn leraar en opvoeder zijn, dan is hij op een goede manier voorbereid voor de ernst, voor het sociale in de wereld. We laten hem vanuit onze autoriteit die voor hem de wereld was, zelf de wereld in gaan.

Blz. 115

Ich deute mit wenigen Worten eines der bedeutsamsten Erkenntnisprobleme an. Wer ein Kind zu früh zum Urteil entwickelt, zum selbständigen Urteilen, der bringt Todeskräfte statt lebendige Kräfte in das sichentwickelnde Kind hinein. Allein derjenige, der mit seiner Autorität so wirkt, daß er dem Kinde wirklich den selbstverständlichen Glauben erweckt, er tue das Richtige und er sage das Richtige, und es dürfe hingenommen werden, wer also in diesem Sinne der Repräsentant der Welt ist für das Kind, der bereitet es nicht durch Beherrschung seines Verstandes, nicht durch Beherrschung irgendwelcher Urteilsfähigkeiten, sondern der bereitet es durch seinen lebendigen Menschen selber darauf vor, an der Welt nun wie ein lebendiger Mensch sich weiter zu entfalten. Leben muß an Leben entwickelt werden. Nicht indem wir von abstrakter Anschaulichkeit, von abstrakten intellektualistischen Begriffen ausgehen, sondern indem wir dem Kinde entgegenbringen eine Welt in einem lebendigen Menschen, machen wir es zu einem wirklichen Weltbürger.

Ik duid met een paar woorden een van de belangrijkste kennisproblemen aan. Wie een kind te vroeg tot oordelen brengt, tot zelfstandig oordelen, brengt in het zich ontwikkelende kind doodskrachten aan i.p.v. levenskrachten. Alleen degene die met zijn autoriteit zo werkt dat hij bij het kind het vanzelfsprekende geloven wekt, doet het juiste en hij zegt het juiste en het mag aangenomen worden; wie op deze manier voor het kind de representant is van de wereld, die bereidt het niet alleen voor door het beheersen van het verstand, niet door het beheersen van bepaalde oordeelvermogens, maar die bereidt het door zijn eigen mens van vlees en bloed zijn, zelf voor, zich aan de wereld ook als een mens van vlees en bloed zich verder te ontwikkelen. Het leven moet ontwikkeld worden aan het leven. Niet door van abstracte aanschouwelijkheid uit te gaan, van abstracte intellectualistische begrippen, maar door het kind een wereld te geven die in een mens van vlees en bloed leeft, ontwikkelen we het tot een echte wereldburger.

Das alles läßt sich in einigen Strichen ja charakterisieren, aber es setzt eben voraus, daß man in die Einzelheiten der sich entwickelnden Kin­deskräfte, ich möchte sagen, von Tag zu Tag hineinschauen kann. Dann wirkt die Art und Weise, wie man selber irgend etwas durch die Türe in die Klasse hineinträgt so, daß das Kind in der Tat an dem Leben des Erziehenden, des Lehrenden sich heraufrankt zum eigenen Leben. Dann braucht man auch nicht solch Dilettantisches etwa zu sagen wie: Das Lernen soll den Kindern Freude machen. – Das sagen ja heute viele. Man versuche es nur einmal, wie weit man mit solch einem abstrakten Grundsatz kommt! Das Lernen kann in vielen Beziehungen den Kindern nicht Freude machen; aber man soll durch dasjenige, was man an Leben hineinbringt in die Arbeit der Schule, die Kinder so heranerziehen, daß sie auch an dasjenige, was ihnen nicht Freude macht, mit einer gewissen Neugierde, mit einer gewissen Wißbegierde herantreten, daß ihnen die ganze Art und Weise wie der Lehrer vorgeht, eine Vorbereitung dafür ist, was sie durch ihn wissen können. Dann kommt es zur selbstverständlichen Entwickelung des Pflichtge­fühles. Damit weisen wir aber auf etwas, was überhaupt viel tiefer noch liegt als innerhalb des bloßen Erziehungsgebietes. Damit weisen wir auf etwas hin, wo eine wirklich aus einem geistigen Untergrunde hervorgeschöpfte

Dit kan je allemaal wel met een paar trekken karakteriseren, maar vooraf gaat wel, dat je de finesses van de zich ontwikkelende krachten in het kind, van dag tot dag kan waarnemen. Dan werkt de manier waarop je zelf iets de klas inbrengt zo, dat het kind daadwerkelijk aan het leven van de opvoeder, van de leerkracht zich kan optrekken voor zijn eigen leven. Dan hoef je ook niet iets dilettantisch te zeggen zoals: het leren moet de kinderen plezier geven. Dat zeggen veel mensen tegenwoordig. Maar probeer maar eens hoe ver je met zo’n abstract uitgangspunt komt! In veel opzichten kan het leren een kind geen plezier geven; maar je moet door wat je aan leven in het schoolwerk brengt, de kinderen zo opvoeden dat ze ook aan waar ze geen plezier aan beleven, met een bepaalde nieuwsgierigheid, met een bepaalde vorm van willen weten, toch meedoen; dat voor hen de hele manier waarop de leerkracht handelt, een voorbereiding is voor wat ze door hem kunnen weten. Dan ontstaat ook de vanzelfsprekende ontwikkeling van het plichtsbesef. Daarmee wijzen we echter op iets wat echt nog veel dieper ligt dan alleen maar op het gebied van de opvoeding. We wijzen daarmee op iets waarmee een echte, uit geestelijke ondergronden geputte

Blz. 116

Pädagogik und Didaktik unmittelbar in eine Befruchtung unse­res gesamten Kulturlebens ausreifen kann.
Wir verehren ganz gewiß in Schiller und Goethe tonangebende Gei­ster, und demjenigen, der sich durch mehr als vierzig Jahre, wie ich, mit Goethe und mit Schiller beschäftigt hat und manches über die beiden geschrieben hat, dem werden Sie nicht zumuten, daß er nicht mit voller, innigster, wärmster erkennung diesen Geistern gegenübersteht. Al­lein eines ist es, auf das ich hier in diesem Zusammenhange aufmerksam machen möchte.
Als Schiller, nachdem er sich zuerst entfernt hatte von Goethe aus allerlei menschlichen Gründen, in den neunziger Jahren des 18. Jahrhun­derts Goethe dann in inniger Freundschaft nahetrat, da schrieb Schiller seine berühmten, aber leider heute viel zuwenig gelesenen und studierten «Briefe über die ästhetische Erziehung des Menschen». Er schrieb sie unter dem Eindruck dessen, wie Goethe arbeitete, wie Goethe dachte, wie Goethe sich in der Welt verhielt. In diesen Briefen über ästhetische Erziehung befindet sich ein merkwürdiger Satz: Der Mensch ist nur dann ganz Mensch, wenn er spielt, und er spielt nur, wenn er im vollsten Sinne des Wortes Mensch ist. 

pedagogiek en didactiek direct kan uitgroeien tot iets wat ons hele cultuurleven kan bevruchten.
In Schiller en Goethe vereren we zeer zeker toonaangevende geesten en degene die meer dan veertig jaar, zoals ik, met Goethe en Schiller bezig is geweest en veel over hen heeft geschreven, zal u niet voor de voeten werpen dat hij niet met de meest volle, welgemeende en warme erkenning ten opzichte van deze geesten staat. Er is alleen één ding waar ik in dit verband op wil wijzen.
Toen Schiller, nadat hij zich eerst van Goethe afzijdig hield om allerlei menselijke redenen, in de jaren negentig van de 18e eeuw Goethe weer met diepe vriendschap benaderde, schreef Schiller zijn beroemde, maar helaas tegenwoordig weinig gelezen en bestudeerde ‘Brieven over de esthetische opvoeding van de mens’. Hij schreef deze onder invloed van hoe Goethe werkte, hoe Goethe dacht, hoe Goethe in de wereld stond. In deze brieven staat een merkwaardige zin: De mens is alleen maar dan geheel mens, wanneer hij speelt, en hij speelt immers alleen maar indien hij in de volle betekenis van het woord mens is.

Schiller will damit hinweisen darauf, wie das äußere Leben den Menschen im Grunde genommen in eine Art Sklavenzustand versetzt, wie der Mensch unter der äußeren Lebensnot­wendigkeit seufzt, wie er gewissermaßen untertauchen muß unter etwas, das ihn ins Joch zwingt, während er nur als Verrichter des Künstleri­schen, als Schöpfer des Künstlerischen, als künstlerisch Genießender seinen eigenen Antrieben folgt; wenn er etwa sich so verhält wie das spielende Kind, das dasjenige, was es verrichtet, nur aus innerstem Lebenstriebe heraus tut. Schön ist es, wunderschön und echt menschlich gedacht, was Schiller in diesen ästhetischen Briefen vorbringt. Allein es zeigt doch auf der anderen Seite nur, daß, indem die moderne naturwissenschaftliche Kultur, die moderne technische Kultur herauf-rückte, solch auserlesene Geister wie Goethe und Schiller für die rechte Würdigung des Menschen glaubten die Anforderung stellen zu müssen, der Mensch müsse aus dem Leben heraus, er müsse gewissermaßen aus der Arbeit heraus ins Spiel herein, um voll Mensch zu werden. Wir fühlen heute, wenn wir die sozialen Verhältnisse, die uns das 20. Jahrhundert

Schiller wil daarmee wijzen op het feit dat het uiterlijke leven van de mens basaal beschouwd in een soort slaventoestand gekomen is, hoe de mens onder de uiterlijke levensnoodzaak gebukt gaat, hoe hij in zekere zin op de knieën wordt gedwongen door het dwingend drukkende juk, terwijl hij alleen zijn eigen impulsen volgt als hij iets kunstzinnigs uitvoert, als schepper van iets kunstzinnigs, van iets kunstzinnigs geniet; wanneer hij zich gedraagt als het spelende kind dat wat het doet, alleen maar vanuit zijn meest innerlijke levensdrift doet. Het is mooi, wondermooi en echt menselijke gedacht, wat Schiller in deze esthetische brieven naar voren brengt. Maar aan de andere kant toont het alleen wel, dat als de moderne natuurwetenschappelijke cultuur, de moderne technische cultuur opkomt, zulke voortreffelijke geesten als Goethe en Schiller geloofden dat ze voor de echte achting voor de mens de eis te moeten stellen dat de mens uit dat leven, in zekere zin uit dat werk, in het spelelement zou moeten komen om een volledig mens te worden. Wij voelen tegenwoordig wanneer wij de sociale omstandigheden

Blz. 117

geschaffen hat ins Auge fassen, ganz anders dem Leben gegen­über. Wir fühlen: wir haben die unendliche Last der Schwere auf uns, die ja davon herkommt, daß wir begreifen lernen müssen, wie jeder Mensch sich in die Arbeit des Lebens hineinstellen müsse, wie das Leben lebenswert sein muß in sozialer Beziehung, in individuell menschlicher Beziehung, indem wir uns nicht in das Spiel bloß, indem wir uns in die Arbeit in einer menschenwürdigen Weise hineinfinden. Deshalb beginnt heute die soziale Frage bei der Erziehungs-, bei der Unterrichtsfrage, weil wir lehren müssen, weil wir erziehen müssen in dem Sinne, daß der Mensch zum Arbeiter wird, weil wir den Pflichtbegriff schon in der Schule in der richtigen, in der selbstverständlichen Weise, nicht durch Ermahnungen und Predigten, heranerziehen müssen. Das können wir nur auf eine solche Art, wie das angedeutet worden ist aus einer richtigen, mit guter Grundlage versehenen Menschenerkenntnis heraus.
Da begründen wir dann wahre Arbeitsschulen, nicht Schulen, in denen etwa der Grundsatz aufgestellt wird, daß man möglichst das Unterrichten und Erziehen in Tändelei verwandeln soll, sondern wo durch das Leben, das die Autorität in die Schule hineinträgt, auch das Schwerste von dem Kinde hingenommen wird, das Kind gerade sich herandrängt zu dem, was zu überwinden ist, nicht zu dem, was es nur gerne tut.

die de 20e eeuw gebracht heeft, bekijken, ons heel anders t.o.v. het leven. Wij voelen: we hebben een grenzeloze last op onze schouders en dat komt omdat wij moeten leren begrijpen, hoe ieder mens zich moet verhouden tot het werk in het leven, hoe het leven waard moet zijn, geleefd te worden, wat het sociale betreft en wat het individueel menselijke betreft, wanneer wij ons niet alleen maar enkel in het spel, maar wanneer we ons in het werk op een menswaardige manier ook goed voelen. Daarom begint vandaag de dag de sociale vraag bij de opvoeding – bij het vraagstuk van het onderwijs, omdat wij les moeten geven, om dat we moeten opvoeden op zo’n manier dat de mens actief in het werk komt te staan, omdat wij het begrip plicht al op school op een adequate, op een vanzelfsprekende manier, niet door vermaningen en preken, aan moeten leggen. Dat kan alleen maar op de manier die hier aangegeven is vanuit een echte menskunde die stoelt op een goede basis. Dan roepen we echte scholen in het leven waar gewerkt wordt, geen scholen waarvoor de grondregel opgesteld wordt dat je zoveel mogelijk het onderwijs en de opvoeding moet veranderen in iets speels, maar waar door het leven dat de autoriteit de school binnenbrengt, ook het moeilijkste door het kind aanvaard wordt, en er moeite voor doet, en niet alleen maar doet wat het fijn vindt.

Darauf ist nun auch gerade die pädagogische Grundlage der Waldorf­schule angelegt, daß das Kind in der richtigen Weise arbeiten lernt, daß das Kind mit seinem ganzen vollen Menschen herangeführt wird an die Welt, die in sozialer Beziehung die Arbeit fordert, die auf der anderen Seite aber auch fordert, daß der Mensch dem Menschen selbst in der richtigen Weise, und vor allem sich selbst in der richtigen Weise gegen­übersteht. Aus diesem Grunde haben wir zum Beispiel in der Waldorf-schule neben dem gewöhnlichen Turnen, das aus der Physiologie des Leibes heraus erwachsen ist und in dieser Beziehung außerordentlich günstig wirkt, eingeführt die Eurythmie, welche Leib, Seele und Geist ausbildet, welche eine sichtbare Sprache ist.
Man kann in Dornach kennenlernen, was man unter Eurythmie versteht, wie es tratsächlich, geradeso wie es hörbare Sprachen und den Gesang gibt, so ein Sprechen gibt durch Gesten und Gebärden, nicht

In de pedagogische uitgangspunten van de vrijeschool is juist ook verankerd dat het kind op een goede manier leert werken, dat het kind als volledig mens de wereld leert kennen, die wat het sociale betreft, werk vraagt, die aan de andere kant ook eist dat de mens op een goede manier staat t.o.v de andere mens en vooral t.o.v. zichzelf. Daarom hebben we bijvoorbeeld op de vrijeschool naast de gewone gymnastiek die uit de fysiologie van het lichaam ontstaan is en wat dat betreft buitengewoon goed werkt, euritmie ingevoerd die lichaam, ziel en geest ontwikkelt, het is een zichtbare spraak. Je kan in Dornach leren kennen wat er onder euritmie wordt verstaan, hoe dat er in feite net zo is als spraak en zingen die je kan horen, een spreken door gebaren, niet

Blz. 118

durch Mimik, sondern durch regelmäßige, aus der Organisation des Körpers herausgeholte Bewegungen der menschlichen Glieder oder Bewegungen von Menschengruppen, wodurch dasselbe ausgedrückt werden kann, was durch die hörbare Sprache oder den Gesang ausge­drückt wird. Und wir haben in der Waldorfschule in den letzten zwei Jahren durchaus schon sehen können, wie von der untersten bis in die obersten Schulklassen die Kinder, wenn diese Eurythmie richtig gepflegt wird, sich mit derselben Selbstverständlichkeit in sie hineinfinden, wie sich das kleinere Kind in die Sprache hineinfindet.
Ich habe dieses einmal auseinandergesetzt in einer Einleitung zu einer Eurythmieaufführung in Dornach. Da war einer der berühmtesten Phy­siologen der Gegenwart dabei – wenn ich Ihnen den Namen nennen würde, würden Sie erstaunt sein -, der sagte mir, nachdem ich gesagt hatte: Wir wollen das Turnen nicht verkennen, aber eine zukünftige Zeit wird unbefangener urteilen, wird das geistig-seelische Turnen der Eurythmie in seinem Werte einsehen neben dem gewöhnlichen Turnen -der kam zu mir und sagte: Sie haben gesagt, daß sich das Turnen in günstiger Weise in die moderne Erziehung hineinstellt, daß es auf Physiologie begründet ist. Ich als Physiologe sage, das Turnen ist eine Barbarei. – Das sage nicht ich, das sagt einer der berühmtesten Physiolo­gen der Gegenwart.

door mimiek, maar door op elkaar volgende bewegingen die uit de organisatie van het lichaam gehaalde bewegingen van de menselijke ledematen zijn of bewegingen van groepen mensen waardoor hetzelfde tot uitdrukking kan komen wat door de hoorbare spraak en het zingen uitgedrukt wordt.
Ik heb dit eens uiteengezet in een inleiding bij een euritmieopvoering* in Dornach. Daarbij was een van de beroemdste fysiologen van tegenwoordig aanwezig – wanneer ik u zijn naam zou noemen, zou u verbaasd zijn – die tegen me zei, nadat ik had gezegd: wij verketteren de gymnastiek niet, maar een toekomstige tijd zal meer onbevangen oordelen, die zal de de waarde van de geest-zielengymnastiek van de euritmie inzien, naast de gewone gymnastiek – die kwam naar me toe en zei: u hebt gezegd dat de gymnastiek op een gunstige manier zijn plaats heeft in de moderne opvoeding, dat het op fysiologie berust. Ik als fysioloog zeg, dat de gymnastiek iets barbaars is. –
Dat zijn niet mijn woorden, dat zegt een van de beroemdste fysiologen van deze tijd.

Gerade so etwas kann einen dazu führen, daß der Satz richtig ist: Das Was bedenke, mehr bedenke Wie. – Man kann wirklich innerlich aufjauchzen manchmal bei demjenigen, was in unseren pädagogischen und didaktischen Handbüchern steht, was die großen Pädagogen gelei­stet haben; aber man muß das richtige Wie finden, muß finden, wie das richtig Gedachte richtig ins Leben eingeführt werden kann. Das aber muß gerade der Waldorflehrer jeden Tag aufs neue finden. Denn dasjenige, was Leben haben soll, das muß eben auf Leben begrün­det sein. Geisteswissenschaft selbst führt den Menschen zuletzt dahin, daß er Wahrheiten durchschaut, welche jeden Tag aufs neue, selbst wenn sie jeden Tag dieselben sind, jeden Tag aufs neue ihn ergreifen. Mit unserem gewöhnlichen, auf die materiellen Dinge bezüglichen Wissen rechnen wir auf die Erinnerung. Was einmal aufgenommen ist, daran erinnert man sich dann, das ruft man hervor aus dem Schatz seines

Juist zoiets kan iemand ertoe brengen, dat de zin juist is: Het Wat kun je bedenken, maar denk meer aan het Hoe. Je kan innerlijk heel vaak echt van vreugde opspringen bij wat in onze pedagogische en didactische handboeken staat, wat de grote pedagogen gepresteerd hebben; maar je moet wel het juiste Hoe vinden, moet vinden hoe wat juist gedacht is, goed in het leven een plaats kan krijgen. En dat moet de vrijeschoolleerkracht nu juist iedere dag opnieuw vinden. Want wat moet leven, moet als basis leven hebben. Geesteswetenschap leidt de mens uiteindelijk naar waar hij waarheden doorziet, die iedere dag opnieuw, zelfs als die iedere dag hetzelfde zijn, als hij daar iedere dag door geraakt wordt. Met ons doorsnee weten dat op de materie gericht is, vertrouwen we op ons geheugen. Wat eenmaal opgenomen is, kunnen we ons herinneren, dat roepen we op uit de schatkamer van 

Blz. 119

Gedächtnisses. Was man einmal gelernt hat, das hat man, das ist dann mit einem verknüpft. Gewiß, für das gewöhnliche Leben ist das notwen­dig, daß der Mensch seinen Erinnerungsschatz hat. Aber das Lebendige stimmt nicht überein mit diesem Intellektualistischen. Das Intellektuali­stische rechnet mit der Erinnerung, das Lebendige nicht, schon auf seinen niederen Gebieten nicht. Bedenken Sie nur einmal, wenn Sie sagen würden: Ich habe ja als kleines Kind gegessen, das ist für das ganze Leben -, so wie Sie sagen: Ich habe als kleines Kind gelernt, das ist für das ganze Leben. – Sie müssen jeden Tag aufs neue essen, weil ein lebendiger Prozeß vorliegt und dasjenige wirklich verarbeitet wird, was im lebendigen Organismus aufgenommen wird. So aber werden auch die geistigen Dinge in lebendiger Weise aufgenommen, und aus diesem lebendigen Geiste heraus muß in einer anthroposophisch orientierten Pädagogik gearbeitet werden.
Das ist es, was ich Ihnen habe schildern wollen in kurzen Strichen, nur hinweisend eben auf dasjenige, was dann in den anthroposophischen Büchern, auch in denjenigen Teilen, die das Pädagogische behandeln, weiter ausgeführt worden ist.

ons geheugen. Wat je eenmaal geleerd hebt, weet je, dat hoort dan bij jou. Voor het dagelijks leven is dat zeker nodig dat de mens een schat aan herinneringen heeft. Maar met dit intellectualistische stemt het levende niet overeen. Het intellectualistische rekent met de herinnering, het levende niet, al niet op een wat lager niveau. Denk eens wanneer je zou zeggen: Als klein kind heb ik gegeten, dat is voor een heel leven – alsof je zou zeggen’ Ik heb als klein kind iets geleerd voor het hele leven.’ Omdat je te maken hebt met levensprocessen moet je iedere dag opnieuw eten en iedere dag moet verwerkt worden wat er in het levende organisme opgenomen wordt. Maar zo worden ook de geestelijke dingen op een levende manier opgenomen en vanuit deze levende geest moet in een pedagogie die zich richt naar de antroposofie, gewerkt worden. Dit wilde ik voor u met een paar korte streken schetsen, alleen maar wijzend op wat in de boeken over antroposofie, ook in de delen die de pedagogie behandelen, verder uitgewerkt is.

Das ist dasjenige, auf das ich Sie habe hinweisen wollen als auf die pädagogische Grundlage der Waldorfschule, dieser von unserem Freunde Emil Molt gegründeten Versuchsschule, die durchaus nicht rebellisch sich hineinstellen will in das pädagogische und didaktische Erziehungswesen der Gegenwart, sondern die nur zur Aus­bildung bringen will dasjenige, was freilich in einer mehr abstrakten Weise vielfach angedeutet und gefordert worden ist. Daß aber in unserer Zeit manches wird vertieft werden müssen, das wird derjenige, der unbefangen das Leben, in das die moderne, namentlich die europäische Menschheit allmählich hineingeraten ist, einsehen. Nach der furchtba­ren, die schönsten Früchte des Menschlichen zermalmenden Katastro­phe vom zweiten Jahrzehnt des 20. Jahrhunderts wird zugegeben wer­den müssen, daß es wichtig ist, den kommenden Generationen etwas anderes geistig-seelisch und körperlich-physisch mitzugeben, als unsere Zeitgenossen bekommen haben, die es dafür in so vielen Repräsentanten so teüer haben bezahlen müssen. Und derjenige, der wohl am meisten das Recht hat von der Pädagogik, von der Erziehungskunst aus in das Leben hineinzuschauen, der wird einem solchen Streben schon durchaus

Ik wilde u hiermee op de pedagogische uitganspunten van de vrijeschool wijzen, de school om te proberen dit te verwezenlijken, die door onze vriend Emil Molt opgericht is. Zeker niet om zich in het pedagogische en didactische veld van tegenwoordig rebels op te stellen, maar die alleen tot ontwikkeling wil brengen, wat weliswaar in een meer abstracte vorm aangegeven en vereist wordt. Dat er in onze tijd een en ander verdiept moet worden, zal degene die onbevangen het leven waarin de moderne, met name de Europese mensheid zo langzamerhand terecht gekomen is, wel inzien. Na de vreselijke catastrofe in het tweede decennium van de 20e eeuw die het mooiste van wat het menselijke had voortgebracht, vernietigd heeft, zal men moeten toegeven, dat het belangrijk is, de komende generaties iets anders voor de geest, het gevoel en het levend-lichamelijke mee te geven dan wat de tijdgenoten meegekregen hebben die daarvoor als afgevaardigden duur hebben moeten betalen. En wie wel het meeste recht van spreken hebben vanuit de opvoeding, vanuit een opvoedkunst naar het leven te kijken, zal zeer zeker 

Blz. 120

unbefangen gegenüberstehen können, das ist derjenige, der als Vater oder Mutter zu sorgen hat für seine Söhne oder Töchter. Diejenigen, die die großen katastrophalen Tatsachen des gegenwärtigen Lebens als Eltern kennengelernt haben, die werden ohne Zweifel jeden Versuch begrüßen, der aus tieferen sozialen und geistigen Untergründen heraus der kommenden Generation etwas Besseres sichern will, als es viele in der Gegenwart haben können. Daß diese kommende Generation Besse­res haben könne, als man vielfach in der Gegenwart haben kann, das haben vor allen Dingen Grund die Eltern für ihre Kinder zu wünschen, das haben vor allen Dingen die Eltern das Recht von den Lehrern, von den Erziehern zu verlangen. Solch ein Gedanke, solch ein Ideal schwebte uns vor, als wir versuchten, die pädagogische Grundlage der Waldorf-schule zu legen

onbevangen t.o.v. van zo’n poging kunnen staan: de vader of de moeder die voor zoon of dochter moeten zorgen. Wie als ouder de grote catastrofale gebeurtenissen in het leven van nu heeft leren kennen, zal ongetwijfeld iedere poging begroeten die uit diepere sociale en geestelijke bronnen de toekomstige generatie van iets beters wil verzekeren dan wat velen in deze tijd krijgen. Dat de toekomstige generatie iets beters kan krijgen dan wat deze in deze tijd krijgen kan, daarvoor hebben de ouders alle redenen om dat voor hun kinderen te wensen, ze hebben met name het recht dat van de leerkrachten, van de opvoeders te vragen. Zo’n gedachte, zo’n ideaal zweefde ons voor ogen, toen we probeerden de vrijeschool een pedagogische basis te geven.

Blz. 120

Aus der Diskussion

Frage: Herr Dr. Steiner hat von der Bedeutung der Autorität gesprochen, und das ist so eine Sache, mit der unsere Jugend herzlich wenig zu tun haben will. Jeder Lehrer und nicht zum wenigsten jeder Pfarrer kann das erleben. Wir haben in unserer Jugend so mancherlei Strömungen, es ist ein gewisses Sich-Hinwegbegeben von jeglicher Autorität zu bemerken, sowohl von der Autorität des Elternhauses als von der Autorität der geistigen Welt. Die Eltern haben manchmal das Gefühl: man hat ja da rein nichts mehr dazu zu sagen, man muß die Leute gehen lassen. Auf der anderen Seite sieht man dann auch freilich manchmal, wie die Sache herauskommt und es tut einem weh, daß die Jugend gar nicht immer zu dem Ziele kommt, das sie sucht. Es ist etwas da, was der Jugend das Gefühl zur Autorität verbietet, einen Stachel gegen sie eingepflanzt hat. – Vielleicht ist Herr Dr. Steiner so freundlich und sagt uns etwas darüber, woher es kommt, daß es bei unserer Jugend so eigentümlich gärt, daß sie gar nicht mehr zufrieden ist, ganz besonders gern schimpft; und daß wir eben nicht mehr recht an die Jugend herankommen, das tut uns leid. Ich habe schon manches Buch darüber studiert, aber den Weg, der eigentlich gangbar ist, den habe ich noch nicht in irgendeinem Buch gefunden. Und so hätte ich gerne, wenn Herr Dr. Steiner etwas sagen würde, was den Einblick gestattet in die Jugendseele.

Uit de discussie

Vraag: Dr. Steiner heeft over de betekenis van de autoriteit gesproken en dat is een ding waar onze jeugd echt weinig mee op heeft. Iedere leerkracht en vooral iedere godsdienstleraar kan daarover meepraten. We hebben binnen onze jeugd zoveel verschillende stromingen en het is te merken dat er een zekere afkeer van die autoriteit is, zowel voor de autoriteit van het ouderlijk huis als ook die van de geestelijke kant. De ouders hebben soms het gevoel dat ze gewoon niets meer te zeggen hebben, ze moeten het laten gaan. Aan de andere kant zie je dan ook best wel veel hoe het gaat en dan doet het zeer te zien dat de jeugd niet altijd het doel bereikt dat ze zoekt. Er is iets waardoor de jeugd de autoriteit niet wil, waartegen ze in opstand komt. Misschien is Dr. Steiner zo vriendelijk om ons daarover iets te zeggen; hoe het komt dat het bij onze jeugd zo merkwaardig broeit, dat die helemaal niet meer tevreden is, graag afgeeft op alles en dat wij de jeugd niet echt meer bereiken, doet ons pijn. Ik heb er al veel boeken over bestudeerd, maar de weg die eigenlijk gangbaar is, heb ik nog in geen enkel boek gevonden. En daarom zou ik heel graag willen dat Dr. Steiner iets zou kunnen zeggen wat ons mogelijk maakt in de ziel van de jeugd te kijken.

Dr. Steiner; Das ist natürlich ein Kapitel, das einen Vortrag in Anspruch nehmen würde, wenn man es erschöpfend behandeln wollte, der mindestens ebenso lange sein müßte wie derjenige, den ich zu meinem Leidwesen in solcher Länge eben habe halten müssen, nicht zu meinem Leidwesen seiner Absicht nach, sondern es tut mir leid, daß Sie

Dr. Steiner: Dit is natuurlijk een onderwerp dat een voordracht in beslag zou nemen, wil je het uitputtend behandelen, minstens zolang als die ik tot mijn spijt heb moeten houden, niet wat de bedoeling ervan was, maar het spijt me dat u

Blz. 121

so lange haben zuhören müssen! Aber wenigstens ein paar Worte wollte ich an die Bemerkungen des Herrn Vorredners anknüpfen.
Sehen Sie, ich habe wirklich versucht, in meinem doch jetzt schon nicht mehr kurzen Leben gerade solche Dinge zu verfolgen, wie sie der Herr Vorredner eben angeschlagen hat. Ich habe auf der einen Seite wirklich kennengelernt, was es heißt, wenn man einmal durchgemacht hat in seiner Kindheit, daß zum Beispiel gesprochen worden ist von einem verehrten Verwandten, den man bis dahin nicht gesehen hatte, es ist einem viel von ihm erzählt worden, man hat alles dasjenige kennenge­lernt, wie die Leute, mit denen man selbst jeden Tag als mit seinen Eltern, Erziehern aufwächst, an diesen verehrten Verwandten denken. Ich habe es kennengelernt, was es heißt, das erste Mal hingeführt zu werden zu einem solchen verehrten Verwandten und mit heiliger Scheu die Türklinke in die Hand genommen zu haben. So etwas zu erleben, ist etwas, was einem das ganze Leben hindurch als ein Wichtiges bleibt. Und es gibt im Leben kein wirklicher Menschenwürde entsprechendes Freiheitsgefühl, das nicht auf der Grundlage einer solchen Ehrfurcht und Verehrung in der Kindheit aufgebaut ist.

zolang hebt moeten luisteren. Maar ik wil wel een paar woorden aan de opmerkingen van de vraagsteller toevoegen.
Ik heb echt geprobeerd in mijn niet meer zo korte leven tot nog toe, die dingen te volgen, zoals de vraagsteller ze hier naar voren brengt. Ik heb enerzijds werkelijk geleerd, wat het betekent wanneer je in je kindertijd hebt meegemaakt dat er bijv. gesproken werd over een gerespecteerd familielid dat je dan tot dan toe niet had gezien, dat er veel over hem of haar verteld werd, dat je alles te weten kwam hoe de mensen met wie je iedere dag opgroeit, zoals je ouders, opvoeders over dit gerespecteerd familielid denken. Ik heb het meegemaakt wat het betekent om voor het eerst naar zo’n familielid toe te gaan en met een heilige aarzeling de deurknop beet te pakken. Zoiets meemaken blijft je je hele leven bij als iets belangrijks. En er is in het leven geen echt vrijheidsgevoel dat hoort bij het echte menswaardige dat niet op basis van zo’n eerbied en verering in de kindertijd tot stand is gekomen.

Ich habe allerdings auch etwas anderes gesehen. Ich habe in Berlin eine sehr berühmt gewordene Sozialistin kennengelernt, die viele sozialisti­sche Reden gehalten hat. Eines Tages las ich von ihr auch einen Artikel in einer sonst ganz angesehenen Zeitung, der überschrieben war: «Die Revolution der Kinder.» Und da wird entwickelt in einer ganz sozialisti­schen Weise, wie, nachdem die älteren Leute alle Revolution gemacht haben oder wenigstens von der Revolution reden, nun auch die Kinder von der Revolution reden sollten also die Kinder Revolution machen sollten. Und es war sogar nicht einmal ganz deutlich zu entnehmen, ob nicht auch schon vor dem schulpflichtigen Alter stehende Kinder gemeint waren. Das ist ein anderes Beispiel für das, was man in den letzten Jahrzehnten auf diesem Gebiete erleben konnte.
Ein drittes Beispiel ist daß ich von einem Pädagogen die ernstgemein­ten Vorschläge lesen konnte daß in der Schule vorgezeichnete Bücher aufliegen sollten, in welche am Ende, ich glaube einer Woche oder eines Monats, die Schüler einschreiben sollten, wie sie über ihre Lehrer denken. Das Ganze lief darauf hinaus, daß eine Zukunft erstrebt werde,

Ik heb ook echt wel andere dingen gezien. In Berlijn heb ik een zeer bekend geworden socialiste leren kennen die veel socialistische redevoeringen heeft gehouden. Op een dag las ik van haar ook een artikel in een over het algemeen heel gewaarde krant, met de kop: ‘De revolutie van de kinderen’. En in een heel socialistische trant werd er ontwikkeld hoe, nadat de oudere mensen de totale revolutie ontketend hebben of tenminste over de revolutie praten, nu ook de kinderen over de revolutie moeten praten, dus de kinderen moeten ook revolutie ontketenen. En het was niet eens heel duidelijk of niet ook al de kinderen voor de leerplichtige leeftijd bedoeld werden. Dat is een ander voorbeeld van wat je de laatste tientallen jaren op dit gebied kan meemaken.
Een derde voorbeeld is dat ik van een pedagoog het serieus bedoelde voorstel kon lezen dat op school voorgeschreven boeken moesten liggen waarin de leerlingen aan het eind, ik geloof van een week of een maand, moesten schrijven hoe zij over de leerkrachten denken. Het liep er allemaal op uit dat er een toekomst nagestreefd werd

Blz. 122

wo eigentlich nicht die Lehrer die Schüler, sondern die Schüler die Lehrer zensurieren sollen.
Nun, alle diese Dinge kann man nicht in der richtigen Weise beurtei­len, wenn man sie nicht im Zusammenhange mit unserem ganzen Leben betrachtet. Und vielleicht wird Ihnen auch das paradox erscheinen, aber ich glaube doch, daß man gerade die angeregte Frage in einem größeren Zusammenhange wird beantworten müssen. Sehen Sie, wir haben all­mählich durch die andererseits so großartige naturwissenschaftlich-technische Kultur, die aber notwendig durch ihre eigene Wesenheit nach dem Intellektualistischen hinneigt, wir haben allmählich verloren die wirkliche Durchdringung der Menschenseele mit dem lebendig Geisti­gen. Was der Mensch heute unter dem Geistigen sich gewöhnlich vorstellt, das sind ja nur Begriffe und Ideen, das sind ja eigentlich nur Vorstellungen von irgendeinem Geistigen. Die tonangebendsten Phi­losophen reden, indem sie Begriffsdeduktionen machen, so vom Geisti­gen. Das ist dasjenige, was gerade anthroposophische Geisteswissen­schaft überwinden will. Sie will nicht, daß der Mensch nur vom Geiste rede, das Geistige in Begriffe und Vorstellungen hineinbringe, sondern sie will, daß der Mensch gerade mit dem lebendigen Geistigen sich durchdringe. 

waarin niet de leraren de leerlingen, maar de leerlingen de leraren moeten beoordelen.
Al deze dingen kan je niet op de juiste manier beoordelen, wanneer je ze niet bekijkt in samenhang met ons hele leven. En dat kan voor u ook een paradox zijn, maar toch geloof ik dat je ook de opgeworpen vraag in een groter verband moet beantwoorden. We hebben door de anderzijds zo geweldige natuurwetenschappelijk-technische cultuur die echter noodzakelijkerwijs door haar eigen karakter naar het intellectualistische neigt, zo langzamerhand het werkelijk kunnen doordríngen van de mensenziel met de levende geest, verloren. Wat de mens zich tegenwoordig voorstelt bij de geest, zijn slechts begrippen en ideeën, eigenlijk alleen maar voorstellingen van een of ander geestelijk iets. De meest toonaangevende filosofen praten, wanneer ze begripsafleidingen maken, zo over het geestelijke. Dat nu, wil de antroposofische geesteswetenschap overwinnen. Die wil niet dat de mens alleen maar over de geest spréékt, het geestelijke in begrippen en voorstellingen vat, maar dat de mens zich juist met de levende geest doordringt.

Wenn der Mensch aber sich mit diesem lebendig Geistigen durchdringt, dann kommt er sehr bald darauf, daß wir nach und nach dieses lebendige Geistige verloren haben, und daß wir heute gar sehr nötig haben, zu diesem lebendigen Geistigen auch als erwachsene Men­schen wiederum zurückzukehren. Wir haben ja das lebendige Gei­stige als erwachsene Menschen besonders dann nicht, wenn wir so recht aufgeklärte sind. Dann sind wir höchstens Agnostiker, dann sagen wir höchstens: die Naturwissenschaft kann bis zu einem gewis­sen Punkte kommen, da aber sind die Grenzen der Naturerkenntnis. Daß an diesen Grenzen erst das Ringen mit der Erkenntnis beginnt, und dieses Ringen dann durch das Leben in die geistige Welt hineinführt, davon hat ja die heutige Bildung im Grunde genommen nicht viel Ahnung.
Und was ist dadurch gekommen, oder wodurch ist das gekommen, daß wir aus unserem Sprechen den Geist verloren haben? Sie können heute Unzähliges lesen und Sie werden finden: im Grunde genommen

Als de mens zich dan met deze levende geest doordringt, komt hij er snel genoeg achter dat wij deze geest langzamerhand verloren hebben en dat we het nodig hebben in deze huidige tijd ook als volwassene weer terug te keren naar deze levende geest. En als volwassen mensen hebben we die levende geest juist dan niet, wanneer we zo van alles duidelijk menen te weten. Dan zijn we in het beste geval agnost; dan zeggen we hooguit: de natuurwetenschap kan tot een bepaald punt komen, maar dan zijn er grenzen aan die kennis. Maar dat aan deze grens de worsteling om tot kennis te komen, pas begint en dat deze worsteling dan door het leven naar de geestelijke wereld voert, daar heeft de huidige kennisontwikkeling in de aard van de zaak niet veel gevoel voor. En waardoor is het gekomen dat de geest verdwenen is in wat we zeggen. Je kan tegenwoordig heel wat lezen en je zal basaal genomen vinden

Blz. 123

hat man es nur mit Worten zu tun, die eigentlich mehr oder weniger automatisch aus den menschlichen Seelen abrollen. Wer heute mit ein wenig Unbefangenheit das geistige Leben kennt, der braucht oftmals von einem Artikel oder von einem Buche nur die ersten Zeilen zu lesen, oder die ersten Seiten, und er weiß, was der Betreffende über die betreffenden Fragen denkt; denn er denkt dasjenige, was sich aus der Entwickelung der Worte von selbst ergibt. Es verwandelt sich das Leben, wenn es den Geist verliert, in ein Leben in der Phrase, und das ist dasjenige, was wir heute in unserem Kulturleben so vielfach haben. Wir haben nicht den lebendigen Geist, der aus dem ganzen vollen Menschen spricht, sondern wir haben vielfach, wenn wir vom geistigen Leben reden oder im geistigen Leben drinnenstehen wollen, die Phrase. Aber nicht nur etwa in dem Sinne wie viele denken, sondern vor allen Dingen ist die Phrase in dem gloriosen öffentlichen Unterricht, den wir haben. Ich bitte, denken Sie nur einmal nach, wie viel von Leben bei dieser oder jener Partei ist, die die schönsten Parteiphrasen hat. Die Leute berauschen sich an Parteiphrasen. Dadurch wird vielleicht dem Intellekt allerdings eine gewisse Befriedigung gebracht, aber das ergreift nicht das Leben. Und so muß man sagen, dasjenige, was gerade in der Kulmination des Agnosti­zismus sich zeigt, der schon allmählich auch in die breitesten Schichten eingedrungen ist, das ist reichlich von Phrase durchsetzt. 

dat je alleen maar woorden hebt die min of meer automatisch aan de mensen ontsnappen. Wie tegenwoordig met een beetje onbevangenheid het geestelijke leven kent, hoeft vaak van een artikel of van een boek alleen maar de eerste regels of eerste bladzijden te lezen en hij weet hoe de betroffene over de betreffende vragen denkt; want hij denkt wat er vanzelf uit die woorden voortkomt. Het leven, als dat de geest verliest, verandert in een leven van frasen en dat zien we in ons huidige cultuurleven nog al eens. We hebben geen geest die uit het volle mens-zijn spreekt, maar we hebben veelvuldig, wanneer we het over het geestesleven hebben of een plaats willen innemen in het geestesleven, de frase. En niet alleen in de betekenis die velen er bij denken, maar vooral de frase in het indruk makende openbare onderwijs dat we hebben. En denk je eens in hoeveel leven er in deze of gene partij zit, die hebben de mooiste frasen. De mensen worden hoteldebotel van de holle partijleuzen. Misschien dat het intellect daardoor op een bepaalde manier tevreden wordt gesteld, maar dat is niet grip krijgen op het leven. En zo moet je zeggen dat wat zich vertoont in een optelsom van agnosticisme dat zo langzamerhand ook tot de breedste kringen doorgedrongen is, rijkelijk voorzien is van frasen.

Wir wollen in unserem heutigen Leben zum Beispiel, weil wir in der Phrase leben, gar nicht mehr das Lebendige des Wortes, weil das Wort nicht tief genug aus unserer Seele herauskommt. Darinnen kann nur Wandel geschaffen werden, wenn wir uns wiederum mit dem Geistigen durchdringen. Ich habe vor vierzehn Tagen für unsere Zeitschrift «Das Goetheanum» einen Aufsatz geschrieben: «Das verschüttete Geistesleben»; ich habe auf­merksam darauf gemacht, welch Großartiges man lesen kann bei Leuten, die, sagen wir, um die Mitte des 19. Jahrhunderts noch geschrieben haben. Das wissen die wenigsten Menschen. Ich habe einigen Persön-lichkeiten die Bücher gezeigt, auf die ich mich da berufen habe, und diese Bücher, die schauen wirklich so aus, als wenn sie ein Jahrzehnt fortwäh­rend. beguckt worden wären und nachher durch den Staub gezogen worden wären. Da haben mich die Leute gefragt: Woher haben Sie denn diese Bücher entnommen? – Ja, sagte ich, ich habe ja so die Gewohnheit

We willen in ons leven van nu, omdat we met de frase leven, helemaal niet meer het levende woord hebben, omdat het woord niet diep genoeg vanuit onze ziel komt. Dat kan alleen anders worden, wanneer we ons weer doordringen met het geestelijke.
Ik heb veertien dagen geleden voor ons tijdschrift ‘Das Goetheanum’ een artikel geschreven: ‘Het ondergesneeuwde geestesleven’; ik heb erop gewezen, wat voor geweldigs je kan lezen bij mensen die, laten we zeggen, rond het midden van de 19e eeuw nog geschreven hebben. Dat weten maar een paar mensen. Ik heb de boeken aan een paar personen laten zien op wie ik mij toen heb beroepen en die boeken die zien er echt zo uit alsof ze een tiental jaren voortdurend bekeken waren en daarna door het stof gehaald. Toen vroegen de mensen mij: ‘Waar komt u met die boeken vandaan?’ ‘Ja’, zei ik, ‘ik heb zo de gewoonte

Blz. 124

manchmal bei Antiquaren zu schmökern und da lasse ich mir die entsprechenden Kataloge geben und sage, bitte, bringen Sie mir die Bücher an die und die Stelle heran. Und da habe ich allerlei Dinge gefunden, die einfach heute Vergessene sind, auch nicht wieder neu gedruckt werden, die einem aber den Beweis liefern, daß tatsächlich das Leben im Geiste in einem gewissen Maße verschüttet ist. Sehen Sie, die Naturwissenschaft, die kann nicht in Phrase verfallen, aus einem sehr einfachen Grunde: sie ist an das Experiment, an die Beobachtung gebunden, sie ist als Experiment rein geistige Tatsache, ordnet sich in Gesetzmäßigkeiten ein. Aber sonst sind wir allmählich in ein Leben der Phrase hineingekommen. Und dieses Leben in der Phrase ist eine Begleiterscheinung der großen Einseitigkeiten der naturwissen­schaftlich-technischen Entwickelung. Dieses Leben in der Phrase ist es, dem man neben vielem anderen Unglücklichen in unserer Zeit auch dasjenige zuschreiben muß, was der Herr Vorredner angeführt hat. Das Kind hat nämlich durchaus ein imponderables Verhältnis zu den Erwachsenen.

soms bij een antiquair wat door te bladeren en dan vraag ik om de huidige catalogus en dan zeg ik: ‘Brengt u mij de boeken daar en daar. En toen heb ik allerlei dingen gevonden die nu simpelweg tot de vergetelheid horen, ook niet meer herdrukt worden; die je wel het bewijs leveren dat daadwerkelijk het leven in de geest op een bepaalde manier ondergesneeuwd is.
Kijk, de natuurwetenschap kan niet tot frase vervallen, om de simpele reden: die zit vast aan het experiment, aan het observeren, die is als experiment een puur geestelijk feit, die schept orde met wetmatigheden. Maar in het andere geval zijn we in een leven van frasen terechtgekomen. En dat is een nevenverschijnsel van de grote eenzijdigheden van de natuurwetenschappelijk-technische ontwikkeling. Aan dit leven in frasen moet je naast veel andere ongelukkige zaken in onze tijd ook toeschrijven wat de vragensteller te berde heeft gebracht. Het kind heeft namelijk ten enenmale een imponderabele verhouding tot de volwassenen.

Die Erwachsenen mögen sich insbesondere in Parteiver­sammlungen mit Phrasen unterhalten, wenn man aber dem Kinde Phra­sen bietet, dann kann es nicht mit. Und was geschieht dann, wenn man dem Kinde Phrasen bietet, ganz gleichgültig, ob man eine religiöse oder naturwissenschaftliche oder aufklärerische Phrase bietet, was geschieht? Es geschieht dann dasjenige, daß die Seele keinen Inhalt bekommt. Denn die Phrase wird kein Inhalt der Seele. Und dann kommen aus den Untergründen die Instinkte. Und so wie heute im äußeren sozialen Leben im Osten, wo man begründen wollte im Leninismus, Trotzkiis­mus ein Reich der Phrase, denn es ist nur ein Reich der Phrase; wie, da diese Phrasen nicht schöpferisch sind, die wüstesten Instinkte aus den Untergründen herauskommen, so kommt auch bei der Jugend dasjenige heraus, was die Instinkte sind. Diese Instinkte sind gar nicht einmal immer krankhaft; sie beweisen uns aber einfach, daß das Alter nicht verstanden hat, in die Phrase Seele hineinzulegen. Im Grunde genommen ist unsere Jugendfrage heute schon in einem gewissen Sinne eine Alters-frage, eine Elternfrage. Wir stehen eben der Jugend, wir stehen dem Kinde zu stark so gegenüber, daß wir furchtbar gescheit sind und die Kinder die furchtbar dummen sind. Während derjenige oftmals der

De volwassenen mogen dan vooral in de partijbijeenkomsten in frasen met elkaar spreken, wanneer je een kind frasen biedt, komt het niet verder. En wat gebeurt er als je het kind frasen meegeeft, om het even of je een godsdienstige dan wel een natuurwetenschappelijke uitlegfrase biedt, wat gebeurt er dan? Dan krijgt de ziel dus geen inhoud. Want frase wordt geen inhoud van de ziel. En dan komen vanuit de diepte van de ziel de instincten. En zoals nu in het uiterlijke sociale leven in het Oosten, waar men met het gedachtegoed van Lenin en Trotski een rijk van frasen wilden vestigen, want dat is maar een rijk van de frase; zo, omdat deze frasen niet opbouwend zijn, de ruwste instincten uit de krochten van de ziel opstijgen, komen ook bij de jeugd de instincten naar buiten. Die zijn lang niet altijd ziekmakend; zij geven ons echter simpelweg aan dat de oudere leeftijd niet heeft begrepen hoe de frase weer van ziele-inhoud te voorzien. In de grond van de zaak is het vraagstuk van onze jeugd vandaag de dag al op een bepaalde manier het vraagstuk van de ouderen, van de ouders. We staan zo vastberaden tegenover de jeugd, tegenover het kind dat wij de bollebozen zijn en de kinderen de domkoppen. Terwijl degene die dikwijls de

Blz. 125

weiseste Mensch ist, der von einem Kinde am meisten lernen kann. Man steht dem Kinde in einer ganz anderen Weise gegenüber, wenn man ihm nicht phrasenhaft gegenübersteht. Und so wächst uns diejenige Jugend entgegen, der wir selber keine Seele entgegengebracht haben. Daß wir bei der Jugend selber nicht die Verirrungen suchen dürfen, das, meine sehr verehrten Anwesenden, zeigt uns in vieler Beziehung dennoch die kurze Zeit, in der die Waldorfschule wirkt. Sie haben gesehen, die Waldorfschul-Pädagogik beruht ja vorzugs­weise auf der Lehrerfrage. Und ich muß gestehen, es liegt schon etwas in dem: jedesmal, wenn ich nach Stuttgart komme – leider nicht oft, ich kann die Schule ja eigentlich nur ganz sporadisch leiten und besuchen -, in jeder Klasse stelle ich, ohne daß ich dabei den Kindern langweilig werde, in irgendeinem Zusammenhang die Frage: Kinder, habt ihr eure Lehrer gern? – Sie sollten hören und sehen, wie die Kinder im Chorus begeistert antworten: Ja! – Und dieses Appellieren an dasjenige, was die Lehrer an Liebe den Kindern entgegenbringen können, es ist das, was schon hineingehört in das Verhalten der Alten gegen die Jugend.

wijste mens is, die van een kind het meeste leren kan. Je staat heel anders ten opzichte van een kind wanneer je niet met frasen tegenover hem staat. En zo groeit er een jeugd voor onze ogen op die wij zelf geen ziel aangereikt hebben. Dat wij de miskleunen niet bij de jeugd zelf mogen zoeken, laat ons in velerlei opzichten, weliswaar nog maar kort, de vrijeschool zien.
U hebt gezien dat de vrijeschoolpedagogiek vooral berust op het lerarenvraagstuk. En ik moet bevestigen, dat het ongeveer hier in zit: iedere keer als ik in Stuttgart kom – helaas niet vaak, ik kan de school eigenlijk maar sporadisch leiden en bezoeken – stel ik in iedere klas, zonder dat ik daarmee de kinderen verveel, in een bepaalde context de vraag: ‘Kinderen, mogen jullie de leraren wel? – dan zou je eens moeten horen en zien hoe die in koor enthousiast antwoorden: ‘Jaaaa”!’ En dit appelleren aan de liefde die de leraren voor de kinderen kunnen opbrengen, is al iets wat hoort bij de relatie tussen de ouderen en de jeugd.

