Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (94)

.

de 2e-kamerverkiezingen en vrijheid van onderwijs

Voor de vrijescholen kan het maar om één ding gaan:

VRIJHEID VAN INRICHTING of
ZO MIN MOGELIJK STAATSBEMOEIENIS

als het om de inhoud van het onderwijs gaat.

Of: gaat het om meer overheidsinvloed of het onderwijs overlaten aan de onderwijsgevenden.

Wat vinden de politieke partijen?

Hier (een deel van) hun onderwijsparagrafen uit hun verkiezingsprogramma.
Wat opvalt zijn de vele gezichtspunten in  hun  algemeenheid. Wat betekent in concreto een gedetailleerde uitwerking.
Zo vind je bij iedere partij punten waar je als vrijeschoolleerkracht ‘ja’ tegen zegt. En je weet ook dat nieuwe gezichtspunten in een bestaand ambtenarenapparaat niet zomaar gewoongoed zijn geworden.
Ik heb me voornamelijk gericht op de basisschool.
M.n. de ChristenUnie en Nederland met een Plan, de Partij voor de Sport en de Partij voor de Dieren hebben opvattingen die voor de vrijescholen positief zijn (natuurlijk ook weer niet op alle onderwijspunten).
Maar bij D66 en de VVD is dat allerminst zeker.

De partijen in alfabetische volgorde:

50Plus; BBB; Bij1; BVNL; CDA; CU; D66; DENK; FvD; Groenlinks/PvdA; Ja21; Lef; Nederland met een plan; NSC; Piratenpartij; PpvB; PvdD; PvdS; PVV; SGP; SVN; SP; Splinter; Volt; VVD
(Partijen die op kieslijst ’s Hertogenbosch staan)

Opmerkingen in blauw: phaw; het geeft te denken vanuit vrijeschoolperspectief

50Plus
nutsvoorzieningen zoals scholen en ziekenhuizen worden alleen gefinancierd voor zover ze openbaar zijn; de verzuiling van het onderwijs wordt afgebouwd. Het ministerie van onderwijs dient een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden hiervan. Zwemmen wordt toegevoegd aan het bewegingsonderwijs op basisscholen. Extra inzet op verbeteren van laaggeletterdheid.
Het hele programma

BOERBURGERBEWEGING

Voor BBB is de kernvraag hoe we ons onderwijssysteem weer zo inrichten dat kinderen weer goed kunnen lezen, schrijven en rekenen. Wij willen een onderwijssysteem dat minder bloot staat aan bureaucratische elementen met minder managementlagen, waarbij onze onderwijzers, leraren en docenten zich met name bezighouden met hetgeen zij het liefste doen en het beste kunnen: lesgeven.
We kiezen bewust voor de ontwikkeling van het kind.  
De vrijheid van onderwijs dient behouden te worden.
We vinden het belangrijk dat jongeren beschikken over goede leesvaardigheid en voldoende kennis van de eigen taal en cultuur. Daarom moet er zowel op de basis- als middelbare school meer aandacht komen voor deze basisvaardigheden.
Er moet meer voorlichting en positieve aandacht komen voor de praktische sector binnen het onderwijs en daarom komen er meer techniek/praktijklessen op de basis- en middelbare school.
We praten niet meer over hoogopgeleiden of laagopgeleiden. We praten alleen nog over theoretisch opgeleiden en praktisch opgeleiden. Dit moet ook in de naamstelling naar voren komen, zoals bijvoorbeeld:
MBO wordt Praktisch Beroeps Onderwijs (PBO)
HBO wordt Theoretisch Beroeps Onderwijs (TBO)
WO blijft Wetenschappelijk Onderwijs (WO)
Op alle onderwijsniveaus, te beginnen in het basisonderwijs, dient voorlichting over de digitale samenleving plaats te vinden. Deze moet zowel aan docenten als aan leerlingen gegeven worden. De overheid heeft een rol om informatie over diverse onderwerpen zoals AI, social media gebruik en andere zaken te verstrekken.
Het aanleren van digitale geletterdheid in het onderwijs is essentieel om ervoor te zorgen dat alle leerlingen de vaardigheden ontwikkelen die nodig zijn om effectief en zelfverzekerd te kunnen navigeren in een steeds veranderende technologische samenleving.
Onderwijsassistenten moeten deelopleidingen met verkrijging van een certificaat op de PABO kunnen volgen. Zo maak je het mogelijk om docenten in het primair onderwijs te krijgen op vakniveau.
De administratielast voor leraren wordt verlaagd.
De hele onderwijsparagraaf  

BIJ1
Kennis is kracht. De selectie en toetsing van basisschoolleerlingen voor het
voortgezet onderwijs moet anders en op een later moment. Advies voor
vervolgonderwijs wordt voortaan gebaseerd op een overeenkomst
tussen leraar, ouders(s) of verzorger(s) en leerling.
We stimuleren brede brugklassen en scholengemeenschappen met verschillende schoolsoorten (VMBO, HAVO, VWO).
We dichten de loonkloof tussen het basisonderwijs, voortgezet onderwijs,
praktisch onderwijs, theoretisch onderwijs, en wetenschappelijk
onderwijs: alle docenten gaan hetzelfde verdienen.
We zorgen voor kleinere klassen en verlichten de administratieve lasten.
De overheid maakt extra budget vrij voor kunst- en cultuureducatie.
De hele onderwijsparagraaf  

