VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – klas 9

.

taal klas 9

 

Bijna ongemerkt is de prepuberteit in de puberteit overgegaan.

In de verschijning van de vijftienjarige lijkt het evenwicht zich te herstellen, langzaamaan krijgen de ledematen hun harmonische proporties terug. Het gezicht begint nu volwassen trekken te vertonen en ook dit gaat niet onopvallend aan de puber voorbij: met verontwaardiging worden pukkels, beginnende baardgroei, te grote neuzen in ogenschouw genomen, gevolgd door diep sombere, overpeinzingen. De psychische problemen drukken met volle kracht op de ontredderde geest, de kloof met de volwassenenwereld lijkt onoverbrugbaar:

Werkelijk niemand begrijp wat ik voel!

klaagzangt de jeugdige. Zelf begrijpt hij zijn gevoelens meestal evenmin, maar dat maakt voor hem de ernst van de zaak niet geringer. Toch is hij die zich kan uiten nog gelukkig vergeleken met degene die stilletjes zijn verdriet verbijt.

De clubjesgeest en de bijbehorende groepscodes die in de achtste klas de nodige vastigheid moesten bieden hebben hun bloeitijd nog niet gehad; steeds meer valt de klas in vaste groepen uit elkaar. De houding naar de buitenwereld is meedogenloos: je hoort er wél, of je hoort er helemaal niet bij. De verschillende groepjes onderscheiden zich veelal door een zorgvuldig opgebouwde groepsverschijning, waardoor meteen zichtbaar wordt tot wie de afzonderlijke leerlingen zich het meest aangetrokken voelen.

De enkele in zichzelf gekeerde eenling die nergens bij wil, kan of mag horen, wordt door de rest van de klas tot zonderling bestempeld en genegeerd. Eenzaamheid is vaak zijn deel!

Om het uiterlijk bepalend voor de groep kracht bij te zetten, is niets te dol: waar sommigen uitgedost als Indianen op oorlogspad de school betreden, lijken anderen weggestapt uit een modetijdschrift, of permanent op weg naar een sportvereniging. Het uiterlijk is op deze leeftijd zo bepalend geworden dat iemand aan een foute bril of dom kapsel voorgoed ten onder kan gaan. Acceptatie en tolerantie beleven hun dieptepunt, alles is stom of gek. Het ontwakend oordeelsvermogen hakt er vrolijk op los, niets en niemand ontziend.

Met de negende klas begint de vrijeschool de bovenbouw. De leerlingen richten hun aandacht hoofdzakelijk op de volwassenenwereld; daar zoeken ze naar mensen die bewonderd kunnen worden: een leerkracht of een ander ouder iemand, maar ook het popidool en de filmster.

Nu verschijnt dan ook een nieuwe klassenleraar voor de klas: een vakdocent van de bovenbouw. Alle vaklessen en periodes worden door vakdocenten gegeven, het onderwijs wordt specialistischer en heeft een volwassener aanpak.

Over het Nederlands in de negende klas
Het beeld dat de negendeklasser oproept is als van een personage dat net iets te zwaar is aangezet, in uiterlijk en uitingen net te opvallend om geloofwaardig te zijn. Groots en meeslepend wil hij leven, hij is dan ook niet van dramatiek ontbloot.

Zoals eerst de ledematen te plotseling waren uitgegroeid om nog een harmonisch geheel te vormen, zo zijn nu de gevoelens te overweldigend en heftig om van een evenwichtige persoonlijkheid te spreken. De vijftienjarige leeft in uitersten en gevoel voor overdrijving is hem zeker niet vreemd.

Voor het eerst worden twee afzonderlijke litaratuurstromingen behandeld, het rationalisme (18e eeuw) en de romantiek (19e eeuw), beide aanhakend bij de problematiek van de vijftienjarige.

Voor de negende klasser lijkt het koele verstand het hoogst denkbare goed:

o, hij zou zo graag verstandig wezen, maar te gevoelig is zijn hart…

Het is goed om juist nu in de gedachtewereld van de 18e-eeuwers mee te gaan, die verstand en nut zo hoog in het vaandel schreven. Naar die wereld, waar het denken en de gevoelens zoveel mogelijk gescheiden blijven, verlangt de vijftienjarige. Hoe moeilijk blijkt het, ook voor de 18e-eeuwer, de gevoelens te veronachtzamen en het verstand te laten prevaleren.

Lijnrecht tegenover dit verstandelijke denken, staat de wereld van het romantisch verlangen. In deze wereld van onuitsprekelijke en onpeilbare diepe gevoelens, van het grote verlangen en het onbegrepen en eenzaam zijn in de omgeving, verkeert de vijftienjarige. Een van de doelen van het literatuuronderwijs op de vrijeschool is de leerlingen hun eigen binnenwereld te laten herkennen, zonder uitdrukkelijk en klassikaal de problemen door te ploegen. Bij de romantici van de 19e eeuw kunnen ze stiekem zitten zwijmelen en ervaren dat hun gevoelens en problemen helemaal zo gek niet zijn.

Het is belangrijk om in deze klas de lichte toon te vinden: het leven is al zo zwaar, vinden ze. Het onderwijs staat daarom in het teken van de humor. De humor is het middel om de werkelijkheid te verbloemen, te verkleuren en te relativeren. De achtste klas was nog te jong om schijn van werkelijkheid te onderscheiden, de negende geniet ervan: spot, zelfspot, ironie, sarcasme, galgenhumor kunnen nu op hun waarde geschat worden. Er kan gelachen, gehuild en gegriezeld worden, er kan becommentarieerd, bekritiseerd en geparodieerd worden. Verstand en gevoel, ernst en spot wisselen elkaar af in een bonte verzameling van teksten.

Schrijvers als Van Effen, Rhijnvis Feith, Multatuli, Hildebrand, Van Alphen, Piet Paaltjens spreken alles aan wat aan gevoelsleven, maatschappelijk engagement en humor aanwezig is bij de leerlingen. De leerkracht stelt de behandelde stof niet ter discussie, dat zou tot niets leiden in de negende klas. Feiten zijn concreet en absoluut, dat geeft houvast.

