VRIJESCHOOL – 10e klas -Nederlandse taal

.

taal klas 10 1

Hoe anders is het beeld van een tiende klas vergeleken met dat van een negende. Na de rommeligheid van de negende klas lijkt de tiende een eiland van rust.

De elkaar bestrijdende groepjes zijn uitgewoed en opgelost, de klas bestaat weer uit een groep individuen. Het uiterlijk, in de vorige jaren zo belangrijk en belemmerend, is niet langer bepalend voor de relatie. Verbaasd ontdekken ze dat ze dat kind met haar tuttige kleren of die oen met zijn maffe brilletje, los van het uiterlijk kunnen zien en waarderen. De zestienjarigen kijken opnieuw en met verwondering naar de mensen om hen heen. Over hun bevindingen en gedachten zijn ze méér dan mededeelzaam: dag in dag uit en de hele dag door, zijn de monden in beweging. Politiek, ouders, relaties, films, boeken, sport, kortom alles wat op hen afkomt of wordt aangedragen, wordt uit den treure besproken en becommentarieerd.

Tegelijk met het ontwakend individualisme, gaan ze zich afzetten tegen de voorheen als vanzelfsprekend aanvaarde autoriteit: ze willen zelf bepalen, zelf beslissingen nemen, zelf inzicht krijgen. Rebellerend tegen het gezag hopen ze hun eigen gangetje te kunnen gaan: de één wil laat uit — te laat, vinden de ouders —, de ander alléén met vakantie, — te jong, vrezen de ouders —, de derde weigert hulp bij zijn huiswerk — hoe dom, denken de ouders —.
De meisjes beschermen hun innerlijk door kattig van zich af te bijten, en ook de jongens zijn meer naar binnen gekeerd. Beiden doen akelig eigengereid; ongevraagd en ongezouten wordt kritiek geventileerd, maar werkelijk een eigen oordeel geven vinden ze vaak nog doodgriezelig. Liever wachten ze af wat de mening van een ander is en sluiten zich daar dan opgelucht bij aan. Pas tegen het einde van de tiende klas zie je dat de leerling niet meer schroomt eigen voorkeuren kenbaar te maken en eigen oordelen te geven.

Volop en geëngageerd staat de zestienjarige in het leven. Hij kijkt met interesse om zich heen met het verlangen de wereld te doorgronden. Dat het zo nu en dan tot conflicten komt met die wereld is bijna noodzakelijk om een zelfstandig denkend en oordelend mens te worden.

Over het Nederlands in de tiende klas
Zoals de achtjarige wilde weten waar hijzelf en de wereld vandaan kwam, zo verlangt de zestienjarige inzicht te krijgen in de hedendaagse samenleving en de mens daarin. Het proces van kleuter naar schoolrijp kind, met haar plotselinge groei en tandenwisseling, heeft zich herhaald in het proces van kind naar puber.

De zestienjarige staat nu, net als de achtjarige toen, aan de drempel van een nieuwe periode en dat roept eenzelfde vraag naar het ontstaan der dingen op, alleen op een ander niveau: hoe-is-dat-nu en hoe-was-dat-vroeger, vraagt de tiendeklasser zich af.
In de derde klas werd het scheppingsverhaal verteld, in de tiende klas worden de Middeleeuwen behandeld.

De Middeleeuwen en de overgang naar de Renaissance vormen een periode in de ontwikkeling van de mensheid waarin kenmerken terug te vinden zijn die vergelijkbaar zijn met wat zich in het adolescentenleven afspeelt. Aanvankelijk ruw, barbaars en snel geëmotioneerd, later ingetogen en gebonden aan de regels van de hoofse minne, laat de Middeleeuwer zien hoe hij steeds meer vat krijgt op zijn gemoedsleven. Ook vinden we in de Middeleeuwen en de vroege Renaissance het ontstaan van de steden met haar rechten en wetten, de opkomst van de gilden, de uitvinding van de boekdrukkunst, de ontwikkeling van de wetenschap, het begin van de meer individuele kunst, de overgang van het theocentrisch wereldbeeld naar het antropocentrisch wereldbeeld, het aanvechten van het gezag, alle onderwerpen die tegemoet komen aan het verlangen van de zestienjarige om inzicht in de grondslagen van de samenleving te krijgen.

Dit alles kan je een tiende klas laten zien aan de hand van de meest uiteenlopende teksten. In de heiligenlevens en de geestelijke literatuur vinden ze het ascetische en religieuze in de mens, in de ridderromans komen ze nog oud-Germaanse en vroeg-christelijke vormen van omgang en samenleven tegen en tenslotte zien ze hoe ten tijde van de hoofse minne de meer individuele op het innerlijk gerichte gedichten en vertellingen ontstaan zijn.

Het totaalbeeld, het grootste van de wereldontwikkeling geef je aan door vele facetten van de middeleeuwse cultuur te belichten. Hoe dat gebeurt en op welke teksten en tijd het accent gelegd wordt, hangt helemaal af van de klas waaraan de periode gegeven wordt. Bij een muzikale klas zing je liederen uit het Antwerps Liedboeck, bij een bewegelijke klas speel je kluchten, soms ga je uit van schilderijen en prenten, dan weer van de literatuur, in de ene klas besteed je aandacht aan de Varende Luyden, in een andere klas juist aan de ridderromans. Het bontgekleurde, veelzijdige, en veelomvattende van het leven in de Middeleeuwen verbaast de leerlingen en maakt hen enthousiast.