BELANG VAN NEDERLAND
Meer aandacht voor rekenen en schrijven, meer aandacht voor basisvaardigheden en minder tijd besteden aan onnodige zaken en ideologisch gedreven curriculum.
• Het curriculum richt zich grotendeels op belangrijke basisvaardigheden zoals
rekenen, schrijven en spellen en de kwaliteit hiervan wordt verbeterd.
Muziekonderwijs en sport moeten meer gestimuleerd worden op scholen,
omdat dit bijdraagt aan de leerprestaties van kinderen.
De hele onderwijsparagraaf

Christen-Democratisch Appel
De grondwettelijk vastgelegde vrijheid van onderwijs is  een uitstekende waarborg. Het CDA wil deugdelijk onderwijs op alle niveaus. Dat gaat over meer dan goede cijfers voor rekenen en taal en het opleiden voor een beroep. Onderwijs is bij uitstek de plek om ieder talent tot bloei te brengen en te ontwikkelen tot een goede burger.
We willen het aantal kinderen dat naar de voorscholen komt fors verhogen
realiseren.
De bureaucratische top-downcultuur is dringend aan revisie toe.
Het beheersen van de basisvaardigheden is nog niet op orde. leesoffensief om achterstanden weg te werken; mobieltjesverbod in de klas.
Om te vroege schoolkeuze te voorkomen willen wij in het middelbaar onderwijs
meer ruimte voor gecombineerde schooladviezen en verlengde brugklassen.
Onderwijsteams krijgen veel meer mogelijkheden voor maatwerk in hun eigen
samenstelling.
Ook onnodige administratie vanuit de besturen moet stoppen.
Leerkrachten moeten zich volledig in kunnen zetten voor hun taak,
namelijk het lesgeven.
De hele onderwijsparagraaf 

ChristenUnie
Onderwijsvrijheid is een democratisch grondrecht, stelsel met scholen voor openbaar en bijzonder onderwijs moeten we koesteren. s.
Houd artikel 23 van de Grondwet hoog.
Garandeer de vrijheid van inrichtingGeen voorstander van nog meer deugdelijkheidseisen in de wet die de vrijheid van inrichting inperken.
Versterk de identiteit van scholen. De vrijheid om zelf scholen te stichten.
Ruimte voor thuisonderwijs.
Levensbeschouwelijk onderwijs als recht.
Rolvaste inspectieDe inspectie heeft tot taak de kwaliteit van het onderwijs te bewaken op grond van deugdelijkheidseisen. De inspectie heeft een eigen focus en is geen controleur van scholen. Daarin moet zo rolvast blijven. De inrichting van het onderwijs is nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van de schoolgemeenschap zelf. Scholen kunnen eigen keuzes maken binnen de grenzen van de rechtsstaat, mits uitlegbaar vanuit onderwijskundig perspectief.
Meer
Meer voor de basisschool

Democraten66
Niet iedereen hoeft op hetzelfde moment door dezelfde hoepel.
In het onderwijs gebruiken we alleen effectief bewezen lesmethoden. Kwaliteit van het onderwijs staat voorop, met aandacht voor de basis: goed leren lezen, schrijven en rekenen. Mobiele telefoons en devices zoals smartwatches en tablets zijn niet toegestaan , tenzij …Ieder kind is anders; uitgangspunt niet de niveaus in het systeem zijn, maar het kind. Zodat iedere 12-jarige alle kansen krijgt. Meerjarige brugklassen en 10-14-scholen; in contact blijven met een brede groep leeftijdsgenoten; docenten en schoolleiders weer vertrouwen te geven en meer regie. Schaffen de vrijwillige ouderbijdrage in de huidige vorm af; zeggenschap en verantwoordelijkheid terug aan de school, onder toezicht van de ouders; de Inspectie blijft zich naast de besturen richten op de scholen. Als basis van beoordeling gelden de bevindingen van bezoeken en de toegevoegde waarde van het onderwijs voor het kind; stichten van een nieuwe school streng gecontroleerd wordt op de kwaliteit.

