Tagarchief: 4e-klasser

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof Germaanse mythologie

 

germaanse mythologie in de 4e klas

In de vierde klas worden de verhalen verteld van de Germaanse mythologie. In die verhalen vindt men ontzaglijk veel Goden en helden, die een ontwikkelingsweg gaan die vol van dramatiek is.
Ook in andere mythologieën kent men die verschijnselen.
In de Germaanse verhaalstof vindt men echter ook nog een ander aspect en dat maakt deze verhalen juist zo geschikt voor de vierde klas.

De Germaanse Goden strijden tegen de verkilling en verharding brengende reuzen. Zij doen dat aanvankelijk met veel succes, doch dat blijft niet zo.
Zo langzamerhand moeten de Goden steeds meer prijs geven van hun onbezorgdheid, hun optimisme, hun jeugd, hun alom aanwezige gunstige invloeden. De Goden beseffen dat de confrontatie met het “boze” zal gaan komen. Zij begrijpen ook dat de strijd niet zonder kleerscheuren voor het “goede” zal verlopen. Alle Goden weten dat er een zg. “Godenschemering” komt. Alle Goden bereiden zich op die strijd op eigen wijze voor.
De alvader Odin doet dat heel anders dan de felle strijder Tyr en die weer anders dan de krachtige dondergod Thor. De strijd tegen de koude ijsreuzen, die met hun verkillende invloeden de lente in het rijk der mensen onmogelijk trachten te maken, zal de ondergang van de Goden betekenen.

Ondanks het feit dat de Goden dit weten, is hun inzet in de strijd tegen de reuzen er niet minder om.

In de kinderontwikkeling vindt men in de vierde klas een dergelijke dramatiek terug. Definitief wordt de gouden kindertijd vaarwel gezegd, ieder kind moet de confrontatie met de aardewereld nu gaan geloven. Het besef van iets te kunnen of juist niet te kunnen grijpt in de psyche van een kind veel dieper in dan ooit daarvoor. In de leerstof van de vierde klas vindt men twee heel duidelijke voorbeelden van die confrontatie met de wereld en daarmee gepaard gaand het teruggeworpen worden op zich zelf nl:

Bij het rekenen zijn daar de breuken die het tot dan toe, in zich volkomen harmonische probleemloze hele getal, plotseling door elkaar beginnen te rammelen en te breken in talloze moeilijk uitspreekbare onhanteerbare kleine deeltjes die bewerkt kunnen worden volgens wetmatigheden waarvan het kind al snel inziet dat er de eerstkomende jaren rekenkundig nog wel wat te verhapstukken valt.

Bij de Nederlandse taal worden de tijden van het werkwoord behandeld. Plotseling kan bij het kind het besef ontstaan zelf als persoon in de tijdstroom te staan. Dit zijn voor het kind momenten van grote dramatiek, want het betekent dat het kind beseft dat het alleen is. Ook het gevoel van vrijheid groeit gelijk met het gevoel van eenzaamheid.
Als leraar sta je toch steeds weer verrast wanneer je het ene kind na het andere die stap ziet maken. Het ene kind doet het rustig en aandachtig, het andere vol angsten en onzekerheden. Kinderen kunnen zichzelf als het ware gaan verbergen in een quasi kleinkindergedrag anderen doen reuze flink en -:a’ en extra veel kabaal.

Ook zijn er die met grote religieuze vragen op je afkomen, anderen zijn er die aan de lopende band leugentjes en uitvluchten verzinnen. Aangezien je al deze verschijnselen in de derde klas nog niet opmerkte, althans ze drongen zich niet aan je op, val je als leraar in de vierde klas vaak van de ene verbazing in de andere en al te vaak moet je stevig de zaak in de hand houden willen er geen grote emoties van hevige sympathieën en antipathieën in de klas ontstaan.
Ook ouders laten zich vaak door de vierdeklassers verrassen en menige ouder moet oppassen niet door de onstuimige heertjes en dametjes onder de voet gelopen te worden. Voor de leraar is het van belang te wachten met de “psychische” leerstof totdat hij vindt dat de klas eraan. toe is.

