VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (35)

.

DE HERFST EN HET MICHAËLSFEEST

Jaargetijden en jaarfeesten doordringen elkaar, maar zijn toch in zekere zin tegengestelde bewegingen. Jaargetijden bewegen zich in de ons omringende wereld en doordringen ons van daaruit, mits we de wereld van de natuur dan wel ontmoeten natuurlijk. Jaarfees­ten daarentegen moeten we van binnenuit vieren en de wereld indragen als cultuurgoed.
In de jaargetijden staat de inwerking van de zon op de aarde centraal, in de jaarfeesten, is het universele Godswoord de spil waarom alles draait. Kerst en Pasen en ook Johanni dui­den dit onverbloembaar aan. Michaëli is daarin een minder eenvoudig te doorgronden feest.

Wanneer we eerst kijken naar het jaargetijde, de herfst, dan bespeuren we hoe de zonnekracht aan de hemel afneemt, maar hoe ze zichtbaar wordt op de aarde in de rijping der vruchten, de kleuring der bladeren, de bloei van zonnebloemen, de maïs­kolven, pompoenen; kortom in alles wat een eindstadium is van plantaardige groei. Voor de aardse plantenwereld is het werk volbracht, maar vanuit het sterven van de plant in uiterlijke zin nemen aarde en mens kiemen, zaden op voor een nieuw leven dat na de winter weer zal ontspruiten. De plantenwezens ballen samen in de vaak uiterst kleine zaden, die zich weer terugtrekken in de aarde. De stoffelijke plant neemt af, de idee plant neemt daarmee juist toe.

Met deze beweging in de natuur gaat ook de mens mee. Vanuit de zomer vol expressie en beweging keren we weer in onszelf terug. Van buiten naar binnen, ook heel reëel van het eten in de tuin weer naar het zitten rond de haard. Het meedrijven op de getijdenstroom, kan echter geheel onbewust gebeuren: de mens kan dromen in het weer van de dag. Of hij leeft zo inge­kapseld in geconditioneerde ruimten, auto’s, tussen apparatuur en allerlei andere mechanische geluidenmakers,  dat hij de stem van de natuur nog maar heel flauwtjes opnemen kan. Voor de mens die zijn verbinding met de loop van de natuur wil bekrachtigen bestaat er de Zielekalender* van Rudolf Steiner waardoor men zich in het eenvoelen met de natuurbeweging kan laten inspireren, en kan komen tot zelfkennis.

Nu de jaarfeesten.
We noemden Kerst als geboortefeest. Pasen als Opstandingsfeest, Johanni  als geboortefeest en Michaëli. We kunnen vanuit de andere jaarfeesten inzien hoe Michaëli ons oproept als mens om ook een opstanding door te maken; “Stirb und Werde”. We kunnen bij het naar binnen keren in deze tijd het gevaar lopen te verharden, innerlijk net zo te worden als het uiterlijke zaad in de wereld. We verliezen de zomerse beweeglijkheid en komen niet tot een in ons opgewekt enthou­siasme, tot een beleving van ons ik, onze persoonlijke kiemkracht waarmee we tot scheppers en herscheppers kunnen worden, niet slechts uiterlijk, doch ook in onze eigen ziel. Dit ge­vaar lopen we ook wanneer we Michaël te eenzijdig benaderen. Ik denk zelf bij Michaël altijd aan twee metalen: ijzer en koper. IJzer hangt samen met het zwaard dat Michaël draagt; het is symbool van strijd, van onverzettelijkheid en kracht. Het metaal hangt ook samen met de Marskrachten die bijvoor­beeld in het Romeinse Rijk zo sterk inwerkten. Het ijzeren zwaard kan ons juist doen vervallen tot verharding en egoïsme. Michaëls opgave vinden we slechts dan, wanneer we ook de ko­peren weegschaal in onze beleving betrekken; symbool van evenwicht, harmonie, in zekere zin ook genezing.
Wanneer we deze weegschaal op ons eigen zieleleven betrekken en zoeken naar een innerlijk evenwicht tussen denken en handelen, dan ont­staat ook genezing doordat ons voelen zich vult met kunst­zinnigheid. Met het koper hangt Mercurius** samen. We zien hier door de sterkende Michaëlskrachten heen de helende krachten van Rafaël stralen.

Krachtig en moedig trekken wij door de wereld, maar wij doden niet, ook niet de draak van de materialistische gezindheid, maar wij temmen, wij houden de dingen terug en scheppen een evenwicht, wij genezen ons zelf en de wereldordening door in onze ziel het beeld van Michaël en de draak in moed en har­monie, genezing;  in ijzer en koper  in zwaard en weegschaal te laten oplichten.

(Reyer Ploeg, nadere gegevens onbekend)

.

*Rudolf Steiner ‘Weekspreuken‘.
Bij ‘Antrovista‘ staat iedere week de nieuwe spreuk

**De auteur gaat er niet verder op in; meestal wordt het koper in samenhang gezien met Venus.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

286-270

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (34)

.

DE KRACHTEN VAN MICHAËL

‘De krachten van Michaël kan de mens zich alleen verwerven, doordat hij met zijn van liefde doordrongen wil zichzelf omvormt tot een instrument voor de geestelijk -goddelijke krachten’.

(Rudolf Steiner)

Het is een warme en zonnige dag in de late zomer, de lucht is helder en de hemel toont zijn prachtige diepblauwe welving. Tussen het donkergroen geboomte liggen korenvelden; het milde geel van de halmen, die zich in de zachte wind heen en weer bewegen, zodat het lijkt alsof er golven doorheen stromen en het hele veld leeft, laat zien hoeveel zonlicht er is opgenomen, dat het koren rijp is en wacht op de mens die het oogst.

Hoeveel menselijke arbeid is er nodig geweest, dat het koren zo rijk tot wasdom kon komen en wat moet er nu nog allemaal door mensenhand gedaan worden om de vruchten der aarde te verwerken? Met verbazing en eerbied benaderen wij de intense rijkdom van de natuur. Overal roept zij ons op om haar veelvuldige kwaliteiten op te zoeken en de geheimen, die haar leven in zich draagt in iedere verschijning te ontdekken. Hier helpt kennis ons niet, hier moeten wij bewegen, ons hele organisme in beweging brengen, het willen in ons waarnemen brengen, onderduiken in de wereld buiten ons, proeven, ruiken, aanvoelen in het aanschouwen, zodat iedere verschijning iets uitspreekt van haar wezen en voor ons zichtbaar wordt als een gebaar van het leven en weven van het wereldwoord. Wat in dit waarnemen spiritueel beleefd kan worden is euritmie! Hetzelfde geldt voor iedere handeling, die de werkende mens verricht aan de aarde om in de natuur cultuur te laten ontstaan. Onze handelingen worden tot gebaren, die zich willen geven aan de aardeprocessen, gebaren, die door de aarde worden opgeroepen en die wij verrichten als dienst aan haar. Een handeling, die afgelezen is aan de levenskrachten in de natuur werkt opbouwend en cultuur scheppend. Een beweging, die de processen in de natuur navoltrekt wordt euritmisch. Als zodanig wordt werkelijk euritmisch bewegen arbeid aan de aarde.

Tussen ronde met mos begroeide granietrotsen staan enkele witte recht omhoog strevende slanke berkenbomen met hun in de wind wiegende bladerkroon die van binnenuit al goud wordt nu in de late zomer. De slanke, naar boven strevende takken geven het zonlicht de kans om tot op de aarde te schijnen dicht bij de stam. Aarde en hemel worden juist door deze boom, die zo oneindig veel water in de lucht afgeeft, met elkaar verbonden. De bladeren in de toppen zijn nog groen, zij zullen het laatst afvallen. De gouden bladeren stralen vanuit het binnenste van de kroon, het licht van de zomer wegschenkend. Het oog kan kwaliteiten proeven, zoals het frisse groen van het berkenblad, of het geel van de totale berkengestalte, dat straalt als licht. De omgeving van de berk heeft iets vrolijks, wat men als lichtrood kan ervaren. Het gebaar in zijn geheel is warm blozend, men voelt zich opgeheven en perifeer gehouden. Recht en strevend, maar heel levend, niet streng, verschijnt de boom; het oog tast en voelt een harde kwaliteit.

De nieuwe weg in de kunst is niet te vinden in het voelend dromen of het dromend vormen van de dingen.

Veeleer wil het het gebied van de ziele-geesteswereld met het gebied van het stoffelijk gevormde verbinden; zo een weg vormend voor de mens, die deze verbinding tot stand wil brengen en opnieuw op de fenomenen van de natuur afgaan. Het leven in de kunst als spirituele kracht kan eerst door het werken van de geest in de natuur, wetenschappelijk fenomenologisch ontdekt, de mensen weer enthousiast maken. Men moet weer kunnen ontdekken hoe de geest in de natuur levend werkzaam is, in de fenomenen het openbare geheim zien, want dat is de bron, die de kunst onmiddellijk waarneembaar wil maken. Het opvoeden van de zintuigen in het waarnemen van de wereld en het doorlichten van de innerlijke nacht zijn de twee zuilen, waar de weg op gebouwd is, die men kan gaan en die aan de tijdgeest gehoor geeft. Dat betekent scholing, voortdurend omwerken, bereid zijn alles weer opnieuw aan te pakken, ontwikkeling. Dat wederom vraagt beweging van de mens, van zijn gehele organisatie, van de wil, die vloeiend en beweeglijk wordt. De euritmische beweging werkt in directe zin aan het veranderen van de menselijke wezensdelen.

In het hart heeft de mens op aarde zijn houvast, daar leven wij tussen aarde en kosmos in ons spirituele zwaartepunt. Ons aardse bewustzijn houdt in het hart zijn evenwicht; wanneer wij te sterk in onszelf verkrampt raken, dan ervaren wij smart; verliezen wij ons te sterk, dan krijgen wij de neiging ons bewustzijn te verliezen. Onze aardse oriëntering in de ruimte hangt heel intiem met het hart samen. In een andere ‘ruimte’ en in een ander bewustzijn leven de gestorvenen, in de voor ons aardse bewustzijn aangrenzende wereld.

De kunst vormt de brug tussen materie en geest, de brug tussen het innerlijk beleven en het uiterlijk aanschouwen. De kunst wil het (uiterlijk) zintuiglijk waarneembare gespiritualiseerd laten verschijnen, en het innerlijk in de ziel waarneembare uiterlijk vormen zodat een levende gestalte kan verschijnen. In de euritmie beweegt de mens zo, dat het ziele-geesteswezen in de beweging verschijnt. Wij hebben dus in de euritmische bewegingen in de ruimte verbonden tijdskwaliteit, die doordrongen is van het geestes-zielewezen. Dat maakt euritmie tot een kunst, die de brug kan vormen tot de gestorvenen.

Rudolf Steiner noemt de euritmie als kunst een initiatie-impuls. In deze zin wordt dagelijks gewerkt aan de transsubstantiatie van het woord door de euritmie. Wij beschouwen het als onze opgave voor dit werk een omhulling te scheppen zowel materieel als ook spiritueel.

(W.BarFod in Mededelingen Avin, nr.10, 1982)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

285-269

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e Klas – herfstspelletje

.

Dit spelletje van Udo de Haes, in Zonnegeheimen deel 4, heb ik vaak gespeeld met een 2e klas.

Met wat crêpepapieren hesjes verkleedde ik de kinderen in bladeren (groen/bruin en daaronder geel/rood), bomen (groen), wind (rood), zon (geel, met kroontje). Je kunt op de hesjes van de bladeren ook echte bladeren nieten, maar dan moet je ze eerst goed gedroogd hebben, anders drogen ze krullend op en gaan ze  snel stuk. Je kunt ook wachten met de echte bladeren tot je dit spelletje opvoert voor anderen.

Hier en daar is de taal wat ‘ouderwets’: bladers gebruiken we toch niet; ook ‘gij’ ; ‘blinkt’ de zon? Ik vind ‘stralen’ mooier, enz. Je kunt e.e.a. natuurlijk altijd naar eigen wens en inzicht aanpassen.

De muziek is voor een 2e klas moeilijk; ik moest altijd wel meezingen. Als je ondersteunend mee moet zingen, doe het dan niet te luid, want dan zingen de kinderen helemaal niet meer mee.

GEEL EN GOUD

Een herfstspelletje voor kinderen tot 9 jaar.

spelers: de zon, de wind, bladeren, enkele bomen, kinderen.

De spelers komen op in een lange stoet en zingen:

Allen:

Michaël herfstspel 1

(Dan gaat de zon aan de hemel staan stralen (het kind dat de zon voorstelt, gaat b.v. boven op een tafel staan); de wind legt zich ergens op de loer, de bomen gaan te midden van de bladeren staan, die zich met één hand aan hen vasthouden; de „kinde­ren’ ‘ stellen zich opzij in een koor op).

Kinderen, bladeren en bomen spreken (terwijl de bla­deren het licht van de zon opvangen):

Heel de wereld blij gemoed
Drinkt de warme zonnegloed;
Wie op aard kan droevig zijn
In deez’ lichte zonneschijn?
Heerlijk wiegen zich in droom
De groene blaad’ren aan de boom.

Kinderen:

O bladers met uw groen gezicht.
Wat doet gij met dat zonnelicht?
Zijt gij tot dromen slechts geboren?
Zo gaat dat zonnelicht verloren!

Bladeren (wevende bewegingen makende):
O mensenkindren groot en sterk.
Ook blaadjes doen hun levenswerk.
Hun kleine handjes teer en fijn
Weven goud uit zonneschijn.

(De wind doet zich horen en vliegt voorbij; de bla­deren schommelen heen en weer).

Bladeren, bomen en kinderen:
Huuuuu ……… !

Wie blaast zo wild daar over ’t veld?
Wij rillen voor dat ruw geweld!

(De wind komt dichterbij; de bladeren wapperen angstig dooreen).

Kinderen:

O bladers. bladers opgepast!
Houdt stevig j’aan de takken vast!

Bladeren (met moeite zich vasthoudend):

Het is de wind, die wilde klant,
Die blaast de zomer uit het land!
(De wind loeit en rukt aan de bladeren).
Ga weg! — jij ruwe ruige wind!
Elk blad is toch een zonnekind!
Ons levenswerk is niet volbracht,
Beteugel toch die wilde kracht!

(De wind kan de bladeren nog niet afrukken en verdwijnt.)

Bomen:

De wind is wild door ’t woud gesneld.
Hij heeft verspild zijn woest geweld
En ieder blad in ’t ganse land
Neemt fluks zijn gouddraad weer ter hand
En zie: bij ’t einde van zijn leven
Is al het licht tot goud geweven!

(De bladeren werpen hun groene huid af en prijken in hun rode en gele gewaden).

Nu komt gelokt door ’t glanzend goud
De jeugd al zingend door het woud.

(De kinderen trekken zingend hand aan hand door het bos)

Kinderen:

Michaël herfstspel 2

Zon (tot de wind):

Nu hoort uw werk. gij wilde wind:
Waait ijlings naar mijn aardekind.
Naar ’t goud, dat straalt uit heg en kruid
En strooi het in de wereld uit!

(De wind komt opnieuw aangewaaid en strooit de bladeren rond. De kinderen dansen met de bladeren in een kring om de zon heen en allen, behalve de zon en de wind zingen):

Michaël herfstspel 3

(Dit liedje wordt één of meerdere malen herhaald en bij het afgaan zingen ook de zon en de wind mee).

.

Over de herfst in: jaarfeesten – alle artikelen

2e klas: alle artikelen

.

284-268

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordenallerlei

.

 
Nederlandse taal: alle artikelen

.

Hier volgen herkomst en betekenis van allerlei woorden. Het kan interessant zijn om op sommige woorden in te kunnen gaan.                     (120)
.

Zie ook spelling
.

Tenzij anders vermeld:  (bron: dagblad Trouw)
.

(94) Algoritme
(18) Als zijnde
(102) Anderhalvemetersamenleving
(58) Armzalig
(46) Bakken/braden
(67) Bang te moede
(54) Bedacht/beducht
(77) Behapstukken
(44) Bengel
(21) Beroerte
(56) Bevallen
(96) Bingen
[111] Biljoen
(11)  Blijkbaar/schijnbaar
(43) Blunderen
(71) Bot vangen
(42) Breidel
(6)   Bres
(17) Brief
(104) Cycloon
(39) Deemoed
(57) Dementie
(74) Deur (looien en gek als)
(75) Dij (als achtervoegsel)
(88) Door de helft
(25) Duh
(7)   Eengezinswoning
(89) Extravert/extrovert
(53) Falen/failliet
(79) Fan
(51) Fitty
(65) Gast
(108) Geitenwollensokken
(37) Gelach/gelag
(19)  Gelauwerd
[112] Gelukkig nieuwjaar
(9)   Gênant
(4)   Gevlij
(49) Gierig
(116) Grafisch
[114] Grooming
(100) Half (uitspraak bijv, (5,5)
(121) Handhaven
(16)  Herberg
(103)Hoeveel keer zoveel
(66) Huldebiet
(64) Hygiëne
(87) Hysterisch
[105]Inflatie
(22)  Inlopen
(10)  Jok
(107) Kamikaze
(90) Kennen
(24) Kersvers
(32) Kissebissen, harrewarren, bakkeleien
(44) Knaap
(23) Koptisch
(28) Lange tenen
[86] Lazarus/lazer(ij)
(31)  Leenwoorden
(48) Lente
(81) Lijden/overlijden
(33) Loomen
(13)  Mankeren
(15)  Mail
(115) Martelaar
(88) Middendoor
(70) Moor
(73) Mum
(91) Muzelman, moslin, mohammedanen
(20) Nachtmerrie
(14) Omwaaien
(113) On-
(16) Onherbergzaam
(72) On (t) roerend
(5) Onverveerd
(39) Ootmoed
(27) Opening van zaken
(117) Opeisen
(104) Orkaan
(50) Oubollig
(29) Oud(ere)
(30) Overnieuw
(12)  Pallet/palet
(61) Parket
(80) Past(o)or, pastorie
(76) Peentjes
(60) Persoonlijk
(55) Piemel
(62) Piepelen
(26) Poedelprijs
(59) Pollen
(45)Proppen(121) punt en komma
(97) Quarantaine
(68) Quotum/quota/quota’s
(92) Religie
(110) Rins
(72) Roerend
(93) Sabotage
(120) Skeptisch/sceptisch
(84) Schelden
(11)  Schijnbaar
(106) Slaaf
(1)   Slib(p)tong
(85) Souterrain
(47) Spitsroede lopen
(52) Statiegeld
(40) Steil
(38) Stiefmoeder
(40) Stijl
(101) Stol
(8)  Tartaar/Tataar
(85) Terriër
(78) Tifosi
(99) Tijdslot
(36) Tropisch
(104) Tyfoon
(35) Uitbrander
(100) Uitspraak uur/uren; week/weken enz.
(2)  Vaccineren
(3)  Vakantie  op / met vakantie
(63) Van zessen klaar
(77) Verhapstukken
(41) Verstoken/verstokt
(98) Viraal
(44) Vlegel
(5)  Vrij onverveerd
(34) Vrijster
(69) Weids/wijds
(118) Wil/wilt
(119) Wou
(90) Weten
(109) Zappen
(95) Zweren
.

[1] SLIP(B)TONG
Er is een tijd ge­weest dat zowel slibtong als slip­tong in het woordenboek stond. In 1992 definieerde Van Dale slibtong als ‘tongschar’ en sliptong als
1) on­dermaatse zeetong en
2) (verkeer­delijk voor) slibtong.

In de volgende editie van het woordenboek (1999) werd na con­sultatie van de branche het tref­woord slibtong geschrapt en be­hield het trefwoord sliptong één betekenis: ‘ondermaatse zeetong’. Rond die tijd werd sliptong ook op­genomen in het ‘Groene Boekje’. De spelling slibtong bleek echter hardnekkig. Zowel op menukaar­ten als in de krant en op internet is de verhouding tussen beide taalvor­men ongeveer 1:2. Zo stond slib­tong sinds 2000 189 keer in een Nederlandstalige krant, sliptong 379 keer.

De schrijfwijze slibtong suggereert dat de sliptong in het slib leeft. Weliswaar heeft de sliptong een voorkeur voor ondiep zeewater met een zanderige of modderige bodem, maar dat is niet bepalend voor zijn naam. Die is namelijk af­komstig uit de visserswereld. In hun ‘visserslatijn’ noemden be­roepsvissers ondermaatse zeetong sliptong, omdat deze vis gemakke­lijk door de mazen van het net slipt. Sliptong is dus een samenstel­ling van het werkwoord slippen (wegglijden, wegglippen, ontsnap­pen) en tong. Elke andere spelling is incorrect.

[2] VACCINEREN
Net na 1800 verschenen in Nederland­se media berichten dat in Frankrijk werd geëxperimenteerd met een entstof tegen koepokken. Daarbij werden mensen ingeënt met een ‘vaccin’, een entstof tegen ‘vaccine’ (het Franse woord voor koepok­ken).

Het Nederlands nam vaccin, vaccine en – wat later – vaccineren over uit het Frans. In die taal was vaccine een verkorting van variole vaccine, een verfransing van de Neolatijnse medische vakterm variote vaccinx, het geleerde woord voor koepokken. Letterlijk betekent vaccine niets meer of minder dan ‘van koeien’.
Aanvankelijk verwees ook ons werkwoord vaccineren alleen naar het inenten tegen koepokken. Pas vanaf 1950 werd de definitie uitge­breid en beschreef Van Dale vaccine­ren als ‘inenten tegen een bepaalde ziekte’. Zo kan het zijn dat kinde­ren tegenwoordig worden gevacci­neerd tegen de bof, mazelen en de rodehond (de beroemde BMR-prik) hoewel de gebruikte entstoffen niets met koeien, laat staan met koepokken te maken hebben.

[3] OP VAKANTIE OF MET VAKANTIE
Er wordt geen onderscheid meer gemaakt

[4] IN HET GEVLIJ KOMEN
Gevlij is afgeleid van vlijen = ordelijk naast elkaar schikken of van zich vlijen = zich schikken (naar), zich onderwerpen aan.
Bij iemand in het gevlij komen betekent: iemand (met woord en daad) behagen, bij iemand in de gunst komen. Vleien betekent onder meer: iemand naar de mond praten. Vleien en vlijen verschillen weliswaar van herkomst, maar lijken qua klank en betekenis sterk op elkaar. Ze worden dan ook vaak door elkaar gehaald. Dat geldt helemaal voor ‘in het gevlij komen’.

[5] VRIJ ONVERVEERD
In het Wilhelmus betekent dit vrij niet tamelijk, maar in de oude betekenis: zeer, heel erg.
Een van de functies van ons volkslied is dat het woorden in leven houdt die eigenlijk al lang en breed uit de omgangstaal zijn verdwenen. Het vaderland getrouw(e) bijvoorbeeld, wie zegt dat nog? Als woorden niet meer courant zijn, prikkelen ze de fantasie en gaan ze in de verbeelding van de burger soms een eigen leven leiden.

Zo vertelde iemand dat hij altijd had gedacht dat het woord onverveerd in ons volkslied (‘een Prinse van Oranje, ben ik, vrij, onverveerd’) iets te maken heeft met het werkwoord veren en dus onbuigzaam betekent. Dat is niet het geval.
Onverveerd heeft een totaal andere betekenis en een andere etymologie. Het woord is een oude variant van onvervaard, dat onbevreesd betekent. Onvervaard zelf is met het ontkennende element on afgeleid van vervaard, dat we nog aantreffen in de uitdrukking ‘voor geen kleintje vervaard zijn’ (veel durven, niet gauw bang zijn). Net als gevaar, gevaarlijk en vervaarlijk (‘vervaarlijk kijken’) is vervaard terug te voeren op het oude woord vaar, dat angst of vrees betekent en dat verwant is met het Engelse woord fear (gevaar). In de Vlaamse literatuur tref je vaar nog weleens aan, vooral in de combinatie ‘zonder vaar of vrees’. Zo typeerde Louis Paul Boon in een van zijn romans een moderne donquichot als ‘een ridder zonder vaar of vrees’: een ridder die alles durft. In Nederland zouden we zo’n koene ridder een ‘ridder zonder vrees of blaam’ noemen. Dat ons volkslied de Prinse van Oranje ‘onverveerd’ noemt, wil zeggen dat hij eveneens onverschrokken is en dus niet terugschrikt voor gevaar.

[6] BRES
Je kunt zowel in of op de bres staan voor iemand (‘klaarstaan om het voor hem op te nemen’) als voor iemand in of op de bres springen (‘hem met woord of daad verdedi­gen, vooral tegen aantijgingen’). Een bres was een opening in een vestingmuur, veroorzaakt door ge­schut, stormrammen of mijnen van belegeraars. Hun voorhoede sprong of stond in dat gat of op de restanten van de muur.

[7] EENGEZINSWONING
‘Eengezinswoning’? Inderdaad. Weliswaar mag je een tussen-s schrijven als je die ook uit­spreekt, zoals in geluid(s)arm, -hin­der, -opname enz., maar niet na een telwoord in drieledige samenstel­lingen als eengezinswoning, eenmans­fractie, eenpansgerecht, tweepersoons­bed, driepuntsgordel enz. Mogelijk is eensgezinswoning beïnvloed door eensgezind.

[8] TARTAAR of  TATAAR
Volgens het Groene Boekje zijn Tataar en Tar­taar gelijkwaardige varianten, dus beide spellingen zijn strikt geno­men correct. Van Dale geeft, net als de kranten, de voorkeur aan Tataar, mede op grond van de etymologie van het woord. De voorouders van de huidige Tataren waren namelijk een Mongools volk, dat in de mid­deleeuwen grote delen van Centraal-Azië en Oost-Europa verover­de. De Perzen noemden hen tatar. Europeanen associeerden de Tata­ren echter met de Tartaros, in de Griekse mythologie het schimmen­rijk waar Hades heerst en waar de grootste misdadigers door wrede wraakgodinnen worden bewaakt en gepijnigd. De Griekse Tartaros was dus zo ongeveer wat de hel voor de Europeanen was en omdat de Tataren bekendstonden om hun wreedheid, zullen de Europeanen hen als baarlijke duivels hebben beschouwd. Zo werd Tataar haast ongemerkt Tartaar. Het tartaartje dat we bij de slager kunnen kopen, hebben we trou­wens ook aan de Tataren te dan­ken. Tartaar heette aanvankelijk biefstuk/steak d la Tartare: fijnge­hakte rauwe biefstuk die slechts licht gebakken wordt en dus half-rauw wordt gegeten. Het tartaartje kreeg zijn naam op grond van oude verhalen over Tataren die met lap­pen vlees onder hun zadel zouden hebben gereden, zodat ze mals werden en verder onbereid konden worden opgegeten.

[9] GÊNANT
‘Gênant’, zo noemde Trouw giste­ren filmpjes op internet over kin­deren die gepest worden. Ze zijn dus beschamend, die filmpjes. Net als gêne is gênant een Frans leen­woord. Dat is te zien aan het accent circonflexe (het ‘dakje’) op de e. Taalkundigen zijn het er echter niet over eens of dat accent wel no­dig is. Gênant wordt in het Neder­lands immers meestal niet op z’n Frans uitgesproken (als zjènant), maar op z’n Nederlands (als zju-nant). Maar blijkbaar spreken de makers van de Woordenlijst het woord nog wel op z’n Frans uit; vandaar de spelling gênant. De ver­wante woorden gegeneerd, ongege­neerd en zich generen zijn trouwens al zo vernederlandst, dat ze ook in de Woordenlijst geen accent heb­ben.
Uit etymologisch perspectief is gê­nant eveneens interessant. Het woord is rond 1850 courant gewor­den in onze taal, maar in het Frans bestaat het al veel langer. In die taal is gênant het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord ge­tier (hinderen), dat op zijn beurt is afgeleid van gêne (hinder, verlegen­heid). Oorspronkelijk betekende gene echter kwelling of marteling. Gêne is ontstaan onder invloed van een Frankisch woord voor ‘onder marteling bekennen’ én het chris­telijk Latijnse woord gehenna, dat ‘kwelling’ of’hel’ betekent. Bijbel­vaste christenen herkennen daarin misschien het Gehenna, een Bijbel­se naam voor de hel, afgeleid van de Hebreeuwse plaatsnaam gëhinnöm (het dal van Hinnom, nabij Jeruzalem). Volgens Jeremia 7:31 werden daar ooit kinderen ge­offerd aan de Moloch (een afgod). Dat was nog wel wat erger dan gênant.