Und da kann ich auch sagen: wir haben die Schule gleich als eine vollständige Volksschule errichtet, so daß wir die volle Schulzeit die Kinder aus dem Elternhause bekommen. Ja, es konnte einem manchmal angst und bange werden, wenn man in die Schule hineinkam und nun, namentlich in den Zwischenstunden, diese Disziplin beobachten konnte. Leute, die mit dem Urteil schnell fertig sind, sagten: Da sieht man, was eine freie Waldorfschule ist; die Kinder werden ja alle undiszipliniert. Ja, sehen Sie, die Kinder sind zu uns gekommen aus den anderen Schulen; die waren mit dem, was man eiserne Strenge nennt, erzogen. Jetzt sind ja die Kinder schon viel ruhiger, aber als sie zu uns gekommen sind, noch die eiserne Strenge in sich hatten, da waren sie schon wirklich richtige Rangen. Brav waren eigentlich nur die Kinder der ersten Klasse, die direkt vom Elternhaus kamen; aber das auch nicht immer. Aber jedesmal wenn ich hinkomme, bemerke ich einen Fortschritt gerade in der Disziplin. Und jetzt, nach etwas mehr als zwei Jahren, kann man die große Umwandlung sehen. Die Kinder werden ganz gewiß keine Muk­ker, werden aber einfach dadurch, daß sie wissen, sie können sich an ihre Lehrer vertrauensvoll wenden, wenn das oder jenes passiert ist, sie

En ik kan ook zeggen dat we de school meteen als een volledige basisschool opgericht hebben, zodat we de hele schooltijd de kinderen uit de thuissituatie krijgen. Je zou er soms bang van worden wanneer je op school zou komen en je zou, vooral in de tussenuren zien hoe het met de gehoorzaamheid zit. Mensen die snel hun oordeel klaar hebben, zeggen dan: ‘Nu zie je wat een vrijeschool is; de kinderen worden allemaal ongezeglijk. Maar kijk, kinderen zijn bij ons gekomen vanuit andere scholen; die hadden daar te maken met een opvoeding met een ijzeren discipline. Nu zijn de kinderen al een stuk rustiger, maar toen ze bij ons kwamen, zat die ijzeren discipline nog in hun lijf, toen waren het echte deugnieten. Gehoorzaam waren eigenlijk alleen de kinderen van de eerste klas, die direct van huis kwamen en dat niet altijd. Maar iedere keer als ik er kom, merk ik vooruitgang, vooral wat de gezeglijkheid betreft. De kinderen worden echt geen schijnheiligen, maar omdat ze nu eenmaal weten dat ze vol vertrouwen naar hun leerkracht toe kunnen gaan, wanneer dit of dat eens is gebeurd, ze

Blz. 126

werden in dieser oder jener Weise behandelt, man geht ein auf das oder jenes bei ihnen, sie werden zutraulich, sie wandeln sich auch, sie werden nicht muckerig, sie sind laut und alles mögliche; aber dasjenige, was man an Disziplin fordern kann, das entwickelt sich allmählich. Und es entwickelt sich auch dasjenige, was ich im Vortrage selbstverständliches Autoritätsgefühl genannt habe.Es ist wirklich wunderschön, wenn man zum Beispiel hört: da ist ein Schüler in die Waldorfschule gekommen, er war bereits vierzehn Jahre alt, war in der höchsten Klasse und kam eigentlich als ein recht unbefrie­digter Junge herein. Er konnte nicht mehr an seine alte Schule glauben, aber natürlich in ein paar Tagen bietet einem auch eine neue Schule nichts. Die Schule ist ein Ganzes, und wenn man aus einem Gemälde ein Stück herausschneidet, so kann man ja danach doch nicht das ganze Gemälde beurteilen.
Die Leute glauben zum Beispiel, die Schule zu kennen, wenn sie sie auf ein bis zwei Tage besuchen. Das ist ein Unsinn; man lernt nicht die anthroposophische Methode kennen, wenn man von ihr ein Stückchen herausnimmt: man muß den ganzen Geist kennen. So war es natürlich auch für den Jungen, der da hineinkam, daß von dem, was ihm in den ersten Tagen entgegentrat, ihn nicht gleich irgend etwas befriedigte, besonders nachdem er unbefriedigt herangekommen ist.

worden op een bepaalde manier behandeld, men gaat in op dingen van hen, dan krijgen ze vertrouwen, ze veranderen ook, ze worden niet schijnheilig, ze zijn van alles; maar wat je aan gehoorzaamheid kan eisen, ontwikkelt zich stap voor stap. En ook komt tot ontwikkeling wat ik in de voordracht de vanzelfsprekende autoriteit heb genoemd.
Het is echt heel erg fijn, wanneer je bv. hoort: er is een leerling op de vrijeschool gekomen die al veertien jaar was, die in de hoogste klas kwam als een echt ontevreden jongen. Hij geloofde niet meer in zijn oude school, maar binnen een paar dagen biedt ook een nieuwe school niets. De school is één geheel en als je uit een schilderij een stuk snijdt, kan je het hele schilderij niet beoordelen op dat stukje. De mensen denken de school te kennen, wanneer ze een dag of een paar dagen op bezoek zijn geweest. Dat is onzin; je leert de antroposofische methode niet kennen wanneer je daar een stukje van neemt: je moet de hele geestelijke atmosfeer kennen. Dat was natuurlijk ook voor die jongen zo; niet meteen van wat hij de eerste dagen kreeg aangeboden werd hij een tevreden kind, vooral niet omdat hij ontevreden was binnengekomen.

Da stellte sich nun aber nach einiger Zeit heraus, daß er zu seinem Geschichtslehrer gegangen ist, er hat sich an ihn gewendet, weil der ihm furchtbar imponierte – und er hat ihm nun sein Leid geklagt. Nachher war er wie umgewandelt. Solches ist nur durch dieses selbstverständliche Autoritätsverhältnis möglich. Sehen Sie, das sind die Dinge, die dann durchaus deutlich zutage treten, wenn das, was ich hier meinte unter «selbstverständlicher Autorität» durch die Qualitäten der Lehrer wirk­lich bewirkt wird. Ich glaube nicht, daß es verfrüht ist, wenn ich sage: aus der Jugend, die durch die Waldorfschule geht, wird jener Geist nicht sprechen, den der Herr Vorredner vorhin angedeutet hat. Es handelt sich schon darum, daß die Lehrer die sind, die in erster Linie das Unberech­tigte dieses Jugenddranges wiederum in die richtigen Bahnen leiten müssen.
Nun, wir haben in der Waldorfschule in anderer Weise, als man das gewöhnlich so gewohnt ist, die Lehrerkonferenzen. In den Lehrerkonferenzen

Maar na een poosje bleek dat hij naar zijn geschiedenisleraar was gegaan, hij ging naar hem toe, omdat deze een heel grote indruk op hem gemaakt had – en toen heeft hij zijn hart gelucht. Daarna was hij een ander mens. Die dingen zijn alleen mogelijk door de relatie met de vanzelfsprekende autoriteit. Die dingen komen dan duidelijk naar voren, wanneer tot stand komt, wat ik hier bedoelde onder ‘vanzelfsprekende autoriteit’, juist door hoe de leerkracht is. Ik geloof niet dat het te geforceerd is om te zeggen dat uit de jeugd die de vrijeschool doorloopt, niet die geest spreekt die de vraagsteller net heeft beschreven. Het gaat er wel om dat de leerkrachten die in eerste instantie de misplaatste impulsen van de jeugd, weer in goede banen moeten leiden.
Nu hebben wij op de vrijeschool op een andere manier dan men zo gewend is, de lerarenvergadering. Daarin

Blz. 127

wird eigentlich jedes einzelne Kind behandelt, aber in psycholo­gischer Weise. Und wir alle haben in den zwei Jahren Waldorfschul­Pädagogik außerordentlich viel gelernt. Es ist tatsächlich ein lebendiger Organismus, dieses Lehren und Erziehen und Unterrichten. Wir hätten ja gar nicht die Möglichkeit gehabt unsere Waldorfschule zu begründen, wenn wir nicht auf gewisse Kompromisse eingegangen wären. Ich habe daher gleich beim Beginn der Waldorfschule für das Ministerium ein Memorandum ausgearbeitet, worinnen ich gesagt habe:
Wir verpflichten uns, die Kinder mit dem neunten Jahre so weit zu haben, daß sie in jede andere Schule übertreten können; dann wiederum mit dem zwölften Jahr und wiederum mit dem vierzehnten Jahr. Aber in der Zwischenzeit wollen wir für die Methodik vollkommene Freiheit haben. Das ist zwar ein Kompromiß, aber man muß eben mit dem Gegebenen rechnen. Dennoch aber, in gewissen Dingen konnten wir das durchführen, was einfach für eine gesunde Pädagogik und Didaktik selbstverständlich ist: das ist zum Beispiel das Zeugniswesen. Sehen Sie, ich habe es ja in meiner Jugend auch erfahren, daß dasteht im Zeugnis:«fast lobenswert», «kaum befriedigend» und so weiter. Aber ich bin nie darauf gekommen, durch welche Weisheit die Herren Lehrer darauf kamen, von «kaum befriedigend» ein «fast befriedigend» zu unterschei­den, das ist mir bis jetzt nicht aufgegangen. 

komen we over ieder kind apart te spreken, maar psychologisch. En we hebben in die twee jaar vrijeschool heel veel geleerd. Het aanleren en opvoeden is echt één geheel. We zouden helemaal geen kans hebben gezien onze vrijeschool op te richten, als we niet op bepaalde compromissen zouden zijn ingegaan. Meteen vanaf het begin van de vrijeschool heb ik voor het ministerie een verklaring uitgewerkt waarin ik heb gezegd:
U kan ons eraan houden dat wij de kinderen als ze negen jaar zijn, naar iedere andere school kunnen laten gaan; ook met het twaalfde jaar en ook weer met het veertiende. Maar voor die tussentijd willen wij voor onze methodiek de volle vrijheid hebben.
Dit is weliswaar een compromis, maar je hebt nu eenmaal rekening te houden met de omstandigheden. Ondanks dat konden we met bepaalde dingen doorvoeren wat voor een gezonde pedagogiek en didactiek nu eenmaal vanzelfsprekend is: bv. wat de rapporten betreft. In mijn jeugd heb ik het meegemaakt dat er dan in het rapport staat: ‘bijna lovenswaardig’ – ‘nauwelijks naar tevredenheid’ enz. Maar ik ben er nooit achter gekomen door welke wijsheid de leraren erop zijn gekomen om een ‘nauwelijks naar tevredenheid’ van een ‘bijna naar tevredenheid’ te onderscheiden; en tot op heden nog niet.

Entschuldigen Sie, aber es ist so. Statt solcher Zensuren stellen wir Zeugnisse aus, welche in den Worten, die dem Lehrer vom Schnabel gewachsen sind, gegenüber dem Kinde sich aussprechen, die keine Zahlen haben und dadurch Phrase sind gegenüber dem Kinde. Denn wenn etwas keinen Sinn hat, so ist es eben Phrase. Wenn das Kind langsam in das Leben hineinwächst, so schreibt der Lehrer in das Zeugnis dasjenige auf, was für das Kind speziell notwendig ist; so daß für jedes Kind etwas anderes dasteht – eine Art Charakteristik des Kindes. Und dann geben wir jedem Kinde, wenn das Schuljahr aus ist, einen Spruch mit, der ihm entspricht. Nun nimmt es allerdings etwas Zeit, bis jedes Kind in der Weise sein Zeugnis bekommt. Das Kind nimmt es in die Hand, hat einen Spiegel vor sich. Ich habe bisher noch kein Kind gefunden, das nicht mit Interesse sein Zeugnis in die Hand genommen hätte, selbst wenn nicht alles besonders gelobt wurde. Und besonders der Geleitspruch ist etwas, was dann dem Kinde

Neem me niet kwalijk, maar zo is het. In plaats van dergelijke rapporten, maken wij getuigschriften in bewoordingen die leerkrachten vrijuit gebruiken en die zich over het kind uitspreken en geven geen cijfers die voor het kind dan frase zijn. Want als iets geen zin heeft, dan is het frase. Wanneer het kind langzaam voor het leven wakker wordt, schrijft de leerkracht op wat voor het kind in het bijzonder nodig is; zodat er voor ieder kind wat anders komt te staan – een soort karakteristiek van het kind. En dan geven we ieder kind wanneer het schooljaar ten einde is, een spreuk mee die bij hem hoort. Nu is er wel wat tijd voor nodig, tot ieder kind op deze manier zijn getuigschrift krijgt. Het kind neemt het ter harte en heeft een spiegel voor zich. Ik heb tot nog toe nog geen kind gezien, dat zijn getuigschrift niet geïnteresserd ter hand heeft genomen, zelfs als niet alles lovend was. En vooral de meegegeven spreuk is iets wat voor het kind

Blz. 128

etwas sein kann. Sehen Sie, man muß alle Mittel anwenden, um dann bei den Kindern die Empfindung hervorzurufen, daß diejenigen, die sie leiten und erziehen, in ernsthafter Weise, nicht einseitig, sondern so, daß ein unmittelbares Interesse da ist für das Kind, die Zeugnisse ausstellen. Also es liegt schon viel an dem, daß unsere Kultur, unsere Phrasenkul­tur, allmählich aus dem Alten sich herausentwickle, und daß, indem die Jugend heranwächst, man ihr das richtige Verständnis entgegen-bringt. Ich weiß auch natürlich, daß das mit gewissen Kräften der Volks-psychologie zusammenhängt; allein, die zu meistern ist nämlich noch schwieriger.
Bei keinem der verschiedenen Kongresse, die wir in letzter Zeit gehabt haben, hat eigentlich gefehlt – Sie mögen erstaunt sein – eine gewisse Anzahl von dieser oder jener Gruppe aus der Jugendbewegung. Es kamen immer eine gewisse Anzahl derjenigen Leute, die man «Wander­vögel» und so weiter nennt. Die kamen alle zu uns, und ich habe mir nie ein Blatt vor den Mund genommen. Aber die Leute sahen, ich spreche zu ihnen nicht Phrasen; ich spreche zu ihnen dasjenige, auch wenn es etwas ganz anderes ist, als sie sich in ihren träumenden Köpfen zurechtgelegt haben, was nun eben auch aus dem Herzen kommt, ihr Wirklichkeitswert kommt aus dem Herzen. 

iets kan betekenen. Je moet alle middelen gebruiken om bij het kind het gevoel op te roepen dat de mensen die hen begeleiden en opvoeden, op een serieuze manier, niet eenzijdig, maar zo dat er directe betrokkenheid op het kind is, de getuigschriften maken. Dus het is heel wezenlijk dat onze cultuur, onze cultuur van frase, zich verder ontwikkelt, weg van het oude en dat als de jeugd opgroeit, men voor haar het juiste begrip heeft. Ik weet natuurlijk ook dat het met bepaalde krachten uit de volkspsychologie samenhangt; alleen, die overwinnen is echt wel wat moeilijker. Bij geen van de laatste congressen die we de laatste tijd hebben gehad, ontbreken eigenlijk – u mag verbaasd zijn – een aantal van verschillende groepen uit de jeugdbeweging. Er kwam altijd wel een bepaald aantal mensen die men ‘Wandervögel’ o.i.d. noemt. Die kwamen allemaal naar ons toe en ik heb nooit een blad voor de mond genomen. Maar de mensen zagen wel dat ik geen frasen tegen hen sprak; ik spreek tegen hen, ook wanneer het iets heel anders is dan wat zij zich in hun dromerige hoofden hebben gehaald, wat wel uit hun hart komt, hun werkelijkheidswaarde komt uit het hart.

Und vor allen Dingen bei unserem letzten Stuttgarter Kongreß, wo wiederum eine Anzahl Leute aus dieser Jugendbewegung da waren, die sonst nun wirlich nicht darauf aus sind, auf irgendeine Autorität etwas zu geben, Leute die da sagen: Es muß alles aus dem Inneren heraus wachsen, von selber wachsen und so weiter, da ließen sie sich nicht dreinreden -, bei dem letzten Kongreß in Stuttgart wurde einstimmig beschlossen, sogar eine anthroposophische Jugendgruppe zu gründen, nachdem man eineinhalb oder zwei Stunden konferiert hatte.Es handelt sich tatsächlich darum, wie die Alten der Jugend entgegen­kommen. Ich kann nicht anders als aus einer Erfahrung heraus, die sich mir aber in zahlreichen Fällen bestätigt hat, auseinandersetzen, daß ich eben darauf hinweise: die Jugendfrage von heute ist vielfach eine Alten-frage. Wir werden vielleicht die Frage der Jugendbewegung am besten beantworten, wenn wir weniger auf die Jugend schauen, sondern eiij bißchen in uns selber hinein.

En met name bij ons laatste congres in Stuttgart, waar weer een aantal mensen van deze jeugdbeweging aanwezig was die anders echt niet bezig zijn om naar de een of andere autoriteit te luisteren, mensen die zeggen: alles moet vanuit het innerlijk opbloeien, vanzelf, enz, die lieten niet op zich inpraten – op het laatste congres in Stuttgart werd eenstemmig besloten, zelfs een antroposofische jeugdgroep op te richten, nadat men anderhalf of twee uur zo’n conferentie hield.
Het gaat er werkelijk om hoe de ouderen de jongeren tegemoet treden. Ik kan niet anders dan uit deze ervaring die trouwens in talloze andere gevallen werd bevestigd, uitleggen dat ik nu juist daarop wijs: het jeugdvraagstuk van nu is heel vaak een vraagstuk van de ouderen. We kunnen het vraagstuk van de jeugd het beste beantwoorden wanneer we minder naar de jeugd kijken, maar een beetje meer naar ons zelf.

Blz. 129

X:    Es sei einem Jungen erlaubt, zu sprechen. Man möge mir verzeihen, wenn ich vielleicht ein starkes Wort gebrauche: Wir haben sozusagen keine Autoritäten mehr, wir Jungen. Und warum? Weil sie unsere Eltern auch nicht haben. Wenn wir mit Eltern reden oder auch mit älteren Menschen, so finden wir immer aus ihren Worten heraus, daß sie keine Ehrfurcht vor den Menschen haben, daß sie immer an einer Kleinigkeit herumkriti­sieren und daß sie sozusagen sich selber damit in ein schlechtes Licht setzen. Wir Jungen haben überhaupt von unseren Erziehern den Eindruck, daß sie manchmal wandelnde Kompromisse geworden seien und daß sie sich nicht entscheiden, auf eine bestimmte Seite zu stehen und aus ihrem vollsten Herzen heraus zu sagen: Ich meine es so und ich stehe dazu. – Man weiß nie recht, geht es auf die eine Seite oder auf die andere Seite hinaus.

X: Een jongen mag wat zeggen. Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt, wanneer ik zware woorden gebruik: wij hebben eigenlijk geen autoriteiten meer om ons heen, wij jongeren. En waarom? Omdat onze ouders die ook niet hebben. Wanneer wij met onze ouders praten of ook met oudere mensen, dan ervaren we steeds uit hun woorden dat zij geen eerbied voor de mensen hebben, dat zij steeds kritiek hebben op kleinigheden en dat zij die zogezegd daarmee in een slecht daglicht plaatsen. Wij jongeren hebben eigenlijk van onze opvoeders de indruk dat zij soms wandelende compromissen zijn geworden en dat zij niet besluiten aan een bepaalde kant te gaan staan en vanuit hun hart te spreken: ik bedoel dit of dat en daar sta ik voor. Je weet nooit precies of het nou daarheen of daarheen gaat.

 Und immer haben wir dann dieses Gefühl von unseren Eltern oder Erziehern, daß sie eigentlich die Jugend nicht charakterisieren wollen, sondern beurteilen und bekritteln. Wenn ich daran denke, wie wir in unserem Jugendltreise miteinander arbeiten und was uns für Dinge in die Hände kommen – ich werde nun zwei ganz charakteristische Dinge herausgreifen: wir haben einmal miteinander Blüchner und Morgenstern gelesen; Da muß man sich nur diese Gegensätze vorstellen. Und so kommt es alle Tage; bei uns stürzen sich die Dinge auf uns los, und es ist nirgendwo ein Mittelpunitt, an den wir uns halten können. Es steht gar nirgends, wenn es auch kein Gedanke wäre, so doch ein Mensch, ein wirklich lebender Mensch da. Wie kann man denn unterrichten, wenn nicht sozusagen hinter den Dingen ein lebender Mensch steht, dem man es anfühlt, wenn er doziert…

En dan hebben wij steeds dat gevoel bij onze ouders of opvoeders dat zij de jeugd eigenlijk niet willen karakteriseren, maar willen beoordelen en bekritiseren. Als ik eraan denk hoe wij op onze jeugdreis met elkaar werken en met wat voor dingen we te maken krijgen – ik zal maar twee heel sprekende dingen noemen – we hebben met elkaar eens Blüchner en Morgenstern gelezen. Je moet je de tegenstelling eens inleven. En zo gaat het elke dag, bij ons komen de dingen over ons heen en er is nergens een middelpunt waaraan we ons kunnen vasthouden. Er staat helemaal nergens een gedachte, laat staan een mens, een echt levend mens. Hoe kan je dan onderwijzen als er bij wijze van spreken achter de dingen geen levend mens staat, waaraan je het kan ervaren als hij lesgeeft…

Dann wären wir von der Sache begeistert. Aber solange unsere Erzieher uns nicht entgegentreten als Mensch, der sich vor uns nicht scheut sich selber auszulachen, so können wir einfach nicht das nötige Vertrauen zu ihm haben. Wir Jungen, ich kann das aus eigener Überzeugung sagen, suchen nach einer Autorität. Wir suchen einen Miuelpunkt, einen Haltepunkt, an dem wir uns hochranken können und an dem wir in ein Leben hineinwachsen können, das ein wirltliches Innenleben ist. Und darum stürzt sich unsere Jugend auf alles Neue, das erscheint; sie hofft, sie werde einmal etwas erhaschen, das ihr etwas sein könne. Aber wenn sie etwas erhascht, so ist es nur eine große Wirrnis von Meinungen, Ansichten, von Urteilen, die keine Urteile sind, sondern höchstens ein Aburteilen.
Wenn ich dem ersten Redner etwas sagen darf: Er hat nach einem Buch gefragt, wonnnen man lesen könne, warum es bei der Jugend so sei. Nein, sage ich Ihnen, lesen Sie uns selber! Aber wenn man mit jungen Menschen sprechen will, muß man als lebendiger Mensch vor sie hintreten und aus sich herausgehen. Dann wird der junge Mensch auch aus sich herausgehen. Und dann wird dem jungen Menschen klar sein, was der ältere will und dem älteren, was der junge Mensch will.

Van zoiets zouden we enthousiast worden. Maar zolang onze opvoeders ons niet als mens benaderen die niet bang is om door ons uitgelachen te worden, kunnen wij simpelweg niet het nodige vertrouwen in hem hebben. Wij jongeren, ik kan dat uit eigen overtuiging zeggen, zoeken naar autoriteit. We zoeken een middelpunt, een houvast, waaraan we ons kunnen optrekken en door wie wij thuis kunnen raken en met wie wij naar een leven kunnen toegroeien dat een echt innerlijk leven is. En daarom stort de jeugd zich op al het nieuwe dat verschijnt; ze hoopt eens iets te kunnen pakken wat voor haar iets kan betekenen. Maar wanneer ze dan iets te pakken heeft, is er een grote wirwar van meningen, opzichten, oordelen die geen oordelen zijn, maar hoogstens dwaaloordelen.
Wanneer ik tegen de eerste spreker iets mag zeggen: hij heeft om een boek gevraagd waarin men kan lezen waarom het er zo bij de jeugd voorstaat. Nee, zeg ik tegen u, lees ons liever! Maar als je met jonge mensen wil spreken, moet je als levend mens naar hen toegaan en jezelf proberen weg te cijferen. Dan zal de jonge mens dat ook doen. En dan zal het hem duidelijk worden, wat de oudere wil en aan de oudere, wat de jonge mens wil.

Y: Ich möchte hier als Lehrer Herrn Dr. Steiner fragen, ob er denn nicht glaubt, was der erste diskutierende Redner angeregt hat, daß ein besonderer Geist doch in der heutigen Jugend lebt, etwa in größeren Städten, dem vielleicht ein durchaus menschlich eingestellter Lehrer nicht mehr in dem Maße gerecht wird, als derselbe Lehrer vielleicht vor fünfzig Jahren hätte gerecht werden können. Der Fehler ist mit vollem Recht bei den Alten gesucht worden; aber die Tatsache ist jedenfalls nicht ganz wegzudiskutieren, daß die heutige Jugend, die soziale Jugend, doch aus Elementen zusammengesetzt ist, in denen ein Geist des Skeptizismus lebt, daß vielleicht ein so eingestellter Lehrer, wie Herr Dr. Steiner, sich nicht vorstellt, wie man mit großem Dünkel einem entgegenkommt und daß in die Jugend

Y: Ik zou hier als leraar aan Dr. Steiner willen vragen of hij dan niet gelooft wat de eerste spreker in de discussie aangeroerd heeft, dat de jeugd van nu een bijzonder soort mentaliteit heeft, zeker in de grote steden, waar een bepaalde op het menselijke ingestelde leraar niet meer op die manier mee uitkomt als misschien dezelfde leraar een vijftig jaar geleden. De fouten zijn geheel terecht bij de ouderen gezocht; maar het feit is toch ook niet helemaal weg te redeneren dat de huidige jeugd, de sociale jeugd toch uit elementen samengesteld is waarin een mentaliteit van scepsis heerst, en dat een leraar met zo’n instelling als Dr. Steiner, zich niet voorstelt hoe je met een grote ingenomenheid iemand tegemoet treedt en dat in de jeugd de

Blz. 130

hinein soziale Widersprüche rücken, daß vielleicht bei den Jungen zum Teil durch die sozial-demokratisch imprägnierten Gedanken falsche Vorstellungen hervorgerufen werden von Unabhängigkeitsdrang und dergleichen, die auch einem Lehrer, der unbefangen der Jugend gegenübertritt, ein Wirken erschweren oder verunmöglichen, das ihm vielleicht einige Zeit vorher noch beschieden gewesen wäre.

sociale tegenstellingen toenemen, dat er misschien bij de jeugd voor een deel door de sociaal-democratisch gekleurde gedachten verkeerde voorstellingen opgeroepen worden van een onafhankelijkheidsdrang enzo, die ook de leraar die de jeugd onbevangen tegemoet treedt zijn werk moeilijker zal maken of onmogelijk, waar hij misschien een poos geleden nog niet mee te maken had.
In het antwoord van Dr. Steiner leek het alsof al deze acties van juist de jeugd, het simpele antwoord zijn op de gebreken van de leraren. Zeker, wat een groter percentage betreft bezwijken wij aan deze tekorten, maar geldt dat voor elke leraar? Dat is de vraag. En moeten de weinige mensen die dan toch niet deze tekorten aangerekend kunnen worden, niet ook constateren dat er een andere jeugd is, dat het moeilijker is, dat er ongeloof en scepsis onder de leerlingen heerst en dat dat het werk van de leraar bemoeilijkt?

Es sah in der Antwort des Herrn Dr. Steiner so aus, als ob diese ganzen Aktionen gerade der Jugend, einfach Antworten auf Mängel der Lehrer seien. Gewiß, wir unterliegen vielleicht in einem größeren Prozentsatz diesen Mängeln, aber sind es alle Lehrer? Das ist die Frage. Und werden diese Wenigen, die von diesen Mängeln doch nicht in dem Maße behaftet sind, nicht auch konstatieren müssen, daß eine andere Jugend da ist, daß es schwieriger ist, daß ein Unglaube und Skeptizismus unter den Schülern waltet und dem Lehrer das Arbeiten erschwert?

Dr. Steiner; Ja, wenn man die Frage so stellt, kommt man keinen Schritt weiter. So ist es ganz unfruchtbar von vornherein. Es kann sich durchaus nicht darum handeln, zu konstatieren, daß die Jugend eine andere geworden ist und daß vielleicht es vor fünfzig Jahren leichter war mit der Jugend, sondern es handelt sich wirklich nur darum, die Mittel und Wege zu finden, wie wir heute eben gerade mit der Jugend fertig werden. Und schließlich, die Jugend wächst uns entgegen. Es hat auch nicht sehr viel Fruchtbares an sich, davon zu sprechen, daß sie durch sozialdemokratische Vorurteile und dergleichen zu einem Skeptizismus geführt wird.

Dr.Steiner: Ja, wanneer de vraag zo gesteld wordt, kom je geen millimeter verder. Dan is het bij voorbaat zinloos. Het moet er beslist niet omgaan te constateren dat de jeugd anders geworden is en dat het vijftig jaar geleden misschien makkelijker ging met de jeugd, waar het echt op aankomt is middelen en wegen te vinden hoe wij nu met de jeugd uitkomen. En uiteindelijk komt de jeugd tegenover ons te staan. Het is ook niet zo vruchtbaar te zeggen dat zij door de sociaal-democratische vooroordelen en dergelijke sceptisch wordt.

Das ist ebenso unfruchtbar, als wenn man ein Naturpro­dukt, das in einer gewissen Weise wächst – und das tut ja die Jugend auch, sie wächst uns wie ein Naturprodukt entgegen -, wenn man nun dieses Naturprodukt kritisiert, statt darüber Gedanken sich zu machen, wie man es in der besten Weise zu behandeln hat. Also es kann sich wirklich, wenn man die Frage auf einen fruchtbaren Boden bringen will, nur darum handeln, wie man sich heute der Jugend gegenüberstellt. Das wird unter allen Umständen nicht beantwortet, wenn man gewisserma­ßen wie eine fatalistisch zu nehmende Tatsache hinstellt, daß nun schon einmal die Jugend eben anders geworden ist, als sie vor fünfzig oder mehr Jahren war. Sie ist anders geworden! Und wenn man das Leben verfolgt hat, so wird man sehen, wie auch dieses Anders-Werden durch­aus eine Art von Zunahme darstellt, eine Art von Umwandlung ins Größere. Ich mache darauf aufmerksam, wie es zum Beispiel in der Dichtung gequirlt hat; man lese oder sehe sich solche Dinge an. Es werden ja manchmal noch solche Dinge aufgeführt, sagen wir, dramati­sche Dichtungen aus den achtziger Jahren, wo das Verhältnis der

Dat is net zo zinloos als wanneer je een natuurproduct dat op een bepaalde manier groeit – en dat doet de jeugd ook, ze groeit bij ons op als een natuurproduct – bekritiseert, in plaats er gedachten over te vormen hoe je het op de beste manier behandelen kan. Het kan er. als je de vraag een vruchtbare bodem wil geven, alleen maar om gaan hoe je je opstelt aangaande de jeugd. En die wordt onder geen enkele omstandigheid beantwoord als je deze op een bepaalde manier als een fatalistisch te nemen feit poneert, het feit dat de jeugd nu eenmaal anders geworden is dan vijftig jaar of langer geleden. Ze is anders geworden! En als je het leven gevolgd heb, dan zal je zien hoe dit anders-worden werkelijk een soort toename vertegenwoordigt, een soort van verandering in groter verband. Ik wijs erop hoe het in de dichtkunst kolkte, lees en kijk naar die dingen. Er wordt soms nog van dat dramatische dichtwerk opgevoerd, laten we zeggen uit de jaren tachtig (19e eeuw) waarbij de verhouding

Blz. 131

jüngeren zur älteren Generation geschildert wird; da wird man sehen, daß dasjenige, was da ist, schon durch die Jahrhunderte hindurch vorhanden war und dazumal schon wie eine Katastrophe empfunden wurde. Dagegen ist das von heute das reine Kinderspiel. Aber wie gesagt, mit dem bloßen Konstatieren kommt man nicht weiter. Überall handelt es sich darum, wie man wiederum zur Autorität kommt, das den einzelnen Menschen gibt, was sie befähigt, als Lehrer, als Erzieher, sich in einer richtigen Weise zur Jugend stellen zu können. Das beweist meiner Meinung nach nichts dagegen, daß es im allgemeinen doch richtig ist, daß die Jugend im ganzen heute bei den Alten eben nicht den Anhaltspunkt für eine wirkliche Autorität findet, daß die Jugend heute bei den Alten mehr als das in älteren Zeiten noch der Fall war, auch in der hinter uns liegenden Zeit, Kompromisse und dergleichen findet.

Das tritt uns ja sogar in den großen Weltereignissen entgegen, daß man überall nach Kompromissen strebt und daß daher einfach die Frage zu beantworten ist, auch im großen Stile: Wie gewinnen wir wiederum die Autorität? Ich muß sagen, ich weiß auch, daß es solche Lehrer, tüchtige Menschen gibt, wie diejenigen sind, die Sie erwähnt haben. Aber bei denen ist in der Regel auch die Jugend anders. Wer unterscheiden kann, der kann schon merken, daß da auch die Jugend anders ist.

tussen de jongere en oudere generatie geschetst wordt; dan zal je zien dat wat we nu hebben, er al eeuwen lang is en toen ook al als een ramp beleefd werd. Vergeleken daarbij is het tegenwoordig kinderspel. Maar zoals gezegd: met alleen constateren kom je niet verder. Het gaat er overal om hoe je weer autoriteit wordt, waarmee de individuele mens iets krijgt wat hem in staat stelt als leraar, als opvoeder zich op een goede manier naar de jeugd toe op kan stellen. Dat bewijst volgens mij niets tegen het feit dat het over het algemeen toch juist is dat de jeugd als geheel vandaag de dag bij de ouderen geen houvast vindt als een echte autoriteit, dat de jeugd nu bij de ouderen meer dan vroeger nog het geval was, ook in de achter ons liggende tijd, compromissen en dergelijke vindt.

Dat kom je ook bij de grote wereldgebeurtenissen tegen, er wordt overal gezocht naar compromissen en dat daarom de vraag simpel te beantwoorden is, ook in ruimer opzicht: hoe worden we weer autoriteit? Ik moet zeggen, ik weet ook dat er zulke leraren zijn, daadkrachtige mensen, zoals degenen die u genoemd hebt. Maar bij hen is de jeugd als regel ook anders. Wie onderscheid kan maken, die ziet al dat ook daar de jeugd anders is.

Also man sollte nicht mit zu stark hypothetisch gefärbten Urteilen nach dieser Richtung kommen, sondern sich durchaus klar darüber sein, daß schließlich diejenige Art, wie die Jugend iSt, doch im großen und ganzen beim Alter zu suchen ist. Meine Bemerkungen gingen auch nicht darauf hin, für die Fehler der Jugend gerade die Lehrer der Jugend allein als Alte verantwortlich zu machen. Man ist ja sehr versucht, darauf hinzuweisen, wie eigentlich dieser Mangel an Autorität heute wirklich in der furchtbarsten Weise gerade da sich geltend macht, wo unsere histori­schen Ereignisse sich abspielen. Bedenken Sie gewisse Momente wäh­rend der Kriegskatastrophe: die Leute haben nach Ersatz gesucht für ältere, führende Leute. Welche Leute hat man denn gefunden? In Frankreich Clemenceau, in Deutschland Hertling – alles alte Leute urältester Sorte, die nur dadurch, daß sie einmal bedeutend waren, noch als Autoritäten dastehen, nicht Leute, die unmittelbar aus der Gegenwart heraus sich ihren Standpunkt zu fixieren wußten. Und jetzt? Wir haben

Dus moet je met niet al te gekleurde hypothetische oordelen in deze richting gaan, maar dat het je heel duidelijk wordt dat uiteindelijk hoe de jeugd is, toch in grote lijnen wel bij de ouderen gezocht moet worden. Mijn opmerkingen gingen ook niet in de richting om voor  de fouten van de jeugd m.n. de leraren van de jeugd als ouderen alleen verantwoordelijk te houden. Men is er zeer op uit erop te wijzen hoe eigenlijk dit gebrek aan autoriteit zich tegenwoordig verschrikkelijk doet gevoelen daar waar onze historische gebeurtenissen zich afspelen. Denk eens aan bepaalde ogenblikken tijdens de oorlogscatastrofe: de mensen hebben een alternatief gezocht voor oudere, leidinggevenden. Welke mensen heeft men toen gevonden? In Frankrijk Clemenceau, in Duitsland Herling – allemaal ouderen van een antieke soort die alleen omdat ze ooit bekendheid genoten, nog als autoriteit aanwezig waren, geen mensen die direct uit het heden hun standpunt wisten vast te leggen. En nu? We hebben

Blz. 132

es vor kurzem erlebt: drei Ministerpräsidenten in wichtigen Ländern haben ihre Stellungen erschüttert gehabt. Alle drei stehen heute auf ihren Posten deshalb, weil man keine anderen Autoritäten gefunden hat, aus keinem anderen Grunde! So haben wir heute selbst in den großen Lebenserscheinungen die Tatsache, daß die Autorität gerade bei den Leuten, die das Leben führen sollten, untergraben ist. Das hat nicht die Jugend gemacht auf diesem Gebiete; aber daran erschüttert sich der Autoritätsglaube der Jugend sehr stark, wenn so etwas auf die Jugend wirkt, wenn die Jugend so etwas miterlebt.
Also man muß diese Frage schon tiefer und vor allen Dingen fruchtba­rer anfassen, und sich darüber klar sein, daß wir nicht jammern brauchen über die Art, wie uns die Jugend jetzt entgegentritt, sondern wir sollen vor allen Dingen daran denken, wie wir der Jugend gegenüber wieder aufkommen.

het onlangs meegemaakt: van drie minister-presidenten in belangrijke landen is hun positie aan het wankelen gebracht. Alle drie zijn ze nog op hun post, omdat men geen andere autoriteiten heeft gevonden, daarom! Zo hebben we zelfs in het groot het feit dat de autoriteit m.n. bij de mensen die leiding moeten geven, ondergraven is. Op dit gebied heeft de jeugd dat niet gedaan; maar het geloof in autoriteit wordt daardoor voor de jeugd wel heel sterk aan het wankelen gebracht, wanneer ze zoiets meemaakt. Dus moet je deze vraag wel dieper en vooral vruchtbaarder aanpakken en goed beseffen dat we geen geklaag kunnen gebruiken over de manier waarop de jeugd ons tegemoet treedt, maar wij moeten er vooral aan denken hoe wij de jeugd weer tegemoet treden.

Also etwa unter sie zu treten und bloß anfangen zu jammern: Kinder, ihr seid mir zu schlecht, ich erreiche mit euch nichts, ich kann nichts mehr mit euch anfangen -, das ist unfruchtbar. Frucht­bare Entwickelung muß sich bemühen, vor allen Dingen dasjenige Geistesleben und das Leben im allgemeinen zu suchen, das die Möglich­keit gibt, daß die Jugend wiederum zum Glauben an die Alten gebracht werden kann. Wer die Jugend kennt, der weiß: die Jugend findet sich beglückt, wenn sie an die Alten glauben kann. Sie findet sich tatsächlich beglückt, der Skeptizismus hört bald auf, wenn irgend etwas Richtiges da ist, woran die jungen Leute glauben können. Im allgemeinen ist das noch nicht so, daß nur Richtiges das Leben beherrscht. Aber im allge­meinen ist es doch so, daß wenn die Leute etwas sagen, was tatsächlich einen inneren Gehalt hat, dann werden die Jungen dennoch angezogen. Wenn man daran nicht mehr glauben könnte, wenn man das ganze Leben an den Mängeln der Menschen herumjammert und nur darüber redet, dann wird nichts erreicht werden.

Dus naar ze toegaan en dan meteen beginnen te jammeren: kinderen jullie zijn me te slecht, ik bereik met jullie niets, ik kan met jullie niets beginnen – dat werkt niet. Een vruchtbare ontwikkeling streeft ernaar vooral dat geestesleven en dat leven in het algemeen te zoeken dat het mogelijk maakt dat de jeugd weer geloof in de ouderen kan krijgen. Wie de jeugd kent weet: de jeugd voelt zich gelukkig wanneer ze in de ouderen kan geloven. Ze voelt zich gelukkig en de scepsis verdwijnt al gauw wanneer er iets goeds is waarin de jonge mens kan geloven. Over het algemeen is het nog niet zo dat iets goeds het leven beheerst. Maar over het algemeen is het toch zo dat wanneer de mensen iets zeggen wat werkelijk van een dieper niveau is, de jeugd daartoe wordt aangetrokken. Als je daarin niet meer zou kunnen geloven, wanneer je je hele leven klaagt over de gebreken van de jeugd, dan wordt er niets bereikt.

GA 304 (Duits)

Rudolf Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2588-2422

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over rekenen – alle artikelen

.


.

RUDOLF STEINER OVER REKENEN

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over rekenen. 

GA 34

Blz. 309  vert. 326: vermenigvuldigen kun je met je vingers leren.

(Link onder GA-nummer)

GA 294

Voordracht 1: realiteit van rekenen niet in de cijfers, maar wat in deze cijfervorm leeft; we zijn bij het rekenen op een minder fysiek gebied dan bij lezen; met rekenen moeten we zielenkwaliteiten overbrengen; van geheel naar de delen; 1e klas: voor optellen betekent dat uitgaan van het totaal (de som); voor aftrekken uitgaan van de rest.
Voordracht 3: Steiner behandelt hier dat het niet zo erg is als we een kind iets leren wat het nog niet begrijpt – als voorbeeld neemt hij dan het uit het hoofd leren van een paar tafels.
Voordracht 5: vanuit geheel naar de delen.
Voordracht 8: vóór 9e jr. rekenen vooral vanuit kunstzinnige; na schrijven en lezen.
Voordracht 10: rekenen iets later beginnen dan schrijven;
Voordracht 14: tegen de puberteit is er nog een gezond instinct waarbij nauwelijks egoïsme een rol speelt, en dat is de tijd waarin je het handelsrekenen moet behandelen.

GA 295

Werkbespreking 1: rekenen in een periode
Werkbespreking 4: optellen: uitgaan van geheel(=som) voor flegmaticus-cholericus doet omgekeerde aftrekken uitgaan van geheel (=rest) voor melancholicus-sanguinicus doet omgekeerde; vermenigvuldiging: uitgaan van geheel (=product) voor sanguinicus-melancholicus doet omgekeerde; delen: uitgaan van geheel (=quotiënt)-flegmaticus doet omgekeerde; de vier bewerkingen vanaf begin allemaal;
Werkbespreking 8: kinderen die zwak zijn in rekenen: voorbeeld van therapeutische oefening; wilsmatig zich bewegen, bewegingszin grondslag rekenen;
Werkbespreking 12: hoofdrekenen; tegenwoordigheid van geest;
Werkbespreking 13: wanneer ‘oppervlakte’?: na algebra; overgang naar letterrekenen met kapitaal en rente; formules daarvan; koopmansprincipe voor 2e klas; hoofdrekenen; Gauß die in een handomdraai de getallen van 1 tot 100 optelde; foutenrekeningen; opgaven met fantasie;
Werkbespreking 14: verder met de kapitaalformules als overgang naar de algebra; negatieve en imaginaire getallen; worteltrekken, machtsverheffen; bruto-netto-tarra; gebruik van formules;
2e leerplanvoordracht: de aanwijzingen voor de verschillende klassen zijn ondergebracht bij het leerplan voor die klassen.


GA 297

Voordracht 8: rekenen is wezenlijk anders dan schrijven en lezen.

GA297A

Voordracht 2: over aanschouwelijkheid en rekenmachine.
Voordracht 5: ook rekenen moet vanuit het kunstzinnige worden gegeven.

GA 298

Rekenen en aanschouwelijkheid; rekenen kan het geheugen versterken.

GA 300B

Blz. 65: een kind dat niet snel kan rekenen;
Blz. 81: speciale oefeningen voor een kind dat niet kan rekenen;
Blz. 108: geen bladzijden vol sommen als huiswerk
Blz. 140: geen (reken)boek in de hand en opgaven geven; de realiteit van bepaalde rekenopgaven;
Blz. 175: iedere week 2x een half uur oefenstof.

GA 301

Voordracht 9; rekenonderwijs en materialisme;
Voordracht 10; over het belang van synthese en analyse;
Voordracht 14: meer over analyse en synthese; reken’machine’; aanschouwelijkheid; geheugen en aanschouwelijkheid.

GA 302

Voordracht 4: welke plaats neemt het rekenen onder de andere vakken in; verschil met schrijven.

GA 303

Voordracht 9: rekenen en innerlijke behoefte kind; niet beginnen met synthetische weg; eenheid; van het geheel naar de delen (verdelen);
Voordracht 10: tafels van vermenigvuldiging; aanschouwelijkheid; rekenen met vingers i.p.v. telraam; uit het hoofd;
Voordracht 12: kunstzinnig werken bij rekenen; ook bij meetkunde;

GA 304

Voordracht 3: met lesgeven bestoken we gezondheid van het kind; daar tegenoverstellen: harmonisering.
Voordracht 5: door te rekenen vorm je het denken.
Voordracht 6: met o.a. rekenen kan je het kind van buitenaf inspireren.
Voordracht 7: rekenen: analyse

GA 305

Voordracht 5: rekenen is geen mens vreemd; rekenen en morele principes; uitgaan van de eenheid; van geheel naar delen is geven i.p.v. nemen;

GA 306

Voordracht 3: met de tandenwisseling komt het gevoel voor rekenen vrij.

GA 307

Voordracht 10: rekenen beïnvloedt fysiek lichaam en etherlichaam; dat is er tijdens de slaap; rekenen tijdens de hele kindertijd, maar adequaat veranderen; bij tellen niet aaneen rijgen, maar verdelen; eenheid is het geheel; dat wordt ook door het etherlichaam meegenomen; bij optellen is de som(totaal) het geheel, bij aftrekken het verschil;
Voordracht 12: rekenen en geheugenvorming.

GA 309

Voordracht 4: rekenen niet intellectualiseren, maar uitgaan van de realiteit; realiteit is: van geheel naar de delen; zo ontwikkel je een realiteitswaarnemen.

GA 310

Voordracht 8: eerst de som, daarna de delen; bij aftrekken ga je uit van de rest; dat is de werkelijkheid, het andere is abstract; rekenen aan het leven aflezen; geen rekenmachine = is in dit geval telraam, abacus o.i.d.

GA 311

Voordracht 4: als de kinderen geen rekenperiode hebben, is het goed bepaalde dingen te blijven oefenen.
Voordracht 5: rekenen moet niet ver van het leven af staan; telraam is daarbij obstakel; uitgaan van de eenheid; Romeinse cijfers ter ondersteuning; tellen met handen en voeten; tellen gaat aan rekenen vooraf; hoofd als toeschouwer; schrijven met je voet; verdelen van de eenheid; rekenen en atomisme; bij aftrekken is wat overblijft/is gebleven, de rest, het uitgangspunt; bij vermenigvuldigen uitgaan van product;
Voordracht 7: het onrealistische van bepaalde rekenopgaven; het gaat juist om dingen die niet wereldvreemd maken.
Vragenbeantwoording 20 aug. 1924: wat is in deze onderwijsmethode het verschil tussen vermenigvuldigen en delen; ligt dicht bij elkaar door de manier van vragen; 2 mogelijkheden bij het delen: je gaat van het geheel uit en zoekt het deel of je gaat van het deel uit en zoekt hoe vaak dat in het geheel zit: een soort meten; van concreet naar abstract: tot 10e zo concreet mogelijk; makkelijk met geld; we hebben 10-tallig stelsel door ons lichaam.

.

Rudolf Steineralle artikelen

Rekenenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2587-2421

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over rekenen – GA 34

.
RUDOLF STEINER OVER REKENEN

GA 34

In 1907 spreekt Steiner al over de pedagogie in het bekend geworden werkje:
‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’ (GA 34)

Strikt genomen hoort het niet bij ‘de pedagogische voordrachten’ die in de Gesamt Ausgabe zijn ondergebracht onder de nummers 293 t/m 311.

Blz. 336   vert. 51

Der junge Mensch braucht zum Beispiel nur die notwendigsten Gesetze des Multiplizierens an einigen Bei­spielen zu lernen, zu denen man keine Rechenmaschine braucht, sondern wozu die Finger viel besser sind, dann soll er das Ein­maleins sich ordentlich gedächtnismäßig aneignen.

Het kind hoeft bijvoorbeeld alleen maar de meest elementaire regels van het vermenigvuldigen aan enige voorbeelden te leren, waarbij men geen telraam nodig heeft, maar waarvoor de vingers veel beter te gebruiken zijn, om dan de tafels van vermenigvuldiging behoorlijk uit het hoofd te leren.
GA 34/309
De opvoeding van het kind/51
(Gebruikt uitgave 1980)   

Rudolf Steiner: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2586-2421

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen in beweging – slot (1-4)

.

Bronnen

Werken van Rudolf Steiner

De pedagogische voordrachten zijn gebundeld in de Rudolf Steiner Gesamtausgabe 293 tot en met 311, speciaal over ‘rekenen’ is gesproken in voordrachten verzameld in de GA’s 294, 295, 301, 305, 307 en 311, Dornach: Rudolf Steiner Verlag.

Verzamelband met citaten: (1994) Rudolf Steiner zur Mathematik, Band I und II, Stuttgart: Pedagogische Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschulen.

R. Steiner (1981) Grenzen der Naturerkenntnis (GA 322), Dornach: Rudolf Steiner Verlag.  Vertaald

R. Steiner (1966) De opvoeding van het kind in het licht der Antroposofie, Zeist: Uitgeverij Vrij Geestesleven.

R.Steiner (1981) Raadsels van het menselijk temperament, Zeist:
Uitgeverij Vrij Geestesleven.

R. Steiner (1979) Geisteswissenschaftliche Menschenkunde (GA 107), Dornach: Rudolf Steiner Verlag.

R. Steiner (1981) Sprachgestaltung und Dramatische Kunst (GA 282), Dornach: Rudolf Steiner Verlag.

R. Steiner (1983) Heilpedagogische cursus, Zeist: Uitgeverij Vrij Geestesleven.

Werken met betrekking tot reken-wiskundeonderwijs

P. Adam, A. Wyss (1984) Platonische und Archimedische Körper, ïhre Sternenformen und polaren Gebilde, Stutgart: Verlag Freies Geistesleben.

A. Bernard (1993) Geometrie, Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben.

A. Bernard (1993) Projective Geometrie, Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben.

H. von Baravalle (1984) Rechenunterricht und der Waldorfschul-Plan, Stuttgart: Mellinger Verlag.

H. von Baravalle (1959) Darstellende Geometrie, Stuttgart:
Verlag Freies Geistesleben.

H. von Baravalle (1957) Geometrie als Sprache der Vormen, Stuttgart:
Verlag Freies Geistesleben.

H. von Baravalle (1985) Die Geometrie des Pentagramms und der goldene Schnitt, Stuttgart: Mellinger Verlag.

E. Bindel (1982) Das Rechnen, Stuttgart: Mellinger Verlag.

E. Bindel (1967) Die Arithmetik, Stuttgart: Mellinger Verlag.

E. Bindel (1958) Die geistig-seelischen Grundlagen der Zahlen, Stuttgart:
Verlag Freies Geistesleben.

391

A. J.Bishop (1988) Mathematical Enculturation. A cultural perspective on mathematics education, Mathimatics Education Library, Dordrecht:
Kluwer Academie Publishers.

M. Blocksma (H. van Maanen) (1990) De schaal van Richter en andere getallen.

De ontcijfering van alledaagse nummers,cijfers, maten en gewichten, Amsterdam: Bert Bakker.

G. Bosteels (1958) Het leven der getallen, Antwerpen: De Sikkel N.V.

W. Bühler e.a. (1970) Lebendige Denken durch Geometrie, Bern: Arbeitskreis der freien padagogischen Verenigung.

R. Gersons (1991) Handelsrekenen, Driebergen: VPC.

C.Gibb-Smith (1978) De uitvindingen van Leonardo da Vinei, Haarlem: De Haan.

L. Gillesen en J. Klep (1980) De getallenlijn. Tellen, meten, rekenen en denken,
OBR 287, Tilburg: Zwijsen.

F.Goffree (1994) Wiskunde & didactiek voor aanstaande leraren basisonderwijs, deel 1, 2 en 3, Groningen: Wolters Noordhoff.

F. Groffree en K. Buys (red.) (1989) Tegengesteld. Wiskundedidactiek op de grens van basis- en voortgezet onderwijs, toegespitst op negatieve getallen, Baarn: Bekadidact.

F. Goffree (1979) Leren onderwijzen met wiskobas, Utrecht: lOWO.

K. Gravemeyer en J.M. Kraemer (1986) Met het oog op ruimte, OBR 306, Tilburg: Zwijsen.

W. van Haren en R. Kischnick (1992) Het grote spelenboek, Zeist: Christofoor.

H. ter Heege (1993) Handreiking bij de kerndoelen basisonderwijs, Rekenen en wiskunde, Enschede: SLO.

G. Ifrah (1988) De wereld van het getal. De geschiedenis van een grote uitvinding, Katwijk aan zee: Servire Uitgevers B.V.

R.A. de Jong (1986) Wiskobas in methoden, dissertatie, Utrecht: OW&OC.

C. Kellinga (z.j.) Kort overzicht van de methode ‘Noodig Rekenen op de lagere school’, Amsterdam: N.V.R.K. Boekcentrale.

E.M.Kranich e.a. (1992) Formenzeichnen, Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben.

B. Lagerwerf (1994) Wiskundeonderwijs in de basisvorming. Een didactische ruggesteun voor wiskundeleraren, Groningen: Wolters Noordhoff.

L. Locher-Ernst (1984) Mathematik als Vorschule zur Geisterkenntnis, Dornach: Philosophisch-Anthroposophischen Verlag.

J. Nelissen en B. van Oers (1990) Rekenen als realiteit. OBR 329, Tilburg: Zwijsen.

E. Schubert (1993) Der Anfangsunterricht in der Mathematik, Mannheim:

392

Intern Manuscript. 

E. Schubert (1971) Die Modernisierung des mathematischen Unterrichts, Stuttgart:  Verlag Freies Geistesleben. 

E.A.K. Stockmeyer (1976) Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen, Stuttgart:
Verlag Freies Geistesleben.

