VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordenallerlei

 

.

Nederlandse taal: alle artikelen

.

Hier volgen herkomst en betekenis van allerlei woorden. Het kan interessant zijn om op sommige woorden in te kunnen gaan.                                                          (90)
.

zie ook spelling
.

Tenzij anders vermeld:  (bron: dagblad Trouw)
.

(18) Als zijnde
(58) Armzalig
(46) Bakken/braden
(67) Bang te moede
(54) Bedacht/beducht
(77) Behapstukken
(44) Bengel
(21) Beroerte
(56) Bevallen
(11)  Blijkbaar/schijnbaar
(43) Blunderen
(71) Bot vangen
(42) Breidel
(6)   Bres
(17) Brief
(39) Deemoed
(57) Dementie
(74) Deur (looien en gek als)
(75) Dij (als achtervoegsel)
(88)  Door de helft
(25) Duh
(7)   Eengezinswoning
(89) Extravert/extrovert
(53) Falen/failliet
(79) Fan
(51) Fitty
(65) Gast
(37) Gelach/gelag
(19)  Gelauwerd
(9)   Gênant
(4)   Gevlij
(49) Gierig
(16)  Herberg
(66) Huldebiet
(64) Hygiëne
(87) Hysterisch
(22)  Inlopen
(10)  Jok
(90) Kennen
(24) Kersvers
(32) Kissebissen, harrewarren, bakkeleien
(44) Knaap
(23) Koptisch
(28) Lange tenen
[86] Lazarus/lazer(ij)
(31)  Leenwoorden
(48) Lente
(81) Lijden/overlijden
(33) Loomen
(13)  Mankeren
(15)  Mail
(88) Middendoor
(70) Moor
(73) Mum
(20) Nachtmerrie
(14) Omwaaien
(16) Onherbergzaam
(72) On (t) roerend
(5) Onverveerd
(39) Ootmoed
(27) Opening van zaken
(50) Oubollig
(29) Oud(ere)
(30) Overnieuw
(12)  Pallet/palet
(61) Parket
(80) Past(o)or, pastorie
(76) Peentjes
(60) Persoonlijk
(55) Piemel
(62) Piepelen
(26) Poedelprijs
(59) Pollen
(45) Proppen
(72) Roerend
(68) Quotum/quota/quota’s
(84) Schelden
(11)  Schijnbaar
(1)   Slib(p)tong
(85) Souterrain
(47) Spitsroede lopen
(52) Statiegeld
(40) Steil
(38) Stiefmoeder
(40) Stijl
(8)  Tartaar/Tataar
(85) Terriër
(78) Tifosi
(36) Tropisch
(35) Uitbrander
(2)  Vaccineren
(3)  Vakantie  op / met vakantie
(63) Van zessen klaar
(77) Verhapstukken
(41) Verstoken/verstokt
(44) Vlegel
(5)  Vrij onverveerd
(34) Vrijster
(69) Weids/wijds
(90) Weten
.

[1] SLIP(B)TONG
Er is een tijd ge­weest dat zowel slibtong als slip­tong in het woordenboek stond. In 1992 definieerde Van Dale slibtong als ‘tongschar’ en sliptong als
1) on­dermaatse zeetong en
2) (verkeer­delijk voor) slibtong.

In de volgende editie van het woordenboek (1999) werd na con­sultatie van de branche het tref­woord slibtong geschrapt en be­hield het trefwoord sliptong één betekenis: ‘ondermaatse zeetong’. Rond die tijd werd sliptong ook op­genomen in het ‘Groene Boekje’. De spelling slibtong bleek echter hardnekkig. Zowel op menukaar­ten als in de krant en op internet is de verhouding tussen beide taalvor­men ongeveer 1:2. Zo stond slib­tong sinds 2000 189 keer in een Nederlandstalige krant, sliptong 379 keer.

De schrijfwijze slibtong suggereert dat de sliptong in het slib leeft. Weliswaar heeft de sliptong een voorkeur voor ondiep zeewater met een zanderige of modderige bodem, maar dat is niet bepalend voor zijn naam. Die is namelijk
af­komstig uit de visserswereld. In hun ‘visserslatijn’ noemden be­roepsvissers ondermaatse zeetong sliptong, omdat deze vis gemakke­lijk door de mazen van het net slipt. Sliptong is dus een samenstel­ling van het werkwoord slippen (wegglijden, wegglippen, ontsnap­pen) en tong. Elke andere spelling is incorrect.

[2] VACCINEREN
Net na 1800 verschenen in Nederland­se media berichten dat in Frankrijk werd geëxperimenteerd met een entstof tegen koepokken. Daarbij werden mensen ingeënt met een ‘vaccin’, een entstof tegen ‘vaccine’ (het Franse woord voor koepok­ken).

Het Nederlands nam vaccin, vaccine en – wat later – vaccineren over uit het Frans. In die taal was vaccine een verkorting van variole vaccine, een verfransing van de Neolatijnse medische vakterm variote vaccinx, het geleerde woord voor koepokken. Letterlijk betekent vaccine niets meer of minder dan ‘van koeien’.
Aanvankelijk verwees ook ons werkwoord vaccineren alleen naar het inenten tegen koepokken. Pas vanaf 1950 werd de definitie uitge­breid en beschreef Van Dale vaccine­ren als ‘inenten tegen een bepaalde ziekte’. Zo kan het zijn dat kinde­ren tegenwoordig worden gevacci­neerd tegen de bof, mazelen en de rodehond (de beroemde BMR-prik) hoewel de gebruikte entstoffen niets met koeien, laat staan met koepokken te maken hebben.

[3] OP VAKANTIE OF MET VAKANTIE
Er wordt geen onderscheid meer gemaakt

[4] IN HET GEVLIJ KOMEN
Gevlij is afgeleid van vlijen = ordelijk naast elkaar schikken of van zich vlijen = zich schikken (naar), zich onderwerpen aan.

[5] VRIJ ONVERVEERD
In het Wilhelmus betekent dit vrij niet tamelijk, maar in de oude betekenis: zeer, heel erg.
Een van de functies van ons volkslied is dat het woorden in leven houdt die eigenlijk al lang en breed uit de omgangstaal zijn verdwenen. Het vaderland getrouw(e) bijvoorbeeld, wie zegt dat nog? Als woorden niet meer courant zijn, prikkelen ze de fantasie en gaan ze in de verbeelding van de burger soms een eigen leven leiden.

Zo vertelde iemand dat hij altijd had gedacht dat het woord onverveerd in ons volkslied (‘een Prinse van Oranje, ben ik, vrij, onverveerd’) iets te maken heeft met het werkwoord veren en dus onbuigzaam betekent. Dat is niet het geval.
Onverveerd heeft een totaal andere betekenis en een andere etymologie. Het woord is een oude variant van onvervaard, dat onbevreesd betekent. Onvervaard zelf is met het ontkennende element on afgeleid van vervaard, dat we nog aantreffen in de uitdrukking ‘voor geen kleintje vervaard zijn’ (veel durven, niet gauw bang zijn). Net als gevaar, gevaarlijk en vervaarlijk (‘vervaarlijk kijken’) is vervaard terug te voeren op het oude woord vaar, dat angst of vrees betekent en dat verwant is met het Engelse woord fear (gevaar). In de Vlaamse literatuur tref je vaar nog weleens aan, vooral in de combinatie ‘zonder vaar of vrees’. Zo typeerde Louis Paul Boon in een van zijn romans een moderne donquichot als ‘een ridder zonder vaar of vrees’: een ridder die alles durft. In Nederland zouden we zo’n koene ridder een ‘ridder zonder vrees of blaam’ noemen. Dat ons volkslied de Prinse van Oranje ‘onverveerd’ noemt, wil zeggen dat hij eveneens onverschrokken is en dus niet terugschrikt voor gevaar.

[6] BRES
Je kunt zowel in of op de bres staan voor iemand (‘klaarstaan om het voor hem op te nemen’) als voor iemand in of op de bres springen (‘hem met woord of daad verdedi­gen, vooral tegen aantijgingen’). Een bres was een opening in een vestingmuur, veroorzaakt door ge­schut, stormrammen of mijnen van belegeraars. Hun voorhoede sprong of stond in dat gat of op de restanten van de muur.

[7] EENGEZINSWONING
‘Eengezinswoning’? Inderdaad. Weliswaar mag je een tussen-s schrijven als je die ook uit­spreekt, zoals in geluid(s)arm, -hin­der, -opname enz., maar niet na een telwoord in drieledige samenstel­lingen als eengezinswoning, eenmans­fractie, eenpansgerecht, tweepersoons­bed, driepuntsgordel enz. Mogelijk is eensgezinswoning beïnvloed door eensgezind.

[8] TARTAAR of  TATAAR
Volgens het Groene Boekje zijn Tataar en Tar­taar gelijkwaardige varianten, dus beide spellingen zijn strikt geno­men correct. Van Dale geeft, net als de kranten, de voorkeur aan Tataar, mede op grond van de etymologie van het woord. De voorouders van de huidige Tataren waren namelijk een Mongools volk, dat in de mid­deleeuwen grote delen van Centraal-Azië en Oost-Europa verover­de. De Perzen noemden hen tatar. Europeanen associeerden de Tata­ren echter met de Tartaros, in de Griekse mythologie het schimmen­rijk waar Hades heerst en waar de grootste misdadigers door wrede wraakgodinnen worden bewaakt en gepijnigd. De Griekse Tartaros was dus zo ongeveer wat de hel voor de Europeanen was en omdat de Tataren bekendstonden om hun wreedheid, zullen de Europeanen hen als baarlijke duivels hebben beschouwd. Zo werd Tataar haast ongemerkt Tartaar. Het tartaartje dat we bij de slager kunnen kopen, hebben we trou­wens ook aan de Tataren te dan­ken. Tartaar heette aanvankelijk biefstuk/steak d la Tartare: fijnge­hakte rauwe biefstuk die slechts licht gebakken wordt en dus half-rauw wordt gegeten. Het tartaartje kreeg zijn naam op grond van oude verhalen over Tataren die met lap­pen vlees onder hun zadel zouden hebben gereden, zodat ze mals werden en verder onbereid konden worden opgegeten.

[9] GÊNANT
‘Gênant’, zo noemde Trouw giste­ren filmpjes op internet over kin­deren die gepest worden. Ze zijn dus beschamend, die filmpjes. Net als gêne is gênant een Frans leen­woord. Dat is te zien aan het accent circonflexe (het ‘dakje’) op de e. Taalkundigen zijn het er echter niet over eens of dat accent wel no­dig is. Gênant wordt in het Neder­lands immers meestal niet op z’n Frans uitgesproken (als zjènant), maar op z’n Nederlands (als zju-nant). Maar blijkbaar spreken de makers van de Woordenlijst het woord nog wel op z’n Frans uit; vandaar de spelling gênant. De ver­wante woorden gegeneerd, ongege­neerd en zich generen zijn trouwens al zo vernederlandst, dat ze ook in de Woordenlijst geen accent heb­ben.
Uit etymologisch perspectief is gê­nant eveneens interessant. Het woord is rond 1850 courant gewor­den in onze taal, maar in het Frans bestaat het al veel langer. In die taal is gênant het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord ge­tier (hinderen), dat op zijn beurt is afgeleid van gêne (hinder, verlegen­heid). Oorspronkelijk betekende gene echter kwelling of marteling. Gêne is ontstaan onder invloed van een Frankisch woord voor ‘onder marteling bekennen’ én het chris­telijk Latijnse woord gehenna, dat ‘kwelling’ of’hel’ betekent. Bijbel­vaste christenen herkennen daarin misschien het Gehenna, een Bijbel­se naam voor de hel, afgeleid van de Hebreeuwse plaatsnaam gëhinnöm (het dal van Hinnom, nabij Jeruzalem). Volgens Jeremia 7:31 werden daar ooit kinderen ge­offerd aan de Moloch (een afgod). Dat was nog wel wat erger dan gênant.

[10] JOK
Waar komt om ’t jok ((om niet’, ‘zonder inzet’) spelen vandaan? Voor jok heeft het Latijnse iocus (o.m. ‘scherts’) model gestaan. Het woord werd vroeger in allerlei uit­drukkingen gebruikt, zoals in jok (‘in scherts’), alle jok op een stokt (al­le gekheid op een stokje’) en om ’t jok (‘voor de grap’ of, toegepast op een spel, ‘niet om winst’) .Jokken, dat in de Middeleeuwen doorgaans ‘schertsen’ betekende, is van de­zelfde oorsprong. Een eeuw gele­den constateerden woordhistorici dat varianten van dit jok nog te vinden waren in het dialect van Oud-Beijerland en in de Zaanstreek, waar geknikkerd kon worden ‘uit (de) juks’ (‘om niet’) of ‘uit den waars’ (‘met een inzet’).

[11]  BLIJKBAAR/SCHIJNBAAR
Afgelopen zaterdag stond in de krant ‘dat de AIVD en Plasterk schijnbaar niet op de hoogte waren dat Nederland zelf de 1,8 miljoen gegevens aan de Amerikanen had gegeven’. Die formulering is intri­gerend, want is ‘schijnbaar’ hier niet suggestief? En zou ‘blijkbaar’ niet beter zijn geweest? Blijkbaar en schijnbaar drukken ver­schillende houdingen van de schrij­ver uit ten opzichte van het ge-schrevene. Een ‘blijkbaar noncha­lante persoon’ is iemand die er blijk van geeft nonchalant te zijn, terwijl een ‘schijnbaar nonchalante persoon’ iemand is die slechts in schijn nonchalant is (maar in wer­kelijkheid niet). Zou schijnbaar in de aangehaalde zin ‘in schijn’ (oftewel ogenschijn­lijk) betekenen, dan zou de formu­lering suggestief zijn. Maar schijn­baar fungeert hier als bijwoordelij­ke bepaling en in die functie kan het woord niet alleen
‘ogenschijn­lijk’ betekenen, maar ook ‘naar het schijnt’ oftewel ‘klaarblijkelijk’, ‘kennelijk’ en… ‘blijkbaar’. Bij de interpretatie van schijnbaar is de plaatsing in de zin vaak essen­tieel. Zo betekent schijnbaar in ‘Hij komt niet, want schijnbaar is hij ziek’ zonder twijfel ‘klaarblijke­lijk’.
Maar in ‘Hij komt niet, want hij is schijnbaar ziek’ kan schijnbaar ‘klaarblijkelijk’ betekenen, maar ook ‘ogenschijnlijk’. Wie elk misverstand wil uitsluiten, vervangt in zo’n zin het meerduidi­ge woord schijnbaar door een een­duidiger synoniem ah kennelijk of blijkbaar. Ook de zin over de AIVD en Plasterk zou aan eenduidigheid hebben gewonnen als niet schijn­baar, maar bijvoorbeeld kennelijk was gebruikt.