[10] JOK
Waar komt om ’t jok ((om niet’, ‘zonder inzet’) spelen vandaan? Voor jok heeft het Latijnse iocus (o.m. ‘scherts’) model gestaan. Het woord werd vroeger in allerlei uit­drukkingen gebruikt, zoals in jok (‘in scherts’), alle jok op een stokt (al­le gekheid op een stokje’) en om ’t jok (‘voor de grap’ of, toegepast op een spel, ‘niet om winst’) .Jokken, dat in de Middeleeuwen doorgaans ‘schertsen’ betekende, is van de­zelfde oorsprong. Een eeuw gele­den constateerden woordhistorici dat varianten van dit jok nog te vinden waren in het dialect van Oud-Beijerland en in de Zaanstreek, waar geknikkerd kon worden ‘uit (de) juks’ (‘om niet’) of ‘uit den waars’ (‘met een inzet’).

[11]  BLIJKBAAR/SCHIJNBAAR
Afgelopen zaterdag stond in de krant ‘dat de AIVD en Plasterk schijnbaar niet op de hoogte waren dat Nederland zelf de 1,8 miljoen gegevens aan de Amerikanen had gegeven’. Die formulering is intri­gerend, want is ‘schijnbaar’ hier niet suggestief? En zou ‘blijkbaar’ niet beter zijn geweest? Blijkbaar en schijnbaar drukken ver­schillende houdingen van de schrij­ver uit ten opzichte van het ge-schrevene. Een ‘blijkbaar noncha­lante persoon’ is iemand die er blijk van geeft nonchalant te zijn, terwijl een ‘schijnbaar nonchalante persoon’ iemand is die slechts in schijn nonchalant is (maar in wer­kelijkheid niet). Zou schijnbaar in de aangehaalde zin ‘in schijn’ (oftewel ogenschijn­lijk) betekenen, dan zou de formu­lering suggestief zijn. Maar schijn­baar fungeert hier als bijwoordelij­ke bepaling en in die functie kan het woord niet alleen
‘ogenschijn­lijk’ betekenen, maar ook ‘naar het schijnt’ oftewel ‘klaarblijkelijk’, ‘kennelijk’ en… ‘blijkbaar’. Bij de interpretatie van schijnbaar is de plaatsing in de zin vaak essen­tieel. Zo betekent schijnbaar in ‘Hij komt niet, want schijnbaar is hij ziek’ zonder twijfel ‘klaarblijke­lijk’.
Maar in ‘Hij komt niet, want hij is schijnbaar ziek’ kan schijnbaar ‘klaarblijkelijk’ betekenen, maar ook ‘ogenschijnlijk’. Wie elk misverstand wil uitsluiten, vervangt in zo’n zin het meerduidi­ge woord schijnbaar door een een­duidiger synoniem ah kennelijk of blijkbaar. Ook de zin over de AIVD en Plasterk zou aan eenduidigheid hebben gewonnen als niet schijn­baar, maar bijvoorbeeld kennelijk was gebruikt.

[12] PALLET/PALET
Op internet tref je geregeld combi­naties aan als ‘een pallet aan maat­regelen’ en ‘een pallet aan emo­ties’. In plaats van pallet (laadbord) is in deze contexten palet (‘schake­ring’ oftewel ‘scala’) bedoeld. Pallet en palet worden wel vaker door el­kaar gehaald, want elders lees je dat een transporteur ‘kartonnen dozen op een palet’ stapelt. In zo’n geval is juist pallet de correcte spel­ling. Zelfs in kranten tref je deze verwisseling nu en dan aan. Zo schreef Trouw afgelopen zaterdag op de voorpagina dat het niet vreemd is dat de overheid zorgta-ken naar de gemeente overhevelt, omdat die ‘een pallet aan organisa­ties kan inschakelen’. Een misser natuurlijk, maar uit etymologisch perspectief is deze fout niet zo heel vreemd.

Pallet en palet zijn namelijk nauw verwante woorden. Palet (schil­dersplankje’, vervolgens ‘kleur­menging’ en vandaar figuurlijk ‘scala’) is een leenwoord uit het Frans. Al in de 15de eeuw heeft het Nederlands dit woord overgeno­men, aanvankelijk ter aanduiding van een hakbord of slaghout. Pallet (‘laad-‘ of’stapelbord’) daar-entegen is een Engels leenwoord, dat pas in de tweede helft van de 20ste eeuw in onze taal courant is geworden. Op hun beurt hebben de Engelsen pallet ontleend aan het Franse woord palet, waarvan de oerbetekenis niet veel anders is dan ‘vlak voorwerp’: een plaat of schijf.

Hoewel pallet en palet teruggaan op dezelfde taalvorm, hebben beide woorden een aparte ontwikkeling doorgemaakt, waardoor ze nu niet alleen verschillende betekenissen hebben, maar ook verschillend ge­speld moeten worden.

[13] MANKEREN
Is het ‘ik mankeer niets’ of ‘mij mankeert niets’
Die tweede formulering is in elk geval veruit de oudste. In de Mid­deleeuwen kon je heel wat meer werkwoorden op die manier ge­bruiken. In plaats van ik droom en ik gruw bijvoorbeeld zei en schreef men mi dromet en mi gruwet. De ik­figuur van het Egidiuslied zegt niet ‘ik verlang naar je, mijn kameraad’ maar ‘mi lanct na di, gheselle mijn’. Dromen, gruwen, (verlangen en an­dere werkwoorden) hebben de mogelijkheid van die constructie ver­loren. Dat zou ook met mankeren kunnen gebeuren. ‘Van Dale he­dendaags Nederlands’ etiketteert ik mankeer niets nog als spreektaal, maar ‘Koenen’ ziet kennelijk geen verschil met mij mankeert niets.

[14] OMWAAIEN
betekent vooral ‘door de wind omvallen’; vandaar ‘omwaai­ende bomen’. Zulke bomen kunnen omgewaaid zijn voordat ze de grond hebben bereikt. Vandaar ook dat de voor­zitter van de Maatschappij der Ne­derlandse Letterkunde in 2007 in een jaarrede kon zeggen dat Wil­lem Kieft, gouverneur van wat New York zou worden, zou zijn ‘verplet­terd door een omgevallen molen’.

[15] MAIL
Mail is een van de vele Engelse woorden die in de Middeleeuwen ontleend zijn aan het Frans, in dit geval aan malle ‘tas’ (nu vooral Frans voor ‘reis-, hutkoffer’). Ook een Engelse mail was aanvankelijk een tas of zak; pas in de zeventien­de eeuw werd het een zak voor het vervoer van brieven en nog weer later kwam het woord in gebruik voor de brieven zelf. De middeleeuwse Fransen hadden malle overigens niet zelfbedacht. Ze ontleenden het op hun beurt aan een van de Frankische (West-Germaanse) talen. De samenstel­lers van het Oudnederlandse Woor­denboek houden het er zelfs op dat die taal het Nederlands is geweest. Een buidel, zak of reistas noemden ‘onze verre voorouders mala. Dat is in de loop der eeuwen afgesleten tot male en vervolgens tot maal. Zo’n maal kon een tas of zak in het algemeen zijn, maar ook een her­derstas, een knap- of bedelaarszak, een ransel – of een brievenzak. In de laatste betekenis is ook brieven­maal gangbaar geweest, dat zowel naar de zak als de brieven in kwestie kon verwijzen.
In de roman ‘De opstandigen’ van Jo van Ammers-Küller, verschenen in 1925, komt brievenmaal nog voor als synoniem van postbestelling): ‘Met één brie­venmaal per dag zijn wij (…) altijd tevreden geweest’. Dit maal mogen we dan in het mo­derne Nederlands kwijt zijn ge­raakt, we hebben er in de vorm van (e-)mail, dankzij het Frans en het Engels, een nauwe verwant voor teruggekregen.

[16] HERBERG ONHERBERGZAAM
Het element herberg in onherberg­zaam  combineert een woord voor ‘leger’ (dat nog voor­komt als heer, lange tijd gespeld als heir, en in
her-tog ‘legerleider’) met berg als in het werkwoord bergen ‘in veiligheid brengen’, ‘opbergen’. Heel lang geleden was een herberg dan ook een onderkomen voor een menigte of een leger. Later werd het een nachtverblijf voor vreem­den en vervolgens een eet- en drinkgelegenheid. Geen wonder dat herbergzaam een synoniem werd van gastvrij (‘zijt herberghsaem tegen malkande­ren’- Statenbijbel). De oudste bete­kenis van onherbergzaam is dan ook ‘niet gastvrij’; zo dichtte Bilderdijk over “t onherbergzaam dak van d’ongastvrije koning’. Toegepast op plaatsen is het vooral in zwang ge­komen voor ‘woest, ruig, ontoegan­kelijk’.
Ook in andere talen leeft het oude herberg voort. In het Engels is het harbour geworden, ooit als here-beorg eveneens ‘onderkomen voor een menigte of een leger’ en sinds de zestiende eeuw ‘onderkomen voor schepen, haven’. Franse ver­wanten, ontleend aan een Ger­maanse taal, zijn auberge ‘herberg’ en héberger ‘herbergen’.
 Bergachtig gebied is vaak onher­bergzaam (‘ruig en moeilijk toe­gankelijk’), maar dat hoeft natuur­lijk niet. Het idee dat de twee woorden berg dezelfde oorsprong hebben, is een misvatting. Berg (mountain) gaat terug op een oeroud woord voor ‘groot, hoog’.

[17] BRIEF
Het Engelse en het Nederlandse brief  gaan terug op het Latijnse brevis (‘kort’), dat in ettelijke talen zijn sporen heeft nagelaten. Andere voorbeelden zijn ons brevet (‘ge­tuigschrift’) en brevier (oorspronke­lijk ‘verkort getijdenboek’) en het Engelse abbreviate (‘bekorten’) en brevity (‘beknoptheid’). Het Engelse brief is niet alleen een bijvoeglijk naamwoord (I’ll be brief. ik zal het kort houden), maar ook een zelfstandig naamwoord (o.a: ‘samenvatting, instructie voor een advocaat’) en een werkwoord (‘in­strueren, inlichten’, vandaar ons briefen).
Ook in betekenis zijn die woorden verwant aan het Nederlandse brief. Dat zit zo: in het middeleeuwse La­tijn werd het van brevis (‘kort’) afge­leide breve gebruikt voor ‘brief’ of ‘samenvatting’. Hieraan moet zo­wel het Engels als het Nederlands de diverse betekenissen van brief hebben ontleend. Diverse, want ons brief kon in de Middeleeuwen naar verschillende geschriften en documenten verwijzen: ook naar een opschrift, een boekje en een akte of bewijsstuk. Nog in de ze­ventiende eeuw was de nu gangba­re betekenis lang niet de enige. Daarom werd wat nu een brief heet, vaak een zendbrief genoemd. Verdwenen zijn de vroegere toepas­singen van brief nog niet. Je vindt ze bijvoorbeeld terug in een briefje (‘bewijs, attest’) van de dokter, een briefje van duizend, de oudste brieven hebben (nu gebruikt in de figuurlij­ke zin van de oudste rechten kun­nen doen gelden), adelbrieven (‘ze­kere oorkonden’) en geloofsbrieven (‘over te leggen bewijsstukken’).

[18] ALS……….ZIJNDE
‘Als Nederlander zijnde hoop je na­tuurlijk dat Oranje de finale haalt’ – in de spreektaal is zo’n zin doodgewoon, maar in de krant tref je zulke formuleringen niet vaak aan. Niet vanwege de inhoud, maar vanwege ‘als… zijnde’. Die constructie wordt al decennia­lang aangemerkt als een klassieke taalfout, als contaminatie van ‘als Nederlander/vrouw/voetballer’ en ‘Nederlander/vrouw/voetballer zijn­de’. Die laatste constructie is ar­chaïsch – ouderwets dus – en het enige echte alternatief voor ‘als… zijnde’ is dan ook ‘als …’: ‘Als Nederlander hoop je dat Oranje de fi­nale haalt.’

[19] GELAUWERD
Gelouwerd is een vaak gemaakte spelfout (cor­rect is: gelauwerd), die bovendien niet op zichzelf staat. Zo schreef Trouw vorige week donderdag over de Belgische broers Dardenne, een filmmakersduo, dat ze ‘niet op hun louweren’ rusten. De correcte uitdrukking luidt op zijn lauweren rusten. Lauweren is het meervoud van lauwer, een sy­noniem van laurier. Een oud syno­niem, want laurier hebben we rond 1500 via het Frans uit het Latijn overgenomen, maar lauwer is al in de dertiende eeuw direct ontleend aan het Latijnse laurus (laurier). Gelauwerd en op zijn lauweren rusten verwijzen naar de oude ge­woonte iemand die gezegevierd heeft een lauwerkrans op het hoofd te zetten. Zo bekroonden de oude Grieken, die de lauriertak beschouwden als symbool van de Olympische god Apollo, winnaars van de Olympische Spelen met kransen van laurierbladeren. De Romeinen namen dit gebruik over en bekroonden hun succesvol­le veldheren met lauwerkransen.
Nadien bleef de lauwerkrans in de Europese geschiedenis de traditionele beloning voor mensen die zich verdienstelijk hadden gemaakt, ( onder andere op literair vlak, en die daarom laureaten werden ge­noemd. De lauwerkrans zelf werd intussen vaak vervangen door een ornament of ander voorwerp dat zo’n krans voorstelt. Het verband met laurierbladeren raakte zo enigszins op de achtergrond. Op­vallend is wel dat lauwerkrans, in tegenstelling tot gelauwerd en op zijn lauweren rusten, toch eigen­lijk nooit fout gespeld wordt.

[20] NACHTMERRIE
Een oudere vorm van het woord is nachtmare, een combina­tie van nacht en mare in de beteke­nis ‘nachtspook’. Zo’n spook zou slapende mensen zo kwellen dat ze het gevoel hadden te stikken. Later ging de betekenis over op de kwel­ling zelf. Toen mare niet meer be­grepen werd, kwam merrie ervoor in de plaats. Een kwestie van volks­etymologie: de vervanging van een onbegrepen woord door een dat wel gesnapt wordt. Daaraan danken we bijvoorbeeld ook hangmat (Spaans hamaca) en hondsdraf
(Mid­delnederlands gonderave of onder-have ‘onkruid’). In het Engelse nightmare is het oude mare be­waard gebleven, al zie en hoor je dat er niet aan af. Het Engelse mare met de betekenis ‘merrie’ is er im­mers mee samengevallen.

[21] BEROERTE
Etymologen leggen verband met beroerd in de vroegere betekenis ‘aangeraakt’ in de zin van ‘door de hand Gods met een plotseling ( optredende, heftige aandoening opgezadeld’. Dat kon een emotie zijn maar ook een herseninfarct.

[22] INLOPEN
Ze waren het bos ingelopen. 
Zo geschreven wekt de zin de in­druk dat het werkwoord in kwestie inlopen is. Welnu, schoenen kun je inlopen, een achterstand ook, maar een bos niet. In hoort hier bij het bos, niet bij lo­pen, en daarom mag je het niet aan dat werkwoord vastklinken: voor­dat ze doornat het huis in liepen, wa­ren ze in de stromende regen het bos in gelopen.
Los schrijven we in (van erin) en ge­lopen of getrapt ook in een zin als de val was heel slim opgezet en ze is er dan ook in gelopen / getrapt. Inge­trapt worden bijvoorbeeld een deur en kruimels op een vloerkleed, een val niet.
‘Kijk eens of er misschien fouten inzitten’. Ook in dit geval is het nuttig je af te vra­gen waar in deel van uitmaakt: van er of van zitten. Wanneer je de geci­teerde bijzin herformuleert (‘om­dat in de tekst misschien fouten zitten’) zal meteen duidelijk zijn dat in niet bij zitten hoort en dat in­zitten hier dus minder correct is.
Goed geschreven is het wel in een uitdrukking als ermee of erover inzit­ten: hij heeft er nooit over ingezeten of zijn zoon zou slagen. Vergelijk ook: Hoewel Piet het deksel er verkeerd op gedraaid had, is Jan er­voor opgedraaid.

[23] KOPTISCH
Koptisch gaat terug op het Koptische woord gypt(e)ios, dat ontleend is aan het Griekse woord Aiguptios (Egypte­naar), een afleiding van Aiguptos, de naam van Egypte. Dat land zelf is op zijn beurt vernoemd naar de oude hoofdstad, Memphis, die in het oude Egyptisch ha-ka-ptah heette.
Behalve een godsdienst is Koptisch ook een taalnaam. Het verwijst naar de taal die tussen circa 250 en 1500 gesproken werd in Egyp­te.
In onze woordgeschiedenis speelt die taal geen rol van betekenis. Er is één uitzondering. Zonder het Koptisch zouden wij nu geen an­dijvie eten, of die groente in elk geval niet zo noemen. Andijvie gaat namelijk via het Latijn en Grieks terug op het Koptische woord voor januari. In Egypte was dat de oogstmaand voor andijvie.

[24] KERSVERS
de oudste vorm moet kars(ch) ende vars(ch) ge­weest zijn. Var(sch) was ons vers en kars(sch) een nu verdwenen woord voor ‘fris, gezond, levenskrachtig’. Bij Bredero kon iets dat twintig jaar oud was, nog kars enne vars zijn. Hieruit ontstond de samen­stelling kars(ch)vars of‘kars(ch)vers, toegepast niet alleen op etenswa­ren, maar ook op gedrag en ideeën, zoals in uwe karsvarsche (zeer recen­te) naauwgezetheid (Wolff en Deken, 18de eeuw). Toen kars(ch) in de oor­spronkelijke betekenis teloor was gegaan, werd het aangezien voor kers (de plant, zoals in waterkers, en/of de vrucht), dat vaak als kars uitgesproken en geschreven werd.

[25] DUH
Het moet in deze eeuw uit het En­gels zijn overgenomen. Je spreekt het uit als dù of dù-ù . Vaak gaat ja eraan vooraf: ja, duh. Van Dale hedendaags Neder­land uit 2008 kent alleen de spelling duh (elders kom je ook dûh tegen: en geeft als betekenis ‘minachtend commentaar als ie­mand iets zegt wat voor de hand ligt’. Een goed voorbeeld bevatte een recente tweet: “Geloofsafval. resulteert in ‘kerkverlating’- Duh. Het is hier min of meer synoniem met nogal wiedes, maar drukt ver­moedelijk wat sterker (gespeelde) twijfel aan andermans geestelijke vermogens uit.
Overigens wordt duh niet alleen uitgelokt door wie open deuren intrappen. Voor sommigen is het ook een passende sarcastische re­actie op andere dom geachte be­weringen.
In het Engelse taalgebied was duh aanvankelijk een equivalent van ons eh, dat aarzeling uitdrukt. In de jaren tachtig lijkt het in Ameri­ka de nieuwe betekenis te hebben gekregen. De internationale ver­spreiding dankt het misschien aan de animatieserie ‘The Simpsons”, waarin volgens kenners heel wat afgeduh-d wordt. Een vergelijkbare, maar nog niet geïmporteerde vorm van ietwat primitief taalgebruik is het Engel­se doh niet in de betekenis van ‘grondtoon van de toonladder”. Sommigen luchten er hun gefrus­treerd gemoed mee wanneer het dagelijks leven niet naar wens ver­loopt of ze iets doms gedaan of gezegd hebben.

[26] POEDELPRIJS
Heeft het woord poedelprijs (‘beloninkje voor wie in een wed­strijd als laatste eindigt’) iets met poedel (‘hond’) te maken?
Vermoedelijk niet, luidt het oor­deel van woordhistorici. De poedel in kwestie is een misser, een mis­lukt schot of dito worp; vandaar dat een kegelclub in het Zuid-Lim­burgse Genhout zich De poedelha­ters noemt. Het woord komt moge­lijk van poedelen in de zin van ‘knoeien, morsen’ en dat lijkt een andere voorgeschiedenis te hebben dan poedelen in de betekenis ‘water heen en weer bewegen, spetteren’. De voorouders van alle poedelwoorden moeten we in het Duitse taalgebied zoeken, waaruit dus ook de hondennaam afkomstig is. De Pudel/poedel heet zo omdat hij, af­gericht voor de jacht op watervo­gels, graag spetterend te werk ging oftewel pudelte/poedelde.

[27] OPENHEID VAN ZAKEN
Kun je ‘openheid van zaken geven’? Die formulering kom je herhaalde­lijk tegen. Zo riep Oxfam Novib vo­rige maand een voedselfabrikant ertoe op ‘openheid van zaken’ te geven over de herkomst van zijn grondstoffen. Kennelijk is niet al­leen bij deze organisatie onbekend dat de vaste uitdrukking al sinds de zeventiende eeuw opening van zaken (onthulling van de ware stand van zaken) is.

[28] LANGE TENEN
Wie lange tenen heeft, is snel bele­digd en wie op iemands tenen gaat staan, is daar de veroorzaker van. Wie zijn moedertaal beheerst, kent dat idioom. Lange tenen hebben en op iemands tenen gaan staan zijn dan ook als courante uitdrukkin­gen opgenomen in het woorden­boek.
Dat geldt niet voor varianten als ge­voelige tenen hebben en op gevoelige te­nen gaan staan, zoals die soms in de krant te vinden zijn. Zo schreef Trouw afgelopen woensdag over een Poolse regisseur die met een film ‘in zijn vaderland Polen op gevoelige tenen’ trapt. Eerder ‘stamp­voette’ al eens iemand ‘op
gevoeli­ge tenen’ en was er sprake van de ‘lange gevoelige tenen’ van Poetin. Uit de contexten kan de betekenis worden afgeleid: gevoelige tenen heb­ben is een variant op lange tenen heb­ben en op gevoelige tenen trappen bete­kent ‘iemand die gauw beledigd is irriteren of kwetsen’. Maar zijn die uitdrukkingen nieuw of ontbreken ze ten onrechte in de woordenboe­ken.
Het laatste is het geval. Informatie uit de krantendatabase Delpher van de Koninklijke Bibliotheek (www.delpher.nl) geeft een aardig inzicht in de populariteitsgeschiedenis van woorden en uitdrukkin­gen. Hieruit blijkt dat de uitdruk­kingen met ‘gevoelige tenen’ kort na de Tweede Wereldoorlog cou­rant zijn geworden. Maar de oudste vindplaats in Delpher dateert van voor de oorlog. In 1935 schreef het socialistische weekblad De Tribune over het Franse protest tegen de Duitse herbewapening. Het blad dacht dat de Engelsen dat wel zou­den steunen, maar vreesde ook dat ze ‘Hitler’s gevoelige tenen wil(den) ontzien…’.

[29] OUD(ERE)
Doorgaans geven de zogeheten trappen van vergelijking een opklimmende reeks aan: oud (stellende trap of positief) – ouder ‘ (vergelijkende trap of comparatief) – oudst (overtreffende trap of super­latief). Maar een oudere man in de zin van ‘een man op enigszins ge­vorderde leeftijd’ neemt een aparte positie in. In een geval als dit berust oudere niet op een expliciete vergelijking, maar is -ere eerder een graadaanduiding (‘min of meer’). Onder taalkundigen is hiervoor de term absolute of onechte vergrotende trap in omloop. Het gebruik ervan beperkt zich niet tot ouder(e), getuige uitdruk­kingen als een hogere (boven ons ge­stelde) macht, de lagere inkomens, de mindere man en de rijpere jeugd. Het Duits kan hier het Nederlands als voorbeeld hebben gediend, met constructies als seit längerer Zeit (sinds vrij lange tijd) en ein grösserer Betrag (een tamelijk groot be­drag).
Sommige van de Nederlandse vormen worden overigens wel opgevat als een verkapte superlatief. Met hogere standen bijvoorbeeld zijn dan de hoogste bedoeld. Zo ook zal Trouw zich met de slagzin ‘de betere krant’ niet als ‘een min of meer goede krant’ hebben willen kenschetsen, maar minstens als ‘een van de beste’.

[30] OVERNIEUW
‘Overnieuw’, gehekeld als verhaspeling, hoeft niet fout te zijn.
Overnieuw kan een contaminatie zijn van ‘over’ en ‘opnieuw’.
Onze Taal heeft al eens uitgelegd dat een vraag als ‘mag ik even overnieuw beginnen?’ niet precies hetzelfde hoeft te betekenen als ‘mag ik even opnieuw beginnen’? Het gebruik van overnieuw kan in­houden dat de spreker het de
tweede keer anders wil doen. En toen de rechtsgeleerde C. van Vollenho­ven in 1920 schreef dat ‘het Haagsche werk’ (conferenties over vrede en ontwapening) ‘overnieuw dient te worden gedaan’, bedoelde hij méér dan dat het overgedaan in de zin van ‘herhaald’ moest worden: het moest ‘totaal anders’ worden ‘aangevat’.

[31] LEENWOORDEN
Menigeen ergert zich aan het overbodig gebruik van bui­tenlandse woorden of leenwoorden in het Nederlands en sommigen willen deze woorden zelfs zo veel mogelijk uit­bannen. Het gebruik van vooral Engelse woorden als er een goed, of soms zelfs beter, Nederlands woord voor de hand ligt, is vaak ergerlijk; we denken hierbij aan woorden als award in plaats van prijs, company voor bedrijf, plane voor vliegtuig en security voor beveiliging. Vooral volledig vreemd­talige reclame-uitingen als Let’s make things better stuiten veel taalliefhebbers tegen de borst.
Maar het overnemen van leenwoorden is een verschijnsel dat zich in iedere taal voordoet. Het Nederlands kent vele leenwoorden die inmiddels algemeen zijn geaccepteerd en die soms niet meer als leenwoord worden herkend: uit het Latijn (zolder, kelder), het Grieks (telefoon, catastrofe), het Arabisch (algebra, koffie), het Frans (kathedraal, portemon­nee), het Italiaans (spaghetti, allegro) en het Engels (baby, computer). Sommige leenwoorden zijn niet te vertalen: Weltschmerz, brainstormen, timing. Andere zijn korter: drugs, tutoyeren, lobbyen.
Soms heeft het Nederlandse woord een andere gevoels­waarde:

happening – gebeurtenis                              transpireren – zweten

finishing touch – de laatste hand                souffleren – voorzeggen

Het Engels lijkt een sterke invloed te hebben op het Neder­lands, maar ontwikkelingen in de taal rond voetbal en computer tonen aan dat Nederlandse woorden soms in staat zijn om hun vreemdtalige equivalenten te verdrin­gen: vrije schop (free kick), hoekschop (corner), strafschop (pe­nalty), buitenspel (offside), tekstverwerker (word processor), uit­draai (print), beeldscherm (display).

[32] KISSEBISSEN
Kissebissen en bakkeleien zijn twee van de vele woorden in onze taal die verwijzen naar kibbelen of­tewel onenigheid hebben over on­beduidende zaken. Andere woor­den met dezelfde betekenis zijn bij­voorbeeld hakketakken, harrewarren en hassebassen.
Hakketakken, harrewarren, hasse­bassen en kissebissen lijken uiterlijk behoorlijk veel op elkaar, maar zijn – vaak in een ver verleden – toch op verschillende manieren ontstaan. Zo hebben we hakketak­ken eraan te danken dat hakken (kri­tiek leveren op iemand) werd geas­socieerd met het nu verouderde werkwoord hakketeren (kibbelen). Hassebassen en harrewarren daaren­tegen zijn door toevoeging van een rijmend woorddeel (reduplicatie) gevormd van de oude werkwoor­den bassen (snauwen) en warren (onenigheid hebben). Over de her­komst van kissebissen willen etymo­logen nog weieens bakkeleien, maar een aannemelijke verklaring is dat kissebissen al in de 17de eeuw is samengesteld van de oude werkwoorden kissen (sissen) en bissen (zich druk maken).
Deze vier woorden hebben ge­meen dat ze in het Nederlands zijn gevormd. Daarin verschillen ze van bakkeleien. Dat leenwoord hebben we overgehouden aan ons kolonale verleden. Bakkeleien is – in de vorm bakkelaayen en in de beteke­nis vechten – namelijk al rond 1700 ontleend aan het Maleise woord berkelahi, dat ‘bezig zijn met vechten of twisten’ betekent.