DENK
 Inzetten op een kenniseconomie; kinderen van verschillende niveaus samen met elkaar leren in brede scholen en brede (brug-)klassen; Vóór meer talen binnen het vroege talenonderwijs; meer brede brugklassen, brede scholen en het beperken van onomkeerbare vroege selectiemomenten; verminderen van de controle- en regeldruk;
de hele onderwijsparagraaf

Forum voor Democratie
Stoppen met de aanduidingenhoog’ en ‘laag’ opgeleid
Bijzonder onderwijs (artikel 23 Grondwet) behouden. Differentiatie op niveau behouden. Géén socialistische middenschool experimenten. Cultuur- en muziekeducatie een vaste plek geven in het curriculum. Fundamenten
van taal, rekenen en sociale omgang meekrijgen –
te weinig op kennisoverdracht. Eigen verantwoordelijkheid voor goed onderwijs. Nadruk terug op rekenen, taal, geschiedenis, aardrijkskunde en sport.
Meer eigen verantwoordelijkheid en vrijheid voor goed onderwijs bij de leer Minder administratieve rompslomp voor docenten zodat ze zich bezig kunnen houden met hun vak. Keuzevrijheid voor scholen om extra vakken aan te bieden behouden en verruimen. Bevordering van traditioneel onderwijs op basis van ‘directe instructie’: de leraar legt uit en de leerling luistert.
de hele onderwijsparagraaf

JuisteAntwoord21        Joost(Eerdmans)Annabel(Nanninga)
Meer ruimte voor oprichten niet-staatsgerelateerde scholen op elk onderwijsniveau; 1e plaats: kennis en kunde, 2e vorming individu
Hele onderwijsparagraaf  

LEF
Thuisonderwijs en zelfstandig leren makkelijker nieuweleerconcepten waar niet het curriculum en hoge cijfers halen belangrijk zijn, maar het leren van
levensvaardigheden en de interesses van de leerling zelf. Brede brugklas segregatie tegengaan.
De hele onderwijsparagraaf

NederLand met een PLAN
Op een natuurlijke manier leren ontwikkelen. Geen voorgekauwde leerboeken, Werkelijk onderwijs, werkelijke kunst, cultuur en wetenschap hebben te maken met resonantie. Wanneer een kind vanuit zijn/haar diepste wezen resoneert met de kennis die vanuit het hart gegeven wordt, is er een connectie mogelijk die leidt tot werkelijke inspiratie en creativiteit. Alleen dan is de gezonde ontwikkeling van een kritische en empathisch bewuste geest mogelijk, die zich in een volwassen leven weerbaar kan opstellen wanneer een afgestompte en voorgeschreven werkelijkheid plots wordt opgedrongen. Faciliterende overheid die zich niet te veel bemoeit met de inhoud. Vanaf het tweede levensjaar verplicht twee dagen per week opvang voor alle kinderen. Aansluiten op de ontwikkeling van kinderen. Kinderen mogen in hun eigen tempo en op hun eigen tijd ontdekken hoe zij zich met zichzelf en de wereld verbinden. Werkdruk verlagen. Basisonderwijs: bewegen en de wereld onderzoeken centraal staan naast taal en rekenen. Creativiteit stimuleren. Stoppen met het door de overheid opgelegde scoren; niet in vakjes plaatsen van de leerlingen op basis van een ‘toets’-cultuur. Er kan weer naar kinderen gekeken worden op basis van hun welzijn en ontwikkeling in plaats van hun toetsresultaten. Bijzonder onderwijs is een grondrecht. De diversificatie van de Nederlandse samenleving mag ook vorm krijgen in het onderwijs. Meer ruimte voor scholen van verschillende invalshoeken en nieuwe lesprogramma’s. Schoolgeld naar draagkracht. Brede ontwikkeling op het gebied van bewustwording, kunst, cultuur, sport en spel, praktisch (handenarbeid, koken, fotografie, smeden, handwerken etc.), technisch en cognitief onderwijs.
De hele onderwijsparagraaf

NieuwSociaalContract
Afnemen regeldruk en administratieve lasten; geen onderwijsvernieuwingen onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.
Het basisniveau van rekenen en lezen moet omhoog. Goede balans cognitieve
ontwikkeling, kennis van de wereld en het ontwikkelen van creativiteit.
Mobiele telefoons en andere digitale communicatieapparatuur alleen toegestaan wanneer deze nodig zijn voor de les. Aanbod verschillende soorten scholen   is goed.
De hele onderwijsparagraaf

Piratenpartij
Thuisonderwijs mogelijk, met toetsing; bewaking schooleindniveau; keuze voortgezet onderwijs later; meer kunst, sport; niet alleen CITO; bijzonder onderwijs nodig; werkdruk verminderen; gelijke beloning basis/voortgezet;
de hele onderwijsparagraaf

Politieke Partij voor Basisinkomen
Geen onderwijsprogramma.

Partij voor de Dieren

 

Minder werkdruk, meer regie voor leraren. Cijfers zijn niet zaligmakend
Onderwijs gericht op ontwikkelen cognitieve vaardigheden, maar ook op de ontplooiing van overige talenten, zoals sociale, emotionele, motorische en creatieve vermogens, die niet in cijfers zijn uit te drukken. Niet gericht op rendement, maar ontwikkeling individuele leerling. Onderwijsinspectie gaat minder waarde op toetsen behaalde cijfers. Afscheid toetscultuur. Brede
brugklassen; keuze na twee tot drie jaar. Leraren, leerlingen en ouders krijgen veel meer autonomie bij het bepalen van het beleid. Deel curriculum zelf
invullen; vrijheid af te zien van  doorstroomtoets. Praktische en culturele vaardigheden worden handarbeid, schoolzwemmen, sportlessen, cultuurlessen (theater-, dans-, muziek-, schilderles, etc.) en schooltuinen. Kindgericht
onderwijs waarin persoonlijke ontwikkeling en eigen tempo vooropstaan.
De hele onderwijsparagraaf