[12] PALLET/PALET
Op internet tref je geregeld combi­naties aan als ‘een pallet aan maat­regelen’ en ‘een pallet aan emo­ties’. In plaats van pallet (laadbord) is in deze contexten palet (‘schake­ring’ oftewel ‘scala’) bedoeld. Pallet en palet worden wel vaker door el­kaar gehaald, want elders lees je dat een transporteur ‘kartonnen dozen op een palet’ stapelt. In zo’n geval is juist pallet de correcte spel­ling. Zelfs in kranten tref je deze verwisseling nu en dan aan. Zo schreef Trouw afgelopen zaterdag op de voorpagina dat het niet vreemd is dat de overheid zorgta-ken naar de gemeente overhevelt, omdat die ‘een pallet aan organisa­ties kan inschakelen’. Een misser natuurlijk, maar uit etymologisch perspectief is deze fout niet zo heel vreemd.

Pallet en palet zijn namelijk nauw verwante woorden. Palet (schil­dersplankje’, vervolgens ‘kleur­menging’ en vandaar figuurlijk ‘scala’) is een leenwoord uit het Frans. Al in de 15de eeuw heeft het Nederlands dit woord overgeno­men, aanvankelijk ter aanduiding van een hakbord of slaghout. Pallet (‘laad-‘ of’stapelbord’) daar-entegen is een Engels leenwoord, dat pas in de tweede helft van de 20ste eeuw in onze taal courant is geworden. Op hun beurt hebben de Engelsen pallet ontleend aan het Franse woord palet, waarvan de oerbetekenis niet veel anders is dan ‘vlak voorwerp’: een plaat of schijf.

Hoewel pallet en palet teruggaan op dezelfde taalvorm, hebben beide woorden een aparte ontwikkeling doorgemaakt, waardoor ze nu niet alleen verschillende betekenissen hebben, maar ook verschillend ge­speld moeten worden.

[13] MANKEREN
Is het ‘ik mankeer niets’ of ‘mij mankeert niets’
Die tweede formulering is in elk geval veruit de oudste. In de Mid­deleeuwen kon je heel wat meer werkwoorden op die manier ge­bruiken. In plaats van ik droom en ik gruw bijvoorbeeld zei en schreef men mi dromet en mi gruwet. De ik­figuur van het Egidiuslied zegt niet ‘ik verlang naar je, mijn kameraad’ maar ‘mi lanct na di, gheselle mijn’. Dromen, gruwen, (verlangen en an­dere werkwoorden) hebben de mogelijkheid van die constructie ver­loren. Dat zou ook met mankeren kunnen gebeuren. ‘Van Dale he­dendaags Nederlands’ etiketteert ik mankeer niets nog als spreektaal, maar ‘Koenen’ ziet kennelijk geen verschil met mij mankeert niets.

[14] OMWAAIEN
betekent vooral ‘door de wind omvallen’; vandaar ‘omwaai­ende bomen’. Zulke bomen kunnen omgewaaid zijn voordat ze de grond hebben bereikt. Vandaar ook dat de voor­zitter van de Maatschappij der Ne­derlandse Letterkunde in 2007 in een jaarrede kon zeggen dat Wil­lem Kieft, gouverneur van wat New York zou worden, zou zijn ‘verplet­terd door een omgevallen molen’.

[15] MAIL
Mail is een van de vele Engelse woorden die in de Middeleeuwen ontleend zijn aan het Frans, in dit geval aan malle ‘tas’ (nu vooral Frans voor ‘reis-, hutkoffer’). Ook een Engelse mail was aanvankelijk een tas of zak; pas in de zeventien­de eeuw werd het een zak voor het vervoer van brieven en nog weer later kwam het woord in gebruik voor de brieven zelf. De middeleeuwse Fransen hadden malle overigens niet zelfbedacht. Ze ontleenden het op hun beurt aan een van de Frankische (West-Germaanse) talen. De samenstel­lers van het Oudnederlandse Woor­denboek houden het er zelfs op dat die taal het Nederlands is geweest. Een buidel, zak of reistas noemden ‘onze verre voorouders mala. Dat is in de loop der eeuwen afgesleten tot male en vervolgens tot maal. Zo’n maal kon een tas of zak in het algemeen zijn, maar ook een her­derstas, een knap- of bedelaarszak, een ransel – of een brievenzak. In de laatste betekenis is ook brieven­maal gangbaar geweest, dat zowel naar de zak als de brieven in kwestie kon verwijzen.
In de roman ‘De opstandigen’ van Jo van Ammers-Küller, verschenen in 1925, komt brievenmaal nog voor als synoniem van postbestelling): ‘Met één brie­venmaal per dag zijn wij (…) altijd tevreden geweest’. Dit maal mogen we dan in het mo­derne Nederlands kwijt zijn ge­raakt, we hebben er in de vorm van (e-)mail, dankzij het Frans en het Engels, een nauwe verwant voor teruggekregen.

[16] HERBERG ONHERBERGZAAM
Het element herberg in onherberg­zaam  combineert een woord voor ‘leger’ (dat nog voor­komt als heer, lange tijd gespeld als heir, en in
her-tog ‘legerleider’) met berg als in het werkwoord bergen ‘in veiligheid brengen’, ‘opbergen’. Heel lang geleden was een herberg dan ook een onderkomen voor een menigte of een leger. Later werd het een nachtverblijf voor vreem­den en vervolgens een eet- en drinkgelegenheid. Geen wonder dat herbergzaam een synoniem werd van gastvrij (‘zijt herberghsaem tegen malkande­ren’- Statenbijbel). De oudste bete­kenis van onherbergzaam is dan ook ‘niet gastvrij’; zo dichtte Bilderdijk over “t onherbergzaam dak van d’ongastvrije koning’. Toegepast op plaatsen is het vooral in zwang ge­komen voor ‘woest, ruig, ontoegan­kelijk’.
Ook in andere talen leeft het oude herberg voort. In het Engels is het harbour geworden, ooit als here-beorg eveneens ‘onderkomen voor een menigte of een leger’ en sinds de zestiende eeuw ‘onderkomen voor schepen, haven’. Franse ver­wanten, ontleend aan een Ger­maanse taal, zijn auberge ‘herberg’ en héberger ‘herbergen’.
 Bergachtig gebied is vaak onher­bergzaam (‘ruig en moeilijk toe­gankelijk’), maar dat hoeft natuur­lijk niet. Het idee dat de twee woorden berg dezelfde oorsprong hebben, is een misvatting. Berg (mountain) gaat terug op een oeroud woord voor ‘groot, hoog’.

[17] BRIEF
Het Engelse en het Nederlandse brief  gaan terug op het Latijnse brevis (‘kort’), dat in ettelijke talen zijn sporen heeft nagelaten. Andere voorbeelden zijn ons brevet (‘ge­tuigschrift’) en brevier (oorspronke­lijk ‘verkort getijdenboek’) en het Engelse abbreviate (‘bekorten’) en brevity (‘beknoptheid’). Het Engelse brief is niet alleen een bijvoeglijk naamwoord (I’ll be brief. ik zal het kort houden), maar ook een zelfstandig naamwoord (o.a: ‘samenvatting, instructie voor een advocaat’) en een werkwoord (‘in­strueren, inlichten’, vandaar ons briefen).
Ook in betekenis zijn die woorden verwant aan het Nederlandse brief. Dat zit zo: in het middeleeuwse La­tijn werd het van brevis (‘kort’) afge­leide breve gebruikt voor ‘brief’ of ‘samenvatting’. Hieraan moet zo­wel het Engels als het Nederlands de diverse betekenissen van brief hebben ontleend. Diverse, want ons brief kon in de Middeleeuwen naar verschillende geschriften en documenten verwijzen: ook naar een opschrift, een boekje en een akte of bewijsstuk. Nog in de ze­ventiende eeuw was de nu gangba­re betekenis lang niet de enige. Daarom werd wat nu een brief heet, vaak een zendbrief genoemd. Verdwenen zijn de vroegere toepas­singen van brief nog niet. Je vindt ze bijvoorbeeld terug in een briefje (‘bewijs, attest’) van de dokter, een briefje van duizend, de oudste brieven hebben (nu gebruikt in de figuurlij­ke zin van de oudste rechten kun­nen doen gelden), adelbrieven (‘ze­kere oorkonden’) en geloofsbrieven (‘over te leggen bewijsstukken’).

[18] ALS……….ZIJNDE
‘Als Nederlander zijnde hoop je na­tuurlijk dat Oranje de finale haalt’ – in de spreektaal is zo’n zin doodgewoon, maar in de krant tref je zulke formuleringen niet vaak aan. Niet vanwege de inhoud, maar vanwege ‘als… zijnde’. Die constructie wordt al decennia­lang aangemerkt als een klassieke taalfout, als contaminatie van ‘als Nederlander/vrouw/voetballer’ en ‘Nederlander/vrouw/voetballer zijn­de’. Die laatste constructie is ar­chaïsch – ouderwets dus – en het enige echte alternatief voor ‘als… zijnde’ is dan ook ‘als …’: ‘Als Nederlander hoop je dat Oranje de fi­nale haalt.’

[19] GELAUWERD
Gelouwerd is een vaak gemaakte spelfout (cor­rect is: gelauwerd), die bovendien niet op zichzelf staat. Zo schreef Trouw vorige week donderdag over de Belgische broers Dardenne, een filmmakersduo, dat ze ‘niet op hun louweren’ rusten. De correcte uitdrukking luidt op zijn lauweren rusten. Lauweren is het meervoud van lauwer, een sy­noniem van laurier. Een oud syno­niem, want laurier hebben we rond 1500 via het Frans uit het Latijn overgenomen, maar lauwer is al in de dertiende eeuw direct ontleend aan het Latijnse laurus (laurier). Gelauwerd en op zijn lauweren rusten verwijzen naar de oude ge­woonte iemand die gezegevierd heeft een lauwerkrans op het hoofd te zetten. Zo bekroonden de oude Grieken, die de lauriertak beschouwden als symbool van de Olympische god Apollo, winnaars van de Olympische Spelen met kransen van laurierbladeren. De Romeinen namen dit gebruik over en bekroonden hun succesvol­le veldheren met lauwerkransen.
Nadien bleef de lauwerkrans in de Europese geschiedenis de traditionele beloning voor mensen die zich verdienstelijk hadden gemaakt, ( onder andere op literair vlak, en die daarom laureaten werden ge­noemd. De lauwerkrans zelf werd intussen vaak vervangen door een ornament of ander voorwerp dat zo’n krans voorstelt. Het verband met laurierbladeren raakte zo enigszins op de achtergrond. Op­vallend is wel dat lauwerkrans, in tegenstelling tot gelauwerd en op zijn lauweren rusten, toch eigen­lijk nooit fout gespeld wordt.

[20] NACHTMERRIE
Een oudere vorm van het woord is nachtmare, een combina­tie van nacht en mare in de beteke­nis ‘nachtspook’. Zo’n spook zou slapende mensen zo kwellen dat ze het gevoel hadden te stikken. Later ging de betekenis over op de kwel­ling zelf. Toen mare niet meer be­grepen werd, kwam merrie ervoor in de plaats. Een kwestie van volks­etymologie: de vervanging van een onbegrepen woord door een dat wel gesnapt wordt. Daaraan danken we bijvoorbeeld ook hangmat (Spaans hamaca) en hondsdraf
(Mid­delnederlands gonderave of onder-have ‘onkruid’). In het Engelse nightmare is het oude mare be­waard gebleven, al zie en hoor je dat er niet aan af. Het Engelse mare met de betekenis ‘merrie’ is er im­mers mee samengevallen.

[21] BEROERTE
Etymologen leggen verband met beroerd in de vroegere betekenis ‘aangeraakt’ in de zin van ‘door de hand Gods met een plotseling ( optredende, heftige aandoening opgezadeld’. Dat kon een emotie zijn maar ook een herseninfarct.

[22] INLOPEN
Ze waren het bos ingelopen. 
Zo geschreven wekt de zin de in­druk dat het werkwoord in kwestie inlopen is. Welnu, schoenen kun je inlopen, een achterstand ook, maar een bos niet. In hoort hier bij het bos, niet bij lo­pen, en daarom mag je het niet aan dat werkwoord vastklinken: voor­dat ze doornat het huis in liepen, wa­ren ze in de stromende regen het bos in gelopen.
Los schrijven we in (van erin) en ge­lopen of getrapt ook in een zin als de val was heel slim opgezet en ze is er dan ook in gelopen / getrapt. Inge­trapt worden bijvoorbeeld een deur en kruimels op een vloerkleed, een val niet.
‘Kijk eens of er misschien fouten inzitten’. Ook in dit geval is het nuttig je af te vra­gen waar in deel van uitmaakt: van er of van zitten. Wanneer je de geci­teerde bijzin herformuleert (‘om­dat in de tekst misschien fouten zitten’) zal meteen duidelijk zijn dat in niet bij zitten hoort en dat in­zitten hier dus minder correct is.
Goed geschreven is het wel in een uitdrukking als ermee of erover inzit­ten: hij heeft er nooit over ingezeten of zijn zoon zou slagen. Vergelijk ook: Hoewel Piet het deksel er verkeerd op gedraaid had, is Jan er­voor opgedraaid.

[23] KOPTISCH
Koptisch gaat terug op het Koptische woord gypt(e)ios, dat ontleend is aan het Griekse woord Aiguptios (Egypte­naar), een afleiding van Aiguptos, de naam van Egypte. Dat land zelf is op zijn beurt vernoemd naar de oude hoofdstad, Memphis, die in het oude Egyptisch ha-ka-ptah heette.
Behalve een godsdienst is Koptisch ook een taalnaam. Het verwijst naar de taal die tussen circa 250 en 1500 gesproken werd in Egyp­te.
In onze woordgeschiedenis speelt die taal geen rol van betekenis. Er is één uitzondering. Zonder het Koptisch zouden wij nu geen an­dijvie eten, of die groente in elk geval niet zo noemen. Andijvie gaat namelijk via het Latijn en Grieks terug op het Koptische woord voor januari. In Egypte was dat de oogstmaand voor andijvie.

