Nog is het herfst, maar de gloeiende kleuren aan de bomen zijn verdwenen. De laatste herinnering aan de zomerzon is met de winden weggeblazen. De avonden worden langer en we maken het gezellig in huis. Een eerste poging om licht en warmte van binnenuit te laten ontstaan, was het sintmaartenslampje.
Uit de knol werd materie weggehaald om ruimte te scheppen voor het licht. In de wand rondom sneden we figuren ‘zon ende maan ende sterren’, als vensters waardoor het licht naar buiten kan stralen.
In de ‘donkere’ middeleeuwen zoals ze later in de Renaissance werden genoemd, in drie eeuwen tijds van ongeveer 1050 tot 1350, ontstonden die machtige bouwwerken die wij nu in deze chaotische tijden ervaren als oasen van rust en concentratie, van ordening en strenge vorm: de grote kathedrale kerken. Ze ontstonden door het werk van vele, vele vlijtige handen, en vaak ten koste van ontzaglijk veel moeite en zorg en leed. Steeds hoger rezen de geweldige muren op, steeds gewaagder werd de overspanning van de gewelven.
Als je er vanbuiten tegenaan kijkt en er tegenop, dan lijkt het een te groot, onoverzichtelijk brok steen dat stevig op de aarde is gegrondvest. Zodra je binnen gaat in dat onmetelijk grote bouwwerk, is het of je uit jezelf wordt getild. Je moet gaan zitten op een stoel om het contact met de aarde niet te verliezen. Je wordt
meegetrokken tussen al die omhoogstrevende lijnen van zuilen en muren. Je wordt duizelig van de hoogte. Maar als je rondkijkt, dan vind je een rustpunt: de vensters die het hemellicht doorlaten, gebroken in fonkelende kleuren. De glazeniers van de middeleeuwen gebruikten het vuur om hun glasplaten die prachtige kleuren te geven. Zij mengden zuiver rivierzand met as van verbrand beukenhout en verkoolde varens en wat keukenzout. Dat mengsel werd langzaam verhit en tot smelten gebracht, urenlang. Door het toevoegen van metaaloxyden ontstonden de hoofdkleuren: rood, groen, geel en blauw.
Die oude, gebrandschilderde kerkramen zijn van zo’n adembenemende schoonheid, dat ze je kunnen ontroeren tot in het diepst van je ziel. Als de zon op de ramen schijnt, worden ze transparant, en de kleuren gaan glanzen en gloeien. Je voelt je licht en warm worden als je ernaar kijkt. Het is of ons door die vensters heen iets tegemoet straalt van het innerlijk vuur, dat de mensen van toen verwarmd moet hebben, en waardoor zij zulke machtige bouwwerken met elkaar tot stand konden brengen.
In die tijd van de bouw der kathedralen leefden de heiligen. Sommige van hen begeleiden ons op weg door het jaar heen. Juist in deze maanden, als het buiten sneller donker wordt, de uiterlijke warmte en het licht afnemen, is het of steeds meer lichtende gestalten om ons heen komen staan. Heiligen zijn als de vensters van een middeleeuwse kathedraal. Zij zijn ‘doorschijnend’, transparant voor een licht dat niet van deze aarde is. Het is dit licht, dat de schilders uit die tijd hebben getracht weer te geven door de gouden stralenkrans om het hoofd van de afgebeelde heilige, de aureool. Alle heiligen hebben hun leven in dienst gesteld van het licht. Dat hebben zij ieder op hun eigen wijze gedaan. Toch is er dat ene gemeenschappelijk: wat zij aan hoon, laster, armoede, ziekte, pijn, verdriet, twijfel en wanhoop doormaakten, werd gelouterd door het innerlijk vuur van hun streven. Het is of door dat vuurproces de rijke, glanzende kleuren ontstonden van de heiligenlegenden.
Een rij stralende gestalten die ons als door een venster uitzicht geven op een hemels gebied. Degene die ons een eind weegs begeleidt in de adventstijd, is Sint-Nicolaas.
Hoe komt het dat in ons calvinistische land de naamdag van deze heilige zo algemeen wordt gevierd? Dat hangt samen met gebeurtenissen in het 17e eeuwse Amsterdam. Toen eindelijk de vrede kwam na de Tachtigjarige Oorlog, werd alles wat Spaans en Rooms was, het land uitgejaagd. Op 3 december 1638 werd de
bewoners van Amsterdam vanaf het stadhuis meegedeeld, dat het voortaan streng verboden was Sinterklaas te vieren op straffe van verbeurdverklaring en boete van 30 stuivers. De nieuwe calvinistische regering wilde ook die laatste bisschop verbannen! De bode was echter nog niet eens uitgesproken of een woedend gejouw klonk op. En na dit incident ging iedereen rustig door met ‘Klaesjes’ bakken, en met allerlei andere heerlijke gewoonten die bij het feest hoorden. In 1661 ging de regering over tot krassere maatregelen. De kramen van de sinterklaasmarkt werden omgegooid, verkopers en bezoekers werden weggejaagd. Maar toen hebben de Amsterdammers zo’n ontzettend kabaal gemaakt, dat de stadsregering haastig bakzeil haalde. Sint-Nicolaas werd heroverd en vanuit Holland begon de victorie! De wijde rode mantel van de goede Heilige betekende voor het volk meer dan een formeel kerkelijk gewaad.
Hoe kwam Sint-Nicolaas uit het verre, warme Klein-Azië hier in het hoge, koude Noorden? Hij was schutspatroon van de zeelieden en de reizigers, en zo vindt men langs alle handelswegen te land en ter zee kerken en kapellen ter ere van Nicolaas. Via de bond van handelssteden, de Hanze, is de verering van Sint-Nicolaas wijd verspreid, van het kleine handeldrijvende Holland tot in het uitgestrekte Rusland.
De Nikola in Rusland lijkt voor ons Nederlanders nauwelijks meer herkenbaar. Hij waart rond door het land als een oude zwerver met een zak op de rug en een stok in de hand. Hij helpt waar de nood hoog is, niemand ziet hem komen of gaan, hij is er ineens. Hij helpt zonder te willen weten dat hij helpt. Hij weet precies wat iemand nodig heeft. Hij kijkt niet zozeer naar wat je hebt, maar meer naar de manier waarop je ermee omgaat. Hij is barmhartig, maar kan zeer streng zijn als het moet.
In Rusland is Nikola uitgegroeid tot een nationale heilige, een personificatie van alle geheime wensen, gevoelens en verlangens van de Russische mens. Zolang Nikola er is, zal alles goed komen.
Het reizen en trekken, het overal en nergens zijn, het geven in het geheim, – het zijn karaktertrekken die wij ook kennen van onze Sinterklaas. Hij rijdt niet meer op een ezel zoals in Klein-Azië gewoonte was, maar op een paard, hetgeen meer in deze streken past. Ook de schoorsteen als verbinding tussen het binnenste van het huis en de hemel is een toevoeging die uit ons Germaanse verleden stamt. In Rusland is de heilige Nicolaas niet meer aan plaats en tijd gebonden. In de andere Europese landen heeft de kerstman het ‘cadeautjes-geven’ overgenomen en van de edele Nicolaasgestalte is een wat onduidelijke figuur overgebleven, waarbij vaak de donkere kant de boventoon voert, zoals men in de 17e eeuw hier ook de ‘Swarte Klaezen’ kende. Angst voor straf, kettinggerammel, boe-geroep en allerlei gebruiken uit oude heidense tijden. Onze eigen Sinterklaas, zoals we hem nu hier kennen en vereren, de vriend van jong en oud, heeft een unieke plaats temidden van de omringende landen.
Hoe meer ik erover nadenk, hoe dankbaarder ik ben voor dat geschenk: Sinterklaas. Het geven en ontvangen is al éven geoefend met Sint-Maarten. Maar in welk een grootse vorm komt dat terug rondom 5 december! Eén groot feest van heimelijk schenken en in stilte genieten van het blijde gezicht van een ander; het werkelijk proberen te ontdekken wat een ander nodig heeft en hem daarmee verrassen. En dan die andere kant: de stille vermaningen met milde humor gebracht. Want alles staat geschreven in dat grote gouden boek, al je daden en gedachten. Anderen mogen, in naam van Sint-Nicolaas, jou bewust maken van allerlei eigenschappen en gewoonten waarin je vastzit. Een ander houdt je een spiegel voor en laat je zien zoals anderen je zien. Het is niet altijd even prettig om zo gedwongen te worden naar jezelf te kijken. Het is een soort louteringsproces waar we met z’n allen doorheen gaan. En deze loutering valt in de eerste adventsweek. Aan de kinderen brengt Sint- Nicolaas speelgoed, opdat zij straks met het Kerstkind kunnen spelen. Aan de ouderen vraagt hij: ‘Ben je klaar om het Kerstkind te ontvangen?’ Er komen nog enige weken om je erop voor te bereiden, maar dan is het zover. Maak je gereed!
Ieder jaar ervaar ik het als een geschenk, dat de drukte en het kabaal dat hoort bij pakjes geven en ontvangen, uitgeleefd kan worden op de sinterklaasavond. In de volgende weken ebt het lawaai weg, en dan wordt het mogelijk om in alle stilte met open oren te luisteren naar de Kerstboodschap, niet meer afgeleid door het geknisper van pakpapier. Geven is dan misschien zaliger dan ontvangen, maar op de goede wijze ontvangen blijkt meestal veel moeilijker te zijn!
Met de feesttijd van Michaël sluit de kring van jaarfeesten af. De hele maand oktober wordt nog overstraald door een gouden licht. Het glanst ons tegemoet door de glinsterende dauwdruppls op de kunstig geweven spinnenwebben in de vroege morgen. Ook door de bomen waarvan het loof steeds meer gaat verkleuren. Het wuivende, ritselende gewaad van bladeren, altijd in beweging, vlamt nog één maal op in warme, zonnige kleuren, en wordt dan afgelegd. Met de eerste regenbuien verdwijnt de glans, en de bladeren dwarrelen steeds sneller naar beneden, totdat de kale takken tevoorschijn komen en duidelijk zichtbaar tegen de lucht gaan afsteken. Ongelooflijk boeiend is het om langs de stam omhoog te kijken en steeds hoger de vertakkingen te volgen tot aan de ragfijne twijgjes aan de top. Daar houdt het op. Waarom eigenlijk? Je loopt een heel eind van de boom af en bekijkt hem dan nog eens, maar dan als geheel. En dan zie je duidelijk dat al die dunne twijgjes aan de top met elkaar een grens vormen.
Geen tastbare grenslijn, maar een ‘denkbeeldige’: je kunt hem denkend doen ontstaan op het moment dat je kijkt en dan wordt hij tot beeld voor je ogen. En dat gebeurt iedere keer opnieuw.
Op een heldere, vriezige avond zie je briljantjes schitteren in het ‘skelet’ van de bomen: je krijgt weer zicht op de onmetelijke ruimten van de sterrenhemel. In de zomer schermt het overdadige loof van de bomen de sterren af. Je bent geneigd de wereld daarboven te vergeten. Maar met het vallen van de bladeren word je er weer aan herinnerd.
Sint-Maarten In de maand november staan we tussen twee van de vier grote jaarfeesten in, tussen Michaël en advent, tussen het afgesloten jaar en de inzet van een nieuwe ronde. November is een grensgebied, een ruimte, een opening waardoor het ene afgesloten geheel in het volgende overgeleid kan worden.
Op 11 november vieren we het feest van Sint-Maarten. Het is de sterfdag van Martinus, de bisschop van Tours (ong. 400). Hij is degene die in zijn jonge jaren als Romeins officier zijn mantel deelde met een bedelaar bij de poort van een stad. Deze daad overdag krijgt een aanvulling in de nacht, als Christus aan Martinus verschijnt in een droom. De Heer draagt het afgesneden stuk van de mantel om zijn schouders en spreekt tot de engelen die met Hem zijn:
“Ziet. Martinus die nog niet gedoopt is, heeft mij met een kleed omhuld.’
Onder de indruk van dit visioen laat Martinus zich kort daarna dopen. Na vele tientallen jaren van innerlijke oefening, in eenzaamheid en in alle deemoed betracht, wacht hem tenslotte de bisschopsmantel.
In de loop der eeuwen is de ontmoeting van Martinus met de bedelaar op allerlei manieren afgebeeld, en wel zo opvallend veel, dat zijn tijdgenoten er meer aan ervaren moeten hebben dan alleen maar een daad van christelijke naastenliefde. Hebben zij erde vervulling van een stille wens in gezien? Een wens die als een kaarsvlam brandde in het hart van ieder mens die de innerlijke oefening nastreefde: eens de Heer te mogen ontmoeten aan de poort van het schouwend beleven. Rood is de mantel van Sint-Maarten, de kleur van Pasen. In de bedelaar ontmoette Martinus immers de Herrezene zelf. Wat hij van zijn wijde mantel missen kon, schonk hij aan Hem. Wie zal zeggen hoe nodig ons ‘mantel-overschot’ is voor de goddelijke wereld?
Tussen twee werelden Het beleven van Sint-Maarten vindt plaats bij de stadspoort. Binnen de muren van een stad leefde men in een totaal andere wereld dan daarbuiten op het land. De poort vormde de grens tussen die twee werelden. Doordat Martinus vanuit zichzelf, zonder zich te laten storen door het gelach van zijn kameraden, doet wat hem op dat moment het juiste lijkt te zijn, maakt hij het mogelijk dat hij ook anderszins een ‘drempelbeleven’ ervaart: het droomgezicht in de nacht gunt hem een blik in een wereld waar men gewoonlijk niet zomaar toegang heeft. Blijkbaar stond hij met zijn 18 jaar heel dicht bij die engelenwereld, zonder het te weten.
Het beleven van de grens met de wereld van het onzichtbare, ook het overschrijden van die grens, is karakteristiek voor november. Om ons heen zien we de afstervende natuur, vele mensen hebben het moeilijk in deze sombere, mistige, troostloze tijd van het jaar. De poort van de dood lijkt zo nabij.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat al heel vroeg in de christelijke kerken de herdenking van de doden juist in deze maand geplaatst werd. en wel op 2 november, de dag van Allerzielen. Het is overigens goed te bedenken, dat volgens de oude kerkelijke kalender iedere dag van het jaar gewijd was aan de sterfdag van een heilig mens. Die andere wereld hoorde er nog zo vanzelfsprekend bij. In de loop der eeuwen kwamen er echter zoveel heiligen, dat 365 dagen niet genoeg waren. Zo ontstond dedag van Allerheiligen op 1 november, waarop je kunt denken aan heiligen. die niet een ‘eigen’ dag hebben!
Deze maand van denken aan de dood lijkt een soort spiegeling van de Lijdenstijd in het voorjaar, maar het beleven ervan is verschillend. In de lijdenstijd de zwarte weken voor Pasen, probeer je denkend het lijden en sterven van Christus te volgen. Een doodsbeleven in helder daglicht, terwijl rondom de natuur ontwaakt en de zon steeds sneller omhoog stijgt. In deze tijd van het jaar, als het steeds vroeger donker wordt, en de nacht groter en ruimer, ligt het accent meer op het denkend benaderen van wat voor de mens komt na het leven. De wereld van de gestorvenen komt dichterbij.
‘Lief kind. blijf vroom en goed, dan zal de goede God je altijd helpen en ik zal vanuit de hemel op je neerzien en bij je zijn, zei de moeder van Assepoester op haar sterfbed tot haar dochtertje, en zo gebeurde het.
Maar om die genade mogelijk te maken, blijkt de eigen innerlijke activiteit van de achterblijvende een eerste vereiste.
De poort van de dood In de kring van dierenriemtekens draagt november het kenmerk van de schorpioen, lichtschuw, laag bij de grond, levend in het duister, een griezel van een dier met zijn dodelijk giftige staartangel. Van oudsher kende men echter de andere kant van dit teken: de adelaar met zijn dodelijk scherpe haksnavel. maar levend op grote hoogte als heerser van het luchtruim. Twee werelden, een dubbel-beeld dat men alleen in november vindt. Het merkwaardige dubbelaspect van november lijkt ook te gelden voor de dood zelf. Aan de ene kant het donkere onbekende, de angst en benauwenis: aan de andere kant het licht en de ontzaglijke ruimte, het gebied van de adelaar. In de sprookjes, neerslag van oeroude wijsheid vind je deze motieven overal terug.
In het sprookje van Vrouw Holle wordt dit op subliem eenvoudige wijze verwoord: het meisje valt in de put, verliest het bewustzijn en ontwaakt in een stralend lichte wereld,
In de tweede helft van de 15e eeuw leefde een schilder die het waagde de poort van de dood op een wijze uit te beelden, die sterk doet denken aan wat het sprookje ons vertelt.
Van deze Hieronymus van Aken uit ‘s-Hertogenbosch, gewoonlijk genoemd Jeroen Bosch, hangt in het hertogelijk paleis in Venetië een schilderij waarop we enkele naakte mensengestalten begeleid door engelen, in een donkere ruimte zien zweven. Het zijn zielen die hun aardse omhulling hebben afgelegd, Ze worden omhoog gedragen door een donkere tunnel, op weg naar een poort waardoorheen licht naar binnen stroomt van een stralende wereld aan de andere kant. Het boeit geweldig, dat schilderij, je blijft er naar kijken.
Hoe kon Bosch dit zo schilderen? Hij zag meer dan andere mensen, hij schilderde zijn “visioenen” in prachtige kleuren en sprak daarmee voor de goede verstaander een duidelijke taal. Hij leefde bewust en met grote intensiteit op de grens van twee werelden. Dat blijkt uit al zijn schilderijen. Op het middenpaneel van het grote drieluik ‘De tuin der hemelse vreugden’ * lijkt het of hij zichzelf heeft afgebeeld, staande op die grens. In de uiterste hoek rechts onderaan kun je de ziener ontdekken. Het hele middenpaneel is bevolkt met naakte mensengestalten, zielen bevrijd van het aardse lichaam. Hij die schouwt, draagt zijn aardse omhulling nog en kijkt met vergeestelijkt gelaat vanuit een donkere poort in die lichte wereld. Hij had het stervensuur niet nodig om te weten. Je zou ook kunnen zeggen: iedere dag werd door hem het stervensuur beleefd door wat hij zag.
Het leven van alledag Sinds oertijden wordt de slaap genoemd ‘de kleine broeder van de dood’. De gedachte dat je iedere dag het stervensuur kunt beleven, ligt dichterbij dan je denkt. In de nacht reizen we immers naar die lichte wereld waar we geen weet van hebben, of soms, een beetje. Of we verfrist en gesterkt terugkeren om een nieuwe dag te beginnen, hangt af van de wijze waarop we ons voorbereiden op die tocht, en hoe we omgaan met de geschenken van de nacht. Ook dat leert ons het sprookje van Goudmarie en Pekmarie. Zo gezien is iedere dag een leven op zichzelf en iedere avond sterf je een beetje. In de ritmische afwisseling van dag en nacht leren we leven, sterven en weer opstaan. En het geeft een rijk gevoel als je in jezelf daarvoor een openheid ontdekt. Je bekijkt de wereld werkelijk met andere ogen, want je ziet alles in het licht van die andere wereld, waar je ook toe behoort.
Op Sint-Maartensavond trekt een stoet kinderen door de straten van de stad. Behoedzaam dragen zij hun lantarens voor zich uit. De donkere uitgeholde koolrapen of winterpenen worden van binnenuit verlicht door een vonk van het vuur, dat eens uit de hemel kwam om ons mensen warmte en licht te brengen. Maar het vlammetje kan alleen blijven leven als er een opening is naar boven toe, naar het rijk van de sterren.
We zijn als leraren deskundigen op het gebied van het jaarritme. Daarbij is de blik echter meestal sterk naar buiten gericht: op de natuurprocessen. Edmond Schoorel, kinderarts, belicht “Michaëlsprocessen” in de mens. De diepten van de menselijke ademhaling en spijsvertering worden in dit artikel betreden.
In een aantal afleveringen zal geprobeerd worden om de loop van het jaar – de seizoenen en de jaarfeesten – op te zoeken in de mens. We zijn immers een microkosmos: Michaëls drakenbestrijdende zwaard en de rijpe gekleurde goudreinetten moeten ook in de lichamelijkheid van de mens hun plaatsje hebben.
Zijn het vlijmscherpe woorden en gedachten die de ander de mond snoeren, is het het uitgerijpte idee dat in de ziel kan opstijgen, of het enthousiasme dat onbekende wegen ontsluit? Rond Michaël kijken we in gedachten even terug naar Pasen: daar ontkiemde het nieuwe, de aarde wendde zich opnieuw tot de zon, de dagen lengden. In het begin van de herfst kijkt de aarde (en wij met haar) verrast-verbaasd naar de schatten die de zomer haar heeft gebracht: vruchten, die nieuwe zaden bergen.
Wanneer we de weg van de adem naar binnen toe vervolgen, vinden we verbrandingsprocessen. De opgenomen zuurstof-levensstof wordt met behulp van ijzer in het bloed vervoerd naar de weefsels. Daar is zuurstof de noodzakelijke stof, de noodzakelijke voorwaarde voor alle levensprocessen, die verbrandingsprocessen zijn. Wat ontstaat er? Warmte natuurlijk, die wordt als het ware vrij-getoverd; en koolzuur: een verbinding van zuurstof met koolstof-aardestof. Zuurstof wordt aards, koolstof wordt levend. De mens schenkt de aarde het leven door zijn eigen substantie te verbranden. Waar dient het koolzuur voor? Voornamelijk om uitgeademd te worden en voor een klein deel voor de mens zelf. Daarmee worden verbindingen gevormd, bijv. kalkzouten, die onze botten nodig hebben om vast te worden.
Tussen de regels door zijn we het bloed ook al verschillende malen tegengekomen: als bemiddelaar, als vervoersorgaan tussen alle genoemde processen. Is het bloed dan alleen passief, moet het alles maar over zich heen laten komen, weerloos slachtoffer van de ademprocessen en stofwisselingsprocessen? Dat is het inderdaad! Maar dat alles wordt wel waargenomen, bemerkt. Ons arme hart neemt al kloppend alsmaar geïnteresseerd waar wat zich afspeelt op de weg van de adem naar binnen. Het hart doet er zelf niets aan, merkt het alleen op. Wat we er mee doen, hangt dan weer van onszelf af, daarin zijn we vrij.
Het jaar schrijdt voort, de aarde maakt zich klaar voor de winter. De feestelijke overdaad van de zomernatuur verdwijnt, vruchten en zaden worden onder de bladeren geborgen, de eerste sneeuw doet er straks nog een laagje overheen. De herfststormen maken duidelijk dat we in tijden van wisselvalligheid en verandering leven.
De heiligen van de herfsttijd maken ons zichtbaar dat er eerst geschonken moet worden, voordat we straks met kerst mogen ontvangen. Het beste wat de zomer ons gebracht heeft, de vrucht van warmte en kleur, wordt belangeloos ter beschikking gesteld van het nieuwe dat komen gaat: het nieuwe van Kerstmis, het nieuwe van het volgende voorjaar. De uitbundigheid van de zomer, maar ook van de herfstgloed verandert in innerlijkheid.
Een avontuurlijke en gevaarlijke weg volgt ons voedsel. Op de lange route van de mond via de maag door de dunne darm, wordt de voeding verkleind, opgelost, gesplitst, gemengd, verzuurd en weer alkalisch gemaakt. Een efficiënt afbraakproces zien we voor ons; met de grootste zorg worden agressieve processen gestuurd en beteugeld. Waar leidt dat allemaal toe?
Onze spijsvertering heeft twee doeleinden. Natuurlijk moet het voedsel, dat we rauw of bewerkt uit de natuur ontvangen, zó omgevormd worden, dat het de darmwand kan passeren. Dat kan alleen met die stoffen die sterk vereenvoudigd zijn: waaraan niet meer te ontdekken valt van welk voedingsmiddel ze afkomstig zijn. De natuur, voorzover die ons tot voeding dient, offert haar eigenheid op gedurende de spijsvertering. De stoffen die als bouwsteen in het voedsel hebben gewerkt kunnen dan als onbestemde substantie door de darmwand opgenomen worden en de lymfe vormen, die lymfe kan weer overal in het lichaam ingezet worden als drager van menselijke processen en menselijke substantie. Dat is de ene kant van de spijsvertering. De andere kant komen we op het spoor als we ons afvragen wat er gebeurt met de eigenheid, de herkenbaarheid van het voedsel. Verdwijnt dat in het niets, of heeft die ook nog een opgave? Hier zou een uitgebreide beschrijving passen van het ontstaan van planten- en dierensubstantie. Op z’n kortst kan gezegd worden, dat de “idee” van een plant zichtbaar wordt in die bepaalde plant die we als voeding gebruiken. In de spijsvertering komt die idee, dat bouwplan weer vrij, nl. ter beschikking van de mens, ten dienste van zijn opbouw en gezondheid. Zo levert de spijsvertering twee substantiestromen op: een zichtbare lymfe en een onzichtbare lymfe. Dit hele zorgzame, in warmte gehulde proces is alleen nog maar voorbereiding. Wat we er mee doen ligt in onze vrijheid. Welke menselijke substantie er ontstaat, welke mens er geboren kan worden, daarvan vertelt ons de kersttijd.
[1] Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd Maarten Udo de Haes over: seizoenen; dag- en nachtevening; evenwicht; symbool zwaard/weegschaal; vrede; Holbein: Michaël met zwaard en weegschaal.
[2] Knutsels bladeren zie spatwerk; dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje; draak van grillige tak; draak vliegende; grasmatje; herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels; herfsttafel; kaars met draak; kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin; kijkdoos; koffertje; kransen en slingers; mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad; schimmenspel van een michaëlsverhaal; slang; slingers zie kransen; spatwerk met bladeren; transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant; versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier; vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger; vrouwtje appelwang; waaiewindje; weegschaal;
[3] Tussen zwaard en weegschaal Marieke Anschützover: onstuimige elementen;moederschap; zwaard en weegschaal; ijzer en koper; Rogier v.d. Weyden: Michaël.
[4] Omwille van enthousiasme en moed Jakobus Knijpenga over:Michaël in ’t verleden en voor de toekomst; Steiner en Michaël; huidige praktisch ingestelde generatie en Michaël; moed.
[5] De hedendaagse strijd van Michaël Elisabeth Kleinover: er is een nieuwe manier van kijken naar de natuur nodig; wat zijn elementairwezens; antroposofie spreekt erover dat ze ‘verlost’ moeten worden; in Kleins ogen tref je daar ook een strijd van Michaël aan; de zeven dwergen als elementairwezens en de betekenis van Sneeuwwitje.
[6] Vieren wij werkelijk Michaëlsfeest? Reijer Ploegover: de zomer als uitademing; ‘ken uzelf’ en ‘ken de draak in u’; intellectuele kilte; hartewarmte; voer Michaëlsstrijd in jezelf!
[7] Michaël P.C.Veltman over: plaats van het feest in het jaar; Michaël vroeger en nu; hoe vier je dit feest? Wat is de draak. [8] Losmakingsproces Wendela van Mansvelt over: afwegen in het gezin: opvoedingssituaties; loslaten: moed nodig; weegschaal als grens van goed en kwaad.
