Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 9

.

Over Ik, bewustzijnsiel en geest(es)zelf

In deze inleiding ging het over: wat kan je met of vanuit je eigen Ik doen aan of voor jezelf, voor je ontwikkeling.

Daaraan heeft Rudolf Steiner in vele voordrachten aandacht besteed.

De kern van zijn opmerkingen is, voor wat er op blz. 23, 24 van de Algemene menskunde’ staat, steeds: welke gevolgen heeft dit voor de ziel en het bewustzijn van de mens. Wat wordt er daardoor ontwikkeld.

Steeds komen nu de begrippen ‘geestzelf, levensgeest en geest(es)mens’ in de schijnwerper te staan.

Evenals met de opmerkingen over het etherlijf,    astraallijf   en het Ikgaat het er mij nu om, door al deze karakteriseringen vertrouwd te raken met deze wezensdelen.

In 1904 publiceert Steiner zijn ‘Theosofie GA 9. Vertaald.

Daarin bespreekt hij uitgebreid de 9-ledige mens om uit te komen bij de 7-ledige.
Daarmee verweven lijkt het 4-ledige.
Deze voordrachten over het astraallijf, zijn allemaal van rond 1904, alle geven ze karakteriseringen voor het astraallijf.
Daar lees je ‘astraallijf’ als ongeveer synoniem aan ‘gevoelsleven’ waarbij deze gevoelens min of meer bewust zijn.

In ‘Theosofie’ is dit gevoelsleven wat gespecialiseerder besproken en dat vinden we bv. weer terug in o.a. de ‘Algemene Menskunde’.
Dan is er sprake van ‘gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel en bewustzijnsziel.’
Naarmate we in de richting van het etherlijf gaan vinden we daar ook de gevoelens die zich bij dit etherlijf ‘in de buurt’ bevinden.
Dit levenslijf heeft o.a. voedsel nodig en we voelen, beleven ‘honger’ en verlangen naar eten.
Als Steiner over het astraallijf spreekt als drager van begeerte, driften, hartstochten enz. is het dit gebied. Hier ligt de sterkste overeenkomst tussen mens en dier.
Als we met deze gevoelens bezig zijn, zijn we a.h.w. gericht op het kort-tijdelijke: telkens als er een bevrediging van die gevoelens is geweest, ebben ze a.h.w. weg om vervolgens weer te ontstaan.

Nu kennen we in ons niet alleen dit soort gevoelens. We ervaren bv. dingen in het leven die ons raken, ons emotioneel maken, ‘danig op ons ‘gemoed’ werken en als we ze meester willen worden, als we ‘nuchterder’ willen worden, gaan we over die gevoelens nadenken, we beginnen te reflecteren. Dat is ook nog steeds een stukje ‘astraallijf’, gevoel met bewustzijn.
We kunnen ervaren dat we er eigenlijk niet (meer) aan willen toegeven: het mag me niet meer overkomen’. Ik wil het niet meer en……daar is het Ik, nu dus veel sterker beleefbaar dan daarvoor.
Dan kan het ook zijn, dat je besluit veel minder te gaan toegeven aan dit soort emoties, maar ook aan die prikkels die maar even duren. Voor een deel kun je ‘de waan van de dag’ negeren en je bv. richten op ‘het goede, schone en het ware’.
Dat lijkt abstract, maar is het niet.
Want i.p.v. je tijd te besteden aan allerlei indrukken op je telefoon, kun je ook ogenblikken creëren waarin je een bepaalde gedachte koestert die ‘gisteren waar was, vandaag ook en morgen ook. Die a.h.w. een soort eeuwigheidswaarde heeft in vergelijking met die kort-tijdelijke dingen.

In ‘Theosofie’ neemt Steiner ons mee vanuit het lichaam, via de ziel, naar de geest:

Vertaling blz. 26-27

Waarom doet de wereld zich op deze drieledige wijze aan de mens voor? Een eenvoudige gedachtegang kan dit duidelijk maken. Ik loop over een wei waar bloemen bloeien. De bloemen tonen mij hun kleuren via mijn oog. Dat is het feit dat ik neem zoals het zich aan mij vertoont. – Ik schep behagen in deze kleurenpracht. Daardoor maak ik het feit tot mijn eigen aangelegenheid. Door mijn gevoelens verbind ik de bloemen met mijn eigen bestaan. – Een jaar later loop ik weer over diezelfde wei. Er staan nu andere bloemen. Nieuwe vreugde wordt in mij gewekt. Mijn vreugde van het vorige jaar zal als herinnering opduiken. Ze is in mij; het verschijnsel dat die vreugde opgewekt heeft is vergaan. Maar de bloemen die ik nu zie zijn van dezelfde soort als die van vorig jaar; ze zijn volgens dezelfde wetten gegroeid. Als ik me over die soort duidelijkheid heb verschaft, als ik in die wetten inzicht heb gekregen, dan vind ik ze in de bloemen van dit jaar precies zo terug als ik ze in de bloemen van het vorige jaar heb leren kennen. En ik zal er misschien als volgt over nadenken. De bloemen van het vorige jaar zijn vergaan; mijn vreugde over die bloemen is alleen in mijn herinnering achtergebleven. Die vreugde is alleen met mijn bestaan verbonden. Maar wat ik vorig jaar omtrent die bloemen heb ingezien en dit jaar opnieuw inzie, dat zal blijven zolang er zulke bloemen groeien. Dat is iets dat zich aan mij heeft geopenbaard, maar dat niet op dezelfde wijze van mijn bestaan afhankelijk is als mijn vreugde. Mijn gevoelens van vreugde blijven in mij; de wetten, het wezen ° van de bloemen, blijven buiten mij in de wereld bestaan. Zo verbindt de mens zich voortdurend op drievoudige wijze met de verschijnselen van de wereld. 

Vertaling blz. 28

Met lichaam wordt hier datgene bedoeld, waardoor de dingen die de mens omringen zich aan hem openbaren, zoals in het eerdere voorbeeld de bloemen in de wei. Het woord ziel verwijst naar datgene, waardoor de mens de dingen met zijn eigen bestaan verbindt, waardoor ze hem bevallen en mishagen, waardoor hij er lust en afkeer, vreugde en verdriet aan beleeft. Met geest wordt datgene bedoeld, wat zich in de mens openbaart als hij, zoals Goethe het uitdrukt, de dingen als een ‘als het ware goddelijk wezen’ beziet. – In deze zin bestaat de mens uit lichaam, ziel en geest.

Alles wat bij mij lichamelijke processen zijn, kan ook met de lichamelijke zintuigen worden waargenomen. Maar mijn welbehagen en mijn afkeer, mijn vreugde en mijn verdriet kan noch ikzelf noch een ander met zijn lichamelijke zintuigen waarnemen. Het gebied van de ziel is ontoegankelijk voor de lichamelijke beschouwingswijze. Het lichamelijk bestaan van de mens is voor iedereen zichtbaar; dat van de ziel draagt hij als zijn wereld in zichzelf. Door de geest echter openbaart de buitenwereld zich aan hem op een hogere manier. In zijn binnenste worden weliswaar de geheimen van de buitenwereld onthuld; maar hij treedt in de geest buiten zichzelf en laat de dingen zich over zichzelf uitspreken, over datgene wat niet voor hem, maar voor hen betekenis heeft. De mens kijkt omhoog naar de sterrenhemel: de verrukking die zijn ziel smaakt is van hemzelf, de eeuwige wetten die de sterren regeren, die hij in zijn denken, in de geest kent, behoren niet hem, maar de sterren zelf toe.
Het bezig zijn met deze ‘eeuwige’ wetten, de inhoud daarvan bewuster in je opnemen, doe je met een verhoogde activiteit van je Ik. 
In je bewuste denken komt zo een grotere geestelijke inhoud en naarmate je meer van dit geestelijke in je opneemt, groeit je bewustzijn a.h.w. naar dit geestelijke toe.
Op zeker ogenblijk gaat het één a.h.w. in het ander over. 
Dan is in jouw iets ontstaan van wat Steiner het ‘geestzelf’ noemt.
 Vertaling blz. 45-47
.
Het ik leeft in de ziel. Ook al behoort de hoogste uiting van het ‘ik’ tot de bewustzijnsziel, toch moet je zeggen dat dit ‘ik’ van daaruit de gehele ziel met zijn stralen vervult en via de ziel inwerkt op het lichaam. En in het ik leeft de geest. De geest werpt stralen in het ik en leeft daarin als in zijn ‘omhulsel’, zoals het ik in lichaam en ziel als in zijn ‘omhulsels’ leeft. De geest vormt het ik van binnen naar buiten, de minerale wereld van buiten naar binnen. De geest die een ‘ik’ vormt en als ‘ik’ leeft, noemen we ‘geesteszelf ’, omdat hij als ‘ik’ of ‘zelf ’ van de mens tot verschijning komt. Het verschil tussen het ‘geesteszelf ’ en de ‘bewustzijnsziel’ kunnen we ons op de volgende wijze duidelijk maken. De bewustzijnsziel raakt de door zichzelf bestaande waarheid, die onafhankelijk is van iedere antipathie of sympathie; het geesteszelf draagt diezelfde waarheid in zich, maar opgenomen in en omsloten door het ‘ik’; door het ‘ik’ wordt die waarheid geïndividualiseerd en in het zelfstandige wezen van de mens opgenomen. Doordat de eeuwige waarheid op deze wijze wordt verzelfstandigd en met het ‘ik’ tot één wezen wordt verbonden, wordt het ‘ik’ zelf eeuwig. Het geesteszelf is een openbaring van de geestelijke wereld in het ik.
Vertaling blz. 49-50

Bewustzijnsziel en geesteszelf vormen een eenheid.

In het 9-ledig mensbeeld worden bewustzijnsziel en geestzelf nog apart genoemd, in het 7-ledige staat er voor het geestzelf:  de van geest vervulde bewustzijnsziel.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3011-2827.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (09-05-1922)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

GA 298

Omdat er sprake is van ‘het vrije onderwijs, op een vrije school (met spatie) en er ook sprake is van de Stuttgarter vrijeschool (zonder spatie) heb ik, om misverstanden uit te sluiten, deze keer vrijeschool vertaald met waldorfschool (off. spelling geen hoofdletter)

Blz. 122

Ansprache am Elternabend

Toespraak op de ouderavond

Meine sehr verehrten Anwesenden! Es ist nicht eigentlich ein Vortrag,
den ich bei dieser Gelegenheit halten möchte, sondern ich möchte
Veranlassung geben zu einer möglichst weitgehenden Verständigung der
an der Führung und an dem Wirken der Waldorfschule Beteiligten und
der Elternschaft unserer Schule. Das ist aus dem Grunde, weil ich tatsächlich diese Verständigung, dieses Zusammenwirken der Lehrer
und anderer Persönlichkeiten, die an der Führung der Waldorfschule
beteiligt sind, und der Eltern für etwas außerordentlich Notwendiges
und Bedeutungsvolles halte. Gestatten Sie mir, daß ich dabei von einem Erlebnis ausgehe, das ich erst jüngst hatte, um an diesem Erlebnis zu veranschaulichen, wie wichtig die Frage ist, auf die ich hingedeutet habe. Ich habe ja in den letzten Wochen die Aufgabe gehabt, mitzuwirken bei der zum Geburtstag von Shakespeare veranstalteten Feier in Stratford on Avon in England. Und diese Shakespeare-Festlichkeit war eigentlich eine solche, die ganz unter dem Eindruck und Einfluß stand von Erziehungsfragen. Sie
war veranstaltet von Persönlichkeiten, die an Kinder- und Volkserziehung tief interessiert sind. Man kann auch sagen, bei dieser ganzen
Festlichkeit stand gewissermaßen die Welt der Shakespeareschen Kunst
nur im Hintergrund, denn dasjenige, was verhandelt worden ist, waren
Erziehungsfragen der Gegenwart. Bei dieser Gelegenheit zeigte sich
auch eine der kleinen, oder vielleicht einmal sogar großen Auswirkungen
jenes pädagogischen Kurses, den ich zu Weihnachten an unserem
Goetheanum in Dornach gehalten habe, und an dem gerade Persönlichkeiten teilnahmen, die mitzuwirken hatten an dieser Shakespeare-Festlichkeit.
Nun gibt es da in der Nahe von London ein Erziehungsinternat. Es hat noch keine besondere Größe, aber dieses Erziehungsinternat wird
geleitet von einer Persönlichkeit, die bei dem Dornacher Kurs anwesend
war und von dort her die Anregung mitgenommen hat, in dieses

Zeer geachte aanwezigen! Bij deze gelegenheid wil ik eigenlijk geen voordracht houden, maar ik zou een aanleiding willen geven om een zo groot mogelijk begrip te wekken voor de mensen die deelhebben aan het beheer en het werk van de waldorfschool en voor de ouders van onze school. Dat komt omdat ik werkelijk dit wederzijdse begrip, dit samenwerken van de leerkrachten en andere personen die betrokken zijn bij de gang van zaken van de waldorfschool en de ouders, voor iets zeer noodzakelijks en belangrijks houd.
Mag ik van een ervaring uitgaan die ik niet zo lang geleden had om daarmee duidelijk te maken hoe belangrijk de vraag is waarop ik zinspeelde. De afgelopen weken had ik namelijk de opdracht, mee te werken aan een een festiviteit bij de geboortedag van Shakespeare in Stratford on Avon* in Engeland. En deze Shakespeare-festiviteit stond eigenlijk geheel in het teken van opvoedingsvraagstukken. Deze was georganiseerd door personen die diep geïnteresseerd zijn in de opvoeding van de kinderen en de mensen. Je zou ook kunnen zeggen dat bij deze feestelijkheden de kunst van Shakespeare alleen maar de achtergrond vormde, want waar het over ging waren de opvoedingsvraagstukken van deze tijd. Bij deze gelegenheid zag je ook de kleine of misschien ook wel de grote gevolgen van de pedagogische cursus** die ik met Kerstmis in ons Goetheanum heb gegeven en waaraan juist die personen meededen die mee moesten werken aan deze Shakespeare-festiviteiten.
In de omgeving van Londen staat een opvoedingsinternaat***. Het is nog niet zo groot, maar het wordt geleid door iemand die bij de cursus in Dornach aanwezig was en vandaar de impuls had meegenomen naar dit

*Feier in Stratford: Zu Shakespeares Geburtstag. Rudolf Steiner sprach auf Einladung hin am 19., 21. und 23. April 1922 innerhalb der Konferenz der Vereinigung «Neue Ideale in der Erziehung» über «Das Drama und seine Beziehung zur Erziehung» und «Shakespeare und die neuen Ideale», in «Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage» (9 Vorträge in verschiedenen Städten 1921/22), Bibl.-Nr. 304, GA 1979.
.
Festiviteit in Stratford: Bij Shakespeares geboortedag. Rudolf Steiner sprak op uitnodiging op 19, 21 en 23 april 1922 op de vergadering van de vereniging ‘Nieuwe idealen in de opvoeding’ over ‘Het drama in de opvoeding’ [op deze blog vertaald] en ‘Shakespeare en de nieuwe idealen’ [op deze blog vertaald] 
in “Opvoed- en onderwijs methoden vanuit de antroposofie’ GA 304, op deze blog vertaald – zie inhoudsopgave.
.
**Pädagogischer Kurs zu Weihnachten in Domach: Siehe «Die gesunde Entwickelung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Seelisch-Geistigen» (16 Vorträge, Dornach 1921/22), Bibl.-Nr. 303, GA 1978.
.
Pedagogische cursus met Kerstmis in Dornach. ‘Gezondmakend onderwijs’ GA 303; vertaald,
.
***in der Nähe von London ein Erziehungsinternat: Damals «Priory School», jetzt «New School» in Kings-Langley.
.
In de buurt van Londen een opvoedingsinternaat. Toen ‘Priory School’, nu Nieuwe School’ in Kings-Langley. (De laatste jaren kampend met veel problemen, voortbestaan onzeker)
.

Blz. 123

Erziehungsinternat, vielleicht sogar bei einer Vergrößerung desselben,
dasjenige, was wir jetzt nennen dürfen die Waldorfpädagogik, das
Waldorf-Erziehungswesen einzuführen. Wir wurden eingeladen, diese
Erziehungsanstalt anzusehen. Dabei kamen die verschiedenen Fragen
zur Sprache, die die gegenwärtige Leitung betreffen, und dasjenige, was
getan werden könnte, um den Geist des hier in der Waldorfschule
gepflegten Erziehungswesens dorthin zu übertragen. Es kam eine Frage ganz besonders zur Besprechung, und das war diese, daß die leitenden Persönlichkeiten sagten: Ja, mit den Kindern würden wir eigentlich recht gut fertig; wir bekommen jedes Jahr die kleine Anzahl von Kindern herein, welche uns auch zu halten möglich ist bei der Größe unserer Anstalt. Aber das Schwierigste ist das Zusammenwirken mit den Eltern. Schwierig aus dem Grunde, weil nun einmal in der älteren Generation überall – das ist durchaus eine internationale Angelegenheit – heute ganz bestimmte Ansichten vorhanden sind, so und so muß die Erziehung verlaufen. Es gibt manche Veranlassung dazu, daß die Eltern ihre Kinder in diese oder jene Anstalt geben.

opvoedingsinternaat, om wellicht wanneer het groter zou worden te beginnen met wat wij nu de waldorfschoolpedagogie mogen noemen, de opvoedingsopvattingen van de waldorfschool. Eén vraag werd vooral besproken en wel omdat de leidinggevende mensen zeiden: Ja, met de kinderen kunnen we het wel klaarspelen; er komen ieder jaar een klein aantal kinderen naar ons toe die we, gezien de grootte van het gebouw, wel kunnen huisvesten. Maar het moeilijkste is de samenwerking met de ouders. Moeilijk omdat in de oudere generatie nu eenmaal overal – dat is internationaal – bepaalde gezichtspunten bestaan dat opvoeding zus en zo moet verlopen. Er zijn vele aanleidingen waarom ouders hun kinderen naar dit of dat internaat sturen.

Wenn es sich wirklich darum handelt, daß ein wenig abgewichen werden soll von dem, in was man sich eingelebt hat, dann entsteht sehr leicht die Uneinigkeit der Schule mit den Eltern. Und das ist etwas, was gerade in einem freien Schulwesen wirklich nicht zu ertragen ist. Nun liegen dort in dem Schulinternat, von dem ich spreche, ganz besondere Schwierigkeiten nach dieser Richtung vor. Ich will jetzt weder Kritik anlegen, noch will
ich etwas empfehlen. Ich will einfach von den Tatsachen sprechen. In
diesem Schulinternat gibt es, trotzdem es ein Internat ist, gar keine
Bediensteten. Die Schule wird ganz allein von den Kindern und Lehrern
versorgt, so daß also von diesen Schülern und Lehrern die Diele gewaschen werden muß, die Teller abgewaschen werden müssen, das Gemüse gepflanzt werden muß, die Hühner versorgt werden müssen, damit sie Eier liefern – ich könnte eine lange Liste aufzählen. Daneben werden alle möglichen Arbeiten von den Kindern gezeigt, so daß man schon den Eindruck hat, da geht es doch anders zu als in manchen anderen Erziehungsinternaten. Die Kinder müssen auch kochen, also alles machen, vom frühen Morgen bis zum späten Abend. Und daß die Lehrer und Erzieher dabei in einer kräftigen Weise mitwirken, das sieht man der

Wanneer het erom gaat dat er wat afgeweken moet worden van wat men zo gewend geraakt is, ontstaan er erg makkelijk problemen met de ouders. En dat is in een vrij schoolsysteem echt niet te verdragen. En in dit schoolinternaat waarover ik nu spreek, zijn er heel bepaalde moeilijkheden wat dit betreft. Ik wil geen kritiek leveren of goede raad geven. Ik wil alleen de feiten geven. In dit schoolinternaat, hoewel het dus een internaat is, is helemaal geen menselijke hulp. De school wordt helemaal gedragen door de kinderen en de leerkrachten, zodat de kinderen en de leerkrachten de hal moeten schrobben, de afwas doen, groente planten, de kippen verzorgen zodat die eieren geven, ik zou een hele lijst kunnen opsommen.
Daarnaast legden de kinderen nog alle mogelijke werkzaamheden aan de dag, zodat je de indruk kreeg dat het daar toch heel anders toeging dan in sommige andere internaten. De kinderen moesten ook koken, dus van alles van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. En dat de leerkrachten-opvoeders daar flink bij hielpen,

Blz. 124

Sache schon an. Nun, ich will das weder empfehlen noch irgendwelche
Kritik anlegen. Ich will das nur hinstellen. Dann kommt es vor, wenn die
Kinder in den Ferien nach Hause kommen und sagen, was sie tun
müssen, daß die Eltern die Ansicht haben, das hätten sie sich nicht
vorgestellt, das könnten sie nicht begreifen. Deshalb ist es in diesem Falle
recht schwierig, die Eintracht mit den Eltern zu erhalten. – Ich führe den Fall nur an, um auf die Empfindung hinzudeuten, die man hat, wenn es
sich um das Ernstnehmen des Erziehungs- und Unterrichtswesens handelt, auf die Empfindung, daß es notwendig ist, in vollem Einklang mit
der Elternschaft der Kinder zu wirken und zu arbeiten. Nun, wir sind selbstverständlich in der Waldorfschule in einer anderen Lage. Wir haben kein Internat, wir haben eine Schule und haben den Unterricht zu erteilen und während des Unterrichtserteilens selbstverständlich das erzieherische Prinzip ins Auge zu fassen. Aber dennoch, dessen können Sie versichert sein: als ein Grundelement für alles, was wir in der Waldorfschule als unsere Aufgabe betrachten, müssen wir ansehen das Zusammenarbeiten mit der Elternschaft.

kun je wel zien. Welnu, ik beveel het noch aan, noch dat ik er kritiek op heb. Ik wil het alleen vertellen. En dan gebeurt het, wanneer de kinderen in de vakantie naar huis komen en zeggen wat ze moeten doen, de ouders dan van mening zijn dat ze zich dat niet hadden voorgesteld, dat begrijpen ze niet. In dit geval is het echt lastig om met de ouders op goede voet te blijven. Ik breng dit geval naar voren om op de ervaring te wijzen die je opdoet wanneer het erom gaat opvoeding en onderwijs serieus te nemen, op de ervaring dat het noodzakelijk is, in goede harmonie met de ouders van de kinderen samen te werken. Op de waldorfschool is het vanzelfsprekend anders. Wij zijn geen internaat, we zijn een school en wij moeten onderwijs geven en uiteraard tijdens het lesgeven het opvoedkundige in ogenschouw nemen.
Maar dan, daarvan kan u verzekerd zijn: als een basiselement voor alles wat wij op de waldorfschool als onze opgave zien, moeten wij letten op de samenwerking met de ouders.

Es ergeben sich fortwährend im Laufe der Schulführung unzählige Fragen mit Bezug auf das Wohl und Wehe, auf den guten Fortgang und auf die Gesundheit, die leibliche und seelische Gesundheit, es ergeben sich fortwährend unzählige Fragen, die nur im Verein mit den Eltern zu lösen sind. Deshalb müßte es eigentlich – und es wird ja den Verhältnissen Rechnung getragen werden müssen – immer nötiger und nötiger werden, diese Elternabende auszubauen und zu einer öfteren Erscheinung in unserer Schulführung zu machen.
Unsere Waldorfschule soll ja nicht nur ihrem Titel nach, sondern
ihrem ganzen Wesen nach eine freie Schule sein, und gerade weil sie eine
solche freie Schule sein soll, sind wir auf die Hilfe der Elternschaft in
einem ganz außerordentlich hohen Grade angewiesen.  Es ist meine Überzeugung, daß es eigentlich bei allen Eltern nur eben die tiefste
Befriedigung wird hervorrufen können, wenn in uns das Verlangen nach
dem Zusammenwirken mit der Elternschaft besteht.
Eine freie Schule ist die Waldorfschule. Sehen Sie, meine sehr verehrten Anwesenden, was eigentlich eine freie Schule bedeuten soll, das ist ja
etwas, was immer wieder und wieder gesagt werden muß, und was gar

Voortdurend zijn er tijdens het reilen en zeilen op school talloze vragen wat betreft het wel en wee van de kinderen, over de goede vooruitgang en over de gezondheid, zowel lichamelijk als psychisch, er zijn steeds talloze vragen die alleen maar samen met de ouders opgelost kunnen worden. Daarom wordt het eigenlijk – rekening houdend met de omstandigheden – steeds noodzakelijker  deze ouderavonden belangrijker te maken en dat ze in ons schoolleven vaker plaatsvinden.
Onze waldorfschool moet niet alleen maar in naam, maar inherent aan haar hele wezen een vrije school zijn en omdat ze dat moet zijn, is zij in extreme mate op de hulp van de ouders aangewezen.
Ik ben ervan overtuigd dat het bij de ouders juist het diepste gevoel van tevredenheid op kan roepen, wanneer er bij ons het verlangen bestaat om met de ouders samen te werken.
De waldorfschool is een vrije school. En, beste aanwezigen, wat een vrije school moet betekenen, is iets wat steeds weer en opnieuw moet worden gezegd en wat zelfs

Blz. 125

nicht stark genug gesagt werden kann, aus dem einfachen Grunde, weil
kaum heute es in weiteren Kreisen möglich ist, das völlige Bedürfnis
nach einer solchen freien Schule zu haben. Wir haben das Vorurteil von
Jahrhunderten gegen uns, namentlich in der folgenden Weise:
Man braucht nicht weit zurückzuschauen in der Entwicklung der
Menschheit, da war bis zu einem recht hohen Grade das Schulwesen,
namentlich das Volksschulwesen, sehr frei. Aber die damalige Freiheit dieses Schulwesens hatte dazu geführt, daß es sehr viele Analphabeten gab, daß eine Schulerziehung nur von einzelnen Menschen gesucht worden ist. Nun kam im Laufe der Menschheitsentwicklung in den zivilisierten Gebieten immer mehr das Verlangen herauf, eine gewisse Bildungsgrundlage für das soziale Leben zu fordern. Ich kann jetzt nicht ausführen, wodurch es gekommen ist, daß das Verlangen auftauchte, eine gewisse Bildungsgrundlage zu fordern für das soziale Leben; aber dieses Verlangen kam in einer Zeit herauf, in der die Menschen ihrer Hinneigung zu den alten Göttern abgeschworen hatten und nun von einem Gotte allen Segen und alles Gute für die Entwickelung der
Menschheit erwarteten, von dem Gotte Staat.

niet duidelijk genoeg gezegd kan worden om de doodeenvoudige reden dat het in andere kringen nauwelijks mogelijk is, dat we een grote behoefte hebben aan zo’n vrije school. We hebben het vooroordeel van eeuwen tegen ons en wel zo:
je hoeft niet zover terug te kijken in de ontwikkeling van de mensheid om te zien dat het schoolwezen in zeer hoge mate, vooral de basisschool, zeer vrij was.
Maar die vrijheid van toen heeft ertoe geleid dat er zeer veel analfabeten waren, dat er maar een paar mensen een opvoeding op school zochten. In de loop van de mensheidsontwikkeling ontstond er in de beschaafde gebieden steeds meer de wens een bepaalde basis te eisen voor de vorming van het sociale leven. Ik kan nu niet in detail treden waarom dat verlangen naar een bepaalde ontwikkelingsbasis voor het sociale ontstond, maar het ontstond in de tijd dat de mensen hun overgave aan de oude goden afgelegd hadden en dat ze al hun heil en zegen voor de ontwikkeling van de mensheid gingen verwachten van een god, van de staat als god.