[24] KERSVERS
de oudste vorm moet kars(ch) ende vars(ch) ge­weest zijn. Var(sch) was ons vers en kars(sch) een nu verdwenen woord voor ‘fris, gezond, levenskrachtig’. Bij Bredero kon iets dat twintig jaar oud was, nog kars enne vars zijn. Hieruit ontstond de samen­stelling kars(ch)vars of‘kars(ch)vers, toegepast niet alleen op etenswa­ren, maar ook op gedrag en ideeën, zoals in uwe karsvarsche (zeer recen­te) naauwgezetheid (Wolff en Deken, 18de eeuw). Toen kars(ch) in de oor­spronkelijke betekenis teloor was gegaan, werd het aangezien voor kers (de plant, zoals in waterkers, en/of de vrucht), dat vaak als kars uitgesproken en geschreven werd.

[25] DUH
Het moet in deze eeuw uit het En­gels zijn overgenomen. Je spreekt het uit als dù of dù-ù . Vaak gaat ja eraan vooraf: ja, duh. Van Dale hedendaags Neder­land uit 2008 kent alleen de spelling duh (elders kom je ook dûh tegen: en geeft als betekenis ‘minachtend commentaar als ie­mand iets zegt wat voor de hand ligt’. Een goed voorbeeld bevatte een recente tweet: “Geloofsafval. resulteert in ‘kerkverlating’- Duh. Het is hier min of meer synoniem met nogal wiedes, maar drukt ver­moedelijk wat sterker (gespeelde) twijfel aan andermans geestelijke vermogens uit.
Overigens wordt duh niet alleen uitgelokt door wie open deuren intrappen. Voor sommigen is het ook een passende sarcastische re­actie op andere dom geachte be­weringen.
In het Engelse taalgebied was duh aanvankelijk een equivalent van ons eh, dat aarzeling uitdrukt. In de jaren tachtig lijkt het in Ameri­ka de nieuwe betekenis te hebben gekregen. De internationale ver­spreiding dankt het misschien aan de animatieserie ‘The Simpsons”, waarin volgens kenners heel wat afgeduh-d wordt. Een vergelijkbare, maar nog niet geïmporteerde vorm van ietwat primitief taalgebruik is het Engel­se doh niet in de betekenis van ‘grondtoon van de toonladder”. Sommigen luchten er hun gefrus­treerd gemoed mee wanneer het dagelijks leven niet naar wens ver­loopt of ze iets doms gedaan of gezegd hebben.

[26] POEDELPRIJS
Heeft het woord poedelprijs (‘beloninkje voor wie in een wed­strijd als laatste eindigt’) iets met poedel (‘hond’) te maken?
Vermoedelijk niet, luidt het oor­deel van woordhistorici. De poedel in kwestie is een misser, een mis­lukt schot of dito worp; vandaar dat een kegelclub in het Zuid-Lim­burgse Genhout zich De poedelha­ters noemt. Het woord komt moge­lijk van poedelen in de zin van ‘knoeien, morsen’ en dat lijkt een andere voorgeschiedenis te hebben dan poedelen in de betekenis ‘water heen en weer bewegen, spetteren’. De voorouders van alle poedelwoorden moeten we in het Duitse taalgebied zoeken, waaruit dus ook de hondennaam afkomstig is. De Pudel/poedel heet zo omdat hij, af­gericht voor de jacht op watervo­gels, graag spetterend te werk ging oftewel pudelte/poedelde.

[27] OPENHEID VAN ZAKEN
Kun je ‘openheid van zaken geven’? Die formulering kom je herhaalde­lijk tegen. Zo riep Oxfam Novib vo­rige maand een voedselfabrikant ertoe op ‘openheid van zaken’ te geven over de herkomst van zijn grondstoffen. Kennelijk is niet al­leen bij deze organisatie onbekend dat de vaste uitdrukking al sinds de zeventiende eeuw opening van zaken (onthulling van de ware stand van zaken) is.

[28] LANGE TENEN
Wie lange tenen heeft, is snel bele­digd en wie op iemands tenen gaat staan, is daar de veroorzaker van. Wie zijn moedertaal beheerst, kent dat idioom. Lange tenen hebben en op iemands tenen gaan staan zijn dan ook als courante uitdrukkin­gen opgenomen in het woorden­boek.
Dat geldt niet voor varianten als ge­voelige tenen hebben en op gevoelige te­nen gaan staan, zoals die soms in de krant te vinden zijn. Zo schreef Trouw afgelopen woensdag over een Poolse regisseur die met een film ‘in zijn vaderland Polen op gevoelige tenen’ trapt. Eerder ‘stamp­voette’ al eens iemand ‘op
gevoeli­ge tenen’ en was er sprake van de ‘lange gevoelige tenen’ van Poetin. Uit de contexten kan de betekenis worden afgeleid: gevoelige tenen heb­ben is een variant op lange tenen heb­ben en op gevoelige tenen trappen bete­kent ‘iemand die gauw beledigd is irriteren of kwetsen’. Maar zijn die uitdrukkingen nieuw of ontbreken ze ten onrechte in de woordenboe­ken.
Het laatste is het geval. Informatie uit de krantendatabase Delpher van de Koninklijke Bibliotheek (www.delpher.nl) geeft een aardig inzicht in de populariteitsgeschiedenis van woorden en uitdrukkin­gen. Hieruit blijkt dat de uitdruk­kingen met ‘gevoelige tenen’ kort na de Tweede Wereldoorlog cou­rant zijn geworden. Maar de oudste vindplaats in Delpher dateert van voor de oorlog. In 1935 schreef het socialistische weekblad De Tribune over het Franse protest tegen de Duitse herbewapening. Het blad dacht dat de Engelsen dat wel zou­den steunen, maar vreesde ook dat ze ‘Hitler’s gevoelige tenen wil(den) ontzien…’.

[29] OUD(ERE)
Doorgaans geven de zogeheten trappen van vergelijking een opklimmende reeks aan: oud (stellende trap of positief) – ouder ‘ (vergelijkende trap of comparatief) – oudst (overtreffende trap of super­latief). Maar een oudere man in de zin van ‘een man op enigszins ge­vorderde leeftijd’ neemt een aparte positie in. In een geval als dit berust oudere niet op een expliciete vergelijking, maar is -ere eerder een graadaanduiding (‘min of meer’). Onder taalkundigen is hiervoor de term absolute of onechte vergrotende trap in omloop. Het gebruik ervan beperkt zich niet tot ouder(e), getuige uitdruk­kingen als een hogere (boven ons ge­stelde) macht, de lagere inkomens, de mindere man en de rijpere jeugd. Het Duits kan hier het Nederlands als voorbeeld hebben gediend, met constructies als seit längerer Zeit (sinds vrij lange tijd) en ein grösserer Betrag (een tamelijk groot be­drag).
Sommige van de Nederlandse vormen worden overigens wel opgevat als een verkapte superlatief. Met hogere standen bijvoorbeeld zijn dan de hoogste bedoeld. Zo ook zal Trouw zich met de slagzin ‘de betere krant’ niet als ‘een min of meer goede krant’ hebben willen kenschetsen, maar minstens als ‘een van de beste’.

[30] OVERNIEUW
‘Overnieuw’, gehekeld als verhaspeling, hoeft niet fout te zijn.
Overnieuw kan een contaminatie zijn van ‘over’ en ‘opnieuw’.
Onze Taal heeft al eens uitgelegd dat een vraag als ‘mag ik even overnieuw beginnen?’ niet precies hetzelfde hoeft te betekenen als ‘mag ik even opnieuw beginnen’? Het gebruik van overnieuw kan in­houden dat de spreker het de
tweede keer anders wil doen. En toen de rechtsgeleerde C. van Vollenho­ven in 1920 schreef dat ‘het Haagsche werk’ (conferenties over vrede en ontwapening) ‘overnieuw dient te worden gedaan’, bedoelde hij méér dan dat het overgedaan in de zin van ‘herhaald’ moest worden: het moest ‘totaal anders’ worden ‘aangevat’.

[31] LEENWOORDEN
Menigeen ergert zich aan het overbodig gebruik van bui­tenlandse woorden of leenwoorden in het Nederlands en sommigen willen deze woorden zelfs zo veel mogelijk uit­bannen. Het gebruik van vooral Engelse woorden als er een goed, of soms zelfs beter, Nederlands woord voor de hand ligt, is vaak ergerlijk; we denken hierbij aan woorden als award in plaats van prijs, company voor bedrijf, plane voor vliegtuig en security voor beveiliging. Vooral volledig vreemd­talige reclame-uitingen als Let’s make things better stuiten veel taalliefhebbers tegen de borst.
Maar het overnemen van leenwoorden is een verschijnsel dat zich in iedere taal voordoet. Het Nederlands kent vele leenwoorden die inmiddels algemeen zijn geaccepteerd en die soms niet meer als leenwoord worden herkend: uit het Latijn (zolder, kelder), het Grieks (telefoon, catastrofe), het Arabisch (algebra, koffie), het Frans (kathedraal, portemon­nee), het Italiaans (spaghetti, allegro) en het Engels (baby, computer). Sommige leenwoorden zijn niet te vertalen: Weltschmerz, brainstormen, timing. Andere zijn korter: drugs, tutoyeren, lobbyen.
Soms heeft het Nederlandse woord een andere gevoels­waarde:

happening gebeurtenis                              transpireren zweten

finishing touch de laatste hand                souffleren voorzeggen

Het Engels lijkt een sterke invloed te hebben op het Neder­lands, maar ontwikkelingen in de taal rond voetbal en computer tonen aan dat Nederlandse woorden soms in staat zijn om hun vreemdtalige equivalenten te verdrin­gen: vrije schop (free kick), hoekschop (corner), strafschop (pe­nalty), buitenspel (offside), tekstverwerker (word processor), uit­draai (print), beeldscherm (display).

[32] KISSEBISSEN
Kissebissen en bakkeleien zijn twee van de vele woorden in onze taal die verwijzen naar kibbelen of­tewel onenigheid hebben over on­beduidende zaken. Andere woor­den met dezelfde betekenis zijn bij­voorbeeld hakketakken, harrewarren en hassebassen.
Hakketakken, harrewarren, hasse­bassen en kissebissen lijken uiterlijk behoorlijk veel op elkaar, maar zijn – vaak in een ver verleden – toch op verschillende manieren ontstaan. Zo hebben we hakketak­ken eraan te danken dat hakken (kri­tiek leveren op iemand) werd geas­socieerd met het nu verouderde werkwoord hakketeren (kibbelen). Hassebassen en harrewarren daaren­tegen zijn door toevoeging van een rijmend woorddeel (reduplicatie) gevormd van de oude werkwoor­den bassen (snauwen) en warren (onenigheid hebben). Over de her­komst van kissebissen willen etymo­logen nog weieens bakkeleien, maar een aannemelijke verklaring is dat kissebissen al in de 17de eeuw is samengesteld van de oude werkwoorden kissen (sissen) en bissen (zich druk maken).
Deze vier woorden hebben ge­meen dat ze in het Nederlands zijn gevormd. Daarin verschillen ze van bakkeleien. Dat leenwoord hebben we overgehouden aan ons kolonale verleden. Bakkeleien is – in de vorm bakkelaayen en in de beteke­nis vechten – namelijk al rond 1700 ontleend aan het Maleise woord berkelahi, dat ‘bezig zijn met vechten of twisten’ betekent.

[33] LOOMEN
Sinds begin mei (2014) heeft Nederland er een rage bij – loomen – en wordt de Nederlandse taal bijna dagelijks verrijkt met woorden die daarmee te maken hebben: loombord, loombandje, loomsieraad. Loomen (spreek uit als loemen) lijkt op het aloude punniken (koordjes vlechten), maar verschilt daarvan doordat het niet wordt gedaan met stukjes garen op een klosje, maar met elastiekjes op een loombord. Dat woord is ontleend aan loom board, een Engelse term voor weefbord.

De vervoeging van verse aan het Engels ontleende werkwoorden levert altijd weer problemen op. Zo schrijven kinderen op internet dat ze hebben ‘geloomed’. Ook al heeft loomen in het Nederlands een Engels aandoende uitspraak, het werkwoord wordt vervoegd volgens Nederlandse regels: jij loomt, zij loomde, wij hebben geloomd.
Het loomen resulteert vaak in loombandjes. Een paar weken geleden waren die armbandjes slechts po­pulair bij kinderen, maar inmid­dels is Louis van Gaal met een WK-loombandje gesignaleerd. Geen wonder, ook ouderen schijnen het loomen te hebben ontdekt. In het Nederlands krijgt de naam loombandje de laatste weken wel wat concurrentie. Steeds vaker worden de armbandjes band it-bandjes genoemd, dat dankzij alliteratie misschien wat beter in het gehoor ligt. Dat woord berust op een merknaam: Band-it! Gelukkig is loomen een rage en dus van vluchtige aard. Dat geldt ook voor de bijbehorende woor­den. Hoewel, sommige, zoals loomen en loombandje, zullen wel­licht beklijven.

[34] VRIJSTER
In de loop der eeuwen heeft vrijster diverse betekenissen ontwikkeld, waaronder ‘ongetrouwde jonge vrouw’. Zo iemand kon ook een jon­ge vrijster heten. Tegen deze achter­grond is begrijpelijk dat daarnaast, minstens al in de achttiende eeuw, oude vrijster in omloop kwam. Voor velen lijdt deze combinatie vermoedelijk aan innerlijke tegen­spraak. Met vrijen, waarvan het woord uiteraard is afgeleid, wordt nu immers vooral een bezigheid bedoeld waarnaar vroegere genera­ties alleen verwezen met zogehe­ten moeilijke woorden als copuleren en coïre of met schuttingtaal. Zo ver gingen onze voorouders niet, in taalkundig opzicht. Voor hen was vrijen onder andere ‘het hof maken’, ‘liefhebben’ (‘Adam vrijde Eva’), ‘minnekozen’ (‘kussen, strelen en knuffelen’) en ‘verkering hebben’.
In  Couperus’ ‘Eline Vere’, waarin Georges en Lili ‘in den sa­lon (…) met elkaar liggen te vrijen’ is dit in bovenstaande betekenis bedoeld. Oorspronkelijk, in het Germaans, moet vrijen van seksuele connota­ties verstoken zijn geweest, ‘lief­hebben’, in algemene zin, was de betekenis. Het tegenwoordig deel­woord van het werkwoord is ons vriend geworden.