Ook tot het literatuuronderwijs behoort de boekbespreking, vaak in de vorm van een spreekbeurt. Voorlopig is het voornaamste doel van pedagogische aard. De leerlingen leren kritisch naar elkaar luisteren en ze leren, door de leraar begeleid, gericht commentaar te leveren: wat was goed en waarom, wat was minder goed en waarom en welke dingen zou hij/zij kunnen verbeteren? Uit zo’n nabespreking ontstaat dan een soort klassengesprek, waardoor een aantal vaardigheden ontwikkeld worden: zorgvuldig luisteren en precies formuleren, begrip voor andermans standpunt, het volharden in eigen standpunt, tolerantie voor andersdenkenden. Het leren van deze vaardigheden is voor de snel geëmotioneerde negende klasser en voor hun leerkracht een weg van vallen en opstaan, toch moet er dapper doorgezet worden. Het is wel van belang dat het gaat over concrete en feitelijke zaken die ergens bij aansluiten, niet een discussie omwille van de discussie. De bespreking van een boek, een krantenartikel, eikaars verhalen of geschreven verwerking van de lesstof, lenen zich hier uitstekend voor.

De grammatica is in hoofdzaak in de vorige klassen behandeld en neemt dan ook in de negende een ondergeschikte plaats in. Er wordt nu meer aandacht gegeven aan het doorgronden van de structuur van lange zinnen en moeilijke teksten en aan het ontdekken van verbanden in teksten. Het is vaak de wens van de leerlingen de elementaire grammatica te herhalen. Zo ontdekken ze dat ze lang niet alles vergeten zijn en dat ze kunnen vertrouwen op opgedane leerervaringen.

In de achtste klas is de waarneming van de leerlingen geschoold. Nu kan daarop aangesloten worden door het imiteren van geschriften van anderen. Er is nu afstand tussen de leerling en het te imiteren object. Het imiteren is daarom zo belangrijk omdat ze leren zich op verschillende wijzen uit te drukken en meevoelen hoe het is om je zo uit te drukken.

Speciale aandacht moet besteed worden aan de spelling, aan het handschrift en aan de verzorging van het periodenschrift, want de negende klasser is vaak slordig. Veel van deze praktische verworvenheden zijn op deze leeftijd weggezakt, of men is niet in staat ze te gebruiken. Zowel bij het schriftelijk als het mondeling taalgebruik moet je steeds weer op alle slakken zout leggen. Ook al maakt het de indruk dat je aanwijzingen langs de leerlingen heen vliegen:

Laat die man maar kletsen

een jaar later als deze periode van onevenwichtigheid grotendeels achter de rug is, blijkt dat ze er toch een hoop van hebben opgepikt.

Bij alles wat we de negende klasser willen leren, proberen we in het oog te houden dat het feitelijke stof is, die met veel humor en plezier gepresenteerd wordt.

Maandagmorgen — een lesbeschrijving van een literatuurperiode
Vandaag,  begint de leraar,  gaan we eerst een paar dingen die vorige week behandeld zijn, op een rijtje zetten. We hebben kort twee literatuurperiodes bekeken, welke waren dat? Het rationalisme van de 18e eeuw en de romantiek van de 19e eeuw, antwoordt een meisje. Waarin verschilde de romantiek van het rationalisme? Van alle kanten komen flarden van antwoorden: lossere kleding; de tuinen werden minder symmetrisch; men ging romans schrijven; het rationalisme gaf alleen plaats aan het verstand, de romantiek aan het gevoel.

De leraar zal de romantiek nog wat uitgebreider behandelen:

Wat ik herhaal moeten jullie maar overslaan, verder heeft iedereen die zijn uitwerking niet of onvolledig heeft, nu de kans hem aan te vullen: De mislukte Franse revolutie heeft een rigoreuze ommezwaai naar de romantiek tot gevolg. De idealen zijn vernietigd, het verstand en de wetenschap waar men al zijn vertrouwen in had gesteld, hebben niet getriomfeerd. De tijden die volgen zijn somber. De mensen vallen terug, slapen in of worden pessimistisch. Ze wroeten in hun gevoel, wentelen zich in sentiment en vragen zich af waarom de wereld toch zo slecht is. Sommigen ontvluchten hun bestaan, anderen leggen tuinen aan met donkere bosschages en grote vijvers, waar het heerlijk eenzaam toeven is. De schilderkunst, in de 18e eeuw zo licht en kleurig, vertoont nu donkere en stemmige taferelen: veel winderige heuvels, met dorre bomen en dreigende luchten erboven. In de literatuur wordt gepeinsd en geweend over verloren geliefdes en de ondergang der wereld. Goethe beschrijft de zelfmoord in „Die Leiden des jungen Werthers”, wat een hoos van zelfmoorden tot gevolg heeft. In Nederland is de romantiek niet zo spontaan en invloedrijk geweest als in Engeland en Duitsland, de Nederlanders werden over het geheel alleen een tikkeltje duffer.

Eén van de weinige voortbrengselen van het romantisch pessimisme hier te lande staat op het bord:

Niets is zo koud als deze wereld
Een vriendschap zonder warmte
Een liefde zonder ideaal,
Een poëzie zonder stoutmoedigheid
Vaderlandsliefde zonder offers,
Godsdienst zonder enthousiasme.

(De Clerq, 1817)

Voor de negende klasser die zich vaak net zo in de kou voelt staan, is zo’n gedicht enkel lafenis. Opgelucht stelt een leerling vast dat dit soort gevoelens dus heel gewoon waren. Hoe uitzichtslozer de situatie geschetst wordt, hoe meer hij erin opgaat. Het gedicht wordt in het schrift geschreven en dat wat de leraar verteld heeft moet voor morgen uitgewerkt worden.

Een heel ander onderwerp wordt nu aan de orde gesteld: de spraakklanken. Eerder werden de t en de d besproken, nu komen de v en de w aan de beurt. Om het verschil tussen de twee klanken goed te voelen, wordt een kinderversje met veel w’s gereciteerd:

Wie, wat, waar
Witje watje ben je daar
Wil je weten wie ik ben
Wil je weten wie ik ben

Afwisselend hard en zacht; ook worden de w’s door v’s vervangen. Dan komt de opdracht:

Schrijven jullie eens heel nauwkeurig op hoe je die twee klanken maakt. Waarin zit het verschil?