Und insbesondere in Mitteleuropa war ja die Gegend, in der man ganz besonders stark darauf erpicht war, in diesem Gotte Staat nun nicht nur alles mögliche andere Heilsame zu sehen, sondern auch das Heilsame für die Kindererziehung.
Man ging einmal von dem wie selbstverständlich angesehenen Grundsatze aus: Parlament, große Ratsversammlung und so weiter, das sind Veranstaltungen, wo die Genialität blüht. Auch dann, wenn die einzelnen, die beteiligt sind an dieser Parlamentsversammlung, einem nicht so als außerordentlich erleuchtet vorkamen. Man hatte die Meinung, wenn die Leute beisammen sind, dann werden sie gescheit. Und dann werden sie über alle Angelegenheiten das Richtige bestimmen können. Einzelne Menschen zwar, die auch eine recht gute, tiefe Kenntnis hatten, wie zum Beispiel der Dichter Rosegger, die hatten – verzeihen Sie, daß ich solch ein Wort erwähne – eine andere Meinung. Rosegger hat den Spruch geprägt: «Oaner is a Mensch; mehrere san Leit; vüle, dös san Viecher.»
Das ist ein bißchen radikal ausgedrückt, aber jedenfalls widerspricht es
der Meinung, die sich gerade in den letzten Jahrhunderten herausgebil-

En vooral Midden-Europa was de streek waarin men er heel sterk op gericht was in deze staat god niet alleen al het andere mogelijke heil te zien, maar ook het heil voor de opvoeding van de kinderen.
Men ging uit van de als vanzelfsprekend beschouwde overtuiging: het parlement, de grote raadsvergaderingen enz, dat zijn de instellingen waar de genialiteit hoogtij viert. Ook dan als de afzonderlijke mensen die deel uitmaakten van deze parlementsvergaderingen, voor iemand toch niet zo buitengewoon verlicht bleken te zijn. Men was van mening dat als de mensen samen zijn, ze dan verstandig worden. En dat ze dan over alle aangelegenheden het juiste kunnen bepalen. Een paar mensen maar, die ook over een heel goede, gedegen kennis beschikten zoals bijv. de dichter Rosegger*, hadden – excuus dat ik dit aanhaal – een andere mening. Rosegger had het zo bestempeld: ‘Eén is een mens; meerderen zijn lieden; velen, dat is vee.’
Dat is wel wat radicaal uitgedrukt, maar het spreekt wel de opvatting tegen dat m.n. de laatste eeuwen

*Peter Rosegger, 1843-1918, österreichischer volkstümlicher Erzähler.

.

P.R. Oostenrijks volksverteller

.

Blz. 126

det hat, daß man in all dem, was staatsähnlich ist, das finden könne, was
das Richtige in bezug auf Kindererziehung feststellen könnte. Und so ist
schon unser Schulwesen einfach im Glauben nach und nach herangewachsen, daß es gar nicht anders sein könne, als daß von der staatlichen Gemeinschaft aus alles für das Schulwesen eben auch bestimmt würde. Nun, eine freie Schule ist diejenige, welche den Lehrenden und Erziehenden alles dasjenige ermöglicht, was sie aus ihrer Menschenerkenntnis heraus, aus ihrer Welterkenntnis heraus, aus ihrer Kinderliebe heraus unmittelbar für das Wesentliche halten, was hineingetragen werden soll ins Erziehungswesen. – Eine unfreie Schule ist diejenige, wo der Lehrer fragen muß: Was ist vorgeschrieben für die erste Klasse, was ist vorgeschrieben für die zweite Klasse, wie muß die Stunde eingeordnet werden nach dem Gesetz?
Eine freie Schule ist eine solche, wo die Lehrer eine ganz bestimmte,
ihrem Wirken zugrunde liegende Erkenntnis haben von dem, wie ein
Kind heranwächst, welche körperlichen und seelischen Kräfte in ihm
liegen, welche körperlichen und seelischen Kräfte in dem Kinde entwikkelt werden müssen;

je in alles wat van de staat komt, zou kunnen vinden wat het juiste is voor de opvoeding van het kind. En zo is dus het onderwijs steeds meer gaan geloven dat het echt niet anders kan, dan dat van de staat uit, alles voor het onderwijs bepaald moet worden.
Maar een vrije school is die school die alles voor de onderwijsgevenden en opvoeders mogelijk maakt om wat zij vanuit hun menskunde, vanuit hun kennis van de wereld, uit hun liefde voor het kind, voor het echt wezenlijke houden en dat dit geïntegreerd moet worden in ons onderwijs en onze opvoeding.
Een onvrije school is een school waarin de leraar moet vragen: wat is er voor de eerste klas voorgeschreven, wat voor de tweede, hoe moet ik het uur organiseren volgens de wet?
Een vrije school is een school waarin de leerkrachten een heel bepaalde kennis hebben die aan hun werk ten grondslag ligt, van hoe een kind zich ontwikkelt, over welke lichamelijke en psychische krachten het beschikt, welke lichamelijke en psychische krachten in het kind ontwikkeld moeten worden;

wo der Lehrer das, was er jeden Tag und jede Stunde machen muß, aus dieser Menschenerkenntnis und aus seiner Kinderliebe heraus einrichten kann. Man hat nicht ein sehr starkes Gefühl davon, wie grundverschieden die unfreie Schule von der freien Schule ist. Denn die wirklich erzieherischen und unterrichtenden Kräfte des Lehrers können sich nur entwickeln in der freien Schule. Weil man gegenwärtig von diesen Dingen eigentlich gar nicht eine wirkliche Empfindung hat, deshalb ist es so schwer, mit dem freien und befreiten Schulwesen wieder weiter zu dringen. Man darf sich gar nicht irgendwelchen Illusionen hingeben. Wenige Stunden, bevor ich hierher gereist bin, bekam ich einen Brief, der mir mitteilt, nachdem lange Zeit gearbeitet worden ist, um in einer anderen Stadt Deutschlands eine ähnliche Schule wie diese Waldorfschule zu errichten, daß diese abgewiesen worden ist. Wir haben darin ein deutliches Zeichen, daß die weitere Entwickelung der Zeit nicht dahin geht, das freie Schulwesen zu fordern. Daher müssen wir – und das ist dasjenige, was ich den Eltern unserer lieben Schulkinder ganz besonders ans Herz legen möchte -, darum müssen wir diese Waldorfschule, die wir jetzt haben, die wir uns

waarin de leerkracht dat wat hij iedere dag en ieder uur moet doen, vanuit deze menskunde en uit zijn liefde voor het kind kan organiseren. Men heeft er geen erg groot gevoel voor hoe fundamenteel anders een onvrije school verschilt van een vrije. Want de echte opvoedkundige en onderwijskundige vermogens van de leerkracht kunnen zich alleen ontplooien in de vrije school.
Omdat men daar tegenwoordig eigenlijk helemaal geen gevoel voor heeft, is het zo moeilijk om met de vrije of een bevrijde school weer verder te komen. Daarover moet je je geen enkele illusie maken. Een paar uur voor ik hier naartoe reisde, kreeg ik een brief waarin mij wordt meegedeeld, nadat er lang gewerkt is om in een andere stad van Duitsland zo’n zelfde waldorfschool als deze waldorfschool op te richten, dat dit afgewezen is. Daar hebben we een duidelijk teken dat het met de verdere ontwikkeling van de tijd niet zo zal gaan dat het vrije schoolonderwijs geëist kan worden. En daarom moeten wij – en dat wil ik de ouders van onze lieve schoolkinderen heel bijzonder op het hart binden – deze waldorfschool die we nu voor elkaar hebben

Blz. 127

errungen haben, in der wirklich aus der freien Kraft der Lehrerschaft
heraus die Kinder zu allseitig tüchtigen und gesunden Menschen
gemacht werden sollen, wir müssen diese Waldorfschule hegen und
pflegen. Wir müssen uns bewußt werden, daß es nicht leicht sein wird,
gegenüber den Vorurteilen der Gegenwart irgend etwas zweites Ähnliches zu haben wie diese Waldorfschule. Und dabei dürfen wir schon darauf hinweisen, daß diese Waldorfschule, nachdem sie noch nicht drei Jahre besteht, etwas ist, was gegenwärtig, wir dürfen es sagen, in der ganzen zivilisierten Welt besprochen wird. Denn sehen Sie, es ist immerhin von einer gewissen Bedeutung – denken Sie an dasjenige, was ich über diese Schule in der Nähe von London gesagt habe -, daß sich einige Leute gefunden haben, um dort eine Waldorfschule ins Leben zu rufen.

gekregen, waarin werkelijk vanuit de vrije kracht van de leraren de kinderen in alle opzichten tot gezonde mensen gemaakt zullen worden die het leven aan kunnen, wij moeten deze waldorfschool koesteren en verzorgen. We moeten ons ervan bewust worden dat het niet makkelijk zal zijn, om tegen de vooroordelen van de huidige tijd in, voor de tweede keer zoiets als deze waldorfschool te hebben. En we mogen er daarbij wel op wijzen dat deze waldorfschool, ook al bestaat ze nog geen drie jaar, iets is waarover in deze tijd, we mogen wel zeggen, in de hele beschaafde wereld gesproken wordt. Want kijk, het heeft altijd wel een bepaalde betekenis – denk even aan wat ik over die school in de buurt van Londen heb gezegd – als een paar menen elkaar vinden om daar een waldorfschool in het leven te roepen.

Wir können diese Frage auch von einem viel weiteren Gesichtspunkte betrachten. Dieser Gesichtspunkt ist der, daß wir ja nun immerhin in der Notwendigkeit sind, etwas zu tun dazu, daß das deutsche Wesen in der Welt wiederum seine Stellung bekommt. Deutsches Wesen wird aber, das können Sie versichert sein, seine Bedeutung nur dann bekommen, wenn der geistige Inhalt dieses deutschen Wesens vor allen Dingen zu seiner Geltung in der Welt gebracht wird. Und nach dem wird man, wenn er in der richtigen Weise vor die Welt hingestellt wird, nach dem wird man Verlangen tragen. Man wird sich bewußt werden, daß man ihn braucht.
Dazu ist notwendig, daß wir wirklich in die vollen Tiefen dieses
deutschen Wesens hineindringen und aus ihnen heraus schaffen. Und das zeigt sich gerade an einer so vehementen, manchmal tumultuarischen
Erziehungsbewegung wie derjenigen, die bei dem Shakespeare-Fest
erlebt werden konnte. Da zeigt sich, daß in der ganzen Welt das
Bedürfnis vorhanden ist: dem Erziehungswesen müssen neue Impulse eröffnet werden. Das ist eine Angelegenheit der zivilisierten Menschheit,
daß es mit den alten Formen nicht mehr weiter geht.
Es ist so: mit den Dingen, die in der Waldorfschule gepflegt werden,
hat man etwas zu sagen auf die Fragen, die in der ganzen Welt in bezug
auf das Erziehungs- und Unterrichtswesen aufgeworfen werden. Nur
hat man eben auch fast alle Vorurteile der ganzen Welt gegen sich, und
immer mehr geht es auf das hinaus, daß wenigstens die untersten Klassen

We kunnen deze vragen ook vanuit een veel ruimer perspectief bekijken. Het is tenslotte zo dat de noodzaak bestaat iets te doen zodat de Duitse geest in de wereld weer een plaats krijgt. De Duitse geest zal echter, daar kan u van verzekerd zijn, alleen maar betekenis krijgen, wanneer de geestelijke inhoud van deze Duitse geest als allereerste zijn waarde in de wereld gaat krijgen. En wanneer deze op de juiste manier aan de wereld getoond wordt, zal men ernaar gaan verlangen. Men zal zich ervan bewust worden, dat deze nodig is.
[Steiner noemt nu niets concreets over deze ‘Duitse geest’, in andere gevallen noemt hij Goethe, Schiller, Herder, Fichte e.a. wiens denkwijzen van positieve invloed kunnen zijn voor de ontwikkeling van Midden-Europa]

Daarvoor is het nodig dat we echt kunnen doordringen in de volle diepte van dit wezenlijke en vandaar uit opbouwen. En dit nu kun je zien aan zo’n hevige, soms wel wat tumultueuze opvoedingsbeweging zoals je die kon ervaren bij de Shakespearefestiviteiten.
Dan blijkt in de hele wereld de behoefte te bestaan: voor de opvoeding moeten nieuwe impulsen een kans krijgen. Het is een zaak van een beschaafde mensheid dat het met de oude vormen niet meer verder gaat. Het is zo: met de dingen die in de waldorfschool verzorgd worden, heb je wat te zeggen op de vragen die in de hele wereld opgeworpen worden t.a.v. opvoeding en onderwijs. Alleen heb je dan wel bijna alle vooroordelen van de hele wereld tegen je en steeds meer gaat het ernaar toe dat op z’n minst de laagste klassen

Blz. 128

des Volksschulwesens der Freiheit entzogen werden sollen. Es ist außerordentlich schwierig, gegen diese Voruteile anzukämpfen. Die Waldorfschule kann nur dadurch ankämpfen, daß sie wirklich aus der freien Kraft der Lehrerschaft aus den Kindern dasjenige macht, was eben nur aus einer solchen freien Kraft heraus gemacht werden kann.
Dazu aber bedürfen wir des innigen, des einträchtigen Zusammenwirkens mit der Elternschaft. Und bei einer der Elternversammlungen, bei der ich schon anwesend sein konnte, habe ich schon darauf hingewiesen,
daß wir deshalb, weil wir ein freies Schulwesen anstreben, darauf
angewiesen sind, Verständnis, tiefes Verständnis bei der Elternschaft zu
finden. Wenn wir dieses Verständnis finden, dann werden wir richtig
arbeiten können. Und dann werden wir andererseits vielleicht doch
dasjenige, was mit der Waldorfschule gemeint ist, zur Geltung bringen
können. Ich habe dazumal betont, wie es unser Bestreben sein muß, wirklich aus der Erkenntnis der kindlichen Wesenheit und kindlichen Körperheit alles dasjenige herauszuholen, was zum Gegenstand des Unterrichts und der Erziehung gemacht werden soll.

van de basisschool de vrijheid zal worden ontnomen. Het is buitengewoon moeilijk tegen deze vooroordelen te strijden. De waldorfschool kan er alleen maar tegen opboksen door daadwerkelijk vanuit de vrije krachten van de lerarengroep uit de kinderen te halen wat er dus vanuit dergelijke krachten ontstaan kan.
Maar daarvoor hebben we de intense, eensgezinde samenwerking nodig met de ouders. En bij een van de oudervergaderingen waar ik al bij kon zijn, heb ik er reeds op gewezen dat wij. omdat we streven naar een vrij schoolwezen, erop aangewezen zijn bij de ouders begrip, een diep begrip te vinden. Wanneer we dat aantreffen, kunnen we op een goede manier werken. En aan de andere kant kunnen we dan misschien dat wat we bedoelen met de waldorfschool, realiseren.  Ik heb toen benadrukt hoe het ons streven moet zijn, daadwerkelijk van de kennis van het kinderwezen, ook van het fysieke uit, alles te halen wat tot onderwerp van opvoeding en onderwijs gemaakt moet worden.

Eine solche Kinderbeobachtung, weil sie ja eine Menschenbeobachtung ist, eine solche Kinderbeobachtung ist nur möglich, wenn man eine Erkenntnis des ganzen Menschen anstrebt, wie sie angestrebt wird durch die Anthroposophie. Immer wieder müssen wir sagen: Es ist uns gar nicht darum zu tun, etwa Anthroposophie in die Schule hineinzutragen. Darüber werden sich die Eltern nicht zu beklagen haben, daß wir Anthroposophie als Weltanschauung in die Schule hineintragen wollen. Aber gerade so, wie wir es vermeiden, Weltanschauung, Anthroposophie in die Schule hineinzutragen, möchten wir es anstreben, diejenige pädagogische Geschicklichkeit, die nur kommen kann aus anthroposophischer Durchbildung, in der Handhabung des Unterrichts, in der Behandlung des Kindes geltend zu machen. – Wir haben die katholischen Kinder dem katholischen Pfarrer zur Verfügung gestellt, die evangelischen Kinder dem evangelischen Pfarrer, und wir haben den freien Religionsunterricht nur für diejenigen, deren Eltern ihn eben suchen. Auch das ist vollständig freigestellt; er ist eingerichtet nur für die Kinder, die wahrscheinlich in der Mehrzahl sonst überhaupt an keinem Religionsunterricht teilnehmen

Een dergelijk waarnemen van het kind, omdat dat het waarnemen van een mens is, is alleen mogelijk wanneer je streeft naar inzicht in de hele mens, zoals die door de antroposofie wordt nagestreefd. Steeds opnieuw moeten we zeggen: het gaat ons er helemaal niet om, om zo’n beetje de antroposofie de school in te halen. De ouders zullen zich er niet over te beklagen hebben dat wij antroposofie als wereldbeschouwing op school willen brengen. Maar net zoals we vermeiden wereldbeschouwing, antroposofie in de school te halen, willen we er graag naar streven de pedagogische vaardigheden die alleen uit een gedegen antroposofische studie kunnen ontstaan, bij het lesgeven, bij hoe we met het kind omgaan, toe te passen. Voor de katholieke kinderen kunnen de katholieke pastoors komen, voor de evangelische kinderen de dominees en we hebben het vrije godsdienstonderwijs alleen voor de kinderen van wie de ouders dit zoeken. Ook dat is helemaal vrij; het is alleen voor de kinderen georganiseerd die waarschijnlijk als grootste groep helemaal aan geen enkel godsdienstonderwijs zouden deelnemen.

Blz. 129

würden. Also darauf legen wir nicht das Hauptgewicht. Dasjenige, was
wir in bezug auf die Weltanschauung zu sagen haben, das ist für
Erwachsene.
Aber dasjenige, was, ich mochte sagen, bis in die Geschicklichkeit der
Fingerspitzen hinein Anthroposophie aus einem Menschen machen
kann, das macht sie insbesondere gerade aus einem Lehrer, aus einem
Erzieher. Und die Behandlung der Kinder, die Behandlung des Lehr-und Erziehungsinhaltes, das ist es, was so erstrebt werden soll, daß die
Kinder überall sich wie selbstverständlich hineinfinden in das, was in der
Schule vor diese Kinder hingebracht wird. Überall soll sorgfältig erwogen werden: was ist das Richtige für ein bestimmtes kindliches Alter?
Sie wissen ja, wir beginnen nicht so mit dem Lesen- und Schreibenlernen, wie das heute vielfach geschieht. Wir entwickeln, indem wir
mit dem Schreibenlernen beginnen, die Buchstabenformen, die sonst
dem Kinde fremd sind, aus dem heraus, zu dem das Kind mit innerem Behagen sich hinwendet aus einer Art künstlerischer Tätigkeit,
künstlerischem Formensinn. Unsere Kinder kommen dadurch etwas später dazu, Schreiben und Lesen zu lernen, weil ja, wenn man
die Natur des Kindes berücksichtigt, das Lesen nach dem Schreiben
kommen muß.

Dus dat weegt voor ons niet het zwaarst. Wat we over de wereldbeschouwing hebben te zeggen, is voor de volwassenen.
Maar de vaardigheden die de antroposofie uit de mens kan halen tot in z’n vingertoppen, die haalt ze m.n. uit de leerkracht, uit de opvoeder. En het omgaan met de kinderen, met de leerstof en de opvoeding, daar moet naar gestreefd worden, zodat de kinderen als vanzelfsprekend zich thuis voelen in wat de school aan deze kinderen geeft. Bij alles moet zorgvuldig afgewogen worden: wat is het juiste voor een bepaalde leeftijd?
U weet, we beginnen niet met leren lezen en schrijven, zoals dat tegenwoordig veelal gaat. Als we met schrijven beginnen, met de letters, die voor de kinderen vreemde dingen zijn, ontwikkelen we uit wat het kind innerlijk graag wil, vanuit een kunstzinnig bezig zijn, een kunstzinnige zin voor vorm. Onze kinderen zijn daarom wat later toe aan schrijven en lezen, omdat als je naar de natuur van het kind kijkt, het lezen na het schrijven moet komen.

Nun wenden sich die, die in die alten Anschauungen eingewöhnt sind,
dagegen und sagen: da lernen die Kinder viel später Lesen und Schreiben
als in anderen Schulen. – Warum lernt das Kind in der anderen Schule
früher Lesen und Schreiben? Weil man nicht weiß, welches Lebensalter
gut ist dazu, um Lesen und Schreiben zu können. Erst legen wir uns die Frage vor, ob es überhaupt berechtigt ist, zu verlangen, daß das Kind
schon im achten Jahr mit einer gewissen Fertigkeit lesen können,
schreiben können soll.
Wenn man diese Anschauungen weiter ausdehnt, dann entwickeln
sich solche weitergehenden Ansichten, wie wir sie in einer merkwürdigen Weise erfahren können. Wer Goethe genau kennt, der kann auch
wissen: Wenn man mit dem, was für einen zwölfjährigen Jungen heute
schulmäßige Anforderungen sind, an Goethe herangeht und sich fragt,
hat Goethe das wirklich so gekonnt? – wird man sehen, er hat es nicht
einmal mit sechzehn Jahren gekonnt und ist doch der Goethe geworden.

Nu gaan de mensen die gewend zijn aan de oude opvattingen daar wat van zeggen: daar leren de kinderen veel later lezen en schrijven dan op andere scholen –
Waarom leert het kind op de andere school eerder lezen en schrijven? Omdat men niet weet wat de goede leeftijd is om te kunnen lezen en schrijven. Eerst stellen we ons de vraag of het eigenlijk wel terecht is om te eisen dat het kind al op z’n achtste jaar zover is dat het moet kunnen lezen, schrijven.
Wanneer je deze gezichtspunten verder denkt, ontwikkelen ze zich verdergaand tot opvattingen die we op een bijzondere manier kunnen ervaren. Wie Goethe goed genoeg kent, kan weten: wanneer je Goethe zou benaderen met wat van een twaalfjarige jongen op school verlangd mag worden en zich zou afvragen, zou Goethe dit echt gekund hebben? – zou gezien hebben dat hij dat nog niet eens op z’n zestiende kon en hij is toch dé Goethe geworden.

Blz. 130

Österreich hatte einen bedeutenden Dichter, Robert Hamerling. Er
hat natürlich in seiner Jugend sich nicht vorgenommen, ein Dichter zu
werden, das machte sein Genie, aber er wollte Mittelschullehrer werden.
Er hatte eine Lehramtsprüfung abgelegt. In seinem Zeugnis steht, daß er
im Lateinischen und Griechischen ganz außerordentlich gute Kenntnisse
aufgewiesen habe, daß er aber nicht fähig sei, die deutsche Sprache zu
handhaben, sondern daß er nur für die unterste Klasse zum Unterricht
tauge. Aber er wurde der bedeutendste neuere Dichter Österreichs. Er
hat in der deutschen Sprache und nicht in der slowakischen Sprache
geschrieben.
An dem Leben müssen eben die pädagogischen Impulse gemessen
werden. Und das ist das Wesentliche unserer Pädagogik, daß wir das
ganze Leben des Kindes im Auge haben und daß wir wissen: wenn wir
dem Kinde etwas im siebenten, achten Lebensjahr beibringen, so muß es
so beigebracht werden, daß es mit dem Kinde heranwächst, daß das Kind
das noch im dreißigsten, vierzigsten Jahre hat, daß man das ganze Leben
etwas hat davon. 

Oostenrijk had een belangrijk dichter, Robert Hamerling*. Hij was natuurlijk in zijn jeugd niet van plan dichter te worden, dat kwam door zijn begaafdheid, maar hij wilde leraar op een middelbare school worden. Hij deed zijn onderwijzersexamen. In zijn rapport staat dat hij een buitengewoon goede kennis heeft van Latijn en ‘Grieks, maar dat hij niet in staat is Duits te geven, en alleen geschikt is voor het onderwijs in de laagste klas. Maar hij werd wel de belangrijkste nieuwere dichter van Oostenrijk. En hij heeft in het Duits geschreven en niet in het Slowaaks.
De pedagogische impulsen moeten nu eenmaal afgemeten worden aan het leven. En het wezenlijke van onze pedagogiek is, dat wij oog hebben voor het hele leven van het kind en dat wij weten: wanneer we het kind op z’n zevende, achtste jaar iets bijbrengen, dan moet dat zo worden bijgebracht, dat het met het kind meegroeien kan, dat het kind op z’n dertigste, veertigste jaar daar nog iets van bijgebleven is, dat er het hele leven iets van bij blijft.

*130 Robert Hamerling, 1830-1889.