De Germaanse God Thor heeft eens een tocht gemaakt naar het rijk van. de ijsreus “Utgard Loki”. Hij ging daarheen om de reuzen te waarschuwen het voortdurend zenden van k0ude winden naar het mensenrijk te staken.

Utgard wil dan met Thor en zijn metgezellen een wedstrijd aangaan.

In deze wedstrijd presteert Thor vrijwel het onmogelijke. Hij verlost bijna al de mensen van hun egoïsme, hij overwint bijna de ouderdom enz. Dit prachtige, spannende, maar diep religieuze verhaal wordt door de kinderen ademloos aangehoord.

Hieronder volgt een korte weergave van het verhaal:

Thor nu wilde zijn kracht tonen door gewichten op te tillen. Utgard Loki daagde Thor toen uit het poesje van de reus op te tillen. Thor nam deze kans te baat trok zijn gordel vast aan en deed zijn best. Helaas! Slechts een pootje tilde hij even van de grond.
Utgard Loki glimlachte verachtelijk en zei, dat Thor misschien wel dorst had. Thor bevestigde dat en hij kreeg een beker van de reus met de opdracht die in drie teugen te ledigen.Thor zette nu zijn lippen aan de rand, maar ofschoon hij zo’n diepe teug nam, dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog bijna aan de rand toen hij het hoofd ophief. Een tweede en derde poging om de beker te ledigen, bleek al even weinig succes te hebben.

Een laatste poging deed Thor om de reuzen te verslaan door te gaan worstelen met de oude voedster van Utgard Loki, de enige partij die de reus de nietige God Thor waardig keurde. Het eindigde al even ongelukkig en toen de Goden erkenden, de strijd verloren te hebben werden, ze door de reuzen onthaald.
Thor en zijn metgezellen begrepen niet waar zij deze egards aan te danken hadden en besloten op alles voorbereid te zijn en te blijven.

De volgende morgen werden zij begeleid tot de grenzen van het reuzenrijk, waar de reus hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij hem nooit meer zouden uitdagen daar hij genoodzaakt was geweest tovermacht tegen hen te gebruiken.
Hij vertelde dat hun krachten zelfs met de tovermachten nauwelijks te beteugelen waren geweest. Thor had nl. niet een beker leeg gedronken, maar bijna de hele oceaan, waarmee de beker verbonden was.
Voortaan zou de eb telkens weer aan dat feit herinneren.
Thor had niet de kat van Utgard Loki opgetild, maar de Midgardslang, een slangachtig wezen, gekronkeld om de aarde en gevoed door het egoïsme van de mensen. Bijna was het Thor gelukt deze slang van het mensenrijk weg te trekken, doch met magische spreuken wist de reus het te voorkomen.
De oude voedster waar Thor tegen worstelde was de ouderdom zelf en bijna was het Thor gelukt deze te verslaan. Daarmee zouden de jeugdkrachten voortdurend kunnen blijven toestromen naar het rijk der mensen.
Ook Thors metgezellen kregen dergelijke verhalen te horen. En Thor draaide zich vertoornd om om de reus en zijn kasteel te vernietigen met zijn hamer, doch het kasteel werd in nevelen gehuld en Thor was genoodzaakt terug te keren naar Asgard, het Godenrijk, zonder zijn heilzame les aan de reuzen gegeven te hebben.

(G.Reyngoud, nadere gegevens onbekend)

toneel
Thrymslied: Hoe Thor zijn hamer terughaalde –

Vertelstof:
de Edda – achtergronden; verklarende namen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

 

952

 

VRIJESCHOOL – Rekenen – 4e klas (5)

.

(F.H. van den Hoek, nadere gegevens ontbreken)
.

BREUKEN IN DE 4E KLAS

Wie kent ze niet, die rode “koppies” boven dat schrift met al die moeilijke breuksommen. De wanhopige blik van ‘wat betekenen die getalletjes nou eigenlijk? Ik begrijp er NIETS meer van’. Het is natuurlijk een illusie te denken dat dit bekende tafereel op de vrijeschool niet plaats kan vinden, te meer daar ‘de breuk’ tot het moeilijkste rekenonderdeel van de lagere school gerekend kan worden.