[9]Michaël, aarde en mensheid Jacobus Knijpenga over: gebeurtenissen rond geboorte en sterven; levenslot, biografie, engelen, draak; geen naties; vrijheid; ontwikkeling individu; verantwoordelijkheid; tijdgeest.
[11] Hoe spreekt Michaël nu tot ons E. Plessen over: hoe kan ik toegang vinden tot ‘Michaël’; wat zijn Michaëls ‘woorden’; Kalawala; ijzer.
[12] IJzer, zwavel en het Michaëlsfeest Emmy de Grootover: zwavel in natuurkunde; in menselijke lichaam; ijzer in natuur(kunde); in menselijk lichaam; pyriet; illustratie meteoorijzer en zwavel. [13] Grenzen van de groei en groei van de grenzen Walter Kuglerover: angst, fatalisme, meteoorijzer; begrenzing en verruiming; geest-materie; (meteoor)ijzer; illustratie meteoorijzer; illustratie Michaël.
[14] Michaëlstijd P.C.Veltmanover: in welke tijd leven we; wereldherfst? bezinning; wie of wat is Michaël; wandtapijt Angers; Apocalyps; draak; drakenkrachten én Michaëlskracht in menselijke intelligentie.
[15] Michaëlsfeest W.F.Veltman over: geestelijke realiteiten in beelden; geest en/of materie? vrijheid; het kwaad; de moed.
[16] Michaëlstijd Rinke Visserover: zomer-uit; ijzer voor bewustzijn; (meteoor)ijzer en zwavel; strijd en moed; herfst-in; draak herkennen.
[17] Kosmische achtergronden van het Michaëlsfeest Rinke Visser over: zomer: uit=zwavel; winter: in=ijzer; Michaël en Perseus; komeetkrachten; kosmische krachten; meteoorijzer; ‘strijd in hemel zichtbaar op aarde; vrijheid; draak; moed.
[18] De engel van de goede wil Marieke Anschütz over: wil en onwil; zwaard in de taal; zwaard en weegschaal; moed; goede wil; Rogier van der Weyden; fresco in Vamlingbo; Michaël tegenover Pasen.
[22] Michaël M.Matthijsenover: voorbereiding Michaël in de natuur; het feest dat er niet is en nog worden moet; mens als tiende hiërarchie; Morgenstern; Achterberg; offeren van het eigene.
[23] De aartsengel Michaël Maarten Ploeger over: Michaël; verhouding tot ‘bovenzintuiglijke’; hoe was dat ‘vroeger’; ontstaan religies; Lucifer en Ahriman; deze krachten in de wereld; taak voor mens.
[24] Smeden in de Michaëlweek Eg Sneek over: smeden met 7e, 8e en 9e klas tijdens het Michaëlsfeest. Ervaringen met het ijzer dat je moet smeden als het heet is.
[25] Michaël herfstfeest Marijke Wouters en Toke Moeskops over: afstervende natuur, maar kiemkracht; verinnerlijken; moed ontwikkelen; Michaël als herfstfeest; oogstfeest in de kleuterklas.
[26] Michaël Sari Kodde Dingemans over: herfst: verval in de natuur; zaad: samentrekking; verinnerlijking; Michaël als herfstfeest, gedicht voor 4e, 5e of 6e klas. [27] Het Michaëlsfeest E.P. Schoorelover: Michaël in het najaar, tegenover het voorjaar; opbloeien met de lente, maar afsterven in de herfst?
[28] Wat is een Michaëlsfeest P.C.Veltmanover: ‘is’ het Michaëlsfeest of ‘wordt’ het?; Monte Gargano, Mont Saint-Michel, Michaëlsberg; het ‘kwaad’; Indra, Mithra, Tiamat, Mardoek; Michaël bij de Perzen.
[30] Michaël Ad Tiemensover: seizoenen; herfststemming; zwaard en weegschaal: innerlijke strijd voor evenwicht; Michaël in Aalst; Michaël bij de Germanen.
[31] Michaël Magchiel Matthijsenover: de zin van (jaar)feesten vieren; geen ‘herdenkingsfeest, maar toekomst; Russische legende over naam ‘mens’; innerlijke draken bestrijden; Vézelay: S-Madeleine; Freyrs boot: menselijk denken; menselijk denken veranderen.
[33] Michaëlstijd Madeline van Gilstover: natuurimpressies voorjaar-najaar, plaats Michaël.
[34] Michaël Werner Barfodover: natuurimpressies; kunst; euritmie.
[35] De herfst en het Michaëlsfeest Reyer Ploegover: verschil jaargetij en jaarfeest; natuurimpressies; ijzer en koper -zwaard en weegschaal.
[36] Michaël, feest van de toekomst Henk Sweers over: jaarfeesten nu: veruiterlijking; vakantie en feest; de alom aanwezige draak; feest van de toekomst, kennen van de geestelijke wereld; de mens tussen twee uitersten; nodig: geestkracht en moed; innerlijke strijd; vier jaarfeesten als geheel; heden/verleden, zwaard/weegschaal.
[37] Michaëlsdag op 29 september Arie Boogertover: 5e eeuw: Michaëlkerk in Rome; wonder van Cho-nai; van oost naar west Michaëlheiligdommen; tussen God en mens; tussen goed en kwaad: weegschaal; draak; wat is kwaad; kwaad en vrijheid.
[38] Michaël Onbekende auteurover: herfst tegenover voorjaar; Michaël: zwaard én weegschaal; evenwicht; waarom op school.
[40] Het Michaëlsfeest Marika Ortmansover: oogstfeest, ook in overdrachtelijke zin; oogst en Michaël; waarom in deze tijd opnieuw proberen te vieren; Michaël en onze toekomst, sociaal en met de natuur.
[41] Michaël – tussen moed en depressie J.F.Zeylmans over: spiegeling lente-herfst; Johannes-Kerst; Jezus-Johannes; afname-toename licht/duister; 280 dagen ‘verwachtings’tijd.
[42] Herfst Els Boekelaar over: de herfststemmingen; strijd en vrediger momenten; de draak in jezelf en om je heen
45. Michaëlstijdperk Maritgen Matter over: 7 aartsengelen; hun regentschap in de ‘engelenweek’; snelle en radicale veranderingen in deze tijd; Michaël als regent van deze tijd; vele omwentelingen; hoe bewust staan we daarin; vernieuwen en veranderen met geestelijk inzicht; handelen vanuit eigen moreel liefdesvuur vraagt moed.
47. Michaël en het christusbewustzijn Daniëlle van Dijk over: wie is Michaël; christusbewustzijn; liefdekracht; opvoeding tot zelfstandig Ik; het belang van aandacht; drie oefeningen voor het bewustzijn.
48. Michaëlstijd; Michaëlsfeest Wim Veltman over: tegenstellingen in de wereld: verdeeldheid – eenwording, wie veroorzaakt veranderingen in de mensheid;
49. De aartsengel Michaël Wim Veltman over: samengaan psychische eigenschappen en planeten; deugden, verleden tot nu; ‘zonnedeugd’ en aartsengel Michaël; hart en moed;
50. Moed Loïs Eigenraam over: herfst, voor kinderen, voor volwassenen; Michaël schenkt moed; wat is moed, verschillende aspecten; Mandela; trouw, vertrouwen;
51. Van heldenmoed tot hartewarmte Diederick Sprangers over: innerlijke ontwikkeling en het beeld van Michaël; zelfbewustzijn en wereldbewustzijn; zwaard en moed; weegschaal; humor: ‘de draak steken’; Sint-Maarten; draaksteken in Beesel.
52. Michaëltijd W.J Stein over: ritme, Platonisch jaar, cultuurperioden; kosmische week, aartsengelen; kosmische intelligentie; Michaëlstijdperk (601-247 v Chr) wat er gebeurde; tijdperk beginnend in 1879, veranderingen die zich voltrekken; Michaël als christusbode; Michaël als regent van de tijd; betekenis van het zwaard.
53. Michaëlsviering Anne H.J.Bakker over: kernachtig samengevat waarom het Michaëlsfeest wordt gevierd.
[55] Strijdbaar de herfst in Tineke Croeseover: Michaël en de draak; wat is ‘michaëlisch’, wat moeten wij ermee; ‘moed’, voor wat? het kwaad, ook in ons?
Jaarfeesten van de herfst (1) Hans ter Beek over: de 3 jaarfeesten van de herfst: Michael, Sint-Maarten, Sint-Nicolaas; 9 feesten van het jaar; ‘feesten van het lichaam’; Michaërl ‘denken’; Maarten ‘voelen’, Nicolaas ‘willen’;
Jaarfeesten van de herfst (2) P. la Rivièreover: er zijn verschillende soorten ‘jaar’; ritme vanuit economisch en geestelijk perspectief; sfeertekening van zomer naar herfst; de feesten van het najaar: Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas; advent en Lucia
Jaarfeesten van de herfst (3) Verborgen lichtjes Marcel de Leuw over: najaar: Michaelsfeest – wat kan er worden gedaan -; St.-Maarten en delen.
Jaarfeesten van de herfst (4) Juultje v.d. Stok: wat kun je met kinderen doen in de herfst rond michaëltijd?
Wie ’s ochtends vroeg op weg is, voelt het begin van de herfst, de zilveren nattigheid over het veld, de gloedvolle kleuren die de bomen beginnen te krijgen, de storm, de dwarrelende blaadjes, die een tapijt op aarde vormen en tot humus verworden. De natuur sterft af, de aarde neemt terug wat het in het afgelopen jaar tot bloei bracht, maar wel nadat de mens eerst heeft geoogst! Appels, peren, druiven, tarwe, mais, noem maar op, geschenken van de natuur waarmee wij in leven blijven.
Straks in de stille kou van de winter is de natuur kaal en zonder kleur. Diep
binnenin maakt de aarde zich klaar om rond Pasen in het voorjaar de kracht te hebben het nieuwe leven weer zichtbaar in de natuur te laten ontluiken.
Ten tijde van het Sint-Jansfeest in de zomer zal alles onder de warme zon weer volop in bloei zijn, op weg naar weer een nieuwe oogst. Het ritme der seizoenen herhaalt zich, maar aan dezelfde appelboom groeien ieder jaar niet dezelfde, maar nieuwe appels, nieuwe oogst.
Ook de mens heeft in deze tijd de behoefte zich letterlijk en figuurlijk terug te trekken in eigen huis. De wil om nieuwe ideeën op te doen en nieuwe levensdoelen te vinden gaat vaak gepaard met opruimen en ordenen, ook orde op zaken stellen in het werk en in sociale kring, zodat er ‘ruimte’ gemaakt wordt voor ‘nieuwe wegen’.
Tegelijk met dit terugtrekken in onszelf ervaren we dat er zaken in de weg liggen, die niet zonder meer te ordenen zijn, situaties waar we niet tegen opgewassen zijn, moeilijkheden die ons verdrietig of kwaad maken, gebeurtenissen waarbij je steeds weer in je eigen onhebbelijkheden vervalt. Met moed, beleid en trouw moet je zelf ten strijde durven trekken om deze zaken uit de weg te ruimen en positieve krachten te verwerven, die je het nieuwe dat voor je ligt, doet oogsten.
Op het schoolplein zien we in deze tijd de kinderen het nieuwe leerjaar, waar ze met veel zin aan begonnen zijn, bijna letterlijk binnenvechten! Sociale rangorden worden herzien en nieuwe vriendschappen vaak met strijd verworven en gevormd. Binnen in de klas heerst nu, in tegenstelling tot vlak voor de zomervakantie, stille werklust en gespannen verwachting naar de nieuwe periodelessen. Er zijn weer vakken bij waar nooit eerder van was gehoord.
En dan is het 29 september, de dag van het Michaëlfeest. Wij vieren het feest met de kinderen mee en leren het beeld van de Heilige Michaël kennen met zijn blinkend zwaard en de weegschaal. Michaël komt de mens te hulp. Met zijn zwaard overwint hij de draak, die het ‘duistere’ en ‘boze’ symboliseert. De mens krijgt de ijzeren kracht zichzelf te overwinnen. Ook zien we op oude afbeeldingen hoe Michaël de weegschaal waarop de ziel gewogen werd in evenwicht houdt. Een evenwicht tussen goed en kwaad. Hoe moeilijk is het niet om in plaats van achteraf, juist vooraf het goed en kwaad van ons eigen handelen te kunnen overzien en bepalen. Wij moeten zelf onze weg naar het ‘nieuwe’ banen door te wikken en te wegen en steeds te zoeken naar oplossingen, waarbij onze eigen ideeën en die van anderen in evenwicht blijven. Jaar in jaar uit wordt het Michaëlfeest met de kinderen op iedere vrijeschool gevierd. Het meegebrachte fruit, de oogst wordt geschonken en de strijd met de draak wordt moedig in spelvorm en naar leeftijd gestreden.
Eenmaal kinderen op de vrijeschool wordt iedere ouder geconfronteerd met de vraag waarin het onderwijs van de school zich onderscheidt van dat van andere scholen. Een van de vele antwoorden kan zijn: ‘In het vieren van de jaarfeesten!’ Op de vraag, die iemand mij ooit stelde, of je daar dan beter van leerde lezen, schrijven of rekenen is het enige antwoord:’ Nee, daar leer je van leven!’
In de huidige tijd worden we bijna gedwongen alle verschillen in beter leren, beter kunnen en beter zijn uit te drukken. Dat ieder individu anders leert, iets anders kan en een ander is, maakt ze tot waardevolle deelnemers aan de gemeenschap, vooral als het onderwijs leidt tot echt weten in plaats van beter weten. Juist als volwassene weten we hoe moeilijk het is om af te zien van alles en ieder, die ogenschijnlijk beter lijkt en moed te putten uit je eigen positie en bestaan.
Misschien, heel misschien, oogsten de kinderen, die jaarlijks het Michaëlfeest vieren, van nature het vermogen om de eigen levensmoed aan te spreken en met een positieve levenshouding zich een eigen nieuwe en evenwichtige weg door het leven te banen?!
Caroline von Heydebrand: 2e klas:
Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.[1]
Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen. Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.
Wil van Houwelingen – Harmsen: In het sprookje van IJzeren Hans speelt de 8-jarige koningszoon met ’n gouden bal in de tuin van het paleis. Zijn bal valt in de kooi waarin de wilde man uit ’t bos zit opgesloten; en hoewel het streng verboden is – opent de jongen de kooi van de wilde man. IJzeren Hans neemt hem op zijn verzoek mee, en nu moet hij de goudbron behoeden. Doordat hij te veel met zichzelf bezig is, ontwijdt hij de bron, en wordt hij de wereld ingestuurd “op gebaande en ongebaande wegen”.
‘n Prachtig beeld van het tweede-klaskind. Het kan nog spelen met de gouden bal (niet in het paleis, maar in de tuin), het heeft nog toegang tot de goud-bron – maar het is leergierig en nieuwsgierig geworden, ontdekt zichzelf.
Wij vertellen in deze klas fabels en legenden van heiligen uit de middeleeuwen. Was in de sprookjes ’t kwaad meer “algemeen”, de boze koningin, de boze kabouter (hoewel de beide kanten – de verzoeking, en de macht van het boze – duidelijk aanwezig zijn), in de fabels leert ’t kind de eenzijdigheden van wat men de lagere ziele-eigenschappen van de mens kan noemen, beleven.
Het dier wordt in de fabels voor honderd procent in zijn speciale drift, begeerte, instinct getekend. Kort en zakelijk, zo is het. Verleiding tot geweld, macht, waan; sympathie – en antipathiekrachten gaan werken. In de ‘wolf en ’t lam” zijn de antipathiekrachten groter dan de sympathie. In de nachtegaal en de pauw zijn ze even groot; in “de dankbare ooievaar” zijn de sympathiekrachten ’t grootst.
In een tweede klas is het boeiend te ontdekken wáár in de kinderen hun eenzijdigheden, hun “diertjes” liggen. Men laat hun de fabels spelen – hun eigen “dier” maar ook de tegenpool. En dan komt het grandioze van de keuze van de vertelstof – ’n vos, ’n leeuw, ’n wolf is, zoals hij is. Hij kan niet anders, nu niet en nooit. ’n Dier is – maar mens moet je worden. Dat is de inhoud van de heiligenlegenden. Het grote geheim en verschil tussen ’n mens en ’n dier is -dat !n mens zichzelf kan veranderen.
Dit zorgvuldig te behandelen lijkt mij in ’n tijd waar méér op de overeenkomsten tussen mens en dier wordt gewezen (“de naakte aap” – “de geprogrammeerde mens” – ‘bij de beesten af’) dan op de grote verschillen – zeer belangrijk.
Dit “kunnen veranderen” zien wij in de heiligenlegenden. Deze mensen zijn n.l. niet als heiligen geboren. Integendeel, vaak bezitten zij ‘beestachtige’ eigenschappen waarvan zij pas na een zware en lange strijd met zichzelf verlost
worden. Daarna komen de licht-, liefde- en levenskrachten in hen tot ontwikkeling, waardoor zij helpen, genezend kunnen werken. De naam “legende” voor deze biografieën houdt in dat deze mensen gemotiveerd worden zich te veranderen, door beelden, dromen, vanuit de geestelijke wereld. Ook hier kan men de heilige die men behandelt – al of niet geschiedkundig juist – eerst alle ondeugden, hebbelijkheden die bijv. in ’n klas leven, tot in perfectie laten hebben, om dan na de verandering te horen zeggen: “zó gemeen was ie eerst, en tóch ’n heilige geworden. ” [2]
Laatst ontmoette ik een oud-leerling. Ze woont met haar man en twee volwassen zonen in Amerika. Op latere leeftijd volgde ze een studie aan een academie en slaagde daar cum laude als fotografe. Samen met haar vader, ook een begenadigd fotograaf, werkte ze in Nederland aan een fototentoonstelling.
We kwamen over van alles te spreken en het kon niet uitblijven: ook over haar jaren in de klas bij mij en haar ervaringen op de bovenbouw (het middelbaar onderwijs op de vrijeschool).
Plotseling zei ze: “Je hebt ooit met ons eens een fabel gedaan; iets met wind en zon. Daar heb ik in mijn leven vaak gebruik van gemaakt. Die wind, met al dat geweld, redt het haast nooit en die zon, die warmte, doet wonderen. Ik heb in bepaalde situaties in mijn leven bewust voor die zonkant gekozen, om een probleem op te lossen enzo. Met drang en geweld lukt dat veel minder. Weet je welke fabel ik bedoel? ”
Ik kende deze nog grotendeels uit mijn hoofd en toen ik ‘m opzegde, verscheen er een grote lach van herkenning op haar gezicht.
‘En ik mocht de zon zijn, toen we die fabel een keer opvoerden’.
Ook dat wist ik nog heel goed.
Zij was niet zo’n drukke, beweeglijke leerling; eerder een kind dat beschouwend naar de dingen keek.
Zij stond daar op een tafeltje met een geel crêpepapieren jurkje aan en een gouden kroontje op het hoofd als een zon te stralen.
Hier heb ik al een ervaring weergegeven van hoe een aanwijzing van Steiner voor ‘het vertellen’ een vruchtbaar gevolg kan hebben – voor het sociale leven in de klas; voor hoe een kind zich gedraagt.
Aan het voorbeeld van deze oud-leerling wordt duidelijk dat het zo kan gaan als Steiner zegt: wat op jonge leeftijd als voedsel voor de ziel wordt gegeven, komt vaak veel later – hij noemt soms ‘na het vijfendertigste jaar’ – weer tevoorschijn, maar gemetamorfoseerd, veranderd in de vorm die past bij hoe je dan de dingen beleeft.
Dat geldt ook voor de beelden die in de vertelstof aan de kinderen worden gegeven.
WIND EN ZON
Wedstrijd hielden wind en zon:
wie met de meeste kracht ’t won,
om een wandelaar tussen ’t groen
van zijn kleren te ontdoen.
Wind begon uit alle macht,
gierde en loeide met grote kracht,
maar het hielp niet, want de man
trok zijn jasje dichter an.
Wind in wanhoop rust nu uit.
Doch de zon, die olijke guit,
laat zijn warme schijn nu stralen.
En de wandelaar kan niet dralen
om de mantel af te werpen.
Zo gelukte het de zon,
die de strijd met zachtheid won.
In GA 295 spreekt Steiner op verschillende plaatsen over ‘vertellen’.
In de 6e werkbespreking gaat hij uitgebreid in op de FABEL, dé vertelstof voor klas 2.
Strikt beschouwd behandelt Steiner hier het lezen van een fabel. Ik ben van mening dat zijn aanwijzingen ook gelden voor het vertellen van een fabel. In mijn 2e klassen waar de druk van tests en toetsen en dreiging ‘zwak genoemd’ te worden, vrijwel afwezig waren, m.a.w. toen je nog oorspronkelijker ‘vrijeschool’ kon zijn, waren de kinderen in het begin van de 2e klas nog niet in staat een fabel te lezen; wel tijdens dat schooljaar. Een fabelboekje maken lijkt me met de huidige kopieermogelijkheden niet zo moeilijk. Af en toe kunnen de kinderen er een in opschrijven en bij iedere fabel kunnen ze illustreren – zo kan er een mooi werkje ontstaan.
GA 295 6e werkbespreking blz. 60 vert. blz. 58
Lesen einer Fabel von Lessing. Rudolf Steiner: Sie müssen bedenken, daß Prosa je nach der Persönlichkeit in verschiedener Stimmungslage gelesen werden kann. Den Titel läßt man möglichst fallen bei so etwas und betont ihn nicht besonders.
Die Nachtigall und der Pfau
Eine gesellige Nachtigall fand unter den Sängern des Waldes Neider die Menge, aber keinen Freund. « Vielleicht finde ich ihn unter einer anderen Gattung», dachte sie und floh vertraulich zu dem Pfau herab. «Schöner Pfau, ich bewundere dich!» – «Ich dich auch, liebliche Nachtigall.» – «So laß uns Freunde sein», sprach die Nachtigall weiter. « Wir werden uns nicht beneiden dürfen, du bist dem Auge so angenehm, als ich dem Oh re. » Die Nachtigall und der Pfau wurden Freunde. Kneller und Pope waren bessere Freunde als Pope und Addison.
Er wordt een fabel van Lessing gelezen.
Rudolf Steiner: U moet bedenken dat proza, afhankelijk van degene die leest, op verschillende toonhoogte gelezen kan worden. Bij de titel laat men zijn stem dalen als het kan, en geeft de titel geen bijzondere nadruk.
De nachtegaal en de pauw
Onder alle dieren van het bos was ook een nachtegaal. Er waren heel wat zangers in het bos die jaloers op hem waren, maar een vriend had de nachtegaal niet. ‘Misschien vind ik een vriend bij een andere soort,’dacht de nachtegaal en vloog vertrouwelijk naar de pauw onder hem. ‘Mooie pauw, ik bewonder je!’ ‘Ik bewonder jou ook, lieflijke nachtegaal.’ ‘Laten we vrienden zijn,’sprak de nachtegaal. ‘We hoeven niet jaloers te zijn op elkaar, want zo mooi als jij bent om te zien, zo mooi ben ik om te horen.’De nachtegaal en de pauw werden vrienden. Kneller en Pope waren betere vrienden dan Pope en Addison.
6e werkbespreking blz. 61 vert. 59
Rudolf Steiner sagte statt dessen scherzweise: Frankreich und Italien sind bessere Freunde als Italien und England. So kann man auch sagen; die Anwendung kann nämlich in der verschiedensten Weise gemacht werden.
Rudolf Steiner: Jetzt möchte ich mit Ihnen ein Stück Unterricht besprechen. Ich möchte darauf aufmerksam machen, daß Sie niemals den Inhalt eines Lesestückes – ich will es prosaisch so nennen – dadurch für das Gefühl und die Empfindung verderben sollten, daß Sie das Lesestück lesen, oder mit den Zöglingen durchlesen, und es dann pedantisch erklären. Der einsichtige Psychologe wird es nicht so machen, sondern er wird das Gefühl dafür haben, daß ein Prosastück oder ein Gedicht auf die Seele so wirken muß, daß diese Seele, wenn sie es erlebt hat, mit dem Eindruck zufrieden sein kann; von dem Eindruck befriedigt sein kann, könnte man auch sagen. Man wird aber das nicht ausschließen dürfen, daß man gerade diese Befriedigung, welche aus dem Inhalte eines Lesestückes hervorgehen soll, für den Zögling dadurch erhöht, daß der Zögling vollständig alle Nuancen versteht, daß er dem Gefühl nach wenigstens, instinktiv, versteht, was in dem Gedichte darin ist.
Rudolf Steiner zegt in plaats daarvan bij wijze van grap: Frankrijk en Italië zijn betere vrienden dan Italië en Engeland. Dat kan men ook zeggen. Men kan deze fabel namelijk op de meest verschillende manieren toepassen.
Nu zou ik een stuk onderwijs met u willen bespreken. Ik zou u erop willen wijzen dat u nooit de inhoud van een leestekst – ik zal het prozaïsch maar zo noemen – moet bederven voor het gevoel en de ervaring door het stuk voor te lezen of samen met de leerlingen te lezen, en het dan als een schoolmeester te verklaren. Iemand met psychologisch inzicht zal het niet zo doen, hij zal aanvoelen dat juist een prozatekst of een gedicht in moet werken op de ziel, en wel zo dat de ziel na die ervaring tevreden kan zijn met de indruk, voldaan kan zijn door de indruk, kan men ook zeggen. Maar men zal niet mogen uitsluiten dat men juist die voldoening die uit de inhoud van een tekst moet ontstaan, voor een leerling verhoogt doordat hij alle nuances begrijpt, althans gevoelsmatig, instinctief begrijpt wat er in het gedicht staat.