Sehen Sie, da ist es so, daß gerade diejenigen Kinder, die
mit acht Jahren perfekt lesen und schreiben können, daß die mit Bezug
auf gewisse innere seelische Gesundheitsimpulse verkümmern. Ja, richtig verkümmern. Es ist ein großes Glück, wenn man mit acht Jahren
noch nicht so lesen und schreiben kann, wie es heute verlangt wird. Es ist
ein großes Glück für die leibliche und seelische Gesundheit.
Was gepflegt werden muß, es muß hervorgeholt werden aus den Bedürfnissen der menschlichen Natur. Man muß dafür ein feines Verständnis haben, nicht nur für dasjenige, was richtig ist. Es ist leicht, sich vor eine Klasse hinzustellen und in einer Weise herauszubekommen:
Der sagt etwas Richtiges, der etwas Falsches! – und dann zu korrigieren
das Falsche ins Richtige; aber eine eigentlich erzieherische Tätigkeit wird dabei nicht ausgeübt. Es ist ganz unwesentlich für die menschliche
Entwickelung des Kindes, wenn man das Kind Aufsätze und Schularbeiten machen läßt und sie korrigiert, und das Kind sich überzeugt, daß es
Fehler gemacht hat. Das Wesentliche ist, daß man einen feinen Sinn hat
für die Fehler, welche die Kinder machen. Fehler machen die Kinder auf
hunderterlei Weise. Jedes Kind macht anders seine Fehler, und wenn
man einen feinen Sinn hat dafür, wie verschieden sich die Kinder 

Ziet u, het is zo dat juist die kinderen die met acht jaar perfect kunnen lezen en schrijven, met betrekking tot bepaalde psychische gezondheidsimpulsen tekort komen. Ja, echt verkommeren. Het is een grote weldaad wanneer je op je achtste nog niet zo kan lezen en schrijven als men tegenwoordig eist. Een grote weldaad voor je vitale en psychische gezondheid.
Wat verzorgd moet worden, het moet gehaald worden uit wat de menselijke natuur vraagt. Daar moet je een fijngevoelig begrip voor hebben, niet alleen maar voor wat juist is. Het is makkelijk voor een klas te gaan staan en op een of andere manier eruit krijgen: die zegt het goed, die verkeerd! en dan het foute te verbeteren naar het juiste, maar daarbij wordt geen opvoedkundige activiteit aan de dag gelegd. Voor de menselijke ontwikkeling van het kind is het totaal niet wezenlijk dat je het kind opstellen laat schrijven en huiswerk laat maken; dat dan nakijkt en dat het kind dan tot de slotsom komt dat het fouten heeft gemaakt. Het wezenlijke is dat je een verfijnd zintuig hebt voor de fouten die de kinderen maken. Fouten maken de kinderen op honderd-en-een manier. Ieder kind maakt zijn eigen fouten en als je er een fijn gevoel voor hebt

Blz. 131

verhalten mit Bezug auf die Fehler, dann kriegt man heraus, was man zu
tun hat, um die Kinder weiter zu bringen.
Nicht wahr, mit Bezug auf das Leben sind die Gesichtspunkte, die
man hat, verschieden. Der Arzt hat nicht dieselben Gesichtspunkte
bezüglich der Krankheit wie der Patient. Vom Patienten kann man nicht
verlangen, daß er in ganz bestimmte Krankheiten verliebt ist. Vom Arzt
kann man sagen, daß er dann ein richtiger Arzt ist, wenn er die Krankheit liebt. So handelt es sich darum, daß man eine gewisse Verliebtheit hat in die interessanten Fehler, welche die Kinder machen.
Dadurch lernt man erst die menschliche Natur kennen. Verzeihen Sie,
wenn ich mich radikal ausdrücke. Man muß sich radikal ausdrücken. Für
den Lehrer ist es interessanter, die Fehler zu verfolgen, als dasjenige, was
die Kinder richtig machen. Von den Fehlern lernt der Lehrer außerordentlich viel.

hoe verschillend de kinderen met hun fouten omgaan, dan vind je wat je moet doen om de kinderen verder te brengen.
Wat het leven betreft, zijn de gezichtspunten die je hebt, verschillend. De dokter heeft niet dezelfde gezichtspunten over de ziekte als de patiënt. Van de patiënt kan je niet verlangen, dat hij van bepaalde ziekten gecharmeerd is. Over de dokter kan je zeggen dat hij een goede arts is, als hij wél zeer betrokken is op de ziekte.
En nu gaat het erom dat je een bepaalde affiniteit hebt voor die interessante fouten die de kinderen maken.
Daardoor pas leer je de menselijke natuur kennen. Neem me niet kwalijk dat ik me radicaal uitdruk. Dat moet wel. Voor de leerkracht is het interessanter de fouten te volgen dan wat de kinderen goed doen. Van de fouten leert de leerkracht buitengewoon veel.

Aber was braucht man zu alldem? Zu alldem braucht man jene innere
tatkräftige Menschen- und Kinderliebe, die für den Lehrer ganz unerläßlich ist. Und da treten dann die unzähligen Fragen auf. Man ist besorgt um die leibliche und seelische Gesundheit dieses und jenes Kindes. Man hat das Kind ein paar Stunden des Tages; man muß für die übrige Zeit das Vertrauen, das volle Vertrauen der Eltern des Kindes haben. Und deshalb ist es, warum die Lehrer und Erzieher unserer Waldorfschule immer an dieses Vertrauen appellieren, und warum sie so gerne alles im Einklang mit den Eltern für das Wohl und Wehe der Kinder zustande bringen möchten. Das ist eben bei einer unfreien Schule in der Regel gar nicht in dem Maße angestrebt. Denn da hält man sich daran, die Vorschrift zu beobachten, und daher findet man sogar für den Begriff
des Freien im Schulwesen manchmal recht wenig Verständnis.
Es gibt Länder, wenn man da vom freien Schulwesen redet, so
antwortet man einem: Ja, das mag in Deutschland so sein, daß man da
nötig hat, freie Schulen zu gründen. Bei uns ist es nicht so; da ist der
Lehrer frei. Das antworten einem Lehrer selbst. Man ist nur erstaunt
darüber, daß so etwas geantwortet wird. Man ist erstaunt darüber aus
dem Grunde, weil man sieht: Diejenigen, die das antworten, haben keine
Ahnung mehr davon, daß sie sich unfrei fühlen könnten. Sie tun das, was
ihnen befohlen wird. Da es ihnen nicht einfällt, daß etwas anderes

Maar wat heb je voor dit alles nodig? Je hebt er die warme wilskrachtige liefde voor mens en kind voor nodig, die is voor de leerkracht onontbeerlijk.
En dan komen de ontelbare vragen. Je maakt je zorgen om de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het een of andere kind. Je hebt het kind maar een paar uur per dag; voor de rest van de tijd moet je het vertrouwen hebben, het volle vertrouwen van de ouders van het kind. En daarom moeten de leerkrachten en opvoeders van onze waldorfschool steeds een beroep doen op dit vertrouwen en waarom ze alles zo graag in samenspraak met de ouders voor het wel en wee van de kinderen tot stand willen brengen. Dat wordt dus bij een onvrije school als regel niet zo in die mate nagestreefd. Want daar houdt men zich aan het in acht nemen van de voorschriften en vandaar dat men dan voor wat de waldorfschool is, soms maar heel weinig begrip kan opbrengen.
Er zijn landen, als je daar over vrije scholen spreekt, dat je als antwoord krijgt: het mag dan in Duitsland zo nodig geacht worden om vrije scholen op te richten, bij ons is dat niet zo. Daar zijn de leraren vrij. Dat geven de leraren zelf als antwoord. Daar kan je nogal verbaasd over zijn omdat je ziet: degenen die zo’n antwoord geven, hebben er geen notie meer van dat ze zich onvrij zouden kunnen voelen. Ze doen wat hen wordt opgedragen. Omdat het niet bij hen opkomt dat er iets anders

Blz. 132

geschehen könnte, so fühlen sie gar nicht, daß die Dinge auch anders sein
könnten. Bedenken Sie einmal, in welch anderer Lage Sie sind, gerade gegenüber der Auffassung des Waldorfschulwesens, als andere Leute. Andere Menschen müssen sich anstrengen, wenn wir ihnen sagen, so und so wollen wir es machen, weil wir das für das einzig Richtige halten; sie müssen sich anstrengen, das erst einzusehen. Ich glaube, gerade die
Eltern der Waldorfschulkinder können unmittelbar an ihren eigenen
lieben Wesen sehen, was da in der Waldorfschule getan wird, wie das
Verhältnis der ganzen Schule zum Kinde aufgefaßt wird. Man möchte,
daß einmal eine Zeit kommt, wo die Eltern gegenüber dem freien
Schulwesen sich damit begnügen können, einfach befriedigt zu sein mit
dem, was innerhalb des freien Schulwesens geleistet wird. Heute müßte
jeder, der an seinem eigenen Fleisch und Blut sieht, wie diese Waldorfschule arbeiten will, zu einem tatkräftigen Verteidiger und Verbreiter des Waldorfschulwesens werden.

zou kunnen gebeuren, voelen zij ook helemaal niet dat de dingen ook anders zouden kunnen zijn.
Bedenk eens in welke andere positie u bent wat de opvatting over de waldorfschool betreft, dan andere mensen. Andere mensen moeten moeite doen in te zien als we tegen hen zeggen dat we de dingen zus en zo willen doen omdat we dat voor het enig juiste houden; ze moeten hun best doen om dat te begrijpen. Ik geloof dat juist de waldorfschoolouders direct aan hun eigen lievelingen kunnen zien, wat er op de waldorfschool wordt gedaan, hoe de totale omgang van de school met het kind gezien wordt.
Je zou willen dat er eens een tijd komt waarin (alle) ouders wat het vrije onderwijs betreft, blij zouden kunnen zijn, simpelweg tevreden met wat er binnen het vrije onderwijs gedaan wordt.
In deze tijd moet iedereen die aan zijn eigen vlees en bloed ziet hoe deze waldorfschool wil werken, een felle verdediger en verspreider van het waldorfschoolonderwijs worden.

Wir haben ja außerdem mancherlei Schwierigkeiten. Sehen Sie, würden wir unsere Ideale erfüllen wollen, so würden wir sagen: Nach
unserer Einsicht verhält es sich so: im sechsten, siebenten, achten Jahre
soll man dies tun, im neunten, zehnten, elften, zwölften dies und so
weiter. Da würde auch das Allerbeste herauskommen, wenn wir das tun könnten. Wir können es nicht tun, wir müssen in gewisser Beziehung
eine Art Kompromiß schließen; denn wir können ja den Kindern, der
aufwachsenden Menschheit nicht die Möglichkeit nehmen, im Leben
darin zu stehen.
So haben wir uns vorgenommen, daß wir die Kinder, von dem Alter,
wo sie in die Volksschule hineinkommen, bis zum neunten Lebensjahr
frei erziehen, aber zu gleicher Zeit, trotzdem wir dasjenige hineinnehmen, was die menschliche Natur erfordert, die Kinder auch so fördern,
daß sie in eine andere Schule übertreten können. Ebenso im zwölften
und im vierzehnten, fünfzehnten Jahre. Und wenn wir das Glück haben,
die weiteren Klassen draufzusetzen, müssen wir sogar dafür sorgen, daß
dann diejenigen jungen Herren und Damen, die dann diese Klassen
absolvieren werden, in die Lage gebracht werden können, an die Universitäten und technischen Hochschulen überzugehen. Wir müssen dafür

Bovendien hebben we nog allerlei problemen. Want als we onze idealen willen vervullen, dan zouden we moeten zeggen: zoals wij ernaar kijken, zit het zo: in het zesde, zevende, achtste jaar moeten we dit doen, in het negende, tiende, elfde, twaalfde dat, enz. Dan zou er, als we dit doen, het allerbeste uit kunnen komen.
We kunnen het niet, omdat we in zeker opzicht een soort compromis moeten sluiten; want we kunnen de kinderen, de opgroeiende mensheid niet de mogelijkheid ontnemen dat ze in het leven staan. Dus hebben we ons voorgenomen dat wij de kinderen, vanaf de leeftijd dat ze op school komen, tot aan het negende jaar, vrij op te voeden, maar tegelijkertijd, ondanks dat we serieus nemen wat de menselijke natuur van ons vraagt, de kinderen ook zo te ontwikkelen dat ze over kunnen stappen naar een andere school. En dat ook als ze twaalf en veertien, vijftien zijn. En als we het geluk hebben de hogere klassen nog toe te voegen, dat dan de jonge dames en heren die dan deze klassen afsluiten de gelegenheid krijgen naar de universiteit en technische hogeschool te gaan. We moeten ervoor zorgen

Blz. 133

sorgen, daß die Kinder an diese Anstalten übergehen können. Ich glaube,
noch lange Zeit wird man uns nicht die Möglichkeit geben können, etwa
zum Beispiel Doktoren zu fabrizieren, gültige Zeugnisse an unseren
Hochschulen zu machen. Dann würden wir viel mehr erreichen. Wir
können zunächst nichts anderes tun, als erst die Kinder und dann die jungen Herren und Damen so weit zu bringen, daß sie sich, ohne daß
ihnen der größte Schaden passiert, auch das aneignen können, was man
im öffentlichen Leben braucht.
Wir sind da in ganz erhebliche Schwierigkeiten hineinversetzt. Sehen
Sie, wer nach der menschlichen Natur urteilt, nach dem, was dem
Menschen gut ist, damit er im späteren Leben ein brauchbarer Mensch
wird, der sagt sich: das ist einfach schrecklich, wenn so im vierzehnten,
fünfzehnten, sechzehnten, siebzehnten Jahre die jungen Herren und
Damen an den heutigen Gymnasien und Realschulen sind. Sie werden
allem Leben entfremdet. Wir müssen das Notwendigste tun, was getan
werden kann, daß wenigstens auch die Körperlichkeit bis zu einer
einigermaßen lebensfähigen Geschicklichkeit kommt.

dat de kinderen naar deze instellingen toe kunnen gaan. Ik geloof dat men ons nog een lange tijd niet de mogelijkheid kan geven om bv. doctoren te vormen, geldige rapporten aan onze hogescholen te ontwerpen. Dan zouden we veel meer bereiken. Nu kunnen we niets anders doen dan eerst de kinderen en dan de jongeren zo ver te brengen dat zij zich, zonder dat ze daarbij al te veel schade oplopen, eigen kunnen maken wat je in het publieke leven nodig hebt.
We lopen daar tegen aanzienlijke problemen aan. Wie naar de menselijke natuur oordeelt, naar wat voor de mens goed is zodat deze in het latere leven een bruikbaar mens wordt, zegt tegen zichzelf: eigenlijk is het vreselijk dat de jonge mensen zo rond hun veertiende, vijftiende, zestiende, zeventiende jaar op het huidige gymnasium of voortgezet onderwijs zitten. Ze vervreemden van het hele leven. We moeten het meest noodzakelijke doen wat gedaan kan worden, zodat op zijn minst ook de lichamelijke mens een bepaalde vaardigheid krijgt die nog enigszins levensvatbaar is.

Ich erwähne es öfter, daß man heute erwachsene Männer findet, die nicht in der Lage sind, wenn ihnen ein Knopf abgerissen ist, ihn selbst anzunähen. Das sage ich nur beispielsweise. Andere Dinge ähnlicher Art kann man ja auch nicht. Vor allen Dingen versteht man ja nichts von der Welt. Der Mensch muß mit offenen Augen in der Welt stehen, damit er auch freie Hände haben kann, die überall angreifen. Sehen Sie, deshalb müßte in einem bestimmten Lebensalter so etwas in einer elementaren Weise eingeführt werden wie Spinnen und Weben. Ja, nun müssen wir aber – wenn nun an den gewöhnlichen Anstalten die Schüler die Matura
machen, werden sie nicht im Weben und Spinnen oder in anderen
nützlichen Lebenskünsten geprüft -, wir müssen außerdem allerlei von
dem treiben, was man verlangt nach der Richtung des Examens hin.
Dazu ist notwendig, daß wir unseren Unterricht in der ökonomischsten
Weise einrichten. Das ist eine besondere Kunst im Erziehen und Unterrichten.
Ich darf ein Beispiel, das mir selbst passiert ist, anführen. Es ist jetzt
lange her – es wurde mir mit anderen Geschwistern einer Familie
zusammen ein elfjähriges Kind zum Erziehen und Unterrichten zuge

Ik noem het wel vaker, dat je tegenwoordige volwassen mannen vindt die niet in staat zijn om een knoop aan te naaien als die ergens af is. Dat noem ik maar als voorbeeld. Andere dergelijke dingen kan men ook niet. Hoofdzakelijk begrijpt men van de wereld niets. De mens  moet met een wakkere blik in de wereld staan, zodat hij ook zijn handen vrij kan hebben om overal aan te pakken. Daarom zou op een bepaalde leeftijd op een elementaire manier zoiets ingevoerd moeten worden als spinnen en weven. En nu moeten wij echter  – als in de gewone instellingen de leerlingen eindexamen doen, worden ze niet geëxamineerd in weven en spinnen of in andere nuttige levensvaardigheden – ook nog allerlei doen wat geëist wordt voor het examen. Daarom is het nodig dat wij ons onderwijs zo economisch mogelijk inrichten. Dat is bij opvoeding en onderwijs een bijzondere kunst. Ik zal een voorbeeld geven dat ik zelf heb meegemaakt.
Het is al lang geleden – samen met andere broertjes en zusjes van een gezin kreeg ik een elfjarig kind, voor wie men het opgegeven had het op te voeden en te onderwijzen, onder mijn hoede om het op te voeden en les te geven.

Blz. 134

führt, das aufgegeben war für alles Unterrichten und Erziehen. Elf Jahre
war der Junge alt, und um mich zu informieren, hat man mir ein
Zeichenheft gezeigt, worin der Junge seine Zeichenkunst entfaltet hat.
Dieses Heft hatte in der Mitte auf der ersten Seite ein riesiges Loch. Er
hatte nur radiert. Es war das alles, was er konnte. Er hatte auch einmal eine Prüfung für eine erste Volksschulklasse gemacht, er konnte gar
nichts. In bezug auf die andere Haltung war er so, daß er oftmals nicht
bei Tische aß, sondern in die Küche ging und die Kartoffelschalen aß.
Nach den verschiedensten Richtungen war es schwierig. Ich will es nicht
genau beschreiben. – Es handelte sich darum, in der möglichst kurzen
Zeit möglichst viel zu erreichen. Ich selbst mußte manchmal drei Stunden arbeiten, um den Lehrstoff so zusammenzuarbeiten, daß ich dann
dasjenige, was dem Jungen beizubringen war, in einer Viertelstunde
beibringen konnte. Nach dem zweiten Jahr war der Junge wo weit, daß
er ins Gymnasium gehen konnte. Er hatte einen riesigen Wasserkopf, der immer kleiner wurde.

De jongen was elf jaar oud en men had mij ter informatie een tekenschrift laten zien waarin de jongen zijn tekenkunst had gedemonstreerd. Dit schrift had in het midden van de eerste bladzij een heel groot gat. Hij had alleen maar weggegumd. Dat was alles wat hij kon. Hij had ook eens een toets in de eerste klas van de basisschool gemaakt, hij kon echter helemaal niets. Wat betreft zijn andere gedrag was het zo dat hij dikwijls niet aan tafel at, maar naar de keuken ging om de aardappelschillen op te eten. In alle opzichten was het moeilijk. Ik zal het niet in detail beschrijven. Het ging erom in een zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk te bereiken. Ik moest zelf soms drie uur werken om de leerstof zo voor elkaar te krijgen dat ik dan wat ik de jongen wilde leren, hem in een kwartier kon bijbrengen. Na twee jaar was de jongen zover dat hij naar het gymnasium kon. Hij had een heel groot waterhoofd, dat steeds kleiner werd.

Ich will diesen Fall anführen, weil er zeigt, was ich meine mit
Ökonomie des Unterrichts. Ökonomie des Unterrichts heißt, eben
niemals mehr Zeit für etwas zu verwenden bei den Kindern, als nach den
leiblichen und seelischen Gesundheitsbedingungen notwendig ist. Solche
Ökonomie des Unterrichts muß heute besonders geübt werden, weil das
Leben so viel verlangt. Die Lehrkräfte zum Beispiel für das Lateinische und Griechische haben einen schwierigen Standpunkt, weil wir viel
weniger Zeit haben, diese Dinge zu pflegen, und weil sie dennoch so
gepflegt werden müssen, wie es den berechtigten Ansprüchen des
Geisteslebens entspricht. Die Kunst müssen wir auf allen Gebieten
suchen, nirgends das Kind zu überlasten. In all diesen Dingen, ich muß
es sagen, brauchen wir das verständnisvolle Entgegenkommen der
Elternschaft, brauchen wir ein einträchtiges Zusammenwirken mit der
Elternschaft.
Wirklich, die eigentlichen Erfolge, die für das Leben die große Bedeutung haben, liegen nicht darinnen, daß für den einen oder anderen
begabten Schüler etwas Staunenswertes erreicht wird. Die eigentlichen
Erfolge liegen in der Lebenskraft. Und da ist es für mich immer tief
befriedigend, wenn so etwas vorkommt, daß man sagt, irgendein Kind

Ik wil dit geval aanhalen, omdat het laat zien wat ik bedoel met economie van het onderwijs. Dat betekent, bij de kinderen nooit méér tijd voor iets gebruiken dan noodzakelijk is, gemeten naar lichamelijke en psychische gezondheidsvoorwaarden. Zo’n economie van het onderwijs moet vandaag de dag speciaal beoefend worden, omdat het leven zoveel vraagt. Bv. de leerkrachten voor Latijn en Grieks hebben een moeilijke positie omdat wij veel minder tijd hebben deze dingen goed te verzorgen en omdat dit toch moet gebeuren zoals dat bij de terechte eisen van het geestesleven hoort. We moeten op elk gebied de kunst zoeken om het kind niet te overbelasten. Bij al deze dingen hebben we nodig dat de ouders daar begripsvol tegenover staan, we hebben een eensgezinde samenwerking met de ouders nodig. Echt, de eigenlijke resultaten die voor het leven van grote betekenis zijn, zijn niet die dat we voor de een of andere begaafde leerling iets verbazingwekkends hebben bereikt. De eigenlijke resultaten liggen in de levenskracht. En dan is het voor mij altijd diep bevredigend wanneer zoiets voorkomt dat er wordt gezegd dat een of ander kind

Blz. 135

soll, weil da dies oder jenes erreicht werden soll, aus der einen Klasse in
eine andere versetzt werden. Da kämpft der Lehrer um jedes einzelne
Kind zuweilen. Das sind wirkliche Erfolge im liebevollen Zusammenleben der Lehrerschaft mit der Kinderschaft. Aus dem wird etwas; daneben verschwinden diejenigen Dinge, auf die so ein Wert gelegt wird, ob
die Kinder ein bißchen weiter oder ein bißchen weniger weit sind.
Wir stehen schon vor der Tatsache, daß wir ja – ich möchte es wiederum radikal ausdrücken – unmöglicherweise gelobt werden können von denen, die aus den Meinungen über das heutige Schulwesen heraus kommen und diese Meinung haben. Es ist immer etwas falsch, wenn man glaubt, daß damit etwas erreicht würde, wenn die Menschen, die so denken, uns loben würden. Wenn die Sache so stünde, daß man von den heutigen Schulbehörden gelobt würde, oder von denen, die glauben, daß die heutigen Schulbehörden das Richtige haben, dann hätten wir die Waldorfschule gar nicht zu errichten gebraucht.

omdat dit of dat bereikt moet worden, van de ene klas in een andere klas geplaatst moet worden. En dan springt de leerkracht af en toe voor elk individueel kind in de bres. Dat zijn de echte resultaten bij het liefdevol samenzijn van leraren en kinderen. Daar komt iets uit; daarnaast verdwijnen de dingen waaraan zo’n grote waarde wordt gehecht, of de kinderen een beetje verder of wat minder ver zijn.
Wij hebben te maken met het feit, dat wij – ik moet het weer radicaal zeggen – onmogelijk geprezen kunnen worden door mensen die zelf uit die opvattingensfeer over het onderwijs komen en die meningen hebben. Het is altijd verkeerd als je gelooft dat er iets bereikt wordt als de mensen die zo denken ons zouden prijzen. Als de zaken zo stonden dat je door de huidige schoolautoriteiten geprezen zou worden of door degenen die geloven dat deze schoolautoriteiten de juiste opvattingen hebben, dan hadden wij de waldorfschool helemaal niet hoeven op te richten.

Auf die Art, wie man heute vielfach denkt, werden die sozialen Fragen
nicht gelöst, sondern dadurch, daß die richtigen Menschen ins soziale
Leben hineingestellt werden. Die werden nur hineingestellt werden,
wenn die Menschen richtig an Leib und Seele gesund aufwachsen
können. An demjenigen, was einem Menschen ganz spezifisch ist, was
ein Mensch seinen besonderen Fähigkeiten nach lernen kann, können wir furchtbar wenig machen. Denn, nicht wahr, wenn wir irgendwelche
Verdienste haben können, den Menschen so zu erziehen, zu unterrichten, daß er das Höchste wird, was er werden kann, so müßte man, wenn
wir einen Goethe erziehen müßten, als Lehrer mindestens ein Goethe
sein. Zu dem, was ein Mensch durch seine Natur wird, können wir
nichts tun; das wird er durch andere Veranlassungen. Was wir können,
das ist, die Hindernisse wegräumen, daß der Mensch die Kräfte in sich
findet zu dem, was in ihm veranlagt ist. Das können wir, wenn wir
rechte Pädagogen werden, und wenn wir von der Zeitgenossenschaft
unterstützt werden.

Op de manier waarop tegenwoordig gedacht wordt, worden de sociale vragen niet opgelost, maar wel doordat de juiste mensen in het sociale leven hun plaats krijgen. Die krijgen alleen hun plaats wanneer de mensen naar lichaam en ziel op een juiste manier kunnen opgroeien.
Met dat wat heel specifiek is voor een mens, wat een mens kan leren door zijn speciale aanleg, kunnen we ontzettend weinig beginnen. Want wanneer we er een of andere baat bij kunnen hebben de mens zo op te voeden, te onderwijzen dat hij het hoogste wordt, wat hij worden kan, dan zou je als je een Goethe op zou moeten voeden, als leerkracht een Goethe moeten zijn.
Aan wat de mens door zijn aard wordt, kunnen wij niets doen; dat heeft een andere aanleiding. Wat we kunnen doen is de belemmeringen opruimen, zodat de mens de krachten in hemzelf vindt, wat hem eigen is. Dat kunnen we, als we goede pedagogen worden en wanneer wij door de tijdgenoten ondersteund worden.