PartijvoordeSport
Zwemlessen; minimaal twee keer
per week één uur beweegles krijgen; dagelijks beweegmoment in
het (basis)onderwijs; ‘bewegend leren’ als het nieuwe leren.
De hele onderwijsparagraaf

PartijVoordeVrijheidP
Pedagogiek van ‘directe instructie’.  B
ijzonder onderwijs en artikel 23 van de Grondwet behouden. Taal en rekenen weer centraal. Doorlopende leerlijnen van het vmbo naar het mbo en uiteindelijk het hbo
De hele onderwijsparagraaf

StaatkundigGereformeerdePartij
Kerndoelen dienen pedagogisch-didactische visie en werkwijze 
school ongemoeid te laten. Kerndoelen en beheersingsniveaus voor basisvaardigheden. Niet aan inspectie te beoordelen of scholen de juiste opvattingen hebben .Thuisonderwijs recht dat ouders hebben; leerplichtige leeftijd mag overigens niet verlaagd worden; eindtoets nuttig, meer gewicht dient deze toets niet te krijgen; meer vrijheid op eigen wijze ontwikkeling leerlingen te volgen; meer aandacht voor andere moderne vreemde talen dan het Engels, vooral het Duits en het Frans.
De hele onderwijsparagraaf

SamenVoorNederland
Leraren en docenten meer zeggenschap inrichting
en inhoud onderwijs; overheid heeft geen of minimaal invloed op de inhoud van het onderwijs.
(Negatief over inclusiviteit)
De hele onderwijsparagraaf

SocialistischePartij
meer gymlessen en sportbeoefening; zwemmen;
De hele onderwijsparagraaf

Splinter
Onderwijs meer dan cijfers. Toetscultuur teruggedraaid: geen toetsen om het toetsen. Meer ruimte zijn voor het ontwikkelen van individuele talenten; scholen niet afgerekend op hoe goed leerlingen scoren op een toets. Managers niet met h curriculum bemoeien. Grondige herziening van artikel 23 van de Grondwet: voorstander van algemeen openbaar seculier onderwijs, wel ruimte voor speciale scholen, maar niet op basis van religie. Seculier onderwijs voor alle kinderen. Aandacht voor beweging op school. Zwemlessen en sport. Typecursus.
De hele onderwijsparagraaf

VOLT
​Kinderen vanaf twee jaar voor minimaal drie dagen in de week naar school.
Geen financiering religieus onderwijs: aanpassing artikel 23 van de Grondwet Afschaffen Centrale Eindtoets. Stoppen onnodige administratie; later selectiemoment: brede brugklassen.
De hele onderwijsparagraaf

VolkspartijvoorVrijheidenDemocratie
Rekenen en taal voorop; nadruk op basisvaardigheden; tweederde van de onderwijstijd: basisvaardigheden. Alleen nog bewezen effectieve lesmethoden. Onderwijsinspectie controleert of gebruikte lesmethoden wetenschappelijk onderbouwd en bewezen effectief zijn; leerplicht naar het vierde levensjaar; met taalachterstand vanaf twee jaar verplicht naar voorschoolse educatie.
Goede scholen krijgen meer ruimte. Ze mogen afwijken van regels over bijvoorbeeld onderwijstijd en curriculum. Scholen die onvoldoende presteren houden we aan strenge regels.
De hele onderwijsparagraaf

.

Over de toets vanuit vrijeschoolperspectief:  [1]   [2]

Opspattend grindalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle beelden

.

3111-2924

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – De wereld is waar……(1)

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3/1]

.

In zijn ‘Algemene menskunde‘ spreekt Steiner in de 9e voordracht over ‘de wereld’, die voor het kind van 0 – 7 ‘goed’ is/moet zijn, voor het 7 – 14-jarige kind ‘mooi’ en voor de 14 – 21-jarige mens ‘waar’.

Wie op een bepaalde manier naar de wereld van nu kijkt, zal veel voorbeelden kunnen geven waaruit blijkt dat onze wereld nu net NIET goed, mooi en waar is, althans als we kijken naar het aandeel dat de mens in dit ‘goede, schone en ware’ heeft.

Om meer greep te krijgen op wat Steiner ermee bedoelt, is dit onderwerp hier behandeld. 

Op een bepaalde manier zal het nog wel lukken om de kinderen tot aan de puberteit, thuis en in ons onderwijs de wereld als goed en mooi te laten beleven; maar wat krijgen de kinderen ‘van de wereld’ mee via de middelen waarmee die wereld bij de kinderen kan binnenkomen. 

En zodra ze een mobieltje hebben, komt er een wereld binnen die voor de meeste kinderen de realiteit is. 
En nog wat ouder, zal die wereld hun gezichtspunten, hun oordelen beïnvloeden. Ze worden nu al zwaar beïnvloed door —juist, de influencers.

Maar dat is niet het enige. 