Man braucht keine Spintisiererei, keinen gelehrten Kommentar an einem Gedicht oder Lesestück zu entwickeln, aber man soll das Kind vollständig heraufheben zum gefühlsmäßigen Verständnis eines Lesestückes. Daher versuche man immer, das eigentliche Lesen eines Lesestückes zu allerletzt vorzunehmen, und alles das, was man tun will um des Verständnisses willen, das schicke man voran. Wenn man einigermaßen entsprechend das Richtige voranschickt, dann wirkt man nicht schulmeisterlich pedantisch, sondern man trägt dazu bei, daß nichts unerklärlich bleibt an dem Lesestück. Dann erhöht sich d& Genuß und die Befriedigung des Kindes. Ich würde daher – Sie würden das etwas ausführlicher machen -etwa folgendes in der Klasse mit den Schülern vornehmen. Ich würde sagen: «Seht einmal, liebe Kinder, ihr habt ganz gewiß schon einmal Hunde gesehen! Nun, wer hätte unter euch nicht schon Hunde gesehen! Der müßte ja hinter dem Ofen sich verkrochen haben. Und ihr habt bemerkt,
Men hoeft geen hersenspinsels, geen geleerd commentaar vast te knopen aan een gedicht of een prozatekst, maar men moet een kind zo ver brengen dat het een tekst gevoelsmatig begrijpt. Men kan daarom het beste proberen om het eigenlijke lezen van de tekst pas het allerlaatst te doen; en alles wat men wil doen omwille van het begrip, dat doet men van tevoren. Als men op een geschikte manier het juiste van tevoren vertelt, dan treedt men niet schoolmeesterachtig op, maar dan draagt men ertoe bij dat niets van de tekst onverklaarbaar blijft. Dan genieten de kinderen er meer van en is hun voldoening groter. Ik zou bijvoorbeeld – u zou het wat uitvoeriger doen – het volgende in de klas vertellen. ‘Luister eens, beste kinderen, jullie hebben vast en zeker wel eens een h o n d gezien! Ja, wie van jullie zou er nog nooit honden hebben gezien? Die zou zich wel achter de kachel verstopt moeten hebben. En jullie hebben natuurlijk gezien
6e werkbespreking blz. 62 vert. 59/60
daß nicht alle Hunde gleich sind. Sie sind sehr, sehr voneinander verschieden. Es gibt winzige Hunde, ganz kleine Hunde, größere Hunde und ganz große Hunde. Ihr habt euch schon manchmal vor den ganz großen Hunden gefürchtet. Vor den ganz kleinen, winzigen, fürchtet ihr euch nicht; vielleicht aber doch, weil sie einen manchmal in die Waden beißen. Nun wollen wir uns heute einmal ein paar Hunde ansehen. Da habt ihr wohl schon oft auf der Straße einen Wagen mit Fleisch gesehen und davor einen Fleischerhund. Wenn ihr genau aufgemerkt habt, werdet ihr gesehen haben, daß er sonst vor der Fleischerbude sitzt und achtgibt, daß niemand das Fleisch stiehlt. Wenn jemand kommt und das Fleisch nimmt, der kein Recht hat dazu, so muß er ihn beißen, oder wenigstens muß er bellen. Nun werdet ihr einsehen, daß der Fleischerhund nicht ein kleines Tierchen sein darf. Nein, das ist ein großer Hund! Ihr werdet auch immer gesehen haben, kleine Knirpse sind nicht eingespannt vor den Fleischerwagen, sie sind auch nicht vor die Fleischerbude gesetzt. Nun, solch einen Fleischerhund kann man vergleichen mit einem Menschen, der auf etwas achtzugeben hat. Man kann oft Tiere vergleichen mit den Menschen.
dat niet alle honden hetzelfde zijn. Er zijn heel veel verschillende honden. Er zijn petieterige hondjes, van die hele kleine hondjes, grotere honden en hele grote honden. Jullie zijn vast wel eens bang geweest voor hele grote honden. Voor die hele kleine petieterige hondjes ben je niet bang; maar misschien ook wel, omdat ze soms in je kuiten bijten. Maar laten we vandaag eens een paar honden bekijken. Je hebt op straat vast al wel vaak een wagen met vlees gezien en daarvoor de slagershond. Als je goed hebt opgelet heb je gezien dat hij verder altijd voor de slagerij zit en oplet dat niemand het vlees steelt. Als er iemand komt en vlees wegpakt die het niet mag, dan moet de hond hem bijten, of in ieder geval moet hij blaffen. Je zult wel begrijpen dat een slagershond geen klein beestje kan zijn. Nee, dat is een grote hond! Jullie zullen wel gezien hebben dat er voor de slagerswagen geen keffertjes staan, en ook niet voor de slagerswinkel. Nou, zo’n slagershond kun je vergelijken met een mens die op iets moet letten. Je kunt vaak dieren met mensen vergelijken.
Was die Tiere aus Instinkt zu tun haben, das müssen die Menschen oft aus Pflicht tun. Ähnliche Sachen müssen so die Menschen und die Tiere tun, und deshalb kann man sie auch vergleichen. Wenn zum Beispiel ein Mensch auf etwas aufzupassen hat wie der Fleischerhund vor der Fleischerbude, dann wird der Mensch sich etwas angewöhnen. Wenn einer kommt und etwas nehmen will, so wird er ihn beim Kamm nehmen – ja, so sagt man, wenn man jemand aufmerksam macht, daß er etwas nicht tun darf; so sagt man. Man sagt: , wenn man den Betreffenden hält. Beim Menschen sind es die Haare, es ist nicht ein richtiger Kamm. Man nimmt ihn bei den Haaren. Das tut ihm weh, daher reißt er nicht aus; daher tut man das. Und solche Sachen sagt man nicht so geradewegs, denn wenn man geradewegs so sagt: , so klingt es zu wenig spaßig. Es muß immer im Leben ein wenig Spaßiges beigemischt sein, daher sagt man: . Der Mensch hat Haare;
Wat de dieren uit instinct moeten doen, moeten de mensen vaak uit plicht doen. Mensen en dieren moeten dezelfde soort dingen doen en daarom kan men ze ook met elkaar vergelijken. Als een mens bijvoorbeeld op iets moet passen, net als de slagershond voor de slagerij, dan zal hij een bepaalde gewoonte krijgen. Als er iemand komt die iets weg wil nemen, dan zal hij hem bij zijn kraag grijpen. Ja, zo zegt men dat, wanneer men iemand erop wijst dat hij iets niet mag doen. Zo zegt men dat. Men zegt “bij de kraag grijpen” als men iemand vasthoudt. Je houdt iemand natuurlijk niet echt alleen bij zijn kraag vast, je houdt hem bij zijn nekvel vast. Dat doet pijn en daarom gaat hij er niet vandoor. Daarom doet men dat. En die dingen die zegt men niet zo rechtstreeks, want als je zegt: “Ik grijp je bij je nekvel,” dan klinkt dat te weinig grappig. Er moet in het leven altijd een grappig element bij zitten, daarom zegt men “bij de kraag grijpen”.
6e werkbespreking blz. 63 vert. 60/61
der Mensch ist manchmal etwas frech. Der Hahn ist fast immer frech; er hat einen Kamm. Deshalb sagt man: So könnte man sich schon ganz gut vorstellen, wenn zum Beispiel ein anderes freches Vieh kommt und will sich aus der Fleischerbude ein Stück Fleisch holen, da könnte der Fleischerhund sagen: – Da hätte man einen ganz guten Vergleich gemacht zwischen dem Menschen und dem Hund. Nun, ihr wißt, Kinder, es gibt auch noch andere Hunde, kleine, sie sind meist Faulenzer, elende Faulenzer! Sie liegen auf Kissen, sie liegen manchmal auch auf dem Schoß der Herrin. Kurz, es sind faule Kerle. Das sind die Polsterhündchen, die Schoßhündchen. So nützlich sind sie nicht wie der Fleischerhund. Der Fleischerhund, der dient zu etwas; die Polsterhündchen, die spielen nur, sind unnütz im Grunde. Aber der Fleischerhund wird, wenn irgend jemand etwas macht, was er nicht soll, ihn beim Kamm nehmen, das heißt ihn anfassen, packen und ordentlich durchschütteln. Das wird nützlich sein, denn das andere Tier wird dann das Fleisch nicht stehlen können. Das Polster- oder Schoßhündchen tut so etwas Nützliches nicht, das kläfft nur. Es kläfft jeden an, und namentlich, wenn andere große Hunde kommen, flugs ist das Schoßhündchen hinterher und kläfft und kläfft und kläfft.
De mens is wel eens wat brutaal. Daarom moet hij wel eens bij zijn kraag worden gepakt. Zo kun je je ook heel goed voorstellen, als er een ander brutaal beest komt dat een stuk vlees uit de slagerij wil pakken, dat de slagershond dan zegt: “Maar ik grijp je in je kraag!” Dan zou men een heel goede vergelijking hebben gemaakt tussen mens en dier. Nu, jullie weten wel, er zijn ook nog andere honden, kleine, dat zijn vaak van die luiwammesen, verschrikkelijk luie wezens. Ze liggen op kussens, ze liggen soms ook op de schoot van het vrouwtje, kortom: luiwammesen. Dat zijn schoothondjes. Die zijn niet zo nuttig als de slagershond. De slagershond is ergens goed voor. Schoothondjes spelen alleen maar, die zijn eigenlijk nergens goed voor; maar de slagershond zal iemand die iets doet wat hij niet mag bij de kraag grijpen, dat wil zeggen hem aanschieten, vastpakken en een flink pak rammel geven. Dat is nuttig, want het andere dier zal het vlees dan niet kunnen stelen. Het schoothondje doet niet zoiets nuttigs, dat keft alleen maar. Het keft naar iedereen, en vooral als er andere, grote honden komen, hup, gaat het schoothondje erachter aan en keft en keft en keft.
Aber Hunde, die bellen, die beißen nicht, so sagt das Sprichwort; so denken auch große Hunde, wenn sie vorbeigehen. Daher kann man auch sehen, wie große Hunde ganz gelassen vorbeigehen, die kleinen Kläffer kläffen lassen und sich denken: kläffende Hunde, die beißen nicht. – Mutig sind sie nicht, feig sind sie. Ein Fleischerhund muß immer schon Mut haben. Die Schoßhündchen, ja, die laufen nach und kläffen, aber wenn der andere sie anschaut, dann reißen sie gleich aus. Nun ja, seht ihr, diese Hündchen sind jedenfalls Faulenzer, machen nur Unnötiges auf der Welt und taugen zu nichts. Sie gleichen denjenigen Menschen, auf welche man nicht hören soll, wenn auch solche Menschen einen sehr oft ankläffen. Diese Polsterhündchen sind ganz klein, der Fleischerhund ist groß. Nun gibt es aber auch so mittelgroße. So einer ist nicht so groß wie der Fleischerhund, aber er ist größer als der Schoßhund. Von solch mittlerer Größe ist der Schäferhund. Dieser Schäferhund muß das Vieh
Maar blaffende honden bijten niet, zegt het spreekwoord; en dat denken ook grote honden als ze erlangs lopen. Je kunt dan ook zien dat grote honden er heel rustig langs lopen en de kleine keffertjes laten keffen en bij zichzelf denken: keffende honden bijten niet. – Moedig zijn ze niet, ze zijn laf. Een slagershond moet in ieder geval moedig zijn. De schoothondjes, ja, die lopen achter je aan en keffen, maar wanneer je alleen maar naar ze kijkt, gaan ze er onmiddellijk vandoor. Nou ja, je ziet wel, die hondjes zijn in ieder geval grote luilakken, ze doen alleen maar onnodige dingen en deugen nergens voor. Ze lijken op mensen waar je niet naar moet luisteren, ook al blaffen ze je heel vaak toe. Die schoothondjes zijn heel klein, de slagershond is groot. Maar nu zijn er ook van die middelgrote. Zo’n hond is niet zo groot als de slagershond, maar groter dan een schoothondje. Zo’n hond er tussenin is de herdershond. Een herdershond moet het vee
6e werkbespreking blz. 64 vert. 61/62
hüten. In manchen Gegenden ist das schwerer als bei uns. In manchen Gegenden, wie zum Beispiel in Rußland, da kommen die Wölfe. Und der Hund muß achtgeben, daß kein Wolf kommt oder ein anderes Tier; da muß er immer um die Herde herumlaufen. Daher hat sich die Gewohnheit gebildet, daß der Hund immer um die Herde herumläuft. Es ist ja auch bei uns gut, daß der Hund um die Herde herumläuft, denn der Hirt schläft oft, und da könnte etwas Böses kommen und etwas von der Herde wegholen. Deshalb läuft der Schäferhund herum und hütet die Herde. Auch wenn kein Wolf da ist, ist es gut, wenn der Schäferhund herumläuft und die Herde hütet, und manchmal auch den Hirten hütet und ihn aufweckt. Es könnte manchmal auch vorkommen, daß ein Hirte gestohlen würde, wenn er schläft. Also ein Hirtenhund, ein Schäferhund ist ein taugliches Wesen, ein nützliches Tier. Man kann sie auch vergleichen mit Menschen, die recht zum Leben stehen, die nicht unnütz sind wie die Faulenzer, die Polsterhündchen, die Schoßhündchen. Ja, es gibt solches auch im menschlichen Leben, diesen Unterschied zwischen solchen Menschen, die sind wie der Schäferhund, und solchen, die sind wie der Fleischerhund.
hoeden. In sommige gebieden is dat moeilijker dan bij ons. In sommige streken, bijvoorbeeld in Rusland, komen de wolven. En de hond moet erop letten dat er geen wolf of ander dier bij komt. Daarom moet hij steeds om de kudde heen lopen. Zo is de gewoonte ontstaan dat de hond steeds om de kudde heen loopt. Ook bij ons is het goed dat de hond om de kudde heen loopt, want vaak slaapt de herder en dan zou er iemand met boze bedoelingen kunnen komen en iets van de kudde kunnen weghalen. Daarom loopt de herdershond om de kudde en hoedt de kudde. Ook als er geen wolven zijn is het goed dat de herdershond rondloopt en de kudde hoedt, en soms ook de herder hoedt en hem wakker maakt. Het zou misschien wel eens kunnen gebeuren dat een herder gestolen wordt in zijn slaap. Een herdershond is dus een nuttig dier, een dier dat nuttig werk verricht. Je kunt hem ook vergelijken met mensen die op een juiste manier in het leven staan, die geen nutteloos leven leiden zoals die luilakken, die schoothondjes. Ja, en dan is er ook in het menselijk leven dat verschil tussen mensen die als een herdershond zijn en mensen die als een slagershond zijn.
Nützlich sind sie beide, wenn auch die, wie der Fleischerhund, manchmal grob sind. Manchmal sind sie so, daß sie ganz das Richtige sn kurzer, treffender Rede sagen; daß sie so das Gefühl haben, man muß etwas bewachen, etwas hüten, man muß den Feind abwehren. Man kann den Schäferhund auch vergleichen mit Menschen, die mehr still ihre Arbeit verrichten, aber abwarten müssen, bis gerade die schweren Dinge ihrer Arbeit eintreten. Der Schäferhund läuft herum. Lange hat er nicht zu tun, aber er muß sich bereithalten, dann stark zu sein, mutig zu sein, gerüstet zu sein, wenn der Wolf oder ein anderer Feind kommt, um im rechten Augenblick zuzufassen. So sind auch manche Menschen verpflichtet, zu warten und wachsam zu sein, bis sse aufgerufen werden. Da dürfen sie sich nicht durch allerlei Kleinlichkeiten des Lebens kleinlaut machen lassen, müssen gerüstet bleiben bis zu dem Augenblick, wo sie das Richtige zu tun haben.» Sehen Sie, so würde ich mit Kindern sprechen, damit sie auf die Tierwelt in einem besonderen Fall hingewiesen werden und ihre Gedanken auf die Analogien zwischen Tieren und Menschen lenken.
Nuttig zijn ze allebei, ook al zijn die als de slagershonden wel eens wat grof. Soms zijn ze zo dat ze precies het goede in heel weinig, treffende woorden zeggen; dat ze het gevoel hebben dat ze iets moeten bewaken, iets moeten beschermen, een vijand moeten afweren. Een herdershond kun je vergelijken met mensen die meer in stilte hun werk doen, maar moeten wachten tot het moment dat de moeilijke dingen van hun werk moeten worden gedaan. De herdershond loopt rond. Veel werk heeft hij niet, maar hij moet zich steeds gereed houden om sterk te zijn, moedig te zijn, voorbereid te zijn, wanneer de wolf komt of een andere vijand, om op het juiste ogenblik toe te happen. Zo zijn ook sommige mensen verplicht om te wachten en waakzaam te zijn tot hun optreden nodig is. Dan mogen ze zich niet laten afleiden door allerlei kleinigheden in het leven, maar ze moeten paraat zijn tot op het moment dat ze het juiste moeten doen.’ Ziet u, zoiets zou ik de kinderen vertellen, om een bepaald dier onder hun aandacht te brengen en hun gedachten te richten op de analogieën tussen dieren en mensen.
6e werkbespreking blz. 65 vert. 62/63
Wenn man so etwas besprochen hat, dann wird man das Folgende vorlesen können, ohne daß man nötig hat, hinterher Erklärungen dazu abzugeben. Wenn man folgende kleine Erzählung erst ohne Erklärung den Kindern geben würde, dann würden sie nicht die volle Vorbereitung haben, weil ihre Empfindungen und Gefühle nicht auf alles hingelenkt sind. Wenn man erst hinterher Erklärungen geben würde, würde man es pedantisch zerzausen, und sie würden es auch nicht richtig lesen können.
Als men zoiets heeft besproken, dan zal men het volgende kunnen voorlezen zonder dat men achteraf verklaringen hoeft te geven. Als men dit kleine verhaaltje eerst zonder verklaring zou voorlezen, dan zouden de kinderen niet ten volle voorbereid zijn, omdat hun gewaarwordingen en gevoelens niet op alles gespitst zijn. Zou men pas achteraf verklaringen geven, dan zou men het als een schoolmeester uit elkaar rafelen en dan zouden ze het ook niet goed kunnen lezen.
Ik leerde tijdens mijn onderwijzersopleiding het zo te doen als Steiner hier afwijst. Wij moesten achteraf verklaren en d.m.v. vragen kijken of de kinderen ‘het’ begrepen hadden. Dat kan in een hogere klas als taaloefening z’n nut hebben: begrijpend lezen. Een fabel is kort en is eigenlijk gauw klaar. Mijn ervaring is nu ook zo dat ik kan zeggen dat door er van te voren mee bezig te zijn, de kinderen aandachtiger luisteren. Vooral, wanneer het lukt om in ‘gesprek’ de kinderen van alles te laten vertellen, wat ze weten bijv. van het dier waarover je iets wilt vertellen, maar ook, belangrijker nog, over de inhoud van de fabel, zonder deze met name te noemen of te verklaren. Zo vroeg ik eens aan een klas – ik had de fabel ‘De vos en de raaf’ op het oog: de mooipraterij, of de kinderen wisten wat ‘vleien’ was. De een wel, de ander niet – al doende wordt de woordenschat vergroot – . Het bleek dat veel kinderen weten – zonder het woord te kennen! – dat ze dat af en toe doen om hun zin te krijgen. Als zo’n gesprekje goed loopt, vertrouwen de kinderen je heel veel toe. En krijg je weer een beetje meer inzicht in hun belevingswereld. De kunst is om niets te veroordelen: geen moraal!. Als dan alles wel zo’n beetje is gezegd, zeg jij: ‘En nu we dit besproken hebben, wil ik jullie deze fabel vertellen. Als deze klaar is: laat je niet verleiden om nog een soort (morele) conclusie te trekken. Dat is de pedante schoolmeester met het vingertje: ‘Dus kinderen, weet wel…..’ Heb er vertrouwen in dat het beeld doorwerkt.
Der Schäferhund
Ein alter Hirtenhund, der seines Herrn Vieh treulich bewachte, ging abends heim. Da kläfften ihn die Polsterhündchen auf der Gasse an. Er trabt vor sich hin und sieht sich nicht um. Als er vor die Fleischbank kommt, fragt ihn ein Fleischerhund, wie er das Gebell leiden könne, und warum er nicht einen beim Kamm nehme. «Nein», sagte der Hirtenhund, «es zwackt und beißt mich ja keiner, ich muß meine Zähne für die Wölfe haben.»
Dann braucht man gar nichts mehr zu den Kindern zu sagen; man muß vorher vorbereiten, daß es die Kinder verstehen.
De herdershond
Een oude herdershond, die de kudde van zijn baas trouw bewaakte, ging ’s avonds naar huis. De schoothondjes keften naar hem op straat. Hij loopt rustig door en kijkt niet om. Als hij bij de slagerij komt, zegt een slagershond tegen hem: ‘Dat je daar tegen kunt – tegen dat gekef! Waarom grijp je er niet eentje in zijn kraag?’ ‘Nee,’ zei de herdershond,’niemand plaagt of bijt me toch? Ik moet mijn tanden sparen voor de wolven.’
Dan hoeft men de kinderen niets meer te vertellen; men moet er van tevoren voor zorgen dat de kinderen het begrijpen.
Ein anderes Mal sprechen Sie zu den Kindern das Folgende: «Meine lieben Kinder! Ihr seid schon öfter spazierengegangen, seid spazierengegangen auf der Wiese, zwischen den Feldern, aber auch im Wald, auch manchmal so am Rand, wo der Wald an die Wiese grenzt. Wenn ihr im Wald drinnen geht, dann geht ihr ganz im Schatten; aber wenn ihr so am Rande des Waldes geht, dann kann von der einen Seite auch noch recht scharf die Sonne scheinen. Dann könnt ihr, wenn an den Wald eine Wiese angrenzt, ganz ruhig betrachten, wie die Blumen wachsen. Es wird immer ganz gut für euch sein, wenn ihr besonders die Plätze aussucht für eure Spaziergänge, wo Wald und Wiese aneinander grenzen. Dann könnt ihr immer bald im Wald, bald auf der Wiese etwas aussuchen. Da könnt ihr immer von neuem betrachten, wie das Gras wächst, und wie die Pflanzen und die Blumen im Gras drinnen wachsen.
(Het viooltje)
Een andere keer vertelt u de kinderen het volgende. ‘Beste kinderen! Jullie hebben al wel vaak een wandeling gemaakt, soms door de weilanden, tussen de velden, maar ook wel eens in het bos, en soms ook zo aan de rand, waar het bos grenst aan de weilanden. Als jullie in het bos lopen, dan loop je helemaal in de schaduw; maar als je langs de rand van het bos loopt, dan kan van de ene kant de zon nog heel fel schijnen. En als het bos grenst aan een weiland, dan kun je heel rustig bekijken hoe de bloemen groeien. Het zal altijd heel goed voor jullie zijn, als je juist die plekken uitzoekt om te wandelen waar bos en weiland aan elkaar grenzen. Dan kun je altijd of in het bos of in de wei iets uitzoeken. Dan kun je steeds opnieuw zien hoe het gras groeit en in het gras de planten en bloemen groeien.
6e werkbespreking blz. 66 vert. 63
Aber seht, ganz besonders lieblich und angenehm ist es, wenn man nicht bloß durch den Wald und auf die Wiesen gehen kann, sondern wenn die Wiesen noch besonders zwischen Bergen gelegen sind, in Tälern. Auf solchen Wiesen findet man noch viel Interessanteres als auf Wiesen, die zuviel von der Sonne beschienen werden. Talwiesen, die von den Bergen beschützt werden, die haben sehr schöne Blumen, und diese Blumen, die wachsen sehr häufig so, daß man sie auch zwischen dem Moos sieht, das da ganz besonders wächst in solchen Wiesen-tälern. Besonders die Veilchen, die sind gerade dort, wo das Moos benachbart ist.» Jetzt kann man dann weiter mit den Kindern von Moos und Veilchen sprechen, kann vielleicht ein Kind aufrufen, das Veilchen zu beschreiben, ein anderes, das das Moos besprechen soll. Man kann sogar versuchen, wenn es gerade welche gibt, an dem Tage Veilchen und Moos mitzubringen. Sie sind ja beide zu gleicher Zeit zu haben.
En het is wel heel lieflijk en heerlijk als je niet alleen door het bos en door de weilanden kunt lopen, maar als die weilanden dan ook nog tussen de bergen liggen, in dalen. Op zulke weiden vindt men nog veel interessantere dingen dan op weilanden die te veel zonnestralen krijgen. Weilanden in het dal, beschut door de bergen, die hebben heel mooie bloemen, en die bloemen groeien heel vaak zo dat je ze ook tussen het mos ziet dat daar in zulke dalen met weilanden veel groeit. Vooral de viooltjes, die vind je altijd in de buurt van het mos.’ En dan kan men het verder hebben over het mos en het viooltje, men kan een kind misschien een viooltje laten beschrijven en een ander kind het mos. Men kan zelfs proberen om op die dag viooltjes en mos mee te nemen, als ze er dan zijn. Ze zijn immers in dezelfde tijd te vinden.