Het periodeschrift, het zelfgeschreven leerboek, moet deze keer een echt Middeleeuws boekwerkje worden: mooi geschreven, met veel tekeningen, versierde beginletters, randversieringen, kortom alles wat het principe van de Middeleeuwen, waar tekst en beeld altijd samen gingen, gestalte geeft.

Veel leerlingen gaan er uitgebreid voor zitten en leveren dan vaak ware kunstwerkjes af: geharnaste ridders te paard, minstrelen met hun luit, jonkvrouwen geflankeerd door hazewindhonden, narren en drinkende ghesellen, pauwen en herten illustreren de Middeleeuwse gedichten en zelfgeschreven teksten. Ook aan de inhoud kun je zien dat er veel plezier en aandacht aan besteed is. De nonchalance en slordigheid van de negende klasser, heeft plaatsgemaakt voor ernst en zorgvuldigheid. Daarbij vindt de tiendeklasser het tegenover zijn klasgenoten niet meer gênant en uitsloverig een fraai periodeschrift ook voor Nederlands te produceren, een vak waar de verzorging niet een voornaamste rol speelt.

Naast de ontwikkeling van de mens en de samenleving is het goed om de ontwikkeling van de Nederlandse taal te laten zien: de historische taalkunde op eenvoudig niveau. Alleen de grote verbanden en inzichten worden aangegeven. Het werkt motiverend wanneer de invloed van andere Europese talen erin betrokken wordt. De leerlingen zullen dan zelf met veel voorbeelden aankomen.

De tweede periode Nederlands is gewijd aan de poëtica. Het is de bedoeling de leerlingen vooral zelf tot dichten aan te zetten. De eerlijke gevoelens die op deze leeftijd nog heel schuchter en kwetsbaar verwoord worden, kunnen in het gedicht, dat er immers om vraagt innerlijke belevingen weer te geven, vrijer geuit worden.

Verschillende dichtvormen en dichters worden behandeld. De gedichten winnen veel aan zeggingskracht voor de leerlingen door de biografie van de dichter in de bespreking te betrekken: zo worden ook zijn gevoelens in zijn dichtwerken meer zichtbaar.

In de negende klas zou het maken van zulke gedichten en daarmee in de groep voor het voetlicht treden, voor velen te bedreigend zijn geweest. In de elfde klas zijn de leerlingen meestal al zover in hun relatie tot de omgeving en hun gevoelens gegroeid, dat een poëtica-periode geen hulp meer is in de ontwikkeling van de adolescent. Maar in de tiende klas draagt het poëtisch lucht geven aan gevoelens en verlangens bij tot de vorming en uiting van de persoonlijkheid.

In de vaklessen neemt de spreekbeurt een belangrijke plaats in, daarmee wordt geoefend in het openbaar te spreken, een mening over een boek te formuleren en materiaal te verzamelen over een auteur en zijn werk. De leerlingen worden zoveel mogelijk vrijgelaten hun eigen boek te kiezen en ook de opbouw van de spreekbeurt is vrij. Verwerkt moeten worden: de fabel van het boek, iets over de hoofdpersoon en hoe die zich ontwikkelt, iets over de stijl en een eigen mening. Eén of meer fragmenten moeten voorgelezen worden.

Het belangrijkste is dat de spreekbeurt zo is ingericht dat iedereen na afloop vraagt het boek te mogen lenen. Zo wordt het lezen en het uitwisselen van gedachten over literatuur gestimuleerd. In de negende klas werd in principe hetzelfde gedaan, met dat verschil dat de klas nu in staat is om rustiger en doordachter de spreekbeurt te beoordelen. Iedereen kan zijn zegje doen in de nabespreking en deze vormt dan ook een essentieel onderdeel van het geheel. Er zijn veel onderlinge kwaliteitsverschillen, dus elke leerling wordt naar zijn of haar mogelijkheden beoordeeld, niet als selectiemiddel maar met het doel ieders vermogen te ontwikkelen.

Als de spreekbeurt werkelijk beneden de maat is, moet hij uiteraard overgedaan worden; niet-selectief wil nog niet zeggen dat men zich er met een Jantje-van-Leiden af kan maken.

In samenhang met de spreekbeurten wordt er ingespeeld op wat er aan literaire bijvoegsels van kranten en weekbladen verschenen is.

Er worden korte moderne verhalen in de klas gelezen. De stijlkenmerken van het verhaal komen aan de orde en er wordt een begin gemaakt met verhaalanalyse, zonder dat men met al te veel theoretische termen schermt. Begrippen als vertelsituatie en tijd worden behandeld en daarna geoefend in imitatieopdrachten.

Bij het taalonderwijs wordt aandacht besteed aan stijlfiguren, het leren doorzien van foute zinsconstructies en de opbouw van een zakelijke tekst. Ook begin je dit jaar de leerlingen vast voor te bereiden op het eindwerkstuk in de twaalfde klas. In de komende twee jaar leer je ze materiaal te verzamelen en te ordenen. In de tiende klas heeft het zin hiermee te beginnen, omdat dan enige afstand tussen het onderwerp van beschouwing en de beschouwer mogelijk is.

