Categorie archief: vrijeschool didactiek

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – klas 9

.

taal klas 9

Bijna ongemerkt is de prepuberteit in de puberteit overgegaan.

In de verschijning van de vijftienjarige lijkt het evenwicht zich te herstellen, langzaamaan krijgen de ledematen hun harmonische proporties terug. Het gezicht begint nu volwassen trekken te vertonen en ook dit gaat niet onopvallend aan de puber voorbij: met verontwaardiging worden pukkels, beginnende baardgroei, te grote neuzen in ogenschouw genomen, gevolgd door diep sombere, overpeinzingen. De psychische problemen drukken met volle kracht op de ontredderde geest, de kloof met de volwassenenwereld lijkt onoverbrugbaar:

Werkelijk niemand begrijpt wat ik voel!

klaagzangt de jeugdige. Zelf begrijpt hij zijn gevoelens meestal evenmin, maar dat maakt voor hem de ernst van de zaak niet geringer. Toch is hij die zich kan uiten nog gelukkig vergeleken met degene die stilletjes zijn verdriet verbijt.

De clubjesgeest en de bijbehorende groepscodes die in de achtste klas de nodige vastigheid moesten bieden hebben hun bloeitijd nog niet gehad; steeds meer valt de klas in vaste groepen uit elkaar. De houding naar de buitenwereld is meedogenloos: je hoort er wél, of je hoort er helemaal niet bij. De verschillende groepjes onderscheiden zich veelal door een zorgvuldig opgebouwde groepsverschijning, waardoor meteen zichtbaar wordt tot wie de afzonderlijke leerlingen zich het meest aangetrokken voelen.

De enkele in zichzelf gekeerde eenling die nergens bij wil, kan of mag horen, wordt door de rest van de klas tot zonderling bestempeld en genegeerd. Eenzaamheid is vaak zijn deel!

Om het uiterlijk bepalend voor de groep kracht bij te zetten, is niets te dol: waar sommigen uitgedost als Indianen op oorlogspad de school betreden, lijken anderen weggestapt uit een modetijdschrift, of permanent op weg naar een sportvereniging. Het uiterlijk is op deze leeftijd zo bepalend geworden dat iemand aan een foute bril of dom kapsel voorgoed ten onder kan gaan. Acceptatie en tolerantie beleven hun dieptepunt, alles is stom of gek. Het ontwakend oordeelsvermogen hakt er vrolijk op los, niets en niemand ontziend.

Met de negende klas begint de vrijeschool de bovenbouw. De leerlingen richten hun aandacht hoofdzakelijk op de volwassenenwereld; daar zoeken ze naar mensen die bewonderd kunnen worden: een leerkracht of een ander ouder iemand, maar ook het popidool en de filmster.

Nu verschijnt dan ook een nieuwe klassenleraar voor de klas: een vakdocent van de bovenbouw. Alle vaklessen en periodes worden door vakdocenten gegeven, het onderwijs wordt specialistischer en heeft een volwassener aanpak.

Over het Nederlands in de negende klas
Het beeld dat de negendeklasser oproept is als van een personage dat net iets te zwaar is aangezet, in uiterlijk en uitingen net te opvallend om geloofwaardig te zijn. Groots en meeslepend wil hij leven, hij is dan ook niet van dramatiek ontbloot.

Zoals eerst de ledematen te plotseling waren uitgegroeid om nog een harmonisch geheel te vormen, zo zijn nu de gevoelens te overweldigend en heftig om van een evenwichtige persoonlijkheid te spreken. De vijftienjarige leeft in uitersten en gevoel voor overdrijving is hem zeker niet vreemd.

Voor het eerst worden twee afzonderlijke literatuurstromingen behandeld, het rationalisme (18e eeuw) en de romantiek (19e eeuw), beide aanhakend bij de problematiek van de vijftienjarige.

Voor de negendeklasser lijkt het koele verstand het hoogst denkbare goed:

o, hij zou zo graag verstandig wezen, maar te gevoelig is zijn hart…

Het is goed om juist nu in de gedachtewereld van de 18e-eeuwers mee te gaan, die verstand en nut zo hoog in het vaandel schreven. Naar die wereld, waar het denken en de gevoelens zoveel mogelijk gescheiden blijven, verlangt de vijftienjarige. Hoe moeilijk blijkt het, ook voor de 18e-eeuwer, de gevoelens te veronachtzamen en het verstand te laten prevaleren.

Lijnrecht tegenover dit verstandelijke denken, staat de wereld van het romantisch verlangen. In deze wereld van onuitsprekelijke en onpeilbare diepe gevoelens, van het grote verlangen en het onbegrepen en eenzaam zijn in de omgeving, verkeert de vijftienjarige. Een van de doelen van het literatuuronderwijs op de vrijeschool is de leerlingen hun eigen binnenwereld te laten herkennen, zonder uitdrukkelijk en klassikaal de problemen door te ploegen. Bij de romantici van de 19e eeuw kunnen ze stiekem zitten zwijmelen en ervaren dat hun gevoelens en problemen helemaal zo gek niet zijn.

Het is belangrijk om in deze klas de lichte toon te vinden: het leven is al zo zwaar, vinden ze. Het onderwijs staat daarom in het teken van de humor. De humor is het middel om de werkelijkheid te verbloemen, te verkleuren en te relativeren. De achtste klas was nog te jong om schijn van werkelijkheid te onderscheiden, de negende geniet ervan: spot, zelfspot, ironie, sarcasme, galgenhumor kunnen nu op hun waarde geschat worden. Er kan gelachen, gehuild en gegriezeld worden, er kan becommentarieerd, bekritiseerd en geparodieerd worden. Verstand en gevoel, ernst en spot wisselen elkaar af in een bonte verzameling van teksten.

Schrijvers als Van Effen, Rhijnvis Feith, Multatuli, Hildebrand, Van Alphen, Piet Paaltjens spreken alles aan wat aan gevoelsleven, maatschappelijk engagement en humor aanwezig is bij de leerlingen. De leerkracht stelt de behandelde stof niet ter discussie, dat zou tot niets leiden in de negende klas. Feiten zijn concreet en absoluut, dat geeft houvast.

Ook tot het literatuuronderwijs behoort de boekbespreking, vaak in de vorm van een spreekbeurt. Voorlopig is het voornaamste doel van pedagogische aard. De leerlingen leren kritisch naar elkaar luisteren en ze leren, door de leraar begeleid, gericht commentaar te leveren: wat was goed en waarom, wat was minder goed en waarom en welke dingen zou hij/zij kunnen verbeteren? Uit zo’n nabespreking ontstaat dan een soort klassengesprek, waardoor een aantal vaardigheden ontwikkeld worden: zorgvuldig luisteren en precies formuleren, begrip voor andermans standpunt, het volharden in eigen standpunt, tolerantie voor andersdenkenden. Het leren van deze vaardigheden is voor de snel geëmotioneerde negendeklasser en voor hun leerkracht een weg van vallen en opstaan, toch moet er dapper doorgezet worden. Het is wel van belang dat het gaat over concrete en feitelijke zaken die ergens bij aansluiten, niet een discussie omwille van de discussie. De bespreking van een boek, een krantenartikel, elkaars verhalen of geschreven verwerking van de lesstof, lenen zich hier uitstekend voor.

De grammatica is in hoofdzaak in de vorige klassen behandeld en neemt dan ook in de negende een ondergeschikte plaats in. Er wordt nu meer aandacht gegeven aan het doorgronden van de structuur van lange zinnen en moeilijke teksten en aan het ontdekken van verbanden in teksten. Het is vaak de wens van de leerlingen de elementaire grammatica te herhalen. Zo ontdekken ze dat ze lang niet alles vergeten zijn en dat ze kunnen vertrouwen op opgedane leerervaringen.

In de achtste klas is de waarneming van de leerlingen geschoold. Nu kan daarop aangesloten worden door het imiteren van geschriften van anderen. Er is nu afstand tussen de leerling en het te imiteren object. Het imiteren is daarom zo belangrijk omdat ze leren zich op verschillende wijzen uit te drukken en meevoelen hoe het is om je zo uit te drukken.

Speciale aandacht moet besteed worden aan de spelling, aan het handschrift en aan de verzorging van het periodeschrift, want de negendeklasser is vaak slordig. Veel van deze praktische verworvenheden zijn op deze leeftijd weggezakt, of men is niet in staat ze te gebruiken. Zowel bij het schriftelijk als het mondeling taalgebruik moet je steeds weer op alle slakken zout leggen. Ook al maakt het de indruk dat je aanwijzingen langs de leerlingen heen vliegen:

Laat die man maar kletsen

een jaar later als deze periode van onevenwichtigheid grotendeels achter de rug is, blijkt dat ze er toch een hoop van hebben opgepikt.

Bij alles wat we de negendeklasser willen leren, proberen we in het oog te houden dat het feitelijke stof is, die met veel humor en plezier gepresenteerd wordt.

Maandagmorgen — een lesbeschrijving van een literatuurperiode
Vandaag,  begint de leraar,  gaan we eerst een paar dingen die vorige week behandeld zijn, op een rijtje zetten. We hebben kort twee literatuurperiodes bekeken, welke waren dat? Het rationalisme van de 18e eeuw en de romantiek van de 19e eeuw, antwoordt een meisje. Waarin verschilde de romantiek van het rationalisme? Van alle kanten komen flarden van antwoorden: lossere kleding; de tuinen werden minder symmetrisch; men ging romans schrijven; het rationalisme gaf alleen plaats aan het verstand, de romantiek aan het gevoel.

De leraar zal de romantiek nog wat uitgebreider behandelen:

Wat ik herhaal moeten jullie maar overslaan, verder heeft iedereen die zijn uitwerking niet of onvolledig heeft, nu de kans hem aan te vullen: De mislukte Franse revolutie heeft een rigoureuze ommezwaai naar de romantiek tot gevolg. De idealen zijn vernietigd, het verstand en de wetenschap waar men al zijn vertrouwen in had gesteld, hebben niet getriomfeerd. De tijden die volgen zijn somber. De mensen vallen terug, slapen in of worden pessimistisch. Ze wroeten in hun gevoel, wentelen zich in sentiment en vragen zich af waarom de wereld toch zo slecht is. Sommigen ontvluchten hun bestaan, anderen leggen tuinen aan met donkere bosschages en grote vijvers, waar het heerlijk eenzaam toeven is. De schilderkunst, in de 18e eeuw zo licht en kleurig, vertoont nu donkere en stemmige taferelen: veel winderige heuvels, met dorre bomen en dreigende luchten erboven. In de literatuur wordt gepeinsd en geweend over verloren geliefdes en de ondergang der wereld. Goethe beschrijft de zelfmoord in „Die Leiden des jungen Werthers”, wat een hoos van zelfmoorden tot gevolg heeft. In Nederland is de romantiek niet zo spontaan en invloedrijk geweest als in Engeland en Duitsland, de Nederlanders werden over het geheel alleen een tikkeltje duffer.

Eén van de weinige voortbrengselen van het romantisch pessimisme hier te lande staat op het bord:

Niets is zo koud als deze wereld
Een vriendschap zonder warmte
Een liefde zonder ideaal,
Een poëzie zonder stoutmoedigheid
Vaderlandsliefde zonder offers,
Godsdienst zonder enthousiasme.

(De Clerq, 1817)

Voor de negendeklasser die zich vaak net zo in de kou voelt staan, is zo’n gedicht enkel lafenis. Opgelucht stelt een leerling vast dat dit soort gevoelens dus heel gewoon waren. Hoe uitzichtslozer de situatie geschetst wordt, hoe meer hij erin opgaat. Het gedicht wordt in het schrift geschreven en dat wat de leraar verteld heeft moet voor morgen uitgewerkt worden.

Een heel ander onderwerp wordt nu aan de orde gesteld: de spraakklanken. Eerder werden de t en de d besproken, nu komen de v en de w aan de beurt. Om het verschil tussen de twee klanken goed te voelen, wordt een kinderversje met veel w’s gereciteerd:

Wie, wat, waar
Witje watje ben je daar
Wil je weten wie ik ben
Wil je weten wie ik ben

Afwisselend hard en zacht; ook worden de w’s door v’s vervangen. Dan komt de opdracht:

Schrijven jullie eens heel nauwkeurig op hoe je die twee klanken maakt. Waarin zit het verschil?

De leraar loopt rond en verleent hier en daar de nodige steun. Na een minuut of tien lezen een paar leerlingen hun beschrijving voor. Althans, daar doen ze een poging toe. Ze zijn er niet echt uit gekomen, durven nauwelijks voor te lezen wat ze hebben opgeschreven en vallen zichzelf steeds in de rede met:

O ja, dit klopt even niet of: Hier wist ik het niet goed meer.

Eén meisje heeft helemaal niets opgeschreven en mag het op haar eentje op de gang proberen; we zien haar voorlopig niet terug.

Met stug doorvragen en doordenken komt de klas toch tot de belangrijkste kenmerken. De leraar destilleert hieruit een beschrijving, die hij dicteert:

De w maken we door de lippen iets te spannen en de boventanden de binnenzijde van de onderlip licht te laten raken. De lippen zijn iets getuit en de tong ligt onderin de mond. De uitgeademde lucht laat de stembanden trillen. Vervolgens komt de lucht door de plotselinge ontstane opening tussen tanden en lippen vrij. De w is een stemhebbende klank. We noemen deze klank een ‘ploffer’ en hij behoort tot de lipklanken. De v is een glijder en het verschil met de w is dat de boventanden bovenop de onderlip staan zolang je de klank maakt.

Het is voor de negende klas geen sinecure heel nauwkeurig te voelen en beschrijven, maar wel een uitstekende oefening.

Voor vandaag was het huiswerk een verhaal bij een foto te schrijven. Dat wordt als laatste in deze les besproken. Twee meisjes achter in de klas zitten aandachtig hun nagels te lakken.

Dames, zouden jullie die frutselarijen willen opruimen. Het is pech dat jullie vanmorgen geen tijd hadden, maar niet nu hier, of gaan jullie je anders buiten op de gang versieren!

Giechelend worden de spulletjes opgeruimd en de opdrachten te voorschijn gehaald. De meest verrassende verhalen worden even later voorgelezen:

De ochtendschemer begon al een beetje op te komen, toen ik ‘m zag. Een hele bink was ie en hij wilde wat van me. Natuurlijk voelde ik me wel gevlijd, maar er zijn zoveel binken die wat van me willen! Ik krijg nog een kind van ze! Goed, ik keek ‘m dus niet aan en liep gewoon door. Maar hij liet het er niet bij zitten en begon prachtig voor me te krijsen. Ik had nog nooit zo mooi horen krijsen, dus ik bleef stilstaan om te luisteren. Hij greep zijn kans en sprong op me af. Nou, toen hebben we wat gevochten! Ik heb ‘m een paar flinke krassen op z’n kop gegeven. Toen de baas wakker was ben ik meteen naar binnen gegaan om te pitten, want buiten kun je dat niet meer rustig doen en ik word zo moe van al die kerels! Net toen ik lekker sliep, moest die stomme baas zonodig een foto van me maken. Nou vraag ik je!

Op de foto ligt een poes behaaglijk te slapen. Haar eigenaresse heeft zich kennelijk moeiteloos in het poezenbestaan verplaatst. Uit de verhalen wordt zonneklaar waar de interesse van de leerlingen ligt, en dat vaak heel onverwacht!

Ik stond onder mijn ruimteschip. Ik draaide me nog eenmaal om. Voor me zag ik een vredig paars landschap onder een opkomende zon. Ik luisterde naar het gekwetter van de vogels en het ruisen van de watervallen. Het was windstil en het water was spiegelglad. Ik klom omhoog aan boord en sloot de deur. Achter me ebde het geluid weg en alleen het geruis van de watervallen bleef doortuiten in mijn oren, maar ik had dan ook al 24 uur aan één stuk gehoord. Ik liep naar de stuurcabine en nam plaats op mijn stoel. Ik startte eerst de linker- en daarna de rechtermotor. Ik kon me voorstellen hoe de vogels kwetterend weg zouden vliegen. Ik zette alle meters op ‘klaar voor vertrek’. Na drie lirondo’s was het zover en ik duwde op de startknop en de motoren ontstaken zich. Ik kon me het gebulder goed voorstellen, alhoewel ik het nog nooit gehoord had. Al snel kwam ik op hoogte en met een snelheid van 500 cartus per lirondo vloog ik nog eenmaal laag over. De vogels zouden nog maar één keer voor mijn donderende motoren op hoeven te vliegen. Ik gaf nu vol gas, onder me verdween de Paarse Planeet. .

Tegenstellingen belicht — een literatuurperiode
In dit schrift treft u aan een indruk van een periode in onze geschiedenis, die grote verwarring en grote verwachtingen met zich mee bracht. Naar aanleiding van geschriften uit de tijd van kil en koel verstand treft u hier daarop geïnspireerde vertellingen aan. Gelukkig wordt het gevoel van de lezer ook aangesproken door de ontroerende en soms al te gevoelige verhalen uit de romantiek. Zonder humor zou het leven van de romanticus in dit aards tranendal onleefbaar zijn.

Zo luidt de inleiding van het periodeschrift die de leraar de laatste les van de periode dicteert. De eerste les heeft hij enige aanwijzingen voor de indeling van het schrift gegeven:

1.   inleiding op eerste bladzijde
2.   inhoudsopgave op laatste bladzijde
3.   nummer de bladzijden
4.   schrijf de gedichten en belangrijke uitspraken op ongelinieerde bladzijden
5.   geef elk hoofdstuk een titel

De negendeklasser heeft duidelijkheid en overzicht nodig. Als je precies vertelt wat de bedoeling is, volgt hij het met plezier op. Zo kan, ondanks de rommeligheid die de negendeklasser eigen is, toch een redelijk net en overzichtelijk schrift ontstaan.

De eerste les van de periode wordt besteed aan een beschrijving van het rationalisme. Voor de volgende dag werken de leerlingen het vertelde uit, ieder op hun eigen manier:

Als je nu langs de Amstel loopt, zie je dat alle huizen precies symmetrisch zijn. Dat zijn de huizen die in de 18e eeuw zijn gebouwd. Niet alleen de huizen en tuinen waren symmetrisch, maar ook de mode en eigenlijk het hele leven…

Ook de literatuur van die tijd stond in het teken van het rechtlijnige, het verstandelijke denken. Allerlei uitvindingen werden gedaan en beschreven, encyclopedieën uitgegeven, en de opvoeding van het kind en de wereld nam een centrale plaats in.

De klas wordt gevraagd een voorval van die ochtend een keer objectief, verstandelijk, te beschrijven en een keer subjectief, met gevoel:

Objectief.
Nadat klas 9b van de Geert Groote School de mededeling had gekregen, lokaal 28 van het meubilair te ontruimen en dit in lokaal 7 te plaatsen, gingen zij als volgt te werk: zij vormden een slang op de trap waardoor de situatie zich spoedig oploste.

Subjectief
Toen we vanmorgen op school kwamen, moesten we alle tafels en stoelen helemaal van boven naar beneden sjouwen. We gaven door, en ik stond bovenaan en hoefde haast niets te doen. Daarna moesten er andere tafels in ons lokaal. Een beetje onhandig eigenlijk. Toen alles op zijn plaats stond, zocht iedereen zijn plaats op en plofte neer, hè, hè!

Eenzelfde soort onderscheid is in de taal zelf terug te vinden. Om dit duidelijk te maken, moet een van de leerlingen voor de klas gaan staan, met zijn rug naar de klas toe. Iemand spreekt een klinker uit. Aan de stem wordt bijna onmiddellijk herkend wie het is.

Als hetzelfde met medeklinkers wordt geprobeerd, gaat het vrijwel iedere keer mis. De menselijke stem blijkt dus veel makkelijker te herkennen in klinkers dan in medeklinkers. In de klinkers worden gevoelens en stemmingen uitgedrukt.

Dit experiment vormt een onderdeel van de behandeling van de Nederlandse taal, of eigenlijk van het woord. De leraar schrijft Het woord op het bord en vraagt:

Waar bestaat dat eigenlijk uit?

‘Het woord’ bestaat uit:

vorm        = klank + letters        (klank hoor je, letters zie je)
en 
betekenis
Soms gaat in de klank van het woord al een deel van de betekenis schuil, bijv. zoemen, sissen, piepen, dat heet een onomatopee.

Hoe spreek je het woord pad uit? De d blijkt als een t te klinken. Het schrift voor een klank geven we aan met de letter tussen twee streepjes, de d heeft dan twee klanken d en t. Er worden meer voorbeelden gezocht. Uiteindelijk volgt een dictaatje over de spraakklanken ofwel fonemen.

Als iedereen zijn laatste letter heeft geschreven, moet de klas gaan staan en nazeggen: splits pats boem, van hard naar zacht en omgekeerd. Dan heel zachtjes: stilte, steeds luider en dan afnemend, het eindigt in ssst… De leerlingen genieten zichtbaar, vol vuur wordt geschreeuwd, om daarna heel voorzichtig en ingehouden te fluisteren.

Een héél braaf gedicht van Hieronymus van Alphen wordt nu gereciteerd:

Het vrolijk leeren.
Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen,
En waarom zou mij dan het leeren verveelen?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken, ‘
t Is wijsheid, ’t zijn deugden, naar welken ik haak.
                                                                                                         (1779)

De klas moet de tekst proberen heel serieus te nemen, het kost wel wat moeite en gegiechel, maar het lukt. Iemand moet het nu alleen en uit het hoofd doen. Zijn klasgenoten vullen aan en verbeteren. Inderhaast, maar tot groot vermaak van de toehoorders, wordt priktol ineens piktrol.

In aansluiting op het gedicht van Van Alphen, wordt een opvoedkundig verhaal over een ondeugend jongetje gelezen in de klas ; een opdracht zelf zo’n moraliserend verhaal te schrijven thuis gemaakt.

De romantiek
Tegenover het rationalisme staat de romantiek, die de leerlingen duidelijk meer aanspreekt:

In de 18e eeuw was de wetenschap nog steeds het belangrijkste. De mensen deden heel optimistisch over de wereld, hoe groot en mooi hij wel niet kon worden.
Maar het begin 19e eeuw werden ze juist pessimistisch. De revolutie was een ramp geworden, en tot overmaat van ramp kwam Napoleon aan het bewind. De mensen hadden totaal geen hoop meer op de toekomst. In de literatuur wordt op een zeer gevoelige en zwaarmoedige manier geschreven.

Als voorbeeld van zulke gevoelige literatuur wordt Themice van Rhijnvis Feith gelezen. Goed beschouwd is het een draak van een verhaal, maar serieus gebracht komt het tegemoet aan de verlangens en gevoelens waar de negende klas mee te kampen heeft. In tweede instantie kan er dan natuurlijk om gelachen worden, en worden parodieën op wat nu sentimenteel gedoe heet, zeer gewaardeerd. De leraar verduidelijkt het begrip parodie nog even:

Een parodie is een navolging van een kunstwerk, waarin alle kenmerken van het originele kunstwerk voorkomen, maar de stijl wordt overdreven om de lachlust op te wekken.

Op het bord staat een gedicht van Anthony Winkler Prins:

Duizend tallen oceanen
Zijn in ’t eindloos wereldmeer
Van mijn bittre weemoedstranen
Slechts een droppel en niet meer

Honderdduizend exterogen
Doen de zwerver minder smart,
Dan het branden van mijn ogen,
En het smachten van mijn hart.

Tachtig uitgevaste leeuwen
Om het leger der hyeën
Kunnen samen nooit zo schreeuwen
Als ik huil om u alleen.

Samen wordt bekeken wat het precies betekent, en wat de grappen zijn. Waarin zit hem nu de parodie? Om het verschil tussen de verstandsmens en de gevoelsmens nog eens op een grappige manier te accentueren wordt een gedicht van J. van Oosterwijk Bruyn uitgedeeld.

Twee leerlingen moeten de coupletten afwisselend voorlezen:

De gewone mens
en
De gevoelige mens
te Zandvoort

De gewone mens
‘k Wil zondag eens naar Zansvoort gaan;
Want iedereen komt daar;
‘k Heb nooit voorheen die toer gedaan:
De zandweg was te zwaar.
‘k Wil eens gaan kijken naar het strand
En ’t daar gebouwde bad;
‘k Heb toch niets beters aan de hand;
’t Verveelt mij hier in stad.

De gevoelige mens
Heil mij ‘k verlaat de stad, haar zorgen haar bezwaren:
En Zandvoort heilig strand is van mijn tocht het doel. ‘
k Zal ’t Godlijk schouwspel van de onbedwingbare baren.
’t Genot, dat daar mij wacht, steeds mijn ontvlamd gevoel.

Als opdracht moet iedereen alleen of samen een gedicht of verhaal schrijven waarin ook deze twee menselijke tegenpolen voorkomen. Na een kwartiertje al zijn de eersten klaar:

Dolf en Rinus hebben autopech.

Rinus:   De auto is kapot
                Kijk nou naar dat krot

Dolf:     Ach jee mijn hemel wat een zonderlijke pech
               Wat staat deez’auto zielig aan de kant van de weg
                Wat vreselijk toch, dit gedoe
               ’t Is zo moeilijk en ’t maakt mij zo moe

Rinus:   Wat er aan mankeert heb ik al bekeken
Hij heeft enkele kleine gebreken
De V-snaar is gebroken I
k zal een ander moeten kopen.

Dolf:     Ach jee wat zal eraan mankeren
               Ik zal dit goddelijk vak wel nooit leren
O God, nu sta ik hier in deez’ woestenij
‘k Denk dat ik me maar even neer vlei.

Rinus:   Ah, dit is al het einde van mijn pech
Daar rijdt de ANWB al over de weg ‘
                  k Vraag vlug een nieuwe snaar
Des te sneller ben ik klaar.

Dolf:     Ach jee, wie komt daar aan geraced?
Is het de ANWB of zijn geest?
                Misschien kunnen zij hem maken?
Dan kan ik weer doorgaan met m ’n zaken.

Rinus:   Zo die is klaar
                Dus ik smeer ‘m maar.

Dolf:     Ach hee, Gij zijt een Goddelijk man
Dat ik nu weer verder kan.

Wie van de twee hier de gevoelsmens is, lijdt geen twijfel!

Een in vroeger tijden populaire bezigheid, het bedenken en schrijven van grafschriften, wordt geïntroduceerd:

Hier ligt Poot
Hij is dood.

Zeg wandelaar, zeg,
Je moet niet denken dat ik hier
voor mijn plezier leg!

De klas verzint zelf met veel animo ook een aantal grafschriften:

Hier ligt een coureur met z’n BMW
Hij in 1000 stukjes en zijn moter in 2.

Hier ligt Joop bezweken
Hij had iets te diep in het glaasje gekeken.

Mens en schrijver — een literatuurperiode
De tweede literatuurperiode behandelt hoofdzakelijk de biografie en het werk van een drietal schrijvers.

Een negende klas heeft het vermogen heel ver mee te gaan in het leven van een grootheid, en diens vreugde en verdriet, ideeën en teleurstellingen mee te leven. Ze vinden hun eigen dromen en verlangens terug in het bestaan van een ander.

De levensbeschrijvingen en citaten uit het werk van de schrijvers worden in het periodeschrift geschreven, evenals de opdrachten die de leerlingen tijdens deze periode maken. De inhoud, tekst en de lay-out van het schrift zijn hierbij het belangrijkste.

Piet Paaltjens en Francois Haverschmidt
Als eerste schrijver wordt de raadselachtige figuur Piet Paaltjens behandeld: zijn vrolijke studententijd, zijn plotselinge verdwijnen en weer opduiken op onverwachte plaatsen en zijn ironische gedichten. De leraar introduceert hem als iemand die werkelijk bestaan heeft en laat de klas meegissen in de mysteries rond deze wonderlijke dichter.

Als opdracht moeten de leerlingen een verhaal schrijven rond Paaltjens waarin zijn leven nog geheimzinniger lijkt. Een meisje beschrijft de verdwijning van Piet alsof ze Piet zelf is:

Op een dag, het was grauw en koud, ben ik weggegaan, waarheen wist ik nog niet, logisch eigenlijk, het waarom was net zo onduidelijk. Het leek net alsof ik door een lange arm werd weggeduwd uit deze oude omgeving.

De Zelfmoordenaar een van Paaltjens gedichten wordt uitgedeeld, maar slechts voor de helft, de afloop van het gedicht moeten de leerlingen zelf dichten. De leraar behandelt het rijmschema en het aantal lettergrepen om de leerlingen houvast te geven. Het gedicht is bekend bij de klas tot waar het kozend liefdespaar zich net onder de eik wil vleien waaraan de zelfmoordenaar hangt. Zo werd het door een van de leerlingen voortgezet:

De vrouw gilde wat heen
En wierp zich meteen
Op de man, die haar opving gezwind.
Hij wankelde even,
Stond daar te beven
En liet haar toen vallen, dat kind.

Hij rende verschrikt,
Verward en getikt,
En kwam in een meertje terecht.
Hij sputterde en zonk

Nog voor hij verdronk
Heeft hij de naam van zijn liefde gezegd.

De vrouw voelde zich ziek
En raakte in paniek
Haar ogen stonden star en rood Het werd haar teveel
Ze greep naar haar keel

En na enige tijd lag ze dood.

Ook andere gedichten uit Snikken en Grimlachjes worden voorgelezen en gereciteerd. In humoristische teksten van hedendaagse schrijvers, zoals Ziektes van Kees van Kooten en Sjiek van Jan Blokker, moeten de leerlingen de grappen eruit lichten. Het is veel ingewikkelder dan je zou denken, een grap blijkt pas een grap in zijn context.

Dan wordt het leven van de zwaarmoedige dominee François Haverschmidt aan de klas verteld: van het vrolijke jongetje tot de man die het beroep heeft gekozen waarin hij zichzelf niet kan zijn. Doodongelukkig spreekt hij uiteindelijk van de kansel de woorden:

Want is het ook geen moed om het zich eerlijk te bekennen: ,,Ik kan niet, ik mag niet, want ik geloof niet meer. ”
                                                                                         (uit een preek van 1893)

Zijn wanhoop resulteert in zelfmoord een jaar later. Zo’n aangrijpende levensbeschrijving mag heel treurig worden, een negende klas leeft bij uitersten. Sommige leerlingen staat het huilen dan ook nader dan het lachen.

De zelfmoord is op deze manier voor de leerlingen niet een kaal feit, maar de uitkomst van een worsteling met een gewetensconflict. Het is duidelijk voor hen dat Haverschmidt tot het uiterste is gegaan.

Nog een gedicht van Paaltjens wordt uitgedeeld:

Dat heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger
Doch sinds het die witte das aan heeft
Minnedicht het niet langer

Voor de meeste leerlingen valt ineens alles op zijn plaats: de ironische Paaltjens en de zwaarmoedige Haverschmidt zijn één en dezelfde, of zoals een leerling schrijft:

Onze persoon van Piet Paaltjens heeft nooit in de voor ons beschreven figuur bestaan. Piet Paaltjens heeft wel bestaan, maar in de voor ons bekende persoon Francois Haverschmidt.

Francois had Piet Paaltjens in het leven geroepen om z’n opgekropte emoties in de ironisch, humoristische en romantische gedichten van Piet Paaltjens kwijt te kunnen.

De tragiek van deze gespleten persoon is veel intenser na te voelen voor de leerlingen, nu ze zich zo in de twee figuren hebben kunnen verdiepen.

Nu Piet Paaltjens nooit echt bestaan blijkt te hebben, hoeft zijn naam ook niet meer helemaal serieus genomen te worden, een meisje bedenkt allerlei woordgrapjes:

Paaltjens zijn voor of nadat Francois deze naam koos enkele gezegdes meegegeven:

1.  Paal(tjens) en perk stellen
is iemand beteugelen, en Piet Paaltjens beteugelde de kerk, terwijl de kerk Francois Haverschmidt beteugelde.

2.  Dat staat als een Paal(tjens) boven water
betekent: het is onbetwistbaar dat Piet en François één en dezelfde figuur waren, maar dat aan iedere naam een andere persoon verbonden zat.

3.  François Haverschmidt heeft zich misschien wel van kant gemaakt,
omdat hij vond dat hij voor Piet Paal(tjens) op deze wereld stond (voor
niets, dit gevoel komt als je niets zinvols voor mensen kan doen (zoals ik
bijvoorbeeld)).

Aan de laatste opmerking van dit meisje kan je aflezen met welke gevoelens op deze leeftijd strijd geleverd wordt.

Multatuli (Eduard Douwes Dekker)
Het strijden en lijden van Eduard Douwes Dekker, roept bij de leerlingen afwisselend bewondering en medeleven op.

De leraar leest uit de Max Havelaar enkele gedeeltes voor waaruit blijkt hoe gecompliceerd de structuur van het boek is. Ook wordt er een fragment gedicteerd, zodat de klas aan den lijve ondervindt hoe ingewikkeld de zinsstructuur en het taalgebruik van Multatuli zijn.

Naar aanleiding van Droogstoppel, een van de personages uit de Max Havelaar, krijgt de klas de opdracht een verhaal te schrijven waarin een personage optreedt dat uitermate onsympathiek is, zonder dat dat expliciet gezegd wordt:

Oh, nee daar hebben we haar ook weer. Ze zegt met een ,cheese’ lachje gedag zoals ze tegen iedereen lacht. Of ze hem nu aardig vindt of niet. Ze gaat bij ons clubje zitten aan de ronde tafel terwijl ze wist dat ze er niet bijhoorde. Ze kwam dan met haar verhalen over mensen die nu net toevallig niet aanwezig waren. Ze probeert van iedereen de aandacht te trekken door extra hard te praten, lachen en vooral iedereen aan te kijken zodat het onbeleefd is als je door haar gesprek met iemand anders gaat zitten praten….

Het is heerlijk voor een negendeklasser zich uit te leven in zo’n opdracht, de meest weerzinwekkende mensen worden beschreven. Het geeft hem de kans zijn al te heftige gevoelens en onvrede van zich af te schrijven.

Multatuli’s beschrijving van de Kapelsteeg, brengt de leraar op een idee voor een nieuwe opdracht. Op een ochtend wordt de hele klas de straat op gestuurd. Ieder moet een plek in de stad uitkiezen waar hij zelden komt. Terug in de klas moeten de leerlingen een verhaal schrijven waarin zijzelf de hoofdpersoon zijn en de bezochte plek met stemming en kleur beschreven wordt. Ter ondersteuning zijn eerst in de klas twee voorbeelden van stadsbeschrijvingen behandeld: een Stadsbeschrijving van Amsterdam uit 1891, een zeer gedetailleerde stadsbeschrijving maar zonder personages en sfeer en als tegenpool een fragment uit De aanslag van Harry Mulisch waarin het gaat om de stemming en gedachten van personen. Uit de beschrijvingen blijkt dat het voor veel leerlingen een uitdaging was om zo onbekend mogelijke plekjes te vinden, zoals bijvoorbeeld de Dubbele Worststeeg die in het centrum van Amsterdam schijnt te bestaan. Hieronder volgt wel een bijzonder geslaagd voorbeeld van zo’n stadsbeschrijvingsverhaal:

Herinnering.

’t Is een tijd geleden dat ik hier was, maar de omgeving is weinig veranderd. Het huis aan de voorkant is nog even groot en indrukwekkend, maar daar sloeg ik nauwelijks aandacht op, ik wilde naar de achterkant, om naar de tuin te kijken, waar ik als klein kind zo vaak speelde. Ik liep het park in sloeg het eerste paadjes linksaf, het grote huis voorbij en daar was m’n oude huis, daar waar ik als klein kind woonde. Je kon het niet zo goed zien, want er stonden een aantal grote hulstbomen voor, met van die bladeren die gemeen prikken. De oude stromat, die wij daar neer gehangen hadden tegen de inkijk van buitenstaanders (wat ik nu ook was) was half vergaan en de laatste restjes lagen beneden het hek. ’t Hek was eigenlijk lager dan ik had gedacht, nu reikte het tot aan mijn middel terwijl het in mijn gedachten boven me uitreikte. De tuin was lichter dan ik me had voorgesteld, ook kleiner. Er waren nu trompetnarcissen en andere lage plantjes.

Waar was die mooie goudenregenboom, waar ik als kind onder stond als ze uitvielen en dan riep ik dat het goud regende. Waar waren de hoge springbalsemienen die in de zomer zo hoog waren dat het voor mij een bos leek, met mooie rose bloemen aan het eind.

Alles was veranderd en anders. Het was niet meer mijn tuin, evenmin als het nu mijn huis was. Nu zag ik het als een verwaarloosde tuin zoals er vele waren. Het was niet meer mijn kleine oerwoud, waar monsters waren in de vorm van spinnen en kakkerlakken. Alles was anders en ik werd triester op deze sombere, grauwe dag.

