VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (43)

Boeken over Michael en de herfsttijd

.
.

OVER MICHAËL:

De kringloop van het jaar
Rudolf Steiner, Steinervertalingen

Jaarfeesten
Rudolf Steiner, Steinervertalingen

De jaarfeesten als kringloop door het jaar
Emil Bock, Christofoor

Jaarfeesten
Henk Sweers  Christofoor

LIEDJES EN SPREUKEN

zie: vrijeschoolliederen;   Tineke’s doehoek

Door het rozenpoortje
Maries Theissen, Christofoor

De gouden poort
Beatrijs Gradenwitz, Christofoor

Spreuken en liedjes voor kinderen
Arie Boogert e.a., Christofoor

Het groene boekje
Lena Struik
Hierin bevinden zich ook mooie Michaëls- en herfstgedichten

(PRENTEN)BOEKEN, VERHALEN

Het hele jaar rond
Marijke van Raephorst, Lemniscaat
Ook bekend als: Van Sinterklaas tot Sintemaarten

Aus Michaels Wirken, eine Legendensammlung
Mellingerverlag

Sprookjes van Grimm,
Lemniscaat
Daaruit:
De grafheuvel (195) – De twee gebroeders (60) – IJzeren Hans (136) – Het blauwe licht (116) – De stukgedanste schoentjes (133) – De gouden sleutel (200), Het gespuis (10), Sterke Hans (166)

De drie bruiloftsgaven
Ineke Verschuren, Lemniscaat
(Hier is een aantal verhalen te lezen)

Het verhaal van Sint-Joris
Legenda aurea

De Keltische drakenmythe
Christofoor

De koningszoon van Ierland
Christofoor

Het goud van de armen
Dreissig, Christofoor

Kaboutersprookjes
Christofoor
Daaruit:
De sterke smidsknecht

Zonnegeheimen, deel 4
D.Udo de Haes (Christofoor)

Florinoors herfstboek,
Hermien IJzerman

Sprookjes van de avondwind,
Hermien IJzerman
Daaruit
Het wandtapijt

Het jaar rond (gedichtjes)
Rie Cramer, van Goor
(via de link gedeeltelijk in te kijken)

Het jaar rond
Elsa Beskow, Christofoor

Hansje in ’t bessenland
Elsa Beskow, Christofoor

Okke, Nootje en Doppejan
Elsa Beskow, Christofoor                      bespreking op deze blog

De kabouterkinderen
Elsa Beskow Christofoor

Bloemenkinderen van de herfst
Barker, Ploegsma

Zonneroos, sprookjes uit de Oekraïne
Kluwer
Daaruit:
Iwan van de tsarendochter; Iwan van de keukenmeid

Vier grote Jan Klaasenspelen
A.Weissenberg, Christofoor

JAARFEESTEN EN KINDEREN

Jaarfeesten vieren met kinderen
Barz, Christofoor

Zonnejaargroep: Het Michaëlsfeest vieren
ABC-boeken

JAARTAFEL

De seizoenentafel
van Leeuwen/Moeskops, Christofoor

 .

Michaël: alle verhalen

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël  bordtekeningen e.d.     jaartafel

.

 

.

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (4)

.

Juultje van der Stok, Jonas 2, 26-09-1975

.

DE HERFST ALS FEEST
.

Daar staat de herfsttafel! En of er nu kro­kussen bloeien op die tafel, of koningen op weg gaan naar het kind in de stal, het hele jaar rond wordt gepraat over ‘de herfsttafel’. Als het lage septemberlicht de bedauwde spinnenwebben laat glinsteren en het eerste goudgerande berkenblad het natte gras siert, is er grote bedrijvigheid rond deze centrale plaats in het huis. De kinderen trek­ken naar buiten om herfstschatten te verza­melen die binnen met veel zorg worden ver­werkt, of zo maar op tafel worden neerge­legd.
Déze bedrijvigheid is er alleen aan het einde van de zomer, en voor de kinderen is het een begin van een lange heerlijke tijd die komen gaat.
Als ze met hun volle mandjes voor de herfst­tafel staan hoor je ze zacht tegen elkaar zeggen: ‘Straks staat hier de stal’. Na een lange warme zomer, waarin we op­gingen in alles wat de natuur ons zo uitbun­dig bood, komt nu de tijd dat de plantenwe­reld nog één keer in haar herfstkleuren zal oplichten. Dan verdwijnen licht en warmte uit de natuur die ons omgeeft. De vruchten worden geoogst en de levens­krachten trekken samen in de zaden, die zul­len blijven rusten tot ze door warmte en licht weer worden gewekt. Wij mensen verinnerlijken de krachten die in de zomer werden opgedaan, maar hoeven niet op licht en warmte van buiten te wach­ten. Met bewustzijn en enthousiasme doen we in ons zelf die krachten opnieuw ontkie­men. Alles wordt weer opgepakt en nieuwe initiatieven ontwikkeld (de scholen begin­nen niet voor niets weer tegen de herfst). Kinderen die nog weinig zelfbewustzijn hebben, beleven deze processen intuïtief door het omgaan met de herfstschatten. Op 29 september wordt van oudsher het herfstfeest gevierd. Het is gewijd aan Michael. In het twaalfde hoofdstuk van de open­baring van Johannes staat geschreven hoe de aartsengel Michael, als aanvoerder van het hemelse leger, de draak verslaat en hem uit de hemel op aarde werpt (de val van Lu­cifer). Op afbeeldingen zien we hem met het zwaard, soms met een weegschaal. Verhalen en legenden vertellen, hoe hij staand voor Gods aangezicht mensen leert goed en kwaad te onderscheiden en hoe hij hemels licht in mensen harten, denken en doen kan kan laten doordringen.
En wat doen we in deze tijd dan met de kin­deren, de kleintjes die binnen manden vol eikels omkeren, en de groten, die
kastanje­mannetjes maken, flauwekul vinden? Kleine kinderen kunnen veel beleven aan een plek waar met zorg bijvoorbeeld herfsttakken, een mooie zonnebloem, gekleurde bla­deren, opgewreven vruchten, graanhalmen of gevonden schatten te zien zijn. Wanneer alles wat uit de manden en jaszak­ken tevoorschijn komt, zoals schors, hout, veertjes, eikels, kastanjes, beukennoten met hoedjes of bolsters, bij elkaar op tafel wordt gelegd, en daarbij komen: luciferhoutjes, priem, papier, plasticine of bijenwas, scha­penwol of watten, een tube lijm en voor de kastanjeketting een stevig touw en een brei­naald, die roodgloeiend door de kastanjes heengeprikt moet worden, dan gaan de kin­deren vanzelf aan het werk (en misschien zijn de voorbeelden een hulp). Halve walnoten, die een kaarsje dragen of een zeil, kunnen echt op het water varen. Grote kinderen kunnen zelf een vlieger ma­ken (het Duitse woord voor vlieger is Drache). In sommige streken proberen kin­deren met scherpe voorwerpen aan het vliegertouw, elkaars vliegers los te snijden om zo de draak te overwinnen. Als er gereedschap in huis is kunnen de ou­dere kinderen zelf een pers maken (zie voor­beeld) om de gekleurde blaadjes, en in de zo­mer de bloemen, in te drogen. (Tussen kranten onder een stapel boeken gaat het ook).
Maaltijden kunnen op zo’n feestdag anders zijn dan anders. Uit de grote keus van vruch­ten en granen, die zij zelf hebben zien oogs­ten, of hebben geoogst en waaraan verhalen verbonden kunnen worden, zal iedereen een feestelijke maaltijd samen kunnen stellen. (Denk dan bijvoorbeeld ook aan maiskolven, noten, meloenen, kalabassen…)

.

659-604

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL- 3e klas – alle artikelen

.

Kind en leerplan

Beweging
bikkelen  handschaduwbeelden   hinkelen   touwtjespringen

Heemkunde:
alle artikelen

Muziek
Over het aanleren van het notenschrift

Nederlandse taal:
[1]
Werkplan Geert Grooteschool over: de psyche van de 3e-klasser; spreken; schrijven: stelopdrachten; grammatica en denken, voelen, willen; toneelspelen; schrijven met inkt; [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]

[2]
Het ‘Binnenste buiten‘ over: het belang van spraakoefeningen; grammatica: voorbeeld van doe-hoe-noemwoorden; leestekens; schrijven: lopend schrift [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]; toneelspel

[3] Interpunctiespel
Freerk Weerstra: klassenspel voor de interpunctie>
Aanvulling Pieter HA Witvliet: kun je, wat in de tijd verloopt, ruimtelijk uitbeelden; het grote belang van ‘luisteren’; aanwijzingen voor het lezen.

[4] Het begin van de taalkunde; de woordsoorten in de 3e klas
Martin Tittmann: Uit zijn boek ‘Deutsche Sprachlehere der Volksschulzeit’ (Duitse grammatica in de basisschool), waarbij in de vertaling vooral de nadruk ligt op de Nederlandse; met achtergronden en voorbeelden.

[5] 3e klas grammatica
Kleine impressie uit een vrijeschool.

taalspelletjes vanaf klas 1

Niet-Nederlandse talen: Duits   [2]
Niet-Nederlandse talen:Engels
Niet-Nederlandse talen: Frans

Rekenen:
alle artikelen

Schilderen
N.a.v. de vertelstof: de scheppingsdagen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

de natuur in

Vertelstof:
alle artikelen

Vormtekenen
zie de blog

.

658-603

.

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten van de herfst (3)

 

(Marcel de Leuw, Jonas 5, **02-11-1990)
.

VERBORGEN LICHTJES
.

Sint-Maarten staat niet op zichzelf. Het donkere jaargetijde wordt ingeluid door Michael, om via Martinus en Sint-Nicolaas uiteindelijk tot het kerstlicht te komen.
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar ik word elk jaar weer verrast door het Michaelsfeest. Nog nazinderend van de zomer lukt het me nog net om de voorbereidingen te treffen. Het is alsof je met een schok wakker wordt; ongeveer het gevoel dat je hebt als je na het aflopen van de wekker nog even blijft liggen en dan ineens ziet dat het kwart voor acht is in plaats van kwart voor zeven. Je bent nog net op tijd op je werk, maar vraag niet hoe. Soms nog tijdens de dag zelf, maar anders in ieder geval in de dagen erna hoor je om je heen dezelfde geluiden: de plannen die we voor de zomer hadden, moeten nu maar eens worden uitgevoerd.
Voor een Michaelsfeest op school kunnen spelen en opdrachten die moed en slagvaar­digheid oproepen, worden gemaakt en be­dacht. Met mikspelletjes, zoals in zijn een­voudigste vorm de spijker op de kop slaan, boogschieten of het moeilijke speerwerpen, wordt gericht op het gestelde doel. Ook
op­drachten en speurtochten waarbij de rich­ting en de goede weg zelf moeten worden ge­vonden en waarbij moeilijkheden worden overwonnen, vormen een goed motief voor zo’n feest.
Moeilijkheden de baas worden en zuiver­heid van richting en doel te pakken krijgen, is nodig om de draak te bestrijden. Nauw verweven met Michael is namelijk het beeld van de draak die zieltogend het onderspit zal delven. In veel verhalen is het de jonkvrouw die ten offer valt aan de draak, als een moe­deloos, berustend volk de kracht niet bezit om zich tegen deze donkere onheilsmacht te verweren. De kracht om nieuw leven te ba­ren, ontwikkelingskrachten te schenken, droogt dan op, wat tot uitdrukking komt in de opgedroogde bron of de verdorrende ap­pelbomen in deze legendes.