Dann fährt man etwa fort: «Aber seht mal, liebe Kinder, wenn ihr solch ein Wiesental in der Nähe habt, dann könnt ihr erleben, daß ihr hinausgeht, und ihr seht nur Moos. Ja, dann geht ihr in acht Tagen wieder hinaus. Was seht ihr dann? Im Moos die Veilchen! Ja, die sind erst herausgewachsen, die waren früher im Moos drin versteckt. Ihr merkt euch das. Und wenn ihr das nächste Jahr hinausgeht, dann könnt ihr noch eine größere Freude haben. Da denkt ihr: – Nun versucht ihr, das Moos auseinander zu machen. Aha, da ist das Veilchen darin! Es ist in der Natur, meine lieben Kinder, oftmals gerade so, wie es unter den Menschen ist. Da ist oftmals auch manches Gute und manches Schöne verborgen. Mancher Mensch wird nicht bemerkt, weil das Gute in ihm versteckt ist, weil es noch nicht gefunden ist. Man muß sich ein Gefühl dafür aneignen, die guten Menschen unter der Menge herauszufinden. Ja, seht, liebe Kinder, man kann noch weiter das menschliche Leben mit der Natur vergleichen. Denkt euch einmal selbst so ein ganz gutes Menschenkind, dann werdet ihr auch finden, daß ein solches Menschenkind auch immer ganz gute, brave Worte redet. Nun gibt es
En dan gaat men verder: ‘Maar kijk beste kinderen, als je zo’n weidedal in de buurt hebt, dan kan het je overkomen dat je erop uitgaat en alleen maar mos ziet. Ja, en een week later ga je nog eens kijken. En wat zie je dan? Viooltjes in het mos! Die zijn uit het mos gegroeid, die hadden zich eerst in het mos verstopt. Dat moetje goed onthouden. En als je het volgend jaar weer gaat kijken, dan zul je er nog meer vreugde aan kunnen beleven. Want dan denk je: “In de lente waren hier nog geen viooltjes! We hebben er nog geen gezien.” En dan probeer je het mos wat uit elkaar te halen. Aha! Daar zit het viooltje in! In de natuur, beste kinderen, is het dikwijls precies zoals bij de mensen. Ook daar zijn vaak heel wat goede en mooie dingen verborgen. Heel wat mensen worden over het hoofd gezien omdat het goede in hen is verstopt, omdat het nog niet is gevonden. Je moet er een gevoel voor ontwikkelen om onder alle mensen de goede te vinden. Kijk, kinderen, we kunnen het leven van de mens nog verder vergelijken met de natuur. Stel je eens zo’n echt goed mensenkind voor. Jullie zullen ook wel vinden dat zo’n kind ook altijd heel goede, brave dingen zegt. En nu zijn er
6e werkbespreking blz. 67 vert. 63/64
bescheidene Menschenkinder und unbescheidene Menschenkinder. Bescheidene Menschenkinder, die wird man weniger bemerken. Unbescheidene Menschenkinder, die werden aber bemerkt sein wollen. Seht, das Veilchen ist ja recht schön, aber wenn ihr so dieses Veilchen anschaut, wie es seine ganz lieblichen Veilchenblätter so hinaufstrafft, so werdet ihr doch merken: das Veilchen will bemerkt werden, es will angeschaut werden. Ich kann das Veilchen nicht vergleichen mit einem bescheidenen Kindchen, das sich zurückzieht und in der Ecke bleibt. Ihr könntet es nur vergleichen mit einem Kinde, das eigentlich sehr gerne gesehen wird. Ja, aber es zeigt sich doch nicht, wenn es im Moos versteckt ist? Ja, seht ihr, wenn ihr das Veilchen so anseht zwischen den Blättern, wie das herauskommt, und das Ganze wieder da aus dem Moose herauskriecht, das ist doch gerade so, als wenn das Veilchen ja gar nicht bloß gesehen sein möchte, als wenn es nicht bloß sich riechen lassen möchte; das ist doch so, als wenn es sich suchen lassen möchte:
bescheiden en onbescheiden mensenkinderen. Bescheiden mensenkinderen zullen je niet zo snel opvallen. Maar onbescheiden mensenkinderen, die willen gezien worden. Tja, dat viooltje is natuurlijk heel mooi, maar als je dat viooltje zo eens bekijkt, hoe het die schattige blaadjes zo ophoudt, dan zul je toch wel merken: het viooltje wil gezien worden, wil bekeken worden. Ik kan het viooltje niet vergelijken met een bescheiden kindje dat zich terugtrekt en in een hoekje blijft zitten. Je kunt het alleen maar vergelijken met een kind dat eigenlijk heel graag gezien wordt. Ja, maar het laat zich toch niet zien als het in het mos verstopt is? Ja, kijk, als je dat viooltje zo bekijkt tussen de blaadjes, hoe het te voorschijn komt en hoe alles dan uit het mos kruipt, dat is toch precies zo alsof het viooltje niet alleen gezien wil worden, niet alleen geroken wil worden; dat is toch zo alsof het zich wil laten zoeken:
– Dieses Veilchen, das ist so etwas wie ein nicht ganz bescheidenes Menschenkind, aber auch so etwas wie ein schalkhaftes Menschenkind.» Es ist ganz gut, wenn man mit den Kindern solche Parallelen, solche Analogien zwischen Natur und Menschenwesen durchspricht, damit sich alles, was in der Nähe des Kindes ist, belebt. Es wird gut sein, alle solche Besprechungen mit den Kindern als Vorbereitung zu halten, um von den Kindern irgend etwas genießen zu lassen. Nach dem Lesestück sollen überhaupt Erklärungen nicht mehr gegeben werden. Nicht wahr, es wäre doch Unsinn, wenn ich anfangen wollte, Ihnen jetzt auf chinesisch etwas vorzutragen. Sie würden sagen: Na, das hat doch keinen Sinn; Chinesisch haben wir doch nicht gelernt. – Wenn Sie aber alle Chinesisch kennen würden, und ich zu Ihnen sprechen würde, würden Sie es höchst langweilig finden, wenn ich Ihnen hinterher alles erklären wollte. So soll man es aber auch mit einem Lesestück halten: alles tun, was es zum Genuß bringen kann. Etwas ausführlicher, indem Sie die Kinder recht viel mittun lassen, reden Sie so über Bescheidenheit der Menschen und Unbescheidenheit und Koketterie, und dann lesen Sie ihnen vor:
“Ja, ja, ja, ja, ja, daar ben ik al! Maar je moet me wel zoeken!” Dat viooltje, dat is zoiets als een niet heel bescheiden mensenkind, maar ook zoiets als een schelm.’ Het is heel goed als men met de kinderen zulke parallellen, zulke analogieën tussen natuur en mens bespreekt, opdat alles in de nabijheid van het kind tot leven komt. Het zal goed zijn om dat soort besprekingen met de kinderen te hebben als voorbereiding om de kinderen van iets te laten genieten. Na het lezen van de tekst moeten er in geen geval nog verklaringen worden gegeven. Het zou toch ook onzinnig zijn als ik u nu iets in het Chinees zou gaan voordragen. U zou zeggen: ‘Dat heeft geen enkele zin; we verstaan toch geen Chinees.’ Maar als u allemaal Chinees zou verstaan, en ik zou iets in die taal tegen u zeggen, dan zou u het uiterst saai vinden als ik u achteraf alles zou willen uitleggen. Maar zo moet men ook een leestekst aanpakken: alles doen waardoor van de tekst genoten kan worden. Iets uitvoeriger, en terwijl u de kinderen heel veel mee laat doen, heeft u het zo over bescheidenheid en over onbescheidenheid en koketterie, en dan leest u voor:
6e werkbespreking blz. 67 vert. 64/65
Ei, was blüht so heimlich am Sonnenstrahl? Das sind die lieben Veilchen, die blühn im stillen Tal, Blühen so heimlich im Moose versteekt, Drum haben auch wir Kinder kein Veilchen entdeckt.
Und was steckt sein Köpfelein still empor? Was lispelt aus dem Moose so leise, leis’ hervor? ‘Suchet, so findet ihr! suchet mich doch!’ Ei, warte, Veilchen, warte! wir finden dich noch!
Hoffmann von Fallersleben
Wenn Sie das Kind die Sprache des Gedichtes gelehrt haben, dann kann das Kind in allen Nuancen mitmachen, dann brauchen Sie nicht hinterher durch einen Kommentar und Pedanterie ihm den Eindruck zu verderben. Das ist es, was ich Ihnen zur Behandlung von Lesestücken empfehlen möchte, weil Sie dadurch die Gelegenheit haben, vieles mit den Kindern zu besprechen, was dem Schulunterricht überhaupt angehören soll, und weil Sie dem Kinde ungeteilte Befriedigung geben können in solchem Lesestücke. Das ist es also, was ich Ihnen mit Bezug auf die Behandlung des Lesestückes ans Herz legen möchte.
Als de kinderen de taal van gedichten hebben geleerd, dan kunnen ze in alle nuances meedoen, dan hoeft u niet achteraf door commentaar en pedanterie hun indruk te bederven. Dat is het wat ik u zou willen aanraden bij de behandeling van leesteksten, omdat u daardoor de gelegenheid hebt om veel met de kinderen te bespreken wat hoe dan ook in het onderwijs thuishoort en omdat u er zo voor kunt zorgen dat zo’n tekst onverdeeld voldoening kan schenken aan de kinderen. Dat is het dus wat ik u allemaal op het hart wilde drukken met betrekking tot de behandeling van leesteksten. GA 295/60-67 vertaald/58-65
7e werkbespreking 28 augustus 1919 blz. 73 vert. 69
Lesen einer Fabel von Lessing.
Das Roß und der Stier
Auf einem feurigen Rosse flog stolz ein dreister Knabe daher. Da rief ein wilder Stier dem Rosse zu: «Schande! Von einem Knaben ließ ich mich nicht regieren!» «Aber ich», versetzte das Roß, «denn was für Ehre könnte es mir bringen, einen Knaben abzuwerfen?»
Rudolf Steiner (nachdem alle die Fabel vorgelesen haben): Sie werden wohl, nachdem Sie das schon so oft gehört haben, das Gefühl haben, daß das so geschrieben ist, wie man Fabeln und viele Dinge im 18. Jahrhundert eben geschrieben hat. Man hat so das Gefühl, daß sie nicht ganz fertig geworden sind, wie manche Dinge damals nicht ganz fertig geworden sind. Rudolf Steiner verliest die Fabel noch einmal und sagt dann: Jetzt, im 20. Jahrhundert, würde man die Fabel etwa in folgender Weise fortführen können: Stierehre! Und suchte ich die Ehre, indem ich störrisch stehen bliebe, so wäre das nicht Pferdeehre, sondern Eselsehre. So würde man es in der jetzigen Zeit machen. Dann würden die Kinder auch gleich merken, daß es drei Ehren gibt: eine Stierehre, eine Pferdeehre und eine Eselsehre. Der Stier wirft ab, das Pferd trägt den Knaben ruhig weiter, weil es ritterlich ist, der Esel bleibt störrisch stehen, weil er darin seine Ehre sieht.
Er wordt een fabel van Lessing gelezen.
Het paard en de stier
Op een vurig paard vloog trots een drieste knaap. Daar riep een wilde stier het paard toe: ‘Schande! Door een knaap liet ik mij niet regeren!’ ‘Ik wel,’ zei het paard, ‘want wat voor eer zou het voor mij betekenen om een knaap af te werpen?’
Rudolf Steiner (nadat allen de fabel hebben voorgelezen): Nu u dit zo vaak hebt gehoord, zult u wel het gevoel hebben dat dat typisch zo geschreven is als fabels en veel dingen in de achttiende eeuw geschreven zijn. Men heeft zo het gevoel dat ze niet helemaal af zijn, zoals heel wat dingen in die tijd niet helemaal zijn afgerond.
Rudolf Steiner leest de fabel nog een keer voor en zegt dan:
Nu, in de twintigste eeuw, zou men de fabel een vervolg kunnen geven, bijvoorbeeld zo:
Stiere-eer! En zou ik eer zoeken door koppig te blijven staan, dan was dat geen paarde-eer, maar ezelseer.
Zo zou men het in deze tijd doen. Dan zouden de kinderen ook meteen merken dat er drie vormen van eer bestaan: de eer van een stier, van een paard en van een ezel. De stier werpt af, het paard draagt de jongen rustig verder omdat het een edel dier is en de ezel blijft koppig staan omdat hij dat als zijn eer beschouwt. GA 295/73 vertaald/69
GA 295 8e werkbespreking 29 augustus 1919 blz. 89 vert. 83
Jetzt noch ein Prosastück, eine Fabel von Lessing:
Die Eiche
Der rasende Nordwind hatte seine Stärke in einer stürmischen Nacht an einer erhabenen Eiche bewiesen. Nun lag sie gestreckt und eine Menge niedriger Sträuche lagen unter ihr zerschmettert. Ein Fuchs, der seine Grube nicht weit davon hatte, sah sie des Morgens darauf. Worin besteht denn die Fabelmoral? T.: Daß man erst beim Tode bemerkt, wie groß ein Mensch war. H.: Daß ein Kleiner erst merkt, wenn ein Großer gestürzt ist, was er war.
Rudolf Steiner: Aber warum wird gerade der Fuchs verwendet, der doch schlau ist? H.: Weil die Fuchsschlauheit an die Erhabenheit des Baumes nicht herankommt.
Rudolf Steiner: In welchem Satz würde mit Bezug auf die Fuchs-schlauheit die Fabelmoral stecken? – «Hätte ich doch niemals gedacht, daß er so groß gewesen wäre!» Er hatte eben nie hinaufgeschaut. Er hatte ihn nur immer unten angeschaut, war nur unten um ihn herumgegangen, und da hatte der Baum einen kleinen Raum eingenommen. Er hatte nur das gesehen, trotz seiner Schlauheit, was man unten von dem Umfange sieht.
Nu nog een stuk proza, een fabel van Lessing:
De eik
De woedende noordenwind had in een stormachtige nacht zijn krachten beproefd op een eerbiedwaardige eik. En met succes. De eik was geveld en een massa lage struiken waren door zijn val verpletterd. Een vos, die niet ver daarvandaan zijn hol had, zag de eik de volgende morgen. ‘ Wat een boom!’ riep hij. ‘Ik had nooit gedacht dat-ie zó groot was!’
Wat is de moraal van deze fabel?
T.: Dat je pas bij iemands dood ontdekt hoe groot die persoon was.
H.: Dat een klein mens pas merkt wat een groot mens was wanneer hij ten val is gekomen.
Maar waarom wordt juist de vos gebruikt, die toch slim is?
H.: Omdat de slimheid van een vos geen greep heeft op de grootsheid van de boom.
In welke zin zou wat deze vosseslimheid betreft de moraal van de fabel zitten? – ‘Ik had nooit gedacht dat-ie zo groot was!’
Hij had namelijk nooit omhoog gekeken. Hij had de boom altijd alleen van de onderkant bekeken, was alleen maar om de stam heen gelopen en daar aan de onderkant had de boom maar weinig ruimte ingenomen. Ondanks zijn slimheid had hij van de omvang alleen dat gezien wat men aan de onderkant ziet.
Ik wil u erop wijzen dat fabels, al spelen ze zich in een bijzondere wereld, in een fabelwereld af, realistisch gelezen mogen worden. Gedichten nooit. GA 295/89 vertaald/83
Steiner komt nog terug op de fabel van de hond; en het viooltje zie boven.
GA 293 9e vdr. 30 augustus 1919 blz. 148/149 vert. 144/145
Man kann das auch noch anders ausdrücken. Wenn der Mensch aus der geistig.seelischen Welt heraustritt, sich mit einem Leibe umkleidet, was will er da eigentlich? Er will das Vergangene, das er im Geistigen durchlebt hat, in der physischen Welt verwirklichen. Der Mensch ist gewissermaßen vor dem zahnwechsel ganz auf das Vergangene noch eingestellt. Von jener Hingabe, die man in der geistigen Welt entwickelt, ist der Mensch noch erfüllt. Daher gibt er sich auch in seine Umgebung hin, indem er die Menschen nachahmt. Was ist denn nun der Grundimpuls, die noch ganz unbewußte Grundstimmung des Kindes bis zum Zahnwechsel? Diese Grundstimmung ist eigentlich eine sehr schöne, die auch gepflegt werden muß. Es ist die, welche von der Annahme, von der unbewußten Annahme ausgeht: Die ganze Weft ist moralisch. Es ist bei den heutigen Seelen nicht umfassend so; aber es ist im Memlsen veranlagt, wenn er die Welt betritt, dadurch daß er ein pbysisches Wesen wird, von der unbewußten Annahme auszqehen: Die Welt ist moralisch. Daher ist es gut für die ganze Erziehung bis zum zahnwechsel und noch darüber hinaus, daß man etwas Rechnung trage dieser unbewußten Annahme: Die Welt ist moralisch. Ich habe darauf Rücksicht genommen, indem ich Ihnen zwei Lesestücke vorgeführt habe, für die ich zuerst die Vorbereitung gezeigt habe, und diese Präparation lebte ganz unter der Annahme, daß man moralisch charakterisiert. Ich versuchte zu charakterisieren bei dem Stück, wo es sich um das Hirtenhündchen, das Fleischerhündchen und das Polsterhündchen handelt, wie im Tierreiche Menschenmoral widergespiegelt sein kann.
Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt en zich met een lichaam omhult, wat wil hij dan eigenlijk? Hij wil dat wat hij voorheen in de geestelijke wereld ervaren heeft, realiseren in de fysieke wereld. In zekere zin is de mens voor de tandenwisseling nog volledig gericht op het verleden. Men is nog vervuld van de overgave die men in de geestelijke wereld ontwikkelt. Daarom geeft de mens zich over aan zijn omgeving door de anderen na te bootsen. En wat is nu de grondimpuls, de onbewuste grondstemming van het kind tot aan de tandenwisseling? Deze grondstemming is eigenlijk heel mooi en moet ook gekoesterd worden. Het is de stemming die er – onbewust – van uitgaat dat de hele wereld goed is. Tegenwoordig is dat niet bij alle zielen zo, maar in aanleg gaat de mens, door op aarde fysiek gestalte aan te nemen, er onbewust van uit dat de wereld moreel goed is. Daarom is het voor de hele opvoeding tot aan de tandenwisseling, en later nog, goed om rekening te houden met deze onbewuste grondstemming dat de wereld goed is. Toen ik twee teksten behandelde, (zie boven) met name de voorbereiding daarvan, heb ik daar ook rekening mee gehouden: deze voorbereiding stond volledig in het teken van een morele karakterisering. Bij het gedeelte over de herdershond, de slagershond en het schoothondje heb ik geprobeerd te karakteriseren hoe de mensenmoraal weerspiegeld kan zijn in het dierenrijk.
Und ich versuchte es auch, in dem Gedicht über das Veilchen von HoI!mann von Faiiersieben, ohne Pedanterie Moral auch über das siebente Lebensjahr hin- aus an das kindliche Leben heranzubringen, damit man dieser Anwthme, die Welt ist moralisch, entgegenkommt. Das ist ja das Erhebende und Große im Anblick der Kinder, daß die Kinder eine Menschenrasse sind, die an die Moral der Welt glaubt und daher glaubt, daß man die Welt nachahmen dürfe. – Das Kind lebt so in der Vergangenheit und ist auch vielfach ein 0ffenbarer der vorgeburtlichen Vergangenheit, nicht der physischen, sondern der geistig-seelischen.
Ik heb bij het gedicht van Hoffmann von Fallersleben over het viooltje geprobeerd om, zonder pedant te worden, ook aan kinderen boven de zeven iets moreels bij te brengen, opdat men tegemoetkomt aan deze veronderstelling dat de wereld goed is. Dat is ook het inspirerende en grootse van kinderen, dat ze mensen zijn die geloven in het goede van de wereld en die geloven dat men daarom de wereld mag nabootsen. – Het kind leeft ook in het verleden en openbaart ons zo ook in veel opzichten het voorgeboortelijke verleden – niet het fysieke, maar het geestelijke verleden. GA 293/148-149 vertaald/144-145
>
Caroline von Heydebrand: 2e klas: Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.[1]
In de passages uit Steiners voordrachten hierboven wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’. Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen. Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij. [1] Caroline von Heydebrand Vom Lehrplan der freien Waldorfschule, 1965
Onze taal is, wat spelling betreft, niet zo eenvoudig. Voor de kinderen valt er dan ook heel wat te leren. Er moet heel veel geoefend worden. Als leerkracht moet je dus ook heel goed weten hoe bepaalde spelling(s)regels zijn. Hieronder volgt een beknopte hulp: (uitbreiding volgt van tijd tot tijd)
(35) aan/aan de gevolgen (45) aan elkaar of streepje (39) aanhalingstekens en komma (37) aantal (6) actieve zin (2) alle of allen; (33) -allig (3) als of dan; (30) als-bepalingen (6) bedrijvende zin (21) bepaling van gesteldheid: verkeerd gebruik; (22) beknopte bijzinnen (42) bijv. naamw. afgeleid van voltooid deelwoord (28) denk/denk niet (8) die, dat of wat; (17) dubbele ontkenningen; (43) enkelvoud/meervoud (10) ervan af/ ervanaf; (41) haar of hem? hij of zij? (41) hem of haar? hij of zij? (1) hen of hun; (16) het zij/ zij het; (41) hij of zij? Hem of haar? (46) hoofdletters (27) -ing of -atie (34) ’t kofschip (39) zodat of opdat (40) leenwoorden (5) leestekens (punt, komma, puntkomma, aanhalingstekens); (6) lijdende zin (25) meervoud: stapel-; algemene regels; woorden op -ik; van samengestelde woorden; (43) meervoud/enkelvoud (14) meewerkend voorwerp; (23) met betrekking tot; ten aanzien van (11) mits/tenzij; (12) nadat; (28) negatieverplaatsing (13) niet (in) het minst; (7) omdat of doordat; reden/oorzaak; (17) ontkenningen (dubbele); (47) opdat of zodat (6) passief of actief; (36) perifrase; (18) pleonasme; (19) samentrekking – foutief; idem: ‘Tante Betje’ (29) stoffelijke bijv.naamw. (45) streepje of aan elkaar (44) streepje of trema (20) tangconstructie; (18) tautologie; (24) te, ten ter (23) ten aanzien van; met betrekking tot (44) trema of streepje (4) tweede naamval-S en meervoud-S; (17) verhaspelingen; dubbele ontkenningen; [38] verleden tijd of voltooide (26) vervoeging Engelse werkwoorden (31) verzwegen onderwerp (42) voltooid deelwoord als bijv. naamwoord (33) -voudig (47) werkwoorden: samenkoppelingen (32) werkwoorden sterk-zwak (9) wiens, wier, waarvan of wie; (16) zij het/ het zij; (41) zij of hij? hem of haar? (47) zodat of opdat
(1)HEN OF HUN XHun moeten aanvullen en dan kunnen wij op de counter spelen. Als je zo’n zin zwart op wit ziet staan, heb je waarschijnlijk direct door dat hier zij had moeten staan in plaats van hun. In spreektaal wordt deze fout echter verbazingwekkend vaak gemaakt. Nog veel groter (en niet alleen in spreektaal) is de verwarring rond hun en hen. Voor het correcte gebruik van hun en hen is enige grammaticale kennis nodig. –hun mag eigenlijk alleen gebruikt worden als meewerkend voorwerp –henwordt gebruikt als lijdend voorwerp en na voorzetsels Ik heb hun de grammatica uitgelegd.Ik heb aan hen de grammatica uitgelegd. Ik heb hen op grammaticale kennis getoetst. Als je streeft naar zo verzorgd mogelijk taalgebruik, is het raadzaam om in de schrijftaal deze regel te volgen. Maar blijft het onderscheid tussen meewerkend en lijdend voorwerp je parten spelen, dan is er een in brede kring geaccepteerde, eenvoudige oplossing: gebruik het woordje ze.Ik heb ze de grammatica uitgelegd.Ik heb ze op grammaticale kennis getoetst. Lees meer over hen en hun in paragraaf 4.2.3 van de Beknopte grammatica van het Nederlands in het Kramers woordenboek Nederlands.
Kom je hun of hen tegemoet?
Tegenwoordig kiezen mensen vaker voor ‘hen’, omdat ‘hun’ besmet is door ‘hun hebben’, en qua ontleding kun je van ‘tegemoet’ een achterzetsel maken (net als ‘voorbij’) en dan past er ‘hen’ bij, of je stelt dat ‘hun’ lijdend voorwerp is van ‘tegemoetdrijven’, en dan zou het ook ‘hen’ zijn. Tegemoet’ komt van ‘te ghe-moete’ (om te ontmoeten), en ‘Hij kwam haar tegemoet’ was dus oorspronkelijk iets als ‘Hij naderde om haar te ontmoeten’. Vroeger hoorde hier een derde naamval bij, en vandaar de keuze voor ‘hun’. ‘Volgens de strikte regel van Taaladvies bij het werkwoord ‘tegemoetkomen’ past de vorm ‘hun’ want het zou gaan om ‘een soort meewerkend voorwerp’. Ik denk dat hier die uitgestorven derde naamval bedoeld is, en officieel is het dus ook ‘hun’. Wat zegt de taalwerkelijkheid? Daar is het chaos: in de literatuur kiezen schrijvers als A. Roland Holst, Louis Couperus en alle kinderboekenschrijvers rond 1900 voor ‘hen tegemoet’, maar ongeveer evenveel (Vondel, Van Schendel, Boudier-Bakker) schrijven ‘hun tegemoet’. Er zijn er ook die het door elkaar gebruiken. Het lastige is dat die naamval alleen in de keuze voor hen/hun zichtbaar is. Elke nieuwe generatie taalgebruikers heeft dus maar weinig aanknopingspunten. Ik denk dat het langzaam ‘hen’ wordt. p.a.coppen@let.ru.nl
(2)ALLE OF ALLEN? ENKELE OF ENKELEN?
Woorden als alle, andere, beIde, deze, eerste, enige, enkele, laatste, meeste, sommige, verscheidene, weinige moeten soms met een n aan het eind worden geschreven (allen, anderen enz.), maar het is niet altijd duidelijk wanneer ze die slot-n krijgen. Hiervoor bestaan de volgende vuistregels: -Deze woorden krijgen nooit een n als ze terugslaan op dieren of dingen: Alle eendjes zwemmen in het water. Ik zie ze alle zwemmen. Er staan hier te veel stoelen. We moeten er enkele op de gang zetten. Als deze woorden terugslaan op personen, gelden de volgende twee regels: Ze krijgen geen n als ze worden gevolgd door het zelfstandig naamwoord waar ze op terugslaan of als dit zelfstandig naamwoord er makkelijk achter gedacht kan worden: De meeste lezers haten moeilijke boeken. Vele toeristen keerden na de ramp terug naar huis, maar sommige bleven toch in het land. -Ze krijgen wel een n als ze niet worden gevolgd door een zelfstandig naamwoord en als er ook moeilijk een zelfstandig naamwoord achter gedacht kan worden: Velen kennen de woorden van ons volkslied niet meer uit het hoofd tegenwoordig.Sommigen juichen de maatregel toe, maar anderen vrezendat deze weer niets zal uithalen.De bestuurders hadden beiden schuld.De spelers protesteerden allen bij de scheidsrechter.
Nog een voorbeeld: “Nu zijn eindredacteuren het eindstation van de kopijstroom. En ja, die hebben enige opleiding genoten, de meeste hebben die zelfs afgemaakt”.
De meeste had, meenden de critici, de meesten moeten zijn. Nu is dat synoniem van de meerderheid hier niet fout. Maar de meeste kun je evengoed gebruiken, omdat je erachter een zelfstandig naamwoord kunt invullen dat iets eerder in de tekst staat: eindredacteuren. Ter vergelijking eenzelfde constructie: alle kandidaten slaagden, de slordige inbegrepen.
(3)ALS OF DAN Het woordje als is aan een ware zegetocht bezig. Steeds vaker hoor je zinnen als: X Duitse hooligans zijn nog erger als Engelse. X Pele was een betere voetballer als Cruijff. Vooral in spreektaal wordt in dit soort zinnen zeer frequent als gebruikt, waar het volgens de traditionele regels dan hoort te zijn. In schrijftaal verdient het de voorkeur de traditionele regels te volgen: -na een vergrotende trap volgt dan:
Zij kan beter leren dan haar broer. Mijn haar is langerdan dat van jou.
-in een vergelijking waarin sprake is van een overeenkomst, gebruik je als:
Mijn moeder is even oud als mijn vader. Ik houd net zoveel van Bach als van Mozart. Soms is juist de angst om te zondigen tegen deze als-dan-regel de oorzaak van een andere fout: X De rechter heeft net zo goed naar de ene partij geluisterd dan naar de andere In deze zin was als uitstekend op zijn plaats geweest. De hier gemaakte fout wordt wel hypercorrectie genoemd. Een ander struikelblok is de woordcombinatie niet dan nadat, die regelmatig wordt verminkt tot niet nadat: De Tweede Kamer ging akkoord, maar niet dan nadat de minister aanvullende maatregelen had aangekondigd. Als hieruit dan wordt weggelaten, ontstaat er een zin met een tegengestelde betekenis: de Kamer gaat dan niet akkoord, juist vanwege de aanvullende maatregelen.
‘voor iemand als ik’ Moet ‘ik’ hier niet ‘mij’ zijn? Net als in het Duits na für (für mich, vierde naamval) gebruiken we in het Nederlands na het voorzetsel voor niet de vormen van de eerste naamval ik, jij, hij enz., maar mij, jou, hem enz. Maar dat is hier de kwestie niet. De vraag is of het voorzetsel in het voorbeeld ook de vorm van het persoonlijk voornaamwoord (ik of mij) bepaalt. Dat is niet het geval: (voor iemand) als ik moeten we hier opvatten als een verkorting van (voor iemand) als ik ben – vandaar ik in plaats van mij.