In de tweede helft van het jaar schrijven de leerlingen een werkstuk volgens een bepaalde indeling. Het onderwerp mag van literaire of andere aard zijn. Belangrijk is dat het werkstuk goed opgebouwd is, leuk om te lezen en voorzien van een eigen mening. In de elfde klas volgt een proefeindwerkstuk, gepresenteerd aan een groter publiek dan alleen de eigen klas. In de twaalfde klas tenslotte, moeten de leerlingen zo zelfstandig geworden zijn, dat ze in staat zijn alleen voor het grote publiek hun eindwerkstuk en afsluitende werkstuk van de vrijeschool, te presenteren.

Rangen en standen — een lesbeschrijving van een literatuurperiode
Het is iets voor half negen. De leerlingen staan in groepjes bij elkaar in het lokaal. Er hangt een koortsig opgewonden stemming. Er wordt druk gepraat, heftig gegesticuleerd en onder uitroepen van goed- en afkeuring worden verschillende ochtendbladen vergeleken. Hier en daar is een blauw oog zichtbaar, een pleister of verband.

Het is de dag na de spectaculaire ontruiming van de Lucky Luyk, een kraakpand aan de Amsterdamse Jan Luykenstraat. Eén dag was het oorlog in Amsterdam en veel van deze leerlingen hebben de kans niet laten lopen om dat mee te maken. Uit de verhitte gesprekken blijkt aan de ene kant de woede over het onrecht, aan de andere kant het medeleven met de op elkaar gejaagde partijen. Op het bord staat een onschuldig Middeleeuws gedicht over een drinkeboertje, maar daar heeft niemand oog voor.

De bel gaat, de les moet beginnen. Na de spreuk steekt de leraar meteen van wal:

Vandaag kiezen we eens een heel andere ingang in de Middeleeuwen dan we tot nu toe gedaan hebben. We gaan kijken naar de maatschappij van nu, of daarin ook net als in de Middeleeuwen rangen en standen te ontdekken zijn. Het is niet de bedoeling dat je een oordeel uitspreekt, maar dat je onderscheidt.

In groepjes van drie à vier leerlingen wordt overleg gepleegd. De leraar loopt rond, geeft hier en daar aanwijzingen:

Stel je een willekeurige drukke straat voor, waarin allerlei mensen lopen. Wat kom je dan zoal tegen?

Na een minuuut of tien worden de standen voorgelezen. Sommigen hebben eenvoudigweg een tweedeling gemaakt van denkers en doeners, anderen een hele waslijst met bovenaan de koningin. Weer anderen onderscheiden alleen armen en rijken. Wat voorgelezen wordt, wordt op het bord geschreven en steeds aangevuld. Zo heeft iedereen de punten feitelijk voor ogen.

Hoe groot is bij ons het verschil tussen arm en rijk? Waar ter wereld is het verschil veel groter?

Iemand heeft een categorie jongeren en een categorie krakers aangebracht.

Zijn dat wel aparte categorieën?
Jazeker

verzekert een meisje,
want ze worden toch niet geaccepteerd! Wat zijn dan jongeren? Tja,…
Nou, van 15 tot en met 22 jaar, probeert een jongen voorzichtig. Hoe ziet die groep er dan uit?
Schoolkinderen, werkelozen, studenten die op zich zelf staan.

Een meisje merkt op dat ze bij het begrip jongeren altijd aan verveling moet denken. Ze was zoals altijd twintig minuten te laat op school gearriveerd, had zich lusteloos in haar bank laten vallen en nog geen mond open gedaan. Dit is het moment dat ze ineens overeind schoot en definitief bij het gesprek en de les inhaakte. De discussie laaide fel op, iedereen wilde graag iets kwijt over de eigen groepering en de moeilijkheden. Het verschil tussen jeugd en jongeren komt ter sprake en er wordt gezocht naar een omschrijving van de begrippen. Sommigen vinden het hetzelfde, anderen verbinden aan jongeren, werkend of werkeloos. De beroepen worden doorgenomen, ambtenaren, dokters, advocaten, kunstenaars.

Het is opvallend,

zegt de leraar

dat over het ene beroep aardiger wordt gepraat dan over het andere.

Een vrij beroep, kunstenaar met name, lijkt de meesten het leukste. Er wordt over subsidie voor de kunsten gepraat. De opmerking dat een balletvoorstelling de staat eigenlijk f 200,— per plaats kost, krijgt als commentaar:

Potverdomme, laten ze dat liever aan arme kunstenaars geven!

De tiende klas is een sociaal bewogen klas, steeds verontwaardigd opkomend voor: de groepen die maatschappelijk uit de boot vallen, jongeren, junks, ‘buitenlanders’.

Na een half uur praten heeft men stoom afgeblazen. Het is gebleken dat wij ook, zei het minder in het oog springend, een maatschappij in standen hebben en met die kennis keren ze terug naar de Middeleeuwen.
Een minnedicht van Henric van Veldeke wordt te voorschijn gehaald. De leraar leest het voor en loopt de betekenis snel door. Het gedicht beschrijft het leed van de wereld en hoe de minne dit leed verzacht en hoop geeft in het leven. Het sluit prachtig aan bij het gevoel van onrecht in de maatschappij dat tijdens de discussie steeds naar voren kwam.