Metamorfose

Van 29 september naar 11 november, het Sint-Maartensfeest, lijkt een hele sprong. Tijdens de uitvoering van al die gerijpte plannen, komt een feest waarin een heel an­dere stemming ontstaat. Toch is er een rela­tie te ontdekken. Deze reikt echter verder en wordt zichtbaar door de daaropvolgende feesten Sint-Nicolaas, advent en Kerstmis erbij te betrekken.
We kennen het verhaal van Sint-Maarten: een groep Romeinse soldaten komt voor de poort van de stad Amiens. De soldaten heb­ben een lange rit achter de rug en verlangen ongetwijfeld naar eten en een bed. Naast de poort zit een man, een bedelaar, half naakt en hongerig. Hoewel de kans klein is dat hij wat krijgt, vraagt hij toch om een aalmoes. Maarten wordt getroffen door de aanblik van deze mens. Hij houdt zijn paard in en trekt zijn zwaard. Hij snijdt zijn mantel doormidden en reikt de helft aan de bede­laar. Die nacht verschijnt Christus in zijn droom. Hij draagt het afgesneden stuk van de man­tel om zijn schouder en spreekt tot de enge­len die bij hem zijn: ‘Martinus, de onge­doopte, heeft mij met een kleed omhult.’ Maarten laat zich hierna dopen en stelt zijn leven in dienst van Christus.
Zoals Maarten deelde, moeten wij ook de­len. Het is de kunst om onze ideeën en plan­nen met anderen te delen, niet om hen voor onze plannen te winnen, maar om daadwer­kelijk te delen. Ook al worden de plannen dan anders dan wij hadden gedacht, of mis­schien wel juist daarom.
De kleinsten doen het ons voor, uiteraard in het gebied waar zij zich thuis voelen: de na­tuur. Een knol of grote winterpeen wordt uit­gehold. Van deze vrucht, tot wasdom geko­men in de donkere aarde, wordt de buiten­kant, de huid of schil, bewerkt zodat de uit­gesneden zon, maan en sterren transparant oplichten door het licht van het kaarsje dat er binnenin is geplaatst.
Wie ooit zelf als kind met zo’n lichtje langs de deuren van het dorp of de hele stadswijk heeft gelopen, kan zich – naast de pret – het bedelaarsgevoel dat je kreeg zodra er werd aangebeld nog levendig herinneren. Lopen met zo’n lichtje over straat is spannend en feestelijk, maar jezelf als arme tentoonstellen en zingend vragen om een appel of een peer is wel een hele drastische metamorfose van moed en besluitkracht. Toch komt het bij Sint-Maarten daarop aan. Uiterlijke kracht werkt in het sociale leven al­leen maar vruchtbaar in samenhang met in­nerlijke moed. Het liedje heeft in al zijn een­voud ook een verborgen wijsheid:

Vriend van verre landen
Dat wij hier met lichtjes lopen
is geen schande

Hier woont een rijk man
Die ons heel wat geven kan
Geef een appel of een peer
Komen we ’t hele jaar niet meer*

De rijke man kan van zijn oogst schenken aan de kinderen; een appel die met zijn ster­vormig hart en ronde vorm de verbinding met de hemel representeert of een peer die door zijn zwaar uithangende vorm en over­rijpe smaak meer met de aardse krachten is  verbonden. Tegelijkertijd wijst dat nog verborgen lichtje ons op het grote licht dat gaat komen. In de steeds donker wordende tijd van het jaar kan ons dat tot troost zijn.

Kindervriend

In de daarop volgende adventstijd beleven we het korter worden van de dagen en de steeds lager staande zon. Het lijkt of de maan aan invloed wint en de zon zich terugtrekt. De eerste adventzondag (dit jaar** op 2 decem­ber) wordt volgens oud gebruik de eerste kaars van de adventskrans aangestoken. In Nederland lijkt deze eerste week overvleu­geld te worden door het feest van Sint-Nico­laas.
Van deze goede bisschop van Myra, een Arabische stad, geeft de geschiedenis weinig of geen feiten. Er wordt zelfs getwijfeld of hij in de vierde of de zesde eeuw leefde. Pas na het jaar 1000 komen de legendes en verhalen over de beschermheilige van zeevaarders, jonkvrouwen en kinderen ook in de streken ten noorden van de Alpen voor. De goedheilig man brengt degenen die in moeilijkheden verkeren tot nieuw leven. Zo­als in het verhaal van de kindertjes die bij een slager om onderdak vragen, maar wreed worden weggestuurd. De slagersvrouw is echter belust op het geld dat ze bij zich zou­den hebben en biedt hen toch een slaap­plaats aan. Als zij en haar man ’s nachts ont­dekken dat er niets van rijkdom bij de arme wichten is te bespeuren, brengen ze de kin­deren om, hakken ze in stukjes om ze vervol­gens in een pastei te verwerken. Nicolaas in een droom gewaarschuwd door een engel, gaat naar de markt waar de vlees­waren liggen, slaat een kruis boven hen en brengt ze terug in het leven. Dit is een legende die ver af staat van de wijze waarop we thans het Sinterklaasfeest bele­ven. Sinterklaas heeft in deze moderne tijd een aantal feestaspecten die zowel eigentijds zijn als hun wortels in het verleden hebben. Overgebleven is in elk geval de kindervriend. Met Sinterklaas verras je de ander. Door het delen, het samen werken en leven, hebben wij elkaar zo goed leren kennen dat er ruimte is gekomen om de ander te verrassen. Eerst met een gedicht waarin we de ander een spiegel voor mogen houden, hem of haar iets van zichzelf mogen laten zien. Goedmoedig, vriendelijk en met humor, maar wel duide­lijk, glashelder. Als pleister op de wonde volgt dan een geschenk, met zorg en liefde voor de ander uitgekozen. Het is altijd weer spannend of je het gevoel van gewaardeerd worden kunt oproepen.

Edelsteen

Met Sint-Maarten krijgt ieder een geschenk dat hetzelfde is. Met Sint-Nicolaas is het juist de kunst iets persoonlijks voor ieder apart te vinden. Het gebaar is bij Michael doelge­richt, bij het Sint-Maartensfeest ontvangend en bij Sint-Nicolaas schenkend. In de weg van het licht door deze drie feesten is waar te nemen dat waar de uiterlijke zon afneemt – en niet alleen in het kinderlied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ – de invloed van de nacht toeneemt en het licht binnen juist aan kracht wint.
Tijdens de adventstijd bereiden wij ons voor op de komst van het Zonnekind. Het is een tijd van bezinning; hoe werken de uitgevoer­de plannen, zijn ze in overeenstemming met onze idealen of moeten ze meer doorwarmd, meer doorlicht worden? Uiterlijk wordt die voorbereiding zichtbaar door de kerststal. Op de eerste adventzon­dag: wordt een tafel met behulp van mooie stenen en hout een landschap gemaakt met daarop het stalletje. De weg er naar toe voert langs edelstenen en Jozef en Maria komen met hun ezeltje elke dag een beetje dichterbij.
Op de tweede adventzondag wordt de tafel versierd met bloemen. Het is elk jaar weer een feest om te zien hoe kleurrijk het geheel daar van wordt.
Op de derde adventzondag verschijnen de schapen en de os in de stal; ook de dierenwe­reld bereidt zich voor. Tenslotte komen op de vierde adventzondag de herders. Als dan ook nog de kerstboom in huis wordt gehaald, versierd met kaarsen, tekens en dertig rode en drie witte rozen, is alles klaar om het Kind te ontvangen.

 

*dit liedje begint zo:

 Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen (vriend is een variatie geworden, evenals
‘komt uit verre’)

[1-1] Jaarfeesten door het jaar
[1-2] Jaarfeesten door het jaar – peuter/kleuterklas

[2-1] Herfst met peuters
[2-2] Herfst: oogstfeest (dorsen, malen, bakken)
[2-3] Herfst met kleuters

[3-1] Michael (20)
[3-2] Michaël (29)

jaarfeesten: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: peuters/kleuters

.

658-604

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten in de herfst

.

(schoolkrant, nadere gegevens onbekend)
.

HERFST – ST- MICHAEL – ST – MAARTEN – ST – NICOLAAS – HERFST

De herfsttijd is duidelijk zichtbaar aangebroken. Het afstervingsprcoes buiten, maakt wat melancholiek. Het is mooi al dit kleuren en die bessen en die paddenstoelen en die fijne vogelgeluidjes, maar ja……
Drie heiligen doen in deze herfsttijd van zich spreken. Drie heiligen in hetzelfde jaargetijde, maar onderling toch verschillend.

St-Michaël, 29 september, in de natuur vinden we vruchten en een
uitbun­dige kleurenpracht. Het blad valt al. De zon schenkt haar laatste warmte als de ochtendnevel is opgelost. Er is veel te zien buiten. Nu maken we onze herfstwandeling.

St-Maarten, 11 november, de avonden zijn koud en winderig (het kaarsvlammetje in de knol waait steeds uit). Wanten aan en mutsen op. Het is al vroeg donker. De voeten gaan door het bladerenpak op de grond. De vogels hebben zich tegoed gedaan aan de bessen en trekken zuidwaarts.

St-Nicolaas, 5 dec, zijn naamdag is eigenlijk 6 december. Kaal zijn de bomen. De eerste sneeuw, de eerste nachtvorst, er is nog maar weinig te beleven buiten. We eten ‘s avonds met het licht op. St-Nicolaas valt samen met het begin van de advent. De eerste kaarsen branden. Alles speelt zich binnen af.

In de herfsttijd zien we het proces van verinnerlijking, we zijn op weg naar de kerst.

Hebben deze drie heiligen iets gemeenschappelijk? Als we ze eens nader bekijken, dan zien we dat ze als overeenkomst hebben: GEVEN.

St-Michaël, meestal afgebeeld met zwaard of weegschaal. Het zwaard voor de strijd geeft ons de strijdlust en de weegschaal herinnert ons aan
het onontbeerlijke evenwicht: Michaëls gift is voor de geest, dus immaterieel.

St- Maarten geeft de helft van zijn mantel aan de bedelaar ondanks de
spottende woorden van zijn kameraden. De bedelaar wordt in zijn droom Christus. De knol die de kinderen meedragen is een gift van de aarde.
Het kaarsje in de hand duidt al op Kerstmis, maar het licht is nog buiten. Het rondlopen en zingen is vragen om een gift bij bepaalde huizen. Vroeger gaven de welgestelden met St-Maarten de armen een gift.

St-Nicolaas is ogenschijnlijk een feest van de middenstand. Als we ons aan dit idee onttrekken en eens fris naar het feest kijken, dan zien we veel symboliek: het paard is wilskracht, de gekrulde staf duidt op inkeer, het zwart van Piet is het aardse element en het wit van de Sint – het hemelse, de schoorsteen is de verbinding tussen aarde en hemel enz.
Centraal staat bij dit feest de gift. Maar deze gift is anoniem, is voorzien van levenswijsheden en heeft moraliserende bedoelingen. Sint vindt steeds tekortkomingen bij onze levenswandel die met gift en rijmwoorden gesigna­leerd worden. Dan geeft de Sint ons weer een jaar de tijd om met zwaard en weegschaal aan de slag te gaan. Wij geloven in Sint-Nicolaas, hij moet blijven bestaan, ter leringe ende vermaeck!

Drie heiligen begeleiden ons in deze melancholieke tijd. Zij komen vanuit de Middeleeuwen tot ons. En in de Middeleeuwen werden de mensen dagelijks begeleid door de heiligen. In de Middeleeuwen waren engelen en heiligen voor de mensen binnen handbereik. Deze drie heiligen hebben de beeldenstorm overleefd. Zij begeleiden heden ten dage nog steeds het belangrijke proces van de verinnerlijking.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Jaarfeesten – alle beelden
.

657-603

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten in de herfst (1)

.

Hans ter Beek, Steinerschool – nadere gegevens ontbreken
.

Michaël – Sint-Maarten – Sinterklaas

In de herfst vieren wij op school 3 feesten, nl.

op 29 september     – Michaël
op 11 november      ~ Sint-Maarten
op  5 december      ~  Sint-Nicolaas.

We kunnen dit als een trits van drie herfstfeesten beschouwen, waarvan sinterklaas duidelijk is uitgegroeid tot een nationaal feest.
Twee vragen doemen dan op:
Hebben deze herfstfeesten iets met elkaar van doen?
Hoeveel feesten zijn er eigenlijk?