A. Strakosch (1962) Geometrie durch übende Anschauung, Stutgart:
Mellinger Verlag.

L. Streefland (1988) Realistisch breukenonderwijs, dissertatie, Utrecht: OW&OC.

A.Treffers,E. de Moor (1989) Proeve van een natinaal programma voor het reken-wiskundeonderwijs op de basisschool. Deel 1: Overzicht einddoelen, Tilburg: Zwijsen.

A. Treffers,E. de Moor (1990) Proeve van een nationaal programma voor het reken-wiskundeonderwijs op de basisschool. Deel 2: Basisvaardigheden en cijferen, Tilburg: Zwijsen.

B. Ulin (1987) Der Losung auf der Spur, Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben.

B.L. van der Waerden (1950) Ontwakende Wetenschap. Egyptische, Babylonische en Griekse wiskunde, Groningen: Noordhoff.

R. Wilkinson (1976) Teaching Mathematics, to age 14, Forrest Row,Sussex:
Roy Wilkinson.

J.M. Wijnstra (red.) (1988) Balans van het rekenonderwijs in de basisschool,
Uitkomsten van de eerste rekenpeiling medio en einde basisonderwijs, Arnhem: Instituut voor toetsontwikkeling.

R. Ziegler (1993) Goethes Ideen zur Mathematik, Dornach:Philosophisch-Anthroposophschen Verlag.

Werken met betrekking tot extra zorg voor kinderen met rekenproblemen

A. Mc Allen (1982) Die Förderstunde, Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben.

R. Ballreich und U. von Grabowiecki (1992) Zirkus-Spielen. Ein Handbuch,
Stuttgart: S. Hirzel Verlag.

M. Boekaerts en P.R. Simons (1993) Leren en instructie. Psychologie van de leerling en het leerproces, Assen: Dekker & v.d. Vegt.

J.J. Dumont (1991) Leerstoornissen. Deel 1,2 en 3, Rotterdam: Lemniscaat.

N. Glas (1976) Gefahrdung und Heilung der Sinne, Stuttgart: Mellinger Verlag.

M. Glöckler e.a. (1992) Das Schulkind – Gemeinsame Aufgaben von Arzt und Lehrer,Dornach: Philosophisch-Anthroposophischer Verlag.

393

W. Holtzapfel (1991) Kinderen met ontwikkelingsproblemen, Zeist:
Uitgeverij Vrij Geestesleven.

E. Lehrs (1982) Vom Geist der Sinne. Zur Diätetik des Wahrnehmens,
Frankfurt am Main: Vittorio Klostermann.

B. C.J. Lievegoed (1968) Ontwikkelingsfasen van het kind, Zeist:
Uitgeverij Vrij Geestesleven.

P. Mesker en J Hofhuizen (1981) Kunnen en niet kunnen, Nijmegen:
Dekker & v.d. Vegt.

A.J.J.M. Ruijssenaars (1992) Rekenproblemen. Theorie, diagnostiek, behandeling, Rotterdam: Lemniscaat.

R. Treichler (1981) Die Entwicklung der Seele im Lebenslauf, Stuttgart:
Verlag Freies Geistesleben.

L. Vogel (1979) Der dreigliedrige Mensch. Morphologische Grundlagen einer allgemeinen Menschenkunde, Dornach: Philosophisch-Anthroposophischer Verlag.

C. Weinschenk (1970) Rechenstörungen, Bern: Verlag Hans Huber.

H. Müller-Wiedemann (1989) Mitte der Kindheit, Stuttgart:Verlag Freies geistesleben.

394

.

Over het boek
Inhoudsopgave
Voorwoord en inleiding
Hoofdstuk    [
1] [2] [3[4] [5] [6] [7] [8] [9]
Slot (1-1Reflectieve notitie
Slot (1-2Korte toelichting bij enkele gebruikte begrippen
Slot (1-3) Citaten van Rudolf Steiner met betrekking tot                                    aanvankelijk rekenen

Rekenenalle artikelen

.
2585-2420

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rekenen in beweging – slot (1-3)

.

1. Want van al die dingen die aan de mens zo ontzettend veel kwaad doen, is hetgeen uit het rekenonderwijs komt, voor veel mensen het allerschadelijkst. De manier waarop we leren rekenen, druist in de regel in tegen de menselijke natuur. Want alles, wat tegenwoordig bij veel mensen als een neiging tot materialisme optreedt, is eigenlijk niets anders dan een gevolg van een gemiste kans bij het rekenonderwijs rond het negende levensjaar.
GA 301 blz. 151  Op deze blog vertaald
Zie ook Algemene menskunde [9-4]

2. Aan alles wat we doen, ligt als zielenbeweging een analyserende activiteit ten grondslag. Deze analytische activiteit bewerkstelligt, dat we reeds in het zuivere voorstellingsleven vrijheid kunnen ontwikkelen. Als ik 2, 5 en 3 moet optellen, daarvan de som moet vinden, dan staat me niets meer vrij. We zijn dan onderworpen aan de wetmatigheid, die bepaalt hoeveel 2, 5 en 3 samen is. Ga ik echter van 10 uit, dan kan ik die tien uitdrukken in 9+1; 5 + 5; 3 + 5 + 2 of wat dan ook. In het analyseren heb ik te maken met een geheel vrije, innerlijke activiteit. Bij de synthese wordt ik door de omgeving gedwongen mijn zielen leven op een bepaalde manier werkzaam te laten zijn. Alles wat van de losse delen uitgaat, wat deel aan deel rijgt, doodt de menselijke organisatie. Wat van het geheel uitgaat, werkend naar de delen, wat allereerst de voorstelling van het geheel oproept, dat brengt leven in de menselijke organisatie. Het puur toevoegend tellen, mag pas op als tweede aan de orde komen, want dat is eigenlijk een activiteit die alleen op het fysieke vlak van belang is, terwijl het verdelen van gehelen een innerlijke betekenis heeft, die verder doorwerkt tot in het etherlichaam….
GA 301 vanaf blz. 152  
Op deze blog vertaald 

3. Als men van het levendige geheel over gaat naar de delen, dan bereikt men dat, het vormkrachtenlichaam in beweging gebracht wordt. Dit vormkrachtenlichaam zoekt namelijk de prikkel om vormend te kunnen werken. De beweging die nu ontstaat, wordt vervolmaakt voortgezet, zonder dat we daarbij het ons storende astraallichaam en de IK-organisatie daarbij van node hebben.
GA 307 blz. 184  
Vertaald/235

4. Denkt u zich eens in, dat u tegen het kleinste kind, dat nog echt onhandig is, zegt:'[…] Ik neem een stuk hout en een mes en ik verdeel dat stuk hout in stukken. Kan ik dat met jou ook doen?’ Zo’n kind komt er zelf op, dat ik dat met hem niet doen kan. Nu kan ik tegen zo’n kind zeggen: ‘ Zie eens, als ik het hout in stukken snijden kan is dat hout niet zoals jij bent en jij bent niet als het hout. Het verschil is, dat jij een eenheid bent. Het hout is geen eenheid. [..] Wat jij bent, omdat ik jou niet in stukjes delen kan, dat noem ik een eenheid.
GA 311 blz. 78  
Op deze blog vertaald  blz.78

5. Nu zal men er langzamerhand toe over gaan, de kinderen een teken voor deze eenheid bij te brengen. Dan zet je een streep: 1. Men brengt het kind dus bij, dat je voor deze eenheid een streep kunt zetten. De twee kun je voor de kinderen dan zo schrijven: II. Op die manier kom je tot de getallen vanuit de mens zelf, want de mens is levend en niet abstract. (-) Dan kan men verder gaan en zeggen: ‘ Kijk eens, je hebt nog ergens iets wat ‘twee is”. Je vraagt zolang door tot het kind zijn beide benen of voeten gewaar wordt. Nu zeg je: ‘Maar heb je de hond van de buurman gezien? Heeft die ook maar twee voeten? Het kind zal nu ontdekken, dat de in de vier streepjes het staan van buur-mans hond te herkennen is. Zo zal het kind vanuit het dagelijkse leven langzamerhand

389

de opbouw van de getallen leren. We tellen tot tien, omdat we onze ledematen voelen, de geleding die in de handen ligt, omdat we de symmetrie van de handen beleven en de 10 vingers.
GA 311 vanaf blz. 80 
Op deze blog vertaald  blz.80

Rudolf Steiner over rekenen: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden


2584-2419

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen in beweging – slot (1-2)

.

REKENEN IN BEWEGING
.

Korte toelichting bij enkele gebruikte begrippen

Analyse en synthese

‘Uitgaan van het geheel’ is een van de pijlers van de didactiek in de onderbouw. In de analyse gaat het erom dat de kinderen vanuit een geheel steeds meer mogelijkheden of oplossingen leren herkennen. Het eenvoudigste voorbeeld van zo’n werkwijze spreekt uit de rekenopgave:

10 = .. + .. + ..

Deze opgave laat legio mogelijkheden open. Anders dan de richting die de synthese inslaat als ze bij de opgave

5 + 2 + 3 = ..

maar naar één mogelijkheid vraagt.

Het didactische uitgangspunt wordt niet bepaald door wat voor nuttigheidsoverweging dan ook, maar in de eerste plaats door het kind zelf, dat in de leeftijdsfasen tot het 14e jaar van nature geneigd is om vanuit deze zielenhouding de wereld te beleven. In vakken herkent men dit uitgangspunt: de letters worden aangeleerd vanuit een letterbeeld, de aardrijkskunde kijkt eerst naar de gehele aarde, de geschiedenis volgt de grote lijn van de mensheidsontwikkeling door de grote cultuurperioden.

Rudolf Steiner zegt hierover:

‘we kunnen daarin een duidelijke wetmatigheid vinden: in het analyseren worden we telkens wakker, in de synthese slapen we telkens in. Natuurlijk niet op een manier waarbij we denken aan wat we overdag en ’s nachts beleven. (-) Wanneer we echter bij het kind aan de neiging tot analyse ruimte geven, het kind ertoe brengen analyserend met de dingen om te gaan, dan ontwikkelen we in het kind de instelling om met een wakkere ziel de wereld in ogenschouw te nemen.

Dat betekent niet dat de synthese niet van belang is. Maar dat is een activiteit die van het kind zelf uit moet gaan, wanneer het uit de veelheid der delen wetmatigheden en verbanden gaat ontdekken. Synthese is dan niet ‘zo moet het nu eenmaal’, maar een vreugdevolle ontdekking dat de wereld in zinnige verbanden beleefd kan worden. Het is dan de taak van de leerkracht om op basis van deze ‘ontdekkingen’, systematiek aan te brengen in datgene wat het kind zich eigen maakt. In de lagere klassen overheerst het analyserende principe, in de hogere leerjaren krijgt het omgaan met de systematiek van leerstof en regels een steeds grotere plaats. 

Rudolf Steiner zegt daarover:

‘Hoe is het gekomen dat in onze tijd de mensen zich zo verliezen in een materialistische natuuropvatting? Dat komt omdat men tegenwoordig met de kinderen te weinig analyserende dingen doet, zoals het ontwikkelen van letters uit een letterbeeld. Zou men dat weer doen, dan zou het kind in de leeftijdsfase waarin het behoefte heeft aan het analyseren, deze behoefte ook bevredigen en bleef deze niet bestaan als latente drang naar het uitdenken van allerhande materialistische opvattingen. Juist het onbevredigd zijn van het vroege verlangen naar analyse, leidt tot materialistisch denken.’

378

Astraal lichaam
zie Wezensdelen

Wezensdelen

Het mensbeeld zoals dat door Rudolf Steiner beschreven is, geeft een blik op de mens vanuit een drieledig en een vierledig principe.
In de drieledigheid onderscheidt hij het: denken, voelen en willen als innerlijke activiteit van de mens. Deze drie zijn verbonden met drie functies die de menselijke organisatie kent:

denken is verbonden met het zenuw-zintuigstelsel
voelen is verbonden met het middengebied van hart en ademhaling
willen heeft zijn basis in stofwisseling en ledematen.

Willen – In de leeftijdsfase van 0-7 jaar leeft het kind allereerst in het wilsaspect, en ontwikkelt het zich vanuit het doen (nabootsing, ritme). In kleuterklas en lagere leerjaren van de onderbouw is dit doen nog een belangrijk didactisch gegeven.

Voelen – In de fase van 7-14 jaar ontwikkelt het kind het gevoelsleven. Nu is de ervaring, gevoed door het beeldkarakter van het onderwijs, het uitgangspunt voor het onderwijs.

Denken – Na het 14e jaar ontwikkelt het kind het logische denken. Nu is het appel aan de ontluikende persoonlijkheid, het enthousiasme voor wat er in de ideeën van mensen leeft, de basis van deze ontwikkeling.

Het vierledig mensbeeld geeft een blik op geleding van het mensenwezen. Als wezensdelen kan men onderscheiden:

Het fysiek lichaam,

waarin we de mens leren kennen als stoffelijk wezen, zoals het uit de dode, minerale materie is opgebouwd.

Het etherlichaam (vormkrachtenlichaam)

is het levenbrengende principe in de mens. Het vormt in de loop der tijd het fysieke lichaam van de mens tot zijn persoonlijke instrument. Het etherlichaam werkt naar binnen toe, vormend aan het lichaam. Naar buiten toe heeft het echter ook de mogelijkheid ervaringen en indrukken op te nemen en mee te laten werken aan de groei en de vorm van het menselijk lichaam. In het opslaan van ervaringen is het etherlichaam een belangrijk gegeven bij het ‘leren’ van de mens. De didaktiek speelt daar op in door zo te werken dat het etherlichaam datgene wat er in de school gedaan wordt ook op kan nemen. Omdat het etherlichaam zijn werkzaamheid alleen in het tijdsverloop kan ontplooien, zijn ‘tijdsaspecten’ als ritme en herhaling belangrijke elementen van het leerproces.

In de eerste zeven jaar van het mensenleven werkt het etherlichaam voornamelijk aan de opbouw van het lichaam en de organen daarin. Vanaf het 7e levensjaar – als de eerste opbouwfase afgesloten wordt – komt er in het etherlichaam ruimte om zich meer te

379

oriënteren op ervaringen van buiten af. Pas dan kan het kind gaan ‘leren’ en spreken we van schoolrijpheid. Als één der uiterlijke fenomenen van de afsluiting van de eerste opbouwfase wijst Rudolf Steiner op het begin van de tandenwisseling.

Het astrale lichaam

is de naam voor het complex van gevoelens en stemmingen die in de mens leven. Het is geen toevallige factor, maar een wezenlijk deel van de mens, waarin die kwaliteiten leven die – vanuit voorgeboortelijke motieven – het karakter en de persoonlijkheid van de mens bepalen. Rudolf Steiner geeft voor de werking van het astrale in de ziel van de mens het beeld van de wind, die van buiten af de woelingen in het water brengt. Zoals het water afgeschermd kan worden voor te grote windinvloeden, zo leert de ziel in de loop van de jaren zich af te schermen voor deze zielenstormen. Het is de taak van de opvoeding deze innerlijke stabiliteit te ontwikkelen in de mens. Vooral in de puberteit ziet men de woelingen van het astrale in sterke mate optreden in het zielenleven. Allengs leert de opgroeiende mens uit de veelheid van astrale roerselen datgene te herkennen wat als persoonlijk motief en karakter juist stroom en richting kan geven aan het mensenleven.

Het IK

van de mens, is datgene wat we ervaren als uitingen van onze hoogste wezenskern. Dit ‘hogere IK’ is de drijfveer van ieder mensenleven: de wens om geboren te worden, te leven en te sterven. Kon voor het astrale de wind een beeld zijn, voor het hogere IK kan de zon als beeld dienen. De zon werkt van een afstand op het aardse leven in. Het is de oorsprong van het leven, en maakt gebruik van de fysieke aspecten van de aarde om zijn activiteit te ontplooien. Het IK van de mens zoekt mogelijkheden om het voorgeboortelijk levensplan van de mens ook in de loop van het leven te verwezenlijken. Het Vrije Schoolonderwijs ziet als haar belangrijkste opgave, de voorwaarden te scheppen waardoor het IK zich in het mensenleven verwerkelijken kan. Het hoger IK manifesteert zich door de mens heen. De manier waarop het IK in onze organisatie door kan werken kan allerhande onvolkomenheden vertonen; het hoger ik zelf is echter onze eeuwige, en ongeschonden levenskern. Rudolf Steiner vraagt van de opvoeder in ieder kind, in iedere mens een drager van het hogere IK te zien, dat als geestelijk wezen naar mogelijkheden zoekt om zich hier op aarde te verwerkelijken.

Bewegingsonderwijs

Als bewegingsonderwijs wordt datgene bedoeld, waarin het kind in het wilsleven wordt aangesproken. Het is dus veel meer dan gymnastiek of euritmie, maar heeft te maken met alles dat als bewegingsoefening met de .kinderen gedaan wordt. Omdat het gebruikelijk is het hoofdonderwijs in de (lagere) klassen te beginnen met een bewegingsoefeningen, wordt dit deel van de les ook wel het ‘bewegingsonderwijs’ genoemd. In feite beperkt dat kader, het geheel van het bewegingsonderwijs te veel tot één lesactiviteit.

Etherlichaam
zie Wezensdelen

Fysiek lichaam
Zie Wezensdelen

380

Hoofdonderwijs

In de vrijeschool worden vakken als taal, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis enz. als hoofdvakken, in periodeblokken gegeven. Zo’n vak wordt drie of vier weken achtereen gegeven, telkens in ca. de twee eerste uren van de dag. Door deze manier van werken is het mogelijk aspecten van ritme en herhaling (zie etherlichaam), optimaal te benutten. Het hoofdonderwijs is dat dagdeel waarin het hoofdvak gegeven wordt.

Ik-organisatie
zie Wezensdelen

In- en uitademing in het lesgeven

De menselijke ziel heeft enerzijds de mogelijkheid zich in haar uitingen naar buiten te richten, anderzijds richt de ziel zich ook naar naar binnen, op het eigen wezen.
Spreken we van ‘ademend’ onderwijs, dan wordt bedoeld dat deze twee aspecten in evenwicht zijn in het onderwijs. In praktische zin zijn zielenuitingen al die dingen waarmee we iets buiten ons zetten: tekenen, schrijven, boetseren, een verhaal vertellen. Wordt dit uitademende aspect te veel aangesproken, dan wordt het kind onrustig, verliest het zich in de uitingsstroom. De inademende stroom heeft te maken met alles waarmee we dingen verinnerlijken. In het bewegingsonderwijs wordt dit aspect aangesproken in de lijfelijke ervaringen die het kind op doet, maar op een subtieler niveau gaat het ook om alles waarin de kinderen overzicht en relaties in de leerstof ervaren. In de terminologie van de vrijeschool wordt dit proces ook wel aangeduid met het excarnerende en incarnerende aspect van het lesgeven.

Lichaam, ziel, geest
zie Wezensdelen

Nachtproces

Zien we de mens voor ons als vierledig wezen, dan wordt duidelijk, dat de mens burger van twee werelden is: van de stoffelijke wereld waarin we leven met fysiek- en etherlichaam, en van de geestelijke wereld, waarin we leven met het astrale lichaam en ons hoger IK. In de stoffelijke wereld leven we met ons normale dagbewustzijn. De hogere werelden waarin we ook bestaan kunnen we met dit bewustzijn niet betreden.
Als we slapen en er voor aardse begrippen van bewusteloosheid sprake is, wordt het bewustzijn in de geestelijke wereld wakker. Een afschaduwing daarvan beleven we in de dromen. In dit nachtelijk bewustzijn zijn we opnieuw verbonden met datgene wat als levensplan in onze hogere wezensdelen is verankerd. In de slaap brengen we de dagelijkse ervaringen in relatie met het hogere aspect van onszelf. Van de mens in het algemeen kan gezegd worden dat hij op aarde wil zijn om daar ervaringen op te doen en te leren. Wat het kind zo ervaart en leert in de school, wordt meegenomen in het nachtbewustzijn. Daar wordt herkend welke elementen overeenstemmen met het eigen levensplan of worden de aardse belevenissen in een groter geheel van een geestelijke synthese gezien.

381

De vrijeschoolpedagogie maakt gebruik van dit alles, door in de didactiek de nacht mede te betrekken. De leraar draagt de ervaringen aan, die het kind zelf tot inzicht doet worden in het nachtproces. Pas als het kind er een ‘nacht over geslapen’ heeft, probeert hij de datgene bijeen te brengen wat de verschillende kinderen als verwerking uit dit nacht proces meenemen.
Ook de opzet om in het periodeonderwijs een vak langere tijd los te laten, is gebaseerd op dit principe, waarin de tijd en het nachtbeleven een wezenlijke rol spelen.

Temperamenten

Prof. Bernard Lievegoed schrijft over het temperament:

‘Het biologisch functioneren drukt zich in de ziel uit in de vier temperamenten. Deze eigenschappen zijn functioneel en betreffen nog niet de persoonlijkheid. […] Het temperament drukt zich uit in het gedrag en de wijze van ageren en reageren. […] Het menselijk temperament wordt veroorzaakt door de structuur van de etherkrachten.’ (3-82) Omdat het temperament verbonden is met het etherlichaam is het ook een functie die in de tijd verankerd is: het temperament kan je herkennen door naar de bewegende mens te kijken.

Lievegoed:

‘De bloeitijd van het temperament ligt tussen het 7e en 14e levensjaar. Voor het leerproces als onderdeel van de totale gedragswijze van het kind is het kennen van de mogelijkheden van de temperamentsaanleg van eminent belang.’

De temperamenten kunnen in het kort als volgt gekarakteriseerd worden:

Het cholerische kind

Dit kind toont zich door zijn daadkracht, zijn warm enthousiasme. De indrukken die het opdoet zijn en dus kortstondig en gaan tot diep in het zielenleven. In het aanbieden van lesstof gaat het erom zulke kinderen enthousiasmerende opdrachten te geven, een appel te doen op hun daadkracht. Rekening moet worden gehouden met een korte, maar heftige spanningsboog. Om cholerische kinderen naar meer rust en bezonnenheid te brengen is het van belang het kind ook zulke oefeningen te geven waarin het zijn dadendrang beteugelen moet door zich eerst te bezinnen op hoe hij iets gaat doen.

Het flegmatische kind

Deze kinderen tonen grote gelijkmatigheid, hebben een sterke neiging tot alles wat vorm en regelmaat heeft. Ze doen weinig indrukken op, die ook niet heel diep gaan. Rust typeert deze kinderen en hun werklust is gestaag, maar men zou eerder van een ‘activiteitsboog’ moeten spreken dan van een spanningsboog, bij deze kinderen. En deze activiteitsboog is groot! Zo kunnen deze kinderen langdurig de meest eentonige werkjes voortzetten. De leraar probeert aan te sluiten bij dit temperament door zelf grote rust uit te stralen en de kinderen opdracht te geven waarin ze zich kunnen ontplooien: logische, maar breedlopige opgaven. Rekening moet worden gehouden met een schijnbare traagheid. Men kan van deze kinderen een geheel verkeerd beeld opbouwen – ook van hun intellectuele mogelijkheden – wanneer men er van uit gaat dat deze kinderen snel zouden moeten kunnen reageren. Om de flegmaticus in beweging te brengen, zoekt men

382

naar oefeningen die een analyserend karakter hebben. Het geheel kent de flegmaticus wel, daarvoor kan hij niet meer echt enthousiast worden. Brengt men hem of haar ertoe interesse te tonen voor details, dan ontstaat er toch een innerlijk enthousiasme dat voor de flegmaticus van zoveel belang is.

Het melancholische kind

De melancholicus leeft sterk in zijn binnenwereld. De weinige indrukken die het daar toelaat gaan diep en houden het kind vaak lang en indringend bezig. Dit kind toont eerder schuchterheid en faalangst, dan daadkracht. Als leerkracht moet je proberen aan de beelden en verhalen zo’n kwaliteit te geven, dat ze het ook werkelijk waard zijn dat de melancholicus er lang op ‘kauwt’. Ook aan deze kinderen mag men geen hoge eisen stellen wat slagvaardigheid betreft. Gunt men het kind de tijd om de stap van binnenwereld naar buitenwereld te maken, dan krijgt men pas een goed beeld van zijn vaak rijke kwaliteiten.
In de oefeningen die men het kind geeft om de melancholie te leren hanteren moet geprobeerd worden om de fantasie in beweging te brengen, vanuit de sterke gevoelsindruk die zich bij deze kinderen vastgezet heeft: Je weet dat het zo en zo is, maar stel je nu eens voor dat….

Het sanguinische kind

Dit kind is de spring in het veld! Het heeft oog en oor voor alles wat er in zijn nabijheid gebeurt of beweegt. De indrukken die het kind opdoet zijn vele, maar ze blijven aan de oppervlakte van het zielenleven. Dit kind verlangt van de leerkracht een zeer gevarieerde en humorvolle, kleurrijke en levendige aanpak. Van deze kinderen vraagt men juist wel een snelle reactie en een direct antwoord. Het is goed bij deze kinderen het visuele sterk aan te spreken en te trachten de eerste oppervlakkige reactie op iets te verdiepen in verdere nuanceringen.

Als voorbeeld van de ‘therapeutische’ benadering van de temperamenten mogen de voorbeelden dienen in H2.4 ‘Temperamenten’ .

Zintuigen

Gewoonlijk onderscheidt men 5 zintuigen, wellicht nog een zesde zintuig, waaronder alles gevangen kan worden wat we niet direct een plaats bij de bekende vijf kunnen geven. We doen dat, omdat alles dat niet direct in relatie te brengen is met onze bewuste ervaringen, als ‘niet bestaand’ ter zijde wordt gelegd. Het is de tol de betaald moet worden, als het denken voorschrijft dat iedere ervaring ook verifieerbaar moet zijn.
Daarmee doen we echter te kort aan de rijkdom van indrukken die we als mens kunnen opdoen, en die verbonden zijn met de gebieden van willen, voelen en denken.

383

Rudolf Steiner onderscheidt op die manier een geheel van 12 zintuigen, dat als volgt geordend is:

III
Zintuigen die de relatie naar het geestelijk leven van de mens leggen

                                              12. IK-zin
                                              11. Gedachtenzin
DENKEN                            10. Woordzin
                                               9. Gehoor

II
Zintuigen die de verbinding leggen met de zichtbare wereld

                                              8. Warmtezin
                                              7. Gezicht
VOELEN                             6. Smaak
                                              5. Reuk

I
Zintuigen die ervaringen van het eigen lichaam beleefbaar maken

                                              4. Evenwichtszin
                                              3. Bewegingszin
WILLEN                             2. Levenszin
                                              1. Tastzin

In zekere zin kan men spreken van lagere en hogere zintuigen. In de nummering van beneden naar boven, is dit in dit schema uitgedrukt.

De tastzin

Dit is een van de bekende zintuigen. Toch gaan we aan een wezenlijk aspect van dit zintuig voorbij, als we alleen maar constateren dat je door de tastzin de wereld kan voelen. Want doordat we de dingen kunnen tasten, ervaren we tegelijkertijd de begrenzing van het eigen lichaam. Door de tastzin leert het kleine kind ervaren dat het afgezonderd is van de omringende wereld. Door te tasten wordt de grondslag gelegd voor de beleving van het eigen ik. Dan is het toch vanzelfsprekend dat alles waaraan het kind zichzelf tastend leert ervaren ook kwaliteit moet hebben, zoals met name voor de natuurlijke materialen geldt, die in de vrijeschool gebruikt worden.

384

De levenszin

Door dit zintuig wordt de mens gewaar hoe hij zich lichamelijk voelt: je ervaart behaaglijkheid , lichamelijk ongenoegen of pijn. Bij baby’s worden deze zintuigervaringen nog direct vertaald in lachen of huilen. De volwassen mens beleefd deze prikkels meestal nagenoeg onbewust. Maar we merken wel, dat een gevoel van onbehagen ons geweldig in de weg kan zitten als we aan het werk zijn. Ook bij kinderen is dat makkelijk het geval: ze zijn nog heel ontvankelijk in de beleving van de eigen constitutie.
In het onderwijs moet voorkomen worden dat de levenszin negatieve ervaringen overbrengt. Die kunnen bijvoorbeeld opgeroepen worden wanneer onvoldoende tegemoet gekomen wordt aan de natuurlijke behoeften van de kinderen wat betreft spelen en spelend verkennen. Juist in deze onbewuste wereld van de wils-zintuigen worden makkelijk blokkades gelegd die later danig in de weg kunnen liggen. Begint het kind te vroeg abstract te rekenen en voelt het zich daardoor uit zijn speelwereld verdreven, dan kunnen zo rekenproblemen aangelegd worden, die zich pas in een later stadium openbaren.

De bewegingszin

Dit zintuig neemt de eigen beweging waar. Niet alleen de bewegingen als lopen of grijpen, maar ook de minieme bewegingen die ten grondslag liggen aan het waarnemen van vormen. Voor het kind tot 7 jaar is dit een centraal zintuig, immers alles is beweging aan het kleine kind. De school spreekt in alle bewegingsoefeningen, maar ook in de beweging van tekenen en schrijven, met name dit zintuig aan.

De evenwichtszin

Ook dit wilszintuig speelt een belangrijke rol in de kinderlijke ontwikkeling. Het hele proces van het leren lopen heeft te maken met evenwichtservaringen. Door het evenwicht, dat we bewaren, ervaren we onszelf vrij in de ruimte.
Wanneer de evenwichtszin geweld wordt aangedaan, dan lijdt dat tot sterke lichamelijke reacties, zoals bij zeeziekte. Bij b.v. balletdansers of kunstrijders op de schaats blijkt dat e.e.a. sterk verbonden is met de oriëntatie in de ruimte. Heb je bij het draaien van een pirouette geen vast blikpunt, dan verlies je je gevoel voor evenwicht; daarom moet je daarvoor een bepaalde kijk-techniek aanleren.
Met andere woorden, de evenwichtszin heeft te maken met de oriëntering die je op je omgeving hebt. Natuurlijk wordt de evenwichtszin direct aangesproken bij bijvoorbeeld het lopen van een vorm [en is het af te raden om een klas wankelend van 100 – 0, achteruit lopend te laten tellen!], maar op subtielere wijze wordt dit zintuig ook betrokken in de oriëntatie die men het kind geeft op de wereld van het rekenen. Verricht het kind daar handelingen (moet het die soms zelfs lopend uitdrukken) waarbij het de oriëntatie op het ‘einddoel’ van de handeling mist, dan ontstaat onzekerheid en ‘onwel bevinden’.
In de rekendidaktiek is het dan ook van belang dat het kind een verbinding voelt met de rekensituatie. Wanneer het rekenen in een ‘realistisch’ kader geplaatst wordt, blijft het kind de verbinding met de horizon van zijn belevingswereld ervaren.

385

De reuk

De reuk is het eerste zintuig van de gevoelszintuigen. We hebben daar nog maar weinig greep op. We kunnen dit zintuig niet afsluiten, zoals we dat met onze ogen doen. Of we moeten werkelijk naar onze neus grijpen! De ervaringen die we krijgen, kunnen ons tot sterke ziele-uitingen voeren, van walging tot verrukking. Ons spraakgebruik zegt van zaken, dat ‘er een luchtje aan zit’, of spreekt over een ‘geur van heiligheid’; mensen kunnen ‘in een kwade reuk staan’. Door het ruiken krijgen we een verhouding tot kwaliteit, een ervaring waardoor in het zieleleven van de mens, moraliteit tot ontwikkeling kan komen.

De smaak

Proeven is nog persoonlijker dan ruiken. Het is een daad die we zelf moeten stellen. Zoals door de reuk de moraliteit gewekt kan worden, zo wordt in het proeven het gebied ontwikkeld, dat te maken heeft met de ‘goede smaak’ en met oordeelsvermogen. In onze taal kennen we het bijzondere woord ‘opvoeden’, waarin veel meer dan in het Duitse ‘Erziehen’, of het Engelse ‘to educate’ – de verbinding ligt met het gebied van de smaak, naar een genuanceerd leren beleven van de wereld.

De gezichtszin

Dit zintuig is het centrale zintuig voor de leeftijdsfase van 7 tot 14 jaar. In de eerder besproken zintuigen, beleefden we wereld nog in of aan onszelf. Door het oog echter, kunnen we uit onszelf naar buiten treden en – gebruik makend van de lagere zintuigen – ons vrij in de wereld voelen. Het ontdekken van de wereld, is het thema van de levenstijdsfase tussen 7 en 14 jaar. Niet voor niets begint de spreuk die de kinderen vanaf de vierde klas zeggen: Ik zie rond in de wereld.
De vrijeschool wil het onderwijs in deze jaren vooral beeldend laten zijn, waardoor in allerlei vormen de kwaliteit van het zien wordt aangesproken. Immers, ook in een verhaal dat verteld wordt, spreekt men bij het kind het beeldend vermogen aan.

De warmtezin

Dit zintuig doet ons warmte en koude beleven. Maar zoals bij de eerdere zintuigen ook bleek, is er ook hier een diepere laag die door dit zintuig wordt aangesproken. Bij de warmtezin betreft dat het gebied van de sympathie en de antipathie, waarin in de ziel gevoelens van warmte en verkilling beleefd worden. In alles wat men de kinderen laat beleven in de school, is de sympathie en de antipathie een grondgegeven.

De zintuigen van het denken: gehoor, woordzin, gedachtenzin en ik-zin

Deze zintuigen zijn geen pure lichamelijk functies, maar vermogens die zich allengs ontwikkelen. Natuurlijk kan een klein kind horen, maar om tot ‘persoonlijk’ horen te komen, is er een mate van innerlijke ontwikkeling nodig: een vijfjarige kan nog niet van een concert genieten, zoals een een volwassene dat wél doet. Niet voor niets zijn deze zintuigen verbonden met het denken. Ook dit vermogen ontwikkelt zich pas in de loop der jaren en kan gezien worden als een

386

metamorfose van wils- en gevoelsactiviteiten. Zo wijst Rudolf Steiner er bijvoorbeeld op, dat er een relatie bestaat tussen het ontwikkelen van de fijne motoriek voor het grijpen en de verfijning van het denken in het be-grijpen.
De methodiek van de vrijeschool maakt daarom in de leeftijdsfase van 0-7 jaar intensief gebruik van de mogelijkheden van de wils-zintuigen en in de leeftijdsfase van 7-14 jaar van de gevoelszintuigen, om de hogere zintuigen in het kind te laten opbloeien, die in de leeftijdsfase tussen 14 en 21 jaar worden aangesproken. Deze zintuigen hebben in hoge mate een sociaal karakter en verlenen ons toegang tot datgene wat het in het geestesleven van de ene mens naar de andere stroomt.

Het gehoor is daarbij de lichamelijke functie, die deze hogere zintuigfuncties mogelijk maakt.
Maar door het gehoor ervaren we ook nieuwe dimensies aan de materie: ijzer is meer dan een metaal: het kan opeens tot klinken komen.

De woordzin (taal- spraakzin) maakt het ons mogelijk aan klanken de betekenis te geven, die ze tot begrijpelijke woorden maakt. Dat we dit zintuig hebben, merk je pas, als door een ziekteproces deze mogelijkheid uitvalt. Afasie is o.a. zo’n verschijnsel, dat de mens de betekenis van de klanken kan onthouden. Het maakt de mens opeens sociaal geïsoleerd en hulpeloos.

De gedachtezin (voorstellingszin) maakt het ons mogelijk om het geheel van betekenissen die we door de woordzin krijgen, nu tot een logisch geheel samen te voegen. Door de gedachtezin ontmoeten we de ander als een gelijkwaardig wezen..

De ik-zin is eigenlijk de metamorfose van alle eerdere zintuigbelevenissen. Door dit zintuig zijn we nu in staat in de ander te ervaren, dat hij of zij een ik-wezen is, zoals we zelf zijn.
Dit zintuig laat ons in het sociale tastend ervaren, zoals we dat met de tastzin in de stoffelijke wereld doen: we beleven tegelijkertijd binnen- en buitenwereld.

De mens als zintuigwezen

Wat we met onze zintuigen ervaren, is niet zo maar een registratie van de buiten- of binnenwereld. Deze ervaringen vormen sterk aan de persoonlijkheid van het kind. In het onderwijs spelen de zintuigen dan ook een rol van grote betekenis. Echter, de zintuigen laten zich niet programmeren in een leerproces. Wat het kind zich eigen maakt door de zintuigen, zijn persoonlijke verworvenheden.
De leraar is slechts in staat om een veelheid van zintuigervaringen, overeenkomstig de ontwikkelingsfase van het kind, aan te bieden. Die ervaringen moeten zeker wél gestructureerd en methodisch opgebouwd te zijn. De verwerking ervan is een zielenproces dat het kind zelf tot stand brengt. De leraar kan slechts daarin sturen door het kind die genuanceerde belevingen te doen ervaren, die hij van belang acht voor de ontwikkeling van dat kind.

Onderzoek van leerstoornissen heeft aan het licht gebracht, dat deze kunnen voortkomen uit een verkeerde voeding van de lagere zintuigen. Therapieën voor

387

deze problemen worden dan ook vaak gevonden in het alsnog ontwikkelen van deze zintuiggebieden.

Daarin is o.a. een directe relatie te vinden tussen de lagere en de hoogste zintuigen:

tastzin – begrenzing van zichzelf
ik-zin – ontgrenzing van de ander
levenszin -beleving van opbouw en afbraak van de eigen constitutie. voorstellingszin – waarheid en onwaarheid in de ander.
bewegingszin – beleving van de eigen beweging in het lichaam.
taalzin – beweging van de taal, in het spreken van de ander.
evenwichtszin – oriëntering op de zwaartekracht.
gehoor – ontstijgen aan de materie.

Geraadpleegde literatuur:

1. Rudolf Steiner: Die Erneuerung der Paedagogisch-didaktischen Kunst (GA-301), Dornach 1977   Op deze blog vertaald.
2. Rudolf Steiner: Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis (GA-302a), Dornach 1972  Gedeeltelijk    vertaald
3. Bernard Lievegoed: Mens op de drempel, Zeist 1983
4. A. Soesman: De twaalf zintuigen, Zeist 1987

388

Over het boek
Inhoudsopgave
Voorwoord en inleiding
Hoofdstuk    [
1] [2] [3[4] [5] [6] [7] [8] [9]
Slot (1-1Reflectieve notitie
Slot (1-3) Citaten van Rudolf Steiner met betrekking tot                                    aanvankelijk rekenen
Slot (1-4) Literatuuropgave
.

Rekenenalle artikelen

.

2583-2418

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/7)

.

walvis

Dit sterrenbeeld heette in de oudheid Cetos, ‘zeemonster’ en in de mythologie werd het zo voorgesteld. Poseidon, god van de zee, stuurde het op het volk van de Ethiopiërs af, als straf, omdat koningin Cassiopeia de Nereïden beledigd had. De gekwetste Nereïden gingen naar Poseidon, hun beschermer, toe en deze liet uit de Atlantische zee Cetos komen, een verschrikkelijk zeemonster. Landstukken van Ethiopië werden door hem verwoest en kudden en mensen verslonden.
Voor koning Cepheus luidde een uitspraak van het Orakel dat de plaag pas voorbij zou zijn, wanneer hij zijn dochter Andromeda zou offeren. Daar verzette Cepheus zich lang tegen, maar het volk dat zwaar van Cetos te leiden had, dwong hem er ten slotte toe, zijn enig kind aan een rots in zee te laten vastklinken. Daar wachtte het meisje huilend op de komst van het zeemonster en op haar zekere dood.
Perseus die de Gorgone Medusa gedood had en met zijn vleugelschoenen over dat land vloog, zag het en werd verliefd op de knappe jonkvrouw. Hij  wierp zich op om haar van het ondier te redden, wanneer zij de zijne wilde worden. Toen zij daarin toestemde en ook haar ouders, ging Perseus zo snel mogelijk met zijn vleugelschoenen naar zijn toekomstige bruid, want het ondier naderde al.
Als een sterk schip dat door de armen van zwetende jongens voortgestuwd werd, met zijn bek als boeg het water doorklievend, kwam het dier naderbij, met in borst de golven voor zich uit duwend. Het blies luid en spuwde vuur, zoals je bij het sterrenbeeld nog kan zien. Met opgerichte borst, de kop  nu hoog boven het water uittorenend, sperde het dier zijn neusgaten wijd open. Rood opgezwollen zijn uitsteeksels op zijn rug en de gevaarlijk blikkerende ogen zochten de jonkvrouw aan de oever. Nu ziet hij het meisje, zwemt dichterbij en is nog maar een steenworp afstand van haar.
Maar nu zet Perseus zich met zijn voeten snel van het land af en verheft zich in de lucht, gedragen door zijn vleugelschoenen. Als de schaduw van de jonge strijder boven het water verschijnt, werpt het wilde monster zich meteen op. Maar als een adelaar die beneden op het open veld een slang gewaarwordt, met zijn blauwachtige rug in het zonnetje baadt en deze vanachter nadert en zijn  klauwen in de schubbige nek slaat, zodat de giftige bek zich niet kan omkeren, zo grijpt Perseus nu Cretos. In een snelle stortvlucht stoot hij met zijn getande kromzwaard tot aan het gevest diep in het lichaam van het monster. Zwaar gewond richt het ondier zich nu op, dan weer verdwijnt het onder water. Dan draait het zich weer om als een wild zwijn dat de meute honden woedend van zich weren wil.
Maar met zijn vleugelschoenen ontwijkt Perseus behendig zijn felle bijten. Maar waar er maar gelegenheid is, snijdt hij hem nu weer met zijn zwaard in de rug die met schubben en holle spieren bezaaid is, dan weer tussen de ribben of in zijn staart waar het lichaam verandert in een soort vis.
Golven water vermengd met bloed borrelen op uit de keel van het beest. Daarvan worden de vleugelschoenen van de held zwaarder en hij durft niet meer op de volgezogen vleugels te vertrouwen. Op dat ogenblik ziet hij een klip. Wanner het water even tot rust komt, komt deze er met zijn punt bovenuit, maar nu spoelen de golven er weer over heen. Hier gaat hij staan, pakt met zijn linker hand een uitsteeksel vast en boort, zich krachtig tegen de rots afzettend, zijn zwaard drie, vier keer in het dier, in de flanken.
De stervende Cetos zinkt weg in de golven.
Torn het ondier overwonnen was, kwamen de mensen snel dichterbij, ze hadden het gevecht op veilige afstand gadegeslagen en ze begroetten overwinnaar met luid enthousiasme. Ook koning Cepheus en zijn vrouw Cassiopeia haastten zich naderbij en begroetten de held vol vreugde als redder van het volk en als schoonzoon.
Perseus bevrijdde eerst de gelukkige jonkvrouw van haar ketens die hij met zijn zwaard eenvoudig kapot sloeg, voor hij de sporen van het gevecht wegveegde en de goden een dankoffer bracht: een koe voor zijn beschermvrouwe Athena, een kalf voor zijn gevleugelde vriend Hermes en een stier voor zijn vader Zeus.
De bruiloft van Perseus en Andromeda werd voorbereid en gevierd, toen het ongeluk begon.
Hoe de legende van Perseus, Andromeda, Cepheus en Cassiopeia verder gaat, staat in de legende van Cepheus.

O                                                                      ZO                                                              Z
Okt. 1  24°°u                                               nov. 1  22°°u                               dec. 1 20°°u
15 21°°u                                                      15 21°°u                                      15 19°°u

Het sterrenbeeld Walvis stijgt september/oktober in het zo, staat in november tussen het zuidoosten en het zuiden, zie de afbeelding hierboven, en bereikt in december zijn hoogste stand boven de horizon, staat in januari in het zuidoosten en daalt februari tussen het zuidoosten en het westen weer onder de horizon.

De namen van de sterren betekenen:

Baten Kaitos (Arabisch) betekenis onduidelijk
Dereb Kaitos (Arabisch) afgeleid van danab qaytus = staart van Cetos
Menkar (Arabisch) afgeleid van minhar = neus
Mira (Latijn) = wonderster (omdat de helderheid in een periode van 331 dagen zeer sterk verandert.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2582-2417

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen in beweging – slot (1-1)

.

REKENEN IN BEWEGING
.

Reflectieve notitie

Het leerplan ligt er, uitgegroeid tot een volumineus boekwerk met algemene beschouwingen, persoonlijke meningen en ervaringen, ontwikkelingsleerstof en leerdoelen, voorzien van bakens en ijkpunten en geïllustreerd met tekeningen en verhalen.
Na ruim drie jaar van intensieve aandacht valt er een stilte die goed gebruikt kan worden om terug te zien op het ontwikkelproces, dat voor ons, de ontwerpers, zelf een ontwikkelingsproces was.
Er is niet alleen veel gemaakt, er is ook veel gebeurd!
Het begon met de aanvraag voor een leerplanproject bij het Instituut Leerplan Ontwikkeling door de Landelijke Schoolbegeleidingsdienst voor het Vrije Schoolonderwijs. De aanvrager gooide daarmee willens en wetens een knuppel in het hoenderhok! Dat bleek onmiddellijk nadat de aanvraag door de SLO bestuurders was gehonoreerd. Er viel toen het een en ander uit te leggen aan de achterban. Al spoedig werd een resonansgroep gevormd uit werkers in het veld en andere deskundigen, die kritisch-helpend over de schouders van de ontwerpers zou meekijken.
Acht (later tien) enthousiaste rekenaars en ervaren leraren besloten het gezamenlijk avontuur aan te gaan. We vertelden elkaar verhalen over het rekenonderwijs in de eigen klas en gingen op zoek naar menskundige achtergronden. Al spoedig ontdekten we, dat overeenkomstige opvattingen in de praktijk heel verschillend geïnterpreteerd worden, om over uiteenlopende opvattingen nog maar te zwijgen. We vonden ‘stops’ uit om aan die verschillende opvattingen ruimte te geven en om de toekomstige gebruikers aan het denken te zetten!
En om dit laatste ging het ons: we wilden illustratieve voorbeelden geven, geen letterlijk te kopiëren methode ontwerpen. De leraar als ontwerper van materiaal, gemaakt op basis van pedagogisch en didactisch inzicht – daarover waren we het allemaal geheid eens.
Na een periode van verkenning en discussies over achtergronden en praktijk hakten we de knoop door. Op voorstel van Fred begonnen we aan een thema, waar ‘realisten’ vrijeschoolmensen veel hebben te vertellen: de breuken. De praktisch-visuele aanpak van dit thema in het realistische rekenonderwijs, gericht op de kinderlijke belevingswereld, betekent een verfrissende vernieuwing in de Nederlandse rekendidactiek.
Ons werk resulteerde in een breukenpublicatie en een eerste rekenzaterdag met vrijeschoolcollega’s en studenten op de Vrije Pedagogische Academie. Het werkboekje kreeg een positief onthaal en op ons verzoek begon een aantal vierdeklasleerkrachten daarmee een experiment in hun eigen klas. We kregen enthousiaste reacties en werk van leraren en leerlingen, reden om met frisse moed aan de zwaarste klus te beginnen: het begin van ons boek! Immers, daarin moesten we fundamentele menskundige, methodisch-didactische en rekenkundige gezichtspunten uiteenzetten en daarbij de blik op verrijking gericht houden. Vooral dat laatste viel niet altijd mee; Freds geduld in deze mag hier niet ongenoemd blijven! Er werd gediscussieerd, geschreven en herschreven, geknipt en geplakt, geschrapt en toegevoegd en soms herkende de schrijver zijn eigen werk niet meer, maar de eerste hoofdstukken kwamen er. De eerste klas rekenzaterdag leverde naast kritiek veel positieve reacties op en gaf aan, dat er in een duidelijke behoefte voorzien zou gaan worden.

376

Verhelderend en verrijkend waren de gesprekken over rekenstructuren, het belang van het hoofdrekenen, de getallenlijn en het ‘handig rekenen’, waarover veel in het boek is terug te vinden.
Op onze rekenbijeenkomsten presenteerden we elkaar allerlei rekenpuzzels en grapjes: voor enkele enthousiastelingen aanleiding een rekenkrant samen te stellen voor leerlingen.
Twee driedaagse werkbijeenkomsten op Ameland leverden afrondingen op van begonnen hoofdstukken en het starten van nieuwe. De inbreng van Annemieke was daarbij van groot gewicht, omdat zij vanuit haar remediërende ervaringen en studie het hoofdstuk ‘Extra zorg voor bepaalde leerlingen’ voor haar rekening kon nemen. Medewerkers van de Universiteit van Groningen waren daarbij zo vriendelijk om tijdens hun vakantie op Ameland inleidingen te komen geven over leerlingendiagnostiek! Het moge duidelijk zijn, dat met dit hoofdstuk slechts een onvolledig begin is gemaakt van een uiterst belangrijk werk in de vrijeschoolbeweging.
De discussie over wat moet en mag, over koers, route en doel van de rekenwegen leverde nieuwe begrippen op: bakens, bedoeld om in ieder geval de koers op uit te zetten, ijkpunten ter vergelijking en controle van de gestelde doelen.
Intussen groeide het ‘boek’ volumineus aan. We moesten gaan denken aan een titel, een vormgever, een drukker, een illustratrice, aan iemand die de teksten zou redigeren en aan mogelijkheden tot sponsoring om daarmee het boek voor leraren betaalbaar te maken. Wat hadden we moeten beginnen zonder Annemieke, die ideeën en namen aandroeg, de contacten verzorgde met Kees en Edwin, Didi, Lydia, Hanneke en nog vele anderen?
Dankzij Kees Kuiphof, die zijn enorme bijdrage zelf ziet als de weerspiegeling van de betekenis van zijn ontmoeting met de antroposofie, kon het boek ‘op tijd’ verschijnen.
En nu is het zover. Gevoelens van dankbaarheid vervullen ons jegens allen die dit werk mogelijk hebben gemaakt door hun materiële en ideële hulpvaardigheid, door hun geduld en vooral door hun positiviteit ten aanzien van zo’n riskante onderneming als het schrijven van een boek op basis van samenwerking. Moge het een eerste van vele volgende zijn!

377

Over het boek
Inhoudsopgave
Voorwoord en inleiding
Hoofdstuk    [
1] [2] [3[4] [5] [6] [7] [8] [9]
Slot (1-2Korte toelichting bij enkele gebruikte begrippen
Slot (1-3) Citaten van Rudolf Steiner met betrekking tot                                    aanvankelijk rekenen
Slot (1-4) Literatuuropgave

Rekenenalle artikelen

2581-2416

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen in beweging – hoofdstuk 9

.

REKENEN IN BEWEGING
.

Hoofdstuk 9: Ontwikkelingsdoelen, kerndoelen, bakens en ijkpunten

9.1 Het leerplan van de Vrije Scholen
9.2 Het algemene perspectief
Pedagogische doelen van het reken-wiskundeonderwijs, menskundig bezien
Leerstof-ontwikkelingsdoelen
Algemene doelen van het reken-wiskundeonderwijs
Kerndoelen
9.3 Bakens en ijkpunten

9.1 Het leerplan van de vrijescholen

Het leerplan van de vrijescholen komt voort uit de antroposofische visie op de mens en op de kwaliteiten van de verschillende vakken en wordt uiteraard mede bepaald door de eisen des tijds. De tijd en wijze waarop bepaalde vakken aan de orde komen, hangen samen met het ontwikkelingsstadium van de kinderen.

De vrijeschoolpedagogie tracht van elk vak de, voor het kind specifieke ontwikkelingsmogelijkheden op te sporen, om het al lerende in zijn lichamelijke en psychische ontplooiing te ondersteunen. Zo geeft deze pedagogie aan de weg naar de leerdoelen een ontwikkelingskarakter. Voor de leerkracht is inzicht in de ontwikkelingsfasen van het kind dus even noodzakelijk als het inzicht in de getallenwereld.
Aan de leerdoelen worden in het leerplan hoge eisen gesteld. Zij moeten een reële, levensechte toegang vormen naar verdere ontplooiing en naar de maatschappij. Een fundamenteel uitgangspunt voor de vakken, die in het bijzonder de verstandelijke ontwikkeling bevorderen, vormt het periodeonderwijs. Het is van grote betekenis voor de leerlingen dat zij zich gedurende een aantal weken geheel met één bepaald gebied kunnen verbinden, kunnen opgaan in de kwaliteiten ervan, in ons geval in de wetmatigheid en schoonheid van de vormen- en getallenwereld. Daarbij biedt het reken-wiskundeonderwijs bij uitstek de mogelijkheid geordend en systematisch te leren werken, individueel, maar ook heel goed in onderlinge samenwerking, (zie ook Terzijde: Over werkvormen).
Verder moet worden opgemerkt dat de meetkunde als apart periodevak pas in de zesde klas optreedt, in het verlengde van het vormtekenen, dat vanaf de eerste schooldag door de jaren heen stelselmatig wordt geoefend.