De leraar loopt rond en verleent hier en daar de nodige steun. Na een minuut of tien lezen een paar leerlingen hun beschrijving voor. Althans, daar doen ze een poging toe. Ze zijn er niet echt uit gekomen, durven nauwelijks voor te lezen wat ze hebben opgeschreven en vallen zichzelf steeds in de rede met:

O ja, dit klopt even niet of: Hier wist ik het niet goed meer.

Eén meisje heeft helemaal niets opgeschreven en mag het op haar eentje op de gang proberen; we zien haar voorlopig niet terug.

Met stug doorvragen en doordenken komt de klas toch tot de belangrijkste kenmerken. De leraar destilleert hieruit een beschrijving, die hij dicteert:

De w maken we door de lippen iets te spannen en de boventanden de binnenzijde van de onderlip licht te laten raken. De lippen zijn iets getuit en de tong ligt onderin de mond. De uitgeademde lucht laat de stembanden trillen. Vervolgens komt de lucht door de plotselinge ontstane opening tussen tanden en lippen vrij. De w is een stemhebbende klank. We noemen deze klank een ‘ploffer’ en hij behoort tot de lipklanken. De v is een glijder en het verschil met de w is dat de boventanden bovenop de onderlip staan zolang je de klank maakt.

Het is voor de negende klas geen sinecure heel nauwkeurig te voelen en beschrijven, maar wel een uitstekende oefening.

Voor vandaag was het huiswerk een verhaal bij een foto te schrijven. Dat wordt als laatste in deze les besproken. Twee meisjes achter in de klas zitten aandachtig hun nagels te lakken.

Dames, zouden jullie die frutselarijen willen opruimen. Het is pech dat jullie vanmorgen geen tijd hadden, maar niet nu hier, of gaan jullie je anders buiten op de gang versieren!

Giechelend worden de spulletjes opgeruimd en de opdrachten te voorschijn gehaald. De meest verrassende verhalen worden even later voorgelezen:

De ochtendschemer begon al een beetje op te komen, toen ik ‘m zag. Een hele bink was ie en hij wilde wat van me. Natuurlijk voelde ik me wel gevlijd, maar er zijn zoveel binken die wat van me willen! Ik krijg nog een kind van ze! Goed, ik keek ‘m dus niet aan en liep gewoon door. Maar hij liet het er niet bij zitten en begon prachtig voor me te krijsen. Ik had nog nooit zo mooi horen krijsen, dus ik bleef stilstaan om te luisteren. Hij greep zijn kans en sprong op me af. Nou, toen hebben we wat gevochten! Ik heb ‘m een paar flinke krassen op zn kop gegeven. Toen de baas wakker was ben ik meteen naar binnen gegaan om te pitten, want buiten kun je dat niet meer rustig doen en ik word zo moe van al die kerels! Net toen ik lekker sliep, moest die stomme baas zonodig een foto van me maken. Nou vraag ik je!

Op de foto ligt een poes behaaglijk te slapen. Haar eigenaresse heeft zich kennelijk moeiteloos in het poezenbestaan verplaatst. Uit de verhalen wordt zonneklaar waar de interesse van de leerlingen ligt, en dat vaak heel onverwacht!

Ik stond onder mijn ruimteschip. Ik draaide me nog eenmaal om. Voor me zag ik een vredig paars landschap onder een opkomende zon. Ik luisterde naar het gekwetter van de vogels en het ruisen van de watervallen. Het was windstil en het water was spiegelglad. Ik klom omhoog aan boord en sloot de deur. Achter me ebde het geluid weg en alleen het geruis van de watervallen bleef doortuiten in mijn oren, maar ik had dan ook al 24 uur aan één stuk gehoord. Ik liep naar de stuurcabine en nam plaats op mijn stoel. Ik startte eerst de linker- en daarna de rechtermotor. Ik kon me voorstellen hoe de vogels kwetterend weg zouden vliegen. Ik zette alle meters op ‘klaar voor vertrek’. Na drie lirondo’s was het zover en ik duwde op de startknop en de motoren ontstaken zich. Ik kon me het gebulder goed voorstellen, alhoewel ik het nog nooit gehoord had. Al snel kwam ik op hoogte en met een snelheid van 500 cartus per lirondo vloog ik nog eenmaal laag over. De vogels zouden nog maar één keer voor mijn donderende motoren op hoeven te vliegen. Ik gaf nu vol gas, onder me verdween de Paarse Planeet. .

Tegenstellingen belicht — een literatuurperiode
In dit schrift treft u aan een indruk van een periode in onze geschiedenis, die grote verwarring en grote verwachtingen met zich mee bracht. Naar aanleiding van geschriften uit de tijd van kil en koel verstand treft u hier daarop geïnspireerde vertellingen aan. Gelukkig wordt het gevoel van de lezer ook aangesproken door de ontroerende en soms al te gevoelige verhalen uit de romantiek. Zonder humor zou het leven van de romanticus in dit aards tranendal onleefbaar zijn.

Zo luidt de inleiding van het periodeschrift die de leraar de laatste les van de periode dicteert. De eerste les heeft hij enige aanwijzingen voor de indeling van het schrift gegeven:

1.   inleiding op eerste bladzijde
2.   inhoudsopgave op laatste bladzijde
3.   nummer de bladzijden
4.   schrijf de gedichten en belangrijke uitspraken op ongelinieerde bladzijden
5.   geef elk hoofdstuk een titel

De negendeklasser heeft duidelijkheid en overzicht nodig. Als je precies vertelt wat de bedoeling is, volgt hij het met plezier op. Zo kan, ondanks de rommeligheid die de negendeklasser eigen is, toch een redelijk net en overzichtelijk schrift ontstaan.