Eerst even ingaan op de 2e vraag

Voor het kleine kind, kleuter en onderbouwer lijkt het wel of we van feest naar feest gaan. Zo beleeft hij het. De feesten zijn inderdaad de hoogtepunten van het jaar, denk maar eens aan de verjaardag; hoe geweldig belangrijk is dat toch! De jaarfeesten zijn voor het kind, maar toch eigenlijk ook voor de volwassen mens, wat de maaltijden zijn in de dag. De maaltijden, of ze nu iets feestelijks hebben of niet, vormen toch de vaste punten van onze dagindeling, en hoe jonger het kind, hoe belangrijker dat is. En zoals de maaltijden er zijn om ons lichaam te voeden, zo zijn de jaarfeesten het voedsel voor onze ziel. Het zijn er 9 in totaal.

In de 1e klas kun je bij de kwaliteiten van de getallen, voor het getal 9 (nog geschreven als Vllll of lX zeggen: DE 9 FEESTEN VAN HET JAAR. Eigenlijk merkwaardig. Je zou er misschien minder verwachten, 4 of 5, of veel meer: eerder 12 dan 9. Hoe zit dat? En welke feesten zijn het? Eerst maar de 9 feesten:
1.Michaël
2.Sint-Maarten
3. Sinterklaas
4.Kerstmis
5.Driekoningen
6.Pasen
7.Hemelvaart
8.Pinksteren
9.Sint-Jan

Er ontbreken dus in deze rij bv. advent, nieuwjaarsdag, carnaval, Palmpasen. Daar wil ik nu niet op ingaan. Wel wil ik deze NEGEN FEESTEN VAN HET JAAR nog aanvullen tot twaalf, maar met dien verstande dat dat voor ieder kind individueel geldt:
10.IK ben jarig.
11.De meester/juf is jarig.
12.De koning(in) is jarig.

Het is duidelijk dat deze van een andere orde zijn dan de 9 feesten van het jaar.
Laten we nu nog even naar de eerste vraag kijken. Hebben de eerste 3 feesten iets met elkaar te maken?
Inderdaad, het zijn feesten van 3 heiligen: Sint-Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas (Michaël is een aartsengel, maar wordt als een heilige beschouwd). De feesten vallen in de herfst en zijn feesten van het lichaam.

De 2e groep van 3 feesten : Kerstmis, Driekoningen en Pasen zijn de feesten van de ziel, dwz.: feesten van het heden, feesten van de gemeenschap.

De 3e groep van 3 feesten tenslotte: Hemelvaart, Pinksteren en Sint-Jan zijn de feesten van de geest, dus waarin nog veel meer het bovenzinnelijke beleefd wordt en waardoor ze ook des te moeilijker te vieren zijn; maar daarover een andere keer.

Wat de eerste 3 feesten betreft zien we ook iets merkwaardigs:

MICHAËL – Strijd met de Hemelse Draak die hij niet doodt maar uit de hemel werpt, niet op maar naar onder de aarde verbant. Het is het beeld van het DENKEN. Een heldere, zuivere gedachte is als een scherp zwaard en krachtiger dan het fysieke gebruik van het zwaard.

ST.-MAARTEN – In alle St.-Maartenslegenden valt op dat hij, die zoon was van een Romeinse legerofficier, het zwaard niét wilde gebruiken om mee te strijden; ook gebruikt hij dit niet om het als een ploegijzer te gebruiken, hij gebruikt het om zijn mantel ermee door te snijden. Het is het feest van het MEDEDOGEN, van het voelen. Deze kracht is zo sterk dat hij indertijd het Christendom over heel Europa heeft verspreid, getuige de tal van St.-Maarten – of St.-Martinuskerken, van Amiëns tot de Domkerk in Utrecht, de St.-Martinuskerk in Groningen, als ook die in Cuyck.

NICOLAAS – Zijn naamdag is 6 december, zoals we vroeger tot onze verbazing ineens ontdekten, toen we voor het eerst een agenda inkeken. Maar slechts in Nederland en Vlaanderen wordt Sinterklaas hoofdzakelijk gevierd op de vooravond van de naamdag, evenals de avond van 24 december kerstavond heet.
St.-Nicolaas werkt op het WILLEN van de mens. Hij staat erom bekend dat hij vrijgevig was, maar niet willekeurig vrijgevig, geen kostbare zaken die een bevrediging geven van je verlangen. Een typerend sinterklaasgeschenk was (en is nog steeds) de ‘vrijer’ of ‘vrijster’, een grote speculaaspop. Maar die werd alleen gegeven aan jonge mannen en vrouwen die nog vrij waren en dus nodig een vrijer of vrijster moesten vinden.

In de overlevering hoort St.-Nicolaas geweeklaag uit een openstaand venster. Hij blijft stilstaan en luistert, en begrijpt dat de man zijn 3 dochters publiekelijk moet verkopen, als slavin of aan een bordeel, omdat hij te arm is voor hen een bruidsschat te geven, die nodig was voor een ordentelijk huwelijk. Drie maal achtereen vindt de vader nu een zakje met goud in de schoenen van zijn dochters, waardoor het lot van deze meisjes wel een totaal andere loop neemt.
Daarom is het ook onze opgave de kinderen niet zozeer te overladen met geschenken, maar ieder die geschenken geeft moet op zoek gaan naar datgene wat de ander nodig heeft om zijn weg goed te vervolgen. In de klas kan dit bijvoorbeeld zijn: een eigen puntenslijper, omdat hij of zij die altijd komt lenen. Daarom kennen we ook de surprises en de sinterklaasgedichten, waarmee de maker tracht ‘iets van dat moeilijke gebied van het lot te ontdekken. Tenslotte is interessant om op te merken dat bij St.-Nicolaas het zwaard ontbreekt, en de pen de plaats van het zwaard heeft ingenomen, zodat we een soort metamorfose hebben van: ~ Michaël ~ denken door te doen. – St.-Maarten – voelen door invoelen en te delen. ~ Sinterklaas – willen door zich in te denken in de ander.

Daarom is het goed deze 3 herfstfeesten, de 3 feesten van het LOT, intensief te vieren en het wezenlijke van het feest daarin tot zijn recht te laten komen.

.

Jaarfeesten – alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten   jaartafels

.

656-602

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Goddard

.

VERGETEN BAANBREKER VAN DE RUIMTEVAART

.

De leden van de Amerikaanse commissie die in de lente van 1945 een onderzoek instelde naar de geheimen van de V-2, moeten wel vreemd hebben opgekeken toen de gevangen genomen Duitse raketspecialisten hun vragen beantwoord­den met de wedervraag: “Waarom wilt u dat van ons weten? Uw landgenoot dr. Goddard kan u er meer van vertellen dan wij. Alles wat wij weten hebben we van hem geleerd.”

Zelfs nu nog kent het grote publiek de naam van dr. Robert Hutchings Goddard nauwelijks. Toch was deze rijzige, kaalhoofdi­ge professor uit New England de man die een van de hardnekkig­ste wetenschappelijke dromen van deze eeuw droomde. In zijn eentje heeft hij het tijdperk van de raket ingeluid, zoals bijvoor­beeld de gebroeders Wright dat met het tijdperk van de moderne luchtvaart hebben gedaan.

Jaren voor de Tweede Wereldoorlog had hij de geheimen van de toen nog niet bestaande V-2 al in zijn zak — en nog een paar grotere geheimen erbij. De journalisten, hun lezers en de militaire autoriteiten in Amerika grinnikten om zijn ideeën, maar de Duitsers waren in dat opzicht wijzer, zoals later bleek.

Dr. Goddard heeft niet meer beleefd hoe zijn landgenoten zich op de ontwikkeling van het bestuurbare projectiel hebben ge­worpen, maar wel heeft hij de militaire toepassing gezien van enkele van zijn andere uitvindingen, zoals de bazooka — het wapen dat voor het eerst in de geschiedenis de infanterist tot een gelijkwaardige tegenstander van de tank heeft gemaakt. Toen hij in 1945, een paar dagen voor de capitulatie van Japan, de laatste adem uitblies, liet hij tweeëntwintig nauwkeurig bijgehouden dossiers over zijn proeven en denkbeelden na. Zijn weduwe had een jaar nodig om ze over te tikken. Zijn nalatenschap omvatte ook datgene wat professor Goddard zelf het belangrijkste deel van zijn werk vond: zijn beschouwingen over de ruimtevaart. In alle moderne raketten zit veel van zijn werk, en de laatste jaren ge­lanceerde aardsatellieten zijn in menig opzicht de vruchten van een van zijn oudste denkbeelden.
Goddard, destijds hoogleraar in de natuurkunde aan de Clark-universiteit in Worcester (Massachusetts), was naar het uiterlijk op en top de ouderwets-degelijke docent. Zijn betoogtrant was bedachtzaam en hoffelijk, zijn snor welverzorgd, zijn boordje stijf en smetteloos. Maar achter dat weinig agressieve uiterlijk leefde een geest die niet tevreden was met het bekende, en die zich pas in zijn element voelde aan de uiterste grenzen van het meest sen­sationele terrein van wetenschap en techniek. Het principe van de raket was al lang bekend toen Goddard zijn eerste schets maakte. De Chinezen hadden al eeuwenlang vuurpijlen opgelaten. Maar ruimtevaart — dat was nog heel wat anders: iets wat alleen be­stond in fantastische toekomstverhalen. Het is het werk van Goddard geweest, de fantasie te vervangen door de nuchtere wetenschap.

Een zwakke gezondheid heeft menigeen ervan weerhouden, de dromen van zijn jeugd na te jagen. Bij de jonge Goddard, het enige kind van een fabrieksinspecteur, was het juist andersom. De artsen vreesden dat de tengere knaap, wiens gestel door tuberculose was ondermijnd, het niet lang meer zou maken. Misschien kwam het juist doordat hij tot een leven zonder lichamelijke inspanning was gedoemd, dat hij de boeken van Jules Verne en H. G. Wells ver­slond. Met hun voorspellingen kon hij zich in het algemeen wel verenigen, maar uit zijn kanttekeningen blijkt dat hij desondanks hun vergrijpen tegen de natuurwetten niet over het hoofd zag.

In 1898, toen hij vijftien was, vulde hij een aluminium bol met gas — zijn eerste experiment op het gebied van de luchtvaart. “Aluminium ballon stijgt niet op,” schreef hij in zijn dagboek. ‘Proef met mislukking bekroond.” Hoe veel van die “bekronin­gen” stonden hem nog te wachten! Een paar jaar later, als student, begon hij zijn proeven met raketten. Op een zelfgemaakte proefbank onderzocht hij de reactiekracht van de verbrandingsgassen, en niet zelden stond het hele practicum vol walm. In 1914 — hij was inmiddels buitengewoon hoogleraar aan de Clark-universiteit geworden — kreeg hij octrooi op twee uitvindingen die ook nu nog worden toegepast: een uitlaat waarmee het maximum rende­ment uit de verbrandingsgassen kan worden gehaald, en een ont­werp voor de brandstofleidingen en de verbrandingskamer. Bo­vendien dekten de patenten allebei het principe van de gelede raket.

In 1915 nam Goddard een proef van historisch belang. Er wa­ren er in die tijd zelfs onder de mannen van de wetenschap nog velen die meenden dat een raket zich met zijn straal van verbran­dingsgassen ergens tegen moest afzetten om te kunnen vliegen — bijvoorbeeld tegen de dampkringslucht. Daarbij vergaten ze iets wat Newton al had ontdekt: dat er bij elke “actie” een even grote, maar tegengesteld gerichte “reactie” hoort. Goddard hield het met Newton, en zijn vertrouwen werd niet beschaamd. Integen­deel: in een luchtledige ruimte ontwikkelden zijn raketten nog meer stuwkracht dan in de lucht. Goddards conclusie was: een raket heeft niets nodig om zich tegen af te zetten en is dus in principe geschikt als ruimtevoertuig.