(4)TWEEDE NAAMVAL: DE ES Loek’s café’s of Loeks cafés Wanneer plak je des aan een woord vast en wanneer zet je er een apostrof voor? Het gaat hier om twee kwesties: de tweede-naamvals-s en de meervouds-s. De tweede-naamvals-s schrijf je in principe aan het woord vast: Loeks café, Annies liedje, Irenes broer, moeders rokken, Italiës kunstschatten, Renés praatjes, Renees fiets, Mickeys hond Alleen bij woorden die eindigen op een medeklinker gevolgd door een a, i, o, u of y, moet voor de s een apostrof worden geplaatst om uitspraakproblemen te voorkomen: Anna’s liedje, Cupido’s pijlen, Kitty’s poes, opa’s sigaar, Mimi’s feestje, Edu’s geboorte Voor de meervouds-s gelden precies dezelfde regels: baby’s, auto’s, ski’s, paraplu’s, azalea’s; abonnees, Zoeloes, cafés, koekjes, bureaus. Bij een ‘stomme e’ -de toonloze e – komt geen apostrof: tantes boek. Maar is de e lang, dan wel: Antigone’s ongeluk. Bij cliché zorgt de e accent aigu al voor een lange ee, dus is de apostrof overbodig. In het dagelijks taalgebruik zie je toch veel afwijkingen (die eigenlijk niet juist zijn) Een bijzondere moeilijkheid doet zich voor bij de tweede-naamvals-s bij namen die al op een sisklank eindigen. Deze krijgen alleen een apostrof: Mies’ depressie, Cortez’ veroveringen, Marrakech’ marktleven, Max’ moppen Het maakt dus verschil of je schrijft over Jansens blunder of Jansens’ blunder: in het eerste geval gaat het om de blunder van Jansen, in het tweede om die van Jansens. Dit onderscheid is alleen merkbaar in geschreven taal, je kunt het niet horen. Laat je in deze kwesties dus niet in de war brengen door de in veel Nederlandse geschriften constateerbare neiging om, net als in het Engels, altijd een apostrof te gebruiken in dit soort constructies. Huizen, luizen, muizen hebben een ‘Z’ in het meervoud, kruisen een ‘S’.* Al heel lang geleden werd de stemloze slot-s van een enkelvoud (huis) (Middelnederlands huus) in het meervoud tussen twee klinkers die stemhebbend zijn, een stemhebbende ‘Z’: huis/huizen enz. Dat is met kruis niet gebeurd, want de middeleeuwse voorloper daarvan eindigde niet op een ‘S’: het was cruce (naar het Latijn crux) Naar analogie van huizen is een tweede meervoud kruizen ontstaan. In sommige woordenboeken vind je beide betekenissen; het werkwoord is wel kruisen – kruiste – gekruist *bron: dagblad Trouw)
(5)LEESTEKENS Er wordt heel wat afgeworsteld met komma’s, dubbele punten en puntkomma’s: wanneer wel, wanneer niet, wanneer de een, wanneer de ander? Hier volgen in ’t kort de karakteristieken van deze veel misbruikte leestekens. Een komma geeft een korte rust aan binnen een zin en is bedoeld om de leesbaarheid te vergroten. De komma kan een veelzeggend leesteken zijn. Hij kan aan een zin een volstrekt andere betekenis geven: De spelers, die nog niet in vorm waren, presteerden matig. De spelers die nog niet in vorm waren, presteerden matig. In de eerste zin presteerden alle spelers matig, in de tweede zin alleen de spelers die nog niet in vorm waren. In de eerste zin zou je het gedeelte tussen komma’s ook weg kunnen laten zonder dat dat afbreuk doet aan de mededeling; in de tweede zin kan niets worden weggelaten. Er moet altijd een komma als de persoonsvorm van een bijzin en de persoonsvorm van een hoofdzin pal naast elkaar staan: Als je wint, krijg je een woordenboek. Er hoeft geen komma in zinnen als: Kok verklaarde dat de formatie naar wens verliep. De dubbele punt gebruik je: -bij opsommingen: Ik riep iedereen: Sauder, Maarten, Laurens en Frank. -bij citaten (hierbij zijn ook aanhalingstekens noodzakelijk): Ik riep: ‘Sander, Maarten, Laurens, Frank!’ -ter introductie van een toelichting, verklaring, conclusie, omschrijving. De conclusie luidt dus: alles met mate. De puntkomma gebruik je om twee zinnen die inhoudelijk sterk met elkaar samenhangen, als een geheel te presenteren: De regering kondigde nieuwe bezuinigingen aan; vooral de zorgsector wordt getroffen. Overigens is het verschil tussen een punt en een puntkomma erg klein; vaak zijn ze onderling uitwisselbaar. De aanhalingstekens Volgorde punt – aanhalingsteken Vraag: Komt de punt binnen het aanhalingsteken te staan in de volgende zin? Hij zei: ‘Ik heb dat boek allang gelezen.’ Antwoord Ja. Toelichting: De punt komt binnen het aanhalingsteken te staan, als hij hoort bij het citaat of bij de directe rede die als geheel binnen de aanhalingstekens geplaatst worden. Bijvoorbeeld: (1) Zij antwoordde: ‘Ik denk niet dat ik nog langer met je om wil gaan.’ Hoort echter de punt niet bij het deel dat tussen aanhalingstekens staat, dan wordt hij geplaatst na het aanhalingsteken. Bijvoorbeeld: (2) Zij fluisterde iets van ‘eeuwig trouw’ en ‘altijd blijven houden van’. Als vuistregel kun je stellen dat bij het citeren van een hele zin of hele zinnen de punt binnen de aanhalingstekens komt, terwijl je hem bij het citeren van delen van zinnen erbuiten plaatst. Wat doen we als de regels leiden tot meer dan twee leestekens na elkaar? In zin (1) hoort er na het laatste aanhalingsteken eigenlijk nog een punt te volgen. Immers, de eerste punt sluit alleen het citaat af; de tweede punt de gehele zin. Toch plaatsen we die tweede punt niet. Het principe is dat we bij voorkeur niet drie of meer leestekens op elkaar laten volgen. Op dit principe bestaan echter uitzonderingen. In de volgende zin kan het vraagteken duidelijk niet gemist worden: (3) ‘Heb je dat boek al gelezen?’, vroeg hij. Hier nemen we voor lief dat er wél drie leestekens naast elkaar staan. Sommige schrijvers vinden die opeenhoping van leestekens zo lelijk dat ze de komma weghalen (‘Heb je dat boek al gelezen?’ vroeg hij.). Bijzonderheid Een noot komt na het aanhalingsteken. Voorbeeld: (4) De auteur vermeldt: ‘Deze opvatting van het vorstendom heeft lang doorgewerkt.’5
(6)PASSIEF OF ACTIEF? De bedrijvende (actieve) vorm van een zin ziet er zo uit: De directie zette de koffiejuffrouw in het zonnetje. Je moet het wiel van je fiets nog repareren. Deze zinnen kun je in de lijdende (passieve) vorm zetten: De koffiejuffrouw werd door de directie in het zonnetje gezet. Het wiel van je fiets moet nog (door jou) worden gerepareerd. Een actieve zin legt het accent op de handelende persoon (directie resp. je), waar deze in een passieve constructie naar de achtergrond wordt gedrongen of zelfs helemaal wordt verzwegen. Een lijdende vorm kan een heel duidelijke functie hebben. Hij maakt een zin minder persoonlijk, geeft er een algemenere strekking aan en suggereert objectiviteit (om die redenen wordt er in ambtelijke stukken waarschijnlijk veelvuldig gebruik van gemaakt). Ook als de handelende persoon niet bekend is of als de schrijver zichzelf niet nadrukkelijk als handelende persoon op de voorgrond wil plaatsen, kan de lijdende vorm uitstekend van pas komen: Er wordt geklopt.Bezoekers wordt aangeraden tijdig aanwezig te zijn. Er worden tegenwoordig veel slaapmiddelen gebruikt. Asielzoekers worden eerder over de grens gezet. Het is de kunst om de lijdende vorm gedoseerd te gebruiken. Als je een levendige tekst wilt schrijven die makkelijk leesbaar is, verdient de bedrijvende vorm de voorkeur. Vergelijk: Een zware nederlaag werd door het Nederlands elftal geleden. De inbreker werd door mij betrapt. met: Het Nederlands elftal leed een zware nederlaag. Ik betrapte de inbreker.
Een zin als ik spreek Jan morgen mag je ook volgens taalkundigen niet omzetten in Jan wordt morgen door mij gesproken. In grammaticale termen: deze bedrijvende of actieve zin laat zich niet passief of lijdend maken. Nog anders gezegd: het lijdend voorwerp (Lv.) in de actieve zin (Jan) kan geen onderwerp van de bijbehorende passieve zin worden. Dat lijkt misschien vreemd, omdat andere werkwoorden met een lijdend voorwerp (overgankelijke of transitieve werkwoorden) zo’n omzetting wél toelaten. Vergelijk X slaat/benadeelt Y en Y wordt door X geslagen/benadeeld. Maar die truc gaat niet altijd op. Probeer ik heb een fiets (l.v.) en ze krijgt een cadeau (l.v.) maar eens passief te maken. Trouwens, is Jan in ik spreek Jan morgen wel een lijdend voorwerp? Meer te vinden op Taalprof
(7)OMDAT OF DOORDAT XDe wegen lagen bezaaid met grote takken, omdat het de nacht ervoor hevig stormde. Nauwkeurige lezing van deze zin leidt tot de conclusie dat de grote takken in de storm van de afgelopen nacht een goede reden hebben gezien om op de weg te gaan liggen. De schrijver heeft ongetwijfeld iets anders willen meedelen. De onjuiste interpretatie ontstaat door het verkeerd gebruik van het woordje omdat. In de spreektaal worden omdat en doordat vaak door elkaar gehaald zonder dat iemand er een punt van maakt. Maar in de schrijftaal kun je alle mogelijke misverstanden beter vermijden: gebruik omdat wanneer je een reden aan wilt geven en doordat wanneer het om een oorzaak gaat. Een reden is het gevolg van willen of denken: Frank heeft een hekel aan muziekles, omdat hij de juf nietaardig vindt.Omdat het er altijd regent, ben ik maar niet naar Galicië gegaan. Bij een oorzaak treedt het gevolg automatisch op, zonder dat er van een wil of een beslissing sprake is: Frank kon niet naar muziekles, doordat zijn juf ziek was. De brug stortte in, doordat de rivier buiten haar oevers trad. Daar omdat in de spreektaal veel gebruikelijker is dan doordat, wordt in zinnen als deze laatste door sommigen het woordje omdat ook wel aanvaardbaar geacht, vooral als het onderscheid tussen reden en oorzaak niet erg scherp is. In de schrijftaal blijft het gebruik van doordat echter voorgeschreven in geval van oorzaak. Tot slot: na ‘dat komt’ volgt altijd een oorzaak: dat komt doordat…
REDEN/OORZAAKToen oud-minister Els Borst dood werd aangetroffen in haar garagebox, kon ‘de reden van het overlijden (…) door de politie niet direct worden vastgesteld,’ schreef een nieuwssite. De reden? De vraag naar de reden van iemands overlijden is een bijna filosofische waarom-vraag. De politie zal waarschijnlijk geen belangstelling hebben voor het antwoord daarop. Daarentegen is de politie bij verdachte sterfgevallen wel geïnteresseerd in de vraag waardóór iemand gestorven is. De oorzaak van iemands overlijden kan immers strafrechtelijke consequenties hebben. De aangehaalde formulering is geen incident. Ook in kranten zijn wel zinnen te vinden waarin sprake is van de ‘reden van iemands dood’. Nog vaker worden berichten aangetroffen waarin het woord ‘reden’ ontbreekt, maar waarin wel sprake is van ‘waarom’ iemand is gestorven. Of er wordt geschreven dat iemand overleden is ‘omdat’ hij besmet was geraakt met een dodelijk virus. Wordt er gezocht naar de oorzaak van iemands dood, dan zijn echter de woorden ‘doordat’ en ‘waardoor’ op hun plaats: ‘Waardoor is hij gestorven?’ ‘Doordat hij besmet was geraakt met het ebolavirus.’ Alleen als wordt gevraagd naar de reden van een sterfgeval waarin iemand zelf de hand heeft gehad, is het gebruik van ‘omdat’ en ‘waarom’ op zijn plaats: ‘Waarom sprong iemand van een flat?’ ‘Omdat hij dood wilde.’ Terug naar het bericht over de oudminister. In dit geval zou het dus beter zijn geweest als daarin had gestaan dat ‘de politie de oorzaak van het overlijden niet direct had kunnen vaststellen’.
(Trouw)
(8)DIE, DAT OF WAT? Wie wel eens een interview met Johan Cruijff heeft gevolgd, zal vertrouwd zijn met formuleringen als: “… de rechterverdediger wie regelmatig langs de zijlijn opkomt…” Dit gebruik van het woord wie is vrij specifiek voor het taalgebruik van Cruijff. Algemener is de verwarring rond de vraag of je nu dat of wat moet gebruiken om terug te verwijzen naar een voorafgaand zelfstandig naamwoord. In het algemeen geldt dat je als betrekkelijk voornaamwoord die of dat moet gebruiken om te verwijzen naar een voorafgaand zelfstandig naamwoord: De vrouw die daar loopt, was mijn vriendin. Ik kocht het huis dat daar onlangs gebouwd is. Nigeria, dat al Olympisch kampioen was, was ook kanshebber bij de Wereldkampioenschappen. In de spreektaal wordt in deze laatste gevallen vaak wat gebruikt in plaats van dat. Dit wordt veelal afgekeurd: X Nigeria, wat al Olympisch kampioen was. Wel correct is het gebruik van wat na woorden als iets, niets, alles, veel, weinig, het enige, datgene, het mooiste: Het mooiste wat ik ooit heb gelezen, is een gedicht van Rutger Kopland.Het enige wat Orpheus niet mocht doen, was achteromkijken.Wat gebruik je ook als het slaat op een hele zin; het kan dan vervangen worden door hetgeen. Let op het verschil met het gebruik van die of dat:Zij zongen luidkeels een Italiaans lied, dat hij vreselijk vond. Zij zongen luidkeels een Italiaans lied, wat hij vreselijk vond. In de eerste zin vond hij alleen het lied vreselijk, in de tweede zin het luidkeels zingen.
(9)WIENS, WIER, WAARVAN OF VAN WIE? Wier en wiens zijn oude naamvalsvormen van wie; we bezigen ze vooral in schriftelijke taal. Ze slaan terug op personen: wier op een vrouwelijk persoon of op meer personen, wiens op een mannelijk persoon. In plaats van wier en wiens kun je ook van wie gebruiken (maar niet: waarvan): Gerard, wiens auto wij mochten lenen, was niet thuis, of: Gerard, van wie wij de auto mochten lenen, was niet thuis. Haar nichtje, wier vader operazanger was, kwam dit weekend logeren, of: Haar nichtje, van wie de vader operazanger was, kwam dit weekend logeren.Verkeersovertreders, wier auto in beslag is genomen, kunnen beroep aantekenen, of: Verkeersovertreders, van wie de auto in beslag is genomen, kunnen beroep aantekenen. Samentrekkingen van waar met een voorzetsel (zoals waaraan, waarmee) kunnen alleen worden gebruikt om te verwijzen naar dieren en dingen. In gesproken taal worden ze ook vaak gebruikt om te verwijzen naar personen. Kies in geschreven taal echter altijd voor een constructie met wie bij verwijzing naar personen (aan wie, met wie enz..): De man achter het loket, aan wie ik het pakje overhandigde, had een scheur in zijn overhemd. X De man achter het loket, waaraan ik het pakje overhandigde, had een scheur in zijn overhemd. Mijn beste vriend, met wie ik op vakantie ben geweest, gaat verhuizen naar Utrecht. X Mijn beste vriend, waarmee ik op vakantie ben geweest, gaat verhuizen naar Utrecht.Onze oude kat, waaraan ik de beste herinneringen bewaar, is vorige week overleden.De trein waarmee ik naar Alkmaar zou reizen, had vertraging.
(10) Er vanaf of ervan af? Achterop of achter op?
Wat is er mis met de volgende zinnen? Het hangt er vanaf wat je bedoelt.Hij gaat er altijd maar vanuit dat jij het oplost.Voorlopig zien wij ervanaf.Ik keek ervan op. Alleen de laatste zin is in orde. De moeilijkheid in dit soort zinnen schuilt in de vraag of je een combinatie als er + van + af aan elkaar of los moet schrijven: er vanaf ervan af of ervanaf! Voor de oplossing moet je kijken naar het volledige werkwoord. In de bovenste zin is dat afhangen van. Af hoort niet bij van, maar bij hangen. De correcte zin is dus: Het hangt ervan af wat je bedoelt. In de tweede en de derde zin gaat het om de werkwoorden uitgaan van, resp. afzien van. De juiste schrijfwijze is derhalve: Hij gaat er altijd maar vanuit dat jij het oplost.Voorlopig zien wij ervan af. Een verwant probleem wordt gevormd door combinaties als achter + op, onder + in e.d. Hier luidt de regel: als er achter zo’n combinatie een zelfstandig naamwoord staat, schrijf je ze los, anders aan elkaar: Ik zit achter op de fiets. Ik zit achterop.Het boek ligt onder in de kast. Het ligt onderin.Het is vlak bij de grens. Het is vlakbij. Ervan, ertegen e.d. worden tegenwoordig aan elkaar geschreven.
(11) TENZIJ/MITS Mits en tenzij worden vaak ten onrechte verwisseld, waardoor een zin het tegenovergestelde betekent van wat wordt bedoeld. Die verwisseling hangt ermee samen dat tenzij en mits vaak als pendanten worden gebruikt. Zo is de formule ‘Ja, mits het nut van de maatregel kan worden aangetoond’ de positieve tegenhanger van ‘Nee, tenzij het nut van de maatregel kan worden aangetoond’. Mits bestaat in de huidige betekenis sinds het midden van de 19de eeuw, maar tenzij is veel ouder. Het woord is in de late middeleeuwen ontstaan uit de woordgroep ‘het en zij’, waarin ‘en’ niet betekent. Tenzij betekent dus letterlijk ‘zij het niet dat’ oftewel ‘indien het … niet het geval is’. Dat tenzij geregeld verkeerd gebruikt wordt, wijst erop dat dit woord, hoewel stokoud, veel taalgebruikers niet meer eigen is. Tenzij betekent ‘behalve als’. mits: ‘op voorwaarde van’.
(Trouw)
(12) NADAT Hoeft niet meer per se gevolg te worden door de voltooide tijd
(13)NIET (IN) HET MINST Zo schreef Trouw laatst over Henk Bleker: ‘Populistische oneliners [werden] niet in het minst gevoed door de staatssecretaris zelf. Daarmee werd beweerd dat zulke oneliners helemaal niet door Bleker gevoed (of gedebiteerd?) werden. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest. Misbruik van niet in het minst is een oude bekende van de taalpolitie. Strikt genomen betekent de uitdrukking inderdaad ‘niet voor het minste deel’ oftewel ‘helemaal met’, zoals in ‘de schrijver was zich er kennelijk niet in het minst (volstrekt niet) van bewust dat hij volgens sommige lezers onzin verkocht’. In de geciteerde zin over Bleker fungeert niet in het minst als synoniem van ‘niet in de laatste plaats, vooral’. Voor die betekenis beschikken we sinds jaar en dag over een uitdrukking die op één woordje na gelijkluidend is: niet het minst, zoals in ‘na de nederlaag was heel Twente van de kaart en de trainer niet het minst’. Onze Taal heeft al eens vastgesteld dat niet het minst ‘in de praktijk steeds minder gebruikt’ wordt. Velen voegen altijd het woordje in toe, met het gevolg dat het betekenisverschil met niet in het minst verdwijnt. De taaladviseurs van het blad verwachtten dan ook dat de twee uitdrukkingen ‘in de toekomst synoniem’ worden. Allebei zou je ze dan mogen opvatten m de zin van ‘vooral’. Intussen kunnen kranten beide uitdrukkingen maar beter vermijden. Per slot van rekening zijn er alternatieven genoeg die niemand op het verkeerde been zetten.
(14) MEEWERKEND VOORWERP In de zin ‘Piet werd op de fout gewezen’, kun je ‘Piet’ als meewerkend voorwerp beschouwen, schreef u vorige week. Is dat wel juist? Vervang je ‘Piet’ door een voornaamwoord, dan luidt de zin toch ‘hij (niet: hem) werd op de fout gewezen’? ‘Hij’ is dan onderwerp – en ‘Piet’ dus ook. Andere lezers blijken deze mening te delen. Toch is een zin als hem/ mij/jou/ons/hun (meewerkend voorwerp, hierna m.v.) werd op de fout gewezen vanouds onberispelijk. Wijzen op kun je hier vergelijken met meedelen: (aan) Piet of‘hem werd de fout meegedeeld \ (ten behoeve van) Piet of hem werd op de fout gewezen. Tegenwoordig geldt zo’n zin met hem als ouderwets of formeel. Velen geven er, met de e-mailende lezers, de voorkeur aan Piet als onderwerp te beschouwen en dus ook hij werd… gewezen te zeggen. Een treffende illustratie van wat ‘de leegloop van het m.v.’ heet. Voor een m.v. moet je aan of voor kunnen zetten, schreven sommigen: ze gaf (aan) hem een boek, de kwestie is (voor) mij te duister. Dat lukt niet met Piet in het voorbeeld en ook daarom zou dat geen m.v. kunnen zijn. Dit bezwaar verwijst naar een vuistregel die nuttig is, maar niet altijd opgaat. Probeer hem maar eens toe te passen op dat stuit haar (m.v.) tegen de borst of op de haren rezen hem (m.v.) te berge. Rest de vraag hoe je een m.v. dan kunt herkennen. Welnu, het moet, zegt een veelgebruikte grammatica, een zinsdeel zijn dat op een of andere manier meedoet aan de handeling die door het werkwoord (en het lijdend voorwerp) wordt uitgedrukt. Dat ‘meedoen’ moeten we wel ruim opvatten; het hoeft niet actief of vrijwillig te zijn.
(15) ABSOLUUT VERGROTENDE TRAP Als 66-jarige ben ïk een oudere man, maar ïk wil vooral niet aangezien worden voor oud. Het is opmerkelijk dat ‘oudere’ hier minder oud is dan ‘oud’. Doorgaans geven de zogeheten trappen van vergelijking inderdaad een opklimmende reeks aan: oud (stellende trap of positief) – ouder ‘ (vergelijkende trap of comparatief) – oudst (overtreffende trap of superlatief). Maar een oudere man in de zin van ‘een man op enigszins gevorderde leeftijd’ neemt inderdaad een aparte positie in. In een geval als dit berust oudere niet op een expliciete vergelijking, maar is -ere eerder een graadaanduiding (‘min of meer’). Onder taalkundigen is hiervoor de term absolute of onechte vergrotende trap in omloop. Het gebruik ervan beperkt zich niet tot ouder(e), getuige uitdrukkingen als een hogere (boven ons gestelde) macht, de lagere inkomens, de mindere man en de rijpere jeugd. Het Duits kan hier het Nederlands als voorbeeld hebben gediend, met constructies als seit längerer Zeit (sinds vrij lange tijd) en ein grösserer Betrag (een tamelijk groot bedrag).
Sommige van de Nederlandse vormen worden overigens wel opgevat als een verkapte superlatief. Met dehogere standen bijvoorbeeld zijn dan de hoogste bedoeld. Zo ook zal Trouw zich met de slag zin ‘de betere krant’ niet als ‘een min of meer goede krant’ hebben willen kenschetsen, maar minste] als ‘een van de beste’. Wanneer de onechte comparatieven ontstaan zijn, is onbekend.
(16) ZIJ HET OF HET ZIJ ‘De bank zet (…) de groei van de afgelopen jaren voort, hetzij wat minder snel dan voorgaande jaren.’ Hetzij? Tegenwoordig is hetzij een nogal formeel synoniem van ‘ofwel’ en ‘of’. Doorgaans wordt hetzij gebruikt om woorden of woordgroepen met elkaar te verbinden die samen een alternatief of een regelrechte tegenstelling vormen: ‘We komen hetzij morgen, hetzij overmorgen’; ‘Je moet hetzij koken, hetzij de afwas doen.’ Hetzij functioneert met andere woorden als een voegwoord. Een stokoud voegwoord, want hetzij is al in de middeleeuwen ontstaan (in de vorm ‘het si’) door samenvoeging van het voornaamwoord ‘het’ en de aanvoegende wijs van het werkwoord ‘zijn’. In het gebruik werd het daarna synoniem met ‘of’. In de aangehaalde zin over de bank is hetzij niet op z’n plaats. Hier wordt geen tegenstelling of alternatief genoemd. Na de komma wordt de mededeling in het voorafgaande zinsdeel genuanceerd. De formulering die daarbij hoort, is niet hetzij maar zij het: ‘De bank groeit nog steeds, zij het wat minder snel dan voorheen.’ De verwisseling van hetzij en zij het (waarin ‘zij’ eveneens de aanvoegende wijs van ‘zijn’ is) is in de media tamelijk zeldzaam, maar enig zoeken op internet leert dat zij het in andere teksten wel vaker ten onrechte wordt vervangen door het zij. Dat komt vermoedelijk doordat steeds minder mensen vertrouw zijn met zij het als een versteende uitdrukking waarmee je een voorafgaande mededeling mooi kunt nuanceren. En dat is best jammer.
(17) VERHASPELINGEN EN DUBBELE ONTKENNINGEN Soms kom je zinnen tegen als: X Wij moeten ons goed beseffen wat de gevolgen zijn. X De ondernemingsraad had bij de fusiebesprekingen weinig melk in de pap te brokkelen.
Je voelt wellicht dat er iets mis is met deze zinnen. Een uitdrukking als zich beseffen is een onjuiste vermenging van beseffen en zich realiseren. In dezelfde sfeer ligt het door veel taalgebruikers verfoeide zich irriteren (zich ergeren en irriteren). In de uitdruking weinig melk in de pap te brokkelen hebben worden de zegswijzen niets in de melk te brokke(le)n hebben en een vinger in de pap hebben op een wonderlijke wijze vermengd.
Dit type foutieve vermenging heet contaminatie. Contaminatie doet zich ook voor op woordniveau. De middenstand heeft ons een tijdlang geplaagd met brouwsels als boektiek en broektiek (b(r)oek en boetiek). Dat een bewust gemaakte contaminatie ook kan slagen, blijkt uit een woord als smog (uit het Engelse smoke = rook en fog = mist), dat zich inmiddels een vaste plaats in onze woordenschat heeft verworven.
Contaminaties kunnen ook ontstaan door het verkeerd gebruik van woorden die verkapt ontkennend zijn: X Met dit handige boekje kunt u voorkomen dat u zo min mogelijk fouten maakt. X In de lift geldt een niet-rookverbod.
Wees op je hoede voor dergelijke opeenstapelingen van ontkenningen. Je loopt het risico het omgekeerde te beweren van wat je eigenlijk bedoelt en in ieder geval maak je het de lezer flink lastig.
(18) PLEONASME/TAUTOLOGIE
Witte sneeuw en groen gras Witte sneeuw dwarrelde gestaag neer op de groene velden.