Maar deze tuin zou altijd blijven voortleven in mijn gedachte zoals ik hem heb gekend.

Voor de meeste leerlingen is het heel moeilijk om een verhaal vanuit henzelf te schrijven, ze hebben nog te weinig afstand tot hun eigen gevoelens en gedachten. Veel leerlingen lieten de ik-figuur dan ook maar achterwege en gaven slechts een minutieuze beschrijving.

De aanklacht van Havelaar wordt besproken. Hoe is dat tegenwoordig, waartegen protesteren de mensen nu? Welke middelen worden ervoor gebruikt? De leraar maakt op het bord twee lijsten van de antwoorden uit de klas:

Protest tegen:

•huurverhogingen
taximoorden
werkloosheid
bezuinigingen
•kernwapens
milieuvervuiling
•discriminatie
•abortus
massamoorden
dierenmishandeling
•pornografie

Vormen van protest:
•stakingen
toespraken
handtekeningenacties
rubberbootjes (Greenpeace)
kapingen
levende barricades
verf op zeehonden
•stil protest
kaars voor het raam
•paalzitten
•zelfmoord plegen

Dit is nog maar een klein gedeelte van wat er op het bord stond: de leerlingen waren onuitputtelijk in het aandragen van antwoorden. Een oproep tot hulp voor Afghanistan uit de krant wordt gezamenlijk gelezen. Hoe zit zo’n stukje in elkaar? Wie ondertekenen zoiets? De leraar vraagt:

Welk middel zou je zelf gebruiken om je protest kenbaar te maken?

Velen raken meteen hevig geëmotioneerd.

Als opdracht moeten ze een onderwerp kiezen waarover ze hun hart mogen luchten. Op het ergste voorbereid, begint de leraar het werk te lezen:

Aanklacht

Aan de heer Ossewaarde.

Ik ben een goede klant van uw Gemeente Vervoerbedrijf, zo ging ik wel twee maal per maand met bus 15. Maar de laatste busrit beviel mij allerminst.
Ten eerste zat de buschauffeur steeds uitbundig alle straatnamen aan te kondigen, nadat we er voorbij waren.
Ten tweede: ik zat onder van die zwiepende foldertjes, zodat bij elke stop
m’n pruik op m’n voorhoofd werd geplaatst. Als ik hem dan weer had
teruggeplaatst en de bus begon weer te rijden, had dit tot gevolg dat ik aan
de heer achter mij, mijn pruik terug moest vragen.
Toen dit een keer of acht was gebeurd, begon deze net genoemde heer
kersen te eten en spuwde de kersenpitten in de kraag van mijn witte jurk.
Ten derde: toen ik de bus wou verlaten op de door mij verkozen halte, reed
de bus zo’n 20 meter te ver door. Toen ik de buschauffeur hierop attent
maakte, zei hij heel ordinair: „Had die bus achter ons dan op deze bus
moeten stoppen?” en hij begon te lachen.
Ik hoop dat u deze chauffeur op het rechte pad wijst.

De meest onbeduidende zaken bleken tot een wantoestand te zijn opgeblazen. Dichtbij huis en humoristisch, verdient de voorkeur boven ver en tragisch.

Frederik van Eeden
Eerst vertelt de leraar iets over de 19e eeuw, de eeuw van de uitvindingen en de industrialisatie, van Karl Marx en Charles Dickens, van de domineesliteratuur en de tachtigers. Van een van die tachtigers, Frederik van Eeden, wordt de biografie uitgediept, zijn veelzijdigheid, zijn sociaalbewogenheid, zijn jeugd en idealen en ten slotte zijn teleurstellingen in het leven:

Frederik groeide op tussen deze dingen (flora en fauna red.) en wandelde vaak tien passen achter zijn vader aan en groette elk kevertje, elk bloempje, elke boom. Zijn vader wees hem alles aan en gaf uitleg. Frederik was erg gehecht aan zijn vader en die tijd was heel belangrijk voor hem. Hij spaarde als klein kind zijderupsen en had een vlinderverzameling. Het belangrijkste van het leven van Frederik was dat hij het altijd opnam voor de zwakkeren en heel idealistisch was. Maar hij was niet de enige. Veel mensen zagen de ellende niet die er heerste in Europa. Dat waren natuurlijk de rijken, die alles wel weer goed zagen komen, maar ondertussen werkten er kinderen uit de arme gezinnen in fabrieken en de arbeiders werden onderdrukt. In 1886 werd er veel geschreven over deze onderdrukkingen. De arbeiders kwamen in de belangstelling en er brak revolutie uit. De ellende werd merkbaar en Van Eeden schreef daarover.

Fragmenten uit De kleine Johannes worden in de klas gelezen, voorgelezen en samengevat. Van Eeden besteedde in zijn werk veel aandacht aan natuurbeschrijvingen. Aan de hand van verschillende floragidsen en aan de hand van eigen beschrijvingen komt de klas tot een onderscheid in analytische, zakelijke en lyrische beschrijvingen waarin soms de natuur zelfs gepersonifieerd wordt.

Ook wordt de klas op een ochtend de straat op gestuurd op zoek naar een onverwacht stukje natuur middenin de stad. De zotste belevenissen worden in de verhalen beschreven:

Het dakterras.
Ik liep in de Valeriusstraat op zoek, ja naar wat eigenlijk, gewoon naar wat interessante dingen. Maar het was erg saai op straat, het motregende iets en het vocht wat neerkwam werd meteen in de nog warme grond opgezogen. Niets interessants te bekennen dus, ja een paar wandelende paren of moeders die voor boodschappenwagen speelden. Niet iets om je in te verdiepen dus, ik liet mijn blik langs de aan een kant beregende huizen glijden. Goh wat een hoge boom helemaal boven het dak uit.

Die mensen in die fraai versierde flat hebben dus een dakterras. Dat moet ik zien, ik liep naar de oprijlaan van de flat. Voor de ingang en mooi houten bord met daarop Westhove en daaronder verboden toegang voor onbevoegden artikel zoveel. Da’s tegenvallen, net iets interessants gevonden op deze troosteloze dag en dan mag je het niet bekijken. Ik deed een paar passen naar achteren en keek omhoog langs de vier verdiepingen hoge flat, ik zag nog net het topje van de dennenboom en een over de rand hangende haag.

Verboden toegang voor onbevoegden, ’t is wat, maar als ik mezelf nou bevoegd maak. Met die gedachte van bevoegdheid liep ik de oprijlaan op, toen ik een paar fraaie Bentleys passeerde, begon ik me langzaam weer onbevoegder te voelen. Nou ja ik stond er nu, nou nog naar boven.

Trap na trap loop ik op, zo nu zal ik er wel zijn, maar dit bleek een korte
galerij te zijn met aan het eind nog een trap. Dakterras staat er boven, ik loop erheen maar plots gaat er een deur langzaam open, ik bleef aan de grond genageld. Da ’s vervelend nog één trap verwijderd van het dakterras en dan betrapt worden. Maar uit de witte deur kwam geen kwade conciërge, maar een vriendelijk uitziende man met één glazig uitziend oog. Hij komt recht op mij af en kijkt mij onderzoekend aan, ik had het er wat moeilijk mee, zag hij me nou of niet? ja hij zag me en groette vriendelijk, mijn hartslag daalde iets. De man scheen niets te vermoeden en liep vrolijk gehumeurd door. Nou snel die trap op, kijken en weer wegwezen. Boven gekomen versperde alleen nog maar een ijzeren luik mij de weg naar boven. Ik tilde het luik op en keek naar boven, een flauwe motregen daalde op mij neer, ik was dus boven. Wat een gazon, de mensen hadden hier een gazon van heb ik me jou daar en ik kwam daar als een mol uit. Langs de randen van 
het gazon waren bloemen geplant en daarachter mooie fel groene bomen. Ik constateerde zelfs een kas met daarin een … een mens. In de deuropening stond een man in kantoorpak, hij keek wat verwilderd en zijn handen zaten onder de tuinaarde. ,,Volgens mij ben ik een etage te hoog”, de man kwam naar me toe en vertelde dat ik vier etages te hoog was, jammer en pardon.

Een verhaal van Lorenz over kauwen, uit Ik sprak met viervoeters, vogels en vissen wordt gelezen: waar houdt de wetenschappelijke beschrijving op en begint het anekdotische? Als opdracht moeten de leerlingen zich verplaatsen in een zelfgekozen dier:

Wie ben ik.
Hopeloos probeer ik tegen de wanden van een groot, grijs van kleur, en mijn wereldje begrenzend glad oppervlak omhoog te klimmen, maar ik glij steeds terug deels door het gladde oppervlak deels door mijn korte harde pootjes. Ook mijn harde dak is zwaar en ik ga maar net als m’n zonet nieuw in de ‘bak’, zoals de mensen dat noemen, gekomen soortgenoten in het kleine laagje water liggen. Als ik m’n kop opricht zie ik soms de grote mensen naar mij en m’n vriendjes kijken die nu gedeeltelijk onder de grote rotsstenen verscholen liggen en misschien ook terugdenken aan hun broertjes en zusjes in het riet bij het water, en als ik aan de sappige waterplanten denk, loopt het water me al in m’n snavelachtige bek. Tegen de buitenkant van de ‘bak’ staat een zwart rechthoekig voorwerp wat ik maar ten dele kan zien. Ik zie de mensen wel eens kijken naar dat ding alsof er iets speciaals aan is te zien. Zojuist hoorde ik een jongetje zeggen terwijl hij naar het ding keek: ,,Kleine waterschildpadjes te koop. Slechts f 7,50 per stuk!

Deze jongen heeft de techniek van wie-ben-ik en de tegenstelling gevoel-ratio tot het uiterste benut!

Als laatste vertelt de leraar over de autobiografie van Van Eeden:

Als Van Eeden merkt dat hij van zijn dagboek een nachtboek maakt, wil hij meer over dromen gaan schrijven en er meer van af weten. Na jaren komt hij er achter dat er verschillende dromen zijn: gekleurd en zwart-­wit, vervolgdromen en toekomstdromen. De associatieve droom komt naar aanleiding van een gebeurtenis van het moment.

Van Eeden merkt dat er twee momenten van dromen zijn namelijk voor het inslapen en voor het ontwaken. Er is een moment dat het dromen onmogelijk is, omdat het bewustzijn dan erg laag is. Veel mensen worden elke dag op dezelfde manier wakker, bijvoorbeeld vliegend of rijdend op een paard.

Een onderwerp als de droom zet veel in beweging in een negende klas, de leerlingen praten honderduit over nachtmerries, dromen die uitkwamen enzovoorts. Het vormde een geanimeerde afsluiting van de periode.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

Nederlandse taal: alle artikelen

.

472-438

.

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – klas 8

.

taal klas 8

 

Als bij het begin van het nieuwe schooljaar de zevende klas achtste is geworden, lijkt het zo op het oog alsof er niets is veranderd. Nog steeds maakt het beeld van de klas één ding heel duidelijk: hier wordt geworsteld, zowel met de uiterlijke verschijning als met de innerlijke roerselen.

Wat voor de zevende klas werd geschetst blijkt nu voor de achtste klas ook te gelden en later in zekere zin ook voor de negende klas: dezelfde onevenwichtigheid van uiterlijk en innerlijk treed naar voren, dezelfde ontdekkingsdrang en interesse in feiten, hetzelfde verlangen volwassen te zijn. Maar wel is men een jaartje ouder: wat vorig jaar nog met gejuich werd ontvangen, wordt nu als kinderachtig weggefloten.

Het meest kenmerkt de achtste klas zich door verdeeldheid. De scheiding tussen jongens en meisjes is scherper geworden. Terwijl de meisjes het eigen innerlijk verkennen, dromend van de ideale man, exploreren, zo niet demonteren de jongens het innerlijk van radio’s, auto’s en brommers. De jongens snappen vaak niets meer van de meisjes en vinden hen mateloos aanstellerig, de meisjes doen hun mannelijke leeftijdgenoten af met net kinderen en dwepen met de oudere jongens.

Maar ook onderling gaat de eenheid steeds meer verloren; er wordt veel geruzied, gevochten, gefluisterd en gegiecheld in een achtste klas. Vriendschappen komen op en gaan geluidloos weer onder, clubjes verdwijnen net zo snel als ze ontstaan. De gevoelens gaan van sympathie naar antipathie, van lust naar onlust, van zin naar onzinl De weg die de zevendeklasser welgemoed was ingeslagen, leidt nu steeds meer tot eenzame hoogten en diepe dalen. De veertienjarige voelt zich alleen en onbegrepen in de wereld.

Met een groeiend gevoel van eenzaamheid krijgt de groepscode steeds meer macht. In snel tempo wisselen trends en rages elkaar af, door een groot deel van de groep buiten adem bijgebeend. Wat door één voorzichtig wordt ingezet, krijgt al gauw zijn gevolg: verbaasd zien we hoe talloze leerlingen kreupel de trappen bestijgen omdat iemand heeft bedacht dat het leuker is op rolschaatsen naar school te komen, of hoe het vrouwelijk deel van de klas plotseling op wortels als voornaamste voedsel is overgestapt omdat één dikkertje de calorieëntabel heeft gelanceerd.

De achtsteklasser weet nog niet zo wat hij wil, wat mooi en wat lelijk te vinden. Het veiligste is onopvallend dus eender aan de ander in de massa te verdwijnen.

Uit de leerstof in de achtste klas
Kleurig, gevarieerd, veelzijdig maar zakelijk moet de leerstof van de achtste klas gebracht worden, niet om tot een keuze te komen of een oordeel uit te lokken, daarvoor is het nog te vroeg: oordeel zou tot vooroordeel leiden. Maar waar de veertienjarige innerlijk in de kou staat, moet naar buiten toe een rijk beeld van de wereld geschetst worden. Veel kan bereikt worden door in het leerproces uit te gaan van de waarneming: wat is er eigenlijk te zien?, en niet: hoe zie ik het?

Omdat de achtste klasser de neiging heeft zijn gevoel voorop te plaatsen, is het nodig hem de waarde van feitelijke gegevens en objectief kijken te leren inzien. Enerzijds moeten gerichte opdrachten, feiten en structuren hem houvast geven, anderzijds moet de behandeling van uitvindingen, ontdekkingen, natuur- en persoonsbeschrijvingen de wereld interessant en aantrekkelijk maken.

De geschiedenis wordt behandeld tot aan de Nieuwe Tijd (ca. 1850). Men gaat uit van de grote vernieuwers wier ideeën tot revoluties hebben geleid, zowel op cultureel als op industrieel gebied: de Franse revolutie, de koloniale revolutie, de industriële revolutie. De leerlingen krijgen hierdoor begrip voor de maatschappij zoals deze tot nu toe geworden is en zij ontlenen vertrouwen aan het idealisme, de vernieuwing en verandering die de motor zijn van iedere samenleving in ontwikkeling.

De meest technische facetten van het menselijk lichaam worden in de biologieperiode behandeld: het skelet en het spierstelsel. De nadruk ligt op de functie van de gewrichten en spieren. Een vergelijking met de dierenwereld levert veel verrassingen op: de voorvin van de dolfijn is de arm van de mens. Waarin verschillen vin en arm en waartoe dient de één en de ander? Bij de behandeling van het spierstelsel haakt de leerkracht in op de sporten die in de klas beoefend worden.

In de aardrijkskundeperiode tracht de leerkracht bij zijn leerlingen gevoel en waardering op te wekken voor de verschillende culturen en voor dat wat aan die culturen het meest eigen is. Juist op deze leeftijd is het belangrijk de kinderen een beeld van de totale mensheid te geven: enerzijds omdat ze er sterk voor open staan, anderzijds omdat het voldoet aan de behoefte andere normen en wetten te leren kennen. De één trekt zich op aan het eergevoel en de moed van de Indiaan, de ander is onder de indruk van de overlevingsstrijd en de eenvoud van de Eskimo.

Elementaire natuurkundige verschijnselen zoals de levitatie- en gravitatiekracht, de hydraulica, de aeromechanica en de klimaatleer worden aan de hand van proeven behandeld. Hierdoor wordt het waarnemingsvermogen bij de leerlingen geschoold. Belangrijk is dat ze de praktische toepassingen van deze krachten herkennen in bijvoorbeeld de watertoren en waterleiding, de scheepvaart en luchtvaart en het weerbericht.

Alleen in de eerste helft van het jaar kan nog geboetseerd worden. De vanzelfsprekende kunstzinnige vermogens verdwijnen ergens in de achtste klas; de handen worden ineens als onhandig ervaren.

Er kan een start gemaakt worden met een technische leergang in hout en metaal: meten, aftekenen, schulpen, schaven, tandverbinden, vijlen en boren in hout, komen in aanmerking. Er wordt gewerkt volgens een werktekening. In metaal worden constructies gemaakt waarbij gehardsoldeerd of gelast en gepuntlast moet worden.

Bij handwerken leren ze machinenaaien. Machines dwingen respect af en vergen concentratie. Het geeft de leerlingen en de leerkracht veel voldoening als aan het eind van het jaar de hele klas in een zelfgemaakte broek of blouse loopt.

Over het Nederlands in de achtste klas
Het beeld van de achtste klasser doet bijna armoedig aan: innerlijk verarmd staat hij in de wereld als gekleed in een veel te ruime jas. Wat achter hem ligt is ineens te kinderachtig geworden, wat vóór hem ligt zo weids en onoverzichtelijk dat het ondoenlijk lijkt daarin een weg te vinden. Er moet een verhouding tot de maatschappij gezocht worden; de leerling moet zich een plaats daarin veroveren. Maar voor het zover is, kan veel afwijzen en eenzijdig denken het gevolg van die onzekerheid zijn.

In het literatuuronderwijs worden de leerlingen geconfronteerd met beschrijvingen van de wereld en haar bewoners. Kleurrijke verhalen van herkenbare situaties leiden de leerlingen af van een al te subjectieve kijk op hun bestaan. Om het waarnemingsvermogen te ontwikkelen kunnen allerlei beschrijvingsopdrachten gegeven worden. Noem jij dat groen? Da’s hardstikke bruin. Veel blijkt nog op interpretatie van de werkelijkheid te berusten. De veertienjarigen doen niets liever dan praten en praten, ook al leidt dat tot niets anders dan een cirkelgang. Zonder nadenken worden gedachten en emoties eruit geflapt. Opdrachten waarin woede, haat en liefde centraal staan, leren hen genuanceerder met hun uitingen om te springen.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid als de klas daar al aan toe is, te kijken naar de structuur van een verhaal: Wat is de functie van een beschrijving? Wie is de ik-persoon? Het is voor de meeste kinderen heel raar te ontdekken dat je ik kan schrijven en toch iemand anders zijn. Ook is het zinvol om de leerlingen, bijvoorbeeld gedurende een week, een dagboek te laten bijhouden van hun dagelijkse bezigheden. Het brengt ze vaak op het idee ook hun innerlijke roerselen, verliefdheden en ongenoegens met zichzelf aan het papier toe te vertrouwen. Het blijkt voor velen een verademing te zijn dat je dingen van je af kunt schrijven.

Het lezen en laten lezen heeft in de benedenbouw hoofdzakelijk tot doel gehad de lust tot lezen bij de kinderen te ontwikkelen. Voorlezen, samen lezen, vertellen over boeken en schrijvers moest hen nieuwsgierig maken naar méér.

De leerkracht koos zijn voorleesboeken soms in samenhang met de problematiek van de klas, maar meestal voor het plezier. Van echt literatuuronderwijs was in de benedenbouw geen sprake.

Nu, in de achtste klas kunnen er meer eisen aan de leerlingen gesteld worden en wordt het tijd het lezen meer vorm te geven. En daarmee belanden we meteen in een probleem!

Een ieder die zich met literatuuronderwijs bezighoudt, stuit vroeg of laat onherroepelijk op de vraag: hoe bepaal je wat wél en wat niet literair of verantwoord is, en als je al een scherp beeld voor ogen hebt, hoe zorg je dan dat je leerlingen ook tot dat onderscheid in staat raken, zonder dat iedere leesvreugde bij voorbaat of alsnog om zeep geholpen wordt? Met andere woorden: hoe krijg je de kinderen de strip uit en het verantwoorde boek in?

Het is natuurlijk zinloos te vluchten in dwingen en verbieden, daardoor worden verschillen niet zichtbaar. Het gaat er niet om de beeldlectuur totaal uit te bannen — een goede strip blijft immers toch wel overeind —, maar om de klas zélf te laten ontdekken wat kwaliteit bezit.

Aan het begin van het jaar kiezen de leerlingen een boek waarover ze een spreekbeurt willen houden. Er moet een korte inhoud gegeven worden, de hoofdpersonages moeten beschreven worden en er moet aangegeven worden wat men van het boek vond en waarom. De passage die het meest aansprak, mag voorgelezen worden, ook al is deze lang. Vaak vertelt een leerling de korte inhoud, zichzelf onderbrekend door iets voor te lezen. Hierdoor krijgt de leerling een ruggensteuntje en de spreekbeurt een stevige structuur.

Na een spreekbeurt wordt gezamenlijk naar inhoud en presentatie gekeken, niet te gedetailleerd, maar zo dat het volgende keer nog een beetje beter kan. De leerkracht speelt hierin nog een bepalende rol, achtsteklassers vallen elkaar niet gauw af. Toch probeer je de leerlingen eraan te wennen elkaars werk naar waarde te schatten. Ze moeten leren gefundeerde kritiek te leveren en te incasseren van elkaar.

Ineens op een dag komt een leerling voor zijn spreekbeurt met een strip op de proppen. Al snel blijkt waar hem de schoen wringt: van déze strip valt nauwelijks een korte inhoud te geven, voorlezen gaat al helemaal niet, en goed beschouwd blijkt het gegeven literair te arm om er ook maar iets zinnigs over te zeggen. Bij de nabespreking komen de problemen vanzelf aan het licht.

Dit hoeft maar een paar keer te gebeuren en niemand waagt zich meer aan zo’n evenement. De beeldroman en andere lichte lectuur gaan dezelfde weg als de ‘arme’ strip gegaan is. Het duurt wel lang, maar uiteindelijk zien de meeste leerlingen toch het verschil.

Soms leidt een spreekbeurt of andere gebeurtenis tot een klassengesprek. Dan blijkt hoe moeilijk het is op elkaar te reageren. Ieder richt zijn woorden hoofdzakelijk tot de leraar, waardoor vaak dezelfde dingen door anderen gezegd worden. Goed luisteren naar elkaar moet geoefend worden, bijvoorbeeld door één leerling heel exakt een voorwerp te laten beschrijven en de rest van de klas te laten raden wat het is. In het begin wordt op het gevoel af maar een gooi gedaan, op den duur leren ze toch nauwkeurig te luisteren en precies te raden.

Bont en kleurig aan de ene kant, stevig gestructureerd aan de andere kant, moet de wereld aan een achtste klas gepresenteerd worden. Bijna nergens kom je deze twee polen in zo’n innige harmonie tegen als in de poëzie: alles is mogelijk, maar uitsluitend binnen een bepaalde structuur.

In de achtste klas wordt de poëzie alszodanig uitvoerig behandeld. Niet de schoonheid van de dichtkunst staat voorlopig ter discussie, maar meer de schema’s en vaste patronen die er aan ten grondslag liggen. Om te ervaren hoe het is je binnen gestelde grenzen te bewegen, dichten de leerlingen veel zelf.

Ook kunnen bij de poëzie allerlei uitzonderlijke taaluitingen bekeken worden. Wat bedoelt de dichter met:
Oh waterlelie, jij bloeiende zwaan;
oh zwaan, jij zwemmende lelie.

Wat voegt zo’n taal grapje toe aan de betekenis? De behandeling van de metafoor toont aan wat de taal allemaal tot uitdrukking kan brengen. Het dient de stijlvorming van de leerlingen en waar de veertienjarigen neigen tot overwaardering van het feitelijke en verstandelijke, brengt het hen in contact met ongrijpbare, imaginatieve beelden.
Ook een stijlfiguur als de hyperbool sluit goed aan bij deze leeftijd: Het mannetje rende alsof de dood hem op de hielen zat. Voor de veertienjarige is de overdrijving een geliefd uitdrukkingsmiddel!

Op deze leeftijd moet het tot een eenvoudig constateren van de stijlfiguren beperkt blijven, het geeft de aanzet tot het begrip van allerlei beelden (tropen) in de taal, maar ook in de schilderkunst, de muziek enzovoorts. In de negende klas, als de leerlingen overlopen van gevoelens, is er alle reden om op deze stijlfiguren door te gaan.

Elke dag wordt vijf minuten dictee gegeven. Een achtste klasser vindt het prettig getoetst te worden en zich te meten met zijn klasgenoten. Het gaat vaak als volgt: één leerling schrijft de zinnen op de achterkant van het bord, de rest van de klas in het schrift. De leerkracht corrigeert de zinnen op het bord, de klas het eigen werk. Belangrijke woorden moeten onderstreept worden. Zo krijgen de kinderen geen hekel aan het dictee en geeft het bovendien een vaste regelmaat aan de les. Ook leren ze vooral zakelijke brieven te schrijven. Door het zakelijke, oefenen ze zo droog mogelijk te formuleren. Het leert zo objectiveren en abstraheren van hun gevoelens.

De grammatica neemt in de achtste klas nog steeds een belangrijke plaats in. In dit jaar wordt naar een afronding toegewerkt. Steeds willen de leerlingen weten waarom is dat zo? om dan het antwoord te belonen met een nieuw Waarom? Er kan dus diep op feitelijk materiaal worden ingegaan. Er worden indrukwekkender samengestelde zinnen behandeld dan vorig jaar. Ook nu weer gebruiken de leerlingen geen boekjes, maar gaan ze uit van eigen taaluitingen, zodat ze zien wat ze precies zeggen of schrijven.

Van een voorgelezen verhaal kan een fragment worden ‘omgevormd’. De leraar heeft hiervoor van een aantal complexe zinnen de bijzinnen in hoofdzinnen veranderd, de klas moet de korte hoofdzinnen weer tot lange hoofdzinnen met bijzinnen omvormen:

Ik waste me verlegen. Ik kleedde met uit. De baboe hield daarbij toezicht. Mijn moeder vertelde mij ondertussen: ,,De uren met mijnheer Bollinger zullen worden voortgezet tot augustus. In augustus begonnen de scholen. “

De oplossingen worden voorgelezen en vergeleken. Als klap op de vuurpijl wordt het origineel, een fragment uit Oeroeg van Hella Haasse, voorgelezen om te zien hoe de echte schrijver het heeft geschreven. Ook het omgekeerde kan geoefend: enkele heel ingewikkelde volzinnen moeten in meerdere korte zinnen worden opgelost. De leerkracht heeft hiervoor zelf een zin bedacht. Geef dezelfde inhoud weer in een aantal korte zinnen:

Daar stond ik die geboren was in X., een gehucht dat uit drie huizen bestaat, die direct aan de oever van de Maas staan, waar deze nog ongekanaliseerd langs boorden vol wilde planten stroomt, opeens in de Pijp van Amsterdam terwijl ik wist, dat hier mijn kinderen die ik liever eenzelfde jeugd als mijn eigen kindertijd had gegeven, moesten opgroeien.

Het is voor de klas geen makkelijke opgave, maar wel een hele uitdaging zo’n puzzel op te lossen.

Taalgrapjes als verkenning — een grammaticaperiode
In de zevende klas was al een begin gemaakt met de hoofd- en bijzinnen, nu moet dat weer opgepakt worden. Dit blijkt helemaal niet zo eenvoudig te zijn. De vorige grammaticaperiode is bijna een jaar geleden, er staat een nieuwe leraar voor de klas en de leerlingen weten nergens meer van. Over bekend veronderstelde begrippen ontstaat grote verwarring, defenities zijn in het niets weggezakt, het lijkt wel alsof ze nog nooit van een onderscheid tussen zinnen hebben gehoord. Het enige commentaar op alle vragen is: Nee hoor, hebben we nooit gehad! Alle gezichten kijken oprecht verontwaardigd naar de nieuwe leraar. Het beste lijkt het helemaal opnieuw te beginnen en tussen de regels door te achterhalen wat men is vergeten.

In de afgelopen jaren heeft deze klas steeds voordat de periodeles begon een spel gedaan en het ritme van eerst bewegen dan pas werken, zit er nog in. Voor een spel is de achtste klas te oud, dat wordt te kinderachtig gevonden, maar meteen met de les beginnen lukt niet. Daarom heeft de leraar vijf minuten gesprek-tussen-leraar-en-leerlingen ingevoerd, zodat ze langzaam kunnen wennen aan meteen-aan-het-werk.

Samengestelde zinnen
De kenmerken van hoofd- en bijzin kunnen nu abstracter geformuleerd worden dan vorig jaar. De leraar destilleert een aantal regels uit stukjes tekst:

In de hoofdzin staat de persoonsvorm op de eerste of tweede plaats.

In de bijzin staat de persoonsvorm aan het eind van de zin;

de zin begint meteen betrekkelijk voornaamwoord of een voegwoord.

De leerlingen bedenken nu zelf vele voorbeelden:

Mijn cavia, die Fiedelien heet, is erg tam.
Mijn cavia is erg tam.
Mijn cavia heet Fiedelien.

Hoewel de tram bomvol zat, worstelde ik mij naar binnen.
De tram zat bomvol.
Ik worstelde mij naar binnen.

De grammatica-oefeningen worden alleen op school gemaakt, omdat grammatica voor de meesten een noodzakelijk kwaad is en huiswerk in de achtste geen straf moet zijn. Fantasieopdrachten als verhalen schrijven, extra voorbeelden verzinnen, opdrachten met het woordenboek, zinnen maken met zoveel mogelijk bijvoeglijke naamwoorden zijn aantrekkelijker huiswerkopdrachten.
,,Saaie stof” als grammatica lijkt op school met zijn allen altijd boeiender dan op je eentje thuis. Elke dag wordt de stof van de vorige dag herhaald, soms met de oude voorbeelden (omdat het zo moeilijk was), soms met nieuwe voorbeelden. Pas daarna wordt er iets nieuws aangepakt, met nieuwe oefeningen. Er moet veel onderling gepraat en gevraagd, geholpen en verbeterd kunnen worden om de levendigheid van de taal zoveel mogelijk uit te buiten. Na een tijdje neemt de concentratie af en het geklets toe. De rust keert weer als de oefeningen in het net in het periodeschrift worden geschreven en de leraar de theorie erbij dicteert.

Gewoonlijk worden in een achtste klas ook gedichten gereciteerd, lekker hard of juist heel zachtjes. Deze klas vindt dat echter zo vervelend dat het beoogde ha fijn, even iets anders niet wordt gehaald, maar wel een afkeer van alle poëzie. De leraar laat het reciteren dus wijselijk achterwege.

Synoniemen en homoniemen
Het gebruik van synoniemen levert talloze mogelijkheden op:

die ochtend regende het pijpestelen óf
die morgen kwam het water met bakken naar beneden óf
het plensde van de regen die ochtend

De leraar dicteert:
Zinnen die in hun uiterlijke vorm verschillen, maar dezelfde betekenis hebben, noemen we synonieme zinnen.

Ook bij woorden kunnen synoniemen bedacht worden. De leerlingen moeten zelf voorbeelden zoeken en in het schrift schrijven. Ieder volgt zo zijn eigen gedachtelijn, waarvan hier twee voorbeelden:

prent           plaat                         smeris                  politie
nederig   bescheiden               gevangenis             nor
nobel           edel                           gauw                       snel
toilet            w.c.                           boer                         heikneuter

Aan de hand van wat de leraar verteld heeft, wordt bij de voorbeelden een uitleg geschreven:

Synoniemen gebruik je om zoveel mogelijk variatie aan te brengen in een verhaal of brief. In sommige situaties zul je de gemakkelijkste vorm gebruiken, in andere situaties kies je misschien voor de moeilijkste of beleefdste.

Vervolgens komen de homoniemen aan de orde. Zonder de term te noemen, vraagt de leraar de leerlingen dubbelzinnige zinnen te bedenken. Dat valt helemaal niet mee. Iemand heeft ineens een inval: „Hij is stom”. De ene betekenis weet iedereen meteen, maar over de andere moeten de meeste toch even denken. Dan volgen de voorbeelden in hoog tempo.

Geef mij eens een schop.

Heel ingewikkeld wordt het met:

De roosters lagen naast de lijst bij het bord:
vakroosters                   – schilderijlijst            bord om van te eten
luchtroosters                – boekenlijst                schoolbord
barbequeroosters         – namenlijst                naambord

 

Er wordt uitgelegd wat het verschijnsel inhoudt, de leerling schrijft het in eigen woorden in het schrift:

Zinnen kunnen meer dan één betekenis hebben. Dat kan heel verwarrend zijn en daarom moet je soms een dubbelzinnigheid uitleggen. Zinnen met meer dan één betekenis noemen we homonieme zinnen. Een komiek legt natuurlijk nooit dubbelzinnigheden uit. Een homonieme is een gelijkluidend woord. Het komt van het grieks, homo is gelijk, onoma (nieme) is woord.

De oorzaak van dubbelzinnigheid in zinnen kan zijn: dat een woord dubbelzinning is, of dat een zinsdeel zowel onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp kan zijn. Bijvoorbeeld:

Dat is de hond die de man beet
–  de hond beet de man
–  de man beet de hond

Tot slot moet de klas een verhaaltje schrijven met veel dubbelzinnige zinnen erin.

Tot groot vermaak van de klas worden er ook allerlei woord- en taalspelletjes gedaan. Het palindroom (een woord dat ook van achter naar voren gelezen kan worden) is een ontdekking:

lepel      parterretrap
kok        pa al ski jij ik slaap

Bij toeval ontdekt de leraar op zekere dag dat ook de Bescheurkalender een bijdrage kan leveren aan deze periode:

Meneer de Beestemurger,
De meetragelen die in verbund met de demokrakisering van het woningbestond hun beslaag kregel, blaken, tot hop eden, onvoldonder…
Daar bomt nog kij, dat ten fopzichte an behaalde toverreders niet hoer
genagd praal en pek werd gestold. En als, meneer de Beestemurger, vergelijke dormen van muisbrik, ook van onze zo kale voorniezingen en de sapcidergezelingen worden gelotereerd, dan, meneer de Meester grubber, is het dek van de ham!

(Bescheurkalender, 1982)

De klas heeft zich bescheurd!

Het laatste gedeelte van de periodeles wordt dagelijks besteed aan lezen en schrijven.
Aan de hand van Postduiven voor de prins van A. Hildebrand, verhalen van Bomans en Carmiggelt, worden verschillende opdrachten gegeven: een samenvatting van een voorgelezen hoofdstuk, een gedetailleerde beschrijving van een interieur, een persoon, de weg naar school etcetera.

Opdat de leerlingen zelf ook weten wat ze geleerd hebben, maken ze aan het eind van de periode een proefwerk waaruit moet blijken dat ze de regels kennen en in staat zijn tot het maken van eigen voorbeelden. Verrassend voor de leraar zijn de resultaten van zo n proefwerk zelden, hij weet wel wat zijn leerlingen kunnen. Voorzichtig wijst hij de fouten aan; een achtste klas is nog zo jong dat gemakkelijk het enthousiasme gebroken wordt. Plagerige of spottende opmerkingen worden bloedserieus genomen en zouden daardoor vernietigend zijn. Al te voorzichtig moet er natuurlijk ook weer niet met hen omgesprongen worden, is een opdracht niet goed … dan gaat hij óver!

Naast de structurele kant van de taal, is allerlei aan de orde geweest dat duidelijk maakt dat de uitdrukkingsmogelijkheden van de taal eindeloos zijn. Het is immers niet alleen de bedoeling de achtste klasser zekerheid te geven door inzicht in het skelet van de taal, maar ook door inzicht in de variatie en de versiering van de taal.

Brieven schrijven.
De laatste week van de periode wordt besteed aan het schrijven van brieven. Om te beginnen oefent de klas het schrijven van zakelijke brieven, aan de hand van een door de leraar gedicteerde indeling:

Aanspreking
-1e alinea geeft informatie over: de situatie waarin je zit
     waarom je de brief schrijft

2e alinea behandelt de mededeling
     het verzoek
de klacht
een bedankje

3e alinea geeft de afsluiting met een bedankje als het gaat om een verzoek
       of klacht

Eindigen met: vriendelijke groeten
  met de meeste hoogachting
hoogachtend

Het resultaat is keurig, maar saai. Dan bedenkt de leraar iets grappigs: schrijf een klachtenbrief naar aanleiding van overlast en stuur die aan iemand in de klas. Vooral het laatste deel van de opdracht wordt met gejuich ontvangen. IJverig gaat men aan het werk. Korte tijd later circuleert een stroom van papieren-scheldkannonades door de klas. De reacties blijven niet uit, onmiddellijk wordt ook mondeling van repliek gediend. De brieven worden, zij het in een wat gekuiste versie, in de periodeschriften geschreven:

Klacht aan juffrouw Rosalie

Hierbij wil ik u vragen om te stoppen met dat gejengel op die gitaar van u. Als u dit niet gauw stopt neem ik mijn maatregelen en koop een drumstel en zal eens laten horen wat muziek is. Ik heb gesproken.

gegroet
L. Vermeulen.