Daarna, de felheid is nu wat bezonken, moet de klas een samenvatting van de discussie maken en daarbij een eigen mening geven. Een paar worden voorgelezen en becommentarieerd:

We hebben het gehad over de verschillende inkomens en de bevolking in groepen verdeeld. De koningin is een heel groot verschil met minimumloners, jongeren en de niet-werkers. Er kwam een opmerking van iemand dat er geen groot verschil tussen arm en rijk is. Ik denk dat iedereen hier verschillend over denkt. Bijvoorbeeld de niet-werkers, daar kan je twee dingen onder verstaan: het niet willen werken en de werkelozen. Ook opmerkingen als: ieder zorgt voor zich en er wordt voor je gezorgd. Ook een punt waar iedereen een eigen beeld over heeft. Als ik de maatschappij inkijk zie ik ook een groot verschil tussen arm en rijk, het niet geaccepteerd worden als je anders dan anderen bent en dat de minimumloners altijd de klappen krijgen. Voor junks is bijna geen opvang, maar ook als je uit de bak komt heb je zeer weinig kans op werk. Wat maakt het uit als iemand in een kantoorpak loopt of punk is en met geitenwollen sokken loopt? Als je elkaar accepteert zijn die uiterlijke verschillen juist leuk!… Het gaat niet om het uiterlijk maar om het INNERLIJK!!

Het uiterlijk dat in de negende klas zo bepalend was, moet hier onherroepelijk wijken voor het veel belangrijker innerlijk! De leraar kondigt vast aan:

Morgen zullen de standen die in de Middeleeuwen uit de boot vielen, De Varende Luyden en de Aernoutsgesellen behandeld worden.

Het gedicht dat aan het begin van de les al op het bord stond, blijft daar staan tot morgen.

De discussie, eigenlijk naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam, gaf de mogelijkheid dat wat de klas op dat moment het meest bezighield, zinvol te gebruiken. Het gevoel van onrecht bij de leerlingen kon afgereageerd en gerelativeerd worden, en werkte op deze manier geleid, ook ondersteunend voor de periode Middeleeuwen.

Leven in de middeleeuwen — een literatuurperiode
In een donkere steeg van een klein stadje zit een in lompen gehulde bedelaar op de keien en strekt een bevende hand uit naar een voorbij rijdende ridder: ,,Een aalmoes heer!” De klasisdoodstil. Het is maandagmorgen half negen de eerste les van de periode

taal klas10 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

middeleeuwen. Net toen de leerlingen klaar zaten om de nieuwtjes van het afgelopen weekend met elkaar uit te wisselen, begon de leraar plompverloren met zijn verhaal. Overdonderd klapte iedereen meteen zijn mond weer dicht. Gefascineerd luistert de klas naar een beschrijving van een Middeleeuwse stad: nauwe straatjes met bedelaars, edelen, kooplieden, een plein met marktkramen, kooplui, potsenmakers en een troep toneelspelers.

Na deze inleiding wordt met elkaar een lijst opgesteld van alles waaraan je bij de Middeleeuwen denkt:

•grote rijkdommen tegenover grote armoede
burchten met ridders en jonkvrouwen
horigen
minstrelen, jongleurs en troubadours
•ziektes, pest, dood en verderf
•de ongeregelde taal

Over dat laatste, de ongeregelde taal, zal het in deze periode vooral gaan. In het periodeschrift moeten uitwerkingen van wat de leraar vertelt, Middeleeuwse gedichten, samenvattingen van Middeleeuwse verhalen, verwerkte opdrachten en heel veel illustraties komen.

Een zelfgeschreven inleiding siert de eerste bladzijde van het schrift. Het werd aan het einde van de periode geschreven, toen de leerlingen pas een overzicht hadden van de stof:

Wanneer u wilt weten hoe Nederland door en in de Middeleeuwen verdeeld was, wie hier woonden, hoe men sprak, wat voor gedichten en verhalen men schreef, hoe men over de dood dacht, of wanneer u meer over het harde ridderleven wilt weten, leest dan dit vorstelijk boek. Het laat u, mede door een overvloed aan uitstekend verzorgde illustraties, kennis maken met het leven en de taal in de Middeleeuwen.

De geschiedenis van de taal
Stukje bij beetje vertelt de leraar over de ontwikkeling van de taal hier te lande, de leerlingen werken het uit in hun schrift:

De eerste mensen die dingen op papier zetten waren monniken, zij schreven in het Latijn, evenals ze preekten. De boeken die ze schreven waren bijbelse of geestelijke geschriften. De monniken schreven de boeken voor het klooster en deze stelde ze beschikbaar voor de adel die geen letter kon lezen of schrijven…

Dat waren nog eens sombere tijden: monnikenwerk verrichten, waar niemand iets aan had! Omdat ze in het Latijn schreven, worden wij ook niets wijzer over de taal die toen gesproken werd.