[35] UITBRANDER
Is afgeleid van uitbranden ‘de mantel uitvegen’, dat regionaal nog in gebruik moet zijn. Verklaard als een figuurlijke toepassing van de betekenis ‘door middel van vuur ontdoen van ongerechtigheden, reinigen’. Iemand uitbranden kon je vanaf de achttiende eeuw. Uitbrander lijkt in de negentiende eeuw ontstaan; het oudste citaat is van Multatuli.

[36] TROPISCH
Er zijn heel wat manieren om te zeggen hoe warm het is. Het is broeierig, drukkend, zweterig, plakkerig, pufferig, pufheet, broei­end heet, gloeiend heet, benauwd, bloed- of bloedjeheet, schroeiend heet, smoorheet, snikheet, stikheet of zelfs stervensheet.
En als het kwik in de zomer een beetje op­loopt, vinden we het al snel ‘tro­pisch’. Dat woord is aan het begin van de negentiende eeuw via het Duits in onze taal terechtgekomen. Het gaat terug op het Latijn, waarin tropicus ‘met betrekking tot de zon­newende’ betekent. Het woord verwijst dus naar de keerkringen, de denkbeeldige cirkels aan het he­melgewelf waartussen de zon keert bij haar schijnbare beweging om de aarde. Aanvankelijk betekende tropisch niets meer of minder dan ‘als in de tropen’. Pas later ging dat woord ‘heel erg warm’ betekenen. Die betekenis berust dus eigenlijk op de vergelijking ‘zo heet als in de tropen’.
Ook mensen die nog nooit in de tropen zijn geweest, en het weer tussen de keerkringen dus niet uit eigen ervaring kunnen vergelijken met het weer in onze gematigde streken, deinzen er niet voor terug een warme zomerdag als ‘tropisch te typeren. Meteorologen hebben het pas over een tropische dag als de temperatuur boven de dertig graden uitkomt.

[37] GELACH/GELAG
Drinkgelag en ook drankgelag moe­ten  met een g worden gespeld. Beide woorden zijn samen­stellingen met gelag. Dat is vooral bekend dankzij de uitdrukking ‘het gelag betalen’, die nu niet vaak meer met drinkgelagen in verband wordt gebracht. Meestal wordt de­ze uitdrukking gebruikt in de
bete­kenis ‘de straf dragen voor wat an­deren hebben misdreven of voor wat men samen met anderen heeft misdaan’. Gelag verwijst letterlijk naar de (kosten van de) gezamenlij­ke consumpties van een of meer personen in een
horecagelegen­heid. Het is een woord dat in de 13de eeuw is afgeleid van het nu al lang verdwenen werkwoord gelig-gen (samenliggen) en betekende oorspronkelijk in het algemeen ‘wat bijeen is gelegd’ en in het bij­zonder ‘de kosten van een (ge­meenschappelijke) maaltijd of drinkpartij’. Geliggen kon figuurlijk ook ‘in een bepaalde toestand zijn betekenen. Daarvan is gelag afge­leid in een betekenis (toestand of lot) die we nog steeds aantreffen in een andere uitdrukking: ‘een hard gelag’ (‘een moeilijk te dragen lot’).

[38] STIEFMOEDER
Van oudsher kennen we ze als ‘stiefouders’: vaders en moeders in relatie tot een kind uit het vorige huwelijk van hun partner. Woor­den als stiefmoeder, stiefvader, stiefdochter en stiefkind zijn dan ook al stokoud.
Het zijn afleidingen met het voor­voegsel stief-, dat eigenlijk ‘zonder bloedverwantschap’ betekent. Stief-wordt – soms in de variant stiep – al in de dertiende eeuw aangetroffen in onze taal en is verwant met het Engelse voorvoegsel step-, zoals in stepfather en stepmother, en het Zweedse voorvoegsel styv-, zoals in styvdotter en styvsyster. De woorden stiefvader en vooral stiefmoeder hebben naast hun neu­trale ook een uitgesproken negatie­ve betekenis gekregen. Behalve ‘tweede moeder’ betekent stief­moeder ook ‘liefdeloze moeder’. De ‘boze stiefmoeder’ is een bekend motief in sprookjes als Assepoester en Sneeuwwitje. Maar de vlek op haar imago heeft de stiefmoeder niet meegekregen van sprookjes­schrijvers als Charles Perrault en de gebroeders Grimm. Al veel eer­der had de stiefmoeder een slechte reputatie. Zo moet rond 1600 de ‘boze stiefmoeder’ een gangbaar begrip zijn geweest, want in 1604 schreef Carel van Mander in zijn ‘Schilderboeck’ over motieven uit de klassieke mythologie in termen van een ‘boose’ respectievelijk een ‘quade stiefmoeder’. Door dat negatieve imago van de woorden stiefmoeder (en -vader) gaan stiefouders en -kinderen nog­al eens op zoek naar een alternatie­ve benaming, zoals bonusmoeder, bonusvader en plusmama en plus­papa. Vooral die laatste twee begin­nen concurrenten te worden van stiefmoeder en -vader.

[39] DEEMOED/OOTMOED
Worden woorden als ‘ootmoedig’ en ‘deemoedig’ nog wel gebruikt buiten de kerk en wie kent nog het onder­scheid tussen ootmoed en deemoed? In oorsprong is er zeker verschil tussen de twee, nu voor menigeen beide synoniem met nederigheid, onderworpenheid. Ootmoed koppelt het verdwenen woord ode ‘gemakkelijk, licht’ aan moed ‘gezindheid’. Het verwijst al eeuwen naar een ‘gemakkelijke, d.i. niet stugge of stuursche, dee­moedige gezindheid van iemand te­genover anderen die boven hem verheven zijn’, zegt ons grootste woordenboek. In deemoed, dat aan het Duits ontleend is, behoort dee tot de familie van dienen. Is er ook verschil in betekenis nu? J.V. Hendriks meende in 1922 in zijn handwoordenboek van syno­niemen nog van wel. Deemoedig as­socieerde hij met schuld; ootmoedig met onderworpenheid, vandaar dat dit ‘vooral gebruikt wordt met be­trekking tot het gevoel van onder­worpenheid voor God’.

[40] STEIL/STIJL
Het spellingverschil tussen steil en stijl is niet gebaseerd op de uit­spraak, maar op de verschillende herkomst van deze woorden. Stijl (paal, schrijfwijze, richting in de 
kunst e.d.) gaat terug op het Latijnse woord stilus, terwijl steil is afgeleid van een oud woord voor stoep, stegel, dat op zijn beurt teruggaat op stijgen. Het element ege werd ei en zo werd stegel steil. Iets vergelijkbaars zien we bij peil (afgeleid van pegel) en dweil (afgeleid van dwegel). Die kennis helpt echter niet veel bij het spellen. Wie steil en stijl correct wil schrijven, kan dan ook  het best onthouden dat het sub­stantief met een lange ij en het adjectief met een korte ij moet worden geschreven.

[41] VERSTOKT/VERSTOKEN
 ‘Verstoken’ komt slechts in één combinatie voor: ‘verstoken (blij­ven, zijn) van…’. Iemand die versto­ken is van aardgas, heeft dat niet verstookt, maar moet het simpelweg zonder gas stellen. ‘Verstoken van…’ betekent namelijk in essen­tie ‘zonder’.
De verwarring van ‘verstoken van met het werkwoord ‘verstoken’ en het bijvoeglijk naamwoord ‘ver­stokt’ (als in ‘een verstokte roker’ komt door de onbekende herkomst van ‘verstoken van’. Dat is van oorsprong een vervoeging van het incourante werkwoord ‘versteken’, dat vroeger de betekenis beroven, ontnemen had. Je ziet het helaas vaker: als de etymologische verankering van een woord niet meer duidelijk is, worden er steeds meer fouten mee gemaakt.

[42] BREIDEL|
persbreidel: het beperken van de persvrijheid. Dat woord, persbreidel, is in de jaren twintig van de twintigste eeuw cou­rant geworden. Destijds werd het gebruikt in verband met de beper­king van de persvrijheid in Nederlands-Indië. Daar voerde de overheid in 1931 zelfs een ‘persbreidel-ordonnantie’ in.
Persbreidel is samengesteld op ba­sis van de woordcombinatie ‘de pers breidelen’, die al veel ouder is. Hierin betekent breidelen niet let­terlijk ‘rij- of lastdieren voorzien van een breidel (een combinatie van teugel, bit en leidsel)’, maar
fi­guurlijk ‘in zijn vrije uiting of loop beperken’ oftewel ‘bedwingen’. Net als de verwante woorden (in)tomen en beteugelen wordt breidelen ook nu vrijwel alleen nog maar fi­guurlijk gebruikt. Breidelen is afgeleid van breidel, dat uit de dertiende eeuw dateert en verwant is met het werkwoord breien. Vroege breidels of toompjes waren kennelijk vlechtwerkjes. Breidelen ligt ten grondslag aan twee bijvoeglijke naamwoorden die nu gewoner zijn dan dit werkwoord zelf: breidelloos en ongebreideld. Met beide woorden wordt ook allang niet meer verwezen naar een rij- of lastdier dat zonder toom loopt. Deze woorden worden net als  tomeloos  en onbeteugeld figuurlijk gebruikt in de betekenis ‘onbedwingbaar’ en soms ‘onbeperkt’. 

[43] BLUNDEREN
Blunderen gaat volgens etymologiewoordenboeken via het Engelse woord blunder terug op het Oud-noorse woord blunda, dat verwant is met ons woord blind en ‘de ogen sluiten’ betekent. Wie blundert, had zijn ogen dus in zijn zak.

[44] KNAPEN, VLEGELS EN BENGELS
De lezer zal wel niet vermoeden, dat al die woorden in verband staan met afranselen. De middeleeuwse knaap werd opgevoed met stokslagen. Het woord „knaap” komt van het Germaanse knab=stok, knup­pel. Maar in de Middeleeuwen was de knaap „ouder” dan nu, het betekende ook jongeling, jonge man. We vinden dit bij edelknaap, schildknaap, een adellijke jongeling in dienst van een ridder. Hij moest het zware schild dragen als zijn heer ten oorlog trok of naar een toernooi ging. En werd zijn heer gewond of gedood, dan moest de schildknaap zorgen dat de gewonde heer of zijn lijk weer thuis kwam. Was de ridder in een toernooi overwonnen, dan moest de schildknaap met de overwinnaar onderhandelen over het inleveren van paard, wapens en harnas of onderhandelen over een losprijs om één en ander terug te kopen. Dat was geen jongenswerk en men ziet wel dat de schildknaap een jonge man was. Wie zich interes­seert over de toernooien en de „vaktermen”, vindt dit in „Jvanhoe” van Walter Scott uitvoerig beschre­ven.

Het Duits kent het woord „Knappe”. Dat waren mijn­werkers welke in het gesteente gangen hieuwen op zoek – In de eerste plaats – naar zilveraders. Daar in Nederland geen erts in het gesteente voorkomt, hebben wij geen woord voor „Knappe”.
Een merkwaardige instelling aan de vele Duitse vorstenhoven was de „Prügelknabe”. Hij was de zoon van een lijfeigene of slavin en hij genoot de twijfel­achtige eer de tuchtiging in ontvangst te nemen die het zoontje van de vorst verdiende. Hij was altijd te­zamen met het prinsje. Had het prinsje kattekwaad uitgehaald, dan kon men de prinselijke billen geen stokslagen geven. Dan moest de Prügelknabe de blote billen presenteren en de stokslagen incasseren. Aan het „rechtsgevoel” was voldaan, het kattekwaad was bestraft.
Merkwaardigerwijze is er geen vrouwelijk pendant. Blijkbaar moesten stoute prinsesjes zelf de straf in ontvangst nemen. Hierop wijst het feit, dat in het Engeland van de 18e en 19e eeuw zowel burgerlijke als
hoog-adellijke jongens en meisjes met de karwats op de blote billen kregen. Er waren zelfs speciale bank­jes in de handel om de schuldige daarop vast te bin­den. Ook op de Engelse kostscholen werd de roede vaak gehanteerd. Dan is er nog de schandknaap. In de Statenvertaling van de bijbel vinden we, dat met deze knapen in de tempel ontucht werd bedreven. Zie 2 Kon. 23 „Daartoe brak hij de huizen der
schand-jongens af die aan het huis des Heeren waren”. Deut. 23:17 „er zullen geen schandjongens zijn onder de zonen van Israël”. En 1 Kon. 14:24 „er waren ook schandjongens in het land”. De Statenvertalers
be­keken de ontucht met jongens door de 1 7e eeuwse bril en kwamen zo tot het woord schandjongens. Maar eigenlijk waren het „gewijden in dienst van de godheid van Kanaan”.
Ook bengel betekent stok, knuppel. Dit leeft nog in het Engels: bangle = stok om te tuchtigen en to bang = afrossen, afranselen.
De jongens hadden hun vlegel­jaren en waren vlegels. En vlegel komt van het Latijn: flaggellum is gesel, zweep. De Germanen namen dit over als „flegil”. Later ging dit dorsvlegel beteke­nen, waarbij de graankorrels uit de aren werden ge­slagen. Nu heet dorsen in het Duits „dreschen”. Hier­van komt het woord „ausdreschen” voor afranselen. We vinden dit bij Hans Sachs (1494-1576), de be­langrijkste Duitse dichter van de 16e eeuw, in zijn stuk „der fahrend Schuler mit dem Teufelbannen”. De pastoor komt bij de boerin om te vrijen als de boer van huis is. Hij is bang een pak slaag van de boer te krijgen als de boer het paar in bed betrapt: „dasz nicht dein Mann komm in das Haus Und dresch mir den Hundshaber aus”. Hundshaber — belasting die de horige boer aan de adellijke grondbezitter moet betalen om voer voor de meute, de jachthonden van de heer, te kopen. Sachs vestigt hier ongewild de aandacht op de Middeleeuw­se wijze waarop een belastingaanmaning werd ver­zonden. Immers, een briefje had geen zin, de hoog adellijke heer kon niet schrijven, de boer niet lezen. Derhalve ontving de boer op het zitvlak vele stok­slagen om hem er aan te herinneren, dat de belasting nog betaald moest worden.