De eerste les van de periode wordt besteed aan een beschrijving van het rationalisme. Voor de volgende dag werken de leerlingen het vertelde uit, ieder op hun eigen manier:

Als je nu langs de Amstel loopt, zie je dat alle huizen precies symmetrisch zijn. Dat zijn de huizen die in de 18e eeuw zijn gebouwd. Niet alleen de huizen en tuinen waren symmetrisch, maar ook de mode en eigenlijk het hele leven…

Ook de literatuur van die tijd stond in het teken van het rechtlijnige, het verstandelijke denken. Allerlei uitvindingen werden gedaan en beschreven, encyclopedieën uitgegeven, en de opvoeding van het kind en de wereld nam een centrale plaats in.

De klas wordt gevraagd een voorval van die ochtend een keer objectief, verstandelijk, te beschrijven en een keer subjectief, met gevoel:

Objectief.
Nadat klas 9b van de Geert Groote School de mededeling had gekregen, lokaal 28 van het meubilair te ontruimen en dit in lokaal 7 te plaatsen, gingen zij als volgt te werk: zij vormden een slang op de trap waardoor de situatie zich spoedig oploste.

Subjectief
Toen we vanmorgen op school kwamen, moesten we alle tafels en stoelen helemaal van boven naar beneden sjouwen. We gaven door, en ik stond bovenaan en hoefde haast niets te doen. Daarna moesten er andere tafels in ons lokaal. Een beetje onhandig eigenlijk. Toen alles op zijn plaats stond, zocht iedereen zijn plaats op en plofte neer, hè, hè!

Eenzelfde soort onderscheid is in de taal zelf terug te vinden. Om dit duidelijk te maken, moet een van de leerlingen voor de klas gaan staan, met zijn rug naar de klas toe. Iemand spreekt een klinker uit. Aan de stem wordt bijna onmiddellijk herkend wie het is.

Als hetzelfde met medeklinkers wordt geprobeerd, gaat het vrijwel iedere keer mis. De menselijke stem blijkt dus veel makkelijker te herkennen in klinkers dan in medeklinkers. In de klinkers worden gevoelens en stemmingen uitgedrukt.

Dit experiment vormt een onderdeel van de behandeling van de Nederlandse taal, of eigenlijk van het woord. De leraar schrijft Het woord op het bord en vraagt:

Waar bestaat dat eigenlijk uit?

‘Het woord’ bestaat uit:

vorm        = klank + letters        (klank hoor je, letters zie je)
en 
betekenis
Soms gaat in de klank van het woord al een deel van de betekenis schuil, bijv. zoemen, sissen, piepen, dat heet een onomatopee.

Hoe spreek je het woord pad uit? De d blijkt als een t te klinken. Het schrift voor een klank geven we aan met de letter tussen twee streepjes, de d heeft dan twee klanken d en t. Er worden meer voorbeelden gezocht. Uiteindelijk volgt een dictaatje over de spraakklanken ofwel fonemen.

Als iedereen zijn laatste letter heeft geschreven, moet de klas gaan staan en nazeggen: splits pats boem, van hard naar zacht en omgekeerd. Dan heel zachtjes: stilte, steeds luider en dan afnemend, het eindigt in ssst… De leerlingen genieten zichtbaar, vol vuur wordt geschreeuwd, om daarna heel voorzichtig en ingehouden te fluisteren.

Een héél braaf gedicht van Hieronymus van Alphen wordt nu gereciteerd:

Het vrolijk leeren.
Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen,
En waarom zou mij dan het leeren verveelen?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken, ‘
t Is wijsheid, ’t zijn deugden, naar welken ik haak.
                                                                                                         (1779)

De klas moet de tekst proberen heel serieus te nemen, het kost wel wat moeite en gegiechel, maar het lukt. Iemand moet het nu alleen en uit het hoofd doen. Zijn klasgenoten vullen aan en verbeteren. Inderhaast, maar tot groot vermaak van de toehoorders, wordt priktol ineens piktrol.

In aansluiting op het gedicht van Van Alphen, wordt een opvoedkundig verhaal over een ondeugend jongetje gelezen in de klas ; een opdracht zelf zo’n moraliserend verhaal te schrijven thuis gemaakt.

De romantiek
Tegenover het rationalisme staat de romantiek, die de leerlingen duidelijk meer aanspreekt:

In de 18e eeuw was de wetenschap nog steeds het belangrijkste. De mensen deden heel optimistisch over de wereld, hoe groot en mooi hij wel niet kon worden.
Maar het begin 19e eeuw werden ze juist pessimistisch. De revolutie was een ramp geworden, en tot overmaat van ramp kwam Napoleon aan het bewind. De mensen hadden totaal geen hoop meer op de toekomst. In de literatuur wordt op een zeer gevoelige en zwaarmoedige manier geschreven.

Als voorbeeld van zulke gevoelige literatuur wordt Themice van Rhijnvis Feith gelezen. Goed beschouwd is het een draak van een verhaal, maar serieus gebracht komt het tegemoet aan de verlangens en gevoelens waar de negende klas mee te kampen heeft. In tweede instantie kan er dan natuurlijk om gelachen worden, en worden parodieën op wat nu sentimenteel gedoe heet, zeer gewaardeerd. De leraar verduidelijkt het begrip parodie nog even:

Een parodie is een navolging van een kunstwerk, waarin alle kenmerken van het originele kunstwerk voorkomen, maar de stijl wordt overdreven om de lachlust op te wekken.

Op het bord staat een gedicht van Anthony Winkler Prins:

Duizend tallen oceanen
Zijn in ’t eindloos wereldmeer
Van mijn bittre weemoedstranen
Slechts een droppel en niet meer

Honderdduizend exterogen
Doen de zwerver minder smart,
Dan het branden van mijn ogen,
En het smachten van mijn hart.

Tachtig uitgevaste leeuwen
Om het leger der hyeën
Kunnen samen nooit zo schreeuwen
Als ik huil om u alleen.

Samen wordt bekeken wat het precies betekent, en wat de grappen zijn. Waarin zit hem nu de parodie? Om het verschil tussen de verstandsmens en de gevoelsmens nog eens op een grappige manier te accentueren wordt een gedicht van J. van Oosterwijk Bruyn uitgedeeld.