[33] LOOMEN
Sinds begin mei (2014) heeft Nederland er een rage bij – loomen – en wordt de Nederlandse taal bijna dagelijks verrijkt met woorden die daarmee te maken hebben: loombord, loombandje, loomsieraad. Loomen (spreek uit als loemen) lijkt op het aloude punniken (koordjes vlechten), maar verschilt daarvan doordat het niet wordt gedaan met stukjes garen op een klosje, maar met elastiekjes op een loombord. Dat woord is ontleend aan loom board, een Engelse term voor weefbord.

De vervoeging van verse aan het Engels ontleende werkwoorden levert altijd weer problemen op. Zo schrijven kinderen op internet dat ze hebben ‘geloomed’. Ook al heeft loomen in het Nederlands een Engels aandoende uitspraak, het werkwoord wordt vervoegd volgens Nederlandse regels: jij loomt, zij loomde, wij hebben geloomd.
Het loomen resulteert vaak in loombandjes. Een paar weken geleden waren die armbandjes slechts po­pulair bij kinderen, maar inmid­dels is Louis van Gaal met een WK-loombandje gesignaleerd. Geen wonder, ook ouderen schijnen het loomen te hebben ontdekt. In het Nederlands krijgt de naam loombandje de laatste weken wel wat concurrentie. Steeds vaker worden de armbandjes band it-bandjes genoemd, dat dankzij alliteratie misschien wat beter in het gehoor ligt. Dat woord berust op een merknaam: Band-it! Gelukkig is loomen een rage en dus van vluchtige aard. Dat geldt ook voor de bijbehorende woor­den. Hoewel, sommige, zoals loomen en loombandje, zullen wel­licht beklijven.

[34] VRIJSTER
In de loop der eeuwen heeft vrijster diverse betekenissen ontwikkeld, waaronder ‘ongetrouwde jonge vrouw’. Zo iemand kon ook een jon­ge vrijster heten. Tegen deze achter­grond is begrijpelijk dat daarnaast, minstens al in de achttiende eeuw, oude vrijster in omloop kwam. Voor velen lijdt deze combinatie vermoedelijk aan innerlijke tegen­spraak. Met vrijen, waarvan het woord uiteraard is afgeleid, wordt nu immers vooral een bezigheid bedoeld waarnaar vroegere genera­ties alleen verwezen met zogehe­ten moeilijke woorden als copuleren en coïre of met schuttingtaal. Zo ver gingen onze voorouders niet, in taalkundig opzicht. Voor hen was vrijen onder andere ‘het hof maken’, ‘liefhebben’ (‘Adam vrijde Eva’), ‘minnekozen’ (‘kussen, strelen en knuffelen’) en ‘verkering hebben’.
In  Couperus’ ‘Eline Vere’, waarin Georges en Lili ‘in den sa­lon (…) met elkaar liggen te vrijen’ is dit in bovenstaande betekenis bedoeld. Oorspronkelijk, in het Germaans, moet vrijen van seksuele connota­ties verstoken zijn geweest, ‘lief­hebben’, in algemene zin, was de betekenis. Het tegenwoordig deel­woord van het werkwoord is ons vriend geworden.

[35] UITBRANDER
Is afgeleid van uitbranden ‘de mantel uitvegen’, dat regionaal nog in gebruik moet zijn. Verklaard als een figuurlijke toepassing van de betekenis ‘door middel van vuur ontdoen van ongerechtigheden, reinigen’. Iemand uitbranden kon je vanaf de achttiende eeuw. Uitbrander lijkt in de negentiende eeuw ontstaan; het oudste citaat is van Multatuli.

[36] TROPISCH
Er zijn heel wat manieren om te zeggen hoe warm het is. Het is broeierig, drukkend, zweterig, plakkerig, pufferig, pufheet, broei­end heet, gloeiend heet, benauwd, bloed- of bloedjeheet, schroeiend heet, smoorheet, snikheet, stikheet of zelfs stervensheet.
En als het kwik in de zomer een beetje op­loopt, vinden we het al snel ‘tro­pisch’. Dat woord is aan het begin van de negentiende eeuw via het Duits in onze taal terechtgekomen. Het gaat terug op het Latijn, waarin tropicus ‘met betrekking tot de zon­newende’ betekent. Het woord verwijst dus naar de keerkringen, de denkbeeldige cirkels aan het he­melgewelf waartussen de zon keert bij haar schijnbare beweging om de aarde. Aanvankelijk betekende tropisch niets meer of minder dan ‘als in de tropen’. Pas later ging dat woord ‘heel erg warm’ betekenen. Die betekenis berust dus eigenlijk op de vergelijking ‘zo heet als in de tropen’.
Ook mensen die nog nooit in de tropen zijn geweest, en het weer tussen de keerkringen dus niet uit eigen ervaring kunnen vergelijken met het weer in onze gematigde streken, deinzen er niet voor terug een warme zomerdag als ‘tropisch te typeren. Meteorologen hebben het pas over een tropische dag als de temperatuur boven de dertig graden uitkomt.

[37] GELACH/GELAG
Drinkgelag en ook drankgelag moe­ten  met een g worden gespeld. Beide woorden zijn samen­stellingen met gelag. Dat is vooral bekend dankzij de uitdrukking ‘het gelag betalen’, die nu niet vaak meer met drinkgelagen in verband wordt gebracht. Meestal wordt de­ze uitdrukking gebruikt in de
bete­kenis ‘de straf dragen voor wat an­deren hebben misdreven of voor wat men samen met anderen heeft misdaan’. Gelag verwijst letterlijk naar de (kosten van de) gezamenlij­ke consumpties van een of meer personen in een
horecagelegen­heid. Het is een woord dat in de 13de eeuw is afgeleid van het nu al lang verdwenen werkwoord gelig-gen (samenliggen) en betekende oorspronkelijk in het algemeen ‘wat bijeen is gelegd’ en in het bij­zonder ‘de kosten van een (ge­meenschappelijke) maaltijd of drinkpartij’. Geliggen kon figuurlijk ook ‘in een bepaalde toestand zijn betekenen. Daarvan is gelag afge­leid in een betekenis (toestand of lot) die we nog steeds aantreffen in een andere uitdrukking: ‘een hard gelag’ (‘een moeilijk te dragen lot’).

[38] STIEFMOEDER
Van oudsher kennen we ze als ‘stiefouders’: vaders en moeders in relatie tot een kind uit het vorige huwelijk van hun partner. Woor­den als stiefmoeder, stiefvader, stiefdochter en stiefkind zijn dan ook al stokoud.
Het zijn afleidingen met het voor­voegsel stief-, dat eigenlijk ‘zonder bloedverwantschap’ betekent. Stief-wordt – soms in de variant stiep – al in de dertiende eeuw aangetroffen in onze taal en is verwant met het Engelse voorvoegsel step-, zoals in stepfather en stepmother, en het Zweedse voorvoegsel styv-, zoals in styvdotter en styvsyster. De woorden stiefvader en vooral stiefmoeder hebben naast hun neu­trale ook een uitgesproken negatie­ve betekenis gekregen. Behalve ‘tweede moeder’ betekent stief­moeder ook ‘liefdeloze moeder’. De ‘boze stiefmoeder’ is een bekend motief in sprookjes als Assepoester en Sneeuwwitje. Maar de vlek op haar imago heeft de stiefmoeder niet meegekregen van sprookjes­schrijvers als Charles Perrault en de gebroeders Grimm. Al veel eer­der had de stiefmoeder een slechte reputatie. Zo moet rond 1600 de ‘boze stiefmoeder’ een gangbaar begrip zijn geweest, want in 1604 schreef Carel van Mander in zijn ‘Schilderboeck’ over motieven uit de klassieke mythologie in termen van een ‘boose’ respectievelijk een ‘quade stiefmoeder’. Door dat negatieve imago van de woorden stiefmoeder (en -vader) gaan stiefouders en -kinderen nog­al eens op zoek naar een alternatie­ve benaming, zoals bonusmoeder, bonusvader en plusmama en plus­papa. Vooral die laatste twee begin­nen concurrenten te worden van stiefmoeder en -vader.

[39] DEEMOED/OOTMOED
Worden woorden als ‘ootmoedig’ en ‘deemoedig’ nog wel gebruikt buiten de kerk en wie kent nog het onder­scheid tussen ootmoed en deemoed? In oorsprong is er zeker verschil tussen de twee, nu voor menigeen beide synoniem met nederigheid, onderworpenheid. Ootmoed koppelt het verdwenen woord ode ‘gemakkelijk, licht’ aan moed ‘gezindheid’. Het verwijst al eeuwen naar een ‘gemakkelijke, d.i. niet stugge of stuursche, dee­moedige gezindheid van iemand te­genover anderen die boven hem verheven zijn’, zegt ons grootste woordenboek. In deemoed, dat aan het Duits ontleend is, behoort dee tot de familie van dienen. Is er ook verschil in betekenis nu? J.V. Hendriks meende in 1922 in zijn handwoordenboek van syno­niemen nog van wel. Deemoedig as­socieerde hij met schuld; ootmoedig met onderworpenheid, vandaar dat dit ‘vooral gebruikt wordt met be­trekking tot het gevoel van onder­worpenheid voor God’.

[40] STEIL/STIJL
Het spellingverschil tussen steil en stijl is niet gebaseerd op de uit­spraak, maar op de verschillende herkomst van deze woorden. Stijl (paal, schrijfwijze, richting in de 
kunst e.d.) gaat terug op het Latijnse woord stilus, terwijl steil is afgeleid van een oud woord voor stoep, stegel, dat op zijn beurt teruggaat op stijgen. Het element ege werd ei en zo werd stegel steil. Iets vergelijkbaars zien we bij peil (afgeleid van pegel) en dweil (afgeleid van dwegel). Die kennis helpt echter niet veel bij het spellen. Wie steil en stijl correct wil schrijven, kan dan ook  het best onthouden dat het sub­stantief met een lange ij en het adjectief met een korte ij moet worden geschreven.

[41] VERSTOKT/VERSTOKEN
 ‘Verstoken’ komt slechts in één combinatie voor: ‘verstoken (blij­ven, zijn) van…’. Iemand die versto­ken is van aardgas, heeft dat niet verstookt, maar moet het simpelweg zonder gas stellen. ‘Verstoken van…’ betekent namelijk in essen­tie ‘zonder’.
De verwarring van ‘verstoken van met het werkwoord ‘verstoken’ en het bijvoeglijk naamwoord ‘ver­stokt’ (als in ‘een verstokte roker’ komt door de onbekende herkomst van ‘verstoken van’. Dat is van oorsprong een vervoeging van het incourante werkwoord ‘versteken’, dat vroeger de betekenis beroven, ontnemen had. Je ziet het helaas vaker: als de etymologische verankering van een woord niet meer duidelijk is, worden er steeds meer fouten mee gemaakt.

[42] BREIDEL|
persbreidel: het beperken van de persvrijheid. Dat woord, persbreidel, is in de jaren twintig van de twintigste eeuw cou­rant geworden. Destijds werd het gebruikt in verband met de beper­king van de persvrijheid in Nederlands-Indië. Daar voerde de overheid in 1931 zelfs een ‘persbreidel-ordonnantie’ in.
Persbreidel is samengesteld op ba­sis van de woordcombinatie ‘de pers breidelen’, die al veel ouder is. Hierin betekent breidelen niet let­terlijk ‘rij- of lastdieren voorzien van een breidel (een combinatie van teugel, bit en leidsel)’, maar
fi­guurlijk ‘in zijn vrije uiting of loop beperken’ oftewel ‘bedwingen’. Net als de verwante woorden (in)tomen en beteugelen wordt breidelen ook nu vrijwel alleen nog maar fi­guurlijk gebruikt. Breidelen is afgeleid van breidel, dat uit de dertiende eeuw dateert en verwant is met het werkwoord breien. Vroege breidels of toompjes waren kennelijk vlechtwerkjes. Breidelen ligt ten grondslag aan twee bijvoeglijke naamwoorden die nu gewoner zijn dan dit werkwoord zelf: breidelloos en ongebreideld. Met beide woorden wordt ook allang niet meer verwezen naar een rij- of lastdier dat zonder toom loopt. Deze woorden worden net als  tomeloos  en onbeteugeld figuurlijk gebruikt in de betekenis ‘onbedwingbaar’ en soms ‘onbeperkt’. 

[43] BLUNDEREN
Blunderen gaat volgens etymologiewoordenboeken via het Engelse woord blunder terug op het Oud-noorse woord blunda, dat verwant is met ons woord blind en ‘de ogen sluiten’ betekent. Wie blundert, had zijn ogen dus in zijn zak.

[44] KNAPEN, VLEGELS EN BENGELS
De lezer zal wel niet vermoeden, dat al die woorden in verband staan met afranselen. De middeleeuwse knaap werd opgevoed met stokslagen. Het woord „knaap” komt van het Germaanse knab=stok, knup­pel. Maar in de Middeleeuwen was de knaap „ouder” dan nu, het betekende ook jongeling, jonge man. We vinden dit bij edelknaap, schildknaap, een adellijke jongeling in dienst van een ridder. Hij moest het zware schild dragen als zijn heer ten oorlog trok of naar een toernooi ging. En werd zijn heer gewond of gedood, dan moest de schildknaap zorgen dat de gewonde heer of zijn lijk weer thuis kwam. Was de ridder in een toernooi overwonnen, dan moest de schildknaap met de overwinnaar onderhandelen over het inleveren van paard, wapens en harnas of onderhandelen over een losprijs om één en ander terug te kopen. Dat was geen jongenswerk en men ziet wel dat de schildknaap een jonge man was. Wie zich interes­seert over de toernooien en de „vaktermen”, vindt dit in „Jvanhoe” van Walter Scott uitvoerig beschre­ven.

Het Duits kent het woord „Knappe”. Dat waren mijn­werkers welke in het gesteente gangen hieuwen op zoek – In de eerste plaats – naar zilveraders. Daar in Nederland geen erts in het gesteente voorkomt, hebben wij geen woord voor „Knappe”.
Een merkwaardige instelling aan de vele Duitse vorstenhoven was de „Prügelknabe”. Hij was de zoon van een lijfeigene of slavin en hij genoot de twijfel­achtige eer de tuchtiging in ontvangst te nemen die het zoontje van de vorst verdiende. Hij was altijd te­zamen met het prinsje. Had het prinsje kattekwaad uitgehaald, dan kon men de prinselijke billen geen stokslagen geven. Dan moest de Prügelknabe de blote billen presenteren en de stokslagen incasseren. Aan het „rechtsgevoel” was voldaan, het kattekwaad was bestraft.
Merkwaardigerwijze is er geen vrouwelijk pendant. Blijkbaar moesten stoute prinsesjes zelf de straf in ontvangst nemen. Hierop wijst het feit, dat in het Engeland van de 18e en 19e eeuw zowel burgerlijke als
hoog-adellijke jongens en meisjes met de karwats op de blote billen kregen. Er waren zelfs speciale bank­jes in de handel om de schuldige daarop vast te bin­den. Ook op de Engelse kostscholen werd de roede vaak gehanteerd. Dan is er nog de schandknaap. In de Statenvertaling van de bijbel vinden we, dat met deze knapen in de tempel ontucht werd bedreven. Zie 2 Kon. 23 „Daartoe brak hij de huizen der
schand-jongens af die aan het huis des Heeren waren”. Deut. 23:17 „er zullen geen schandjongens zijn onder de zonen van Israël”. En 1 Kon. 14:24 „er waren ook schandjongens in het land”. De Statenvertalers
be­keken de ontucht met jongens door de 1 7e eeuwse bril en kwamen zo tot het woord schandjongens. Maar eigenlijk waren het „gewijden in dienst van de godheid van Kanaan”.
Ook bengel betekent stok, knuppel. Dit leeft nog in het Engels: bangle = stok om te tuchtigen en to bang = afrossen, afranselen.
De jongens hadden hun vlegel­jaren en waren vlegels. En vlegel komt van het Latijn: flaggellum is gesel, zweep. De Germanen namen dit over als „flegil”. Later ging dit dorsvlegel beteke­nen, waarbij de graankorrels uit de aren werden ge­slagen. Nu heet dorsen in het Duits „dreschen”. Hier­van komt het woord „ausdreschen” voor afranselen. We vinden dit bij Hans Sachs (1494-1576), de be­langrijkste Duitse dichter van de 16e eeuw, in zijn stuk „der fahrend Schuler mit dem Teufelbannen”. De pastoor komt bij de boerin om te vrijen als de boer van huis is. Hij is bang een pak slaag van de boer te krijgen als de boer het paar in bed betrapt: „dasz nicht dein Mann komm in das Haus Und dresch mir den Hundshaber aus”. Hundshaber — belasting die de horige boer aan de adellijke grondbezitter moet betalen om voer voor de meute, de jachthonden van de heer, te kopen. Sachs vestigt hier ongewild de aandacht op de Middeleeuw­se wijze waarop een belastingaanmaning werd ver­zonden. Immers, een briefje had geen zin, de hoog adellijke heer kon niet schrijven, de boer niet lezen. Derhalve ontving de boer op het zitvlak vele stok­slagen om hem er aan te herinneren, dat de belasting nog betaald moest worden.

(J.C.Alders, ‘De Vacature’, ca 1976/77)
.

[45] PROPPEN
Woordhistorici denken aan de betekenis ‘benen’. In de acht­tiende eeuw kon je (weer) op de proppen komen, wanneer je na ge­slapen te hebben of ziek te zijn ge­weest, (weer) op de been kwam. Tegen de achtergrond van dit nu verouderde woordgebruik ont­stond de figuurlijke betekenis ‘voor den dag komen (met iets)’, ‘(van iets) melding maken’.

[46] BAKKEN/BRADEN
Bakken is vooral in gebruik voor het proces van snel, op hoog vuur
ga­ren van voedsel: vlees en vis, ei­eren, aardappels of groenten. Het gaat om kleine hoeveelheden.
Bra­den wordt vrijwel uitsluitend bij vlees gebruikt; het draait dan om grotere stukken die langzaam ga­ren, op laag vuur of in de oven.

[47] SPITSROEDE LOPEN
Spitsroeden lopen betekent nu ook op eieren lopen.
Van Dale vermeldt dat ‘spitsroeden lopen’ van oorsprong verwijst naar een militaire straf waarbij de ver­oordeelde met ontblote rug tussen twee rijen met puntige stokken ge­wapende soldaten moest lopen. Dat was niet alleen een vernederende, maar ook zware straf. Sommige
soldaten vonden zo de dood.
Sinds lang wordt ‘spitsroeden lo­pen’ echter niet meer in die bete­kenis gebruikt, maar in een twee­de, figuurlijke betekenis: ‘een openbare vernedering moeten on­dergaan omdat men iets verkeerds gedaan heeft’.
‘spitsroeden lopen’  blijkt nu echter iets anders te betekenen: ‘behoedzaam te werk gaan’.

[48] LENTE
Lente hangt samen met  lengen -‘langer worden’.
Voorjaar: vroeg in het jaar. Duits: Frühling.
Frans: printemps via Latijn: primus tempus, de eerste periode in het seizoen.
Hierin groeit de primula, ook afgeleid van primus.
Het Engelse ‘spring’ is verbonden met het ‘openspringen’. In het Nederlands weer verwant met ontluiken, het tegenovergestelde van ‘luiken’, dichtdoen, sluiten. De ogen luiken: sterven. Voltooid deelwoord: geloken, waarin nog verwantschap zit met het Engelse ‘lock’.
(Wim Daniëls)

[49] GIERIG
De oudste betekenis van gierig is ‘begerig’, niet per se in ongunstige zin. Zo werd het in de dertiende eeuw al gebezigd: machot hin gire- gan thes ewigan rïhduomes (‘maak hem begerig naar de eeuwige rijk­dom’). Al spoedig moet gierig ook gebruikt zijn in de zin van ‘heb­zuchtig, overdreven begerig naar geld en goed, vrekkig’, nu de enige betekenis. Maar de oudste leeft voort in samenstellingen als eer-, leer-, nieuws-, weet- en wraakgierig.

[50] OUBOLLIG
‘Flauw’, ‘kneuterig’ en ‘ouderwets’ lijken nu de overheersende betekenissen te zijn. Er is vaker losjes met het woord omgesprongen. Het begon zijn bestaan als nevenvorm van het Middelnederlandse abolghig, ‘toornig’. Die was afgeleid van abolghe, ‘toorn’. Het voorvoegsel a had daarin waarschijnlijk een versterkende functie, menen woorhistorici. Bolghe is verwant aan belgen ‘kwaad maken’, waaraan we ook gebelgd en verbolgen danken. Van ‘toornig’ veranderde de betekenis in ‘dwaas, gek’ (misschien dankzij associaties met ‘zinneloos, ––opgevat als buiten zichzelf van emotie’?). In de achttiende eeuw werd het vooral opgevat als ‘koddig’, kluchtig’, een betekenis die Van Dale nu als verouderd labelt.
Van recente datum is de overgang naar ‘flauw, ‘melig’ en ‘ouderwets’. Vandaar de spelling oudbollig

[51] FITTY
Woord voor ‘ruzie’ in straattaal. In populair Engels kan het ook verwijzen naar seksueel aantrekkelijke (jonge) vrouwen. Van fatty naar fitty (als vermageringsideaal)

[52] STATIEGELD 
Statiegeld is eigenlijk gewoon staangeld.
Statie en staatsie worden nogal eens door elkaar gehaald. Vooral in samenstellingen, zoals staatsieportret (dus niet statieportret) en statiegeld. Statie en staatsie klinken dan ook vrijwel identiek. Toch zijn het woorden met zeer verschillende betekenissen én met een verschillende herkomst.
Staatsie betekent pracht en is afgeleid van het Franse woord stage (verhoging, podium). Dat woord gaat terug op het Oudfranse woord estage (verhoging), waarvan ook het woord etage (verdieping) is afgeleid. Waarschijnlijk is het Franse woord stage onder invloed van ons woord staat in de betekenis
‘uiterlijk vertoon dat bij iemands rang of stand hoort’ vernederlandst tot staatsie. Hoe dan ook, staatsie kreeg bij ons de betekenis pracht en praal en het zijn sindsdien vooral koningen en koninginnen die ‘veel staatsie voeren’. Vaak zijn het ook vorsten die op staatsieportretten prijken.
Statie betekent niets anders dan standplaats. We kennen het in ondermeer van de statiën «letterlijk ‘plaatsen waar stilgestaan wordt’) langs de kruisweg van Jezus. Statie is afgeleid van het Latijnse woord statio, dat het stilstaan of standplaats betekent. Statiegeld, dat hiermee is samengesteld, betekent daarom letterlijk staangeld: geld voor iets dat men in bruikleen heeft staan. Geen wonder dat sta- en staangeld vroeger vaak als synoniemen van geld werden gebruikt.

[53] FALEN/FAILLIET
De woorden vals, falen en faillissement hebben etymologisch gezien hinnige banden met elkaar. Falen en faillissement hebben dezelfde basis. Ze gaan namelijk – direct of indirect – terug op het Franse werkwoord faillir. Dat werkwoord heeft diverse betekenissen, waaronder mislukken, ontbreken en tekortschieten.
In de 13de eeuw heeft het Nederlands faeiliren ontleend aan het Franse werkwoord faïllir. Later ontwikkelde dit woord zich tot falen en feilen (dat eveneens falen betekent en waarvan onfeilbaar is afgeleid). Een paar eeuwen later, in de 16de eeuw, ontleende onze taal het woord faillissement aan het Frans, dat in die taal was afgeleid van faillir. Ook het Franse woord faillite is daarmee verwant, al wordt dat ook wel teruggevoerd op het Italiaanse woord faillito (bankroet). Dat Italiaanse woord gaat op zijn beurt – net als het Franse werkwoord faillir – terug op het Latijnse werkwoord fallere, dat onder meer bedriegen, misleiden, afspraken niet nakomen betekent. Dit Latijnse werkwoord kennen we in onze taa als de basis van falsus (bedrieglijk, misleidend), waarop ons woord vals terug te voeren is.

Eigenlijk zit de wereldgeschiedeni dus dóódsimpel in elkaar, althans voor wie zich interesseert voor woordgeschiedenis.

[54] BEDACHT/BEDUCHT
Er is wat raars aan de hand met het woord beducht. Die afleiding van het oude werkwoord beduchten (vrezen voor) betekent bang of bevreesd en wordt volgens woordenboeken en grammatica’s (vrijwel) alleen gebruikt in combinatie met het voorzetsel voor: mensen zijn beducht voor iemand of iets.
Die beschrijving staat echter op gespannen voet met de taalwerkelijkheid. Niet alleen wordt beducht soms abusievelijk gebruikt wanneer geducht (vrees of ontzag inboezemend) wordt bedoeld (‘een beduchte tegenstander’), ook wordt beducht vaak gecombineerd met een ander voorzetsel dan voor, namelijk op: ‘De autoriteiten zijn extra beducht op aanslagen’.
Beducht verschilt maar één letter van bedacht, dat onder meer voorkomt in de woordgroep ‘bedacht zijn op iets’ (voorbereid zijn op). Sommige taalgebruikers kennen beide woorden en gebruiken ze volgens het boekje. Zoals schrijver Koos van Zomeren, die over onze voorouders schrijft: ‘De mensen zelf waren harder, minder bedacht op frustraties, minder beducht voor pijn, zowel bij zichzelf als bij een ander, laat staan bij dieren. Als ‘beducht op’ wordt gebruikt, is vaak ‘bedacht op’ bedoeld, ook iets waarvoor men beducht is.  Je bent nooit beducht op iets leuks, maar altijd op iets naars.

[55] PIEMEL
Piemel is een van de vele namen van het mannelijk geslachtsdeel. Van Dale vermeldt er daarvan ruim honderd die min of meer courant zijn. De meeste hebben een seksuele connotatie. Slechts een enkeling, zoals piemel, verwijst gewoonlijk naar een andere functie van dit lichaamsdeel, namelijk de urinelozing. Samen met de ‘geleerde’ termen fallus, penis en roede is piemel daarom een relatief onbeladen woord.
Piemel is een betrekkelijk jong woord. Het dateert uit de tweede helft van de 19e eeuw en is afgeleid van het werkwoord piemelen, dat volgens het Woordenboek der Nederlandsche taal ‘droppelings wateren’ betekent. Het zou een woord uit de kindertaal zijn. Piemelen heeft diverse verwanten, zoals het Duitse woord pinkeln. In de oudste geregistreerde vindplaats van piemelen, uit 1867, komt ook piemel al voor (in de spelling pimel), maar nog niet in de huidige betekenis. In die eerste bron betekent pimel urine. Pas later, in een tekst uit 1875, wordt piemel voor het eerst als naam van het mannelijk lid aangetroffen.
Hoe heette dat lid dan voordien? Vrijwel zeker geen plasser, want dat woord maakte pas in 1961 zijn debuut in Van Dale. Die definieerde plasser als pissertje, een woord dat al sinds de 17e eeuw courant was. Tegenwoordig vinden we
pisser(tje)  een informeel woord, maar een halve eeuw geleden – én ver daarvoor – was dat dé neutrale naam voor wat we nu piemel of plasser noemen.

[56] BEVALLEN
In Het Middelnederlands (1200-1500) kon bevallen vele betekenissen hebben, waaronder ‘neervallen’, ‘bezwijken’ maar ook ‘bedlegerig worden’. Voor ‘bevallen, van een vrucht verlost worden’ werd wel ‘genesen‘ gebruikt. Een uitdrukking als bevallen ende van enen kinde genesen moet, zeggen etymologen, schuilgaan achter de gewoonte om alleen bevallen op te vatten als ‘een kind baren.’
Bevallen in de zin van ‘behagen’ herleiden woordhistorici tot een uitdrukking waarvan middeleeuw­se dobbelaars zich bedienden. Als het lot voor hen gunstig (uit)viel, zeiden ze wel het bevallet mi wale (‘goed’, ‘wel’).

[57] DEMENTIE
Door de vergrijzing is het fenomeen dementie in de 20ste eeuw een steeds groter maatschappelijk probleem geworden. Dat verklaart waarom het woord dementie in diezelfde periode algemeen gangbaar is geworden.
Aanvankelijk was dementie een medische vakterm, die gewoonlijk werd aangetroffen in de Latijnse vorm dementia. In 1924 maakte deze variant zijn entree in de Dikke Van Dale. Het woordenboek verklaarde dementia als krankzinnigheid. Die betekenis was in lijn met de herkomst van het woord: dementia gaat terug op het Latijnse woord demens, dat afgeleid is van de (weg) en mens (verstand) Letterlijk betekent demens ‘geen verstand (meer) hebbend’. Later werd het: ‘blijvende verzwakking van de intellectuele vermogens en het ethische gevoel’, later aangevuld met ‘geestelijke aftakeling’.
Aanvankelijk lag de klemtoon net als in dementia op de tweede lettergreep deméntie, maar tegen het einde van de 20e eeuw werd ook de uitspraak dementíé gewoon. De laatste tijd hoor je steeds vaker een andere uitspraak; démentie gewoon.