De oudste Nederlandse taal die wij kennen, is het Diets. Het woord Diets komt van het woord Ieod wat ‘volk’ betekent in het Gotisch, Diets betekent dan ook ‘volkstaal’. Het Diets is uit vele talen afgeleid, toen namelijk voor het jaar nul de Germanen, Batavieren, Franken, Saksen, Friezen, Kelten en Romeinen ons gebied introkken om hier te komen wonen, werden, doordat de stammen vaak verhuisden, al deze talen spoedig verspreid en door elkaar gehusseld.

Aan het rijtje vertalingen van vader hieronder, blijkt dat sommige woorden in verschillende talen ook nu nog op elkaar lijken:

Sanskriet                 Pitar
Latijn                       Pater
Nederlands            Vader
Duits                        Vater
Engels                     Father

In de 19e eeuw ontdekt Jacob Grimm door verschillende talen te vergelijken dat er ooit een oertaal geweest moet zijn die de voorloper van alle talen was. Hij geeft aan welke veranderingen in een woord plaatsvonden:

taal klas 10 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             b>p                                                d>t                                    g>k
latijn                 labium            grieks              deka        grieks               agnu
oud saksisch   lepor                oud saksisch  tehan      gotisch              kniu
nederlands      lip                     nederlands      tien         nederlands       knie

Door dit soort vergelijkingen krijgt de taal voor de leerlingen een flinke dimensie erbij.

 

Voorhoofse literatuur
Steeds wordt er een onderwerp uit de Middeleeuwen behandeld. Het grootste gedeelte van de periodeles echter wordt besteed aan de Middeleeuwse literatuur.

Karel ende Elegast wordt ten dele in het Middelnederlands voorgelezen, ten dele verteld.

Kies nu een minimaal detail uit het verhaal en bewerk het eens opnieuw, alsof je zelf de verteller bent.

De opdracht wordt gegeven om te leren van iets heel kleins iets groots en boeiends te maken, alsof je door een vergrootglas kijkt. Het beeld dat in je hoofd zit, moet omgezet worden in taal, zo krijg je greep op eigen voorstellingen.

De episode in de slaapkamer van Eggheric en zijn vrouw, wordt in de bewerking van één van de leerlingen een modern huwelijksconflict:

De verbeelding uit Karel ende Elegast.

,, Hoorde ik nou gerinkel of niet?…, het geblaf van mijn hond is in ieder geval geen verbeeldingen; ik hoor ook mijn kippen kakelen” dacht Eggheric.,, Vrouw” begon hij toen tegen mij, ,, Vrouw, ben je wakker?”. Ik antwoordde niet maar deed alsof ik sliep.,, Vrouw” begon hij nogmaals. Ik begreep dat ik maar beter wakker kon worden en rees omhoog. ,,Vrouw” begon hij voor de derde keer, ,, hoorde jij ook gerinkel van belletjes?”

„Nee dat hoorde ik niet” zei ik stug,,en laat me alsjeblieft slapen!” Eggheric gaf het echter niet op en begon opnieuw:,, Vrouw, hoorde je echt niets rinkelen?”. Ik bleef volhouden dat ik niets gehoord had. Eggheric stond op het punt om woedend te worden, toen ik plotseling tot mijn grote verbazing een zacht gemompel onder het bed vandaan hoorde komen, „Dus toch ” dacht ik en net toen ik wou kijken wie er onder het bed zat viel ik in een diepe, diepe slaap.

Een andere opdracht was een fragment zo boeiend en spannend mogelijk te vertellen voor de klas. Er mocht met elkaar overlegd worden welk fragment te kiezen. Eindeloos gegiechel en gegrap onderling. Eén leerling wordt voor de klas gevraagd. Ze ploft meteen op de stoel neer die daar staat, en raakt zo, op te laag niveau alle aandacht van haar klasgenoten kwijt. Een ander plukt voortdurend aan zijn trui, zegt steeds: Nou eh… tussendoor, en verliest daarmee zijn publiek. Na iedere verteller wordt door de klas besproken eerst wat goed, daarna wat minder goed was.

Uiteindelijk komt er een lijst op het bord waar een verteller in de Middeleeuwen, maar ook nu nog, op moet letten:

  • niet verlegen zijn                               • sfeervol beschrijven
  • goed articuleren                                • hier en daar een grapje maken
  • het publiek aankijken                       • pauzes in zinnen houden
  • niet monotoon spreken                     • oppassen voor stoplappen
  • niet te snel spreken                            • uitgekiende gebaren maken

Ook werd van een fragment een zo kort mogelijke beschrijving gemaakt. Aan de hand van deze samenvattingen werd uitgelegd hoe je hoofdzaken van bijzaken kan onderscheiden, wat belangrijk is voor de loop van het verhaal en wat niet.

Karel ende Elegast wordt vergeleken met een ridderverhaal van later datum Lanseloet en het hert met de witte voet. Er zijn veel verschillen, maar met enige moeite ook overeenkomsten te vinden:

Karel                         verschil                                Lanseloet
bange dief                                                              dappere jager
religieus                                                                  
geen geloof
eer tonen                                                                 eer redden

overeenkomst
eerlijke ridder                                                       eerlijke ridder
goed en kwaad                                                      
goed en kwaad
gaat om mannen                                                   
gaat om mannen
Elegast en Eggheric                                            
Walewijn en de vreemde ridder
vechten om gelijk                                                  
vechten om gelijk

De ridderschap
De Germanen hadden geen ridders. Ze streden met knotsen tegen hun vijanden, dit deden ze ook niet in legerverband maar samen met hun familie.