Twee leerlingen moeten de coupletten afwisselend voorlezen:

De gewone mens
en
De gevoelige mens
te Zandvoort

De gewone mens
‘k Wil zondag eens naar Zansvoort gaan;
Want iedereen komt daar;
‘k Heb nooit voorheen die toer gedaan:
De zandweg was te zwaar.
‘k Wil eens gaan kijken naar het strand
En ’t daar gebouwde bad;
‘k Heb toch niets beters aan de hand;
’t Verveelt mij hier in stad.

De gevoelige mens
Heil mij ‘k verlaat de stad, haar zorgen haar bezwaren:
En Zandvoort heilig strand is van mijn tocht het doel. ‘
k Zal ’t Godlijk schouwspel van de onbedwingbare baren.
’t Genot, dat daar mij wacht, steeds mijn ontvlamd gevoel.

Als opdracht moet iedereen alleen of samen een gedicht of verhaal schrijven waarin ook deze twee menselijke tegenpolen voorkomen. Na een kwartiertje al zijn de eersten klaar:

Dolf en Rinus hebben autopech.

Rinus:   De auto is kapot
                Kijk nou naar dat krot

Dolf:     Ach jee mijn hemel wat een zonderlijke pech
               Wat staat deez’auto zielig aan de kant van de weg
                Wat vreselijk toch, dit gedoe
               ’t Is zo moeilijk en ’t maakt mij zo moe

Rinus:   Wat er aan mankeert heb ik al bekeken
Hij heeft enkele kleine gebreken
De V-snaar is gebroken I
k zal een ander moeten kopen.

Dolf:     Ach jee wat zal eraan mankeren
               Ik zal dit goddelijk vak wel nooit leren
O God, nu sta ik hier in deez’ woestenij
‘k Denk dat ik me maar even neer vlei.

Rinus:   Ah, dit is al het einde van mijn pech
Daar rijdt de ANWB al over de weg ‘
                  k Vraag vlug een nieuwe snaar
Des te sneller ben ik klaar.

Dolf:     Ach jee, wie komt daar aan geraced?
Is het de ANWB of zijn geest?
                Misschien kunnen zij hem maken?
Dan kan ik weer doorgaan met m ’n zaken.

Rinus:   Zo die is klaar
                Dus ik smeer ‘m maar.

Dolf:     Ach hee, Gij zijt een Goddelijk man
Dat ik nu weer verder kan.

Wie van de twee hier de gevoelsmens is, lijdt geen twijfel!

Een in vroeger tijden populaire bezigheid, het bedenken en schrijven van grafschriften, wordt geïntroduceerd:

Hier ligt Poot
Hij is dood.

Zeg wandelaar, zeg,
Je moet niet denken dat ik hier
voor mijn plezier leg!

De klas verzint zelf met veel animo ook een aantal grafschriften:

Hier ligt een coureur met z’n BMW
Hij in 1000 stukjes en zijn moter in 2.

Hier ligt Joop bezweken
Hij had iets te diep in het glaasje gekeken.

Mens en schrijver — een literatuurperiode
De tweede literatuurperiode behandelt hoofdzakelijk de biografie en het werk van een drietal schrijvers.

Een negende klas heeft het vermogen heel ver mee te gaan in het leven van een grootheid, en diens vreugde en verdriet, ideeën en teleurstellingen mee te leven. Ze vinden hun eigen dromen en verlangens terug in het bestaan van een ander.

De levensbeschrijvingen en citaten uit het werk van de schrijvers worden in het periodeschrift geschreven, evenals de opdrachten die de leerlingen tijdens deze periode maken. De inhoud, tekst en de lay-out van het schrift zijn hierbij het belangrijkste.

Piet Paaltjens en Francois Haverschmidt
Als eerste schrijver wordt de raadselachtige figuur Piet Paaltjens behandeld: zijn vrolijke studententijd, zijn plotselinge verdwijnen en weer opduiken op onverwachte plaatsen en zijn ironische gedichten. De leraar introduceert hem als iemand die werkelijk bestaan heeft en laat de klas meegissen in de mysteries rond deze wonderlijke dichter.

Als opdracht moeten de leerlingen een verhaal schrijven rond Paaltjens waarin zijn leven nog geheimzinniger lijkt. Een meisje beschrijft de verdwijning van Piet alsof ze Piet zelf is:

Op een dag, het was grauw en koud, ben ik weggegaan, waarheen wist ik nog niet, logisch eigenlijk, het waarom was net zo onduidelijk. Het leek net alsof ik door een lange arm werd weggeduwd uit deze oude omgeving.

De Zelfmoordenaar een van Paaltjens gedichten wordt uitgedeeld, maar slechts voor de helft, de afloop van het gedicht moeten de leerlingen zelf dichten. De leraar behandelt het rijmschema en het aantal lettergrepen om de leerlingen houvast te geven. Het gedicht is bekend bij de klas tot waar het kozend liefdespaar zich net onder de eik wil vleien waaraan de zelfmoordenaar hangt. Zo werd het door een van de leerlingen voortgezet:

De vrouw gilde wat heen
En wierp zich meteen
Op de man, die haar opving gezwind.
Hij wankelde even,
Stond daar te beven
En liet haar toen vallen, dat kind.

Hij rende verschrikt,
Verward en getikt,
En kwam in een meertje terecht.
Hij sputterde en zonk

Nog voor hij verdronk
Heeft hij de naam van zijn liefde gezegd.

De vrouw voelde zich ziek
En raakte in paniek
Haar ogen stonden star en rood Het werd haar teveel
Ze greep naar haar keel

En na enige tijd lag ze dood.

Ook andere gedichten uit Snikken en Grimlachjes worden voorgelezen en gereciteerd. In humoristische teksten van hedendaagse schrijvers, zoals Ziektes van Kees van Kooten en Sjiek van Jan Blokker, moeten de leerlingen de grappen eruit lichten. Het is veel ingewikkelder dan je zou denken, een grap blijkt pas een grap in zijn context.