Geachte heer Vermeulen Windsant

Dat u mijn gitaarspel niet waardeert vind ik zeer treurig.
Maar ik zal u oordopjes doen toekomen zodat u niet meer gestoord zult worden door mijn gitaarmuziek.

Hoogachtend, R. Iemhoff

Uit zo’n experiment blijkt hoe jong een achtste klas nog is: terwijl de emoties toenemen, slinken de briefjes!

Schrijven — een literatuurperiode
Naar aanleiding van een voorgelezen verhaal R.J. Peskens, De kolenboer uit Twee vorstinnen en een vorst, wordt aan de klas de vraag gesteld: Hoe werd die straat beschreven, uitvoerig, beknopt, kleurrijk, eenvoudig? Beschrijf nu zelf eens in een paar regels hoe het schoolplein eruit ziet. De resultaten worden voorgelezen en becommentariëerd. Tot grote hilariteit blijkt lang niet alles bij iedereen te kloppen: Hé man, heb jij zand in je ogen, dat hek is niet zwart maar bruin! of: ,,Dat noemt ze een berk. Dat zijn populieren, sukkel! Iedereen hangt nu uit de ramen om zich te vergewissen van eigen en vooral andermans vergissingen. Het verschil tussen een uitvoerige beeldende beschrijving en een kale opsomming wordt besproken. Thuis moet als opdracht een beschrijving van één kamer gemaakt worden, maar dan zo gedetailleerd dat men het voor zich kan zien.

De volgende les komt aan de hand van de opdracht het verschil naar voren tussen een onpersoonlijke beschrijving, als een foto, en een gekleurde beschrijving, met de sfeer en gevoelens van degene die hem geschreven heeft. Met dit onderscheid kan nu verder geoefend worden: Stel je eens voor dat je een Indiaan hoog in de Andes moet beschrijven hoe een fiets werkt. Het lijkt zo makkelijk, maar de leraar weet wel beter!

Vervolgens worden persoonsbeschrijvingen bekeken. Een verhaal van Carmiggelt, in dit geval een karikatuur van een barkeeper, dient tot voorbeeld. Beschijf zelf eens de hoofdpersoon uit het voorgelezen verhaal:

Joop is een barkeeper. Hij is heel dik, zwaar en kaal. Hij lijkt een beetje op een ziek nijlpaard. Vrouwen zijn nooit op hem gevallen. Hij woont alleen. Hij heeft zo’n molentje op z’n dak dat elektriciteit opwekt, voor als er weer oorlog komt.

Bij een persoonsbeschrijving is het belangrijk, dicteert de leraar, dat je op het volgende let:

Hoe ziet hij/zij eruit?
Wat doet hij/zij?
Hoe doet hij7zij?

Als experiment wordt de klas de straat op gestuurd met als opdracht een voorbijganger heel nauwkeurig, maar zonder dat deze het in de gaten heeft, te beschrijven; ze krijgen daarvoor een half uur. Horloges worden vergeleken en gewapend met potlood en papier gaan de leerlingen op pad: Zomaar onder schooltijd naar buiten en dan met zo ’n rare opdracht, dat is pas leuk!

Hijgend om op tijd te zijn en opgetogen over alles wat ze gezien hebben, zijn ze ruim een half uur later weer binnen. Ze willen allemaal wel hun beschrijving voorlezen, slechts een paar krijgen de eer. Groot tumult ontstaat als onverwacht blijkt dat iemand een klasgenootje aan de arbeid heeft beschreven, vooral het slachtoffer zelf stikt bijna van het lachen.

De meest fantastische verhalen blijken zomaar van de straat geraapt:

Ik zag een oude vrouw en man over de Marathonweg bij de kruising met de Stadionweg lopen.
De vrouw had een rode mantel aan, een rode das om en ze droeg een zwarte handtas. De man had een donkere gleufhoed op en droeg een lichtgroen-beige jas, een blauwe broek. Uit zijn nukkig gezicht stak een grote neus. Hierop rustte een zware bril. De vrouw had een mollig gezicht, iets vrolijker en zij droeg geen bril. Ook was de vrouw groter dan de man. De man keek een paar keer schichtig om. Hierna haalde hij ergens een wit plastic zakje vandaan, liep snel op de bosjes bij de sportvelden toe, en schudde de zak vlug leeg. Er zat brood in, waarschijnlijk voor de duiven. Bij dit alles was de vrouw op de plaats waar ze hadden gelopen blijven wachten. Nadat dit was gebeurd, haakten ze hun armen weer in elkaar en staken vlug het kruispunt over. Alsof ze een grote haast hadden. De man liep rechts, de vrouw links. Er kwam slechts één duif op het voer af.

Vaak, zegt de leraar, wordt het te beschrijven onderwerp vergeleken met iets anders. Wat stellen jullie je voor bij iemand die zich voelt als een afgebladderde muur?
Ongelovige ogen, verbaasde kreten als gek zijn het antwoord. De leraar dicteert:

Als iets vergeleken wordt met, of vervangen wordt door de naam van iets anders, heet dat beeldspraak;

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind. (Rodenko)
Een boom van een vent.

Er wordt nu ijverig geoefend in beschrijvingen met vergelijkingen:

Ze is heel dun en mager. Ze is nogal lang, iets van 1.80 m denk ik. Ze draagt meestal erge korte rokjes. Haar benen zien er daardoor extreem lang uit, waardoor ze een beetje aan een ooievaar doet denken.

Ook al vind jij dat ze eruit ziet als een ooievaar, iemand die van lang en dun houdt, vindt haar misschien wel heel mooi,

is het commentaar. Het verschil tussen objectief en subjectief wordt uitgelegd:

Subjectief:                                  Objectief:
Wat jij vindt                                Zoals het is

Maak nu eens een heel subjectieve beschrijving. Een heerlijke opdracht voor een achtste klas, het regent vooroordelen:

De directeur zat achter zijn buro. Zijn dikke handjes lagen voor hem op tafel. Hij lachte met en dom lachje tegen zijn mooie secretaresse. ,, Typ dit maar” zei hij terwijl hij onhandig met zijn mollige vinger naar zijn papieren tastte…

Bij de bespreking kunnen de beschrijvingen weer aangevallen worden. Discussies over dikke directeuren en mooie secretaresses blijken in zo’n verband heel leerzaam. Ook moest er een objectieve beschrijving geschreven worden van iemand in de klas:

Hij heeft blond haar dat een beetje rechtop staat en krult. Hij heeft blauwe ogen en ziet er vaak ongeschoren uit. Hij is nogal klein en dik. Hij draagt nu een lichtgrijze trui en een donkergrijze broek en lichtbruine laarzen.

Wél klein, maar dik was de hier beschreven leraar in geen geval! Ook objectief is een rekbaar begrip, zeker voor een achtste klasser.

Het begrip tijd in een verhaal wordt behandeld. Teken en schrijf eens een strip in maximaal zes plaatjes. Een heel verhaal in maar zes plaatjes, dat is hardstikke moeilijk, roept iemand, maar daarna gaat hij opgewekt aan het werk. Als de strips af zijn en bekeken, moeten de plaatjes losgeknipt, in een andere volgorde gelegd en van een aangepast verhaal worden voorzien. Bijna iedereen maakt gebruik van een flash-back, zonder dat ze het bewust als verschijnsel kennen. Nu is het veel eenvoudiger dat begrip uit te leggen.

Als voorbeeld van een bijzondere tijdsduur leest de klas het gedicht Alpejagerslied van Paul van Ostayen. Wat gebeurt er nou eigenlijk in het gedicht? Veel meer dan twee heren die elkaar tegenkomen en begroeten, een kwestie van een paar seconden, is het niet, en daar weidt Van Ostayen toch een flink gedicht aan:

Alpejagerslied

taal klas 8 1

taal klas 8 3

Poëzie
Ook de structuur van gedichten is uitstekend te behandelen in een achtste klas. Bij het zien van een gedicht, is het eerste wat ze roepen: O, wat een stom gedicht! Maar als je gaat kijken hoe het gedicht in elkaar zit, wat de rijmwoorden zijn, of, en dan wélke strofes het heeft, dan denkt de klas geanimeerd mee. Op grond van de structuur vinden ze later dat het toch een heel knap gedicht is.

De opdracht zoveel mogelijk rijmwoorden bij een woord te zoeken wordt een geliefde sport, hoe meer hoe beter en dat loopt vaak in de tientallen. Het belangrijkste echter is dat de leerlingen zelf dichten, meestal naar voorbeeld van een behandeld gedicht. Uiterst gevoelige en aardssombere gedichten worden op deze manier geboren:

Voorrijm:
Zuiverende stromen
Huiverende mensen
Rollende stenen
Tollende boten
Brekende dijken
Wrekende stromen
Ween en gehuil
Geen overleeft

Vrije vers, fragment…
Dan is het stil
Alsof de storm
Zijn taak heeft volbracht
Geen vleugje wind
Is meer te voelen
En ik sta verslagen
Te kijken naar het lijk
Terwijl de regen zachtjes neervalt
Als was het bang
Nog iets kapot te maken.
Aan de gedichten kan de leraar goed aflezen waar zijn leerlingen op dat moment mee bezig zijn. De ondergang van mens en wereld is voor het meisje dat beide gedichten geschreven heeft blijkbaar een centraal thema.
.
(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

8e klas Nederlands: alle artikelen

 

Nederlandse taal: alle artikelen

 

 

471-437

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 6e klas (1)

.

taal klas 6 1

Is dat echt gebeurd of niet? vraagt de zesdeklasser als de juf net een verhaal verteld heeft. Als zij bevestigend antwoordt, zet hij een serieus gezicht en laat de inhoud nog eens goed tot zich doordringen. Het verhaal is nu sterk in waarde gestegen.

Sommige zesdeklassers groeien je al bijna boven het hoofd. Wel lang, maar tot hun verdriet nog dun en houterig: Pippi Langkousbenen op grote voeten. Met armen en handen is het al net zo gesteld. Oh die grote handen, zo onwennig. Waar moet je ze laten? De niet modebewuste jongens lopen door hun uitschietende groei vaak met een te korte lange broek. Bij sommige meisjes verschijnen hier en daar al kleine pukkeltjes op voorhoofd en neus. Medelijden en heimelijke spot van de klasgenoten zijn genoeg om de onzekerheid te laten zegevieren.

Strenge, maar rechtvaardige wetten wenst de zesde klas. Soms krijgt de juf commentaar op haar tolerantie: Dat je hem daar geen straf voor geeft! Als de juf daarop vraagt: Wat zou jij dan voor straf geven als jij de juf was?, dan krijgt zij de meest overdreven straffen te horen, zoals: Een héél boek overschrijven. Onderling zijn ze niet erg mild voor elkaar.

De vang- en bevrijdspelletjes die de kinderen altijd met veel pret buiten speelden, moeten plaats maken voor serieuze sporten. Het is nu niet meer de lol, maar de prestatie die gaat tellen. Ze kunnen niet genoeg krijgen van slagbal of kastie. Met dezelfde inzet stellen zij bijvoorbeeld een klasse- of clubkrant samen. Iedereen moet daar zijn bijdrage voor leveren. Lange discussies worden gevoerd om nieuwe ideeën te bespreken en het werk te verdelen. Of zij richten een kookclub op waarbij jongens en meisjes om de beurt bij elkaar gaan koken. Zelfgemaakte bloemkool smaakt nu ineens, vooral zonder ouders, veel lekkerder.

De twaalfjarigen willen niets liever dan met elkaar en zonder het wakend oog van de volwassene hun gang gaan, of het nu werken betreft of andere activiteiten.

Uit de leerstof in de zesde klas
Werklust, dat typeert de twaalfjarige. Hij wil aan de slag! Geen onzin meer, maar meteen iets doen.

Een zesdeklasser weet uitstekend wat hij kan en is goed in staat om in groepjes te werken. Wanneer in deze klas een groep op moeilijkheden stuit, zal deze net zolang doorgaan en oplossingen zoeken tot het voor elkaar is. Ze beschouwen hun gekozen werk als een echte klus en ze zullen deze klaren, ook al moeten de kinderen daarvoor in het speelkwartier of na schooltijd doorgaan.

De afdeling „Studieboeken” van de Openbare Bibliotheek wordt ontdekt en wekelijks met grote nieuwsgierigheid afgestroopt. De geschiedenis en de vertelstof vallen dit jaar samen. De twee periodes gaan over Rome en over de Middeleeuwen.

Kinderen op die leeftijd vertonen, in het klein natuurlijk, een aantal overeenkomsten met de robuuste en werklustige Romeinen. Daardoor kunnen zij onbewust veel van zichzelf herkennen in de verhalen.

De Romeinen waren een hard werkend en ondernemend volk: wegen, bruggen en aquaducten werden aangelegd. De resten daarvan, die we in deze tijd nog kunnen vinden, getuigen van oersterke kwaliteit. Zij hadden wel minder fantasie en gevoel voor schoonheid dan de Grieken, hun werk was meer rechttoe, rechtaan en functioneel. Ook hadden de Romeinen minder ontzag voor hun goden dan de Grieken. In de latere Romeinse tijd gingen sommige keizers zelfs zo ver, dat zij zichzelf tot god verhieven.

De expansiedrang nam buitengewoon grote vormen aan. In het leger heerste een perfecte organisatie en de soldaten onderwierpen zich met overgave aan de algemene discipline. De wetten waren streng, maar voorbeeldig. Alle Romeinse burgers kregen gelijke rechten. In de decadente tijd werd de keizer steeds meedogenlozer. Bloedige gladiatoren- en beestengevechten moesten tot het bittere einde worden uitgevochten tot vermaak van het publiek.

Van de Christenvervolging in de Romeinse tijd volgen we de draad naar de Middeleeuwen. Het is voor de kinderen een groots beleven, dat de Christenen levend onder het Romeinse juk vandaan zijn gekomen en vooral dat de Christenen pal bleven staan voor hun geloof.

In de zesde klas komen ook de Islam en het leven van Mohammed ter sprake.

Het hof van Karei de Grote steekt schril af tegen het schitterende hof van zijn Arabische tijdgenoot Harun al Raschid, een hoogtepunt van verfijnde cultuur en wijsheid, zoals de geschiedenis zelden heeft gekend.

Bij het rekenen is het van belang dat er opgaven uit het praktische leven komen. In de zesde klas staan renteberekeningen centraal. De opgaven worden gezamenlijk uit het hoofd uitgerekend. Leerkracht en kinderen vinden samen de renteformule uit. Net als bij grammatica: een lange weg van realiteit naar abstractie.

In de aardrijkskundeperiode worden de klimaten en de vegetaties over de gehele wereld behandeld en daaraan gekoppeld het verband met de stand van de hemellichamen. We volgen de loop van grote rivieren door de gebergten en zien welke invloed rivieren en bergen op elkaar uitoefenen. Door verschillende landschappen te boetseren, te schilderen en te tekenen worden ze niet alleen aanschouwelijk gemaakt, maar in zekere zin ook door de kinderen herschapen. Graniet- en krijtgebergten, waaruit alle gesteenten van de aarde afkomstig zijn, komen uitgebreid terug in de mineralogieperiode.

Voor natuurkunde worden eenvoudige voorwerpen uit de gebieden licht, geluid, warmte, magnetisme en elektriciteit gekozen. Het is het begin van een concentrische opbouw. In de zesde klas is het nog een onderzoekend spel met prisma’s, muziekinstrumenten, magneten, de Van der Graaf generator, enzovoorts. De kinderen moeten spelenderwijs kunnen ontdekken en enthousiast worden voor de natuurkundige verschijnselen, zodat ze een klankbodem voor dit vak krijgen. Het gaat niet om de uitleg of de verklaringen van die verschijnselen. Er zou een sfeer van verwondering moeten heersen, van doe, kijk en verbaas je.

Ook in de meetkundeperiode gaat het om de aanleg van een gevoelsrelatie met het vak. [1] Door cirkelverdelingen of verschuivingen van driehoeken ten opzichte van elkaar kunnen de mooiste figuren ontstaan. Wanneer deze uitwaaierende vormen kleur krijgen, worden het schilderijen, waard om in een museum te worden opgehangen. De kinderen leren omgaan met de instrumenten die om fijne motoriek vragen. Elke minimale afwijking van lijn of cirkel kan voor de gehele figuur desastreuze gevolgen hebben.

Over het Nederlands in de zesde klas

Spreken
Om de spraak beweeglijk te houden en om bij slordig sprekende kinderen de spraak meer in het bewustzijn te brengen, doet de leerkracht allerlei gekke, maar wel heel moeilijke spraakoefeningen met ze:

Bram, de brave broer van breiende brouwende Brielse Brechtje, bracht in zijn bronsbruin broekje een bril en een bros gebroken bruin brood zonder brommen of brullen over de brede brug te Breukelen.

Pak, hak kwiek, breek krakend dikke eiken stokken.

De volgende oefeningen moeten steeds sneller worden uitgesproken en zijn een uitdaging voor het concentratievermogen:

Knaap, de knappe kapper, knipt en kapt knap, maar de knecht van Knaap, de knappe kapper, knipt en kapt knapper dan Knaap, de knappe kapper, knippen en kappen kan.

Professor Pruttelaar pruttelt prietpraat uit protest.

Grammatica
Modaliteit. Omdat tussen het twaalfde en veertiende jaar allerlei vage wensen en verlangens steeds vaker een loopje met het kind nemen, is het belangrijk dat het de realiteit en het gewenste leert te scheiden. Met stelopdrachten rondom wens en mogelijkheid leert het onderscheid te maken tussen hetgeen werkelijk is en hetgeen wenselijk of mogelijk is.

Maak een kort opstelletje onder de titel:

Mijn onvervulbare wens
Had ik dat maar nooit gedaan

De opdrachten kunnen ook minder persoonlijk gericht zijn:

Als de zon niet meer onderging…

Voor de kinderen is de inhoud van de stukjes natuurlijk het belangrijkste. Toch heeft de leerkracht ook een ander doel voor ogen: hij laat de klas ontdekken dat de werkwoordsvormen in de onvoltooid of voltooid verleden tijd staan. Dit merkwaardige tijdsgebruik geeft uitdrukking aan het feit dat het niet over de werkelijkheid gaat, maar over onwerkelijkheid.

We kunnen nu de aanvoegende wijs onder de aandacht brengen:

Lang leve de jubilaris! Men neme twaalf eieren.

Deze spaarzaam gebruikte uitdrukkingen op zichzelf maken geen enkele indruk op de kinderen. Om ze met de aanvoegende wijs te leren omgaan, kunnen zij een ouderwets recept van hun grootmoeder overschrijven of bij wijze van grap een handleiding maken over het omgaan met zichzelf of een bevriende klasgenoot.

Het redekundig ontleden van de zinnen
Rond het twaalfde jaar worden de kinderen rijp voor het bevatten van abstracte begrippen. Pas nu wordt de eigenlijke leer van de zinsbouw toegankelijk voor de meeste kinderen. Als je er eerder mee begint, plaag je de kinderen er alleen maar mee.

Ter introductie zou je de zinsbouw kunnen vergelijken met onze lichaamsbouw. Zoals we bij de mens van lichaamsdelen spreken, de romp, het hoofd, de armen en de benen, zo spreken we bij de zin van zinsdelen.

Eerst leren zij het gezegde te vinden. Het is dat deel van de zin dat een gebeuren, een daad of een toestand aangeeft:

Het paard steigert.

De bron waaruit het stamt of degene die het teweeg brengt, noemen we het onderwerp (Wie of wat doet het?). In bovenstaand voorbeeld het paard. De kinderen bedenken allerlei zinnen.

Wanneer zij de zinnen ook in de vragende vorm zetten, zien zij dat de plaats van onderwerp en gezegde veranderlijk is:

De keizer spreekt. Spreekt de keizer?

Aan de zin Hannibal verzint… ontbreekt iets. We moeten het aanvullen: Hannibal verzint een list.

Het deel dat de handeling van het onderwerp ondergaat, heet lijdend voorwerp. Het meewerkend voorwerp geeft aan, tot wie het onderwerp zich richt:

De dictator beloofde de tweelingbroers een tempel te bouwen.

De bijwoordelijke bepaling laat zien op welke manier het gaat, hoe het in tijd en ruimte staat, wat de oorzaak of het doel is. De kinderen moeten nu loskomen van de woorden en de abstracte functies ontdekken. Daartoe gebruiken zij gemakshalve eenvoudige tekens:

taal klas 6 2

taal klas 6 3

 

[2]

Stelopdrachten.
De kinderen zijn nu in staat om boven het alledaagse taalgebruik uit te stijgen. Het omgaan met taal, die mooier en moeilijker is, oefenen zij in gesprekken, in brieven, in opstellen en in navertellingen.

Beknoptheid, zakelijkheid en nauwkeurigheid worden bij het schrijven van zakelijke brieven geëist. Deze kwaliteiten kunnen ook ontwikkeld worden met het exact beschrijven van meetkundige constructies en natuurkundige proeven.

Ontleden: een brandende kwestie — een eerste periode
Wanneer de kinderen het lokaal binnenkomen, zien zij tot hun verbazing op elke bank een steen en een blaadje papier liggen. „Hè, de mineralogieperiode is toch afgelopen. We zouden vandaag toch met taal beginnen?” De opdracht die ze krijgen vormt de overgang van de mineralogieperiode naar de taalperiode:

Beschrijf uitvoerig en precies hoe jouw mineraal eruit ziet. Je beschrijving moet minstens een kant van je blad vullen.

De ruwe stukken rozenkwarts, opaal, amethist, agaat, toermalijn en bergkristal worden aan onderzoekende blikken onderworpen. De leraar heeft voor ieder kind een mineraal uitgezocht dat het aankan. Een heel goede waarnemer bijt zijn tanden nog net niet stuk aan een brokje pyriet, terwijl een minder nauwgezet kijker al een hele kluif heeft aan een stukje toermalijn. Wanneer enkele kinderen hun beschrijvingen voorlezen, let de klas goed op dat al het beschrevene op werkelijkheid berust. Zinnen als Ik vind dat… of Mijn steen geeft me het gevoel… worden afgekeurd.

Ter introductie van het redekundig ontleden vertelt de leraar een verhaal dat de komende dagen steeds een vervolg zal hebben. Het gaat over een ondergesneeuwd dorp, waar bij een boerderij brand uitbreekt. Het vrijwilligerskorps van de brandweer wordt gewaarschuwd. Iedere brandweerman moet iets doen voor hij naar de brand kan:

De slager gooit zijn mes neer.
De schoorsteenveger bergt zijn bezem op.
De sigarenboer sluit zijn winkel.
De bakker rukt zijn muts af.
De schoolmeester stuurt de kinderen weg.

Wat de persoonsvorm en het gezegde is, wisten de kinderen al. Nu vraagt de leraar: Wie spelen in deze zinnen eigenlijk de hoofdrol?
De kinderen maken een opsomming: de slager, de schoorsteenveger, de sigarenboer, de bakker, de schoolmeester. Zo leren zij wat het onderwerp is.

De volgende dag komt naar aanleiding van dezelfde zinnen het lijdend voorwerp aan bod.

Nadat eerst klassikaal geoefend is, leert de klas de volgende tekens:

taal klas 6 4voor het gezegde,

taal klas 6 5voor het onderwerp

en  taal klas 6 6voor het lijdend voorwerp.

Wanneer zij het erover hebben waarom voor het lijdend voorwerp een boogje wordt getekend, gaat iemand een licht op:

Als je in die boog zit, kun je er niet meer uit. Je kunt dan zelf niets doen, alleen maar afwachten wat een ander met je doet.

Nu moeten de kinderen zelf de oefenzinnen die ze gedicteerd krijgen, schriftelijk ontleden. De zinnen komen uit Romeinse verhalen. Sommige kinderen zuchten: Alwéér die Romeinen…

Wanneer de klas geen moeite meer heeft met het onderscheiden van het gezegde, het onderwerp en het lijdend voorwerp, wordt er weer een stap verder gezet.

Om het meewerkend-voorwerpteken taal klas 6 7
voor de kinderen zinvol te maken, doet de klas buiten een estafette met twee groepen. De lopers van beide groepen rennen op de heenweg aan de buitenkant en op de terugweg aan de binnenkant. Bij de bocht waar de terugweg begint, moeten de twee lopers uitkijken dat er geen botsing ontstaat. Ze moeten bij de bocht dus meewerken.
taal klas 6 8

Weer terug in de klas vervolgt de leraar zijn verhaal: de rivier bij de brandende
boerderij blijkt dichtgevroren te zijn. De brandweerlieden moeten eerst een gat in het ijs hakken, voordat de pomp zijn werk kan doen:

De schoolmeester geeft de slager een bijl.
De bakker geeft de smid een pomp.
De sigarenboer geeft de schoorsteenveger de brandslang door.

Bij de behandeling van het meewerkend voorwerp betrekt de leraar de estafette bij de uitleg: bij de bocht moest je meewerken, anders zou het fout lopen. Wanneer hij het meewerkend-voorwerpteken op het bord laat zien, roept een van de kinderen: Een edelman die iemand met zijn pluimhoed begroet, maakt net zo’n gebaar.

Nu is het beeld rond. Het teken laat zien dat je een beweging naar iemand toe maakt.

De oefenzinnen die de kinderen moeten opschrijven, maken toespelingen op gebeurtenissen in de klas:

Sommige jongens sturen hun vriendinnen briefjes.
Els geeft Piet een hap zoete chocolade.

Met hun ogen geven zij de leraar te verstaan dat zij doorhebben dat hij hen een beetje in de maling neemt. Na elke zin zijn ze al nieuwsgierig naar de volgende. Spannend vinden ze dit, vooral omdat zij deze toespelingen net niet kunnen ontzenuwen.

Bij de brandende boerderij is inmiddels ten behoeve van de bijwoordelijke bepaling van plaats een reporter van de plaatselijke krant gearriveerd. Hij kijkt goed uit zijn ogen, want hij moet de brand zo precies mogelijk beschrijven. In zijn notitieboekje krabbelt hij onder andere:

De vlammen lekken langs de dakgoot.
De knecht van de boerin valt in de greppel.
Lange ijspegels hangen aan de zwartgeblakerde vensters.

Pas wanneer de kinderen de geleerde zinsdelen goed kunnen ontleden, worden de grammaticaregels in het schrift geschreven.

We gaan terug naar de Romeinse tijd. In de geschiedenisperiode heeft de klas geleerd over de veroveringen, de heerschappij en de dood van Julius Caesar. Op de dag van de begrafenis spreekt Brutus, een van Caesars vrienden, maar tevens een der samenzweerders, op het Forum de terneergeslagen burgers toe:

Romeinen, burgers, vrienden, hoort mij aan bij het bepleiten van mijn zaak, en weest stil, opdat gij moogt horen. Indien er iemand in deze vergadering is, die een innig vriend van Caesar was, tot hem zeg ik, dat Brutus’ liefde tot Caesar niet minder was dan de zijne. En als die vriend dan vraagt, waarom Brutus tegen Caesar opstond, dan is mijn antwoord: Niet omdat ik Caesar minder liefhad, maar omdat ik Rome meer liefhad.

Dit is een gedeelte van de door Shakespeare geschreven rede. De kinderen hebben deze toespraak en het wederwoord van Marcus Antonius tijdens de taalperiode voorgedragen. In het begin klinken alle stemmen tegelijk, later krijgen groepjes afwisselend de beurt. Tussendoor brengen ook enkele kinderen een kort stukje alleen ten gehore.

Ook op andere wijze wordt de Romeinse welsprekendheid ten voorbeeld gesteld. Hiervoor gaan we nog verder terug in de tijd, namelijk naar Hannibals trektochten. Een jongen en een meisje krijgen de opdracht zich thuis voor te bereiden op de rol van een Romeins senator. De Carthaagse Hannibal is net over de Alpen gekomen en een van de twee senatoren moet een „toespraak” houden waarin hij de senaat oproept Hannibal met het leger tot staan te brengen. Hij moet een zelfbedachte tactiek onthullen. De tweede senator moet thuis voorbereiden waarom de legers juist niet naar het noorden kunnen, bijvoorbeeld omdat de schatkist bijna leeg is. De beide „heren” moeten morgen hun standpunt goed kunnen beargumenteren. Voor de senaat bijeenkomt, wordt van de tafels en stoelen een tribune gebouwd waarop de klas als toehorende senaat plaats neemt. De twee sprekers staan in het midden. Zij hebben een witte doek als een chiton om hun schouders geknoopt. Van te voren is afgesproken dat zij elkaar en de senaat met uiterste beleefdheid zullen toespreken. Wanneer de eerste senator zijn pleidooi inzet, is het stil op de tribune. Met onzekere stem ontvouwt hij zijn aanvalsplannen…

Soortgelijke taferelen spelen zich ook later in de periode af. Nieuwe senatoren, zowel mannelijke als vrouwelijke, die zich van te voren in andere problemen hebben verdiept, voeren met steeds meer gemak het woord. Sommigen blijken hun publiek handig te kunnen bespelen, zodat al naar gelang gejuich of gejoel van de tribune opklinkt.

Het Finse epos „Kalevala” — een tweede periode
De klas zal een schimmenspel maken van het eeuwenoude Finse epos Kalevala dat de leraar geruime tijd voor deze periode verteld heeft.

Bij kinderen rond het twaalfde jaar gaat de kinderlijke fantasie geleidelijk aan voor een groot deel plaats maken voor een meer verstandelijke, volwassen benadering. Om de kinderen te laten ervaren dat verhalen, rijk aan wonderlijke en fantasieprikkelende beelden niet alleen in de kinderwereld thuishoren, wordt voor de Kalevala gekozen.

Het poëtische begin van het verhaal, dat zich voor en tijdens het ontstaan van de wereld afspeelt, hebben ze nog maar vaag in herinnering. Daarom vertelt de leraar opnieuw elke dag een gedeelte, waarover de klas gedichten maakt. Van ieder kind worden mooiste regels uitgezocht en deze vormen samengevoegd de inleiding in dichtvorm:

Heel alleen in de wind,
door mistvlagen verblind,
verblijft een eenzaam kind.
Ilmatar leefde in de lucht,
zwevend op een zucht.

IJzig koud, groot en stil,
heel alleen,
tussen nevel en mist.
Lichtblauw, grijsblauw,
alle kleuren, grauw en licht.

Oneindige luchten,
diepe zuchten van de wind.
Heel alleen, ach, zo stil.
Stil verlangt zij naar de golven.

Wanneer Vainamöinen, de zoon van deze eenzame Ilmatar, die met zijn prachtige zangstem over wonderbaarlijke krachten blijkt te beschikken, een wijs man is geworden, komt er meer handeling in het verhaal: de onstuimige jongeman Joukahainen daagt de oude Vainamöinen op brutale wijze uit hun wijsheid en zangkunst te meten. Joukahainen mag beginnen: de jongen verkondigt echter zoveel prietpraat als wijsheid en hij zingt zo lelijk, dat Vainamöinen zijn geduld verliest en zonder meer begint te zingen. Zijn stem doet de besneeuwde takken van de dennebomen trillen, maar dat niet alleen… Verschrikt moet Joukahainen constateren dat de grond onder zijn voeten moerassig is geworden en dat hij daarin langzaam maar zeker wegzakt. Hij bidt en smeekt Vainamöinen hem te sparen. Deze is echter niet te vermurwen. De arme jongen doet de mooiste beloften: twee boten, twee wonderbaarlijke bogen, een muts vol goud, de hele hooioogst, maar de meesterzanger slaat ze allemaal af… todat Joukahainen zijn zuster als bruid belooft.

In groepjes gaat de klas uiteen om dit gedeelte van het verhaal al improviserend te spelen. Wanneer zij het later aan elkaar laten zien, blijkt ieder spel wel iets aantrekkelijks te hebben: een leuk gevonden uitspraak, een gezichtsuitdrukking of een karakteristieke beweging.
Na het spel van elke groep worden de beste momenten er uitgelicht, waarna ieder zijn eigen tekst schrijft van het gespeelde gedeelte:

(wanneer Joukahainen in wilde vaart op zijn slede door het besneeuwde landschap suist, komt hij in botsing met de slede van een oude man):

Vainamöinen:
Kun je niet uitkijken, onbesuisde jongeling.
Je weet toch dat de ouderen voorgaan.

Joukahainen:
Nou, bij ons ligt dat niet aan de leeftijd, maar bij ons gaat de wijste voor.
En dat ben ik!

Vainamöinen:
Zo, wat weet jij dan zoal?

Joukahainen:
Ik weet dat het licht wordt als de zon opkomt
en als de zon weer ondergaat, dan wordt het donker.
Ik weet ook dat de vissen in het water zwemmen en dat snoeken graag baarzen eten.

Vainamöinen:   En wat weet je nog meer?

Joukahainen:
Ik weet dat gevleugelden kunnen vliegen
en dat de zeerobben van ijsschotsen houden.

Vainamöinen:
Maar weet je dan geen echt belangrijke dingen?

Na een week op deze wijze gewerkt te hebben, geven sommige kinderen te kennen geen zin meer in het schrijven te hebben. De te trage werkwijze moet veranderen. Ieder kind kiest voor het werk waartoe het zich het meest voelt aangetrokken: tekst schrijven, muziek maken, decors schilderen, rekwisieten maken of toneelspelen. Alle verloren hoeken en gaten in de school worden bezet en dagelijks komen vrienden en ouders te hulp.

Steeds vertelt de leraar een kort deel van het verhaal. Daarna gaat iedereen aan het werk om drie kwartier later in de klas aan de andere groepen te laten zien wat ze gedaan hebben. De muziekgroep maakt met behulp van een piano, een gitaar, een dwarsfluit, pauken, xylofoon en triangels dreigende geluiden, vrolijke bruiloftsmuziek, ijle luchtklanken en Vainamöinens krachtige liederen.

De eerste keren heeft vooral deze groep een goede begeleiding nodig, maar later kunnen de muziekkinderen het ook vaak alleen af. De manier waarop zij hun zelfbedachte muziek noteren, is voor hen heel helder, maar voor anderen geheimschrift. De schilders maken met waterverf decors op schilderpapier: de lucht, een rustig kabbelende zee, huizenhoge golven, het interieur van een boshut, een besneeuwd dennenbos, een smederij, een berglandschap bij maanlicht. Van deze kleine schilderingen worden dia’s gemaakt. Wanneer de diaprojector deze op een grote spiegel projecteert, wordt het beeld levensgroot weerkaatst op het scherm. Als de kinderen achter dit scherm spelen, bewegen hun schimmen zich in de kleurige decors. Voor de speler is het een veilig gevoel om een scherm tussen zichzelf en de toeschouwers te hebben. Doordat ze niet oog in oog met het publiek hoeven te staan, schudden ze gemakkelijk alle verlegenheid van zich af. Toch heeft ook deze speelwijze zijn speciale eisen: de spelers moeten goed gearticuleerd spreken omdat het scherm veel geluid tegenhoudt, zij moeten zich voortdurend en profile laten zien en zich steeds bewust zijn van iedere beweging die zij maken. Elk nerveus handengewapper of gewriemel wordt op het scherm een lachwekkend gebaar.

De zeer vindingrijke rekwisietengroep die zich, door James-Bondfilms geïnspireerd, liever de groep van de speciale effecten noemt, maakt van het karton van lege dozen platte sleden, een roeiboot, golven die zacht, maar ook wild kunnen bewegen, zwaarden en een ploeg. Een vishengel laat aan zijn onzichtbare lijn een houten eend door de lucht klapwieken. Boterhampapier voor de lens veroorzaakt dichte mist op zee.

De tekstschrijvers helpen als zij klaar zijn met hun werk de spelers met het instuderen van hun rol en de decorschilders maken aankondigingen van het schimmenspel om in de school op te hangen.

Natuurlijk loopt niet alles zo glad als hier lijkt. Integendeel, soms heeft zelfs de leraar spijt van de hele onderneming. Onderlinge ruzietjes in de groepen, ik-doe-het-niet-meer gemok, rekwisieten die alsmaar kapot gaan, collega’s die uit hun klas komen met het vriendelijke maar besliste verzoek of het niet wat zachter of ergens anders kan, een zaal die zich niet zomaar laat verduisteren en nog veel meer brengt de begeleiders vaak tot wanhoop.