(J.C.Alders, ‘De Vacature’, ca 1976/77)

[45] PROPPEN
Woordhistorici denken aan de betekenis ‘benen’. In de acht­tiende eeuw kon je (weer) op de proppen komen, wanneer je na ge­slapen te hebben of ziek te zijn ge­weest, (weer) op de been kwam. Tegen de achtergrond van dit nu verouderde woordgebruik ont­stond de figuurlijke betekenis ‘voor den dag komen (met iets)’, ‘(van iets) melding maken’.

[46] BAKKEN/BRADEN
Bakken is vooral in gebruik voor het proces van snel, op hoog vuur
ga­ren van voedsel: vlees en vis, ei­eren, aardappels of groenten. Het gaat om kleine hoeveelheden.
Bra­den wordt vrijwel uitsluitend bij vlees gebruikt; het draait dan om grotere stukken die langzaam ga­ren, op laag vuur of in de oven.

[47] SPITSROEDE LOPEN
Spitsroeden lopen betekent nu ook op eieren lopen.
Van Dale vermeldt dat ‘spitsroeden lopen’ van oorsprong verwijst naar een militaire straf waarbij de ver­oordeelde met ontblote rug tussen twee rijen met puntige stokken ge­wapende soldaten moest lopen. Dat was niet alleen een vernederende, maar ook zware straf. Sommige
soldaten vonden zo de dood.
Sinds lang wordt ‘spitsroeden lo­pen’ echter niet meer in die bete­kenis gebruikt, maar in een twee­de, figuurlijke betekenis: ‘een openbare vernedering moeten on­dergaan omdat men iets verkeerds gedaan heeft’.
‘spitsroeden lopen’  blijkt nu echter iets anders te betekenen: ‘behoedzaam te werk gaan’.

[48] LENTE
Lente hangt samen met  lengen -‘langer worden’.
Voorjaar: vroeg in het jaar. Duits: Frühling.
Frans: printemps via Latijn: primus tempus, de eerste periode in het seizoen.
Hierin groeit de primula, ook afgeleid van primus.
Het Engelse ‘spring’ is verbonden met het ‘openspringen’. In het Nederlands weer verwant met ontluiken, het tegenovergestelde van ‘luiken’, dichtdoen, sluiten. De ogen luiken: sterven. Voltooid deelwoord: geloken, waarin nog verwantschap zit met het Engelse ‘lock’.
(Wim Daniëls)

[49] GIERIG
De oudste betekenis van gierig is ‘begerig’, niet per se in ongunstige zin. Zo werd het in de dertiende eeuw al gebezigd: machot hin gire- gan thes ewigan rïhduomes (‘maak hem begerig naar de eeuwige rijk­dom’). Al spoedig moet gierig ook gebruikt zijn in de zin van ‘heb­zuchtig, overdreven begerig naar geld en goed, vrekkig’, nu de enige betekenis. Maar de oudste leeft voort in samenstellingen als eer-, leer-, nieuws-, weet- en wraakgierig.

[50] OUBOLLIG
‘Flauw’, ‘kneuterig’ en ‘ouderwets’ lijken nu de overheersende betekenissen te zijn. Er is vaker losjes met het woord omgesprongen. Het begon zijn bestaan als nevenvorm van het Middelnederlandse abolghig, ‘toornig’. Die was afgeleid van abolghe, ‘toorn’. Het voorvoegsel a had daarin waarschijnlijk een versterkende functie, menen woorhistorici. Bolghe is verwant aan belgen ‘kwaad maken’, waaraan we ook gebelgd en verbolgen danken. Van ‘toornig’ veranderde de betekenis in ‘dwaas, gek’ (misschien dankzij associaties met ‘zinneloos, opgevat als buiten zichzelf van emotie’?). In de achttiende eeuw werd het vooral opgevat als ‘koddig’, kluchtig’, een betekenis die Van Dale nu als verouderd labelt.
Van recente datum is de overgang naar ‘flauw, ‘melig’ en ‘ouderwets’. Vandaar de spelling oudbollig

[51] FITTY
Woord voor ‘ruzie’ in straattaal. In populair Engels kan het ook verwijzen naar seksueel aantrekkelijke (jonge) vrouwen. Van fatty naar fitty (als vermageringsideaal)

[52] STATIEGELD 
Statiegeld is eigenlijk gewoon staangeld.
Statie en staatsie worden nogal eens door elkaar gehaald. Vooral in samenstellingen, zoals staatsieportret (dus niet statieportret) en statiegeld. Statie en staatsie klinken dan ook vrijwel identiek. Toch zijn het woorden met zeer verschillende betekenissen én met een verschillende herkomst.
Staatsie betekent pracht en is afgeleid van het Franse woord stage (verhoging, podium). Dat woord gaat terug op het Oudfranse woord estage (verhoging), waarvan ook het woord etage (verdieping) is afgeleid. Waarschijnlijk is het Franse woord stage onder invloed van ons woord staat in de betekenis
‘uiterlijk vertoon dat bij iemands rang of stand hoort’ vernederlandst tot staatsie. Hoe dan ook, staatsie kreeg bij ons de betekenis pracht en praal en het zijn sindsdien vooral koningen en koninginnen die ‘veel staatsie voeren’. Vaak zijn het ook vorsten die op staatsieportretten prijken.
Statie betekent niets anders dan standplaats. We kennen het in ondermeer van de statiën «letterlijk ‘plaatsen waar stilgestaan wordt’) langs de kruisweg van Jezus. Statie is afgeleid van het Latijnse woord statio, dat het stilstaan of standplaats betekent. Statiegeld, dat hiermee is samengesteld, betekent daarom letterlijk staangeld: geld voor iets dat men in bruikleen heeft staan. Geen wonder dat sta- en staangeld vroeger vaak als synoniemen van geld werden gebruikt.

[53] FALEN/FAILLIET
De woorden vals, falen en faillissement hebben etymologisch gezien hinnige banden met elkaar. Falen en faillissement hebben dezelfde basis. Ze gaan namelijk – direct of indirect – terug op het Franse werkwoord faillir. Dat werkwoord heeft diverse betekenissen, waaronder mislukken, ontbreken en tekortschieten.
In de 13de eeuw heeft het Nederlands faeiliren ontleend aan het Franse werkwoord faïllir. Later ontwikkelde dit woord zich tot falen en feilen (dat eveneens falen betekent en waarvan onfeilbaar is afgeleid). Een paar eeuwen later, in de 16de eeuw, ontleende onze taal het woord faillissement aan het Frans, dat in die taal was afgeleid van faillir. Ook het Franse woord faillite is daarmee verwant, al wordt dat ook wel teruggevoerd op het Italiaanse woord faillito (bankroet). Dat Italiaanse woord gaat op zijn beurt – net als het Franse werkwoord faillir – terug op het Latijnse werkwoord fallere, dat onder meer bedriegen, misleiden, afspraken niet nakomen betekent. Dit Latijnse werkwoord kennen we in onze taa als de basis van falsus (bedrieglijk, misleidend), waarop ons woord vals terug te voeren is.

Eigenlijk zit de wereldgeschiedeni dus dóódsimpel in elkaar, althans voor wie zich interesseert voor woordgeschiedenis.

[54] BEDACHT/BEDUCHT
Er is wat raars aan de hand met het woord beducht. Die afleiding van het oude werkwoord beduchten (vrezen voor) betekent bang of bevreesd en wordt volgens woordenboeken en grammatica’s (vrijwel) alleen gebruikt in combinatie met het voorzetsel voor: mensen zijn beducht voor iemand of iets.
Die beschrijving staat echter op gespannen voet met de taalwerkelijkheid. Niet alleen wordt beducht soms abusievelijk gebruikt wanneer geducht (vrees of ontzag inboezemend) wordt bedoeld (‘een beduchte tegenstander’), ook wordt beducht vaak gecombineerd met een ander voorzetsel dan voor, namelijk op: ‘De autoriteiten zijn extra beducht op aanslagen’.
Beducht verschilt maar één letter van bedacht, dat onder meer voorkomt in de woordgroep ‘bedacht zijn op iets’ (voorbereid zijn op). Sommige taalgebruikers kennen beide woorden en gebruiken ze volgens het boekje. Zoals schrijver Koos van Zomeren, die over onze voorouders schrijft: ‘De mensen zelf waren harder, minder bedacht op frustraties, minder beducht voor pijn, zowel bij zichzelf als bij een ander, laat staan bij dieren. Als ‘beducht op’ wordt gebruikt, is vaak ‘bedacht op’ bedoeld, ook iets waarvoor men beducht is.  Je bent nooit beducht op iets leuks, maar altijd op iets naars.

[55] PIEMEL
Piemel is een van de vele namen van het mannelijk geslachtsdeel. Van Dale vermeldt er daarvan ruim honderd die min of meer courant zijn. De meeste hebben een seksuele connotatie. Slechts een enkeling, zoals piemel, verwijst gewoonlijk naar een andere functie van dit lichaamsdeel, namelijk de urinelozing. Samen met de ‘geleerde’ termen fallus, penis en roede is piemel daarom een relatief onbeladen woord.
Piemel is een betrekkelijk jong woord. Het dateert uit de tweede helft van de 19e eeuw en is afgeleid van het werkwoord piemelen, dat volgens het Woordenboek der Nederlandsche taal ‘droppelings wateren’ betekent. Het zou een woord uit de kindertaal zijn. Piemelen heeft diverse verwanten, zoals het Duitse woord pinkeln. In de oudste geregistreerde vindplaats van piemelen, uit 1867, komt ook piemel al voor (in de spelling pimel), maar nog niet in de huidige betekenis. In die eerste bron betekent pimel urine. Pas later, in een tekst uit 1875, wordt piemel voor het eerst als naam van het mannelijk lid aangetroffen.
Hoe heette dat lid dan voordien? Vrijwel zeker geen plasser, want dat woord maakte pas in 1961 zijn debuut in Van Dale. Die definieerde plasser als pissertje, een woord dat al sinds de 17e eeuw courant was. Tegenwoordig vinden we
pisser(tje)  een informeel woord, maar een halve eeuw geleden – én ver daarvoor – was dat dé neutrale naam voor wat we nu piemel of plasser noemen.

[56] BEVALLEN
In Het Middelnederlands (1200-1500) kon bevallen vele betekenissen hebben, waaronder ‘neervallen’, ‘bezwijken’ maar ook ‘bedlegerig worden’. Voor ‘bevallen, van een vrucht verlost worden’ werd wel ‘genesen‘ gebruikt. Een uitdrukking als bevallen ende van enen kinde genesen moet, zeggen etymologen, schuilgaan achter de gewoonte om alleen bevallen op te vatten als ‘een kind baren.’
Bevallen in de zin van ‘behagen’ herleiden woordhistorici tot een uitdrukking waarvan middeleeuw­se dobbelaars zich bedienden. Als het lot voor hen gunstig (uit)viel, zeiden ze wel het bevallet mi wale (‘goed’, ‘wel’).

[57] DEMENTIE
Door de vergrijzing is het fenomeen dementie in de 20ste eeuw een steeds groter maatschappelijk probleem geworden. Dat verklaart waarom het woord dementie in diezelfde periode algemeen gangbaar is geworden.
Aanvankelijk was dementie een medische vakterm, die gewoonlijk werd aangetroffen in de Latijnse vorm dementia. In 1924 maakte deze variant zijn entree in de Dikke Van Dale. Het woordenboek verklaarde dementia als krankzinnigheid. Die betekenis was in lijn met de herkomst van het woord: dementia gaat terug op het Latijnse woord demens, dat afgeleid is van de (weg) en mens (verstand) Letterlijk betekent demens ‘geen verstand (meer) hebbend’. Later werd het: ‘blijvende verzwakking van de intellectuele vermogens en het ethische gevoel’, later aangevuld met ‘geestelijke aftakeling’.
Aanvankelijk lag de klemtoon net als in dementia op de tweede lettergreep deméntie, maar tegen het einde van de 20e eeuw werd ook de uitspraak dementíé gewoon. De laatste tijd hoor je steeds vaker een andere uitspraak; démentie gewoon.

[58] ARMZALIG
 Armzalig (‘armoedig’) is ontleend aan het Duitse armselig, dat met selig (‘zalig’) niets van doen heeft. Het is afgeleid van een zelfstandig naamwoord armsal (‘armoede, ellende’). Daarin is -sal een achtervoegsel, dat overeenkomt met -sel in beginsel, mengsel enz. Op dezelfde manier zijn het Duitse mühselig (‘heel moeizaam’) en triïbselig (‘triest, mistroostig’) gevormd uit Miïhsal (‘moeite, last’) en Trübsal (‘ellende; droefheid’).

Zalig komt wel voor in rampzalig. De oorspronkelijke betekenis van dit zalig is ‘rijkelijk voorzien van’. Ze moet ontstaan zijn onder invloed van woorden als gelukzalig (‘uiterst gelukkig’).
In hun oudste toepassingen gaan zalig en selig terug op een Germaans woord voor ‘goed, gunstig, gelukkig’. Als christelijk equivalent van het Latijnse beatus kwamen ze al vroeg in de Middeleeuwen in ge bruik voor ‘gezegend, deelachtig aan het eeuwig heil’.

Later kon zalig ook svnouien: zin met ‘onschuldig:, onnozel’ Die betekenis is her Nederlands kwijtgeraakt; etymologen nemen aan dat het christeli; ke gebnnk areraan d bet was. Het znaaeleer. ae Enne!’ sedy. van dezelfde oonproog ris zalig, had daar Geen last van. Van ‘gezegend’ ontwikkelde zich dat achtereenvolgens tot ‘vroom’, ‘onschuldig’, ‘meelijwekkend en zwak’, en ten slotte werd het ‘dom’, dwaas’ oftewel silly.