Van vroeger herinneren we ons nog vaak genoeg, dat we iets pas veel later “door kregen”, nadat we al heel lang het “trucje” hadden toegepast. Op de
vrijeschool proberen we dan ook dit rekenonderdeel niet alleen op een intellectuele manier te benaderen, maar eveneens te zoeken naar kunstzinnige, sociale en wilsversterkende aspectenImmers, het betreft hier niet slechts lesstof, maar het is tevens ontwikkelingsstof voor het kind in de vierde klas.
De breuken vinden een geheel eigen plaats in het leven van het tienjarig kind. De gouden periode van de 1e  t/m de 3e klas loopt geleidelijk aan ten einde, de – éénheid – van het ouderlijk gezag en dat van zijn opvoeders op school kan zo hier en daar een aardige knauw krijgen.
Een grote steun voor het kind in deze fase is de vertelstof, de Noors-Germaanse mythologie. De onzekerheid van het kind, dat zich veel meer dan voorheen als een “IK” beleeft, wordt in hoge mate gesteund door deze verhalen, die steeds weer over moed gaan. De Noorse held overwint zelden, hij gaat zelfs ten onder, maar zijn moed blijft in prachtige verzen bewaard als lichtend voorbeeld. Na die ondergang ontstaat er toch een nieuwe wereld. Mede gezien in dit licht vormt de “breuk” een typisch heilzaam vierdeklasonderwerp, omdat de tot dusver vertrouwde – éénheid -door’broken’ wordt. Ook daarom zingen we vanaf de vierde klas met vreugde vele canons (“gebroken” liederen), terwijl de kruising van lijnen bij het vormtekenen, het z.gvlechtwerk, heel bewust, beleefd wordt, evenals de kruissteek bij het handwerken.

De eerste breukenperiode in de vierde klas, met name de eerste tijd, staat voornamelijk in het teken van het DOEN. Nadat de leerkracht op de eerste dag onder doodse stilte een appel doormidden sneed, de beide helften aan zijn publiek toonde en ze plechtig benoemde “Dit is een halve appel en dit is een halve appel”, betekende dit het begin van een hele serie handelingen, waarbij behalve hijzelf ook de kinderen heel wat te snijden en te verdelen kregen.

Heel wat opdrachten in de trant van “Hoeveel partjes van een kwart zitten er in die halve appel?”

Aanschouwelijke grapjes: “Als je die appel lekker vindt, wat heb je dan het liefst:  3/4  appel of  3/8  appel?”

Zo werd er in deze eerste periode heel wat getekend, geknipt en geplakt om tot het begrip ‘breuk’ te komen. Via dit werk kwamen we tot de ontdekking dat ‘één hele’, 2/2 ,  3/3,   4/4  maar ook 20/20 kan zijn en een oneindig aantal voorbeelden meer.

Naast dit begrijpen komt ook het kunstzinnig element ter sprake.”Hoe kunnen we dit mooi opschrijven?”
In kleur en netjes naast elkaar ontstaat een prachtige rij:

breuken 1

Geleidelijk aan komen we meer tot de abstractie. Toch blijft het visuele, het speelse de kinderen steeds weer boeien, vooral als iets na een tijdje weer dreigt weg te zakken.
Tijdens de laatste breukenperiode, toen we al heel wat sommetjes hadden opgeschreven en gemaakt, was het toch weer heerlijk om “tekensommetjes” te maken, zoals   2 – 3/4= ?

Wij tekenden heel kleurig:

breuken 2

Het antwoord werd duidelijk zichtbaar: 1 1/4      

In een korte samenvatting als deze is het natuurlijk ondoenlijk om heel uitgebreid op alles in te gaan. Het blijft “aanstippen” van enkele hoogtepunten. Een van die hoogtepunten is het slim verwerken van de tafels van vermenigvuldiging. Het wordt in de vierde klas allengs duidelijker, dat je niets met breuken begint zonder een goede kennis van de tafels.
Om nu niet niet steeds weer op dezelfde wijze de tafels te herhalen, is er in de breukenperiode een fijne manier om zowel de “snelle” als “langzame” kinderen te activeren, natuurlijk ieder op hun eigen niveau:

bijv. een half is  ………..2/4       
een half is  ……….. 3/
een half is  ………..4/8  enz., maar ook dit kan natuurlijk:

5/8   =……….10/16
5/8   =……….15/24
5/8   =……….20/32 enz. 

waarbij we zelfs twee tafels combineren, een uitermate sterke wilsoefening.