Als Goddard niet in de collegezaal was stond hij in zijn kelder, waar hij een werkplaats had ingericht, of in de een of andere ijzer­winkel waar hij, pingelend als een doorkneed opkoper, voor zo weinig mogelijk geld zoveel mogelijk materiaal voor zijn raketten bij elkaar scharrelde. Toch naderde onverbiddelijk de dag dat zijn bescheiden middelen uitgeput raakten. Met de moed der wanhoop schreef hij een verhandeling over zijn ontdekkingen en uitvin­dingen, om te trachten daarmee van het een of andere weten­schappelijke instituut een toelage los te krijgen. Hij wees, denkend aan de meteorologen, op het belang van de raket als hulpmiddel bij het onderzoek van de hoogste luchtlagen; hij somde, denkend aan de militairen, de mogelijkheden van de raket als aanvals- en verdedigingswapen op. De Verenigde Staten zouden immers elk ogenblik in de Eerste Wereldoorlog kunnen worden betrokken. Dr. Charles Walcott, van het eerbiedwaardige Smithsonian-instituut, vond de verhandeling van Goddard subliem, en vroeg de jonge geleerde hoeveel geld hij nodig dacht te hebben. Goddard meende dat hij met tienduizend dollar iets zou kunnen bereiken, maar om zijn beschermheren niet kopschuw te maken noemde hij een bedrag van vijfduizend. Hij kreeg het prompt.

Begin november 1918 kon Goddard voor de Amerikaanse artilleriestaf een draagbare lanceerbuis voor raketten demonstre­ren. Zo gering was bij dit wapen de terugslag, dat het niet van de twee muzieklessenaars viel waarop Goddard het voor die gelegen­heid had neergelegd. Maar de afgevuurde raket ging door ver­scheidene gevulde zandzakken heen. De officieren vonden het indrukwekkend, maar de wapenstilstand maakte een eind aan alle officiële belangstelling. Pas bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de lanceerbuis van de rommelzolder gehaald en bazooka gedoopt.

In 1919 legde dr. Goddard jegens het vrijgevige Smithsonian-instituut verantwoording af in een gedegen verhandeling over “Een methode om zeer grote hoogten te bereiken”. Hoewel hij zich voornamelijk beperkte tot een beschouwing over het onder­zoek van de hogere luchtlagen, slopen er ook een paar woorden in zijn geschrift over het onderwerp waaraan hij zijn hart had ver­pand : de ruimtevaart. Hij wees namelijk op de principiële moge­lijkheid om met een gelede raket de maan te bereiken; daar zou men dan bijvoorbeeld een zekere hoeveelheid magnesiumpoeder, vermengd met kaliumchloraat, kunnen laten ontbranden. Met sterke kijkers zou men op aarde de lichtflits, die de aankomst van de raket verkondigde, kunnen waarnemen.

Dat ene ogenblik van mededeelzaamheid bezorgde hem heel wat onplezierige publiciteit. Zonder van zijn nuchtere bereke­ningen en zakelijke beschouwingen te reppen, stelde men hem in de zaterdagavondbijvoegsels voor als een “maanmaniak” en een grappenmaker. Sindsdien werd Goddard nog wat zwijgzamer, maar hij heeft zijn denkbeelden over ruimtevaart nimmer laten varen. Ook zijn gevoel voor humor liet hem niet in de steek. “Ik ben maar een heel klein hondje,” zei hij wel eens, “met een heel grote kluif.” Intussen maakte hij in alle stilte aantekeningen over de mogelijkheid om motoren op kernenergie of zonne-energie te laten lopen, en over allerlei aspecten van de ruimtevaart. Die aan­tekeningen gingen achter slot en grendel, in een map met het op­schrift “Recepten voor het verzilveren van spiegels”.

Omstreeks die tijd leerde Goddard een blonde vrouw kennen. Ze had blauwe ogen, was zestien jaar jonger dan hij, heette Esther Kisk en werkte als secretaresse voor de rector magnificus van de Clark-universiteit. Als echtgenote, raadgeefster, fotografe, se­cretaresse en financieel genie heeft ze Goddard de rest van zijn leven terzijde gestaan. “Toen ik na zijn dood zijn aantekeningen zat over te tikken,” vertelde mevrouw Goddard later, “was het weer net als toen ik hem pas leerde kennen. Ik heb zijn zorgen en vreugden over de raket met hem gedeeld. Ik heb parachutes van zijde in elkaar gezet om de kostbare onderdelen zonder schade weer op de grond te krijgen, maar soms gingen ze niet open. Ik heb films opgenomen van elke proef, maar de raket deed het niet altijd. Van al die tegenslagen en teleurstellingen blijkt maar één keer iets uit zijn aantekeningen. ‘Een pechdag’ stond er. Dat moet wel een heel ongelukkige dag zijn geweest!”

In 1926 was de raket eindelijk zo ver dat Goddard er de eerste proef in de open lucht mee kon nemen. Bij de boerderij van een ongetrouwde tante bouwde hij een stalen toren. De raket was drie meter lang: voorin de motor, daarachter een heel stel buizen naar de stuurvinnen. Onverdroten stelde Goddard het ding telkens weer op, en telkens weigerde het. Er was altijd wel iets wat doorbrandde of vastliep, en als het erg meeviel draaide de raket zich om en stak zijn neus naar beneden. Op 16 maart was het helder, koud en windstil. Goddard zette zijn raket in de toren en stak zijn soldeerlamp aan. De drie helpers namen hun vaste plaatsen in — Esther achter de filmcamera om alles op te nemen wat er zou gebeuren. En er gebeurde iets. De raket werd ontstoken en het geraas begon. Ditmaal bleef de raket brullen; hij ging twaalf meter van de grond, legde, met een snelheid van honderd kilometer per uur, 67 meter af en viel, twee en een halve seconde na de start, weer neer. Zo verliep de eerste vlucht van de stamvader aller moderne raketten.
Twee jaar lang werden er nu op de boerderij grotere raketten gebouwd en geprobeerd, maar vliegen deden ze niet. En toen, op 17 juli 1929, was er één die dertig meter van de grond kwam. Het was windstil en zwoel, en het geraas was in het naburige stadje Auburn zo duidelijk te horen dat er volgens een van de inwoon­sters vast en zeker een vliegtuig was neergestort. Toen politie en ziekenauto’s op de boerderij arriveerden, hadden de persbureaus al het bericht verspreid dat de “maanraket van dr. Goddard” met een daverende klap uit elkaar was gesprongen. Goddard betoogde dat er niets uit elkaar was gesprongen en dat raketten nu eenmaal lawaaierig van aard zijn. Het Smithsonian-instituut liet on­middellijk weten dat er eenvoudig niet werd gedacht over zulke onbesuisde ondernemingen als raketvluchten naar de maan. “Het gaat alleen maar om het ontwikkelen van een methode om meteorologische en andere gegevens te verzamelen.” Maar de kranten verdraaiden Goddards woorden. De burgers van Massachusetts noemden hem een gevaarlijke “maanzinnige” en de hoogste brandweerautoriteit gelastte hem, zijn proeven te staken of ze in een andere staat voort te zetten.
Er waren ook mensen die niet om de “maanprofessor” lachten. In Duitsland was er een zekere Hermann Oberth, die ook met raketten experimenteerde, en die naar Worcester schreef dat hij graag wat meer van Goddards uitvindingen wilde weten. Ook de Japanse en Italiaanse ambassades in Washington vroegen herhaaldelijk om inlichtingen. Op dergelijke verzoeken ging Goddard niet in, maar uiteraard kon iedereen voor de somma van één kwartje een afschrift krijgen van elke willekeurige octrooibrief, en dus ook van Goddards patenten.

Ook leefde er ergens in Amerika nog zo’n onafhankelijke pio­nier die in Goddard, dwars door de tot in het karikaturale verwrongen krantenberichten heen, een verwante geest herkende. Deze kolonel Charles Lindbergh kwam de professor zelf opzoeken. Vol­komen voor Goddards denkbeelden gewonnen, deed hij een goed woordje voor hem bij de rijke filantroop Daniël Guggenheim. Begin 1930 kreeg Goddard van Guggenheim alvast 25 000 dollar, zodat hij weer voort kon. In Massachusetts mocht hij niet meer werken, en daarom koos hij, na een grondige studie van de staf­kaarten en de weeroverzichten, een terrein in de staat New Mexico uit. Daar was ruimte; daar was de lucht strak blauw en het klimaat droog en bestendig.
In mei 1935 woog de raket van Goddard 38 kilo bij een lengte van vier en een halve meter. Er zat een gyroscoop in om hem in zijn baan te houden, en een reservoir met samengeperst gas om de vloeibare zuurstof naar de verbrandingskamer te jagen. De benzine diende niet alleen als brandstof, maar ook als koelmiddel voor de wand van de verbrandingskamer, die anders onder de ontwikkel­de hitte zou zijn bezweken. Het was de beste raket die Goddard ooit had gemaakt: bij de proeven in New Mexico bereikte hij een hoogte van ruim twee kilometer en een snelheid die weinig minder was dan die van het geluid.
Goddard vermoedde dat de Duitsers raketten voor militair gebruik aan het ontwikkelen waren, en daarom wendde hij zich nog eens tot het ministerie van Oorlog. Ofschoon dat kort voor de Tweede Wereldoorlog was, reageerden de autoriteiten tamelijk lauw. Het moest 1941 worden voordat de marinestaf een jonge officier naar New Mexico afvaardigde om Goddards hulp in te roepen bij de constructie van raketprojectielen en vliegtuigen met raketstart. Toen de Duitsers in 1944 Engeland met raketbommen begonnen te bestoken kwamen er in Amerika rapporten met aller­lei bijzonderheden over de V-2 binnen. Goddard merkte een frap­pante overeenkomst met zijn eigen raket op. “Is die V-2 niet een kopie van uw eigen raket?” vroeg iemand. Goddard, die nooit een snoever was geweest, antwoordde kalmpjes: “Je zou het haast wel zeggen.”

In augustus 1945 overleed hij. De operatie die hij wegens keel­kanker had ondergaan, had te veel gevergd van zijn vroeger al door tuberculose verzwakte longen. Zijn nalatenschap omvat on­der andere een tweehonderdtal patenten, waarvan sommige eerst na zijn dood zijn verleend.

Wernher von Braun, de vooraanstaande raketdeskundige, heeft van dr. Goddard gezegd: “Hij was ons allemaal voor.”

alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

655-601

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – drie feesten van de herfst (2)

.

Hier wordt nog een vierde feest genoemd, dat van Lucia, op 13 december
.

P.la Rivière, vrijeschool Zutphen, nadere gegevens onbekend
.

De lichtfeesten van de herfst

Op zeer uiteenlopende wijze wordt een jaar ingedeeld. Tot in ons taalgebruik kennen we verschillen: cursusjaar, boekjaar, competitiejaar, kalenderjaar.
Het is in tal van samenhangen raadzaam, zeer duidelijk te zijn wat voor soort jaar je bedoelt en dan nog…….

Eigenlijk alleen het begin van het kalenderjaar is met zekerheid te noemen: 1 januari. Hoewel, zodra we ons in de Joodse traditie verplaat­sen, is dit alweer een andere dag.

Volop bekend zijn de zeer verschillende aanvangsdata van de verschillende cursussen; een onderscheid van weken is normaal.

Nog maar enkele jaren geleden waren er vrijescholen in Duitsland die met Pasen begonnen!
Wie herinnert zich niet zijn eigen schoolbegin in de eerste week van september; en wanneer de plannen doorgaan zullen de scholen in den lande, in drie regio’s verdeeld, drie verschillende aanvangsdata hebben, dit ter wille van de zoveelste vakantiespreiding.

Het is duidelijk dat vooral het economische leven hierbij regelend optreedt. Hoe praktisch in veel gevallen deze regelingen ook mogen zijn, een ander facet in het leven waar wij als mens deel aan hebben, komt hier vaak mee in botsing.

Bedoeld wordt het geestelijk leven.

Hier heersen andere wetten, hier leven andere ritmen dan het bij voorkeur continu-achtige verloop van het economische leven. Daar immers zou het liefst de scheiding dag en nacht worden opgeheven, terwijl de mens in geestelijk opzicht juist door deze afwisseling zijn krachten hervindt.
Aan grotere ritmen dan die van dag en nacht, waken en slapen, is de mens onderhevig. Slechts zeer ten dele zijn wij ons daarvan bewust, terwijl het meebeleven daarvan onze ogen kan openen voor een andere, geestelijke realiteit.

Voor onze tijd lijkt dit steeds meer noodzakelijk. Immers de uiterlijke werkelijkheid, de alledaagse, is in onze cultuur zo overheersend gewor­den,  dat deze realiteit de enige lijkt.
De mens als burger van twee werelden, van twee realiteiten, en die zelf de brug tussen beide vormt, raakt daardoor uit zijn evenwicht.
Het zal wel onnodig zijn, voorbeelden te noemen die aantonen dat onze cultuur, dus ook de afzonderlijke mens, uit het lood geslagen is.