Blz. 136

In erster Linie können wir unterstützt werden von der Elternschaft.
Wir haben eine verständnisvolle Elternschaft gefunden. Und dasjenige,
was ich zu sagen habe, ist zugleich durchaus mit einer Dankesempfindung erfüllt. Und von tiefer Befriedigung bin ich erfüllt davon, daß Sie
so zahlreich erschienen sind. Ich hoffe, wir werden uns über einzelnes in
der folgenden Aussprache unterhalten können; unsere Lehrer werden
bereit sein, alle gestellten Fragen zu beantworten. Aber auf gewisse
Charaktereigenschaften möchte ich noch hinweisen. Wir haben auch in der letzten Zeit, die Waldorf-Lehrerschaft mit mir zusammen, einen Hochschulkurs in Holland gehalten. Eine Persönlichkeit der Waldorfschule, Fräulein von Heydebrand, hat jenen Nachmittag
zu leiten gehabt, der über pädagogische Fragen zu handeln hatte. Es war
einer der interessantesten Nachmittage, weil man sah: die Erziehungsfragen sind heute solche, die überall die ganze Welt beschäftigen. – Wir wissen zwar, daß wir kein Recht haben, darauf zu pochen, wie wir es so herrlich weit gebracht haben, daß wir nicht betonen wollen, wie wir es so herrlich weit gebracht haben.

In eerste instantie kunnen we gesteund worden door de ouders. Wij hebben een begripsvolle oudergroep gevonden. En wat ik te zeggen heb, is tegelijkertijd zeker met een gevoel van dankbaarheid vervuld. En ik ben met diepe tevredenheid vervuld voor dat u met zovelen bent gekomen. Ik hoop dat we over afzonderlijke zaken in een volgende discussie kunnen spreken; onze leerkrachten zijn bereid alle gestelde vragen te beantwoorden. Ik zou nog willen wijzen op een paar wezenstrekken.
De afgelopen tijd hebben wij, de waldorfschoolleraren en ik een cursus in Nederland gehouden. Iemand van de waldorfschool, Mevrouw von Heydebrand moest een middag leiden die over pedagogische vragen moest gaan. Het was een van de meest interessante middagen, omdat je kon zien: de opvoedingsvragen zijn nu zo dat men er overal in de wereld mee bezig is. We weten wel dat we geen recht hebben erover op te scheppen dat wij al zo geweldig ver zijn.

Nun steht die Sache so, daß viele Leute heute das Impulsierende
unserer Schule einsehen; was aber noch fehlt, das ist das tatkräftige Zuuns-Stehen, damit die Sache weitere Stütze und weitere Verbreitung
gewinnen kann. Es ist durchaus einzusehen, daß Eltern zunächst das
Beste für ihre Kinder möchten. Aber so wie heute die Dinge liegen,
sollten die Eltern auch uns helfen. Für uns wird es schwer, durchzudringen. Wir brauchen Hilfe in jeder Beziehung, denn wir brauchen einen
sich immer mehr und mehr vergrößernden Kreis, damit wir die Vorurteile gegenüber unserer Pädagogik überwinden können. Und vor allen
Dingen sage ich das Folgende unter einer bestimmten Voraussetzung
und Reserve, daß ich durchaus mich überzeugt halten will, diejenigen,
die hier sitzen, haben in pekuniärer Beziehung das getan, was sie tun
können. Diese Hypothese sei vorausgesetzt, damit niemand glaubt, ich
will ihm zu nahe treten. Aber dabei bleibt doch die andere Tatsache
bestehen: Wenn wir weiterkommen wollen, brauchen wir Geld!
Ja, Geld brauchen wir! Nun sagen die Leute: Das ist aber kein
Idealismus. Ihr Anthroposophen, was macht ihr uns da von Idealismus
vor, da ihr doch sagt, Geld braucht ihr.

Nu is het zo dat velen tegenwoordig het impulserende van onze school inzien; wat er nog ontbreekt, is het samen sterk staan zodat de zaak verdere steun en verdere verbreiding kan vinden. En natuurlijk kun je inzien dat ouders in de eerste plaats het beste voor hun kinderen willen. Maar zoals nu de zaken ervoor staan, moeten de ouders ons ook helpen. Voor ons is het moeilijk een voet aan de grond te krijgen. In elk opzicht hebben we hulp nodig, we hebben een steeds grotere kring om ons heen nodig zodat we de vooroordelen wat onze pedagogie aangaat, kunnen overwinnen. En het volgende zeg ik vooral onder een bepaalde voorwaarde en met reserve, dat ik er echt van overtuigd wil zijn dat degene die hier zitten in geldelijk opzicht hebben gedaan wat ze kunnen. Deze aanname zet ik voorop zodat niemand hoeft te geloven dat ik hem te na kom. Maar het andere feit blijft toch bestaan: wanneer we verder willen komen, hebben we geld nodig! Ja, we hebben geld nodig! Nu zeggen de mensen: Dat is geen idealisme. Jullie antroposofen, wat spiegelen jullie ons nu voor idealisme voor als je zegt, jullie hebben geld nodig.

Blz. 137

Meine sehr verehrten Anwesenden! Sehen Sie, der Idealismus ist halt
doch auf schwachen Füßen stehend, der große, ungeheure Worte macht
und sagt: Ich bin Idealist, aber weil ich Idealist bin, verachte ich meine
Geldbörse; deshalb will ich meine Finger nicht beschmutzen, ich bin ein
viel zu großer Idealist! Insbesondere werden sich kaum Ideale erfüllen, wenn die Leute zu große Idealisten sind, um sich ihre Finger zu stark zu beschmutzen beim pekuniären Opferbringen. Wir müssen doch schon auch den Ton finden gegenüber der Welt, welcher es den Leuten nahelegt, uns nach dieser Richtung einige Unterstützung zukommen zu lassen, was ja jetzt noch immer unsere große, furchtbare Sorge ausmacht. Denn schließlich, die Waldorfschule ist als einzelne Schule groß; sie hat genügend Schüler. Sie ist fast gar nicht mehr zu übersehen. Das ist eine Sorge, die sehr ernst genommen wird. Und gewiß, wir wollen sie nicht mehr gegenüber dem jetzigen Stande vergrößern; wir wollen uns dem Ausbau unterziehen. Aber auch da vergrößert sich die Schülerzahl damit, vergrößert sich die Lehrerzahl. Da nun die Lehrer nicht von der Luft leben können, verlangt das nach Mitteln.

Zeer geachte aanwezigen! Idealisme staat nu eenmaal op zwakke benen als die grote, reusachtige woorden gebruikt en zegt: Ik ben idealist, maar omdat ik idealist ben, veracht ik mijn portemonnee; daarom wil ik mijn handen niet vuilmaken, ik ben een veel te grote idealist. In het bijzonder zullen nauwelijks idealen vervuld worden, wanneer de mensen te grote idealisten zijn om hun handen al te zeer vuil te maken als ze geldelijke offers moeten brengen. We moeten tegenover de wereld toch ook de toon vinden die de mensen duidelijk maakt ons in deze richting enige ondersteuning te geven, wat voor ons nog steeds een grote, ernstige zorg is.
Want tenslotte, de waldorfschool is als aparte school groot; er zijn genoeg leerlingen. Je kan haar niet meer negeren. Het is een zorg die zeer serieus genomen wordt. En zeker is dat wij die zorg t.o.v. de huidige stand van zaken niet groter willen maken; de uitbouw willen we wagen. Maar ook dan wordt het aantal leerlingen groter, en wordt ook het aantal leerkrachten groter. En omdat de leerkrachten niet van de lucht kunnen leven, hebben we middelen nodig.

Und da müssen Sie sich schon, meine sehr verehrten Anwesenden –
ich setze voraus, jeder hat das Seinige schon getan; es handelt sich
darum, die Idee weiter hinauszutragen, damit auch draußen die Idealisten gefunden werden -, da muß man sich dazu entschließen, gerade auf
Seiten der Elternschaft, nach der Richtung der materiellen Grundlage,
der Waldorfschule zu helfen, sonst fürchte ich, kommt es dazu, daß wir uns nächstens, wenn wir die Dinge weiter gut pflegen wollen, vor Sorgen
das Schlafen werden abgewöhnen müssen. Und dann weiß ich auch
nicht, ob Sie die nötige Lehrerschaft immer in der Schule haben, wenn
sich die Lehrerschaft das Schlafen wird abgewöhnen müssen.
Ich wollte heute manche Dinge mit Worten andeuten, von denen
vielleicht manche das Gefühl haben, sie sind zu radikal gewählt. Aber ich
hoffe doch, daß ich über manches verstanden worden bin. Am meisten
liegt mir daran, daß ich nicht über das einzelne bloß verstanden werde.
Ich möchte in dem Durchgreifenden verstanden werden, daß für uns, für
unser Wirken in der Waldorfschule ein herzliches Einvernehmen mit der
Elternschaft notwendig ist. Auf die Notwendigkeit dieses herzlichen

En dan moet u wel, geachte aanwezigen – ik stel voorop dat ieder het zijne al heeft gedaan; het gaat erom, de idee uit te dragen zodat ook buiten de idealisten worden gevonden – dan moet je het besluit nemen, juist als ouders, in de richting van de materiële basis van de waldorfschool te helpen, anders vrees ik, komt het zover dat wij, als we dingen verder goed willen verzorgen, door de zorgen niet meer kunnen slapen. En dan weet ik ook niet of u steeds de nodige leerkrachten op school zal hebben, als die daarvan wakker liggen.
Ik wilde vandaag sommige dingen met woorden aangeven waarvan misschien sommigen het gevoel hebben dat die te radicaal gekozen zijn. Maar toch hoop ik dat er veel begrepen is. Het liefst heb ik dat ik over bepaalde dingen niet alleen begrepen word. Ik wil op die radicale manier begrepen worden, dat voor ons, voor ons werk op de waldorfschool, een warme verstandhouding met de ouders nodig is. Op de noodzaak van deze hartelijke

Blz. 138

Einvernehmens wollte ich hinweisen, gerade deshalb, weil es in so
hohem Maße wirklich vorhanden ist, und weil man am besten die
Möglichkeit finden wird, auf diesem Gebiete vorzudringen, wenn schon
heute Unterlagen geschaffen sind. Möchte daher durch alles dasjenige, was wir im einzelnen erstreben wollen – und darüber kann die folgende Diskussion sich aussprechen -, möchte durch alles dieses einzelne hindurch bei solchen Elternversammlungen der Impuls mitgenommen werden zu dem herzlichen Einvernehmen, das besteht zwischen den Erziehern, zwischen der Lehrerschaft und der Elternschaft, die ja ganz gewiß das tiefste Interesse haben wird, daß diese Eintracht besteht, weil die Elternschaft das Teuerste, was sie hat, der Lehrerschaft anvertraut hat.

verstandhouding wilde ik wijzen, juist omdat die in zo’n hoge mate werkelijk aanwezig is en omdat je het beste de mogelijkheid zal vinden op dit gebied verder te komen, wanneer nu al de basis wordt gelegd. Moge daarom door alles wat we tot in detail willen nastreven  – en in de volgende discussie kan dit besproken  worden – moge door al deze details bij zulke ouderavonden de impuls meegenomen kunnen worden in de hartelijke eensgezindheid die er bestaat tussen opvoeders, onderwijsgevenden en de ouders die er heel zeker de diepste interesse in hebben, dat deze eensgezindheid bestaat, omdat zij het meest kostbare wat ze hebben, aan de leerkrachten hebben toevertrouwd.

Aus diesem Bewußtsein heraus und aus dem Bewußtsein der Verantwortlichkeit der Lehrerschaft gegenüber diesem Teuersten der mit ihr verbündeten Elternschaft, aus diesem Zusammenarbeiten möchte derjenige Geist immer weiter erblühen, welcher sich in der Waldorfschule in einem befriedigenden Maße gezeigt hat. Er wird um so mehr wachsen nd gedeihen, je mehr diese Einigkeit gedeihen wird. Je mehr das der
Fall sein wird, desto mehr wird das andere erzielt werden, das schönste
Ziel zu erreichen für das menschliche Wesen: die der Waldorf schule
anvertraute Jugend zu erziehen für das menschliche Zusammenleben. Da
wird der Mensch zu stehen haben gegenüber den Stürmen des Lebens.
Wenn er dasteht im sozialen Leben, um in der richtigen Weise die Wege
zu finden zum Zusammenarbeiten mit den anderen Menschen, da werden sich die einzelnen menschlichen und sozialen Fragen lösen können.

Met dit bewustzijn en met het bewustzijn van de verantwoordelijkheid van de leraren wat dit kostbaarste betreft van de met hen verbonden ouders, moge dan vanuit deze samenwerking die geest verder opbloeien die zich op de waldorfschool  in zo’n tevredenstellende mate heeft getoond. Die zal des te meer groeien en gedijen naar mate deze saamhorigheid gedijen zal. Hoe meer dat het geval zal zijn, des te meer zal het andere worden bereikt, het hoogste doel dat er voor het mensenwezen is te bereiken: de jeugd die aan de waldorfschool is toevertrouwd op te voeden voor de menselijke samenleving. Daar zal de mens het hoofd moeten bieden aan de storm des levens.
Wanneer hij in het sociale leven staat om op een goede manier de wegen te vinden voor het samenwerken met andere mensen, dan kunnen de individuele menselijke en sociale vragen opgelost worden.

.

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3007-2823

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grammatica

.

Adolf Schumann, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, jrg. 5, nr. 3/4, okt. 1931

.

Bezieling van willen, voelen en denken door het grammatica-onderwijs

De pedagogie die door Rudolf Steiner gebracht werd, wil ervoor zorgen dat mensen in de cultuur werkzaam zijn vanuit hun volle mens-zijn: vanuit een helder denken, een warm voelen en een daadkrachtige wil.
De manier waarop je deze zielenkrachten gedurende de schooltijd kan laten gedijen, verandert voortdurend mee met de verdere ontwikkeling van het kind.

Eerst iets over deze ontwikkeling om het tijdstip te kunnen karakteriseren waarop het grammatica-onderwijs als geschikt hulpmiddel voor de verzorging van de zielenkrachten van het kind gebruikt kan worden.

De eerste grote ontwikkelingsfase in het menselijk leven is die vanaf de geboorte tot het 7e jaar. Gedurende deze tijd vindt een individuele doorvorming plaats van het van de ouders geërfde lichaamsmodel. Bij deze activiteit ontwikkelt zich in het fysieke een onbewuste, maar daarom des te wijzere, Bij de wil horen alle vaardigheden die het kleine kind zich allereerst eigen maakt: grijpen, opstaan, kruipen, lopen. Pas als deze helemaal of bijna onder de knie zijn, verandert ook het wilsmatige huilen geleidelijk in de meer emotioneel doordrongen taal. We kunnen dus zeggen dat de eerste kinderjaren voornamelijk in het teken staan ​​van het wilsmatige van de ziel. Het einde daarvan is te zien aan het afstoten van de melktanden die nog met substantie van de moeder opgebouwd werden en het doorbreken van het eigen, blijvende gebit. Met het wisselen van de tanden komen er plastisch vormende krachten in de mens vrij die nu niet meer nodig zijn om het lichaam te vormen, maar beschikbaar komen voor de ontwikkeling van de ziel.
Hier vormen deze opbouwende krachten de basis voor de ontwikkeling van het geheugen. Dit betekent dat het kind ook naar school kan. Zoals nu van binnenuit de beeldhouwer actief wordt in de ziel van het kind, zo werken van buiten de wereld harmonieën, waarnaar het kind met innerlijke oren begint te luisteren. Op die manier is het kind in deze leeftijd door en door kunstenaar en moet daarom dus ook op een kunstzinnige zijn gaan leren, dat wil zeggen voor deze leeftijdsfase vooral met de zielenkrachten van het gevoel.
Pas na de geslachtsrijpheid luistert de mens niet alleen naar de harmonieën van de wereld die van buiten inwerken, maar hij ontplooit deze in zichzelf, dat wil zeggen, hij is nu ook in staat logische gedachten te vormen. Na dit ogenblik kan in de les ook op het denkvermogen worden voortgebouwd.

De beschreven ontwikkelingsstadia –
de eerste zeven levensjaren in het teken van de wil,
de zogenaamde basisschooljaren tot het 14e jaar in het teken van het voelen,
de volgende jaren verlopen in het teken van het denken –

worden niet zo duidelijk van elkaar gescheiden dat de ene plotseling als beëindigd wordt herkend en dat dan de volgende begint. Veel meer gaan ze vrij geleidelijk in elkaar over en ook zo dat de voorafgaande fase nog doorloopt en nawerkt in de volgende, maar ook dat de volgende reeds zijn schaduw vooruitwerpt.
Voor de basisschool betekent dit dat er eerst nog van alles uit de kleutertijd doorwerkt op een manier dat het kind in het eerste derde deel van die tijd nog met een niets te verstoren trouw aan de geliefde leerkracht hangt en hem met zijn gehele wil en met het nu zich ontluikende gevoelsleven alle warmte geeft.

Met het 9e jaar echter, trekken deze toegewijde gevoelskrachten zich terug en de autoriteit die voor het kind staat, wordt voor het eerst ‘getest’.  Het kind wil zien dat de leerkracht zichzelf bewijst en zeker in het leven staat; als het voelt dat dit klopt, dan kijkt het ook in het vervolg in trouwe verering tegen hem op.

Na het 12e jaar echter, ontstaat er een nieuwe kloof. Nu worden de eerste tekenen van een opkomende denkkracht merkbaar en nu wil het kind steeds meer ‘inzien’, niet alleen maar vertrouwen en opzien tegen.
Tot dan na het 14e jaar de kracht van denken steeds meer veroverd wordt.
Deze tijd van het denken moet wel voorzichtig van te voren worden voorbereid. Dat moet bij elk vak gebeuren. Grammatica biedt hiervoor een effectieve manier hiermee om te gaan.
Maar betekent grammatica dan niet dat dit uitsluitend uit denkwerk bestaat?
Nee, grammatica zit door het hele wezen van de mens; er bestaat een levende relatie met alle zielenkrachten en juist de grammatica biedt de gelegenheid voor een gezonde overgang van de nasleep van de kindertijd naar de tijd van het denken.

Laten daarvoor eens kijken naar de indeling van de woordsoorten, het omvattende systeem binnen de grammatica.

Wanneer je de kinderen bv. in de 2e klas vertelt over allerlei bezigheden, dan willen ze het liefst zelf meteen meedoen.
Klinken er woorden als ‘lopen’, ‘vliegen’, ‘springen’, dan komen ze, in ieder geval innerlijk, meteen in beweging. Dat je die dadendrang op school niet direct kan uitleven, weten ze al wel, maar ze zijn toch heel blij als ze schilderend, tekenend dan alle mogelijke activiteiten kunnen weergeven en onder het werk de naam van de activiteit schrijven.
En zo leert de kleine bezig-zijnde mens het werkwoord, het ‘doewoord’, dat in zijn eigen wil zit, kennen.

Hoe anders zit het zelfstandig naamwoord eruit! Het benoemt dingen die je – ook helemaal rustig blijvend – kan bekijken; alleen als de ledematen zich stil houden, kunnen de zintuigen de dingen om ons heen echt waarnemen en kunnen ze ons bewust worden.
Zo geven de ‘naamwoorden’ – [Duits : Hauptwörter – ‘hoofd’woorden’] het hoofd werk op en door ze nu ten tonele te voeren, wordt het toekomstige denken voorbereid.

Midden tussen de springlevende doewoorden en koel-begripsmatige zelfstandige naamwoorden staan nog woorden die zo echt het hart van de kleinen aanspreken, de bijvoeglijke naamwoorden, die je kan introduceren als ‘gevoels’woorden.
Ze brengen leven bij de kille zelfstandige naamwoorden en warmte bij wat we doen. Bijvoeglijke naamwoorden uit de wereld van de kleuren roepen een kunstzinnig meebeleven op, zulke als nietig, klein, groot, reusachtig leiden naar een verbaasde bewondering; wat in de richting goed of slecht gaat, leidt tot moreel sterker worden.

Zo kan je al vroeg beginnen met grammatica-onderwijs, zonder iets wezensvreemd aan de kinderen te geven.

Wanneer je meteen aanknoopt bij de drie zielenkrachten die in de mens pulseren – willen, voelen, denken – kan je drie woordsoorten aanleren.

En dit kan je nog twee keer herhalen; iedere keer echter op een niveau dat weer een stapje dichter bij het zich steeds maar ontwikkelende denken ligt.

Ergens in de vierde klas kan de tweede drieheid aan de orde komen: voorzetsel, voornaamwoord en tussenwerpsel.
In dit schooljaar zijn de kinderen weer wat beschouwelijker geworden en ze ‘vliegen, springen, lopen’ niet meer de hele tijd mee, veel meer worden de dingen ‘bestudeerd’, de gang van zaken en hun onderlinge relaties, ook door te kijken.
Dan kijk je naar de zon ‘aan’ de hemel, de vogels ‘in’ de lucht, de auto ‘op’ straat.
Ze herkennen in dit ‘wijzen’ misschien al de innerlijke verwantschap tussen het voorzetsel en het werkwoord; met het gebruik van voorzetsel kom je weer in het zielengebied van de wil.
Verderop in een voorbeeld zie je hoe ook de wil weer over kan gaan naar een vruchtbare activiteit.

Onmiskenbaar komt het voornaamwoord voor het naamwoord, voor het substantief; daardoor hoort het eveneens in het gebied van het denken thuis. En daarbij spelen de persoonlijke voornaamwoorden een belangrijke rol: ‘Ik’ voert tot zelfbewustzijn, naar de individualiteit, alle andere namelijk via ‘jij’ en ‘wij’ tot het liefdevol meenemen van de anderen. Deze woorden krijgen daarmee toch weer een sterke gevoelsmatige inslag.
Ten slotte geven de interjecties – tussenwerpsels – ( uitroepwoorden “oh, ah, tsjonge’) gelegenheid onze gevoelens in de taal tot uitdrukking te brengen.

Voor resp. de 5e en de 6e klas blijft nu de laatste drieheid over: voegwoord, telwoord en bijwoord.

Zoals we in het doewoord zelf helemaal in het doen konden opgaan, in het voorzetsel de relaties tussen de dingen onder elkaar zagen, zo worden we met het gebruik van het voegwoord (verbindingswoord en, maar, als) in de taal zelf actief en laten ons erdoor tot de zuster van de grammatica, van de retorica meevoeren; want pas met het gebruiken van het voegwoord komen wij ertoe een zinsbouwleer te ontwikkelen en deze is weer de basis van de vrije spraak.

Het telwoord stimuleert weer ons denken; de mathematica is het antwoord op deze stimulans.
Killer en abstracter herhaalt het bijwoord wat voor het bijvoeglijk naamwoord en het tussenwerpsel bijgedragen heeft onze taal op te tuigen.
Het duurt lang voor de kinderen inzien dat in het zinnetje ‘dat heb je goed gedaan’, het woordje ‘goed’ geen bijvoeglijk naamwoord meer is, maar bijwoord. Vergelijkingen met niet-Nederlandse talen: bene fecisti, c’est bien fait) helpen om begrip te krijgen, want hier zijn de bijwoordelijke vormen duidelijk te onderscheiden van de bijvoeglijke (bonus, bon).

Deze indeling zou haar doel voorbij schieten, wanneer die alleen maar als een dood schema of als gebruiksaanwijzing gezien zou worden.
Het gaat alleen maar om een overzicht van de mogelijkheid de kinderen in een over een of meerdere schooljaren verdeelde ontwikkelingsgang naar een steeds sterker wordend bewustzijn bij het gebruiken van hun gevoelskrachten. Zo’n indeling kan alleen maar aan waarde winnen als de leerkracht die op ieder onderdeel met leven weet te vullen.

Kort zal nog worden getoond dat de menselijke zielenkrachten, ook op het verdere gebied van de grammatica tot uitdrukking kunnen komen, zoals bv. bij de aanvoegende wijs van de werkwoorden.

Onmiskenbaar staan achter de tijden verleden tijd, tegenwoordige tijd, toekomst ook weer denken, voelen en willen.
Alleen wanneer ik nadenk over wat ik heb beleefd, wanneer ik het me herinner, krijg ik de beelden uit het verleden.
Met de hartenklop van de levende mens verloopt het heden.
Wat door onze wil tot daad moet worden, wordt in de tijd in de toekomst tot uitdrukking gebracht.
Ongeveer in klas 4 ga je met de kinderen zo’n weg door de tijden.
In de 5e klas moet dan vaak de niet zo makkelijke stap gezet naar de samengestelde tijden.
Maar het begrijpen van deze tijdsvolgorde vraagt op deze leeftijd nog heel sterk de doorbloeding met een beeld voor iedere tijd.
Je zou de weg door de tijden in kleurige concentrische cirkels of in een kleurenband voor de kinderen kunnen laten ontstaan met dien verstande dat je de tijd van het verleden, de voltooide en de onvoltooide in een donker en een licht blauw weergeeft.
De tegenwoordige tijd kun je geel geven en dan de voltooid tegenwoordige tijd als overgaand van het heden naar het verleden de overgangskleur groen.
De gebiedende wijs leidt naar de toekomst; die wordt nu uitgesproken, maar straks pas uitgevoerd. Die kleur, oranje, leidt ons naar het rood van de toekomende tijd.
Ten slotte krijgt de voltooid toekomende tijd in rood-paars weer een glimp van de kleuren van de verleden tijden.
Zo’n kleurenvolgorde wordt door de kinderen blij herkend als de regenboog en daarmee wordt ook de noodzaak het werkwoord door de aangegeven zeven kleuren door te lopen, vanuit het gevoel bevestigd.

Dit laatste voorbeeld liet tegelijkertijd zien hoe de grammatica weliswaar overal overeenkomt met de ziel van de mens, maar dat je ook veel verder moet gaan om alle diepten van de menselijke taal te exploreren.
Ligt het misschien niet aan de begrensdheid van hoe wij nu als mens zijn dat in onze omgangstaal het gebruik van de samengestelde tijden helemaal weg is?

Wanneer nu nog als omlijsting een paar voorbeelden uit het onderwijs worden gegeven, dan moet je er van te voren wel rekening mee houden dat zowel deze voorbeelden als ook wat hierboven gezegd werd, ontstaan is door het onderwijs in één bepaalde klas en in ieder ander geval zal de leerkracht net zijn llas weer andere wegen bewandelen.
De overeenkomst is dat iedere leerkracht op zijn manier de levende relaties vindt tussen de leer van de taal en het wezen van de mens.