Naarmate de tijd verstrijkt, zal de wonderwereld van de breuken zijn glans van het nieuwe, de nieuw te ontdekken wereld, onherroepelijk gaan verliezen. Dan zal het een verworven iets, een kunnen moeten zijn, waarbij echter de herinnering aan een fijne periode hen verder helpt om nieuwe gebieden in het rekenen te ontdekken. Dan is de tijd echt afgesloten, dat er drie kinderen in een kringetje staan, elkaars hand vasthouden en uitroepen: “Wij zijn één hele!”, gevolgd door de komst van de “breukenmaker”, mét het grote zwaard, die de handen (voorzichtig) vaneen doet gaan, waarna het drietal in koor laat horen: “Wij zijn drie derden”, gevolgd door drie soli van “Ik ben één derde.”

Ja, wat kan een breukenperiode ook leuk zijn!
.

Rekenen 4e klas: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas

.

547-501

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – 4e klas (2)

.

J. Kraamwinkel, vrijeschool Haarlem, datum onbekend)
.

OVER DE EERSTE AARDRIJKSKUNDE

Aardrijkskunde, een heerlijk vak; Nee, geen vak, een hele wereld! Waarmee te be­ginnen? Waar gaat het om?

Een nogal verwarde blik naar binnen levert een stroom herinneringsbeelden: het drassige slootje vol waterplanten en kribbeIkrabbelbeestjes; de oude smederij met z’n merkwaardig-doordringende geur van verschroeide hoeven; de glinsterende kiezelsteentjes in de eerste tuin; het eenzaam tegen de storm optornen tussen de overstroomde weilanden van de Beemster; de smetteloze, strak gelijnde schoonheid van het hooggebergte; de nabije sterrenhemel boven het woestijnzand. Veel buitenwereld is binnenwereld geworden, bewust of onbewust opgenomen, meer nog dromend “ingeademd”.

Ja, een grote sympathie voor deze aarde – die ons draagt en voedt, die ons met anderen samen doet zijn, die ons door zijn oneindige veelzijdigheid en
schoon­heid wekt en verrijkt – daar gaat het om! Nu meer dan ooit!

Een goede collega, die aan een slumschool in Los Angeles werkte, nam eens een stel leerlingen mee naar de Grand Canyon, een van Amerika’s mooiste natuurge­bieden. Toen zij daar waren aangekomen durfden de kinderen de auto niet te ver­laten. Ze waren doodsbenauwd! Doodsbang voor die geheimzinnige natuur, voor even­tuele Dracula’s en de rest. De natuurlijke sympathie, die kinderen voor de wereld om zich heen kunnen hebben, was tot antipathie geworden, tot dwangvoorstelling. Dit is uiteraard een extreem voorbeeld van wereldvervreemding door “cultuur”. Maar werden onze bijenkorven ook niet in brand gestoken en in het water gegooid?

Hoe ontwikkel je sympathie, liefde voor de dingen, hoe gevoel voor werkelijkheid?
Door deze kwaliteiten als zodanig bij de kinderen te herkennen! Een klein kind heeft een natuurlijke sympathie voor mensen en dingen, voor planten en dieren. Laat dan ook die wereld echt zijn. Een kleuter wil echte eendjes voeren, geen Donald Ducks.

Bij het schoolkind bloeit uit die sympathie voor de wereld een eigen
gevoels­leven op, een eigen binnenwereld.

Omstreeks het tiende jaar wordt deze eigen belevingswereld zo krachtig, dat het kind zich nu veel bewuster in zijn omgeving plaatst.