Het meebeleven van de jaargetijden en de jaarfeesten in een vrijeschool heeft o.a. tot doel, een verbroken evenwicht of een nog niet bewust geworden evenwicht te herstellen of op den duur te bewerkstelligen.

De zomer heeft inmiddels met hevig onweer afscheid genomen en plaats gemaakt voor de hevige najaarsstormen. Straks keert voor het laatst dit jaar de felle zomerse gloed terug in de laaiende herfstkleuren. Dan begint het afstervingsproces dat aan het eind de naakte skeletten van bomen, de kale landerijen, achterlaat.
De natuur lijkt dood, al weten wij dat de zaden in de aarde het leven bewaren en behoeden voor een nieuwe lente, een nieuwe zomer. De duisternis krijgt steeds meer de overhand op het licht. Zo ziet het er in de uiterlijke realiteit uit! De andere, geestelijke realiteit toont het tegendeel in de feesten van herfst en winter. Het laaiend herfstvuur wordt in het Michaelsfeest het gloeiende zwaard dat uiteindelijk de draak (en wat is duisterder dan een draak) doodt.

In vooral de Russische sprookjes wordt deze draak vaak voorgesteld als rover van de zon! Na diens dood kan de ‘zon’ innerlijk bij de mens gaan schijnen.

De plaats van het licht in het Sint-Maartensfeest (11 november) maakt het innerlijke aspect van het licht nog duidelijker. Als een kaars vindt het licht zijn plaats binnen een omhulling. Het liefst een koolraap of een suikerbiet,  die in de donkere aarde is gegroeid.
Als een vreugdevonk in het hart van het kind (en de van voorpret fonkelen­de ogen van de ouderen) verschijnt het licht bij het Sint-Nicolaasfeest. Opmerkelijk is, dat zowel Michaël en Nicola bij de Slavische volken ware volkshelden zijn.

Als een zevenvoudig planetenlicht draagt halverwege de adventtijd (13 december) de Zweedse heilige Lucia het licht als een krans op haar hoofd.
Even lijkt het erop alsof het licht uiterlijk en daardoor duidelijker wordt. Overigens is dit geheel in overeenstemming met een astronomisch feit: het zonlicht dringt op deze dag, en deze dag alleen, de duisternis iets terug om daarna steeds verder terug te trekken.
We zijn dan in de donkerste tijd van het jaar, uiterlijk gesproken, aangekomen.

Wat dan gebeurt is in de christelijke tijd, en zelfs ook daarvoor, regel­recht de geboorte van het licht genoemd.
Mocht het bij andere feesten nog wat verhuld, verborgen zijn geweest, nu wordt het volop duidelijk dat met dit licht een innerlijk licht wordt bedoeld, waarmee de mens zich tegen zowel innerlijke als uiterlijke duisternis te weer kan stellen. De geboorte van het licht.

Zoals de geboorte van een kind in een 9 maanden durende zwangerschap wordt voorbereid, zo wordt de geboorte van het licht in de feesten van Michaël,  St.-Maarten, St.-Nicolaas en Lucia voorbereid.

 

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten   jaartafels

.

654-600

 

.

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – spelletje

 

Godelieve van Gemen, Jonas 6, 17-11-1978

 

het knolraapje

Het notenschrift is beter te lezen op: vrijeschoolliederen

Grootvader plant een raapje klein, heidiedeldei.

Hij plant hem in zijn akker fijn,heidiedeldei.

Groei maar raapje, groei maar goed,

wordt maar lekker zoet.

Grootvader wil het raapje trekken, heidiedel­dei.

Het raapje dat zit veel te vast, heidiedeldei.

Grootmoeder, kom toch vlug er bij,

kom help me trekken, heehup, heehuphup, heeje-hup.

Maar ’t raapje dat blijft staan.

Grootmoeder roept haar kleinkind dan, kom help te trekken, heehup, heehuphup, heeje-hup, enz.

Het kleinkind roept het hondje dan, kom help me trekken, heehup, heehuphup, heeje-hup, enz.

Het hondje roept het poesje dan, kom help me trekken, heehup, heehuphup, heejehup, enz.

Tempo vlugger: Het poesje roept het muisje dan, kom help ons trekken. Daar komt het muisje aangesneld en trekt het poesje een twee drie heehup, heehup, heehup, floep viel het raapje om.

De kinderen staan in een kringetje. Vader, moeder of juffie poot een kindje in de aarde. Het kindje gaat in elkaar gedoken zitten en bij de woorden: ‘Groei maar raapje, groei maar goed’ maakt het zich breder en komt met het hoofdje en het bovenlijfje omhoog. Een van de ouderen die grootvader is, trekt behoedzaam aan de knol en wenkt als het ook niet gaat, een kleinkind enz. Als we niet genoeg kinderen hebben, kunnen we speelgoeddieren mee laten doen. Bij ‘floep’ later we ons allemaal omvallen. Dan gaan we het raapje dat een ontzettend dikke raap blijkt te zijn geworden, op een doek tillen en iedereen die paard wil zijn, mag hinnekend, maar wel uiterst voorzichtig, meehelpen de raap naar de schuur te vervoeren. Vermoeid maar voldaan zakken de paarden in de schuur
(bijvoorbeeld een slaapkamer) op de grond. Als er geen echte doorbijters bij zijn, is het fan­tastisch leuk om een ‘zogenaamde’ hap als beloning van ‘de dikke raap’ te mogen ne­men. Een boertig vrolijk spel voor kleuters van 2 – 6 jaar en misschien nog ouder.

Spelletje naar een Russisch vers ‘de k(n)(o)olraap’
Tekst (vertaald en aangepast}: Godelieve van Gemen
Melodie Suse König uit het boekje Singspiel und Reigen.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters en kleuters

 

653-599

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (42)

.

Els Boekelaar, Jonas 6, 17-11-1978
.

HERFST
.

Dit jaar heb ik een poging gedaan op de herfst te letten. Soms is dat gelukt. Tot nu toe heb ik van alles gezien: stormen, onweer, bliksem, snel voortzeilende wolken, dichte mist, plotse­ling warme dagen met goudachtig licht, fel kleurende bladeren aan de bomen en op de aarde, stervende planten, veel zaden en vruchten.
Net als in de andere jaargetijden heb je innerlijk de vrijheid om te kiezen:
meegaan in het natuurgebeuren, of er ook iets tegenover te stellen vanuit je­zelf.

In de herfst betekent dit meegaan on­der andere, dat je heftig heen en weer geslingerd kan worden als in een storm. En ook: dat je ‘meesterft’ met de natuur: moedeloos wordt, het niet meer ziet zitten, diepe depressies. Dat kan elk jaar weer raak zijn: je let misschien een tijdlang niet op, bent niet wakker voor wat er na de zomer om je heen en met jezelf gebeurt, je zou zo graag die zomerdroom vast blijven houden. Dan komt de confrontatie met de werkelijkheid van jezelf en je omgeving. Als je dan nog niet wilt, heb je grote kans dat de draak met een grijns zijn koppen opsteekt, belust op een prooi.

Uit een gesprek:
Een paar eigenschappen van de draak: ‘Hebzuchtig, vult leemtes op, begerig, wil jonkvrouwen verslinden, verstard, afgunstig, onbetrouwbaar, sluw, laks, verterend, vuurspuwend, verschroei­end’.

Natuurlijk doet hij regelmatig een spectaculaire aanval. Maar ook in klei­nere dingen is hij sluw: hij fluistert bijvoorbeeld in je ene oor met zoete stem dat je maar mooi moet blijven dromen. En je breekt enkele servies­stukken, bent ontevreden met bijna al­les, de rommel in huis stapelt zich op, je stoot regelmatig flink je hoofd, je ledematen worden traag, je wordt doodmoe. Volwassenen en kinderen vragen je aandacht, maar je wilt het al­leen prettig hebben, weert ze geïrri­teerd af, nu kun je geen antwoord ge­ven.

Ook in je andere oor sist het ondier zo het een en ander. Je sluit je af, wordt ‘hard’, dreigt ruzie te maken of je doet het meteen, je kijkt scherp tegen de harde, materiële kant van de wereld aan, ziet graag de slechtste kanten van anderen en van jezelf en je bent daardoor hoofdzakelijk met je­zelf bezig.

Als je het positief kunt zien, dan weet je na die confrontaties met de ‘draak’ precies wat je nog niet in de hand hebt wat je nog niet kunt hanteren, en dan kun je dus aan het werk. Dat betekent strijd.

Hoe ga je daarmee om, hoe vind je een wapen in de strijd? Zijn er af en toe medestrijders?

Een eerste wapen: momenten ‘maken’ waarin je de moed hebt de draak recht aan te kijken en te accepteren. Dan misschien: erin te kruipen, je ermee te verbinden.

Luisteren naar het monster vergt ener­gie. Als je die energie kunt afwenden van het luisteren en richten op je ‘strijd’; bijvoorbeeld regelmatig tussen de drukte en het gewoel van je leven wél op anderen letten, wakker en open te zijn, alleen met datgene bezig te zijn wat je op dat moment doet. Dan heb je soms van die momenten dat er ‘invallen’ komen als iemand iets aan je vraagt, dan sneuvelen er minder kopjes, blijft de orde in huis binnen je maat, ben je niet zo gauw moe, krijg je zin om nieuwe dingen te doen, en heb je zekerheid in je gevoel over het be­staan van een niet-materiële wereld.

Er is een houvast: buiten ontstonden er in zomerwarmte en licht vruchten en zaden. Veel zaden worden door de aarde opgenomen, blijven rusten gedurende de winter, ontkiemen daar vol­gend jaar, als alles goed gaat. Als je in de zomer goed hebt opgelet, niet alleen maar gedroomd, weet je van de ‘vruchten en zaden’. Als je ‘harte-lijk’ kijkt, vermoed je soms bij anderen een dergelijk proces. De win­ter blijkt dus niet zó koud en ‘dood’ te zijn. In de aarde en in jezelf zijn warmteplaatsen die je niet vermoedde Dit jaar ga ik met verwachting de kersttijd tegemoet.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michael    jaartafel

.

652-598

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – seizoenen – herfst (2-1)

.
Godelieve van Gemen, Jonas 4, 20-10-1978
.

DE ZOMER TREKT ZICH TERUG
.

Met het feest van Michaël, als de dag even lang is als de nacht, begint de herfst. De hele zomer zijn we naar bui­ten gericht geweest en zijn we veel naar buiten gegaan. Zelfs als het weer niet zo zonnig zomers was als we zou­den wensen, dan toch waren we bij ‘buiten’ betrokken. Nu gaan we weer binnenshuis leven. Buiten zien we de kleuren van herfst­bloemen- en bladeren feller opbloeien dan ooit, om hen dan te zien afsterven. Voor veel mensen is dit een weemoedige tijd, die herinnert aan de dood. Niet iedereen kan de troost voelen dat het licht van Michaël biedt aan het be­gin van een donkere tijd, en niet ieder­een voelt het weer licht worden in de kersttijd.

Herfst is niet alleen sterven. De zomer trekt zich terug, de winter groeit; maar de kiem voor de volgende lente en zomer is er. De afvallende bladeren hebben ruimte gemaakt voor de knop­pen. Wie nu naar bomen en struiken gaat kijken, zal de ronde bloemknop­pen en de spitse bladknoppen voor het volgende jaar ontdekken. Daar komt niets bij, daar gaat niets af. De hele winter zijn ze veilig, pas als ze zich openen in de lente lopen ze gevaar. Steeds weer gaan de seizoenen in el­kaar over. De winter met de kiem van zomer in zich, en de zomer met de kiem voor de winter in zich: in de vorm van voorbeschikt zijn om weer af te sterven.