In de loop van de tijd veranderde het strijdtafreel en werd het geraffineerder, mensen gingen zich verdedigen met leren kappen op hun kop.

De leren kappen werden wapenuitrustingen en, de knotsen werden zwaarden. Je behoorde niet meer bij toeval tot een vechtersbazenfamilie, je werd tot ridder geslagen onder dure eden en beloftes van eeuwige trouw. Vol spanning luistert de

taal klas 10 5

klas naar de groei en bloei van het ridderschap. Als opdracht moeten ze in de schoenen gaan staan van een ridder die een griezelig avontuur beleeft. Met overgave worden verhalen geschreven vol bloed, wraak en gruwelijkheden.

De zelfkant van de samenleving
Buiten de drie standen waarin de Middeleeuwse samenleving oorspronkelijk was ingedeeld, de adel, de geestelijkheid en de burgerij, werd nog een vierde stand onderscheiden.

Tot deze vierde stand werden alle lieden gerekend die niet tot een vaste stand behoorden; men noemde hen de Varende Luyden of Reinouts- en Aernoutsgesellen. Opklimmen in stand was onmogelijk: als de vader boer was, werd de zoon dat ook; afzakken daarentegen, vooral naar die vierde stand, behoorde wel tot de mogelijkheden.

Eens in het jaar, werd deze strenge standenmaatschappij losgelaten, dat was met Carnaval, de vrolijkste en vreemdste tijd van het jaar:

In 1400 en 1500 was het leven één groot feest, tussen 11 november en 15 april. Allerlei optochten, grote drink- en eetfestijnen. Het meest fantastische was het carnaval. De poorten gingen open voor iedereen. Alles kwam er binnen, dieven, zieken, nonnen, monniken, zangers, jongleurs, goochelaars en studenten. Nou de rampen waren niet te overzien. De burgemeester stak zich in het pakje van een student en de student deed het burgemeesterspak aan en regeerde een week de stad. Marskramers liepen hun koopwaar aan te prijzen, de klokken beierden de hele dag, mensen lachten, schreeuwden, kortom het was een vreselijk kabaal. En dan op een gegeven moment kwam er een blauwe schuit op wielen de stad binnen rijden. In deze kar zaten de bakker, de slager en andere gewone burgers die zich verkleed hadden als allerlei soort tuig. De schuit was het symbool voor mensen op weg naar de hel. Het blauw was de kleur van de schijn. Op de schuit werd gedronken, gelachen, gedobbeld en gegeten.

Van het carnaval en de schuit op weg naar de hel, wordt overgestapt op een tekst Mariken van Nieumeghen, waarin een jong meisje verlokt wordt door de duivel, Moenen metter eender ooghe. Moenen, de duivel, is een Aernoutsgeselle.

Het verhaal wordt in de klas gelezen en in eigen woorden samengevat in het schrift.

De hoofse minne
De leraar vertelt over de minne in de Middeleeuwen, van vorsten en landheren die op eenzame burchten woonden en zichzelf en hun vrouwen lieten vermaken door rondtrekkende troubadours. Zij zongen van de liefde, de hoge volmaakte liefde tussen man en vrouw. Zonder sexuele bijbedoelingen vullen de meeste leerlingen in hun schrift ter verduidelijking aan. Ze kwamen uit het Zuiden, deze troubadours maar:

In het Noorden raakte men op den duur ook geïnteresseerd voor die troubadours, hier werden de liederen echter niet zo mooi gezongen dat men er in opging, ze werden mede door het slechte weer ook minder vrolijk en zwaarder. Hoofse minneliederen werden ze hier genoemd en de troubadours minstrelen. Een man die zich hoofs gedroeg, zo zei men laat in de Middeleeuwen, werd standvastig, moedig, rechtschapen, alles wat een mens maar van zichzelf wensen kan. Ideaal dus.

Ineens daagt het de meeste leerlingen:

Dus „Lanselot en het hert met de witte voet” hoort binnen de traditie van de hoofse minne thuis!

Ook wordt er verteld over helderziendheid en hekserij en daarover schrijven sommigen de mooiste verhalen:

Het was al een beetje schemerduister en de klokken galmden over de stad. De kerk rees hoog boven de tierlantijnige daken uit. Op het marktplein lagen nog de laatste resten van de vertrokken markt. Er heerste een voldane rust. Af en toe schoot er een lichtkiertje tussen de luiken van de huizen door. Daar zat ze, vlak bij de deur van de kerk. Een beetje ineengedoken. Grijze jurk, een vale cape met capuchon, alles een beetje grauw. Zo in een oogopslag een doodnormale vrouw. Het werd nu donkerder en in alle huizen brandden nu wel lichtjes. Een statige gestalte kwam het plein met de kinderhoofdjes op. Je kon van verre zien dat het een vrouw was. Ze was erg mooi. Ze had bruine glanzende ogen en een hoge punthoed op. Haar huid was melkwit en ze droeg een lange japon met cape. Voorzichtig liep ze de trap op, keek om zich heen en knielde bij de oude vrouw neer. Deze keek verbaasd op. Of eigenlijk niet verbaasd heel vreemd. Met haar waterige hel blauwe ogen leek ze wel dwars door de jonkvrouwe heen te kijken. ,,Helena? Gij zijt gekomen om mij te raadplegen. Roderic is de naam van de dappere ridder. Trouw niet met hem, hij zal u geen kinderen kunnen bieden. Bovendien is hij niet eerlijk. Hij heeft al een andere minnares. “,,Hoe wist ge m’n naam? Hoe wist ge van Roderic?” de helderblauwe ogen keken strak zonder uitdrukking. ,,Ge zijt een bedriegster, een heks, ge bent van de duivel bezeten. ” De oude vrouw stond op en liep de trap af. Nog eenmaal draaide ze zich om: ,,Ik ben geen heks, mijn helderziendheid is een gave van God. ” Toen liep ze langzaam weg, de nacht in.

De leraar die zulke verhalen van zijn leerlingen krijgt, weet zeker dat ze iets over de Middeleeuwen opgestoken hebben. Anderen schrijven verhalen over de pest en de dood. Hier komt een jongen aan het ziekbed van zijn zusje:

,,Het valt best mee” denk ik, maar twijfel aan mijn woorden wanneer ik de opgesnoven lucht uit de gang uitadem en opnieuw inadem. Ik kan wel kotsen, een sterke rottende vleeslucht dringt tot diep in mijn lichaam door en doet me eraan herinneren dat ik het azijndoekje vergeten ben. ,,Ik wen er wel aan”, hoop ik en ga naast Caroline zitten, mijn zus durf ik kaar niet meer te noemen. Behalve een paar rode vlekken is er niets aan haar te zien, maar ik vrees toch het ergste. Haar afschrikwekkende gehoest en haar zachte geijl zorgen daarvoor. Ben ik jaloers? Binnenkort zal ze dansen met Magere Hein, en de dood is het mooiste ogenblik in je leven.

taal klas 10 4

Hiermee kwam ook een einde aan deze periode. Het periodeschrift verschaft de maker en de lezer een kleurrijk overzicht van leven en dood in de Middeleeuwen.

Dichten, een ambacht — een poëticaperiode
Voor de klas staat een reproductie van een schilderij van Kandinsky.

Tsja, proberen jullie maar eens op te schrijven wat er zoal in je opkomt als je naar dit schilderij kijkt.

De leerlingen kijken elkaar bevreemd aan.
„Niets” roept iemand laconiek, „Dat soort dingen kan ik niet” roept een ander.

Het is de eerste les van de periode poëtica. De leraar heeft net uitgelegd dat de bedoeling van deze periode is zelf tot dichten te komen. En alhoewel dichten voor een groot deel inspiratie is, zijn er een aantal handgrepen om het te leren. Door middel van het imiteren van poëzie van dichters, oefent de klas het dichten. Aan het eind van de periode moet een gezamenlijke dichtbundel ontstaan zijn.

De associaties naar aanleiding van het schilderij van Kandinsky worden even later voorgelezen. De een noemt alleen de kleuren en vormen op het schilderij, een ander ziet dreigende luchten en vult zo al een kwaliteit in, weer een ander heeft een man te paard ontdekt. Iemand begint met oud stuk karton en een enkeling heeft al een echt poëtische zinsnede geformuleerd: werelddelen overbrugd in één sprong.

Niets is fout, leraar en leerlingen bespreken wat goed is en waarom.

Soms generen de leerlingen zich in het begin voor elkaar, het is aan de leerkracht om heel voorzichtig met de dichtuitingen om te springen.

Het verschil tussen proza en poëzie wordt bekeken. Het is vaak heel moeilijk om te zeggen of iets een gedicht is. Het meest steekhoudende blijkt de wijze waarop de tekst gedrukt is, de bladspiegel.

De leraar deelt blaadjes uit waarop gedichten van Lucebert en Marsman staan. Twee gedichten moeten voor de volgende les geïmiteerd worden:

De visser van Ma Yuan,
onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser
                                                                                     Lucebert

De burger van Takya.
op de paden fietsers scheuren
op de wegen fietsen auto’s
maar daartussen loopt de burger

paden worden brede wegen
wegen worden smalle paden
maar intussen loop de burger
                                                                                     (imitatie door een leerling)

De burger van Takya.
in mensen vreugde ontwaren
in harten bonken hartstochten
maar overal waart de dood

grijnzen worden bange blikken
blikken worden starre grijnzen
maar in hen waart de dood
                                                                                     een leerling

Fort                                                            Zalm

Fort                                                            Zalm

donder                                                      amber

stormend ontsprongen                        damasten tafels
de wervelkolommen                             kaarsen manestralen
de schokkende monden                        paarlen, kaviaar
van de kanonnen                                   van Cote d’Azure

donder                                                     amber                                                       

de horizonnen                                        de zware geur 
gaan onder                                             
van amber

muren der sterren                                 perziken, peren
gitzwarte vuren                                     bloedkoraalatol 
kolen en tonder                                       sarongs en amber

en de toren                                               met de weelde
der zon                                                      van spijs

laaiende                                                    slagroomkers

ton                                                              ijs

stort                                                           palm

onder                                                        strand

donder                                                      amber

fort                                                            zalm 

Marsman                                                   (imitatie door een leerling)

De structuur van de beide oorspronkelijke gedichten wordt nader bekeken aan de hand van de imitaties. Het opvallendste van het eerste gedicht is de kruisstelling in de eerste twee regels. Als je „Fort” hardop leest, hoor je dat heel veel woorden een ,,o” in zich hebben. De imitatie Zalm heeft daarvoor in de plaats, heel mooi, allemaal ,,a”‘s.