[59] POLLEN
Pollen is enkelvoud, net als stuifmeel. Hiermee heeft het ook gemeen dat het een het-woord zonder meervoud is.
Het woord is ontleend aan het Latijn, waarin het ‘zeer fijn meel’ of ‘tarwebloem’ betekent. De gelijkenis met (gras)pollen is bedrieglijk; de twee zijn etymologisch niet verwant.
Het gebruik als meervoud is verre van zeldzaam. Soms laat een instantie de keus aan de lezer. Neem het Leids Universitair Medisch Centrum. Het bepaalt volgens zijn site ‘wekelijks hoeveel pollen er (…) in de lucht zaten’. Maar het bericht ook dat hiermee niet wordt aangegeven ‘in hoeverre het pollen hooikoortsklachten kan veroorzaken’.

[60] PERSOONLIJK
We worden als we schrijven blijkbaar graag persoonlijk. Althans, het woord persoonlijk duikt vaak op in zinnen als ‘Persoonlijk denk ik dat er toch geen Grexit komt’ en ‘Ik persoonlijk voel er niet zoveel voor andermans schulden te betalen’.
Het woord persoonlijk suggereert dat de schrijver vertrouwelijk wordt met de lezer, maar benadrukt toch vooral dat hij zijn eigen mening geeft. Duikt dit woord op in een zin in de gewone woordvolgorde (waarbij het onderwerp vóór de persoonsvorm staat), dan legt persoonlijk de nadruk op ‘ik’. Vaak is ‘persoonlijk’ dan verwisselbaar met ikzelf of – wat informeler – ik voor mij: ‘Ik persoonlijk (ikzelf, ik voor mij) vind dit niet zo’n ramp’. In zinnen met inversie (omkering van de gewone woordvolgorde) is er altijd een bepaling nodig op de eerste positie in de zin en dan is persoonlijk simpelweg een goed alternatief voor (modale) woorden als eigenlijk of misschien: ‘Persoonlijk/eigenlijk/misschien vind ik dit niet zo’n goed idee’.

In combinatie met werkwoorden die – anders dan denken, vinden, voelen e.d.- een uiterlijke handeling benoemen zoals schrijven, slaan of timmeren, heeft persoonlijk vaak een sterker effect. Het is dan soms, afhankelijk van de zinsbouw, te vervangen door nóg nadrukkelijker formuleringen, zoals hoogstpersoonlijk of zelfs eigenhandig: ‘Ik persoonlijk (ikzelf) heb dat hok getimmerd’. ‘Ik heb dat hok persoonlijk (hoogstpersoonlijk/eigenhandig) getimmerd.’ Als schrijvers te vaak het woord persoonlijk gebruiken, gaat het accentuerende effect trouwens al snel verloren.

[61] PARKET
Uitdrukkingen kunnen gemakke­lijk van vorm veranderen als een element ervan niet meer begrepen wordt én erg lijkt op een ander, be­kender wóórd. Een voorbeeld daar­van stond onlangs een paar keer in Trouw. Op 5 augustus schreef de krant dat de regering-Merkel ‘in een lastig pakket’ zat en op 20 au­gustus werd over de financiële steun aan Griekenland gezegd: ‘Een tegenstem zou Nederland bin­nen Europa isoleren en (…) premier Mark Rutte in een lastig pakket brengen.’

Als je er goed op let, tref je in de media elke week wel ‘een lastig’ of ‘moeilijk pakket’ aan. De correcte uitdrukking luidt echter anders, namelijk ‘in een lastig, moeilijk parket (zitten, komen, zich bevin­den)’.

Parket, ontleend aan het Franse woord parquet (‘klein parkje of perkje’), is lang bekend geweest als naam voor de afgeperkte ruimte in de rechtszaal waar het openbaar gezag zat en nog steeds wordt het woord wel gebruikt ter aanduiding van het Openbaar Ministerie zelf. In de 17de eeuw was parket echter een afgesloten ruimte waar men niet uit kon ontsnappen. Wie daarin zat, verkeerde dus in een lastige situatie: hij zat in het nauw. Zo ontwikkelde zich de uitdrukking ‘in een lastig, moeilijk parket zitten’, die dat op internet in meer dan tien procent van de gevallen wordt verhaspeld tot ‘in een lastig, moeilijk pakket zitten’. Of ‘in een rotpakket zitten’, dat op internet zelfs gewoner is dan ‘in een rotparket zitten’. Als het zo doorgaat, is ‘een lastig, moeilijk pakket’ over niet al te lange tijd zelfs een geaccepteerde variant van ‘een lastig, moeilijk parket’.

[62] PIEPELEN
‘Zijn we gepiepeld’ door de Fran­sen? vroeg Trouw zich vorige week af. Frankrijk heeft er immers voor gezorgd dat het Rijksmuseum niet exclusief eigenaar kan worden van Rembrandts Maerten en Oopjen? Piepelen is een informeel woord. Daarom stond het in het verleden vaak tussen haakjes in de krant, om te benadrukken dat het woord deel uitmaakt van een uitspraak van iemand die wordt geciteerd. Maar nu is het kennelijk een krant­waardig woord.

Piepelen is afgeleid van piepel. Bei­de woorden maakten in 1984 hunopwachting in de Dikke Van Dale. Piepelen was destijds een
schut­tingwoord. Het werd in de Dikke Van Dale omschreven als een Bar­goens woord voor geslachtsge­meenschap hebben. Geen wonder: piepel, waarvan piepelen is afge­leid, betekent onder meer ‘manne­lijk geslachtsorgaan’.
Maar piepel betekent in de volks­taal ook ‘kereltje’ en ‘iemand die altijd de pineut is’. Van die beteke­nis is piepelen in de nu gewone
be­tekenis ‘in de maling nemen’, ‘be­lazeren’ of ‘bedonderen’ afgeleid. Wat de herkomst van piepel is, staat niet vast. Vermoedelijk is er een verband met het oude regiona­le woord piepel ter aanduiding van ‘iets wat klein en zwak is’. In de be­tekenis ‘mannelijk geslachtsor­gaan’ heeft piepel wellicht een an­dere herkomst en is het een ver­kleinvorm van piep, dat als variant van pijp ook wel werd gebruikt ter aanduiding van het mannelijk lid. Mogelijk zorgt de erotische conno­tatie die nog steeds aan piepelen kleeft ervoor dat dit werkwoord ook in de alledaagse betekenis ‘be­lazeren’ nog steeds als informeel wordt ervaren.

[63] VAN ZESSEN KLAAR
Van zessen klaar zijn (van aanpakken we­ten)
De uitdrukking komt van paarden met twee goe­de ogen en vier dito benen.

[64] HYGIËNE
De meest voor de hand liggende uitspraak van het Nederlandse woord is /hiegiejééne/ of /hiegjééne/. De e met een trema staat in open lettergrepen immers meestal voor de klinker /ee/. Daarnaast komt /hiegiejèène/ nogal eens voor, al past dat beter bij de spelling hy­giène, vroeger ook in Nederland niet zeldzaam.

[65] GAST
Toen de oorlog in Syrië in 2011 losbarstte werden de vluchtelingen in Turkije consequent ‘onze gasten’ genoemd, schreef Trouw afgelopen dinsdag. Gast is een gastvrij woord voor vluchtelingen, maar in het Nederlands gebruiken we het woord meestal niet in die betekenis. Wij reserveren gast gewoonlijk voor mensen die wijzelf hebben uitgenodigd. Voordat gast in die hedendaagse betekenis courant werd, had het woord een veel bredere betekenis. In het Middelnederlands betekende gast nog ‘vreemdeling”. Het woord is echter terug te voeren op een proto-Indo-Europese taalvorm voor ‘iemand die komt mee-eten’.
In het Romeinse rijk werden vreemdelingen automatisch als vijanden beschouwd. Het Latijnse woord hostis, waar ons woord gast verwant mee is, betekende dan ook niet alleen vreemdeling, maar ook vijand. Op dat Latijnse woord is ook ons woord hostiel (vijandig) terug te voeren. Romeinen beschouwden vreemdelingen weliswaar als vijanden, maar sommigen waren blijkbaar welkom. Ze werden dan in bescherming genomen door een hospes, een gastheer. Germanen stonden in de Romeinse tijd bekend om hun gastvrijheid. Zij waren goede gastheren voor hun ‘vreemdelingen’, die ze – anders dan de Romeinen -niet per definitie als vijanden beschouwden. In de Germaanse talen had het woord gast dan ook een andere lading dan hostis bij de Romeinen had. Iedereen die op bezoek kwam, heette een gast. Pas later kreeg het woord specifiekere betekenissen, zoals ‘betalende bezoeker in een herberg’ en ‘iemand die op uitnodiging op bezoek komt’.

[66] HULDEBIET
Een huldebiet is een onopzettelijk verhaspelde zin, meestal een onbegrepen versregel. We danken het woord aan een jongetje en een taalkundige. Uit de gezangregels ‘Neem mijn stem, opdat mijn lied / U, mijn Koning, hulde bied’ had het ventje het bestaan van ene koning Huldebiet afgeleid.
De Engelse term is mondegren, gemunt door een Amerikaanse schrijfster. Als kind had ze een gedicht misverstaan waarin van een gedode graaf gezegd werd: ‘They laid him on the green (grasveld)’. Ze had dit opgevat als een mededeling over the Lady Mondegreen.
‘Hoe huppelt zijn paardje, gedekt op en neer’. ‘Midden in de winternacht ging de Hema open’. ‘Tot des Heeren lof en prei’.

[67] BANG TE MOEDE
Moed gaat terug op een Oudgermaans woord voor ‘geest, gemoed, ziel’ of ‘wil’. Later werd het vooral gebruikt voor sterke gemoedsbewegingen: woede en (zoals nu nog steeds) onverschrokkenheid. Wel bleef ook de betekenis ‘gemoed, stemming’ lang gehandhaafd. De moet is haer te vol, sy kan niet langer spreken, schreef Cats in de zeventiende eeuw. Deze betekenis is overgegaan op het woord gemoed, maar leeft voort in bang te moede (‘benauwd van gemoed’). Dat geldt trouwens ook voor vele samenstellingen met -moedig. Een onvolledige opsomming: blijmoedig, deemoedig, edelmoedig, gelijkmoedig, goedmoedig (oorspronkelijk ‘opgewekt’), grootmoedig (‘groot, edel van gemoed’), lankmoedig (‘lang van gemoed’, een leenvertaling van het Latijnse longanimus), mismoedig, weemoedig, zachtmoedig, zwaarmoedig. Uitzonderingen zijn kleinmoedig (‘met geringe moed of durf’) en manmoedig (‘met de moed van een man’), die na de Middeleeuwen in omloop zijn gekomen.

Sterk van betekenis veranderd is in arren moede. Het ontstond als een combinatie van het Middeleeuws erre of arre (‘in de war, wanhopig met moed in de zin van “wil, verlangen’. De uitdrukking was aanvankelijk synoniem met in toorn. Onbekendheid met de oorspronkelijke toepassing moet de fantasie de vrije loop hebben gegeven. Tegenwoordig betekent ze vooral ‘ten einde raad, door teleurstelling bijvoorbeeld’ of ‘bij gebrek aan beter’.

[68] QUOTUMS/QUOTA/QUATA’S
Quotum en quota zijn gemakkelijk te verwarren woorden. Quota heeft in onze taal de oudste rechten. Het woord komt al sinds de 14de eeuw voor als leenwoord uit het Latijn. Het raakte in het Nederlands ingeburgerd als verkorting van de Latijnse uitdrukking quota pars  (het hoeveelste deel). Hierin is quota de vrouwelijke vorm van het Latijnse woord quotus hoeveelste’), dat zelf een afleiding is van quot (hoeveel). Het meervoud van dit woord quota is quota’s.
In de 19de eeuw kreeg quota concurrentie van quotum, dat eigenlijk de onzijdige vorm is van het Latijnse woord quotus. In tegenstelling tot het de-woord quota is quotum dan ook een het-woord. Quotum heeft twee meervouden: het Latijnse meervoud quota en het vernederlandste meervoud quotums. Beide meervouden zijn correct, maar mensen die hebben doorgeleerd geven meestal de voorkeur aan quota. De betekenis van quotum is grofweg identiek aan die van quota: evenredig aandeel. In de media komen samenstellingen als melkquotum/melkquota en mestquotum/mestquota naast elkaar voor. Beide varianten zijn correct. Dat geldt eveneens voor de meervoudsvormen melkquota melkquotums (meervoud van melkquotum) en melkquota’s (meervoud van melkquota).

[69] WEIDS/WIJDS
Afgelopen dinsdag werd in de krant betoogd dat we ‘de weidse vergezichten’ langs onze kust niet ‘moeten willen dichtbouwen’. De combinatie ‘vergezichten dichtbouwen’ is een interessante vorm van metonymie waarbij oorzaak (het bebouwen van de kust) en gevolg (verdwenen vergezichten) zijn versmolten. Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om weids.

‘Weidse vergezichten’ is in dit geval correct gespeld, maar een op de vijf keer waarin weids had moeten zijn geschreven, wordt dit woord abusievelijk gespeld als wijds. Dat komt doordat weids (groots, luisterrijk) ten onrechte wordt verward met wijd (ruim). Vorige week maandag gebeurde dat in Trouw bij de beschrijving van een nieuwjaarsritueel waarbij over vuur gewandeld werd en iemand ‘met een wijds gebaar’ kruiden over de vlammen wierp. Daar had ‘met een weids gebaar’ moeten staan.

Weids is afgeleid van weide: grasland, vooral grasland waar vee op graast. Net als wei(de) hield weids van oorsprong verband met de jacht. Zo betekende weids in de 16e eeuw ‘belust op jagen’. Weide (van oorsprong gebied waar dieren rondlopen, dus met name het jachtgebied) heeft de oorspronkelijke betekenis (‘jacht’) behouden in jagerstermen als weiman (jager) en weitas (wildtas). Dat weids in de loop der tijd een volstrekt andere betekenis heeft gekregen, komt door de invloed van weidelijk, dat al vroeg groots en geweldig betekende, en wijd (ruim).
Wie twijfelt tussen weids en wijds kan overigens het best onthouden dat wijds geen Nederlands woord is, behalve in ‘iets wijds’ (een wijd kledingstuk).