Wat, als ze nu de mensonwaardigheid in Israël en Gaza kunnen zien alsof ze erbij staan; is ‘goed, mooi en waar’ aan deze ontmenselijking?

Wat kun je of moet je als leerkracht doen. Wat kan nog ‘ideaal’ zijn?

Naast het zien en beleven van vernietiging en afbraak, kan er ook opbouw en ontwikkeling getoond worden.
Er bestaan zoveel initiatieven in de wereld waar een mens enthousiast van kan worden, dat de enthousiast geworden leerkracht hiermee een ideaal kan uitstralen waar hij achter staat.

Dat geven van ‘grotere, hogere’ idealen gebeurt al in het vertellen van biografieën, maar kan ook door de leerlingen vanaf een jaar of 12 te laten zien waartoe een mens met initiatiefkracht en bevlogenheid in staat is. 

Het zijn simpele voorbeelden, maar in een wereld die alleen nog lijkt te bestaan uit natuurrampen, oorlog, grote milieu- en schrijnende sociale problemen, m.i. voor de opgroeiende jonge mens de zo nodige lichtpunten.

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5] alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

3106-2919

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnig onderwijs

.

In dit artikel heb ik de verschillende kanten van het vrijeschoolonderwijs als kunstzinnig onderwijs belicht.

.

Op BLOGCOLLECTIEF ONDERZOEK ONDERWIJS is een artikel verschenen:

Als er tijd over is. Kunst en de verwaarlozing van het brein in het onderwijs.

De schrijver put uit het boek:

Hij geeft zijn eigen opmerkingen en citeert.
Een aantal citaten vanuit het Engels:

We hebben allemaal de neiging om kunst te zien als entertainment of als een ontsnapping. Een soort luxe. Maar wat dit boek je laat zien, is dat kunst zoveel meer is. Deze kan worden gebruikt om uw dagelijkse leven fundamenteel te veranderen, kan ernstige lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen helpen aanpakken, met opmerkelijke resultaten. En deze kan je zowel helpen bij het leren als bij de ontwikkeling.

“Een groot deel van wat er gebeurt als je interactie hebt met een kunstwerk, of als je iets esthetisch aantrekkelijk vindt, is dat er een aha-moment is waarop je het gevoel hebt dat je de wereld op een nieuwe manier hebt gezien… Of dat je als maker van kunst op een nieuwe manier naar een probleem hebt kunnen kijken omdat kunst je in staat heeft gesteld dingen uit te drukken die je eerder niet kon”.

Het brein geeft er niet om om bubbels op te vullen bij gestandaardiseerde toetsen of verhitte debatten over curriculumbeoordelingen. Onze hersenen zijn gestructureerd om nieuwe verbindingen op te bouwen en voortdurend te evolueren, en de manier waarop we leren is niet hetzelfde als een maatschappelijk onderwijssysteem dat maar al te vaak is opgebouwd rond het onthouden van gegevens en het terughalen ervan.

En voor muziek maken geldt:

In één reeks gepubliceerde bevindingen toonde haar laboratorium aan dat wanneer jonge muzikanten intellectuele taken uitvoerden, ze een betere betrokkenheid vertoonden van een hersennetwerk dat betrokken is bij uitvoerende functies en besluitvorming. Ze concludeerden ook dat “muziektraining de volwassenheid van de hersenen versnelt in hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor geluidsverwerking, taalontwikkeling, spraakperceptie en leesvaardigheid.” Muziek spelen stimuleert niet alleen meerdere hersengebieden – motorisch, auditief, visueel – het versterkt ook de neurale verbindingen ertussen, en verbetert daarbij het geheugen, het ruimtelijk redeneren en de leesvaardigheid.

het vermogen om muziek te leren spelen is zeer complex en stuurt de hippocampus en zijn vele verbindingen met andere hersengebieden aan. Vergeleken met niet-muzikanten hadden de muzikanten meer neurale verbindingen en grijze massa gevormd.

Omdat het meest effectieve leren het rekruteren van meerdere hersengebieden inhoudt, is dit waar de kunsten in beeld komen. De kunsten activeren de neurale verbindingen die verband houden met de uitvoerende functies en met andere hersengebieden en versterken deze actief.

Andere onderzoeken naar kunst in het onderwijs hebben door de jaren heen bewezen dat studenten die betrokken zijn bij kunst academisch goed zijn. Studenten die toegang hebben tot kunstonderwijs hebben vijf keer minder kans om de school te verlaten en hebben vier keer meer kans om erkend te worden voor hun goede prestaties.

Kinderen die zich bezighouden met kunst hebben minder problemen met hun leeftijdsgenoten, leraren en volwassenen, en het is minder waarschijnlijk dat ze een depressie ontwikkelen. Over het algemeen hebben ze een grotere kans om gezonder te leven en betere beslissingen te nemen.

Opvallendheid, aandacht, humor en spel. Uitvoerende functie en kennismaken. De kunsten die in de klas zijn geïntegreerd, ondersteunen het leren.