In de onderbouwleeftijd zijn drie fasen te onderscheiden: van het zesde tot het negende jaar
van het negende tot het twaalfde jaar
van het twaalfde tot het veertiende jaar

De eerste fase kondigt zich aan met de tandenwisseling, het teken dat de aan het zenuw-zintuigstelsel gebonden krachten ‘vrij’ komen. Deze krachten manifeste

364

ren zich nu als het vermogen om indrukken vast te kunnen houden, als het ware innerlijk na te kunnen vormen. Dit reproductievermogen is de basis voor het leren.
In de eerste fase functioneren deze geheugenkrachten vooral in samenhang met
het ritmisch bewegen en het gestructureerde, aansprekende beeld. We kunnen
ook zeggen: het leren heeft nog een actief-emotioneel karakter. Het rekenen is
dan ook bij uitstek een vak, dat al ‘doende’ wordt beoefend en zo kan bijdragen
aan de verdere vorming van het geheugen.
Vooraf aan het doen gaat vaak het schatten: “Hoeveel knikkers denk je dat dit zijn?”; “Hoeveel stappen zouden het zijn tot de deur?” We verbinden daarmee het doen, het motorische, met het zien, het visuele. Of nog anders gezegd, we verbinden het onbewuste (de bewegingszin) met de meer bewuste gezichtszin en ondersteunen daarmee een belangrijke stap in de kinderlijke ontwikkeling.

In de eerste klas komen reeds alle vier de basisbewerkingen aan bod, eerst onder de twintig, later tot honderd. Juist door de duidelijker temperamentsdifferentiatie na het zevende jaar, ten gevolge van het vrijkomen der zielenkrachten, is het van belang de vier bewerkingen gelijkmatig te oefenen.
In de tweede klas, als de (snij)tandenwisseling ten einde loopt, kunnen het hoofdrekenen en het oefenen van de tafels een positieve bijdrage leveren aan rekengeheugen en -begrip.
Tot en met de derde klas raakt het kind vertrouwd met de wereld van het gehele getal, zowel mondeling als schriftelijk. Wat niet wil zeggen dat er gecijferd wordt, want dat stellen we uit tot het eind van klas drie.
Het rekenen kan ook in de laagste klassen praktisch en levensecht zijn en daarbij zeer creatief! Het winkel- en marktspel gaan uit van echte maten en prijzen, waarmee de kinderen zelf rekenen en de aanleidingen voor rekenen zelf bedenken.

Omstreeks het negende jaar begint de middenfase van de onderbouw. Het kind gaat zich sterker als eigen persoonlijkheid beleven en handhaven; bij het canon-zingen bijvoorbeeld houdt het nu zijn eigen partij aan en gaat niet meer met de andere stemmen mee. Het kind is dus in staat om in de eenheid de veelheid te beleven en omgekeerd.
Bij het rekenen wordt de eenheid nu gebroken en kunnen de ‘brokken’ tot eenheid worden gemaakt. In de vierde en vijfde klas worden de breuken in praktische contexten aanschouwelijk onder de aandacht gebracht; eerst de gewone, daarna de tiendelige breuken (kommagetallen).
In deze ‘middenfase’ tonen de kinderen soms een verbazingwekkend gevoel en geheugen voor gedifferentieerde ritmen, zowel voor het muzikale als voor het gesproken woord. Nu kunnen bijvoorbeeld de tafels er echt goed ‘in’ komen.
Het cijferen wordt tot een zekere vaardigheid ontwikkeld, die de leerlingen in staat stelt allerlei praktische vraagstukken op te lossen, onder andere vraagstukken betreffende maten, schaalverdeling, gewichten en geld.

In de loop van het twaalfde jaar ontwikkelt zich de oordeelskracht.
Een negenjarig kind zal constateren, dat meester altijd dezelfde trui aan heeft; een twaalfjarige vraagt zich af, waarom meester altijd dezelfde trui aan heeft.
Misschien merkt het zelfs pijnlijk luid op, dat meneer wel eens om salarisverhoging mag vragen!

365

De twaalfjarige toont een oorzakelijk denken. In de handel hebben kleine oorzaken soms grote gevolgen; terecht begint dan ook in de zesde klas het handelsrekenen, in samenhang met het procentrekenen.
Langzaamaan maakt het kinderlijk denken zich los van de direct beleefbare voorstelling; het wordt abstracter en algemener. Het letterrekenen, geïntroduceerd met benoemde breukensommen of renteberekeningen, gaat over in de algebra.
Nu gaat een nieuwe rekenwereld voor de leerlingen open. Een wereld die tegelijkertijd voortreffelijke mogelijkheden biedt om de oude te bevestigen.
Uit het vormtekenen wordt nu de meetkunde ontwikkeld. Driehoeken en cirkels, vierhoeken en veelhoeken, tot dan toe uit de hand getekend, worden nu inzichtelijk en met uiterste precisie geconstrueerd; voor een twaalfjarige een waar feest!

In de zevende klas komen machtsverheffen en worteltrekken aan de orde. En ook dat wat de prepuber zo aanspreekt, het gebied der tegenstellingen: positieve en negatieve getallen. Naar aanleiding van praktische problemen leren de
zevendeklassers omgaan met algebraïsche vergelijkingen met één onbekende. De meetkunde wordt voortgezet tot en met het aanschouwelijk hanteren van de stelling van Pythagoras.

In de achtste klas worden rekenen en algebra veelzijdig geoefend aan de hand van praktische, levensechte vraagstukken. Op deze leeftijd ontwaakt het bewustzijn voor het ruimtelijke. Er kan nu bijvoorbeeld bewust met perspectief worden omgegaan. “Wat is mijn plaats, mijn standpunt?” dat zijn vragen die de puber bezighouden. Het gebied van de meetkundige plaatsen geeft gerede aanleiding om deze vragen ook ruimtelijk aan te lopen. Zo leren de leerlingen de ruimte ‘veroveren’, stereometrische figuren maken en oppervlakten en inhouden berekenen. 

9.2 Het algemene perspectief

9.2.1 Pedagogische doelen van het reken-wiskundeonderwijs, menskundig bezien

• Leren rekenen bevordert de eigen ontwikkeling van het kind, in directe relatie met het dagelijks leven op aarde.
• Rekenen-wiskunde ontwikkelt de wil.
• Rekenen-wiskunde vormt het gewoonteleven van het kind.
• Rekenen-wiskunde bevordert het bewust worden van eigen vermogens en identiteit.
• Rekenen-wiskunde ontwikkelt het kwalitatieve en analyserende denken.
• Rekenen-wiskunde draagt bij aan de vorming van het verstand en het zelfbewustzijn.
• Rekenen-wiskunde geeft vorm aan de ontmoeting die het kind aangaat met de wereld en de medemens.
• Rekenen-wiskunde biedt structuur en ruimte voor de inhoud van de levenshouding en bepaalt mede de wijze waarop het kind als mens in de wereld zal staan.
• Rekenvaardigheid geeft zelfvertrouwen en bevordert overzicht in het dagelijks leven.

366

9.2.2 Leerstof-ontwikkelingsdoelen 

• Hoofdrekenen bevordert een vrij, beweeglijk denken, waarbij verschillende
persoonlijke strategieën in diverse situaties ter beschikking komen.
• Het leren van de tafels ondersteunt de ontwikkeling van het geheugen door ritme en beweging
• Schatten ontwikkelt moed en trefzekerheid en het roept reflecties op.
• Cijferen leert het kind standaardprocedures te hanteren en consequent te zijn op weg naar een oplossing van een probleem.
• Breukrekenen stimuleert het doorbreken van de eenheid van kind en wereld; het eerste bewuste reflecteren kan zich ontwikkelen.
• Breuken, procenten en verhoudingen maken het mogelijk vanuit een wisselend, beweeglijk standpunt tot een vergelijk te komen.
• Kapitaal- en renterekenen brengen baatzucht in het bewustzijn, zodat het boven de hebzucht uit kan stijgen en een wenskarakter krijgt.
• Algebra ontwikkelt een denken, waarbij opgaven los van de concrete werkelijkheid in hun essentie kunnen worden doorzien.
• Meten en meetkunde ontwikkelt de oriëntatie in de ruimte en legt een verbinding tussen schoonheid en exactheid.

9.2.3 Algemene doelen van het reken-wiskundeonderwijs

Het onderwijs in rekenen en wiskunde is erop gericht dat de leerlingen
• Verbindingen kunnen leggen tussen het onderwijs in rekenen-wiskunde en hun dagelijkse leefwereld.
• Basisvaardigheden verwerven, eenvoudige wiskunde-taal begrijpen en toepassen in praktische situaties.
• Reflecteren op eigen wiskundige activiteiten en resultaten daarvan op juistheid controleren.
• Eenvoudige verbanden, regels, patronen en structuren opsporen.
• Onderzoeks- en redeneerstrategieën in eigen woorden beschrijven en gebruiken.
• Oog krijgen voor het schone van de wiskunde.
• Een positieve houding ontwikkelen ten opzichte van het vak wiskunde.

9.2.4 Kerndoelen

A. Vaardigheden
1 De leerlingen kunnen zelf met wisselende eenheden tellen en terugtellen.
2 De leerlingen kennen uit het hoofd optel- en vermenigvuldigtafels tot 10.
3 De leerlingen kunnen eenvoudige hoofdrekenopgaven vlot uitrekenen, waarbij ze verschillende bewerkingen inzichtelijk toepassen.
4 De leerlingen kunnen schattend rekenen, ook met breuken en decimale breuken, door de uitkomst globaal te bepalen.
5 De leerlingen hebben inzicht in de structuur van de gehele getallen en inzicht in het positiesysteem van de decimale getallen.
6 De leerlingen kunnen de rekenmachine met inzicht gebruiken.
7 De leerlingen kunnen een eenvoudige, niet in wiskundige taal aangeboden probleemstelling, zelf in wiskundige termen omzetten.

367

B. Cijferen
8 De leerlingen kunnen de bewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens standaardprocedures of varianten daarvan uitvoeren en deze in eenvoudige situaties toepassen.

C. Verhoudingen en procenten
9 De leerlingen kunnen verhoudingen vergelijken.
10 De leerlingen kunnen eenvoudige verhoudingsproblemen oplossen.
11 De leerlingen kennen het begrip ‘procent’ en kunnen in eenvoudige situaties praktische procentberekeningen uitvoeren.
12 De leerlingen begrijpen het verband tussen verhoudingen, breuken en decimale breuken.

D. Breuken en decimale breuken
13 De leerlingen weten dat aan een breuk en een decimale breuk op verschillende manieren betekenis kan worden gegeven.
14 De leerlingen kunnen breuken en decimale breuken op een getallenlijn plaatsen en breuken in decimale breuken omzetten, ook met een rekenmachine.
15 De leerlingen kunnen in eenvoudige toepassingssituaties, met gebruikmaking van modellen, eenvoudige breuken en decimale breuken vergelijken, optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen.

E. Meten
16 De leerlingen kunnen klok kijken en tijdsintervallen berekenen, ook met behulp van de kalender.
17 De leerlingen kunnen in alledaagse situaties met geld rekenen.
18 De leerlingen hebben inzicht in de relatie tussen de belangrijkste grootheden en de bijbehorende maateenheden.
19 De leerlingen kennen de gangbare maten van lengte, oppervlakte, inhoud, tijd, snelheid, gewicht en temperatuur en kunnen deze in eenvoudige toepassingssituaties hanteren.
20 De leerlingen kunnen eenvoudige tabellen en grafieken lezen en deze in eenvoudige situaties op grond van eigen metingen zelf samenstellen.

F. Meetkunde
21 De leerlingen beschikken over eenvoudige noties en begrippen, waarmee zij ruimte meetkundig kunnen ordenen en beschrijven.
22 De leerlingen kunnen ruimtelijk redeneren. Zij bedienen? zich daarbij van bouwsels, plattegronden, kaarten en foto’s, en gegevens over plaats.
23 De leerlingen kunnen schaduwbeelden verklaren, figuren samenstellen en bouwplaten van regelmatige objecten ontwerpen en herkennen.

368

9.3 Bakens en ijkpunten

(baken A – F)   ijkpunt

KLAS 1

Algemeen
Beweging, ritme, zintuigen, analyse, synthese, kwaliteit, kwantiteit, rekening houden met temperamenten.

Tellen en de basisbewerkingen
Tellen en bewegend tellen tot 24 (12¶), heen en terug, ook met sprongen.
Resultatief tellen. Rekenverhalen tot 20. Ordenen van getallen op concrete vormen van de getallenlijn. Verdubbelen en halveren; structureren van hoeveelheden; afbeelden van verdelingen en structuren; tot 20 (12¶). Schrijven en herkennen van cijfers (Arabisch¶) (tot 24¶). Lezen bewerkingstekens en pijlentaal.

Hoofdrekenen tot 100
De beleving van kwaliteiten. Tellen middels verschillende zintuigen. Structureren van hoeveelheden. Zo nodig extra aandacht voor de vijfstructuur. Op basis hiervan komen tot het memoriseren van alle bewerkingen tot 20 (12¶). Toepassen in rekenverhalen en herkenbare situaties.

Tafels
Ritmisch beleven en oefenen van rijen, afbeelden van tafelrijen (2 en 3¶) en eenvoudige structuren (tot 24¶).

Schattend rekenen
Concrete aantallen en groepjes schatten, raad mijn getal, raden wordt meer overwogen schatten, de plaats van een getal in de rij ongeveer aangeven.

Meten en meetkunde
Zie vormtekenen.

Verhoudingen
Concrete ervaringen opdoen, zie ook schatten.

PHAW:  Er is veel voor te zeggen tot 10 resp. 20 enz. te rekenen i.v.m. ons tientallig stelsel. 

369

klas 2

Algemeen
Groeiend tijdsbesef. Oefenen van ritmisch geheugen.

Tellen en de basisbewerkingen
Bewegend tellen met sprongen tot 100 (20¶). In samenhang hiermee het plaatsen van getallen op getallenlijn, in reeksen (onleesbaar). Getallen schrijven en herkennen tot 100. Notatie rekenhandelingen tot 100 (24¶). Aandacht voor rekenen in betekenisvolle contexten. Onderzoek  rekenvoorwaarden: tellen en basisbewerkingen.

A

Hoofdrekenen tot 100
Voortgaan met het automatiseren van de bewerkingen tot 20. Aandacht voor de verbanden tussen opgaven (buursommen). Handig rekenen; niet meer zoveel tellen. Aandacht voor rekenaanpakken. Rekenen op een rij en de kolommenmethode. Tienen en erover. Nog niet cijferen.

Tafels
Bewegend in ritmen en vormen oefenen tot 10X. Samenhang met basisbewerking en verkenning vermenigvuldigingsstructuren. Memoriseren tafels (2, 3, 5 en 10¶), ook middels vormen, patronen en getallenlijnen. Toepassen in situaties van alle dag. Reconstructiefase: handig rekenen met tafelproducten verdubbelen, halveren verwisselen, de nul en aandacht voor eigen producties.

Schattend rekenen
Zie 1e klas. De plaats van getallen tot ± 100 op de lege getallenlijn aangeven. Aantallen bij benadering benoemen. Rekenen met de tientallen¶. Vergelijkenderwijs schatten van grootten (weefdraden, karton).

Meten en meetkunde
Tijdsbesef en tijdbegrip. De tijd wordt gemeten. De circulaire klok, indeling van het jaar. Maateenheden inwisselen. Lopen van vormenfiguren. Idem in een gegeven aantal passen.

Verhoudingen
Zie vormtekenen. Symmetrieoefeningen. Concrete ervaring opdoen. Zie ook schatten.

370

klas 3

Algemeen
Oefenen van het ritmisch geheugen. Ervaren van tijd. Komen tot maat- en tijdbegrip. Oefening en consolidering.

Tellen en de basisbewerkingen
Uitbreiden tot 1000. In sprongen, nadruk op 10-structuur; tientallen, honderdtallen. Plaatswaarde. Geld als concrete steun. Getallen tot 1000 herkennen en schrijven¶. Rekenen net over de 100 (onder de 100) met steun van de lege getallenlijn. Rekenen op een rij en de kolommenmethode. Rekenverhalen en situaties.

Hoofdrekenen tot 100
Alle bewerkingen handig rekenend tot 100, al dan niet met gebruik van een kladblaadje* om tussenresultaten te noteren. Rekenen met kale getallen en in betekenisvolle contexten. Aandacht voor rekenaanpakken. Praktisch rekenen met geld.

*Steiner was tegen het gebruik van het woord ‘net’schrift. Dat suggereerde volgens hem dat er ook ‘knoei’schrift mag zijn. Maar alles wat je schrijft moet netjes. In het verlengde daarvan moeten er eigenlijk ook geen ‘klad’papiertjes zijn. We kladderen of kliederen niet. Het zijn in wezen ‘hulp’ papiertjes waarop ook netjes geschreven dient te worden. 

Tafels
Tafels (tot 10¶) memoriseren en automatiseren. Leerlingen weten (¶) wat ze zelf van de tafels kennen. Ritmisch op rij en rekentechnisch door elkaar oefenen. Aandacht voor rekenstrategieën. Tafelnetwerken. Voortzetting van toepassing in realistische situaties, in rekenverhalen en nu ook bij het cijferen.

Schattend rekenen
Schatten van uitkomsten voorafgaand aan berekeningen¶. Durven afronden op handige getallen om mee te rekenen. Benaderen totaalbedrag (boodschappen). Mooie, ronde getallen: tien- en hondervouden. Getallen in de omgeving. ‘Globaal’rekenen. Verband met hoofdrekenen. 

Cijferen
Nog steeds voorbereidende activiteiten; als het hoofdrekenen tekortschiet. Voortbouwen op splitsen en kolommenmethode. Ruimte voor de ‘natuurlijke’ aanpak. Tienstructuur en positionele schrijfwijze. Geld als denkmodel. De papieren abacus. Hoofdrekenen tot 100, het fundament is gelegd.
B

Meten en meetkunde
Kennismaken met maten en gewichten in de praktijk (winkel, huizenbouw). Bij vormtekenen, schetsen van cirkel, driehoek, vierkant, zeshoek, pentagram en pentagon.

Breuken
Informeel gebruik van natuurlijke breuken als half en kwart, o.a. bij de klok.

Decimale breuken
Geldnotatie; informeel.

Verhoudingen
Concrete ervaringen opdoen. Zie ook schatten.

371

KLAS 4

Algemeen
Versterkt Ik-beleven, verbreking van het één-zijn met de wereld. Breken en delen leidt tot het kennen van de breuken als getallen. Gaan denken op basis van voorstellingen.

De basisbewerkingen
Tellen met (stam)breuken, in toepassingen, gestructureerd, ritmisch en voorstellend, ook op getallenlijn. Tellen voorbij 1000 met grote sprongen. Bewerkingen toepassen in gebied tot 1000, daarbij handig rekenen.

Hoofdrekenen tot 100 en verder
Handig rekenen met geld, maten, gewichten, klok en kalender. Ook boven de 100. Waar nodig met steun van de lege getallenlijn. Aandacht voor oplossingsmethoden, juist van anderen. Gezamenlijke en persoonlijke referentiepunten in de getallenwereld¶. Leren kennen van de eigen grenzen op het gebied van hoofdrekenen, cijferen en schatten. Persoonlijke grenzen verleggen. 

Tafels
Verworven kennis uitbreiden, onderhouden en consolideren¶. Toepassen bij handig rekenen, cijferen en in de breukenrijen.
De tafels van vermenigvuldiging gememoriseerd. 

C

Schattend rekenen
Schattend bepalen van afstanden en gewichten. Persoonlijke referentiematen¶. Benaderen bij cijferopgaven ter controle achteraf schatten van delen van een geheel (visueel). Globaal (tekenend) de plaatsen van een breuk aangeven op getallenlijn. Aandacht voor nauwkeurigheid , de afwijking van het precieze antwoord; samenhang met breuken en kommagetallen.

Cijferen
De cijferprocedures voor vier basisbewerkingen verder ontwikkelen vanuit de natuurlijke aanpak. Zoveel mogelijk werken op individueel (verkortings)niveau. Zowel rekenen in toepassingssituaties van alledag als met ‘kale’ sommen, binnen de grenzen van de eigen mogelijkheden. 

Meten en meetkunde
Ruimtelijke oriëntatie. Meetopdrachten in eigen omgeving. Lengte, oppervlakte en gewicht¶. Van menselijke maat naar standaardmaten. Rekenen met meetgetallen. De eerste formules. In vormtekenen vlechtfiguren maken met ronde en rechte vormen. Meetkundige vormen.

Breuken
Door breken, verdelen, samenstellen en vergelijken kennis nemen van benoemde stambreuken. Handelingen verrichten waardoor breuken tot stand komen, verdelen van aantallen en figuren. Werken met grootheden om te verdelen. Modellen van breuken: breukcirkels, -stroken, rechthoek, dubbele getallenlijn. Met breuken en bewerkingstekens het handelen weergeven. Eenvoudige breukrijen kunnen voortzetten, ook voorbij ‘de hele’. Breukenenvelop ¶ en persoonlijke referentiebreuken in periodeschrift. 

Decimale breuken
Voortbouwen op ervaringen met kommagetallen. Reflectie op schrijfwijze. Nogmaals geldbedragen en maten, als denkmodel voor de decimale breuken¶. Cijferend optellen en aftrekken van kleine bedragen en maten. Nauwkeurigheid. 

Verhoudingen
Plattegronden en kaarten: kennismaken met schaalbegrip (heemkunde). Verhoudingstabel, breuken op de getallenlijn, deel van het geheel. Schatten.

klas 5

Algemeen
Gevoel voor regelmaat en vorm, toenemend begrip.

De basisbewerkingen
Zie klas 4¶. Bewerkingen worden in toenemende mate ook toegepast op breuken en kommagetallen. Situaties uit het dagelijks leven zijn de rekencontexten en geven betekenis en rekenwerk. De persoonlijke keuze voor hoofdrekenen, schatten of cijferen is onderwerp  van bewustmaking.

Hoofdrekenen tot 100 en verder
Rekenen met gehele getallen. Referentiepunten bij 10, 100, 25, 5, 50, 75, 125, 250, 500….Optellen en aftrekken met veel voorkomende breuken wordt zo mogelijk in samenhang bekeken. Handig rekenen, ook met decimale breuken. Aandacht voor strategieën en eigen vondsten van leerlingen. Onderhouden van elementaire vaardigheden tot 100¶.

Tafels
Bijhouden (door gebruik en oefening, als dat nodig blijkt) en toepassen (stelselmatig en creatief).

Schattend rekenen
Afronden, benaderingen via globale berekeningen, aandacht voor nauwkeurigheid, schatten voor ’t cijferen en breukberekeningen; controle. Referentiepunten in de wereld van de hele en gebroken getallen, zie hoofdrekenen. Cijfers achter de komma en ‘verwaarlozen’. Referentiematen voor het maken van schattingen bij het meten. Ook op het gebied van oppervlakte en inhoud en kommagetallen.

Cijferen
Bewerkingen volgens standaardprocedures (op eigen niveau) uitvoeren, ook met kommagetallen (beheersing van getallen met 3 cijfers¶). Stimulering van niveauverhoging. Analyse van nieuwe cijferprocedures. Reflecties op de procedure zelf.
Alle cijferbewerkingen op het individueel hoogst haalbare niveau.
D

Meten en meetkunde
Praktisch rekenen combineren met tijdrekenen, ook digitale tijdsweergave. Oppervlakte ¶. Afstand en tijd in samenhang; snelheid. Tabellen, grafische voorstellingen lezen en maken. Tijdmeting in de sport. Interessante meetkundige figuren schetsen en karakteriseren naar hun eigenschappen.

Breuken
Breuk als operator. Bewerkingen op concreet niveau. De dubbele lege getallenlijn als denkmodel, bemiddelde grootheden als rekentechnische ondersteuning. Mogelijk ontdekken van rekenregels. Breuken in verband met kommagetallen. Breuken die een verhouding weergeven.

Decimale breuken
Alle basisbewerkingen cijferend en veel in toepassingssituaties ¶. Kommagetallen als meetresultaat, afronden. Verband met gewone breuken in praktijk en theorie. Inzicht in het fenomeen kommagetal.

Verhoudingen
Rekenen met schaal ¶. Dubbele getallenlijn. Verhoudingstabel.

Procenten
Informele kennismaking via signalen van buiten de school.

373

klas 6

Algemeen
Inzicht in ‘handigheidjes’, samenhangen en oorzakelijkheid.
Meten en maten.

De basisbewerkingen
Vaste rekenprocedures worden vastgelegd in formulevorm. Woordformules. Dit bereidt voor op het gebruik van letters en variabelen in de algebra.

Hoofdrekenen tot 100 en verder
Inzichtelijk en handig oplossen van praktische problemen. Onderhouden van elementaire vaardigheden.

Tafels
Gebruiken.

Schattend rekenen
Afronden, globaal rekenen; ook met breuken, kommagetallen en percentages. De grootteorde van uitkomsten; rekenen met aantallen cijfers. De marges van het schatten, nauwkeurigheid in percentages; nauwkeurigheid in verband met de context. 

Cijferen
Alle basisbewerkingen ¶. Inzicht scheppen: getalgriezels. Op zoek naar verkortingen. Maatschappelijke toepassing (handel, sport, vervoer enz.) Andere cijfermethoden onder de loep. Cijferen bij concrete opdrachten. Staartdelen en kommagetallen. Staartdelen en procentberekening.

Meten en meetkunde
Meten in thema’s en projecties als voortzetting van de 5e-klasleerstof. Centrale rol voor de cirkel: met passer en liniaal worden steeds bekende geometrische vormen geconstrueerd . Driehoeken, vierhoeken, vijf- en zeshoeken. Onderzoek van hoeken en het meten en het meten ervan (in graden). De basisconstructies ¶.
Eind 6e klas: voorwaarden vervuld voor (eventuele) introductie van de zakrekenmachine. 

Breuken
Basisbewerkingen met breuken, zo gewenst met dubbele getallenlijn en bemiddelende grootheid ¶. Rekenregels voor breukrekenen mogelijk ontdekken en zeker doorzien en inzetten bij praktische problemen, waaronder procentrekenen.

Decimale breuken
Breuken omrekenen naar kommagetallen ¶. Afronden en afbreken. Nauwkeurigheid. Een enkel geval van ‘kommagetal naar breuk’. Relatie met breuken en procenten. 

Verhoudingen
Praktische omrekenproblemen (o.a. vreemde valuta) in bijv. verhoudingstabellen ¶. Verhoudingen en evenredigheden in de meetkundige context (o.a. de hoogte van de zon). Vergrotingsfactor. Verhoudingen in het dagelijks leven: dichtheid, snelheid, verdunning, legering…) het aflezen van meetinstrumenten (schalen).

Procenten
Procenten opgevat als op 100 genormeerde verhoudingen in het leven van alle dag. Visuele beelden van percentages. Rente, prijsstijging, kiesdeler; maattolerantie, steekproef,…Berekeningen op het gebied van handelsrekenen.¶

374

klas 7 en 8

Algemeen
Onderzoekende houding, volhardend systematisch werken. Groeiend reflecterend vermogen. Wiskundetaal verwerven als communicatiemiddel. Creatief samenwerken bij het oplossen van problemen. Verwondering en bewondering beleven aan wiskundige vondsten. Verdieping ruimtelijk inzicht.

Getallen
Verzamelen, ordenen en kwalitatief beschrijven van gegevens. Introductie van de negatieve getallen, verkenning op de getallenlijn (klas 7).

Hoofdrekenen
Kettingsommen als inleiding tot de vergelijkingen. Getallenreeksen, eigenschappen, tweede en derde machten van 2 (klas 7) Worteltrekken, ook in relatie tot meetkunde. Verbanden en ingeklede vergelijkingen (klas 8).

Schatten
Verdieping van gecijferdheid, o.a. in verkenning van de zakrekenmachine, globaal rekenen, benaderen en afronden in realistische contexten.

Voortgezet rekenen
Hanteren van kommagetallen en gangbare maten voor: lengte, oppervlak, inhoud, tijd, temperatuur, geld (toepassen in context ¶). Breuken (rekenregels ¶), procenten, verhoudingen, schaal (worden in samenhang verder ontwikkeld en geoefend (toepassen in context ¶) in rekenwerkuren. Kwadrateren en worteltrekken.

Algebra
N.a.v. concrete situaties wetmatigheden onder woorden brengen, in (woord)formules vastleggen en ermee werken. Mathematiseren van een probleem , waaronder het opstellen en oplossen van (lineaire) vergelijkingen, substitueren van getallen en rekenen met letters (klas 7).
Substitueren van verbanden op basis van (getal)reeksen, eigenschappen bij letterreeksen, relaties tussen verschillende variabelen (klas 8).

Meten en meetkunde
Waarnemend tekenen, schetsen van perspectief en schaduw, patroontekenen. Constructies op basis van inzicht, gebruikmakend van de grondconstructies en de begrippen: afstand, richting, hoek, loodrecht, evenwijdig, translatie, rotatie, spiegeling, puntsymmetrie, congruentie, stelling van Pythagoras. Verbanden met algebra (klas 7). Vermenigvuldigen van figuren, gelijkvormigheid, oppervlakten en inhouden berekenen. Meetkundige plaatsen. Platonische lichamen en hun uitslagen lezen en interpreteren. Coördinaten (klas 8).

Geïntegreerde wiskundige activiteiten
Wiskunde wordt als probleemoplossend instrument bij onder meer handwerken, natuurkunde, handelskennis, aardrijkskunde en in rekenwerkuren verbonden met de concrete ervaring.

375

In dit hoofdstuk wordt gesproken over:

bewegingszin
ontwikkelingsfasen van het kind
oordeelskracht
periodeonderwijs
tandenwisseling
temperament

.

Over het boek
Inhoudsopgave
Voorwoord en inleiding
Hoofdstuk    [
1] [2] [3[4] [5] [6] [7] [8
Slot (1-1Reflectieve notitie
Slot (1-2Korte toelichting bij enkele gebruikte begrippen
Slot (1-3) Citaten van Rudolf Steiner met betrekking tot                                    aanvankelijk rekenen
Slot (1-4) Literatuuropgave
.

Rekenenalle artikelen

.

2580-2415

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 11 (11-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 164/165 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In [11-1] komen de verschillende standpunten aan bod van waaruit naar de mens kan worden gekeken.
Voor een genuanceerd begrijpen van de mens, moeten deze standpunten op elkaar worden betrokken. 
Nu Steiner in de 11e voordracht bij ‘het lichaam’ aangekomen is, neemt hij – uiteraard zou je haast zeggen – ziel en geest mee. 
In het begin van de voordracht besteedt hij vanuit dit standpunt aandacht aan het hoofd; en daarna aan de borst en de ledematen. In dit kader kan je daar niet iets over zeggen ‘los van elkaar’.
En ‘het op elkaar betrekken’ is opnieuw de leidraad:

BORST EN LEDEMATEN

Enerzijds horen we dus dat het hoofd ‘het oudst’ is – lichamelijk het verst ontwikkeld t.o.v. borst en ledematen, maar dat de geest van het kind in het hoofd nog geen ‘thuis’ heeft gevonden. Die bevindt zich ‘om’ het kind, in zijn ‘omgeving’.

Om te kunnen denken zijn de hersenen nodig en bij het jonge kind zijn deze nog in opbouw, zodat als logische conclusie wellicht gezegd mag worden, dat het jongste en jongere kind nog niet denkt in de ‘algemeen menskundige’ zin: het betrekken van allerlei voorstellingen op elkaar. Het lichamelijk instrument om zich als geestwezen in of met het ‘denken’ te manifesteren is in opbouw. 

De lichamelijke organen van de borst: hart en longen zijn fysiek al zeer intensief werkzaam. Omdat we deze organen hebben leren kennen als ‘dragers van het gevoel, van het zielenleven’, ervaar je dit al veel ‘dichterbij’ dan de geest van de baby. Als wezenlijk – letterlijk, anders.

Blz.. 168     vert. 164

In der Brust, da liegen die Dinge wesentlich anders als für den Kopf. Die Brust ist ein Organismus, der von vorneherein, wenn der Mensch geboren wird, leiblich-seelisch ist. Die Brust ist nicht bloß leiblich wie der Kopf; die Brust ist leiblich-seelisch, nur den Geist hat sie noch als einen träumenden außer sich. Wenn wir das Kind also in seinen ersten Jahren beobachten, so müssen wir die größere Wachheit, die größere Lebendigkeit der Brustglieder gegenüber den Kopfgliedern scharf ins Auge fassen. Es wäre durchaus nicht richtig, wenn wir den Menschen zusammengeworfen als einziges chaotisches Wesen ansehen würden.

Bij de borst ligt het heel anders dan bij het hoofd. De borst is een organisme dat vanaf de geboorte zowel tot het lichamelijke als tot het zielengebied behoort. De borst is niet, zoals het hoofd, louter lichamelijk; de borst is lichaam én ziel en alleen de geest bevindt zich nog – dromend – buiten de borst. Wanneer we een kind in de eerste jaren waarnemen, dan moeten we de, vergeleken met het hoofd, grotere wakkerheid, de grotere levendigheid van het borstgedeelte scherp voor ogen hebben. Het is bepaald onjuist om de mens te beschouwen als een warrige chaos.

Als we nog even teruggaan naar de indeling van de ziel in gewaarwordings- verstand/gemoeds- en bewustzijnsziel en daarbij in ogenschouw nemen hoe sterk de gewaarwordingsziel met het etherlijf verbonden is [zie voordracht 1], dan zie je in de ledematen van het kind de meeste beweging, vrijwel steeds begeleid door gevoelens die de hele scala bestrijken van ‘alles naar mijn zin, tot helemaal niet naar mijn’.

Over de ledematen merkt Steiner nu op:

Bei den Gliedmaßen liegt die Sache wieder anders. Da ist von dem ersten Augenblick des Lebens an Geist, Seele und Leib miteinander innig verbunden; sie durchdringen sich gegenseitig. Da ist auch das Kind am allerfrühesten ganz wach. Das merken diejenigen, die das zappelnde, das strampelnde Wesen zu erziehen haben in den ersten Jahren. Da ist alles wach, nur daß alles unausgebildet ist.

Bij de ledematen ziet het er weer anders uit. Daar zijn vanaf de geboorte geest, ziel en lichaam innig met elkaar verbonden; ze zijn met elkaar verweven. In de ledematen is ook het jongste kind volledig wakker. Dat merken degenen die dat spartelende, trappelende wezentje moeten opvoeden in de eerste jaren. Daar is alles wakker – maar helemaal nog niet gevormd. Dat is ook het raadsel van de mens. De geest is bij de geboorte in het hoofd al zeer ver ontwikkeld, maar slaapt. De ziel is in het hoofd zeer ver ontwikkeld, maar droomt. Zij moeten geleidelijk aan wakker worden. Als ledematenmens is de mens bij de geboorte weliswaar volledig wakker, maar nog niet gevormd, nog onontwikkeld.

En met deze zinnen slaat Steiner de weg in naar waar het in deze cursus om gaat: een basis voor de pedagogie.

Blz. 170   vert. 165

Das ist überhaupt das Geheimnis des Menschen: sein Kopfgeist ist, wenn er geboren wird, sehr, sehr ausgebildet schon, aber er schläft. Seine Kopfseele ist, wenn er geboren wird, sehr ausgebildet, aber sie träumt nur. Sie müssen erst nach und nach erwachen. Als Gliedmaßenmensch ist der Mensch, indem er geboren wird, zwar ganz wach, aber noch unausgebildet, unentwickelt.

Dat is ook het raadsel van de mens. De geest is bij de geboorte in het hoofd al zeer ver ontwikkeld, maar slaapt. De ziel is in het hoofd zeer ver ontwikkeld, maar droomt. Zij moeten geleidelijk aan wakker worden. Als ledematenmens is de mens bij de geboorte weliswaar volledig wakker, maar nog niet gevormd, nog onontwikkeld.

En vanuit deze optiek is opvoeding voor Steiner:

Eigentlich brauchen wir nur den Giiedmaßenmenschen auszubilden und einen Teil des Brustmenschen. Denn der Gliedmaßenmensch und der Brustmensch, die haben dann die Aufgabe, den Kopfmenschen aufzuwecken, so daß Sie also hier eigentlich erst die wirkliche Charakteristik des Erziehens und Unterrichtens bekommen.

Eigenlijk hoeven we alleen de ledematenmens en een deel van de borstmens te ontwikkelen. Want de ledematenmens en de borstmens hebben dan de taak om de hoofdmens wakker te maken. Hierin ligt de werkelijke essentie van opvoeding en onderwijs.

Hier is m.i. een kanttekening op zijn plaats.

Als Steiner deze voordrachten houdt, is er nog geen kleuterklas en geen bovenbouw. Toen ik in [11-1] professor Langeveld aanhaalde m.b.t. ‘omgang en opvoeding’ bleek al dat ‘opvoeding vóór het 3e jr en na het 21e niet meer mogelijk is. Steiner zal in deze voordracht later e.e.a. nader preciseren: niet op elke leeftijd kan het ‘uitgaan van de ledematen’ het uitgangspunt zijn: naar de puberteit toe neemt de mogelijkheid daarvoor af.

Maar nu volgen we dit belangrijke principe eerst:

Sie entwickeln den Gliedmaßenmenschen und einen Teil des Brustmenschen, und Sie lassen von dem Gliedmaßenmenschen und einem Teil des Brustmenschen den anderen Teil des Brustmenschen und den Kopfmenschen aufwecken. Daraus sehen Sie, daß Ihnen das Kind schon etwas Beträchtliches entgegenbringt. Es bringt Ihnen das entgegen, was es in seinem vollkommenen Geiste und in seiner relativ vollkommenen Seele durch die Geburt trägt. Und Sie haben nur auszubilden dasjenige, was es Ihnen entgegen bringt an unvollkommenem Geist und noch unvollkommenerer Seele.

U ontwikkelt de ledematenmens en een deel van de borstmens en deze twee laat u dan het andere deel van de borstmens en de hoofdmens wekken. Hieraan ziet u ook dat een kind al heel wat meebrengt door de poort van de geboorte, namelijk dat wat het in zijn volkomen geest en in zijn relatief volkomen ziel meedraagt. U hoeft alleen maar te ontwikkelen wat het u aan onvolkomen geest en nog sterker onvolkomen ziel tegemoet draagt.

In deze tijd (2021) is ‘het’ hersenonderzoek een interessant fenomeen. En je hoeft maar ‘bewegen en leren’ te googelen of je vindt meteen zoiets als:

Recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat beweging zorgt voor betere leerprestaties! Beweging zorgt voor meer zuurstof in de hersenen waardoor er meer kennis opgeslagen kan worden en ons empathisch vermogen wordt versterkt.

In het artikel ‘handen en intelligentie‘ vind je eveneens interessante gezichtspunten.

Met ‘dit wekken van de hoofdmens’ roert Steiner zo’n 100 jaar geleden al aan, wat nu gemeengoed aan het worden is.

Terwijl er nu ook programma’s ontwikkeld worden om het ‘lerend bewegen en bewegend leren’ voor de basisschool in praktijk te brengen [zie 11-2-1] staat de vrijeschool erom bekend dat ‘bewegend leren’ daar allang in de praktijk plaatsvindt: ook al zo’n 100 jaar, want het vindt zijn uitgangspunten in de bovenstaande opmerkingen van Steiner – alles dus in het kader van ‘wekken’ via ledematen en gevoel.

Op deze blog staan vele artikelen die dat als onderwerp hebben:
(zoek o.a. in bewegen)

Geen tabula rasa

Voor Steiner – dat moge duidelijk zijn – komt de mens niet als ‘onbeschreven blad‘ ter wereld. 

Daraus sehen Sie, daß Ihnen das Kind schon etwas Beträchtliches entgegenbringt. Es bringt Ihnen das entgegen, was es in seinem vollkommenen Geiste und in seiner relativ vollkommenen Seele durch die Geburt trägt. Und Sie haben nur auszubilden dasjenige, was es Ihnen entgegen bringt an unvollkommenem Geist und noch unvollkommenerer Seele.

Hieraan ziet u ook dat een kind al heel wat meebrengt door de poort van de geboorte, namelijk dat wat het in zijn volkomen geest en in zijn relatief volkomen ziel meedraagt. U hoeft alleen maar te ontwikkelen wat het u aan onvolkomen geest en nog sterker onvolkomen ziel tegemoet draagt.

In de wetenschap wordt de tabula rasa niet meer geheel letterlijk genomen. Men heeft wel een vermoeden van ‘aangeboren eigenschappen’, maar – de wetenschap erkent de geest niet – die zijn ‘genetisch’ bepaald. Daarmee wordt het probleem verschoven, want de vraag blijft of het Ik, de persoonlijkheid, het ware wezen van de mens, een erfelijk iets is. 

Verrassend vind ik de conclusie die Steiner tussen de regels door en mét zinnen, trekt.
Immers: als de mens een onbeschreven blad zou zijn en de opvoeding en het onderwijs zouden daarop moeten schrijven – om even in het beeld te blijven – dan zouden de leerkrachten en pedagogen daar nooit meer in kunnen schrijven dan ze zelf in huis hebben.
Nu voelen wij allemaal wel aan dat we niet weten welk kind, of welk genie of welke grote geest we als kind in de klas hebben en we zijn toch wel zo bescheiden geworden om te accepteren dat sommige kinderen veel meer in huis hebben dan wij ze kunnen geven.
Was dat niet zo:

Wenn das anders wäre, dann wäre das Erziehen, das wirkliche Erziehen und Unterrichten überhaupt unmöglich. Denn denken Sie, wenn wir den ganzen Geist, den ein Mensch mit auf die Welt bringt in der Anlage, heranerziehen und heran-unterrichten wollten, dann müßten wir ja immer als Erzieher vollkommen gewachsen sein dem, was aus einem Menschen werden kann. Nun, da könnten Sie bald das Erziehen aufgeben, denn Sie könnten ja nur so gescheite und so geniale Menschen heranerziehen, als Sie selber sind. Sie kommen selbst- verständlich in die Lage, viel gescheitere und viel genialere Menschen heranerziehen zu müssen auf irgendeinem Gebiete, als Sie selber sind. Das ist nur möglich, weil wir es in der Erziehung eben nur mit einem Teil des Menschen zu tun haben; mit jenem Teil des Menschen, den wir auch dann heranerziehen können, wenn wir nicht so gescheit und nicht so genial sind und vielleicht nicht einmal so gut sind, als er selbst zur Genialität, zur Gescheitheit, zur Güte veranlagt ist.

Zou dat anders zijn, dan zou de opvoeding in de ware zin van het woord volstrekt onmogelijk zijn. Want stelt u zich voor dat we de gehele geest, die een mens met zich meebrengt op aarde, zouden willen opvoeden en grootbrengen, dan zouden we als opvoeder altijd geheel opgewassen moeten zijn tegen dat wat er uit een mens kan worden. Nu, dan konden we wel ophouden, want dan zouden we alleen mensen kunnen opvoeden die net zo knap en geniaal zijn als uzelf. Uiteraard zult u mensen opvoeden die op een bepaald gebied veel knapper en genialer zijn dan uzelf. Dit is alleen maar mogelijk doordat we in de opvoeding slechts met een gedeelte van de mens te maken hebben: het gedeelte dat we ook kunnen opvoeden wanneer we niet zo slim en geniaal zijn en misschien ook wel niet eens zo goed als degene die we opvoeden in aanleg is.

De opdracht is dus om in het kind de geest te wekken door een gevoels- en wilsopvoeding. Dat moeten wij dan beheersen. Maar met onze vermogens daartoe, kunnen we ook niet méér geven dan we zelf ontwikkeld hebben.
Wij kunnen echter door bijv. scholing, oefening, inzicht verwerven, deze vermogens wél groter maken. Dan hebben we dus aan het kind meer te geven.
(Alle opvoeding is zelf-opvoeding!)

Steiner ziet ons dan even als een bediende of een wekker…..

Dasjenige, was wir als das Beste der Erziehung bewirken können, das ist eben die Willenserziehung und ein Teil der Gemütserziehung. Denn das, was wir durch den Willen erziehen, das heißt durch die Gliedmaßen, was wir durch das Gemüt erziehen, das heißt durch einen Teil des Brustmenschen, das können wir bis zu dem Grade von Vollkommenheit bringen, den wir selbst haben.
Und wie sich schließlich nicht nur der Diener, sondern auch die Weckeruhr abrichten läßt, einen viel gescheiteren Menschen als er selbst ist, aufzuwecken, so kann auch ein viel weniger genialer und sogar viel weniger guter Mensch einen Menschen erziehen, der zu besserem als er selbst veranlagt ist. Allerdings, darüber werden wir uns klar sein müssen, daß mit Bezug auf alles Intellektuelle wir dem sich entwickelnden Menschen durchaus nicht gewachsen zu sein brauchen; daß wir aber, weil es auf die Willensentwicklung ankommt – wie wir jetzt auch aus diesem Gesichtspunkte sehen -, in dem Gutsein alles mögliche anstreben müssen, was wir nur anstreben können. Der Zögling kann besser werden als wir selber, wird es aber höchstwahrscheinlich nicht, wenn nicht zu unserer Erziehung eine andere durch die Welt oder durch andere Menschen dazukommt.

Het beste wat we in de opvoeding kunnen doen is het opvoeden van de wil en een gedeelte van het gemoed. Want wat we de mens via de wil leren, dat wil zeggen via de ledematen, en via het gemoed, via een deel van de borstmens, dat kunnen we zo volmaakt maken als we zelf zijn. Zoals niet alleen een bediende maar ook een wekker erop ingesteld kan worden om een veel slimmer mens dan hijzelf wakker te maken, zo kan ook een veel minder geniaal en zelfs een veel minder goed mens een ander opvoeden die in aanleg tot betere dingen in staat is dan hijzelf. We moeten wel degelijk goed beseffen dat we wat het intellect betreft beslist niet de gelijke hoeven te zijn van degene die we opvoeden; maar dat we alles wat er in ons vermogen ligt, moeten doen om een goed mens te zijn, omdat het op de ontwikkeling van de wil aankomt — dat zien we nu ook vanuit dit gezichtspunt. Het kind kan beter worden dan wijzelf, maar wordt het hoogstwaarschijnlijk niet, wanneer het niet nog een andere opvoeding, namelijk door de wereld of door andere mensen, krijgt dan de onze.

Zouden we aan zelfoverschatting lijden, de laatste zin maakt duidelijk dat opvoeden en onderwijzen geen eenmanszaak is.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 11 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2579-2414

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 9 (9-1-3-1/15)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 311

Voordracht 3, Torquay 14 augustus 1924

Blz. 57     vert. 57

Nun muß man sich aber klar werden darüber, daß der heute so be­liebte Kausalitätsbegriff, Ursachenbegriff, beim Kinde auch in die­sem Lebensalter, im 10., ii. Jahre noch gar nicht als ein Bedürfnis des Begreifens vorhanden ist. Wir gewöhnen uns ja heute, alles nach Ursache und Wirkung zu betrachten. Die naturwissenschaftliche Er­ziehung der Menschen hat es dahin gebracht, daß man überall nach Ursache und Wirkung alles betrachtet. Sehen Sie, dem Kinde bis zum ii. oder 12. Jahre so von Ursache und Wirkung zu reden, wie man es im alltäglichen Leben tut, wie man es heute gewohnt ist, ist gera­de so, wie man dem Farbenblinden von Farben spricht. Man redet an der Seele des Kindes vorbei, wenn man in dem Stile redet, in dem heute von Ursache und Wirkung geredet wird. Vorerst braucht das Kind lebendige Bilder, bei denen man niemals nach Ursache und Wirkung frägt. Nach dem 10. Jahre soll man wiederum nicht Ur­sache und Wirkung, sondern Bilder nach Ursache und Wirkung hinstellen.

Je  moet wel duidelijk weten dat het tegenwoordig zo populaire oorzaak- en gevolgbegrip bij het kind op de leeftijd van 10, 11 nog helemaal niet als behoefte leeft om iets te begrijpen. Wij zijn nu gewend alles te bekijken vanuit oorzaak en gevolg. De natuurwetenschappelijke opvoeding van de mensen heeft ervoor gezorgd dat men overal alles bekijkt vanuit oorzaak en gevolg. Maar zie je, met een kind tot het 11e, 12e jaar zo over oorzaak en gevolg te spreken, zoals men dit in het leven van alle dag doet, zoals men tegenwoordig gewend is, dat is net zoiets als tegen een kleurenblinde over kleuren spreken. Je praat langs de ziel van het kind, wanneer je in de trant spreekt waarin tegenwoordig over oorzaak en gevolg gesproken wordt. Allereerst heeft het kind levende beelden nodig, waarbij je nooit naar oorzaak en gevolg vraagt. Na het 10e jaar moet je ook niet oorzaak en werking geven, maar beelden over oorzaak en werking.

Erst gegen das 12. Jahr hin wird das Kind reif, von Ursachen und Wirkungen zu hören. So daß man diejenigen Erkenntniszweige, die es mit Ursache und Wirkung hauptsächlich zu tun haben, in dem Sinne, wie man heute von Ursache und Wirkung redet, die leblose Naturphysik und so weiter eigentlich erst in den Lehrplan zwischen dem 11. und 12. Lebensjahre einführen soll. Vorher sollte man über Mineralien, über Physikalisches, über Chemisches nicht zu dem Kinde reden. Es fügt sich nicht in das Lebensalter des Kindes ein.
Und weiter, wenn man Geschichtliches betrachtet, so soll das Kind auch bis gegen das 12. Jahr hin in der Geschichte Bilder bekommen, Bilder von einzelnen Persönlichkeiten, Bilder von Ereignissen, über­schaubar schön gemalte Bilder, wo die Dinge lebendig vor der Seele stehen, nicht eine Geschichtsbetrachtung, in der man immer das Folgende als die Wirkung vom Vorhergehenden betrachtet, worauf die Menschheit so stolz geworden ist. Diese pragmatische Geschichts­betrachtung, die nach Ursachen und Wirkungen sucht in der Ge­schichte, ist etwas, was das Kind ebensowenig auffaßt, wie der Far­benblinde die Farbe. Und außerdem bekommt der Mensch eine ganz falsche Vorstellung vom Leben, vom fortlaufenden Leben, wenn

Pas tegen het 12e jaar wordt het kind rijp om naar oorzaak en gevolg te luisteren. Zodat je die vakken die hoofdzakelijk met oorzaak en gevolg te maken hebben, met dien verstande, zoals men er tegenwoordig over spreekt, de anorganische natuurkunde enzo, eigenlijk pas moet invoeren  in het leerplan tussen het 11e en 12e levensjaar. Daarvóór moet je niet over mineralen, over fysica, over scheikunde met kinderen praten. Dat past niet bij de leeftijd van het kind.
En verder, wanneer je naar iets uit de geschiedenis kijkt, moet het kind ook tegen het 12 jaar nog geschiedenisbeelden krijgen, beelden van persoonlijkheden, beelden van gebeurtenissen, overzichtelijk mooi (met woorden) geschilderde beelden waarin de dingen levend voor de ziel staan; geen geschiedenisbeschouwing waarbij je steeds het volgende als de werking van het vorige beschouwt, waarop de mensheid zo trots geworden is. Deze pragmatische geschiedenisbeschouwing die in de geschiedenis naar oorzaak en gevolg zoekt, pakt het kind net zo min op als de kleurenblinde de kleuren. En bovendien krijgt de mens een hele verkeerde voorstelling van het leven, van het leven dat verder gaat, wanneer

blz.58:    vert. 58

man ihm alles immer nur nach Ursachen und Wirkungen beibringt. Ich möchte Ihnen das durch ein Bild klarmachen.
Denken Sie sich, da fließt ein Strom dahin (es wird gezeichnet).
#Bild s. 58
Er zeigt Wellen. Sie werden nicht immer richtig gehen, wenn Sie die Welle c aus der Welle b und diese aus der Welle a hervorgehen lassen, wenn Sie sagen, c ist die Wirkung von b, und b von a; es walten da unten in den Tiefen noch allerlei Kräfte, welche diese Wellen aufblasen. Und so ist es in der Geschichte. Da ist nicht immer das, was 1910 geschieht, die Wirkung von dem, was 1909 geschehen ist und so weiter, sondern für diese Wirkungen aus den Tiefen der Strömung in der Entwickelung, was die Wellen aufwirft, dafür muß beim Menschen sehr frühzeitig eine Empfindung eintreten. Sie tritt aber nur ein, wenn man spät erst die Ursachen und Wirkungen ein­führt, gegen das 12. Jahr hin, und vorher Bilder hinstellt.
Es stellt dies wiederum Anforderungen an die Phantasie des Leh­rers. Diesen muß er aber genügen. Er wird schon genügen, wenn er für sich Menschenkenntnis erwirbt. Und darum handelt es sich.

je hem steeds alles alleen maar bijbrengt als oorzaak en gevolg.
Dit wil ik u door een beeld duidelijk maken.
Stel je voor, hier is een waterstroom (dat wordt getekend):

GA 311 blz. 58

Er zijn golven. Maar, je zou het niet steeds bij het rechte eind hebben, wanneer je golf c uit golf b en deze uit golf a zou laten ontstaan, wanneer je zou zeggen: c is de werking van b en b van a; dieper in de stroom werken nog andere krachten die de golven omhoogstuwen. En zo is het ook in de geschiedenis. Daarin is het ook niet altijd zo, dat wat in 1910 gebeurt, de werking is van wat in 1909 gebeurd is enz., maar voor deze werkingen vanuit de diepten van de ontwikkelingsstroom, die de golven veroorzaken, daarvoor moet bij de mens zeer vroeg een gevoel ontstaan. Maar dat ontstaat alleen, wanneer je pas laat oorzaak en werking invoert, tegen het 12e jaar en daarvóór beelden geeft.