Elke onderwijzer van een vierde klas kan daar van meepraten!

De kinderen willen hun kracht beproeven, ook ten opzichte van elkaar. Zon vierde klas kan vaak deinen van gebabbel, kibbelpartijtjes en kinderlijke dikdoenerij. Maar ook van belangstelling, van interesse in alles: de visjes, de foto‘s, de postzegels en sigarenbandjes.

Je plaats in de wereld; je plaats ten opzichte van anderen, daar gaat het om!

We beginnen met een wandeling langs het Spaarne, niet zo maar, nee in de aardrijkskundeperiode. Dat wandelt heel anders! Een verkenningstocht door de binnen­stad, langs het stadhuis, de Grote Kerk, de hofjes. Daarbij valt heel wat te ver­tellen over Haarlems historie. Langzaam aan wordt het beeld van de oude
binnen­stad duidelijk. Dat kunnen we tekenen% heel eenvoudig met huizen, grachten, boten en mensen.

Een wandeling naar Brouwers Kolkje, de Blinkert, het Visserspad af naar Zand­voort, een tochtje naar Spaarndam en de Cruquius verduidelijken nog meer: de uitermate goede ligging van Haarlem. Helder water voor brouwers en wevers, een goede landweg naar noord en zuid (de oude Romeinse heirweg oftewel de Herenweg) en via het Spaarne verbinding met Zuiderzee en Haarlemmermeer.

Het resultaat van al deze tochten of denkbeeldige tochten brengen we allemaal op beeldende wijze in kaart, compleet met weilanden, koeien, bossen langs de duinrand en een Zandvoorter bom, in volle zee.

De kaarten worden nog steeds van onze standplaats uit getekend. Dus bij een situatietekening van Haarlem en omgeving richting Zandvoort ligt het westen boven, van Haarlem naar Brederode het noorden enz. Over de afspraak: het noor­den ligt op de kaarten altijd boven zullen we het later nog hebben. Dat afspraak­je is overigens van vrij late datum en op vele oude kaarten nog niet van toepas­sing,

We gaan natuurlijk ook naar buiten om de windstreken te leren, aan de hand van de zonnestand. Op de speelplaats pijlen we het huis van Kees in Zwanenburg, van Mathijs in Zandvoort, van Martijn in Hillegom en van Natascha in IJmuiden. Terloops informeren we nog even hoe lang ze er over fietsen of lopen, want afstanden ervaar je eigenlijk alleen met je ledematen; je moet ze doen.

Als je om je heen kijkt, merk je hoe onze school merkwaardig is gelegen; op aan­gebracht duinzand en naast modderige weilandjes. En graaf je nog dieper, de hele veenlaag weg, zoals in sommige bouwputten, dan komt de oude blauwe zeeklei te voorschijn. Daarmee hebben we kennis gemaakt met de drie voornaamste grondsoorten van ons land: zand, veen en klei.

Nu kunnen we ook Nederland als deltagebied bekijken. We laten zijn vorm ontstaan uit de zee en de loop der rivieren. Een verrassende aangifte van Rudolf Steiner, die later ook voor het bergland z’n vruchten afwerpt: door het in kaart brengen van beken, rivieren en meren ontstaat een duidelijk beeld van het gebergte, met waterscheidingen en toppen! We zien hoe de verschillende grondsoorten over ons land zijn verdeeld en wat voor gebruik ervan wordt gemaakt. Met ware geestdrift worden stolp- en kop-hals-rompboerderijen getekend, van binnen en van buiten! Het liefst zouden we nu aan het hooien, maaien en melken slaan. De verhalen van de enkele gelukkigen, die hun vakantie op een echte boerderij hebben doorgebracht  worden met grote aandacht opgenomen. Drenthe en Spanje zijn even interessant!

Ten slotte komt aan de periode een eind; voor een tijdje nemen we afscheid van de grote verscheidenheid, die deze eerste aardrijkskunde ons bracht. Met een tikkel­tje weemoed, maar ook met het tevreden gevoel al iets meer aardeburger geworden te zijn.
.

4e klas aardrijkskunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

546-500

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.