Deze zin bevat overbodige informatie. Vallende sneeuw is immers altijd wit en dat velden veelal groen zijn is ook genoegzaam bekend. Dat had dus niet extra vermeld hoeven worden. Maar wellicht wilde de schrijver het tafereel zo beeldend mogelijk in taal vangen en koos hij welbewust voor deze stijlfiguur die pleonasme heet. Pleonasmen, en ook tautologieën, zijn uitdrukkingen waarin twee keer hetzelfde wordt gezegd. Bij een tautologie gaat het om twee dezelfde woordsoorten (enkel en alleen), bij een pleonasme om twee verschillende woordsoorten (witte sneeuw). Maak alleen gebruik van tautologie of pleonasme als ze een duidelijke functie hebben, bijvoorbeeld om een mededeling kracht bij te zetten:
Hoe je de zaak ook wendt of keert, jullie zaten fout.
Dat zal hij nooit ofte nimmer meer doen. Het vee deed zich tegoed aan liet sappige, groene gras.
Dikwijls worden pleonasme en tautologie echter ten onrechte, en vaak onbewust, gebruikt: X Door veel te trainen zullen de atleten zo optimaal mogelijk presteren. X Zij bezit het vermogen om heel snel tot de kern van de zaak te kunnen doordringen.
Optimaal betekent al zo goed mogelijk, dus de toevoeging zo…mogelijk is overbodig. Het vermogen bezitten betekent iets kunnen, dus het woord kunnen kan achterwege blijven.
Zie voor meer informatie over dit onderwerp paragraaf 4.3.3 van de Beknopte grammatica van het Nederlands in het Kramers woordenboek Nederlands.
(19) FOUTIEVE SAMENTREKKING
Hier zet men koffie en over Dit standaardgrapje over een opschrift dat bij een veerpont zou hebben gestaan is het bekendste voorbeeld van een foutieve samentrekking. Vergelijk de volgende zinnen: Paul heeft griep gekregen en Paul heeft zijn afspraak afgezegd. Paul heeft griep gekregen en zijn afspraak afgezegd.
In de tweede zin zijn het onderwerp en bovendien de persoonsvorm, Paul resp. heeft, weggelaten, waardoor de zin veel vlotter leesbaar is. Dit verschijnsel heet samentrekking. Je mag echter alléén een zinsdeel weglaten als in de eerste zin een zinsdeel met dezelfde functie staat:
X Paul heeft griep en zijn afspraak afgezegd.
In dit geval kon heeft in het tweede zinsdeel niet worden weggelaten, omdat het daar hulpwerkwoord was en in het eerste zinsdeel niet. Dit is dezelfde fout als die bij de veerpont, waar men zet heeft weggelaten, terwijl het de eerste keer sloeg op koffie zetten en daarna op overzetten. Ook zinnen als: Bij het bombardement verloor ze haar man en een been kan men beter vermijden. Het werkwoord verliezen heeft wel grammaticaal dezelfde functie, maar er is toch verschil tussen het verliezen van een been en van een man!
Ook de zgn. Tante Betje lijkt op een verkeerde samentrekking; dit is de populaire naam van een fout die gemaakt wordt als het onderwerp na de persoonsvorm staat, terwijl het ervóór zou moeten staan:
X Het gras was groen en dansten de koeien in de wei. Goed is:
Het gras was groen en de koeien dansten in de wei. Het onderwerp kan wel achter de persoonsvorm staan, maar dan moet daar een ander zinsdeel voor staan: Het gras was groen en daarom dansten de koeien in de wei.
Zie verder paragraaf 4.1.5.1 van de Beknopte grammatica van het Nederlands in het Kramers woordenboek Nederlands.
(20) TANGCONSTRUCTIE ‘Houd je zinnen kort’ is een veelgehoord schrijfadvies en onervaren schrijvers kunnen zich daar ook maar het beste aan houden. Korte zinnen zijn nu eenmaal makkelijker leesbaar dan lange zinnen. Toch heelt dit advies slechts een beperkte geldigheid. Er zijn auteurs die zinnen van een halve bladzij lang kunnen maken zonder dat de zinslengte afbreuk doet aan leesgemak of begrijpelijkheid. Het probleem bij veel lange zinnen schuilt in de ondoorzichtige zinsstructuur. De lezer raakt verstrikt in een netwerk van bijzinnen en aan het eind weet hij niet meer hoe de zin ooit begon:
Morgen werk ik mijn nieuwe collega, die eerst via een uitzendbureau als tijdelijke kracht zal beginnen en na de zomer bij gebleken kwaliteiten vast in dienst zal kunnen treden, in.
Deze zin is moeilijk leesbaar door de zogenaamde tangconstructie die erin wordt gebruikt: de woorden werk en in horen bij elkaar, ze vormen als het ware een tang waartussen zich maar liefst 23 woorden hebben weten te wurmen. De zin is weliswaar grammaticaal correct, maar vraagt veel van het geheugen: het woordje werk moet je vast zien te houden tot je bij in bent. In dit geval is het probleem eenvoudig Te verhelpen:
Morgen werk ik mijn nieuwe collega in, die eerst via een uitzendbureau als lijdelijke kracht zal beginnen en na de zomer bij gebleken kwaliteiten vast in dienst zal kunnen treden.
Streef ernaar om zinsdelen die bij elkaar horen ook dicht bij elkaar te plaatsen. Soms, zoals hierboven, is een kleine herschikking afdoende, soms is splitsing van een lange zin in enkele afzonderlijke zinnen de oplossing. Maar zadel je lezers nooit op met puzzels als: X De schrijver die in teksten die zijn lezers, die gesteld zijn op heldere zinnen, moeten boeien, dit soort constructies gebruikt, faalt volledig.
(21) BEPALING VAN GESTELDHEID: VERKEERD GEBRUIK Staande op een heuvel trok het schip voorbij
X Slingerend in een jeep heeft de politie in de nacht van vrijdag op zaterdag een dronken man aangehouden. Voor sommigen is bovenstaande zin misschien op het eerste gezicht aanvaardbaar, maar wie nauwkeuriger leest, ziet dat volgens deze mededeling de politie in een jeep aan het slingeren was en ondertussen ook nog even een dronken man aanhield.
Hoe is een dergelijke fout ontstaan? Dit ligt aan het verkeerde gebruik van de bepaling van gesteldheid.
Dit is een zinsdeel dat aangeeft in welke toestand iets of iemand in de zin zich bevindt, bijv.:
Mijn moeder lag ziek in bed. De lakens lagen schoon in de kast.
Ik zag mijn hondje druipend en met kroos in zijn vachtde sloot uit kruipen.
Als zo’n bepaling ergens midden in de zin staat, heeft zij betrekking op de persoon, het dier of het ding dat er het dichtst bij staat; staat de bepaling echter voor in de zin, dan heeft zij altijd betrekking op het onderwerp. Tegen deze regel wordt nogal eens gezondigd, wat kan leiden tot komische zinswendingen als:
X Druipend en met kroos in de vacht zag ik mijn hondje de sloot uit kruipen. X Bonkend in zijn hok hield mijn buurman het konijn voor een inbreker. X Na een welverdiende vakantie nam de Here tot zich mijn lieve echtgenoot…
Echt abstract wordt het als de persoon waarop de bepaling betrekking zou moeten hebben, helemaal niet in de zin voorkomt:
X Staande op een heuvel trok het schip voorbij.
(22) BEKNOPTE BIJZINNEN ‘Lopend over de Bund in Shanghai verrijst aan de overkant van de rivier het Chinese zakendistrict Pudong’ . Wordt hier niet gesuggereerd dat het zakendistrict zowel verrijst als over de Bund loopt? Lopend t/m Shanghai is een beknopte bijzin met een verzwegen onderwerp. De lezer vindt dat dit onderwerp gelijk moet zijn aan dat van de hele zin: het Chinese zakendistrict P. Op deze zienswijze zijn drie reacties mogelijk: Geen zinnig mens zal het zakendistrict zien lopen. Iedereen ziet meteen dat de bijzin naar ‘je’ of ik’ verwijst. De constructie verschilt niet van, bijvoorbeeld, eerlijk gezegd héb je gelijk, die niemand op het idee zal brengen dat het veronderstelde onderwerp van eerlijk gezegd elders in de zin te vinden is. Het taalgevoel van velen en de stilistiek vereisen dat het onderwerp in beide gevallen (beknopte bijzin en de rest) hetzelfde is. Het voorbeeld met eerlijk gezegd is een uitzondering: voor een aantal vaste uitdrukkingen geldt de eis niet. Zo streng hoeven we nou ook weer niet te zijn, zeg ik de grammaticabijbel ‘Algemene Nederlandse Spraakkunst’ na. Het verzwegen onderwerp van de bijzin mag ook een lijdend of een meewerkend voorwerp zijn. Eveneens acceptabel is dus een zin als lezend in de krant viel mij iets vreemds op, waarin het verzwegen onderwerp van de bijzin overeenkomt met mij, het meewerkend voorwerp van de hele zin. Helaas redt deze redenering de voorbeeldzin in de aanhef niet, want die bevat alleen een onderwerp en geen lijdend of meewerkend voorwerp.
(23)TEN AANZIEN VAN; MET BETREKKING TOT Vooruitlopend op de besluitvorming inzake de wet aangaande het vandalisme alsmede de bestrijding daarvan stelt de wethouder voor aan de hand van een noodverordening alvast aan te vangen met versterking betreffende de regiokorpsen.
Van zo’n zin wordt niemand vrolijk. Toch kom je dergelijke gedrochten nog regelmatig tegen. Sommige schrijvers menen indruk te kunnen maken met een aaneenschakeling van aangaandes, inzakes, met betrekking tots en aan de hand vans. Toegegeven, dergelijke woorden zijn niet altijd te vermijden. Maar als je je lezers te vriend wilt houden, gebruik ze dan spaarzaam en denk altijd even na over een minder bombastisch alternatief. Hierbij enkele suggesties:
Te vermijden:
Vervangen door:
aan de hand van
met
als gevolg van
door
alsmede
en
heden
vandaag
in de richting van
naar
in het kader van
bij, in, om
inzake
over
met betrekking tot
over
mijns/onzes/inziens
Volgens mij/ons/hem
omtrent
over
op het gebied van
op, over
qua
wat betreft
te allen tijde
altijd
ten aanzien van
op, over, tegen, van, voor
ten behoeve van
voor
ter zake van
over
thans
nu
uit hoofde van
door
welke
die, dat
zulks
dat
(24) TE, TEN of TER Alles waar te voor staat, is onderwerp van onzekerheid. Moet het los of aan elkaar, moet het te, ten of ter zijn? Een regel is moeilijk te geven; daarom volgen hier twee lijstjes.
Eerst een lijstje met woorden waarbij, afhankelijk van de spelling, betekenisverschillen optreden: tegoed: mijn tegoed was 60 gulden te goed: hij is te goed voor deze wereld tekort: het tekort bedraagt miljoenen guldens te kort: de ene broekspijp is te kort ten einde: de voorstelling was ten einde teneinde: ik ga vroeg naar bed teneinde morgen goed uitgerust te zijn teveel: geef mij het teveel maar terug te veel: ik heb te veel ijs gegeten tenminste (‘althans’): zeg haar gedag, als je haar tenminste kent ten minste (‘minimaal’): hij is ten minste drie keer getrouwd geweest tenslotte (‘immers’): hij heeft daar tenslotte niets mee te maken ten slotte (‘uiteindelijk’, ‘in de laatste plaats’): ten slotte ging hij weg
Ook de volgende uitdrukkingen en woorden leveren vaak
spellingproblemen op:
te allen tijdetekeergaan
te(r) elfder uretekortschieten, tekortkomen
te eniger lijdtemeer
te goeder trouwtenietdoen
ten eeuwigen dageterzijde
ten enenmaletevoren
ten gevolge vanteweegbrengen
te midden vante zamen
[25] STAPELMEERVOUD We hebben in onze taal een paar afwijkende meervoudsvormen: bv. eieren, lammeren, kalveren en kinderen, runderen, raderen. In bepaalde dialecten, bv. in het Twents en in de Achterhoek, maar ook in Brabant spreekt men nog van ‘eier, lammer, kaalver en keender of keinder’. Ei had vroeger als meervoud een R, eier of eyer. Dat gold dus ook voor bovenstaande woorden. Kennelijk werd deze meervoudsvorm later niet meer zo aangevoeld en kreeg deze nog een ( de gangbare) uitgang: EN: eieren; kalveren; kinderen, hoenderen, lammeren. Aan de overeenkomstige Duitse woorden kun je het oorspronkelijke meervoud herkennen: Hühner, Kinder, Kälber, Lämmer, Rinder. In het Engels: child(e)r + en en brethren (waarin – en werd toegevoegd aan brether, het oorspronkelijke meervoud van brother). Ook het woord schoenen is een zo’n meervoud. Het oude woord is sc(h)oe, het meervoud was sc(h)oen; later werd dit ook schoenen. ‘Schoen’ als meervoud zou nog te zien zijn in ‘schoenmaker’, verg. ‘manden- stratenmaker’. Teen was vroeger meervoud van ‘tee’. Nog terug te zien in ‘van top tot teen=van de kruin tot aan de voeten.
Dit wordt een stapelmeervoud genoemd.
[25-1] MEERVOUD Uï moet ontstaan zijn toen het enkelvoud ‘uien’ als meervoud werd opgevat Dit gebeurt nog steeds. Iedereen die het over scampi’s (grote garnalen), panini’s (langwerpige broodjes), railsen/railzen of zelfs musea’s en media’s heeft, gaat eraan voorbij dat scampi, panini, rails, musea en media al meervoud zijn. Ook ui is er inderdaad een gevolg van dat een oorspronkelijk enkelvoud (uyen) als meervoud werd geïnterpreteerd, in dit geval in de zeventiende eeuw. Zo zijn ook de oude enkelvoudsvormen seisene en raven opgevat als meervoud van wat nu zeis en raaf is. Het vroegste woord voor ‘ui’ moet look (als in bies- en knoflook) zijn geweest. Het verloor zijn positie aan een Romaans leenwoord (in het Frans oignon) dat in Holland en Utrecht uyen werd en in Brabant, Zeeland en Vlaanderen ajuin. Daarnaast kwam, voor hetzelfde bolgewas, siepel (Middelnederlands chïbole) in zwang, dat nog in het noordoosten van Nederland wordt gebruikt. Dit gaat uiteindelijk terug op het Laatlatijnse caepulla (‘ui’). Ook het Duits (Zwiebel) en deze talen hebben dat overgenomen.
[25-2] MEERVOUD – WOORDEN OP -ERIK- Waarom heeft ‘hospikken’ twee k’s en ‘bangeriken’ maar één? Een miniprobleem maar je zult er maar mee zitten. Het Groene Boekje (GB) verklaart het verschil met een merkwaardige regel. Deze: een slotmedeklinker wordt niet verdubbeld “in verbogen en vervoegde vormen van woorden die eindigen op onbeklemtoond -el, -es, -et, -ik, -il, -it-, -em”. Vandaar engel-en, bajes-en, lemmet-en, monnik-en, stencil-en, kievit-en, vadem-en. ‘Onbeklemtoond’ betekent hier, blijkens de toelichting in het GB, dat de e of i van bajes, monnik enz. verklankt wordt als /uh/. In hospik hoor je die /uh/ niet (en het woord eindigt bovendien niet op -ik maar op -pik). Maar in bangerik spreek je toch ook /ik/ uit en niet /uhk/?, zal de lezer tegenwerpen. Tja, ik doe dat inderdaad en vermoedelijk velen met mij. Met viezeriken en zwezeriken bijvoorbeeld is het niet anders. Daarom is die GB-regel misleidend. Je kunt het er maar beter op houden dat het woordeinde -erik in het meervoud altijd -eriken wordt. Voor survivalen (‘een overlevings-tocht ondernemen’) gaat de regel” wel op, althans nadat -al aan het rijtje uitgangen is toegevoegd. Mercedessen als normaal meervoud van Mercedes strookt er weer niet mee, als we ervan uitgaan dat de gebruikelijke uitspraak /mersee-dus/ en /merseedussen/ is. En presessen, als meervoud van preses? Blijkbaar is alleen /preezes/ gangbaar onder de spellingregelaars, zegt niemand in hun kring /preez-us/ en /preezussen/ en verkiest iedereen /preezessen/. Of, wie weet, kent men daar uitsluitend presides.
[25-3] MEERVOUD SAMENGESTELDE WOORDEN Het meervoud van rechter-commissaris is rechters-commissarissen; dit omdat de twee aparte woorden gelijkwaardig zijn. Dus bv. ook: acteurs-regisseurs; geneesheren-directeur. Wanneer de delen niet gelijk in waarde zijn: leerling-journalist is het mv.: leerling-journalisten; kandidaat-notarissen; aspirant-leden. In proces-verbaal is verbaal een bijv.nw en dit komt niet in het mv.”processen-verbaal.
[26] VERVOEGING ENGELSE WERKWOORDEN Je kunt een woord als ingeburgerd beschouwen wanneer vrijwel iedereen het volgens de regels van de Nederlandse grammatica behandelt. Een werkwoord krijgt dan een Nederlandse vervoeging (shoppen, shopte, geshopt, niet shop, shopped, shopped zoals in het Engels); een zelfstandig naamwoord een dito meervoud (rally’s, niet rallies); een bijvoeglijk naamwoord een dito superlatief (highst of meest high, niet highest). Een teken van inburgering kan ook zijn dat een samenstelling-die in het Engels los wordt geschreven (speed date) in het Nederlands één woord vormt. Maar daarvoor moet je wel vaak woordenboeken raadplegen (en die zijn het onderling niet altijd eens).
zie ook 34
[27] -ING of -ATIE Bij werkwoorden op -eren horen wel vaker zelfstandige naamwoorden op -atie en op -ing. Complicering, complicatie; isolering-isolatie. Bij betekenisverschil geldt voor de handeling de vorm op -ing.
[28] DENK/DENK NIET ‘Ik denk niet dat X komt’. Als de spreker bedoelt dat hij denkt dat X niet komt, waarom zegt hij dat dan niet?” Omdat ‘ik denk niet dat X komt’ en ‘ik denk dat X niet komt’ dezelfde betekenis hebben. Iedereen kan dus kiezen als hij de gedachte in kwestie wil uitdrukken. Beide constructies zijn mogelijk met meer werkwoorden die een mening, gevoelen of voorkeur uitdrukken, zoals geloven, vinden, menen, hopen en graag of‘liever hebben. De ‘Algemene Nederlandse Spraakkunst’ geeft als voorbeeld o.a. ‘we hebben liever niet dat hier hasj gerookt wordt’ en ‘we hebben liever dat hier geen hasj gerookt wordt’. De vakterm voor dit verschijnsel is negatieverplaatsing: het ontkennende woord kan verplaatst worden van de bijzin (‘ik denk dat het niet waar is’) naar de hoofdzin (‘ik denk niet dat…’) en andersom. Het verschil is hooguit dat de spreker een wat zekerder indruk maakt wanneer niet in de bijzin staat.
[29] UITGANG STOFF. BIJV.NWM. stofadjectieven 1. Op namen van natuurlijke stoffen volgt doorgaans -en: ijzeren, koperen, tinnen, wollen, zilveren. Maar naast gouden is bij het-woorden ook goud mogelijk: een goud horloge. En voor ‘gemaakt van jute’ is zowel jute als juten aanvaardbaar; ook kasjmier laat twee adjectieven toe: kasjmier en kasjmieren. 2. Stofnamen die als adjectief onveranderd blijven, zijn meestal nieuwere woorden van vreemde komaf: aluminium, celluloid, corduroy, plastic. Maar voor bakeliet geldt dit niet (een bakelieten telefoon) en bij plastic komt ook het adjectief plastieken 3.Of je een jute(n) zak dan wel een jutezak schrijft, kan een kwestie van klemtoon zijn. Gebruik je twee hoofdaccenten, dan schrijf je een juten zak, kunststoffen ramen. Bij één hoofdaccent wordt zo’n combinatie één woord: jutezák, kunststofrámen. Ook kan verschil in betekenis de schrijfwijze bepalen. Een rubber(en) boot legt de nadruk erop dat het ding van rubber is; met een rubberboot wordt vooral een bepaald type (opblaas)boot bedoeld. Een eigenaardigheid van stofadjectieven is verder dat ze het zonder vergrotende en overtreffende trap moeten stellen en alleen voor een zelfstandig naamwoord gebruikt kunnen worden (een jurk kan wel mooi zijn, maar niet wollen). Binnen hun woordsoort vormen ze een gehandicapt(e) mengelmoes.
[30] ALS-BEPALINGEN ‘Als onderzoeker van radicalisme gaan alle alarmbellen af bij het volgen van de ontwikkelingen in Israël’ – zo begon afgelopen zaterdag een artikel op de opiniepagina in deze krant. De zin herinnert aan een klassieke fout uit de grammaticaboeken: ‘Als kind was alles mooi in mijn ogen’. Grammaticaal gezien hoort de als-bepaling in zo’n zin bij het onderwerp. In ‘Als kind was alles mooi in mijn ogen’ is ‘alles’ het onderwerp. Hier staat dan ook letterlijk dat ‘alles’ vroeger ‘kind’ was. Onzin dus. De schrijver bedoelt: ‘Als kind vond ik alles mooi’ (in deze constructie is ‘ik’ het onderwerp, waar ‘als kind’ wél naar kan verwijzen). Ontleden we de zin van de radicalismeonderzoeker, dan staat er letterlijk dat ‘alle alarmbellen’ (onderwerp) ‘onderzoeker van radicalisme’ zijn en ‘afgaan’ (persoonsvorm) ‘bij het volgen van de ontwikkelingen in Israël’ (bepaling). Onzin dus. En dat terwijl er legio grammaticaal correcte alternatieven zijn, zoals: ‘Als onderzoeker van radicalisme word ik gealarmeerd door de ontwikkelingen in Israël’. Of eventueel: ‘Bij mij als onderzoeker van radicalisme gaan alle alarmbellen rinkelen bij het volgen van de ontwikkelingen in Israël’.
[31] VERZWEGEN ONDERWERP Zojuist teruggekeerd van vakantie blijkt de inhoud van mijn inbox met een kleine zestig taaimails te zijn aangevuld. Een ervan hekelt, met een voorbeeld uit de krant, het euvel waaraan de vorige zin mank gaat. Terecht. Het verzwegen onderwerp van teruggekeerd van vakantie (ik) zou gelijk moeten zijn aan het onderwerp van de hoofdzin, maar dat is de inhoud van mijn inbox.
[32] WERKWOORDEN STERK-ZWAK Is een werkwoord als ‘wreken, wreekte, gewroken’ sterk of zwak? Het is in feite beide (wreekte is zwak, gewroken sterk) en wordt daarom wel tot de groep van de gemengde of tot die van de onregelmatige werkwoorden gerekend. Van oorsprong werd het alleen sterk vervoegd, met een verleden tijd wrook (soms wrak). Maar “nu zeit men meestal wreekte, in plaats van wrook”, schreef taalkundige Lambert ten Kate omstreeks 1720, “dog egter niet gewreekt, maer wel gewroken”. Er zijn meer werkwoorden van dit gemengde type, zoals bakken, bakte (vroeger biek), gebakken en lachen, lachte (voorheen loech, laegen), gelachen.
[33]WOORDEN OP – ALLIG Adjectieven op -vallig zijn schaars: angstvallig, schroomvallig (‘timide’), wisselvallig, Gewestelijk moet boetvallig (‘verplicht een boete te betalen’) nog bekend zijn. Angstvallig (aanvankelijk ‘bevreesd’, later ‘nauwgezet’) lijkt voor de rest model te hebben gestaan. Er is wel verondersteld dat vallen hier opgevat is als een synoniem van zijn, zoals het nog steeds wordt gebruikt in over smaak valt niet te twisten. Van angstvallig kon men zich kennelijk makkelijker een voorstelling vormen dan van het woord dat het in de vijftiende eeuw verving: angstvoudig, met de varianten angstvuldig en angstvoldig. Aan het element -voudig-vuldig, afgeleid van vouwen, danken we ook woorden als eenvoudig (oorspronkelijk ‘eenmaal gevouwen’), tweevoudig, veelvuldig en zorgvuldig. Zorgvuldig kan oorspronkelijk iemand geweest zijn die door zorg ‘vouwen’ (plooien, rimpels) in het voorhoofd had, opperde de taalkundige Jan de Vries. Zo zou ook angstvoudig verklaard kunnen worden.
[34] ’t KOFSCHIP Voor wie over dat kofschip nog bijgepraat wil worden: de medeklinkers erin, t, k,/enz. kun je gebruiken om d/t-fouten te vermijden. Eindigt de stam van een werkwoord op een van die medeklinkers {plant-, ko(o)k, besef enz.), dan krijgen de verleden tijd en het voltooid deelwoord een -t en geen -d (geplant, gekookt, beseft enz.). Je moet wel de stam nemen zoals je hem schrijft: de stam van beloven is dan ook belo(o)v- en van verhuizen verhuiz-, met beloofd(e) en verhuisd(e) als gevolg, want de v en de z zitten niet in ’t kofschip. ’t Schip is al eerder op de helling gegaan, zij het meestal met serieuze bedoelingen. Zo is het omgebouwd tot ’t sexy fokschaap, xtc-kof-fieshop en kofschiptaxietje. Alle drie bevatten ze een of meer medeklinkers die in ‘t kofschip ontbreken.
De x kun je nodig hebben voor de spelling waxte en gewaxt of mixte en gemixt (stam wax- en mix-). De c kan van pas komen voor aerobicte en geaerobict (aerobiccen, stam aerobic-); de sh voor crashte en gecrasht (stam crash-); en de sj (van wie shop uitspreekt als sjop) voor vervoegde vormen als verramsjte en verramsjt (stam verramsj-) of roetsjte en geroetsjt (stam roetsj-).
zie ook 26
[35] AAN/AAN DE GEVOLGEN Op de website van Trouw stond deze week dat in Amerika jaarlijks 23.000 mensen sterven ‘aan de gevolgen van bacteriën die resistent zijn geworden. Kun je sterven aan de gevolgen tan bacteriën? Of sterf je aan de gevolgen van een ziekte die door bacteriën veroorzaakt is? Mensen sterven gewoonlijk aan een ziekte, aan verwondingen of aan ouderdom. Maar er wordt ook wel gezegd dat ze sterven aan de gevolgen van een aandoening. Zo lees je in de media geregeld dat iemand gestorven is ‘aan de gevolgen van kanker’, of, zoals afgelopen week in Trouw stond, ‘aan de gevolgen van een beroerte’. Zo’n formulering lijkt wat omslachtig. Immers, de doodsoorzaak is op het eerste gezicht kanker of een beroerte. Toch kun je ook aan de complicaties daarvan sterven. Dan sterf je dus niet aan kanker, maar aan de gevolgen daarvan. Wel lachwekkend wordt het als een krant schrijft dat iemand is gestorven ‘aan de gevolgen van een hartstilstand’. Als men een hartstilstand heeft, is die hartstilstand de doodsoorzaak, en niets anders.