[58] ARMZALIG
 Armzalig (‘armoedig’) is ontleend aan het Duitse armselig, dat met selig (‘zalig’) niets van doen heeft. Het is afgeleid van een zelfstandig naamwoord armsal (‘armoede, ellende’). Daarin is -sal een achtervoegsel, dat overeenkomt met -sel in beginsel, mengsel enz. Op dezelfde manier zijn het Duitse mühselig (‘heel moeizaam’) en triïbselig (‘triest, mistroostig’) gevormd uit Miïhsal (‘moeite, last’) en Trübsal (‘ellende; droefheid’).

Zalig komt wel voor in rampzalig. De oorspronkelijke betekenis van dit zalig is ‘rijkelijk voorzien van’. Ze moet ontstaan zijn onder invloed van woorden als gelukzalig (‘uiterst gelukkig’).
In hun oudste toepassingen gaan zalig en selig terug op een Germaans woord voor ‘goed, gunstig, gelukkig’. Als christelijk equivalent van het Latijnse beatus kwamen ze al vroeg in de Middeleeuwen in ge bruik voor ‘gezegend, deelachtig aan het eeuwig heil’.

Later kon zalig ook svnouien: zin met ‘onschuldig:, onnozel’ Die betekenis is her Nederlands kwijtgeraakt; etymologen nemen aan dat het christeli; ke gebnnk areraan d bet was. Het znaaeleer. ae Enne!’ sedy. van dezelfde oonproog ris zalig, had daar Geen last van. Van ‘gezegend’ ontwikkelde zich dat achtereenvolgens tot ‘vroom’, ‘onschuldig’, ‘meelijwekkend en zwak’, en ten slotte werd het ‘dom’, dwaas’ oftewel silly.

[59] POLLEN
Pollen is enkelvoud, net als stuifmeel. Hiermee heeft het ook gemeen dat het een het-woord zonder meervoud is.
Het woord is ontleend aan het Latijn, waarin het ‘zeer fijn meel’ of ‘tarwebloem’ betekent. De gelijkenis met (gras)pollen is bedrieglijk; de twee zijn etymologisch niet verwant.
Het gebruik als meervoud is verre van zeldzaam. Soms laat een instantie de keus aan de lezer. Neem het Leids Universitair Medisch Centrum. Het bepaalt volgens zijn site ‘wekelijks hoeveel pollen er (…) in de lucht zaten’. Maar het bericht ook dat hiermee niet wordt aangegeven ‘in hoeverre het pollen hooikoortsklachten kan veroorzaken’.

[60] PERSOONLIJK
We worden als we schrijven blijkbaar graag persoonlijk. Althans, het woord persoonlijk duikt vaak op in zinnen als ‘Persoonlijk denk ik dat er toch geen Grexit komt’ en ‘Ik persoonlijk voel er niet zoveel voor andermans schulden te betalen’.
Het woord persoonlijk suggereert dat de schrijver vertrouwelijk wordt met de lezer, maar benadrukt toch vooral dat hij zijn eigen mening geeft. Duikt dit woord op in een zin in de gewone woordvolgorde (waarbij het onderwerp vóór de persoonsvorm staat), dan legt persoonlijk de nadruk op ‘ik’. Vaak is ‘persoonlijk’ dan verwisselbaar met ikzelf of – wat informeler – ik voor mij: ‘Ik persoonlijk (ikzelf, ik voor mij) vind dit niet zo’n ramp’. In zinnen met inversie (omkering van de gewone woordvolgorde) is er altijd een bepaling nodig op de eerste positie in de zin en dan is persoonlijk simpelweg een goed alternatief voor (modale) woorden als eigenlijk of misschien: ‘Persoonlijk/eigenlijk/misschien vind ik dit niet zo’n goed idee’.

In combinatie met werkwoorden die – anders dan denken, vinden, voelen e.d.- een uiterlijke handeling benoemen zoals schrijven, slaan of timmeren, heeft persoonlijk vaak een sterker effect. Het is dan soms, afhankelijk van de zinsbouw, te vervangen door nóg nadrukkelijker formuleringen, zoals hoogstpersoonlijk of zelfs eigenhandig: ‘Ik persoonlijk (ikzelf) heb dat hok getimmerd’. ‘Ik heb dat hok persoonlijk (hoogstpersoonlijk/eigenhandig) getimmerd.’ Als schrijvers te vaak het woord persoonlijk gebruiken, gaat het accentuerende effect trouwens al snel verloren.

[61] PARKET
Uitdrukkingen kunnen gemakke­lijk van vorm veranderen als een element ervan niet meer begrepen wordt én erg lijkt op een ander, be­kender wóórd. Een voorbeeld daar­van stond onlangs een paar keer in Trouw. Op 5 augustus schreef de krant dat de regering-Merkel ‘in een lastig pakket’ zat en op 20 au­gustus werd over de financiële steun aan Griekenland gezegd: ‘Een tegenstem zou Nederland bin­nen Europa isoleren en (…) premier Mark Rutte in een lastig pakket brengen.’

Als je er goed op let, tref je in de media elke week wel ‘een lastig’ of ‘moeilijk pakket’ aan. De correcte uitdrukking luidt echter anders, namelijk ‘in een lastig, moeilijk parket (zitten, komen, zich bevin­den)’.

Parket, ontleend aan het Franse woord parquet (‘klein parkje of perkje’), is lang bekend geweest als naam voor de afgeperkte ruimte in de rechtszaal waar het openbaar gezag zat en nog steeds wordt het woord wel gebruikt ter aanduiding van het Openbaar Ministerie zelf. In de 17de eeuw was parket echter een afgesloten ruimte waar men niet uit kon ontsnappen. Wie daarin zat, verkeerde dus in een lastige situatie: hij zat in het nauw. Zo ontwikkelde zich de uitdrukking ‘in een lastig, moeilijk parket zitten’, die dat op internet in meer dan tien procent van de gevallen wordt verhaspeld tot ‘in een lastig, moeilijk pakket zitten’. Of ‘in een rotpakket zitten’, dat op internet zelfs gewoner is dan ‘in een rotparket zitten’. Als het zo doorgaat, is ‘een lastig, moeilijk pakket’ over niet al te lange tijd zelfs een geaccepteerde variant van ‘een lastig, moeilijk parket’.

[62] PIEPELEN
‘Zijn we gepiepeld’ door de Fran­sen? vroeg Trouw zich vorige week af. Frankrijk heeft er immers voor gezorgd dat het Rijksmuseum niet exclusief eigenaar kan worden van Rembrandts Maerten en Oopjen? Piepelen is een informeel woord. Daarom stond het in het verleden vaak tussen haakjes in de krant, om te benadrukken dat het woord deel uitmaakt van een uitspraak van iemand die wordt geciteerd. Maar nu is het kennelijk een krant­waardig woord.

Piepelen is afgeleid van piepel. Bei­de woorden maakten in 1984 hunopwachting in de Dikke Van Dale. Piepelen was destijds een
schut­tingwoord. Het werd in de Dikke Van Dale omschreven als een Bar­goens woord voor geslachtsge­meenschap hebben. Geen wonder: piepel, waarvan piepelen is afge­leid, betekent onder meer ‘manne­lijk geslachtsorgaan’.
Maar piepel betekent in de volks­taal ook ‘kereltje’ en ‘iemand die altijd de pineut is’. Van die beteke­nis is piepelen in de nu gewone
be­tekenis ‘in de maling nemen’, ‘be­lazeren’ of ‘bedonderen’ afgeleid. Wat de herkomst van piepel is, staat niet vast. Vermoedelijk is er een verband met het oude regiona­le woord piepel ter aanduiding van ‘iets wat klein en zwak is’. In de be­tekenis ‘mannelijk geslachtsor­gaan’ heeft piepel wellicht een an­dere herkomst en is het een ver­kleinvorm van piep, dat als variant van pijp ook wel werd gebruikt ter aanduiding van het mannelijk lid. Mogelijk zorgt de erotische conno­tatie die nog steeds aan piepelen kleeft ervoor dat dit werkwoord ook in de alledaagse betekenis ‘be­lazeren’ nog steeds als informeel wordt ervaren.

[63] VAN ZESSEN KLAAR
Van zessen klaar zijn (van aanpakken we­ten)
De uitdrukking komt van paarden met twee goe­de ogen en vier dito benen.

[64] HYGIËNE
De meest voor de hand liggende uitspraak van het Nederlandse woord is /hiegiejééne/ of /hiegjééne/. De e met een trema staat in open lettergrepen immers meestal voor de klinker /ee/. Daarnaast komt /hiegiejèène/ nogal eens voor, al past dat beter bij de spelling hy­giène, vroeger ook in Nederland niet zeldzaam.

[65] GAST
Toen de oorlog in Syrië in 2011 losbarstte werden de vluchtelingen in Turkije consequent ‘onze gasten’ genoemd, schreef Trouw afgelopen dinsdag. Gast is een gastvrij woord voor vluchtelingen, maar in het Nederlands gebruiken we het woord meestal niet in die betekenis. Wij reserveren gast gewoonlijk voor mensen die wijzelf hebben uitgenodigd. Voordat gast in die hedendaagse betekenis courant werd, had het woord een veel bredere betekenis. In het Middelnederlands betekende gast nog ‘vreemdeling”. Het woord is echter terug te voeren op een proto-Indo-Europese taalvorm voor ‘iemand die komt mee-eten’.
In het Romeinse rijk werden vreemdelingen automatisch als vijanden beschouwd. Het Latijnse woord hostis, waar ons woord gast verwant mee is, betekende dan ook niet alleen vreemdeling, maar ook vijand. Op dat Latijnse woord is ook ons woord hostiel (vijandig) terug te voeren. Romeinen beschouwden vreemdelingen weliswaar als vijanden, maar sommigen waren blijkbaar welkom. Ze werden dan in bescherming genomen door een hospes, een gastheer. Germanen stonden in de Romeinse tijd bekend om hun gastvrijheid. Zij waren goede gastheren voor hun ‘vreemdelingen’, die ze – anders dan de Romeinen -niet per definitie als vijanden beschouwden. In de Germaanse talen had het woord gast dan ook een andere lading dan hostis bij de Romeinen had. Iedereen die op bezoek kwam, heette een gast. Pas later kreeg het woord specifiekere betekenissen, zoals ‘betalende bezoeker in een herberg’ en ‘iemand die op uitnodiging op bezoek komt’.

[66] HULDEBIET
Een huldebiet is een onopzettelijk verhaspelde zin, meestal een onbegrepen versregel. We danken het woord aan een jongetje en een taalkundige. Uit de gezangregels ‘Neem mijn stem, opdat mijn lied / U, mijn Koning, hulde bied’ had het ventje het bestaan van ene koning Huldebiet afgeleid.
De Engelse term is mondegren, gemunt door een Amerikaanse schrijfster. Als kind had ze een gedicht misverstaan waarin van een gedode graaf gezegd werd: ‘They laid him on the green (grasveld)’. Ze had dit opgevat als een mededeling over the Lady Mondegreen.
‘Hoe huppelt zijn paardje, gedekt op en neer’. ‘Midden in de winternacht ging de Hema open’. ‘Tot des Heeren lof en prei’.

[67] BANG TE MOEDE
Moed gaat terug op een Oudgermaans woord voor ‘geest, gemoed, ziel’ of ‘wil’. Later werd het vooral gebruikt voor sterke gemoedsbewegingen: woede en (zoals nu nog steeds) onverschrokkenheid. Wel bleef ook de betekenis ‘gemoed, stemming’ lang gehandhaafd. De moet is haer te vol, sy kan niet langer spreken, schreef Cats in de zeventiende eeuw. Deze betekenis is overgegaan op het woord gemoed, maar leeft voort in bang te moede (‘benauwd van gemoed’). Dat geldt trouwens ook voor vele samenstellingen met -moedig. Een onvolledige opsomming: blijmoedig, deemoedig, edelmoedig, gelijkmoedig, goedmoedig (oorspronkelijk ‘opgewekt’), grootmoedig (‘groot, edel van gemoed’), lankmoedig (‘lang van gemoed’, een leenvertaling van het Latijnse longanimus), mismoedig, weemoedig, zachtmoedig, zwaarmoedig. Uitzonderingen zijn kleinmoedig (‘met geringe moed of durf’) en manmoedig (‘met de moed van een man’), die na de Middeleeuwen in omloop zijn gekomen.

Sterk van betekenis veranderd is in arren moede. Het ontstond als een combinatie van het Middeleeuws erre of arre (‘in de war, wanhopig met moed in de zin van “wil, verlangen’. De uitdrukking was aanvankelijk synoniem met in toorn. Onbekendheid met de oorspronkelijke toepassing moet de fantasie de vrije loop hebben gegeven. Tegenwoordig betekent ze vooral ‘ten einde raad, door teleurstelling bijvoorbeeld’ of ‘bij gebrek aan beter’.

[68] QUOTUMS/QUOTA/QUATA’S
Quotum en quota zijn gemakkelijk te verwarren woorden. Quota heeft in onze taal de oudste rechten. Het woord komt al sinds de 14de eeuw voor als leenwoord uit het Latijn. Het raakte in het Nederlands ingeburgerd als verkorting van de Latijnse uitdrukking quota pars  (het hoeveelste deel). Hierin is quota de vrouwelijke vorm van het Latijnse woord quotus hoeveelste’), dat zelf een afleiding is van quot (hoeveel). Het meervoud van dit woord quota is quota’s.
In de 19de eeuw kreeg quota concurrentie van quotum, dat eigenlijk de onzijdige vorm is van het Latijnse woord quotus. In tegenstelling tot het de-woord quota is quotum dan ook een het-woord. Quotum heeft twee meervouden: het Latijnse meervoud quota en het vernederlandste meervoud quotums. Beide meervouden zijn correct, maar mensen die hebben doorgeleerd geven meestal de voorkeur aan quota. De betekenis van quotum is grofweg identiek aan die van quota: evenredig aandeel. In de media komen samenstellingen als melkquotum/melkquota en mestquotum/mestquota naast elkaar voor. Beide varianten zijn correct. Dat geldt eveneens voor de meervoudsvormen melkquota melkquotums (meervoud van melkquotum) en melkquota’s (meervoud van melkquota).

[69] WEIDS/WIJDS
Afgelopen dinsdag werd in de krant betoogd dat we ‘de weidse vergezichten’ langs onze kust niet ‘moeten willen dichtbouwen’. De combinatie ‘vergezichten dichtbouwen’ is een interessante vorm van metonymie waarbij oorzaak (het bebouwen van de kust) en gevolg (verdwenen vergezichten) zijn versmolten. Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om weids.

‘Weidse vergezichten’ is in dit geval correct gespeld, maar een op de vijf keer waarin weids had moeten zijn geschreven, wordt dit woord abusievelijk gespeld als wijds. Dat komt doordat weids (groots, luisterrijk) ten onrechte wordt verward met wijd (ruim). Vorige week maandag gebeurde dat in Trouw bij de beschrijving van een nieuwjaarsritueel waarbij over vuur gewandeld werd en iemand ‘met een wijds gebaar’ kruiden over de vlammen wierp. Daar had ‘met een weids gebaar’ moeten staan.

Weids is afgeleid van weide: grasland, vooral grasland waar vee op graast. Net als wei(de) hield weids van oorsprong verband met de jacht. Zo betekende weids in de 16e eeuw ‘belust op jagen’. Weide (van oorsprong gebied waar dieren rondlopen, dus met name het jachtgebied) heeft de oorspronkelijke betekenis (‘jacht’) behouden in jagerstermen als weiman (jager) en weitas (wildtas). Dat weids in de loop der tijd een volstrekt andere betekenis heeft gekregen, komt door de invloed van weidelijk, dat al vroeg groots en geweldig betekende, en wijd (ruim).
Wie twijfelt tussen weids en wijds kan overigens het best onthouden dat wijds geen Nederlands woord is, behalve in ‘iets wijds’ (een wijd kledingstuk).

[70] MOOR
Moren waren vroeger zowel zwarten als islamieten
Is ‘moor’ (‘zwarte, neger’) een verbastering van ‘moriaan’ (als in ‘moriaantje, zo zwart als roet’) of is het omgekeerde waar?
Beide woorden zijn, los van elkaar, ontleend aan het Frans (Maure respectievelijk morien). Via het Latijn (Maurus) gaan ze terug op het Griekse mauron ‘donker maken’. Dat ze ‘zwarte’ gingen betekenen, lijkt logisch. Een Moor was immers oorspronkelijk iemand uit Mauretanië en dat ligt in West-Afrika, ten zuiden van Marokko. Maar in de Romeinse tijd waren de Mauri bewoners van wat nu Marokko en Algerije is. Door Arabieren onderworpen en tot de islam bekeerd, wisten ze in de vroege Middeleeuwen Spanje en Zuid-Portugal te veroveren. Ofschoon niet al te donker van huid, werden ze voor een variëteit van de zwarten aangezien. Vandaar dat Moor en Moriaan synoniem konden worden met neger. Een ‘Rookend Moortje’, een zwarte met een pijp, fungeerde nog in de negentiende eeuw als uitHangbord van tabakswinkels. Voor vergeefs werk doen kwam de Moriaan wassen of schuren in zwang. Sommigen zullen zich de uitdrukking zo zwart als een moor herinneren, die in Van Dale verouderd heet.
Aan de middeleeuwse oorlog tussen islamitische Moren en christenen op het Iberisch schiereiland dankte Moor een tweede betekenis: ‘moslim uit Noord-Afrika, Spanje of Portugal’. Zelfs moslims in Nederlands-Indië werden ooit zo genoemd. Een dominee, daarheen uitgezonden, schreef omstreeks 1725: “Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of Mohammedanen.”

[71] BOT VANGEN
De uitdrukking is vaak met de platvis geassoci­eerd, getuige diverse woordspelingen al in de negetiende eeuw. Maar daar had ze volgens taal­historici oorpspronkelijk niet mee te maken.
Ze moeten gissen wat dan wel bedoeld is met bot.
Er doen twee theo­rieën de ronde. Volgens de eerste is dit bot een oud woord voor ‘stoot, schok’, zoals ook in botjes vangen, ‘een plat steentje al op­springend over het water­oppervlak laten scheren’, ook wel keilen, kiskassen ol plisjeplasje gooien ge­noemd.
Bot vangen zou dan ooit een klap krijgen’ hebben betekend.

De tweede hypothese gaat uit van bot in de zin van ‘uiteinde van een touw’, oorspronkelijk ‘dat van hel ankertouw buiten boord’. De eersten die bot vingen, kunnen volgens de taalgeleerde Jan de Vries hengelaars zijn ge­weest die ‘bij het ophalen van de hengel alleen het uiteinde van het hengelsnoer’ zagen. Aan deze betekenis van bot danken we in elk geval botvieren (letterlijk ‘een touw tot aan het einde vieren’ en vervolgens, in figuurlijk gebruik, ‘vrij spel laten’, aan hartstocht bijvoorbeeld).

Op weer een andere betekenis van bot, ‘knop, uitspruitsel van planten’, gaat het uitbotten terug van bomen en struiken die knoppen krijgen of uitlopen.

Ten slotte: als een oude munt ter waarde van een halve stuiver leeft botje voort in de uitdrukking botje bij botje leggen (‘samen betalen’). Op zo’n botje stond een leeuw met een helm, die schert­send botte (‘korf, muil­korf’) genoemd werd.

[72] (ONT)ROEREND
Hoe kan het dat ‘roerend’en ‘ontroerend’allebei ‘aandoénlijk’kunnen betekenen, terwijl het voorvoegsel ‘ont’ op een tegenstelling met ‘roerend’ wijst?
Een begrijpelijke vraag wanneer je werkwoorden als ontbinden, ontdoen, onterven, ontkomen enz. enz. als maatstaf neemt. Dat zijn er nogal wat en allemaal drukken ze iets heel anders uit dan het werkwoord dat op ont-volgt, vaak zelfs het tegendeel ervan.
Maar neem nou ontkiemen en ontwaken. Hieraan geeft ont- de betekenis ‘beginnen te (kiemen, te waken)’. Tot deze categorie behoort ook ontroeren (‘emotioneel treffen’).
De emoties in kwestie konden vroeger niet alleen positief zijn, zoals nu nog steeds, maar ook negatief (schrik, angst, verwarring). Wanneer in de 17e eeuw je ‘sinnen ontreoert’ werden, verkeerde je in verwarring.

Roeren, zonder ont , werd al eerder in vergelijkbare zin gebruikt. De grondbetekenis ervan is ‘(doen) bewegen’.
Dat doen we nu vooral wanneer we stoffen met een draaiende beweging mengen, maar teloorgegaan is de oude toepassing niet. Maart roert nog steeds zijn staart en wie zijn mond roert, kan soms al sprekend anderen tot tranen toe roeren.
Van roeren (‘bewegen’) afgeleid is roer ‘drukte, opwinding’, dat voortleeft in de uitdrukking in rep en roer.
Roer (‘stuurmiddel’) is een heel ander woord. Het ontstond toen de d verdween uit roeder (vergelijk bijvoorbeeld het Duitse Ruder), naaste familie van een werkwoord dat we nu kennen als roeien.
(On)roerend goed is letterlijk ‘goed dat (niet) beweegt’, een vertaling van het Latijnse res (im)mobilis.

[73] MUM
Mum is een verkorting van minimum (Latijn voor ‘kleinste ding’), maar het wordt tegenwoordig uitsluitend aangetroffen in de uitdrukking in een mum van tijd.
Het kwam eens voor in de nu verdwenen uitdrukking ‘in de tijd van een mum’, waarin mum ogenblik lijkt te betekenen.
In feite is ‘een mum’ echter niets. In een mum van tijd is namelijk niet gevormd met de woorden mum en tijd, maar in z’n geheel ontstaan als verkorting van in een minimum van tijd. Die uitdrukking is vanaf het einde van de r9de eeuw tot ver in de twintigste eeuw gangbaar geweest.

[74] DEUR
 ‘Zo link als eem looie(n) deur’
moet ontstaan zijn als een variatie op zo zot, dwaas of gek als een deur. Deur is hier familie van duizelen en heeft de bete­kenis ‘zot, dwaas’ (Mid­delnederlands door of do- re, Duits Tor). ‘Menich door spreect wise woort’. schreef een vijftiende-eeuwer.
Link (‘leep, gevaarlijk’), ontleend aan het Bar­goens, is verwant aan links (oorspronkelijk ‘linkshan­dig’, ‘onhandig’). Links zijn gold als minderwaar­dig en het woord ontwik­kelde dan ook diverse on­gunstige betekenissen. Ter wille van de alliteratie met link zal de deur, opge­vat in nu gangbare zin, looie(n) of  loden (‘van lood’) zijn geworden.

[75] DIJ (als achtervoegsel)
Bijv. in makelaardij.
Het achtervoegsel, -dij, werd al in de Middeleeuwen aan make- laer toegevoegd . Het werd destijds uitgespro­ken en geschreven als die-, maekelaardie.
De ie-kiank, vroeger ook als ij geschreven, is in de standaarduitspraak vaak ‘ei’ geworden zonder dat de (ij-spelling verander­de.
Dit -dij is een van de varianten van het achter­voegsel -ij dat het Neder­lands in de Middeleeuwen ontleende aan het Frans (en soms aan het Latijn), zoals in loterij (Frans lote- rie).
In plaats van makelaar­dij zou je misschien make­larij verwachten, dat trou­wens ook sinds de Middel­eeuwen voorkomt. Make­laardij moet gevormd zijn naar het voorbeeld van woorden als voogd ij. die een d plus het achtervoeg­sel -ij/hebben.

[76] PEENTJES
De oorsprong van peentjes moet worden gezocht in pintjes. Een pint, nu nog een glas pils, was vroeger een vochtmaat, meestal een halve liter. Toen die maat in onbruik was geraakt, begon men peentjes te zweten in plaats van pintjes. Het beeld van grote druppels die in de vorm van peentjes uitlopen, kan de verandering hebben bevorderd of, als de pinttheorie niet klopt, het ontstaan van de uitdrukking verklaren.
Peen is trouwens een curieus woord. Het was oorspronkelijk meervoud (enkelvoud pee), net als schoen en teen. Stapelmeervoud

[77] BEHAPSTUKKEN/VERHAPSTUKKEN
Behapstukken is een contaminatie van ‘iets kunnen behappen’ (iets aankunnen) en het werkwoord ‘verhapstukken’ (iets regelen). Net als behappen wordt behapstukken niet of nauwelijks vervoegd. Ook de betekenis van behapstukken sluit aan bij die van behappen en is te omschrijven als ‘haalbaar, uitvoerbaar zijn’.
Van oorsprong betekende behappen ergens een hap uit nemen, maar al in de 19de eeuw raakte ‘iets (niet) kunnen behappen’ regionaal in zwang ter aanduiding van ‘iets niet aankunnen’
Verhapstukken heeft een andere herkomst. Oorspronkelijk luidde het werkwoord ‘verhakstukken’. Het verwees naar het ambacht van de schoenmaker en betekende zoiets als: andere hakstukken aan de schoen zetten. Vanuit die ambachtelijke betekenis ontwikkelde zich de figuurlijke betekenis ‘iets in orde brengen’.

Contaminaties worde: vaak stijlfouten genoemt Impliceert dit dat behapstukken fout is? Niet per definitie. Als een contaminatie geregeld gebruikt wordt zonder dat er bezwaar tegen wordt gemaakt, kan het een algemeen geaccepteerd wordo worden.

[78] TIFOSI
In het Nederlands heten de bewonderaars van een sport, club, ploeg of speler supporters, maar als de media berichten over de Giro d’Italia of wanneer een Italiaanse voetbalclub het goed doet in een competitie, duikt vroeg of laat altijd wel weer het woord tifosi in de krant op, het Italiaanse woord voor supporters.
Tifosi is een merkwaardig woord. Het is het meervoud van het Italiaanse woord tifoso, dat letterlijk tyfuslijder en figuurlijk supporter betekent. Ook tifo, waarvan tifoso is afgeleid en dat letterlijk tyfus betekent, heeft een tweede, sportieve figuurlijke betekenis: fanatisme.
De figuurlijke betekenissen van tifo en tifoso berusten op een van de symptomen van tyfus: hoge koorts. Het sportfanatisme van de supporters wordt voorgesteld als een ziekte, als een koortsaanval, waar geen kruid tegen gewassen is. Zoals de tyfuspatiënt zijn koortsaanval niet kan onderdrukken, zo kunnen supporters het maar niet laten hun club te steunen.

[79] FAN
Eenzelfde [78] associatie ligt ten grondslag aan het woord fan. Fan is in het Engels verkort uit fanatic (fanatiek of fanatiekeling), dat via via teruggaat op het Latijnse woord
fanaticus (dweperig), een afleiding van fanum (tempel). Oorspronkelijk waren fanatici mensen die van een godheid bezeten waren. Bezetenen dus.

[80] PASTOR
het Engelse woord pastor kun je niet klakkeloos vertalen als pastoor.Om katholieke geestelijken in het Nederlands pastoor te noemen en de term pastor te reserveren voor andere zieleherders is te kort door de bocht: in de rooms-katholiek kerk blijken er behalve pastoors (parochiepriesters) en bijvoorbeeld kapelaans ook andere theologisch geschoolde pastoraal medewerkers m/v en bedienaars van sacramenten te zijn die pastor (meervoud pastores) worden genoemd.
Pastorie: In het Middelnederlands betekende pastoorije pastoorschap (het ambt van pastoor), parochie of kerk. Pastoorije is mogelijk afgeleid van pastoor zoals kosterij van koster, maar kan ook direct ontleend zijn aan het middeleeuws-Latijnse woord pastoria (plaats waar de herder woont).
Vroeg in de 16de eeuw was pastorie nog courant in de betekenis pastoorschap. De hervormers veranderden weliswaar de leer die in de kerken werd verkondigd maar namen een deel van het kerkelijk jargon over. Zo werd pastorie behalve pastoorschap ook predikantsplaats. De betekenis ambtswoning (eigendom van de kerkelijke gemeente) van dominee of pastoor dateert uit de 18de eeuw. In de zuidelijke delen van ons taalgebied bleef naast pastorie ook pastorij gewoon, vooral ter aanduiding van de pastoorswoning.