Voor mij is de herfst een seizoen waar­in ik me oprecht dankbaar voel voor de oogst. Alweer is het hier gelukt! Tegelijkertijd komt er altijd een gevoel over me van een schuld die elk jaar groter wordt, naarmate het hier steeds weer lukt, en de oogsten op andere de­len van de wereld steeds maar weer ge­heel of gedeeltelijk mislukken. In deze tijd maak ik de meeste goede voorne­mens van het hele jaar. Ik krijg een enorme drang om van mijn ‘oogst’ te gaan delen; maar moet helaas vaak constateren dat mijn oogst te lijden heeft gehad van vorst en droogte en niet zo uitbundig is als ik zou wensen. Misschien is dat wel een aspect dat ons droevig kan stemmen: te voelen dat we te weinig oogst te bieden heb­ben.
Er is dan altijd nog een troost uit het plantenrijk: een boom kan niet elk jaar, ook als de uiterlijke omstandighe­den volmaakt zijn, even veel vruchten dragen. Soms heeft hij zoveel gedragen dat hij geen kracht heeft om bloem­knoppen te vormen en het volgend jaar ‘slechts’ blad geeft.

Een beetje herfst met de kinderen… Door de storm lopen, bedolven raken onder de dikke ritselende laag blade­ren, erdoorheen waden, nootjes zoe­ken. Het lijkt alsof het kind dat af­sterven overslaat en veel uitbundiger, stormender de winter in gaat. Het is nu nog niet de tijd om met hen in het winterse knutselen weg te duiken. De zomer en de herinnering aan de zomer zijn nog zo dichtbij. Om daar bij stil te blijven staan, geeft veel rust en warm­te aan de kinderen. Daarom laten we bladeren en vruchten door onze han­den gaan. Behalve het maken van jams en sappen heb ik het gevoel dat het in stukjes snijden, rijgen en ophangen (om te drogen) van vruchten heel zui­ver is en dat kinderen de oogst en de bewaarkracht ervan voor de winter, op die manier diep ervaren. Kleine kinde­ren, die anders nooit een mes krijgen, zullen verrukt zijn, als ze nu bananen in plakjes mogen snijden, en met een kinderschaartje appels en cham­pignons mogen knippen. De grotere kinderen kunnen ook goed prei en selderij snijden. Van elk soort wordt met katoenen garen een snoer geregen. Die kunnen vrij van de muur op droge warme plaatsen in huis op­gehangen worden. Bij verwarmings­buizen gaat het heel goed.
Ook bladeren drogen en rijgen, schil­derijtjes maken van nootjes, korrels en zaden, dat is namijmeren over de zo­mer die voorbij is en voorbereiden op de winter die komt.
En wie kleuters heeft en het geld er­voor kan missen zou (voor ongeveer zestien gulden) Tomtebobarnen‘ van Elsa Beskow* (uitg. Bonniers Stock­holm) moeten kopen. Daarin worden met ijver bessen en paddestoelen ge­wreven en geregen; graswol wordt ge­kaard en gesponnen. Daar kunnen deze ‘kabouterkindertjes’ zich de hele winter van voeden en kleden.

Het boek ‘Frederick’ van Leo Lionni is een hartverwarmend verhaal, dat ie­der op zijn eigen manier als eenvoudig vingerspel kan spelen.

Vier muisjes sjouwen af en aan. Ze verzamelen graankorrels, strootjes en nootjes voor de winter. Frederick, de vijfde muis, zit daar maar. Wat hij doet, vragen de vier muisjes. Wel, hij verzamelt zonnestralen voor de koude winter, kleuren voor de grijze winter en woorden voor de lange winter. De muisjes zijn tevreden met Fredericks antwoord, ook al snappen ze hem niet. Als dan de tijd gekomen is, dat de voorraad opgeknabbeld is, de muisjes uitgebabbeld zijn, dan is het koud en kil.
‘Waar is jouw voorraad, Frederick?’ En Frederick geeft hun zijn oogst en vertelt over de zonnewarmte, de kleu­ren van de bloemen en hij draagt een gedicht voor over de seizoenen. Alles is nu warm, kleurig en blij in hun hol. ‘Frederick, jij bent een dichter!’

herfst

*vertaald: ‘De kabouterkinderen’
.

Peuters en kleuters: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen
.
Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters en kleuters

.

651-597

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Peuters/kleuters – jaarfeesten door het jaar (1-1)

.
G.J. Rienks, kleuterjuf vrijeschool Rotterdam, nadere gegevens onbekend
.

Jaarfeesten in de vrijeschoolkleuterklassen

Kleuterleidsters vinden het van groot belang om de jaarfeesten in een kleu­terklas te vieren. Ieder jaarfeest heeft zijn eigen plaats in een van de 4 JAARGETIJDEN.

Door middel van deze feesten kan een kleuter met de 4 jaargetijden meeleven, Kinderen zijn sterk met de natuur verbonden. Ze staan a.h.w. zelf in de lente van het leven. In de toekomst moeten zij door de zomerkrachten volwas­sen en rijp worden. In hun herfsttijd kunnen ze dan de vruchten plukken, om in de wintertijd van hun leven de vergaarde wijsheid door te geven.

Het hele jaar rond kunnen wij met feesten bezig zijn. Feesten moeten immers voorbereid worden, en het kan gebeuren dat als het ene feest gevierd is, al weer met de voorbereiding van het volgende feest begonnen wordt.
Dit is bijv. het geval in de herfsttijd. Nadat wij in augustus op school zijn gekomen, leven wij naar het Michaëlsfeest in september toe. Daarna komt de voorberei­ding voor het St.-Maartensfeest in november, waarna achter elkaar de feesten Advent,  St.-Nicolaas en Kerstmis volgen.

Het dichtst bij het kind liggen de feesten van St-Nicolaas en Kerstmis. Andere feesten, zoals dat van Michael,  het Paas- en Pinksterfeest, zijn moeilijker om met een kleuter te vieren. Toch is het belangrijk de kleuter ook iets van deze feesten te laten beleven.

Ieder jaargetijde heeft zijn eigen karakter, z’n eigen sfeer en stemming, waarin een bepaald feest een hoofdrol speelt. Spelletjes, liedjes, verhalen of versieringen, die naar een feest toeleiden, worden door de kleuterleidster zelf gemaakt of opgezocht.

Zo kan het gebeuren dat in vele vrijescholen kleuterklassen op verschillende manieren aan de voorbereiding gewerkt wordt en de feestdag overal een andere gestalte krijgt. Toch zal iedere kleuterleidster zich verdiepen in dezelfde motieven, die aan ieder jaarfeest ten grondslag liggen. Iedere leeftijd vraagt een bepaalde aanpak van een feest. Bij kleuters speelt de voorberei­ding een grote rol.
Net zoals in de natuur een vrucht niet ineens rijp is, zo is ook een feest er niet ineens. Daar groei je naar toe. De voorberei­ding kan bijv. bestaan uit het spelen van spelletjes, het zingen van liedjes, of het luisteren naar sprookjes. Het kan ook zijn dat gemeenschappelijk lange tijd aan de versieringen voor de komende feestdag gewerkt wordt.  Zo kunnen we in de herfst al weken van tevoren bezig zijn met het rijgen van blaadjes, eikels of kastanjes, en in de lente met het versieren van onze palmpaasstok­ken. Bij ieder feest zijn we weer anders bezig met onze voorbereiding, evenals ieder feest en jaargetijde ons wat anders wil laten beleven. Plaatsen we twee jaargetijden tegenover elkaar, dan wordt ons dat duidelijk.

In de lente ontkiemen de planten en groeien hemelwaarts .
In de herfst vallen de vruchten en blad op aarde.

In de lente neemt het licht toe.
In de herfst neemt het weer af.

In de lente zien we de vogels terugkeren.
In de herfst het wegtrekken.

In de lente het toenemende gezang van de vogels.
In de herfst het steeds stiller worden in de natuur.

In de lente opent de aarde zich.
In de herfst wordt zij toegedekt,  sluit zich af.

Zo kunnen we in de zomer genieten van een uitbundigheid in groen, kleur, licht en warmte en in de winter beleven we het kale, grauwe, donkere en koude van de  natuur.
Hoe kunnen we nu van dit alles iets aan onze kleuters meegeven? Dit kan vooral door er met hen van te spelen en in beelden over te vertellen.
Kleuters leven in een grote fantasiewereld. Zij hebben het vermogen, een plantje te kunnen zijn dat groeit, maar ook de wind die de appels van de bomen waait. Zij kunnen in een spel vogels zijn die een nestje maken of beren die zich in hun holen terugtrekken.
Dit fantasie-element van de kleu­ters gebruik je om ze iets van de jaargetijden te laten beleven. En ieder jaargetijde heeft daarbij zijn eigen spelmotief.

In ’t begin van de herfst met het Michaelsfeest daarin, kan dit bijv. zijn: Wapen je met alles wat gegroeid en gerijpt is door de warme zomerzon. Verzamel en voed je ermee. Sterk zal je daarvan worden. Sterk en moedig, zodat je niet bang bent voor de komende wilde herfstwinden. Sterk en moedig zoals de engel Michael en St.-Joris die de draak kon weerstaan.
Wie veel geplukt, geraapt en ingemaakt heeft, behoeft geen angst voor honger te hebben. Van de voorraad kan je anderen wat geven, zoals St. -Maarten deed en het meisje in het sprookje van de Sterrendaalders.
Vreugde ontstaat er over deze daad. Blijdschap, die als een licht in je lampje kan branden en waarmee je in de komende donkere winter niet behoeft te verdwalen.
Waar eerst het motief ‘wapenen’ en ‘sterk worden’ was, wordt het nu ‘weggeven’ en ‘wegcijferen’. Geholpen door de Engel Michael en door St.-Maarten gaan we op weg met ons lichtje in de hand om het kerstkind te zoeken. Maar de weg is lang en moeilijk. Het wordt steeds donkerder en kouder. Ons doel zouden we bijna vergeten door alle narigheid. Wilde winden plagen ons en dreigen onze lichtjes uit te blazen. Verheugend is het daarom dat we met ons adventsfeest in de hemel mogen kijken. We zien daar Maria aankomen, het Kerstkind verbergend in haar blauwe hemelmantel. In de hemel is het heel licht. Daar lijkt het wel zomer. Op aarde wordt het steeds donkerder. Wij ontsteken nu voortaan steeds meer lichten om Maria met het Christuskind de weg naar de aarde te wijzen.

In deze adventstijd komt de heilige Nicolaas ons ook nog helpen. Komende uit de hemel op zijn witte wolkenschimmel, begeleid op aarde door zijn zwarte knecht, wijst hij ons op goed en kwaad.
Een kind willen we worden, zoals ‘Goudmarie’ in het sprookje van Grimm om net als zij lichtend als de zon door het leven te gaan en niet zoals haar zuster, zwart als pek. Soms gooit de heilige van boven door onze schoorsteen iets in onze (aarde)schoen. Meestal is dat iets zoets,  een suikerhart bijv. Wie zoet is, verstoort de gemeenschap niet. Wie stout is, plaatst zich ergens buiten. Wie zoet is, opent zich voor een ander, wie stout is, sluit zich af.
Open staan betekent dat je het Kerstkind wil en kan ontmoeten. En in die donkere, koude winter wil ieder graag licht en warmte van het kind ontvangen. Zo helpt St.-Nicolaas ons naar het kerstfeest toe.
Kinderen zijn zeer gelovig,  diep religieus. Het heilige kerstfeest is voor alle kleuters het hoogtepunt in de feestenreeks. Het kind zelf, nog maar zo kort geleden uit de lichtende, warme hemelsfeer op aarde gekomen, voelt zich a.h.w. één met het Kerstkind. Het is zelf meer ‘hemelkind’ dan ‘aardeburger’. Lang van tevoren,  soms al in oktober, wordt er door de kleuters van engelen, Josef, Maria, de os en de ezel gespeeld. Ook lang na Kerstmis wordt er door hen in hun spel terugge­grepen naar dit feest. Daarom is het voor de kinderen zo fijn, dat na de kerstvakantie de juf verder gaat in haar spelletjes, liedjes en verhalen met het kindeke Jezus, Josef en Maria. Immers de drie koningen moeten nog op bezoek komen. Heerlijk is het om nog lang van de Drie Koningen te spelen in de 3-Koningentijd. De kleuters krijgen dan de gelegenheid om alles te verwer­ken, na te laten klinken na die lange voorbereidingstijd van feesten, die tot het kerstgebeuren voerde.
Begin februari worden alle kaarsjes in een eindfeest opgebrand.