Dat stelt opnieuw eisen aan de fantasie van de leraar. Daaraan moet hij voldoen. Maar hij zal er aan voldoen, wanneer hij zich menskunde eigen maakt. En daar gaat het om.
GA 311/57
Op deze blog vertaald/57              

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskundevoordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2578-2413

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/6)

.

PERSEUS

.

Legende

.
Akrisios, de heerser over Argos in Griekenland, was ongelukkig. Hij had een knappe dochter die Dana heette, maar geen zoon aan wie hij ooit de troon zou kunnen doorgeven. Toen stuurde hij boodschappers naar het orakel van Delphi die hem een slechte tijding brachten: Dana zou een zoon krijgen die later zijn grootvader zou doden. Dat vervulde Akrisios met angst. Om deze verschrikkelijke gebeurtenis te voorkomen, liet hij zijn dochter in een onderaardse, rotsachtige grot opsluiten, waar ze als een gevangene leefde. 
Akrisios moest ondervinden dat de mens niets kan uitrichten tegen de lotsbesluiten van de goden. Zeus zelf had de schone Dana als moeder van een grote held voorbestemd. Hij veranderde zich in zonnegoud dat als een gouden regen over Dana’s schoot sprenkelde en zo werd hij één met haar. Het kind uit deze verbintenis dat in het de onderaardse gewelf geboren werd, was Perseus.

Op een dag hoorde Akrisios de kleine Perseus huilen. Hij liet zijn dochter bij hem brengen, en probeerde erachter te komen wie de vader van het kind was. Het verhaal over de gouden regen geloofde hij niet, maar hij wilde zijn dochter ook niets aandoen. Uit angst voor de vervulling van het orakel liet hij Dana en de kleine Perseus in een kist opsluiten en over zee wegdrijven. 

Bij Seriphos, een klein eiland in de Egeïsche Zee, dreven de Nereïden die de kist beschermden, deze in de netten van de visser Diktys. Hij haalde de zware kist uit het water en opende deze. Als een man door god gezonden, nam hij moeder en kind bij zich in huis en zorgde vanaf dat ogenblijk voor hen. 

Perseus groeide bij de visser op tot een imposante jongeling. De broer van de visser, Polydektes, was heerser over het eiland. Hij wilde de nog altijd mooie Dana als zijn eigen vrouw hebben. Maar zij wilde niet. Daarom stond hij Perseus die haar beschermer was, naar het leven. 
De bruiloft van de dochter van koning Oinomaos, Hippodameia, was voor Polydektes een welkome aanleiding, Perseus zo’n grote opdracht te geven, dat die hem zijn leven zou kosten: hij moest de Gorgo Medusa de kop afslaan en deze bij hem brengen. Deze uitdaging nam de dappere Perseus graag aan. 

De Gorgonen waren verschrikkelijke monsters. Ze leefden in het uiterste Westen, aan het eind van de wereld, waar de zon ondergaat en de nacht met haar dochters huist, daar waar de bronnen van Okeanos zich bevinden. 
Het waren drie gezusters: Stheno, Euryale en Medusa, dat betekent: ‘zij die heerst’. Alle drie waren angstaanjagend om naar te kijken: ze hadden dierlijke oren, een grijnzende mond met slagtanden als van wilde zwijnen, slangen als haren, ijzeren vuisten om je te grijpen en gouden vleugels om te vliegen. Ieder die hen aanschouwde, verstarde tot steen.
Zonder goddelijke hulp had Perseus dit avontuur net overleefd. 
Maar Hermes en Athene begeleidden en beschermden hem. Ze brachten hem bij de nimfen die hem de helm van Hades schonken die de drager onzichtbaar maakte, een tas om daarin de kop van Medusa te kunnen stoppen en vleugelschoenen waarmee hij door de lucht kon vliegen. 
Perseus gespte de schoenen aan en zette de helm op. Met deze op zijn hoofd kon hij zien wie hij wilde, zonder zelf gezien te worden. Hermes schonk hem nog een gekarteld sikkelzwaard. 
Met deze geschenken van de goden vloog de held naar het einde van de wereld. Hij trof de Gorgonen slapend aan, aan de oever van Okeanos, maar hij mocht ze niet aankijken, omdat hun aanblik hem onmiddellijk zou doen verstenen. Hij keek dus naar zijn ijzeren schild waarin hij de Gorgonen weerspiegeld zag. Met afgewend gelaat naderde hij de slapende monsters. Hoe moest hij echter weten wie Medusa was? Want alleen zij was sterfelijk, haar zusters echter onsterfelijk. Athena hielp hem. Onzichtbaar leidde zij zijn hand en Perseus sneed de verschrikkelijke Medusa de kop af. 
Maar Medusa was zwanger van Poseidon en op het ogenblik van haar dood sprongen uit haar bloed het gevleugelde paard Pegasus en de geweldige Chrysaor tevoorschijn. Perseus pakte met afgewend gezicht moedig de versteende kop van Medusa bij de slangenharen en met hulp van zijn vleugelschoenen verhief hij zich in de lucht.
Toen ontwaakten de zusters van Medusa, stonden van hun slaapplaatsen op en zetten de achtervolging in. Hij had echter de tarnhelm opgezet en zij konden hem niet vinden. Perseus ontkwam aan het gevaar. 

Met de kop van Medusa in zijn hand vloog Perseus over zeeën en landen. Toen hij boven Libië was, vielen er druppels bloed van Medusa op de aarde en daaruit zouden veel giftige slangen zijn geworden die zich thuis voelen in de Libische woestijn.
Perseus vloog met de kop van Medusa in zijn hand, zoals wij hem in het sterrenbeeld zien, verder, tot hij in Ethiopië kwam. Daar zag hij aan de oever van de zee een schone jonkvrouw die aan de rotsen was geklonken. Waarom dat zo was en hoe Perseus haar en haar land bevrijdde van een verschrikkelijk zeemonster, staat bij het sterrenbeeld van Andromeda.

.
NO                                                                    O                                                      ZO
sept. 1      1°° u*                                       okt. 1  22°° u                            nov. 1  20°° u
        15   24°° u*                                             15 21°°  u                                     15 19°° u
*zomertijd

De meeste sterren van het sterrenbeeld Perseus horen bij de circumpolaire sterren die steeds om de noordelijke hemelpool draaien en altijd boven de horizon staan. In september vinden we Perseus in het no, in okt. (zie bovenstaande afbeelding) en in nov. in het oosten, hoog boven de horizon, steeds aan de avondhemel om 21°° u, in de zomertijd een uur later.

De namen van de sterren betekenen:

Algenib (Arabisch) = afgeleid van al-ganb »de kant«
Algol (Arabisch) = afgeleid van ra’s al-gul »Kop van Gul, een kwaadaardig monster bij de Arabieren
Atiks (Arabisch) = betekenis niet duidelijk
Menkhib (Arabisch) = betekenis niet duidelijk
Misam (Arabisch) = betekenis niet duidelijk

.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen
.

2577-2412

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen in beweging – hoofdstuk 8

.

REKENEN IN BEWEGING
.

Hoofdstuk 8: Extra zorg voor bepaalde leerlingen

8.1 Rekenproblemen: kenmerken en oorzaken
8.2 Voorwaarden voor rekenen, menskundig bezien
8.3 Diagnostiseren en hulpverlenen
8.3.1 Een algemeen onderzoek
8.3.2 Een rekendiagnostisch gesprek
8.3.3 Maatwerk voor individuele leerlingen
8.4 Hoogvliegers willen ook wel eens wat!
Terzijde: Een zakrekenmachine in de rekenles?

8.1 Rekenproblemen, kenmerken en oorzaken

De kinderen zijn er allemaal, ik doe de deur dicht en net als ik wil beginnen, merk ik dat Bas er niet is. Ik weet zeker dat ik hem nog een hand gaf bij het binnenkomen. De deur vliegt open “Even water drinken, juf!” en Bas ‘duikt’ op zijn stoel. Klein, blond, met felle bruine ogen is hij altijd in beweging, zit vol kwinkslagen, grappen en pesterijtjes en kan intens genieten van wat hij meemaakt.
Toch is er iets wonderlijk. Enerzijds beweegt hij zich op een manier die niet opvalt, anderzijds is hij zo dominant aanwezig, dat zijn bewegen zich constant aan je opdringt en daardoor ook storend werkt voor hemzelf en de klas. Zo gaat het ook in de breukenperiode: dagenlang is hij druk in de weer met het verdelen, hij stelt duizend vragen, gaat op onderzoek bij anderen, knipt, plakt, benoemt. Zijn werk zit vol met fouten!  1/6  deel ergens vanaf geknipt heeft de naam ½ ; aan elkaar gelegde delen ‘pannenkoek’ vormen geen hele pannenkoek, enzovoort, enzovoort. Heeft hij in deze periode niets geleerd?
De klas werkt verder en ze leren de eerste sommetjes maken. Op zo’n ochtend staat Bas plotseling bij mijn tafel met een rijtje kale sommen, allemaal goed! Tot mijn schande heb ik niet eens gemerkt dat hij aan het werk was. Wat heeft Bas voor rekenproblemen?

De tijd waarin het rekenvermogen als een talent werd beschouwd, door vlijt verder te ontwikkelen, en het reken-onvermogen als een tekort (aan vermogen of vlijt), is voorbij. Ook een talentvol rekenaar kan vastlopen en omgekeerd hoeft onbegaafdheid niet als hopeloos c.q. hulpeloos beschouwd te worden.
Op school begeleiden we kinderen bij het leren rekenen. We bouwen mee aan een persoonlijk geaarde verbinding tussen rekennatuur en rekencultuur.
‘Rekenen’ vangt daar aan waar deze twee werelden elkaar ontmoeten en een beweeglijke uitwisseling tot stand komt. (zie ook H 1). Echter niet voor ieder kind geldt dat rekenen vanzelf gaat, er kunnen zich rekenproblemen voordoen. Dit gebeurt op allerlei manieren, maar helaas is het geven van ‘verkeerde antwoorden’ vaak het enige signaal dat er problemen bestaan. Menig leerkracht wordt door kinderen als Bas op het verkeerde been gezet; hij of zij wordt immers verleid tot de gedachte dat kinderen pas rekenen als ze stil op hun stoel zitten.
Kijken we nog eens naar Bas, dan valt op dat signalen van rekenproblemen eerder gezocht moeten worden in de wijze waarop zich het rekenproces voltrekt, dan in het resultaat ervan. Wanneer hij een rijtje kale sommen moet maken, doet

320

hij een bepaalde rekenprocedure met succes na, maar dit succes zegt niet veel over zijn rekenvaardigheid.
De activiteit (beweging) zelf gaat een eigen leven leiden en Bas wordt zelfs hyperactief; hij geniet, maar rekent niet meer. Hij is niet in staat om met zijn (ik-)bewustzijn bij het rekenproces betrokken te blijven en raadt maar wat op het eind. Soms goed soms fout.

Rekenproblemen kunnen we het best waarnemen als de kinderen aan het rekenen zijn. Daar ziet men dat ieder kind uniek is, zowel bij het aanpakken en oplossen van opgaven als ook in de leerstoornissen die het kan vertonen. Om rekenproblemen te kunnen signaleren is een aanbod van rekenwerk nodig; een verzameling uitgekiende opgaven waarbij zowel innerlijke als uiterlijke rekenoperaties een rol spelen.
De kinderen moeten vanuit hun hele wezen actief doelgericht handelend kunnen optreden, om te kunnen laten zien hoe en wanneer rekenproblemen zich bij hen voordoen.

De symptomen die kinderen met rekenproblemen vertonen, kun je in drie categorieën verdelen. Symptomen waarbij kinderen:

1. Niet aan een gestelde opdracht kunnen beginnen.
2. Tijdens het rekenproces op een dwaalspoor komen.
3. Willekeurig tot goede of foute antwoorden komen, doordat ze onbegrepen regels volgen.

Bij 1 zie je kinderen rondlopen en eindeloos om hulp vragen.
Bij 2 zie je dat kinderen lang over het werk doen en het spoor bijster raken.
Bij 3 zie je kinderen cijferen op momenten dat handig rekenen veel meer voor de hand zou liggen. Ze gebruiken het liefst vaste oplossingsprocedures en stappen er niet vanaf.

Zowel bij 2 als bij 3 gaan kinderen snel over tot raden van het antwoord en lopen vervolgens na het werk rond om bij de andere leerlingen een bevestiging te vinden. Zij zijn moeilijk te bewegen andere rekenaanpakken te proberen.

Bepaalde symptomen van rekenproblemen zijn aan een bepaalde levensfase gebonden. Op de vingers rekenen bij het optellen en aftrekken, is in de eerste en tweede klas geen symptoom van een probleem te noemen, maar in de vierde klas wel degelijk!
Het tot stand brengen van de goede oplossing voltrekt zich verschillend en op verschillend niveau in de opeenvolgende levensfasen van het kind. Wie in de eerste klas een leerling, die best weet wat een halve boterham is, op mentaal niveau iets met breuken wil laten doen, komt onbegrip tegen en zal rekenproblemen constateren.
Een gechargeerd voorbeeld, maar het zal duidelijk zijn dat rekenwerk moet passen bij de ontwikkelingsfase van het kind, anders worden de verkeerde keuzen van leerkrachten zichtbaar als rekenproblemen van de leerling.

321

Oorzaken van dyscalculie

Bij oorzaken van dyscalculie kunnen we onderscheid maken in twee soorten; die van buitenaf een storende invloed hebben op het rekenvermogen en die van binnenuit, vanuit het kind zelf invloed hebben op het leren rekenen (onvermogens of belemmeringen).
Zelden is een rekenprobleem maar aan één oorzaak te wijten. Ook van buitenaf veroorzaakte stoornissen kunnen in tweede instantie tot een probleem in het kind zelf leiden en het leren rekenen verstoren.
Na het waarnemen van de rekenproblemen is het opsporen van de oorzaken van groot belang om extra zorg te kunnen bieden aan een kind met rekenzwakten. De leerkracht zal op grond daarvan maatregelen moeten kunnen nemen, zodat het kind geholpen wordt bij het creëren en versterken van eigen vaardigheden. Vaardigheden die toegang verschaffen tot de rekenwereld in hemzelf en om hem heen.

Marijn ging vele jaren achtereen naar school. De eerste jaren leek hij wel mee te komen, speelde graag en veel, maar na de vierde klas ontstonden er problemen. Vanaf die tijd leek onderwijs nauwelijks meer aan hem besteed. Breuken, procenten, algebra en meetkunde, nergens leek hij enige vaardigheid in verworven te hebben. Omdat het in de klas niet meer ging, werd Marijn getest; het resultaat was niet hoopgevend. Alleen zijn uitstekende sociale vaardigheid kwam duidelijk naar voren.

Terugkijkend naar zijn schooltijd werd het duidelijk dat de problemen van Marijn te maken hadden met het reken- en wiskundeonderwijs. De talen en vakken als handvaardigheid, waarbij de motoriek een rol speelt, verliepen normaal of goed. Belemmeringen ontstonden in de ontwikkeling van het denken en het toepassen van rekenen en wiskunde in de andere exacte vakken. Hoewel dit op zich niet problematisch verliep, omdat een groot deel van de gestelde problemen met technisch inzicht oplosbaar was.
Bij Marijn lag het niet aan een structureel algemeen tekort aan mentale mogelijkheden, maar aan een niet op tijd ontwaken van bepaalde vermogens op het gebied van rekenen. Uiteraard rijst nu onmiddellijk de vraag naar de oorzaak van zijn rekenproblemen op. 

In Grondslagen van de rekendidactiek (Derde druk, J.B. Wolters, Groningen 1964) noemt Dr. L. van Gelder een aantal oorzaken van dyscalculie, die we ook weer kunnen onderscheiden in oorzaken die in de omgeving van het kind zijn ontstaan en oorzaken die in het kind zelf liggen.

Tot de eerste groep behoren:

• Tekorten in voorschoolse ervaringen.
• Te vroeg aanleren van systematisch rekenen.
• Onjuiste aansluitingen in het leerprogramma.
• Fouten in de didactiek. 

In het tweede geval signaleert hij:

• Intellectuele tekorten.
• Emotionele barrières.

322

Dumont (Leerstoornissen, Rotterdam, 1976) voegt deze twee groepen samen onder de noemer ‘secundaire leermogelijkheden’ en voegt daar ook nog zintuiglijke handicaps en neuro-motorische stoornissen aan toe. Als ‘primaire leerstoornissen’ schetst hij problemen, die alleen in de cognitieve ontwikkeling plaatsvinden. Er ligt geen intern of extern tekort aan ten grondslag en het kan partieel ontstaan bij een verder in alle opzichten normale ontwikkeling.

Mogelijk zou in het geval van Marijn van deze situatie sprake kunnen zijn.
Hoewel de casus in eerste instantie de vraag oproept of er niet een foute didactiek aan de problemen ten grondslag ligt, is het interessant om in het licht van een constitutionele oorsprong naar dit probleem te kijken. Ondanks het feit dat het hier aanvankelijk op a-calculie leek, bleek later dat het rekenen als vermogen wel aanwezig was, maar dat de cognitieve ontwikkeling een ander tijdsbestek nodig had om tot ontplooiing te komen.

Juist bij een onderzoek naar leermoeilijkheden die een constitutionele oorsprong hebben, herbergen test- en toetssituaties een gevaar in zich. Wie de uitslag niet beschouwt als een momentopname van een situatie die steeds verandert (omdat een kind, al lerend, voortdurend in beweging is), loopt het gevaar te stigmatiseren en daarmee de ontwikkeling te belemmeren. Denk hierbij ook aan het grote gevaar van wettelijke regelingen binnen het onderwijs. Waardoor die leerlingen niet de tijd krijgen een eigen ontwikkelingstempo te hebben. Maar even gevaarlijk kan het zijn om dan maar geen onderzoek te doen en er op te vertrouwen ‘dat het wel goed komt’.
In het geval van Marijn was het intellectuele vermogen in de test absoluut (nog) niet zichtbaar. Zou hem niet, ondanks de testuitslag, geduld en tijd geschonken zijn, dan zou zijn loopbaan er wellicht heel anders uit hebben gezien.

Een omgekeerde situatie kan men aantreffen bij kinderen, waarbij bijvoorbeeld de rekenontwikkeling vanuit aanleg in een heel hoog tempo verloopt. Ten opzichte van andere ontwikkelingen verloopt de overgang van het concrete denken naar het mentale denken versneld. Deze kinderen verslinden rekenwerk, maar vinden er uiteindelijk geen enkele bevrediging in. Het wordt als voedsel zonder voedingswaarde; de kinderen verdorren en vervallen mogelijkerwijs in gedrags- en leerstoornissen.
Het vraagt om een bijzondere pedagogisch-didactische aanpak om deze hoogbegaafde kinderen die leerstof aan te bieden, die een bloeiende ontwikkeling van hun hele wezen tot gevolg heeft.

Het rekenvermogen kan een heel eigen karakter hebben in de menselijke levensloop en ook Curt Weinschenk wijst in zijn boek Rechenstöringen op het fenomeen van het grote rekenvermogen bij sommige zwakzinnigen en de volmaakte dyscalculie, a-calculie, bij normaal begaafden.
In een voordracht over rekenzwakten, gehouden tijdens de eerste conferentie voor artsen en leraren, vat Ernst Schubert de oorzaken van dyscalculie in een drietal hoofdpunten samen:

Didactisch veroorzaakte rekenzwakten.
Psychisch veroorzaakte rekenzwakten.
Constitutioneel veroorzaakte rekenzwakten.

323

Bij het laatste punt staat hij uitvoerig stil. Terecht, gezien de reeds meermalen in dit boek genoemde constitutionele grondslag van het rekenvermogen, door Schuberth gedefinieerd als ‘verinnerlijkte activiteit van de eigen bewegingszin’ en door Steiner omschreven als ‘de vrijkomende psychische vermogens van levens-, evenwichts- en bewegingszin’.

Bij de indeling van Schuberth staan we nog even stil. Deze indeling zal verder in dit hoofdstuk gebruikt worden.

Didactisch veroorzaakte rekenzwakten

Naast de eerder genoemde, door de omgeving veroorzaakte problemen, legt Schuberth de nadruk op het volgende didactische probleem: een te sterke fixatie op concreet materiaal en een te abrupte overgang naar het niet-aanschouwelijke rekenen. Dit leidt tot twee rekenwerelden, die geen relatie met elkaar hebben. Bovendien schetst hij nog een probleem dat specifiek door de vrijeschoolrekendidactiek wordt veroorzaakt. Het blijven hangen in het ritmisch rekenen, na de eerste schooljaren. Vragen als… “Hoeveel is 7 x 8?”, kan een kind in zo’n geval niet beantwoorden, zonder eerst de hele tafelrij op te zeggen. Met zelfs het gevaar dat hij ongemerkt voorbij 7 x 8 gaat!
Bewegingsoefeningen in het rekenen moeten rond het negende/tiende jaar overgaan in gerichte bewegingsoefeningen, die betekenisvol zijn met betrekking tot het rekenwerk. Dan ontstaat middels (reken)beweging van de ledematen een heldere wakkerheid in het hoofd en een goede rekenvaardigheid.
Het gevaar van de ‘kudde-dreun’ loert hier echter om de hoek. Het klassikaal meevaren op de stroom van de beweging doet geen appel aan het individuele bewustzijn en het kind doet geen eigen leerervaring op.

“Hoeveel is 4 x 7?”. Terwijl de laatste klanken van mijn vraag wegsterven, suist het zakje door de lucht en komt bij Marieke terecht. Ze klemt het tussen haar handen en kijkt me met grote vragende ogen aan. Wanhopig antwoordt ze “25?” Aan mijn vriendelijke, maar afwijzende blik ziet ze dat het fout is: “26?”

In dit voorbeeld zien we dat de didactiek de rekenstoornis bij Marieke veroorzaakt, doordat er angst, een emotionele barrière, is ontstaan. 
Didactisch veroorzaakte problemen kunnen psychische gevolgen hebben, die echter door het erkennen van de didactische fout én een andere aanpak opgelost kunnen worden. 

Psychisch veroorzaakte rekenzwakten

De oorsprong van deze rekenproblemen ligt in de sociale omgeving van het kind. Ze zijn niet altijd makkelijk te achterhalen. Sterke beklemtoning van gemaakte fouten, leer- en prestatieaandrang van de omgeving, maar ook foute didactische principes, kunnen bijvoorbeeld tot faalangst leiden.
Een didactiek waarbij de aandacht in eerste instantie gericht is op het rekenproces en niet op het antwoord, geeft onzekere kinderen meer kans.
Het niet goed omgaan met emotionele turbulentie (die psychische toestand die ontstaat wanneer iets niet lukt) kan ook tot grote rekenproblemen leiden. Door het vertrouwen in het feit dat oefening kunst baart, kunnen ook leerlingen die minder goed zijn in rekenen blokkades overwinnen, die door emotionele turbu-

324

lentie ontstaan zijn.(Zie Boekaerts en Simons: Leren en instructie. Psychologie van de leerling in het leerproces, 1993 Dekker en v.d.Vegt, Assen.) 

Als psychische oorzaak vraagt nog het aanwezig zijn van een negatief zelfbeeld speciale aandacht. Zo’n zelfbeeld heeft bijvoorbeeld grote gevolgen voor de manier waarop kinderen omgaan met oplossingsstrategieën. Al hebben ze namelijk een groot eigen rekenvermogen, ze beperken zich in het aanspreken ervan.

Vaak lopen verschillende oorzaken van rekenproblemen door elkaar. In het laatste voorbeeld kan het negatieve zelfbeeld een gevolg zijn van een te zwak incarnatieproces, maar ook zijn er aanwijzingen dat het kan ontstaan door stoornissen ten gevolge van de voeding. Hieruit blijkt dat psychische oorzaken soms beter tot de constitutionele gerekend kunnen worden.

Constitutioneel veroorzaakte rekenzwakten

De oorzaak van deze rekenproblemen ligt in de aangeboren lichamelijke gesteldheid van het kind. Het gaat hier niet alleen om het fysieke lichaam maar om de totale fysieke en geestelijke krachtenstructuur die in het kind werkt. Ook hier kunnen we niet volledig zijn, maar worden een aantal oorzaken genoemd. Het zal duidelijk zijn dat de eerder genoemde lichamelijke gebreken zoals ‘slecht-kunnen-zien’ een oorzaak kunnen zijn, naast andere die ontstaan bij organen die in aanleg wel goed functioneren. Een belangrijke rol spelen de rijping en individuele structuur van de zintuiglijke ontwikkeling. Soms hebben deze ontwikkelingen indirect invloed, bijvoorbeeld via taalstoornissen, op het rekenen.
De ontwikkeling van de motoriek is mede voor de vaardigheden op wiskundig gebied van bijzondere betekenis. Het gaat om het totale ‘bewegen’, waarvan de grove en fijne motoriek een onderdeel zijn. Ook de lateraliteit speelt een rol, net zoals de ruimtelijke oriëntatie en de lichaamsgeografie (het vermogen om het eigen lichaam ‘innerlijk af te tasten’).
Problemen met ruimte, tijd en beweging leiden tot problemen bij het concrete voorstellen van rekenoperaties.
Bij rekenproblemen kan een onvolkomen bewegingsorganisme een oorzaak zijn, maar het is natuurlijk niet zo dat het omgekeerde waar is: bij een zwakke motoriek is er een rekenzwakte.
Stoornissen in de geheugenfuncties en het voorstellingsvermogen vormen ook een oorzaak.

Saskia vraagt zich iedere keer opnieuw af: “Hoeveel is ook weer 5  x  3/? Was het nu 15/5    of  15/25  ?”  Of: ”Hoe reken ik oppervlakte ook al weer uit?” Nu zij in de zesde klas zit moet de leerkracht telkens voor haar de toegang tot het langetermijn geheugen verzorgen.
Veel aanwijzingen heeft zij niet nodig, maar steeds moet met hulp de benodigde strategie herinnerd of herontdekt worden.

In dit voorbeeld van Saskia is er sprake van geheugenstoornissen. Zij kan in de gestelde opgaven het rekenproces, dat zij al in haar geheugen heeft, niet zelfstandig herkennen.
Hoe en op wat voor manier het rekenen wordt aangeboden en verwerkt door de leerling, heeft een directe relatie met het herinneren. Een concrete situatie, die bij het kind en haar temperament past, wordt als model voor rekenwerk beter herinnerd.

325

Bij kinderen zoals Saskia, waarbij na een lange tijd blijkt dat een dergelijk probleem zich voordoet, kan men aan twee kanten het probleem aanpakken. Enerzijds door versterken van de herinneringskrachten zelf, anderzijds door oude rekeninhouden alsnog in een bij haar passende vorm te verinnerlijken. Vaak kan uit een onderzoek naar wat kinderen uit hun geheugen kunnen toveren, veel informatie te voorschijn komen. Het geeft een beeld van datgene, waarvan hun herinneren afhankelijk is.
Concentratiestoornissen komen zelden solitair bij één vakgebied voor en zijn zeker in het rekenonderwijs een grote handicap. Hoewel meestal van constitutionele oorsprong kunnen ze ook door factoren van buitenaf opgeroepen worden.

Tot slot nog kort aandacht voor intellectuele beperkingen, die ook rekenproblemen veroorzaken, zoals onvermogen tot het volgen van het rekenproces op mentaal niveau en het moeilijk verbanden kunnen leggen door middel van inzicht in de getallen, in praktische toepassingen, in rekenoperaties en in objectieve wetmatigheden.

Jorinde is welbeschouwd de hardste werkster in de klas. Heeft ideeën, organiseert en onderneemt altijd actie als zij vindt dat een kind in de klas zich ongelukkig voelt of gepest wordt. Als geen ander kan ze de vertelstof terugvertellen en tot in het kleinste detail kan ze alle belevenissen uit haar schooltijd levendig tevoorschijn toveren. In de eerste schooljaren schreef ze met een mooi rond handschrift, maar er stonden geen klinkers in de woorden. Ze is klein, net niet mager en heeft een lieve en felle uitstraling tegelijkertijd in een gezicht vol met -naar haar zeggen- ‘lelijke’ sproeten.
Vlak voor een vakantie heeft ze steeds een wit gezichtje met een blauw doorschijnende huid onder de ogen. Ze werkt nog harder aan haar rekensommen, maar alles gaat fout. Getallen ontbreken, er ontstaan omkeringen in de cijfers, ze deelt als ze moet optellen, weet niet meer wat 2/5 betekent, enzovoort … Juffie vraagt haar vanmiddag in het rekenwerkuur koekjes te bakken voor de ouderavond en vraagt haar schrift te leen, zodat Jorinde geen huiswerk kan maken!!
Gelukkig is het bijna vakantie. Jorinde moet voorlopig vooral niet rekenen, om juist na de vakantie het weer te kunnen. Bij Jorinde zou je kunnen spreken van hypocalculie. Haar vermogens zijn beperkt, maar met een enorme werkkracht heeft ze zich een aantal bruikbare strategieën eigen gemaakt, waarmee ze zich in een gezonde situatie uitstekend redt.

Terugkijkend naar Jorinde zie je dat adequate zorg van de leerkracht wonderen f doet in het rekenleerproces.
Hoewel geen gemakkelijke opgave, is het duidelijk dat juist de ‘geliefde’ leraar zelf het onderzoek naar de rekenproblemen zou moeten uitvoeren. Het vertrouwen dat hij heeft, in combinatie met het inzicht in het kind en haar omstandigheden, zou tot een goede analyse van de problemen en hun oorzaken kunnen leiden. Komt de leerkracht er niet uit, dan zou de hulp van een remedial teacher ingeroepen kunnen worden. Samen met de eigen bevindingen zou zijn objectieve beeld kunnen leiden tot een plan voor extra zorg.
Ten overvloede zij hier nog vermeld, dat zowel de psychische als constitutionele ontwikkeling bij jongens en meisjes zich niet altijd gelijk en in het zelfde tempo ontwikkelt. Ook voor rekenen-wiskunde heeft dat tot gevolg dat vermogens in verschillend tijdsbestek tot ontplooiing komen.

326

8.2 Voorwaarden voor rekenen, menskundig bezien

Rekenen is een menselijke activiteit. Een uitspraak die eerder in dit boek al geklonken heeft en die om een nader onderzoek vraagt, als het gaat om de begeleiding van kinderen met rekenproblemen.

In hoofdstuk 1 hebben we kunnen lezen hoe het rekenen gezien kan worden in de ontwikkeling van het kind. Rekenen is steeds te vinden tussen twee polen: tussen natuur en cultuur, tussen het boven-fysieke en het fysieke, tussen het beoefenen van het kunstzinnige en het leren van het conventionele. Rekenen slaat een brug tussen beide polen, maar wordt tevens vanuit beide polen geïnspireerd.
De leerkracht begeleidt het rekenen als bemiddelaar tussen deze twee polen. Hij zoekt daarbij naar een pedagogisch-didactisch spoor, waarbij tegelijkertijd de reken cultuurtoegankelijk wordt en het kind bovendien zijn eigen rekennatuur kan ontdekken en ontplooien.
De rekencultuur is direct verbonden met de sociale omgeving van het kind. In de vorige paragraaf hebben we gezien hoe stoornissen vanuit de cultuur van het kind kunnen leiden tot rekenproblemen van didactische of psychische aard. Verstoringen of gebreken in de rekennatuur van het kind kunnen leiden tot problemen van constitutionele aard en vervolgens tot rekenproblemen.

Zowel in de uiterlijke als in de innerlijke rekenwereld moet aan een aantal voorwaarden voldaan worden om ‘het rekenen’ te laten ontstaan. Bij het voorbereiden op het geven van extra zorg aan kinderen met rekenproblemen moet men in drie gebieden diagnostisch te werk gaan:

• Het rekenen zelf (zie H 8.3.2).
• De didactische en sociale omgeving van het kind.
• Het kind zelf (constitutie, temperament en ontwikkeling gezien vanuit het antroposofisch mensbeeld).

In aansluiting op het beeld dat vanuit de diagnose tevoorschijn komt, kunnen dan rekenmateriaal, oefeningen en een didactisch repertoire ontwikkeld worden in combinatie met pedagogische maatregelen.

In deze paragraaf proberen we inzicht te krijgen in het oorspronkelijke rekenvermogen van het kind. Vanuit het antroposofisch mensbeeld zoeken we naar aangrijpingspunten voor het verlenen van hulp, waarbij het kind zelf door verschillende activiteiten het eigen rekenvermogen kan wekken en optimaal kan aanspreken.
Het gaat om een veelzijdige benadering van hulp, omdat de activiteiten die moeten leiden tot goed rekenwerk, niet allee uit rekenwerk zullen bestaan. Het is enigszins vergelijkbaar met het bekende beeld van de sporter, bijvoorbeeld een schaatser, die niet alleen schaatst ter voorbereiding op een wedstrijd, maar juist andere gebieden in zichzelf aanspreekt om zijn schaatsvermogen maximaal te gebruiken en mogelijk een topprestatie te leveren.

Vanuit dezelfde menskundige benadering is het ook mogelijk dat kinderen met andere leer- of ontwikkelingsstoornissen, juist extra zorg in de vorm van rekenen geboden wordt.

327

Leanne:

Leanne is bijna acht jaar als ze naar de eerste klas gaat. Ze heeft nauwelijks contact met de andere kinderen en kijkt zelden iemand aan. Ze vertelt voortdurend allerlei fantasieverhalen. ook als zij gericht wordt aangesproken. Soms lijken die op hele heldere gedachtespinsels, maar meestal hebben ze niets te maken met datgene waar ze op aangesproken wordt. De verhalen zijn doorspekt met eigengemaakte woorden en grote getallen. Ze wil niet tekenen en als het toch moet, zwerven er wat figuurtjes boven aan het papier, poppetjes zijn er nooit bij.
Als we in de klas een getallenrij tellend lopen, loopt ze sloffend, waarbij het lijkt of haar tenen achter willen blijven. Ze zegt lukraak verschillende getallen dwars door het akoestisch tellen van de klas heen.
Leanne lijkt zich in geen enkel opzicht met de dingen en gebeurtenissen in haar omgeving te verbinden. Het is niet zichtbaar of Leanne iets opneemt uit de lessen.
De leerkracht besloot niet te lang te wachten met extra aandacht voor Leanne. Hij maakte een speciaal plan voor haar vanuit het rekenen:

• Tellend lopen, klappen, stampen op euritmieschoentjes, met speciale aandacht voor het lopen in drieën.
• Het zoeken van kastanjes, eikels of steentjes buiten, om op het tafeltje van iedere klasgenoot drie of vier voorwerpen neer te leggen.
• Veel rekenopgaven met getallen niet groter dan 12, waarbij in kleine hoeveelheden verdeeld moet worden.

Ritmische vormtekeningen combineren met getallen en meetkundige vormen tekenen met getallen er in. Met eindeloos veel geduld werd Leanne gelokt zelf zulke vormen te creëren. Langzamerhand hield ze op met overal fantasieverhalen bij te vertellen en begon ze via het tellen oog te krijgen voor wat er in haar omgeving, de klas, te zien was. Steeds als de klas aan het tekenen was naar aanleiding van een verhaal, kreeg zij de opdracht een rekentekening te maken, want altijd waren er getallen in het verhaal verstopt.
Na verloop van tijd werd het duidelijk dat Leanne de gebeurtenissen in de klas ging waarnemen. Ze kon meedoen aan een spel en ook deelnemen aan de gezamenlijke lessen.
Een jaar lang maakte ze iedere morgen zodra ze in de klas kwam, eerst van het bolletje bijenwas dat op haar tafeltje klaar lag, een ‘rekenvrouwtje’. Gaandeweg werd dat meer dan alleen een hoofdje.

In dit voorbeeld zien we hoe rekenen een pedagogisch middel is om voorgaarden voor het leren bij Leanne te scheppen.

Op zoek naar de voorwaarden voor rekenen en naar het inzicht om de te bieden  hulp aan het kind zelf af te lezen, stellen we ons de volgende vragen:

A Wat houdt leren rekenen in, waar zetelt het rekenvermogen in het kind en hoe manifesteert zich dit vermogen?

B Wat ontwikkelt zich in hét kind dat rekenen mogelijk maakt (rekenvoorwaarden) en in welke fase van de ontwikkeling vindt dat plaats?

C Welke extra oefengebieden spreken we aan om het rekenvermogen in het kind te wekken en bij welke oefeningen doen we dat in directe samenhang met rekenen?

328

A Wat houdt leren rekenen in, waar zetelt het rekenvermogen in het kind en hoe manifesteert zich dit vermogen?

Leren rekenen is een activiteit die vormend werkt, met name op het fysieke lichaam en het etherlichaam. ’s Nachts gaan de rekenprocessen in het  etherlichaam verder en de volgende dag kan aangesloten worden op datgene wat het kind in de nacht verworven heeft.
In de mens spiegelt zich een kosmische mathematiek. Al rekenend kan hij die mathematiek in het etherlichaam herkennen. Het is daarom belangrijk dat kinderen met plezier rekenen, omdat zo het vermogen aangesproken waarmee ze in staat zijn om dit ‘innerlijke rekenen’ te herkennen.

Rond het zevende jaar maakt het rekenvermogen zich vrij als psychisch vermogen van de lagere zintuigen, met name van de bewegingszin, ook wel eigen-bewegingszin of spierzin genoemd. De bewegingszin komt zo voort uit een innerlijke activiteit, waaraan de oorsprong van de wil ten grondslag ligt. Het is deze beweging, de stroming van het etherlichaam, waarin de kosmische innerlijke rekenwereld in beelden is weergegeven.
Na orgaan-vormend te hebben gewerkt in de eerste zevenjaarsperiode, kan het etherlichaam zich vrij bewegen in de zenuw-zintuigpool, dat zijn centrum heeft in het hoofd. De etherkrachten werken nu aan de ontwikkeling van de bewustzijnsfuncties. Tot het negende jaar rijpt de zenuw-zintuigpool nog door en daarna kan het kind zich bewust onderscheiden van zijn omgeving. Het rekenen ontwikkelt zich vanaf dat moment als bewustmakingsproces, in gang gezet door beweging en mogelijk gemaakt door het rekenvermogen.

Het bewust doen van bewegingsoefeningen is te beschouwen als een van de belangrijkste oefeningen voor kinderen met rekenproblemen. Hieraan wordt in het leerplan tijdens de euritmie en gymnastieklessen ook aandacht besteed. In de euritmie wordt de innerlijke beweging tot vorm gebracht, in de gymnastieklessen zijn de bewegingen gericht op een doel in de buitenwereld.

Jessica:

Jessica bezorgde de leerkracht al twee jaar bij het rekenen een onbestemd gevoel. Ze deed eigenlijk altijd goed mee, hoofdrekenopgaven en andere opgaven met eenvoudige getallen wist ze goed te beantwoorden. Bij opgaven met grote getallen goochelde ze ingewikkeld met getallen om aan het antwoord te komen. In de periode waarin met geld gerekend werd, ging het niet veel beter.
Op de dag van het Sint-Maartenfeest vroeg de leerkracht toevallig aan haar om voor alle kinderen een waxinelichtje te halen bij de kleuterjuffie, die de grote zak met lichtjes beheerde. Tot zijn verbazing kwam ze terug met een verkeerd aantal. Vanaf dat moment ontdekte hij aan allerlei kleine opdrachtjes dat Jessica niet resultatief kon tellen, zodra zij met dingen te maken kreeg die niet in een structuur te overzien waren. Gewone oefeningen in het tellen hadden weinig resultaat. Ook bij een ‘loop-tel’oefening hadden de getallen en de stappen niets met elkaar te maken. Ze werd zich de beweging niet bewust. Beelden bij eenvoudige getallen kon ze zich goed vormen en ze schreef met plezier kleine rekenverhalen. Kwalitatief en kwantitatief tellen leken bij haar niet verbonden. Samenwerking met de euritmiste leidde tot een plan om het ‘gemiste’ tellen alsnog, vanuit de innerlijke bewegingswereld, in het bewustzijn te brengen.

329

Tegelijk met het in beweging komen van het etherlichaam ontwikkelt zich vanaf het zevende jaar het astraallichaam, waardoor het kind de concrete reken-buiten-wereld kan gewaarworden. Rekenend vanuit de concrete voorbeelden van het dagelijks leven worden de kinderen zich bewust van de rekenprocessen die ze innerlijk bij zich dragen. De kinderen ontwikkelen daarmee beweeglijke denkbeelden en voorstellingen, die na het negende jaar ook uitgroeien tot modellen voor rekenactiviteiten.

Rekenopdrachten gegeven in een verhaal, een context, sluiten bij deze ontwikkeling aan en vragen om inlevingsvermogen van de leerkracht in de belevingswereld van de kinderen. Als een kind zich geen voorstelling kan maken van de situatie, komt het rekenen niet in beweging, het kind herkent de rekenopgave niet. Nog belangrijker wordt het kiezen van een context voor kinderen met rekenproblemen, die veroorzaakt worden door een zwak voorstellingsvermogen. De innerlijke bewegingskrachten leiden dan onvoldoende tot het vormen van beeldrijke voorstellingen. Normaal gesproken moet een kind deze na het negende jaar zelfstandig kunnen oproepen.
De leerkracht moet dan nog lang zelf het beeld, de context, aanbieden, waarin het kind zich -gericht door de opdrachten- een voorstelling kan maken. Met die context en door het ‘doen’ ondergaat het beeld een metamorfose en wordt dan model voor het rekenen.

Jasper:
Jasper zit in de vijfde klas en houdt absoluut niet van rekenen. Hij begrijpt eigenlijk zelden wat die getallen van hem willen! Hij is tijdens de rekenuren liever in de schooltuin, waar hij met een uiterste nauwgezetheid de zorg voor zaai- en pootgoed op zich neemt. Hij overziet precies wat er allemaal moet gebeuren in de tuintjes van de andere kinderen. Hij herinnert meester regelmatig aan de momenten dat er voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om bijvoorbeeld op tijd te kunnen zaaien of oogsten. In de tuin heeft Jasper een perfect gevoel voor ruimte en tijd en de daarbij behorende rekenwereld is zeer vanzelfsprekend voor hem.
De leerkracht besloot hem alleen ‘tuin’vragen te geven in de rekenlessen. De rekenkaarten die voor Jasper gemaakt werden vonden weldra bij alle kinderen gretig aftrek! Voor Jasper had het rekenen nu een doel en langzamerhand kreeg hij toch wat plezier in de rekenlessen.

330

331

€ 48,– heeft de boer nu voor het totale land betaald.

Jaspers rekenvermogen werd aangesproken door zijn activiteiten (beweging) in de tuin. In die tuin vond Jasper zijn leermotief dat doelgericht rekenen veroorzaakte.

B Wat ontwikkelt zich in het kind dat rekenen mogelijk maakt (rekenvoorwaarden) en in welke fase van de ontwikkeling vindt dat plaats?

B1 Rekenvoorwaarden die in de jaren tot de schoolrijpheid vervuld worden en daarna verder uitgroeien. 

De ontwikkeling van het etherlichaam

Voorop staat de algemene gezonde ontwikkeling van het kind in de eerste zeven jaren, waarbij de ik-organisatie voorwaardenscheppend is voor de ontwikkeling van het fysieke lichaam en het etherlichaam. Alle beschikbare ontwikkelingskrachten zijn nodig voor ‘dit proces. Als men in de kleutertijd nadrukkelijk bewustzijnsprocessen aanspreekt in het kind, bijvoorbeeld op het gebied van rekenen, worden krachten aan een gebied onttrokken, dat zich juist in deze periode maximaal moet kunnen vormen. Met de rijping van het etherlichaam ontwikkelt zich de steeds doelmatiger (onbewuste) beweging van de ledematen. Men kan dat waarnemen als kleuters spelen.

332

Dat in het kind mathematiserende krachten werkzaam zijn, kun je ook zien in de 
kleutertekeningen met kleurige meetkundige ordeningsstructuren (zie blz ooo). Die krachten werden in de kleuterklas al aangesproken, bijvoorbeeld tijdens het
bouwen, met bijenwas werken, knutselen, zingen, spelen en tekenen. Zo kunnen
deze activiteiten al een bijdrage leveren aan het reken-wiskunde onderwijs van
later.

Jelmer:

Jelmer was een dromer in de kleuterklas.
Iedere dag had hij in de kring zijn pop op schoot. Bij de arbeidsspelletjes bewoog hij zo’ n beetje mee op de melodie van het liedje. Rond Pasen speelden ze in de klas het spel van de wever. Ze zongen “Spinnen, spinnen garentje … enzovoort” en op de maat van de muziek moesten ze afwisselend armen en benen bewegen, Jelmer deinde op de muziek, maar armen en benen bewogen niet. Gestructureerde bewegingen liet hij niet vaak zien en de vraag rees of Jelmer wel schoolrijp was. Hij was al ruim zes jaar en had het postuur van een volgroeide kleuter.
Bij de voorbereidingen van het Pinksterfeest mocht Jelmer steeds voorop gaan bij het volksdansen in rijen. Plotseling kreeg hij een marstempo met de daarbij behorende stampende voeten. Vanaf die tijd wilde hij uit zichzelf graag tekenen; huizen met vele ramen, een trein met een hele rij wielen en zelfs een tekening van de meiboom met alle bloemen op een rij!

‘Spel’activiteiten kunnen tot de extra zorg behoren voor kinderen, bij wie geen vorm in de beweging ontstaat. De ik-krachten werken in zo’n geval onvoldoende op het etherlichaam en het bewegen is dan niet doelgericht. Er ontstaat hyperactiviteit of apathie in het spel. Is dat van blijvende aard, dan vormt het een belemmering voor het rekenen in de schooljaren daarna.

De optimale rijping van het etherlichaam is ook van belang, omdat het de drager van het geheugen is. Het geheugen is bij het intreden van de schoolrijpheidsfase gereed voor het verwerken van indrukken van buitenaf. Het herhalen en ritmisch oefenen van bijvoorbeeld de tafelrijen in de tweede klas werkt vormend op het etherlichaam! Met die oefeningen worden de tafels tegelijkertijd in het geheugen ingeprent, maar ze worden dan nog niet bewust als tafelproducten gekend. De ontwikkeling van het etherlichaam loopt gedurende de schooltijd door en vindt zijn voltooiing rond het eenentwintigste jaar.

De zintuigen

Voor de mens is de ontwikkeling van de zintuigen een voorwaarde voor het rekenen. Daarbij neemt de bewegingszin een speciale plaats in, maar dat werken we later nog uit.
Voor het rekenen is ook de intensieve samenwerking van de verschillende zintuigen belangrijk. De onderste zintuigen (tastzin, evenwichtszin, (eigen)bewegings-zin en levenszin) zijn voor rekenen essentieel als het gaat om oriëntatie in de ruimte, lichaamsgeografie, de ontwikkeling van de motoriek en het omgaan met emotionele turbulentie.
De middelste zintuigen, de ‘gevoels’zintuigen die in de tweede zevenjaarsperiode centraal staan, zijn ook al in het jonge kind werkzaam. Extra aandacht vraagt de gezichtszin, waarmee het kind de wereld in kan kijken. Het neemt indrukken uit de buitenwereld op en verbindt die onder andere met de beweging, zoals dat bij-

333

voorbeeld bij de oog-handcoördinatie plaatsvindt. Ook het kijken naar een rekentekening of som roept beweging, actief rekenen, op.
Ten slotte zijn er de zintuigen van het denken, die pas na de puberteit volledig tot bloei komen. Deze zintuigen hebben voor het rekenen in de schooltijd evenwel al een functie. De woordzin en gedachtenzin worden bijvoorbeeld geoefend wanneer we datgene wat ‘gerekend’ is, onder woorden laten brengen. De ‘denkzintuigen’ worden intensief gebruikt als kinderen zich mentaal een voorstelling moeten maken van kale rekengetallen. In dat geval werken verschillende zintuigen samen.

De bewegingszin

Aan het begin van deze paragraaf hebben we de betekenis van de bewegingszin voor het rekenvermogen gezien. Een nader onderzoek van de bewegingszin en het organisme dat ons doet bewegen is nodig om extra bewegingsoefeningen ten behoeve van het rekenen te kunnen bedenken.
Zoals ieder zintuig heeft ook de bewegingszin een orgaan en een impuls nodig. Dit is vergelijkbaar met bijvoorbeeld de gezichtszin: het oog is orgaan en het licht geeft de impuls. In samenwerking met het zenuwstelsel leidt dit tot ‘kijken’.

Het orgaan voor de bewegingszin is de bewegingsgestalte. De zintuigimpuls is de oerbeweging van het etherlichaam. In samenwerking met het zenuwstelsel leidt het innerlijk waarnemen tot bewegen en wordt omgekeerd ook iedere positieverandering van de mens door de bewegingszin waargenomen.

Het gaat hier om bewegen, dat zich tegelijkertijd vanuit en ten opzichte van de mens voordoet. Iedere beweging roept een tegenbeweging op; wie naar een kind toeloopt ziet dat kind op zich af komen. Door gerichte beweging komt een doel naderbij. Zo wordt iedere beweging van een persoon gespiegeld door zijn omgeving.
Met het ontwakende bewustzijn, waarbij rond het negende jaar ook de scheiding tussen het ‘ik’ en de wereld ontstaat, ontwaakt ook het vermogen om mentaal een beweging te spiegelen. Dit leidt tot reflecteren van de opgebouwde voorstellingen. Dan wordt het ook mogelijk bij het rekenen de rekenbeweging te spiegelen en kan een kind gevraagd worden naar ‘wat het heeft gedaan en gedacht bij het rekenen’.

Voor de beweging is een goed functioneren van het bewegingsorgaan (de bewegingsgestalte) noodzakelijk.
De bewegingsgestalte van de mens is opgebouwd uit het skelet, de spieren en de huid. De spieren zijn het nauwst betrokken bij de beweging.’ Niet alleen de spieren in de schouders, armen, handen en benen zijn actief in de beweging. Het spierstelsel van het hoofd is ook actief en wordt bijvoorbeeld :zlc?htbaar in de mimiek, de beweging van de kaak en het spraakorgaan. Aan de romp beleven we dat het spierstelsel (mede) de oprichtende houding veroorzaakt en we kennen de relatie tussen de continue ritmiek van hart, bloedsomloop, ademhaling en de spieren.
Gerichte bewegingsoefeningen roepen de activiteit van het spierstelsel op en activeren zodoende de bewegingszin. Het is een motorische training die de bewegingszin activeert en daarmee de wil om het rekenvermogen aan te spreken, oproept.

Wouter

Wouter had feest op school en er kwam een echte clown! Grappen, goochelen, jongleren; de kinderen genoten. Wouter kon niet op zijn stoel blijven zitten, hij raakte zo enthousiast dat het leek of hij wel in de clown wilde kruipen.

334

Wouter is een wat (te) dik jongetje in de derde klas. Hij heeft vrolijke ogen, die beweeglijkheid verraden, maar verder is hij wat je noemt sloom en onhandig. Dagelijks struikelt hij over allerhande zaken, die toch altijd op dezelfde plaats in de klas staan. Rekenen en taal vindt hij niet fijn, maar aan het eind van de periode vertelt meester gelukkig altijd een mooi verhaal. Thuis kan hij alleen vertellen dat het verhaal heel mooi was, waar het over ging weet hij dan niet meer. Op maandag kan hij haast niet wachten tot het woensdag is, dan komt de handwerkjuffie en mag hij aan zijn muts breien. Iedere woensdagavond breit juffie de muts van Wouter opnieuw!
Extra hulp aan Wouter had in eerste instantie weinig effect. Hij werd zelf wel actiever, maar van bijvoorbeeld actiever rekenen kwam het niet. Tot na de dag van de clown. Samen met meester ging Wouter op weg om clown te worden. Oefenen, oefenen en oefenen, regelmatig hield Wouter een kleine voorstelling in de klas. Vooral bij het jongleren werd de wereld van aantallen, afstand, maat en vorm steeds belangrijker. Langzaam maar zeker kreeg Wouter toegang tot de wereld van het bewegen en tegelijk tot het beweeglijke rekenen.
In de huid van de clown werd hij binnen gevoerd in wat een clown is; een zuiver bewegingsmens. Daardoor raakte zijn eigen bewegingsorganisme in beroering. Bij het bedenken van grappen en door het expres veroorzaken van mislukkingen in zijn voorstellingen af en toe, werd zijn bewustzijn extra aangesproken.