[81] LIJDEN/OVERLIJDEN
Onlangs vertelde een uitvaartleider dat degene die gestorven was ‘over zijn lijden heen’ was. Het was een mooi voorbeeld van volksetymologie en de uitvaartleider zal zeker niet de enige zijn die het werkwoord overlijden in verband brengt met lijden in de betekenis pijn hebben of in ellende verkeren.
In werkelijkheid is overlijden afgeleid van lijden toen dat werkwoord nog niet pijn hebben, maar simpelweg (weg)gaan betekende. Overlijden wil dus niet zeggen dat het leed geleden is, maar dat de gestorvene is ‘overgegaan’ naar een andere toestand.
In het Oudnederlands (ongeveer tot de 10de eeuw) betekende lijden uitsluitend gaan, maar in het Middelnederlands (vanaf de 12de eeuw) kreeg het woord al snel de betekenissen waarin we het nu gebruiken, zoals verdragen, pijn hebben en verdriet ondervinden. Regionaal is lijden nog wel tot rond 1900 in gebruik gebleven in de betekenissen voorbijgaan en duren (‘het zal nog een hele tijd lijden, eerdat de schapen over de brug zijn’).
De oorspronkelijke betekenis van lijden ligt behalve aan overlijden ook ten grondslag aan diverse tijdsaanduidingen. Het voltooid deelwoord van lijden was aanvankelijk leden en hiermee zijn woorden als verleden (de tijd die voorbijgegaan is, de historie) en jongstleden gevormd. Ook geleden, zoals dat voorkomt in combinaties als lang, kort, pas, een eeuwigheid, drie dagen of een jaar geleden, is afgeleid van lijden in de betekenis ‘(voor-bij)gaan’. In die combinaties wil geleden dus eigenlijk zeggen dat er zoveel tijd overheen gegaan is sinds het genoemde is gebeurd.

[82] HERFST
Waarom staan er in herfst vier medeklinkers achter elkaar
Dat is een gevolg van slijtage. Oorspronkelijk werd tussen die medeklinkers een klinker uitgesproken. Je kunt dat zien aan een Oudnederlands woord dat een kleine duizend jaar geleden moet zijn opgetekend: hervistmanoth, ‘herfstmaand’. Volgens de schrijver was dat november. Misschien vergiste hij zich, menen commentatoren: september (waarnaar het Oudhoog-duitse woord voor ‘herfstmaand’ verwijst) lag meer voor de hand. Ook een paar honderd jaar later had herfst nog steeds een tweede klinker: ‘het begin van de herfst ‘ was in de dertiende eeuw des her-vests beghin en voor ‘herfstbelasting’ was hervestbede in gebruik.
De oudste betekenis van herfst moet, te oordelen naar verwante woorden in o.a. het Grieks en het Latijn, ‘tijd waarin men plukt’ zijn geweest. Ze is, net als de twee klinkers trouwens, beter bewaard gebleven in het Engelse harvest (‘oogst’ maar ook ‘oogsttijd’).
Een record vormt de aaneengesloten reeks van vier consonanten in woorden als herfst en ernst (Oudnederlands ernost ‘intensiteit’) niet. Angstschreeuw heeft er zes op een rij. In zijn ‘Opperlans woordenboek’ telde Battus (Hugo Brandt Corstius) hierin ‘acht medeklinkers’ maar dat zijn er twee te veel: de /ng/ vertegenwoordigt immers, net als de /ch/, maar één spraakklank. Eentje meer heeft Battus’ herfstschroeforchis (een orchidee) en dat wordt overtroffen door het nog zeldzamere borsjtsjschranser (‘iemand die zich gretig te goed doet aan een Russische soep’).

[83] RENDIER
De Germaanse geschiedenis van ren in rendier begon met een woord dat meer dan duizend jaar geleden in diverse vormen in Germaanse talen voorkwam: hrains in het Gotisch, hran (met een lange a) in het Oudengels en hrein in het Oudnoords (de moeder van de Scandinavische talen). Die woorden benoemden het dier naar zijn gewei, want ze betekenden letterlijk ‘gehoornd (dier)’.
In het Oudnoords werd daar ter verduidelijking ‘dier’ aan toegevoegd: hreindyri. Het was deze samenstelling die onder andere het Duits en het Engels overnamen: Reenthier (Duits) en rayne-dere of reyndere (Engels, nu reindeer). Omdat ze ten onrechte een verband met rennen veronderstelden, maakten de Duitsers er in de zeventiende eeuw Rennthier (nu Rentier) van. In navolging hiervan is, niet veel later, rendier in het Nederlands terechtgekomen. Engelstaligen begingen de vergissing niet. Hun reindeer, ‘betekent in feite hert-hert’. Rein gaat immers terug op het oeroude woord voor ‘dier met een gewei’ en deer heeft dezelfde betekenis. Hierbij past wel een kanttekening. Deer lijkt sterk op ons dier en dat is geen toéval. Aanvankelijk betekende het ook ‘dier’. Pas in de loop van de Middeleeuwen werd de toepassing beperkt tot ‘hert’, vanwege de populariteit van de Engelse jacht op dat dier.

[84] SCHELDEN
Schelden is een fysieke uitlaatklep van emoties. 
Is het toeval dat mannen die niet willen deugen nogal eens worden aangeduid met een woord dat met sch begint?  Schavuit, schelm, schoft, schooier, schorremorrie, schurk,  schobbejak, schoelje, schorem. Vaak dienen zulke woorden als scheldwoord. De legendarische taalletterkundige C.G.N. de Vooijs schreef dat de klank dch  ‘willekeurig gerekt’ kan worden, waardoor het uitspreken van deze scheldwoorden ‘doet denken aan sissen en spuwen, uitingen van minachting en afkeer’. De extra inspanning die de ‘rekking’ bij het uitspreken van zulke scheldwoorden vergt, is met andere woorden dus de fysieke uitlaatklep voor het gevoel van afkeer en afkeuring.
Maar niet alleen sch, ook andere medeklinkers waarvan het uitspreken gepaard gaat met een wrijvend, sissend of fluitend geluid, de zogeheten wrijfklanken of fricatieven (zoals ch, f en s), zijn populair in de scheldwoordenschat. Of beter gezegd in dat deel van de woordenschat dat bestaat uit scheldwoorden, vloeken en andere krachttermen. Dat verklaart ook waarom we de geleende krachttermen fuck en shit de laatste jaren zo gemakkelijk in onze taal hebben geïntegreerd: dankzij hun beginklanken zijn ze immers ideaal om met de gewenste afkeurende expressie te worden uiigesproken

[85] SOUTERRAIN/TERRIËR
‘Souterrain’ (verdieping die [half] onder de begane grond ligt) wordt soms gespeld als ‘sousterrain’. Dat lijkt logisch want het Franse woord voor ‘onder’ is ‘sous’. Waarom laten we in onze spelling de tweede s weg? Omdat de Fransen dat al gedaan hadden, toen Nederlanders een eeuw of twee geleden het woord van hen overnamen. Souterrain was toen al heel lang de gangbare Franse vorm.
In de geschiedenis van het Frans heeft sous (onder) als voorvoegsel wel vaker zijn tweede s verloren. Vergelijk soumettre (o.a. onderwerpen) en soutenir (o.a. ondersteunen) met sous-entendre (te verstaan geven) en soustraire’ (o.a. aftrekken)
Een achttiende-eeuws woordenboek gaf als regel dat je de slot -.s van sous weglaat als het woorddeel erna met een medeklinker begint, zoals in sou-maître (hulponderwijzer). Maar er waren toen al uitzonderingen en het zijn er sindsdien meer geworden. Fransen die het nu nog over een hulponderwijzer hebben, moeten sou-maitre spellen.
Souterrain was aanvankelijk een Frans adjectief (‘ondergronds’). Omstreeks 1700 werd het een zelfstandig naamwoord. Als zodanig kwam het in de negentiende eeuw ook in het Nederlands terecht, voor een ‘onderaardsch gewelf of vertrek’.

Terrain gaat terug op het Latijnse terra (aarde). Het is bij ons meestal terrein geworden. Terra ligt ook ten grondslag aan ons terras, terrarium (bak voor o.a. reptielen en planten) en zelfs terriër. Terriër, hond van aardewerk)? Nee, dat niet. We plukten het woord uit het Engels, dat op zijn beurt het Franse chien terriër (‘hond die dieren uit hun holen – terriërs -jaagt) gehalveerd had.

[86] LAZARUS
Dankzij welke Bijbelse Lazarus heten mensen die te veel gedronken hebben soms ‘lazarus’?
Het Nieuwe Testament kent twee figuren met de naam Lazarus. Een arme man met lepra die figureert in Jezus’ gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. En Lazarus, de broer van Maria en Martha, die door Jezus uit de dood wordt opgewekt.

Aan de leprapatiënt Lazarus hebben we de uitdrukkingen zich het ape-lazarus schrikken en zich het leplazarus werken te danken, evenals de enigszins in onbruik rakende vergelijking zo arm als Lazarus.
Lazaret, een oude naam voor een ziekenhuis, gaat ook terug op deze Bijbelse figuur, evenals lazer en lazerij -oorspronkelijk een ziektenaam, later een woord voor het al dan niet door ziekte aangetaste lichaam – in de uitdrukking iemand op zijn lazer(ij) geven: een pak slaag geven.
Aan de uit de dood opgewekte Lazarus danken we onder meer het woord lazarussoort (diersoort waarvan werd aangenomen dat hij uitgestorven was als er toch weer een representant van wordt aangetroffen).

Ook lazarus zijn in de betekenis dronken zijn gaat vermoedelijk op deze Lazarus terug. Soms wordt lazarus/Lazarus verklaard door twee associaties ervan door elkaar te husselen: opgewekt in de betekenis uit de dood opgestaan en opgewekt in de betekenis vrolijk als gevolg van dronkenschap. Een aannemelijker uitleg is gebaseerd op een overeenkomst tussen de dronkenman en de dode: beiden hebben geen bewustzijn meer en zwalken na hun opstanding (Lazarus) dan wel hun roes (de dron-lcenman) eerst suf rond voor ze weer gewoon kunnen functioneren.

[87] HYSTERISCH
De man wordt hysterischer per uur’, zo typeerde Mark Rutte de Turkse president Erdogan nadat dit bevriende staatshoofd afgelopen dinsdag in het Turkse parlement Nederlanders een ‘verdorven karakter’ had toegedicht en ons land ervan had beticht 8ooo Bosniers te hebben ‘afgemaakt’.
Hoewel hysterisch onmiskenbaar een negatieve lading heeft, was Ruttes typering nog behoorlijk diplomatiek. In deze context betekent hysterisch immers niet veel anders dan ‘overdreven emotioneel’ of‘overspannen’.
Tegenwoordig kun je van zowel mannen als vrouwen zeggen dat ze zich hysterisch gedragen, maar toen het woord nog maar net courant was, werd het vooral voor vrouwen gebruikt
Geen wonder, want hysterisch is afgeleid van hysterie en oorspronkelijk was dat een medische term voor een ‘met het geslachtsleven samenhangende zenuwziekte bij vrouwen’. Aan het begin van de 20ste eeuw omschreef Van Dale hysterie zelfs nog als een vorm van ‘sexueele overspanning’. Hysterie is dan ook afgeleid van de Laatlatijnse term hystericus (‘lijdend aan kramp in de baarmoeder’), die via via teruggaat op het Griekse woord voor baarmoeder (hustera).
Al vrij snel na de introductie in onze taal, aan het begin van de 19de eeuw, werd hysterisch steeds vaker figuurlijk gebruikt in de betekenis ‘overdreven emotioneel’. In die betekenis is hysterisch weliswaar een sekse-of genderneutrale typering, maar in de praktijk wordt deze typering nog steeds vaker gebruikt voor vrouwen dan voor mannen. Dat maakt de typering hysterisch voor de macho Erdogan toch enigszins opmerkelijk.

[88] DOOR DE HELFT
Een plank halveren -zo, simpel is dat nog niet. Althans niet in taal. Want zaag je de plank dan doormidden, door midden (in twee woorden) of middendoor?
Volgens het woordenboek betekenen al deze varianten dat een voorwerp ‘in tweeën’, dat wil zeggen in twee ongeveer gelijke stukken, wordt verdeeld. Wat daarin niet staat, is wat de timmerman zegt. Die meet wat ‘het’ midden van de plank is en zaagt het hout dan door ‘de’ midden.
‘Door de midden’ is typisch spreektaal. Misschien zegt u het zelf ook wel. Maar zodra u erover schrijft, laat u ‘de’ weg.
‘Door de midden’ is een spreektalige contaminatie van ‘door midden’ en ‘door de helft’, maar ook die laatste uitdrukking wordt soms bekritiseerd.
‘Iets door de helft delen’ is van oorsprong mogelijk een contaminatie van ‘iets door midden delen’ en het archaïsme ‘iets in de helft doen’, maar omdat we ‘door de helft delen’ nu al een eeuwlang gebruiken, heeft kritiek geen zin. Als iets door de helft gaat, gaat het dus in tweeën en zijn er twee helften, wellicht zelfs een grootste en een kleinste helft.

[89] EXTRAVERT
‘Een extraverte vrouw’, zo werd Adèle Bloemendaal afgelopen zaterdag in de bijlage Tijd genoemd. Niet één keer, maar liefst drie keer spelde de krant extravert als extravert. Dat was dus geen toevallige, maar een systematische verschrijving, die bovendien verklaarbaar is.
Extravert is samengesteld van extra (Latijn voor buiten) en het voltooid deelwoord van het Latijnse werkwoord vertere (keren). Letterlijk betekent extravert dus naar buiten gekeerd. Het woord duikt rond 1930 op in onze taal dankzij belangstelling voor de psychologie, vooral van Jung. Aanvankelijk werd in plaats van extravert soms geëxtraverteerd gebruikt maar dat woord is nooit courant geworden. Dat extravert vaak met een o gespeld wordt, komt mede doordat het een tegenstellingenpaar vormt met introvert, dat wél met een o geschreven moet worden. Bovendien spellen sommige omringende talen (Italiaans, Zweeds) het woord met een o, terwijl enige andere talen (Engels en Spaans) varianten met a en o kennen, waarvan die met een o (bv. extrovert in het Engels) het gewoonst is. Dat zijn verzachtende omstandigheden voor onze, eigenlijk onjuiste spelling van extravert met een o.

[90] WETEN/KENNEN
Op het eerste gezicht is ‘ik weet iets’ ruwweg hetzelfde als ‘ik ken iets,’ maar ‘weten’ kun je met een bijzin gebruiken en ‘kennen’ niet (wel: ‘Ik weet dat het regent’; niet: ‘Ik ken dat het regent’). Met een onbepaalde enkelvoudige zelfstandigheid kan het vaak allebei (‘ik ken een loodgieter’ en ‘ik weet een loodgieter’) maar bij bepaald of meervoud loopt het weer uit elkaar (wel ‘ik ken die loodgieter,’ maar ‘ik weet die loodgieter’ of ‘ik weet loodgieters’ is gek).
Het lijkt erop dat ‘kennen’ betekent dat je kennis hebt van eigenschappen van een complexere zelfstandigheid. Bij ‘weten’ gaat het erom dat je enige kennis hebt als resultaat van onderzoek (‘weten’ is etymologisch ontstaan uit ‘gezien hebben’). Zeg je ‘ik weet een loodgieter,’ dan zeg je dat je een loodgieter gevonden hebt. Bij ‘ik ken een loodgieter’ zeg je alleen dat je kennis hebt van nadere details (naam, adres, reputatie). Er hoeft geen sprake te zijn geweest van een zoektocht.

[91] MUZELMAN, MOSLIM, MOHAMMEDAAN
Muzelman is een archaïsch woord. Onderwijzers gebruikten het tot in de ja-ren zestig bij de behandeling van historische gebeurtenissen zoals de slag bij Poitiers. Hoewel het destijds nog niet de schertsende of licht negatieve bijklank van nu heeft, benadrukte dit woord wel de exotiek van de gelovigen die we destijds behalve moslims meestal mohammedanen noemden.
Etymologisch gezien is muzelman een variant van moslim. Dat laatste woord wordt pas sinds het einde van de r8de eeuw in onze taal aangetroffen en is rechtstreeks ontleend aan het Arabische woord muslim (letterlijk ‘hij die zich onderwerpt’). Muzelman is veel ouder. Het is een i6de-eeuwse vernederlandsing van het Franse woord musulman, dat in Frankrijk nog altijd courant is ter aanduiding van een moslim. Het Frans heeft dat woord rond 1550 ontleend aan de Turkse meervoudsvorm müslüman, die op zijn beurt teruggaat op een min of meer gelijk klinkende Perzische woordvorm die met het achtervoegsel -dn (dat in het Perzisch personen en andere bezielde wezens aanduidt) afgeleid is van het Arabische woord muslim.

In het Frans werd de Turkse meervoudsvorm müslüman geherinterpreteerd als enkelvoud. Dat kwam het Nederlands goed uit, want hierdoor kon het laatste deel van muzelman worden opgevat als ons woord man en kon een grapjas Sheherazade dus schertsend omdopen tot ‘de schoonste aller muzelvrouwen’.

[92] RELIGIE
De oude Romeinen verschilden al van mening over de etymologie van religio. De meest aannemelijke verklaring gaf de Romeinse filosoof Cicero (106-43 v. Chr.), die in ‘De Natura Deorum’ (‘Over de aard van de goden’, ca. 45 v. Chr.) religio afleidde van het werkwoord relegere (herlezen). Wie deze uitleg volgt, kan religie opvatten als een vorm van (collectieve óf individuele) reflectie of meditatie of als naleving van goddelijke voorschriften.
Veel populairder onder theologen is de uitleg – onder meer te vinden bij de vroegchristelijke schrijver Lactantius (ca. 250-320) en kerkvader Augustinus (354-430) – waarbij religie wordt teruggevoerd op het werkwoord religare, dat (samen)binden of verbinden betekent.

Met deze woordverklaring kunnen gelovigen én ongelovigen letterlijk alle kanten op. Sommigen leggen de nadruk op de verticale richting van de ‘verbinding’ en beschouwen religie als (een poging tot het leggen of herstellen van) een verbinding of band met God of althans het hogere. Anderen – zowel gelovigen als ongelovigen – leggen juist het accent op de horizontale richting en benadrukken dat het in religie gaat om de samenhang tussen mensen: in godsdienstige zin om de geloofsgemeenschap, in seculiere zin om de sociale cohesie tussen de leden van een maatschappij.

[93] SABOTAGE
Het woord ‘sabotage’ is afkomstig van het Franse woord ‘sabot’ (klomp, schoen). 
Tijdens de industriële revolutie werd weleens een klomp in een machine gegooid om de boel te vertragen.

[94] ALGORITME
Algoritmen hebben we te danken aan een wijze uit het Oosten. 
In de krant lezen we geregeld dat ons leven meer en meer wordt beheerst door algoritmes. Of algoritmen, al neemt de populariteit van dat meervoud de laatste jaren enigszins af.
Hoewel we bij een algoritme (een rekenschema ofwel een systematische manier om iets te berekenen) nu meteen geneigd zijn te denken aan computernetwerken die op basis van de gegevens die wijzelf op internet achterlaten razendsnel berekenen in welke producten of mensen we mogelijk geïnteresseerd zijn, bestond het woord algoritme al eeuwen voordat het computertijdperk aanbrak.
Het Nederlands heeft het woord ontleend aan het middeleeuws Latijnse woord algorithmus, dat een nevenvorm is van het Latijnse woord algorismus. In de Middeleeuwen was dat de naam voor rekenkunde met Arabische cijfers. Die Arabische cijfers zijn trouwens niet in de Arabische wereld ontstaan, maar in India.
Europa kwam met de Indische cijferkunst in aanraking via een Arabische wetenschapper: Aboe Ja’far Mohammed ibn Musa Al-Chwarizmi (780-850). Deze wiskundige stond in de Middeleeuwen bekend als Al-Chwarizmi, letterlijk ‘de man uit Chwarizmi’ (een nu in Oezbekistan gelegen stad in het voormalige Perzische rijk). Zijn verhandelingen over de Indische cijferkunst werden in het Latijn bekend als Algorismi de numere Indorum, dat je zou kunnen parafraseren als ‘Al-Chwarizmi over het rekenen met Indische cijfers’. Onder invloed van het Griekse woord arithmos (getal) werd Algorismi verbasterd tot Algoritmi. Die term werd vervolgens uitgelegd als ‘manier van rekenen’, waardoor algorithmus de Latijnse naam werd voor rekenkunst.

[95] ZWEREN
Uit het oogpunt van vervoeging zijn zweren, afzweren en samenzweren beruchte werkwoorden. Als zweren verwijst naar een abces of een ontsteking luidt de verleden tijd zwoor (of zweerde), maar als zweren verwijst naar een plechtige belofte of eed, luidt de verleden tijd zwoer (of zweerde). Het voltooid deelwoord is in beide gevallen afgezworen.
Naar analogie hiervan zou je verwachten dat afzweren op vergelijkbare wijze mag worden vervoegd, maar volgens het Groene Boekje mag je afzweren zowel sterk (zwoor af) als zwak (zweerde af) vervoegen wanneer het om ledematen gaat die door verzwering afvallen (‘Zijn vingers zworen/zweerden af’), maar mag je afzweren alleen sterk vervoegen als het een gewoonte betreft die je opgeeft (‘ik zwoer al jong de drank af’). Samenzweren, dat net als afzweren in de betekenis ‘een gewoonte opgeven’ gevormd is met zweren in de betekenis ‘een eed doen’, mag volgens het Groene ’ Boekje alleen sterk worden vervoegd.
In de praktijk tref je allerlei varianten aan. In kranten wordt samenzweren bijvoorbeeld geregeld zwak vervoegd (‘…dat hij met militairen samenzweerde’). Die variant is zelfs zo ingeburgerd, dat het wachten alleen nog is op erkenning ervan door de Woordenlijst en de woordenboeken. Afzweren wordt vooralsnog in de media nauwelijks zwak vervoegd, maar vaak wordt wel ‘zwoor af’ gebruikt als ‘zwoer af’ bedoeld is. Zo schreef Trouw afgelopen maandag over iemand die was afgestapt van zijn idee dat Je voor het huwelijk niet mag zoenen: ‘hij zwoor zijn oude boodschap af’. Die vervoeging leidt bij lezers nog wel tot irritatie.

[96] BINGEN
Bingen kun je op allerlei manieren doen
V
oor veel mensen was de kerstvakantie de ideale tijd om te bingen. Niet in de zin van bingedrinken (coma-zuipen), maar van binge-watchen: een complete serie bekijken op Netflix, dvd of video in enige lange sessies. Marathonkijken heette dat vroeger. Critici noemen deze activiteit nu comakijken.
Toen bingen (uitgesproken als binzjen) ruim tien jaar geleden courant werd, fungeerde dit werkwoord aanvankelijk, geheel in lijn met to binge in het Engels, ter aanduiding van onmatige consumptie van voedsel of sterke drank (binge-eten of bingedrinken). Aangenomen wordt dat het Engelse origineel eerst een vakterm voor bevochtigen of doorweken was: houten vaten of boten werden vroeger soms langdurig bevochtigd met of geheel ondergedompeld in water om het hout te laten uitzetten, waardoor de vaten en boten waterdicht werden. Pas later werd to binge figuurlijk gebruikt voor zuipen. Het Engelse dialectwoordenboek (‘Leicestershire Words, Phrases, and Proverbs’ uit 1848) dat dit werkwoord als eerste uitvoerig omschreef, veronderstelt dat to binge is terug te voeren op het Duitse woord benetzen (bevochtigen).
Net als in het Engels is het werkwoord in onze taal volop in ontwikkeling. Zo is bingen volgens Van Dale onovergankelijk (‘we zitten te bingen’), terwijl het de afgelopen tijd in de media vaak – in navolging van het Engels (‘binging Netflix’) – overgankelijk werd gebruikt (‘we zitten Netflix/Twin Peaks/een nieuwe serie te bingen’). Ook treffen we het eerste deel van bingedrinken en -kijken nu ook aan in andere samengestelde werkwoorden, zoals bingegamen, bingelezen en bingeluisteren. tdb@taalbank.nl

[97] QUARANTAINE
Van oorsprong heeft het woord quarantaine betrekking op een periode van veertig dagen. Dit Franse leenwoord, dat rond 1650 onze taal kwam verrijken, is namelijk afgeleid van het Franse telwoord quarante (veertig) en betekent in essentie periode van veertig dagen. Het raakte rond 1600 in zwang ter aanduiding van de isolatie van mogelijk besmette personen, zaken of dieren. Dat gebeurde onder invloed van het Venetiaanse woord quarante-na (een variant van Italiaans quaranta giorni: veertig dagen). Dat diende sinds de veertiende eeuw ter aanduiding van de isolatie van schepen uit verre landen die de haven van Venetië aandeden. Zulke schepen werden – geïnspireerd op de veertigdaagse vastenperiode – veertig dagen geïsoleerd om verspreiding van besmettëlijke ziekten te voorkomen. 

[98] VIRAAL
Het bijv.nw. van virus. Tegenwoordig veel gebruikt om aan te geven dat iets (met de snelheid waarmee een virus zich verspreidt) zich razendsnel over het internet verspreidt. Een bericht(je) gaat dan viraal; Engels ‘to go viral’. Ook in het Nederlands hoor en lees je dat iets ‘viral’ (vairel) gaat.

[99] TIJDSLOT
Wie nu naar een museum wil, de dierentuin, een pretpark of in een restaurant wil eten, krijgt te maken met een tijdslot (tijd-slot: meervoud: tijdslots).
Het is de tijd waarop je naar binnen mag – bijv. vanaf 11.00u tot 11.30u.

Daaruit kan je al opmaken dat het woord =slot= niet slaat op ‘gesloten zijn’.

Er is natuurlijk wel een tijdslot met de betekenis van gesloten zijn, bijv. bij een kluis: het duurt enige tijd voordat het slot eraf is, dus de kluis kan na enige tijd geopend worden.

Het andere tijdslot is een vertaling uit het Engels: timeslot, waarbij ‘slot’ verwijst naar een opening tussen perioden dat iets gesloten is: een periode waarin een deel van het luchtruim open is voor een vliegtuig of waarin een locatie (of de trein) geopend is voor een specifieke groep.

Het aan het Engels ontleende woord tijdslot heeft niets te maken met ons oude vertrouwde woord slot en is ook niet etymologisch verwant met sluiten. De oorspronkelijke betekenis van het Engelse woord slot is namelijk holte, gleuf, groef en vervolgens opening. Het Engels heeft slot ontleend aan esclot (hoefafdruk van een paard of hert) in het Oud-Frans.
Je treft dit woord ook aan in slot-machine (gokautomaat, trekkast). Daarin verwijst slot naar de gleuf waar je een munt in gooit.

[100] UITSPRAAK UUR/UREN E.D.

Hoe spreek je 5,5 maanden uit? We zijn geneigd te zeggen: vijf en een halve maand. Maar fout is het niet om te zeggen ‘vijf en een halve maanden’.
Bij getallen met decimalen, als je die door een naamwoord kan vervangen wordt bijv.  1,5 of 2,5 dagen anderhalve respectievelijk twee en een halve dag, 3,25 weken wordt drie en een kwart week, 4,5 jaren wordt vier en een halfjaar en 5,75 eeuwen wordt vijf (en) driekwart eeuw. Zelfs 3,2 eeuwen zou je kunnen uitspreken als drie en twee tiende eeuw.
Als voor dag, week, maand en eeuw een getal met decimalen staat, zullen deze woorden meestal in het meervoud staan: 13,5 dagen, weken, maanden, eeuwen. Het woord jaar vormt een uitzondering: 13,5 jaar is minstens zo gewoon als 13,5 jaren. Dat komt omdat jaar in het meervoud onveranderd kan blijven. Je zegt immers ook dat iemand vijftig jaar is.
Bij uren en minuten is het gebruikelijk om het enkelvoud aan te houden: 4, 5 uur, maar het meervoud kan ook.