Bij het begin van de voorzetsels hadden de kinderen van mijn klas zelf een aantal verbanden tussen de dingen onderling ontdekt en opgeschreven. Opgemerkt hadden ze: de wagen op straat, het paard voor de wagen, de kist in de wagen, ze hadden de wagen op straat nagekeken op weg naar de markt.
Aan het eind van de les werden er nog een paar gedichten herhaald die al eerder waren geleerd, de kinderen mochten kiezen en een meisje begon:

‘Uit het huisje, de tuin in, naar de appelboom (uit ‘Wegzehrung’, Albert Steffen)
Tijdens het opzeggen van het gedicht werden de gezichten van de kinderen zienderogen wakkerder en nauwelijks was het gedicht ten einde, of ze riepen: ; Wow, wat zitten daar veel voorzetsels (blikrichtingswoorden) in’.
Nu kregen de kinderen er zelf zin om het gedicht in het grammaticaschrift te schrijven waarbij de opdracht gegeven werd om de voorzetsels door een speciale kleur eruit te laten springen.
Deze ontdekking werd nu ook meteen in een gezamenlijke brief aan mijnheer Albert Steffen in Dornach gestuurd.

Ook bij andere gevallen biedt zich steeds weer een gelegenheid om terug te grijpen op gedichten en spreuken uit eerdere schooljaren waar de kinderen met liefde aan terugdenken (zonder die natuurlijk ‘plat te walsen’)

Het gedicht van ‘Keulse kabouters‘ veroorzaakt steeds groot plezier; dat wordt nog groter als je zelf kan zien, hoe de doewoorden opvallend opgesomd worden. Maar de kinderen ontdekken dan ook snel dat het gedicht over een tijd gaat die ze als kind al achter zich hebben gelaten; als je eenmaal grammatica geleerd hebt, mag je een ander niet meer voor je laten werken, je moet, zoals het ook in het gedicht staat, nu alles zelf doen of dat tenminste toch leren.
Als je nu zelf aan het werk gaat, heeft de taal daar ook bepaalde uitdrukkingsvormen voor: de dingen die je al werkend doet, verschijnen in de ‘arbeidsvorm’, de ‘bedrijvende vorm.

Hiermee is al aangeduid dat er een overgang komt naar de verbuiging.
Bij de introductie van deze ; bedrijvende vorm’ liet ik de kinderen zelf bedachte activiteiten tekenen, net zoals de klas al eerder bij het leren van de werkwoorden had gedaan. Nu werden niet alleen aparte hele werkwoorden zoals ‘lopen, springen’ onder de tekeningen geschreven, maar hele zinnen met een onderstreepte bedrijvende vorm. Naast tekeningen met onderschrift ‘De herder hoedt de schapen’, ‘De boer ploegt het land’, stond ook ‘De kinderen zingen het lied’, waarbij op de tekening het lied door een paar dansende noten in een heldere kleurenomlijning weergegeven werden.

In een schrift vond ik een schoolklas met leerlingen en een leraar afgebeeld en daaronder het zinnetje ‘De kinderen leren’.
Ik wees het kind erop dat er nog een stukjein de zin ontbrak waar het ons om ging. Toen ik weer in het schrift keek, zag ik dat het kind het aangevuld had met ‘het goede’.

Aan de getoonde voorbeelden mag duidelijk zijn, hoe je in de grammaticalessen de kunstenaar in het kind de gelegenheid kan geven, zich uit te leven in kleur, in het bondig spreken, zelfs kan de acteur gewekt worden zoals in een eerder verschenen uitgave van dit tijdschrift (jaargang 4, nr 3) door M.Tittmann weergegeven is.

Met name echter biedt deze lesstof een voortreffelijk opvoedingsmiddel om de kinderen meteen in de zich al ontwikkelende zielenkrachten van de wil aan te spreken en hen bij hun ontwikkeling passend van het gevoel naar het denken te brengen.

Daarmee kan in het grammatica-onderwijs de verzorging en verlevendiging van alle zielenkrachten in het kind feitelijk worden; grammatica moet voor onze kinderen niet een weten met het hoofd zijn, maar vanuit de hele mens toegepast kunnen worden.

.

2999-2815

.

.

.


							

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (literatuur)

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner 

                                                            Literatuur

Wanneer in de tekst naar een boek werd verwezen, is de titel daarvan bij de betreffende tekst weergegeven.

[1] Gerbert Grohmann: Pflanze – Erdenwesen – Menschenseele. Ausführungen zum Seminarkurs Rudolf Steiners mit dem Lehrerkollegium der Freien Waldorfschule Stuttgart 1919. Stuttgart 1953. (Siehe Teil II des vorliegenden Bandes). 
Dit deel van Grohmanns boek staat op deze blog.

[2] Rudolf Steiner: Erziehungskunst. Methodisch-Didaktisches. 14 Vorträge, Stuttgart 1919. GA 294.
Vertaald
Op deze blog: Rudolf Steiner over dierkunde uit GA 294

[3] Rudolf Steiner: Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Padagogik. 14 Vorträge, Stuttgart 1919. GA 293.
Vertaald
Op deze blog: Algemene menskundeeen verkenning

[4] Rudolf Steiner: Pädagogisches Seminar. In: Zeitschrift »Erziehungskunst«, Monatsschrift zur Padagogik Rudolf Steiners. Stuttgart, V. Jahrg., Heft 3.
Inmiddels uitgegeven GA 295
Vertaald: Praktijk van het lesgeven

[5] Rudolf Steiner: Vom Lehrplan der Freien Waldorfschule Stuttgart. Bearbeitet von C. v.Heydebrand. 6. Auflage, Stuttgart 1978.
Op deze blog vertaald

[6] Rudolf Steiner: Von Seelenratseln. I. Anthropologie und Anthroposophie. 1917. GA 21.
Niet vertaald

[7] Rudolf Steiner: Die Geheimwissenschaft im Umrifi. 1925. GA 13.
Vertaald

[8] Rudolf Steiner: Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft. In GA 34.
Vertaald

[9] Rudolf Steiner: Die Erneuerung derpadagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft. GA 301.
Op deze blog vertaald

[10] Rudolf Steiner: Die gesunde Entwicklung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Geistig-Seelischen. Weihnachtskurs für Lehrer. 16 Vortrage, gehalten am Goetheanum in Dornach 23.12.21 bis 7.1.22. GA 303.
Vertaald: Gezond makend onderwijs

[11] Rudolf Steiner: Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis. Die Erziehung des Kindes und des jüngeren Menschen. 8 Vortrage, gehalten am Goetheanum in Dornach 15. bis 21.4.23. GA 306.
Op deze blog vertaald

[12] Rudolf Steiner: Gegenwartiges Geistesleben und Erziehung. 14 Vortrage, gehalten in Ilkley 5. bis 17.8.23. GA 307.
Vertaald: Opvoeding en moderne kultuur

[13] Rudolf Steiner: Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens. 5 Vortrage, gehalten innerhalb der in der Freien Waldorfschule Stuttgart vom 7. bis 13.4.24 veranstalteten Erziehungstagung. Stuttgart 1950. GA 308.
Vertaald: De wordende mens

[14] Rudolf Steiner: Anthroposophische Padagogik und ihreVoraussetzungen. Vortragszy-klus, gehalten in Bern 15. bis 17.4.24. Basel 1951. GA 309.
Op deze blog vertaald

[15] Rudolf Steiner: Der padagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Padagogik. 9 Vortrage, gehalten in Arnheim (Holland) 17. bis 24.7.24. GA 310.
Vertaald: Menskunde, pedagogie en kultuur

[ié] Rudolf Steiner: Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit. 7 Vortrage, gehalten in Torquay 12. bis 20.8.24. GA 311.
Op deze blog vertaald

[17] Friedrich A.Kipp: Höherentwicklung und Menschwerdung. Stuttgart 1948.
Niet vertaaldf

[18] Friedrich A.Kipp: Bezahnung und Bildungsidee des Organismus. In »Der Beitrag der Geisteswissenschaft zur Erweiterung der Heilkunst». Stuttgart 1952.
Niet vertaald

[19] Hermann Poppelbaum: Mensch und Tier. Fünf Einblicke in ihren Wesensunterschied. 7. Auflage, Dornach 1975.
Vertaald: Mens en dier

[20] Hermann Poppelbaum: Tierwesenskunde. Z.Zt. vergriffen. Erscheint demnachst im Philosophisch-Anthroposophischen Verlag Dornach.
Niet vertaald

[21] Günther Wachsmuth: Erde und Mensch, ihre Bildekrafte und Rhythmen. 3. Auflage, Dornach 1965.
Niet vertaald

.

Over het 1e dier- en plantkundeonderwijsinhoud

Rudolf Steiner over: dierkunde

Dierkundealle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas dierkunde 

.

2996-2812

.

.

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – het astraallijf [1-7-2/4-2]

.

HET ASTRAALLIJF 

en de woorden die het karakteriseren

Telkens zal Rudolf Steiner wanneer hij het astraallijf karakteriseert, zeggen dat het de drager is van:
-in willekeurige volgorde: hartstochten, driften, begeerten, lust, onlust, vreugde, verdriet, leed, smart.
Wanneer we daar 1 vertaling voor nemen, doen we de betekenis iets te kort, we belichten die dan te eenzijdig.
Ik heb daarom wat meer vertalingen gezocht voor:

Abneigung

Afkeer, antipathie, misnoegen, onwil, weerspannigheid, afschuw, afkeer, tegenzin, afkeuring

Freude

leukheid; genot; tevredenheid; opgewektheid; aardigheid; lust; plezier; blijheid; blijmoedigheid; vreugde; vreugd; blijdschap; vrolijkheid.

Instinkt

Natuurdrift, aandrift

Leid

Pijn, leed, kommer en kwel, misère

Leidenschaft:
Een heftig gevoel dat door het verstand maar moeilijk te sturen valt;
Zo wordt dit omschreven in een woordenboek. Steiner zal daar niet ‘verstand’ gebruiken, maar het Ik.

plezier; genoegen; lust; genot; pret; leut; jool; drift; wellust; instinct; aandrift; vuur; passie; overgave; gloed; hartstocht; geestdrift; vurigheid; hartstochtelijkheid; seksuele begeerte; de obsessie; bezetenheid

Lust

goesting; plezier; lol; pret; keet; gein; jolijt; leut; genoegen; lust; genot; jool;  aardigheid; content; tevredenheid; drift; wellust; begeerte; heftig verlangen;  vrolijkheid; blijheid; opgewektheid; blijmoedigheid; seksuele begeerte; animo ; zin, wens.

Neigung

Beheptheid, voorliefde, geneigdheid, hang, voorkeur*

Schmerz

Een zeer onaangenaam lichamelijk gevoel: pijn

Hier wordt bedoeld:

Gevoel als je verdrietig bent:

leed, smart, zielenpijn

Trieb

genot; lust; voortgedreven seksuele begeerte; instinct; drift; aandrift, neiging; het smachten; het verlangen; de lust; hevig verlangen; zucht; het wensen

Unlust

onlust; lusteloosheid; lauwheid; ongeanimeerdheid; onvrede; onbehagen; misnoegen; onmin; onwil; weerspannigheid.

Verlangen

wensen ; verlangen ; lustzucht naar; begerensmachtende begeerte; hunkering; wens

Wunsch

Verlangen, wens

*ook aard, aanleg, karakter, geaardheid, inborst

Als je al deze omschrijvingen ziet en je zou ze nog exacter hun plaats willen geven, dan is natuurlijk de indeling sympathie – antipathie heel verhelderend.
Immer:

(  ) Die Grundkräfte der Seele kann man Sympathie und Antipathie nennen.

( ) De fundamentele krachten van de ziel. Je kunt ze sympathie en antipathie noemen.
GA 9/44
Vertaald/81

En dat geldt ook voor de verschillende aspecten van de wil. Zie daarvoor Algemene menskunde voordracht 4
Ook zie je dat bepaalde gevoelens meer naar het lichamelijke gaan en daarmee dus meer bij de overgang van etherlijf naar gewaarwordingslijf gaan, waar ze gewaarwordingsziel worden.
Een uitgebreid artikel daarover: Algemene menskunde voordracht 1
Dat geldt ook weer voor de gevoelens die meer naar de onegoïstische kant gaan: liefde, medelijden, altruïsme e.d. of zoals Steiner het hier samenvat:

Das dritte Glied ist der astralische Leib, der Träger von Lust und Unlust,
Freude und Schmerz, Leidenschaft und Begierde, der niedrigsten Triebe sowie der höchsten Ideale.

Het derde deel is het astrale lijf, de drager van lust en onlust, vreugde en verdriet, passie en begeerte, de laagste driften alsook de hoogste idealen.
GA 56/196
Niet vertaald

Hier heb ik een begin gemaakt met een opsomming van allerlei ‘gevoelens’. De lijst is niet compleet (zo dat ooit al kan) en er kan altijd discussie ontstaan over de plaats waar zo’n gevoel zou kunnen staan:

De rechterrij is meer de sympathische, de linker de antipathische kant

Gevoelsleven dicht staand bij het fysieke beleven, dus waar het etherlijf een rol speelt: gewaarwordingsziel

lust                                           onlust
(wel)behagen                          onbehagen
genoegen                                ongenoegen
begeerte                                  afschuw
affectie                                    begeerte/afkeer
graagte                                    tegenzin
wellustig afkerig

Meer gemoedsziel

Wanneer in de rechterrij geen woord staat, heb ik dat nog niet als tegenstelling gevonden

vreugde                                   verdriet
blij                                            bedroefd
pret                                           smart
meegaand                              onwillig/dwars/weerspannig
sympathie                               antipathie
aantrekking                            afstoting/afkeer
genoegen                                misnoegen
tevreden                                  ontevreden
bezorgd                                    onbezorgd
welbevinden (euforie)         geprikkeld, boos, nerveus (dysforie)
graag mogen                         hekel aan
liefde                                       haat
aangedaan onaangedaan
aangenaam onaangenaam
aangeslagen
aangrijpend koud latend
aanhankelijk
aanbiddelijk afstotend
aandoenlijk
vreugdevol bedroevend
droevig blijmoedig
bedroefd blij
smartelijk vreugdevol
bewogen onbewogen
roerend
ontroerend
onverschillig betrokken

Meer verstandsziel

interesse                                 desinteresse
gelijkmatig                             onverschillig
beheerst                                  onbeheerst
voorzichtig                              roekeloos
bedachtzaam                          onnadenkend
goedkeurend                          afkeurend

aandachtig ongeïnteresseerd

nog te rubriceren

aandrang  aandrift aangedaan getroffen geroerd medelijden aangenaam aangeslagen grimmig dreigend aangrijpend aanhalig volhardend verleidelijk aanlokkelijk aanmatigend trots laatdunkend aanminnend aanminnelijk bekoorlijk lief bevallig

Help je mee aanvullen?  Bericht aan: vspedagogie  at  gmail.com

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2980-2797

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 55

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.


. In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.


Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.


GA 55


Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben


Het inzicht in het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het leven van nu


Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906


Blut ist ein ganz besonderer Saft


Bloed is een heel bijzondere vloeistof


Blz. 46


In der geisteswissenschaftlichen Weltanschauung sehen wir, daß der Mensch, insofern er uns in der Außenwelt für unsere Sinne entgegentritt, insofern er Form und Gestalt ist, nur einen Teil der menschlichen Wesenheit ausmacht, und daß sogar hinter dem physischen Leibe viele andere Wesenheiten sind. Diesen physischen Leib hat der Mensch mit allen um ihn herumliegenden mineralischen, sogenannten leblosen Dingen gemeinschaftlich. Das zweite Glied des Menschen ist also der Ätherleib, den der Mensch gemeinschaftlich mit der Pflanzenwelt hat.


In de geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing zien we dat de mens, voor zover hij ons in de buitenwereld tegemoet treedt, in zoverre hij vorm en gestalte is, slechts een deel van het menselijk wezen uitmaakt en dat er zelfs achter het fysieke lichaam vele andere wezens staan. Dit fysieke lichaam heeft de mens samen met alle minerale, zogenaamde levenloze dingen die zich om hem heen bevinden. Het tweede deel van de mens is dan het etherlijf dat de mens gemeenschappelijk heeft met de plantenwereld.


Das dritte Glied ist der sogenannte Astralleib, sehr schön und bedeutungsvoll so genannt,


Het derde wezensdeel is het zgn. astraallijf, heel mooi en zinvol om het zo te noemen


( )  Dem Astralleib obliegt es, im Menschen und im Tiere, das Lebendige zur Empfindungssubstanz aufzurufen, so daß sich innerhalb des Lebendigen nicht bloß Säfte bewegen, sondern daß sich darin dasjenige ausdrückt, was man Lust und Leid, Freude und Schmerz nennt. Damit haben Sie im wesentlichen auch den Unterschied zwischen Pflanze und Tier angedeutet, obwohl es Übergänge gibt.


Het is de taak van het astraallijf in mens en dier het leven tot gewaarwordingssubstantie tevoorschijn te roepen, zodat zich binnen het leven niet alleen vloeistoffen bewegen, maar dat daarin iets tot uitdrukking komt wat je lust en leed, vreugde en pijn noemt. Daarmee heb je in wezen ook het onderscheid tussen plant en dier aangegeven, hoewel er overgangen bestaan.


We zagen bij het etherlijf al, dat dit zo wordt beschreven dat het – als krachtencomplex in staat is, de fysieke stoffen bij elkaar te houden, dus als een aparte ‘zelfstandigheid’. Het brengt iets teweeg, het veroorzaakt iets. Ditzelfde zien we in de woorden over het astraallijf terug. Als een complex van (andere) krachten is het in staat ‘in het levende’ ‘iets’ om te vormen – zodanig dat we iets gewaarworden, iets merken, iets voelen – Steiner noemt het hier ‘gewaarwordingssubstantie’.


Blz. 48


Eine neue naturwissenschaftliche Forschergruppe hat geglaubt, auch den Pflanzen im direkten Sinne Empfindung zuschreiben zu sollen. Das ist aber nur ein Spiel mit Worten. Es ist für gewisse Pflanzen selbstverständlich, daß sie Erregungszustände haben, wenn etwas in ihre Nähe kommt, wenn etwas auf sie einwirkt. Das ist aber keine Empfindung. Es muß im Innern des Geschöpfes ein Bild auftauchen als Reflex der Erregung. Wenn auch bei gewissen Pflanzen eine Gegenwirkung auf einen äußeren Eindruck geschieht, so ist das doch noch kein Beweis dafür, daß die Pflanze auch innerlich einen solchen Reiz zu einer Empfindung erhebt, daß sie ihn innerlich erlebt. Dasjenige, was man innerlich erlebt, hat seinen Sitz im Astralleibe. So sehen wir also, daß das, was bis zum Tier heraufkam, aus dem physischen Leib, dem Äther- oder Lebensleib und dem Astralleib besteht.


Steiner spreekt hier over een ‘nieuwe onderzoeksgroep’. Dat nieuwe was er dus in 1906, t.t.v. de voordracht. Nu, zo’n kleine 120! jaar later, zijn er ook weer onderzoekers die beweren wat hieronder staat. Ze vonden dat er in de bodem een groot netwerk bestaat van m.n. schimmels, die – als ware het internet – met elkaar ‘communiceren’. Het wordt wel het ‘wood wide web’ genoemd. In deze context wordt aan (planten)schimmels dan ook ‘gevoel’ toegedicht.


Een nieuwe natuurwetenschappelijke onderzoeksgroep gelooft aan de planten in directe zin ‘gewaarwording’ te kunnen toeschrijven. Maar dat is slechts een spel met woorden. Voor bepaalde planten is het vanzelfsprekend dat ze in een staat van geprikkeldheid, van ‘gevoelig voor’ kunnen raken, wanneer er iets in hun omgeving komt dat op hen van invloed is. Maar dat is geen gewaarwording. In het innerlijk van het wezen moet een beeld kunnen ontstaan als reflex op de geprikkeldheid. Ook al vindt bij bepaalde planten een tegenwerken plaats als antwoord op een bepaalde indruk, dan is dat nog geen bewijs dat de plant ook innerlijk zo’n prikkel tot een gewaarwording maakt, dat hij deze innerlijk beleeft. Wat je innerlijk beleeft, is gelegen in het astraallijf.  We zien dus dat wat tot dier geworden is, bestaat uit het fysieke lichaam, het ether- of levenslijf en het astraallijf. 
GA 55/46-47
Vertaald /46-48


Sehen wir uns die Pflanze an als das Wesen, das schon den Ätherleib hat, welcher die physischen Stoffe heraufholt zum Leben, das heißt dasjenige, was sinnliche Materie ist, in Lebenssäfte verwandelt. Was ist es, das so die sogenannten leblosen Kräfte in die Lebenssäfte umgestaltet? Wir nennen es den Ätherleib, und dieser Ätherleib tut dasselbe im Tier und dasselbe auch im Menschen; er ruft dasjenige, was bloß sinnlich ist, zu lebendiger Konfiguration, zu lebendiger Gestaltung auf. Dieser Ätherleib wird wieder durchsetzt von dem Astralleib.


Beschouwen we de plant als een wezen dat het etherlijf bezit dat de fysieke stoffen om te leven in zich opneemt, d.w.z. wat zintuiglijke materie is, om te zetten in leven. Wat verandert de zogenaamde levenloze krachten in levenssappen? Wij noemen dat het etherlijf, en hetzelfde doet het dier en ook in de mens; het roept dat wat slechts zintuiglijk is, te voorschijn tot een levende opbouw, tot een levende gestalte. Dit etherlijf wordt op zijn beurt weer doordrongen door het astraallijf. 


Der Ätherleib wandelt unorganische Substanz in Lebenssäfte um.


Het etherlijf vormt de organische substantie in levenssappen om.


dieser Ätherleib tut dasselbe im Tier und dasselbe auch im Menschen; er ruft dasjenige, was bloß sinnlich ist, zu lebendiger Konfiguration, zu lebendiger Gestaltung auf. Dieser Ätherleib wird wieder durchsetzt von dem Astralleib. Und was macht dieser Astralleib? Er ruft die bewegte Substanz zum innerlichen Miterleben des Kreislaufs der stofflichen Säftebewegung auf, so daß sich die äußere Bewegung in innerlichen Erlebnissen spiegelt. Wir sind damit so weit gekommen, daß wir den Menschen begreifen, insofern er in das Tierreich hineingestellt ist. Alle Substanzen, aus denen der Mensch zusammengesetzt ist, finden Sie auch draußen in der leblosen Natur: Sauerstoff, Stickstoff, Wasserstoff, Schwefel, Phosphor und so weiter. Soll das, was umgewandelt ist durch den Ätherleib in lebendige Substanz, zu innerlichem Erfassen, zur Schaffung innerer Spiegelbilder von dem, was außen vorgeht, aufgerufen werden, so muß der Ätherleib von dem, was wir Astralleib nennen, durchdrungen werden. Der Astralleib ruft die Empfindung hervor. Aber jetzt, auf dieser Stufe ruft der Astralkörper die Empfindung in ganz besonderer Weise hervor. Der Ätherleib wandelt unorganische Substanz in Lebenssäfte um, der Astralleib wandelt diese lebendige Substanz in empfindende Substanz um.


( ) dit etherlijf doet in het dier en in de mens hetzelfde (als in de plant); het roept dat wat slechts zintuiglijk is, te voorschijn tot een levende opbouw, tot een levende gestalte. Dit etherlijf wordt op zijn beurt weer doordrongen door het astraallijf. En wat doet het astraallijf? Het stimuleert de substantie die beweegt tot een innerlijk meebeleven van de circulatie van de  bewegingen van de stoffelijke vloeistoffen, zodat zich die uiterlijke beweging spiegelt in innerlijke belevingen. Nu zijn we hier gekomen dat we de mens begrijpen, voor zover hij in het dierenrijk staat. Alle stoffen waaruit de mens is opgebouwd, vind je ook buiten in de levenloze natuur: zuurstof, stikstof, waterstof, zwavel, fosfor enz. Wil dat wat door het etherlijf omgevormd is in levende substantie, gestimuleerd worden tot het vormen van spiegelbeelden van hetgeen er buiten zich afspeelt, dan moet het etherlijf doordrongen worden door wat we astraallijf noemen. Het astraallijf roept de gewaarwording op. Maar op dit niveau roept het astrale de gewaarwording op een heel bijzondere manier op. Het etherlijf verandert anorganische stoffen in levenssappen, het astraallijf verandert deze levende substantie in gewaarwordende substantie.
GA 55/50-51
Niet vertaald


Voordracht 3 Berlijn, 8 oktober 1906


Der Ursprung des Leides


De oorsprong van het lijden


Blz. 73


Wir wissen aber auch, daß dieser physische Körper aufgerufen wird zum Leben durch das, was wir den sogenannten Äther- oder Lebensleib nennen; (  ) Wir betrachten den zweiten Teil der menschlichen Wesenheit, den Ätherleib, als etwas, was der Mensch gemeinschaftlich hat mit der übrigen Pflanzenwelt. Als das dritte Glied der menschlichen Wesenheit betrachten wir den Astralleib, den Träger von Lust und Unlust, von Begierde und Leidenschaft, den der Mensch mit der Tierheit gemeinsam hat


We weten echter ook dat in dit fysieke lichaam het leven tevoorschijn wordt geroepen door wat wij het zogenaamde ether- of levenslijf noemen; ( ) Wij zien het tweede deel van het mensenwezen, het etherlijf, als iets wat de mens gemeenschappelijk heeft met de verdere plantenwereld. Als derde menselijk wezensdeel kijken we naar het astraallijf, de drager van lust en onlust, van begeerte en hartstocht, dat de mens gemeenschappelijk heeft met het dierenrijk. 
GA 55/73
Niet vertaald  


Voordracht 5, Berlijn 13 december 1906


Wie begreift man Krankheit und Tod?


Hoe kan je ziekte en dood begrijpen?


Blz. 104-105


Das physische Prinzip arbeitet nur teilweise am physischen Organismus des Menschen, in einem anderen Teil ist im wesentlichen der Ätherleib tätig,


Het fysieke principe werkt maar voor een deel aan de fysieke organisatie van de mens; in een deel is hoofdzakelijk het etherlijf werkzaam.


Blz. 105


( ) erstens haben wir den äußerlich sichtbaren physischen Körper, als zweites den Äther- oder Lebensleib, sodann den Astralleib,


ten eerste hebben we het uiterlijk zichtbare fysieke lichaam; als tweede het ether- of levenslichaam, en dan het astraallijf ( ) 


Dann müssen wir uns klar sein, daß im physischen Leibe dieselben Kräfte und Stoffe vorhanden sind wie in der physischen Welt draußen und daß in dem Ätherleib das liegt, was diese Stoffe zum Leben aufruft, und daß der Mensch seinen Ätherleib mit der ganzen Pflanzenwelt gemeinschaftlich hat. Der Astralleib, den der Mensch mit den Tieren gemein hat, ist der Träger des ganzen Gefühlslebens, von Begierden, Lust und Unlust, Freude und Schmerz


Dan moeten we helder hebben dat in het fysieke lichaam dezelfde krachten en stoffen aanwezig zijn als in de fysieke wereld buiten ons en dan dat er in het etherlijf datgene zit wat deze stoffen tot leven wekt en dat de mens zijn etherlijf met de hele plantenwereld gemeenschappelijk heeft. Het astraallijf dat de mens met de dieren gemeenschappelijk heeft, is de drager van ons gevoelsleven, van begeerten, lust en onlust, vreugde en smart.