In de beweging leeft de wilskracht. Voor het hele jonge kind is dat onbewust, het schoolkind beleeft het in het ritmische dromende bewustzijn en de puber kan bewust richting gaan geven aan de wilskracht.
Een gezonde kleuter is daardoor een en al beweeglijkheid, het schoolkind beweegt mee in de belevenissen waarvan het leert en de puber gaat bewegen in het denken.
De natuurlijke uiterlijke (spier)beweeglijkheid lijkt daarbij stil te vallen en te veranderen in ‘harkerigheid’.
Het aanspreken van de wilskracht loopt parallel aan het aanspreken van het rekenvermogen; eerst in het bewegen op zichzelf, dan in het beleven van de beweeglijke beelden en daarna in het beweeglijke denken. Het gehele organisme van de bewegingszin maakt dat mogelijk.
In onderstaand schema zien we de polariteit van het bewegen in de driegelede mens. Vanuit het zenuwstelsel werken de krachten, die vorm brengen in het lichaam. Vanuit het bewegingsstelsel werken de krachten van de wil in het lichaam.
In het middengebied worden beide krachtenvelden verenigd en ontstaat het ritme, waarin antipathie- en sympathiekrachten zich verenigen, wat leidt tot leren.
Het evenwicht tussen beide krachtenvelden is voorwaarde voor het leren rekenen, dat immers plaats vindt tussen de beweging en het bewustzijn, tussen natuur en cultuur.

335

Als bij een kind invloeden van ‘boven’ of ‘beneden’ het ritmische bewegen van het ‘midden’ uit balans brengen, doet de individualiteit zich gelden in het gevoelsleven.
Dat kan zich voordoen bij emotionele turbulentie, maar het kan ook het gevolg zijn van invloeden uit de sociale omgeving van het kind. Er kunnen dan emotionele barrières ontstaan, die onder andere het rekenen belemmeren.
Naast maatregelen die de omgeving van het kind beïnvloeden, kunnen bewegingsoefeningen -in samenhang met kunstzinnige opdrachten (schilderen, tekenen of boetseren met bijenwas)- helpen die barrières te overwinnen en het rekenvermogen weer vrij te maken.

B2 Rekenvoorwaarden die in de jaren na de schoolrijpheid vervuld worden en de ontwikkeling, die daaruit voortkomt.

Sophie is net naar de eerste klas gegaan. Ze heeft al bijna twee perioden achter de rug; eerst kreeg ze taal en nu is zij aan het rekenen. Ze geniet met volle teugen. Net voor haar zevende verjaardag zegt ze ’s avonds voor het inslapen heel ernstig: “Weet je, denken is eigenlijk hetzelfde als misschien”. Die dag had zij vol overgave en met behulp van armen en benen de Romeinse VII geleerd. En passant deelde ze nog even mee dat ook 6 was, want je moest er zes streepjes voor zetten! Zij vormde zich zo vele denkbeelden.

Vlak voor het inslapen werd bij Sophie, als in een droom, een tip van de sluier van het bewustzijn opgelicht. Deze diepzinnigheid wordt in de nacht ‘vergeten’ en de volgende morgen danst ze weer vrolijk de dag in.

De ontwikkeling van het astraallichaam

In bovenstaand doorkijkje toonde Sophie hoe een kind in deze levensfase zich de eigen bewustzijnskrachten gewaar kan worden. In de levensfase waarin het kind ‘leert’, is zijn ik-organisatie voorwaarde-scheppend aan het werk voor de rijping van het astraallichaam. Het astraallichaam kan echter pas na het intreden van de puberteit zelfstandig indrukken van buiten verwerken; het is dan vrij in het bewustzijn.
De verbinding die het astraallichaam in deze periode van de ontwikkeling aangaat met het fysieke- en etherlichaam, maakt het mogelijk dat indrukken in het geheugen actief opgeroepen worden. Het vermogen om te memoriseren ontwikkelt zich en nu kan rekenwerk ook ‘ont-houden’ worden. Het astraallichaam leest als het ware het rekenen in het etherlichaam.

In het astraallichaam leeft ook de wereld van de realiteit. Daarom kunnen kinderen vervolgens denkbeelden, voorstellingen en begrippen gaan ontwikkelen vanuit concrete realistische situaties.

Hier past een waarschuwing voor wie een leerling wil toetsen op rekenvaardigheid. Zeker voor het negende jaar is het kind zich dit proces van onthouden niet bewust. Het rekent uit het hoofd vanuit de beweging en de kwaliteiten van de getallen, maar het ‘leest’ nog niet bewust in het geheugen. Rekenwerk kan al wel ‘automatisch’ tevoorschijn komen, maar van ‘geautomatiseerd zijn’ (van kale sommen) hoeft nog geen sprake te zijn.

336

Juist omdat we de kinderen eerst ritmisch bewegend en in concrete contexten  hebben laten rekenen, zijn kale sommen geen automatisme. Men moet er rekening mee houden dat de oplossing van kale sommen tijd vraagt of dat de oplossing helemaal niet gevonden wordt, omdat zo’n opgave niet in de kinderen leeft.
Menig kind heeft in zo’n situatie de ogen vragend naar de hemel gericht, in de hoop een antwoord te ontvangen.

Vanuit herhaaldelijk hoofdrekenen met de basisbewerkingen wordt het rekenen wel geautomatiseerd, maar dat vraagt een langere weg. Wel een weg waar de kinderen plezier in hebben, want wat is er leuker dan de dagelijkse rekenspelletjes als “Ik heb een getal in gedachten, ik doe er … bij …?” Tot in de hoogste klassen wordt op die manier met plezier gewerkt aan het automatiseren.

De ontwikkeling van het astraallichaam is een proces, waaraan de ik-krachten niet bij ieder kind evenveel vorm geven. Dat kan mogelijk leiden tot leermoeilijkheden, zoals concentratiestoornissen. Een zeer storend probleem bij rekenen.
De ik-krachten verbinden zich met het astraallichaam in het ritmische lucht-bewegingssysteem, dat meer dan alleen de ademhaling is. Tussen middenrif- longen en de luchtwegen in het hoofd, komt op de luchtstroom in het strottenhoofd het spraakorgaan tot leven. Samen met de mondholte en de (gespierde) tong wordt de beweging tot klinkende spraak.
Vanuit de beweging wordt de wilskracht in het spraakorgaan aangesproken en door dit bewust op te roepen ontstaat er vorm in de beweging. Dit werkt weer vormend op de evenwichtige verbinding van de ik-krachten en het astraallichaam. Hieruit volgt dat spraakoefeningen, die bewegingsoefeningen zijn, richting en vorm geven aan hetgeen vanuit de herinnering verbonden is met het rekenen en dat is een voorwaarde is om geconcentreerd te kunnen rekenen.

De zintuigen

De spraak- of woordzin behoort tot de zintuigen van het denken en komt vanaf de puberteit volledig tot bloei. Maar al vanaf de geboorte wordt het spreken ontwikkeld door klanken te vormen en te beleven.
Niet alleen de spraakvorming, maar ook de spraakontwikkeling staat in directe relatie met rekenen-wiskunde. Vanaf de schoolrijpheidsfase oefenen we bij rekenen, het leren verwoorden van wat het kind rekenend ‘gedaan’ heeft. Het groeit uit tot het verwoorden van wat er mentaal gerekend is. Het zijn voorbereidingen voor het leren spreken ‘met verstand’ .
Voor de spraakzin is het spraakorgaan het instrument dat de menselijke geest (verstand) doet spreken in de wereld. En zelfs als de stem verstomt, hoeft de geest niet werkeloos te zijn en kan hij in gesprek komen met zichzelf. Zo draagt het leren verwoorden van rekenprocessen bij tot de vorming van een helder verstand.
Goethe vergeleek in diverse werken (Goethes Werke, Weimarer Sophien-ausgabe, Weimar 1887-1919) de dialectiek met de wiskunde: wat voor de spraak geldt, geldt in het bijzonder ook voor het rekenen. In 1814 zei hij tegen Riemer (Goethes Gesprache, Biedermann und Herwig, Stuttgart): “Getallen zijn net zoals onze woorden; slechts pogingen verschijnselen te bevatten en weer te geven, eeuwig ontoerijkende benaderingen”.
Zoals woorden worden tot poëzie, zo worden getallen tot wiskundige kwaliteiten, als ze in het kind tot leven gebracht worden.

337

Ook de andere zintuigen ontwikkelen zich in de tweede zevenjaarsperiode verder. De bewegingszin wordt een bewuster waarnemingsorgaan van de steeds verfijnder wordende beweging. Bij het jonge kind werkt de bewegingszin nog onbewust in de beweging van het stofwisselingsledematenstelsel, daarna halfbewust in het ritmische systeem (ademhaling, circulatie) en groeit ten slotte uit, bewust werkend in de zenuw-zintuigpool.
Parallel hieraan vindt het rekenen zijn weg in de verschillende bewustzijnsniveaus; vóór de schoolrijpheid onbewust associatief, vanaf de schoolrijpheid halfbewust in beeldende voorstellingen en na de puberteit volledig bewust in een creatief beweeglijk denken.

C  Welke extra oefengebieden kunnen spreken we aan om het rekenvermogen in het kind te wekken en bij welke oefeningen doen we dat in directe samenhang met rekenen?

Hebben we te maken met een kind met rekenproblemen, dan kijken we allereerst naar het rekenen zelf. We doen een reken-diagnostisch onderzoek (zie H 8.3.2.) en vanuit die bevindingen kijken we naar de oorzaken van de stoornissen en de rekenvoorwaarden in het kind (zie H8.1).
Op basis van die twee onderzoeken ontwikkelen we een plan voor een aangepast didactisch aanbod in de rekenlessen en we kiezen van extra oefeningen in andere gebieden dan het rekenen zelf om rekenvoorwaarden te versterken. We denken daarbij aan:

Beweging

Oefeningen die de beweging aanspreken in de ledematen, de houding en de spraak:
1. Motorische training, grove en fijne motoriek.
2. Houdingsoefeningen in relatie tot de oriëntatie in de ruimte, het evenwicht en de lichaamsgeografie.
3. Ritme in de beweging brengen.
4. Maat, afstand en tijd vanuit beweging vorm geven.
5. Meetkundige vormen bewegen.
6. Spraakoefeningen vanuit beweging en gebaar.

Er zijn bepaalde onderdelen van het leerplan waar de beweging een bijzondere rol speelt. Daarvan kunnen we  in de klas gebruik maken om zwakke (of juist pientere) rekenaars ongemerkt extra aandacht te geven: 

• euritmie en gymnastiek noemden we al. Bij oefening in sport en spel mag zeker in de hogere klassen de spierkracht nadrukkelijk aangesproken worden.
• Handvaardigheidsvakken, zoals handwerken en handenarbeid en de kunstzinnige vakken. Tekenen, waarnemend tekenen, werken met bijenwas en boetseren nemen een speciale plaats in.
• Zingen en muziek. In maat, ritme en melodie heeft de beweging een steeds andere rol.
• Toneel wordt als laatste in de rij apart genoemd. Hoe ouder de kinderen worden des te meer geeft het ontwakende bewustzijn doelgericht vorm aan de beweging in mimiek, woord en gebaar. Tot in de kleinste finesses werkt de motoriek om de (gekozen) realiteit van een rol weer te kunnen geven.

338

Zintuigen
Oefeningen ter versterking van de zintuigen en de onderlinge samenhang van de zintuigen.

Waarneming
Oefeningen speciaal voor de waarneming met de tastzin, de gezichtszin en de spraakzin.

Verwoorden
Oefeningen in het verwoorden van activiteiten en associaties.

Geheugen
Oefeningen voor het geheugen en het herinneren. Onder andere door van achter naar voren in de tijd gebeurtenissen van de dag en van de vorige dag te benoemen.

Voorstellingsvermogen
Oefeningen voor het voorstellingsvermogen, door een tekening te laten maken  van een verhaal en het daarna nogmaals heel vereenvoudigd te laten tekenen of uit te beelden.

Tijd
Oefeningen waarbij bepaalde opdrachten op een bepaald moment in de tijd moeten plaatsvinden.

Alle opdrachten kunnen vanuit een tekenverhaal gesteld worden, maar probeer juist bij de bewegingsoefeningen steeds kwalitatieve en kwantitatieve getallen een rol te laten spelen. Het gaat er immers om, dat het kind zich in de beweging bewust wordt van de rekenwereld!

Kinderen, bij wie men zich richt op de ontwikkeling van het astraallichaam, kunnen behalve met spraakoefeningen ook goed geholpen worden met het doen van allerlei ‘klusjes’, die de realiteit van het dagelijks leven in het bewustzijn brengen. Deze kunnen goed gecombineerd worden met tel- en rekenopdrachten.

8.3 Diagnostiseren en hulpverlenen

Op grond van de vorige paragrafen stelt de leerkracht zich een aantal vragen dat de basis vormt voor het onderzoek en de hulpverlening bij rekenproblemen.

Vraag 1: Hoe rekent het kind en welke rekenactiviteiten, uitgaande van het rekenleerplan en eventuele informele kennis, heeft het zich eigen gemaakt?
(zie H 8.3.2).

Vraag 2: In wat voor (didactische) omgeving, vanuit welke invalshoek en van wie, heeft het kind tot nu toe leerindrukken opgedaan? Denk daarbij ook aan oorzaken van emotionele barrières, intellectuele achtergrond, enzovoort.

Vraag 3: Hoe verloopt het leerproces in andere vakken? Let met name op euritmie, gymnastiek, spreken, schrijven en lezen, toneel, handvaardigheidsvakken en die vakken die de verbondenheid met het leven op aarde zichtbaar maken, zoals heemkunde en aardrijkskunde.

339

Vraag 4: Welke lichamelijke gesteldheid heeft het kind en wat is zijn temperament? Wat lezen we daaruit af met betrekking tot:

• zintuigfuncties
• bewegingsfuncties
• ruimtelijke-oriëntatie
• tijdsbeleven
• geheugenfuncties
• voorstellingsvermogen
• intellectuele vermogens

Vraag 5: Hoe is het dag-nachtritme van het kind en hoe voltrekt zich de overgang van dag in nacht en omgekeerd?

Een hulpplan

Als de leerkracht inzicht gekregen heeft in de rekenproblemen van een kind en zich een idee over de oorzaken heeft gevormd, zal hij een hulpplan ontwikkelen, waarmee het kind zich de rekenleerstof eigen kan maken.
Bij die hulpverlening wordt een totaalplan uitgedacht, waarbij naast een op dat kind gerichte didactische aanpak en speciaal rekenwerk, ook gezocht wordt naar extra oefeningen om voorwaarden te scheppen, op basis waarvan het zijn rekenvermogen maximaal kan aanspreken (zie ook H8.2).
Bij het maken van zo’n totaalplan zullen de volgende punten om aandacht vragen:

Punt 1. Het eigen maken van die ‘rekenbouwstenen’, die minimaal nodig zijn om toegang te krijgen tot de leerstof. De didactische aanpak en het rekenmateriaal vragen hierbij om extra zorg.
Punt 2. Activeren van de gebieden die een directe relatie hebben met de rekenvoorwaarden door:

• Het doen van gerichte bewegingsoefeningen, waarbij het doel inspireert.
• Bewegingsactiviteiten verbinden met rekenactiviteiten; denk aan aantallen, tellen, tafels, meetkundige figuren, verdelen en meten.
• Oefeningen voor het geheugen en de herinnering.
• Spraakoefeningen.
• Spreken en verwoorden van gebeurtenissen in heden en verleden in combinatie met het verwoorden van rekenactiviteiten (terugvragen en spiegelen).
• Speciale opdrachten in de andere lessen, met name bij de bewegingsvakken, handvaardigheidsvakken of bij de kunstzinnige vakken.
• Dramatische vorming; oefeningen in woord en gebaar. .. ;
• Opdrachten, die voor het inslapen of na het ontwaken gedaan moeten worden in combinatie met rekenopdrachten die tot de volgende dag onthouden moeten worden.
• Opdrachten waarbij betrokkenheid met het dagelijks leven wordt wakker geroepen, met aandacht voor ruimte, maat, vorm en tijd.

Uit de laatste acht oefengebieden bij punt 2 worden keuzen gedaan voor het totaalplan om het slagen van de aanpak bij punt 1 te verhogen.

Diagnosticeren en hulpverlenen zouden zo georganiseerd moeten worden dat

340

beide zo veel mogelijk door de eigen leerkracht uitgevoerd worden en in de eigen klas plaatsvinden.
Als de omstandigheden zodanig zijn dat de hulp ingeroepen moet worden van een ervaren collega of remedial teacher om rekenproblemen te diagnosticeren, dan zullen zijn of haar bevindingen samen met die van de (klasse)leerkracht leiden tot ideeën over de begeleiding bij het rekenen. Vanuit dat uiteindelijke beeld maakt de leerkracht een rekenwerkplan voor het kind.
In een enkel geval zal het kind of de klassensituatie er aanleiding toe geven, dat een leerkracht kiest voor de tijdelijke hulp van de remedial teacher.
Dan moeten de activiteiten die met het kind ondernomen worden, geïntegreerd worden in het onderwijs in de klas. Het mag niet zo zijn dat er twee
‘leerwerelden’ ontstaan. In de klas moet de leerkracht die opdrachten kunnen geven, die verder bouwen op de oefeningen buiten de klas.

Michiel:

Michiel zit in de vijfde klas en rekenen is een probleem. Zijn vader heeft een winkel, waarin hij graag helpt en hoofdrekenen met geld gaat hem redelijk goed af. Bij het cijferen heeft hij echter geen idee waar hij moet beginnen en wat er nu wel of niet onder elkaar moet staan.
Michiel is onrustig in de klas, kan zich slecht concentreren en verstoort vaak de stille momenten. Hij maakt over het algemeen veel geluid, maar spreekt ongevormd. Hij kan niet verwoorden wat hij de vorige dag gedaan heeft, laat staan dat hij kan verwoorden of opschrijven wat hij daarbij gedacht heeft.
Besloten werd vanaf Pasen een aantal keren apart met Michiel te werken aan het rekenen. Gedurende zeven weken kreeg hij twee keer per week een extra rekenles van twintig minuten.
Michiel houdt erg van paardrijden en is dol op zijn pony. Bovendien kent hij de boeken van ‘Het kleine huis’, waar ook in de klas uit voorgelezen is. Gekozen werd om al het rekenwerk voor Michiel in een dergelijk verhaal te plaatsen. Het verhaal van een man die rondreisde met paard en wagen en van alles kocht en verkocht. Tegelijk was hij ‘verhalenverteller’, want in ieder dorp waar hij kwam, wilden de dorpelingen alles weten en kunnen wat er in de vorige dorpen gedaan werd.
De inhoud van de hulplessen berustte op drie pijlers:
• Soorten cijfersommen per dorp (+ -, x, :), die vanuit de handel ontstonden en vervolgens vanuit hoofdrekenen en geldrekenen geleid werden naar cijferen, naar aanleiding van ingewikkelde vragen die de dorpelingen stelden. In het ‘dorpsboek’ werd alles vastgelegd en verantwoord.
In een van de dorpen verdeelde de dorpsgemeenschap alle producten, zodat daar het breukrekenen de revue moest passeren.
• Verhalen vertellen in ieder volgend dorp, dus verwoorden, uitleggen en herhalen wat er in het vorige dorp ‘gerekend’ was.
• Bewegings- en spraakoefeningen, waarmee de dag van de wagenmenner begon om ‘wakker’ te worden. Oefeningen waarbij nadrukkelijk het begin en de richting belangrijk zijn. Bijvoorbeeld:
*Houdingsoefeningen (vanuit I-A-O oefening).
*Werpoefeningen met allerlei ballen in een emmer.
*Spraakoefening aan de hand van een samen gemaakt gedichtje over de vroege morgen.
*Evenwichtsoefeningen op de balk met in iedere hand een koperen bal, die aan de hand van opdrachten met tafelproducten van hand moet worden gewisseld.

341

In de klas zorgt de leerkracht dat dezelfde bewegingsoefeningen ook een onderdeel vormen van het programma en de spraakoefeningen krijgen daarin eveneens een plaats. Bij het kiezen van teksten voor de spraakoefeningen is nauw overleg met de klassenleerkracht gewenst, zodat het ook in de opbouw van zijn lessen past. Bij het rekenen in de rekenwerkuren en in de periode, waar de komma-getallen juist hun intrede deden, werden voor Michiel de opdrachten in dezelfde context geplaatst als bij de extra lessen.

Michiel gebruikte het ‘dorpsboek’ als steunmateriaal in de klas. Voorlopig keek hij daarin nog veel naar de door hemzelf opgebouwde modellen voor bepaalde opgaven. Het was natuurlijk wel de bedoeling dat hij het ‘dorpsboek’ op zijn tafel steeds minder open zou doen, als teken dat hij in zijn geheugen kon lezen!

Normaal gesproken had dezelfde hulp aan Michiel ook in de klas kunnen plaatsvinden, maar door het gedrag dat hij zich langzamerhand in de rekenuren had aangemeten, was het niet meer mogelijk om hem rustig aan een eigen opdracht te laten werken. In dit geval werd door de hulp buiten de klas het gedrag doorbroken en werd het werken aan rekenopdrachten niet meer door Michiel zelf belemmerd.
Het spreekt voor zich, dat bij een speciale aanpak voor rekenen altijd de ouders betrokken worden. Van hen kunnen we immers veel informatie over het kind krijgen, te meer daar de ouders signaleren hoe het kind op schoolsituaties reageert. De ruggensteun, de aandacht en de eventuele hulp bij het uitvoeren van kleine opdrachten thuis, vormen een extra bijdrage aan het rekenleerproces.

Wanneer er sprake is van rekenproblemen met een psychische of constitutionele oorsprong, kan het zinvol zijn om het probleem ook aan de schoolarts voor te leggen. Samen met de schoolarts kan de leerkracht proberen meer inzicht in het wezen van het kind te krijgen.
Na overleg tussen de schoolarts en de ouders kan door de ouders voor extra therapeutische begeleiding gekozen worden (heileuritmie, fysiotherapie, kunstzinnige therapie, voedingsadviezen, medicamenten, enzovoort). Deze adviezen vallen buiten de verantwoordelijkheid van de leerkracht. Hij kan een dergelijk contact met de schoolarts voorstellen, maar houdt zich verder uitsluitend bezig met het pedagogische en didactische aanbod bij rekenhulp binnen de school.

8.3.1 Een algemeen onderzoek

Vanaf het moment dat de kinderen echt schoolrijp zijn, moet het leerproces inzetten. Het is daarom noodzakelijk om een grondig inzicht te krijgen in de kenmerken van de schoolrijpheid en in de ontwikkelingsmogelijkheden van het jonge schoolkind. Het verwerven van dit inzicht behoort tot de fundamentele opgaven van een lerarengroep.
Sinds 1986 kan daarbij gebruik gemaakt worden van het
‘tweede-klasonderzoek’, ontwikkeld door medewerkers van de Landelijke Schoolbegeleidingsdienst voor het vrijeshoolonderwijs in samenwerking met remedial teachers. Elke school kan van dit programma gebruik maken, met of zonder begeleiding van de Dienst. Omdat de kinderen in de loop van de eerste klas pas goed schoolrijp c.q. leerrijp worden, is gekozen voor een onderzoek in de tweede klas, want dan moet aan

342

bepaalde leervermogens geappelleerd kunnen worden. Door dit onderzoek, dat zich als het ware spelenderwijs en over langere tijd kan voltrekken, kan de leraar (latente) leerproblemen opsporen en tijdig maatregelen nemen.

Hier past de opmerking dat in het ‘tweedeklas-onderzoek’ geen specifiek onderzoek gedaan wordt naar voorwaarden voor rekenen. De tot op dat moment opgebouwde vaardigheden voor rekenen-wiskunde komen niet expliciet aan bod.

Wie in de tweede helft van de tweede klas bij een kind duidelijk rekenproblemen vermoedt, doet er goed aan dat leergebied nog eens te onderzoeken.

Inge en Annebeth

Inge en Annebeth zitten in de tweede klas en de leerkracht ervaart bij beiden, dat er stoornissen zijn bij het rekenen. In de klassensituatie is er niet makkelijk achter te komen waar de problemen liggen, bovendien zijn de resultaten van het werk erg wisselend. Besloten wordt om buiten de klassensituatie eens naar deze twee meisjes te kijken.
Inge is een gezonde, tengere, blondharige tweedeklasser met een lichte huid, die de indruk wekt het leven open tegemoet te treden. Zij vertelt met plezier over wat ze fijn vindt op school en thuis, en over wat ze al allemaal weet. Als ze uit haar tekendoos iets mag uitzoeken om mee te schrijven, kiest ze een extra dik kleurpotlood. Het is bijna een stompje en ze vertelt onmiddellijk dat dat haar fijnste potlood is en dat je er heel mooi mee kan tekenen. Als ze getallen gaat opschrijven, wordt ze helemaal een met haar potlood.
Bij de bewegingsoefeningen in een grote ruimte vertoonde ze nog weinig bewustzijn in de beweging. Tellen en lopen of klappen hadden nog niets met elkaar te maken. De motoriek bij vangen en werpen was slecht ontwikkeld en lemniscaatvormen bleven in het midden steken. Haar vingers bewegen nog niet onafhankelijk van elkaar.
Annebeth is een lang en heel tenger meisje, ook met blond haar. Ze ziet er wat vaal en doorschijnend uit en maakt een teruggetrokken indruk, vooral wanneer kennisvragen aan haar worden gesteld. Worden de vragen in een verhaalvorm aan haar voorgelegd dan wordt Annebeth levendiger en verschijnt er een lachje op haar gezicht. Als we wat op gaan schrijven, kiest ze een scherp grijs potlood uit haar doos en hanteert het potlood op een afstandelijke manier; hoog en met weinig daadkracht in de beweging.
Motorisch is Annebeth zeer goed ontwikkeld en zij kan met grote precisie het tellen en de getallenwereld met de beweging verbinden. Haar bewegingen zijn daarbij functioneel en nauwgezet en ook als de bal er aan te pas komt, verraadt zij uiterlijk weinig levendigheid.

Bij het onderzoek naar rekenvaardigheid passeerden daarna de volgende onderwerpen de revue:

• Tellen en tellen met sprongen uit het hoofd en op papier.
• Structureren van getallen met steentjes.
• De betekenis van de getallen, zowel kwalitatief als kwantitatief, onder andere met behulp van rekentekeningen en een spelletje met getallenkaartjes.
• Rekenoperaties vanuit de analyse van de getallen, uit het hoofd en op papier in tekeningetjes en kale sommen.
• De betekenis van de rekentekens +, -, x, : .
• Het handig rekenen; verdubbelen, vijfstructuur, ‘over de 10’ rekenen en tientallen inwisselen.

343

• Schatten van maat en aantal met betrekking tot bewegen in de ruimte en het zien en voelen van voorwerpen.

• Terugvragen van bekende rekenstrategieën en het verwoorden daarvan.

Vergeet niet bij het onderzoek een goede volgorde te kiezen. Natuurlijk moet begonnen worden met dingen, waarbij het kind zelfvertrouwen krijgt. Maar wie bijvoorbeeld begint met het te vragen om eens de rij van de getallen op te zeggen en deze vervolgens laat opschrijven, heeft aan het begin van het onderzoek steunmateriaal gecreëerd. Daarvan kan het kind steeds gebruik maken bij iedere volgende vraag en dat zou het onderzoek naar de niveaus waarop het kind werkt wel eens kunnen beïnvloeden.
Als we dingen tegenkomen waarbij het kind vastloopt, dan kunnen we daarentegen wél proberen meteen uit te zoeken met welk steunmateriaal (getallenkaartjes, getallenstrook, steentjes, rekenrek, enzovoort) het kind verder kan werken.

Het is belangrijk om bij een dergelijk onderzoek naar rekenvaardigheden ook naar taalvaardigheid te kijken. Het gaat niet alleen om de motoriek bij het schrijven, maar ook om het kunnen schrijven van de letters, zonder omkeringen (bijvoorbeeld de p wordt een q), en kleine woordjes. Heeft het kind al enig woordbeeld en kan het al lezen? Bij het spreken onderzoeken we hoe de motoriek is bij de spraakvorming en of de woorden in de spraak betekenisvol worden weergegeven.
Dit beperkte onderzoek naar de taalontwikkeling kunnen we verstoppen in een tekenverhaal met opdrachten, zodat we ook kunnen waarnemen of het kind in staat is een rekenhandeling te verwoorden. We moeten dan in de gaten houden of het nog nieuwe ontdekkingen doet in het kort daarvoor gemaakte werk en of het dan eventueel gemaakte fouten ziet en corrigeert.

Inge en Annebeth gaven bij het rekenwerk een heel verschillend, bijna tegengesteld beeld. Inge structureerde de boontjes handig, naar gelang de opgave en heeft een duidelijk begrip van de verschillende rekenbewerkingen. Ook verdubbelen is geen probleem. Tellen doet ze zo min mogelijk, want dan raakt ze in de war. De getallen zelf hebben geen betekenis als telgetal. Als zij een rekentekening mag maken, tekent ze een mannetje van een 8 met twee 5-en als voeten. Als je dan vraagt: “Wat is de helft van 8?”, tekent ze stralend een omgekeerde …, “Oh nee, hij moet zo!: 3”.

Annebeth daarentegen blijft steeds tellen bij elke opgave, ook als het hoofdrekensommetjes zijn. Wanneer zij het getal 61 mag leggen met steentjes (die 10 waard zijn) en boontjes (die 1 waard zijn), begint ze onvermoeibaar, hoewel wat schichtig, boontjes uit te tellen. Ook na een opgave waarbij ze 8 boontjes had neergelegd en gevraagd werd “Hoeveel is het nu met nog 8 erbij?”, komt Annebeth er niet uit. Samen met haar zoeken naar structuren van groepjes van 4 of 2 boontjes, lijkt het vinden van het antwoord zeker niet te vergemakkelijken. De rekentekens hebben geen betekenis, bij het opschrijven van de vorige som schrijft ze:4 + 4 + 4 + 4 + .
In haar rekentekening staan wel bloemen met vijf blaadjes en zeven sterren.
Op tafel liggen blind ronde kartonnen kaartjes met de getallen 1 tot en met 45 er op. Annebeth mag er vijf pakken en ze zo voor zich neer leggen, als zij dat goed vindt.

344

De leerkracht pakt tegelijk vijf kaartjes en legt een kring van getallen. Annebeth kan de getallen goed uitspreken. Als haar gevraagd wordt ze nu op volgorde in een rij te leggen legt ze: 2 8  27  37  38.
Dan worden alle getallenkaartjes op tafel omgedraaid en mag zij een getal uitzoeken dat in het rijtje past. Na enig denken pakt ze de 17 en legt die voor de 27. Een opmerkelijke keuze, waaruit blijkt dat zij de getallen mogelijk als telgetallen beleefd en ze op een getallenlijn positioneert. Daarna vult ze het ‘gat’ gestructureerd op!

Tot slot blijkt in het gesprekje, waarin de leerkracht de meisjes laat vertellen wat ze gaan doen als ze uit school komen tot het moment waarop ze de volgende dag weer naar school moeten, dat Inge het zo beleeft dat ze wakker wordt en dan meteen weer op school is. Annebeth geeft aan veel televisie te kijken, en ’s avonds als ze niet kan slapen doet ze graag een computerspelletje om in slaap te komen.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat Inge de ontwikkeling van het bewustzijn voor de beweging en de telgetallen gemist leek te hebben in de fase van de schoolrijpheid. Dat was juist de periode dat ze in een ander land had gewoond met een voor haar onbekende taal.
Annebeth leek terughoudend op al het nieuwe in haar rekenleven te reageren, terwijl het eerste aanvankelijke tellen en bewegen goed ontwikkeld was. Mogelijk hadden de dramatische gebeurtenissen, die in het gezin hadden plaats gevonden, haar rekenontwikkeling voor deze tijd belemmerd.

De leerkracht maakte vervolgens een programma voor het rekenen, waarbij ze de twee meisjes samen de gang door het rekenwerk nog eens liet doormaken. Een periode lang kregen zij eigen rekenwerk te doen, wat afgeleid was van de gezamenlijke bewegende opmaat van iedere dag. Vanuit de tafelrijen die geoefend werden, kregen zij andere opdrachten. Zij zouden elkaar daarbij uitstekend kunnen aanvullen en helpen, wat mogelijk aan beiden extra zelfvertrouwen zou geven.

345

Voor de hele klas ontwierp de leerkracht steeds rekenspelletjes met getallenkaartjes, rekensteentjes of tekenopdrachten, waarbij Inge en Annebeth geleidelijk weer in het rekenspoor van de klas mee konden doen.
Een tijd lang mocht Inge iedere morgen eerst vertellen wat ze precies gedaan had, voordat ze naar school ging. Thuis zou ze ook iedere ochtend ongemerkt een kleine (tel)opdracht krijgen.
Annebeth zou een tijd lang iedere avond in bed vertellen wat het allerfijnste was geweest van deze dag en vast bedenken waar ze de volgende dag echt zin in zou hebben! Bovendien werden er voor haar een aantal extra schilderoefeningen bedacht in overleg met de kunstzinnig therapeute.

Net zoals in de schoolrijpheidsfase kan het ook in andere fasen van de ontwikkeling belangrijk zijn om zeker te weten dat de kinderen die fase ook echt doormaken. Voor kinderen in de hogere klassen geldt steeds meer dat de voorafgaande lesstof verwerkt en eigen gemaakt moet zijn om ook zelfstandig verder te kunnen met de nieuwe onderwerpen.
Voor rekenen zal het daarom zeker belangrijk zijn om vanaf de vierde klas, aan het eind of tijdens de periode, een toetsles in te bouwen (zie ook Terzijde: Peilingen). Een lesmorgen die voor de kinderen niet te onderscheiden is van iedere andere periodeochtend, maar waar de leerkracht zijn onderzoek specifiek richt op die rekenbouwstenen, die op dat moment verworven moeten zijn om verder te kunnen ‘bouwen’ . Daarbij kan hij de opdrachten zo inrichten, dat hij ook aan het werk van de kinderen kan zien op welk niveau er gerekend wordt.

8.3.2 Het rekendiagnostisch gesprek

Wender zit in de derde klas en heeft eigenlijk nog niet eerder echt problemen gehad met rekenen. Maar nu staan er allemaal fouten in het schrift. Vooral als het gaat om opgaven als 64 – 37. De leerkracht heeft daarom besloten om eens samen met Wender na te gaan waar het in zit. Dat zal gewoon in de klas gebeuren, liefst een beetje ongemerkt, dus bijvoorbeeld op een moment dat de andere kinderen zelfstandig aan het werk zijn en het even zonder hulp kunnen stellen.
Het rekenen tot honderd neemt in deze periode voor een groot deel het
hoofdonderwijs in beslag. Voordat Wender nader aan de tand gevoeld wordt, laat de leerkracht de belangrijke problemen en oplossingsaanpakken uit dit gebied nog eens aan zich voorbijgaan. Dat moet hem het materiaal leveren om met Wender in gesprek te komen: opgaven, vragen, tips, hulp, concreet materiaal, contexten, modellen …

Het rekenen tot honderd i§ tot nu toe louter hoofdrekenen.
Hoe kun je 64 – 37 oplossen? De leerkracht noteert voor zichzelf:

346

67 – 37 = 30; 30 – 3 = 27 (variant, handig)
64 – 60 – 50 – 40 – 37 – (terugtellen); korter 64 – 60 – 30 terug + 7 (37)

Bij nader inzien heeft hij ook nog een aanpak vergeten. Een aanpak waarvan hij weet dat hij juist door langzame rekenaars nogal eens gekozen wordt:
64 – 37 = ; 64 = 50 + 14; 14 – 7 = 7; 50 – 30 = 20; 20 + 7 = 27.
Wat moeten de kinderen ‘gehad’ hebben om deze som te kunnen maken? Dat is in de eerste plaats het optellen en aftrekken tot 20. De tafels zijn, als het goed is, geautomatiseerd. Wie nog moet rekenen bij 14 – 7 = 7, heeft het moeilijk bij het hoofdrekenen tot 100. Wie nog op het niveau van tellen werkt (14 – 7; 13, 12, 11,
10, 9, 8, 7) staat dan voor een onmogelijke opgave.
Verder dient de tientallige splitsing gebruikt te kunnen worden: 64 = 60 + 4. En ook opgaven als 32 + 24 = 56. Zelfs 35 + 18 = 53, en zo mogelijk ‘handig’. Maar de kolommenmethode moet in ieder geval begrepen worden: 30 + 10 = 40; 5 + 8 = 13;  40 + 13 = 53.

Zo laat deze leerkracht nog eens de stof van de voorgaande lessen voorbijtrekken.
Tegelijkertijd ziet hij een bepaalde opbouw van vaardigheden en daarin diverse niveaus van handelen.

Nu is het moment gekomen om wat concreter te gaan denken over materiaal voor het diagnostisch gesprek. De leerkracht weet precies wat hij wil. Hij wil weten waar bij Wender het schip gestrand is; hij wil ook aanwijzingen vinden voor het bieden van hulp. En, dat is duidelijk, hij neemt zich voor zijn vaak te spontane neiging om tijdens het gesprek al hulp te bieden, te onderdrukken.

De eerste opgaven leveren Wender geen problemen op. Dat weet zijn leerkracht zeker. Maar interessant is het te weten welke aanpak Wender kiest. De leerkracht meent daarover wel een voorspelling te kunnen doen: de kolommenmethode zal wel domineren. Pas in het laatste rijtje, bij 24 – 17 enzovoort, zullen de fouten  komen. Overigens is het niet duidelijk of de leerkracht inziet dat de opbouw van de opgaven die aanpak volgens kolommen sterk stimuleert.

De werkwijze volgens Kwantiwijzer

In het geval van Wender heeft de leerkracht laten zien hoe een diagnostisch gesprek met een leerling diepgaand en breedvoerig doordacht kan worden. En hoewel in de gevalsbeschrijving nog niet duidelijk is geworden welke didactische hulpmiddelen de leraar achter de hand heeft gehouden, gaan we nu in op de werkwijze, die in het diagnostisch gesprek zal worden gevolgd.

We kiezen daarbij voor een bepaalde systematiek, die door de projectgroep Kwantiwijzer de afgelopen twintig jaar is ontwikkeld en onderzocht. De achterliggende visie op het diagnosticeren en remediëren van rekenproblemen bij kinderen, is bij deze manier met twee woorden te kenschetsen: handeling (hande-

347

lingspsychologie) en realiteit (realistisch reken-wiskunde onderwijs). Wiskunde is een menselijke activiteit en hoe mensen wiskunde gebruiken (doen), kun je zien aan hun handelen (ook inbegrepen is het mentale handelen, het denken bij het oplossen van rekenopgaven bijvoorbeeld).
Eenvoudig gesteld geeft de Kwantiwijzer-aanpak een mogelijkheid om het handelen van kinderen op het gebied van rekenen te bestuderen en te analyseren. Wie wat van rekenonderwijs weet, kan dan op basis daarvan een diagnose stellen en mogelijk al een remedie bedenken. Diagnose en hulp (op maat) zijn nauw met elkaar betrokken. Ons inziens dient elk diagnostisch gesprek in een didactisch perspectief te staan.
Nadat de leerkracht het gebied rond de problematiek van die bepaalde leerling nog eens goed doordacht heeft, en een opgave heeft bedacht in een uitgekiende volgorde, volgt het gesprek. Het werk in de klas wordt zo georganiseerd dat er ruimte is voor een individueel gesprek.

Hieronder de achtereenvolgende stappen:

1 Introspectie

De leerling maakt de opgaven. De leerkracht stelt vragen om hardop denken te bevorderen. Het gaat om introspectie. Er zijn vaak ook andere signalen dan het hardop denken. Let bijvoorbeeld op de vingers. Kinderen, die met behulp van vingers optellen en aftrekken, bewegen hun vingers, kijken er naar of tikken op tafel. Soms maken de kinderen gebruik van patronen op de muur of het plafond om het tellen visueel te ondersteunen. Er zijn ook kinderen die aan de cijfers tel-patronen toekennen. Bijvoorbeeld:

Maar het komt ook voor dat een kind geen enkel signaal geeft. Dan is in eerste instantie alleen de tijd die het nodig heeft om aan een antwoord te komen, een indicatie voor de wijze van (mentaal) handelen. .

In het geval van Wender was het ook mogelijk geweest een soort toetsles te geven aan de hele klas, met speciale aandacht voor de inbreng van Wender. (zie ook Terzijde: Peilingen)

2 Retrospectie

Als nog niet duidelijk is geworden hoe het kind gerekend heeft, probeert de leerkracht het kind nog even terug te laten kijken. “Hoe heb je dat gedaan? Wat heb je gedacht?” Vanzelfsprekend moeten dit soort vragen omkleed zijn met een warme belangstelling voor het kind.

348

Natuurlijk kun je het ook wel een beetje helpen, bijvoorbeeld door op te schrijven wat het zegt gedaan te hebben. Bedenk daarbij wel dat sommige kinderen heel goed aanvoelen hoe ze de vragensteller zo kunnen ‘manipuleren’, dat hij ook de antwoorden geeft. Het gaat er natuurlijk om dat de leerkracht een juist beeld krijgt van de rekenhandelingen van zijn leerling. De laatste moet daarom in staat gesteld worden (en gemotiveerd) om zijn reken(denk) proces te reconstrueren.

3 Doorvragen

De eerste observaties en de retrospectie kunnen nog wel vragen open laten over de werkelijke aanpak en de aanwezige inzichten. Op basis van de eerdere verkenning van het rekenterrein, gaat de leerkracht dan in op bepaalde details. In dat geval kan men er ook achter komen welke rekenfeiten al geautomatiseerd zijn en welke nog uitgerekend moeten worden. En hoe en op welk niveau (tellen, structureren, verkort, handig, …) dat gebeurt.
Het kan van groot belang zijn dat de leerkracht steeds vanuit een oprechte belangstelling opereert. Het klimaat van een diagnostisch gesprek is niet dat van een laboratorium, maar eerder dat van de vertrouwde periodeochtend. Laat het kind merken dat je samen op zoek bent naar de meest geschikte oefenstof.

4 Reflectie

In vervolg op het voorgaande kan de vraag naar voren komen of de leraar nu goed begrepen heeft hoe de leerling de opgaven maakt. Is er een juiste reconstructie van het denkwerk tot stand gekomen? Die vraag levert een nieuwe mogelijkheid om het kind over zijn eigen rekenwerk te laten nadenken.

In het geval van Wender was duidelijk geworden dat de kolom-methode bij het aftrekken tot grote moeilijkheden leidde. Het gemak bij optellen (56 + 27; 50 + 20 = 70; 6 + 7 = 13; 70 + 13 = 83) was aanleiding om deze procedure bij 64 – 37 voort te zetten. En zo liep Wender met open ogen in de fuik van de tekorten. ( 60 – 30 = 30; 4 -7 gaat niet;…). De leerkracht wilde Wender hierover laten reflecteren:
“Deed jij eerst 60 – 30 ?”
“Ja, dat is 30.”
“Wat ging je toen doen?”
“Eh, … 4 – 7…””Dat gaat niet, hè, wat dacht je toen?”
“Ik had laatst een kind die deed het heel anders. Die zei: “Ik heb er 3 tekort.”  Snap jij dat?”

Het reflecteren kan een essentiële functie hebben in het diagnostisch gesprek. De leerkracht kan daarin aanwijzingen vinden voor een didactisch vervolg. In het geval van Wender lag het rekenen met tekorten erg voor de hand. De leerkracht weet evenwel welke mogelijkheden hij laat liggen. Hij had bijvoorbeeld het gesprek een andere wending kunnen geven, wanneer hij de mogelijkheden van de rijgmethode had willen aftasten.

349

“We hadden 64 – 37, weet je nog wel? Denk nu eens dat je een boek van 64 bladzijden hebt en op blz. 37 bent gekomen. Hoeveel bladzijden heb je dan nog te lezen? Nu ben je dus op blz. 37.”
“Dan ga ik naar 40. Dan naar …”
“Mooi, schrijf die getallen eens langs dit lijntje.”
“40, 60, 64.”
“Hoeveel bladzijden zijn dat?”
“3 + 20 + 4 = 27.”
“Prima. Wat vind je gemakkelijker?”

Reflecteren geschiedt pas wanneer het gesprek een eind gevorderd is en de leerkracht al enig idee heeft van de werkwijze van de leerling. Op dat moment is het niet verkeerd om een zekere mate van hulp te bieden. Bedenk evenwel dat er dan niet meer een zuiver beeld van het reken- en denkwerk van de leerling ontstaat.

5. Variëren van de opgaven en de hulp

Bij het reflecteren, en soms al eerder, ontstaat bij de leerkracht al een idee in welke richting het rekenprobleem gezocht moet worden en hoe straks de hulp-op-maat eruit kan zien. Dit idee kan nader afgetast worden door samen met de leerling nog enige verwante opgaven te maken en na te gaan welke steun de beste kansen biedt.

In deze fase van het onderzoek kan het ook goed zijn om het hulpmateriaal, zoals getalkaartjes tot 100, het rekenrek, de getallenstrook, het (lege) honderdveld, enzovoort, ook in het rekendiagnostisch-gesprek te betrekken.
Ook bij oudere leerlingen kan je daarmee meer inzicht verkrijgen over welk rekenwerk zich wel of niet op mentaal niveau voltrekt.

Bij de opbouw van diagnose en hulpverlening middels het reken-diagnostisch-gesprek kun je de volgende vragen als leidraad nemen:
Waarop let de leerkracht? (diagnostisch repertoir)
Waarop richt zich eventuele hulp?
Welke vorm kan de hulp aannemen? (didactisch repertoir)

350

Zowel bij het diagnostisch repertoir als het didactisch repertoir worden de volgende deelgebieden in het rekenen afgetast: 
• De organisatie van het rekenen (opbouw) 
• Het niveau van beheersing van deelhandelingen (materiaal/mentaal?)
• Het gebruik van verbanden van structuur (wendbaarheid)
• Het perspectief van de gekozen aanpak (gewenstheid)
• De mate van bewustheid (reflectie)

8.3.3 Maatwerk voor individuele leerlingen

De voorafgaande hoofdstukken van dit boek kunnen dienen als inspiratiebron voor het maken van speciale opdrachten voor zwakke rekenaars en voor kinderen met partiele of tijdelijke rekenproblemen.
Het geldt natuurlijk voor ieder kind, maar met name de zwakke rekenaar is gebaat bij een liefdevolle, warme belangstelling voor zijn rekenwerk. Toch zal het niet gemakkelijk zijn om in een klas met een groot aantal kinderen met verschillende vermogens, ieder kind voldoende aandacht te geven en voldoende tot zijn recht te laten komen. Bij de organisatie van de rekenperioden zal rekening gehouden moeten worden met de noodzakelijke individuele verwerking van de aangeboden leerstof (zie ook Terzijde: Werkvormen). In de hogere klassen bieden de rekenwerkuren en taakuren de leerkracht extra mogelijkheden om leerlingen individueel te helpen (zie ook Terzijde: Van oefenuren naar zelfstandig werken)
Een map met werkbladen, die het mogelijk maken zelfstandig leerstof te herhalen en hiaten in kennis op te vullen, is zowel voor de leerkracht als voor de leerlingen een uitkomst die veel voldoening geeft.

351

352

353

De rekendoos

Vanaf de eerste klas kunnen we met de kinderen de inhoud voor een eigen ‘rekendoos’ maken. In die doos verzamelen we in de loop der jaren een aantal rekenmaterialen, die we bij het rekenen hebben gebruikt.
Eerst dient dit zelfgemaakte rekenmateriaal om nieuwe rekenhandelingen of processen mee te oefenen, later kan het model van en model voor rekenwerk worden. De kinderen met rekenproblemen kunnen zodoende de inhoud van de rekendoos nog langere tijd als steunmateriaal blijven gebruiken. Bij hen zal het immers langer duren voordat bepaalde rekenprocessen zich op mentaal niveau afspelen.
De rekendoos kan bijvoorbeeld de volgende dingen bevatten:

• 20 kaartjes, aan twee zijden verschillend van kleur voor het tellen en rekenen met een vijf- of tien-structuur.
• Getallenkaartjes tot 100.
• Getallenstrook tot 20, later ook tot 100, met fiches of knijpertjes om structuren of getallen te markeren.
• Versierde (lucifer)doosjes met steentjes of boontjes om te rekenen met eenheden, tientallen en honderdtallen en om het inwisselen te oefenen.
• Kralensnoer met vijfstructuur en kralen met snoer als model van de getallen op rij.
• Rekenrekje.
• Honderdveld, leeg en gevuld.
• Tafeltrainer.(H 3.2)
• Geld van het winkelspel.(H 4.3)
• Breukenenvelop.(H 5)
• Breukenelastiek.(H 5.4)
• Kaartje met tekeningen van maten en het meetstelsel.
• Sommige kinderen zullen er kaartjes in willen bewaren met modelsommen voor het cijferen.
• Rekenlogboekje (van de zwakke leerling in de hoogste klassen).

In de loop der jaren zullen een aantal attributen uit de rekendoos verdwijnen en voor veel kinderen hoeft de doos op den duur niet meer open. Anderen zullen er blijvend gebruik van maken; door conditionering zal het gebruikte materiaal ook voor hen op den duur evolueren tot mentaal model.
In de loop van de zesde klas, maar meestal in de zevende klas, kan er door de veranderingen in het bewustzijn van de leerlingen aanleiding zijn om de zwakke rekenaar nog eens extra te helpen. Bij sommige kinderen ontstaat dan vanzelf de wil om te kunnen rekenen, anderen kun je nu aansporen die wil tot rekenen te mobiliseren.

Niels zat in de zevende klas en kwam dagelijks met veel plezier op school, wel het meest omdat hij zo’n zin had in iedere pauze of de gymnastiekles. Bij de voorbereidingen van de jaarfeesten vond hij het heerlijk om bij de kleuters of in de laagste klassen te helpen. Verbaal kon hij zich uitstekend redden, maar leren was aan hem niet besteed. Die mening was hij tenminste zelf toegedaan.
Tijdens de scheikundeperiode, waarbij onderzoek en waarneming hand in hand gingen, voltrok zich een verandering in Niels. Op een heel andere manier raakte hij betrokken bij de les en vanaf dat moment leek hij ook aanspreekbaar op het cognitieve vlak.

354

Ik besloot deze ontwikkeling aan te grijpen om het rekenen nog eens een nieuwe impuls te geven. Gelukkig had hij in de vorige rekenperiode, waarin hij de negatieve getallen had leren kennen, geen aversie tegen dit onderwerp gekregen. Dat was in de  afgelopen jaren vaak wel het geval geweest. 
Niels kreeg een ‘rekenlogboekje’, dat voor hem ‘de zichtbare wil om te leren rekenen’ zou worden. Iedere drie weken bedachten we samen een rekentaak en schreven dat in het rekenlogboek. In de rekenwerkuren en thuis (als huiswerk) begon Niels aan een nieuw rekenleven. De opgaven stonden op werkbladen en waren voorzien van een nummer, dat op een groen stickertje stond. In het logboek hield hij zelf bij op welke problemen hij was gestoten. Als hij op vrijdag zijn rekenschrift met het logboek inleverde, kreeg hij zijn werk terug met in het rekenlogboek de reactie op zijn werk. In de klas kreeg hij extra hulp en uitleg bij wat hij niet kon en vervolgens kwam een voor-beeldsom van het probleem in zijn rekenlogboek. Niet alleen dat zijn werk door het aftekenen van de voltooide taken werd beloond, maar het logboek stond ook model voor wat hij nu wél kon en werd bovendien hulpmiddel voor het geval hij ‘die stomme sommen van vroeger’ toch weer vergeten was.

Het blijkt telkens weer hoe belangrijk het is om de zwakke rekenaar te helpen met hulpmateriaal, naast opgaven-op-maat, waarmee hij voor een groot deel zelfstandig om kan gaan. Het altijd weer moeten vragen om (en wachten op) hulp, demotiveert een kind.
Zo kan het zorgvuldig samenstellen van de inhoud van de rekendoos ook psychische oorzaken van rekenproblemen, zoals bijvoorbeeld emotionele turbulentie, voor een deel voorkomen.

8.4.Hoogvliegers willen ook wel eens wat!