Magsamen, Susan, and Ivy Ross. Your Brain on Art: How the Arts Transform Us. Random House Publishing Group, 2023

Enkele uitspraken van Rudolf Steiner over kunstzinnig onderwijs:

Het hele onderwijs moet afgeleid zijn uit het kunstzinnige. Alle methodiek moet in een bad van kunstzinnigheid gedompeld zijn.

Es muß das Ganze des Unterrichts herausgeholt sein aus dem Künstlerischen. Ins Künstle­rische muß alle Methodik getaucht werden.
GA 294/11
Vertaald/12

Onze civilisatie kan alleen daardoor haar noodzakelijke opbloei, haar weg omhoog verkrijgen als we meer aan kunstzinnigs in de school binnenbrengen.

Unsere Zivilisation kann nur dadurch den ihr notwendigen Aufschwung, den Aufstieg erlangen, wenn wir mehr Künstlerisches in die Schule hineinbringen.
GA 307/225
Vertaald/287

Wanneer we door de kunst de hele mens aanspreken, ontwikkelen we in de mens een adequaat begrijpen van de wereld dat zich op de wereld als totaliteit richt.

Wenn wir durch die Kunst den ganzen Menschen ergreifen, bewirken wir in dem Menschen auch wiederum ein entsprechendes Weltverständnis, das auf das Ganze, auf das Totale der Welt geht.
GA.307/226
Vertaald/281

We moeten het kunstzinnige on­derwijs – zowel in de beeldende als in de muzikale kunsten – van meet af aan in de school verzorgen. Het abstracte mag er niet heer en meester zijn, maar het kunstzinnige moet er heersen. En vanuit het kunstzinnige moet het kind gebracht worden tot het begrijpen van de wereld.

Daher ist der künstlerische Unterricht, sowohl in den bildenden Künsten wie in den musikalischen Künsten, von Anfang an in der Schule zu pflegen. Nicht das Abstrakte darf da herrschen, sondern es muß das Künstlerische herrschen, und aus dem Künstlerischen muß das Kind hineingeführt werden in das Begreifen der Welt.
GA 310/72
vertaald/75

Bron

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

3105-2918

.

.

.

VRIJESCHOOL – En verder nog…..alle artikelen

.

Sommige artikelen laten zich niet zo gemakkelijk indelen. Die zijn hier aangegeven:

[1] Ideeën en achtergronden
Het ‘Binnenste buiten over: kind-school-wereld; de drieledige taak van de school; een kind; ontwikkeling en vrijheid; school als gemeenschap; de maatschappij; onderwijsfilosofie; drieledige mens en driegelede maatschappij; ontwikkelingsfasen; lopen, spreken, denken; leerstof; de individualiteit; denken, voelen, willen;

[2-1] De ochtendspreuk
Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk: het ontstaan ervan; in eerste instantie alleen voor het vrije godsdienstonderwijs? De spreuken voorklas 1 t/m 4 en die van klas 5 t/m 12. Op zeker ogenblik is in Nederland de laatste spreuk ook in klas 4 terecht gekomen.

[2-2]  De ochtendspreuk op de vrijeschool
Benediktus Hardorp over: de psyche van het kind en de 2 spreuken; vindt er indoctrinatie plaats; blik op de wereld, de eigen ziel, de eigen levensdoelen; aspecten van de spreuk toegelicht;

[2-3] De ochtendspreuk
Reinhard Fiedler
over: een eigen ervaring van de kennismaking met de spreuk; over de inhoud: de blikrichtingen; wat willen beide spreuken bewerkstelligen; zo specifiek vanuit het antroposofische mensbeeld en tegelijkertijd zo algemeen geldend.

[3] Vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

[4] Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingkwesties toegevoegd.

[5] Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

[6] Schoolgebouwen – organische bouw
[6-1] Het organische in de architectuur
B.C.J.Lievegoed
over: wat is organisch; wat is leven; tijd en ruimte; bouwen: meestal de kubus(kristalvorm) uit de stoffelijke natuur; beweging die in de ruimte treedt, laat organische vormen ontstaan; metamorfose; 12 zintuigen; levend(ig)e architectonische vormen en de mens in zijn omgeving.

[6-2/1] Grondslagen voor een levende bouwkunst
B.C.J.Lievegoed over: de inhoud is ongeveer gelijk aan [6-1]: dat was het verslag van een voordracht, dit is een geschreven artikel; statische en dynamische vormen; bouwen en menselijk bewustzijn; wat doet ruimte met je; bouwen als morele daad; zintuigleer van Révesz.

[6-2/2] Grondslagen voor een levende bouwkunst
B.C.J.Lievegoed
over: dit artikel bevat elementen uit [6-1] en bouwt verder op [6-2/1]; wat is ritme; ritme en ruimte; i.t.t. maat; metamorfose; Goetheanum; bouwen in de toekomst; kosten.

Thema-artikel over antroposofische architectuur

[7-1] Ahriman in het onderwijs
Hanneke de Leeuw
 over: Ahriman en materie; inperking van het geestelijke; mechanisering, technologisering en digitalisering; vrijheid; Lucifer.