Maar wanneer op een zonnige zomeravond de klas het stuk voor ouders en familieleden opvoert, is al het leed vergeten. Alle kinderen zijn vol verwachting en gespannen. Bij de start gaat echter al iets mis: gegrinnik in de zaal, dus paniek achter het scherm! Welke gek heeft aan de projector gezeten? De decors wisselen om de drie seconden, wat niet de bedoeling was. Wanneer de automatische bedieningsknop op „uit” is gezet, kalmeren de gemoederen snel. En dan gebeurt het wonder dat ieder die met kinderen toneel speelt, wel eens meemaakt.

Het is net of het spel het brandpunt van de wereld is geworden: alle krachten zijn gebundeld in de gebeurtenissen op, rond en onder de planken.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] M.i. niet alleen een ‘gevoels’ relatie. Op deze leeftijd ontstaat het eerste vermogen om objectief te denken, d.w.z. los van eigen sympathie en antipathie. In meetkunde komt dit tevoorschijn in het bewijzen van stellingen (Pythagoras!) of, eenvoudiger, waarom is de som van de hoeken van een driehoek 180′ . Enz.

[2] M.Tittmann: Deutsche Sprachlehre der Volksschulzeit

.

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

.

468-434

.

VRIJESCHOOL – 5e klas -Nederlandse taal (1)

.

taal klas 5 1

Na de stormachtige periode in de vierde klas keert de rust in de vijfde langzamerhand weer.

Een vijfdeklasser gaat zich verdiepen in het gedrag van zijn klasgenootjes en probeert te begrijpen waarom de ander niet zus, maar zo doet:

Juf, het is zo gek hè, maar ik vind de kinderen zo anders worden, zo ingewikkeld. Eerst vond ik de kinderen of leuk òf stom, maar nu kun je dat niet meer zomaar zeggen.

Dat ze genuanceerder gaan denken, is ook goed te merken in de omgang: ze helpen elkaar, springen voor aangevallen klasgenoten in de bres en troosten waar dat nodig is.
Voor het eerst wordt hier en daar met voorzichtige grapjes op elkaar gereageerd en het begint een leuke sport te worden om een ander op de kast te jagen. Ook de relatie tot volwassenen verandert; plotseling begint het kind zich van hen los te maken. De klas ontdekt dat ze als groep meer macht kunnen hebben dan de leerkracht. Zijn alwetendheid wordt aangetast omdat blijkt dat boeken ook antwoord op vragen kunnen geven.

De elfjarige vindt het heerlijk om in atlassen en encyclopedieën te bladeren en te snuffelen. Tijden kan hij over de kaart gebogen zitten zonder er genoeg van te krijgen. In plaats van fantasietekeningen maken de kinderen dan ook liever landkaarten. Het fantasiespel binnenshuis gaat verdwijnen voor bordspelen. Op regenachtige dagen zit de halve klas in het speelkwartier te dammen, de andere helft kijkt toe en geeft raad. Met gewichtige gezichten bewonderen ze elkaars postzegelalbums en alles wat volgens de laatste rage verzameld dient te worden, wordt verhandeld en geruild.
De vijfdeklasser is geïnteresseerd in de samenhang tussen wat in hemzelf leeft en wat hij in de buitenwereld vindt. Geleidelijk aan krijgt hij zo meer vat op de wereld.
Het uiterlijk van de kinderen begint meer en meer uit de verf te komen. Er komt meer tekening in het gezicht; de bewegingen worden soepeler. Het kind ziet er gezond en bloeiend uit.

Uit de leerstof in de vijfde klas
Het opkomen van het verstandelijk begrip wordt in de Griekse mythologie en historie mooi weergegeven. Het orakel van Delphi geeft raadselachtige spreuken, die de mens pas kunnen helpen als hij door eigen denken de oplossing vindt. De goden hebben menselijke eigenschappen en daarmee ook menselijke onhebbelijkheden. Zij bieden niet zomaar hulp, de mensen moeten zelf ook iets doen. Na de autoriteitscrisis van de vierde klas richten de kinderen hun bewondering op de Griekse helden, zoals de sterke Heracles en de slimme Odysseus.

Bij het rekenen wordt het metrieke stelsel behandeld. Men gaat uit van menselijke maten, zoals el, voet en duim, en maakt dan de overgang naar de abstracte maten van het gangbare metrieke stelsel. Tiendelige breuken, in schrijfwijze veel abstracter dan de gewone breuken, worden geleerd en onder andere toegepast in eenvoudige procentberekeningen.

Bij de plantkunde worden de verschillende stadia behandeld: paddenstoelen, korstmossen, algen en wieren, mossen, varens, eenzaadlobbigen en tweezaadlobbigen.

Bij de menskunde wordt voorzichtig ingegaan op de ontwikkeling van baby tot puber.

De aardrijkskunde laat zien hoe over de hele wereld mensen voor elkaar aan het werk zijn. Je kunt bijvoorbeeld van het kopje thee uitgaan dat je ’s ochtends gewoontegetrouw bij je ontbijt drinkt. Mannen, vrouwen en kinderen in Sri Lanka verbouwen en oogsten die thee onder de brandende zon. Handelaren keuren en kopen het en zeelieden brengen het met hun schip naar de Rotterdamse haven. Daar wordt het door de havenarbeiders gelost. Voor het naar de winkels gaat, wordt de thee gewogen en verpakt.
De leraar probeert zo kleurrijk mogelijk te vertellen welke gang het product moet gaan. Zo worden in de klas grote denkbeeldige reizen meegemaakt.

De geschiedenis van de Oude Wereld laat onder andere zien hoe de verschillende volkeren omgaan met de dood. De Indiërs beschouwen het leven op aarde als schijn en het leven na de dood als werkelijkheid. De Egyptenaren daarentegen hechtten zoveel waarde aan het aardse leven, dat ze hun doden allerlei aardse gebruiksvoorwerpen en sieraden meegaven, opdat het hen na de dood in materieel opzicht aan niets zou ontbreken. Een van de mooiste verhalen die in de vijfde klas verteld kunnen worden, is het meer dan 4000 jaar oude Assyrische verhaal over koning Gilgamesj. Deze gaat, nadat hij voor het eerst met de dood geconfronteerd wordt, op zoek naar de onsterfelijkheid. Na vele omzwervingen leert hij te aanvaarden dat ook hij aan de dood zal moeten toegeven.

Over het Nederlands in de vijfde klas

Spreken
Dit is het jaar van de hexameter, het metrum waarin Homerus zijn Ilias en Odyssee schreef. Aanvankelijk stuit het reciteren bij de kinderen op enige weerstand, maar eenmaal bezig, kunnen ze er vaak niet genoeg van krijgen. Nee, niet ophouden, het gaat netzo lekker! Het ritme is krachtig, doch rustgevend.

Stevig snoerden zij mij met een goedgedraaid touw aan de banken
Vast van het schip en gingen er uit en namen een maaltijd,
Vlug aan het strand van de zee. Maar vanzelf ontknoopten de Goden
Maklijk mijn boeien…

(Odyssee, vertaling A. W. Timmerman)

Vaak lópen de kinderen de gedichten. De ene keer met bedaarde stappen in de maat, terwijl zij samen het gedicht reciteren, de andere keer echt in het ritme, dus met lange en korte passen. Dan reciteert de leraar alleen, want èn spreken èn in het ritme lopen is wel erg moeilijk. Het kan ook zo dat de ene helft van de klas loopt, terwijl de andere helft reciteert.

Lezen
Bij de leesteksten wordt gelet op de stijl. De leraar zoekt teksten met korte, afgebeten zinnen of juist teksten vol bijzinnen en uitvoerige overpeinzingen. Het gaat erom wat de kinderen gevoelsmatig ervaren bij de verschillende stijlen. Op deze manier wordt nu de grondslag gelegd voor wat later een logisch en intellectueel begrip moet worden.

Grammatica
De lijdende en bedrijvende vorm.
Letterlijk genomen heeft de uitdrukking lijdende vorm een negatieve betekenis. Toch kunnen zinnen in de lijdende vorm uitdrukking geven aan iets positiefs:
Eerst werd het jongetje door zijn vader gebaad, waarna het door zijn moeder wordt gevoed.
Het is dus niet per se noodzakelijk dat we in de lijdende vorm het slachtoffer zijn.

Nog nooit werd in de taal de lijdende vorm zo vaak gebruikt: de groente wordt gekweekt, het brood wordt gebakken, de krant wordt bezorgd, reizen worden georganiseerd. Daarmee blijft onzichtbaar wie het werk verricht.

Hoewel de leraar de lijdende vorm met sympathie heeft geïntroduceerd, stimuleert hij de kinderen de bedrijvende vorm vaker te gebruiken omdat deze vorm sterker tot onze verbeelding spreekt.

Als oefening kunnen de kinderen passieve zinnen in de actieve vorm zetten:

In de stad wordt muziek gemaakt.
–  De fanfare maakt muziek in de stad.
–  De orgeldraaiers maken muziek in de stad.

Wie de muziek maakt, mogen de kinderen zelf bedenken.

De directe en indirecte rede
De directe en indirecte rede geven ons een goede gelegenheid om op een bepaald aspect van de sociale omgang dieper in te gaan.

Het maakt veel uit of je je eigen mening geeft of die van een ander weergeeft. Dit onderscheid valt voor de meeste kinderen niet mee.

Wanneer je letterlijk citeert wat een ander gezegd heeft, moet je even van je eigen mening afzien en je in de ander inleven. Wanneer je echter vertelt over wat een ander gezegd heeft, moet je erop letten, dat je er niet onbewust iets van jezelf bijvoegt en zo de woorden niet helemaal feitelijk weergeeft. Dit laatste is oorzaak van menige ruzie. Het oefenen met directe en indirecte rede ontwikkelt het sociale verantwoordelijkheidsgevoel.

De kinderen kunnen allerlei dialogen schrijven uit hun eigen leefwereld, bijvoorbeeld:
Wat de meester en de telaatkomer tegen elkaar zeiden of Hoe Kees en Willem ruzie kregen, of op een hoger plan uit de leer- en vertelstof: Een gesprek tussen Pallas-Athene en Ariadne.

De trappen van vergelijking en het bijwoord
Hoe kunnen wij de drie trappen van vergelijking voor de kinderen interessant maken? Veel voorbeelden vinden we bij de kinderen zelf:

Vorig jaar waren jullie groot, sterk, slim, handig en sportief. Dit jaar zijn jullie groter, sterker, slimmer, handiger en sportiever. Het liefst zouden jullie het grootst, het sterkst, het slimst, het handigst en het sportiefst zijn.

Vele voorbeelden van de overtreffende trap zijn te vinden in de sportwereld. In het kader van de vertelstof zoeken we ze in de Griekse heldenverhalen of de Olympische Spelen.

Het is leuk om de kinderen erop attent te maken dat de groei bij de vergrotende trap tot uitdrukking komt in de beweeglijke letter r aan het eind — Hector is dapperder dan Paris — en dat bij de overtreffende trap met st tot stilstand komt wat bij de vergrotende trap nog in beweging was: Odysseus is het slimst.

Bij de behandeling van de vergrotende en de overtreffende trap krijgen we vanzelf te maken met bijwoorden: Hij lacht het hardst. Een mooie gelegenheid om nog eens de aandacht te vestigen op het verschil tussen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Je kunt het grappig maken door het bijvoeglijke naamwoord en het bijwoord tegengestelde betekenissen te geven:

De snelle marathonloper liep langzaam toen hij zag dat zijn veter los zat. De deftige dame liep gillend op de vechtende tekkels af.

Directe en indirecte rede — een eerste taalperiode
Wanneer de les is begonnen, lijkt het of we ons in het oude Griekenland bevinden. De beginregels van de Odysse klinken als één stem uit vijfentwintig monden:

De zangerige klanken van de Griekse taal worden vloeiend door het metrum gedragen. Het duurt niet lang of de kinderen kennen de tekst uit het hoofd, zodat zij ook kunnen lopen in de maat van het gedicht. Daartoe worden de tafels en stoelen aan de kant geschoven. Het duurt een tijdje voor de kinderen achter elkaar in de kring staan. Allemaal met de rechtervoet beginnen. Schoorvoetend en lacherig worden de eerste stappen in de maat van het vers gezet.

Sommigen trappen hun voorganger op de hielen en krijgen als antwoord een duw terug. Anderen lopen met een zorgvuldig bestudeerde nonchalance, alsof ze door de Kalverstraat slenteren. Al doende echter wordt de kring een gelijkmatig geheel.

De stap die gezet wordt in de stilte van de cesuur, accentueert de harmonie tussen het ritme en de maat. Hoewel de kinderen zich dit niet bewust zijn, voelen zij dit laatste wel degelijk. Wanneer zij de klas na afloop weer op orde brengen, is de stemming merkbaar anders dan vóór het lopen.

Even later luisteren de kinderen naar de streken van Tijl Uilenspiegel. Tijl is in dienst bij een boer en volgt diens instructies zo letterlijk op. dat alles fout loopt.

Wanneer hij in opdracht van zijn baas een zak erwten in de stad heeft gekocht, krijgt hij op de terugweg al gauw genoeg van zijn zware last. Als hij op de top van een heuvel staat uit te blazen, herinnert hij zich wat de boer hem de vorige keer heeft geleerd toen hij met een paar gestikte biggen van de markt was gekomen. Hij had Tijl toen boos toegesnauwd dat je zoiets voor je uit moet drijven. Dit brengt Tijl op een briljant idee. Hij knoopt de zak open en schudt hem leeg. zodat alle erwten van de heuvel afrollen. Vrolijk zingend komt hij thuis met de lege zak over zijn schouders. Wanneer de boer argwanend vraagt waar zijn erwten zijn gebleven, antwoordt Tijl dat ze zó wel zullen komen. De boer begrijpt dat hij naar zijn erwten wel kan fluiten en roept woedend dat Tijl de zak aan een touw op zijn rug had moeten hangen. Tijl belooft zijn baas dat hij daar de volgende keer aan zal denken. Hoe de geit, die Tijl een week later kopen moest, aan zijn einde is gekomen, valt nu niet moeilijk meer te raden.

Twee kinderen mogen voor de klas komen om Tijl en de boer na te spelen. De andere kinderen krijgen de opdracht vooral goed te onthouden wat de spelers zeggen:

De boer zei, dat Tijl een zak erwten in de stad moest kopen. Als deze zin in de indirecte rede op het bord is geschreven, moeten de kinderen bedenken hoe het precies is gezegd:

De boer zei: „ Tijl, je moet in de stad een zak erwten kopen”. [1] Het gedeelte tussen de aanhalingstekens wordt in kleur geschreven. Enkele andere voorbeelden volgen:

Tijl antwoordde dat het goed was en dat de baas hem maar geld moest meegeven.

Tijl antwoordde: ,,Goed baas, geef me maar geld mee”. De boer vroeg waar zijn erwten waren. ,, Waar zijn mijn erwten?”, vroeg de boer.

Hoewel de lerares de leestekens wel op het bord gebruikt, zegt zij er nog niets over. Sommige kinderen merken de aanhalingstekens op, kijken er nog eens extra aandachtig naar en fronsen het voorhoofd. Anderen zien de tekens niet eens.

De volgende dagen vertelt de lerares steeds een korte episode uit het leven van Tijl, wat gevolgd wordt door een rollenspel en het zeggen en opschrijven van enkele zinnen in de directe in indirecte rede. Al gauw maken de kinderen gebruik van de leestekens. Nu kunnen ook ingewikkelder zinnen in de directe rede behandeld worden:

„Jij driedubbele ezelskop”, schreeuwde de boer, „begrijp je dan helemaal niets?”

De dwaze Uilenspiegel wordt nu even aan de kant geschoven. De klas gaat zelf zinnen bedenken. De lerares geeft een voorbeeld, dat de kinderen enigszins verbaast:

De keukenmeid brulde van verdriet: ,,De soep is gelukt!”

Dat kan niet, vinden de kinderen en zij slaan druk aan het overleggen hoe het wèl moet:

De keukenmeid brulde van verdriet: ,,De soep is mislukt!”

Zelf maken ze bij voorkeur voorbeelden waarin de gemoedsstemming niet overeenkomt met hetgeen in de directe rede staat:

De boze buurvrouw snauwde:,, Wil je een koekje, schatje?” „Kindje”, lachte moeder, „nu krijg je billenkoek”.

De juiste versie van deze zinnen zetten de kinderen later in de indirecte rede. Ter oefening krijgen de kinderen teksten waarin zij de directe rede moeten veranderen in de indirecte rede, behalve daar waar de directe rede toepasselijker is. Of zij moeten in teksten met indirecte rede de directe rede aanbrengen waar dit het meest zinvol is.

Het schip aller tijden — een eerste taalperiode
In deze periode zullen de werkwoordsvervoegingen centraal staan.

Hoewel de kinderen hiermee in de vierde klas ruimschoots geoefend hebben, lijkt het dit jaar weer splinternieuw omdat ze nu de spellingsregels beginnen te ontdekken.

Met Het schip aller tijden, dat de leraar levensgroot op het bord getekend heeft, komen de kinderen voor het eerst in aanraking met alle werkwoordstijden.

Wanneer de kinderen dit in hun schrift hebben nagetekend, doen zij een seinspel, dat ondanks het speelse karakter een groot beroep doet op het denkvermogen. De leraar zet voor de klas twee tassen naast elkaar met een onderlinge afstand van ruim twee meter. De linkertas is de plaats van de voltooide mast, de rechter tas die van de onvoltooide. Een meisje wordt uitgenodigd als seingever op het schip te komen staan. Wanneer de leraar een zinnetje zegt, bijvoorbeeld Ik reis, moet de seingever bij de juiste mast gaan staan, met de armen de plaats van de juiste werkwoordstijd aangeven en daarbij de ingewikkelde naam van de werkwoordstijd zeggen:

taal klas 5 3

De eerste leerling wordt het nog niet zo moeilijk gemaakt. De leraar zegt slechts zinnetjes met de werkwoorden die op de zeilen staan geschreven en de tekening op het bord biedt nog de nodige houvast.

Maar de daarop volgende dagen worden de seinopdrachten steeds pittiger. De leraar noemt nieuwe werkwoorden, zodat de kinderen elke keer opnieuw even moeten nadenken. Later moeten zij het zonder de hulp van het bord stellen.

taal klas 5 4Wanneer de kinderen eenmaal goed aan dit sein-spel gewend zijn, verzint de leraar allerlei variaties. In plaats van hemzelf dicteren de kinderen om beurt de nieuwe zinnetjes of hij noemt een werkwoord, bijvoorbeeld klimmen, gaat zelf op het schip staan en laat de kinderen zeggen welke tijd hij aangeeft: Ik zou klimmen, onvoltooid verleden toekomende tijd.

taal klas 5 5

Wie meent dat deze oefeningen onzinnig zijn, zou het zelf eens moeten proberen. Hoewel de spellingsregels met behulp van ’t Kofschip hier erg toepasselijk lijken, gebruikt de leraar hen nog niet in de vijfde klas.

Om te weten of een voltooid deelwoord eindigt op een d of een t, moeten de kinderen het woord in de verleden tijd zetten, zodat zij via het gehoor achter de juiste spelling komen:

wandelde   –   gewandeld    fietste   –   gefietst

Om te weten of een werkwoord zwak of sterk is, geldt in de vijfde klas maar één regel: verstand op nul, zég het werkwoord maar! moedigt de leraar aan.

Opmerkelijk is, dat de kinderen het, juist door er niet over na te denken, altijd bij het goede einde hebben. Verstand op nul, zeg het maar, zijn tijdens deze periode gevleugelde woorden geworden.

De lerares die twee keer in de week Franse les geeft in deze klas, heeft de leraar gevraagd om elke ochtend een Frans gedichtje met de kinderen te reciteren, zodat zij wat vaker Frans kunnen spreken.
Terwijl de leraar hiertegen geen enkel bezwaar heeft, blijken de kinderen wel degelijk bezwaar te maken:
We doen het al genoeg met de Franse juf.
Zo komt de leraar ermee in zijn maag te zitten. Omdat bij een groot aantal kinderen het vervoegen van de werkwoorden moeizamer gaat dan hij verwachtte, bedenkt hij hoe het mes aan twee kanten zou kunnen snijden.

In vier rijtjes op het bord laat hij zien hoe de Nederlanders, de Engelsen, de Fransen en de Duitsers hun regelmatige werkwoorden vervoegen. Samen met de kinderen bekijkt hij welke bijzonderheden de verschillende talen tonen.

bijvoorbeeld, is in het Nederlands de tweede persoon enkelvoud, terwijl het in het Frans de tweede persoon meervoud is. In het Nederlands spreken we van hij, zij en het, terwijl het Frans slechts il en elle kent. Op verzoek van de klassenleraar gaan ook de Franse en de Duitse lerares gedurende deze weken tijdens hun les met de kinderen werkwoorden vervoegen. Door de afwisseling in de herhaling krijgen de kinderen plezier in het schrijven van de vervoegingsrijtjes. [2]

Bij de bedrijvende en de lijdende vorm, vertelt de leraar gaat het om inzet. Je geeft inzet of je ontvangt inzet. Ter illustratie schetst hij een situatie die zich in de Middeleeuwen zou hebben kunnen afspelen:

Een bakker bakt drie manden vol lekkere broden. Eén brood is voor zijn eigen gezin, maar de rest is voor andere mensen bestemd. Hij laadt de manden op zijn kar en gaat ermee naar de markt. Daar komt ook een boer met een kist vol rode kolen. De boer ruilt met de bakker een kool voor een brood. Zij ruilen inzet voor inzet. De bakker heeft de boer nodig en de boer heeft de bakker nodig.

Wanneer de leraar een verbinding legt met onze tijd en vertelt hoe we nu persoonlijke inzet ruilen voor geld, geeft hij ook enkele voorbeelden van hoe we inzet tegen inzet kunnen ruilen, bijvoorbeeld een vriendendienst of een burenhulp. Een van de kinderen reageert hierop met: Ja maar meester, als jij brood koopt, wat is dan jouw inzet? Oh, heel eenvoudig, antwoordt deze, ik heb een zoon van de bakker in de klas. Die brengt me trouwens ook nog elk weekend een taart. Als door een zwerm wespen gestoken veert de hele klas op. Is dat zo? klinkt het ongelovig.

Twee kinderen zijn nu de bakker en de boer op de markt. Eerst spelen zij de ruilhandel op hun eigen manier, maar ter afsluiting zegt de bakker: Ik bak het brood. De rode kool wordt door de boer verbouwd. De boer voegt daar het zijne aan toe: Ik verbouw de rode kool. Het brood wordt door de bakker gebakken. De klas gaat nu in groepjes allerlei situaties verzinnen, waarin een ruil wordt gedaan. Wanneer enkele groepen dit voor de klas spelen, moet daarin op een bepaald moment de bedrijvende en de lijdende vorm tegenover elkaar worden gezet: Ik kietel Berend. Ik word door Berend achterop de fiets genomen. Ik neem Suzanne achterop de fiets. Ik word door Suzanne gekieteld.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

[1] De plaatsing van de aanhalingstekens is voor velen lastig. Dit wordt erover gezegd:
Volgorde punt – aanhalingsteken
Vraag:
Komt de punt binnen het aanhalingsteken te staan in de volgende zin? Hij zei: ‘Ik heb dat boek allang gelezen.’
Antwoord
Ja.
Toelichting
De punt komt binnen het aanhalingsteken te staan, als hij hoort bij het citaat of bij de directe rede die als geheel binnen de aanhalingstekens geplaatst worden. Bijvoorbeeld:
(1) Zij antwoordde: ‘Ik denk niet dat ik nog langer met je om wil gaan.’
Hoort echter de punt niet bij het deel dat tussen aanhalingstekens staat, dan wordt hij geplaatst na het aanhalingsteken. Bijvoorbeeld:
(2) Zij fluisterde iets van ‘eeuwig trouw’ en ‘altijd blijven houden van’.

Als vuistregel kun je stellen dat bij het citeren van een hele zin of hele zinnen de punt binnen de aanhalingstekens komt, terwijl je hem bij het citeren van delen van zinnen erbuiten plaatst.

Wat doen we als de regels leiden tot meer dan twee leestekens na elkaar? In zin (1) hoort er na het laatste aanhalingsteken eigenlijk nog een punt te volgen. Immers, de eerste punt sluit alleen het citaat af; de tweede punt de gehele zin. Toch plaatsen we die tweede punt niet. Het principe is dat we bij voorkeur niet drie of meer leestekens op elkaar laten volgen. Op dit principe bestaan echter uitzonderingen.

In de volgende zin kan het vraagteken duidelijk niet gemist worden:
(3) ‘Heb je dat boek al gelezen?’, vroeg hij.

Hier nemen we voor lief dat er wél drie leestekens naast elkaar staan. Sommige schrijvers vinden die opeenhoping van leestekens zo lelijk dat ze de komma weghalen (‘Heb je dat boek al gelezen?’ vroeg hij.).

Bijzonderheid
Een noot komt na het aanhalingsteken. Voorbeeld:
(4) De auteur vermeldt: ‘Deze opvatting van het vorstendom heeft lang doorgewerkt.’5

[2] Een samenwerking die door Steiner zeer werd aanbevolen: vakkenintegratie/vakkenconcentratie; ‘economie’ in het onderwijs
>

5e klasalle artikelen

Nederlandsalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld5e klas: alle beelden

.

467-433

VRIJESCHOOL – 4e klas – Nederlandse taal

.

taal klas 4 1

 
Ik weet wel waarom jij altijd een lange broek draagt. Omdat niemand zo je puntknieën kan zien’, merkt een meisje op. Wie les gaat geven in een vierde klas, mag zijn borst wel nat maken.
Gaat het kind tot ongeveer het negende jaar op in de wereld om zich heen, nu maakt het zich voor het eerst ervan los en bekijkt deze met nieuwe ogen. Wat hij ziet, stelt hem dikwijls teleur. Alles is anders dan hij tot nu toe had gedacht: de wereld is niet zo mooi en goed, zijn vader is niet langer de bewonderde held tegen wie hij torenhoog opkeek en de juf is niet meer ,,de knapste” van de hele school. Plotseling wordt zij met kritische blik van top tot teen opgenomen. Aan de ouders mankeert ook van alles. De kleren die vader of moeder voor hem heeft uitgezocht worden onder protest of onder tranen met tuiten aangetrokken.

Het kind voelt de grote wereld als een bedreiging tegenover zijn kleine ik; het voelt zich daardoor hopeloos onzeker en eenzaam. Geen wonder dat het snauwerig en kattig wordt en soms zomaar in huilen uitbarst. Wat er aan de hand is, kom je niet aan de weet, want het is zijn verdriet en daar moet een ander van afblijven.

Daartegenover heeft het ook heel eigen pretjes waar geheimzinnig over wordt gedaan.

Krachtmetingen spelen een grote rol in het leven van de vierdeklasser. Strijd en durf spreken hem erg aan. In vechtpartijen rollen de vierdeklassers met vuurrode koppen over het schoolplein. De klasgenoten stormen hier verheugd op af en moedigen de sterkste aan. De verliezer, die toch al geen kans had, wordt joelend uitgelachen en nu door een stelletje dat niet van ophouden weet tot tranen toe uitgedaagd. De vloek- en scheldwoorden vliegen je om de oren.

Zo uit de vierdeklasser zich om stoer te doen en om te laten zien dat het hem toch niets kan schelen. Achter zo’n houding schuilt vaak een onzeker, angstig kind, dat hongert naar sympathie en geborgenheid, ’s Nachts moet de slaapkamerdeur op een kier blijven staan en het ganglicht branden. Hij durft zijn armen niet naast het bed te laten bungelen want er kan wel een tijger onder liggen. Wie weet, staat iemand van achter het gordijn of vanuit de kast naar hem te loeren.

Met een grote dosis incasseringsvermogen, begrip en bovenal humor bewijst de leerkracht niet alleen zichzelf, maar vooral zijn leerlingen een grote dienst.

Uit de leerstof in de vierde klas
In de Noors-Germaanse mythologie leveren de Goden (de Asen) een voortdurende strijd tegen de reuzen. De kinderen zitten tijdens het luisteren niet meer dromerig en rustig op hun stoelen, maar hebben uitbundige pret om de vulkanische Thor, die met zijn hamer overal op afstormt.
Een enkel kind móet dan even meevechtende bewegingen maken wanneer deze roodharige dondergod zijn woede uit. Verontwaardiging stijgt op in de klas om de gemene streken van de listige Loki. De kinderen leven mee met de angst van de Asen voor de naderende ondergang. Door deze vertelstof voelt het kind zich begrepen.

Bij het rekenen komen de breuken voor het eerst aan bod. Zoals voor de negenjarige de wereld uiteen valt, zo blijkt zelfs het getal één uiteen te kunnen vallen.

Het vak mens- en dierkunde komt in de plaats van de fantasieverhalen over de natuur.

In de vierde klas begint het kind zich te oriënteren in ruimte en tijd. In de aardrijkskundeperiode tekenen de kinderen eerst plattegronden van de nabije omgeving: de klas, de straat, de buurt. Daarna maken zij kleurige kaarten van de streek waarin zij wonen. Eerst tekenen zij daarin de karakteristieken van het landschap: rivieren, weilanden, akkers, bossen.
Pas daarna laten zij zien hoe de mens daarop heeft ingespeeld: stad en industrie, havens, bruggen, wegen en spoorlijnen.

Over het Nederlands in de vierde klas

Spreken
De gedichten over de Noors-Germaanse mythologie die de vierdeklassers declameren, zijn veelal in stafrijm geschreven. Een voorbeeld uit de Edda:

ik zie de schepen
met schuim bespat;
de staghengsten zullen
de storm niet bestaan.

Uit: Het gevecht met de draak (Reginsmál en Fáfnismál), vers 16

(vertaald door Jan de Vries)

(staghengst is een schip)

De kracht van het stafrijm krijgt extra nadruk door klappen of stampen.

Het gaat erom dat dit precies op tijd gebeurt. Je moet even de wereld bij jezelf laten ophouden, je op jezelf concentreren. Dit vergt veel, zo niet het uiterste van de inzet. Wie ook maar even met de gedachten afdwaalt, stuurt alles in de war. Tijdens het declameren zijn velerlei variaties mogelijk:

— Stilstaan en een klap in de handen geven bij elk allitererend woord: schepen — schuim, staghengsten — storm — bestaan.

— Stilstaan en alleen naar voren stampen bij elk allitererend woord.

— In de maat lopen en alleen bij de alliteraties klappen.

— In de maat lopen en klappen, behalve bij de alliteraties, daar wordt alleen gestampt.

Schrijven
In de vierde klas en daarna wordt aan een goed leesbaar handschrift voortdurende zorg besteed.

Lezen, eigenlijk voordracht
De overgang van gezamenlijk lezen naar individuele leesbeurten wordt gemaakt. Eerst lezen de kinderen samen na wat de leraar heeft voorgelezen. Pas daarna krijgen afzonderlijke leerlingen een leesbeurt.

Door nabootsing krijgen zij de goede toon te pakken. [1]

Grammatica
De werkwoorden.
In het verleden, het heden en de toekomst is de relatie tot de mens in respectievelijk denken, voelen en willen terug te vinden. Door hoofdzakelijk beschouwend en denkend tegenover het verleden te staan, wordt deze vruchtbaar voor ons. We handelen immers uit ervaring. Wie zich vooral voelend aan het verleden overgeeft, neigt naar het sentimentele of melancholieke. Wie het verleden anders zou willen, vervalt in vruchteloze spijt.
We staan voor het grootste deel met ons gevoel in de tegenwoordige tijd. Voelen is het midden tussen denken en willen. Wie in het hier en nu handelt, heeft daar meestal denken en willen aan laten voorafgaan. Wie de toekomst open en met goede wil tegemoet gaat, heeft de meeste kans om iets van zijn leven te maken. Wie de toekomst denkend vooruitberekent en vastlegt, zal vele teleurstellingen op zijn weg vinden. Wie slechts het gevoel laat werken, laat zich in het heden afwisselend door angst en hoop heen en weer slingeren.

Het moge duidelijk zijn dat denken, voelen en willen in welke tijd dan ook, nooit alléén regeren, maar elkaar overheersen.

Net als de kinderen, die het heerlijk vinden zich te verkleden, zien we de werkwoorden ook steeds van gedaante verwisselen: ik ga kan plotseling veranderen in ik ging. Van alle woordsoorten is het werkwoord het meest levendig. In de zo beweeglijke vierde klas zijn de verbuigingen van de werkwoorden een mooi begin van de grammatica. Dan volgen de werkwoorden in de verleden, tegenwoordige en toekomende tijd.

Wanneer de kinderen over deze tijden leren, waarbij de leraar voor zichzelf uitgaat van de relatie tot denken, voelen en willen, maar de kinderen er niet mee lastig valt, moeten zij eerst in het begrip tijd komen. Pas daarna leren en oefenen zij de werkwoorden in vier tijden:

de toekomende tijd, waarin alles nog in wording is: Ik zal bouwen.
de tegenwoordige tijd, waarin we op het moment van handelen zijn: Ik bouw.
de onvoltooid verleden tijd, waarin we terugkijken naar het gebeurde: Ik bouwde.
de voltooid tegenwoordige tijd, waarin het gebeurde afgesloten is en we kunnen onderscheiden wat daaraan goed was en wat verkeerd: Ik heb gebouwd.

Wanneer de kinderen deze vier tijden kennen, kunnen zij als oefenstof korte, eenvoudige verhaaltjes van de ene tijd in een andere zetten. Het is goed ook verhalen te maken, waarin de kinderen bij sommige zinnen vrij zijn om de meest geschikte tijd te kiezen.

De gebiedende wijs.
Nu kunnen de kinderen ook de gebiedende wijs leren. Eigenlijk is deze term niet helemaal terecht, want behalve bevelen worden vooral oproepen, uitnodigingen en bemoedigingen uitgesproken. Veel kinderen die op het matje worden geroepen als zij een streek hebben uitgehaald, beroepen zich op de aansporing:
Ah joh, doe het toch ook.

Het versleten antwoord hierop laat zien dat van een bevel geen sprake kan zijn:
Als hij zegt dat je in het water moet springen, doe jij het dan ook?

In plaats van gebiedende wijs, kan een andere naam genomen worden, die de eerste tijd in de klas gebruikt wordt, bijvoorbeeld aansporende wijs. Allerlei bekende zegswijzen kunnen voorbeelden zijn:

Geef me de vijf!
Rust wat!
Houd je haaks!
Trek je er niets van aan!
Wees welkom!

Voorzetsels. Soms behandelt men in de derde klas al de voorzetsels die statisch gebruikt worden:
De geiten grazen langs de dijk.
Het strodak rust
op het huis.

In de vierde klas leren de kinderen vooral de voorzetsels die beweging aangeven:
Hij loopt naar de rivier.
Zij springt
op het hek.

Daar het voorzetsel een van de woordsoorten is die tot het wilsgebied behoren, ligt de nadruk bij de introductie ervan nog eens extra op het doen:
Leg je pen op je oor, in je etui, achter je stoel, voor je voeten, boven je schrift, tussen je tanden, naast je pink, onder je hand.

Door het meebewegen met de voorbeelden wordt de interesse bij de kinderen altijd sterker opgewekt. Een voorzetsel en een werkwoord kunnen samen een nieuw woord vormen: inhalen, doorlopen, uitsteken, afwegen.

Zij kunnen ook de voorzetsels in samenhang met de zelfstandige naamwoorden in vaste uitdrukking leren:
Hij nam hem bij de hand.
Wat is er aan de hand?
Hij deed zijn oude wagen van de hand.
De jas is met de hand gemaakt.
Hij eet uit haar hand.
De patiënt is in goede handen.
Hij is aan de beterende hand.
Ik heb nog wel wat geld achter de hand.

Getekende zinnen. De zinsleer wordt nog niet als ontleding behandeld. De kinderen zijn daar pas aan toe wanneer rond hun twaalfde jaar het denken abstracter wordt.

In de vierde klas wordt de opbouw van de samengestelde zinnen in tekeningen aanschouwelijk gemaakt. Allereerst wordt het besef gewekt van het gewicht van de hoofdzin ten opzichte van de bijzin.

Natuurlijk begin je met eenvoudige samengestelde zinnen. Het gaat erom dat de kinderen zich op beeldende wijze de bouw van de zinnen eigen maken. Iedereen kan voor deze zinstekeningen zijn eigen vorm vinden. Dit zijn slechts voorbeelden:

taal klas 4 2

Stelopdrachten. De kinderen leren brieven schrijven, ook zeer eenvoudige brieven in de zakelijke sfeer.