Dan wordt het leven van de zwaarmoedige dominee François Haverschmidt aan de klas verteld: van het vrolijke jongetje tot de man die het beroep heeft gekozen waarin hij zichzelf niet kan zijn. Doodongelukkig spreekt hij uiteindelijk van de kansel de woorden:

Want is het ook geen moed om het zich eerlijk te bekennen: ,,Ik kan niet, ik mag niet, want ik geloof niet meer. ”
                                                                                         (uit een preek van 1893)

Zijn wanhoop resulteert in zelfmoord een jaar later. Zo’n aangrijpende levensbeschrijving mag heel treurig worden, een negende klas leeft bij uitersten. Sommige leerlingen staat het huilen dan ook nader dan het lachen.

De zelfmoord is op deze manier voor de leerlingen niet een kaal feit, maar de uitkomst van een worsteling met een gewetensconflict. Het is duidelijk voor hen dat Haverschmidt tot het uiterste is gegaan.

Nog een gedicht van Paaltjens wordt uitgedeeld:

Dat heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger
Doch sinds het die witte das aan heeft
Minnedicht het niet langer

Voor de meeste leerlingen valt ineens alles op zijn plaats: de ironische Paaltjens en de zwaarmoedige Haverschmidt zijn één en dezelfde, of zoals een leerling schrijft:

Onze persoon van Piet Paaltjens heeft nooit in de voor ons beschreven figuur bestaan. Piet Paaltjens heeft wel bestaan, maar in de voor ons bekende persoon Francois Haverschmidt.

Francois had Piet Paaltjens in het leven geroepen om z’n opgekropte emoties in de ironisch, humoristische en romantische gedichten van Piet Paaltjens kwijt te kunnen.

De tragiek van deze gespleten persoon is veel intenser na te voelen voor de leerlingen, nu ze zich zo in de twee figuren hebben kunnen verdiepen.

Nu Piet Paaltjens nooit echt bestaan blijkt te hebben, hoeft zijn naam ook niet meer helemaal serieus genomen te worden, een meisje bedenkt allerlei woordgrapjes:

Paaltjens zijn voor of nadat Francois deze naam koos enkele gezegdes meegegeven:

1.  Paal(tjens) en perk stellen
is iemand beteugelen, en Piet Paaltjens beteugelde de kerk, terwijl de kerk Francois Haverschmidt beteugelde.

2.  Dat staat als een Paal(tjens) boven water
betekent: het is onbetwistbaar dat Piet en François één en dezelfde figuur waren, maar dat aan iedere naam een andere persoon verbonden zat.

3.  François Haverschmidt heeft zich misschien wel van kant gemaakt,
omdat hij vond dat hij voor Piet Paal(tjens) op deze wereld stond (voor
niets, dit gevoel komt als je niets zinvols voor mensen kan doen (zoals ik
bijvoorbeeld)).

Aan de laatste opmerking van dit meisje kan je aflezen met welke gevoelens op deze leeftijd strijd geleverd wordt.

Multatuli (Eduard Douwes Dekker)
Het strijden en lijden van Eduard Douwes Dekker, roept bij de leerlingen afwisselend bewondering en medeleven op.

De leraar leest uit de Max Havelaar enkele gedeeltes voor waaruit blijkt hoe gecompliceerd de structuur van het boek is. Ook wordt er een fragment gedicteerd, zodat de klas aan den lijve ondervindt hoe ingewikkeld de zinsstructuur en het taalgebruik van Multatuli zijn.

Naar aanleiding van Droogstoppel, een van de personages uit de Max Havelaar, krijgt de klas de opdracht een verhaal te schrijven waarin een personage optreedt dat uitermate onsympathiek is, zonder dat dat expliciet gezegd wordt:

Oh, nee daar hebben we haar ook weer. Ze zegt met een ,cheese’ lachje gedag zoals ze tegen iedereen lacht. Of ze hem nu aardig vindt of niet. Ze gaat bij ons clubje zitten aan de ronde tafel terwijl ze wist dat ze er niet bijhoorde. Ze kwam dan met haar verhalen over mensen die nu net toevallig niet aanwezig waren. Ze probeert van iedereen de aandacht te trekken door extra hard te praten, lachen en vooral iedereen aan te kijken zodat het onbeleefd is als je door haar gesprek met iemand anders gaat zitten praten….

Het is heerlijk voor een negendeklasser zich uit te leven in zo’n opdracht, de meest weerzinwekkende mensen worden beschreven. Het geeft hem de kans zijn al te heftige gevoelens en onvrede van zich af te schrijven.

Multatuli’s beschrijving van de Kapelsteeg, brengt de leraar op een idee voor een nieuwe opdracht. Op een ochtend wordt de hele klas de straat op gestuurd. Ieder moet een plek in de stad uitkiezen waar hij zelden komt. Terug in de klas moeten de leerlingen een verhaal schrijven waarin zijzelf de hoofdpersoon zijn en de bezochte plek met stemming en kleur beschreven wordt. Ter ondersteuning zijn eerst in de klas twee voorbeelden van stadsbeschrijvingen behandeld: een Stadsbeschrijving van Amsterdam uit 1891, een zeer gedetailleerde stadsbeschrijving maar zonder personages en sfeer en als tegenpool een fragment uit De aanslag van Harry Mulisch waarin het gaat om de stemming en gedachten van personen. Uit de beschrijvingen blijkt dat het voor veel leerlingen een uitdaging was om zo onbekend mogelijke plekjes te vinden, zoals bijvoorbeeld de Dubbele Worststeeg die in het centrum van Amsterdam schijnt te bestaan. Hieronder volgt wel een bijzonder geslaagd voorbeeld van zo’n stadsbeschrijvingsverhaal:

Herinnering.