[7-2/1] Ahriman in het onderwijs
Pieter HA Witvliet over: Ahriman in de Perzische cultuur; Ahriman en de duivel; in de Bijbel; in het Driekoningenspel; Steiner in GA 107; als tegenhanger: Michaël; hoe om te gaan met Ahriman; Ahriman en intelligentie; hét antwoord: kunstzinnig onderwijs.

[7-2/2] Ahriman in het onderwijs – Kunstmatige intelligentie
Jesse Mulder over: artificial intelligence en écht denken; kunnen computers slimmer zijn dan mensen?

[7-3/1Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 294 wijzen zijn opmerkingen over wat de tijdgeest aan ‘overheidsonderwijs’ creëert; een item uit het verkiezingsprogramma van een politieke partij (VVD) – 2023 – waarin de opmars van het intellectuele weer zichtbaarder wordt; de begrips- en definitiecultuur (kennis) heeft als tegenhanger het kunstzinnige nodig. Voor de vrijeschool: op basis van het kunstzinnige komen tot begrips- en voorstellingsvorming.

[7-3/2] Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners 
opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 296 houdt Steiner een verhandeling over de ontwikkeling van de intelligentie door de culturen heen; Intelligentie heeft neiging zich met het kwaad te verbinden; het antwoord op het kwaad is Christus; vragen die bij mij opkwamen: is dit dan de essentie van de vrijeschool als christelijke school en kan je als atheïst of moslim daar dan werken?

[7-3/3] Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 300A beantwoordt hij de vraag wie Allah is: (een ahrimanische ‘schaduwgeest); een verwijzing naar Ahriman en het materialisme; en een ‘valse’ (ahrimanische) gedachte over de sociale driegeleding. In GA 300B: over stenografie; in GA 300C: ingrijpen Ahriman in historische ontwikkeling, Lenin en Wilson.

[7-3/4] Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners
opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 302A worden we opgeroepen Ahriman te herkennen en vanuit andere gezichtspunten te werken; over schoolboeken en het werkelijke leven.

[7-3/5] Ahriman in het onderwijs
Rudolf Steiners opmerkingen over Ahriman in de pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311. In GA 305 noemt Steiner Ahriman de macht van het kwaad, de list, de gewiekstheid, het bedrog.

[8] 100 jaar grafische impuls – Rudolf Steiner, Assja Turgenieff
Piet Sieperda over: Rudolf Steiners grafische vormgeving; beweging en vorm; de betekenis van links of rechts staand; verschillende voorbeelden.

[9] Interviews met oud-leerlingen

[10] Worden wie je bent
Jan Alfrink
over: wat betekent deze ‘slogan’; over ‘geboren worden’; het (diepere) wezen van het kind; de taak van de opvoeder.

Vrijeschool op Wikipedia: hoe een criticaster een artikel over de vrijeschool op Wikipedia plaatste om daarmee de vrijeschoolpedagogie te bekritiseren.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

3102-2915

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 310)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid.

In GA 310 gaat het opnieuw over handen en denken:

Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik
Menskunde, pedagogie en cultuur

Voordracht 9, Arnhem 24 juli 1924

Gymnast, Rhetor und Doktor
Gymnast, retor en doctor. – De betekenis van de pedagogie voor de wereld

Blz. 154      vertaling blz. 160/161

Alles was im Menschen sogenannte geistige und seelische Bildung ist, die zur Abstraktion hin will, die geht ja nur auf unnatürliche Weise hervor aus einem direkten Unterricht. Bildung sollte hervorgehen aus der Art und Weise, wie man sich mit dem Körper bewegen kann. Daher ist unsere Zivilisation ja so abstrakt geworden. Es gibt heute Männer, die können keinen Strumpf stricken, können nicht einmal einen Hosenknopf, wenn er abgerissen ist, wieder annähen. Bei uns in der Waldorfschule sitzen Knaben und Mädchen untereinander, und die Knaben bekommen einen richtigen Enthusias­mus zum Stricken und Häkeln; sie tun es – und dabei lernen sie ihre Gedanken handhaben. Es ist gar kein Wunder, daß ein Mensch, wenn

Alles wat in de mens aan geestelijke en psychische ontwikkeling naar het abstracte neigt, komt toch op onnatuurlijke wijze voort uit met name een bepaalde vorm van onderwijs. Ontwikkeling zou moeten voortkomen uit de manier waarop je je met je lichaam kunt bewegen. Daarom is onze beschaving immers zo abstract geworden. Je hebt tegenwoordig mannen die nog geen sok kunnen breien, ze kunnen niet eens een knoop die van hun broek afgegaan is, weer aannaaien. Bij ons in de vrijeschool zitten de jongens en de meisjes door elkaar heen, en de jongens worden echt enthousiast voor breien en haken. Ze doen het – en daarbij leren ze goed met hun gedachten om te gaan. Het is helemaal niet verwonderlijk dat iemand, al