Schriftelijk navertellen of beschrijven kunnen tevens als verwerking van de leerstof dienst doen.

De tijden — een eerste taalperiode
In de klas ontstaat een gesprek over de tijd. De sprookjes, de verhalen van het Oude Testament en van de Noors-Germaanse mythologieën speelden zich af in tijden die allang voorbij zijn. Dat is verleden tijd. Maar ook de tijd waarin de leraar tien was, is anders dan nu, de tegenwoordige tijd. Gisteren is voorbij en een minuut geleden is ook al verleden tijd geworden. Het dringt tot de kinderen door dat de tijd eeuwig is, maar het moment vluchtig. Het raadseltje:

Wanneer was vandaag morgen?

onderstreept dit laatste nog eens.

Yggdrasill, de reusachtige wereldboom, torst de woonplaats van de goden, de mensen en de reuzen. Onder de eerste wortel van Yggdrasill spinnen de drie Nornen de draden van het leven. Urd, de oudste, spint de draden van het verleden. Verdandi, de middelste, spint de draden van het heden en Skuld, de jongste, spint de draden van de toekomst.

Op de eerste periodedag is de leraar opeens Yggdras, de oude tuinman van Midgard geworden. Hij heeft een grote pit bij zich en plant deze in een pot met aarde. De volgende dag is daaruit een boom gegroeid: een paal met zijstokken. Later wordt dit de boom van de werkwoordsvormen, nu liggen er drie gekleurde lappen onder.

Als de kinderen het lokaal binnenkomen, reageren zij eerst smalend: Jaja… en wat is dat nou voor een stom ding! Maar ook: Wat gaan we met die lappen doen? Ze zijn toch wel nieuwsgierig. De leraar pakt de blauwe doek en slaat deze om zich heen. Ik was van plan om in de vakantie een bergtocht te maken. We stonden met de tent bij een oud boerderijtje. Op de gammele fiets van Jean-Paul, de oudste zoon van de
boer reed ik ’s ochtends vroeg naar het dorp om verse stokbroden en kaas voor onderweg te kopen.

De blauwe doek gaat nu af en de leraar slaat de gele om zich heen. Ik vertel nu maar niet over de ongelukkige afloop van mijn vakantieavontuur, jullie geloven het toch niet en ik denk dat jullie daar straks zelf achter komen.

De rode doek wordt opgepakt en omgedaan. Maar… volgend jaar zal ik weer een poging wagen. Ik zal bij dezelfde boerderij aankloppen en ik zal Jean-Paul verrassen met een nieuwe fiets en natuurlijk zal ik, als ik het heuveltje af ga, iets beter de remmen aantrekken.

De kinderen hebben de bedoeling begrepen. Wie van hen wil nu ook onder de boom komen staan? Paul. Hij voelde zich toch al aangesproken daar zijn naam genoemd was. Paul, doe de blauwe doek maar om en vertel ons wat je vanochtend gedaan hebt. Paul vertelt in de verleden tijd, maar wanneer hij in de directe rede overgaat:

Toen ik wegging, zei mijn moeder: ‘Vergeet niet je gymspullen mee te nemen,’
roept een oplettende slimmerik:

Hé, dat is toch geen verleden tijd?! Oh nee, waarom niet?

Ze leggen het elkaar uit. Al doende gaan de kinderen het begrijpen. De leraar merkt dat de kinderen moeite hebben om zomaar te vertellen.

Vooral omdat het hier niet zozeer om de inhoud van het verhaal gaat, maar om de tijd waarin het verteld wordt. Voor het eerst bekijken ze de taal nuchter, om de taal zelf en niet om de boodschap.

Als ze het eenmaal doorhebben, vinden ze het prachtig met die gekleurde lappen. Vooral als ze anderen op een fout kunnen betrappen.

Gedurende een week werken ze hiermee elke dag. De rol van de leraar wordt steeds kleiner, die van de kinderen groeit. Zelf veroorzaakt hij ook vaak (per ongeluk) grote hilariteit:

Toen dacht ik:,, Weet je wat, ik zal een taart voor haar bakken”.

Hier moet hij in één zin drie keer van lap verwisselen.

Soms vergeet hij te wisselen en dan roepen alle kinderen triomfantelijk:

Je lap!

Wanneer de leraar zich buigt om de rode lap te pakken en mompelt: Ik moest toch deze!,

hebben de kinderen de grootste pret. Het is heerlijk om slimmer te zijn dan de meester.

En de boom… wordt hoe langer hoe dikker. Enkele meters kippegaas en takkenbossen geven de stam en de zijtakken meer volume. Op het gaas worden kranten geplakt, die bruine, grijze en groene verfvlekken krijgen. Zo lijkt de boom net echt. De kinderen moeten een werkwoord in gedachten nemen en daarvan de stam met grote letters opschrijven. De leraar controleert of iedereen het goed heeft. Vervolgens knippen ze de letters uit en plakken deze in de juiste volgorde op de stam van de boom. Dan volgt een discussie waar in de boom de tegenwoordige tijd hoort.

Na wat geharrewar worden de kinderen het met elkaar eens dat de tegenwoordige tijd in de bladeren zit.

Ze hoeven niet te zoeken naar de beste plaats voor de verleden tijd. Die zit in de dorre bladeren op de grond, dat is duidelijk.

Voor de toekomende tijd twijfelen ze tussen de vruchten, de zaden en de knoppen. De keuze valt uiteindelijk toch op de knoppen.

De kinderen knippen bladeren uit groen crêpe-papier en op een klein wit strookje schrijven zij een tegenwoordige-tijdvorm, bijvoorbeeld zij springt of jij klimt. Als dat goed is opgeschreven plakken zij het strookje op het blad en hangen dit aan de boom. Binnen de kortste keren zijn de takken dichtbegroeid.

De volgende dag knippen zij bruine bladeren voor de verleden tijd. Deze leggen zij, voorzien van een werkwoordsstrookje, op de aarde onder de boom.

Dan schrijven zij iets in de toekomende tijd en laten het door de leraar nakijken, want niet alleen hij staat erop dat ze het goed schrijven, maar het is ook hun eer te na. Vervolgens rollen zij het strookje op en wikkelen daar omheen lichtgroen crêpe-papier, zodat de toekomende tijd binnen in de knop verstopt zit. Sommige kinderen doen erg geheimzinnig en zwijgen over hetgeen erin staat.

Wanneer de boom af is, prijkt hij achter in de klas. Telkens weer staan er kinderen omheen die de bladeren lezen.

Ouders, die hun kinderen komen afhalen, worden de klas ingetrokken om de boom te bekijken. Een meisje vertelt haar vader niet alleen waar haar eigen blad hangt, maar weet ook de bladeren en knoppen van al haar vriendinnen te hangen. De kinderen maken ook allerlei schriftelijke oefeningen met de verschillende werkwoordstijden: Schrijf een verhaal verteld door Skuld, de schikgodin van de toekomende tijd:

Zondag zal het Sinterklaas zijn. En iedereen zal blij zijn met de kadootjes die hij of zij zal krijgen. En de mensen zullen lachen om de surprises. En daar zal lekker eten en drinken zijn. En iedereen zal laat naar bed gaan. En de volgende ochtend zal iedereen fijn spelen met de kadoos die hij of zij gehad zal hebben.

Ook schrijven de kinderen teksten van het bord over en onderstrepen de werkwoorden in de toekomende tijd met rood, die in de tegenwoordige tijd met geel en in de verleden tijd met blauw.

Ritsen van rijtjes met werkwoordsvervoegingen hebben de kinderen in hun schrift staan. Sommigen maken er een sport van om de rijtjes zo netjes en geordend mogelijk op de bladzijden te zetten.

Het Hamerlied — een tweede taalperiode
Dere periode heeft iedere dag dezelfde opbouw: het eerste half uur wordt besteed aan spelling, het tweede half uur spelen de kinderen toneel, dan een half uur aandacht voor de werkwoordstijden en later ook voor het woordbenoemen. De resterende tijd luisteren de kinderen naar een nieuw verhaal uit de Edda.

Dagelijks krijgen zij een dictee uit het toneelstuk dat zij spelen. Na elke zin vergelijken zij zelf hun werk met de zin die op het bord komt te staan. Van elk fout geschreven woord maken zij een rijtje woorden met een soortgelijke moeilijkheid. Een kind heeft bijvoorbeeld vogol geschreven. Zijn rijtje naast het dictee ziet er zo uit:

vogel                        tafel
lepel                         ratel

Wanneer het kind er zelf niet uitkomt, wordt het door de juf een eindje op weg geholpen.

Soms komen grote spellingsmoeilijkheden aan de orde, bijvoorbeeld woorden met auw en ouw. De kinderen verzinnen zo veel mogelijk woorden waarin auw staat. Ze komen allemaal onder elkaar op het bord te staan. Samen met de lerares heeft de klas als ezelsbruggetje een auw-versje gemaakt:

Grauw is de dauw,
blauw is de pauw.
De kauw geeft een knauw.
De pauw geeft een snauw
en drijft gauw
de kauw in het nauw.

Op dezelfde manier ontstaat ook een versje vol ouw-woorden:

In de nieuwbouw zit jouw trouwe vrouw
te rouwen en te vouwen aan haar mouw bij de koude schouw…

Ziehier het verdriet van de groene weduwen per toeval met een verzameling ouw-woorden tot uitdrukking gebracht.

Het Hamerlied, een toneelstuk met korte krachtige taal vol alliteraties gaat over de hamer van Thor. Thrym, een van de gehate reuzen, heeft de hamer, waarvan Thor onafscheidelijk is, gestolen en ergens diep onder de grond verborgen. Hij wil deze pas teruggeven als Freya, de godin van de liefde en de schoonheid, zijn bruid wordt. Freya briest van woede als haar dit voorstel wordt gedaan. Er zit voor Thor niets anders op dan zelf als bruid verkleed naar het reuzenland te gaan. Bij het bruiloftsmaal verbaast Thrym zich over de onbehouwen vraat- en drankzucht van zijn aanstaande en wanneer hij zich over haar heen buigt om haar te kussen, deinst hij verschrikt terug als een paar vurige ogen hem tegemoet bliksemen. Vlak voor de huwelijksplechtigheid legt hij, nog steeds niets vermoedend, zijn bruid het betwiste voorwerp op de schoot. Zodra Thor zijn hamer in de hand voelt, maakt hij korte metten met het reuzengebroed.

Dit is het lievelingsverhaal van bijna elke vierdeklasser. Geen mooier toneelstuk is denkbaar:

Woedend was Wing-Thor
toen hij ontwaakte
en merkte dat hij zijn hamer miste.
Hij schudde zijn haar
en blies in zijn baard,
begon met zijn hand
om zich heen te grijpen.

Allereerst oefenen de kinderen samen de teksten. Staande bij hun tafeltjes spreekt ieder de teksten uit en beweegt zich alsof hij of zij dat het best erbij vindt passen. Bijna allemaal spelen de kinderen zonder gêne. Later kiezen zij een eigen rol, maar blijven nog steeds op hun plaats. Een Thor en een Thrym die naast elkaar staan, spelen vanzelf al een beetje met elkaar. Wanneer een vaste rolverdeling wordt gemaakt, bestaat voor alle rollen een dubbele bezetting. De ene dag speelt de eerste groep en de volgende de andere. Zo zien alle kinderen hoe een ander hun rol speelt.

Het spel wordt menens als er speciale kleding aan te pas komt. Een grote regenjas maakt van twee kinderen een reus die bij de slappe lach hopeloos dubbelklapt of zelfs instort. De bruid heeft een ooit door een moeder of tante gedragen bruidsjurk aan.

Veel jongens moeten heel wat van zichzelf overwinnen voor ze vanwege de rol de stoere Thor dit bruidstoiletje met petticoats aantrekken, maar het resultaat is om te zoenen.

Op het bord staat Yggdrasill de Wereldes getekend. Daaronder bevinden zich de drie nornen: Skuld van de toekomst, Verdandi van het heden en Urd van het verleden. Om weer in de werkwoordstijden te komen, oefent de klas mondeling enkele zinnen in deze drie tijden. Dan komen vier kinderen voor de klas. Drie spelen de wevende zusters, de vierde is Odin, de machtigste der Asen die naar de wijsheid zoekt. Hij blijft bij Verdandi staan en vraagt haar: Waardoor blijft de wereldes groen? Verdandi antwoordt: De Wereldes blijft groen door de dauw.
Vervolgens gaat hij naar Urd: Waardoor bleef de Wereldes groen? Deze antwoordt: De Wereldes bleef groen door de dauw.
Ten slotte wendt Odin zich tot Skuld: Waardoor zal de Wereldes groen blijven? De Wereldes zal groen blijven door de dauw.
De laatste zin is spannend omdat de anderen weten dat Skuld niet de waarheid spreekt, want ook de Wereldes moet eens verdorren.
Wie een andere vraag heeft verzonnen, komt als Odin voor het bord, vergezeld door drie nieuwe nornen: Waardoor valt Sif uit bed? Thor zoekt zijn hamer. Hij doet het ruw. Daardoor valt Sif uit bed.

Ik zal jullie iets vertellen waarmee ik jullie een nieuw soort woorden wil leren. Wie doorheeft om welke woorden het gaat, mag aanvullen.

De lerares begint haar verhaal: Vroeger mocht ik in de vakanties vaak bij mijn grootouders logeren. Zij woonden in een dijkhuisje met een grote kelder en zolder. Op een zondagochtend stond ik heel vroeg op. Ik wilde mijn grootouders verrassen door alvast de tafel te dekken. Toen ik de deur van de keukenkast stilletjes opendeed, stond mijn hart even stil van schrik: daar was een hele muizenfamilie op onderzoek uit. Ze zaten tussen de kopjes, in de broodmand, achter de theemuts, op de botervloot, naast de kaasstolp, bij de honingpot. Zodra ze mij zagen, schoten ze weg. Ze kropen uit de kast, achter de kast, over de kast… onder de kast, klinkt het nu uit de klas. Van alle kanten worden nieuwe vluchtwegen voor de muizen aangedragen: boven de kast, voor de kast, tussen de planken… Voorlopig heten de voorzetsels Muizenwoorden.

De term „bezittelijke voornaamwoorden” geeft zó duidelijk aan welke woorden ermee bedoeld worden, dat de lerares denkt dat de kinderen zelf op de naam kunnen komen. Zij loopt langs de banken, staat zo nu en dan bij iemand stil en zegt: Dit is jouw tas. Dat is zijn schrift. Dit is haar puntenslijper.
Terug bij haar eigen tafel, pakt zij enkele spullen uit haar tas en zegt: Dit is mijn tas, dit is mijn agenda, dit is mijn appel. Dit zijn allemaal mijn… Bezittingen, hoopt zij te horen, maar zij heeft buiten de waard gerekend. Er bestaat nog een ander woord voor: Eigendommen, zegt een kind. Tja, dan moeten ze maar even eigendomswoorden heten.

Tegen het einde van de periode hebben de Adam-, de Eva- en de Doewoorden hun echte naam gekregen. De benamingen zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden klinken de kinderen veel gewichtiger in de oren.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

 

[1] In het Duits is het woord ‘zin’ – de woorden van hoofdletter naar punt – ‘Satz’, dat ook ‘sprong’ betekent. Het is belangrijk dat de kinderen wennen aan het lezen van hoofdletter naar komma/punt in één ‘sprong’. Daarvoor moeten ze oefenen: naar de zin kijken – deze innerlijk lezen – en pas dan hardop lezen – zonder hapering. Daarmee voorkom je dat woord voor woord, soms stuntelig, gelezen wordt; daarbij is bijna geen ‘begrijpelijk’ lezen mogelijk. Ik oefende het ook regelmatig door een zin op het bord te schrijven. Aanwijsstok op de hoofdletter; een langzame beweging over de woorden heen naar de punt. En dan meteen iemand hardop laten lezen – ‘in de stroom’. Je komt zo ook snel te weten wie het al kan en wie niet.

.

4e klas: alle artikelen waaronder meer Nederlandse taal

Nederlands: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

466-432

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Nederlandse taal

.

klas 3 taal 1

Waarom heet een boom nu een boom en waarom zeg ik tegen mijn vader „papa ” en niet ,,mama”?
Voortdurend wordt de leraar van de derde klas met dit soort vragen bestookt.

Op deze leeftijd wil het kind van alles de oorsprong weten, het hoe en waarom, en met zijn vragen probeert hij er meteen achter te komen of zijn meester het allemaal wel weet.

Ook op andere wijzen willen de kinderen weten wat hun leraar waard is. Zonder blikken of blozen kijkt een meisje hem aan en zegt: Wat moet je nou… met jou heb ik niets te maken!, waarbij schouders en wenkbrauwen uitdagend in de hoogte gaan. Dat deze houding niet meer dan een onzekere poging is blijkt wel als de leraar haar even aankijkt: rood van schaamte weet ze opeens niet hoe snel ze haar gezicht moet verbergen.

Dergelijke strubbelingen zijn voor de leraar alvast een voorproefje van het volgend jaar. Nu kibbelen sommige kinderen nog dagelijks met elkaar omdat ze tijdens een wandeling per se aan de hand van hun meester willen lopen. Ook komen ze telkens met hun werk naar hem toe met de vraag: ‘Is het zo goed?’, om daarna welgemoed verder te gaan. Als ze maar op gezette tijden een duwtje krijgen, werken ze verder al heel zelfstandig alleen of samen.

Niet alleen  de houding ten opzichte van de leraar verandert, maar ook die van de kinderen onderling. Vriendschappen ontstaan niet meer toevallig; vaak wordt nu al de basis gelegd voor een vriendschap door dik en dun.
In het spel valt op dat ze meer initiatief nemen: ze wijzen zelf een tikker aan en als er ruzie is, ligt niet meteen het hele spel stil.
In alles wordt het kind zelfstandiger en steviger. Stond het kind in de eerste twee klassen zo open voor z’n omgeving dat het voor alle indrukken ontvankelijk was, nu is het in staat z’n eigen kleur aan deze  indrukken te geven.

Uit de leerstof in de derde klas.
Het verhaal van de schepping en hoe al het geschapene een naam kreeg, hoe de eerste mens Gods verbod overtrad en daardoor verdreven werd uit het paradijs, behoort tot de vertelstof van de derde klas.
De kinderen merken dat het Oude Testament streng en onverbiddelijk is. Je hebt te leven naar de wetten die gegeven zijn en als je dat niet doet, gaat het mis en draai je zelf voor de gevolgen op. Als Lot en zijn vrouw Sodom en Gomorra verlaten wordt hun duidelijk gezegd dat ze niet om mogen kijken. De vrouw draait zich toch om en dat heeft consequenties: ze verandert in een zoutpilaar. Onder Mozes gaat het volk een langzame, moeilijke weg, wankelend tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid.
Het kind leert om zich door middel van de vier hoofdbewerkingen vrij in de wereld van de getallen te bewegen. Ook praktische toepassingen, zoals het omgaan met geld, behoren tot de leerstof.

In de drie heemkundeperiodes worden de oude ambachten spelend beoefend; de boerderij wordt niet alleen in verhalen, maar ook echt bezocht en de klas kijkt wat er allemaal te pas komt aan het bouwen van verschillende soorten huizen, van iglo tot flat.

De derde klas vormt een afsluiting van de gouden kindertijd. Alles wat ze tot nu toe hebben geleerd, moet door oefening tot kunnen en kennen worden.

Over het Nederlands in de derde klas.

Spreken
Tot de derde klas wordt bij het taalonderwijs de meeste tijd besteed aan het spreken. Recitaties hebben vooral het Oude Testament of de heemkunde tot onderwerp. De kinderen zijn nu in staat om ook de betekenis van de gedichten aan te voelen. Hoewel de taal altijd mooi moet zijn, hoeven niet alle gedichten een serieuze ondertoon te hebben. Ze kunnen ook heel luchtig en vrolijk zijn, met taal­- en uitspraakgrapjes. Vooral als handen en voeten mogen meedoen, ontstaat een roerig spektakel.

Schrijven en stelopdrachten.
De kinderen leren nu het verbonden schuine schrijfschrift en de bijpassende hoofdletters. [1]

In de steloefeningen vertellen zij met eigen woorden gedeelten van de verhalen na, die de leraar enkele dagen daarvoor vertelde.

De kinderen leren de spellingregels van de open en gesloten lettergrepen. Zij leren letten op een juiste zinsbouw en goed gebruik te maken van de hoofdletters en de leestekens.

Lezen.
Net als in de tweede klas lezen de kinderen vooral gezamenlijk korte teksten of gedichtjes van het bord. (opmerking 3) Het is nu niet meer nodig dat zij de tekst van de leesoefening uit het hoofd kennen, maar er wordt wel voor gezorgd dat de strekking bekend is.

Grammatica.

De woordsoorten

Spelenderwijs beleven de kinderen het verschil tussen de werkwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige naamwoorden zonder dat deze zo genoemd worden. De leraar probeert levendig met deze woordsoorten om te gaan, zodat het niet een star verdelen van de woorden wordt, maar een groeperen in menselijke samenhang. Dit vraagt om een nadere uitleg:

Wanneer je een ding of een wezen bij de naam noemt (zelfstandig naamwoord), schep je daarmee een afstand tussen jezelf en dat ding of wezen: Hier ben ik en daar staat de hond.

Wanneer ik erbij vertel welke eigenschap het heeft (bijvoeglijk naamwoord), vertel ik wat ik daarbij ervaar: De trouwe hond. Deze ervaring brengt een verbinding tussen mij en de hond tot stand.
Bij de werkwoorden gaan we nog een stap verder. Wanneer ik zeg: De hond graaft een kuil, is de kans groot, dat ik tegelijkertijd met mijn handen gravende bewegingen maak. Maar ook als ik dat niet zichtbaar doe, doorleef ik de actie. Bij werkwoorden is er dus niet alleen sprake van verbonden zijn, maar ook van meedoen. Vertel maar eens over een timmerman die timmert en zaagt. Dan zie je de kinderen met handen en voeten meewerken.

Denken – voelen – willen. Het ligt voor de hand om de kinderen het eerst te laten kennismaken met het werkwoord, omdat het dynamische karakter van het werkwoord het meeste aanspreekt. De lichamelijke bewegingen komen vooral van armen en benen, van handen en voeten. Deze bewegingen worden gestuurd door de wil.

Van de werkwoorden gaan we naar de bijvoeglijke naamwoorden. Deze vertellen wat we innerlijk beleven, wat we voelen. Dit komt het sterkst tot uiting in voorbeelden met tegenstellingen, bijvoorbeeld met sympathie en antipathie: een Zwitser vindt ons water misschien vies, maar een Egyptenaar kan het wel heel helder en fris vinden.

Mijn vader vindt mij jong, maar mijn zoontje zegt dat ik oud ben. Bijvoeglijke naamwoorden zijn uitingen van persoonlijke ervaringen en komen uit het gevoelsgebied.
Ten slotte komen we bij de zelfstandige naamwoorden. Hierbij ervaren we niet zoiets levendigs als bij de werkwoorden of zoiets persoonlijks als bij de bijvoeglijke naamwoorden. Wanneer ik alleen maar zeg: de boom, raakt het je niet. Het is nog een vrijblijvende voorstelling. Voorstelling en begrip horen thuis in het denken. Pas als het beeld wordt ingekleurd met een bijvoeglijk naamwoord, bijvoorbeeld: de bloeiende boom, voel je je betrokken.
Door deze overwegingen wordt zinvol, wat vaak tot een grammaticaal schema verstard is. Goethe zegt het volgende:

Grammatica is geen willekeurige wet, maar het is een spiegel van ons eigen wezen.

De leerkracht die zich dit bewust is, gaat vanzelf op een heel andere manier met de grammatica om.
Ook de andere woordsoorten hangen samen met het denken, het voelen en het willen.
De tussenwerpsels Oei! Au! Ha! zijn directe uitingen van het gevoel.
Ook al zijn de voorzetsels nog zo klein, zij vragen om beweging.
Het kunnen oogbewegingen zijn. Wijs maar eens vanaf een kerktoren naar waar je vrienden wonen:

Achter dat pakhuis, naast het bruggetje, onder die poort.

De ogen moeten steeds naar een andere richting verspringen. Het kunnen ook innerlijke bewegingen zijn:

Niet vóór het bos, maar midden in het bos.

Bij deze maak je in je voorstelling onmiddellijk een sprong van voor naar middenin.

Het overzicht van de woordsoorten ziet er zó uit:

DENKEN hoofd)                    VOELEN (middengebied)       WILLEN (ledematen)
zelfstandige naamwoorden   bijvoeglijke naamwoorden   werkwoorden
lidwoorden                                 tussenwerpsels                        voorzetsels
voornaamwoorden                  bijwoorden                                voegwoorden
telwoorden

 

Natuurlijk behandelt de leraar niet alle woordsoorten uitvoerig in de derde klas. Zij zijn hier slechts gegeven voor de volledigheid.

Een kennismaking met de woordsoorten, met name de werkwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige naamwoorden, is voor de derde klas meer dan genoeg.

Eva en Adam… — een eerste taalperiode.
Jongens, kondigt de leraar aan, deze week ga ik jullie leren met inkt te schrijven. Hoi! roept er eentje en zij kijkt glunderend om zich heen om instemming bij haar klasgenoten.

Op de tafel ligt een hoopje rietstengels. [2] Een paar weken geleden heeft de leraar deze tijdens een zondagse roeitocht verzameld en thuis heeft hij er voorzichtig puntjes aan gesneden. Terwijl hij vertelt over vroegere tijden, waarin de mensen veel meer zelf konden maken, laat hij de klas een rietpen zien. Wanneer de pennen en de potjes inkt zijn uitgedeeld, bekijken de kinderen het riet met heel andere ogen: de doodgewone rietstengel is plotseling een kostbaar gereedschap geworden.

De eerste streken worden gezet en meteen spatten de eerste spetters. Ze moeten nog voorzichtiger met de inkt zijn dan zij al dachten. Het riet schrijft veel stugger dan kleurpotlood, maar het gekras klinkt ze zo echt in de oren. Als voorbereiding op het lopend verbonden schrift doet de leraar enkele slierten voor op het bord die de kinderen met iets meer moeite nadoen:

taal klas 3 2

Bijna elke dag besteedt de leraar tijd aan dit werken met inkt. Het gaat hand in hand met het aanleren van het verbonden schrift. Na een paar dagen worden de rietstengels vervangen door penhouders met pen. Het toppunt van gemak ondervinden de kinderen wanneer zij een vulpen krijgen. Wat zijn ze er in het begin trots en zuinig op.

In de derde klas willen de kinderen graag weten waar alles vandaan komt. Het scheppingsverhaal uit het Oude Testament geeft de meesten op deze leeftijd voorlopig een bevredigend antwoord. Na iedere vertelde scheppingsdag maken de kinderen met waskrijt een tekening en daarin schrijven zij met kleurpotlood wat God die dag schiep:

De eerste dag: Het zal licht worden! En het werd licht.
De tweede dag: De lichte lucht zal naar de hemel stijgen en de zware lucht zal naar de diepte zinken.
De derde dag: Er zal water in rivieren en zeeën stromen en het aardrijk zal gras en kruiden voortbrengen.
De vierde dag:  Geeft glans, lichtjes aan het firmament. Verlicht de tijden elke dag.
De vijfde dag: Vissen, spartelt in het water! Vogels, vliegt en jubelt in de lucht!
De zesde dag: Aarde, komt tol leven met dieren van Iedere soort! En God schiep de mens uit alle krachten van de aarde.

De tekst van de zevende dag geven de kinderen zelf weer, de een uitgebreider dan de ander:
De zevende dag keek God naar beneden en zag dat het goed was. “

of

De zevende dag zei God dat het goed was en dat de mens ook op aarde moest werken. Toen vroeg Michaël of hij Adam en Eva een beetje mocht helpen.

De klas gaat het werkwoord oefenen. De tafels en de stoeltjes worden aan de kant gezet. De kinderen staan verspreid in het lokaal. Lopen, zegt de leraar en daar gaan ze. Stampen. Ze stampen als dragonders in het rond. Ze kruipen, ze graven, ze drinken, ze slapen, ze springen, ze sluipen, ze snuffelen, ze buigen, ze klappen, ze hippen, ze zoemen en ze zitten. Hè, hè, eindelijk rust. Een meisje mag naar voren komen en iets doen. De anderen moeten raden wat. Wie het doewoord het eerst geraden heeft, mag de beurt overnemen.

Later in de periode leren de kinderen de zelfstandige naamwoorden en de bijvoeglijke naamwoorden. De leraar vertelt over Adam en Eva. Hand in hand wandelden zij door het Paradijs.

Adam gaf naam aan al wat bestond, Eva vertelde hoe zij het vond.

Dat ieder kind door iets anders geboeid is, blijkt uit de zelfgeschreven opstelletjes:

Adem  en Eva liepen in het Paradijs. Zij kwamen langs een beer en Eva zei: ‘Wat een groot beest’. Adam zei: „Dat is een beer”. Zij liepen verder. Toen kwamen zij langs een tijger en Eva zei: ,,Wat een mooi dier”. Adam zei: „Dat is een tijger”. En ze liepen door. Toen kwamen zij langs een aap en Eva zei: ,,Wat een gek dier”. En Adam zei: „Dat is een aap”. Ze liepen en ze liepen. Toen kwamen zij langs een boom en daar zat een slang in de boom.

Adam en Eva liepen door het Paradijs en ze zagen een schildpad en Eva zei :,,Wat langzaam”, en ze liepen verder. Toen kwamen zij bij de boom der wijsheid en het slangetje zei: „Hier Eva, neem deze appel”. „Nee slangetje, dat mag ik niet”. „Neem deze appel”. „Nee slangetje, dat mag ik niet”. Het slangetje sprak zo verleidelijk dat Eva de appel in haar hand nam en ze nam een hap van de appel. Ze ging naar Adam en zei: „Adam, neem een hap, Adam”.

Twee kinderen spelen Adam en Eva, die nu niet door het Paradijs lopen, maar door de klas. Dit is de tafel, wijst Adam, waarop Eva antwoordt: Wat een stevige tafel. Adam: Dit is het aanrecht. Eva: Oh, wat een handig aanrecht. Dit is de prullenbak. Bah, wat een stinkende prullenbak.

De kinderen hebben de afgelopen dagen een paar keer deze oefenspelletjes gedaan. De meesten kennen nu het onderscheid tussen de Doewoorden, de Adamwoorden en de Evawoorden.

Nu worden de drie woordsoorten samen geoefend. De kinderen met roodachtige kleren aan moeten opstaan als de leraar een Doewoord zegt, de blauwgekleden bij een Adamwoord en de rest bij een Evawoord. De gelijkgekleurden kijken elkaar betekenisvol aan, niemand wil achterblijven. Eerst horen ze de hele zin: De trotse haan kraait. Dan wordt het woord voor woord herhaald: De trotse… Aarzelend gaan de bontgekleurde kinderen staan en weer zitten. …haan… Daar gaan de blauwen. …kraait. De roden twijfelen het minst. Ook een andere volgorde is mogelijk: Knort het vette varken? Sommige kinderen staan weliswaar op het juiste moment op, maar kunnen het eigenlijk nog niet helemaal vatten. In de groep voelen zij zich echter veilig.

De kinderen schrijven veel verhalen. Daar vragen zij om. De thema’s zijn vaak naar aanleiding van de vertelstof gekozen. Na het verhaal van Jozef in Egypte die de droom van de farao uitlegde, schrijven de kinderen hun eigen dromen op. Soms ook schrijven zij over hun dagelijkse belevenissen of bedenken zij met z’n tweeën een dialoog. De leraar helpt de spelfouten uit het werk te halen en wanneer het helemaal goed is, schrijven zij het op hun mooist over en maken zij er een tekening bij. De leraar kopieert de verhalen en maakt er boekjes van. De kinderen zijn opgetogen als zij hun werk in een boekje terugvinden.

Mozes — een tweede taalperiode.
De kinderen horen het geboorteverhaal van Mozes:

De farao van Egypte, in wiens rijk de Hebreeërs in slavernij leefden, droomde over een klein kind dat zwaarder woog dan heel Egypte. Wijzen, die de betekenis uitlegden, waarschuwden hem voor dit kindje, dat de bevrijder van de Hebreeërs zou worden. De farao gaf daarop bevel om alle eerstgeboren jongetjes in de rivier te werpen. Mirjam, het zusje van de pasgeboren Mozes, droeg haar broertje in een mand naar de rivier en verborg hem in het riet in de wetenschap dat de dochter van de farao daar altijd langskwam. De prinses hoorde het kind huilen en wilde voor het vondelingetje zorgen. Mirjam, die dit gezien en gehoord had. kwam te voorschijn en stelde de prinses voor het kind bij een voedster te verbergen. Zo kwam het jongetje veilig terug bij zijn moeder. Vanaf zijn derde jaar ontfermde de farao’s dochter zich over zijn opvoeding.

Elke dag reciteert de klas gedeelten uit het toneelstuk „De geboorte van
Mozes”. Er komen twee liedjes in voor. Een ervan wordt gezongen door de
Hebreeërs die bij de bouwwerken van de farao dwangarbeid verrichten. Zingend gooien zij de stenen naar elkaar door. De kinderen zijn zwoegende arbeiders geworden. In plaats van stenen geven zij elkaar hun zware tekendozen door in het ritme van dit liedje:

taal klas 3  3

De kinderen doen geconcentreerd mee, want wie even niet oplet, krijgt een tekendoos tegen zijn hoofd. [3]

Ook spelen ze de gedeelten die ze kunnen opzeggen. Sommige kinderen weten wie ze willen zijn: de farao, de prinses, een riethalm, een eendje, de opziener enzovoorts. In het begin mag iedereen spelen wat hij wil. Later zoekt de leerkracht voor sommigen een rol uit, zodat ook de bedeesde kinderen aan bod komen. Harm, bijvoorbeeld, durft niet zo op de voorgrond te treden. Hij krijgt de rol van de wachter. Hij staat op het toneel naast de farao en hoeft verder niets te doen….lijkt het. Maar Harm vat zijn rol ernstig op: hij is gespannen als een snaar. Zijn ogen speuren het toneel af naar mogelijke gevaren. Hij is immers de farao aan het bewaken!

Daantje, die altijd zo gesloten is en zelf meestal een eenzame, stille rol kiest, mag een van de twee eendjes zijn. Zij waggelen achter elkaar aan en snateren om het hardst. Zijn tekst is simpel en kort, maar hij laat tenminste van zich horen. De onstuimige Marrie daarentegen kan zich heerlijk uitleven in de rol van de heerszuchtige farao. Eindelijk kan zij de baas spelen, zonder dat er ruzie van komt.
Op deze manier gaat het toneelspelen niet louter om het spel, maar helpt de kinderen verder in hun ontwikkeling.

Repeteren – derde taalperiode

De leraar probeert in herinnering te brengen wat er in de eerste taalperiode is gedaan.
De schriften worden uitgedeeld en als de kinderen deze nog eens hebben doorgelezen, vertelt de leraar:

Net zoals Adam hebben jullie ook eens voor de eerste keer geademd. Met deze adem heb je langzamerhand leren spreken. Eerst thuis en op straat en later ook hier op school, heb je steeds meer van de taal in je opgenomen. Daardoor draag je al, zonder het te weten, alles in je mee wat we gaan oefenen in deze periode. Eigenlijk kun je zeggen dat je een schatkamer van binnen hebt. Daar kun je alles wat we nodig hebben uithalen, net zoals een schatbewaarder de edelstenen die hij verzameld heeft, uit de schatkist haalt, ze bekijkt, onderscheidt en goed leert kennen.

Wanneer de kinderen voor het eerst echt in boeken lezen, geeft de leraar de opdracht om de Doewoorden te zoeken, die in het gelezen stukje staan. De kinderen blijken dat zo goed te kunnen, dat de leraar een beetje overmoedig wordt: ze moeten in datzelfde stukje de Adamwoorden [4] opzoeken en in hun schrift schrijven. Bij een aantal kinderen loopt het nu spaak. Verwarring en onrust alom. De leraar merkt dat sommigen het wel samen kunnen, maar nog niet alleen. Om ze te helpen geeft hij een paar voorbeelden:

Adam zegt: ,,Kijk Eva, een dennenboom”. Eva: ,,Een stekelige dennenboom”. Adam: ,,Kijk Eva, een zwaan”. Eva: „Een deftige zwaan “.