Nu komt de tijd van de ‘hoop’en het ‘zoeken’. De hoop dat er weer iets zal gaan groeien, dat het licht en de warmte steeds zullen toenemen. We horen buiten al hier en daar de sneeuwklokjes klingelen en weten daardoor dat alles zich in de aarde aan het voorbereiden is om weer
tevoorschijn te komen.

Zoeken gaan we nu. Eerst naar stokken, die in de winter van de bomen gewaaid zijn. Wanneer deze op zijn mooist versierd zijn, dan gaan we daarmee zoeken naar het nieuwe leven. Dit vinden we in de planten die uitkomen, in de eieren, die verstopt zijn en in de pasgeboren dieren.

De paastijd is gekomen.
En te midden van dit nieuwe groeiende leven waar we allen tezamen zo van ge­nieten, tooien we de Pinksterbruid en -bruidegom. Steeds meer vogels zijn uit de warme landen teruggekomen, alle dieren uit de winterslaap ontwaakt en tezamen roepen en lokken zij ons nu naar buiten te komen. De wereld is vol kleur en klank en we trekken erop uit om ons zomerfeest te vieren, het feest van de heilige Johannes, En op dit feest dansen en zingen, huppelen en sprin­gen we en zijn uitgelaten, vrolijk en blij. Een heel andere stemming hangt er nu in het bos waar we ons St.-Jansfeest vieren, dan in de tijd toen we naar noten, bessen en blaadjes zochten; of toen we met jas en das gewapend met onze St.-Maartenlichtjes in het donker liepen. De groene dennenboom,  te midden van alle andere bomen, ziet er ook heel anders uit, dan toen hij met al zijn lichtjes bij ons binnen stond te stralen.

Zo zijn we dan het jaar rond met onze feesten, want na het zomerfeest begint de grote vakantie.
Komen we terug op school dan gaan we weer de spelletjes spelen die naar het Michaelsfeest toe leiden.

Een heel jaar rondfeesten     

Kinderen vieren graag feest. Bij het woord ‘feest’ beginnen de ogen te stra­len en de stem vraagt: ‘Hoe lang nog?’ Iedereen weet dat kleintjes naar hun eigen verjaardagsfeest dagen, soms weken lang van tevoren uitzien. Zo’n dag doet iets aan een kind. Het wordt die dag niet alleen een dagje ‘ouder’, maar je zou kunnen zeggen dat het zich die dag wat bewuster gaat voelen. Het centraal in de belangstelling staan op die dag door bezoek, cadeautjes en het eten en uitdelen van taart en koek, draagt daartoe bij. Bij jaargetijdenfeesten staan de jaargetijden in de belangstelling en het feest daarin, is het middelpunt. Waar het bij huwelijks-, ‘geboorte- en ver­jaarsfeesten meer om het persoonlijke, om enkele personen gaat, zo gaat het bij het vieren van jaarfeesten om het gemeenschappelijke element, het samen beleven van een feest. Bij een feest hoort vreugde. Bij een feest hoort licht, versiering, eten en drinken. Wanneer een feest goed gevierd wordt, kan het voedsel,  schoonheid en vreugde geven aan lichaam, ziel en geest.
Feesten voeren boven het alledaagse uit. Door de vele feesten, die zinvol in een vrijeschoolkleuterklas gevierd kunnen worden, krijgt iedere kleuter volop gelegenheid zich boven het alledaagse te verheffen.

Iedere kleuterleidster hoopt,  dat haar kleuters iets van ieder feest zullen meenemen voor hun latere leven, als een vreugdevolle herinnering. In moeilijke tijden zal het hen kracht kunnen geven en een richtsnoer zijn in hun verdere leven.
.

Peuters en kleuters: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen
.
Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters en kleuters

.

650-596

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – alle artikelen

.

 ‘Er is er een jarig’
ideeën voor de verjaardag van een kind

Een ouderavond
Een moeder doet verslag

Beweging
bikkelen  handschaduwbeelden   hinkelen   touwtjespringen

Impressie
[1] H.Kwindt geeft een indruk van de 2e klas: wat, hoe en waarom

Heemkunde [1]  [2]  [3]

Herfstspelletje
Een spel van D.Udo de Haes uit ‘Zonnegeheimen’deel 4.
Wanneer je in de herfst heemkunde doet, kun je dit spel goed gebruiken: over het verkleuren van de bladeren; de rol van zon en wind

Nederlands

[1]

[2] Nederlandse taal
Het binnenste buiten over: dialoog; grammatica; voorbeeld voor zelfst.nw. en ww.; spellingsvoorbeeld; spelen van fabel en legende
taalspelletjes vanaf klas 1

Lezen, een suggestie
Pieter HA Witvliet 
over: voor de beginnende lezer zijn er niet zoveel boekjes met een ‘literaire’ inhoud. Vrijeschoolleerkracht Max Stibbe† stelde een boekje samen met de vertelstof van de 2e klas: de fabels, om deze met de kinderen te lezen.

Niet-Nederlandse talen: Duits    [2]
Niet-Nederlandse talen: Frans

Rekenen
alle artikelen

Spraakoefeningen

Sterrenkijken (5 -7 jr)

de natuur in

Vertelstof
Alle artikelen

Vormtekenen
zie de blog

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

649-595

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Oscar Wilde

.

DE GEESTIGSTE PRAATVAAR VAN ENGELAND
.

In 1856 werd in Ierland een groot humorist geboren. Hij had een onvoorstelbare fantasie, was gevat en geestig als geen ander, en bovendien een van de beminnelijkste en opgewektste mensen van de moderne tijd. Dat is in elk geval de herinnering die zijn vrienden aan Oscar Wilde bewaren. Een vooraanstaand kunstcriticus noemde hem “de grootste figuur in de bewust gecultiveerde kunst van het converseren, die ooit de Engelse taal heeft gesproken”. Hij vond altijd de juiste woorden voor het juiste ogenblik, in plaats van die de volgende morgen te bedenken en te wensen dat hij dat had gezegd. Niemand anders is ooit zó vaak aangehaald.

“Plicht is wat wij van anderen verwachten.”
“Ik kan aan alles weerstand bieden, behalve aan verleiding.”
“Ik moet uw uitnodiging wegens een latere afspraak helaas afslaan.”
 is ooit zó vaak aangehaald.
“De vrouwen houden van ons om onze tekortkomingen. Als we er maar genoeg hebben, vergeven ze ons alles, zelfs het feit dat we meer verstand hebben.”
“Neemt u mij niet kwalijk, ik had u niet herkend — ik ben heel wat veranderd.”

Oscar Wilde’s conversatie was geen alleenspraak. Hij kon aan­dachtig en geboeid luisteren en verstond de kunst het gesprek zó te leiden dat verstand en geestigheid van anderen het best naar voren kwamen. Over zijn eigen zaken sprak hij uitsluitend met zijn beste vrienden. Hij schreef nooit anderen de wet voor, sprak nooit iemand tegen, en matigde zich nooit enig gezag aan — behalve een enkele maal over het onderwerp “manieren”.

Voor anderen was hij steeds attent; hij kon hartelijk meelachen wanneer hij in de maling werd genomen, en was buiten­gewoon gul. Zijn geld schonk hij even vlot weg als zijn gedachten. Wat hij uit luiheid niet voor zichzelf deed, kon hij zonder be­denken voor anderen doen — en niet uit plichtsgevoel. Van alle beroemde geestige causeurs was hij misschien de enige die nooit grof werd of geestig wilde zijn ten koste van anderen. Hoe hoog de vlucht van zijn fantasie ook ging, hij bleef steeds kies en vrien­delijk, en zijn uitspraken waren vaak diepzinnig — vooral de opmerking: “Het mensdom neemt zichzelf te ernstig — dat is de erfzonde.”

“De tragedie van de ouderdom is niet dat men oud is, maar dat men jong is.”

“Zelfverwijt is vaak een weelde waaraan wij ons te buiten gaan. Wanneer wij onszelf iets verwijten, menen wij, dat niemand anders het recht heeft ons daarover een verwijt te maken. De biecht geeft ons absolutie — niet de priester.”

Wilde was ook oprecht in zijn hartstochtelijke liefde voor schoonheid, waarvoor hij een soort kruistocht ondernam tegen het negativisme der moralisten van het Victoriaanse tijdperk. Hij zag ook het geweldige toneeleffect dat school in het conflict tussen een gezond schoonheidsgevoel en een ziekelijk zondebesef; en daar hij, zoals de meeste humoristen, een geboren toneelspeler was, buitte hij die mogelijkheid tot het uiterste uit.

Toen hij nog student was, beweerde hij dat hervorming van de kleding belangrijker was dan hervorming van de godsdienst. En toen hij na het beëindigen van zijn studie naar Londen ging, ver­scheen hij daar met lavendelkleurige handschoenen en gaf zich uit voor professor in de esthetica. In Londen verscheen hij ’s avonds op feesten “gekleed in een gegalonneerde fluwelen jas, kniebroek, zwartzijden kousen, een wijd hemd van zachte stof met liggende boord en een grote wapperende matgroene das”. Hij verhief de lelie en de zonnebloem tot symbolen van zijn ere­dienst, niet wegens hun schoonheid, maar omdat ze zo’n bespotte­lijke indruk maakten in het knoopsgat van een grote man.

Want Wilde was groot, en bovendien sterk en moedig. Hij ver­dedigde zijn opvattingen tegen ieder die hem aanviel — of ze nu alleen kwamen of met een heel stel. Toen hij in Dublin aan het Trinity College studeerde, maakte een beruchte vechtersbaas, de schrik van de universiteit, eens hatelijke opmerkingen over een van zijn gedichten; Oscar liep op hem toe en gaf hem een klap in zijn gezicht. Dat moest worden uitgevochten, en tot ieders verbazing sloeg de dichter de vechtersbaas buiten westen.

Later, in Oxford, vond een aantal van zijn medestudenten, ten einde het alledaagse te verdedigen, het noodzakelijk zijn kamer binnen te dringen en zijn smaakvolle interieur kort en klein te slaan. Vier aangeschoten helden vielen bij hem binnen; de anderen bleven op de trap toekijken. De eerste indringer vond onder aansporing van Oscars laars dadelijk de weg terug naar zijn kameraden. De tweede kreeg een opstopper die hem bovenop de eerste deed belanden. De aftocht van de derde werd een luchtreis. De vierde werd door Oscar naar zijn kamer gedragen en aldaar onder een stapel meubilair begraven. Daarna nodigde hij de toe­schouwers, die nu eensgezind pro-Oscar waren, uit om iets te komen drinken.

Nog steeds in Oxford zag men hem eens, niet zonder gevaar voor zichzelf, tijdens een variété-voorstelling van de éne loge naar de andere klauteren om de aldus bezochte bezoekers uit te nodigen voor een feestje, dat hij na afloop wilde geven. Maar hij was te lui om zijn atletische krachttoeren voor iets anders te ge­bruiken dan uit zelfverdediging of voor de aardigheid. “Ik doe niet aan spelen in de open lucht,” bekende hij later, “behalve dan domineren. Jazeker — ik heb in Frankrijk wel eens domino ge­speeld op een caféterras.”

Maar als hij klein, tenger of gemakkelijk te intimideren was geweest, had Wilde nooit zulke vertoningen kunnen opvoeren. Eenvoudig door zijn aanmatiging, gecombineerd met zijn weer­galoze, aanstekelijke geestigheid, had hij zich op 27-jarige leeftijd al in twee werelddelen beroemd gemaakt, zonder dat er ook maar iets van hem in druk was verschenen dat de moeite van het lezen waard was.