Niet alleen de zwakke rekenaars hebben onze aandacht nodig, dit geldt evenzeer voor de hoogbegaafde leerlingen. Voor hen kan het oefenen en herhalen van de basisvaardigheden een activiteit zijn waarbij ze zich verschrikkelijk vervelen. Zeker als zich dit afspeelt in een voornamelijk klassikaal leerproces.
Een bekend verschijnsel is dat de hoogbegaafde leerling sterk onder zijn niveau gaat presteren als de eigenlijke vermogens niet worden aangesproken. Zelfs aan de eenvoudige opgaven kan niet worden voldaan. Erger wordt het, als ze zich dommer gaan voordoen louter om erbij te horen. In veel gevallen zien we naast de grote intellectuele vermogens een tekort aan sociale- en motorische vaardigheden. Men zou geneigd kunnen zijn juist aan deze aspecten aandacht te besteden en het denken wat minder aan te spreken. Echter, het intellect vraagt om inhoud, informatie en feiten.
We zien bij deze kinderen altijd een sterke voorkeur voor atlassen, encyclopedieën en woordenboeken. Bezien we hun manier van aantekeningen maken dan valt op dat het er mechanisch uitziet, vaak schematisch met pijlen en lijnen. Deze kinderen leven in een geordende wereld, althans zij hebben een voortdurende behoefte overal ordening in aan te brengen.

Als deze kinderen jong zijn, springen ze er echt uit. Als kleuter zijn ze goed te herkennen in hun specifieke begaafdheid. Wat opvalt is het vermogen gegevens te combineren en daar de juiste keuze in te maken. Ook zijn ze in staat een herin-

355

nering te verbinden met een gebeurtenis in het heden. Informatie wordt op uiteenlopende manieren verkregen en ingebracht.
Als dit vroegtijdig herkend wordt kan er rekening mee worden gehouden. Op latere leeftijd, zo in de vierde- of vijfde klas is de hoogbegaafde leerling vaak moeilijker te herkennen. Het komt minder sterk naar voren, maar dit hangt ook samen met de mate waarin er aan dit kind tegemoet wordt gekomen.

Een aanvulling op het programma voor deze leerlingen is zeer op zijn plaats. En dan niet zozeer meer van hetzelfde, maar opdrachten van een geheel ander niveau. Een extra rijtje sommen voegt niet iets toe, het vormt geen uitdaging. Een intrigerend vraagstukje of een opgave uit de krant, het puzzelen met driehoeken en vierkanten, daar is meer inspanning voor nodig alsmede inventiviteit.
In de vrijeschool zijn de kunstzinnige activiteiten zoals tekenen, schilderen, boetseren en toneel waardevolle aanvullingen. Het probleem is echter dat dit voor deze kinderen in veel gevallen een zeer grote opgave vormt. Dit zal dan ook zorgvuldig begeleid moeten worden. Het ‘gewoon meedoen want dit is goed voor je’ gaat voorbij aan het eigenlijke probleem.

Rekenen en wiskunde

Het lijkt erop dat het vak rekenen-wiskunde een geliefd vak voor de hoogbegaafde is. Hier ligt de mogelijkheid om de hoogbegaafde te leren zijn inzichten met de werkelijkheid te verbinden. Het intellect immers draagt het in zich om een eigen leven te gaan leiden, los van de werkelijkheid. Het rekenen kan altijd weer in verband worden gebracht met de praktijk, de bestaande werkelijkheid. Daarnaast zijn er in het rekenen vele verrijkingsmogelijkheden, waardoor het vermeden kan worden dat het alleen maar een kwestie van meer van hetzelfde wordt. Het streven zou erop gericht moeten zijn verrijkingsmogelijkheden te vinden, die niet losstaan van het gebeuren in de groep. Een volledig eigen programma werkt versterkend op het solitaire gedrag.
Alleen anderen laten helpen, voegt niets toe aan de behoefte om vanuit de eigen vermogens te werken. Overigens zijn deze leerlingen als geen ander in staat om de leerstof aan een ander over te dragen. Ze zeggen het antwoord niet voor, maar laten zien hoe je tot het antwoord komt.

Voorbeelden van verrijking

Bij het zich eigen maken van de basisvaardigheden zou veelvuldig ruimte moeten worden geschapen voor het maken van eigen producties, eigen opgaven. Waar de kinderen bezig zijn met de verschillende bewerkingen, en sommen zoeken die bijvoorbeeld allemaal als antwoord 12 hebben, zou de hoogbegaafde met verschillende bewerkingen de veelvouden van 12 als uitkomst kunnen vinden. Bij de som van 8 = 5 + 3 kan er op vele manieren iets aan worden toegevoegd:

We kunnen ook denken aan het afmaken van reeksen getallen;

356

Bij het leren van de tafels van vermenigvuldiging kan op diverse manieren gevarieerd worden:

De tafels kunnen zichtbaar gemaakt worden in het honderdveld en in het tafel-veld. Aan de ene kant is het mogelijk de kunstzinnige kant hiermee aan te spreken, aan de andere kant vraagt een dergelijk schema om nauwgezet werk, dat nog niet altijd zo eenvoudig is. Het ordenen van getallen in een zinvol geheel is juist wel weer iets dat aanspreekt.
Aan de hand van de tafels kunnen deeltabellen opgezet worden, waaraan op verschillende niveaus gewerkt kan worden:

Bij het onderdeel cijferen kunnen we denken aan opgaven als:
Je hebt de getallen 1, 3, 4, 5, 6 en 8.
Hiermee probeer je een optelling te maken met een zo groot mogelijke uitkomst en één met een zo klein mogelijke uitkomst.
De hoogbegaafde leerling kan de opdracht krijgen zelf ‘stipsommen’ te maken waarbij hij zich moet afvragen hoeveel getallen hij weg kan laten om de som op te kunnen lossen.
Daarvoor zal hij zich moeten verplaatsen in wat voor anderen mogelijk of onmogelijk is.

Het tovervierkant is ook een middel om creatief met getallen om te gaan. Het kan zowel met hele getallen als met decimale breuken worden uitgewerkt. In eerste instantie vragen we het kind om bij enkele gegeven getallen de overige te zoeken. Later kan de opdracht om zijn zelf een tovervierkant te ontwerpen.

357

Het tovervierkant werkt zo dat hoe je de drie getallen ook optelt (horizontaal, verticaal of diagonaal), er altijd hetzelfde antwoord uitkomt.
Al werkend met de hoogbegaafde leerling kan de wens ontstaan om naast de extra opgaven, ook eens per periode een opdracht te geven. Iets waar het kind elke dag wat aan kan doen, zelf zijn werk indelend en tegelijkertijd het klasse-gebeuren volgend.
We kunnen hierbij denken aan het opzetten en organiseren van een tentoonstelling, die aan het eind van de periode een beeld geeft waaraan gewerkt is. Bijvoorbeeld een tentoonstelling over handel en geld in de zesde klas, als het om rekenen gaat. Uiteraard kunnen hier meer kinderen bij betrokken worden. Een andere mogelijkheid is het maken van een ‘breukenboekje’ voor een lagere klas. Ook hierbij is het zich verplaatsen in een ander niveau van belang. Het boekje bevat opgaven, tekeningen en stukjes tekst.
Een vaste taak kan ook zijn om kinderen die ziek zijn geweest, een indruk te geven wat er intussen in de klas gebeurd is. Hier gaat het om het bijhouden van het programma en de absentie in de klas. Met opdrachten van deze aard wordt het sociale element ondersteund. Door de dagen heen kan ook aan een onderzoeksopdracht gewerkt worden. Bijvoorbeeld: Waar komen de 5, de 6 en de 7 in de plantenwereld voor? Hier kunnen tekeningen bij worden gemaakt. Bovendien kunnen ze het resultaat laten zien aan hun klasgenoten.
In een periode rondom het metrieke stelsel zou een onderzoeksopdracht kunnen bestaan uit een verhaalsom over een verhuizing. Hierbij kan aan vele onderwerpen worden gedacht; het leggen van tapijt, de hoeveelheid benodigde verf, de aanschaf van de gordijnen, eventueel nieuw meubilair en de verlichting. De leerling die deze opdracht krijgt, werkt vanuit een gegeven budget alles zelfstandig uit. De prijzen van tapijt, verf en stof kan hij zelf te weten komen. De maten en indeling van het nieuwe huis behoren tot de gegevens in de redactiesom. Hierbij gaat het niet alleen om het berekenen. Er kunnen plattegronden bij worden gemaakt, zelfs een maquette kan uiteindelijk, wellicht met enige hulp, worden gerealiseerd. Daarbij is het de bedoeling dat de leerling zelf initiatief neemt, zelf anderen erbij betrekt. Tussendoor, maar vooral aan het eind van de periode, laat hij aan de klasgenoten zien hoe hij alles heeft berekend en getekend. In de praktijk zal blijken dat bij een dergelijke onderzoeksopdracht meer kinderen betrokken zullen worden. Dit is voor het samenwerken alleen maar positief te noemen. Hoe deze betrokkenheid gestalte krijgt naast de activiteiten van de periode, zal in de praktijk duidelijk moeten worden. Over het algemeen heeft het een stimulerend effect. Naarmate een activiteit als deze vaker terugkeert zal het zijn plaats in het geheel krijgen.

358

Als er in een rekenperiode dagelijks ruimte wordt gemaakt voor het hoofdrekenen, kan de opdracht worden gegeven om hier een ‘kettingsom’ voor te maken; het antwoord van de ene opgave komt terug in de volgende:

De volgende dag zou je met deze reeks verder kunnen gaan.
De kettingsom geeft vaak veel plezier, het nadeel is echter dat als je een fout maakt de rest ook niet meer klopt. Eventueel kan er ergens tussenin ook een antwoord worden gegeven om te weten of je nog goed zit. Het zelf maken van zo’n reeks is ook zeer stimulerend. Wanneer je aan de slag gaat met het bedenken van verrijkingsmogelijkheden voor de hoogbegaafden, vind je ook materiaal voor andere kinderen. De differentiatie krijgt zo steeds meer gestalte. Andere kinderen worden ook gestimuleerd om zelf inhoud te geven aan de opdrachten. Het zal dan nooit zo zijn dat de hoogbegaafde leerling de enige is met aparte of extra opdrachten. Dit laatste zou als het enigszins kan, vermeden moeten worden.
In een goed functionerende klas gaan de kinderen op natuurlijke wijze om met elkaars vermogens en onvermogens. Extra hulp op welk gebied dan ook is iets dat er vanzelfsprekend bijhoort. Als de leerkracht een dergelijke houding aanneemt en ook naar buiten toe uitstraalt, heeft dit een werkzaamheid. De kinderen gaan er dan ook als zodanig mee om.

Schaken

Het schaakspel is een zeer geliefde sport voor de hoogbegaafde leerling. Hier zien we dat het ‘vooruit denken’ al tot de vermogens behoort. Overigens kunnen in de manier van spelen de verschillende vormen van (hoog)begaafdheid tot uitdrukking komen. Zo kan de oplossing voor het eindspel liggen in het naspelen van een bekende situatie, of het denkend doorzien van de stand op het bord.
In het eerste geval is het meer een nadoen vanuit het geheugen, in het andere geval kan er iets wezenlijk nieuws ontstaan. In ieder geval kunnen we de hoogbegaafde leerling warm maken voor een opgave, door op zoek te gaan naar wat hem interesseert. Het schaken kan een ingang zijn.

Tot slot de opmerking: ook voor de begaafde leerling geldt dat eenzijdige ‘overmaat schaadt’. Biedt juist hen een breed pakket aan, waarbij het denken niet tot méér denken, maar tot creatief denken wordt gedwongen.

359

Een zakrekenmachine in de rekenles?

Vooraf

Kinderen van deze tijd komen thuis en op andere plaatsen nogal eens een zrm (zakrekenmachine) tegen. Het is niet onmogelijk dat ze ook af en toe eens op de toetsen drukken en het gemak ervan bewonderen. Als ze er volwassenen mee aan de gang zien, dan is dat altijd in het kader van echte praktijkproblemen, niemand haalt het in zijn hoofd schoolse (cijfer)sommen thuis met een rekenmachine nog eens te gaan overdoen.
Op school ligt dat anders. Een zrm in de klas betekent dat hij een rol krijgt toegedacht in de rekenles, dat hij een functie heeft bij het leren rekenen, dat hij tot didactisch hulpmiddel is verheven. Buiten de Vrije School is inmiddels heel wat over een dergelijk gebruik van de zrm geschreven. Zoveel, dat we er ook al de afkorting zrm aan over hebben gehouden hebben. Maar er is natuurlijk meer informatie beschikbaar gekomen. Onder meer een typering van de mogelijke functies van een zrm in het rekenonderwijs. Men kan de zrm opvatten als een soort prothese, een hulpstuk voor zwakke rekenaars. Maar ook als een rekenmaatje voor handige rekenaars, die hoofdrekenen, schattend rekenen en cijferen op een eigen wijze afwisselen met het gebruik van een zrm.
Een totaal andere functie krijgt de zrm in het geval dat hij beschouwd wordt als toegangsbewijs voor een nog onbekende rekenwereld, die door een geïnteresseerde rekenaar verkend kan worden. Met de zrm kunnen dan ontdekkingen gedaan worden die eerder, onder meer vanwege het omvangrijke rekenwerk dat er voor nodig is, nauwelijks bereikbaar waren. En tenslotte kan men het apparaat zelf als object van onderzoek beschouwen. In dat geval wordt bijvoorbeeld de werking van de procenttoets of de geheugenfunctie onderzocht.
Het ontwikkelwerk rond de zrm heeft zich tot nu toe vooral toegespitst op ‘rekenmaatje’ en ‘object van onderzoek’. In enkele publicaties zijn rekenspelletjes met de zrm en mogelijke ontdekkingen naar voren gebracht. Vooralsnog is men er niet toe gekomen om de zrm een fundamentele plaats in het rekenonderwijs toe te kennen. Waarschijnlijk zou het onderzoeks- en ontwikkelwerk dat daarvoor nodig is, een te grote (maatschappelijke en wetenschappelijke) investering vereisen.

Standpunt

In de rekenontwikkelgroep is het standpunt ingenomen dat de zrm geen plaats zou moeten krijgen in het reken-wiskundeonderwijs van de onderbouw. Geen prothese dus voor zwakke rekenaars, maar ook geen rekenmaatje voor de andere leerlingen, die nog bezig zijn met zichzelf te ontwikkelen op het terrein van hoofdrekenen, schattend rekenen en cijferen.
De overwegingen die tot dit standpunt hebben geleid, zijn van tweeërlei aard: In de eerste plaats bieden de menskundige achtergronden van ons reken-wiskundeonderwijs geen ruimte voor het inzetten van de rekenmachine. En in de tweede plaats worden er vele didactische problemen bij een eventuele invoering gesignaleerd. Hieronder gaan we nader op deze twee overwegingen in.

De zrm in het kader van de menskundige achtergronden

De ontwikkelingsfasen die het kind vanaf zijn geboorte tot aan de volwassenheid doormaakt, vragen om een specifieke selectie en inzet van de leerstof als ontwikkelingsstof. Tot het zevende jaar staat de ontwikkeling van het fysieke lichaam centraal. In de periode van de basisschool (zeven – dertien jaar) worden de kinderen in de gelegenheid gesteld om zichzelf te ontwikkelen door veel leerstof (ambachtelijk) te verwerken. Ze komen wel in aanraking met allerlei ‘mechanieken’ (denk maar aan de passer om precieze cirkels te maken nadat ze eerder met de hand zijn getrokken, en de spirograaf die pas aan de beurt

360

komt, als eerst met de hand vele mooie vormtekeningen zijn gemaakt), maar ze vinden zelf uit hoe de werking ervan is en op welke wijze er gepast gebruik van kan worden gemaakt.
Hier volgen we in zekere zin ook de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid, waarin pas in een gevorderd stadium de industriële revolutie kon plaatsvinden. Eerst in de natuurlijke omstandigheden leren overleven, dan pogen de natuur naar je hand te zetten door het uitvinden en gebruiken van gereedschappen en instrumenten. Wie de geschiedenis (verkort) nabeleeft, begrijpt en waardeert de situatie van nu beter en is daar als het ware zelf bij betrokken.
In zekere zin geldt dit ook voor de wiskunde, die door mensen gemaakt is. Vaak als antwoord op problemen die de omgeving aan hen voorlegde; meten, meetkunde en rekenen laten daarover geen twijfel bestaan. De ontworpen gereedschappen en werktuigen zijn deels van materiële aard (passer, liniaal, zonnewijzer, waterpas, schietlood, geodriehoek, …), deels mentaal (staartdeling, formule voor de oppervlakte van een cirkel,…) en soms is er sprake van een combinatie van beide (het Chinese telraam: suan-pan bijvoorbeeld). De zrm behoort tot de laatste categorie, want wie niets van rekenen afweet, kan met zo’n calculator weinig beginnen. Wie een klein beetje weet van aanvankelijk rekenen (bijvoorbeeld wat 7 + 5 = … betekent), kan met een zrm zijn onkunde compenseren.
Wij stellen ons op het standpunt dat dit werktuigje pas geschikt begrepen en gebruikt kan worden als de kinderen eerst zelf de getallenwereld intensief en op eigen vermogen hebben kunnen verkennen. Net als in de mensheidsgeschiedenis, ontwaken ook in ieder kinderleven vermogens, waarvan we bij het leren gebruik maken. Een te vroege invoering van de zrm zou deze ontwikkeling wel eens sterk kunnen belemmeren. Juist het te vroeg gebruiken van de zrm ontneemt de leerling de ontwikkeling van de wil middels het rekenen. De vergelijking met het leren begrijpen van hefwerktuigen in de zesde en zevende klas, dringt zich hier op.

Didactische overwegingen

Beschouwen we het reken-wiskundeonderwijs in de vrijeschool van de ‘cultuurkant’ (zie H1), dan zijn er diverse argumenten tegen invoering van de zrm (in de onderbouw) aan te voeren. Hoewel de bovengenoemde menskundige overwegingen eigenlijk al voldoende zijn, noemen we de didactische hier toch. En omdat in deze overwegingen een beeld van reken-wiskundeonderwijs naar voren komt, dat we niet onopgemerkt willen laten.

• Bij invoering van de zrm in de onderbouw zou (voor een deel van de leerlingen) het cijferen afgeschaft kunnen worden. In dat geval missen ze een goede gelegenheid om ordelijk en systematisch te (leren) werken.
• Een zrm staat het hoofdrekenen in de weg. De kinderen zouden al te gemakkelijk de inspanningen van het hoofdrekenen (en de daarbij optredende inzichten in getalstruc-turen en bewerkingseigenschappen) omzeilen.
• Het plezier dat kinderen beleven aan een eindeloze rekenpartij, zouden ze moeten missen. Wie rekent nog papieren vol als het antwoord met enkele drukken op toetsen gevonden kan worden?
• Juist bij het verrichten van geconcentreerd en omvangrijk rekenwerk voelen de kinderen de macht, die ze over de materie hebben verworven. Dat sterkt hun zelfvertrouwen. Die ervaring zou hen met de zrm ontnomen worden.
• Te vroeg gebruik van een zrm zou het verwerven van inzichten in getallen (bijvoorbeeld de positionele waarde van cijfers) verhinderen.
• Hoe een zrm precies werkt, is niet te begrijpen voor kinderen van de onderbouw. Wie ermee rekent, is aan het werktuig overgeleverd.
• Het werken met een zrm blijkt af te stompen. Op den duur neemt de gebruiker zijn apparaatje steeds sneller ter hand, en verliest alle rekenvaardigheid.

Bij dit alles komt het feit dat de verleidingen van de techniek, ook wat betreft de zrm,

361

groot zijn. Het apparaatje vertoont kunsten, die een gewoon mens niet zomaar tot stand kan brengen. Als een volwassene moet kiezen tussen een flink partijtje rekenen of een snelle consultatie van de zrm, valt de keus vaak aan de gemakkelijke kant uit. In andere gevallen laat diezelfde volwassene zijn zrm in de zak, en maakt een schatting of rekent precies uit het hoofd. Soms is een krabbeltje al genoeg. Kinderen van de onderbouw hebben zeker nog niet die mate van zelfstandigheid verworven, die het mogelijk maakt om een verstandige keus te doen. Temeer daar de keus ook de eigen ontwikkeling en het leren rekenen betreft, elementen die bij volwassenen in dezelfde omstandigheden geen rol meer spelen.

Een zrm-avontuur

Toch zou je je vanuit de zevende klas een ontmoeting met de zrm kunnen voorstellen. De leerlingen hebben een bijzondere belangstelling voor alles wat er in de wereld te ontdekken valt. De zakrekenmachine is zeker een van de dingen die een grote aantrekkingskracht hebben. Het is tenslotte een instrument, dat al het rekenwerk dat je zelf lastig vindt, in een handomdraai oplost. Je hoeft alleen maar op een paar knopjes te drukken. Dat rekendoosje heeft misschien al eerder een uitdaging gevormd, was misschien al in je schooltas verstopt en je hebt er misschien al stiekem op gerekend.
Op grond van een dergelijke gezonde belangstelling is er misschien iets voor te zeggen om met de zevendeklassers een ontdekkingsreis naar de mogelijkheden van de zrm te organiseren. Je zou dat kunnen zien als een idee voor een serie vaklessen tussen Pasen en de zomer. Algemeen pedagogische principes kun je daarin misschien niet terugvinden, maar didactische zeker wel.
Beschouw het als ‘we gaan op onderzoek’-lessen. Dat zijn lessen waar je iets anders leert dan doorgaans. Je kunt de situatie vergelijken met de aardrijkskundelessen in de periode waarin het heelal wordt besproken. Alchemisten, astrologen, astronomen hebben kennis geleverd die is nageleefd, en de leerlingen zijn enthousiaste waarnemers geworden van de hemel.
Ook dan komen de kinderen met de vraag naar die snel voorbij trekkende ‘sterren’, die geen vliegtuigen zijn. De kunstmaan is ook een hemellichaam geworden en dezelfde nieuwsgierigheid doet zijn werk. Wie het precies wil weten, stapt naar de bibliotheek, die meestal uitkomst brengt. De kinderen genieten echt van hun onderzoeksuitstapje naar de moderne wetenschap, die eigenlijk nog heel ver weg in het onderwijs-verschiet ligt.

Kies je voor dergelijke zrm-ontdekkingslessen, dan schep je enerzijds de gelegenheid om het soms afwijkende gedrag van de zrm te leren kennen. Eenvoudige rekenmachientjes geven bijvoorbeeld in het geval van 5 + 3×6= … het antwoord 48 en 3 x 6 + 5 = 23; en nog vreemder wordt het bij gebruik van de procententoets: 100 + 10% = 111.11111). Anderzijds maak je het mogelijk om al het voorgaande rekenonderwijs nog eens vanuit een ander standpunt te beschouwen. (“Wie kan de tafel van 7 door de zrm laten voortbrengen?” Of: “Weet je nog die stipsom: 25 + … = 67? Hoe kun je de zrm die laten uitrekenen?”). ‘

Naast de reflectie over het eigen rekenproces en het ontmaskeren van vreemde rekenwijzen, zijn er tenminste nog drie terreinen te verkennen op de ontdekkingstocht. In elk ervan vormt de zrm slechts een deel van het instrumentarium. De eigen denkkracht en het inzicht in getallen en bewerkingen dienen ook ingezet te worden.

362

In de eerste plaats zijn er dan de getallenmirakels, die zonder zrm moeilijk toegankelijk zijn. Neem bijvoorbeeld: 

11×11= 
111×111= 
1111 x 1111 =
“Wie ziet er iets bijzonders? Wie kan de volgende stap voorspellen (11111 x 11111 = …)?
Wie kan uitleggen hoe dat zit?”

Vervolgens kun je ook de beperkingen van de zrm ontdekken. Het machientje blijkt niet ‘alles’ te kunnen, de kinderen moeten die gedachte bijstellen. Bijvoorbeeld in het geval dat ze aan het rekenen slaan om de leeftijd van hun oma in seconden uit te rekenen. Het venster biedt maar plaats aan getallen van acht cijfers, het getal een miljard past niet.
Natuurlijk is daar wel weer iets op te vinden, zelfs als in het venster een E (van Error) verschijnt, geeft de machien iets prijs van het aantal cijfers dat het venster te kort schiet.
En vergeet kinderen vooral niet te vragen, wat het grootste getal is dat er in het venster past. En: als Adam 6 000 jaar geleden één cent op de bank had gezet, tegen een rente van 5%, hoeveel zou er dan nu op de bankrekening staan? Samengesteld interest, vroeger wiskundig een heet hangijzer, is nu een fluitje van een cent. Maar probeer dan wel een eenvoudige zrm te krijgen, die de mogelijkheid van een constante factor bezit, (bijvoorbeeld Casio HS-8G)

Ten slotte bestaan er speelse onderzoekingen met de zrm. Neem bijvoorbeeld het spelletje ‘schieten op 100’. Hierin leren de kinderen spelenderwijs de kommagetallen beter kennen.
Het gaat zo.

Zorg voor een zrm met constante factor. Toets (bijvoorbeeld) het volgende in:
75 x x 0 =
In het venster verschijnt dan een 0, in het inwendige is de factor 75 vastgelegd (door twee keer een x te toetsen). Geef de zrm in deze toestand aan een leerling en vraag of hij/zij 100 in het venster kan ‘schieten’. Toets een getal in, gevolgd door =, en kijk of het 100 is.
Het onderzoek van de leerling kan dan bijvoorbeeld als volgt verlopen:
poging 1, bijvoorbeeld 50 =; in het venster verschijnt 3750.
poging 2: die 50 was dus veel te veel. Ik probeer maar eens wat minder, bijvoorbeeld 8 = …
Er verschijnt 600 in het venster. Nog veel te veel.
poging 3; 0,8 = …60. Aha, het moet groter dan 0,8. Ik probeer
poging 4: 0,9 = 67,5
poging 5:1,1 = 82,5
poging 6: 2 = 150
poging 7: 1,5 = 112,5
poging 8:1,3 = 97,5
poging 9:1,35 = 101,25
poging 10:1,34 = 100,5. Het gevraagde getal zit dus tussen 1,33 en 1,34 in. Laatste poging 11:1,335 = 100,125.

Merk op dat het noteren van de zoekweg de mogelijkheid schept, om bepaalde stappen nog eens te doordenken zodat je de volgende keer handiger te werk kunt gaan.
En wie de grap kent (en dus via bijvoorbeeld 1 = het getal 75 eruit haalt en 100 : 75 = 1,3333333 vindt), blijkt toch genoegen te scheppen in het opbouwend schieten op 100.

363
.

In dit hoofdstuk wordt gesproken over:

astraallichaam 
driegelede mens
etherlichaam 
lichaamsgeografie 
kleutertekeningen
motorische ontwikkeling

schoolrijpheid

spraakoefeningen

tovervierkant
zintuigen

.

Over het boek
Inhoudsopgave
Voorwoord en inleiding
Hoofdstuk    [
1] [2] [3[4] [5] [6] [7[9]
Slot (1-1Reflectieve notitie
Slot (1-2Korte toelichting bij enkele gebruikte begrippen
Slot (1-3) Citaten van Rudolf Steiner met betrekking tot                                    aanvankelijk rekenen
Slot (1-4) Literatuuropgave

Rekenen: alle artikelen

.

2576-2411

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/5)

.

CEPHEUS

.
Legende
.

In Ethiopië heerste ooit koning Cepheus met zijn gemalin Cassiopeia.
Zij hadden een dochter, de schone Andromeda, een jonkvrouw in de huwbare leeftijd. Ze leefden allen gelukkig en tevreden, tot Cassiopeia, ten prooi gevallen aan ijdelheid, de Nereïden beledigde. De gekrenkte Nereïden wendden zich tot hun beschermer, Poseidon en deze zond vanuit de Atlantische zee een zeemonster dat mensen en kudden verslond.
In zijn nood zond koning Cepheus boden naar het orakel van Zeus-Ammon en liet daar om raad vragen. Het verschrikkelijke antwoord luidde: ‘Pas als de schone Andromeda, de dochter van de vermetele koningin Cassiopeia als buit aan het zeemonster uitgeleverd wordt, komt er een eind aan de nood.
De ongelukkige vader weigerde lang de vreselijke uitspraak te aanvaarden. Maar toen er steeds meer mensen door het monster stierven, drongen de opgewonden Ethiopiërs er bij de koning zo zeer op aan zijn dochter te offeren om het volk te redden, dat hij zich daartegen niet kon verzetten. Met een zwaar hart moest hij haar laten gaan. Andromeda werd met haar beide armen vastgeklonken aan een rots aan de oever van de zee. Daar vond Perseus haar, die juist het avontuur met de Gorgo Medusa overleefd had en hij werd verliefd op de schone jonkvrouw.
Toen Perseus verzekerd was van haar liefde voor hem, haastte hij zich naar haar ouders en trof hen zo aan, zoals ze als beelden versteend, met hulpeloos geheven armen de goden om hulp smeken. Hij scheen voor hen de helper in de grootste nood. Toen hij hun beloofde hun dochter die onbeschermd aan haar ondergang was overgeleverd, van het monster te bevrijden en zo van een gewisse dood te redden, stemde koning Cepheus graag met zijn voorwaarde in haar aan hem als bruid te geven. ‘Niet alleen krijg je mijn dochter als vrouw’, zei hij tegen Perseus, ‘maar ook nog mijn koninkrijk daarbij, wanneer jij ons bevrijdt van het ondier!’
Na deze belofte van de koning, haastte Perseus zich terug naar de jonkvrouw en streed met het monster, tot hij het had gedood.
Koning Cepheus was verheugd dat deze pijnlijke geschiedenis zo goed afgelopen was en gaf de dappere held graag zijn dochter als vrouw. Hij liet de bruiloft van Perseus en Andromeda zorgvuldig voorbereiden en gaf opdracht voor een groot feestmaal waarvoor alle edelen van zijn volk in zijn paleis werden uitgenodigd. Allen waren gelukkig en tevreden. Perseus vertelde juist het verhaal hoe hij het hoofd van Medusa had veroverd, toen er in de zaal onrust ontstond.
Het was Phineus, de broer van de koning, die met zijn gewapende mannen de zaal binnengedrongen was. ‘Hier ben ik’, roept Phineus door de zaal, om de roof van mijn gemalin te wreken!’ Nu dringt het tot Perseus door dat Andromeda al veel eerder aan de broer van haar vader als vrouw was beloofd. Phineus wil de rivaal al met zijn lans doorboren, als koning Cepheus hem als weerwoord geeft: ‘Wat wil je doen, woedende broer? Wat drijft je tot deze daad? Wil je op deze manier de jongeling belonen die haar gered heeft? Toen men haar vastklonk, keek je alleen maar toe en je hielp haar niet, noch als oom, noch als toekomstige bruidegom. Ben je beledigd dat iemand het meisje gered heeft? Laat haar bij hem die haar weghaalde. Hij kreeg haar van haar grijze vader; zij was aan een gewisse dood overgeleverd. Hij heeft haar opgeëist, hij heeft haar verdiend!’
Zo probeerde de koning met woorden het hart van zijn broer te vermurwen. Maar deze zei niets. Hij keek naar zijn broer en toen naar Perseus, niet wetend naar wie hij de lans het eerst zou gooien. Toen aarzelde hij niet langer en wierp de lans naar Perseus – maar die doorboorde slechts een kussen. Toen sprong Perseus op en smeet de lans terug en die zou hem door de borst zijn gegaan, ware het niet dat Phineus zich achter een altaar verschanste. De lans trof Rhoetus, een vertrouweling van Phineus, precies in het voorhoofd en hij stierf ter plekke.
Nu ontbrandde er een hevige strijd tussen de mannen van Phineus en die van de koning. Daarbij waren de aanvallers in het voordeel, want zij hadden hun wapens al getrokken toen ze binnenkwamen, terwijl de mannen van de koning aan de bruiloftsmaaltijd zaten en zich eerst nog moesten bewapenen. Aan beide zijden vielen honderden mannen en Perseus deed er velen in het stof bijten, tot hij inzag dat zijn kracht niet opgewassen was tegen die grote macht. Luid riep hij door de zaal: ‘Jullie dwingen mij hulp te zoeken bij mijn vijand. Wie mij als vriend gebleven is: wend je hoofd af!’ Terwijl hij het riep, haalde hij het hoofd van de Gorgo uit zijn tas. Wie dat aanschouwde, verstarde op het zelfde ogenblik tot een beeld van marmer. Alle tweehonderd aanhangers van Phineus die de strijd tot dan toe overleefd hadden, verstarden tot marmer en uiteindelijk hij ook. Tevergeefs smeekte hij uit angst om zijn leven, want het onrecht dat hij had aangedaan, was te groot.

Na deze gebeurtenissen wilde Perseus niet in Ethiopië blijven. Met zijn vrouw, de schone Andromeda, ging hij naar zijn vaderland terug. Zij kregen veel kinderen die het geslacht van de Perseïden, waaronder de koningen van Perzië, beroemd maakten.
.
Sept. 1  1°° u*                                    okt. 1  22° u                       nov. 1  20° u
15  24° u*                                         15 21° u                               15 19° u
*zomertijd

De sterren die bij Cepheus horen zijn circumpolaire sterren die constant om de hemelpool draaien en altijd boven de horizon staan. In september vind je Cepheus in het noordoosten, heel hoog boven de horizon, in oktober bijna in het zenit. (zie afb. hierboven) en in november tussen het noordwesten en het noorden, ook nog heel hoog boven de horizon, steeds om 21° u, in de zomertijd om 22° u. 

De namen van de sterren betekenen:

Alderamin (Arabisch) afgeleid van ad-adira [al-]yamin = rechter arm
Alphirk (Arabisch) vermoedelijk afgeleid van Cawacib AlPhirk = schaapskudde
Alrai (Arabisch) = betekenis niet bekend

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2575-2410

.

.

.

VRIJESCHOOL – Engels in de onderbouw

.
ENGELSE VERHALEN/VERHAALTJES
.

In welke klas je ook Engels geeft, een onderdeel van elke les is het vertellen van een klein verhaal. 
Daarvan hoeven de kinderen niet meteen alles te begrijpen. 
Wel is het aan te raden dat er van te voren een bepaalde relatie met het nog te vertellen verhaaltje werd gelegd.
Dat kan op verschillende manieren. 
De klassenleerkracht heeft bijv. een sprookje verteld of in de hogere klassen andere vertelstof. Dat kun je dan rond dezelfde tijd ook in de ander niet-Nederlandse taal doen. Je kan de kinderen laten raden waarover het ging; je kan het ook aankondigen, zodat ze met de kennis van het Nederlandse verhaal naar de Engelse versie luisteren. 
Wanneer je in andere lessen dit herhaalt of een gedeelte van het verhaal, kun je in het laatste geval vragen over welk deel het ging.
Zo zijn er allerlei mogelijkheden het verhaaltje in het aandachtsgebied te houden of te brengen. 

Hier volgen een aantal verhalen.
Ik heb er geen leeftijdsaanwijzing bij gezet, omdat het erg van het niveau van de klas afhangt, wat de kinderen kunnen begrijpen.

Het is veel werk, maar hoort wel bij het echte vrijeschoolleraarschap: vertel ze uit het hoofd (desnoods met een klein spiekbriefje)

The Turnip (Russia)
The Duckling’s Journey (Siebenburgen)
The Story of the Five Toes (Siebenburgen)
The Farmer who Went to Plough (Siebenburgen)
The Three Little Pigs (Great Britain)
The Little Round Pot (Germany)
The Story of the Thick Fat Pancake (Norway)
Why the Bear Has a Stumpy Tail (Norway)
Porridge (Grimm)
The Three Butterflies (Germany)
The Fly and the Bee (Grimm)
The Story of the Five Fingers (Siebenburgen)
Cock and Hen in the Wood (Norway)
Rag, Tag and Bobtail (Grimm)
The Magic Horse (Bechstein)

THE TURNIP

An old man sowedd a turnip seed. The rain fell, the sun shone, and the seed grew and grew into an enormous turnip.
One evening the old man thought he would like to have the turnip for supper, so he put on his big boots and went into the field to pull it up. He seized it by the leaves and he pulled and he pulled, but he could not pull it up.

He called to his wife, and she came and pulled the man, and the man pulled the turnip; and they pulled and they pulled, but they could not pull it up.

The little boy came running up, and he pulled the woman, and the woman pulled the man, and the man pulled the turnip; and they pulled and they pulled, but they could not pull it up.

The dog came up with a bark, and took hold of the little boy. The dog pulled the boy, and the boy pulled the woman, and the woman pulled the man, and the man pulled the turnip; and they pulled and they pulled, but they could not pull it up.

Then the hen came with a flutter of her wings, and grabbed the dog’s tail with her beak. The hen pulled the dog, and the dog pulled the boy, and the boy pulled the woman, and the woman pulled the man, and the man pulled the turnip; and they pulled and they pulled, but they could not pull it up.

The cock came strutting up. The cock pulled the hen, and the hen pulled the dog, and the dog pulled the boy, and the boy pulled the woman, and the woman pulled the man, and the man pulled the turnip. They pulled and they pulled and they pulled – and up came the turnip, and down they all feil, flat on the ground.

So they all had turnip for supper, and there was plenty left over for the next day and for the day after that.

Heel vaak is dit verhaaltje al in de kleuterklas verteld, dus een eerste klas zal het zich goed herinneren. Het heeft ook het voordeel dat het een soort zich herhalend vers is, dat ook nog eens goed uit te beelden is. 
De kinderen doen de bewegingen terwijl de leerkracht de betreffende zinnen spreekt. Het duurt niet lang of de kinderen kennen veel woorden of kunnen ze op het juiste ogenblik zelf  (mee)zeggen.

0-0-0

THE DUCKLING’S JOURNEY

A duckling waddled proudly along as he set off on his journey into the wide world.
Along came a frog, who said, ‘Where are you going, little duck ? ’

‘I’m going into the wide world! ’ said the duckling.
‘May I come with you ? ’ asked the frog.
‘Just sit on my tail,’ replied the duckling.
So the frog perched himself on the duckling’s tail, and off they went.

By and by they met a pebble, who asked, ‘Where are you going, duckling and frog
?

’ ‘We are going into the wide world! ’ replied the duckling and the frog together.
‘May I come with you ? ’ asked the pebble.
‘Just jump on to my back,’ replied the frog.
So the pebble perched himself on the frog’s back and off they went.

Soon they met a live coal, glowing red, who said, ‘Where are you going, duckling, frog and pebble ? ’

‘We are going into the wide world! ’ replied the duckling, the frog and the pebble.
‘May I come with you, duckling, frog and pebble?’ asked the red-hot coal.
‘Just jump on to my back,’ replied the pebble.
So the red-hot coal perched himself on top, overjoyed that he could see so much of the wide world. On they went together, until they came to a river.

The duckling swam into the water, and when he reached the middle of the river he said, ‘Now just a moment, while I dive down to see if I can catch a fish.’

Alas, that was the end of the pebble and the coal. They fell into the water, and they were never seen again.

But the duckling and the frog were quite happy, for they could swim. They laughed till they split their sides, and they are still laughing to this very day.

But people who do not know this story say that they are just quacking and croaking.

0-0-0

THE STORY OF THE FIVE TOES

Do you know why the big toe is so thick, and all the other toes are so thin ? Listen, and I will teLl you.

The smallest toe went out into the forest one day to look for firewood. The second toe caught a hare, the third toe brought it back home, the fourth one cooked it, and the nasty horrid big toe ate it all himself.

Was that fair ? Of course not, and that is why the four little toes keep apart from the big toe to this very day.

0-0-0

THE FARMER WHO WENT TO PLOUGH

There was once an old farmer who went out to plough his field. He ploughed for a long, long time, and at last his plough turned up a great wooden chest.

‘What can be in it ? ’ he wondered. He would have liked to know, but the chest was fastened with an enormous lock. So he went to fetch a locksmith, who had a great many keys. The locksmith tried the biggest key. It fitted exactly, and he opened the chest. What did they see ?

Inside the chest there was another chest. The locksmith took the next key, and opened it.

Inside there was a wooden box, and inside the wooden box there was another wooden box, and inside that there was yet another, and so on, and so on. And each time the locksmith had a key that fitted.

At last they came to a tiny box made of gold, but the locksmith had no key small enough to fit it. So he took out a golden pin, and made a little key out of it, and opened the little golden box.

And what do you think was in it? I cannot tell you, for the old farmer and the locksmith kept it a close secret, and no one knows to this very day what they found in the little golden box.

0-0-0

THE THREE LITTLE PIGS

There was once an old woman who had three little pigs who ate and ate and ate, until they had eaten her almost out of house and home.

When they had become so fat that they could hardly fit into their sty, the old woman said to them, ‘You cannot stay here any longer. You must go and build your own houses.’ And she sent them out into the wide world.

Before long the first little pig met a man with a bundle of straw, and said to him, ‘Please, sir, give me the straw so that I can build myself a house.’
‘Give me some of your bristles,’ said the man, ‘so that I can make a brush.’
So the little pig gave him some bristles, and the man gave him the straw and helped him to build a house, with a big door at the front, and a little door at the back. When it was finished, the little pig looked at his house, and sang:

‘My house is of straw ‘
And there I shall hide.
If the big wolf comes,
I’ll be safe inside.’

The second little pig met a man carrying a bundle of wood, and said to him, ‘Please, sir, give me the wood so that I can build myself a house.’
‘Give me some of your bristles,’ said the man, ‘so that I can make a brush.’
So the little pig gave him some bristles, and the man gave him the wood and helped him to build a house, with a big door at the front, and a little door at the back. When it was finished, the little pig looked at his house, and sang:

‘My house is of wood
And there I shall hide,
If the big wolf comes.
I’ll be safe inside.’

The third little pig met a man pushing a cart full of stones, and said to him, ‘Please, sir, give me the stones, so that I can build myself a house.’
‘Give me some of your bristles,’ said the man, ‘so that I can make a brush.’
So the little pig gave him as many bristles as he wanted, and the man gave him the stones and helped him to build a house, with a big door at the front, and a little door at the back. When it was finished, the little pig looked at his house and sang:

‘My house is of stone
And there I shall hide, –
If the big wolf comes.
I’ll be safe inside.’

So each of the three little pigs lived in his own house, and felt quite safe and sound.

But one day the wolf came out of the forest. He knocked at the door of the house of straw and called, ‘Little pig, little pig, let me in, let me in! ’
But the little pig replied, ‘No, no, no, I will not let you in ’
And the wolf said,
‘Then I’ll huff and I’ll puff
and I’ll blow your house down.’

And he huffed, and he puffed, and the house came tumbling down. But the little pig was nowhere to be found, for he had escaped through the little door at the back. He ran to take refuge with the second little pig, who lived in the wooden house..

So the wolf went to the wooden house, knocked at the front door, and called, ‘Little pig, little pig, let me in, let me in! ’
But the second little pig replied, ‘No, no, no, I will not let you in.’
And the wolf said,
‘Then I’ll huff, and I’ll puff,
and I’ll blow your house down.’

And he huffed, and he puffed, and thë house came tumbling down. But the two little pigs,were nowhere to be found, for they had escaped through the little door at the back. They ran to take refuge with the third little pig, who lived in the stone house.

So the wolf went to the stone house and knocked at the front door, and called, ‘Little pig, little pig, let me in, let me in! ’
But the third little pig replied, ‘No, no, no, I will not let you in.’
And the wolf said,
‘Then I’ll huff, and I’ll puff
and I’ll blow your house down.’

And he huffed, and he puffed, and he puffed, and he huffed, but no matter how hard he tried, he could not blow the house down.

The wolf became very angry indeed, and said, ‘Just you wait! I’ll soon find a way to reach you.’ And he started to climb up on to the roof, for he meant to come down the chimney.

Now when the three little pigs heard the wolf climbing up and guessed what he had in mind, the first little pig said, ‘What shall we do now ? ’

The second little pig said, ‘I shall light a big fire in the fireplace.’

And the third pig said, ‘And I shall hang a great cauldron of water over the big fire.’

Not long afterwards, when the fire was crackling merrily – and the water boiling away, the big bad wolf came sliding down the chimney, and landed splash! right in the middle of the boiling water. Quick as lightning the little pigs put the lid on the pot. Then they danced with joy around the hearth singing,
‘The wolf is dead, the wolf is dead. Hurrah, hurrah, hurrah! ’

So the first little pig built himself a house of stone, and so did the second, and they all lived happily ever after.

0-0-0

THE LITTLE ROUND POT

There was once an old woman who was very poor and had nothing left to eat. She looked in all her boxes and all her drawers, on all her shelves and in all her cupboards, until at last she found a little flour. She tipped it into a little round pot and cooked some soup with it. When she had eaten it, she washed the pot and laid it on the window-sill to dry, saying, ‘Now I shall certainly starve to death, unless God helps me.’ Sadly she sat down in her rocking-chair and fell asleep.
The sun shone on the little round pot and dried it, and the pot said, ‘Now I must be on my way.’
‘Where are you going to, little round pot?’ asked the sun.

‘I am going to the market-place, to get some food for the poor old woman.’ And the little pot bounced down from the window-sill, and off into the town to the market-place, where it rolled about amongst all the people.

Along came a farmer who was carrying a sackful of beans, and he did not know what to do with them. ‘Little round pot,’ he said, ‘you have come just at the right time.’ And he emptied all the beans into its little round body.

As soon as the little round pot noticed that it was full again, it said, ‘Now I must be on my way.’ So it turned round and rolled back to the old woman. It thumped on the door and cried, ‘Open up, open up! It is the little round pot! ’

The old woman awoke, went to the door and opened it. She looked at the pot, and she was overjoyed when she saw the beautiful juicy beans in its little round body. She cooked herself some bean soup with them, washed the pot till it was spotless, and laid it on the window-sill to dry, thinking, ‘God has helped me once — perhaps he will do so again! ’ Whereupon she fell asleep.

Once again the sun came out and dried the little round pot, and again it said, ‘Now I must be on my way to the town, to get some food for the poor old woman.’

It bounced down from the window-sill, and off into the town. It rolled into a butcher’s shop, ,and bounced up on to the counter. The butcher’s wife was standing there with a ladle full of beef broth in her hand, not knowing what to do with it. ‘You have come just at the right time!’ she cried when she saw the little pot, and she poured the broth into its little round body.

The little pot noticed that it was warm and full. It bounced down from the counter, and rolled back to the old woman. Once again it thumped on the door, and cried, ‘Open up, open up! It is the little round pot!

The old woman was indeed delighted. She opened the door, lifted up the little pot, and drank all the warm broth. As before, she washed the little round pot till it was spotless, and laid it on the window-sill to dry.

Once again the sun came out and dried the little round pot, and once again it said, ‘Now I must be on my way.

‘Pot, little pot, where are you going to now?” asked the sun.

‘I am going to a rich man, to get some money for the poor old woman.’

So the little pot rolled along to a rich man’s house and right up into his room, where he was busy counting his money at the table. He was just thinking that he had more money than he knew what to do with when he saw the little round pot, and he said, ‘You have come just at the right time! ’ And he shook in as many gold pieces as the little round pot would hold.

As soon as the little round pot noticed that it was full, it bounced down from the table, out of the door and down the stairs, bump, bump, bump.

‘Come back! Come back! ’ shouted the rich man, but the little round pot had already disappeared round the corner of the street.

The pot thumped at the old woman’s door, and called, ‘Open up, open up! It is the little round pot! ’

The woman hurried to open the door, and her eyes nearly popped out of her head at the sight of so much gold. She hardly gave herself time to shake it out and to wash the pot, and then, rather than waste time laying it out to dry on the window-sill, she pushed it out of the door, crying, ‘Hurry, little round pot, hurry back and bring me more.’

The little round pot was very angry, and it grumbled, ‘Very well, very well, I’ll be on my way.’ But instead of going to the rich man, it rolled along into the town until it came to a halt where some workmen were mending the road. There it waited until it was full of pebbles, and then it rolled back to the old woman. It thumped on the door, saying, ‘Open up, open up! It is the little round pot! ”

The woman had been waiting at the door, but as soon as she saw what was in the little round pot, she grew very angry, and threw it right out of the window.

The little round pot rolled along into the wide world, and it never came back to the old woman. As far as I know it is still going. Perhaps you will meet it some day.

0-0-0

THE STORY OF THE THICK FAT PANCAKE

There once was a mother who had seven hungry children. She took flour, milk, butter, eggs, sugar—not forgetting just a pinch of salt—and made a beautiful thick fat pancake. It lay in the pan, and it swelled up until it was a joy to see. The seven children stood round about, and the grandfather looked over the mother’s shoulder.

‘Mother, dear Mother, please give me the pancake,’ said the first child.
‘Dear, kind Mother,’ said the second, ‘please give it to me.’
‘Dear, kind, beautiful Mother,’ said the third, ‘please give it to me.’
‘Dear, kind, beautiful, good Mother,’ said the fourth, ‘please give it to me.’
‘Dear, kind, beautiful, good, sweet Mother,’ said the fifth, ‘please give it to me,’
‘Dear, kind, beautiful, good, sweet, wonderful Mother,’ said the sixth, ‘please give it to me.’
‘Dear, kind, beautiful, good, sweet, wonderful, marvellous Mother,’ said the seventh, ‘please give it to me.’

But Mother replied, ‘Wait till it is turned.’

Hardly had the words left her mouth than the pancake began to think, I should turn over, should I? But I am far too beautiful to be eaten. I think I shall go out into the wide world and seek my fortune! ’

So it leapt out of the pan and scuttled across the floor, hoppity-hop, and out of the door.

‘Come back!’ cried Mother as she ran after it, still clutching the pan and ladle, while Grandfather and all the seven children followed behind her.

They all shouted, ‘Come back, come back!’ But the pancake bounced hoppity-hop downstairs and out into the street.

There it met a cat, and when the cat saw the fine thick fat pancake, she said, ‘Miaow, miaow, thick fat pancake, please let me eat you! ’

But the pancake said, ‘What! Shall I be eaten by you, little cat? Mother couldn’t catch me, Grandfather couldn’t catch me, seven squalling children couldn’t catch me; and do you think I can’t escape you too?’

And it ran, hoppity, hoppity, hoppity, along the street. By and by along came a cock, who said, ‘Dear thick fat pancake, please let me eat you! ’

‘What!’ said the pancake. ‘Shall I be eaten by you, little cock? Mother couldn’t catch me, Grandfather couldn’t catch me, seven squalling children and the cat couldn’t catch me; and do you think I can’t escape you too ? ’

And it ran, hoppity, hoppity, hoppity, on into the wide world.

By and by it met a goose, who said, ‘Clackety, clackety clack, fat pancake, let me eat you! ’

‘What!’ said the pancake. ‘Shall I be eaten by you, little goose? Mother couldn’t catch me, Grandfather couldn’t catch me, seven squalling children and the cat and the cock couldn’t catch me; and do you think I can’t escape you too ? ’

And it ran, hoppity, hoppity, faster than ever into the wide world.

By and by along came a cow, who said, ‘Moo, moo, thick fat pancake, let me eat you! ’

‘What!’ said the pancake once again. ‘Shall I be eaten by you, little cow? Mother couldn’t catch me, Grandfather couldn’t catch me, seven squalling children and the cat and the cock and the goose couldn’t catch me; and do you think I can’t escape you too?’

And it ran, hoppity, hoppity, hoppity, faster than ever into the wide world.

Along came two little children, a boy and a girl. They were very hungry because they had had nothing to eat all day long. When they saw the thick fat pancake, they cried, ‘Pancake, dear pancake, do let us eat you! ’

But the pancake replied: ‘What! Shall I be eaten by you, little Johnny-Jenny? Mother couldn’t catch me, Grandfather couldn’t catch me, seven squalling children and the cat and the cock and the goose and the cow couldn’t catch me; and do you think I can’t escape you too ? ’

And it ran, hoppity, hoppity, hoppity, faster than ever into the wide world.

Along came a pig, who said, ‘Come here, thick fat pancake, and let me eat you! ’

‘What!’ said the pancake once again. ‘Shall I be eaten by you, little pig? Mother couldn’t catch me, Grandfather couldn’t catch me, seven squalling children and the cat and the cock and the goose and the cow and little Johnny-Jenny couldn’t catch me; and do you think I can’t escape you too ? ’

And it ran, hoppity, hoppity, hoppity, faster than ever into the wide world.

But then the pancake came to a brook, and it did not know how to cross over to the other side, for there was no bridge. It ran hoppity, hoppity along the bank, looking for a way to get across.

Now the pig threw itself into the water and swam downstream after the pancake. But the pancake was afraid of getting wet, so the pig said, ‘Would you like me to carry you across, thick fat pancake ? ’

‘Yes, please,’ said the pancake.

‘Then jump on to my back, or better still, on to my snout,’ said the pig.

So the pancake leapt on to the pig’s snout, but hardly had it landed there when snap! the pig bit it in half, and swallowed one half without delay; but the other half leapt on to the other bank, and scuttled away, hoppity, hop. The pig grunted, and snuffled along after it, but never caught it. ‘ *

And that is why pigs always snuffle with their snout on the ground, because they are all still hoping to find the other half of the thick fat pancake.

Zie de opmerkingen bij The turnip. Ook hier de weldadige herhaling. Telkens weer dezelfde woorden geven de kinderen houvast. Het is ook als een soort spel te spelen, bijv. door een 3e klas voor een 1e. 
Er bestaat ook een geïllustreerd leesboekje met een iets andere tekst. Heel goed te gebruiken in klas 4, wanneer er ook geschreven en gelezen gaat worden.