[101] STOL 

De kerststol werd voor het eerst genoemd in een krant in 1875. De Amsterdamse bak­ker A. Katterfeld prees zijn ‘Sachsische Thühringer Weihnachts-Stollen’ aan. Naar verluidt bakte hij die aan­vankelijk uit nostalgie naar de Hei­mat, want Katterfeld was Duitser van geboorte.
Het Duitse woord Stollen (ook wel: Stolle) vormt de oorsprong van ons woord (kerst)stol. Meestal wordt daarmee verwezen naar een langwerpig halfrond kerstbrood. Die tunnelvormige gedaante heeft de kerststol wellicht te danken aan een andere betekenis van Stollen: mijngang of tunnel. Stollen zelf gaat trouwens terug op het Oud- Hoogduitse woord stollo, waarmee een paal of stut werd aangeduid.
In de twintigste eeuw heeft het leenwoord kerststol veel oudere namen verdrongen die voor onze traditionele kerstbroden in omloop waren, zoals kerstmik, kersttimp, kerstwegge of-wikke, deuvekater en het misschien hier en daar nog gebruikte woord kerststoet. Tradi­tionele broden die met deze namen werden aangeduid, worden al sinds de Middeleeuwen gebakken en gegeten. Op Duitse websites wordt een verband gelegd tussen de ge­vulde Weihnachts- of Christstollen en offergaven in de vorm van met vruchten gevulde broden die onze verre Germaanse voorouders rond de zonnewende (circa 21 decem­ber) aan hun goden brachten. Dat die offergaven tevens vruchtbaarheidssymbolen waren, zou blijken uit de overlangse kerf die onze moderne kerststol nog altijd siert. 

[102] ANDERHALVEMETERSAMENLEVING

Anderhalve meter

De woordgroep anderhalve meter hebben we te danken aan een eeuwenoude manier van tellen. In de Middeleeuwen werden niet alleen de hele, maar ook de halve getallen apart geteld: 0,5 was het eerste ‘half’, 1,5 heette anderhalf, 2,5 was het derdehalf (in het Middelnederlands: derdalf), 3,5 heette vierdehalf, 4,5 heette vijfdehalf enzovoorts. Hieruit valt op.te maken dat ‘ander’ tweede moet hebben betekend: 1,5 was dus het ‘tweede half’ (anderhalf) tussen 0,5 en 2,5 in.

Deze oorspronkelijke betekenis van ‘ander’ is terug te vinden in aardig wat samenstellingen en uitdrukkingen die we nog altijd gebruiken. Zo verwijst ‘de een en de ander’ eigenlijk naar de ene (of eerste) en de tweede persoon. Ook in de formule ‘eenmaal, andermaal’ (een eerste keer en een tweede keer) betekende ‘ander’ van oorsprong tweede, net als in ‘ten enenmale en ten anderen male’ (letterlijk: voor de eerste en de tweede keer), ‘om de andere dag’ (om de tweede dag, dus steeds een dag overslaand) en ‘enerzijds, anderzijds’ (aan de ene en aan de tweede kant).

De oude manier van tellen waarbij 2,5 derdehalf en 3,5 vierdehalf heette, is lang geleden in onbruik geraakt. Alleen anderhalf in de betekenis 1,5 is hiervan overgebleven. Dat anderhalf korter en couranter is dan een en een half, verklaart waarom we de 1,5-metersamenleving nu geen een-en-een-halvemetersmenleving gaan noemen, maar een anderhalvemetersamenleving.

[103] HOEVEEL KEER ZOVEEL

Hoeveel keer zoveel is tien keer meer?

Is tien keer meer hetzelfde als tien keer zoveel?
Hoe duur is iets dat drie keer duurder is dan iets anders?
Sommige taalgebruikers redeneren dat ‘een keer meer’ een keer en vervolgens nog een keer is, dus in totaal twee keer. Vanaf dat startpunt zou ‘twee keer meer’ volgens hen driemaal zoveel zijn, en ‘drie keer meer’ vier keer zoveel, enzovoorts.

Nu we ons met rekenkunst in plaats van taalkunde bezighouden, kunnen we deze redenering ook toepassen op ‘… zoveel’. Ook ‘één keer zoveel’ kan namelijk duiden op een verdubbeling. Misschien wel omdat ‘een keer’ synoniem is met ‘eens’, dat zowel eenmaal als tweemaal (‘eens zoveel’) betekent. Toch zal niemand de mogelijke verdubbeling van ‘een keer zoveel’ of ‘eens zoveel’ meetellen als hij verder telt: twee keer zoveel is het dubbele, driemaal zoveel het drievoudige.

Taal is geen algebra en ook geen rekenkunde. In de praktijk gaan taalgebruikers ervan uit dat tien keer meer net als tien keer zoveel het tienvoudige is, en dat iets wat drie keer duurder of drie keer zo duur wordt met drie vermenigvuldigd wordt. Beide type constructies – met zoveel en met meer – betekenen hetzelfde en zijn correct, al is er in schrijftaal wel een lichte voorkeur voor de combinatie met zoveel.
Dan de vraag of combinaties als tien keer meer/minder nieuwlichterij zijn. Nee, ‘duizendmaal meer’ en vergelijkbare combi’s tref je al in de 17de eeuw aan. Wel wijzen
frequentiegegevens erop dat combinaties als ‘twee, drie, tien keer meer/minder’ de laatste decennia meer ingeburgerd zijn geraakt.

[104] ORKAAN, TYFOON, CYCLOON

Het woord ‘cycloon‘ is afgeleid van het Griekse woord voor ‘cirkel’. Cyclonen zijn enorme, ruwweg cirkelvormige wervelstormen van vaak honderden kilometers doorsnee, die onstaan boven tropisch oceaanwater als dat warmer wordt dan 27 graden celsius.

Een ‘orkaan‘ is een cycloon die ontstaat boven de Atlantische Oceaan, met name boven het Caraïbisch gebied. Het woord is afgeleid van Huracan, de naam van een oude Mexicaanse dondergod.

Treedt een cycloon op boven de Stille of de Indische Oceaan, dan spreken we van een ‘tyfoon‘. Dat is de Engelse verbastering van een Chinese term die je ongeveer uitspreekt als ‘tai foeng’ en die zoveel betekent als ‘grote wind’. ‘Taifoen’zou dus eigenlijk een betere Nederlandse spelling zou zijn.

Overigens is ‘tyfoon ‘mogelijk ook afgeleid van de Griekse god Typhon, de ‘vader der winden’.

‘Orkaan’ en ‘tyfoon’ zijn dus verschillende namen voor hetzelfde verschijnsel die gebruikt worden in verschillende gebieden op aarde.

[105] INFLATIE

In deze tijd (januari 2022) horen we hoe de inflatie in vergelijking met afgelopen jaren, opmerkelijk hoog is. En regelmatig lezen we iets over het ‘inflatiespook’ dat rondwaart.

Nu betekent het geldontwaarding en is een economische term.

Oorspronkelijk kwam het in het Nederlands terecht vanuit het Frans en was het een medische term voor ‘opgeblazenheid van de buik’. In Frankrijk kwam het woord vanuit het Latijn: inflare = opblazen.
Het ‘waardevermindering van geld’ kwam echter vanuit het Amerikaans-Engelse taalgebied, echter…door een Engelse vertaling vanuit het Frans

Inflatie is de inspiratiebron voor tal van woorden geworden:

deflatie (waarde-vermeerding van het geld),
reflatie (stimulering van de geldcirculatie),
stagflatie (economische stagnatie terwijl er inflatie optreedt)
en exotischer termen als agflatie (inflatie door stijging van voedselprijzen) en slumpflatie (plotselinge economische crisis die gepaard gaat met inflatie).

En zoals dat gaat in een taal: het  woorddeel flatie (meestal in de betekenis inflatie) wordt nu ook met inheemse woorden gecombineerd tot nieuwe samenstellingen, zoals krimpflatie, laagflatie, nulflatie en onlangs nog gasflatie (inflatie door stijgende gasprijzen). De kans is groot dat andere combinaties zullen volgen.

[106] SLAAF

We lezen wel dat ‘het Nederlandse woord verslaving verwijst’ naar het overbrengen van ‘slaafgemaakte Afrikanen naar Amerika’ door ‘verslaafde Europeanen’, maar slaven waren er al in de middeleeuwen.
Uit die prekoloniale periode dateert niet alleen ons woord slaaf, maar ook esclave (Frans), esclavo (Spaans, Portugees), schiauo (Italiaans) en slaue (Engels). Al deze taalvormen gaan terug op het middeleeuws Latijnse woord sclauus (‘onvrije persoon’), dat is afgeleid van Slavus. Letterlijk betekent Slavus iemand van Slavische herkomst, dat wil zeggen Balkanbewoner. Slavus is terug te voeren op het Oudkerkslavische woord slouo, dat woord of taal betekent.

De Balkanbewoners werden dus Slaven genoemd naar de taal die ze spraken.
In de middeleeuwen ontwikkelde deze naam van de Balkanbewoners zich tot een soortnaam voor onvrije mensen. West-Europeanen en heersers in het Midden-Oosten namen in de negende en tiende eeuw tijdens oorlogen en plundertochten vaak Balkanbewoners (Slaven) gevangen om hen als lijfeigenen (slaven) te verkopen: ze waren zeer in trek als arbeidskrachten. Zo werd Slavus in de betekenis ‘(tot lijfeigene gemaakte) Balkanbewoner’ ten slotte sclavus (lijfeigene, onvrije persoon). De eersten die slaaf werden genoemd, waren dus (witte) Europeanen.
Weliswaar zijn verslaafd en verslaven terug te voeren op slaaf, maar deze woorden hadden van meet af aan een figuurlijke betekenis: ‘afhankelijk’ respectievelijk ‘afhankelijk maken’. Slechts incidenteel is verslaven aangetroffen in de betekenis ‘tot slaaf maken’.

[107] KAMIKAZE

Het woord kamikaze komt uit het Japans. Het is een samenstelling is van kami (god) en kaze (wind). Kamikaze betekent letterlijk ‘goddelijke wind’ en diende vóór de oorlog als naam van een tyfoon die Japan in 1281 behoedde voor een aanval van de Mongolen. De naam van de in 1944 opgerichte zelfmoordeenheid van de Japanse luchtmacht verwijst bewust naar die ‘goddelijke wind’, omdat ook deze eenheid Japan moest behoeden voor de vijand.
In het Nederlands was kamikaze vooral een verkorting van kamikazepiloot: een Japanse piloot die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vliegtuig vol explosieven in zijn doelwit boorde. 
Nu verwijst kamikaze in veel samenstellingen naar een op zelfvernietiging gerichte of risicovolle handeling, zoals kamikazeseks (onveilige seks, bijvoorbeeld met iemand met een geslachtsziekte), kamikazesprong (sprong van grote hoogte), kamikazestrategie of-tactiek (gevaarlijke strategie). Als het tweede deel van de samenstelling een onbezield voorwerp aanduidt, komt de zelfvernietiging sterker naar voren kamikazekomeet (die op ramkoers ligt met een groter hemellichaam), kamikaze-robot en kamikazesoftware (die zichzelf onbruikbaar maakt na het uitvoeren van een taak.
En nog sterker: zelfmoordacties: zoals kamikazeaanslag en kamikazeterreur.

Onbemande, op afstand bestuurbare luchtvaartuigen die bij hun doelwit exploderen en daarbij ook zichzelf vernietigen, heten nu kamikaze-drones. 

[108] GEITENWOLLEN SOKKEN

De dragers ervan zijn in de ogen van anderen die niet de mening of leefwijze van die anderen delen, vaak ‘wollige’ types, alternatief, links, gespeend van de nodige realiteitszin enz. Er is een tijd geweest dat ook vrijeschoolouders versleten werden voor ‘geitenwollen sokkendragers’.

Kijken we naar het woord op zich dan doet zich iets merkwaardigs voor: een geit levert geen wol.
Schapenwollen sokken kan wel, de geit heeft haar. Daar kun je wel wat van maken, natuurlijk, maar geen wollen sokken. Van dat haar kun je wel (brei)garen spinnen en dat wordt dan in de volksmond weer wel wol wordt genoemd.

Zo worden de haren van de angorageit gesponnen tot, nee niet tot angorawol (want dat komt van een konijn), maar tot mohair. Dat heette vroeger trouwens kemelshaar (kameelhaar), want de angorageit heette in oudtestamentische tijden een kemelsgeit, welk woord u niet moet verwarren met kameelgeit, want daar werden vroeger lama’s mee aangeduid.
Zeker, wel verwarrend.

[109] ZAPPEN

Zappen is een Engels leenwoord, dat in de brontaal afkomstig is uit de wereld van de comics (komische stripverhalen). Net als ‘floep’ en ‘zoef’ is zap van oorsprong een klanknabootsend woord. In strips diende het onder meer ter aanduiding van het geluid van iets dat snel verdwijnt of snel passeert. Van de naam van een geluid veranderde het in de naam van een handeling: snel ergens langs gaan. Door die betekenisontwikkeling konden ‘to zap’ in het Engels en ‘zappen’ in het Nederlands de huidige rtv-betekenis krijgen: steeds een ander tv-kanaal kiezen en daar maar kort naar kijken. Kanaalzwemmen werd dat ook genoemd, maar dat woord hoor je nu niet vaak meer in deze betekenis.

Zappen zelf heeft zich diep in onze woordenschat genesteld en is nu niet alleen een onderdeel van ons kijkgedrag, maar van ons gedrag in het algemeen. Onze cultuur, gekenmerkt door vluchtige informatieoverdracht tussen mensen met slechts een korte aandachtsboog, wordt niet voor niets een zapcultuur genoemd.

[110] RINS

Wat rinse appelstroop te maken heeft met panta rhei

Rins is een variant van Rijns, dat soms nog wordt aangetroffen in de combinatie Rijnse wijn (Rijnwijn, d.w.z. wijn uit het stroomgebied van de Rijn). Die wijn stond vroeger bekend om de enigszins zure, maar aangename smaak. Naar analogie daarvan werden sommige andere levensmiddelen met een licht- of friszure smaak vervolgens ook ‘rijns(ch)’ of ‘rins’ genoemd: rinse appels, peren, druiven, marmelade.
Rins verwijst dus naar de smaak van appelstroop, niet naar de consistentie (vast of vloeibaar).
Tot pakweg 1950 had rins trouwens een breder betekenispalet en werd het woord ook gebruikt ter omschrijving van gewaarwordingen met het reukorgaan: rinse geuren. Dichters breidden de betekenis van het woord zelfs nog verder uit. Zo schreef Jan Greshoff ooit te hunkeren ‘naar wat rinsche lucht’, dat wil zeggen: naar frisse lucht.
Rins gaat dus terug op de naam van een rivier, maar tussen die riviernaam en rennen/rinnen is er wel een connectie, althans als je diep graaft in de ontstaansgeschiedenis van beide woorden. Die zijn namelijk allebei terug te voeren op de veronderstelde Indogermaanse taalvorm rei of ri (vloeien, stromen). De Rijn is dus genoemd naar de voortdurende beweging van het water in de rivierbedding. Via de Indogermaanse taalvorm rei is onze Rijn zelfs verwant met de godinnennaam Rhea (de moeder van Zeus). Én met de uitspraak ‘panta r(h)ei’ van de Griekse filosoof Herakleitos. Die uitspraak, die we kennen als metafoor voor de gedachte dat alles voortdurend aan verandering onderhevig is, betekent namelijk ‘alles stroomt’.

[111] BILJOEN en het Engelse TRILLION

In het Nederlands noemen we een 1 met 12 nullen biljoen.
De reeks 1, 10, 100, 1000, 10.000, 100.000, heeft vanaf 6 nullen miljoen; 9 nullen miljard; 12 nullen biljoen en 15 nullen biljard, 18 nullen triljoen, 21 nullen triljard, 24 nullen quadriljoen, 27 nullen quadriljard.
In Angelsaksische landen (VS, VK),wordt miljard a.h.w. overgeslagen en krijgt billion 9 nullen; trillion 12) en quadrillion 15.
De Europese notatie van miljoenen en miljarden is in de vijftiende eeuw bedacht door de Franse wiskundige Nicolas Chuquet en verfijnd door zijn landgenoot Jacques Peletier du Mans. Zij bedachten het systeem waarbij een miljoen tot de tweede een biljoen werd (van bis, een miljoen keer een miljoen (106 x 106), is een biljoen (1012). En evenzo werd een miljoen tot de derde (tre of trois, een miljoen keer een miljoen keer een miljoen) 1018, ofwel een triljoen.
Dit heet de lange schaal. Voor de tussenliggende stappen werd het achtervoegsel ‘-ard’ ingevoerd, voor duizend maal. Duizend keer een miljoen werd zo een miljard. Duizend keer een biljoen werd een biljard, etcetra.
Heel Europa gebruikte deze methode, behalve… Frankrijk zelf. Die hanteerde de zogenoemde korte schaal (miljoen: 6 nullen, biljoen 9 nullen, triljoen 12 nullen etc). Pas in 1961 accepteerden ook de Fransen de Europese ‘lange’ manier van tellen, maar dat was nadat hun ‘korte’ variant de oceaan was overgestoken en vaste voet aan de grond had gevonden in de VS.
De Britten keerden uiteindelijk in 1974 de rest van Europa de rug toe om aansluiting te vinden bij de Amerikaanse notatie. 
Helaas is in de financiële wereld het Engels de lingua franca, en daarmee ook de Brits-Amerikaanse manier van het gebruik van de termen miljard en biljoen (ofwel: billion en trillion). 

[112] GELUKKIG NIEUWJAAR

(113) ON

Bv. in ondenkbeeldig. Dan is het nauwelijks voor te stellen. Soms wordt daar weer een ontkenning bijgevoegd: ondenkbeeldig. Dat maakt het dan weer wél voor te stellen. Bij onmogelijk heb je hetzelfde: het is niet mogelijk; niet onmogelijk is dan weer: wel mogelijk. 
Ondenkbeeldig kan beter vervangen worden door niet ondenkbaar.

[114] GROOMING

‘Grooming’ vond zijn oorsprong in de stallen van paarden. Nu is het Amerikaans, althans in de beteke­nis ‘(digitaal) kinderlokken’. Het moet de Chicago Tribune zijn ge­weest die in 1985 als eerste groo­ming bezigde voor de activiteiten van ‘vriendelijke monsters’, belust op seks met kinderen. Het woord is afgeleid van groom, dat in het middeleeuwse Engels ‘jongen’ en vervolgens ‘bediende’ betekende. Later werd die groom exclusief een paardenverzorger of een palfrenier en als zodanig be­landde hij ook in het Nederlands.
Van het werkwoord to groom (van­ouds ‘paarden verzorgen’) heeft on­ze taal ook een toepassing overge­nomen die buiten de werksfeer van stalknechten ligt. Iemand met een gesoigneerd uiterlijk kun je desge­wenst beschrijven als goed ge-groomd (ongeveer uit te spreken als /gegroemt/, met de tweede g als die van goal).
In het Engels verwijst to groom ook naar de bezigheden van wie ande­ren voorbereidt op een functie. Zo kan een politicus groomed (‘ge-groomd’) worden voor de rol van president. Groomed worden zelfs terroristen. Het hoofd van de Britse binnenlandse veiligheidsdienst constateerde in 2006 dat jonge Britse moslims groomed werden om zelfmoordaanslagen te plegen. Maar het zijn ook in Engeland en de VS vooral kinderlokkers, al dan niet via internet opererend, die grooming in het nieuws houden. Zelfs de makers van de tv-soap ‘Eastenders’ konden er niet om­heen: ze introduceerden een groomende pedofiel in de persoon van een vriend van de volwassen Bianca die het op haar tienerdoch­ter Whitney gemunt had.

[115] MARTELAAR

De neiging om martelaar te verwar­ren met folteraar, beul (en gijzelaar met bijvoorbeeld gijzelnemer) lijkt onuitroeibaar. Begrijpelijk is ze wel. Inwonersnamen als Brusselaar en Nijmegenaar daargelaten, verwij­zen de meeste woorden op -aar die voor mensen worden gebruikt im­mers naar doeners – van aarzelaar tot strompelaar. Tot de schaarse uit­zonderingen behoren bochelaar, kluizenaar, molenaar – en vanouds martelaar en gijzelaar. Ook de laatste twee zijn niet van werkwoorden afge­leid, maar van zelfstandige naam­woorden, die ‘folteraar’ en ‘gegij­zelde’ betekenden. Denk aan ‘de martela­ren van Gorcum’ en/of de zegswijze ‘het bloed der martelaren is het zaad der kerk’.

[116] GRAFISCH

‘Grafische beelden’ kunnen choquerend zijn. Sinds YouTube kunnen we onge­censureerd kennisnemen van de gruwelijkheden van de oorlog. ‘Onthoofdingsfilmpjes’ zijn een be­grip geworden en fungeren als wa­pen in de psychologische oorlog­voering van de djihadistische rebel­len in Syrië. Je hoeft de video’s zelf niet te zien om te snappen dat ze weerzinwekkend zijn. Bovendien, de typeringen op Facebook en el­ders op internet spreken boekde­len.
Daarbij valt nogal eens het woord ‘grafisch’. Er wordt gerept van ‘gra­fische beelden’, ‘video’s met veel grafische details’ en een filmpje waarin iemand ‘op grafische wijze wordt afgeslacht’.
Volgens het woordenboek betekent grafisch ofwel ‘betrekking hebbend op de druk- en prentkunst’, ofwel ‘in tekening’. Daarmee zijn de ‘filmpjes met grafische inhoud’ niet te verklaren. Grafisch is in de genoemde contexten dan ook een leenbetekenis, geïnspireerd op het Engelse woord graphic, dat ‘aan­schouwelijk’ en in het bijzonder ‘expliciet’ en zelfs ‘choquerend’ kan betekenen. De ‘grafische beel­den’ laten in dit geval niets aan de verbeelding over. Ze zijn wreed en bloederig.
Een anglicisme? Toch is er een gerede kans dat dit ‘anglicisme’ op termijn ingeburgerd raakt, al was het maar omdat het ook al figureert in tame­lijk officiële documenten Zoals de vertaalde ‘communitystandards’ van Facebook, dat onder het kopje ‘Grafische inhoud’ foto’s en video’s betitelt als ‘grafische beelden’ en zegt dat we daar niet al te scheutig mee moeten zijn.

[117] OPEISEN

Er wordt vaak gezegd: ‘de aanslag is opgeëist door’. Maar een aanslag kun je niet opeisen, de verantwoordelijkheid ervoor wel. Toch wordt een aanslag opeisen vaak gebruikt. En zelfs als de verantwoorde­lijkheid er wel bij vermeld wordt rijst de vraag waarom er zo weinig op die zinswending gevarieerd wordt. Keus genoeg: X stelt zich voor de aanslag verantwoordelijk. X meldt de aanslag te hebben gepleegd, X zegt de dader te zijn, enz.

[118] WIL of WILT

Waarom de t in ‘hij of zij wilt’ niet op zijn plaats is. Vondel gebruikte hij wilt al. De vorm was in de zes­tiende en zeventiende eeuw ‘tame­lijk frequent’ en in Vlaanderen en Nederlands Limburg nog ge­woon. De t is na hij of zij bijna altijd nor­maal (hij/zij fietst, geeft, loopt enz.). Vandaar ook hij wilt, maar daarin hoort hij vanouds – en in heden­daags verzorgd Nederlands – niet thuis. Dat zit, ietwat vereenvoudigd uitgelegd, zo. Vele eeuwen ge­leden werd willen niet gebruikt in de indicatief of aantonende wijs (die van hij fietst, leeft enz.) maar in de zogeheten wensende wijs of op­tatief, die we nog kennen in con­structies als lang leve de koning en moge hij komen. In die wensende wijs had, zoals de voorbeelden illu­streren, hij wil(le) geen t en zo is het, in verzorgde taal, gebleven. Nogmaals: naar analogie van hij fietst enz. is hij wilt niet zo vreemd. De vertalers van de Statenbijbel moeten zelfs tussen hy wilt en hy wil hebben geaarzeld. Was hun keus op de t gevallen, dan zou nu wellicht niemand over hij of zij wilt struikelen.

[119] WOU

Hij wou. Wou gaat terug op (hij) wolde, een oude nevenvorm van wilde. Lang geleden is de groep ald/old in het Nederlands oud geworden. Vandaar bijvoorbeeld koud, goud en houden naast de Duitse vormen kalt, Gold en halten. Zo is wolde veranderd in woude, dat sindsdien afgesleten is tot (hij/zij) wou. In plaatsnamen als Oldebroek en Oosterwolde leeft de oorspronkelijke vorm nog voort.

[120] SKEPTISCH/SCEPTISCH

‘Sceptisch’ wordt vaak als /skepties/uitgesproken. Op school leerden we al dat de c alleen voor een a, o of u als een k klinkt (cadeau, code, curator) en voor een i of e als een s (ci­troen, celibaat). Skeptisch en scepsis worden in ver­zorgd Nederlands inderdaad als /skep…/ of /sep…/ verklankt. Moet je dan niet /septies/ en /sepsis/ zeggen omdat op de c een e volgt?
Achter die vraag zit het idee dat de spelling de uitspraak behoort te be­palen. In feite is het omgekeerd: de gesproken taal bepaalt de spelling (tot op zekere hoogte, want er gel­den nog een paar andere criteria). Generaliserend gezegd: we zeggen niet wat we schrijven, maar we schrijven wat we zeggen. In de vorige eeuw gaf de spelling van /s(k)epties/ hier ook blijk van, want je mocht kiezen tussen skep­tisch en sceptisch. Het geciteerde voorschrift voor de verklanking van de c is dus niet meer dan een een vuistregel. Hij gaat meestal op (en is daarom nut­tig voor wie het Nederlands nog moet leren) maar niet altijd. Historisch bezien valt voor beide uitspraakvormen wat te zeggen. Sceptisch en scepsis gaan terug op een Grieks woord met /sk/. Als wij dat uit het Frans of het Latijn heb­ben overgenomen, ligt /sep-/ voor de hand, want daarin was de /k/ verdwenen. Maar hebben we de woorden uit het Duits (Skepsis enz.), wat ook mogelijk is, dan is /skep-/ weer alleszins verklaarbaar.

[121] HANDHAVEN

Dit werkwoord komen we tegen in de betekenis ‘zorgen voor de naleving van (de orde of regels en wetten)’, maar ook – denk aan de spreuk op ons wapen ‘ik zal handhaven’ – ik houd vol.
Je kan je mening handhaven – die neem je dan niet terug.

Het komt ook wederkerig voor – ‘zich handhaven’, d.i. je staande houden, bv. in moeilijke tijden; ‘over iets waken’ of ‘beschermen’.

Handhaven komt uit het Frans ‘maintenir’ -‘je maintiendrai’ op het Rijkswapen.

In het Volkslatijn bestaat manutenere, met de betekenis ‘bewaren, beschermen’. Dat zie je in het Engels terug: to mantain en het Duits heeft handhaben (hanteren, bedienen, toepassen).

Manus = hand en tenere = houden.

Maar het is ook verwant met havenen, dat nu beschadigen (denk aan ‘gehavend’) en mishandelen betekent, maar dat in het Middelnederlands een veel minder ongunstige betekenis had (‘met zorg behandelen’ of ‘van het nodige voorzien’). Net als havenen gaat het tweede deel van handhaven terug op dezelfde voor-Germaanse woordvorm waarop ons werkwoord hebben (bezitten, beschikken over, in handen houden/hebben) terug te voeren is. O.a. ‘de levende have’, ‘have en goed’ en het Engelse to have.

.

Volgorde punt – aanhalingsteken
Komt de punt binnen het aanhalingsteken te staan in de volgende zin? Hij zei: ‘Ik heb dat boek allang gelezen.’
Antwoord: Ja.

De punt komt binnen het aanhalingsteken te staan, als hij hoort bij het citaat of bij de directe rede die als geheel binnen de aanhalingstekens geplaatst worden. Bijvoorbeeld:

(1) Zij antwoordde: ‘Ik denk niet dat ik nog langer met je om wil gaan.’

Hoort echter de punt niet bij het deel dat tussen aanhalingstekens staat, dan wordt hij geplaatst na het aanhalingsteken. Bijvoorbeeld:

(2) Zij fluisterde iets van ‘eeuwig trouw’ en ‘altijd blijven houden van’.

Als vuistregel kun je stellen dat bij het citeren van een hele zin of hele zinnen de punt binnen de aanhalingstekens komt, terwijl je hem bij het citeren van delen van zinnen erbuiten plaatst.