Op deze manier wordt enige tijd met verschillende gedichten geëxperimenteerd. De bespreking van de imitaties is voornamelijk zakelijk: klopt het aantal lettergrepen en het rijmschema? De inhoud alszodanig wordt niet besproken. Niemand hoeft bang te zijn dat zijn diepere gevoelens aan een analyse onderworpen worden. Wel wordt het criterium gesteld dat het werk boven het niveau van het sinterklaasgedicht uitstijgt:

De automobilist.

Een automobilist zat achter het stuur van zijn automobiel
Een dagelijkse bezigheid die hem niet erg beviel
Daar zag hij een pompbediende, die tankte autogas
Toen dacht de automobilist: ik wou dat ik die pompbediende was.

De pompbediende.

De pompbediende pompte de een na de ander vol
aan dat baantje beleefde hij niet veel lol
zou automobilist een leuke bezigheid zijn?
Ja, dat leek de pompbediende reuze fijn.

Deze gedichten worden gered door de combinatie. Vaak kan in een gedicht dat naar rijmelarij neigt al een verrassend effect bereikt worden door ergens het ritme te veranderen.

In de loop van de periode komen gedichten en biografieën van verschillende dichters aan bod, — veelal door middel van spreekbeurten —, rijmsoorten en rijmschema’s, lettergrepen, ritme en metrum.

Aan de hand van voorbeelden wordt gekeken waar het strakke metrum in het vrijere ritme overgaat, hoe een dichter zijn metrum kan doorbreken door woorden met een bepaalde klemtoon te kiezen en welke gedichten zich niets van metrum en ritme aantrekken maar wel van een vast aantal lettergrepen. De sonnetvorm wordt behandeld en beoefend. Het is geen gemakkelijke opgave een sonnet te maken dat aan alle eisen voldoet:

Als de zon in zee is ondergegaan,
De schapen langzamer zijn gaan grazen,
Dan in ’t duister volgt het uur der dwazen.
Dan komen de grijze geesten eraan.

De late wandelaar zal zich verbazen
En met open mond geboeid blijven staan.
Aan de duistere hemel rijst helder de maan.
Zij schijnt over bomen, schapen, de hazen.

De nevels wervelen zich om de lijven.
De schaduwen der heksen vliegen snel.
Is het verbeelding, de grijzende wijven?

Spichtige flitsen, gerommel, geschel.
Zwarte wolken die ’t maanlicht verdrijven.
De heksen zingen het lied van de hel.

Zelfs in dit voorbeeld, één van de beste uit de klas, is het metrum niet overal even perfect. Aan het eind van de periode worden pogingen gedaan gedichten met een vrije versvorm te schrijven. Een van de opdrachten was over het dichten te dichten:

Gedicht.

Woorden vliegen
scherp of zacht
scherp en zacht
‘k probeer ze te pakken
Maar het lacht
pakken doe je ons niet
wij komen alleen op tijden
dat je ons niet verwacht.

Een andere opdracht was veel te schrappen en met een minimum aan woorden toch de betekenis niet verloren te laten gaan:

Zwanenserie.

Met mijn moeder aan de hand
stukjes brood
de waterkant
Een beetje bang
Het klappen der vleugels
kan mij de armen breken

Plat, vlak en groen
met rode daken driehoekjes
Met de hals diep in de bekroosde sloot poerend
één grote
een rits kleintjes
Het klappen der vleugels
doet het water spetten

IJsselmeer
lichtblauw water,
kalkwitte vleugels
kleuren van Hellas
kleuren van Holland
Het klappen der vleugels
doet de dieren dalen

Twee sierlijke boten
al eeuwig glijdend
over het stille water
al eeuwig trots
al eeuwig kalm
Het klappen der vleugels
doet de rust eer aan

Een tafel
Met een perzisch bruin tapijt
ergens een vergrootglas
Mijn opa tekent me een zwaan
ontsprongen uit een 2
Het klappen der vleugels
is geheel afwezig.

In Gedicht werd het ritme bepaald door een herhaald rijmwoord, in Zwanenserie komt één regel in iedere strofe terug. Het dichten blijkt niet alleen maar Goddelijke inspiratie te zijn, maar ook vooral een ambacht waarin je je door oefening kunt bekwamen.

Tot besluit van de periode schrijft iedere leerling de gedichten van hemzelf die hij het beste vindt, in de gezamenlijke dichtbundel.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

Nederlandse taalalle artikelen

.

473-439

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – 10e klas -Nederlandse taal

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – NEDERLANDSE TAAL – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.