[70] MOOR
Moren waren vroeger zowel zwarten als islamieten
Is ‘moor’ (‘zwarte, neger’) een verbastering van ‘moriaan’ (als in ‘moriaantje, zo zwart als roet’) of is het omgekeerde waar?
Beide woorden zijn, los van elkaar, ontleend aan het Frans (Maure respectievelijk morien). Via het Latijn (Maurus) gaan ze terug op het Griekse mauron ‘donker maken’. Dat ze ‘zwarte’ gingen betekenen, lijkt logisch. Een Moor was immers oorspronkelijk iemand uit Mauretanië en dat ligt in West-Afrika, ten zuiden van Marokko. Maar in de Romeinse tijd waren de Mauri bewoners van wat nu Marokko en Algerije is. Door Arabieren onderworpen en tot de islam bekeerd, wisten ze in de vroege Middeleeuwen Spanje en Zuid-Portugal te veroveren. Ofschoon niet al te donker van huid, werden ze voor een variëteit van de zwarten aangezien. Vandaar dat Moor en Moriaan synoniem konden worden met neger. Een ‘Rookend Moortje’, een zwarte met een pijp, fungeerde nog in de negentiende eeuw als uitHangbord van tabakswinkels. Voor vergeefs werk doen kwam de Moriaan wassen of schuren in zwang. Sommigen zullen zich de uitdrukking zo zwart als een moor herinneren, die in Van Dale verouderd heet.
Aan de middeleeuwse oorlog tussen islamitische Moren en christenen op het Iberisch schiereiland dankte Moor een tweede betekenis: ‘moslim uit Noord-Afrika, Spanje of Portugal’. Zelfs moslims in Nederlands-Indië werden ooit zo genoemd. Een dominee, daarheen uitgezonden, schreef omstreeks 1725: “Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of Mohammedanen.”

[71BOT VANGEN
De uitdrukking is vaak met de platvis geassoci­eerd, getuige diverse woordspelingen al in de negetiende eeuw. Maar daar had ze volgens taal­historici oorpspronkelijk niet mee te maken.
Ze moeten gissen wat dan wel bedoeld is met bot.
Er doen twee theo­rieën de ronde. Volgens de eerste is dit bot een oud woord voor ‘stoot, schok’, zoals ook in botjes vangen, ‘een plat steentje al op­springend over het water­oppervlak laten scheren’, ook wel keilen, kiskassen ol plisjeplasje gooien ge­noemd.
Bot vangen zou dan ooit een klap krijgen’ hebben betekend.

De tweede hypothese gaat uit van bot in de zin van ‘uiteinde van een touw’, oorspronkelijk ‘dat van hel ankertouw buiten boord’. De eersten die bot vingen, kunnen volgens de taalgeleerde Jan de Vries hengelaars zijn ge­weest die ‘bij het ophalen van de hengel alleen het uiteinde van het hengelsnoer’ zagen. Aan deze betekenis van bot danken we in elk geval botvieren (letterlijk ‘een touw tot aan het einde vieren’ en vervolgens, in figuurlijk gebruik, ‘vrij spel laten’, aan hartstocht bijvoorbeeld).

Op weer een andere betekenis van bot, ‘knop, uitspruitsel van planten’, gaat het uitbotten terug van bomen en struiken die knoppen krijgen of uitlopen.

Ten slotte: als een oude munt ter waarde van een halve stuiver leeft botje voort in de uitdrukking botje bij botje leggen (‘samen betalen’). Op zo’n botje stond een leeuw met een helm, die schert­send botte (‘korf, muil­korf’) genoemd werd.

[72] (ONT)ROEREND
Hoe kan het dat ‘roerend’en ‘ontroerend’allebei ‘aandoénlijk’kunnen betekenen, terwijl het voorvoegsel ‘ont’ op een tegenstelling met ‘roerend’ wijst?
Een begrijpelijke vraag wanneer je werkwoorden als ontbinden, ontdoen, onterven, ontkomen enz. enz. als maatstaf neemt. Dat zijn er nogal wat en allemaal drukken ze iets heel anders uit dan het werkwoord dat op ont-volgt, vaak zelfs het tegendeel ervan.
Maar neem nou ontkiemen en ontwaken. Hieraan geeft ont- de betekenis ‘beginnen te (kiemen, te waken)’. Tot deze categorie behoort ook ontroeren (‘emotioneel treffen’).
De emoties in kwestie konden vroeger niet alleen positief zijn, zoals nu nog steeds, maar ook negatief (schrik, angst, verwarring). Wanneer in de 17e eeuw je ‘sinnen ontreoert’ werden, verkeerde je in verwarring.

Roeren, zonder ont , werd al eerder in vergelijkbare zin gebruikt. De grondbetekenis ervan is ‘(doen) bewegen’.
Dat doen we nu vooral wanneer we stoffen met een draaiende beweging mengen, maar teloorgegaan is de oude toepassing niet. Maart roert nog steeds zijn staart en wie zijn mond roert, kan soms al sprekend anderen tot tranen toe roeren.
Van roeren (‘bewegen’) afgeleid is roer ‘drukte, opwinding’, dat voortleeft in de uitdrukking in rep en roer.
Roer (‘stuurmiddel’) is een heel ander woord. Het ontstond toen de d verdween uit roeder (vergelijk bijvoorbeeld het Duitse Ruder), naaste familie van een werkwoord dat we nu kennen als roeien.
(On)roerend goed is letterlijk ‘goed dat (niet) beweegt’, een vertaling van het Latijnse res (im)mobilis.

[73] MUM
Mum is een verkorting van minimum (Latijn voor ‘kleinste ding’), maar het wordt tegenwoordig uitsluitend aangetroffen in de uitdrukking in een mum van tijd.
Het kwam eens voor in de nu verdwenen uitdrukking ‘in de tijd van een mum’, waarin mum ogenblik lijkt te betekenen.
In feite is ‘een mum’ echter niets. In een mum van tijd is namelijk niet gevormd met de woorden mum en tijd, maar in z’n geheel ontstaan als verkorting van in een minimum van tijd. Die uitdrukking is vanaf het einde van de r9de eeuw tot ver in de twintigste eeuw gangbaar geweest.

[74] DEUR
 ‘Zo link als eem looie(n) deur’
moet ontstaan zijn als een variatie op zo zot, dwaas of gek als een deur. Deur is hier familie van duizelen en heeft de bete­kenis ‘zot, dwaas’ (Mid­delnederlands door of do- re, Duits Tor). ‘Menich door spreect wise woort’. schreef een vijftiende-eeuwer.
Link (‘leep, gevaarlijk’), ontleend aan het Bar­goens, is verwant aan links (oorspronkelijk ‘linkshan­dig’, ‘onhandig’). Links zijn gold als minderwaar­dig en het woord ontwik­kelde dan ook diverse on­gunstige betekenissen. Ter wille van de alliteratie met link zal de deur, opge­vat in nu gangbare zin, looie(n) of  loden (‘van lood’) zijn geworden.

[75] DIJ (als achtervoegsel)
Bijv. in makelaardij.
Het achtervoegsel, -dij, werd al in de Middeleeuwen aan make- laer toegevoegd . Het werd destijds uitgespro­ken en geschreven als die-, maekelaardie.
De ie-kiank, vroeger ook als ij geschreven, is in de standaarduitspraak vaak ‘ei’ geworden zonder dat de (ij-spelling verander­de.
Dit -dij is een van de varianten van het achter­voegsel -ij dat het Neder­lands in de Middeleeuwen ontleende aan het Frans (en soms aan het Latijn), zoals in loterij (Frans lote- rie).
In plaats van makelaar­dij zou je misschien make­larij verwachten, dat trou­wens ook sinds de Middel­eeuwen voorkomt. Make­laardij moet gevormd zijn naar het voorbeeld van woorden als voogd ij. die een d plus het achtervoeg­sel -ij/hebben.

[76] PEENTJES
De oorsprong van peentjes moet worden gezocht in pintjes. Een pint, nu nog een glas pils, was vroeger een vochtmaat, meestal een halve liter. Toen die maat in onbruik was geraakt, begon men peentjes te zweten in plaats van pintjes. Het beeld van grote druppels die in de vorm van peentjes uitlopen, kan de verandering hebben bevorderd of, als de pinttheorie niet klopt, het ontstaan van de uitdrukking verklaren.
Peen is trouwens een curieus woord. Het was oorspronkelijk meervoud (enkelvoud pee), net als schoen en teen. Stapelmeervoud

[77]BEHAPSTUKKEN/VERHAPSTUKKEN
Behapstukken is een contaminatie van ‘iets kunnen behappen’ (iets aankunnen) en het werkwoord ‘verhapstukken’ (iets regelen). Net als behappen wordt behapstukken niet of nauwelijks vervoegd. Ook de betekenis van behapstukken sluit aan bij die van behappen en is te omschrijven als ‘haalbaar, uitvoerbaar zijn’.
Van oorsprong betekende behappen ergens een hap uit nemen, maar al in de 19de eeuw raakte ‘iets (niet) kunnen behappen’ regionaal in zwang ter aanduiding van ‘iets niet aankunnen’
Verhapstukken heeft een andere herkomst. Oorspronkelijk luidde het werkwoord ‘verhakstukken’. Het verwees naar het ambacht van de schoenmaker en betekende zoiets als: andere hakstukken aan de schoen zetten. Vanuit die ambachtelijke betekenis ontwikkelde zich de figuurlijke betekenis ‘iets in orde brengen’.

Contaminaties worde: vaak stijlfouten genoemt Impliceert dit dat behapstukken fout is? Niet per definitie. Als een contaminatie geregeld gebruikt wordt zonder dat er bezwaar tegen wordt gemaakt, kan het een algemeen geaccepteerd wordo worden.

[78]TIFOSI
In het Nederlands heten de bewonderaars van een sport, club, ploeg of speler supporters, maar als de media berichten over de Giro d’Italia of wanneer een Italiaanse voetbalclub het goed doet in een competitie, duikt vroeg of laat altijd wel weer het woord tifosi in de krant op, het Italiaanse woord voor supporters.
Tifosi is een merkwaardig woord. Het is het meervoud van het Italiaanse woord tifoso, dat letterlijk tyfuslijder en figuurlijk supporter betekent. Ook tifo, waarvan tifoso is afgeleid en dat letterlijk tyfus betekent, heeft een tweede, sportieve figuurlijke betekenis: fanatisme.
De figuurlijke betekenissen van tifo en tifoso berusten op een van de symptomen van tyfus: hoge koorts. Het sportfanatisme van de supporters wordt voorgesteld als een ziekte, als een koortsaanval, waar geen kruid tegen gewassen is. Zoals de tyfuspatiënt zijn koortsaanval niet kan onderdrukken, zo kunnen supporters het maar niet laten hun club te steunen.

[79] FAN
Eenzelfde [78] associatie ligt ten grondslag aan het woord fan. Fan is in het Engels verkort uit fanatic (fanatiek of fanatiekeling), dat via via teruggaat op het Latijnse woord
fanaticus (dweperig), een afleiding van fanum (tempel). Oorspronkelijk waren fanatici mensen die van een godheid bezeten waren. Bezetenen dus.

[80] PASTOR
het Engelse woord pastor kun je niet klakkeloos vertalen als pastoor.Om katholieke geestelijken in het Nederlands pastoor te noemen en de term pastor te reserveren voor andere zieleherders is te kort door de bocht: in de rooms-katholiek kerk blijken er behalve pastoors (parochiepriesters) en bijvoorbeeld kapelaans ook andere theologisch geschoolde pastoraal medewerkers m/v en bedienaars van sacramenten te zijn die pastor (meervoud pastores) worden genoemd.
Pastorie: In het Middelnederlands betekende pastoorije pastoorschap (het ambt van pastoor), parochie of kerk. Pastoorije is mogelijk afgeleid van pastoor zoals kosterij van koster, maar kan ook direct ontleend zijn aan het middeleeuws-Latijnse woord pastoria (plaats waar de herder woont).
Vroeg in de 16de eeuw was pastorie nog courant in de betekenis pastoorschap. De hervormers veranderden weliswaar de leer die in de kerken werd verkondigd maar namen een deel van het kerkelijk jargon over. Zo werd pastorie behalve pastoorschap ook predikantsplaats. De betekenis ambtswoning (eigendom van de kerkelijke gemeente) van dominee of pastoor dateert uit de 18de eeuw. In de zuidelijke delen van ons taalgebied bleef naast pastorie ook pastorij gewoon, vooral ter aanduiding van de pastoorswoning.

(81LIJDEN/OVERLIJDEN
Onlangs vertelde een uitvaartleider dat degene die gestorven was ‘over zijn lijden heen’ was. Het was een mooi voorbeeld van volksetymologie en de uitvaartleider zal zeker niet de enige zijn die het werkwoord overlijden in verband brengt met lijden in de betekenis pijn hebben of in ellende verkeren.
In werkelijkheid is overlijden afgeleid van lijden toen dat werkwoord nog niet pijn hebben, maar simpelweg (weg)gaan betekende. Overlijden wil dus niet zeggen dat het leed geleden is, maar dat de gestorvene is ‘overgegaan’ naar een andere toestand.
In het Oudnederlands (ongeveer tot de 10de eeuw) betekende lijden uitsluitend gaan, maar in het Middelnederlands (vanaf de 12de eeuw) kreeg het woord al snel de betekenissen waarin we het nu gebruiken, zoals verdragen, pijn hebben en verdriet ondervinden. Regionaal is lijden nog wel tot rond 1900 in gebruik gebleven in de betekenissen voorbijgaan en duren (‘het zal nog een hele tijd lijden, eerdat de schapen over de brug zijn’).
De oorspronkelijke betekenis van lijden ligt behalve aan overlijden ook ten grondslag aan diverse tijdsaanduidingen. Het voltooid deelwoord van lijden was aanvankelijk leden en hiermee zijn woorden als verleden (de tijd die voorbijgegaan is, de historie) en jongstleden gevormd. Ook geleden, zoals dat voorkomt in combinaties als lang, kort, pas, een eeuwigheid, drie dagen of een jaar geleden, is afgeleid van lijden in de betekenis ‘(voor-bij)gaan’. In die combinaties wil geleden dus eigenlijk zeggen dat er zoveel tijd overheen gegaan is sinds het genoemde is gebeurd.