Blz. 106


Der Astralleib ist der Schöpfer des ganzen Nervensystems, bis hinauf zum Gehirn und zu den Strängen, die in Form von Sinnesnervensträngen zum Gehirn gehen.


Het astraallijf is de vormgever van het hele zenuwsysteem, tot aan de hersenen en de strengen in de vorm van zenuw-zintuigstrengen die naar de hersenen lopen aan toe. 
GA 55/104-106
Niet vertaald


Voordracht 6, Berlijn 10 januari 1907 (zie nadere opmerkingen. N.B. dit is niet het bekende boekje met dezelfde titel, vertaald bij Pentagon): dat is een geschreven artikel uit GA 34)


Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft


De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie


Blz. 119


Ihm zeigt sich als zweites Glied im Menschen der Ätherleib, ein geistiger Or­ganismus, der wesentlich feiner ist als der physische. Er hat nichts mit dem physikalischen Begriff von Äther zu tun und wird besser nicht als ein Stoff, sondern als eine Summe von Kräften, als eine Summe von Strömungen, von Kraftwir­kungen beschrieben. Er ist aber der Architekt des aus ihm heraus kristallisierten physischen Leibes, welcher sich aus ihm herausentwickelt wie etwa das Eis aus dem Wasser. So müssen wir uns vorstellen, daß alles, was am Menschen physischer Leib, physischer Organismus ist, herausgebildet ist aus dem Ätherleib. Diesen haben wir gemeinsam mit allen lebenden Wesen, mit der Pflanzen- und Tierwelt. Er hat eine ähnliche Form wie der physische Leib, seine Form und Größe schließen sich der Form und Größe desselben an. An den unteren Teilen aber ist er verschieden, bei den Tieren ragt er weit heraus. Man beschreibt hiermit, was man als Ätherkörper kennt, etwa so, wie man einem Blinden sagt, eine Farbe ist blau oder rot. Ebensowenig wie dem Sehenden dies phantastisch erscheint, ist für den, welcher die in jedem Menschen schlummernden Fähigkeiten entwik­kelt, Phantasie in dem Beschriebenen.


( ) Het tweede deel van de mens, het etherlijf, is een geestelijk organisme, dat wezenlijk fijner is dan het fysieke. Het heeft niets te maken met het natuurkundige begrip ether en het is beter niet over stof te spreken, maar over een totaliteit van krachten, een totaliteit van wat stroomt, van krachtwerkingen. Het is echter de architect van het uit hem gekristalliseerde fysieke lichaam, dat zich uit hem ontwikkelde, zoiets als ijs uit water. Zo moeten we ons voorstellen dat alles wat aan de mens fysiek lichaam, fysiek organisme is, zijn vorm krijgt vanuit het etherlijf’. Dit hebben wij gemeen met de planten- en dierenwereld. Het heeft net zo’n vorm als het fysieke lichaam; de vorm en de grootte sluiten aan bij de vorm en de grootte daarvan. De onderste delen echter verschillen; bij de dieren bevindt het zich ver daarbuiten. Wat men als etherlijf kent, beschrijft men net zo, als wanneer men aan een blinde zegt dat een kleur blauw of rood is. Net zo min als dit voor iemand die zien kan, onzin is, zo is voor degene die de in ieder mens sluimerende vaardigheden ontwikkelt, deze beschrijving onzin.


Als drittes Glied des menschlichen Wesens erkennen wir den Astralleib, den Träger von all dem, was wir Leidenschaften, niedere und zum Teil auch höhere nennen, alles, was der Mensch an Lust und Leid, Freude und Schmerz, Begierde und Trieb in sich trägt. Der Astralkörper ist Träger auch der gewöhnlichen Gedankenwelt, der Willensimpulse. Er wird wiederum durch die Entwicklung höherer Sinne geschaut.Er umgibt den Menschen wie eine Art Wolke, die den physischen und Ätherleib durchsetzt. Ihn haben wir mit der ganzen Tierwelt gemein. Alles in ihm ist Bewegung, alles spiegelt sich in ihm ab, was an Gemütsbewegungen sich vollzieht. Warum hat er den Namen «Astral»? Wie


Als derde deel van het mensenwezen onderkennen we het astraallijf, de drager van alles wat wij lagere en voor een deel ook hogere hartstochten noemen, alles wat de mens aan lust en leed, vreugde en verdriet, begeerte en drift in zich draagt. Het astraallijf is de drager van de alledaagse gedachtewereld, van de wilsimpulsen. Ook dit wordt door de hogere zintuigen waargenomen. Het bevindt zich om de mens heen als een soort wolk die het fysieke en het etherlijf doordringt. We hebben het gemeenschappelijk met het hele dierenrijk. Alles is in het astraallijf beweging; alle gemoedsbewegingen spiegelen zich daarin af.  Waarom heet het ‘astraal’? 


Blz. 120


der physische Körper durch seine physischen Stoffe mit dem ganzen Erdenkörper zusammenhängt, so steht der Astralleib mit der ganzen die Erde umgebenden Welt der Sterne in Verbindung. Alle die Kräfte, die den Astralleib durchdringen und des Menschen Schicksal und Charakter bedingen, sind deshalb so benannt worden von solchen, die tief hineingeschaut haben in den geheimnisvollen Zusammenhang mit der ganzen die Erde umgebenden Astralwelt.


Zoals het fysieke lichaam door de fysieke stoffen met de hele aarde samenhangt, zo staat het astraallijf met de hele sterrenwereld die rondom de hele aarde is, in verbinding. Al die krachten die het astraallijf doordringen en het lot van de mens en zijn karakter veroorzaken zijn daarom zo genoemd door degenen die diep konden waarnemen in de mysterieuze samenhang van de astraalwereld met de hele aarde waaromheen het zich bevindt. 
GA 55/119-120
Niet vertaald


voordracht 7 Berlin, 24. januari 1907


              Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft 


Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap


Blz. 133


Mit der physischen Geburt wird nur der physische Leib frei; zur Zeit des Zahnwechsels wird der Ätherleib geboren, zur Zeit der Geschlechtsreife der Astralleib.


Met de fysieke geboorte komt alleen het fysieke lichaam vrij; tegen de tijd van de tandenwisseling wordt het etherlijf geboren, tegen de tijd van de geslachtsrijpheid het astraallijf.
GA 55/133
Op deze blog vertaald /133


Voordracht 8. Berlijn, 31 januari 1907


                   Der Irrsinn* vom Standpunkt der Geisteswissenschaf


*Irrsinn heeft verschillende vertalingen: absurditeit, krankzinnigheid, idioterie bijv.


Waanzin* vanuit het standpunt van de geesteswetenschap


Blz. 142/143


Wir unterscheiden folgende physische Teile am Menschen, ( ) erstens rein Physisches, was nach rein physischen Gesetzen gebaut ist, vor allem die Sinnesorgane ( ) zweitens alles das, was mit Verdauung, Wachstum, Fortpflanzung zusammenhängt. Das, was die Kristalle aufbaut, könnte auch den menschlichen Leib aufbauen, aber er wäre dann ein toter Organismus. Der Ätherleib ist der Bildner, der die Verdauungsorgane und so weiter aufbaut. Drittens Nervensystem (Gehirn und Rückenmark): sein Bildner ist der Astralleib,


We onderscheiden de volgende fysieke delen aan de mens, als eerste puur fysiek wat volgens puur fysieke wetten gebouwd is, met name de zintuigorganen ( ) als tweede alles wat met vertering, groei, voortplanting samenhangt. Wat de kristallen opbouwt, kan ook het menselijk lichaam opbouwen, maar dan zou het een dood organisme zijn. Het etherlijf is de vormgever die de spijsverteringsorganen enz. opbouwt. Als derde het zenuwsysteem (hersenen en ruggenmerg): de vormgever daarvan is het astraallijf.
GA 55/ 142-143
Niet vertaald


.


Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2969-2786

.

.

.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


.


                      .

VRIJESCHOOL – 7e klas – tekenen

.

Voor tekenen in klas 7 gaf Rudolf Steiner aan het tekenen van lichamen die elkaar doordringen: 

Zie voor meer voorbeelden: vrijeschool in beeld

7e klasalle beelden

Vrijeschool in beeldalle beelden

7e klas: alle artikelen op vrijeschoolpedagogie

.

2968-2785

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (90)

.
Blauwe tekst van mij. Zwart uit het interview.

.

Kijk naar het kind, en laat die toetsen zitten’

.

zegt ex-juf Nicole Hanegraaf in een interview in het Eindhovens Dagblad van 15-10-2022

‘Ongelukkige leraren, gestreste kinderen: scholen lopen tegen hun grenzen aan. Het moet anders.
Onze kinderen zijn niet stuk. Ons systeem is stuk.”

Tijdens haar werk experimenteerde ze met onderwijsvormen ‘die meer ruimte maken voor individuele behoeftes en talenten.’

‘Minder accent op toetsen en tabelletjes, maar meer aandacht voor mensen van vlees en bloed’.

Weer een toets

Ze richtte de ‘leef-leer-school van-Binnenuit’ op, waarover ze ook een boek schreef: Onderwijs van Binnenuit:
We moeten stoppen met onderwijsvernieuwingen van buitenaf. We moeten hervormen van binnenuit, kijken naar wat leerkrachten en leerlingen willen leren en nodig hebben.

‘Welke 9-jarige wil er nou uren op een dag stil aan een tafeltje zitten? En welke leerkracht wordt blij van wéér een toets?’

In verschillende scholen in het land wordt er druk aan gewerkt: Van-Binnenuit helpt scholen opnieuw te bepalen: wat hebben onze kinderen echt nodig en hoe bieden we dat? Dat kan op elk schooltype.”

‘Dat betekent soms: dat groepjes worden samengesteld op basis van gedeelde interesses in plaats van op leeftijd of maken lokalen met rijen tafels plaats voor ruimtes vol ‘hoekjes’, waar kinderen zelf de plek kiezen waar ze willen lezen of sommen maken. Dat kan ook op een schommel of in de tuin zijn. Of er zijn plekken waar leerlingen op ontdekkingstocht kunnen: keukens, ateliers, proefjestafels.’

Of dat niet tegen bestaande onderwijsvormen aanschuurt, vraagt degene die interviewt,zoals vrijescholen en montessorischolen?’
„Onderwijs van binnenuit is een verzamelnaam voor scholen die mensgericht zijn. Dat kan een montessori- of vrijeschool zijn, maar ook een reguliere school.

Het is mooi, vind ik, dat juf Hanegraaf de vrijeschool ziet als ‘mensgericht’.

Wat wij doen staat niet naast zulke onderwijstypes: het zit eronder.”

Dat is voor de vrijescholen wel iets te kort door de bocht: daar zit nog zoveel meer onder en/of achter.
Daar staat deze blog vol mee!
En we vinden elkaar natuurlijk door ‘de mens centraal

Burn-outklachten

De behoefte aan verandering is groot. Ruim een kwart van de leraren in het basisonderwijs kampt met burn-outklachten. Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs steeg de afgelopen jaren. „Als je ziet dat steeds meer mensen moeite hebben om te functioneren in het reguliere onderwijssysteem, is er volgens mij niks mis met die mensen. Dan is er iets mis met het systeem.”

‘Bij onderwijs van binnenuit is niet ‘het gemiddelde’ leidend, maar de individuele kinderen zijn dat. „Lesmethodes en toetsen gaan massaal uit van het idee dat je op een bepaald moment, op een bepaalde leeftijd, iets moet doen of kunnen. Ik vind dat raar. Wat maakt het nou uit welk niveau Jantje deze maand precies haalt, als-ie pas over drie jaar naar de middelbare school gaat?”

‘Laat toetssysteem los:  leerkrachten hebben geen grafiekjes en tabelletjes nodig om te weten wat een kind kan. Dat kunnen ze elke dag zien.”

„Het idee van onderwijs van binnenuit is niet dat je maar een beetje achter kinderen aanhobbelt: je loopt met ze mee, je neemt ze bij de hand. Dat kinderen stil zouden vallen in hun ontwikkeling als je ze ruimte geeft voor hun eigen tempo staat daar haaks op. Wij willen juist dat je kinderen de hele tijd blijft prikkelen en voeden, zodat ze elke dag nieuwe dingen leren. We zeggen alleen: accepteer dat ze niet allemaal op hetzelfde moment dezelfde stap zetten.”
Ook dit kennen we in de vrijescholen als iets wezenlijks: lesstof is ontwikkelingsstof!

En hier zien we iets van wat lang in de vrijescholen – op aanwijzing van Rudolf Steiner – in de praktijk werd gebracht: een klassenleerkracht gaat zes jaar met zijn klas mee, juist om de ontwikkeling optimaal te kunnen ondersteunen.

‘Om te zien of een kind zich goed blijft ontwikkelen, zouden scholen volgens van-Binnenuit moeten kijken hoe het zich ontplooit ten opzichte van zijn eigen startpunt in een schooljaar. Zit daar te weinig beweging in, dan weet je dat je in actie moet komen.’

‘Nu vergelijken we kinderen meestal vooral met anderen. Dat maakt het lastiger te zien wie ze zelf zijn’.

Juf Hanegraaf weet wel wat er nodig is in het onderwijs. Wij ook, maar we kunnen zeker van haar leren (vooral als ze hier – onbewust denk ik – op de vrijheid van inrichting wijst:

„Jij weet wat goed voelt, wat er nodig is om die kinderen te geven wat ze nodig hebben. Ga dat gewoon doen. En laat die toetsen lekker zitten.”

.

Opspattend grindalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2962-2780

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 52

.

. Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

.

In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.

Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

GA 52 Voordracht 12, Berlijn 7 maart 1904                                        

Theosophie und Somnambulismus
Theosofie en somnambulisme

Blz. 254

Den physischen Körper mit allen seinen Organen, einschließlich des Nervensystems, des Gehirns und aller Sinnesorgane kann die Theosophie nach ihrer Beobachtung nur ansehen als eines der Glieder, aus dem der ganze, volle Mensch besteht. Dieser physische Körper enthält Stoffe und Kräfte, die der Mensch gemeinschaftlich hat mit der ganzen übrigen physischen Welt. Dasjenige, was sich in uns in chemischen und physikalischen Prozessen abspielt, ist nichts anderes, als was sich auch außerhalb unseres Körpers in der physischen Welt, in den chemischen Vorgängen abspielt. Aber wir müssen uns fragen: Warum spielen sich diese physikalischen und chemischen Prozesse innerhalb unseres Körpers so ab, daß sie vereinigt sind zu einem physischen Organismus? Darüber kann uns keine physische Wissenschaft einen Aufschluß geben. Die physische Naturwissenschaft kann uns nur über das belehren, was sich an physischen und chemischen Prozessen in uns abspielt, und es wäre gewiß nicht angemessen, wenn der Naturforscher den Menschen deshalb einen wandelnden Kadaver nennen würde, weil er als Anatom nur Physisches in dem menschlichen Körper entdecken kann. Es muß etwas da sein, was die chemischen

Het fysieke lichaam met al zijn organen waar het zenuwsysteem en de hersenen bij horen en alle zintuigorganen kan de theosofie zoals zij dat beoordeelt, alleen zien als een van de delen waaruit de volledige mens bestaat. Dit fysieke lichaam bevat stoffen en krachten die de mens gemeenschappelijk heeft met de hele overige fysieke wereld. Wat zich in ons aan chemische en fysische processen afspeelt, is niets anders dan wat zich ook buiten ons lichaam in de fysieke wereld, in de chemische processen afspeelt. Maar we moeten ons wel afvragen: waarom spelen deze fysische en chemische processen binnen ons lichaam zo af dat samen een fysiek organisme vormen. Daarover kan geen enkele natuurwetenschap een verklaring geven. De natuurwetenschap kan ons alleen maar informeren over wat er zich aan fysische en chemische processen in ons voltrekken en het klopt zeker niet wanneer de natuurwetenschapper de mens omdat hij als anatoom alleen iets fysieks in het menselijk lichaam ontdekken kan, daarom de mens een wandelend lijk zou noemen. Er moet iets zijn, wat de chemische

Blz. 255

und physikalisdien Prozesse zusammenhält, sie gleichsam gruppiert in der Form, wie sie sich innerhalb des menschlichen Körpers abspielen. Dieses nächste Glied der menschlichen Wesenheit nennen wir in der Theosophie den sogenannten Ätherdoppelkörper.

en fysische processen bij elkaar houdt, die a.h.w. groepeert in de vorm waarin ze zich binnen het menselijk lichaam voltrekken.  Het volgende wezensdeel van de mens noemen we in de theosofie het zgn.  etherdubbellichaam. Steiner noemt dit later meestal het ‘etherlijf‘.

Dieser Ätherdoppelkörper ist dasjenige, was die physischen Prozesse zusammenhält. Im Tode verläßt der Ätherdoppelkörper mit anderen höheren Gliedern, die wir kennenlernen werden, den physischen Körper, und daher wird der physische Körper der Erde übergeben und vollzieht nur noch physische Prozesse. Daß er das während des Lebens nicht tut, daran ist der Ätherdoppelkörper schuld.

Het etherlijf houdt de fysische processen bij elkaar. Met de dood verlaat het etherlijf met andere hogere wezensdelen die we nog zullen leren kennen, het fysieke lichaam en vandaar dat het fysieke lichaam aan de aarde overgedragen wordt en dan voltrekken zich alleen nog maar fysische processen. Dat dit tijdens het leven niet gebeurt, komt door het etherlijf.
Steiner legt in deze voordracht meer de nadruk op het astrale als ‘omhulsel’, als iets waarin wij leven, vandaar dat hij, denk ik, hier weer ‘Körper’ gebruikt, i.p.v. ‘Leib’. 

Innerhalb dieses Ätherdoppelkörpers, ja ihn sogar nach verschiedenen Seiten hin überragend, ist dann das dritte Glied der menschlichen Wesenheit, das ist der sogenannte astralische Körper. Dieser astralische Körper ist eine Art von Abbild unserer Triebe, unserer Begierden, unserer Leiden-

Binnen dit etherdubbellijf, ja zelfs daar buiten tredend naar verschillende kanten, bevindt zich het derde wezensdeel, dat is het zogenaamde astraallichaam. Dit is een soort weerspiegeling van onze driften, onze begeerten, onze harts-

Blz. 256

Schäften, unserer Gefühle. In diesem astralischen Körper lebt der Mensch wie in einer Wolke, und er ist für den Hellseher, dessen geistiges Auge für eine solche Erscheinung geöffnet ist, sehr wohl wahrnehmbar als eine leuchtende Wolke, innerhalb welcher sich der physische Körper und der Ätherdoppelkörper befindet. Dieser astralische Körper ist anders bei einem Menschen, der immer seinen animalischen Trieben, seinen sinnlichen Neigungen folgt; da zeigt er ganz andere Farben, ganz andere wolkenartige Bildungen als bei dem Menschen, welcher immer dem geistigen Leben gelebt hat; er ist anders bei dem Menschen, der dem Egoismus frönt, als bei dem Menschen, der in selbstloser Liebe sich seinen Mitmenschen widmet. Kurz, das Leben der Seele kommt in diesem astralischen Körper zum Ausdruck. Aber er ist auch der Vermittler der eigentlichen sinnlichen Wahrnehmungen. Sie können niemals die sinnlichen Wahrnehmungen in den Sinnesorganen selbst suchen.Was geschieht, wenn das Licht von einer Flamme mein Auge trifft?

tochten, onze gevoelens. In dit astrale lichaam leeft de men als in een wolk en hij is voor de helderziende, bij wie zijn geestelijk oog voor zijn verschijnsels geopend is, heel goed waar te nemen als een lichtende wolk, waarbinnen het fysieke lichaam en het etherdubbellichaam zich bevinden. Dit astrale lichaam is anders bij een mens die steeds zijn dierlijke driften, zijn zinnelijke neigingen volgt; dan zijn er heel andere kleuren, heel andere wolkenachtige vormen zichtbaar dan bij de mens die steeds een geestelijke leven heeft geleefd; het is anders bij de mens die toegeeft aan zijn egoïsme dan bij de mens die in altruïstische liefde toegewijd is aan zijn medemens. Kortom, het zielenleven komt in dit astrale lichaam tot uitdrukking. Maar het maakt ook de eigenlijke zintuiglijke waarnemingen mogelijk. Je kan nooit de zintuiglijke waarnemingen in de zintuigorganen zelf zoeken. Wat gebeurt er wanneer het licht van een vlam mijn oog ontmoet. 

Dieses Licht besteht ja im äußerlichen Räume darin: die sogenannten Ätherwellen bewegen sich von der Lichtquelle in mein Auge, sie dringen in mein Auge ein, sie bewirken gewisse chemische Vorgänge in der Hinterwand meines Augapfels, sie verwandeln den sogenannten Sehpurpur, und dann pflanzen sich diese chemischen Vorgänge in mein Gehirn fort. Mein Gehirn nimmt die Flamme wahr, es bekommt den Lichteindruck. Könnte ein anderer diejenigen Vorgänge, die sich in meinem Gehirn abspielen, sehen, was würde er wahrnehmen? Er würde nichts anderes wahrnehmen als physikalische Vorgänge; er würde etwas wahrnehmen, was sich in Raum und Zeit abspielt; nicht aber könnte er innerhalb der physikalischen Vorgänge in meinem Gehirn meinen Lichteindruck wahrnehmen. Dieser Lichteindruck ist etwas anderes als ein physikalischer

Dit licht bestaat in de uiterlijke ruimte hierin: de zogenaamde ethergolven bewegen zich van de lichtbron naar mijn oog, ze dringen mijn oog binnen, ze veroorzaken bepaalde chemische processen in de achterkant van mijn oogiris, ze veranderen het zogenaamde gezichtspurpur en dan planten deze chemische processen zich in mijn hersenen voort. Mijn hersenen nemen de vlam waar, ze krijgen de indruk van het licht. Zou een ander die processen die zich in mijn hersenen afspelen, zien, wat zou hij dan waarnemen? Hij zou niets anders waarnemen dan fysische activiteit hij zou iets waarnemen wat zich in de ruimte en de tijd afspeelt; maar hij zou binnen in de fysische processen in mijn hersenen mijn indruk van het licht kunnen zien. Deze indruk is iets anders dan een fysische

Blz. 257

Eindruck, der diesen Vorgängen zugrunde liegt. Der Lichteindruck, das Bild, das ich mir erst erschaffen muß, um die Flamme wahrnehmen zu können, ist ein Vorgang innerhalb meines astralischen Körpers. Derjenige, welcher ein Sehorgan hat, um einen solchen astralischen Vorgang wahrnehmen zu können, sieht ganz genau, wie sich die physikalischen Erscheinungen innerhalb des Gehirns in dem astralischen Körper umwandeln in das Bild der Flamme, das wir empfinden. 

indruk die aan deze processen ten grondslag ligt. De lichtindruk, het beeld dat ik eerst zelf moet scheppen om de vlam waar te kunnen nemen, is een proces binnen in mijn astraallichaam. Wie een orgaan heeft om dit te zien, om zo’n astraal proces te kunnen waarnemen, ziet heel precies hoe de fysische verschijnselen binnen de hersenen in het astraallichaam veranderen in het beeld van de vlam dat wij ervaren.
GA 52/256-257
Niet vertaald.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf

Antroposofie: een inspiratie:  over het astraallijf  [1]  [2]  [3]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2961-2779

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

                    .

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/8)

.

Russisch sprookje

Verteltijd ca. 10 min.

Onnozele Iwan en zijn gevlekte ros

.

Eens leefde er een oude man; hij had drie zoons, en de derde was Onnozele Iwan: hij voerde niets uit en zat altijd in de hoek op de kachel in zijn neus te peuteren.
Toen de vader op sterven lag, zei hij: ‘Jongens, als ik gestorven ben, moet ieder van jullie op zijn beurt een nacht op mijn graf komen doorbrengen.’
Toen ging hij dood. De oude man werd begraven.
Toen de eerste nacht was gekomen en de oudste broer naar het graf had moeten gaan, was hij daar te lui of te bang voor en zei hij tegen zijn jongste broer: ‘Onnozele Iwan, ga jij naar vaders graf en overnacht daar in mijn plaats; jij voert toch niets uit.’ Onnozele Iwan ging op weg, kwam op het graf en ging daar liggen.

Plotseling, te middernacht, opende zich het graf; de oude man kwam te voorschijn en vroeg: ‘Wie is daar? Ben jij het, mijn oudste zoon?’ ‘Nee, vadertje, ik ben het, Onnozele Iwan.’ De oude herkende hem en vroeg: ‘Waarom is de oudste niet gekomen?’ ‘Hij heeft mij gezonden, vadertje.’ ‘Nou, dat is dan je geluk.’ De oude man floot opeens schel en hard, en riep met machtige stem: ‘Mijn wijze zwart-bruin-grijze!’ Er kwam een gevlekt ros aan galopperen, zodat de aarde er onder dreunde; zijn ogen schoten vuur, uit zijn neusgaten steeg de damp op als een zuil. ‘Hier heb je een braaf ros, mijn zoon. En jij, ros, dien hem zoals je mij hebt gediend.’ Zo sprak de oude man en keerde terug naar zijn graf.

Onnozele Iwan streelde en liefkoosde het gevlekte ros, liet het lopen en ging terug naar huis. Thuis vroegen zijn broers hem: ‘En, Onnozele Iwan, heb je daar prettig overnacht?’ ‘Heel prettig, broers.’
De tweede nacht brak aan. De middelste broer ging ook niet op het graf overnachten, en zei: ‘Onnozele Iwan, ga naar vaders graf en breng daar de nacht door in mijn plaats.’ Onnozele Iwan zei geen woord, liep naar het graf en ging daar liggen wachten tot het middernacht werd. Op dat uur opende het graf zich als de eerste maal, de vader kwam er uit en vroeg: ‘Ben jij het, middelste zoon?’ ‘Nee,’ zei Onnozele Iwan, ‘ik ben het weer, vadertje.’ Opnieuw floot de oude man schel en hard en riep met machtige stem: ‘Mijn wijze zwart-bruin-grijze!’ Het gevlekte ros kwam er aan galopperen zodat de aarde er onder dreunde; zijn ogen schoten vuur en uit zijn neusgaten steeg de damp omhoog als een zuil. ‘Wel, gevlekte, dien mijn zoon zoals je mij hebt gediend. En ga nu heen.’ Het gevlekte ros draafde weg, de oude man ging in zijn graf liggen en Onnozele Iwan liep naar huis.