Wat doen we als de regels leiden tot meer dan twee leestekens na elkaar? In zin (1) hoort er na het laatste aanhalingsteken eigenlijk nog een punt te volgen. Immers, de eerste punt sluit alleen het citaat af; de tweede punt de gehele zin. Toch plaatsen we die tweede punt niet. Het principe is dat we bij voorkeur niet drie of meer leestekens op elkaar laten volgen. Op dit principe bestaan echter uitzonderingen.

In de volgende zin kan het vraagteken duidelijk niet gemist worden:

(3) ‘Heb je dat boek al gelezen?’, vroeg hij.
Hier nemen we voor lief dat er wél drie leestekens naast elkaar staan. Sommige schrijvers vinden die opeenhoping van leestekens zo lelijk dat ze de komma weghalen (‘Heb je dat boek al gelezen?’ vroeg hij.).

Bijzonderheid
Een noot komt na het aanhalingsteken. Voorbeeld:
(4) De auteur vermeldt: ‘Deze opvatting van het vorstendom heeft lang doorgewerkt.’5


Zie ook spelling

Nederlandse taal: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

283-267

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – alle artikelen

.

TAALONDERWIJS

kleuterklas*
een sprekend voorbeeld van een dag in de kleuterklas

Spraak- en taalontwikkeling
Goed leren spreken doe je vóór je zevende.
Het belang van goed waarnemen hoe het met de taalontwikkeling van het kleine kind gaat; eventuele fysieke stoornissen en de gevolgen;

taalspelletjes vanaf klas 1

klas 1 (1)*
Korte karakteristiek 1e-klasser. Iets over het leerplan
Dit geldt voor alle volgende klassen
klas 1 (2)**
over taalonderwijs algemeen en in ’t bijzonder klas 1; temperamenten; aanleren letters

klas 2 (1)*
klas 2 (2)**

Klas 3 (1)*
Klas 3 (2)**

Klas 4 (1)*
Klas 4 (2)**

Klas 5 (1)*
Klas 5 (2)**

Klas 6 (1)*
Klas 6 (2)**

Klas 6 (3) Zinsbouw in de 6e klas
Johannes Geyer over: zinsbouw met hoofd- en bijzin; hoe dit fantasievol en beeldend aan te pakken; voor- tussen- en nazin

Klas 7 (1)*
Klas 7 (2)**

Klas 8 *
klas 9*
Literatuur: rationalisme en romantiek; humor; spreekbeurt; nieuwe aandacht voor handschrift, verzorging periodeschrift enz.; spreken en spraakklanken;

Nederlands in de hogere klassen

Reinhart Fiedler over: de 12 zintuigen, m.n. de ‘kenniszintuigen’ die vooral met taal en spraak samenhangen en hoe belangrijk deze zijn voor de ontwikkeling van de mens na het 14e jaar. Het artikel geeft geen concrete lesvoorbeelden.

klas 10*
Literatuur: Middeleeuwen; poëzie; spreekbeurt; over boeiend vertellen; poëtica; verschil proza poëzie;
.

De roos
Jelle van der Meulen over: poëzie; Gerrit Achterberg en Arie Gerlderblom; beleven van een gedicht; denken en waarheid; roos; subjectief en objectief; Xavier Villauruttia; Rilke; .

*Uit: (Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
**Uit (Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

Raadpleeg vooral ook: Luc Cielen

Oefenen/aanleren
komma; spatie; dictee (UI)

Grammatica
“Gevallen” en “naamvallen” in de hedendaagse taal
P.C.Veltman
over: ontleden, de structuur van een zin; ‘gevallen’: het 1e, het 2e, of hoofdgeval, genitiefgeval, datiefgeval, beschuldigingsgeval

spelling

woordenallerlei

.
Waarom taal het enige communicatiemiddel is

P.A.Coppens over: wat communicatie genoemd wordt bij planten en dieren of via plaatjes, valt in het niet bij taal als communicatiemiddel.

282-266

.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (33)

.

MICHAËLSTIJD  

Nu de zon het hoogtepunt van haar baan reeds voorbij is en de dagen korter en korter worden, is in de natuur de groei tot staan gekomen. Bloemen verwelken, bladeren beginnen geel te worden en te verdorren. We gaan ons voorbereiden op de komende winter. Kale bomen, dieren in winterslaap. Het land ligt koud en verlaten.

Dan komt het voorjaar. Het leven opent zich weer, de dieren komen weer terug, we zien broedende vogels en bloeiende bloemen. We kunnen er weer volop van genieten. Hierna volgt de volle warme zomer waarin alles zich vol kan ontplooien. Zo zeer dat het leven als het ware in de lucht hangt – boven de aarde zweeft. Dit weer gevolgd door zijn voltooiing. Rijpe vruchten, rijpe zaden, koren dat gemaaid wordt. Het leven wordt samengebald in deze vruchten en keert weer terug naar de aarde.
We denken daarbij aan vallend fruit in een boomgaard en aan het geritsel en geplof van eikels, kastanjes en beukennootjes in het bos. We zien het wonder van vrucht en zaad en in het zaad zit de kiem van het leven verborgen.
Herfst: grijze luchten, wilde winden en koude regenvlagen. Het in de zomer zo verwelkomde leven gaat ons weer verlaten. De mens blijft verlaten en eenzaam over.
Gelukkig staat aan het eind van september het beeld van Sint-Michaël. Sint-Michaël de dappere, verheven strijder tegen de draak. Hieruit kunnen we de moed putten om ons te wapenen tegen het najaar, de winter in te gaan, te durven.

Een voorjaarsregentje snuif je op, kun je lachend en blij tegemoet gaan.

Bij regenvlagen van het najaar steek je je handen in je zakken en bibber je soms van de kou. Je komt je warme huis in en geniet van de warmte.

Een beeld van een voor de hand liggende inkeer.
Ieder mens leeft met de keuze tussen goed en kwaad en
ook hier doemt juist in deze tijd de helpende Michaël op.
De blik gericht op de toekomst.

Kijken we in de toekomst dan kunnen wij onze blik richten
op het naderende kerstfeest.

.

(Madeline van Gilst, geen nadere gegevens)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

281-266

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (32)

.

HEMEL, HEL EN MICHAËL

Wanneer je iets koopt in een winkel, vraagt de verkoopster: ‘Is het voor een cadeautje?’ Als je dan ‘ja’ zegt, wordt het verkochte in een mooi papiertje verpakt en gaat er een lintje om of komt er een bloemetje op. Zeg je: ‘Nee, het is voor mïjzelf’, dan krijg je het in een grauw papier of in een reclamezakje. Men gaat er dus altijd vanuit dat een mens zichzelf nooit iets cadeau doet, dat voor een geschenk de verpakking belangrijk is, maar dat de verpakking van iets jouzelf niets kan schelen. We leven immers in een wegwerpmaatschappij! Je krijgt soms de indruk, dat de wereld voor het allergrootste deel uit verpakkingsmateriaal bestaat. En dat niet alleen in de letterlijke zin!
Wanneer je ‘ja’ kunt zeggen tegen het leven en het als een geschenk kunt zien, dan ziet het er heel anders uit dan wanneer je denkt dat het een zware last is of dat het alleen maar een aangelegenheid is voor jezelf. En, afgezien van de inhoud, dus afgezien van het leven zelf, is het voor een mens toch wel be­langrijk in wat voor uiterlijke vorm het hem wordt aangeboden. De uiterlijke vorm is nu nog meestal reclame en grauwheid. Het is maar een geluk, dat de natuur in de schoon­heid van zon en wolkenluchten, de kleurenpracht van haar bloemen en de uitbundige glans van haar groen ons haar leven anders schenkt. Is een sieraad in een roodfluwelen doosje niet beter aanvaardbaar dan in een onooglijk zakje?

Van ons innerlijke leven, het hele jaar door, zijn de jaarfeesten de uiterlijke verpakking. Natuurlijk is er een nauwe relatie tussen verpakking en inhoud. De ver­pakking moet verwachting wekken en de in­houd aantrekkelijker maken. Je zou deze vergelijking kunnen doortrekken tot in de fysica toe: Men ziet de ‘snelheid’ als een functie van ‘weg’ en ‘tijd’. De auto heeft bijvoorbeeld een snelheid van 120 km per uur. We schrijven: V(elocitas) (= snelheid)
120 : 60 = 2 : 1, dat is dus: 2 km per minuut. Maar dat teken, dat ‘is’, is in wezen
hele­maal niet juist. De snelheid is geen resultaat van de weg en de tijd. De snelheid is er. Wij gaan dat met ons verstand ontleden abstraheren uit wat er in werkelijkheid gebeurt: de ruimte en de tijd. Zonder het rijden van de auto waren tijd en ruimte op dat moment van geen belang. Maar dan was er ook geen snelheid. Snelheden (beter gezegd: de ver­schillen in snelheid) zijn iets reëels in de we­reld. Op zichzelf zijn ruimte en tijd dat niet. Het komt op de beweging aan en juist daar­door kan ik de snelheid zelf niet meten. De ruimte meet ik door landmeting of met een duimstok en de tijd met een horloge. Dank­zij die gegevens kan ik de snelheid bepalen en in cijfers uitdrukken. Als de auto zich niet voortbewoog had ik niets aan de kilome­terpaaltjes en mijn chronometer. Je zou dus kunnen zeggen dat de voortbeweging in een bepaalde snelheid de inhoud is, het cadeau, en dat ruimte en tijd de verpakking zijn. Even nauw als de af te leggen weg en de daar­voor benodigde tijd samenhangen met de snelheid van mijn auto, hangen de uiterlijke vieringen van de jaarfeesten samen met mijn innerlijke belevenis.
Nu is er wat betreft de jaarfeesten, waarvan Kerstmis en Sint – Jan, Pasen en het Michaëlsfeest de voornaamste zijn, evenzeer aan de buitenkant als aan de binnenkant, evenzeer in de uiterlijke viering als in de innerlijke belevenis ervan, een enor­me vervlakking opgetreden. Wat is de oorzaak? Men is niet meer in staat om dat wat geestelijk is, wat buiten het be­reik van de zintuigen ligt, als iets concreets te zien. Men houdt het goddelijke in de we­reld voor een abstractie en wat men met de hersenen uit de realiteit abstraheert houdt men voor iets concreets. Er is geen verband meer tussen binnen- en buitenkant.
De vruch­ten en de noten en de bonte herfstbladeren hebben bij de meeste mensen weinig te ma­ken met hun belevenis van de stervende natuur. Doordat de relatie tussen binnen- en buitenkant ontbreekt, kan men aan beide kanten nog maar heel weinig beleven, want de ene kant is vrijwel zinloos zonder de an­dere. En men zal nooit tot die belevenis kun­nen komen, als men niet ziet wat in de we­reld om ons heen werkelijk concreet is. Het komt er in wezen op aan, dat men bij­voorbeeld van Amsterdam in Utrecht komt, niet dat men 30 km in een kwartier aflegt. Wat heeft de mens eraan, dat hij alles afweet van pentatoniek en kwintenstemming, maar niet in staat is met kleuters één liedje te zin­gen? Zolang men het verband ziet tussen bin­nen en buiten, zal men het feit dat kleuters zingen en dat iemand van Amsterdam in Ut­recht komt, als een zuiver persoonlijke aan­gelegenheid beschouwen. Ook kan, zolang men dat verband niet beleeft, de tragiek, dat de aarde onder onze voeten wegsterft, nooit in samenhang worden gebracht met het feit, dat men haar alleen maar ziet als een bolletje materie, dat rondtolt in de ruimte.
En nu komt Michaël met de vraag: wie is eigenlijk die men die dat verband moet leg­gen en die altruïstisch van Amsterdam naar Utrecht moet komen en kleuters moet laten zingen en die het reële van het irreële moet leren scheiden? Michaël zegt: ‘Het is fijn dat het cadeau zo mooi verpakt is, maar voor wie is het eigenlijk bestemd?’ ‘Het gaat om de mens, die zich bewust moet worden, dat hij een bovenzinnelijk wezen is!’

Als in de natuur het leven zich begint te­rug te trekken, als het herfst is
gewor­den, dan ga je jezelf afvragen: ‘Wie ben ik? Wat doe ik hier? Waar ga ik heen?’ Als antwoord houden de kerken ons voor, dat we op aarde zijn om God te dienen en daar­door in de hemel komen. Of, dat we moeten kiezen tussen God en de duivel, tussen hemel en hel, tussen leven en dood. Dan wordt ons geleerd, dat de ziel gered moet worden, als het lichaam sterft. Maar welk geloof kan ons leren, hoe de ziel met het lichaam samen­hangt en hoe zij daarin werkt? En welke we­tenschap laat ons, door de materie heen, het bovenzinnelijke zien? Wie is het die de strijd moet voeren tussen weten en geloof, tussen egoïsme en altruïsme, tussen goed en kwaad? Het is niet waar, dat de mens moet kiezen tussen goed of kwaad, hemel of hel, geloven of weten. Hij moet wetend geloven en gelovig weten. Hij moet leven tussen hemel en hel. Wie kan er voor 100 procent iets goed doen? Wie is ervoor 100 procent fout? Het gaat om de middenweg. Een weg midden-tussen-door kun je alleen maar zelf gaan. Want vroeger werd van buitenaf, door de kerken, door morele wetten, door tradities enzo­voort, aan de mens aangegeven wat goed en wat verkeerd was. Nu is de mens helemaal op zichzelf aangewezen. Het is een moeilijke weg. Maar doordat de mens nu in staat wordt gesteld zelf te bepalen wat goed en wat kwaad is, komt hij tot zelfbewustzijn. Zowel de wanorde als de orde, zowel de onregelmatig­heden als de regelmaat komen op hem af. Wie stelt orde op eigen zaken? Wie brengt regelmaat in eigen leven? Orde en regelmaat bestaan hierin, dat het werkelijke ik van de mens, dat een geestelijk wezen is, zich ont­wikkelt in harmonie met de geestelijke we­reld, dit is de wereld die buiten het bereik van de zintuigen ligt.

Michaël betekent: ‘Wie is als God?’ Het ant­woord op deze vraag kan alleen de mens ge­ven: ‘Dat ben ik!’ Michaël wijst ons op wat de mens in wezen is. Niet zijn lichaam – dat hééft hij. Niet zijn ‘persona’ – dat is zijn ‘masker’. Niet z’n manieren en vele menin­gen – die zijn hem door opvoeding en milieu bijgebracht. Niet zijn ‘ikke, ikke’ – dat is z’n schaduw. Wat brengt de mens tot dat zelfbe­wustzijn? Dat wat ik alleen maar tegen mij­zelf zeggen kan: ‘ik!’

In deze tijd beleven wij duidelijk twee polen, twee extremen:
1: weg met de materie! Vlucht weg van de aarde! Die biedt alleen maar angst en ellende. Een hel. En hoeveel middelen zijn er tegenwoordig niet om die te ontvluchten? Maar die vlucht is ook een vlucht uit zijn eigen zélf, omdat dan iets anders de mens meevoert.
2: Geen hemel! Een geestelijke wereld bestaat niet of zal voor de mens nooit kenbaar worden! Zelf­zucht, geldzucht, machtstrijd enzovoort, zijn het gevolg. Ook in dat geval is de mens zijn werkelijke zélf vergeten. De evolutie van de mensheid is nu zo ver, dat het werkelijke wezen van de mens ontwaakt. Daarom is het Michaëlsfeest een nieuw feest, een feest voor deze tijd. Een herfstfeest. Wij zien dat milieu en maatschappij neigen naar een herfstige ondergang. Hoe stellen wij ons daar tegenover op? Met Michaëls zwaard.

Het zwaard helpt en beschut. Het kan echter ook verwonden en doden. Maar in de hand van een eerlijk strijder is het in alle sprookjes en in alle mythologieën: de geweldige kracht van zélf te zijn!

Michaël houdt ons de weegschaal voor. Op de ene schaal ons denken, ons hoofd en op de andere ons gevoel, ons hart. Wij moeten nu voor ons zelf gaan afwegen en leren den­ken met ons hart en leren voelen met ons hoofd. Wij moeten trachten evenwicht te brengen tussen ‘koppie, koppie’ en ‘ik voel het zo, dus het is goed’. Wij moeten leren doen, zélf doen! Maar gebeurt het dat de weegschaal zelf wordt weggehaald en de twee schalen naast elkaar gezet. Dan valt er niets meer te wegen. Men kijkt naar de bin­nenkant en de buitenkant, maar vergeet dat, waar het de buiten- en binnenkant van is. Op het gebied van de materie kiest de ene mens voor dit, de andere voor dat: zeer per­soonlijk. Zoveel harten, zoveel zinnen. Op het gebied van het hoofd heerst de abstractie, van de wiskunde. Op dat gebied zijn we het allen samen eens. Zeer onpersoonlijk. De weg die daar tussenin ligt is de weg die Mi­chaël ons wijst en die ons steeds dichter brengt bij de werkelijkheid van ons zelf. En evenals alle andere feesten is ook het Michaëlsfeest een Christusfeest. Want Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Wij moe­ten proberen waar te zijn tegenover anderen maar ook tegenover ons zelf. Dat is een le­vensweg voor ieder persoonlijk, die ieder gaat op zijn eigen, nieuwe wijze en die toch alle mensen verbindt in één groot streven. Het lichaam beweegt zich langs een weg in de ruimte. De ziel leeft en baant zich een weg in de tijd. De geest van de mens gaat met Christus voort in zijn eigen tempo: de snelheid der eeuwigheid. Dat steeds meer te gaan beseffen is het feestcadeau van Michaël.

(Henk Sweers, Jonas, nr.3, 28-09-1984)
 .

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel

.

280-265

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (31)

.

MICHAËL

Feestvieren is voor buitenstaanders vaak een kenmerk van de vrijescholen, het feesten-kunnen-vieren. Wanneer het “lukt”, zit dat niet in de grondige voorbereiding, en ook vaak niet in een perfect geregelde organisatie, maar er is iets waardoor er het besef van ‘feest’ bij de kinderen ontstaat. Het feesten vieren is ook een opdracht die Rudolf Steiner aan de vrijescholen meegegeven heeft, omdat het momenten in een jeugd kunnen zijn, waar je in een later leven krachten uit kan blijven putten. Dat realise­ren we ons te weinig – de scholen, maar ook de gezinnen – wat een kracht in de kinderziel geplant kan worden door het gemeenschappelijk bewust wil­len vieren van de jaarfeesten.

Bij dat feestvieren wordt er iets vast gelegd (Duits: Fest), de stromende tijdsmomenten van het jaar worden geordend en vastgeklonken aan het ritme van de seizoenen, aan het leven van de aarde. Novalis heeft eens geschre­ven “jedes festlegen verarmt”, een diep waar woord, dat ons niet alleen bij de discussies over het voor en tegen van de vaste paasdatum voor ogen kan staan. Het michaëlsfeest is echter dat feest dat van nature het minst gevaar loopt “vastgelegd” en dus “verarmd” te worden. Er is geen bepaald moment dat “herdacht” kan worden, niet de overwinning op de draak, die immers naar de aardesfeer is verwezen. Er valt de 29e september aan niets terug te denken, alleen vooruit moet men denken. Hoe moeilijk dat is en hoe onbekend wij volwassenen ook met de inhouden van zo’n soort ‘toekomst-feest’ nog zijn, de kinderen blijken hier onze ware helpers. Wanneer het “help ons hier strijden’ klinkt, krachtig en zuiver gezongen, dan tovert de ernst maar ook de zekerheid van de overwinning, de vreugde reeds op hun gezichten.

Een oude Russische legende verhaalt dat toen de schepper de mens geschapen had en er voor hem die uit goddelijke volmacht, zelf nog zonder naam, alle schepselen op aarde een naam zou geven, God de vier aartsengelen Michaël, Gabriël, Raphaël en Uriël riep en hen uitzond naar de vier rijken der we­reld om de naam te zoeken. Van vier sterren vandaan droegen de engelen de heilige letters aan. En God beval de aartsengel Michaël de naam van de mens uit te spreken. Uit hoge geestesmacht noemde Michaël als de stem van God, de naam van de mens: Adam. Zo kreeg de mens door Michaël zijn naam, zijn roeping en zijn bestemming.

Michaël spreekt de naam uit zoals de mens is, bestemd is en dus eens weer zal zijn,  en behoedt dit ongeschonden beeld van de nog niet “gevallen” mens.

En wanneer wij met de woorden van Vondel zingen:

“help ons hier strijden, wil ons bevrijden

dan roepen wij Michaël aan als de eigenlijke bevrijder van het oerbeeld dat elke mens verborgen in zich draagt; dat te bevrijden van drakenmachten is onze taak! En wanneer wij ons voornemen daartoe de wapens op te nemen, dan kan Michaél ons in deze tijd in dit voornemen sterken. Alleen wanneer wij daar zelf aan werken kan deze grotere toekomst-mens geboren worden.

Twee beelden mogen deze verandering die de mens door oefening aan zich­zelf kan bewerken, verduidelijken.

In Vézelay, een klein stadje in Noord Frankrijk, staan op de latei onder het tympaan van de S.-Madeleine de volkeren der aarde in steen afgebeeld. Uiterst rechts het volk ‘met de grote oren’ (groter dan hun hoofden!), d.w.z. dat volk dat door de oefening, de scholing van het gehoorszintuig tot waarneming van het spirituele is gekomen,  dat het waarnemen van de sferenharmonie na de zondeval heeft “terug veroverd”. Dat zijn de mensen die zich in hun daden stalen aan het wapengekletter waarmee de
Michaëlstrijders hun hemelse daden begeleiden en dat voor deze “helderhorenden” opnieuw waarneembaar is geworden. Zo vraagt de zintuigmens er om te worden omgewerkt.

Het andere beeld is uit de Germaanse mythologie. Daar is het Freyr, een uit het oude geslacht der Wanen, die een schip bezit, Skidbladnir genaamd, een wonderlijk vaartuig, dat, wanneer alle zeilen zo klein mogelijk worden opgevouwen, in een noot kan worden opgeborgen, maar wanneer zijn zeilen uitstaan is het even groot als alle ruimten in de wereld.
Waarom de noot? De noot is het beeld van het menselijk hoofd, daarin opgeborgen ligt het menselijke, hersengebonden denken, samengevouwen en klein. Maar wanneer het geoefend wordt, kan het daaruit bevrijd worden, want het bezit de op­dracht werelden te omspannen. Wanneer dit kleine, menselijke denken zich openstelt voor gedachten die van een geestelijke realiteit zijn doortrok­ken, dan oefent het zich, dan openen zich de zeilen en wachten slechts op elke zucht van de wind.

Zo vraagt ook het denken van de mens erom te worden omgewerkt, om los te geraken van hetgeen vast, vertrouwd en versleten is. Michaël impulseert de mens tot daden, maar vooral tot de daad aan zichzelf.
.

Magchiel Matthijsen, vrijeschool Zeist, 01-09-1975)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

279-264

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (30)

.

MICHAËL

Als de zomer op z’n einde loopt en de planten zich terugtrekken op vruchten en zaden, dan worden wij mensen actief: kinderen gaan weer naar school. Het programma van de volksuniversiteit valt in de bus. Allerlei cursussen
be­ginnen en hebben aan belangstelling geen gebrek.
Als in de zomer de bijen af en aan vliegen in de hete zon, bak­ken wij bruin of zitten rustig in de schaduw. We nemen de zomer in ons op. In de herfst lijkt het of we de zomer mee naar binnen genomen hebben en haar energie omzetten in daden.
Niet alle mensen houden de zomer zo vast. Er zijn er ook die wat met de bladeren mee sterven. Ze worden triest als het weer buiten en werklust is hun vreemd. Maar ook mensen die de zomerkrachten wel in zich voelen, merken dat bij de verwezenlijking van hun initia­tieven ook hun beperkingen zich doen gelden. Beginnen is niet zo moeilijk, volhouden wel. Als iets dan even niet wil is de verleiding groot je aan te sluiten bij het moedeloze weer buiten.

In deze tijd vieren we op de vrijescholen het feest van de aartsengel Michaël. Michaël verslaat de draak, zo staat in Openbaringen. De attributen van Michaël zijn het zwaard en de weegschaal. Ogenschijnlijk twee tegengestelde werktuigen. Een zwaard hanteer je anders dan een weegschaal.
Het zwaard als een wapen tegen bedreigingen die van buiten komen. Het vereist een slagvaardige hand. Een weegschaal moet in rust gehanteerd worden. Het zwaard staat voor strijd. De weegschaal staat voor evenwichtig­heid. Pas als de schalen in evenwicht zijn, vervalt de weegschaal zijn functie.

Als we nu eens het zwaard hanteren om onszelf te overwinnen, bereiken we dan geen prachtig evenwicht? Let wel dat is een zware strijd. We zijn helemaal vrij om hem niet aan te gaan. Het Michaëlsfeest is het feest van de moed. Moed hebben we nodig om de zomer in ons vast te houden. Moed om tegen de draken van onze innerlijke belemmeringen te vechten. Michaël werkt mee als we die strijd aangaan.

Jaarfeesten hebben oeroude wortels, zo ook het Michaëlsfeest op 29
september. Sommige van die wortels komen nog aan het daglicht. Het was vroeger een oogstfeest. Kermis is ook afkom­stig van oogstfeesten. Op kermisdag in Aalst werd een stropop, die Machielken heette op een baar gelegd en op de markt begraven. Machielken is een volksnaam voor St.-Michaël. Het gebruik voert terug op oude in­wijdingsriten bij de Germanen. Inwijding in het mysterie van Wodan, die zowel de god van de dood als de vruchtbaarheid was. De Germanen ge­loofden dat de vruchtbaarheid uit de dood voortkwam.

Michaël betekent: Wie is als God? De naam als een vraag. Het boek Genesis verhaalt dat God de mens schiep naar zijn beeld. Christus zei tegen zijn discipelen: “Gij zijt Goden”.

Er zijn echter draken die ons dwars zitten.

Laten we ze moedig bestrijden.

.

(Ad Tiemens, Tobiasschool Zeist, nadere gegevens ontbreken)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

278-273

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (29)

.

MICHAËL IN DE KLEUTERKLAS

De zomer neemt weer afscheid van ons.  ‘s Avonds wordt het al vroeg donker, de vogels trekken weg, de dagen worden kouder. De zon heeft gedurende de zomer al haar warmte geschonken aan het koren, de vruchten en alles wat in de herfst op aarde rijpt zodat wij in de winter kunnen profiteren van wat de zomer ons gaf. De aarde heeft in de herfst alle zonnekracht in zich opgenomen.

Overal wordt het graan binnengehaald, vruchten geoogst, kortom, wij maken ons klaar voor de winter zodat we kou en donker kunnen doorstaan. In ons rijpt in deze tijd van het jaar vaak het plan om iets nieuws te gaan doen waar we ons gedurende de winter aan kunnen wijden. Er is veel moed nodig om de donkere tijd tegemoet te gaan en datgene te volbrengen wat we ons voornamen.

In de kleuterklas beginnen we al weken voor het Michaëlsfeest, dat op 29 september gevierd wordt, met de voorbereidingen. Op de jaargetijdentafel
staat een grote bos koren. Soms nemen de kinderen dingen mee die ze gevonden hebben, een takje hei, een grote zonnebloem, een mandje kastanjes. Kleuters zijn nog helemaal open voor alles wat er vanuit hun omgeving naar hen toekomt.
Ze willen zich graag met de aarde verbinden en rapen daarom alles wat ze in het bos of park vinden op.

Elke dag beginnen we met het spel van de boer die het koren oogst en naar de molenaar brengt om het tot meel te maken zodat de bakker het brood kan bakken. Alle bewegingen worden met overgave meegedaan. Onder het vrije spel naaien we zakjes om het graan in te doen dat de boer zo ijverig voor ons gemaaid heeft. De grote kleuters kunnen hierbij al helpen. Heerlijk is het om met een korenmolentje zelf het graan te mogen malen en later voor het Michaëlsfeest brood te bakken in de klas. Ook worden er veel Michaëlsliedjes gezongen.

O Michaël, Michaël hoor ons aan
en laat ons met u medegaan
door ‘t  donk’re bos en ’t wijde veld
O Michaël, Michaël sterke held.

O Michaël Michaël ga vooraan.
Wij moeten allen mede gaan
door ’t donk’re bos en ’t wijde veld
O Michaël, Michaël sterke held.

Op de dag van het feest komen de kleuters vol verwachting in de klas. ‘Juffie, vandaag gaan we feestvieren!’