[82HERFST
Waarom staan er in herfst vier medeklinkers achter elkaar
Dat is een gevolg van slijtage. Oorspronkelijk werd tussen die medeklinkers een klinker uitgesproken. Je kunt dat zien aan een Oudnederlands woord dat een kleine duizend jaar geleden moet zijn opgetekend: hervistmanoth, ‘herfstmaand’. Volgens de schrijver was dat november. Misschien vergiste hij zich, menen commentatoren: september (waarnaar het Oudhoog-duitse woord voor ‘herfstmaand’ verwijst) lag meer voor de hand. Ook een paar honderd jaar later had herfst nog steeds een tweede klinker: ‘het begin van de herfst ‘ was in de dertiende eeuw des her-vests beghin en voor ‘herfstbelasting’ was hervestbede in gebruik.
De oudste betekenis van herfst moet, te oordelen naar verwante woorden in o.a. het Grieks en het Latijn, ‘tijd waarin men plukt’ zijn geweest. Ze is, net als de twee klinkers trouwens, beter bewaard gebleven in het Engelse harvest (‘oogst’ maar ook ‘oogsttijd’).
Een record vormt de aaneengesloten reeks van vier consonanten in woorden als herfst en ernst (Oudnederlands ernost ‘intensiteit’) niet. Angstschreeuw heeft er zes op een rij. In zijn ‘Opperlans woordenboek’ telde Battus (Hugo Brandt Corstius) hierin ‘acht medeklinkers’ maar dat zijn er twee te veel: de /ng/ vertegenwoordigt immers, net als de /ch/, maar één spraakklank. Eentje meer heeft Battus’ herfstschroeforchis (een orchidee) en dat wordt overtroffen door het nog zeldzamere borsjtsjschranser (‘iemand die zich gretig te goed doet aan een Russische soep’).

[83] RENDIER
De Germaanse geschiedenis van ren in rendier begon met een woord dat meer dan duizend jaar geleden in diverse vormen in Germaanse talen voorkwam: hrains in het Gotisch, hran (met een lange a) in het Oudengels en hrein in het Oudnoords (de moeder van de Scandinavische talen). Die woorden benoemden het dier naar zijn gewei, want ze betekenden letterlijk ‘gehoornd (dier)’.
In het Oudnoords werd daar ter verduidelijking ‘dier’ aan toegevoegd: hreindyri. Het was deze samenstelling die onder andere het Duits en het Engels overnamen: Reenthier (Duits) en rayne-dere of reyndere (Engels, nu reindeer). Omdat ze ten onrechte een verband met rennen veronderstelden, maakten de Duitsers er in de zeventiende eeuw Rennthier (nu Rentier) van. In navolging hiervan is, niet veel later, rendier in het Nederlands terechtgekomen. Engelstaligen begingen de vergissing niet. Hun reindeer, ‘betekent in feite hert-hert’. Rein gaat immers terug op het oeroude woord voor ‘dier met een gewei’ en deer heeft dezelfde betekenis. Hierbij past wel een kanttekening. Deer lijkt sterk op ons dier en dat is geen toéval. Aanvankelijk betekende het ook ‘dier’. Pas in de loop van de Middeleeuwen werd de toepassing beperkt tot ‘hert’, vanwege de populariteit van de Engelse jacht op dat dier.

[84] SCHELDEN
Schelden is een fysieke uitlaatklep van emoties. 
Is het toeval dat mannen die niet willen deugen nogal eens worden aangeduid met een woord dat met sch begint?  Schavuit, schelm, schoft, schooier, schorremorrie, schurk,  schobbejak, schoelje, schorem. Vaak dienen zulke woorden als scheldwoord. De legendarische taalletterkundige C.G.N. de Vooijs schreef dat de klank dch  ‘willekeurig gerekt’ kan worden, waardoor het uitspreken van deze scheldwoorden ‘doet denken aan sissen en spuwen, uitingen van minachting en afkeer’. De extra inspanning die de ‘rekking’ bij het uitspreken van zulke scheldwoorden vergt, is met andere woorden dus de fysieke uitlaatklep voor het gevoel van afkeer en afkeuring.
Maar niet alleen sch, ook andere medeklinkers waarvan het uitspreken gepaard gaat met een wrijvend, sissend of fluitend geluid, de zogeheten wrijfklanken of fricatieven (zoals ch, f en s), zijn populair in de scheldwoordenschat. Of beter gezegd in dat deel van de woordenschat dat bestaat uit scheldwoorden, vloeken en andere krachttermen. Dat verklaart ook waarom we de geleende krachttermen fuck en shit de laatste jaren zo gemakkelijk in onze taal hebben geïntegreerd: dankzij hun beginklanken zijn ze immers ideaal om met de gewenste afkeurende expressie te worden uiigesproken

[85] SOUTERRAIN/TERRIËR
‘Souterrain’ (verdieping die [half] onder de begane grond ligt) wordt soms gespeld als ‘sousterrain’. Dat lijkt logisch want het Franse woord voor ‘onder’ is ‘sous’. Waarom laten we in onze spelling de tweede s weg? Omdat de Fransen dat al gedaan hadden, toen Nederlanders een eeuw of twee geleden het woord van hen overnamen. Souterrain was toen al heel lang de gangbare Franse vorm.
In de geschiedenis van het Frans heeft sous (onder) als voorvoegsel wel vaker zijn tweede s verloren. Vergelijk soumettre (o.a. onderwerpen) en soutenir (o.a. ondersteunen) met sous-entendre (te verstaan geven) en soustraire’ (o.a. aftrekken)
Een achttiende-eeuws woordenboek gaf als regel dat je de slot -.s van sous weglaat als het woorddeel erna met een medeklinker begint, zoals in sou-maître (hulponderwijzer). Maar er waren toen al uitzonderingen en het zijn er sindsdien meer geworden. Fransen die het nu nog over een hulponderwijzer hebben, moeten sou-maitre spellen.
Souterrain was aanvankelijk een Frans adjectief (‘ondergronds’). Omstreeks 1700 werd het een zelfstandig naamwoord. Als zodanig kwam het in de negentiende eeuw ook in het Nederlands terecht, voor een ‘onderaardsch gewelf of vertrek’.

Terrain gaat terug op het Latijnse terra (aarde). Het is bij ons meestal terrein geworden. Terra ligt ook ten grondslag aan ons terras, terrarium (bak voor o.a. reptielen en planten) en zelfs terriër. Terriër, hond van aardewerk)? Nee, dat niet. We plukten het woord uit het Engels, dat op zijn beurt het Franse chien terriër (‘hond die dieren uit hun holen – terriërs -jaagt) gehalveerd had.

[86] LAZARUS
Dankzij welke Bijbelse Lazarus heten mensen die te veel gedronken hebben soms ‘lazarus’?
Het Nieuwe Testament kent twee figuren met de naam Lazarus. Een arme man met lepra die figureert in Jezus’ gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. En Lazarus, de broer van Maria en Martha, die door Jezus uit de dood wordt opgewekt.

Aan de leprapatiënt Lazarus hebben we de uitdrukkingen zich het ape-lazarus schrikken en zich het leplazarus werken te danken, evenals de enigszins in onbruik rakende vergelijking zo arm als Lazarus.
Lazaret, een oude naam voor een ziekenhuis, gaat ook terug op deze Bijbelse figuur, evenals lazer en lazerij -oorspronkelijk een ziektenaam, later een woord voor het al dan niet door ziekte aangetaste lichaam – in de uitdrukking iemand op zijn lazer(ij) geven: een pak slaag geven.
Aan de uit de dood opgewekte Lazarus danken we onder meer het woord lazarussoort (diersoort waarvan werd aangenomen dat hij uitgestorven was als er toch weer een representant van wordt aangetroffen).

Ook lazarus zijn in de betekenis dronken zijn gaat vermoedelijk op deze Lazarus terug. Soms wordt lazarus/Lazarus verklaard door twee associaties ervan door elkaar te husselen: opgewekt in de betekenis uit de dood opgestaan en opgewekt in de betekenis vrolijk als gevolg van dronkenschap. Een aannemelijker uitleg is gebaseerd op een overeenkomst tussen de dronkenman en de dode: beiden hebben geen bewustzijn meer en zwalken na hun opstanding (Lazarus) dan wel hun roes (de dron-lcenman) eerst suf rond voor ze weer gewoon kunnen functioneren.

 [87] HYSTERISCH
De man wordt hysterischer per uur’, zo typeerde Mark Rutte de Turkse president Erdogan nadat dit bevriende staatshoofd afgelopen dinsdag in het Turkse parlement Nederlanders een ‘verdorven karakter’ had toegedicht en ons land ervan had beticht 8ooo Bosniers te hebben ‘afgemaakt’.
Hoewel hysterisch onmiskenbaar een negatieve lading heeft, was Ruttes typering nog behoorlijk diplomatiek. In deze context betekent hysterisch immers niet veel anders dan ‘overdreven emotioneel’ of‘overspannen’.
Tegenwoordig kun je van zowel mannen als vrouwen zeggen dat ze zich hysterisch gedragen, maar toen het woord nog maar net courant was, werd het vooral voor vrouwen gebruikt
Geen wonder, want hysterisch is afgeleid van hysterie en oorspronkelijk was dat een medische term voor een ‘met het geslachtsleven samenhangende zenuwziekte bij vrouwen’. Aan het begin van de 20ste eeuw omschreef Van Dale hysterie zelfs nog als een vorm van ‘sexueele overspanning’. Hysterie is dan ook afgeleid van de Laatlatijnse term hystericus (‘lijdend aan kramp in de baarmoeder’), die via via teruggaat op het Griekse woord voor baarmoeder (hustera).
Al vrij snel na de introductie in onze taal, aan het begin van de 19de eeuw, werd hysterisch steeds vaker figuurlijk gebruikt in de betekenis ‘overdreven emotioneel’. In die betekenis is hysterisch weliswaar een sekse-of genderneutrale typering, maar in de praktijk wordt deze typering nog steeds vaker gebruikt voor vrouwen dan voor mannen. Dat maakt de typering hysterisch voor de macho Erdogan toch enigszins opmerkelijk.

[88] DOOR DE HELFT
Een plank halveren -zo, simpel is dat nog niet. Althans niet in taal. Want zaag je de plank dan doormidden, door midden (in twee woorden) of middendoor?
Volgens het woordenboek betekenen al deze varianten dat een voorwerp ‘in tweeën’, dat wil zeggen in twee ongeveer gelijke stukken, wordt verdeeld. Wat daarin niet staat, is wat de timmerman zegt. Die meet wat ‘het’ midden van de plank is en zaagt het hout dan door ‘de’ midden.
‘Door de midden’ is typisch spreektaal. Misschien zegt u het zelf ook wel. Maar zodra u erover schrijft, laat u ‘de’ weg.
‘Door de midden’ is een spreektalige contaminatie van ‘door midden’ en ‘door de helft’, maar ook die laatste uitdrukking wordt soms bekritiseerd.
‘Iets door de helft delen’ is van oorsprong mogelijk een contaminatie van ‘iets door midden delen’ en het archaïsme ‘iets in de helft doen’, maar omdat we ‘door de helft delen’ nu al een eeuwlang gebruiken, heeft kritiek geen zin. Als iets door de helft gaat, gaat het dus in tweeën en zijn er twee helften, wellicht zelfs een grootste en een kleinste helft.

[89]EXTRAVERT
‘Een extraverte vrouw’, zo werd Adèle Bloemendaal afgelopen zaterdag in de bijlage Tijd genoemd. Niet één keer, maar liefst drie keer spelde de krant extravert als extravert. Dat was dus geen toevallige, maar een systematische verschrijving, die bovendien verklaarbaar is.
Extravert is samengesteld van extra (Latijn voor buiten) en het voltooid deelwoord van het Latijnse werkwoord vertere (keren). Letterlijk betekent extravert dus naar buiten gekeerd. Het woord duikt rond 1930 op in onze taal dankzij belangstelling voor de psychologie, vooral van Jung. Aanvankelijk werd in plaats van extravert soms geëxtraverteerd gebruikt maar dat woord is nooit courant geworden. Dat extravert vaak met een o gespeld wordt, komt mede doordat het een tegenstellingenpaar vormt met introvert, dat wél met een o geschreven moet worden. Bovendien spellen sommige omringende talen (Italiaans, Zweeds) het woord met een o, terwijl enige andere talen (Engels en Spaans) varianten met a en o kennen, waarvan die met een o (bv. extrovert in het Engels) het gewoonst is. Dat zijn verzachtende omstandigheden voor onze, eigenlijk onjuiste spelling van extravert met een o.

[90WETEN/KENNEN
Op het eerste gezicht is ‘ik weet iets’ ruwweg hetzelfde als ‘ik ken iets,’ maar ‘weten’ kun je met een bijzin gebruiken en ‘kennen’ niet (wel: ‘Ik weet dat het regent’; niet: ‘Ik ken dat het regent’). Met een onbepaalde enkelvoudige zelfstandigheid kan het vaak allebei (‘ik ken een loodgieter’ en ‘ik weet een loodgieter’) maar bij bepaald of meervoud loopt het weer uit elkaar (wel ‘ik ken die loodgieter,’ maar ‘ik weet die loodgieter’ of ‘ik weet loodgieters’ is gek).
Het lijkt erop dat ‘kennen’ betekent dat je kennis hebt van eigenschappen van een complexere zelfstandigheid. Bij ‘weten’ gaat het erom dat je enige kennis hebt als resultaat van onderzoek (‘weten’ is etymologisch ontstaan uit ‘gezien hebben’). Zeg je ‘ik weet een loodgieter,’ dan zeg je dat je een loodgieter gevonden hebt. Bij ‘ik ken een loodgieter’ zeg je alleen dat je kennis hebt van nadere details (naam, adres, reputatie). Er hoeft geen sprake te zijn geweest van een zoektocht.

 

.

zie ook spelling

.

Nederlandse taal: alle artikelen

.

283-267

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

5 Reacties op “VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordenallerlei

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Bijgewerkt | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – spelling (16) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Bijgewerkt | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – NEDERLANDSE TAAL – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – NEDERLANDSE TAAL – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s