In sommige gevallen is de formulering ‘sterven aan de gevolgen van…’ dus correct. Zo ook in het geval van een beet van een dier of een besmetting met een bacterie. Zulk onheil leidt eerst tot ziekte waaraan men ten slotte doodgaat. Ook ‘overlijden aan de gevolgen van een ongeval’ is een correcte formulering.
[36] PERIFRASE Omschrijving, zoals bv. van de zee als ‘het zilte nat’; de kameel als ‘het schip der woestijn’. De ware gelovigen als ‘de leeuwen van de islam’.
[37] AANTAL Ondanks allerlei beweringen is het niet zo dat er per se een enkelvoudige persoonsvorm verplicht is na ‘een aantal’. De officiële regel volgt de logica dat je bij de betekenis van een groep mensen het enkelvoud gebruikt en bij de betekenis van enkele afzonderlijke mensen het meervoud. Na het aantal wel enkelvoud.
[38] VERLEDEN TIJD OF VOLTOOIDE Wat is het verschil tussen ‘Het regende gisteren’ en ‘Het heeft gisteren geregend’? Niet veel, zou je zeggen. Je bent in beide gevallen waarschijnlijk nat geworden. Misschien dat de ontleedtijgers onder u nog opmerken dat de eerste zin in de ‘onvoltooid verleden tijd’ staat en de andere in de ‘voltooid tegenwoordige tijd,’ maar voor de meeste mensen (en leerlingen) zijn dit onbegrijpelijke etiketjes die met inzicht in de taalwerkelijkheid weinig te maken hebben. Maar wat is dan het verschil tussen onvoltooid verleden tijd en voltooid tegenwoordige tijd? Welnu, in de basis is dit erg eenvoudig: verleden tijd wil zeggen dat iets in het verleden gebeurde of het geval was, en voltooide tijd betekent dat iets op een zeker moment afgelopen (voltooid) is. Allemaal goed en wel, de zinnen betekenen toch nagenoeg hetzelfde? Inderdaad, en dat komt omdat wat gisteren plaatsvond heel waarschijnlijk ook gisteren afgelopen is. Om het verschil te zien moet je dat punt uit het verleden dichterbij halen. Neem de zin ‘Het regende vijf minuten geleden’. Dit zegt iets over de weerstoestand van vijf minuten geleden. Maar de zin zegt niets over dit moment. Misschien is de regen opgehouden, misschien regent het nog, de zin doet geen uitspraak over de voltooidheid van de regen. En nu ‘Het heeft vijf minuten geleden geregend’. Nu zegt de zin wel degelijk dat de regen voltooid is. Omdat het onwaarschijnlijk is dat het tussen nu en vijf minuten geleden weer begonnen is, zegt deze zin wél dat het nu droog is.
[39] ZODAT of OPDAT Opdat en zodat betekenen hetzelfde, maar dan met een modaal verschil. In het gedicht ‘Steen’ van de dichteres Vasalis, gebruikt ze de twee woorden ‘opdat’ en ‘zodat’ . ‘Ik denk dat de twee woorden opvallen omdat ze zowel in betekenis overeenkomen alsook subtiel verschillen. Beide woorden kondigen namelijk een gevolg aan, maar ze verschillen in de modale laag van de betekenis. De dichteres schrijft in de eerste twee versregels: ‘Verdriet kit al mijn krachten samen/zodat ik roerloos word als steen.’ Het woord ‘zodat’ markeert hier een oorzakelijk verband, dat als een constatering wordt uitgesproken. Hoofdzin en bijzin zijn beide een feit, en het eerste feit is oorzaak van het tweede. De laatste zin van het gedicht luidt ‘O sla de rots, opdat ik ween.’ Even voorbijgaand aan de bijbelse beeldspraak van het slaan op een rots waardoor er water uit komt, kun je van het woordje ‘opdat’ opmerken dat het ook een oorzakelijk verband aangeeft tussen het slaan van de rots en het wenen, maar nu is het gevolg een gewenst gevolg. Constatering (of zekerheid) en wenselijkheid zijn de klassieke twee dimensies van de modaliteit. Het betekenisverschil tussen ‘zodat’ en ‘opdat’ is dus een modaal verschil. Een kanttekening is nog dat het woordje ‘zodat’ gebruikelijker lijkt dan ‘opdat’. Dat betekent dat je ‘zodat’ ook weleens zult tegenkomen met een gewenst gevolg (‘Ik schrijf u nog eens zodat ik nu dan eindelijk antwoord krijgt’). Het omgekeerde, ‘opdat’ met een geconstateerd gevolg, zal niet zo gauw voorkomen.
[40] LEENWOORD Menigeen ergert zich aan het overbodig gebruik van buitenlandse woorden of leenwoorden in het Nederlands en sommigen willen deze woorden zelfs zo veel mogelijk uitbannen. Het gebruik van vooral Engelse woorden als er een goed, of soms zelfs beter, Nederlands woord voor de hand ligt, is vaak ergerlijk; we denken hierbij aan woorden als award in plaats van prijs, company voor bedrijf, plane voor vliegtuig en security voor beveiliging. Vooral volledig vreemdtalige reclame-uitingen als Let’s make things better stuiten veel taalliefhebbers tegen de borst. Maar het overnemen van leenwoorden is een verschijnsel dat zich in iedere taal voordoet. Het Nederlands kent vele leenwoorden die inmiddels algemeen zijn geaccepteerd en die soms niet meer als leenwoord worden herkend: uit het Latijn (zolder, kelder), het Grieks (telefoon, catastrofe), het Arabisch (algebra, koffie), het Frans (kathedraal, portemonnee), het Italiaans (spaghetti, allegro) en het Engels (baby, computer). Sommige leenwoorden zijn niet te vertalen: Weltschmerz, brainstormen, timing. Andere zijn korter: drugs, tutoyeren, lobbyen. Soms heeft het Nederlandse woord een andere gevoelswaarde: happening – gebeurtenis transpireren – zweten finishing touch – de laatste hand souffleren – voorzeggen Het Engels lijkt een sterke invloed te hebben op het Nederlands, maar ontwikkelingen in de taal rond voetbal en computer tonen aan dat Nederlandse woorden soms in staat zijn om hun vreemdtalige equivalenten te verdringen: vrije schop (free kick), hoekschop (corner), strafschop (penalty), buitenspel (offside), tekstverwerker (word processor), uitdraai (print), beeldscherm (display).
[41] HIJ OF ZIJ? HEM OF HAAR De regering heeft haar eigen verantwoordelijkheden, maar zij moet wel voeling houden met de maatschappelijke ontwikkelingen.
In deze zin wordt met haar en zij verwezen naar de regering; dat is correct, want regering is een vrouwelijk woord. Vaak echter worden haar en zij ten onrechte gebruikt. Daarom een korte uitleg.
Alle zelfstandige naamwoorden hebben in het Nederlands een woordgeslacht: mannelijk (lidwoord: de), vrouwelijk (lidwoord: de) of onzijdig (lidwoord: het).
Bij verwijzing naar een mannelijk zelfstandig naamwoord gebruik je hij en zijn. Bij verwijzing naar een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: zij en haar. En bij verwijzing naar een onzijdig zelfstandig naamwoord: het en zijn:
De minister en zijn staf. De regering en haar verantwoordelijkheden. Het comité en zijn aanhangers.
Vaak zul je niet weten of een woord mannelijk of vrouwelijk is: is een kast een hij of een zij? Daar kun je alleen maar achterkomen door het woordenboek te raadplegen. In het Kramers woordenboek Nederlands staat bij mannelijke woorden de (m) en bij vrouwelijke woorden de (v). Bij een woord als kast zul je alleen maar de aantreffen; dat betekent dat kast zowel mannelijk als vrouwelijk is. Je hebt dus de keus.
Soms kun je ontkomen aan het mannelijk/vrouwelijk-dilemma door uit te wijken naar woorden als die of deze: De fractieleider verdedigde de motie fel, maar deze werd toch weggestemd.
Tot slot: namen van plaatsen, landen, (sport)clubs e.d. zijn meestal onzijdig (het huidige Ajax, het naoorlogse Portugal): Portugal is trots op zijn ontdekkingsreizigers.
[42] VOLTOOID DEELWOORD ALS BIJV. NAAMW. Het verbre(ed)de tuinpad? De schrijfwijze van een woord als bevoorrade in de volgende zin levert veel schrijvers hoofdbrekens op:
De vanuit de lucht bevoorrade grondtroepen vormden een langgerekt front.
Het woord bevoorrade is een voltooid deelwoord dat als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt. Dergelijke bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden komen vaak voor in het Nederlands en meestal levert de schrijfwijze geen moeilijkheden op: de gewerkte uren, de bewonderde zanger, de gemiste kans
De problemen ontstaan vooral bij werkwoorden waarbij het voltooid deelwoord hetzelfde klinkt als de verleden tijd, zoals bevoorraden, bepleiten, verbreden e.d.:
Verleden tijd: Het vliegtuig bevoorraadde de grondtroepen. Bijv. naamw.: De vanuit de lucht bevoorrade grondtroepen. Verleden tijd: De regering bepleitte een ontmoedigingsbeleid. Bijv. naamw.: Het door de regering bepleite ontmoedigingsbeleid. Verleden tijd: De buurman verbreedde zijn tuinpad. Bijv. naamw.: Het verbrede tuinpad.
Laat je bij de spelling van bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden dus niet misleiden door de vorm van de verleden tijd.
[43] ENKELVOUD OF MEERVOUD? Het onderwerp en het bijbehorende werkwoord staan altijd beide óf in het enkelvoud óf in het meervoud. In eenvoudige zinnen als De koe staat in de wei / De koeien staan in de wei zal niemand deze wet overtreden. Maar zodra er veel informatie tussen het onderwerp en het bijbehorende werkwoord staat, gaat het makkelijk mis:
X De oproerpolitie, die gealarmeerd was toen de koeien uit de wei braken en oprukten in de richting van het nabijgelegen winkelcentrum, moesten proberen ze te vangen.
Moesten moet hier in het enkelvoud staan, maar onder invloed van het meervoud van koeien is het misgegaan.
Ook de constructie een van de zorgt in dit verband voor verwarring:
X Een van de koeien die in de wei staat, rent weg.
Er is één koe die wegrent, maar er staan meer koeien in de wei. Het moet dus zijn:
Een van de koeien die in de wei staan, rent weg.
Bij woorden voor hoeveelheid, soort, maat, gewicht en tijd komt de persoonsvorm soms in het enkelvoud, soms in het meervoud:
Een kudde kamelen staat in de woestijn.
Een tiental boeren protesteerde(n).
Dat type/soort/slag voetballers spreekt mij aan.
Honderd kilo appels was/waren uit de vrachtauto gerold.
Na een aantal kan zowel enkelvoud als meervoud volgen, maar na het aantal staat de persoonsvorm altijd in het enkelvoud:
Een aantal kinderen bleef/ bleven thuis vanwege de griep.
Het aantal kinderen dat griep kreeg, was niet groot.
[44] TREMA OF STREEPJE Een trema zet je op een letter als het woord zonder trema verkeerd kan worden uitgesproken:
De meervoudsvorm van een woord dat eindigt op ‘ee’, krijgt een extra ‘e’, die bovendien een trema krijgt: slee – sleeën; zee – zeeën
De meervoudsvorm van een woord dat eindigt op ‘ie’, krijgt ook een extra ‘e’ met trema als de klemtoon op de laatste lettergreep valt: industrie – industrieën; melodie – melodieën; knie -knieën
Maar valt die klemtoon niet op die ‘ie’, dan krijgt het woord alleen een trema zonder extra ‘e’: olie – oliën; kolonie – koloniën
Uit de volgende voorbeelden blijkt dat er alleen een trema komt als de uitspraak dat noodzakelijk maakt: buiig, ontplooiing, lawaaiig, ooievaar, truien, geuit Maar: smeuïg, reünie, ruïne, mozaïek, efficiënt, vacuüm, coördinatie, geëvenaard, geüniformeerd Het trema wordt niet gebruikt tussen delen van samenstellingen; dan schrijven we een streepje: na-apen, toe-eigenen, zee-egel, zo-even, twee-eenheid Een uitzondering hierop vormen de voluit geschreven telwoorden: drieëndertig, tweeëntwintig
[45] STREEPJE of AAN ELKAAR Bommelding in het centrum van Amsterdam. Een dergelijke kop in de krant zal veel lezers in verwarring brengen. Wat is dat voor een ding, een bommelding? Uiteindelijk zullen ze er wel achter komen, maar de verwarring had direct voorkomen kunnen worden door de delen waaruit de samenstelling is opgebouwd door een streepje te scheiden: bom-melding. Om dezelfde reden is een streepje aan te bevelen in samenstellingen als kers-tomaatje, kwarts-lagen en balk-anker. Heb je bij bovenstaande woorden nog de keuze om al dan niet een streepje te zetten, er zijn ook gevallen waarin je een streepje moet zetten tussen de delen van een samenstelling: – als er twee klinkers achter elkaar komen te staan die samen één klank kunnen vormen: auto-ongeluk, reserve-eenheid, politie-inspecteur, drie-eenheid, zee-egel, zo-even, milieu-invloed, lila-achtig Maar: politieagent, modeontwerper, milieuorganisatie – als een samenstelling uit gelijkwaardige delen bestaat: zanger-dichter, Fanny Blankers-Koen, woon-werkverkeer, glas-in-loodramen – als een samenstelling uit twee niet-gelijkwaar-dige delen bestaat, bijvoorbeeld uit een zelfstandig naamwoord en een andere woordsoort: sociaal-democratie, privé-leven, vice-voorzitter, niet-roker, oud-speler, commissie-Van Traa, regering-Kok, Sint-Nicolaas – als een samenstelling uit drie delen bestaat en het tweede deel een hoofdletter bevat: Tweede-Kamerfractie, Rode-Kruispost – als een samenstelling een aardrijkskundige naam (of aan afleiding daarvan) vormt: Noord-Brabant, Groot-Brittannië, Nieuw-Zeeland, West-Fries, Zuidoost-Aziatisch
[46] HOOFDLETTERS Hoofdletters kunnen voor hoofdbrekens zorgen: wanneer gebruik je ze wel, wanneer niet? Iedereen weet dat een zin begint met een hoofdletter. Velen zullen ook weten dat het tweede woord de hoofdletter krijgt als de zin begint met een apostrof: ’t Doet er niet toe.
De twijfel slaat toe bij woorden die niet aan het begin van een zin staan. Vandaar de regels nog eens op een rijtje.
Een hoofdletter krijgen: – personen en zaken die als heilig worden beschouwd: God, de Profeet, het Koninkrijk Gods – persoonsnamen, (afleidingen van en samenstellingen met) aardrijkskundige namen, straatnamen, namen van gebouwen, kunstwerken, bedrijven, instellingen, feesten, tijdperken en historische gebeurtenissen: Marcel, de heer Van Dam, de heer M. van Dam, mevrouw Barneveld-van Breukelen, Engelse, Fransman, Euromast, Kerstmis, de Nachtwacht, de (Tweede) Kamer, Provinciale Staten, de Senaat, Tweede Wereldoorlog, Middeleeuwen, Gouden Eeuw
Een kleine letter krijgen: namen van maatschappelijke, culturele en religieuze stromingen en hun aanhangers, aardrijkskundige namen, merk- en eigennamen die als soortnaam worden gebruikt, samenstellingen met en afleidingen van feesten, tijdperken e.d.: liberalisme, humanisme, rooms-katholieken, edammer, amerikanisme, walkman, braille, calvinist, freudiaans, kerstnacht, middeleeuws, kamerlid
Voor het hoofdlettergebruik bij afkortingen bestaan geen bindende regels. Veelvoorkomende afkortingen kun je het best met kleine letters schrijven (zonder punten): wc, tv, bh, havo, pvc, aids, cd-rom.
Ook titulatuur gaat in kleine letters: drs., mr., prof.
[47] WERKWOORDEN; SAMENKOPPELINGEN Stofzuigen lijkt qua vorm op samenkoppelingen als koffiedrinken en haatzaaien. Die ontstaan wanneer een woordgroep (koffie en drinken of haat en zaaien) uit oogpunt van betekenis als eenheid wordt ervaren. We zijn geneigd koffiedrinken en haatzaaien (hij is veroordeeld wegens haatzaaien) als woorden te spellen. Maar zodra we zulke woorden gaan vervoegen, behandelen velen van ons ze als woordgroepen en spellen we de delen los van elkaar (hij heeft haat gezaaid). Als je stofzuigen als samenkoppeling opvat, vervoeg je ook dit werkwoord als een woordgroep: ‘ik zoog stof’ en ‘ik ben bezig stof te zuigen’. De afspraak is dat als we bij het stofzuigen een stofzuiger gebruiken we het werkwoord anders vervoegen: ik stofzuigde, heb gestofzuigd. Anders dan zuigen (ik zoog, heb gezogen) wordt stofzuigen dus zwak vervoegd. Dat komt doordat stofzuigen geen samenkoppeling van stof en zuigen is, maar het resultaat van ‘omgekeerde woordvorming’ (back-formation) op basis van het zelfstandig naamwoord stofzuiger.
Stofzuigen is niet uniek: ook bloemlezen en beeldhouwen worden als resultaten van back-formation (van bloemlezing respectievelijk beeldhouwer) zwak vervoegd: ik bloemleesde in plaats van ik bloemlas of ik las bloem en ik beeldhouwde, heb gebeeldhouwd in plaats van ik hieuw beeld, heb beeldgehouwen. Zweefvliegen – zweefvliegde-gezweefvliegd
Een jongen had met zijn vader een vlieger gemaakt. Dat was een waar kunstwerk geworden, waar zij de hele winter aan gewerkt hadden. Het lichte houten kruis was omgeven door mooie doorzichtige kleuren die in levendige vormen omhoog golfden. Toen de jongen de vlieger in de zomer opliet, had de zon zoveel plezier in die heldere tinten, dat hij het niet kon laten, er voortdurend naar te kijken en er zijn lichtste stralen heen te zenden. Het allermeest genoot hij van het rood en het geel en dat liet hij ook helderder dan alle andere kleuren oplichten en zo kwam het dat de vlieger wel een vlammend kruis leek dat daar boven aan de hemel stond. De jongen genoot niet minder van de zon en hij liet zijn vlieger zo hoog opstijgen als maar enigszins mogelijk was. Helaas was het touw al gauw afgewikkeld en de vlieger kon niet verder.
Wat jammer was dat!
De jongen keek en keek en in zijn gedachten liet hij de vlieger steeds hoger gaan. Maar ach, dat was immers alleen maar verbeelding. Hoesch… ! kwam daar een grote windvlaag! Die brak het touw en… daar dwarrelde de vlieger werkelijk de hemel in! De jongen tuurde hem na en hij zag hoe hij aldoor maar hoger ging. Al spoedig was hij zo hoog gestegen dat de jongen niet goed kon zien wat er met hem gebeurde; maar voor de vlieger viel daar heel wat te beleven!
Het eerst ontmoette hij een kraai en er ontstond dadelijk een gesprek. ‘Goedemorgen!’, kraste de kraait. ‘Goedemorgen!‘, antwoordde de vlieger.
‘Ben jij ook een vogel met je vlammende vleugels en je lange staart?’
‘Nee, ik ben geen vogel!’
‘Wat ben je dan en waar kom je vandaan?’
‘Ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken; die heeft me geloof ik zelf gemaakt.’
‘Zo, zo en waar ga je naar toe?’
‘Dat weet ik niet. Ik wil alleen maar de hemel invliegen!‘ ‘Dan hoor je hier niet thuis. Hier boven weten alle wezens precies waar zij vandaan komen en waar zij naar toe gaan. Ik trek zelf elke winter naar het Zuiden en elke zomer naar het Noorden. Ik zou je raden weer naar de mensen terug te gaan, want als je niet weet waar je heen moet, verdwaal je in de hemel.’
Maar de vlieger was eigenwijs en ging verder omhoog. Toen ontmoette hij een zaadpluisje. Dat was nog hoger gezweefd dan de kraai. ‘Goedemiddag’, fluisterde het zaadpluisje. ‘Goedemiddag’, antwoordde de vlieger. ‘Ben jij ook een zaadpluis met al die wonderlijke uitsteeksels en kleuren?’ ‘Nee, ik ben iets dat door de mensen is gemaakt en ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken.’ ‘Waar moet je dan heen?’ ‘Dat weet ik niet. Ik wil zo maar de hemel in!’
‘Dan hoor je hier niet thuis! Iedereen weet hier wat het doel is van zijn tocht. Ik ga de lucht in om op te vangen wat van Oost naar West gaat: dat is de zonnewarmte. En als ik die gekregen heb, daal ik weer neer om hem aan de aarde te brengen en dan laat de aarde daaruit een nieuwe bloem groeien. Maar als jij niet weet wat je te doen hebt, zou ik maar liever weer omlaag gaan, want anders verlies je de koers in deze hoge werelden!’ Maar de vlieger bleef eigenwijs en steeg nog hoger. Toen kwam hij voorbij een wolk gezweefd. ‘Goedenavond! zoemde de wolk. ‘Ook goedenavond!’, zei de vlieger. ‘Ben jij een wolk met al je vlammende avondrood?’, vroeg de eerste weer. ‘Nee ik ben van de mensen. Ik kom van dat kleine jongetje daar beneden.’ ‘Waar ga je heen?’ ‘ Zomaar de hemel in.’ ‘Dan hoor je hier niet thuis. Iedereen kent hier zijn bestemming. Ik verzamel het laatste avondrood; dat maak ik in de nacht tot morgenrood; dat geeft water in de sloot! Daar regen ik zelf mee neer om de aarde te zegenen en als ik dat gedaan heb, draagt de zon me weer omhoog om nieuw avondrood te maken. En zo ga ik maar steeds op en neer. Maar jou geef ik de goede raad, terug te gaan naar dat jongetje, want zonder doel verdwaal je hierboven!’
Maar de vlieger liet zich niet van zijn stuk brengen en steeg nog hoger. Toen kwam hij bij de sterren. ‘Goedenacht!’, zongen de sterren in koor met klare hoge stemmen. ‘Goedenacht!”, zong de vlieger mee. ‘Wat voor konde kom je ons brengen, staartster van de aarde?’ zongen de sterren weer. ‘Ik ben geen staartster, ik kom van dat jongetje, dat daar op de aarde ligt te slapen“, zong de vlieger. ‘Dat heeft mij laten opstijgen, maar ik ben van hem weggevlogen. Toen wachtte hij tot ik terug zou komen, maar ondertussen is hij in slaap gevallen en nu droomt hij van mij.’
‘Dan zullen we je onze zegen meegeven voor die jongen’, zeiden de sterren en elk van hen gaf hem iets van zijn heldere glans.
Maar toen kwam daar de engel Michaël uit de hemel.
Die nam een grote ster in zijn handen, wierp die suizend op de vreemde indringer neer. De ster trof de vlieger en op hetzelfde ogenblik sloegen de vlammen eruit en brandende stortte hij omlaag!
Toen de jongen ontwaakte, vond hij dat hij een wonderlijke droom had gehad en hij was met een schok wakker geworden. Maar toen hij om zich heen keek, merkte hij dat zijn droom geen gewone droom was geweest, want naast hem laghet kruis van zijn vlieger, waarvan het papier was verbrand. Dat kruis was echter niet meer van hout, het was van lichtend hemelijzer! Hoe verbaasd was de jongen dat te zien! Maar hij was toch ook een beetje verdrietig….Nu was hij immers zijn mooie vlieger kwijt!
Maar toen hij met zijn kruis thuis kwam, sprak zijn vader: ‘Mijn jongen, laten we blij zijn! Als je vlieger niet verbrand was, had je nooit dit kruis van hemelijzer gekregen. Dit ijzer is sterker dan het hardste staal. We maken hieruit een vlieger die nog veel mooier is dan de vorige.’
Dat deden zij in de winter en toen de nieuwe vlieger werd opgelaten in de volgende zomer, ontmoette hij in de hemel opnieuw wat daar ging van Noord
naar Zuid, van Oost naar West en van de hemel naar de aarde. En toen hij bij
de sterren kwam, werd hij opnieuw door Michaël getroffen, waardoor hij
brandend ter aarde stortte. Maar het kruis van het hemelijzer dat de jongen vond, was nog glanzender dan tevoren.
Zo ging het vele jaren achtereen en ieder jaar werd het kruis stralender en sterker. Maar toen de jongen groot geworden was, veranderde het kruis van gedaante en werd tot een machtig zwaard, dat nog glinsterde van het sterrenlicht. Daarmee trok de jongeling door de wereld en hij werd een dappere ridder. Maar hij was geen gewone ridder, want zelfs bij de grootste overwinningen die hij behaalde vloeide er geen bloed. Andere ridders die hij ontmoette, bewonderden zijn zwaard en zijn daden en zij wilden zich tot hem scharen. Maar de jongeling sprak: ‘Het zwaard dat gij aan uw zijde draagt, is niet het zwaard, waarmee gij met mij door de wereld kunt gaan. Daartoe moet gij u een ander zwaard verwerven. Laat alles wat ge op aarde gemaakt en geleerd hebt verbranden door de sterren die uit de hemel vallen. Uit de as kan het zwaard groeien, waarmee gij mij volgen kunt.’ De jonge ridders verbaasden zich. ‘Tot welke orde behoort gij dan?’
De jongeling toonde het gevest van zijn zwaard. Daarin glinsterde een naam.
De ridders moesten zich inspannen om de lichte letters ter lezen.
Toen herkenden zij de naam:…..Michaël.
.
In het westen kennen wij sinds de vijfde eeuw op 29 september het feest dat oorspronkelijk herinnerde aan de wijding van de kerk van Michaël aan de Via Salaria in Rome. Alhoewel niet overal bekend, is het het feest van Michaël geworden. In het oosten leeft de herinnering voort aan het wonder van Cho-nai. Bij dit Phrygische stadje in het westen van Klein-Azië stond al in de vierde eeuw een aan Michaël gewijd heiligdom. Dat dreigde door geweldige watermassa’s te worden weggespoeld. Door het ingrijpen van Michaël verdween het water in de aardbodem en kwam het als geneeskrachtige bron weer omhoog. In het oosten wordt dit beschouwd als het eerste grote wonder van Michaël en dit wordt op 6 september gevierd. Wij kunnen Michaëls spoor volgen langs grote heiligdommen die in Europa van oost naar west ontstonden. De aartsengel verscheen aan het einde van de vijfde eeuw na Christus in het zuidoosten van Italië op de Monte Gargano. Van deze plek gaat zijn weg naar het westen. Daarvan getuigen heiligdommen als op de Mont Saint-Michel aan de westkust van Frankrijk en op St. Michaels Mount voor de zuidkust van Cornwall. En in de oude Ierse kerk was het eiland Skellig Michaël in het zuidwesten van Ierland een centrum van kloosterlijk leven. Het zijn allemaal hooggelegen plaatsen die aan Michaël werden gewijd en zij bevinden zich vaak aan de grens van land en water. Bovendien vindt men vele aan Michaël gewijde kapellen hoog in de westelijke toren van kerken. Michaël wilde men vroeger ontmoeten aan de overgang van de vaste grond naar de beweeglijker elementen van water en lucht, net iets boven de aarde. Tegenwoordig gaan wij in het teken van Michaël van de wat rustiger en gezapige zomer naar de stormachtige herfst.