Hier en daar gaan de vingers omhoog. Sommige kinderen willen zelf graag voorbeelden verzinnen. Ook bij de kinderen die het zo-even niet meer wisten, gaat het nu beter. Opvallend, maar niet zo vreemd is het dat ze het steeds over dieren hebben. De leraar wil ze op een ander spoor brengen. De namen van planten en voorwerpen zijn tenslotte ook Adamwoorden. Even vergeten ze hun dieren en doen ze pogingen om andere soorten zelfstandige naamwoorden te bedenken, maar het duurt niet lang of ze keren vanzelf weer naar hun poezen, honden en muizen terug.

Ook bij de Evawoorden gebruiken de kinderen weinig variaties. Ze noemen steeds: groot, klein, mooi, lelijk en nog een paar algemene beschrijvingen. Weer moeten zij op andere ideeën gebracht worden: De woeste beer, de harige beer, de grommende beer, de duistere lucht, de bewolkte lucht, de zonnige lucht, de dreigende lucht.
Aha, bedoel je dat?! Nou meester, pas maar op! Even nadenken en daar vliegen de vingers omhoog. Ze grinniken om elkaars bedenksels die steeds gekker worden: Het vrolijke nijlpaard! De moedige mug! De slaperige waakhond!

Toch ontgaat de kinderen de essentie van de Adam- en Evawoorden, de leraar had teveel verwacht. Hij besluit terug te gaan naar de Doewoorden. Op het bord schrijft hij met grote letters: IK GA STAAN. Sommigen hebben meteen in de gaten wat de bedoeling is. Zij staan op, spoedig gevolgd door de rest. STAAN wordt uitgeveegd en daarvoor in de plaats komt LIGGEN. De hele klas duikt naar de grond. Bij de werkwoorden voelen de kinderen zich meer in hun element. Hier gaan actie en begrip goed samen.

Het toneelstuk over de geboorte van Mozes heeft in deze periode ook nog steeds de volle aandacht. Aan het eind van de periode zal het voor publiek worden opgevoerd.
Behalve om te spelen, gebruikt de leraar de tekst, die de kinderen nu helemaal uit het hoofd kennen, ook voor andere doeleinden: het oefenen van de drie woordsoorten. Terwijl de kinderen de zinnen reciteren, stampen ze als ze een werkwoord tegenkomen, klappen ze in de handen bij een zelfstandig naamwoord en maken ze een sprongetje omhoog bij een bijvoeglijk naamwoord:

 Ooievaar: Ik kom met deftig afgemeten passen
s
tamp    sprong sprong     klap
door het diepe water plassen.
sprong   klap   stamp
Een kikkertje hier, een visje daar.
            klap                      klap
Ziezo, met eten ben ik klaar.
                   stamp

Prinses: Stil! Ik zie de ooievaar.
                                 stamp klap
Wat zoekt hij daar?
          stamp
In het water gewis
             klap
een maaltje vis.”
            klap    klap

Ze vinden het oefenen heel spannend, maar natuurlijk gaat er veel mis: soms springt er een in zijn eentje op, soms gebeurt er niets als er gestampt moet worden. De geeft niets, als de kinderen maar allemaal meedenken. Dan schrijft de leraar enkele regels van het toneelspel op het bord. Met zijn hulp onderstrepen de kinderen de werkwoorden rood, de bijvoeglijke naamwoorden geel en de zelfstandige naamwoorden blauw.

Het is carnaval. Er heerst een soort marktsfeer in het schoolgebouw. Overal slingers en in elk lokaal is wel iets leuks te doen of iets lekkers te eten. De derde klas zal het toneelstuk opvoeren. In het lokaal is met kleurige doeken een grote, deels open tent gebouwd. Dat is het paleis van de farao. Aan de andere kant van het lokaal staan stoelen en bankjes voor het publiek, leerlingen uit de andere klassen.

Die ochtend komen er wel vier prinsessen, een even groot aantal farao’s, zes wachters en vijf rietstengels binnen. Niemand heeft zich verkleed als eend. De kinderen voelen zich zeker te groot om als eendje op school te komen. Er loopt wel een statige ooievaar rond. Het is de jongste van de klas.
De rollen worden verdeeld. Ze zullen het stuk meerdere keren spelen, zodat alle farao’s en prinsessen een keer de hoofdrol krijgen. Er is echter één probleem: hoe komen we aan eenden? Spontaan bieden twee gesluierde prinsessen zich aan.

Dan stroomt het publiek binnen: prinsen, feeën, kabouters, kikkers, lieveheersbeestjes, konijnen, Noormannen, Griekse goden en godinnen. Alle plaatsen zijn bezet; de deur gaat dicht en het spel kan beginnen. Het publiek is nog een beetje luidruchtig, maar de spelers spreken zo duidelijk en krachtig, dat het al gauw stil wordt. Even dreigt de farao uit zijn rol te vallen. Hij is een stuk van zijn tekst kwijt. Zachtjes fluistert de schildwacht hem de woorden in. De twee prinsesseneenden trekken kordaat hun lange jurken op en lopen gehurkt langs het riet. Ze kwekken en ze kwaken dat het een lieve lust is. Geen enkele toeschouwer heeft er moeite mee. Het bonte gezelschap is ademloos stil…

Als deze periode achter de rug is, blijkt nog eens hoeveel indruk het toneelspel op de kinderen gemaakt heeft. Wanneer de leraar tijdens het werken een beetje streng optreedt, verzucht een jongetje:
Als slaven moeten wij werken gaan.

De anderen vallen hem spontaan bij:

Nu werken wij als slaven
Wij rennen en wij draven
Dag in, dag uit.
En tot besluit
Een karig loon!
Wat een hoon!
Smart en honger drukt ons neer.
Help ons uit de nood, o Heer!

En de leraar? De leraar lacht beschaamd.

 (Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] bij ‘taal in klas 2’ voegde ik dit commentaar toe:
het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander!. Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wèl!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.
In klas 3 ‘verlies’ je dus geen tijd aan het aanleren van het verbonden schrift.

[2] vogelveren, m.n. de ganzenveer: zeer geschikt.

[3] Ik zou altijd vermijden dat kinderen dingen tegen hun hoofd kunnen krijgen wanneer ze niet goed opletten. (Bovendien gooi je niet met een tekendoos.)

[4] ‘Adam’- en “Eva’woorden zijn zeker namen die de kinderen helpen gevoel te krijgen voor de woordsoorten. In de loop van de 3e klas kun je ook overgaan op noem (naam)woord en hoe-woord.            Pieter HA Witvliet

.

3e klas: alle artikelen

Spraakoefeningen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas: alle beelden

.

465-431

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 2e klas (1)

 

tweedeklas

Spannend is het nog wel om na de zomervakantie terug op school te komen, nieuw is het niet meer.
Veel zelfverzekerder dan vorig jaar maken de kinderen hun entree in de klas: ze kennen hun juf en hun klasgenoten immers al lang. Ze weten precies hoe het toegaat, wat wel en wat niet mag. Ze praten over die eersteklassertjes alsof ze die tijd al jaren achter zich hebben.
Veel kinderen zijn in de laatste maanden enorm gegroeid: broeken op hoogwater en veel te korte mouwen getuigen hiervan. De grote, nieuwe tanden passen nog niet in hun gezichten: de juf heeft ineens een klas vol konijntjes.
Over klasgenootjes worden ongeremd en zonder pardon opmerkingen gemaakt: Juf, hij ruikt zo vies! De tweede klasser heeft het hart op de tong. Toch liggen sympathie en antipathie nog heel dicht bij elkaar: de ene dag heet iemand een stomme tut, de volgende dag mijn beste vriendinnetje. Partijtjes zijn op deze leeftijd een bron van ellende; het liefst nodigen ze de hele klas uit. De ouder moet helpen een  keuze te maken, maar desondanks bestaat het gevaar dat de jarige de samenstelling van de groep vriendjes steeds verandert, een spoor van verwarring en verdriet bij zijn klasgenootjes achterlatend.

Steeds meer komt het individuele van de kinderen naar voren. Het is moeilijk om ze iets anders te laten doen dan ze zelf in hun hoofd hebben. Ieder kind moet op zo’n manier aangesproken worden, dat het persoonlijk betrokken raakt. Ze zijn niet hetzelfde en hoeven dus ook niet altijd hetzelfde te doen. Ze mogen op deze leeftijd niet het gevoel krijgen dat ze te kort schieten. Uit zichzelf ervaren kinderen hun grenzen niet.

Uit de leerstof in de tweede klas
Het kind kan langer dan vorig jaar achter elkaar doorwerken. Een aan zichzelf gesteld doel wil het graag bereiken, het werk moet hélemaal af, of héél erg netjes zijn.

De vertelstof van dit jaar zijn fabel en legende.

De fabel waarin het dier met een van de menselijke karaktertrekken (ondeugend, sluw, gulzig) op scherpzinnige wijze wordt neergezet, houdt het kind als het ware een spiegel voor. Het dier loopt door zijn karaktertrek onveranderlijk tegen de lamp en leert er niet van.

De legende daarentegen handelt over mensen die tot inzicht zijn gekomen: de heilige was niet altijd heilig. Zowel uit de fabel als uit de legende spreekt een natuurlijke moraal, waarbij een oordeel over goed of kwaad onuitgesproken blijft.

Het rekenonderwijs heeft nog steeds een zeer levendig karakter: bij het klassikaal opzeggen van de tafels wordt hard geklapt en gestampt.[1] Ze leren even makkelijk de tafels van vermenigvuldiging als gedichtjes en versjes uit het hoofd.

De heemkunde in de tweede klas verschilt niet zoveel van die van de eerste. De leerkracht vertelt verhalen geïnspireerd door de jaargetijden, de elementen, en de planten en dieren.

Over het Nederlands in de tweede klas. Spreken
Ook in de tweede klas wordt het stijlgevoel vooral sprekend ontwikkeld. De toneelstukken en recitaties hebben nu vaak fabels of legenden als onderwerp.

De leraar probeert de kinderen verschillen in zinsmelodie te laten horen. Zo klinkt het als we iets vragen:

Zullen wij een wedstrijd houden, haasje?

Zo klinkt het als we blij zijn:

Ga jij maar vast, ik ga dansen in de maneschijn.

En zo als we gewoon iets vertellen:

kruipt de schildpad voort.

Schrijven
De kinderen leren nu de kleine drukletters schrijven [2] De leerkracht schrijft alleen op het bord wat de kinderen uit het hoofd kennen. Hij zorgt ervoor dat de kinderen bij het reciteren, bij het overschrijven van het bord [3] en bij het lezen altijd van een samenhangend geheel uitgaan.

Dus eerst leren de kinderen de tekst in zijn geheel kennen, dan richten zij de blik naar elke zin en tenslotte naar enkele woorden. Nooit [4] worden de letters los van elkaar geoefend, zij blijven in het woordverband.
Waarom nu altijd van het geheel uitgaan?

In de belevingswereld van het kind hangt alles met elkaar samen. Wanneer de kinderen de dingen als afzonderlijke onderdeeltjes leren, maken we de werkelijkheid doods. De bloem die het kind plukt, bekijkt het ook nog niet op de aparte blaadjes, stamper en meeldraden.
Een andere reden is dat de kinderen door van het geheel uit te gaan een goed gevoel van onderlinge saamhorigheid krijgen. Daar hebben zij behoefte aan.
De overschrijfoefeningen en de verhaaltjes en de beschrijvingen die de kinderen maken, komen in een periodeschrift. Zij schrijven met kleurpotlood en versieren hun werk met bijpassende tekeningen en met kleurige sierranden vol bloemen, sterren en andere feestelijkheden.

Lezen
Pas wanneer de kinderen zichzelf op zeer eenvoudige wijze schriftelijk kunnen uitdrukken, wordt met het eigenlijke leesonderwijs begonnen. Meestal leert de leerkracht hun een gedichtje en wanneer de kinderen dit uit het hoofd kennen, wordt het op het bord geschreven en gaan ze gezamenlijk „lezen”. Wanneer een van de kinderen het even niet volgen kan, pikt hij het altijd ergens verderop weer op.

De leerkracht geeft de spaarzame individuele leesbeurten nooit aan een kind dat het niet kan. Anders wordt het lezen voor sommigen iets om met angst tegemoet te zien.
Voor de kinderen die erg veel moeite hebben met schrijven en lezen, heeft de leerkracht een mooi spel in petto.
Hij tekent op de grond een hinkelblok met bijvoorbeeld vier letters. Dan spreekt hij een simpel woord uit dat gesprongen moet worden, bijvoorbeeld LA.
Daarna springt het kind op andere woorden:

schrijven klas 2  1

 

Op deze manier schrijft en leest de kleine springer met zijn hele lichaam en kan hij spelend leren, wat hij stil zittend in zijn stoeltje niet voor elkaar kreeg. Niet alleen de moeilijke lezer krijgt een beurt. Deze mag zichzelf nooit een uitzonderingsgeval voelen. Bovendien springen alle kinderen graag.

In elke klas zit wel een kind dat een bepaalde spreektaal spreekt. Omdat zo’n taal vaak veel levendiger is dan het Algemeen Beschaafd Nederlands, is het voor dit kind, maar ook voor zijn klasgenoten, een verrassing en een verrijking als de leerkracht erop ingaat.

Grammatica
In de tweede klas krijgen de kinderen geen grammatica. Wel maakt de leerkracht de kinderen opmerkzaam op het gebruik van de punten en de komma’s in de zin.

Fabels — een eerste taalperiode
Een tijd geleden heeft de lerares de fabel van de vos en de raaf verteld. De kinderen hebben genoten van de krassende stem van de raaf en de kruiperige vleierijen van de sluwe vos. Nu komt het verhaal bij het schrijven en lezen terug. Op het bord staat een versje:

Van de vos en de raaf.

De raaf stal een stuk kaas,
Maar ach, helaas,
Hij wordt door de vos verleid
En raakt zijn lekkers aan hem kwijt.

Een tekening toont het tweetal op en onder de boom in gesprek.

De lerares laat de kinderen het verhaal navertellen. Dat gaat heel rap.

Wie wil de vos spelen?

De vingers vliegen omhoog.

Wie de raaf?

Ook veel liefhebbers. Twee kinderen komen naar voren en even later zit de raaf gehurkt op de stoel van de juf en staat de vos een eindje van haar vandaan, klaar om toevallig langs te lopen. Terwijl de lerares de fabel opnieuw vertelt, spelen zij hun rol. Als het spel uit is, zegt de juf het vers regel voor regel voor, de kinderen herhalen het. Even later zitten zij over hun schrift gebogen. Zij maken een tekening van de vos en de raaf.

Wanneer de kinderen het gedichtje de derde dag samen met de juf hebben opgezegd, vraagt zij hun of zij het woord de vos kunnen vinden op het bord. Bijna alle kinderen kunnen het. Sommigen omdat zij slechts één letter herkennen. Op deze manier ontstaat er een wisselwerking: de lerares noemt woorden uit het versje en de kinderen wijzen het aan. Nadat zij de tekst samen gelezen hebben, schrijven de kinderen het over  [3] in hun schrift op de bladzijde naast de tekening.

Tussendoor verzint de lerares allerlei oefeningen die met deze tekst te maken hebben. Met welke letter begint KAAS? Verzin eens een ander woord dat met een K [5] begint. Verzin eens een woord waarin de AA van RAAF staat en een waarin de A van ach staat.  Welke woorden beginnen hetzelfde als RAAF?
RAAS, RAAK, RAAM, RAAP.
Welke woorden eindigen als STAL? BAL, VAL, KNAL.
Welke woorden kun je maken van de letters uit RAAKT?
KAR, RAT, TAK, KAART.
Ook rijgen de kinderen woordkettingen waarbij het ene woord begint met de laatste letter van het vorige:
RAAF – FLAP – POES – STER – ROND – DIK – KOEK.

De sprinkhaan. de mol en de rups heet het korte toneelstuk dat deze klas gaat instuderen.
Allereerst leest de lerares de tekst voor. Dan komen elke dag drie andere kinderen voor de klas, een sprinkhaan, een mol en een rups. Zij spelen wat de juf op hetzelfde moment voorleest. De rest van de klas neemt de rol van de verteller voor haar rekening. Al na enkele dagen spreken de kinderen hele stukken tekst met de juf mee. Het duurt niet lang of haar stem is niet meer nodig. De kinderen weten nu zelf wat zij moeten zeggen.

Op een schoolfeestje voeren zij hun toneelstuk op voor de andere klassen. Het koor staat in de vorm van een halve cirkel op het podium en vertelt over een rups die in de lente ijverig aan een jong berkenblad zit te knabbelen. Daar komt de sprinkhaan met zijn groene vleugels aangesprongen.

Wat ben je daar aan ’t  luieren,
En stap voor stap aan ’t kuieren,
Jij dikke, domme rups?
Wordt toch als ik zo hups!
Voel jij dan niet de zonneschijn,
En spring je niet, al ben je klein
Naar het stralend gouden licht?
Zie hoe ik spring, ‘k heb geen gewicht!

Dan komt  de mol met grote roze handen en een zwarte snuit uit de aarde gekropen. Zijn oogjes knipperen tegen het felle licht. Hij vindt het maar niks in de zon en raadt de rups aan met hem mee te gaan onder de grond. De rups gaat echter zijn gang. Na enkele weken vinden de mol en de sprinkhaan de rups zonder kop of poot bewegingloos aan een takje van de berkenboom hangen. Zij schudden meewarig het hoofd: Had ik het niet gezegd!

Dan vertelt de klas:

Maar beide zwegen plotseling,
Er kwam beweging in het ding!
Twee blaadjes kwamen aan het licht
En klapten open en weer dicht.
Toen nu het knopje open was,
Vloog daar iets kleurigs boven ’t gras.
Weg fladderde het bloempje fijn,
Gedragen door de zonneschijn!

Een vlinder met grote kleurige vleugels is uit de pop tevoorschijn gekomen. De mol die niets van vliegen wil weten, kruipt nu voorgoed onder de grond. De sprinkhaan gaat hoopvol net zoveel groene blaadjes eten als de rups, maar nooit zal hij vliegen zoals de vlinder het kan.

Lettergrepen — een tweede taalperiode
Het is vroeg in het voorjaar. Op alle tafeltjes staat een jampot waarin een boon begint te ontkiemen. Op het bord staat een bonenvers:

Boontje in je aardekluit
Spreid je tere blaadjes uit,
Sta steviger in je steel
Krijg je blaadjes, groen en geel.
Je worteltjes kronkelen in het rond
En kruipen overal door de grond.
Daarmee zuig jij het water op.
Ben je stevig genoeg om zelf te staan,
Dan is niet Boon, maar Boonstengel jouw naam.

De kinderen lezen dit versje samen voor. Dan doen zij er allerlei leesoefeningen mee. De lerares wijst kris-kras woorden aan en later ook regels, die hardop gelezen moeten worden. Zij noemt woorden waarmee de kinderen nieuwe zinnen bedenken en wanneer zij het gedichtje helemaal hebben overgeschreven, [3] krijgen zij ook enkele regels als dictee op.

Om de samenhang tussen de klank en de schrijfwijze van de korte en de lange klinkers aanschouwelijk te maken, vertelt de lerares over een paar kinderen die op een mooie dag in de nazomer met grote manden naar zo’n oude appelboomgaard gaan. Zij mogen van de boer de rijpe appels meenemen. De kinderen klimmen in de bomen en schudden aan de takken zodat de rijpe appels in het gras rollen. Deze appels zijn door het vele zonlicht dat ze gekregen hebben, glanzend rood. Er zijn zoveel rijpe appels, dat zij niet alles kunnen meenemen. Na enkele weken komen de kinderen terug in de boomgaard om er boompjeverwisselen te spelen. Ze zien dat de appels die zijn blijven liggen, bruine schaduwplekjes hebben gekregen. Ze zijn rot geworden.

Op het bord tekent de juf twee appels: een gave rode appel en een met bruine plekken. Zij schrijft er rood en rot onder en vertelt de oo van rood zo helder klinkt. Dat komt door het zonlicht. Deze oo noemt zij lichtklank. De o van rot klinkt dof, deze heeft in de schaduw van de appelboom gelegen: een schaduwklank. Nu bedenken de kinderen zelf in welke woorden de oo voorkomt. Dat vinden zij niet moeilijk: school, boot, sloop, knoop, roos…. De juf schrijft het rijtje onder de rode appel. Ook zoeken zij naar woorden schaduw-o: kop, bok, stok, ros, bos, kok…
Niet lang daarna staan de woordenrijtjes onder aanvoering van de twee getekende appels in de schriften. De volgende dag zoeken de kinderen naar woorden met aa en a, met ee en e, met uu en u. Soms schrijft de lerares enkele woordparen op die slechts een klinker verschillen:

veel     vel
steel    stel
veer    ver

Zij vervolgt dit rijtje door steeds een van de twee woorden op te schrijven, zodat de kinderen het corresponderende woord moeten noemen:

heel   —
teel    —
—     Nel
—     net
—     scheel

In plaats van lettergrepen  leren de kinderen dat ieder woord „kamers” heeft. Sommige woorden hebben maar een kamer, andere hebben er twee of meer. Wanneer je met het uitspreken van een woord in je handen klapt, kun je horen hoeveel kamers er zijn. Dat proberen de kinderen uit:

mus
me-rel
nach-te-gaal
een-den-vij-ver

De kamers zijn niet helemaal gesloten. Een lichtklank kan de vensters openen. Het is dan zo licht in de kamer dat maar één lichtklankletter hoeft binnen te blijven.

schrijven klas 2  2

Natuurlijk blijft het niet bij deze voorbeelden. Zoals steeds gaan de kinderen zelf op zoek naar gesloten en open kamers.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] met ‘hard’ zal moeten zijn bedoeld: ‘intensief, we zijn flink aan het werk’; wat het geluid betreft: er moet ook zachtjes worden geklapt of slechts met de vingers in de handpalm e.d. Wat het stampen betreft: vooral niet ruw (dat dringt zelfs te veel door tot in de maag). Ook hier uiteraard afwisseling in steviger en minder stevig. Wat bij klappen en stampen de basis moet vormen is een zekere elegantie: mooie gebaren die ritme en maat tot zijn recht laten komen.

[2] het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet overtuigend dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander! Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wél!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.
En dan nog dit: waarom zou je iets gaan aanleren wat later weer moet worden afgeleerd!

[3] het overschrijven van het bord is in zekere zin uit ‘nood’ ontstaan. In Steiners tijd was er simpelweg geen geld om veel leermiddelen te kopen en wat er bestond vond hij vaak te onkunstzinnig. Dat laatste geldt voor veel methoden nóg.
Overschrijven van het bord is voor veel (jonge) kinderen moeilijk: steeds weer fixeren op waar je was gebleven: hoofd op, hoofd neer. Het kost veel meer tijd dan wanneer het kind ‘het versje’ op papier voor of naast zich heeft. Maar ja, hoe bied je dat ‘kunstzinnig’ aan.
Er zijn in deze tijd in ieder geval veel meer mogelijkheden om tot mooie kopieën enz. te komen. Voor veel kinderen is het ‘overschrijven’ een crime en er wordt weinig mee geleerd. Er gaat (te) veel tijd in zitten. Voor sommige kinderen is het zelfs frustrerend. Terwille van de ‘economie’ -het vlotter en makkelijker verloop van leren lezen en schrijven: wees kritisch bij het ‘overschrijven’.

[4] dat lijkt me wat absoluut gesteld. Het analytische proces is wat het leven ons voorhoudt: van het geheel naar de delen; dan kun je ook bij de losse letters terechtkomen – dat is om te leren spellen toch nodig.

[5] hier zou ik niet de alfabetletter Kaaa noemen, maar de klank.
.

Pieter HA Witvliet

.

2e klas: Nederlandse taal (2)

2e klas schrijvenalle artikelen

2e klas: alle artikelen

Spraakoefeningen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas: alle artikelen

.

463-429

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – vindplaatsen

De voordrachten over pedagogie(k) die Rudolf Steiner in de jaren – ruwweg – 1919 t/m 1924 in verschillende plaatsen in West-Europa hield, zijn in de ‘totale uitgave’, beter bekend als Gesamtausgabe (GA) gerubriceerd onder de nummers 293 t/m 311.

In het Duits zijn ze hier te vinden.

Een aantal voordrachten is in het Nederlands vertaald

GA 293
Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
vertaald:
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
Bij SteinerVertalingen kun je deze als PDF downloaden

GA 294
Erziehungskunst- Methodisch-Didaktisches
vertaald:
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
Bij SteinerVertalingen kun je deze als PDF downloaden

GA 295
Erziehungskunst – Seminarbesprechungen und Lehrplanvorträge
vertaald:
Praktijk van het lesgeven
(met verschillende inkijkmogelijkheden)
Scan ter inzage via vspedagogie@gmail.com (gratis)

GA 296
Die Erziehungsfrage als soziale Frage
vertaald:
Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave

GA 297
Idee und Praxis der Waldorfschule
Op deze blog vertaald. Inhoudsopgave

GA 297A
Erziehung zum Leben
Op deze blog vertaald: inhoudsopgave
behalve de 5e voordracht: Het morele en het religieuze in de opvoeding*

GA 298
Rudolf Steiner in der Waldorfschule
Gedeeltelijk vertaald
De niet-vertaalde hoofdstukken zijn op deze blog vertaald: zie inhoudsopgave

GA 299
Geisteswissenschaftliche Sprachbetrachtungen
Niet vertaald

GA 300A /B/C
Konferenzen mit den Lehrern der freien Waldorfschule
Niet vertaald, vertaling van GA 300A in uitvoering: GA 300A  inhoudsopgave

GA 301
Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft
Op deze blog vertaald:  Inhoudsopgave;

GA 302
Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung
Vertaald:
Menskunde en opvoeding

GA 302A
Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis
De 9 voordrachten staan onder drie indelingen:
Meditativ erarbeitete Menschenkunde:
Voordrachten 1, 2, 3 en 4 vertaald als:
Menskunde innerlijk vernieuwd*

Erziehungsfragen im Reifealter
Zur künstlerischen Gestaltung des Unterrichts
In de GA zijn ze voordracht 1, en 2  en bij de volgorde van 9 dus 5 en 6.
Voordracht 1 (5) vertaald
Voordracht 2 (6) op deze blog vertaald

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes:  
Ook deze voordrachten zijn weer 1, 2 en 3 genummerd en onder de 9 zijn het dus 7, 8 en 9.
Nu is er iets merkwaardigs: in de gedrukte GA staat de 1e voordracht, 15-10-1923 hiervan op blz. 107, (uitg. 1977); de 2e 16-10-1923 op blz. 122, dat is een ochtendvoordracht en de 3e, 16-10-1923, een avondvoordracht op blz. 135.
In de PDF echter staat deze 3e voordracht in de inhoudsopgave als een voordracht van 22 juni 1922 op blz. 87, dat is dus een vergissing. De tekst van de 3e voordracht van 16-10-1923 staat in de PDF ook op blz. 135, maar deze ontbreekt in de inhoudsopgave.
Deze voordrachten 1, 2 en 3, in de volgorde dus 7, 8 en 9 zijn vertaald:
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap*

GA 303
Die gesunde Entwicklung des Menschenwesens
oorspronkelijk: Die gesunde Entwicklung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Seelisch-Geistigen
Vertaald:
Gezondmakend onderwijs*  (bij Pentagon)
voordracht 9, 10, 11 en 12 bij Phaidos 021

GA 304
Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage
Vertaald:
voordracht 1
Vertaald; Antroposofie en het praktische leven

Voordracht 2
Vertaald: Een antroposofische kijk op opvoeding, onderwijs en het praktische leven

De overige voordrachten zijn op deze blog vertaald:

Opvoed- en onderwijsmethoden vanuit de antroposofie

voordracht 3
voordracht 3  vragenbeantwoording
voordracht 4
voordracht 5
voordracht 6
voordracht 7
voordracht 8
voordracht 9
 

 GA 304A
Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik
Vertaald:
voordracht 1 en 2 Pedagogie kunst en moraliteit*
inleidende woorden bij een euritmieopvoering van leerlingen

Op deze blog: voordracht 3 [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  en de
Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
voordracht 7: De kunst van een morele en lichamelijke opvoeding (Uitg. Vrij Pedagogisch Centrum)

GA 305
Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Vertaald:
voordracht 1 t/m 9 Opvoeding en onderwijs
Bij SteinerVertalingen kun je deze als PDF downloaden

GA 306
Die pädagogische Praxis vom Gesischtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis
Op deze blog vertaald
behalve voordracht 7 Motivatie en kompromissen in de vrijeschool*

GA 307
Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung
Vertaald: Opvoeding en moderne cultuur*

GA 308
Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens
Vertaald: De wordende mens*

GA 309
Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
Op deze blog vertaald: Uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs
Inhoudsopgave
Voordracht [1] [2]  [3]  [4]  [5]
Vragenbeantwoording [1]  [2]  [3]  Toespraak

GA 310
Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik
Vertaald:
Menskunde pedagogie en kultuur*

GA 311
Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit
Op deze blog vertaald: De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens
Inhoudsopgave
Voordracht [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] vragenbeantwoording

GA 24
Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915 –1921
Verhandeling 7 Die pädagogische Grundlage und Zielsetzung der Waldorfschule
Vertaald op deze blog en in ‘In het midden de mens‘.

Verhandeling 4  Freie Schule und Dreigliederung
Vertaald:
Vrije School en Driegeleding Driegonaal 8e jaargang no.1

GA 34
Lucifer-Gnosis/Aufsätze:
(vanaf blz. 309) Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft
Vertaald:
De opvoeding van het kind*

GA 55
Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit
voordracht 6 :Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft
Op deze blog vertaald: De opvoeding van het kind vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

voordracht 7: Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft
Op deze blog vertaald: Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

GA 77A
Die Aufgabe der Anthroposophie
Fragebeantwortung am Pädagogischen Abend
Niet vertaald

GA 95
Vor dem Tore der Theosopohie
Voordracht 6
Op deze blog vertaald

GA 96
Grundimpulse der Theosophie
Voordracht 4
Op deze blog vertaald 

GA 192
Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen
Voordracht 4,5,6 Neuorientierung des Erziehungswesens im Sinne eines freien Geisteslebens: 3 Vorträge über Volkspädagogik
Op deze blog vertaald: 3 voordrachten over volkspedagogie

GA 217
Geistige Wirkungskräfte im Zusammenleben von alter und junger Generation
voordracht 9
Niet vertaald
Geistige Wirkungskräfte im Zusammenleben von alter und junger Generation
Voordracht 10
Niet vertaald

GA 218
Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des menschlichen Organismus
Voordracht 12: Erziehungs- und Unterrichtsfragen
Niet vertaald
Voordracht 13 Erziehungskunst durch Menschenerkenntnis
Op deze blog vertaald: Opvoedkunst door menskunde

Los uitgegeven met een andere titel

*nadere informatie via ‘fondslijst’

.

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

457-424

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 9

 .

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1]  [2]  [3  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording bij de 3e voordracht.

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOPHISCHER
GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Blz. 216

Voordracht 9, Dornach 16 september 1922, tijdens de ‘Franse cursus’ in het 
Goetheanum.

Die Gegenwart ist die Zeit des Intellektualismus. Der Intellekt ist diejenige Seelenkraft, bei deren Betätigung der Mensch am wenigsten mit dem Inneren seines Wesens beteiligt ist. Man spricht nicht mit Unrecht von dem kalten intellektuellen Wesen. Man braucht nur daran zu denken, wie der Intellekt auf die künstlerische Anschauung und Betäti­gung wirkt. Er vertreibt oder beeinträchtigt sie. Künstler fürchten sich auch davor, daß ihre Schöpfungen von der Intelligenz begrifflich oder symbolisch erklärt werden. In dieser Klarheit verschwindet die Seelen-wärme, die im Schaffen den Werken das Leben gegeben hat. Der Künstler möchte sein Werk von dem Gefühle, nicht von dem Verstande, ergriffen wissen. Denn dann geht die Wärme, in der er es erlebt hat, in den Betrachter hinüber. Von der intellektuellen Erklärung aber wird diese Wärme zurückgestoßen.
Im sozialen Leben ist es so, daß der Intellektualismus die Menschen voneinander absondert. Sie können in der Gemeinschaft nur recht wirken, wenn sie ihren Handlungen, die stets auch Wohl und Wehe der Mitmenschen bedeuten, etwas von ihrer Seele mitgeben können. 

De huidige tijd** is de tijd van het intellectualisme. Het intellect is die kracht van de ziel waarmee de mens, als hij er zich van bedient, het minst met zijn innerlijk wezen erbij  betrokken is. Er wordt niet voor niets gesproken over het ‘koude’ intellect.
Je hoeft er alleen maar aan te denken hoe het intellect werkt bij een kunstzinnige beschouwing en betrokkenheid. Het verdrijft of beïnvloedt deze. Kunstenaars zijn ook bang dat hun scheppingen door het intellect begrijpelijk gemaakt of symbolisch verklaard worden. Bij deze overzichtelijkheid verdwijnt de zielenwarmte die aan de werken leven heeft gegeven. De kunstenaar wil dat zijn werk door het gevoel, niet door het verstand gegrepen wordt. Dan gaat de warmte waarmee hij het beleefd heeft, op de toeschouwer over. Door de intellectuele verklaring wordt de warmte teruggeketst.
In het sociale leven is het zo, dat het intellectualisme de mensen van elkaar afzondert. Zij kunnen pas echt in de gemeenschap werken, wanneer zij aan hun verrichtingen die ook steeds wel en wee voor de medemens betekenen, iets van hun ziel kunnen meegeven.

Ein Mensch muß an dem anderen nicht nur dessen Betätigung erleben, sondern etwas von dessen Seele. In einer Handlung aber, die dem Intellektualismus entspringt, hält der Mensch sein Seelisches zurück. Er läßt es nicht in den anderen Menschen hinüberfließen.
Man spricht schon lange davon, daß in Unterricht und Erziehung der Intellektualismus lähmend wirkt. Man denkt dabei zunächst nur an die Intelligenz des Kindes, nicht an die des Erziehenden. Man will die Erziehungs und Unterrichtsmethoden so gestalten, daß in dem Kinde nicht bloß der kalte Verstand in Wirksamkeit tritt und zur Entwickelung kommt, sondern daß in ihm auch die Wärme des Herzens entfaltet wird.
Die anthroposophische Weltanschauung ist damit vollkommen einverstanden.

Een mens moet aan de ander niet alleen diens activiteiten meebeleven, maar ook iets van zijn ziel. Maar bij een handeling die uit het intellectualisme voortkomt, houdt de mens zijn ziel terug. Die laat hij niet naar de ander toestromen.
Er wordt al lange tijd over gesproken dat in onderwijs en opvoeding het intellectualisme verlammend werkt. Men denkt daarbij allereerst slechts aan het intellect van het kind, niet aan dat van de opvoeder. Men wil de opvoedings- en onderwijsmethoden zo vorm geven, dat in het kind niet alleen het kille verstand werkt en tot ontwikkeling komt, maar dat ook de hartenwamrte ontwikkeld wordt.
De antroposofische wereldbeschouwing is het daarmee helemaal eens.

blz. 217

Sie anerkennt im vollsten Maße die vorzüglichen Erzie­hungsmaximen, welche durch diese Forderung Leben gewonnen haben. Aber sie ist sich klar darüber, daß Seele nur von Seele mit Wärme erfüllt werden kann. Deshalb meint sie, daß vor allem die Pädagogik selbst und dadurch die ganze pädagogische Tätigkeit der Erziehenden beseelt wer­den müsse.
In die Unterrichts- und Erziehungsmethoden ist im Laufe der neueren Zeit stark der Intellektualismus eingezogen. Es ist ihm dieses auf dem Umwege durch das moderne wissenschaftliche Leben gelungen. Die Eltern lassen sich von der Wissenschaft sagen, was dem Leiblichen, Seelischen und Geistigen des Kindes gut ist. Die Lehrer empfangen in ihrer eigenen Ausbildung von der Wissenschaft den Geist ihrer Erzie­hungsmethoden.
Aber diese Wissenschaft ist zu ihren Triumphen eben durch den Intellektualismus gekommen. Sie will ihren Gedanken gar nicht etwas von dem eigenen Seelenleben des Menschen mitgeben. Sie will ihnen alles geben lassen von der sinnlichen Beobachtung und dem Experiment.