’t Is een tijd geleden dat ik hier was, maar de omgeving is weinig veranderd. Het huis aan de voorkant is nog even groot en indrukwekkend, maar daar sloeg ik nauwelijks aandacht op, ik wilde naar de achterkant, om naar de tuin te kijken, waar ik als klein kind zo vaak speelde. Ik liep het park in sloeg het eerste paadjes linksaf, het grote huis voorbij en daar was m’n oude huis, daar waar ik als klein kind woonde. Je kon het niet zo goed zien, want er stonden een aantal grote hulstbomen voor, met van die bladeren die gemeen prikken. De oude stromat, die wij daar neer gehangen hadden tegen de inkijk van buitenstaanders (wat ik nu ook was) was half vergaan en de laatste restjes lagen beneden het hek. ’t Hek was eigenlijk lager dan ik had gedacht, nu reikte het tot aan mijn middel terwijl het in mijn gedachten boven me uitreikte. De tuin was lichter dan ik me had voorgesteld, ook kleiner. Er waren nu trompetnarcissen en andere lage plantjes.

Waar was die mooie goudenregenboom, waar ik als kind onder stond als ze uitvielen en dan riep ik dat het goud regende. Waar waren de hoge springbalsemienen die in de zomer zo hoog waren dat het voor mij een bos leek, met mooie rose bloemen aan het eind.

Alles was veranderd en anders. Het was niet meer mijn tuin, evenmin als het nu mijn huis was. Nu zag ik het als een verwaarloosde tuin zoals er vele waren. Het was niet meer mijn kleine oerwoud, waar monsters waren in de vorm van spinnen en kakkerlakken. Alles was anders en ik werd triester op deze sombere, grauwe dag.

Maar deze tuin zou altijd blijven voortleven in mijn gedachte zoals ik hem heb gekend.

Voor de meeste leerlingen is het heel moeilijk om een verhaal vanuit henzelf te schrijven, ze hebben nog te weinig afstand tot hun eigen gevoelens en gedachten. Veel leerlingen lieten de ik-figuur dan ook maar achterwege en gaven slechts een minutieuze beschrijving.

De aanklacht van Havelaar wordt besproken. Hoe is dat tegenwoordig, waartegen protesteren de mensen nu? Welke middelen worden ervoor gebruikt? De leraar maakt op het bord twee lijsten van de antwoorden uit de klas:

Protest tegen:

•huurverhogingen
taximoorden
werkloosheid
bezuinigingen
•kernwapens
milieuvervuiling
•discriminatie
•abortus
massamoorden
dierenmishandeling
•pornografie

Vormen van protest:
•stakingen
toespraken
handtekeningenacties
rubberbootjes (Greenpeace)
kapingen
levende barricades
verf op zeehonden
•stil protest
kaars voor het raam
•paalzitten
•zelfmoord plegen

Dit is nog maar een klein gedeelte van wat er op het bord stond: de leerlingen waren onuitputtelijk in het aandragen van antwoorden. Een oproep tot hulp voor Afghanistan uit de krant wordt gezamelijk gelezen. Hoe zit zo’n stukje in elkaar? Wie ondertekenen zoiets? De leraar vraagt:

Welk middel zou je zelf gebruiken om je protest kenbaar te maken?

Velen raken meteen hevig geëmotioneerd.

Als opdracht moeten ze een onderwerp kiezen waarover ze hun hart mogen luchten. Op het ergste voorbereid, begint de leraar het werk te lezen:

Aanklacht

Aan de heer Ossewaarde.

Ik ben een goede klant van uw Gemeente Vervoerbedrijf, zo ging ik wel twee maal per maand met bus 15. Maar de laatste busrit beviel mij allerminst.
Ten eerste zat de buschauffeur steeds uitbundig alle straatnamen aan te kondigen, nadat we er voorbij waren.
Ten tweede: ik zat onder van die zwiepende foldertjes, zodat bij elke stop
m’n pruik op m’n voorhoofd werd geplaatst. Als ik hem dan weer had
teruggeplaatst en de bus begon weer te rijden, had dit tot gevolg dat ik aan
de heer achter mij, mijn pruik terug moest vragen.
Toen dit een keer of acht was gebeurd, begon deze net genoemde heer
kersen te eten en spuwde de kersenpitten in de kraag van mijn witte jurk.
Ten derde: toen ik de bus wou verlaten op de door mij verkozen halte, reed
de bus zo’n 20 meter te ver door. Toen ik de buschauffeur hierop attent
maakte, zei hij heel ordinair: „Had die bus achter ons dan op deze bus
moeten stoppen?” en hij begon te lachen.
Ik hoop dat u deze chauffeur op het rechte pad wijst.

De meest onbeduidende zaken bleken tot een wantoestand te zijn opgeblazen. Dichtbij huis en humoristisch, verdient de voorkeur boven ver en tragisch.

Frederik van Eeden
Eerst vertelt de leraar iets over de 19e eeuw, de eeuw van de uitvindingen en de industrialisatie, van Karl Marx en Charles Dickens, van de domineesliteratuur en de tachtigers. Van een van die tachtigers, Frederik van Eeden, wordt de biografie uitgediept, zijn veelzijdigheid, zijn sociaalbewogenheid, zijn jeugd en idealen en ten slotte zijn teleurstellingen in het leven:

Frederik groeide op tussen deze dingen (flora en fauna red.) en wandelde vaak tien passen achter zijn vader aan en groette elk kevertje, elk bloempje, elke boom. Zijn vader wees hem alles aan en gaf uitleg. Frederik was erg gehecht aan zijn vader en die tijd was heel belangrijk voor hem. Hij spaarde als klein kind zijderupsen en had een vlinderverzameling. Het belangrijkste van het leven van Frederik was dat hij het altijd opnam voor de zwakkeren en heel idealistisch was. Maar hij was niet de enige. Veel mensen zagen de ellende niet die er heerste in Europa. Dat waren natuurlijk de rijken, die alles wel weer goed zagen komen, maar ondertussen werkten er kinderen uit de arme gezinnen in fabrieken en de arbeiders werden onderdrukt. In 1886 werd er veel geschreven over deze onderdrukkingen. De arbeiders kwamen in de belangstelling en er brak revolutie uit. De ellende werd merkbaar en Van Eeden schreef daarover.