Ondanks zijn sprekende ogen en mooie voorhoofd was hij toch geen uitgesproken knappe verschijning. Hij had een onregelmatig gebit en een enigszins wasachtige gelaatskleur. Zijn handdruk was slap en zijn sterke spieren zagen er niet uit als spieren, maar als vlees. Hij had geen krachtige trekken, en zijn voorkomen had iets opvallends, dat deed denken aan een levensgrote pop. Door die hoedanigheden werden de mensen vaak eerst afgestoten, even­als door het aanmatigende “De Grote Estheet”, zoals hij zich noemde. Maar zijn welluidende stem en zijn aangename, ongekunstelde lach, en de ongelooflijke stroom van opgewekte verha­len, grappen, fantasieën, parabels, spreekwoorden en diepzinnige gedachten die steeds bij hem opwelden, deden dat gevoel spoedig wijken. Wanneer hij ergens binnenkwam en begon te praten, ver­zamelde iedereen zich al spoedig om hem heen.

“Niets heeft zoveel succes als buitensporigheid,” was zijn motto, en dat paste hij niet alleen in zijn uiterlijk toe, maar ook in zijn opmerkingen.

Toen men hem eens vroeg hoe hij die dag had doorgebracht, zei hij plechtig: “Ik heb de hele morgen aan de drukproef van een van mijn gedichten gewerkt, en er een komma uitgehaald, ’s Mid­dags heb ik die komma er weer ingezet.”

Op een dag vervoegde zich bij hem een bedeesd mannetje, dat mededeelde: “Ik kom voor de belasting.”
“Belasting! En waarom zou ik belasting moeten betalen?” antwoordde Wilde met de grootste verontwaardiging.
“Maar meneer, u bent hier toch het gezinshoofd. U woont hier immers, u slaapt hier.”
“Ja zeker, maar ik slaap heel slecht, weet u.”

Hij speelde toneel, en hij wist heel goed welke uitwerking zijn pose had. Toen hij eens een voorbijganger hoorde zeggen: “Daar gaat die verdomde idioot van een Oscar Wilde,” merkte hij tegen zijn metgezel op: “Het is toch merkwaardig hoe spoedig men in Londen bekend wordt.”

Ook in Amerika werd hij al gauw bekend, en in 1882 ging hij er de onvermijdelijke serie lezingen houden. Ofschoon hij het hart van zijn impresario brak door te weigeren met een lelie op Broadway te gaan flaneren, zorgde hij toch voor zoveel uit­bundigheid in zijn kleding, en voor zoveel geestigheid in zijn opmerkingen tegen de journalisten, dat de tournee een daverend succes werd. Geen enkele publiciteitsstunt heeft ooit overvloediger resultaat afgeworpen dan de enkele woorden die Wilde op de kade uitte, toen een douanebeambte hem vroeg of hij iets aan te geven had: “Alleen maar mijn talent.”

Wilde’s tournee door de Verenigde Staten werd een soort wraakneming voor Mark Twains tournee door Europa. In Inno­cents Abroad had Mark Twain zich uitbundig vermaakt met de overbeschaafdheid van Europa. Op dezelfde manier vermaakte Wilde zich met het Amerikaanse gebrek aan beschaving.

“In Amerika bestaat het leven uit niets dan rochelen en spu­wen,” zei hij.

“De Amerikaanse gewoonte om schilderijen dicht bij het pla­fond te hangen leek mij eerst onzinnig. Pas toen ik gezien had hoe slecht de schilderijen waren besefte ik, dat er iets te zeggen valt voor die gewoonte.”

Toen hij wereldberoemd was geworden en veel geld had ver­diend, werd Wilde het komediespel moe en besloot te proberen of hij tegen een beetje werken bestand zou zijn. “De Oscar uit de eerste periode is dood,” verklaarde hij bij zijn terugkeer uit de Verenigde Staten. “De tweede Oscar heeft niets gemeen met die langharige heer, die met een zonnebloem langs Piccadilly flaneer­de.” (Later heeft Wilde toegegeven dat hij nooit met een zonne­bloem langs Piccadilly heeft geflaneerd. “Dat had iedereen kun­nen doen. Mijn speciale prestatie is dat ik de hele wereld heb doen geloven dat ik dat gedaan heb.”)

Zijn kortstondig experiment met werken begon hij als redac­teur van het tijdschrift Woman’s World. Van één kant van het werk genoot hij enorm — achterover leunen in een stoel en praten met mensen die voor het blad wilden schrijven, maar nog liever trof hij dergelijke adspirant-medewerkers in het Café Royale. Dat leek over het geheel ook eenvoudiger dan naar zijn redactie­bureau te gaan. Hij hield zich aan zijn eigen stelregel: “Stel nooit uit tot morgen wat je overmorgen kunt doen.” Brieven beantwoorden deed hij uit principe niet. “Ik heb mensen gekend die met veelbelovende vooruitzichten naar Londen kwamen, en een paar maanden later volslagen wrakken waren geworden doordat ze de gewoonte hadden brieven te beantwoorden.” Hij hield het bijna een jaar uit als redacteur.

Wilde’s heldhaftige pogingen om tot werken te komen waren noodzakelijk geworden door dat éne alledaagse feit dat hem over­kwam: hij werd smoorverliefd en trouwde. Zijn bruid was rijk genoeg om hem eten en onderdak te geven, maar haar inkomen voldeed toch niet helemaal aan zijn motto: “Geef mij de luxe, dan heb ik de nooddruft niet nodig.”

Constance Wilde was heel mooi, en even begaafd in het zwij­gen als haar man in het praten. “Ik houd van haar,” zei hij, omdat ze nooit iets zegt, en ik mij altijd afvraag waar ze aan denkt.”

cI)e juiste grondslag voor het huwelijk is wederzijds misverstand,” zei Wilde vaak. En zijn eigen huwelijk was jarenlang een succes. Hij had twee zoons, die hij verafgoodde, en door de fantastische verhalen die hij steeds vertelde beschouwden ze hem als volmaakt. Zijn eigenlijke schrijversloopbaan ontstond uit zijn liefde voor hen.

Zijn eerste boek van enige omvang — dat door velen nog altijd als zijn beste wordt beschouwd — was een bundel sprookjes, die uitkwam toen hij 32 jaar oud was. Toen hij ze opgeschreven had waren die verhalen, volgens zijn vrienden, lang zo goed niet als toen hij ze oorspronkelijk aan zijn jongens had verteld. Maar toch zijn ze in hun soort het mooiste dat ooit in het Engels is geschreven.

Pas enkele jaren later vond Wilde de voor de hand liggende wijze om zijn conversatietalent in literatuur om te zetten: toneel­stukken schrijven. Zijn eerste toneelstuk, Lady Windermere’s waaier, verscheen in 1892. Het was niet veel meer dan een vernuftige aaneenschakeling van zijn eigen geestigheden die hij zich kon herinneren, maar het sloeg onmiddellijk in en werd een blijvend succes. Wilde had eindelijk zijn bestemming gevonden, en in 1894, toen hij zijn meesterstuk The Importance of being Earnest (De Ernst van Ernst) schreef, was hij de populairste toneelschrijver van Londen en een van de beroemdste auteurs ter wereld.

Hij liep toen tegen de veertig, en was volgens zijn vrienden nooit één dag ongelukkig geweest. Toen gebeurde er iets nood­lottigs — niemand weet precies wat. Misschien was het zijn succes. Zelf had hij gezegd: “Er zijn op deze wereld maar twee tragische dingen. Het ene is: niet te krijgen wat je hebben wilt; het andere is dat wél te krijgen. Dat laatste is veel erger, dat laatste is een echte tragedie.” Of misschien was het een hormonale stoornis. Hij begon er grof en pafferig uit te zien, en gaf toe aan homo­seksuele neigingen die hem, behalve de laatste jaren, nooit hadden belet een normaal, gezond leven te leiden.

Zijn laatste vier levensjaren behoren tot de meest tragische en beklagenswaardige in de Engelse literatuurgeschiedenis. Het waren jaren van schande, gevangenisstraf, ballingschap, armoede, en wat het ergste van alles was — zwijgen! En daarna, als enig toevluchtsoord voor zijn gebroken geest, de dood. Dat verhaal is al dikwijls verteld — en ook verkeerd verteld. De waarheid daarover zou iedereen, die belang stelt in karakter en lot van de mens, moeten lezen. Maar dat aspect moet niet te veel nadruk krijgen. Wij moeten niet langer gedogen dat die episode ook over de voorafgaande veertig jaren van vreugde, vriendelijkheid en edelmoedigheid en van onnavolgbare geestigheid een ongezond, naargeestig licht werpt.
.

alle biografieën

Vertelstof: Alle artikelen

.

648-595

 

 

 

VRIJESCHOOL – Spel (2-7)

.
Margreet van Waning, Jonas 11-01-1974
.

HET SPEL

We speelden. Het begon zomaar op een goede dag. Als een bron welde het op uit Maarten, als het ontluiken van bomen in het voorjaar.

Hij kwam de keuken binnen met twee grote blokken. ‘Hier is een fles melk en een pond kaas.’
Zijn stem klonk anders. ‘Dank u wel; zet u het maar in de ijs­kast.
Hij doet de deur open, wordt even af­geleid door het knopje waarmee het licht in de kast aangaat maar is met­een weer terug in zijn spel. Zacht in zichzelf pratend gaat hij naar de ka­mer. Ik hoor hem even bezig en dan komt hij weer terug met wat kleiner spul. ‘Dit is boter en dit zijn koekjes.’ De boter verdwijnt in de ijskast, de koekjes mogen op tafel.
Hij gaat weer weg. Hij roept uit de kamer: ‘Mamma, de keukendeur moet dicht!
Ik doe hem dicht, benieuwd naar de dingen die komen gaan. Na een tijdje hoorde ik een zacht ritselend geluid. Door de kier van de deur kwamen een paar papiertjes gedwarreld.
Er klinkt een zware stem: ‘De post.’ ‘Dank u wel postbode.’
Ik raap de brieven op. Zou de post­bode nog een keer langskomen? Ja, daar komt hij alweer aan. Er komt nog een tweede bestelling en dan zwaait de deur open.
‘Ik was de post, mam!’
Hij straalt van plezier. ‘Weet je wat, mamma, zullen we konijntje zijn en dan verstoppen als de jager komt?’
Ik aarzelde even, er was veel te doen in huis, maar aan de andere kant was dit wel een bijzondere dag.
De eerste dag dat Maarten kan spelen dat hij iemand anders is. We gaan naar bin­nen en huppelen als konijntjes, we trekken onze neusjes op, eten gras en drinken water uit de beek. We spitsen onze oren of we de hond ho­ren blaffen en de stappen van de ja­ger die langzaam naderbij komen. Dan vluchten we ons holletje in.
Even Later is hij de hond en ik de ja­ger. Wij zoeken en zoeken maar de konijnen zijn nergens meer te vinden.

Dit speelden we een keer of vier, toen kreeg ik er genoeg van. Hij niet; maar hij ging tevreden alleen door. Brokstukken van verhalen en beleve­nissen kwamen boven. Liedjes wer­den halverwege aan andere liedjes ge­plakt en alles werd tot een geheel omgesmolten. Zonder dat hij het zelf merkte ging hij van de dialoog en de directe rede in het verhalende over:

‘De leeuw kwam in de tuin van me­neer Verhoef. Hij at de worteltjes op en de radijs en de kool. Toen had hij nog honger. Hij at meneer Ver­hoef op.’

Dan is hij zelf even leeuw, ik hoor het aan het woeste gebrul. Zijn ver­haal gaat weer verder: ‘Er was nog een leeuw, die was héél arm, hij had niets ontbeten, alleen maar één mens. ‘
Het verhaal verspringt van roeiboten en raceboten op de Amstel, naar bijen en vliegen in de tuin; de bijen vallen de mensen in de roeiboten lastig en dan is hij weer terug bij de leeuw.
Opeens was het genoeg. Hij dook op uit zijn spel, kwam naar me toe en legde zijn handje op m’n knie.
Hij keek zeer nadenkend. ‘Wat is er, manneke?’
‘Eigenlijk ben ik helemaal Maarten, hè?’

Hij zegt het vragend. Is hij er nog niet helemaal zeker van? — Ja, jij bent helemaal Maarten. Ik kan het bevestigen. Hoe ver weg hij ook gaat in zijn fantasie, hoe­veel mensen en dieren hij kan worden in zijn spel, hij kan altijd terugkeren en tot rust komen bij mij en bij zichzelf. Wij tweeën weten het, dat hij Maarten is.

Spel: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

647-594

.

.

.

.