De jaargetijdentafel staat vol van alles wat geoogst is: noten, druiven, eikels, kastanjes. De boer met paard en een wagen vol graan. Ook het appel­vrouwtje is gekomen en heeft een mand vol rode sterappels meegebracht. De dag wordt geopend met een mooi Michaëlslied, maar ook de naam ‘Michaël’ alléén kan al voldoende zijn wanneer het met de juiste gezindheid uitgesproken wordt. Dan doen we samen een klein spel voor het Appelvrouwtje.

Appeltjes, appeltjes, glanzend en rond
rollen en tuimelen over de grond.
Rol niet te ver en verscholen in ‘t groen
wil ik je rapen, in ’t mandje weer doen.
Eet ik je later zo glanzend en rond.
Van appeltjes, appeltjes word ik gezond.
Tijdens het vrije spel zijn er altijd een paar kinderen die juffie willen helpen de tafel versieren met takken, gekleurde bladeren en bloemen. De zelf versierde kaarsen zorgen voor een feestelijk licht en ontbreken niet. Wanneer iedereen aan tafel zit, deelt het appelvrouwtje haar appels rond. Met een plukje schapenwol poetsen de kinderen ze prachtig glimmend en rood tot ze er zelf rode wangen van krijgen. Iedere appel krijgt een rood doekje om en wordt zo omgetoverd in een appelvrouwtje.

Het is goed als een feest gezamenlijk gevierd kan worden. Na het eten komen dan ook de kinderen uit de andere klas op bezoek om samen naar een poppen­spel te kijken. Er heerst een aandachtige stemming en de kinderen worden vanzelf stil als de dappere ridder Sint-Joris verschijnt. Hij beklimt de hoge berg waar een boze draak woont die het prinsesje wil verslinden. Bovenop de berg ontvangt Sint-Joris van de aartsengel Michaël het sterrenzwaard waarmee hij de draak verslaat. Zo redt hij het prinsesje en kan met haar trouwen.

Met het beeld van de draak moeten we in de kleuterklas nog erg voorzichtig zijn. Voor de kleuter is de wereld GOED en dat moeten we in alles wat we doen naar voren laten komen zodat dit in het verdere leven zijn vruchten kan afwerpen. Iets anders is het wanneer het kind dit beeld van de draak en Michaël, die hem verslaat, in de vorm van een poppenspel een keer per jaar ziet in een eerbiedig feestelijke stemming. Het is niet de bedoeling dat de kleuters zelf draak gaan spelen, ook niet in de poppenkast, waar ze zelf zo helemaal in de rol kruipen.

We besluiten de ochtend met een wandeling door het bos waar de kinderen van alles verzamelen in hun mandjes. In de komende tijd maken we van alles wat we gevonden hebben iets moois, we vormen het om, we gaan ermee aan ’t werk, zodat het vrucht kan dragen voor de omgeving.

Gesterkt door alles wat de zomer ons geschonken heeft kunnen we moed en kracht vinden om de koude winter tegemoet te gaan, de duisternis te overwinnen en zo de heilige Kersttijd tegemoet te gaan waarin we het Kerstkind kunnen ontvangen.

Wanneer de kinderen met rode wangen en schitterende ogen tevreden en vol vreugde naar huis gaan met hun appelvrouwtje en zakje meel, waarvan thuis een koek of brood gebakken moet worden, weten we dat het een goed feest geweest is.

(C. de Pree, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

279-262

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (28)

.

WAT IS EEN MICHAËLSFEEST?

Is dat een vreemde vraag? Neen, zeker niet. Sommigen blijven het antwoord schuldig, anderen weten het heel zeker. Toch kan men zich afvragen of de vraag goed gesteld is. Een Michaëlsfeest ‘is’ niet, hoogstens ‘wordt’ het. Ieder jaar is het anders, wordt het anders. Het Michaëlsfeest kan men in Nederland ongebruikelijk noemen. Een feest van de toekomst is het wel, het heeft nog alle mogelijkheden. Ieder jaar moet men zich inspannen om er vorm aan te geven.

Het jaarverloop speelt zich af in drie grote feesten. Stelt men het jaar als een kring voor, dan liggen het Sint-Jansvuur en de Kerstster recht tegenover elkaar, is Sint-Jan boven-midden, dan is Kerstmis onder-midden. Er is een tweede hoofdlijn, die staat dan niet vertikaal maar horizontaal. Rechts ligt Pasen in het midden van de boog. Daar tegenover ligt de herfsttijd. En daar behoort het vierde feest, het herfstfeest. Dat is tevens het Michaëlsfeest.

Waarom is Michaël in de herfst van de jaarkring? Sint-Michaël? Nu, eigenlijk is Michaël helemaal geen gewone heilige. Hij is een aartsengel. Een boeren-aartsengel, want hij bevordert de goede oogst en hij is verbonden met het werk dat tot een oogst leidt. Op allerlei gebied. Bij voorbeeld op het gebied van de moraliteit. Michaël wordt vaak met een weegschaal voorgesteld, waarin de mensenzielen worden gewogen. En tegen de tijd, dat men alle gestorvenen op Allerzielen gedenken gaat, is ook het beeld van de aartsengel met de weegschaal present. Zo blijkt dit alles uit de rijke Middeleeuwse traditie. In Zuid-Europa komt Michaël als het ware uit de lucht vallen. Legenden spreken over zijn verschijnen op de Monte Gargano aan de Adriatische zee.
Plotseling komt er een sprong van de Michaëlverering naar Normandië, waar een onbekend rotseiland in weinige jaren tot een befaamd centrum van zo’n verering wordt. De Mont Saint-Michel is nog steeds een grote bezienswaardigheid en zo een trekpleister voor toeristen, helaas ook wel een beetje vercommercialiseerd en verloederd. Minder bekend is de Michaëlsberg aan de overkant van het Kanaal in Engeland, waar men zo waar een “Michelmas”feest kent en wel op 29 september, de aan Michaël ook in West-Europa gewijde dag. De Michaëlsdag valt in de tijd waarin dag- en-nacht­evening juist heeft plaatsgevonden, een weegschaalevenement. Overigens is de Mont Saint-Michel met zijn prachtige gotiek een indrukwekkend monument in de woeste ritmiek van eb en vloed aan de Normandische kust. Soms is het weegschaalmoment daar ook sterk beleefbaar. Men moet er wel rustig de tijd voor nemen. Bij bestudering van de wezenlijke trekken van Michaël blijkt uit vele legenden, dat deze aartsengel wiens naam “aangezicht van God” betekent,  ook een speciale opdracht in de wereld heeft met betrekking tot de bestrijding van het kwaad. Wel, het kwaad is overal, dat weten we, maar het is ook een zeer vaag en ab­stract begrip. Is het kwaad absoluut kwaad? Men is sterk geneigd om het “kwaad”- voor de een als een “goed” voor de ander voor te stellen. Daardoor kan het kwaad ook zo enorm gedijen in een onverschillige of sceptische omgeving.

In de Middeleeuwse legenden bestrijdt Michaël met een lichtend zwaard de boze krachten van duisternis, valsheid, oneerlijkheid en geweld. De strijd wordt geleverd tegen een wezen, dat wel het Boze in absolute zin representeert: een monsterlijke Draak of een Duvel.
Die Duvel kan twee aspecten vertonen, de verleidende, hoog­moedige kracht van de Duvel uit het Paradijsverhaal of het ijs­koude, leugenachtige van de Vorst der Duisternis uit de Perzische mythologie.

Michaël is echter veel ouder dan de Middeleeuwen. De bekende plaats in de Openbaring van Johannes, het laatste boek van het Nieuwe Testament, is opgeschreven door een man die de Christus nog in zijn jeugd had gekend. En duikt men verder in de Oudheid dan blijkt, dat het thema van het Boze overal in de grote cul­turen van de mensheid te vinden is. Alleen draagt de grote bestrijder van het Boze niet altijd de naam Michaël, die typisch voor het Hebreeuws-Joods-Christelijk taalgebied is. Men komt in de oude Hindoe-overleveringen een machtige Indra tegen, die gezeten op zijn Wolkenolifant de vurige Wadjra (een soort bliksemknots) naar de vreselijke Draak van van de Droogte slingert en zo de mensheid redt.
In de Perzische cultuur is Angramanyoes, de “Erge Boze” die geheel de schepping van de Lichtgoden trachtte te bederven door de aarde woest, de planten giftig, de dieren woest en giftig te maken en de mensenziel te verpesten met bedrog, heerszucht en gewelddadigheid. De schone en heilige Mithra neemt de strijd ter hand.
Overigens riep ook de Lichtgod Ahoera Mazdao de mens door middel van zijn profeet Zarathustra op om medestrijder tegen het Boze te worden, de aarde te beploegen, wilde dieren te temmen, planten te kweken en de ziel te zuiveren door korte, maar vaak herhaalde gebeden.
De keuze is groot! Van de boosaardige krachten die door een licht en de engelfiguur worden bestreden, is ook iets te vinden in Babylonië. Ja, daar is een mythologie van goddelijke en hiërar­chisch geordende wezens. Deze wezens staan voor de taak om een nieuwe wereld te scheppen. Dit wordt onmogelijk gemaakt door de monsterlijke kracht van Tiamât, een soort oermoeder der Duis­ternis, die oorspronkelijk een goede en heilzame moeder was, maar geleidelijk een monster werd, die iedere vernieuwer opat of vervolgde met een duistere stoet van demonen. Geen van de goden, ook niet de “beroemde Drie”, Anoe (hemel­vader), Enlil (de luchtgod) en Ea (watergod). Geen van de oudere goden kan Tiamât bestrijden. De slimme Ea echter tracteert de goden op een maaltijd met goede spijs en drank – met rietjes -. Hij schuift zijn zoon Mardoek naar voren, tussen de vrolijke en elkaar kussende goden. Mardoek durft wel. Hij wenst dan verder de leiding van de goden op zich te nemen. De goden stemmen toe. In het Babylonische scheppingsepos “Enoema Elish” wordt dit alles beschreven.

Mardoek, de Babylonische Michaël, trekt tegen Tiamât op met knots, bliksemschichten, pijl en boog en een “net” vol winden.

“De woedende wind, die hem volgde,
liet hij los in haar gezicht,
toen Tiamât haar reuzenmuil
open deed om hem te verzwelgen!
Hij dreef de woedende wind naar binnen;
zij kon haar muil niet meer sluiten
en de woeste wind beukte haar buik.
Haar lijf werd verlamd en haar muil hing open.
Hij schoot een pijl, die haar openscheurde,
snijdend door het ingewand, splijtend haar hart.
Zo bedwong hij Tiamât, bluste uit haar leven.
Staande op haar lijf verpletterde hij de schedel.
Toen spleet hij haar als een oester in tweeën.
Eén helft maakte hij boven tot de Hemel,
en van de andere maakte hij de Aarde .. .”

De Babyloniërs zijn niet zachtzinnig in hun poëzie, maar het gebeuren is duidelijk “Michaëlisch”: een lichtende macht van boven doodt een duister geheel beneden en geeft de stoot tot verdere ontwikkeling.

Ingevoegd uit ander artikel van P.C.Veltman

Mardoek, de Babylonische Michaël, in de strijd met Tiamât) naar een Babylonisch reliëf)

uit het Enuma Elish (de schepping van de wereld)

Toen Tiamât haar muil opensperde
om de god te verzwelgen, dreef hij de woedende wind die hem volgde
en liet hem los midden in haar gezicht,
dreef de woeste wind naar binnen.
Zij kan haar muil niet meer sluiten!’…..

Michael bordtek 6Interessant is het gegeven, ook bekend uit andere mythologieën, dat het Boze oorspronkelijk iets goeds is, dat “zijn tijd gehad heeft” en dan later tot iets kwaads wordt.

Was Lucifer ook geen machtige engel voordat hij neerstortte?

Ook in de geschiedenis zijn gebeurtenissen bekend, die een sterk Michaëlisch karakter dragen. Het zijn gebeurtenissen die, verstandelijk bekeken, tot de onmogelijkheden behoor­den en dus “ongeschied” hadden moeten zijn. Eén zo’n ge­beurtenis – het is vandaag* 20 september en het is ruim 2466 jaren geleden – was de overwinning van een klein Grieks volk op een Perzisch miljoenenleger, dat Europa was binnen­gevallen. De slag ter zee bij Salamis dwong de machtige koning Xerxes tot de aftocht.

Er is een geval van een Frans boerenmeisje, dat een leger aanvoerde, een Engels leger uit Frankrijk verdreef en een kroonprins tot koning liet kronen. Dit geval is ruim vijf en een halve eeuw geleden. Er is er nog een, dicht bij huis, uit 1574 in Leiden. Wie de feiten rustig bestudeert, kan verbaasd zijn over een Michaëlisch gebeuren in eigen huis. Genoeg hierover.

Het spreekt vanzelf, dat de strijd tegen de draak voor de moderne mens een verinnerlijkt, dus ander karakter dient te dragen.

Daarover zou veel te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Het is de grote verdienste van Rudolf Steiner, dat hij voor de moderne mens het wezenlijke van het Michaëlgebeuren weer toegankelijk heeft gemaakt. Het opnieuw vorm geven aan een Michaëlfeest zou een belangrijke nieuwe cultuurimpuls kunnen zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens ontbreken)

,

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

276-261

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (27)

.

HET MICHAËLSFEEST

Wat valt er nou eigenlijk te vieren eind september? De tuin is lang niet meer zo mooi als een paar maanden geleden. De tijd van verwelken, afvallen, verdorren komt eraan. Een hoop rotzooi op de grond die je moet opruimen. En dan blijft het kaal over. Nog even en de herfststormen zorgen voor een verdere ontluistering; het gaat regenen, het wordt koud en mistig: het slechte jaargetijde komt eraan. Ja ja, en dan zijn er wel de vruchten, die de zaak wat op kunnen fleuren, maar die betekenen dan toch maar mooi het einde van de zomer en voorraad voor de magere maanden. Wat valt er nou te vieren?

In het voorjaar, daar valt er wat te genieten. En in de zomer. Dan kan er zo’n vredige, volle stemming komen, als de warmte van buiten je omspoelt en draagt, als de planten en bomen hun wezen aan je tonen en je tegemoet geuren. Het frisse voorjaarsgroen van de meidoorn, wat kon je daarvan genieten! Daarin kan je helemaal meegaan. Dan is het in de natuur voortdurend een beetje feest en je kunt het gemakkelijk meevieren.

Merkt u hoe wonderlijk dat eigenlijk is? Meeleven met de natuur, dat is toch goed? Ook voor de kinderen, verantwoord, antroposofisch misschien wel? In het voorjaar en de zomer is dat goed: meeleven met de natuur: het stemt je blij, het geeft je ruimte.

Als we dat voortzetten in de herfst, merken we snel, dat dat niet goed voor ons is, ook niet voor onze kinderen. We worden er somber van en prikkelbaar, als de bladeren vallen.

Om die stemming te overwinnen, is kracht nodig. Michaël helpt ons een handje, als we ’t willen proberen. Hij gaat over dit jaargetijde en maakt in de natuur duidelijk waar het om gaat.

Waar gaat het dan om, waar halen we die kracht vandaan om niet mee te verwelken met de natuur.

Laten we eens naar de bomen kijken. In de loop van het voorjaar en de zomer hebben ze bladeren gekregen. Groene bladeren, in het begin licht en gevarieerd, later donkerder en meer gewoon groen. Soort voor soort (de krentenboompjes zijn al druk bezig, de berken beginnen) verkleuren de bladeren. Iedere soort is te herkennen aan zijn kleur. Na verloop van tijd vallen ze op de grond, worden bruin, gelijkvormig opgenomen in de bodem. Klaar als een klont! Hoe komen de blaadjes eigenlijk bovenaan de boom, zodat ze later naar beneden kunnen vallen?

Wat gebeurt er eigenlijk met het groen, met de andere prachtige kleuren en tinten? Hoe gaat dat eigenlijk: opgenomen worden in de bodem? Als we houtskool roodgloeiend zien verdwijnen in het vuur, weten we wat er vrijkomt, als het hout verdwijnt. Warmte immers.

Wat zou er vrij komen als de bladeren hun groen verliezen, verkleuren,
hun kleur verliezen, afvallen, vergaan. Dat zou je eens moeten kunnen zien, vindt u niet? Een machtig schouwspel!

Zoals de plant, de boom zich in de zomer verbindt met zijn bladeren, zich openbaart in de bloem, zo laat de plant weer los uit de bladeren, uit de bloem, als hij verwelkt, verkleurt, vergaat. We zien dan het wezenlijke niet meer.      

In het voorjaar, in de zomer heerst verbinding. Daar kunnen en mogen wij ons ook gerust verbinden met de natuur. In het najaar zet de ontbinding in, de scheiding, de differentiatie. Daar moeten we ons niet mee verbinden, daar mogen we vol nieuwsgierige verbazing tegenover staan. Dan zult u merken: dat geeft kracht, de moed van Michaël.
(E.P.Schoorel, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

275-260

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (26)

.

MICHAËL

Op het punt in het midden van de gang van de zon van haar hoogste naar haar laagste punt – het begin van de herfst – staat het Sint-Michaëlsfeest.

In de natuur is de groei tot staan gekomen, zelfs teruggang is reeds te bemerken, bloemen zijn uitgebloeid, bladeren beginnen te kleuren en te verdorren. Duidelijk is te merken dat met het terugtrekken van de zon de groeikrachten de aarde gaan verlaten. De planten trekken hun krachten terug in verborgen delen, veel dieren verdwijnen zoals vlinders en vogels.
De natuur wordt stil en komt tot rust. Het noordelijk deel van de aarde hult zich in nevelen en wolken.

Maar tussen dit alles dat naar verval en afsterven gaat, zien we het wonder van vrucht en zaad.
In het zaad weten we verborgen de kiem van het leven. Het is niet alleen een verwelken, verdorren, een afsterven dat er in de herfst geschiedt, het is een samentrekken, een verinnerlijken van alles wat het leven betreft.

Ook de mens maakt deze verandering mee, zowel in de kringloop van het jaar als in zijn levensloop.

In het voorjaar tot de late zomer wordt de mens gedragen door de uiterlijke natuur. Wanneer de herfst aanbreekt laat de natuur de mens alleen. De mens moet de ommekeer van buiten naar binnen doormaken.

Bladeren vallen zonlicht daalt
korter zijn de dagen.
Donker wordt het om ons heen
ik wil mijn licht nu dragen.

Bladeren vallen zonlicht daalt
loos de stormen loeien.
Donker wordt het om ons heen
maar mijn licht zal groeien.

Bladeren vallen zonlicht daalt
grijze nevels zweven.
Donker wordt het om ons heen
ik wil mijn licht U geven.

Een christelijk herfstfeest in de naam van Michaël kunnen wij alleen dan werkelijk vieren wanneer wij belijden dat er een nieuwe wereldbeschouwing daagt, die het ook de helder denkende moderne mens weer mogelijk maakt overtuigd te zijn van het bestaan van de werkelijkheid en werkzaamheid van engelen en aartsengelen.

De aartsengel Michaël toont ons de ene keer de weegschaal voor het zoeken naar evenwicht en de andere keer het zwaard van de strijd.

(Sarie Kodde Dingemans, nadere gegevens onbekend)

Gedicht:

HERFSTDRADEN

Nu leven er
nu beven er
aan takken en aan bladen
in ’t zwartgeworden najaarshout
in ’t vlammend-gele najaarsgoud
de lange zilverdraden.

Ze waaien en
ze zwaaien en
ze zijn van ’t licht doorblonken.
Er schuiven langs hun gladde lijn
wat smalle streepjes zonneschijn
als lange zilvervonken.

De draden zijn ‘t
de waden zijn ‘t
die ’t najaar nog wil weven
om heel die rijke najaarsgloed
om al wat spoedig sterven moet:
het laatste zomerleven

(bron onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel

.

274-259

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 
.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (25)

.

MICHAËLI (VRUCHTDRAGING) HERFSTFEEST

Nu de zon reeds geruime tijd over haar hoogtepunt heen is en daar­door haar krachten steeds minder van invloed kunnen zijn in de aarde, merken we aan alles dat de groei- en bloeikrachten zich terugtrekken naar binnen.

Door de loeiende herfststormen verliezen de bomen hun blad en trekken de levenssappen zich terug om zich voor te bereiden op de taak straks de nieuwe loten tot ontwikkeling te brengen. Planten sterven zelfs geheel af, maar hebben hun opgedane levenskrachten in het nieuwe ver­borgen zaad overgedragen. De dieren kruipen weg, voor een winterslaap of sterven doordat ze niet opgewassen zijn tegen kou en uitputting. Vogels trekken naar warmere oorden, de enkele die hier overwinteren hebben niet of nauwelijks de kracht zich te laten horen. Wij mensen keren terug in onze huiskamers en hullen ons in dikke, warme kleding. De natuur komt tot rust.

Maar in al dat schijnbaar levenloze zijn alle kiemkrachten aanwezig van het leven. De herfst is een verinnerlijken van alles wat leeft. Daar waar voor plant en dier erg sterk het leven afhankelijk was en zal zijn van externe invloeden, is het voor ons mensen behalve dat, meer een taak van de interne, geestelijke factor.

Wij hebben, na ons de gehele zomer opengesteld te hebben voor de zon, buiten zijn, vakantie, overdadige natuur, het erg moeilijk om daar een alternatief voor te scheppen. We moeten ons nu met die krachten die we hebben opgedaan, proberen te verdiepen in onze gedachten. Het is net als met het zaad, zij dragen onze geest ver buiten ons uit en leven soms ver van ons. Ook komen zij niet alle tot hun recht, voeren niet tot de daad. Zij vormen wel het voedsel voor ons geestelijk leven naar de aard van hun soort. We merken dat nu het stoffelijke vergeelt, verbleekt, er iets anders vrij moet komen wat niet zo vanzelfsprekend gebeurt als het je over­geven aan lente en zomer.

Het leven in de herfst vereist moed en kracht om tegenover het uiter­lijke verval, de innerlijke kracht te doen werken; om in plaats van veel te ontvangen, ons door ontbering heen te slaan met eigen vermogens. Daarbij leert de mens de levenskrachten (het zaad) in zichzelf te ontwikkelen.

En met dat gegeven in onszelf rijst het beeld van de aartsengel Michaël strijdend tegen de draak voor onze ogen op. De strijd van het lichtende tegen de duisternis.

Door nu het Michaëlsfeest met elkaar te vieren, proberen we iets tot leven te brengen van wat er in die strijd bedoeld wordt. In de herfst merk je dat je met zoveel mogelijk overwonnen duisternis en gewonnen licht de lange donkere winter aan kunt. Het is de strijd tegen heb­zucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest. Het is heerlijk te ervaren wat de natuur ons nu geeft, de vruchten van een lange lente en zomertijd. Weldra zijn deze vruchten op en mogen we hernieuwd pogen of we dezelfde kwaliteit vruchten van onze eigen innerlijke arbeid kunnen gaan plukken.

Zo proberen wij in onze peuter- en kleuterklassen ook het Michaëlsfeest te vieren. Niet zozeer het strijden van Michaël en de draak wordt naar voren gebracht, maar het vieren van een herfstfeest, een oogstfeest. We maken een herfsttafel, met alle vruchten uit de natuur. De vruchten en zaden uit het bos en die van het land. We rijgen, maken vogeltjes en kabouters van dennenappels en eikeltjes, we maken ook rozebotteljam of vlierbessensap.

We drogen de bladeren en maken er mooie dingen van. We kunnen vliegers in elkaar zetten en de wind er mee laten spelen. Wandelen in het bos is in deze tijd altijd een groot feest. Het verhaal van Joris en de draak en ook enkele sprookjes van Grimm passen in de Michaëlstijd:

Repelsteeltje:
na een goede oogsttijd komt de molenaar vertellen dat zijn dochter van stro goud kan spinnen, de mensen kunnen dit niet, Repelsteeltje het mannetje dat op een been om het vuur danst moet helpen.

Gelukkige Hans:
de jongen die al het verworvene ruilt voor dingen waar hij niets mee kan doen totdat uiteindelijk de slijp­steen ook nog in de vijver valt. Dan dankt hij God dat hij van deze steen bevrijd is. Een beeld waar wij ons lang mee bezig kunnen houden. Deze sprookjes kunnen verteld worden, maar ook als een poppenkastspel of tafelspel gegeven worden.

Wij hebben getracht u zo wat ideeën te geven voor het Michaëlsfeest, natuurlijk kunt u zelf ook nog van alles bedenken.

(Marijke Wouters Toke Moeskops, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

273-258

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (24)

.

SMEDEN IN DE MICHAËLSWEEK

De spreekwoorden ‘de handen aan de ploeg slaan’ en ‘het ijzer smeden als het heet is’, worden nog wel gebruikt, maar de eigenlijke handeling, die bedoeld wordt, kunnen we tegenwoordig nog maar weinig zien, om over het doen maar niet te spreken. Nu is het dan enkelen van ons gelukt ha­mer en aambeeld binnen de school te halen. Wat mogelijk heeft gemaakt, dat daar 6 klassen aan hebben kunnen werken tijdens onze Michaëlsviering. Drie klassen, een 7e, 8e en 9e heb ik op drie achtereenvolgende dagen bezig gezien en daar wil ik u een beeld van geven.

Natuurlijk moest eerst het vuur aangemaakt worden. Dit geeft vooral in het begin veel rook van de kolen, de geur hiervan deed mij herinneren aan kolenkachel en stoomlocomotief. Onder het toevoeren van lucht begint het gloeien en als de staven ijzer erin gelegd worden en de eerste eruit komt, roodgloeiend, dan klinkt er uit zo’n groep verbazing, verwondering. Er is er dan altijd wel een die als eerste gaat slaan en daarachter wordt het dringen. Afgesproken wordt wie achter wie komt. Nu is het niet meer alleen de geur van de kolen, maar ook de warmte die je voelt stralen en het geluid van de hamer op het aambeeld. Je moet die hamer in een heel bepaald soort ritme slaan. De zwaarte van de hamer laat nl. niet toe dat je snel achter elkaar of onregelmatig slaat. Het wordt bij iedereen een langzame, regelmatige slag, het geeft rust.

Voor de 7e klas was de hamer wel wat zwaar, hij ging met moeite omhoog. Daar werd snel iets op gevonden: de een hield de staaf vast, de ander sloeg met beide handen. De interesse was in deze groep zo groot dat ve­le taken werden verdeeld en afgewisseld, zodat iedereen wel een keer het een of ander mocht doen; zoals lucht toevoeren met behulp van een handbewogen schoepenrad, vuur onderhouden,  staven aangeven, het slaan natuur­lijk, het vasthouden van een tang met daarin een beitel om punten te maken.

De 8e klas kon heel wat beter overweg met de zwaarte van de hamer. Ook in deze groep werden de verschillende taken graag opgenomen. Al werd er nu soms wel wat te hard gedraaid, waardoor er teveel lucht werd toegevoerd, de smidse te heet werd en het metaal verbrandde. Overigens een mooi schouwspel, de boven het vuur springende sterretjes van brandende metaal­deeltjes. Maar al gauw was dit fenomeen bekend, en wist men [stukje tekst onleesbaar] s sterretjes, langzamer draaien. In deze groep werd het ijzer op zijn heetst opgediend.

Waren het in de 7e klas pijlpunten voor de draak, in de 8e klas ontston­den naast deze pijlpunten ook zwaarden.

Ook in de 9e klas verbrandde het ijzer wel eens en werd er aanvankelijk te hard geslagen. Hier kwam men op het idee een 9 en een 8 te maken voor op de deur van de klas. Dat bracht een stuk vormgeving met zich mee, waarover je moest denken. Waar te slaan, hoe te slaan om die vorm te krijgen? Zo gebeurde het meerdere malen, dat bij dit afvragen ‘waar zal ik slaan, hoe zal ik de staaf vasthouden’, het metaal al was afgekoeld, de gloed was verdwenen en het slaan geen zin meer had. De ware betekenis van het spreekwoord, ‘het ijzer smeden als het heet is’, werd ondervonden! Maar de 9 en de 8 kwamen er, en hangen nu boven de deur. Enkele 9e-klassers hebben daarna nog met veel kracht gesmeed aan een groot zwaard, dat niet meer gereed kwam, maar waaraan volgend jaar wordt doorgewerkt.

Toen de 8e klas zijn ijzer zo heet tot verbranden toe op het aambeeld bracht, brak er een flink onweer los boven Zeist; de slag van de hamer op ons aambeeld vermengde zich met de slag van de donderhamer van Donar.

(E.  Sneek, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

272-257

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.