Weer vroegen zijn broers: ‘En, hoe heb je de nacht doorgebracht, Onnozele Iwan?’ ‘Heel prettig, broers.’
De derde nacht was het de beurt van Iwan; hij kon die nauwelijks afwachten, en begaf zich op weg. Op het graf gekomen, ging hij daar liggen, en te middernacht kwam de oude man weer te voorschijn. Hij wist al dat Onnozele Iwan er nu moest zijn, liet zijn schelle gefluit horen en riep met machtige stem: ‘Mijn wijze zwart-bruin-grijze!’ Het ros kwam er aan galopperen zodat de aarde er onder dreunde, zijn ogen schoten vuur en uit zijn neusgaten steeg de damp omhoog. ‘Wel, gevlekte, dien mijn zoon zoals je mij hebt gediend.’ Na deze woorden nam de vader afscheid van Onnozele Iwan en keerde in zijn graf terug.

Onnozele Iwan streelde het zwart-bruin-grijs gevlekte ros, bekeek het en liet het lopen; toen ging hij naar huis. Weer vroegen de broers: ‘Hoe heb je de nacht doorgebracht, Onnozele Iwan?’‘ ‘Heel prettig, broers.’ Zo leefden ze verder: de twee broers werkten, maar Onnozele Iwan voerde niets uit.

Plotseling ging er van de tsaar een oproep uit: aan hem die over een hindernis van zo en zoveel balken heen het portret van de tsarewna van de buitenmuur van het paleis kon wegtrekken, zou hij haar ten huwelijk geven. De broers wilden er heenrijden om te zien wie daarin zou slagen. Onnozele Iwan zat op de kachel achter de pijp en zei: ‘Geef mij het een of andere paard, broers, dan ga ik ook kijken.’ ‘Ach,’ zeiden de broers op geërgerde toon, ‘blijf jij maar op de kachel zitten domoor! Waarom zou jij erheen rijden? Om de mensen te laten lachen?’ Maar zo waren de broers nog niet van hem af. ‘Nou, neem dan het paard met drie poten, sufferd.’

Ze reden weg. Onnozele Iwan reed achter hen aan tot op het open veld, tot aan de wijde ruimte. Daar steeg hij van zijn merrie, slachtte het paard, trok er de huid af en hing die over de koppel; maar het vlees gooide hij weg. Toen floot hij schel en hard en riep met machtige stem: ‘Mijn wijze zwart-bruin-grijze!’ Het gevlekte ros kwam er aan galopperen, zodat de aarde dreunde; zijn ogen schoten vuur en uit zijn neusgaten steeg de damp omhoog. Onnozele Iwan kroop in zijn ene oor – daar at en dronk hij – en door het andere kwam hij er weer uit – toen was hij zo mooi gekleed dat zijn broers hem niet herkend zouden hebben. Hij besteeg het gevlekte ros en reed erop uit om het portret van de muur te trekken. Er was daar veel volk samengestroomd – de massa was niet te overzien. Toen de kranige jongeman er aan kwam rijden, waren alle ogen op hem gericht. Onnozele Iwan nam een aanloop, zijn paard sprong en het scheelde maar drie balken of hij had het portret er afgehaald. Allen hadden gezien waar hij vandaan kwam, maar waar hij bleef toen hij wegreed, zagen ze niet. Hij liet het ros lopen, keerde naar huis terug en ging op de kachel zitten. Toen de broers thuiskwamen, vertelden ze aan hun vrouwen: ‘Er kwam een kranige jongeman aanrijden, zo een hadden we nog nooit gezien. Het scheelde maar drie balken of hij had het portret er af gehaald. We zagen wel waar hij vandaan kwam, maar niet waar hij bleef. Hij zal zeker nog wel eens terugkomen…’ Onnozele Iwan zat op de kachel en vroeg: ‘Broers, was ik daar soms ook?’ ‘Hoe voor de duivel had jij daar kunnen zijn? Zit jij maar op de kachel, sufferd.’

Er ging enige tijd voorbij, en weer kwam er een oproep van de tsaar. De broers maakten zich opnieuw gereed om te vertrekken, en Onnozele Iwan vroeg: ‘Geef mij het een of andere paard, broers.’ Zij antwoordden: ‘Blijf jij maar thuis, sufferd. Anders bederf je misschien een van onze paarden.’ Maar zo waren ze niet van hem af, en ten slotte zeiden ze dat hij dan maar de manke merrie moest nemen. Onnozele Iwan nam ook dit paard, slachtte het en hing de huid over de koppel, maar wierp het vlees weg. Toen floot hij schel en riep met machtige stem: ‘Mijn wijze zwart-bruin-grijze!’ En het gevlekte ros kwam er aan galopperen zodat de aarde dreunde; zijn ogen schoten vuur en uit zijn neusgaten steeg de damp omhoog. Onnozele Iwan kroop in zijn rechteroor; daar verkleedde hij zich en door het linkeroor kroop hij er weer uit. Toen was hij een knappe jongeman geworden. Hij sprong op zijn ros en reed erop los, en het scheelde maar twee balken of hij had het portret er afgehaald. Allen zagen waar hij vandaan kwam, maar niemand zag waar hij bleef. Hij liet zijn gevlekte ros lopen, keerde naar huis terug, ging op de kachel zitten en wachtte op zijn broers. Zij kwamen naar huis rijden en zeiden: ‘Vrouwen, dezelfde kranige jongeman is weer gekomen, en het scheelde maar twee balken of hij had het portret er afgehaald.’ Onnozele Iwan zei tegen hen: ‘Broers, was ik daar soms ook?’ ‘Wel alle drommels! Zit jij maar op je kachel!’

Korte tijd daarna kwam er weer een oproep van de tsaar. De broers maakten zich gereed om te vertrekken, maar Onnozele Iwan vroeg: ‘Geef mij het een of andere paard, broers. Ik wil er heen rijden en toekijken.’ ‘Blijf jij maar thuiszitten, sufferd. Hoe vaak moet je nog een van onze paarden vernielen?’ Maar zo waren ze niet van hem af, al bleven ze lange tijd bekvechten; en ten slotte zeiden ze dat hij de magere kleine merrie maar moest nemen.

Onnozele Iwan nam ook dit paard, slachtte het en wierp het vlees weg. Toen liet hij zijn schelle gefluit horen en riep met machtige stem: ‘Mijn wijze zwart-bruin-grijze!’ Het gevlekte ros kwam er aan galopperen, zodat de aarde dreunde, zijn ogen schoten vuur en uit zijn neusgaten steeg de damp op als een zuil. Onnozele Iwan kroop in zijn ene oor, dronk en at daar, en kroop er door het andere weer uit. Nu was hij mooi gekleed; hij besteeg zijn ros en reed weg. Zodra hij het paleis van de tsaar had bereikt, rukte hij daar het portret en een doekje van de muur. De mensen zagen waar hij vandaan kwam, maar toen hij wegreed, zagen ze niet waar hij gebleven was. Weer liet hij het gevlekte ros lopen, ging thuis op de kachel zitten en wachtte op zijn broers. Zij kwamen naar huis rijden en zeiden: ‘Nu vrouwen, dezelfde knappe jongeman heeft vandaag de sprong gewaagd en het portret eraf getrokken.’ Onnozele Iwan zat achter de kachelpijp en zei: ‘Broers, was ik daar soms ook?’ ‘Wel alle drommels! Zit jij maar op de kachel.’

Kort daarop gaf de tsaar een bal, waarvoor hij alle bojaren, wojewoden, vorsten, raadsheren, senatoren, kooplui, burgers en boeren had uitgenodigd. Ook de broers gingen erheen, en Onnozele Iwan wilde niet achterblijven. Maar op het bal gekomen, ging hij ergens op de kachel achter de pijp zitten en keek met open mond toe. De tsarewna zorgde voor de gasten, bracht aan ieder van hen bier en lette op of een van hen soms zijn mond afveegde met het doekje dat hij van de muur had getrokken – want hij moest haar verloofde zijn. Maar niemand deed dit; Onnozele Iwan had ze niet gezien en dus overgeslagen. De gasten gingen naar huis.

De volgende dag gaf de tsaar opnieuw een bal, maar ook ditmaal werd de jongeman die het doekje van de muur had getrokken, niet ontdekt. Op de derde dag bood de tsarewna weer met eigen handen haar gasten bier aan; ze kwamen allen aan de beurt, maar niemand veegde zijn mond af met het doekje. ‘Hoe kan het,’ dacht ze bij zichzelf, ‘dat mijn verloofde niet hier is ?’ Ze keek omhoog en zag daar achter de kachelpijp Onnozele Iwan zitten. Hij was slordig gekleed, zat onder het roet, zijn haren stonden overeind. Zij schonk een glas bier in en bracht het hem; maar de broers die dat zagen, dachten: ‘De tsarewna brengt ook aan die sufferd bier.’ Onnozele Iwan dronk het op en veegde zijn mond af met het doekje. De tsarewna was verheugd, nam hem bij de hand, bracht hem bij haar vader en zei: ‘Vader, dit is mijn verloofde.’ Het was of er een steek door het hart van de broers ging, en zij dachten: ‘Wat mankeert de tsarewna? Is ze soms gek geworden dat ze in die onnozele hals haar verloofde ziet?’ Maar alle redenaties liepen hierop uit: er werd ter ere van de bruiloft een vrolijk feest gevierd. Onze Iwan was toen geen Onnozele Iwan meer, maar Iwan, de schoonzoon van de tsaar. Hij maakte zich schoon, knapte zich op, en werd een zo keurige en verstandige jongeman, dat de mensen hem niet herkenden.

Toen zagen de broers in wat het zeggen wil als je op het graf van je vader overnacht.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2950-2768

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – vertelstof (Of geschiedenis?)

.

Iedere klas op de vrijeschool heeft zijn eigen vertelstofmotief.
Al op de eerste dag van de cursus die Rudolf Steiner hield voor de leerkrachten die met de 1e vrijeschool in Stuttgart zouden beginnen, gaf hij een opsomming van de vertelstof die volgens hem geschikt zou zijn voor de betreffende klassen.

1. ein gewisser Märchenschatz
2. Geschichten aus der Tierwelt in Verbindung mit der Fabel
3. Biblische Geschichte als Teil der allgemeinen Geschichte (Altes
Testament)
4. Szenen aus der alten Geschichte
5. Szenen aus der mittleren Geschichte
6. Szenen aus der neueren Geschichte
7. Erzählungen über die Volksstämme
8. Erkenntnis der Völker.

1 sprookjes
2 dierenverhalen in samenhang met de fabel
3 Bijbelse geschiedenis als deel van de algemene geschiedenis (Oude Testament)
4 scènes uit de oude geschiedenis
5 scènes uit de middeleeuwse geschiedenis
6 scènes uit de nieuwere geschiedenis
7 verhalen over volkeren
8 volkenkunde
GA 295/19
Praktijk van het lesgeven/20

Wie nu een vrijeschoolleerkracht vraagt naar de motieven van de vertelstof voor de verschillende klassen, krijgt een heel ander lijstje:

aan de 2e klas zijn toegevoegd: de legenden
de 3e klas is vrijwel uitsluitend ‘het Oude Testament”,
de 4e heeft zijn Noordse mythologie,
de 5e de Griekse,
de 6e de Romeinse mythologie, overgaand in geschiedenis
de 7e de ontdekkingsreizen
de 8e biografieën

Wanneer Caroline von Heydebrand het leerplan in 1925 op schrift stelt, staat er – ik houd als voorbeeld even de 4e klas aan:

Vertel- en leesstof voor deze klas vormen o.a. de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.

Er moet dus tussen 1919 en 1925 een verandering zijn opgetreden van ‘scènes uit de oude geschiedenis’ naar ‘Germaanse mythologie’.
Ik heb (nog) niet kunnen vinden waardoor of door wie en wanneer deze verandering ontstond. 

Maar zoiets geldt ook voor de 7e klas waarover het in dit artikel gaat.

‘Verhalen over volkeren’ geeft Steiner aan.
Von Heydebrand: ‘Volkeren- en rassenkunde* bieden lees- en vertelstof’.

*In 1919 geeft Rudolf Steiner een opsomming van de vertelstofmotieven voor de verschillende klassen. Voor klas 7 geeft hij aan: ‘Erzählungen über die Volksstämme [GA 295/19] Vertaald als ‘verhalen over volkeren’. zie boven.
In de pedagogische voordrachten zegt Steiner nergens iets over ‘rassen’. 
Er is door hem ook geen vak ‘rassenkunde’ geïntroduceerd.
In zijn antroposofisch werk vinden we wél allerlei gezichtspunten over de rassen.
In de pedagogische en ook andere voordrachten vinden we dat ‘antroposofie’ – dus dan óók zijn rassenopvattingen – NIET in de lesstof thuishoort. [zie hier]
Desalniettemin hebben leraren in het verleden deze ‘antroposofische rassenkunde’ wél als periodestof aangeboden. 
In 1996 leidde dit tot een ‘rel’.
In een latere uitgave van von Heydebrands leerplan komt de ‘rassenaanwijzing’ niet meer voor.  

In 1987 schrijft W.F. Veltman in ‘Vrije Opvoedkunst‘ waar het over de 7e klas gaat:

Het gezicht wordt ook al iets minder rond; er komen wat hoekiger vormen, de neus, de kaken. Wat gebeurt hier eigenlijk? De mens groeit naar de aarde toe en ontwikkelt dat stelsel dat het meest aardse, meest gevormde, maar ook meest dode is: het skelet. Deze ontwikkeling is het sein dat in het denken de mogelijkheid tot abstractie gaat ontwaken. In het Vrije School* leerplan zien we als vak de algebra optreden. Het algebraïsche, abstracte denken ontstaat in de mensheid veel en veel later dan men meestal aanneemt. Pas met de komst van de Renaissance en het Humanisme, dus bij het aanbreken van de Nieuwe Tijd, gaat dit soort denken zich echt ontplooien. De Arabieren hadden het al eerder ontwikkeld, zodat zij in dit opzicht de leermeesters van de mensheid geweest zijn. Het is niet verwonderlijk dat het leerplan van de 7e klas ook in andere opzichten het aanbreken van de Nieuwe Tijd als leerstofmotief vertoont. We zeggen dan: de 7e klas is de klas van de ontdekkingsreizen en we zorgen ervoor dat de kinderen in dat jaar een spannend toneelspel kunnen instuderen dat hiermee te maken heeft.

Maar uit het voorafgaande zien we direct, dat dit niet een gezellig zoethoudertje is, of dat we Columbus ook best in de 6e klas Amerika kunnen laten ontdekken. Dat moet in de 7e gebeuren. De ontdekkingsreizen hangen samen met de drang in de mensheid de aarde te leren kennen. Hiervoor moest het intellect, het abstracte denken, zich ook losmaken van bijgeloof, van niet meer begrepen oude spiritualiteit die opgedroogd of misvormd was. Waarneming van de uiterlijke wereld en nuchter nadenken over het waargenomene, dat is aan de orde bij de overgang van de middeleeuwen naar onze tijd. En dat is ook aan de orde bij de overgang naar de puberteit bij de individuele mens.

Er wordt in vrijeschoolkring vaak gezegd dat ‘het kind in zijn ontwikkeling de ontwikkelingsfasen van de mensheid herhaalt’, maar zo’n opvatting is a.h.w. te ongenuanceerd, als er niet meteen bij wordt gezegd dat het om de ‘bewustzijnsontwikkeling’ gaat. Dan zie je inderdaad parallellen, zoals Veltman hierboven beschrijft.

In haar boekjeVan roodkapje tot parcifalschrijft Wil van Houwelingen over klas 7: (1977)

Klas VII – PARC I FA L

“In de glans der Middeleeuwen
als aan koninklijke hoven
bij het haardvuur van de burchten
in de stilte van de kloosters,
troubadours en barden komen,
als men stil, aandachtig luistert
naar ’n lied, ’n schoon verhaal
bloeit het grootst verhaal van alle,
ongekend in spanning, kracht.

Van een ridder, Parcifal
hoog van afkomst, en bestemd
met de krans der ridderdeugden
die hij, zwaar beproefd, verwerft,
eens te vinden het geheim
door niet zoekend, toch te zoeken
dwars door alle dalen heen,
het geheim van Montsalvanche
van de wonderbare Graal. “

Zo begon het Parcifal-boek van een zevende klas, toen men van het verhaal voor zichzelf *n boek wilde maken, met eigen gedichten en tekeningen, ’n Ervaring om nooit te vergeten en intens dankbaar voor te zijn. Mee te maken, hoe kinderen in de ban van zo’n diepe, verheven levensgang het beste in zichzelf ontdekken en onder woorden brengen.

Bijna-zwijgend, verlegen, was men het erover eens, dat op de laatste bladzij alleen moest staan:

De Graalsvraag.
“Oom, wat deert U?
Wat heeft U in verwarring gebracht? “

Dit was nl. de vraag, die Parcifal in zichzelf moest vinden, om de lijdende koning Amfortas te verlossen. Met deze vraag werd hij” Graalskoning.

’t Sleutelwoord van de 7 klas zou men kunnen noemen: “t ontwaken van het geweten”, nog dieper naar binnen maar ook praktisch naar buiten in bv. het nieuwe vak: gezondheidsleer.

Behalve Parcifal, die tot de relatie met de andere mens moet komen, in wat het allersimpelste lijkt: ‘Wat scheelt eraan? Kan ik iets voor je doen?” biedt ook de geschiedenisstof van de 7e klas wéér die inhoud waar het kind zelf aan toe is. Verantwoording tegenover zichzelf. Maarten Luther op de Rijksdag te Worms: “Hier sta ik – ik kan niet anders. ” Willem van Oranje, Thomas More en vele anderen. Maar ook de ontdekkingsreizigers die alle ontberingen er voor overhebben de aarde verder te ontdekken. Hier wordt ook veel lectuur geboden die het kind zelf kan lezen. Aardrijkskunde – volkenkunde; ’n Engelsman is anders dan ’n Spanjaard, anders dan ’n Hollander, maar dat wil niet zeggen beter of slechter. De oordeelsvorming wordt begeleid.

De klimatologie van de 6e klas wordt uitgebreid tot kosmografie. Het kind hoort van het Platonische jaar. Zijn ademhalingsritme staat in verband met ’t ritme van de zon in zijn gang door de dierenriem.

Zo kan, naar ik hoop, zelfs ’n onvolledige gang door ’t leerplan (veel vakken werden niet eens genoemd – de vertelstof stond centraal) tóch aantonen dat juist een algemene ontplooiing in alle gebieden in elk kind, ook ’t bijzonder kunstzinnige, ook het al te dromerige en ook het kind dat toch zo goed kan leren, ’n vruchtbare basis legt voor het ontwikkelen van in aanleg aanwezige vermogens en ’t geboren worden van de eigen Individualiteit.
ill. Chris v.d. Most 

Parcifal als vertelstof voor klas 6 en 7 hoor je nauwelijks genoemd als de leerkracht anno nu over ‘vertelstof’ spreekt.
In 1935 besteedde Max Stibbe er een artikel aan in Vrije Opvoedkunst.
Parcifal is vooral een periode geworden in klas 11.

De Zwitserse vrijeschoolleerkracht Hans Rudolf Niederhäuser († 1983) werkte Steiners aanwijzing uit in zijn boekje:
‘Fremde Länder, fremde Völker’

Van Houwelingen noemde een aantal historische figuren over wie verteld zou kunnen worden. 
Hier raakt ‘vertelstof’ aan geschiedenis. Daarmee is niets mis. Steiner was een groot voorstander van vakkenintegratie.
Juist omdat de geschiedenisperiode veel stof omvat, is het zeker niet onverstandig om bepaalde inhoud als vertelstof te gebruiken, buiten de geschiedenisperiode om.
Aanwijzingen vind je bij Lindenberg:Geschiedenis leren

.

Leerplan: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

2947-2765

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 52)

.

Zie eerst de inleiding tot dit onderwerp.

In deze artikelen ging het over het fysiek lichaam. De opmerkingen van Rudolf Steiner daarover in zijn verschillende voordrachten.

Als een soort definitie isoleerde ik daarin de opmerkingen van de context.
Daardoor werd wel duidelijk hoe Steiner karakteriseert en dat wij deze omschrijvingen goed kunnen gebruiken wanneer we het mensbeeld waarmee we werken, willen uitleggen.

Anderzijds kan, wat ik daar doe, helemaal niet. Want om iets duidelijk te maken, raadt Steiner ons aan, bijv. vooral in ‘tegenstellingen’ te denken.

Zo zegt hij vaak dat we ‘het leven moeten leren kennen’ en daarbij moeten we niet uit het oog verliezen:

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen.

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/ 149
Op deze blovertaald/149

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/119

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/153
vertaald/150

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Vooral ‘het ene op het andere betrekken’ en naar de tegenstellingen kijken, geeft ons meer inzicht in de samenhang van de wezensdelen.

De opmerkingen over het fysieke lichaam zullen nu in relatie worden gebracht met die over het etherlijf.

GA 52

Voordracht 12, Berlijn 7 maart 1904

                                        Theosophie und Somnambulismus

Blz. 254

Den physischen Körper mit allen seinen Organen, einschließlich des Nervensystems, des Gehirns und aller Sinnesorgane kann die Theosophie nach ihrer Beobachtung nur ansehen als eines der Glieder, aus dem der ganze, volle
Mensch besteht. Dieser physische Körper enthält Stoffe und Kräfte, die der Mensch gemeinschaftlich hat mit der ganzen übrigen physischen Welt.
Dasjenige, was sich in uns in chemischen und physikalischen Prozessen abspielt, ist nichts anderes, als was sich auch außerhalb unseres Körpers in der
physischen Welt, in den chemischen Vorgängen abspielt. Aber wir müssen uns fragen: Warum spielen sich diese physikalischen und chemischen Prozesse innerhalb unseres Körpers so ab, daß sie vereinigt sind zu einem physischen Organismus? Darüber kann uns keine physische Wissenschaft einen Aufschluß geben. Die physische Naturwissenschaft kann uns nur über das belehren, was sich an physischen und chemischen Prozessen in uns abspielt, und es wäre gewiß nicht angemessen, wenn der Naturforscher den Menschen deshalb einen wandelnden Kadaver nennen würde, weil er als Anatom nur Physisches in dem menschlichen Körper entdecken kann. Es muß etwas da sein, was die chemischen

Theosofie en somnambulisme

Het fysieke lichaam met al zijn organen waar het zenuwsysteem en de hersenen bij horen en alle zintuigorganen kan de theosofie zoals zij dat beoordeelt, alleen zien als een van de delen waaruit de volledige mens bestaat. Dit fysieke lichaam bevat stoffen en krachten die de mens gemeenschappelijk heeft met de hele overige fysieke wereld.
Wat zich in ons aan chemische en fysische processen afspeelt, is niets anders dan wat zich ook buiten ons lichaam in de fysieke wereld, in de chemische processen afspeelt.

Maar we moeten ons wel afvragen: waarom spelen deze fysische en chemische processen binnen ons lichaam zo af dat samen een fysiek organisme vormen. Daarover kan geen enkele natuurwetenschap een verklaring geven. De natuurwetenschap kan ons alleen maar informeren over wat er zich aan fysische en chemische processen in ons voltrekken en het klopt zeker niet wanneer de natuurwetenschapper de mens omdat hij als anatoom alleen iets fysieks in het menselijk lichaam ontdekken kan, daarom de mens een wandelend lijk zou noemen. Er moet iets zijn, wat de chemische

Blz. 255

und physikalisdien Prozesse zusammenhält, sie gleichsam
gruppiert in der Form, wie sie sich innerhalb des menschlichen Körpers abspielen. Dieses nächste Glied der menschlichen Wesenheit nennen wir in der Theosophie den sogenannten Ätherdoppelkörper.

en fysische processen bij elkaar houdt, die a.h.w. groepeert in de vorm waarin ze zich binnen het menselijk lichaam voltrekken. 
Het volgende wezensdeel van de mens noemen we in de theosofie het zgn.  etherdubbellichaam.

Steiner noemt dit later meestal het ‘etherlijf‘.

Dieser Ätherdoppelkörper ist dasjenige, was die physischen Prozesse zusammenhält.
Im Tode verläßt der Ätherdoppelkörper mit anderen höheren Gliedern, die wir kennenlernen werden, den physischen Körper, und daher wird der physische Körper der Erde übergeben und vollzieht nur noch physische Prozesse. Daß
er das während des Lebens nicht tut, daran ist der Ätherdoppelkörper schuld.

Het etherlijf houdt de fysische processen bij elkaar.
Met de dood verlaat het etherlijf met andere hogere wezensdelen die we nog zullen leren kennen, het fysieke lichaam en vandaar dat het fysieke lichaam aan de aarde overgedragen wordt en dan voltrekken zich alleen nog maar fysische processen. Dat dit tijdens het leven niet gebeurt, komt door het etherlijf.
GA 52/254-255   
Niet vertaald  

Steiner spreekt ook over crematie.  (Feuerbestattung)

Wanneer het over het etherlijf gaat, is dit het tweede wezensdeel – het eerste is het fysieke lichaam – maar het eerste wezensdeel dat we met de gewone zintuigen niet kunnen waarnemen.