0-0-0

WHY THE BEAR HAS A STUMPY TAIL

A bear once met a fox, who was slinking by with some fishes, which he had stolen.
‘Where did you get them from?’ asked the bear.
‘I caught them,’ replied the fox.
The bear thought that he would like to learn how to fish, and asked the fox to teach him.
‘It’s really quite easy,’ said the fox. ‘All you have to do is bore a hole through the ice, and let your tail down into the water. But you must keep it in the water for a very long time, and you must not worry if it begins to hurt a little, for that is a sign that the fish are biting. The longer you stay there, the more fish you will collect. But when you feel a violent nip on your tail, then you must pull it out as quickly as possible.’

The bear followed these instructions carefully, and kept his tail so long in the hole that it was frozen into the ice. When at last he stood up, he left his tail behind, stuck fast! And that is why bears to this very day have stumpy tails.

0-0-0

 PORRIDGE

There was once a poor but good little girl, who lived alone with her mother, and they had nothing left to eat. The little girl went out into the forest, where she met a wrinkled old woman, who gave her a little pot, and told her that whenever she was hungry she must say to the pot, ‘Cook, little pot,’ and the pot would cook some fine

steaming porridge. When there was enough porridge, she was to say, ‘Enough, little pot,’ and it would stop cooking.

The little girl took the pot home to her mother, and they were not hungry any longer, but ate fine steaming porridge as often as they wanted.

One day when the little girl was out, her mother said, ‘Cook, little pot.’ The pot cooked the most delicious porridge, and she had plenty to eat, but she had forgotten the words to stop it, so the pot cooked on and on till it overflowed. Soon the steaming porridge filled the kitchen, and the whole house, then the next-door house, and then the whole street, until it looked as though the whole world was going to be filled with porridge.

No one knew what to do, and everyone was frantic. At last, when only one house in the town was still clear of porridge, the little girl came back and said, ‘Enough, little pot.’ And the pot stopped cooking.

But anyone who wanted to go into the city had to eat his way there.

0-0-0

THE THREE BUTTERFLIES

There were once three butterflies, a white one, a red one, and a yellow one, who played in the sunshine, and danced now on this flower, now on that flower, and were so happy that they never grew tired. One day it started to rain and they got wet, so they tried to fly home; but the door was shut, and they could find no shelter, so they had to stay out in the rain getting wetter and wetter.

So they flew over to the lily, and said, ‘Good Lily, open your flower a little for us, so that we may shelter from the rain.’

I shall be glad to take in the white one,’ said the lily, ‘for he looks like me, but I cannot take in the other two! ’ ‘If you will not take in my friends,’ replied,the white one, I shall stay wet, rather than desert them.’

The rain fell more and more heavily, so they flew across to the tulip and said, ‘Dear Tulip, open your flower a little for us, and let us in to shelter from the rain.’ ‘I shall be glad to welcome the red and the yellow ones, replied the tulip, ‘but cannot take in the white one.’

‘If you cannot take in our friend,’ said the red and yellow butterflies, ‘then we shall have to do without your help.’ And so they flew away together.

But the sun, who was hiding behind a cloud, had overheard them, and it was glad that the three butterflies stood by each other so nobly. It chased the clouds and the rain away, and beamed down on the garden and dried the butterflies’ wings. So they danced and played among the flowers for the rest of the day.

0-0-0

THE FLY AND THE BEE

A fly and a bee lived together. One day they were brewing beer in an eggshell, when the fly fell in and was drowned. Thereupon the bee began to cry.

‘Why are you crying, Bee ? ’ asked the door.

‘Because Fly is drowned.’

Then the door began to creak, and a broom in the corner asked, ‘Why are you creaking, Door ? ’

‘Why should I not creak ? ’ said the door.
‘Fly is drowned.
Bee is crying.’

Then the broom began to sweep, until a little pram trundled across the floor, and asked, ‘Why are you sweeping, Broom ? ’

‘Why should I not sweep ? ’ said the broom.
‘Fly is drowned.
Bee is crying,
Door is creaking.’

‘Then I must roll,’ said the pram, and it began to roll, till it came to the rubbish-heap, which asked, ‘Why are you rolling, Pram?’

‘Why should I not roll ? ’ said the pram.
‘Fly is drowned.
Bee is crying,
Door is creaking,
Broom is sweeping.’

‘Then I shall burn,’ said the rubbish-heap, and it began forthwith to burn with a bright flame.

A tree was standing nearby, and asked, ‘Why are you burning, Rubbish-heap?’

‘Why should I not burn ? ’ said the rubbish-heap.
‘Fly is drowned, «
Bee is crying,
Door is creaking.
Broom is sweeping,
Pram is rolling.’

‘Then I must shake myself,’ said the tree, and it began to shake itself till all the leaves fell to the ground.

A little girl, who was carrying a jug to the fountain, saw this and asked, ‘Why are you shaking, Tree ? ’

‘Why should I not shake ? ’ said the tree.
‘Fly is drowned,
Bee is crying,
Door is creaking,
Broom is sweeping,
Pram is rolling,
Rubbish-heap is burning.’

‘Then I shall break my jug,’ said the little girl, and she broke it.

Then the fountain asked, ‘Why have you broken your jug, little girl?’

‘Why should I not break my jug?’ said the little girl.
‘Fly is drowned,
Bee is crying,
Door is creaking,
Broom is sweeping,
Pram is rolling.
Rubbish-heap is burning,
Tree is shaking.’

‘Then I must begin to flow,’ said the fountain, and it began to gush forth water.

And the water washed everything away—the little girl, the tree, the rubbish-heap, the pram, the broom, the door, the bee and the fly.

Zie The turnip. Als je dit in een klas lager dan 4 uitvoerig hebt gedaan, zullen de kinderen in klas 4 zich dat zeker herinneren. Je kan het rijm/spel nu wat intellectueler benaderen, door naar de – ing vorm te gaan kijken. De kinderen leren dat je die gebruikt, als iets ‘gaande is, duurt.’
Zo leren ze in korte tijd makkelijker deze -ingvorm te gebruiken en ze leren veel werkwoorden weer opnieuw. Zie ook hier.

0-0-0

THE STORY OF THE FIVE FINGERS

Micki (the index finger), Licki (the middle finger), Kiki (the ring finger) and little Picki (the little finger) wanted to go for a walk together without their elder brother, big Tocki (the thumb). Tocki warned them, saying, ‘Don’t go out without me. You will come to no good! ’ But they paid no attention and set out on their walk.

‘I shall show you the way,’ said Micki.
‘I shall be in charge of you,’ said Licki, the biggest of them.
‘I shall bring back the treasures we find,’ said Kiki.
‘And I shall give you good counsel,’ said little Picki.

So on they went, Micki in front, then Licki, then Kiki (wearing the ring), and finally little Picki at the rear.

Before long they came to a river where the bridge had been washed away. The water flowed on and on and showed no signs of stopping.

‘You are the tallest of us,’ said little Picki to Licki. ‘Go along the river-bank and see if you can find any way across. Meanwhile, we will build a boat.’

So the three little ones went to look for wood to build a boat, and they found a big walnut.

‘If we can only split it in half,’ said little Picki, ‘we shall have a boat without much trouble.’

So Micki and Kiki seized the nut, one on each side, and pulled with all their might, until the nut split open. Then they hollowed it out, and dragged the shell to the river.

By this time Licki had returned, saying, ‘No way across, as far as I can see! ’

‘No need,’ said little Picki, and they all settled down in the nutshell. Little Picki steered, the others rowed, and they soon reached the other side without mishap.

On they went, and before long they came to a big garden, in which they found a huge pot full of honey. Micki clambered up and reached into the pot, and because the honey tasted so sweet, he reached further and further in.

The others were annoyed at this, for they wanted to continue with their walk, but in vain Licki ordered him to come out and show them the way. Kiki was afraid of robbers, and little Picki said, ‘If Micki will not show us the way, we shall come to grief.’

All at once they saw a huge bear towering over them. In a voice like thunder, the bear growled,

‘Now I have caught you, you thieves! No more honey for you. I’m going to gobble you all up! ’

The poor little fellows were so terrified that to begin with they could hardly utter a sound, but at last they all fell down in front of the bear, and pleaded, ‘Please, Mr Bear, don’t eat us up! We did not know that the garden belonged to you.’

But the bear paid no attention. He was just about to gobble them all up, when little Picki had a bright idea.

‘Dear Mr Bear,’ he said, ‘you only see four of us here, but our fifth brother, Tocki, is still at home. If you can wait for a little while, I will run home and fetch him. Then you will have all five of us for your meal.’

The bear was delighted to hear that he was going to have still more to eat.

As fast as he could little Picki ran home, and shouted, ‘Quickly, Tocki, come at once! The bear is going to gobble us up! ’

‘Did I not tell you not to go out without me ? ’ grumbled Tocki. But he seized an immense club and went with little Picki, and when they reached the honey-garden, they crept up quietly behind the bear, and Tocki killed him with a single blow of his club.

From that time onwards the four fingers never went out without Tocki, and no harm has ever come to them.

Licki has always remained in the middle, and big Tocki and little Picki go as scouts at either side. Tocki defends them all by his strength, and little Picki by his quick wits.

0-0-0-

COCK AND HEN IN THE WOOD

Cock and Hen once went to the wood to eat nuts. A nutshell stuck in Hen’s throat, and she lay gasping and choking. Cock ran to the well to fetch some water for Hen, saying, ‘Well, well, give me some water. I must take the water to Hen, who has swallowed a nutshell and is lying choking in the wood.’

But the well answered, ‘I can give you no water till you give me some leaves.’

So Cock ran to the lime tree. ‘Lime tree, lime tree, give me some leaves. I must take the leaves to the well, then the well will give me water, and I must take the water to Hen, who has swallowed a nutshell and is lying choking in the wood.’

‘I can give you no leaves till you give me a gold bangle’, replied the lime tree.

So Cock ran to the princess. ‘Princess, princess, give me a gold bangle. I must take the bangle to the lime tree, then the lime tree will give me leaves, and I must take the leaves to the well, then the well will give me water, and I must take the water to Hen, who has swallowed a nutshell and is lying choking in the wood.’

‘I can give you no gold bangle till you give me a pair of shoes,’ replied the princess.

So Cock ran to the cobbler. ‘Cobbler, cobbler, give me a pair of shoes. I must take the shoes to the princess, then the princess will give me a gold bangle, and I must take thè bangle to the/lime tree, then the lime tree will give me leaves, and I must take the leaves to the well, then the well will give me water, and I must take the water to Hen, who has swallowed a nutshell and is lying choking in the wood.’ ,

‘I can give you no shoes till you give me some bristles, replied the cobbler.

So Cock ran to the pig. ‘Pig, pig, give me some bristles. I must take the bristles to the cobbler, then the cobbler will give me shoes, and I must take the shoes to the princess, then the princess will give me a gold bangle, and I must take the bangle to the lime tree, then the lime tree will give me leaves, and I must take the leaves to the well, then the well will give me water, and I must take the water to Hen, who has swallowed a nutshell and is lying choking in the wood.’

‘I can give you no bristles till you give me some corn’, replied the pig.

So Cock ran to the thresher. Thresher, thresher, give me some corn. I must take the corn to the pig, then the pig will give me some bristles, and I must take the bristles to the cobbler, then the cobbler will give me shoes, and I must take the shoes to the princess, then the princess will give me a gold bangle, and I must take the bangle to the lime tree, then the lime tree will give me some leaves, and I must take the leaves to the well, then the well will give me water, and I must take the water to Hen, who has swallowed a nutshell and is lying choking in the wood.’

‘I cannot give you any corn till you give me some bread,’ replied the thresher.

So Cock ran to the baker. ‘Baker, baker, give me some bread. I must take the bread to the thresher, then the thresher will give me some corn, and I must take the corn to the pig, then the pig will give me some bristles, and I must take the bristles to the cobbler, then the cobbler will give me shoes, and I must take the shoes to the princess, then the princess will give me a gold bangle, and I must take the bangle to the lime tree, then the lime tree will give me leaves, and I must take the leaves to the well, then the well will give me water, and I must take the water to Hen, who has swallowed a nutshell and is lying choking in the wood.’

The baker was sorry for poor Cock, and gave him bread. So the thresher got his bread, the pig its corn, the cobbler his bristles, the princess her shoes, the lime tree its gold bangle, the well its leaves, and Cock his water. Cock took the water to Hen, who was still lying and gasping in the wood, choking on a nutshell, and Hen got better again.

0-0-0

RAG, TAG AND BOBTAIL

‘The nuts are ripe now,’ said Rag the cock to Tag the hen. ‘Let’s go up on to the hill and have a feast, before the squirrels get them all.’

‘Delighted,’ said Tag the hen. ‘Let’s go and make gluttons of ourselves.’

So off they went up the hill, and stayed there till evening.

Now I do not know whether it was because they had eaten so much, or just because they were growing uppish, but they simply refused to walk home, so Rag the cock made a fine little coach out of nutshells.

When it was ready, Tag the hen sat down inside it, and said to the cock, ‘Now, dear Rag, harness yourself! ’

But Rag would do nothing of the soft. ‘I would sooner walk home,’ he said, ‘than allow myself to be harnessed. I don’t mind being a coachman, but I will not be a horse! ’

While they were quarrelling thus, Bobtail the duck came rushing down the hill at them, angrily quacking, ‘You thieves, who gave you permission to eat nuts in my wood? Just you wait.’ And with wide-open beak and flapping wings, she flew at Rag the cock.

But Rag was ready for the attack, and struck back vigorously. He hacked away with his spurs at the poor duck, until she begged for mercy, and allowed herself to be harnessed to the coach as a punishment. Rag stood in front on the driving seat as the coachman.

Bobtail took the bit in her bill and pulled with all her might. The nutshell coach with its two plump passengers was almost too heavy for her to move, but at the third strong pull away went the coach down the hill, with Bobtail running in front as fast as her flat webbed feet would carry her.

When they had gone some distance they met two travellers, a darning needle and a sewing needle, who cried, ‘Stop, stop! Take us with you! It will soon be pitch dark, and it is so muddy on the track that we can go no further. We have run away from the tailor’s shop by the town gate, and we are looking for shelter for the night.’

They were thin folk, who took up little room, so they were allowed into the coach, but they had to promise not to prick Rag and Tag.

Late at night they came to an inn, and as Bobtail the duck was rather shaky on her feet, they decided to stay there. To begin with the innkeeper did not want to have them, but Rag the cock promised, ‘You shall have the egg which Tag laid on the way here, and you can keep Bobtail the duck, who lays an egg every day.’

So the innkeeper let them in, and they ordered an enormous meal.

Early next morning, while it was still dark and everyone was asleep, Rag wakened Tag, and they ate the egg between them, leaving the egg-shell on the hearth. Then Rag took the two needles, who were still sleeping, and stuck one of them in the innkeeper’s cushion and the other in his towel; and off he flew with Tag across the fields without saying a word to anyone.

Bobtail the duck was sleeping outside in the courtyard, but she was wakened by the sound of Rag and Tag flying past, so she plunged quickly into the stream and swam happily away.

A few hours later the innkeeper awoke. He washed his face and dried it on his towel, but the darning needle scratched across his face, and left a great red streak from one ear to the other. Then he went into the kitchen to light his pipe, and when he came to the hearth he saw the empty egg-shell lying there.

‘Nothing seems to be going right this morning,’ he grumbled, and sat down in his big armchair. But he quickly leapt up again, crying ‘Ouch!’ for the sewing needle had stuck deep into him.

By now he was angry, and suspected the visitors who had come so late the previous evening, but when he went to look for them, he found they had flown. So he swore that never again would he take such rag, tag and bobtail into his inn, to eat too much, to pay for nothing, and to play nasty tricks into the bargain.

0-0-0

THE MAGIC HORSE

There once lived a rich merchant who had a fine big garden behind his house, as well as a piece of land which he had planted with corn. One day, while he was strolling in his garden, he noticed that someone had been taking his corn. He resolved to catch the thief and have him punished. He called his three sons, Michael, George and John, and said, There was a thief in my field last night, and he has taken a great deal of my corn. I want you, my sons, to take turns in keeping watch at night. Whoever catches the thief shall be richly rewarded.’

The first night Michael, the eldest son, kept watch. He took pistols and a sharp sword with him, as well as food and drink, wrapped himself in a warm overcoat and settled down under a lilac tree. Soon, however, he was fast asleep, and when he woke up next day he saw that still more of the corn had been taken.

The next evening it was George’s turn to keep watch. He also took pistols and a sword with him, together with a stout cudgel and a length of ropp. But this good watchman fell asleep like the first, and next morning he found that the thief had been hard at work again.

The third night it was John’s turn. He took neither pistols nor sword with him, but gathered a ring of thorns and thistles round about himself. Every time he started to nod the thorns pricked his nose, and he was wide awake instantly. Towards midnight he heard a clippety-clop, clippety-clop, faintly in the distance to begin with, then closer and closer till he could hear it in the field in front of him … clippety-clop, clippety-clop.

Quietly John gathered up his rope, pushed the thorns and thistles aside, and crept silently forward. He saw a charming little horse! It allowed John to catch it without difficulty, and it followed him to the stable of its own accord.

Early next morning his brothers woke him. They laughed at him and made fun of him. ‘A fine watchman you are! ’ they taunted. ‘You did not even stick to your post through the night! ’

So John took his father and his brothers to the stable, where the wonderful horse stood, and no one knew where it had come from or to whom it belonged. It was finely built, and silvery white all over. The father was delighted, and gave it as a reward to John, who called it Corn-robber.

Some time after this the three brothers heard of a beautiful princess who lived, under a magic spell, in a castle on a mountain made of glass. The approach to the castle was so highly polished and so slippery that no one could reach it, but it was said that whoever could ride up to the castle without mishap, and then ride three times round about it, would thus release the princess from the magic spell and win her as his bride. Many young men had already made the attempt, but they had all slipped and fallen, and they lay dead at the foot of the glass mountain.

The three brothers thought they would like to try their luck. Michael and George bought beautiful and powerful steeds, and had them shod with specially sharp horseshoes, but John saddled his little Corn-robber, and off they set together.

Before long they reached the foot of the glass mountain. The eldest was first to make the attempt, but before he had gone far his horse slipped, and both horse and rider fell to the foot of the mountain, where they both lay still. The same thing happened to George, and both horse and rider came crashing to the bottom and lay where they had fallen. Then John set off up the mountain, clippety-clop, clippety-clop. The horse’s hooves rang out cheerfully on the glass, and before long they were at the summit. On they went, clippety-clop, just as if Corn-robber had trotted the same way many times before.

John dismounted at the massive castle door, and it opened to reveal the most beautiful princess he had ever seen, dressed from head to foot in silk and gold. Full of joy she welcomed him and embraced him. Then she turned to the pony, and said, ‘You little scoundrel, running away from me like that! I was allowed an hour’s freedom each night, when I could visit the green earth down below, but without you I was unable to get there at all. You must never leave us again! ’ So John realized that his Corn-robber was the princess’s magic pony.

It was not long before his two brothers recovered from their fall, but John never saw them again, for he lived happily with his bride in the magic castle on the glass mountain.

0-0-0

KING ADDER

A long, long, time ago a poor girl was servant to a farmer, who was very hard on her. At first cock-crow she had to jump out of bed, and go into the cowshed to milk the cows, and she worked hard early till late.

One morning, while she was milking the cows, she heard a small rustling sound in the straw on the floor, and looking down she saw a snake with a golden crown on its head gliding between her feet. At first the girl was petrified with fear, but she saw the adder eyeing the bucket hopefully, so she plucked up her courage and dipped the bucket down to let it drink.
It must have been very thirsty, for there was only a dribble of milk left in the bottom of the bucket when it had finished drinking. The poor girl took the bucket to the farmer’s wife in fear and trembling, expecting a severe scolding. But to her astonishment, so much milk flowed out of the bucket that three large bowls were filled instead of the usual one, and even the farmer’s sour-faced wife smiled at her.

From that day onwards the adder came to her every morning and every evening to drink milk. Whenever it had drunk, it gave the girl such a look of trust and gratitude that she forgot all her troubles and was filled with joy. Things continued in this way for a number of years, until the girl grew, and became the most beautiful girl in the whole village, so that all the young men were in love with her. She fell in love with a young farmer and promised to marry him.
At last came her wedding day. The dishes were steaming, the musicians were playing, and all the guests were making merry.
When the feast was at its height, an uncanny silence settled over the room, for the adder was seen gliding across the floor, straight for the bride and bridegroom. It slithered up the back of the bride’s chair and on to her right shoulder, and shook the golden crown off its head on to the empty plate. Then it glided away and disappeared for ever.

The bride took this glittering souvenir and put it in her purse. From that day forth her purse always had plenty of money in it, no matter how much she spent, so that she became the richest and most respected farmer’s wife in the whole district.

0-0-0

THE MOUSE, THE BIRD AND THE SAUSAGE

Once upon a time a mouse, a bird and a sausage lived in the same house. They shared the work, and for a long time they lived happily together. Every day the bird flew into the forest to collect firewood, the mouse brought the water, made the fire and set the table, and the sausage did the cooking.

One day this bird met another bird, and told it all about the fine life with the mouse and the sausage. But the other bird said, ‘You poor fool! You are wearing yourself away doing all the hard work, while the other two just sit at home and enjoy themselves. For the mouse, as soon as she has brought the water and lit the fire, lies down for a little nap, until it is time to set the table. The sausage just watches the pot to see that everything is all right, and when it is nearly dinner-time, he just rolls himself once or twice through the broth or vegetables, and they are buttered, salted and cooked.’

As soon as the bird came home and laid down his burden, they took their places at the table, and when the meal was over they lay down and slept till the following morning. What a splendid life!

But the next day the bird refused to fetch any more wood. ‘I have been a slave for long enough,’ he said. ‘We must change round and have turn and turn about.’

The mouse and the sausage did their best to persuade the bird, but he would not give way. They drew lots to decide which work each must do, and from now on the sausage was to fetch the wood, the mouse was to do the cooking, and the bird was to fetch water.

What happened ?

The sausage went out for wood, the bird laid the fire, and the mouse stayed and watched the pot. They waited for the sausage to come home with the wood, but he was such a long time away that they were afraid something had happened to him. So the bird flew out to look for him.

Not far away he found a dog, who had seized the poor sausage and swallowed him. The bird scolded the dog angrily, but that did not help to bring the sausage back again.

Sorrowfully the bird picked up the wood, and flew home to tell the mouse the sad story. They were very downhearted, but decided to stay together, just the two of them.

So the bird set the table for two, while the mouse climbed into the pot, as she had seen the sausage do, to stir up the vegetables. But alas, she was boiled alive.

When the bird came to put the food on the table, he found no cook there. In distress he threw the wood on the floor, called and shouted, and looked all over the place, but no cook was to be found. Because of his carelessness the wood caught fire, and the bird ran to fetch water. As he leant over the well to let down the bucket, he fell in and was drowned.

If you are well off, don’t be discontented and start looking for something better.

0-0-0

THE STRAW, THE COAL AND THE BEAN

An old woman had just enough beans left to cook a single meal. She lit the fire, and heaped on a big handful of straw, so that it would burn up more quickly; and she emptied the beans into the pan. But one bean fell out on to the hearth and came to rest beside a piece of straw. A lump of red-hot coal jumped out of the fire, and landed beside them.

‘Dear friends,’ said the straw, ‘where have you come from ? ’

‘Luckily I was able to escape from the fire,’ replied the coal, ‘or I should have been burnt to ashes.’

‘I also was fortunate to escape with a whole skin,’ said the bean. ‘I should have been cooked to a pulp like my comrades, if the old woman had managed to put me in the pan.’

‘I should certainly have fared no better,’ said the straw. ‘The old woman sent all my brothers up the chimney in smoke – sixty of us were seized and thrown mercilessly into the fire. I alone managed to escape.’

‘What ought we to do ? ’ asked the coal.

‘We have all escaped disaster,’ said the bean. i propose that we should stick together, and go out into the world to seek our fortunes.’

This proposal suited the other two very well, so off they set. But soon they came to a small stream. There was no bridge and they were unable to cross over.

Suddenly the straw had a bright idea, and said, T will lie across the stream, and you two can walk over me.’

So he stretched himself from one bank to the other. The coal was a brave young fellow and he stepped boldly on to the bridge. Half-way across, however, when he saw the water rushing and foaming beneath him, he grew afraid and came to a halt. He was still red-hot and he burnt through the middle of the straw, which broke in two, so that they both fell into the stream and were drowned.

This set the bean laughing, and he laughed so long and loud that he split his sides. Now this would have been the end of him, had a tailor not been passing that way. The tailor took pity on the poor bean, and with needle and thread from his pocket he sewed up the slit. He only had black thread with him, and so from that day to this all beans have had a black seam down their sides.

0-0-0

THE SERVANT LASS

A mother had seven sons, who were far away, and a little daughter, who lived with her at home.
As the girl grew older, people used to say to her, ‘How lucky you are, having seven brothers! ’
So she went to her mother one day, and said, ‘Mother, have I really seven brothers ? ’
And the mother said, ‘Of course you have, but they are living a long way from home.’
‘Let me take our servant lass,’ said the girl, ‘and go to look for my brothers.’
So her mother sent her forth with the servant lass. The daughter rode on horseback and the servant lass sat behind her.

When they had gone some distance they came to a spring. The sun was hot and the girl was very thirsty, so she jumped from her horse, and went for a drink of water. While she was drinking, the servant lass took hold of the horse’s reins and rode off, leaving the poor girl to follow on foot.

When they came to the place where the seven brothers lived, the young men took the servant lass for her mistress, and left their real sister to look after the poultry.

The servant lass was given a golden chair to sit on, and a golden apple to play with, but the real sister was left to weep amidst the geese and the hens.

Before long, however, the brothers discovered how the servant lass had tricked them. They put their true sister
in the golden chair, and gave her the golden apple to play with. But the servant lass was beaten soundly, and put out of doors to look after the geese and the hens.

0-0-0

WILD ROSE

A very long time ago there lived a king and queen, who used to sigh every day and say, ‘If only we had a child! ’ But the years went by, and no child came.
Then one day, when the queen was bathing, a frog hopped out of the pool and spoke to her.
‘Your wish will be fulfilled,’ it said. ‘Within a year you will bring a daughter into the world.’
And so it happened. The queen had a baby daughter, who was so lovely to look at that the king was beside himself with joy, and gave a great banquet to celebrate. He invited not only friends and relations, but also the Wise Women, for he wanted them to be well-disposed towards the child. There were thirteen of these Wise Women in the kingdom, but as he had only twelve golden plates left, he asked only twelve of them.

The banquet was truly magnificent. When it was over, the Wise Women bestowed their magic gifts on the baby, who had been called Wild Rose. One gave her beauty, another virtue, a third wealth, and so on, until the baby had everything that might be desired in the world.

When eleven of them had announced their gifts, the thirteenth came in, furious that she had not been invited to the banquet, and eager to avenge herself of the insult. Without a word of greeting, without looking to right or left, she pointed at the baby and cried:.,‘The princess shall prick herself on a spindle in her fifteenth year, and shall fall down dead! ’ So saying, she turned on her heel and left the room.

Everyone was dismayed, but the twelfth Wise Woman, who had not yet bestowed her gift, stepped forward. She could not cancel the evil promise, but she could at least soften it. ‘The princess will not die, but she will sleep for a hundred years,’ she said.

Now the king wanted to safeguard Wild Rose, so he ordered that all the spindles in the kingdom were to be burnt. In the meantime, all the good gifts of the Wise Women showed themselves in the princess, who grew up beautiful, gentle, polite and friendly, so that everyone was fond of her.

Now it happened that on the princess’s fifteenth birthday the king and queen were away from home, and she was left alone in the castle. She wandered about through all the rooms, and came at last to an old tower. She climbed a narrow spiral staircase, and at the very top she found a little door, with an old rusty key in the keyhole. As the key grated in the lock the door sprang open, and there in a tiny little room sat an old woman at her spinning wheel, busily spinning a fine flaxen thread. ‘Good-day,’ said Wild Rose. ‘What are you doing?’ ‘I am spinning,’ said the old woman, with a nod. ‘What is that strange-looking thing, that turns round so merrily ? ’ said the princess, stretching out her hand to feel it. But as she touched the spindle, she pricked her finger and the magic spell was fulfilled.
At the very moment when she felt the prick, she fell into a deep sleep. And this sleep spread itself throughout the castle. The king and queen, who had just returned, fell asleep with their whole court in the great hall. The horses slept in the stables, the dogs slept in the courtyard, the doves slept on the roof, and the flies slept on the walls; even the fire, which was flickering away merrily on the hearth, died down, and the roast meat on the spits stopped sizzling. The cook, who was pulling the scullery-boy’s hair because he had forgotten something, let him go, and the kitchen-maid, who was plucking a black chicken, let go of the handful of feathers she was about to pull. Everybody slept. Even the wind died down, so that there was not the faintest breeze to flutter the leaves on the trees which grew in the castle gardens. –

All round the castle a hedge of thorns began to grow. Year after year, it grew higher and higher, until at last it completely surrounded the castle, and not even the flag on the topmost tower could be seen from the other side.

The story of the beautiful Wild Rose spread far and wide, and from time to time kings’ sons would come to try to find a way through the hedge into the castle. But none succeeded, for the thorns clung closely together as if they had hands, and the young men became entangled in them and could not escape.

After many a long year, a king’s son came into the country and heard from an old man the story of the hedge of thorns, of the castle inside, and of the beautiful princess called Wild Rose, who, together with the king and queen and the whole court, had been sleeping for a hundred years. He had already heard from his grandfather how a great many princes had tried to cut a way through the thorns and had come to grief, but he was determined to try his luck. I am not afraid! ’ he said. I will go and see this beautiful Wild Rose for myself.’

The hundred years had now passed by, and it was time for Wild Rose to wake up again, so when the prince approached the hedge of thorns, he found nothing but flowers, which parted of their own accord to let him – through unharmed, then gently closed again behind him. In the courtyard he saw the dappled hounds and the horses in the stables, all lying asleep. The doves sat on the roof with their heads tucked under their wings, and when he went inside, he found the flies still asleep on the walls, the cook’s hand outstretched towards the scullery-boy, and the maid, fast asleep, clutching the black hen which she had been plucking.

On went the prince, and found the whole court lying asleep in the great hall, with the king and queen asleep on their thrones. On he went, with everything so still that he could hear himself breathe, until he came to the tower with the spiral staircase and the little door, which led into the attic room where Wild Rose lay sleeping.

She was so beautiful as she lay there that he could not take his eyes from her, and he bent down to give her a kiss. No sooner had he kissed her, than Wild Rose opened her eyes and smiled sweetly up at him. They went downstairs hand in hand, and the king and queen, with the court, woke up. The horses in the stables stirred and shook themselves; the hounds in the courtyard leaped up and wagged their tails; the doves on the roof pulled their heads from under their wings, blinked and flew off to the woods; the flies crawled up the walls, the fire burst into flame, and the roast meat on the spits began to sizzle; the cook gave the scullery-boy a box on the ear, and the maid finished plucking the black hen.

The prince and Wild Rose were married and they lived happily ever after.

0-0-0

BEAUTY AND THE BEAST

Once upon a time there lived a merchant who travelled a great deal in foreign parts. Once, as he was saying goodbye to his three daughters, he said, ‘My dear daughters, what would you like me to bring home for you ? ’

‘Dearest Father,’ said the eldest, ‘please bring me a beautiful pearl necklace.’
I should like a sparkling diamond ring,’ said the middle one.
But the youngest one whispered shyly, ‘Father, please bring me a green hazel twig, as a sign that you have not forgotten me.’

So the merchant set off on his travels. His affairs prospered, and he did not forget his daughters. He packed the pearl necklace and the diamond ring in his bag, but no matter how hard he searched, he was unable to find a green hazel twig.

He was still distressed about this when, on his way home, he came to a dark forest. As the track led through the thick undergrowth, he felt something brush against his face. There was a sound like hailstones falling to the ground, and when he looked up he saw a beautiful green hazel twig, with golden nuts hanging on it. He was overjoyed, and stretched up his hand to break it off.

At that very moment a huge bear shot out of the undergrowth, uncovering its fangs in a dreadful snarl. It towered up on its hind legs as if about to rend the merchant limb from limb, and roared, ‘Why have you broken my hazel twig ? ’

‘Dear bear,’ said the merchant, quivering with fear, ‘let me take the hazel twig and go home in peace, and I will send you an enormous ham, and as many sausages as you can eat.’

‘Keep your ham, and your sausages,’ bellowed the bear. ‘You may go only if you promise to give me the first living creature that comes to meet you when you return home.’

The merchant promised. He felt sure that his dog would be the first creature to come runnihg to him, and he did not mind sacrificing the dog in order to save his own life.

So the bear padded off into the forest and the merchant continued his homeward journey, with the golden hazel twig glittering in his hat. To his horror, as he approached his house, he saw his youngest daughter running to meet him, while the dog stood on the doorstep behind her. In great distress he told his family what had happened when he broke the hazel twig, and they were filled with dread.

A few days later a black carriage drew up in front of the house, and out of it stepped the ugly great bear. With a growl and a snarl he padded into the house, and there he insisted that the father should keep his promise. There was no help for it, and the poor girl had to go. Sad at heart she said good-bye, and off she went in the carriage with her horrible bridegroom.

Once outside, the bear laid his shaggy head in the girl’s lap, and growled, ‘Stroke my head, scratch my ears and tickle my chin – or I will eat you.’

The girl stroked and scratched him so gently that the bear was delighted. The carriage flew along more swiftly than the wind, and it seemed as though the black horses had grown wings. Soon they came to the dark forest and the carriage came to a halt at the entrance to a cave. This was the bear’s dwelling. How terrified the girl was when she saw the black cave gaping among the rocks! Nor was her terror any the less when the bear clasped her round the waist with his huge hairy arm, and whispered gently, ‘Here you are to live and be content; but you must do what I tell you, or my wild beasts will eat you.’ They stepped forward into the cave. The bear pushed open a massive iron gate, and they entered a room which was full of poisonous snakes, whose tongues darted out towards them. The bear growled into his bride’s ear. Take great care to look neither to right nor to left – then you will be safe.’

The girl passed through the room looking neither to right nor to left, and no snake touched her. And so they passed on to the next room, and again, as they crossed the threshold, the bear growled, ‘Look neither to right nor to left – then you will be safe!’ In this way they passed through ten rooms, and the eleventh room was full of all the most horrible of monsters – dragons, poisonous toads and serpents. Again the bear growled, ‘Look neither to right nor to left – then you will be safe! ’

The girl trembled with fear, but she remained steadfast and looked neither to right nor to left, and passed safely through the eleventh room.

So they reached the twelfth room, and there a brilliant light gleamed through the open door, and the girl could hear music, and sounds of joy and great jubilation. There came a clap of thunder, and then deep silence.

In that clap of thunder forest, cave, monsters, bear – all vanished. Before her rose a splendid castle, crowned with turrets of gold, with a host of servants standing to welcome her at the gate; and at her side, instead of the huge, growling bear, stood a young man, a prince, tall and handsome. He joyfully kissed his bride, thanking her for releasing him, through her courage, from the spell which had bound him. The hazel twig had been the key to her , good fortune.

Her father and her sisters were invited to the castle for the wedding. The prince and his bride were married, and they all lived happily ever after.

0-0-0

THE MAN WHO KEPT HOUSE

There was once a man who was always grumbling and dissatisfied. Never could his wife work hard enough, or do anything right in the house.

One evening at harvest-time he came home late from the fields, and at once began to scold and to find fault with his wife, so that it was quite dreadful to hear him.

‘Don’t be so bad-tempered, you old ninny,’ said his wife. ‘Tomorrow we will change places. I will go out into the fields with the harvesters, and you shall do the housework.’

That suited him very well, so early next morning the woman laid the scythe over her shoulder and went off to the fields with the harvesters, while the man stayed at home.

To begin with he thought he would churn some butter, so he filled the butter-tub with cream and churned for a while. But soon he felt thirsty, so he went down to the cellar to fetch a jug of beer. He pulled the bung out of the barrel, and let the beer run into the jug.

Suddenly he heard a pig scampering around in the kitchen overhead, so he raced upstairs at once with the bung still in his hand, for he was afraid that the pig might upset the butter-tub.

He was too late, however; the tub lay on its side, and the pig was busy lapping up the cream, which was running all over tHe floor. This put him in a rage and he chased the pig across the room, and felled it with a blow.

He then realized that he was still clasping the bung in his hand, so he rushed down to the cellar, only to find that all the beer had flowed away, and the barrel was empty.

Back he went to the dairy, and once more filled the butter-tub with cream, which he proceeded to churn, for he wanted butter for his lunch. After he had been stirring for a while he realized that the cow had been left in the cowshed, without anything to eat or drink.

It was too late now to drive her out to pasture, but he thought he would put her on the roof, which had a thick covering of fine rich grass. The house lay on a steep slope, and he thought he would lay a plank from the hillside on to the roof, so that he could bring the cow across.

But he did not want to leave the butter-tub lying in the kitchen, for his little boy was crawling around the floor and might easily upset it, so he took it on his back and out he went.

Before leading the cow on to the roof, he wanted to give her a drink. He took a bucket and filled it at the spring, but as he bent down all the cream poured out of ‘ the butter-tub, down his neck and into the water.

It was now almost lunch-time. He had had no luck with the butter, so he thought he would cook some gruel. He filled a big pot with water and hung it over the fire. Then it occurred to him that the cow might fall off the roof and break her leg, or even her neck, so he took a rope, went  up on to the roof, and tied one end of it round the cow’s neck. He threw the other end down the chimney, returned to the kitchen, and fastened the rope round his own leg.

The milk was just beginning to boil, so he began to stir in the oatmeal, but suddenly the cow fell off the roof, and jerked the man halfway up the chimney on the end of the rope. There he hung, able to move neither up nor down, while the cow hung down in front of the house, suspended between heaven and earth.

The good wife waited and waited for her husband to bring her lunch, but there was no sign of him. Eventually she grew tired of waiting, and went home to see what was happening.

There she saw the cow hanging between heaven and earth, so she reached up and cut the rope with her scythe, and the cow landed happily on four legs. But the man fell down the chimney, and when the woman went into the kitchen she found him standing on his head in the pot of gruel with his legs waving in the air.

0-0-0

THE SHERPHERD AND THE DWARF

A great many years ago there lived a poor shepherd who had seven sheep, which he grazed on a high mountain slope. One day he was leaning on his crook and thinking of his children at home, for times were hard, and he was very poor.

Speaking quietly to himself, he murmured, ‘My poor children, if only I could give you enough to eat every day!’

Scarcely had the words left his lips when a little dwarf stood before him, with a red cap and a long straggly-beard. ‘Come with me,’ said the dwarf, ‘and I will show you something worth seeing.’ So the shepherd followed him.

Now the dwarf was holding a root in his hand, and the shepherd went after him until he came to a halt at the foot of a steep cliff. Three times he raised the root and struck the rock, and it split open with a clap of thunder, revealing a deep dark cave. The dwarf stepped inside, followed by the shepherd.

At the back of the cave burnt a fire, where many sooty-faced dwarfs were at work, forging all sorts of costly and beautiful things out of gold – crowns and chains, rings and bowls, cups and bangles. The shepherd’s eyes almost popped out of his head at the sight of so much gold. ‘Take as much as you want,’ said the dwarf, ‘but don’t forget the most important thing of all.’ So saying, he laid the root on the ground and vanished.

The shepherd had no need to be told twice, but stuffed all his pockets with gold and set off home. The moment he set foot outside the cave, the rocks clapped together with another peal of thunder.

The gold enabled the poor shepherd to buy food and shoes and clothing for his children for some time, but at last these good times came to an end. Day after day he wandered up and down the cliff face looking for the entrance to the cave, but the mountain remained closed for ever, for he had forgotten the most important thing of all – the magic root!

0-0-0

THE THREE GOATS CALLED HUURICANE

There once lived three goats, who set out to graze on the hillside. All three were called Hurricane.

On the way to the pasture there was a bridge over a river, and under the bridge lived a horrible great troll with eyes as big as saucers, and a nose as long as a broomstick.

The first goat came trotting along, and wanted to cross. Clippety-clop, clippety-clop he clattered on to the bridge.

‘Who’s that trotting on my bridge?’ boomed the troll.

‘It is I, the little goat Hurricane,’ replied the goat in his small high voice. ‘I am going up the hillside to graze.’

‘Just you wait, I’m coming up to catch you!’ boomed the troll.

‘I shouldn’t waste time catching me,’ said the goat. I am still very small. Just wait a few moments for the other goat Hurricane. He is much bigger than I am! ’

‘All right,’ boomed the troll.

Not long afterwards the second goat came trotting along and wanted to cross. Clippety-clop, clippety-clop he clattered on to the bridge.

‘Who’s that trotting’on my bridge ?’ boomed the troll.

‘It is I, the second goat Hurricane,’ replied the goat, in his stronger, deeper voice. ‘I am going up the hillside to graze.’

‘Just you wait, I’m coming up to catch you! ’ boomed the troll.

‘Oh, I shouldn’t bother about me,’ said the goat. ‘Why not wait for the big goat Hurricane ? He is much bigger than l am!’

‘All right,’ boomed the troll.

By and by along came the big goat. Bonk! bonk! bonk! bonk! he tramped on to the bridge.

‘Who’s that tramping on my bridge ?’ boomed the troll.

‘It is I, the big goat Hurricane,’reploed the goat in the strongest, deepest voice.

‘So it’s you at last,’ boomed the troll. ‘I’m coming up to catch you! ’

‘Come along then,’ replied the big goat Hurricane. ‘I have two fine spears on my head, and it won’t take me long to deal with a fat old ugly brute like you! ’

So the goat lowered his horns and hurled himself at the troll. He battered him with his hooves and tossed him into the river. Then he went to join the other two on the hillside.

And the three goats ate so much that they grew fatter and fatter, until they could hardly move. If they have not burst yet, I suppose they must still be eating.

0-0-0

THE WOLF AND THE SEVEN KIDS

There was once an old goat, who had seven kids whom she loved dearly, as a mother loves her children. One day when she was going into the forest to look for food, she called her seven kids to her and said: ‘My dear children, be on your guard against the wicked wolf while I am away in the forest, and lock the door. If he should get into the house, he will certainly gobble you all up. The villain often disguises himself, but you will easily be able to recognize him by his black paws and his gruff voice.’

‘Dearest Mother,’ said the kids, ‘we will take great care; there is no need to worry about us.’ So the mother goat bleated good-bye, and trotted cheerfully away; and the kids locked the door.

Not long afterwards there was a knocking at the door, and a voice called, ‘Open the door, dear children. It is your mother, and I have brought home something for each of you.’

But the kids heard the gruff voice, and they knew that it was the wolf. ‘We will not open the door,’ they shouted. ‘You are not our mother, for she has a soft gentle voice, and your voice is gruff. You are the wolf.’

So the wolf went to a shop and bought a big stick of chalk, which he swallowed, in order to soften his voice. Back he went and knocked again at the door, calling, ‘Open the door, dear children. It is your mother, and I have brought home something for each of you.’ But the wolf had laid his black paws on the window-sill, and the kids saw them and called back, ‘We will not open the door. You are not our mother, for her feet are not black. You are the wolf.’

So the wolf went to the baker’s shop and said, ‘I have hprt my paw. Please plaster some dough on it.’ When the baker had done this, the wolf ran off to the miller and said, ‘Please powder my paw with flour.’

Now the miller suspected that the wolf intended to deceive someone, and he refused, but the wolf said, ‘If you don’t do what I tell you, I’ll gobble you up.’ So the miller was afraid, and powdered the wolf’s paw with flour.

For the third time the scoundrel went to the house and knocked on the door, saying, ‘Open the door, dear children. It is your mother home again, and I have brought something for each of you from the forest.’

‘Show us your foot,’ cried the kids, ‘so that we may tell if you are really our mother.’

So the wolf laid his paw on the window-sill, and they saw how white it was and thought it really was their mother, so they unlocked the door.

In came the wolf! The kids were terified, and tried to hide. One dashed under the table, one under the bedclothes, the third into the oven, the fourth into a drawer, the fifth into a cupboard, the sixth under a basin, and the seventh inside the grandfather clock. But the wolf found them and gobbled them up one after the other — all except the youngest one, who was hiding inside the grandfather clock. When the wolf had finished his meal, he trotted outside, sauntered across the meadow, and lay down beneath a tree to sleep.

By and by the mother goat came home from the forest. What a shock it was to her to see the door standing open, tables, chairs, and benches thrown all over the place, dishes smashed to smithereens, blankets and pillows dragged off the bed! She looked for her children, but they were nowhere to be found. She called them one after the other by name, but no one answered, until she came to the youngest of all. Then she heard a faint voice calling, ‘Here I am, Mother, in the grandfather clock.’ So she pulled him out, and the little fellow told her the sad story of how the wolf had gobbled up all his brothers and sisters. You can imagine how she wept for her poor children !

In her grief she left the house, and the youngest little kid ran along beside her. When they came to the meadow they found the wolf lying under a tree, snoring so loudly that the branches were quivering. She examined the wolf from all sides, and saw that something was moving and struggling in his great fat stomach. ‘Good gracious!’ she said. ‘Can it be possible that my poor children are still living ? ’

So she sent the little kid home for scissors, needle and thread, and when he returned she quickly cut open the wolf’s stomach. Hardly had she made the first cut when one little kid thrust his head out, and with each cut another little kid appeared, until all six of them were jumping and skipping round her. They had not come to the slightest harm, for the wolf in his greed had swallowed them whole. What rejoicing there was, as they kissed their dear mother and skipped about for joy!

‘Run and fetch me some big stones,’ said the mother goat, ‘so that I can fill the scoundrel’s stomach while he lies sleeping.’ So the seven kids ran quickly and brought seven stones, each as big as themselves, and stuffed them into the wolf’s stomach. Quick as thought the mother goat sewed the stomach up again, but very gently, so that the wolf did not even stir in his sleep.

When at last the wolf did wake up, he dragged himself to his feet, and went to look for a drink because the stones inside had made him thirsty. But the stones bumped against each other and rattled when he began to walk, so that he cried out, ‘Whatever is this fearful rattling and bumping going on inside me ? I thought it was six tender little kids I had eaten but it feels more like six great boulders! ’

He struggled over to the well and bent down to drink, but the weight of the seven stones pulled him in and he was drowned. When the seven kids saw this they came running up, crying at the top of their voices, ‘The wolf is dead! The wolf is dead! ’ And they danced round the well for joy.

0-0-0

THE FOX AS SHEPHERD

A farmer’s widow went to look for someone to take care of her animals. On the way she met a bear.

‘Where are you going ? ’ asked the bear.

‘I’m going to look for a shepherd,’ replied the woman. ‘I’ll look after your animals for you,’ said the bear. ‘How will you call them to come to you?’ asked the woman.

‘Gr-r-r-r-r-r,’ growled the bear.

‘No, that won’t do at all,’ said the woman, and she went on her way.

By and by she met a wolf. ‘Where are you going ? ’ asked the wolf.

‘I’m going to look for a shepherd,’ replied the woman. ‘I’ll look after your animals for you,’ said the wolf. ‘How Will you call them to come to you?’ asked the ‘woman.

‘Uhoohoohoohooooo! ’ howled the wolf.

‘No, that won’t do,’ said the woman, and she went on. Not long after that she met a fox. ‘Where are you going ? ’ asked the fox.

‘I’m going to look for a shepherd,’ replied the woman. ‘I’ll look after your animals for you,’ said the fox.

‘How will you call them to come to you ? ’ asked the woman.

‘Dil-dal-hollow, dil-dal-hollow,’ sang the fox, in a fine, deep, tuneful voice.

‘That will do very well,’ said the woman, and she engaged the fox on the spot to take care of her animals.

On the first day, when the fox was taking the animals out to the meadow, he gobbled up all the goats; on the second day he made a good tasty meal of sheep; on the third day it was the cows’ turn. When he came home in the evening, the woman asked him where he had left all the animals.

‘Oh, they are out there on the banks of the stream and in among the bushes,’ said the fox. Now the woman was standing by her butter-tub churning cream to make butter, but when she heard this she stepped outside to have a look for her animals. While her back was turned, the fox stuck his head into the butter-tub and gobbled up all the cream. The woman was furious, chased him with her cream whisk, and hit him on the tip of his tail as he ran away.

And that is why the fox has a white tip to his tail to this day.

0-0-0

THE COCK AND THE NEIGHBOUR’S HEN

A man had a cock who could do all sorts of clever tricks, and the woman next door had a hen, who tried to imitate this cock in everything he did. Now one day the man said to his cock, ‘Fly away and bring me money – plenty of it! ’ So off flew the cock, straight to the palace, where he perched on the canopy above the emperor’s bed, and crowed loudly:

‘Cock-a-doodle-doo!
Fi! Fi! Fi!

The emperor is a lazy loon.
He stays in bed till afternoon! ’

The emperor was furious, and ordered his footmen to

lock the shameless bird up in the barn. But the cock ate all the grain, flew out of a hole in the roof, and once again perched on the canopy above the emperor’s bed, crowing more loudly than ever.

‘Cock-a-doodle-doo!

Fi! Fi! Fi!

The emperor is a lazy loon.

He stays in bed till afternoon ! ’

The emperor was purple with rage, and ordered his footmen to shut the impertinent bird in the Copper Treasury. But the cock gobbled up all the copper, flew back to the emperor’s bed, and crowed again. Thereupon he was locked in the Silver Treasury, where he gobbled up all the silver. Then he flew back to the emperor’s bed and crowed again. Thereupon he was locked in the Gold Treasury. The cock gobbled up all the gold, and flew off home.

On the way home he dropped a penny, which fell into a puddle. When he saw his master’s house in the distance, he crowed, ‘Spread out all your cloths and sacks, I’m coming! ’

So the man made haste to spread out all the cloths he had, and scarcely had he done this when the cock  flew up and filled them all with grain, copper, silver and gold.

The woman next door was extremely envious, for she also would have liked to become rich in such an easy manner. So she asked her neighbour how he had trained his cock to bring him so many fine things.

‘I just gave him a good beating,’ said the man.

So the woman gave her poor hen a sound beating, and said, ‘Off you go, and bring me as much money as the neighbour’s cock brought him! ’

‘All right,’ replied the hen, ‘I won’t be long.’ Off she flew until she came to the puddle where the cock had dropped the penny. This pleased her greatly, and she lapped it all up – puddle and penny and dirt and all. Back she waddled, weighed down with all she had swallowed, and from far off she squawked to her good woman: ‘Spread out all your cloths and sacks, I’m coming! ’

Quick as lightning the woman spread out all the cloths which she had made ready, but the hen filled them all with puddle water and dirt and the single penny.

The cock noticed the penny, gobbled it up, and cried, ‘That one is mine – you are welcome to the rest! ’

Never again did the hen try to imitate the neighbour’s cock.

0-0-0

THE BREMEN TOWN MUSICIANS

A man had a donkey, who for many a long year had carried his sacks to the mill. But now the donkey was growing old and was not fit for work, so his master thought that the poor animal was no longer worth his keep. The donkey well realized that his master held no good intentions towards him, so he ran away on the road to Bremen.

Before he had gone far he met a dog lying panting by the roadside.

‘What’s the matter with you, old fellow?’ asked the donkey.

‘Alas!’ said the dog, ‘I am growing old and weak, and cannot hunt any longer for my master. He wanted to kill me, so I ran away from home, but how I am going to earn my food is more than I can guess.’

‘Now you listen to me,’ said the donkey. I am going to Bremen to join the town band. Why not come with me, and try your hand at music ? I’ll play the lute, and you can beat the drum.’ The dog thought this was an excellent idea, so off they went together towards Bremen.

Before long they met a cat sitting by the wayside, with a face as long as three rainy days.

‘What’s worrying you, old whiskers?’ asked the donkey. ‘How can I look happy,’ replied the cat, ‘when my life is in danger? I am old, my teeth are no longer sharp, and I prefer to lie in front of the fire rather than to hunt mice. My mistress thinks I am not worth my keep. She wanted to drown me, so I ran away. But where can I go? ’

‘Come along with us to Bremen! You know all about serenading, so you can become a town musician with us.’ This suited the cat very well, so off she went with the dog and the donkey. By and by they came to a farm-yard, where the cock was perched on the gate, crowing with all his might.

‘You are making enough noise to waken the dead! ’ said the donkey. ‘What’s the trouble?’

‘Tomorrow is Sunday and we are having guests to dinner,’ said the cock. ‘The good lady of the house means to have chicken soup, and I am to have my head cut off this very evening. So I am crowing at the top of my voice while there is stil 1 breath left in me.’

‘But why not come along with us, red-comb! ’ said the donkey. ‘We are going to Bremen to be town musicians, and you have a fine powerful voice.ySö the cock fell in with this plan, and all four of them went on together.

But they were unable to reach Bremen in one day, and as it grew dark they came to a wood, and there they proposed to spend the night. The donkey and the dog curled

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

2574-2409
.

.

.

.

.