Ze erkent ten volste de voortreffelijke opvoedingsbeginselen die door deze eis aan leven gewonnen hebben. Maar voor haar is het duidelijk dat slechts de ene ziel aan de andere warmte kan geven. Daarom is zij van mening dat boven alles de pedagogiek zelf en daardoor heel het pedagogisch bezig zijn van de opvoeder bezieling moet krijgen.
In de onderwijs- en opvoedingsmethoden van de laatste tijd* heeft het intellectualisme sterk zijn intrede gedaan. Dat werd mogelijk door het moderne wetenschappelijke leven. De ouders laten zich door de wetenschap vertellen wat voor lichaam, ziel en geest van het kind goed is. De leerkrachten krijgen in hun eigen opleiding van de wetenschap de mentaliteit van haar opvoedingsmethoden mee.
Maar deze wetenschap is nu juist door het intellectualisme tot haar triomfen gekomen. Bij haar denkbeelden past niet zoiets als het eigen zielenleven van de mens.
Wél alles van de zintuiglijke waarneming en het experiment.

Eine solche Wissenschaft kann die ausgezeichnete Naturerkenntnis ausbilden, die in der neueren Zeit entstanden ist. Sie kann aber nicht eine wahre Pädagogik begründen.
Eine solche aber muß auf einem Wissen ruhen, das den Menschen nach Leib, Seele und Geist umfaßt. Der Intellektualismus erfaßt den Menschen nur nach dem Leibe. Denn der Beobachtung und dem Experi­ment offenbart sich nur das Leibliche.
Es ist erst eine wahre Menschenerkenntnis notwendig, bevor eine wahre Pädagogik begründet werden kann. Und eine wahre Menschener­kenntnis möchte die Anthroposophie erringen.
Man kann den Menschen nicht so erkennen, daß man erst seine leibliche Wesenheit durch eine bloß auf das sinnlich Erfaßbare begrün­dete Wissenschaft in der Vorstellung aufbaut und dann frägt, ob diese Wesenheit auch beseelt ist, und ob in ihr ein Geistiges tätig ist.
Für die Behandlung des Kindes ist eine solche Stellung zur Menschen-erkenntnis schädlich. Denn weit mehr als beim Erwachsenen sind im Kinde Leib, Seele und Geist eine Lebenseinheit. Man kann nicht erst nach Gesichtspunkten einer bloßen Sinneswissenschaft für die Gesundheit

Zo’n wetenschap kan de uitstekende kennis van de natuur ontwikkelen die in de laatste tijd ontstaan is. Maar een echte pedagogiek kan ze niet in het leven roepen.
Die moet berusten op een weten dat de mens naar lichaam, ziel en geest omvat. Het intellectualisme beschouwt de mens alleen als lichaam. Want de waarneming en het experiment kunnen alleen in het lichamelijke tot uiting komen.
Er is eerst echte menskunde nodig, voor er een echte pedagogiek kan ontstaan. En de antroposofie zou een echte menskunde willen verwerven.
Men kan de mens niet zo kennen, dat men eerst zijn lichamelijkheid in de voorstelling opbouwt door een wetenschap die als basis alleen het zintuiglijk meetbare heeft, om vervolgens te vragen of dit wezen ook een ziel heeft en of er ook iets geestelijks in werkzaam is.
Voor het omgaan met het kind is zo’n stellingname t.o.v. de mens schadelijk. Want veel meer dan bij de volwassenen zijn in de kinderen lichaam, ziel en geest een levenseenheid. Je kunt niet eerst volgens de gezichtspunten van alleen maar een zintuigwetenschap voor de gezondheid

blz. 218

des Kindes sorgen, und dann dem gesunden Organismus das beibringen wollen, was man für es seelisch und geistig angemessen hält. In jedem einzelnen, das man seelisch-geistig an dem Kinde und mit dem Kinde vollbringt, greift man gesundend oder schädlich in sein Leibes-leben ein. Seele und Geist wirken sich im Erdendasein des Menschen leiblich aus. Der leibliche Vorgang ist eine Offenbarung des Seelischen und Geistigen.
Die Sinneswissenschaft kann nur auf den Leib als Wesen mit körper-haften Vorgängen gerichtet sein; sie kommt nicht zu einer Erfassung des ganzen Menschen.
Man fühlt dieses, indem man auf die Pädagogik hinsieht. Aber man verkennt dabei, was in dieser Beziehung der Gegenwart not tut. Man sagt es nicht deutlich, aber man meint es in einer halben Bewußtheit:
Durch Sinneswissenschaft kann die Pädagogik nicht gedeihen, also begründe man nicht aus dieser Wissenschaft, sondern aus den Erzie­hungsinstinkten heraus die pädagogischen Methoden.

van een kind zorg dragen en dan het gezonde organisme datgene willen toedienen wat men dan voor ziel en geest geschikt acht. In ieder onderdeel van wat men op het gebied van ziel en geest aan het kind voltrekt, grijpt men gezondmakend of schade toebrengend aan zijn lichamelijk wezen in. Ziel en geest hebben tijdens het aardse leven invloed op het lichaam van de mens. Het lichamelijke proces is een uitdrukking van ziel en geest. De zintuigwetenschap kan alleen maar op het lichaam als een verschijnsel met lichamelijke processen gericht zijn; zij komt niet tot een opvatting over de mens als geheel.
Dat voel je, wanneer je naar de pedagogiek kijkt.
Maar men beseft in dit opzicht niet wat de tegenwoordige tijd nodig heeft. Men zegt het niet zo duidelijk, maar men bedoelt, half bewust:
Door zintuigwetenschap kan de pedagogiek niet floreren, dus moeten we maar uit de opvoedingsinstincten en niet uit die wetenschap de pedagogische methoden vormen.

Das wäre in der Theorie anzuerkennen. Aber in der Praxis führt es zu nichts. Denn die moderne Menschheit hat die Ursprünglichkeit des Instinktlebens verloren. Es bleibt ein Tappen im dunkeln, wenn man aus heute nicht mehr elementar im Menschen vorhandenen Instinkten eine instinktive Pädagogik aufbauen will.
Das wird durch die anthroposophische Erkenntnis eingesehen. Durch sie kann man wissen, daß die intellektualistische Orientierung in der Wissenschaft einer notwendigen Phase in der Entwickelung der Mensch­heit ihr Dasein verdankt. Die Menschheit der neueren Zeit ist aus der Periode des Instinktlebens herausgetreten. Der Intellekt hat seine her­vorragende Bedeutung erhalten. Die Menschheit brauchte ihn, um auf ihrer Entwickelungsbahn in der rechten Weise fortzuschreiten. Er führt sie zu demjenigen Grade der Bewußtheit, den sie in einem gewissen Zeitalter erklimmen muß, wie der einzelne Mensch in einem Lebensalter gewisse Fähigkeiten erringen muß. Aber unter dem Einflusse des Intel­lektes werden die Instinkte abgelähmt. Man kann nicht, ohne gegen die Entwickelung der Menschheit zu arbeiten, zu dem Instinktleben wieder zurückkehren wollen. Man muß die Bedeutung der Vollbewußtheit anerkennen, die durch den Intellektualismus errungen ist. Und man muß

Wat de theorie betreft, daar kan men het wel mee eens zijn. Maar in de praktijk leidt het tot niets. Want de moderne mens is het oorspronkelijke instinctieve leven kwijtgeraakt. Het blijft luchtfietsen, wanneer men uit fundamenteel niet meer aanwezige menselijke instincten een instinctieve pedagogiek vorm wil geven.
Met antroposofische kennis zie je dit in. Hierdoor kan men weten dat het intellectualistisch zich oriënteren in de wetenschap haar bestaan te danken heeft aan een noodzakelijke fase in de ontwikkeling van de mensheid.
De mensheid van de nieuwere tijd heeft de fase van het instinctleven verlaten. Het intellect heeft zijn voortreffelijke betekenis gekregen. De mensheid had het nodig om op het pad van de ontwikkeling op de juiste koers te blijven.
Dit leidt haar naar die graad van bewustzijn die ze in een bepaalde tijd moest bereiken, zoals de individuele mens op een bepaalde leeftijd zekere vaardigheden verwerven moet. Maar onder invloed van het intellect verzwakten de instincten. Je kunt niet, zonder tegen de ontwikkeling van de mens in te gaan, weer terug willen naar het instinctieve leven. De betekenis van het ten volle tot bewustzijn te zijn gekomen door het intellectualisme, moet je accepteren. En je moet

b;z. 219

dem Menschen in dieser Vollbewußtheit das auch vollbewußt wieder geben, was ihm kein Instinktleben heute mehr geben kann.
Dazu braucht man eine Erkenntnis des Geistigen und Seelischen, die ebenso auf Wirklichkeit begründet ist wie die im Intellektualismus begründete Sinneswissenschaft. Eine solche strebt die Anthroposophie an. Dies anzuerkennen, davor schrecken viele Menschen heute noch zurück. Sie lernen die Art kennen, wie die moderne Wissenschaft den Menschen verstehen will. Sie fühlen, so kann man ihn nicht erkennen. Daß aber eine neue Art weiter ausgebildet werden könne, um in ebensol­cher Bewußtheit zu Seele und Geist vorzudringen wie zum Körperhaf­ten, dazu will man sich nicht bekennen. Deshalb will man für die Erfassung und erziehliche Behandlung des Menschlichen wieder zu den Instinkten zurückkehren.
Aber man muß vorwärtsgehen; und dazu hilft nichts als zu der Anthropologie eine Anthroposophie, zu der Sinneserkenntnis vom Menschen eine Geisteserkenntnis hinzugewinnen. Das völlige Umlernen und Umdenken, das dazu nötig ist, erschreckt die Menschen. Und aus einem unbewußten Schreck heraus klagen sie die Anthroposophie als phantastisch an, während sie nur auf dem Geistgebiete so besonnen vorgehen will wie die Sinneswissenschaft auf dem physischen.

de mens in dit volle bewustzijn ook volbewust geven wat het instinctleven hem niet meer geven kan. Daarvoor heb je kennis van de geest en van de ziel nodig die net zo op realiteit berust, als de zintuigwetenschap berust op het intellectualisme. Hiernaar streeft de antroposofie.
Voor een erkenning hiervan schrikken veel mensen nu nog terug.
Ze leren de manier kennen zoals de moderne wetenschap de mens begrijpen wil. Dat er echter op een nieuwe manier verder gebouwd kan worden om met net zo’n volledig bewustzijn door te dringen in de geest en de ziel, als in het lichamelijke, dat wil men niet accepteren. Dus keert men liever terug naar de instincten voor het begrip en het opvoedkundig behandelen van de mens.
Maar, we moeten vooruit; en daarbij helpt niets de antropologie zo, dan de antroposofie; bij de zintuigkennis omtrent de mens kennis over de geest verwerven.
Het totaal andere denken en andere leren, schrikt de mens af. En vanuit die onbewuste angst verwijten de mensen de antroposofie fantasterij. terwijl ze nu juist op het terrein van de geest net zo vol bezinning te werk wil gaan als de zintuigwetenschap op lichamelijk gebied.

Man sehe auf das Kind hin. Es entwickelt um das siebente Lebensjahr herum seine zweiten Zähne. Diese Entwickelung ist nicht das Werk bloß des Zeitabschnittes um das siebente Jahr herum. Sie ist ein Geschehen, das mit der Embryonalentwickelung beginnt und im zweiten Zahnen nur den Abschluß findet. Es waren immer schon Kräfte in dem kindli­chen Organismus tätig, welche auf einer gewissen Stufe der Entwicke­lung die zweiten Zähne zur Entwickelung bringen. Diese Kräfte offen­baren sich in dieser Art in den folgenden Lebengabschnitten nicht mehr. Weitere Zahnbildungen finden nicht statt. Aber die entsprechenden Kräfte haben sich nicht verloren; sie wirken weiter; sie haben sich bloß umgewandelt. Sie haben eine Metamorphose durchgemacht. Es finden sich noch andere Kräfte im kindlichen Organismus, die in ähnlicher Art eine Metamorphose durchmachen.
Betrachtet man in dieser Art den kindlichen Organismus in seiner Entfaltung, so kommt man darauf, daß die Kräfte, um die es sich da

Kijk nu eens naar het kind. Zo rond het 7e jaar krijgt het zijn blijvende tanden. Deze ontwikkeling is niet alleen maar de werkzaamheid van een periode rondom het 7e. Het is een proces dat in de embryonale ontwikkeling begint en dat bij het krijgen van de blijvende tanden alleen maar tot een afsluiting komt. Er waren steeds al krachten werkzaam in het organisme van het kind die in een bepaalde fase in de ontwikkeling de blijvende tanden tevoorschijn brengen. Deze krachten treden in de volgende levensfasen niet meer op deze manier naar buiten. Nieuwe tandenvorming vindt niet meer plaats. Maar de krachten die erbij horen, zijn niet verloren gegaan; die werken verder; ze zijn alleen anders geworden. Ze hebben een metamorfose doorgemaakt. Er bevinden zich in het organisme van het kind nog andere krachten die ook een metamorfose ondergaan.
Wanneer je op deze manier naar de ontplooiing van het kinderlijk wezen kijkt, kom je op de gedachte dat de krachten waarom het gaat

blz. 220

handelt, vor dem Zahnwechsel in dem physischen Organismus tätig sind. Sie sind untergetaucht in die Ernährungs- und Wachstumsprozesse. Sie leben in ungetrennter Einheit mit dem Körperlichen. Um das sie­bente Lebensjahr herum machen sie sich von dem Körper unabhängig. Sie leben als seelische Kräfte weiter. Wir finden sie in dem älteren Kinde tätig im Fühlen, im Denken.
Die Anthroposophie zeigt, wie dem physischen Organismus des Menschen ein ätherischer eingegliedert ist. Dieser ätherische Organis­mus ist bis zum siebenten Lebensjahre in seiner ganzen Ausdehnung im physischen Organismus tätig. In diesem Lebensabschnitte wird ein Teil des ätherischen Organismus frei von der unmittelbaren Betätigung am physischen Organismus. Er erlangt eine gewisse Selbständigkeit. Mit dieser wird er auch ein selbständiger, von dem physischen Organismus relativ unabhängiger Träger des seelischen Lebens.
Da sich aber das seelische Erleben nur mit Hilfe dieses ätherischen Organismus im Erdendasein entfalten kann, so steckt das Seelische vor dem siebenten Lebensjahre ganz in dem Körperlichen darinnen. Soll in diesem Lebensalter Seelisches wirksam werden, so muß die Wirksamkeit körperlich sich offenbaren.

vóór de tandenwisseling aan het fysieke organisme werkzaam zijn geweest. Ze zijn ondergedoken in de processen van groei- en instandhouding. Die zijn niet zelfstandig, maar vormen een eenheid met het lichaam. Rondom het 7e jaar worden ze onafhankelijk van het lichaam. Ze leven als zielenkrachten verder. We vinden ze in het oudere kind terug in voelen en denken. De antroposofie toont aan hoe het fysieke organisme van de mens in zich een etherische component heeft. Dit etherorganisme is tot rond het 7e jaar als totaliteit in het fysieke actief. In deze leeftijdsfase wordt een deel van het etherische leven vrij van het directe werken aan het fysieke organisme. Het krijgt een zekere zelfstandigheid. Hiermee wordt het een meer op zichzelf staande, van het fysieke lichaam in een bepaald opzicht onafhankelijke drager van het gevoelsleven.
Echter, omdat het zielenleven alleen maar met behulp van het etherwezen zich in het leven kan ontplooien, bevindt zich het gevoelsleven vóór het 7e jaar helemaal in het lichamelijke.
Als het gevoelsleven zich op deze leeftijd wil manifesteren komt dit in het lichamelijke tot uitdrukking.

Das Kind kann nur mit der Außenwelt in ein Verhältnis kommen, wenn dieses Verhältnis einen Reiz darstellt, der körperlich sich ausleben kann. Das ist nur dann der Fall, wenn das Kind nachahmt. Vor dem Zahnwechsel ist das Kind ein rein nachahmendes Wesen im umfassendsten Sinne. Seine Erziehung kann nur darinnen bestehen, daß die Menschen seiner Umgebung ihm das vormachen, was es nachahmen soll.
Der Erzieher soll in sich selbst erleben, wie der menschliche physische Organismus ist, wenn dieser noch seinen ganzen ätherischen Organis­mus in sich hat. Das gibt die Menschenkenntnis des Kindes. Mit dem abstrakten Prinzip allein ist nichts anzufangen. Für die Erziehungspraxis ist notwendig, daß eine anthroposophische Erziehungskunst im einzel­nen entwickelt, wie sich der Mensch als Kind offenbart.
Zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife steckt nun im physischen und im ätherischen Organismus ein seelischer Organismus darinnen – der von der Anthroposophie astralisch genannte – wie bis zum Zähnwechsel der ätherische im physischen.

Het kind kan alleen met de buitenwereld in relatie treden, wanneer deze relatie uit een prikkel bestaat die lichamelijk tot uitdrukking kan komen. Dat is alleen dan het geval, wanneer het kan nabootsen. Vóór de tandenwisseling is het kind louter een nabootsend wezen, in de meest omvattende zin. Zijn opvoeding kan er alleen maar uit bestaan dat zijn omgeving hem voordoet, wat hij moet nadoen.
De opvoeder moet bij zichzelf beleven hoe het menselijk fysieke organisme is, wanneer dat nog een vol etherisch leven in zich draagt. Dat levert de mensenkunde van het kind op.
Met het abstracte principe valt niets te beginnen. Voor de praktijk van het opvoeden is het nodig, dat een antroposofische opvoedkunst gedetailleerd ontwikkelt, hoe de mens zich als kind uit.
Tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid zit er in het fysieke en het etherische organisme een gevoelsorganisme – dat door de antroposofie astraallijf wordt genoemd – zoals tot de tandenwisseling het etherische in het lichamelijke.

blz. 221

Das bedingt, daß für dieses Lebensalter das Kind ein Leben entwik­kelt, das sich nicht mehr in der Nachahmung erschöpft. Aber es kann auch noch nicht nach vollbewußten, vom intellektuellen Urteil geregel­ten Gedanken, sein Verhältnis zu anderen Menschen bestimmen. Das ist erst möglich, wenn ein Teil des Seelenorganismus mit der Geschlechts-reife sich von dem entsprechenden Teile des ätherischen Organismus zur Selbständigkeit loslöst. Vom siebenten bis zum vierzehnten oder fünf­zehnten Lebensjahre ist das Bestimmende für das Kind nicht diejenige Orientierung an den Menschen seiner Umgebung, die durch die Urteils­kraft, sondern diejenige, die durch die Autorität bewirkt wird.
Das aber hat zur Folge, daß die Erziehung für diese Lebensjahre ganz im Sinne der Entwickelung einer selbstverständlichen Autorität gestaltet werden muß. Man kann nicht auf die Verstandesbeurteilung des Kindes bauen, sondern man muß durchschauen, wie das Kind annehmen will, was ihm als wahr, gut, schön entgegentritt, weil es sieht, daß sein vorbildlicher Erzieher dies für wahr, gut, schön hält.
Dazu muß dieser Erzieher so wirken, daß er gewissermaßen das Wahre, Gute und Schöne dem Kinde nicht bloß darstellt, sondern es ist. Was er ist, geht auf das Kind über, nicht, was er ihm lehrt. Alle Lehre muß wesenhaft im Vorbilde vor das Kind hingestellt werden. Das Lehren selbst muß ein Kunstwerk, kein theoretischer Inhalt sein.

Dat betekent dat het kind in deze levensfase zich niet meer alleen uitleeft in de nabootsing. Maar het kan ook nog niet met volbewuste, door een intellectueel oordeel gestuurde gedachten, zijn verhouding tot de andere mens bepalen. Dat kan pas, wanneer een deel van het zielenorganisme met de geslachtsrijpheid zich als op zichzelf staand, losmaakt van het erbij behorende etherische organisme.
Van het 7e tot het 14-, 15e jaar is bij het zich oriënteren op de mensen uit zijn omgeving niet de oordeelskracht bepalend, maar wat door autoriteit tot stand komt.
Dat heeft echter tot gevolg, dat de opvoeding in deze jaren geheel moet samengaan met de ontwikkeling van een vanzelfsprekende autoriteit. Men kan niet steunen op wat het kind met het verstand beoordeelt, maar men moet inzien dat het kind accepteren wil wat het als waar, goed en mooi aangereikt krijgt, omdat het een voorbeeld ziet in zijn opvoeder die dit voor waar, goed en mooi houdt.
Daartoe moet de opvoeder in zekere zin zo bezig zijn, dat hij niet alleen maar het ware, goede en mooie toont, maar dat ís.
Wat hij is, gaat op het kind over, niet wat hij het leert. Al het aanleren moet in wezen voorbeeld zijn voor het kind.
Het aanleren zelf moet een kunst zijn, geen theoretische inhoud.

*GA=GesamtAusgabe, de genummerde werken en voordrachten van Steiner.
GA 304

Rudolf Steiner: pedagogische voordrachten

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen.

.

.

456-424

.

Opspattend grind (3)

.

De overheid heeft ‘de’ lijst  EXCELLENTE  SCHOLEN 2017 gepubliceerd.

Er staan GEEN vrijescholen op.

Ik ben daar persoonlijk niet rouwig om. Mij puzzelt de vraag: kan een vrijeschool wel een door de overheid excellent bevonden school zijn?

De overheid ‘claimt’ hier het woord ‘excellent’.

Zij weet dus wat excellent is.

Zoals sommigen weten wat de ‘ware’ godsdienst is. Wie die niet belijdt is ‘niet waar’ – een afvallige – vroeger een ketter – en elders nu: een hond.

Zo weet de overheid ook precies wat ‘zwak’ en ‘sterk’ is.

Een niet overheid-excellente vrijeschool is misschien wel een excellente vrijeschool – alhoewel? Wie weet wat een excellente vrijeschool is.

Een overheid-zwakke vrijeschool is misschien wel een heel sterke vrijeschool – alhoewel? Wie weet wat een sterke vrijeschool is.

Veel ouders die een school zoeken voor hun kind zijn erg gelovig: zij nemen voetstoots aan wat de overheid zegt.

En leg dan als ‘zwakke’ vrijeschool maar eens uit dat je een goede vrijeschool bent.

Je zou bijna aan een ‘keurmerk’ denken. Er bestaat al een Demetercertificaat – zou een ‘Pallaslabel’ iets zijn?
.

Opspattend grind: alle artikelen

.

453-421

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Biografieën – alle artikelen

.

biografieën

Er doen zich in het vrijeschoolonderwijs nogal wat gelegenheden voor waarbij verteld zou kunnen worden over of uit het leven van bekende persoonlijkheden.

Of dit nu bij (kunst)geschiedenis is, bij aardrijkskunde, natuur- of scheikunde, overal ontmoeten we de ‘groten der aarde’.

Steiner noemde het vertellen van biografieën als een middel om het melancholische kind in aanraking te brengen met het levenslot van een ander: opdat het leert meebeleven wat de ander heeft meegemaakt. Dat plaatst de eigen levenslotgevallen in een ander perspectief: maakt ze minder zwaar, leidt af van de op het eigen zelf betrokken aandacht.

In veel gevallen kunnen de levenslotgevallen van de beroemde persoonlijkheden ook een beeld bevatten dat voor het getuigschrift van alle leerlingen vanaf klas 6 – mits de persoon in de lessen een rol heeft gespeeld – zeer geschikt is.

                                                                                                                                                                                                                      134

Abraham
Alexander de Grote
Andersen                      Hans Christian
Aristoteles
Arkwright                     Richard
Assurbanipal
Attila de Hun
Augustus
Bach                               Johann Sebastian
Banting                         Frederic
Beaverbrook
Beecher-Stowe           Harriet
Beethoven von            Ludwig
Boeddha
Bolivar                           Simon
Bolk                               Louis
Braille
Caesar                            Julius
idem
idem
Caruso                           Enrico
Cartwright                   Edmund
Cavell                            Edith
Churchill                     Winston
Cervantes de              Miguel
Cleopatra
Columbus
                    Christoffel
Confucius
Constantijn 1 de Grote
Cook                              James
Cortez                           Hernàn
Coster                           Laurens
Cugnot                         Nicholas
Curie                             Marie
Daimler                       Gottlieb
Darius 1
Darwin                        Charles
Diocletianus
Djengis Kahn
Douglas                       Donald
Dürer                           Albrecht
Edison                         Thomas Alva
Eiffel                           Gustave
Einstein                     Albert
Elisabeth v Thüringen
Elizabeth 1
Filips de Goede
Filips l l
Fitch                           John
Ford                           Henry    [2]
Franciscus
Fulton                       Robert
Galileï                       Galileo
Gandhi                     Mahatma
Garibaldi                 Guiseppe
Goddard                  Robert
Goodyear                Charles
Groote                     Geert
Gutenberg              Johann
Hannibal
Hargreaves            James
Hauser                    Kaspar  [2]
Hendrik de Zeevaarder
Hildegard von Bingen
Hudson                   Henry
Jacquard                  Joseph
Jeanne d’Arc
Justinianus 1 de Grote
Karel de Grote
Karel V
Kay                           John/Robert
Keller                      Helen
Kübler Ross           Elisabeth
Leeuwenhoek       Antoni van
Lincoln                   Abraham
idem
Lindberg                Charles
Linnaeus                Carolus
Livingstone           David
Lodewijk XVI
Luther                    Maarten
Magalhaen           Fernao de
Manutius              Aldo            

Marconi                Guglielmo
Marx                     Karl
Mergenthaler      Ottmar
Michelangelo
Montgolfier        Joseph/Jacques
Morse                   Samuel
Mozart                   Wolfgang Amadeus
Nansen                  Fridtjof
Nebukadnezar
Newton                 Isaac
Nightingale         Florence
Nobel                    Alfred
Odilia
Paracelsus
Pascal                   Blaise
Pasteur                 Louis
Peary                    Robert E.
Pericles
Peter de Grote
Philips                 Gerard en Anton
Pico della Mirandola
Plato
Polo                      Marco
idem
Ptolemeus 1
Pullman              George
Salomo
Santos-Dumont Alberto
Schweizer           Albert
Senefelder          Alois
Shakespeare      William
Siemons             Werner von   zie over zijn jeugd in*
Sikorsky             Igor
Socrates
Solon
Steiner               Rudolf (gedeeltelijke biografie; ook over diens werkterreinen)
Stephenson       Georg
Straus                 Johann jr. en sr.
Suttner von
       Bertha
Tolstoi                Leo
Toscanini           Arthuro
Trevithick          Richard
Verdi                   Guiseppe
Verne                  Jules
Victoria
Voltaire
Washington 
     George
Watt                   James
Wells                  H.G.
Westinghouse  George
Wilde                  Oscar
Willem de Veroveraar
Willem van Oranje
Willem van Oranje [2]
Wright              Orville en Wilbur
Zeppelin von    Ferdinand

 

*over de vormende werking van de biografie

meer (over) biografieën in Vrije Opvoedkunst

vertelstof: alle artikelen

.

Opmerkelijk is wel, dat van de vele biografieën die ik hier kon plaatsen, er relatief weinig over ‘grote vrouwen’ gaan. Die zijn er veel meer dan o.a. hier genoemd.

Hadewych, Eva Curie, Hannie Schaft, Etty Hillesum, Fatima bint Muhammad Al-Fihriya Al-Qurashiya, Theodora van Byzantium
Hier zitten ook interessante persoonlijkheden bij. https://www.biographyonline.net/…/women-who-changed..

Vrouwen op ontdekkingsreis

.

452-420

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-3)

.

DE KOSMISCHE ADEMHALING

Het begrip kosmische ademhaling zal de meeste mensen in deze tijd waarschijnlijk niet bekend zijn, hoewel iedereen wel weet wat met “ademhaling” wordt bedoeld. Maar wel wordt tegenwoordig dikwijls over “stra­ling uit de wereldruimte” gesproken en wordt er daardoor op een kosmisch element geduid. Dientengevolge behoeft ook het be­grip “kosmische ademhaling” niet zo ver weg te liggen als het op het eerste gezicht lijkt.
Sinds het echtpaar Curie ontdekte, dat materie uitstraalt, zich oplost, door straling uiteenvalt, is er sedert het einde van de 19e eeuw een stralingswetenschap ontwikkeld, waarvan de draagwijdte nauwelijks is te overzien. Temidden van de talrijke “stra­lingsbronnen”, die van betekenis zijn voor onze beschouwing, noemen wij de zoge­naamde materie- en veldstraling.
Als oor­sprong hiervan worden de wereldruimte of de sterren gezien. Ook de aardatmosfeer, de aardkorst en de oceanen worden als bronnen genoemd. Eensgezind worden als uit de wereldruimte komend de kosmische ultrastraling, de zogenaamde zonnewind, het zichtbare licht, de infrarood- en de hoog-frequentiestraling genoemd, waartoe ook de röntgen- en ultraviolettestraling behoren. Daardoor is het begrip “kosmisch” ook in de huidige natuurwetenschap gangbaar ge­worden – zij het alleen natuurkundig. Aldus heeft de moderne natuurwetenschap zelf door de ontdekking en het onderzoek om­trent de verschillende soorten stralingen het begrip “kosmisch” overgenomen.

Materie- en veldstraling       
Bij de “materiestraling” gaat het om beweging van “materiedeeltjes”. De “veldstraling” wordt als elektromagnetisch, d.w.z. als energiestraling gedefinieerd, hierdoor kan reeds op de kwaliteiten “stof” en “kracht” worden gewezen, die hieronder ter sprake zuilen komen. Het hele spectrum van het licht (van het ultraviolette tot het infrarode ge­bied) – die kosmische stralingskwaliteit van de grootste betekenis voor mens, dier en plant – wordt ingedeeld bij de veldstraling”. In verband met deze stralingen spreekt men van de “stralingsgordels” van de aarde waar­van de concentratie en uitbreiding voortdurend varieert. Men spreekt dan over “ademen van de stralingsgordels” waar­door in het begripssysteem van de moderne natuurwetenschap ook het begrip “ademhaling” wordt betrokken.
Wij kunnen dus de benaming “kosmische ademhaling” aan de beschouwingen van de huidige natuurkundige zienswijze ten opzichte van de wereld ontlenen.
De volgende stap, die wij ondernemen, gaat verder dan de zuiver natuurkundige zienswijze.
Het begrip “ademhaling” omvat zonder twij­fel een ritmisch proces. In- en uitademing wisselen elkaar af als er sprake is van ade­men. Bij plant, mens en dier en – zoals wij zagen – zelfs als kosmische kwaliteit is het steeds de ritmische beweging tussen twee polen, die zich in dit proces manifesteert. In nog ruimere betekenis worden wij dit ge­waar in het verschijnsel waken en slapen, dood en geboorte, ontstaan en vergaan, op­bouw en afbraak.

Ritmische levensprocessen
Als wij de activiteit van de groene plant bestuderen, zien wij heel duidelijk een ademhalingsproces. De plant neemt met haar groene bladeren het koolzuur uit de lucht op en scheidt in plaats daarvan zuurstof uit. Deze, als assimilatie bekende, aan het dag – en nachtritme gekoppelde activiteit, wijst in wezen op een verband met kosmische krachten; zij is immers – als fotosynthese – met de krachten van het licht ver­bonden. Die leerden wij kennen als kosmische straling. In wezen is dit proces even gecompliceerd als belangrijk. Hier willen wij het slechts vanuit een bepaald ge­zichtspunt benaderen.
Ondanks omvangrijk en intensief onderzoek is de huidige bioloog in het geheel niet in staat de scheikundige kant van de fotosyn­these te doorgronden. Dit behoeft niet te ver­bazen: zolang dit inzicht slechts met de methodes van de gangbare scheikunde wordt gezocht, moet die poging noodzake­lijkerwijs falen, want in werkelijkheid gaat het om levensprocessen. Desondanks – de ont­dekking van dit ritmische proces, het wet­matige ingebed-zijn in het ritme van 24 uur, d.w.z. van een ritme, dat berust op de rela­tie van het aardse met het buitenaardse (de aarde en de zon) – kan onze gedachte in een bepaalde richting leiden. Immers: het licht is onzichtbaar, d.w.z. bovenzinlijk. Het ver­schijnt voor onze blik in samenspel met de aardse materie als kleur en getuigt op die manier van zijn wezen. Alles dus, wat als levende plantensubstantie wordt geschapen, heeft in werkelijkheid zijn oorsprong te danken aan een “kosmi­sche ademhaling”, die een relatie aangaat met de “aardse ademhaling”. En men komt tot de slotsom, dat de totale behoefte aan voedsel van de mensheid honderdduizend keer geringer is dan de jaarlijkse “stralings-oogst” van de aarde ten gevolge van die “straling vanuit de wereldruimte”. Anders gezegd: de kosmos schenkt aan de aarde een rijke overvloed van stralende krachten die hier een gedaanteverwisseling ondergaan en als substantie-vormende, voedsel-scheppende krachten zichtbaar worden.

Gevaar en uitweg
Maar dit proces is tegenwoordig aan een voortdurend toenemend gevaar
bloot­gesteld. Aan de ene kant is de plantenwe­reld ten gevolge van door de mens toegepaste maatregelen eenzijdig naar de aardse kant gericht. Dit gebeurt door de toe­passing van kunstmest, het toevoeren van levenloze substanties om het groeien te sti­muleren. Dat echter bevordert eenzijdig de werking van de aardse krachten en houdt geen rekening met de andere pool, de hier­boven beschreven “kosmische adem­haling”. Dat geldt vooral voor de stikstof, de basis voor de eiwitvorming van de plant. Bij de tegenwoordig gebruikelijke toepassing van kunstmest wordt deze substantie als levenloze materie meestal in overmaat aan de plant toegevoegd, zodat maar al te vaak het gevaar van schadelijke nitrietvorming optreedt. Daardoor wordt de plant losge­maakt uit haar kosmische ademhalingsverband, aan het aards-levenloze gebonden en verliest steeds meer aan voedingswaarde.
“De stikstof… die met de mest moet worden toegevoegd, die moet worden gevormd onder de invloed van de kosmos, moet levend zijn… Niemand beseft tegenwoordig, dat het juist al die minerale meststoffen zijn, die in hoge mate ertoe bijdragen dat deze degeneratie van de landbouwproducten steeds meer optreedt”. Aldus Rudolf Steiner reeds in 1924 in zijn “Landbouwcursus”.
Tegenwoordig is het zeker niet alleen de sindsdien zeer verhoogde toevoeging van kunstmest, maar ook de daarbij behorende aanvulling met pesticiden en niet minder, de toenemende luchtvervuiling die de ontplooiing van de kosmische ademhalingskrachten belemmeren. Zo bezien is de betekenis, zelfs de absoluut noodzakelijke “omme­zwaai” naar de biologisch-dynamische land­bouwmethode het allerlaatste redmiddel. Als men echter bedenkt, dat bijvoorbeeld in West-Duitsland op dit ogenblik* slechts 0,2% van het landbouwareaal “alternatief wordt bewerkt” – d.w.z. zonder kunstmest, maar ook zonder de kosmische ademhaling hierin te betrekken – dan wordt onze bezorgheid nog eens zo groot t.o.v. de te verwachten en reeds veelvuldig zichtbaar geworden ge­volgen.

Betekenis voor de mensheid
Op dit punt moeten wij aan onze beschouw­ing nog een extra dimensie, die van grote betekenis is, toevoegen. Als wij de samen­werking van kosmische en aardse krachten als een wezenlijke voorwaarde voor het was­dom van de planten zien, waarbij de “stra­ling van het wereldal” en de “kosmische ademhaling” ter sprake kwamen, dan stui­ten wij op het volgende probleem: welke plaats heeft daarin de mens?
Aan de ene kant heeft hij dagelijks door zijn voedsel uit het plantenrijk daarmee te maken – aan de andere kant echter is hij als levend organisme volledig in die stroming van het wereldal ingebed.

In het kader van deze beschouwing kunnen wij in dit verband slechts één wezenlijk aspect belichten. Wij wijzen erop dat het moderne onderzoek deze straling van stoffen en krachten die naar de aarde en haar levende wezens uit de kosmos toestroomt, vaststellen en gedeeltelijk ook toepassen kon zowel als “materiestraling” ais “veldstraling”. Omtrent de laatstgenoemde is in het kader van ultraviolette en infrarode straling, maar ook van “kosmische ultrastra­ling” en “hoge frequentiestraling” onder­zoek verricht.

Ook de röntgenstraling wordt tot dit gebied gerekend. Met betrekking tot de “mate­riestraling” hebben onderzoekingen aange­toond, dat het gewicht van de aarde dagelijks met ongeveer 1000 ton stijgt ten­ gevolge van meteorieten die op de aarde neerkomen. “Kosmische materie” komt in een grote hoeveelheid op de aarde terecht, a.h.w. als een bevruchting uit het wereld-al. Dit feit maakt het eenvoudiger een ont­dekking te begrijpen van nog veel grotere betekenis die aan het geesteswetenschap­pelijk onderzoek van Rudolf Steiner is te danken.