Steiner merkt over deze vorm van waarnemen hier op:

Derjenige, der ein gewisses hellseherisches Vermögen ausbildet, kann es dahin bringen, diesen Ätherdoppelkörper zu sehen; er ist dasjenige, was für den Hellseher am allerleichtesten zu sehen ist. Wenn ein Mensch vor Ihnen steht und Sie sind ein Hellseher, so sind Sie imstande, den gewöhnlichen physischen Körper abzusuggerieren. Wie Sie es im gewöhnlichen Leben mit Dingen

Wie een bepaald helderziend vermogen ontwikkelt, kan zover komen dat hij dit etherlijf kan zien; voor de helderziende is dit het makkelijkst te zien.
Wanneer er een mens voor je staat en je bent helderziend, ben je in staat het gewone fysieke lichaam -[het Duits heeft hier: ‘absuggerieren’- het blijkt hierna dat je zou moeten doen alsof het er niet is -]
Zoals je in het dagelijks leven met dingen zou kunnen doen die je voor he hebt, maar waar je je met je waarneming niet echt op richt, precies zo ben je als helderziende in staat, je waarneming niet te richten op het fysieke lichaam. Dan echter blijft er in de ruimte die het fysieke lichaam ingenomen heeft, nog steeds de hele lichamelijke verschijning achter in de vorm van een dubbellichaam dat er net zo uitziet als de uiterlijke vorm met een zeer fraaie, stralende kleur die op de kleur van perzikbloesem lijkt. Dit etherdubbellichaam houdt de fysieke processen bij elkaar.

machen können, die vor Ihnen sind und auf die Sie Ihre Aufmerksamkeit nicht richten, genauso sind Sie als Hellseher imstande, Ihre Aufmerksamkeit nicht zu richten auf den physischen Körper. Es bleibt dann aber in dem Raum, den der physische Körper ausgefüllt hat, noch immer die ganze körperliche Erscheinung zurück in Gestalt eines dem äußeren physischen Körper in der äußeren Form ganz ähnlichen Doppelkörpers von einer sehr schönen, leuchtenden Farbe, die etwa die Farbe der Pfirsichblüte hat. Dieser Ätherdoppelkörper ist dasjenige, was die physischen Prozesse zusammenhält.
Im Tode verläßt der Ätherdoppelkörper mit anderen höheren Gliedern, die wir kennenlernen werden, den physischen Körper, und daher wird der physische Körper der Erde übergeben und vollzieht nur noch physische Prozesse. Daß
er das während des Lebens nicht tut, daran ist der Ätherdoppelkörper schuld.

Het etherlijf houdt de fysische processen bij elkaar.
Met de dood verlaat het etherlijf met andere hogere wezensdelen, het fysieke lichaam en vandaar dat het fysieke lichaam aan de aarde overgedragen wordt en dan voltrekken zich alleen nog maar fysische processen. Dat dit tijdens het leven niet gebeurt, komt door het etherlijf.
GA 52/254-255   
Niet vertaald  

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het etherlijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2936-2754

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-2-2)

.

Een van de meest menselijke vermogens is het kunnen spreken.
Spreken kunnen we alleen leren door nabootsing. 
Omdat in vroegere sociale verhoudingen de moeder thuis voor het opgroeiende kind zorgde, heeft zich in de taal het begrip ‘moedertaal’ (het Engels heeft ‘de moeder tong!) gevestigd.

Rudolf Steiner gaf al in het begin van de vorige aan hoe belangrijk klanken zijn voor de vorming van bepaalde gebieden in de hersenen. 
Het huidig hersenonderzoek geeft hem daarin gelijk. (Al wordt dat niet zo luid verkondigd, simpelweg omdat men het werk van Steiner te weinig kent).

Zie voor verdere onderbouwing nu: Algemene menskunde voordracht 11 [11-3]
Daarna [11-4]
De inhoud van deze artikelen legt de basis voor wat al jaren met kinderen wordt gedaan vanuit een instinctief gezond gevoel van de ouders/opvoeders:

Ze zingen liedjes, bijv. als het kind gaat slapen.

Slaapliedjes

Wanneer je slaapliedjes googelt, krijg je nu in eerste instantie videoclipjes met begeleidende muziek.
Maar begeleiding en beeld is volkomen overbodig. 
Wat er tussen jou en het kindje moet gebeuren, moet een op een plaatsvinden. Ik denk dat het niet verstandig is om dat wat er tussen jullie moet gebeuren, a.h.w. ‘uit te besteden’, de indruk wekkend dat het belangrijkste tussen jullie, zich buiten jullie bevindt.
Om het liedje als ouder zelf te leren om het te kunnen zingen, is een filmpje reuze handig, ook voor eventuele gebaren. Maar voor de interactie ouder-kind is het volkomen overbodig.

Slaapliedjes

Als kindertjes slapen moeten
Pentatonisch

’s Avonds als de maan schijnt
Rustig en simpel

’s Avonds als het donker is
Dit liedje is wat moeilijker, dus eventueel voor als het kind wat ouder is en al een prentenboek met je bekijkt. Dan hoort dit liedje bij kabouter Tummetot

Beschermengel
Pentatonisch

Bij moeder aarde
Pentatonisch

Bijna vangt de avond aan
Heel simpel, pentatonisch. Dit kan je bij wijze van spreken al zingen zodra het kindje is geboren.

De aarde doet haar ogen toe
Heel rustig pentatonisch liedje; je kan het steeds langzamer en zachter laten uitklinken.

De zonne gaat dalen
Pentatonisch

Do-do, kindje van de minne

Eia poppeia

Ik heb er mijn kindje te slapen gelegd

Kaarsje, kaarsje, kaarsje

Katelijne slaapt

Kindje klein

Kindje, lieve kindje mijn

Kling-klang, met zilvr’en zang

Klokjes

Lieve aarde, lieve zon

Lieve, kleine poppedijne

Maantje tuurt, maantje gluurt

Oma’s slaapliedje

Slaap gerust, mijn kindje!

Slaap, kindje, slaap! (1)

Slaap, kindje, slaap! (2)

Slaap maar fijn!

Slaap, mijn kleine wilgenkind!

Slaap, mijn lieve kindekijn!

Slaap nu zacht!

Wanneer wij ’s avonds slapen gaan

Wiegeliedje

Wiegen in mijn armen

Zie bijv. ook: Koesteren door liedjes zingen
Amalia Baraes over: zingen schept een band; eigen liedjes, bestaande en pentatonische; taalontwikkeling; radio of cd?
.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Nabootsing      lopen-spreken-denken      spel      ritme

Vrijeschool in beeld: kleuters

.

2904-2724

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over meetkunde (GA 301)

Opmerkingen van Rudolf Steiner over meetkunde die hij in zijn pedagogische voordrachten maakte (GA 293 – 311) en uit enkele andere voordrachten.

.GA 293   GA 294    GA 295

GA 301 

Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap

Blz. 212

Voordracht 13, Bazel 10 mei 1920 

Das kindliche Spiel

Das Geometrische wird von demjenigen, der selbst gewisse Erfah­rungen mit der Geometrie gemacht hat, wirklich so empfunden wer­den können, daß es allmählich aus dem Ruhenden ins Lebendige hereingeholt werden sollte. Eigentlich reden wir doch von etwas sehr allgemeinem, wenn wir sagen: Die Winkelsumme eines Dreiecks ist 180 Grad. Das ist bei jedem Dreieck der Fall, nicht wahr. Können wir uns aber jedes Dreieck vorstellen? Wir werden nicht immer aus der heutigen Bildung heraus anstreben, unseren Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beizubringen; es wäre aber gut, wenn wir unsern Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beibrächten, nicht einen toten Begriff, nicht bloß ein Dreieck, das ja dann immer ein spezielles, individuelles Dreieck ist, hinzeichnen lassen, sondern ihnen sagen: Hier habe ich eine Linie. Ich bringe das dann so weit, daß ich auf irgendeine Weise – ich kann Ihnen natürlich nicht alle Einzelheiten in diesem kur­zen Vortragskurse entwickeln – dem Kinde den Winkel von 180 Grad in drei Teile teile. Ich kann auf unendlich viele Weisen diesen Winkel in drei Teile teilen. Ich kann dann jedesmal, wenn ich diesen Winkel in drei Teile geteilt habe, zum Dreieck dadurch übergehen, daß ich dem Kinde zeige, wie der Winkel, der hier ist, hier auftritt; so werde ich, indem ich die Sache auf dieses übertrage, ein solches Dreieck bekom­men. Indem ich übergehe von den drei fächerförmig nebeneinander­liegenden Winkeln, kann ich unzählige Dreiecke, die sich da bewegen, vorstellen, und diese unzähligen Dreiecke haben selbstverständlich die Eigenschaft, daß ihre Winkelsumme 180 Grad ist, denn sie entstehen ja aus der Teilung der 180 Grade der Winkelsumme. So ist es gut, in dem Kinde die Vorstellung des Dreiecks hervorzurufen, das eigentlich 

Het spel van het kind

Meetkunde zal door degene die er zelf bepaalde ervaringen mee heeft opgedaan, werkelijk zo kunnen worden ervaren, dat het stap voor stap vanuit de rust tot leven moet worden gebracht. Eigenlijk hebben we het toch over iets zeer algemeens, als we zeggen: de som van de hoeken van een driehoek is 180º. Dat is bij iedere driehoek het geval, niet waar. Kunnen wij ons echter iedere driehoek voorstellen?
Wij zullen niet steeds vanuit onze huidige opleiding ernaar streven, onze kinderen een beweeglijk begrip van de driehoek bij te brengen; maar het zou goed zijn als we dat wél deden, geen dood begrip, niet alleen maar een driehoek, dat dan altijd een speciale, individuele driehoek is, laten tekenen, maar hun zeggen: ‘Hier heb ik een lijn.’ Ik ga dan zo ver, dat ik op de een of andere manier – ik kan natuurlijk in deze korte voordrachtscursus niet alle details met u nagaan – voor het kind de hoek van 180º in drie delen verdeel. Dat kan ik op eindeloos veel manieren doen. Ik kan dan iedere keer, als ik deze hoek in drie delen heb verdeeld, naar de driehoek gaan door het kind te laten zien, hoe de hoek die hier zit, ook hier zit; dan zal ik, als ik dat hier naartoe overbreng, zo’n driehoek krijgen. Wanneer ik van de drie waaiervormige naast elkaar liggende hoeken uitga, kan ik me ontelbaar vele driehoeken die zich daar bewegen, voorstellen en deze hebben vanzelfsprekend de eigenschap dat de som van hun drie hoeken 180º is, want ze ontstaan door de deling van de 180º van de hoeksommen. Zo is het goed in het kind de voorstelling van de driehoek op te roepen, wat eigenlijk

Blz. 213

in innerer Beweglichkeit ist, so daß man gar nicht die Vorstellung be­kommt eines ruhenden Dreiecks, sondern die Vorstellung eines beweg­ten Dreiecks, das ebensogut ein spitzwinkliges wie ein stumpfwinkliges, wie ein rechtwinkliges sein kann, weil ich gar nicht die Vorstellung des ruhenden Dreiecks fasse, sondern die Vorstellung des bewegten Dreiecks. Denken Sie sich, wie durchsichtig die ganze Dreieckslehre würde, wenn ich von einem solchen innerlich bewegten Begriffe ausgehen würde, um das Dreieckmäßige zu entwickeln.

in een innerlijke beweging is, zodat je helemaal niet de voorstelling krijgt van een driehoek in rust, maar de voorstelling van een beweeglijke driehoek, die net zo goed een scherpe, of een stomphoekige, of een rechthoekige kan zijn, omdat ik niet de voorstelling van een rustende driehoek neem, maar van de bewegende. Bedenk eens hoe doorzichtig heel de leer van de driehoeken zou worden, wanneer ik uitga van een dergelijk innerlijk bewegend begrip om alles over de driehoek te ontwikkelen.

Over een schilderoefening met meetkundige figuren voor bepaalde kinderen.
Joep Eikenboom zegt over deze oefening:
‘een buitengewoon sterke oefening voor het vasthouden van een innerlijk visueel beeld, en dan vervolgens proberen – door goed op te letten – die voorstelling op papier te krijgen. Wakker maken in de zintuigen op een kunstzinnige manier. Eigenlijk zo’n simpele aanwijzing van R.Steiner, tegelijk geniaal.’
‘Een schilderoefening bruikbaar voor alle kinderen vanaf klas 6, niet alleen voor speciale gevallen.’
.

Rudolf Steiner over meetkunde

Meetkundealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas meetkunde

.
2901-2721

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-5-1)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald**

Enkele gedachten bij blz. 205-207 van de vertaling**

Aan het slot van de laatste, 14e voordracht op 5 september 1919 stelt Steiner a.h.w. 3 eisen aan de vrijeschoolleerkracht [14-5]

Wanneer hij de volgende dag de cursus afsluit*, komen die opnieuw aan bod.
Maar allereerst is er een nieuwe eis bij, d.w.z. hij wil die woorden in ons hart leggen. Dat zijn de woorden die gaan over de relatie leerkracht-kind.
Het zijn dus eigenlijk woorden over het kind dat hier weer op de eerste plaats komt.

*Op 6 september is er geen voordracht ‘Algemene menskunde’ meer, ook geen ‘Methodisch-didactische voordracht, maar ’s ochtends wel 2 ‘Leerplanvoordrachten, GA 295. ’s Middags volgt dan de ’15e werkbespreking’ samen met de derde voordracht over het leerplan. 
Dan volgt de afsluiting. 
In de Duitse GA 293 (Pdf) is deze afsluiting niet opgenomen, wel in de Nederlandse vertaling. 
In de Duitse GA 294 is deze ook opgenomen, in de vertaling eveneens; en in de Duitse GA 295 en de vertaling.

 GA 295/184    vert. in GA 293/205

Heute möchte ich nun diese Betrachtungen schließen, indem ich Sie
noch einmal hinweise auf das, was ich Ihnen gewissermaßen ans Herz
legen möchte. Das ist, daß Sie wirklich an vier Dinge sich halten:

Vandaag wil ik deze beschouwingen afsluiten door u nog een keer de dingen te zeggen die ik u eigenlijk op het hart zou willen drukken. Houdt u zich aan vier dingen:

Erstens daran, daß der Lehrer im großen und auch im einzelnen in der ganzen Durchgeistigung seines Berufes und in der Art, wie er das einzelne Wort spricht, den einzelnen Begriff, jede einzelne Empfindung entwickelt, auf seine Schüler wirke! Daß der Lehrer ein Mensch der Initiative sei, daß er Initiative habe! Daß er niemals lässig werde, das heißt, nicht voll dabei sein bei dem, was er in der Schule tut, wie er sich den Kindern gegenüber benimmt. Das ist das erste: Der Lehrer sei ein Mensch der Initiative im großen und im kleinen Ganzen.

Ten eerste dat een leraar in het grote en ook in het kleine in de wijze waarop hij het geestelijke in zijn beroep laat doorwerken, in de wijze waarop hij ieder afzonderlijk woord spreekt, waarop hij ieder begrip, ieder gevoel ontwikkelt, invloed uitoefent op zijn leerlingen. Denkt u eraan dat een leraar iemand moet zijn met initiatieven, dat hij nooit ofte nimmer laks wordt, dat wil zeggen er niet helemaal bij is, bij wat hij op school doet, bij zijn houding naar de kinderen toe. Dat is het eerste: dat een leraar een mens met initiatiefkracht moet zijn in het grote en in het kleine geheel.

Het zou interessant zijn hierop met elkaar dieper in te gaan. Hoe doet ieder dat, ‘het geestelijke in zijn beroep laten doorwerken’.
Wanneer ben je ‘laks’. Als je in je 2e rondje alle stof simpelweg gaat herhalen uit je 1e?
Of ‘met het boek in de hand‘?  

Wat hij ook nog niet heeft gezegd is dit:

GA 295/184-185   vert. 205

Das zweite, meine lieben Freunde, ist, daß wir als Lehrer Interesse
haben müssen für alles dasjenige, was in der Welt ist und was den
Menschen angeht. Für alles Weltliche und für alles Menschliche müssen
wir als Lehrer Interesse haben. Uns irgendwie abzuschließen für etwas,
Copyright Rudolf Steiner Nachlass-Verwaltung Buch: 295 Seite:184
was für den Menschen interessant sein kann, das würde, wenn es beim
Lehrer Platz griffe, höchst bedauerlich sein. Wir sollen uns für die großen Angelegenheiten der Menschheit interessieren. Wir sollen uns für
die großen und kleinsten Angelegenheiten des einzelnen Kindes interessieren können. Das ist das zweite: Der Lehrer soll ein Mensch sein,
der Interesse hat für alles weltliche und menschliche Sein

Het tweede, beste vrienden, is dat wij als leraar interesse moeten hebben voor alles wat er in de wereld bestaat en wat de mens aangaat. Als leraar moeten we interesse hebben voor alles in de wereld en alles in de mens. Het zou uiterst spijtig zijn als we ons als leraar op de een of andere manier zouden afsluiten voor iets dat interessant kan zijn voor de mens. We dienen ons te interesseren voor de grote aangelegenheden van de mensheid. We dienen ons te kunnen interesseren voor de grote en de kleinste aangelegenheden van ieder kind. Dat is het tweede: dat een leraar een mens moet zijn met interesse voor alles wat in de wereld en in de mens leeft.

Vervolgens komen dan de gezichtspunten die hij in de 14e voordracht gaf, met weer kleine nuances – met vérstrekkende gevolgen:

Und das dritte ist: Der Lehrer soll ein Mensch sein, der in seinem
Inneren nie ein Kompromiß schließt mit dem Unwahren. Der Lehrer
muß ein tiefinnerlich wahrhaftiger Mensch sein. Er darf nie Kompromisse schließen mit dem Unwahren, sonst werden wir sehen, wie durch
viele Kanäle Unwahrhaftiges, besonders in der Methode, in unseren
Unterricht hereinkommt. Unser Unterricht wird nur dann eine Ausprägung des Wahrhaftigen sein, wenn wir sorgfältig darauf bedacht
sind, in uns selbst das Wahrhaftige anzustreben.

Ten derde moet de leraar een mens zijn die innerlijk nooit een compromis sluit met onwaarheid. Een leraar moet diep in zijn innerlijk een waarachtig mens zijn; hij mag het niet op een akkoordje gooien met onwaarheid, anders zullen we zien hoe het onwaarachtige langs vele kanalen, vooral in de methode, ons onderwijs binnensluipt. Ons onderwijs zal alleen dan een uiting zijn van waarachtigheid, wanneer we zorgvuldig proberen in onszelf het waarachtige na te streven.

Er zijn helaas aanwijsbaar in de vrijeschoolmethode onwaarachtigheden geslopen, zoals je er hier een van kan zien. 

Und dann etwas, was leichter gesagt als bewirkt wird, was aber
doch auch eine goldene Regel für den Lehrerberuf ist: Der Lehrer darf
nicht verdorren und nicht versauern. Unverdorrte frische Seelenstimmung! Nicht verdorren und nicht versauern! Das ist dasjenige, was der
Lehrer anstreben muß.

En dan iets wat gemakkelijker gezegd is dan gedaan, maar wat ook een gulden regel is voor een leraar: een leraar mag geen droogpruim worden en geen zuurpruim. Een levendige, frisse stemming! Geen droogpruim en geen zuurpruim te worden — daar moet een leraar naar streven.

En dan volgt weer een oproep die m.i. ook vandaag de dag nog luid mag klinken, zelfs luider. Want verdiepen – ‘er ‘meditatief’ op ‘broeien’  – verwerken – zegt GA 302A*, is de enige basis waarop het vrijeschoolonderwijs gedijen kan.
Ik hoor nog tot een generatie die binnen de vrijeschoolwereld thuisraakte door ‘studie’, door verbinding proberen te vinden met de teksten van Steiner en hun uitleg door de inmiddels vele (oud- of reeds gestorven vrijeschoolleerkrachten die daarbij uit veel ervaring putten. 
De nieuwe generatie en zeker de komende – ik zeg dit zonder kritiek – groeit op met het ‘onmiddellijke’ door de snelle communicatiemiddelen.
I.p.v. de gedegen studie verschijnen er video’s waarop je kan zien hoe je een les kan geven. Vaak heel instructief en je mag hopen dat de maker van de video nog wel gedegen uit de achtergronden put, anders gaat dit middel voorbij aan wat Steiner hier aanroert. En dat voorbijgaan is m.i. de opstap naar vervlakkiung en veruiterlijking, naar de buitenkant.

*met daarin de voordrachten ‘Meditativ erarbeitete Menschenkunde’ vertaald als ‘Menskunde innerlijk vernieuwd’.

Und ich weiß, meine lieben Freunde, wenn Sie das, was wir in diesen
vierzehn Tagen von den verschiedensten Seiten her beleuchtet haben,
richtig aufgenommen haben in Ihre Seelen, dann wird gerade auf dem
Umweg durch die Empfindungs- und Willenswelt das scheinbar Fernliegende Ihnen sehr nahekommen, indem Sie den Unterricht ausüben.
Ich habe gerade in diesen vierzehn Tagen nichts anderes gesagt, als
was im Unterricht unmittelbar dann praktisch werden kann, wenn Sie
es in Ihren Seelen wirken lassen. Aber unsere Waldorfschule wird darauf angewiesen sein, meine lieben Freunde, daß Sie so in Ihrem eigenen
Inneren verfahren, daß Sie wirklich die Dinge, die wir jetzt durchgenommen haben, in Ihren Seelen wirksam sein lassen.

En ik weet, beste vrienden, dat als u werkelijk in uw ziel hebt opgenomen wat we in deze veertien dagen van diverse kanten hebben belicht, het schijnbaar verre doel dichterbij zal komen, via de omweg van de gevoels- en wilswereld, in het lesgeven zelf. Ik heb in deze veertien dagen enkel dingen genoemd die in het onderwijs direct in praktijk gebracht kunnen worden wanneer u ze in uw ziel laat werken. Maar onze Waldorfschool staat of valt ermee of u innerlijk zo te werk gaat dat u werkelijk de dingen die we nu besproken hebben in uw zielen werkzaam laat zijn.

En dan tot slot:

Blz. 186/187  vert. 206/207

Denken Sie an manches, was ich versucht habe klarzumachen, umein Begreifen des Menschen, namentlich des werdenden Menschen, psychologisch herbeizuführen, denken Sie an manches zurück! Und wenn Sie nicht wissen, wie Sie das eine oder andere im Unterricht vorzubringen haben, oder wann Sie es vorzubringen haben, an welcher Stelle, dann wird Ihnen überall ein Gedanke kommen können über solche Einrichtungen des Unterrichts, wenn Sie sich an das richtig erinnern, was in diesen vierzehn Tagen vorgekommen ist. Natürlich
müßte vieles viele Male mehr gesagt werden, aber ich möchte ja aus Ihnen auch nicht lehrende Maschinen machen, sondern freie, selbständige Lehrpersonen. So ist auch dasjenige gehalten worden, was in den letzten vierzehn Tagen an Sie herangebracht worden ist. Die Zeit war ja so kurz, daß appelliert werden mußte im übrigen an Ihre hingebungsvolle, verständnisvolle Tätigkeit.

Denkt u aan de dingen die ik heb proberen duidelijk te maken om de mens, met name de opgroeiende mens, psychologisch te begrijpen, denkt u eraan terug! En als u niet weet hoe u het een of ander in de les moet overbrengen, of wanneer en op welke plaats, dan zal u altijd iets daarover te binnen kunnen schieten, wanneer u zich goed herinnert wat er deze dagen aan de orde is geweest. Natuurlijk zouden veel dingen nog veel vaker gezegd moeten worden, maar ik wil van u ook geen lesmachines maken, maar vrije, zelfstandige leraren. Daarom heeft u alles van de afgelopen veertien dagen ook op deze wijze te horen gekregen. De tijd was immers zo kort, dat er voor de rest wel een beroep gedaan moest worden op uw eigen toegewijde en begripvolle activiteit.

Denken Sie aber immer wiederum an das, was zum Verständnis des Menschen, und namentlich des Kindes, jetzt vorgebracht worden ist. Bei allen einzelnen methodischen Fragen wird es Ihnen dienen können.
Sehen Sie, wenn Sie zurückdenken, dann werden sich schon bei den
verschiedenen Impulsen dieser vierzehn Tage unsere Gedanken begegnen. Denn ich selbst, das kann ich Ihnen die Versicherung geben, werde zurückdenken! Denn es lastet diese Waldorf schule gar sehr heute wohl auf dem Gemüte derjenigen, die an ihrer Einleitung und Einrichtung beteiligt sind. Diese Waldorfschule muß gelingen! Daß sie gelinge, davon wird viel abhängen! Mit ihrem Gelingen wird für manches in der Geistesentwickelung, das wir vertreten müssen, eine Art Beweis erbracht sein.

Maar denkt u steeds weer aan wat we hier gezegd hebben over het inzicht in de mens en met name in het kind. Het zal u bij alle concrete methodische vragen van dienst kunnen zijn.
Weet u, wanneer u terugdenkt, dan zullen onze gedachten elkaar bij de verschillende impulsen van deze veertien dagen wel ontmoeten. Want ikzelf, dat kan ik u verzekeren, zal terugdenken. Want deze Waldorfschool drukt zeker zwaar op de schouders van degenen die bij de oprichting en inrichting ervan betrokken zijn. Deze Waldorfschool moet lukken. Er hangt veel van af of ze lukt. Als ze lukt, dan zal het een soort bewijs zijn voor veel dingen die wij in de geestelijke ontwikkeling moeten vertegenwoordigen.

Wenn ich persönlich jetzt am Schluß mit ein paar Worten sprechen darf, möchte ich sagen: Für mich selbst wird diese Waldorf schule ein wahrhaftiges Sorgenkind sein. Und ich werde immer wieder und wieder müssen mit meinen Gedanken sorgend auf diese Waldorfschule zurückkommen. Aber wir können, wenn wir den ganzen Ernst der Lage betrachten, wirklich gut zusammenarbeiten. Halten wir uns namentlich an den Gedanken, der ja unser Herz, unseren Sinn erfüllt: daß mit der geistigen Bewegung der Gegenwart doch ebensogut geistige Mächte des Weltenlaufes verbunden sind. Glauben wir an diese guten Mächte, dann werden sie inspirierend in unserem Dasein sein, und wir werden den Unterricht erteilen können.

Als ik nu aan het eind iets persoonlijks mag zeggen: voor mijzelf zal deze Waldorfschool als een kind zijn dat voortdurend mijn aandacht zal hebben.0 En steeds en steeds weer zal ik mijn gedachten en mijn zorg moeten laten uitgaan naar deze Waldorfschool. Maar wanneer we de hele ernst van de situatie in ogenschouw nemen, dan kunnen we werkelijk goed samenwerken. Laten wij vooral vasthouden aan de gedachte die toch ons hart, ons innerlijk vervult: dat met de geestelijke beweging van deze tijd even goed ook geestelijke machten van de wereldontwikkeling verbonden zijn. Laten wij geloven aan deze goede geestelijke machten, dan zullen zij inspirerend in ons leven aanwezig zijn en zullen we in staat zijn ons onderwijs te geven.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
Momenteel uitverkocht. Scan ter inzage via vspedagogie@gmail.com

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

2888-2709

.

.

.

.