Fragmenten uit De kleine Johannes worden in de klas gelezen, voorgelezen en samengevat. Van Eeden besteedde in zijn werk veel aandacht aan natuurbeschrijvingen. Aan de hand van verschillende floragidsen en aan de hand van eigen beschrijvingen komt de klas tot een onderscheid in analytische, zakelijke en lyrische beschrijvingen waarin soms de natuur zelfs gepersonifieerd wordt.

Ook wordt de klas op een ochtend de straat op gestuurd op zoek naar een onverwacht stukje natuur middenin de stad. De zotste belevenissen worden in de verhalen beschreven:

Het dakterras.
Ik liep in de Valeriusstraat op zoek, ja naar wat eigenlijk, gewoon naar wat interessante dingen. Maar het was erg saai op straat, het motregende iets en het vocht wat neerkwam werd meteen in de nog warme grond opgezogen. Niets interessants te bekennen dus, ja een paar wandelende paren of moeders die voor boodschappenwagen speelden. Niet iets om je in te verdiepen dus, ik liet mijn blik langs de aan een kant beregende huizen glijden. Goh wat een hoge boom helemaal boven het dak uit.

Die mensen in die fraai versierde flat hebben dus een dakterras. Dat moet ik zien, ik liep naar de oprijlaan van de flat. Voor de ingang en mooi houten bord met daarop Westhove en daaronder verboden toegang voor onbevoegden artikel zoveel. Da’s tegenvallen, net iets interessants gevonden op deze troosteloze dag en dan mag je het niet bekijken. Ik deed een paar passen naar achteren en keek omhoog langs de vier verdiepingen hoge flat, ik zag nog net het topje van de dennenboom en een over de rand hangende haag.

Verboden toegang voor onbevoegden, ’t is wat, maar als ik mezelf nou bevoegd maak. Met die gedachte van bevoegdheid liep ik de oprijlaan op, toen ik een paar fraaie Bentleys passeerde, begon ik me langzaam weer onbevoegder te voelen. Nou ja ik stond er nu, nou nog naar boven.

Trap na trap loop ik op, zo nu zal ik er wel zijn, maar dit bleek een korte
galerij te zijn met aan het eind nog een trap. Dakterras staat er boven, ik loop erheen maar plots gaat er een deur langzaam open, ik bleef aan de grond genageld. Da ’s vervelend nog één trap verwijderd van het dakterras en dan betrapt worden. Maar uit de witte deur kwam geen kwade conciërge, maar een vriendelijk uitziende man met één glazig uitziend oog. Hij komt recht op mij af en kijkt mij onderzoekend aan, ik had het er wat moeilijk mee, zag hij me nou of niet? ja hij zag me en groette vriendelijk, mijn hartslag daalde iets. De man scheen niets te vermoeden en liep vrolijk gehumeurd door. Nou snel die trap op, kijken en weer wegwezen. Boven gekomen versperde alleen nog maar een ijzeren luik mij de weg naar boven. Ik tilde het luik op en keek naar boven, een flauwe motregen daalde op mij neer, ik was dus boven. Wat een gazon, de mensen hadden hier een gazon van heb ik me jou daar en ik kwam daar als een mol uit. Langs de randen van 
het gazon waren bloemen geplant en daarachter mooie fel groene bomen. Ik constateerde zelfs een kas met daarin een … een mens. In de deuropening stond een man in kantoorpak, hij keek wat verwilderd en zijn handen zaten onder de tuinaarde. ,,Volgens mij ben ik een etage te hoog”, de man kwam naar me toe en vertelde dat ik vier etages te hoog was, jammer en pardon.

Een verhaal van Lorenz over kauwen, uit Ik sprak met viervoeters, vogels en vissen wordt gelezen: waar houdt de wetenschappelijke beschrijving op en begint het anecdotische? Als opdracht moeten de leerlingen zich verplaatsen in een zelfgekozen dier:

Wie ben ik.
Hopeloos probeer ik tegen de wanden van een groot, grijs van kleur, en mijn wereldje begrenzend glad oppervlak omhoog te klimmen, maar ik glij steeds terug deels door het gladde oppervlak deels door mijn korte harde pootjes. Ook mijn harde dak is zwaar en ik ga maar net als m’n zonet nieuw in de ‘bak’, zoals de mensen dat noemen, gekomen soortgenoten in het kleine laagje water liggen. Als ik m’n kop opricht zie ik soms de grote mensen naar mij en m’n vriendjes kijken die nu gedeeltelijk onder de grote rotsstenen verscholen liggen en misschien ook terugdenken aan hun broertjes en zusjes in het riet bij het water, en als ik aan de sappige waterplanten denk, loopt het water me al in m’n snavelachtige bek. Tegen de buitenkant van de ‘bak’ staat een zwart rechthoekig voorwerp wat ik maar ten dele kan zien. Ik zie de mensen wel eens kijken naar dat ding alsof er iets speciaals aan is te zien. Zojuist hoorde ik een jongetje zeggen terwijl hij naar het ding keek: ,,Kleine waterschildpadjes te koop. Slechts f 7,50 per stuk!

Deze jongen heeft de techniek van wie-ben-ik en de tegenstelling gevoel-ratio tot het uiterste benut!

Als laatste vertelt de leraar over de autobiografie van Van Eeden:

Als Van Eeden merkt dat hij van zijn dagboek een nachtboek maakt, wil hij meer over dromen gaan schrijven en er meer van af weten. Na jaren komt hij er achter dat er verschillende dromen zijn: gekleurd en zwart­wit, vervolgdromen en toekomstdromen. De associatieve droom komt naar aanleiding van een gebeurtenis van het moment.

Van Eeden merkt dat er twee momenten van dromen zijn namelijk voor het inslapen en voor het ontwaken. Er is een moment dat het dromen onmogelijk is, omdat het bewustzijn dan erg laag is. Veel mensen worden elke dag op dezelfde manier wakker, bijvoorbeeld vliegend of rijdend op een paard.

Een onderwerp als de droom zet veel in beweging in een negende klas, de leerlingen praten honderduit over nachtmerries, dromen die uitkwamen enzovoorts. Het vormde een geanimeerde afsluiting van de periode.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

Nederlandse taal: alle artikelen

.

472-438

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – klas 9

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – NEDERLANDSE TAAL – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.