In 1923 heeft Rudolf Steiner aangetoond, dat “in werkelijkheid substantie en activiteit, d.w.z. kracht en stof één zijn. Maar zij wer­ken naar de wereld toe op verschillende wijze”.
En met het oog op het deel hebben van de mens aan die kosmische straling, die kosmische ademhaling, blijkt uit dit onder­zoek, dat inderdaad “voortdurend zo’n pro­ces plaats vindt”, waarbij “door de ademhaling en zelfs door de zintuigen uit de hele omgeving” de mens zo’n kosmische stroom van substanties en krachten op­neemt, die als “kosmische voeding” met de aardse voeding wetmatig samengaat.
“Wij leven niet alleen van wat wij eten, maar ook van de uiterst subtiele voedende substan­ties in de lucht, die wij inademen”, aldus Rudolf Steiner.
Beide stromingen staan in een verschillend ritme met elkaar in ver­binding.
Terwijl de dagelijkse substantiële voeding, die wij opnemen, een ritme van 24 uur volgt, d.w.z. relatief snel de wetten van opbouw en afbraak volgt, verloopt de
acti­viteit van de kosmische voedselstroom in de mens veel langzamer, maar met een grote­re continuïteit.

Deze regenereert de mens niet binnen 24 uur, maar pas na zeven jaren. Beide ritmes werken echter samen, doordringen elkaar en vernieuwen vanuit de kosmos en de aar­de onophoudelijk ons organisme. De gevolgen van deze ontdekking door de moderne geesteswetenschap zijn verstrek­kend. Zij maken niet alleen een nieuwe, aan de werkelijkheid afgelezen visie op de voeding mogelijk, maar ook een nieuwe voedingshygiëne, een voedingspraktijk die tot in de sociale omstandigheden genezend kan ingrijpen. En niet in de laatste plaats kan daardoor voor het belangrijke vraagstuk van de samenwerking van lichaam, ziel en geest een in onze tijd aanvaardbare oplossing worden gevonden.

Rudolf Steiner kon er in dit verband op wij­zen dat wij “als wij voeding via de ademha­ling opnemen, uit de wereldruimte tevens het psychische opnemen, niet alleen de substantie. Dit psychische leeft immers te­vens in de ademhaling, wij communiceren dus door die kosmische voeding – die kosmi­sche ademhaling – zowel met de levens- als met de zielenwereld, de etherische als met de astrale wereld, d.w.z. met de sterrenwereld.” Hier verschijnt tegelijkertijd een ge­weldig nieuw gebied van onderzoek dat stellig nog ver na de eeuwwisseling de mensheid zal moeten bezighouden. Pas daaruit kunnen de genezende krachten ont­spruiten, die aan de vernietiging van de aar­de en de mens – tot in zijn kosmische ademhalingsbronnen – paal en perk stellen en een ommekeer mogelijk maken. Op grond van dergelijke inzichten kan zon­der meer blijken, dat niet alleen een totaal nieuwe zienswijze met betrekking tot de kwaliteit van ons voedsel nodig is. Tevens ontstaan er volkomen nieuwe inzichten om­trent de betekenis en de toepassing van de huidverzorging, een werkelijke “cosmetica” (uit dat woord blijkt al, wat die term in wer­kelijkheid betekent). Maar ook de waarde en de werking van de zogenaamde ”uitwen­dige middelen”, van baden en compressen, behandelingen met zalven e.d. zullen in een nieuw licht verschijnen. Niet minder echter zullen de gevaren waaraan de huid blootstaat en die tegenwoordig bijzonder ac­tueel zijn, bijvoorbeeld door ongecontroleer­de bestraling met het zonlicht, een grote waakzaamheid vereisen. En – om een laatste positief aspect in dit opzicht te noemen – de totale samenwerking van het uiterlijke en in­nerlijke, van de huid met de organen maar ook van de mens als totaliteit met de om­vattende wisselwerkingen van de kosmos, de “kosmische ademhaling”, zal voor een nieuwe, heilzame opvatting vruchtbare ge­zichtspunten opleveren. Wij menen, dat ook een toekomstige kosmologie en menskunde niet zonder met deze gezichtspunten rekening te houden zal kunnen bestaan. Deze stoelen op het begrip van de “ademhalingsprocessen van het wereldal”. Het materiaal daarvoor is thans voorhanden.
.

(Gerhard Schmidt-Kennedy, arts; Weledaberichten nr.152, *dec. 1990)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

446-415

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-2)

.

RITMEN IN DE NATUUR EN IN DE MENS

Al het begrijpen vindt zijn oorsprong in de juist gestelde vraag. Het vragen ontspringt uit het zoeken naar het onbekende. Maar het onbekende is dikwijls ook het meest ge­wone, dat wij menen te kennen omdat wij daaraan gewend zijn geraakt. Een van de meest vanzelfsprekende feiten is het leven. Ons lichaam leeft, de dieren en planten om ons heen tonen ons eveneens dit weergaloze wonder.

Het is al sinds lange tijd de droom van de “makers”, de stof te isoleren die causaal voor het leven verantwoordelijk is. Wat zou het voor hen eenvoudig zijn als zij “levensstof­fen” vonden. De erfelijke substantie DNA is het niet, want die kan men in levenloze toestand in de reageerbuis bewaren. Evenmin de z.g. levensstoffen, de “vitaminen”; die kan men zelfs gekristalliseerd bewaren en toch blijven zij actief, als er maar leven aanwezig is, waarop zij hun invloed kunnen doen gelden. Leven is geen dode gemeen­schap van stoffen. Het leven is ook geen ruimtelijke structuur. Men heeft gepoogd, om zich regelmatig herhalende levensprocessen tot een soort van ingebouwde “innerlijke*, klok” te herleiden. Die is echter nooit gevonden. Men zou die dan immers – omdat zij overgeërfd kan worden – al in de DNA hebben kunnen aantonen. Daarvan is echter niets gebleken.

Toen een student in de biochemie in 1924 aan Rudolf Steiner vroeg: “Wat is leven?” antwoordde deze: “U moet de ritmen bestuderen, het ritme is de drager van het le­ven.”
Ritme is geen stoffelijke of ruimtelijke eigenaardigheid; het beweegt zich in de tijd. Het geheim van de tijd is het wezen van het ritme.

Ritme is niet hetzelfde als maat. Dit wordt ook door de machine geproduceerd. Rit­me is kenmerkend voor het leven. Maat is de herhaling van hetzelfde. Ritme is de her­haling van hetgeen op elkaar lijkt. De maat wordt bepaald door verstarde determinatie. Ritme omvat een gebied van vrijheid zonder ten onder te gaan in wanorde.

In deze eeuw* is in de biologie en in de medische wetenschap een veelzijdig onder­zoek met betrekking tot de ritmen op gang gekomen: de chronobiologie. Men heeft daarbij gepoogd om een verschil te vinden tussen oorspronkelijke ritmen en ritmen, die afhan­kelijk zijn van hun omgeving. Indien nodig geeft het experiment de doorslag. Wordt de trek der trekvogels volgens een jaarlijks ritme bepaald door het seizoen en wat is daar­bij de bepalende factor? Bij vele vogels is niet de afnemende warmte of het geringe aanbod van voedsel in de herfst maar het geringere licht, de afnemende lengte van de dag bepalend.
De spreeuwen, die wij op de pleinen van de grote steden aantreffen, zijn gewend geraakt aan de neonverlichting van de talloze reclameborden; zij vliegen niet meer weg maar overwinteren omdat het nachtelijke kunstlicht de vorming verhindert van het hormoon dat de vogeltrek veroorzaakt. Als men echter grasmussen met behulp van ononderbroken verlichting fokt, d.w.z. met uitschakeling van het dag- en jaar­ritme, dan ontstaat toch de drang om te trekken volgens het ritme van het jaar. Wat geldt er nu? Op de keper beschouwd kan men bij geen organisme alleen de innerlijke of uitsluitend de uiterlijke omstandigheden verantwoordelijk stellen; zij horen bij elkaar. Slechts als de vogel ervoor gepredisponeerd is kunnen de veranderingen in de omge­ving een invloed op hem krijgen. En slechts tengevolge van het ingebed zijn in de om­geving en de invloed die daarvan uitgaat kan het eigen ritme beginnen.

Hieruit blijkt iets van wezenlijke betekenis. Een organisme is niet alleen maar een onderdeel van zijn omgeving en ook niet een in zichzelf gesloten systeem. Zijn openba­re geheim is, in specifieke variatie beide te kunnen zijn: een eigen wereld, die open staat voor de omgeving. Kan het werkelijk allebei tegelijk zijn? Om precies te zijn: dit is pas het geval in een afwisselend na-elkaar en dat is zijn leven in ritmen. In afwisse­lende en toch op elkaar gelijkende herhalingen is het organisme nu eens meer zichzelf en dan weer stelt het zich open voor de omgeving en wordt een ecologisch orgaan er­van. Dat beide principes, elkaar aanvullend, kunnen samengaan is een zintuigelijk waar­neembaar en tegelijk ethisch werkzaam oerbeeld van ons eigen levenslang streven om geestelijk zowel zelfstandig als naar de wereld gericht open te zijn.

Ritmisch leven bij plant en dier
Wij kennen de ritmen van de dag in de natuur. De zonnebloem ontleent haar naam aan het feit, dat zij haar bloem overdag enigszins met de zon meedraait. Jonge bonen heffen hun blad en laten het zinken in het dag-nachtritme. Bij veel tropische verwanten daarvan vouwen ’s avonds de gevederde bladeren samen en gaan zij ’s ochtends weer open. Paardenbloemen en zonnedauw bloeien alleen in de voormiddag. De witte water­lelie sluit tegen 16 uur haar kelk. Pas in de avondschemering gaan de bloemen van de teunisbloem met een schok open. En de Mexicaanse cactus “Koningin der nacht”  bloeit alleen na zonsondergang.

koniingin van de nachtReeds Linnaeus plantte in de 18e eeuw een “zonneklok”; aan de openings- en sluitingstijden van de bloemen kon hij elk uur van de dag aflezen.

Ook bijna alle dieren hebben een dagelijks ritmisch verloop van hun leven als ze niet worden gestoord. De houtvester weet precies op welk tijdstip de reebok op zijn vaste plaats verschijnt.
Lang meende men, dat het in ’t wild levende dier zich zonder vaste regels in de vrije natuur ophoudt. De Zwitserse zoöloog Hediger heeft echter kunnen aantonen, hoe precies het dier zich houdt aan de herhaling van het verloop van de vori­ge dag als het ongestoord kan leven. Dan wordt er geen meter van het gebruikelijke wildpaadje afgeweken en zoveel mogelijk op dezelfde tijd dezelfde plek in het bos op­gezocht. En alleen als zo’n ritme ook in de dierentuin bestaat blijft het dier gezond.

Stellig is er daarbij ook een vrij groot scala van variaties tussen een streng gevolgd en een soepeler gedragspatroon. Opvallend is wel dat het de roofdieren zijn die meer onritmisch kunnen leven. Dagenlang zijn ze onderweg tot ze hun prooi hebben gevan­gen. Dan vreten ze zich vol, ze drinken, wassen zich en vervolgens slapen, rusten en luieren ze tot de honger ze weer in beweging zet. Dit geldt zowel voor de leeuw als voor de vos of de bunzing zolang de mens ze niet zijn ritme oplegt. Kennelijk blijft het roofdier bij deze onregelmatige leefwijze gezond omdat het in zijn eigen orgaanritmiek zo stabiel is dat het eenvoudigweg niet uit zijn innerlijke biologische evenwicht raakt. Daarin zijn juist de roofdieren de vertegenwoordigers van de ritmische organisatie. Knaagdieren en hoefdieren zijn veel meer aangewezen op de ritmische overeenstem­ming met de omgeving.

Weekritme en maanperiodiciteit
Hoogst interessant is het weekritme. Het is, wat zijn biologische betekenis betreft, nog weinig onderzocht. Bij de broedtijden van de vogels zijn er een paar opvallende feiten. De meeste jongen van de zangvogels komen na de 13e – 14e dag uit het ei. De hen zit zoals bekend is 21 dagen op haar nest. Ongeveer 28 dagen broeden de meeste van onze kleine dag- en nachtroofvogels, 35 dagen lang de havik, visarend, uil en knob­belzwaan en precies 42 dagen de steenarend!

In de laatste jaren heeft men talloze ritmen van zeven dagen in het menselijke orga­nisme ontdekt. De dikke wang na het trekken van een kies slinkt in een afebbend ritme van zeven dagen van week tot week. Bij een donor worden de ontbrekende rode bloed­lichaampjes om de zeven dagen in grotere hoeveelheden uit het rode beenmerg aan het bloed toegevoegd.

Het weekritme is soms ook te zien bij planten. Om tuinbonen snel te laten ontkiemen kan men ze in water leggen. Zij zwellen dan op tot het omhulsel barst en het eerste worteltje verschijnt. Er wordt alle zeven dagen bijzonder veel water opgenomen. Het merkwaardige echter is, dat de tijden van het sterkste opzwellen zijn afgestemd op de maanfasen: nieuwe maan, eerste kwartier, volle maan, laatste kwartier en weer nieu­we maan. Hier blijkt het weekritme een onderritme van het maanritme te zijn. Het duurt 29½ dag eer dezelfde maanfase terugkeert, d.w.z. iets meer dan 4 x 7 dagen.
In de astronomie heet dit een synodische maand.

Dergelijke biologische maanritmen heeft men bij meer dan honderd verschillende organismen ontdekt. Ruim 70% daarvan leven in de getijdenzone van de zeekusten, zijn dus door dit aan de omloop van de maan gekoppelde machtige gebeuren beïnvloed.
De oester produceert zijn zaad bijv. in de zomermaanden en wel alleen maar rondom de tijden van nieuwe en volle maan.
Soortgelijke voorbeelden van onze Noordzeekust zijn de eetbare mosselsoorten, verschillende strandslakken en zeewiersoorten, de strandkrab en de waddenvlieg om er slechts enkele te noemen die iedere vakantieganger op het strand aantreft. De paloloworm uit de koraalriffen van de Stille Zuidzee is het meest bekend geworden voorbeeld. Als hij om te paaien aan de oppervlakte van de zee in de tijd dat het dan lente is (oktober-november) steeds precies in het derde kwartier van de maan na middernacht verschijnt, wordt hij door de eilandbewoners in massa’s gevangen, als lekkernij gebakken en feestelijk opgegeten.

Maar ook op het land is er een maanperiodiciteit.
Zoals bekend, is in het voorjaar het ontkiemen en ontluiken van de planten sterk afhankelijk van het weer, vooral van warmte en kou. Door nauwkeurige metingen kon men bij enkele hogere bloeiende plan­ten (dicotyledonen) constateren, dat de snelheid van hun groei omstreeks nieuwe maan heel nauw samenhangt met de buitentemperatuur. Bij volle maan daarentegen groei­den de planten gelijkmatiger, d.w.z. iets minder afhankelijk van het weer; men vond dit bij anemonen, helmbloemen, wilde vlier e.a.

Ook in de biologie van de mens bestaat het maandritme. Verbluffend was in de jaren veertig de ontdekking dat de lichtgevoeligheid van het oog in het dag-nachtritme, in het synodische maandritme en in het jaarritme schommelt. Voor blauw zijn wij gevoeliger bij elke nieuwe maan gedurende het hele jaar, maar vooral rondom Sin-t Jan, voor rood bij volle maan, vooral in de midwintertijd. Dit is bij ieder mens het geval en totaal onaf­hankelijk ervan of wij de wisseling van de maanfasen al of niet hebben waargenomen. Een onbewuste gevoeligheid in bepaalde orgaanprocessen is kennelijk gekoppeld aan de astronomische ritmen.

Een ander voorbeeld is de reactiesnelheid. Automobilisten spreken van de “schrik-seconde”. Coureurs trainen op reactie-instrumenten zolang tot die schrikseconde zo kort mogelijk is geworden. Tussen bijv. het oplichten van een lampje en de vlugge druk op een knop blijft altijd nog een meetbare tijdspanne die niet willekeurig kan worden verkleind. Die minimale waarde schommelt in het maandritme en toont: daaruit kan de toestand van het reactievermogen worden afgelezen.

Er zou nog een reeks voorbeelden kunnen worden genoemd van de menselijke aan de maanfasen gekoppelde ritmiek: de schommelingen van de uitscheidingen van uri­nezuur, de frequentie van geboorten en sterfgevallen enz.
De vrouwelijke cyclus is even­eens een verwant ritme, die evenwel niet meer aan de maan als zodanig is gebonden, maar zich daarvan heeft losgemaakt.

Jaarritmen
Het jaarritme is een levenscyclus die alle tot dusver genoemde periodes omvat. Het duidelijkst blijkt dit aan de polen van de aarde, waar het identiek is geworden met het ritme van de lichte dag en de donkere nacht. Gedurende ongeveer een half jaar heerst voortdurend het licht. De schemering duurt een paar weken. Daarna is er een half jaar poolnacht. Alleen de maan verheft zich gedurende die tijd steeds weer boven de hori­zon en verlicht dan elke keer twee weken lang ononderbroken de geweldige ijsvlakten tot hij afnemend weer voor twee weken verdwijnt.

In de tropen overheerst de dag met zijn verbijsterende licht en hitte. De schemering duurt een paar minuten. De nachten zijn inktzwart. Steeds op dezelfde tijd gaat de zon op en onder. Het jaarverloop ontbreekt als ritme van het licht. Slechts de afwisseling van regen- en droge tijd brengt een geleding in de eentonigheid. De tropenhygiëne maakt het voor de Europeaan gemakkelijk om daar gedurende lange tijd te leven. Maar toch klaagt hij op den duur over het ontbreken van het jaarritme. De ene dag is even lang als de andere. De monotonie werkt op den duur verlammend. De tol daarvoor is een algemeen gevoel van onwel zijn als de mens niet zelf aan het jaarverloop een feestelijke vorm geeft. Daardoor merkt hij overduidelijk de waarde van het jaarritme.

In de gematigde breedten hebben wij van nature de beste hulp om het dag-, week-, maand- en jaarritme te beleven. Geen van alle heeft de overhand. Zij doordringen el­kaar en vullen elkaar aan. Hier kunnen wij de gezondste ordening van de tijd, zelfs een echt tijdorganisme beleven, dat wordt beheerst door de omvattende zonnebaan van het jaar.

Maar ook het jaar is een orgaan in een groot hiërarchisch verband van tijd. In het mensenleven verschijnt steeds opnieuw een periode van zeven jaren: het begin van de zichtbare tandenwisseling, het hoogtepunt van de geslachtsrijpheid en de definitie­ve afsluiting van de groei van het skelet vinden plaats rondom het 7e, 14e en het 21e jaar. Er is zelfs een orgaan in de mens, dat duidelijk het ritme van zeven jaren vertoont: het gebit. Gemiddeld verschijnt in de definitieve functie omstreeks het 7e jaar de eerste, rondom het 14e jaar de tweede en omstreeks het 21e de derde achterste kies. De laatste, ook wel verstandskies genoemd, kan nog omstreeks het 40e jaar doorbreken, maar de statistische top ligt rondom het 21e jaar.

De vrijeschoolpedagogie houdt in haar methodiek rekening met het ritme van
ze­ven jaren.
Dikwijls valt dit bij de kinderen niet zonder meer af te lezen.
Hierop wees reeds Rudolf Steiner. Vaak kan het niet worden gediagnosticeerd, zelfs statistisch niet. Echter, zo raadde Rudolf Steiner aan, de opvoeder bewijst elke pupil een weldaad als hij hem in dit levensritme laat onderduiken. Het is een therapeutisch medium. In de trend van de steeds sterker geworden individualisering dreigt de enkeling het verband met het geheel van de wereld te verliezen. Doordat hij het ritme van zeven jaren als een element van zijn eigen levensvorming gaat beleven, wordt hij weer een deel van hetgeen alle mensen vereent: het wezen van de mensheid. Dit leeft in de zelfstandig­heid tegenover de kosmos en is tegelijkertijd geopend voor de wereld. Alle ritmen hel­pen hem om die levensopdracht te volbrengen.

(Wolfgang Schad, Weledaberichten nr.131, dec. 1983*)

.

Ritme; allle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

445-414

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (2)

.

In het Leidsch Dagblad van 13-06-2014 stond een artikel over vrijeschool Mareland.

Directeur Bart van Dam zegt daarin:
‘Het onderwijs mag dan ’vrij’ heten, vrijblijvend is het op het Marecollege zeker niet. Sterker nog: de school heeft een vrij strak programma en aan het eind moeten leerlingen tegenwoordig gewoon centraal examen doen. ,,Het vrije staat voor dat we leerlingen willen opvoeden tot vrije mensen, die zelfstandig zijn en zelf hun verantwoordelijkheid nemen.’’

(cursief door mij)

Dat is interessant: Nu de vrijescholen verre van ‘vrij’ zijn – er zijn maar een paar! vrijescholen in Nederland die geen subsidie willen ontvangen en daarmee een stuk minder gebonden zijn aan de overheid, legt Bart van Dam de nadruk op de ontplooiing van het kind tot vrij mens.

Maar, beste Bart, dat kon volgens Steiner alleen als de scholen vrij zouden zijn van staatsbemoeienis met de inhoud van het onderwijs.

‘Diploma-cratie in plaats van pedagogie  ‘, zoals hoofdredacteur van Vrije Opvoedkunst Arnold Henny jaren geleden al de steeds groter wordende invloed van de staat op het onderwijs noemde.

Kennis en diploma’s: dat is toch waar het nu om gaat.
Onder druk van de overheid (de diplomacratie) is er al veel ‘eigens’ uit de vrijescholen verdwenen.

Euritmie:( door Steiner als een verplicht vak ingesteld), heb ik op een bovenbouw in den lande zien verdwijnen: vanaf de 12e klas: ieder jaar een klas minder. Dat lag niet aan de voortreffelijke manier waarop de euritmiste lesgeeft – er is geen tijd meer, want: de examens! [1]

Het is in het leven nooit zo zinvol om te kijken naar wat er niet meer is.

Wat is er nog wel en wat doen we ermee: dat levert meestal nieuw elan op.
Hoor ik in de woorden van Bart van Dam dit nieuwe elan?

Met de ‘kijk op leerlingen’ – op de zich ontwikkelende mens, zeg maar, hebben de vrijescholen goud in handen.

Rudolf Steiner:

‘Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt’.
Algemene menskunde/75

‘Het is buitengewoon belangrijk dat men zich als opvoeder en pedagoog er steeds van bewust is, dat men er niet mee kan volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar dat men dit onderwijs moet vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens. De fout – het onderwijs in te richten volgens de gewone omgangsvormen – wordt met name gemaakt door het gangbare socialisme. (We zouden dat nu moeten vervangen door ‘Liberalisme’ 
Algemene menskunde

‘Niet zo zeer het idee hebben dat de kinderen dit of dat moeten bereiken, maar zich afvragen, wat kunnen de kinderen op basis van hun psychologische geaardheid bereiken. Helemaal vanuit het kind werken! Dat kan men zich in detail slechts aanwennen, wanneer men een echt zuiver streven aan de dag legt, het kind op verschillende manieren te leren kennen. Ieder kind is interessant.’
GA 300A/155

Goud in handen!
.

[1] Opspattend grind 

Opspattend grind: alle artikelen

.

439-408

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (2-3)

.

Vervolg van ‘menskunde en pedagogie 2-1/; 2-1/1; 2-2

(voor een begrip van het onderstaande is lezen van het bovenstaande zeer aan te raden)

Na vele jaren ‘bezig’ te zijn geweest met antroposofische gezichtspunten over o.a. ‘het’ leven, ben ik er zeker van dat het voor mij niet mogelijk is ‘alles’ te doorgronden. Om uit helderziende waarnemingen tot dezelfde conclusies te moeten komen als Steiner, ontbreekt het aan ‘zekere vermogens’.

Steiner:
‘Man braucht gewisse Fähigkeiten, um die Dinge, um die es sich handelt, aufzufinden: werden sie aber, nachdem sie aufgefunden sind, mitgeteilt, dann kann jeder Mensch sie verstehen, der unbefangene Logik und gesundes Wahrheitsgefühl anwenden will.’

‘Je hebt bepaalde vermogens nodig om de dingen waar het om gaat te ontdekken; maar als ze, wanneer ze ontdekt zijn, worden medegedeeld, dan kan ieder mens ze begrijpen, als hij maar onbevangen logisch nadenkt en op zijn gezond waarnemingsgevoel afgaat.
GA 9/20
Vertaald/21

Dat ‘willen begrijpen’ – hier van ‘het’ etherlijf – vindt zijn weergave in de vorige bijdragen en in de artikelen op mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie’.

7-jaars ritme

Als vrijeschoolleerkracht die zich verdiept in de achtergronden van dit onderwijs, kun je niet om de zg. 7-jaarsfasen heen.

Dat die door ‘de’ wetenschap nauwelijks gezien worden, is nog geen bewijs voor de niet-realiteit ervan.

‘Was in gegenwärtiger Zeit oft die «alleinige» Wissenschaft genannt wird, kann für dieses Ziel oft sogar eher hinderlich als fördernd sein. Denn diese Wissenschaft läßt naturgemäß nur dasjenige als «wirklich» gelten, was den gewöhnlichen Sinnen zugänglich ist. Und so groß auch ihre Verdienste um die Erkenntnis dieser Wirklichkeit sind: sie schafft, wenn sie, was für ihre Wissenschaft notwendig und segenbringend ist, für alles menschliche Wissen als maßgebend erklärt, zugleich eine Fülle von Vorurteilen, die den Zugang zu höheren Wirklichkeiten verschließen.’ [2]

Wat tegenwoordig veelal de ‘enig ware’ wetenschap wordt genoemd, kan voor dit doel vaak zelfs eer­der belemmerend dan bevorderlijk zijn. Want voor deze
weten­schap geldt overeenkomstig haar aard alleen datgene als ‘werke­lijk’ wat voor de gewone zintuigen toegankelijk is. En hoe groot haar verdiensten voor de kennis van deze werkelijkheid ook zijn: zij schept als ze datgene wat voor haar doel noodzakelijk en zegenrijk is tot norm verheft voor al het menselijk weten, tegelijkertijd een massa voorooordelen die de toegang tot de hogere werkelijkheifd afsluiten.
GA 9/19
Vertaald/21

‘Weegschaal wetenschap’

In deze beschouwingen gaat het over ‘het’ etherlijf van het zich ontwikkelende kind vanaf de geboorte.
Groei en slaap. De etherkrachten als groeikrachten.
De etherkrachten sterk werkend in het fysieke, daaraan bouwend en vormend. Vanaf de conceptie.

‘Der auf das Gehirn, als seinen Mittelpunkt, hingeordnete mineralische Bau entsteht durch Fortpflanzung und erhält seine ausgebildete Gestalt durch Wachstum’ .

‘De op de hersenen – als middelpunt – gerichte minerale opbouw komt tot stand door voortplanting en verkrijgt zijn uiteindelijke gestalte door opgroeien.’
GA 9/34
Vertaald/36

‘Die Kräfte die einen Eichbaum gestalten, müssen wir auf dem Umwege durch den Keim in Mutter-und Vaterpflanze suchen. Die Form der Eiche erhält sich bei der Fortpflanzung von den Vorfahren zu den Nachkommen. Es gibt innere, dem Lebenden angeborene Bedingungen.
Die Form des Lebenden pflanzt sich durch Vererbung fort. 
Wie ein lebendes Wesen sich entwickelt, hängt davon ab, aus welchem Vater-oder Mutterwesen es entstanden ist, oder mit anderen Worten, welcher Art es angehört.’ 

‘De krachten waardoor een eik wordt gevormd, moeten we langseen omweg zoeken via de kiem in de moeder- en vaderplant. En de vorm van de eik blijft bewaard bij deze reeks van voortplantingen. Er bestaan innerlijke voorwaarden welke alles wat leeft aangeboren zijn. ( ) De wijze waarop een levend wezen zich ontwikkelt, is afhankelijk van de ouders uit wie het is voortgekomen. Of met andere woorden, van de soort waartoe het behoort.’
GA 9/34
Vertaald/36

‘Jeder Lebensleib ist eine Wiederholung seines Vorfahren. Nur weil er dieses ist, erscheint er nicht in jeder beliebigen Gestalt, sondern in derjenigen, die ihm vererbt ist. Die Kräfte die meine Menschengestalt möglich gemacht haben lagen in meinen Vorfahren.

‘Ieder levenslijf vormt een herhaling van zijn voorgangers. Alleen omdat dit zo is, doet het zich niet in iedere willekeurige gestalte voor, maar in degene die het geërfd heeft. De krachten die mijn menselijke gestalte mogelijk gemaakt hebben, lagen in mijn voorouders.’
GA 9/68
Vertaald/71

Ziel
Van de ziel heb ik hier tot nog toe gezegd dat het een vermogen is om de buitenwereld tot binnenwereld, tot eigen aangelegenheid te maken. Maar er is meer. Vanuit onze binnenwereld reageren we ook naar de buitenwereld toe; kortom we ‘gedragen’ ons – we vertonen gedrag.

Worden we de harde knal gewaar en we schrikken, dan kan deze schrik ‘ons om het hart slaan’, – dat is nog in ons – vervolgens worden we lijkwit,- dat is al buitenkant – om daarna in elkaar te duiken – dat is zichtbaar gedrag.

De hond van onze vrienden gaat er steevast vandoor, wanneer ergens een harde knal klinkt.

Dan is er de hond van Pavlov:

Uit het experiment kan de conclusie worden getrokken dat een gewaarwording  leidt tot een reactie in het ethergebied.

Dat had ik al eerder vastgesteld, maar hier is sprake van een blijvend gedrag: de conditionering, maar je kunt ook zeggen: een bepaalde vorm van gewoonte. Als iets een gewoonte is (geworden) dan zul je ook de neiging hebben zo te reageren. En wanneer deze uiteindelijk deel van het etherlijf zijn geworden, komen ze ook in de stroom van de erfelijkheid.

De blinde grottenvis kon ooit zien, maar door in het donker terecht te komen, kregen de ogen geen lichtprikkels meer. Ze raakten a.h.w. overbodig en maakten op zeker ogenblik geen deel meer uit van de over te erven eigenschappen.

Aan het verschijnsel dat de baby begint te huilen, wanneer deze honger heeft, is af te lezen hoe de interactie tussen etherlijf: honger en gewaarwordingsziel: hongergevoel = onlust, is.

Je zou bijna zeggen: het etherlijf is hier verantwoordelijk voor het huilen, voor dit huilgedrag. A.h.w. ‘de drager’ van dit gedrag. Het driftmatige, het begeerte-achtige, zich intensiverend naar het affectieve, wordt gedragen door het etherlijf.

‘De drager van’ komen we als karakterisering van het etherlijf tegen. Maar – de mens is een gecompliceerd wezen – er is (veel) meer.

Steiner noemt het etherlijf ook ‘vormkrachtenlijf’,  ‘de architect van de opbouw’. (der ‘Plastiker’ – die boetseert, hij spreekt over de plastische krachten van het vormkrachtenlijf.

De groei: verdubbeling van het gewicht, maar ook de verdere structurering van de organen.
Nu is het interessant dat rond het 7e jaar de organen vrijwel ‘klaar’ zijn.

‘De longen hebben hun gestrekte vorm gekregen met de uitbreiding van de longkwab naar opzij.
Ook de beginvorm van de borstkas is zo ver omgevormd, dat deze nu te vergelijken is met die van de volwassene.
Ook de nieren krijgen hun uiteindelijke vorm.
Aan de maag ontstaat de volledige uitgevormde holte.
Evenzo kun je aan andere organen een ingrijpende vormontwikkeling opmerken.
In de fysieke organen werken vorm veranderende krachten, d.w.z. plastisch vormende krachten in. Door deze komt het fysieke lichaam tot in zijn uiterlijke vormen en verhoudingen op een hoger plan van doorvormd zijn. [1]

‘In de hersenschedel, in vele delen van het centraal zenuwstelsel en in de zintuigen van het hoofd houdt bijna gelijktijdig de groei zowat volledig op. Dat is ook in de tijd dat de blijvende tanden aan het verschijnen zijn. De tanden kunnen als in hoge mate gemineraliseerde en in vaste vorm verstarde bouwsel de geschetste omvorming niet ondergaan. Bij hen treedt i.p.v. omvorming, nieuwe vorming op.[1]

Ook is er een bepaalde verhouding gekomen tussen hoofd, romp en ledematen. Het kind kan nu voor het eerst zijn (linker/rechter)arm over het midden van zijn hoofd leggen en zijn (rechter/linker) oor aanraken. Bij het groter worden hierna is het niet zo dat je bv. als volwassene nu ook op deze manier je andere schouder aan kan raken, je arm is in verhouding niet langer geworden, m.a.w. de verhouding blijft.

We zijn gaan spreken over het schoolkind, de schoolkindgestalte, i.t.t. ‘de kleuter’. Over ‘schoolrijpheid’*: kan het kind nu naar de 1e klas?; we vragen eigenlijk: kan het kind nu iets ‘gericht’ gaan leren.

‘In de ontwikkelingspsychologie werd vanuit verschillende kanten een ingrijpende verandering van het kinderlijke bewustzijn op de leeftijd van 7 jaar beschreven. Het meest uitgebreid en het meest veelzijdig heeft Piaget de overgang van het ‘aanschouwelijk-symbolische denken in het logisch-concrete denken’ beschreven. Nog bij het vijfjarige kind verdwijnen voorstellingen die het bij het bekijken van dingen vormt, weer zeer snel. Herinneringsvermogen van kinderen in de voor-schoolse leeftijd is nog erg labiel.’ [2]

Het is interessant dat hier sprake is van ‘herinneringsvermogen’. Hierboven is al verschillende keren sprake geweest van de ziel als vermogen om te verinnerlijken. Maar het ‘verinnerlijkte’ moet wel ‘ergens’ vastgehouden worden. Zouden we dat ook zó mogen zeggen: moet ‘ergens’ gedragen worden, zoals de conditionering en de neiging gedragen worden. Door het etherlijf!
Je iets kunnen herinneren is een proces dat niet eenvoudig te verklaren is. Wat me wel is opgevallen, is bv. dat je je iets sneller of makkelijker herinnert naarmate je wakkerder bent, frisser; dat je ’s avonds niet de naam van iemand weet, maar ’s morgens wel.
Wakkerheid is dus ook een voorwaarde om iets te kunnen onthouden. Wakkerheid is ‘aanwezigheid van het Ik’.

Het Ik is ‘geest’ en kan zich alleen manifesteren op basis van het fysiek/etherische. Dat laatste is ‘natuur’. Dat leidt toch min of meer zijn eigen leven – al kunnen wij het door wat we doen of nalaten positief dan wel negatief beïnvloeden.

Onder ‘normale’ omstandigheden zal het etherlijf dus aan het fysieke van het kind vóór het 7e jaar – de tandenwisseling- zo werken dat het deze fysieke gestalte zijn ( afsluitende) vorm geeft.
De plastisch-architectonische krachten zijn – na die afsluiting – niet meer op die intensive manier nodig bij de opbouw en afronding van de fysieke gestalte van baby naar schoolkind.
Wat gaan die krachten dan doen; wat gebeurt er met deze krachten?

Het kan nauwelijks verbazen dat het antwoord van Steiner is, dat ze ‘vrij’ komen, vrij worden van hun ‘opdracht’ aan het fysieke. Dat ze er ‘klaar’ mee zijn en nu voor ’iets anders’ nodig zijn.

Het etherlijf heeft, zoals we gezien hebben, zijn verbinding enerzijds met het fysieke lichaam, maar anderzijds met de gewaarwordingsziel. Het ligt voor de hand dat deze gewaarwordingsziel nu de ‘steun’ gaat krijgen van het etherlijf; of: de vrijkomende etherkrachten komen nu ter beschikking van de gewaarwordingsziel. Dat betekent eigenlijk: ‘meer’ gedrag: gedifferentieerder gedrag.

Het zal dus niet verbazen dat het etherlijf steeds meer de ‘drager’ wordt van………
Aan de ontwikkeling van het kind rond de overgang kleuter-schoolkind zijn opvallende gedragsveranderingen waarneembaar.

.

[1] Antropologische Grundlagen der Waldorfpädagogik, E.M.Kranich, blz 95/96
[2] idem, blz.97

*in dit artikel o.a. veel meer lichamelijke kenmerken

.

Pieter HA Witvliet

.

kind en etherlijfalle artikelen

Algemene menskundeetherijf    gewaarwordingsziel

Antroposofie een inspiratieetherlijf

menskunde en pedagogiealle artikelen

.

436-406

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.