Michaëls werkzaamheid is steeds grensoverschrijdend. Hij brengt als de goddelijke bode uit de hoogten de boodschap van Gods bedoelingen met de mens naar beneden. Hij staat de ziel terzijde, als het voorbije leven na de dood wordt beoordeeld. Hij helpt als zielenweger de gestorvene het evenwicht tussen goed en kwaad vinden. Hier op aarde helpt hij het menszijn behoeden en genezen. Juist daar, waar de mens mens moet worden, is zijn bijstand groot. Hij of Sint-Joris, die zijn aardse evenbeeld is en hem op aarde vertegenwoordigt, beschermt de mens tegen de lagen en listen van de boze macht die zich in de draak manifesteert.
Niet zo maar een mens In een apocrief geschrift uit de eerste helft van de derde eeuw, de zogenaamde ‘Openbaring van Paulus’, wordt verhaald dat Michaël dag en nacht ononderbroken bidt voor het menselijk geslacht. Hij kan dus ook worden aangeroepen als de engel, die het voortbestaan van de aarde ter harte gaat. ‘Want omwille van uw gebeden blijft de aarde bestaan.’
Een heel bijzondere uitspraak. Want hierin komt de essentie van het gebed naar voren. Het gebed is, aldus opgevat, zeker niet zomaar een wens, maar tegelijk verwerkelijking. De innerlijke intentie van de mens schept in diens bede hier op aarde heel even de realiteit, die biddend wordt uitgesproken. Die is dan door het gebed even aanwezig. Als hemelse machten bidden, scheppen zij een duurzame werkelijkheid. De aarde bestaat voort dankzij Michaëls ‘gebed’.
Zo helpt Michaël de mensen tijdens hun leven op aarde. Hij is de bode van hun hemelse vaderland. Hij helpt om de gevolgen van het aardse bestaan te dragen. Hij geeft de mens vaste grond onder de voeten. Hij staat hem bij, wanneer de mens verstrikt dreigt te raken in het aardse bestaan.
Met de draak is het eigenaardig gesteld.
De Openbaring van Johannes, het laatste boek van de bijbel, beschrijft hoe de draak juist door een strijd in de hemelen op de aarde terechtkwam. Michaël en zijn engelen strijden tegen de draak en zijn engelen en overwinnen hen. In de hemelen bedreigde de draak Maria en haar zoon om hen, nog voor ze op aarde kunnen verschijnen, te vernietigen. Om hen te behoeden werd de draak omlaag geworpen op de aarde. Daar belaagt hij de mensen nu.
Wij leren uit de Openbaring dat de mensen op aarde, om der wille van de hemelse mens, telkens voor zware opgaven worden gesteld. Geen wonder, dat Michaëls inzet voor de aarde en voor de mensen die daarop leven, na de val van de draak zoveel sterker is geworden.
Geloof voor mooie dagen Hoe de draak op de aarde kwam, beschrijft een Oost-Europees sprookje. Ik ken het in een Engelse vertaling uit het boek Gypsy Folk Tales door M. Voriskova. Dat de draak op de aarde terecht kwam, was te wijten aan nieuwsgierigheid, maar vooral aan ondernemingsgeest. Zo verhaalt althans het sprookje van ‘Kalo Dant en de zevende wereld’. Maar er kwamen ook nog wel wat verbroken beloften bij te pas, zoals het vervolgsprookje ‘Hoe Sjarkan onheil stichtte’ vertelt. Het sprookje zegt dat de draak degene die alle werelden wilde leren kennen naar de aarde terugbrengt. De mens, in dit verhaal de persoon van Kalo Dant, is er samen met de heerser in de bovenste wereld verantwoordelijk voor dat de draak op aarde terecht is gekomen. De Openbaring van Johannes vertelde in het beeld van de hemelse strijd het bovenmenselijke aspect; hier vinden we een menselijke betrokkenheid. Want Kalo Dant komt alleen terug naar de aarde dankzij de bemiddeling van een macht, die op aarde onheil brengt.
Gewoonlijk menen we min of meer instinctief, dat het kwaad er eigenlijk helemaal niet zou mogen zijn. Wij zijn nauwelijks geneigd het kwaad een positieve rol toe te kennen. De wereld zou, zonder het boze, beslist leefbaarder zijn… Maar is het kwaad in zijn verschillende verschijningsvormen en gestalten alleen maar negatief? In het Oude Testament laat het boek Job zien, dat deze vraag niet zomaar met een ‘neen’ kan worden beantwoord. Het beschrijft op een dramatische en bijzonder menselijke manier, hoe een boze macht ingrijpt in het leven van Job. De satan mag met toestemming van God, Job binnen bepaalde grenzen op de proef stellen. Dan zal blijken of Jobs godsvertrouwen onder alle omstandigheden sterk blijft. Of dat het alleen maar een geloof is voor mooie dagen, dat bij tegenspoed verdwijnt. Als enige voorwaarde heeft God gesteld, dat de satan niet aan Jobs leven komt. En Job komt dankzij leed en beproevingen, uiteindelijk gesterkt uit zijn beproevingen te voorschijn. Het zijn niet de minste eigenschappen, die Kalo Dant ertoe brachten ten slotte de hulp van de draak nodig te hebben: nieuwsgierigheid, die volgens de oude man de eerste stap is op de ladder die wij kennis noemen, ondernemingsgeest, en een goede dosis gezond verstand en humor. Die beide laatste trekjes gingen hierboven wel verloren bij de korte weergave in dit sprookje, het verhaal van de mens op zijn zwerftocht door de zeven werelden, dat werd overgeleverd door een zwervend en vrijgevochten volk!
Vrijheid ‘Het kwaad ontstaat dus ter wille van de mens’, concludeert Hans-Werner Schroeder in zijn boek De mens en het kwaad. In zijn uiteenzettingen betoogt hij, dat het kwaad in de wereld is omdat de mens zonder het boze niet werkelijk vrij kan worden. In de hemelen, binnen de sfeer van de goddelijke almachtigheid, kan vrijheid niet bestaan. Er moest een plek in de wereld zijn, waarbinnen de werking van het goddelijke zich niet rechtstreeks laat gelden. Waar machten actief zijn, die de mens in de richting van het anti-goddelijke drijven, om zo zijn sterkste krachten op te roepen. Vrijheid is een innerlijke kwaliteit die bevochten moet worden. Velen vragen zich tegenwoordig af of de toename van het kwaad de menselijke mogelijkheden niet te boven gaat. Schroeder geeft op deze vragen behoedzame en verhelderende antwoorden. Hij onderzoekt, welke rol het kwaad in de ontwikkeling van de mensheid heeft gespeeld. Schroeder stelt ook de vraag naar de overwinning en verlossing van het kwaad. Hij doet dit vanuit beleving van de helpende nabijheid van Christus en diens dienende geesten. Na het sleutelwoord van de ‘vrijheid’ verschijnt aldus de even essentiële gedachte van ‘helpende nabijheid’. Hierboven beschreef ik welke impressies mensen in het verleden van de aartsengel Michaël hadden, hoe zij hem vonden bij de grenzen die het leven ons stelt. Dit is sindsdien mogelijk gebleven. Hij vertegenwoordigt het beginsel van de ‘openheid naar boven’. Een mens die alleen maar zichzelf wil zijn, is nog lang niet ‘zichzelf’ in de ware zin van het woord. Wie tevreden is met zichzelf zoals hij is, met de wereld die hij aantreft, negeert ook de toenemende macht van het kwaad in de wereld. Het complementaire begrip van de ‘openheid naar boven’, die Michaël vertegenwoordigt, heet ‘vrije kracht’. Met vrije kracht kunnen wij de grenzen van ons bestaan naderen. Met de vrije kracht die in het denken wordt gewekt door de moed, het geestelijke in ons toe te laten. In het gebed hebben we de mogelijkheid de werkelijkheid van de geest in onze wereld te laten binnenstralen.
Wij kunnen het feest van Michaël maken tot een feest van het wordende. En zijn de eerste stappen daartoe niet de ondernemingsgeest en de nieuwsgierigheid, waarmee we ons afvragen hoe het met onze wereld werkelijk is gesteld?
(Arie Boogert, Jonas nr. 2, 18-09-1987)
Gypsy Folktales, M.Vorisková. Uitg. Paul Hamlyn, Londen 1967
De mens en het kwaad, Hans-Werner Schroeder. Uitg. Christofoor, Zeist 1967
Het tijdperk van Michaël, Emil Bock. Uitg. Christofoor, Zeist 1986
Het vak vertellen neemt op de vrijeschool een belangrijke plaats in.
Rudolf Steiner sprak er herhaaldelijk over in zijn pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311
Vertelstof algemeen (1-1) Ruud Gersonsover: wat betekent het behandelen met kinderen van maatschappelijke problemen; de vertelstof van iedere klas.
Vertelstof algemeen (2) Frans J. Luttersover: de vertelstof van iedere klas vanuit een bijzonder perspectief bekeken: de mens tijdens zijn leven tussen dood en nieuwe geboorte; leren en etherlijf; kracht van het beeld(ende); hoe vertel je – je voorbereiding; astraallijf en astrale wereld; astrale sfeer met planeten; vertelstof in samenhang met planeten.
Vertelstof algemeen (3) Johanna Behrensover: de keuze van de vertelstof door de verschillende leerjaren; ze probeert een link te leggen naar de ontwikkelingsfasen van de mensheid; wat betekent de vertelstof voor de ontwikkeling van de ziel van het kind.
De zinrijke vertelling Pieter HA Witvlietover: vertaling en bewerking van een artikel; ook: de zinvolle vertelling; in beelden vertellen om kinderen iets te leren wat met ‘gewone’ woorden veel moeilijker is.
Het zinvolle verhaal E.Fucke over: kind vóór 9e jr en zijn verhouding tot de wereld; alles kan nog met elkaar ‘spreken’; hoe kom je aan ‘zinvolle verhalen’; enkele voorbeelden.
Het beleven van beelden en de kracht van de fantasie Jakob Streit over: wat zijn ‘ware’ beelden en wat ‘valse’. De werking van gezonde fantasie en ongezonde fantasie in/op de ontwikkeling van het (jonge) kind.
De drie vragen Leo Klein: een prins gaat op weg om de antwoorden te vinden.
Het bijzondere schilderij Leo Klein: een prins moet een schilderij maken; wat hij nodig heeft en waar hij dat haalt. Zou kunnen dienen als inleiding voor het eerste schilderen, of als idee zoiets zelf te maken.
[3] Legenden [3-1] Martinus van Tours – bewerking Jacob Streit [3-2] De heilige Brigitta en de wolf van de koning [3-3] De koe van de heilige Launomarus [3-4] De heilige Kentigernus en het roodborstje [3-5] De heilige Blasius en zijn dieren [3-6] De gelofte van de heilige Cuthbertus [3-7] De heilige Prisca (en de leeuw) [3-8] De heilige Gudwalus en de vissen [3-9] De heilige Gilles en de hinde [3-10] De wolfsmoeder van Sint-Elvius [3-11] De maaltijd van Sint-Rigobertus
Vertelstof klas 4 Achtergronden Edda en verklarende namenwoordenlijst
Thrymslied (Hoe Thor zijn hamer terughaalde) Scheppingslied (In het begin was er geen wereld) Eventueel als opmaat voor de eerste aardrijkskundeperiode
KLAS 7/8 Over de vormende werking van de biografie Wolgang Suchhardtover: Werner von Siemens; hoe in zijn jeugd bepaalde personen een onuitwisbare indruk maakten en wat dat voor hem betekende; hoe dit voorbeeld kan zijn voor de jeugd.
Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1] [2] [3]
Parcival Groots en meeslepend wil ik leven – uit een periode Parcival 11e klas
Parcival Het netwerk van Parcival: een spiegel voor de mens en leerschool voor het leven .
Paaslegende [1] De legende van de drie haasjes [2] Het haasje in de maan
. Is het echt gebeurd? G. Blankesteijn over: verhalen uit de kinderliteratuur. De achtergronden, zijn ze echt gebeurd, hebben de figuren echt bestaan? [1] Inleiding en loflied op het vertellen [2] Jan Klaassen en Hans Brinker [3] Ot en Sien en Afkes tiental [4] Dik Trom [5] Tijl Uilenspiegel [6] Von Münchhausen [7] Buffalo Bill [8]
Star Wars Ook films kunnen beelden bevatten die niet ‘zo maar’ zijn. Ingo Hoppe belicht Star Wars vanuit de antroposofie; lucifer en ahriman;
Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over dierkunde. Toevoegingen in blauw zijn van mij.
GA 294 vertaling: Opvoedkunst 3e voordracht blz. 50 vert. blz.60
In de natuur wandelend genieten, geen uitleg. In de klas de natuur als lesstof.
7e voordracht blz. 96 vert. blz. 101
Vóór het 9e jaar vertel je anders over de dieren dan erna; mens synthese van natuurrijken; menselijke gestalte: hoofd (bol), romp (fragment van bol) ledematen (stralen); hoofd: zintuigen, romp: ademhaling; ledematen stofwisseling; ‘dienen om’ of ‘ten dienste van’; verschil armen/handen – benen/voeten; vrijheid en zelfzucht; kunstzinnig vertellen over inktvis (hoofd); muis (romp); handen en moraliteit
14e voordracht blz. 189 vert. blz. 190
Vóór het 9e jaar kind anders t.o.v. dieren en planten; volgorde dier- plantkunde.
GA 297vertaling 3e voordracht 3e voordracht vert. blz. 50-51
Dieren vergelijken met de mens: hoofd-lagere dieren, bijv. inktvis; mens uniek in ledematen; dit besef is van invloed op de moraliteit;
GA 300Bblz. 14 niet vertaald vert. blz. 14
Dierkunde na het 9e jaar; mens samenvatting hele dierenrijk
GA 300C blz. 98 niet vertaald vert. blz. 98
Het gaat om hoofddieren, ritmische dieren en stofwisselingsdieren
10e voordracht blz. 188-192 vert. 211-216
Dierenwereld betrekken op de mens; hoofd en lagere dieren; vis: ruggengraatdier, middendier; leeuw en kameel: stofwisseling-ledematendieren; diervorm begrijpen die als een eenzijdige ontwikkeling van een menselijk orgaansysteem te beschouwen; het hele dierenrijk is een uitgebreide mens; de mens is een samenstelling van het hele dierenrijk; een juist wereldgevoel geven
blz. 227 vert. blz. 256
Het dier in verband brengen met de mens; over het beschrijven.
GA 304niet vertaald 7e voordracht blz. 170 –173 vert. blz. 170-173 Dierenrijk synthese: mens; innerlijke houding t.o.v. de wereld = liefde voor de wereld;
blz. 109 vert. blz. 109
in de gestalte zit al wat een dier doet; wat het kind verlangt.
GA 307 vertaald: Opvoeding en moderne kultuur
9e voordracht blz. 167-173 vert. blz. 211-220
De planten naar de aarde, de dieren bij de mens gebracht, dat moet onderwijsprincipe worden; drieledige mens; hoofd, ritmisch systeem, stofwisseling/ledematen; lagere dieren: ons hoofd, ‘middelste’ dieren – vissen – onze romp, hogere dieren: bewegingsorganen; dierenwereld als eenzijdige ontwikkeling; dierenrijk: uit elkaar gelegde mens; mens: samenvatting van hele dierenwereld; vogels; door kunstzinnig presenteren; mens dichter bij dier; versterking van de wil; verbinding mens en wereld
GA 308vertaald: De wordende mens 4e voordracht blz. 69 – 72 vert. blz. 104-108
leeuw, stier, adelaar, engel – de mens; rund; leeuw; adelaar; mens als synthese; Oken; dieren ‘losse toon’ – mens ‘symfonie’; eerbied, religieus gevoel voor schepping
GA 309 Vertaald: Uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs 4e voordracht blz. 71 – 73 vert. 71 – 73
koe – menselijke stofwisseling; leeuw – menselijke borstgebied; vogel – hoofd; dieren: stukjes mens – mens in harmonie; Oken; biologie: verhouding van het kind met de aarde (plantenrijk) en de dieren: moraliteit; deze aanpak: je thuis voelen op de wereld
GA 310 Vertaald: Menskunde, pedagogie en kultuur 4e voordracht blz. 77 – 79; vert. blz. 81 – 83
relatie mens – dier; Oken; mens samenstelling van de afzonderlijke diervormen; fundament leggen voor een relatie tot de wereld
GA 311 Vertaald: De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens 3e voordracht blz. 48 – 55 vert. blz.48-55
dieren worden gekarakteriseerd door zieleneigenschappen; bij de mens veel minder uitgesproken eigenschappen; mens: synthese; dierenrijk is uitgebreide mens en mens een gecomprimeerd dierenrijk; hond en reukzenuw;
bladeren zie spatwerk; dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje; draak van grillige tak; draak vliegende; grasmatje; herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels; herfsttafel; kaars met draak; kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin; kijkdoos; koffertje; kransen en slingers; mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad; schimmenspel van een michaëlsverhaal; slang; slingers zie kransen; spatwerk met bladeren; transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant; versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier; vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger; vrouwtje appelwang; waaiewindje; weegschaal;
.
. KNUTSELEN
draak van grillige tak Van een grillige tak kun je met bladeren en dennenappels een mooie draak maken, vooral als je een krabbenpoot als staart (of kop) gebruikt. Jonas 4, 21-10-1977 . grasmatje weven Een raamwerk maken van 4 stokken, spandraden worden er gewoon omheen geslagen. Voor de inslag nemen wij materiaal uit het bos zoals takjes, grassen, riet, bladeren, hei enz. Wanneer het matje klaar is, kunnen we het verder versieren met trosjes bessen, rozebottels, hazelnoten en al wat verder het seizoen nog biedt. . herfsttafel De herfst is een dankbaar jaargetijde voor onze seizoenentafel. De nieuwe ouders onder u zullen zich misschien afvragen: wat is dat en hoe moet dat, zo!n seizoenentafel? Welnu, op een mooie plaats in uw kamer of hal zet u een lage tafel, plank of kist, die u bekleedt met een lap stof, waarvan de kleur en het materiaal aangepast zijn aan het seizoen.
Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uitstallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren, zonnebloemen etc. Een boomstronk kan dienst doen als kabouterhuis, maar ook kunnen we met St. Michaël daar de draak in verstoppen. Boven de tafel hangen we een mooie plaat of ansichtkaart met een herfsttafereel. Het fijne van zo’n tafel is, dat de kinderen ook hun gevonden schatten bij b.v. een boswandeling hierop kunnen uitstallen en zo het hele jaar door ook binnenshuis mee kunnen’leven met alles, wat zich in de natuur afspeelt. Kaboutertjes voor het kabouterhuis zijn makkelijk zelf te maken. Materiaal: restjes gekleurd vilt en schapewol. Knip het manteltje van het dwergje. Naai de naad van de capuchon dicht en haal er op de aangeduide plaats een draad door om te rimpelen. Doe een plukje goed uitgeplozen wol in het manteltje, trek de draad aan en knoop die vast. Knip aan de onderkant de wol weg, waardoor een plat vlak ontstaat: nu kan het dwergje staan. Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uitstallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren, zonnebloemen etc. De draak kunnen we maken van gekleurd papier en zijn lijf opvullen met appeltjes en andere vruchten. Met het St.-Michaëlsfeest kunnen de kinderen dan met zelf gemaakte zwaarden en schilden op zoek gaan naar de draak, deze verslaan en opeten. . bron onbekend . In het gelijknamige artikel is sprake van allerlei knutsels die hieronder verspreid zijn te vinden. Het artikel gaf als voorbeelden:
kaars voor de Michaëlstijd Neem hiervoor een dikke witte kaars en versierwas in allerlei kleuren: een groen-oranje draak kronkelt zich om de kaars heen – onderaan donkergroen en blauwpaars – naar boventoe worden de kleuren lichter; uit de muil komt vuur. (Als we lang kneden zijn de kleuren goed te mengen, maar als de handen door het kneden té warm worden, blijft de was niet meer plakken – dan deze afkoelen onder de kraan). Met het branden van de kaars wordt de draak langzaam verteerd. Geef kleinere kinderen een kleinere kaars. Ook zij kunnen dan hun eigen draak laten verbranden.
kastanjes en eikels| Ritsel, ’n herfstdanseresje is een heuse marionet van een kastanje en eikels, aan elkaar rijgen, neus een bosbes, rokje van blaadjes.
Het gewei van dit hert is gemaakt van twee esdoornvruchtjes
kastanje uithollen; stokje erin. Klaar is de pijp.
Een spin. Prikstokjes zig-zag in een kastanje; knoop een draad aan één van de stokjes, wikkel de draad om en om rond de stokjes. einde van de draad vasthouden, spin loslaten en…roets, daar gaat hij naar beneden.
Vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken) .
kijkdoos Een (schoenen)doos Gewoon met lijm in de doos plakken zodat het een gezellig tafereeltje wordt. Wanneer u de deksel van de doos vervangt door een vel transparant gekleurd papier (rood of oranje), ziet het er helemaal betoverend uit.
Ideeën: eikeltjes, kastanjes, herfstbladeren, paddenstoeltjes van bijenwas, kaboutertjes van vilt of bijenwas, droogbloempjes, takjes boerenwormkruid, trossen besjes, rozenbottels, grassen en granen. . koffertje om in te verzamelen Beplak een kartonnen kinderkoffertje met gedroogde bladeren, bestrijk het met blanke lak en verzamel hierin herfstschatten. . kransen en slingers
lantaarntje Op een feestelijk aangeklede Michaëlsherfsttafel kan een klein tafellantaarntje een gezellig lichtje zijn. Een reep goudkarton van ca 60 cm lang en 20 cm hoog. drie of vier raampjes erin uitknippen, transparant papier erachter en versieren met wat gedroogde bloemen, gras of blad. .
mozaïek van zaden Een zeldzaam zonnige zomer was het. In een bijna tropische warmte heeft het fruit zich overvloedig rijp laten stoven. Nu is het geoogst, gegeten, verwerkt of opgeslagen. Al eerder zijn de vele kleurige bessen verdwenen, de meeste waarschijnlijk in vogelmagen. Verdwenen voor het oog weliswaar, maar niet uit de kringloop van de natuur, waar het nu juist spannend wordt. Want in bessen zit zaad en in het zaad zit de toekomst van de plant. Het hangt er maar van af wat er met het zaad gebeurt, maar als het goed terecht komt, zal het in het voorjaar ontkiemen en uitgroeien tot een nieuwe boom of struik. Ja, waar komt het terecht? Een boom als de lijsterbes bijvoorbeeld zou natuurlijk domweg z’n vruchtjes kunnen laten vallen in de verwachting dat daar dan wel nakomelingen uit opgroeien. Dat zou natuurlijk een onvoorstelbaar gedrang geven aan de voet van de boom en al die kleine lijsterbesjes zouden het ook niet zo best doen in de schaduw van de oude. Dat gebeurt dus niet. Als je over een heide-achtig terrein loopt, zie je dat de lijsterbessen verspreid staan. Hoe komen die bomen daar? Ze groeien in ’t wild, zijn niet door mensen geplant. Het zijn inderdaad de vogels die voor de verspreiding zorgen. Ze eten de bessen, verteren wel het vruchtvlees maar niet het zaad. Integendeel, het zaad ondergaat in de vogelmaag een proces dat de kiemkracht bevordert. Daarna wordt het met een beetje mest op een of ander plekje gedeponeerd, waar het na de winter ontkiemen kan. Het is trouwens interessant om te ontdekken hoe veelzijdig en inventief de verspreidingstechnieken van zaden zijn. Behalve vogels doen ook mieren hieraan mee en helpen zo bijvoorbeeld het wilde viooltje. Maar veel bomen en planten zorgen ook zelf voor de verspreiding van hun zaadjes door ze te voorzien van allerlei vernuftige voortbewegingshulpmiddelen en hun dan snel de vrijheid te geven. Zo zijn er de vliegers, zoals de gevleugelde (berk), de parachuutjes (paardebloem), de molentjes (esdoorn), de pluizen (distel), die zich op de wind laten meevoeren. Weer anders doen de klitten het, die zich met kleine haakjes aan dierenvachten vasthechten en dan bij het reinigen van de vacht afgeworpen worden, de zwemmers die het water verkiezen (kokosnoot) of de schutters zoals de springbalsemien! Maar een echte zaaier is de mens: hij kiest bewust, veredelt, verzorgt en oogst, zaait weer en heeft zo zijn aandeel in de kringloop van de natuur. Daarnaast heeft hij ook zijn fantasie, zijn creativiteit. Een klein deel van de oogst mag gebruikt worden voor versieringen. Zo kun je bijvoorbeeld kettingen rijgen van diverse boontjes, zoals kapucijners en kievitsboontjes: eerst een paar uur weken tot je er een scherpe stopnaald door kunt prikken. Of je kunt een sierknoop maken van de afgezaagde onderkant van een dennenappeltje. De achterkant gladschuren en een klein schroefoogje indraaien of een brochespeldje aan bevestigen. Een wat preciezer werkje is het maken van mozaïeken van zaden, heel mooi als je ze in hout inlegt en later met een stevige transparante lak verglanst, als versiering van houten voorwerpen. Maar ’t kan ook eenvoudiger, bijvoorbeeld een deksel van een rond spanen doosje met zaden beplakken en dan eveneens, als ze goed vastzitten, lakken, waardoor ze ook niet meer losgestoten kunnen worden. Snij een aantal donkere jeneverbessen in twee helften, één plak je in het middelpunt van het deksel. Daaromheen straalsgewijs acht ongepelde rijstkorrels. Knip nu twee mallen uit dun karton, één voor de binnenkring en één voor de gegolfde rand, dat wil zeggen van binnen open. Leg de eerste mal op het dekseltje (even vastzetten met prittstift), smeer lijm op de open ruimte en strooi er bijvoorbeeld gierst (goudgeel) op, goed alle gaatjes vullen. Neem de mal weg en leg de tweede er op. Halve jeneverbessen in de golven lijmen, de rest als boven vullen met bijvoorbeeld radijszaad (paarsachtig). Mal wegnemen en de buitenrand vullen met zaad van koekoeksbloemen of maanzaad (zwart). Probeer zelf andere zaden, andere figuren en andere combinaties. De tuin, het veld en de markt bieden volop materiaal! . Annet Schukking, Jonas 3, 01-10-1982 . slang Knip of scheur twee even lange repen papier. Leg de beide repen haaks op elkaar en maak de op elkaar liggende uiteinden vast met plakband of lijm. Vouw beurtelings de repen over elkaar heen, tot het papier op is. De eindjes maakt u weer vast met plakband of lijm. Vouw een neus en plak van een stukje papier een tong vast. De slang kan gekleurd worden of van gekleurd papier gevouwen worden. Met dezelfde techniek kunt u allerlei dieren maken door de breedte van de repen papier te variëren.