Blz. 155    vert. 162

er noch so viel logisch geschult ist, nicht ordentlich denken kann, wenn er nicht weiß, wie man strickt. Dabei bemerken wir in unserer Zeit, wieviel leichter beweglich die Gedankenwelt der Frauen ist. Man gehe nur nach der Zulassung der Frauen an die Universität und schaue nach, wieviel leichter beweglich das Geistig-Seelische der Frauen ist als das der Männer, das versteift, abstrakt geworden ist an einer abgezogenen Tätigkeit. Und am schlimmsten ist das bemerkbar bei der kommer­ziellen Tätigkeit. Wenn man einem Kaufmanne zuschaut, wie er seine Dispositionen trifft, so möchte man an den Wänden heraufkriechen.
Das sind die Dinge, die man wieder verstehen muß. Man muß wis­sen, daß ein Knabe, selbst wenn ich noch so viel auf die Tafel zeichne, viel besser spitze und stumpfe Winkel unterscheiden lernt, man muß wissen, daß man viel besser als durch alles Begreiflichmachen die Welt verstehen lernt, wenn man den Kindern angewöhnt, zwischen der großen und der nächsten Zehe den Bleistift zu halten und auch da noch leidlich gutgeformte Buchstaben zustande zu bringen, das heißt also, wenn aus dem ganzen Körper heraus das Geistige des Menschen fließt.

heeft hij goed onderwijs in logica gehad, niet geordend kan denken als hij niet kan breien. Daarbij merken we in onze tijd hoeveel beweeglijker de gedachtewereld van vrouwen is. We hoeven maar te kijken naar de toelating van vrouwen aan de universiteit om te zien hoeveel beweeglijker het geestelijk-psychische is bij vrouwen dan bij mannen. Bij mannen is het verstijfd, abstract geworden door een geabstraheerde activiteit. Dat is nog het beste te zien bij verrichtingen op commercieel gebied. Als je soms ziet hoe een koopman zijn plannen maakt, dan zou je wel uit je vel kunnen springen!
Dat zijn dingen die men weer moet gaan begrijpen. Men moet weten dat het kind, zelfs al teken ik nog zoveel op het bord, veel beter scherpe en stompe hoeken zal leren onderscheiden, en veel beter dan door alle uitleg de wereld leert begrijpen, als je hem aanleert om het potlood tussen de grote teen en de teen ernaast vast te houden en ook dan nog redelijk goed gevormde letters te maken; dat wil zeggen, als uit het hele lichaam het geestelijke stroomt.

In der griechischen Kultur hat man darauf gesehen, wie ein Kind sich bewegen lernt, wie es Hitze und Kälte ertragen lernt, wie es sich hineinfügen lernt in die körperliche Welt, weil man ein Gefühl dafür hatte, wie aus einer richtig entwickelten Körperlichkeit auch das Geistig-Seelische richtig herauswächst. Der Grieche hat, als Gym­nast erzogen, den ganzen Menschen ergriffen und daraus die andern Fähigkeiten sich entwickeln lassen. Wir wissen heute mit unserer ab­strakten Wissenschaft eine sehr wichtige Wahrheit, aber wir wissen sie abstrakt: Wenn wir Kinder haben, die leicht mit der rechten Hand schreiben lernen, so weiß man heute, daß dies damit zusammenhängt, daß beim Menschen das Sprachzentrum in der linken Gehirnhälfte liegt; so daß also Sprechen und Schreibenlernen auf diese Weise inner­lich zusammenhängen. Wir merken den Zusammenhang der Handgesten mit dem Sprechen; ebenso können wir auch, wenn wir weiter­gehen, durch die Physiologie den Zusammenhang zwischen Bewegung und Denken kennenlernen. Also man weiß heute schon etwas abstrakt davon, wie aus der menschlichen Bewegungsfähigkeit Denken und Sprechen hervorgehen: der Grieche aber wußte das im umfänglichsten

In de Griekse cultuur lette men erop hoe een kind leert bewegen, hoe hij hitte en koude leert verdragen, hoe hij zich leert invoegen in de lichamelijke wereld. Want men had er gevoel voor hoe uit een goed ontwikkeld lichaam zich het geestelijk-psychische ook goed ontwikkelt. De Griek pakte, als gymnast opgevoed, de hele mens aan en daaruit ontwikkelde hij de andere vermogens. Wij kennen tegenwoordig met onze abstracte wetenschap een heel belangrijke waarheid, maar we kennen die op een abstracte manier: als we kinderen hebben die makkelijk met de rechterhand leren schrijven, dan weet men tegenwoordig dat dit samenhangt met het feit dat bij de mens het spraakcentrum in de
linker hersenhelft zit. Leren spreken en leren schrijven hangen op deze wijze innerlijk samen. We merken het verband tussen de gebaren van de hand en het spreken.
Net zo kunnen we, als we verdergaan, in de fysiologie het verband leren kennen tussen bewegen en denken. Tegenwoordig heeft men er al weet van hoe uit het menselijk bewegingsvermogen het denken en spreken voortkomen. Maar dat weten is nog abstract. Voor de Griek echter was dit iets vanzelfsprekends

Blz. 156  vert. blz. 163

Sinne. Daher sagte der Gymnast: Der Mensch wird schon ordentlich denken lernen, wenn er nur ordentlich gehen und springen lernt; wenn er ordentlich Diskus werfen lernt. – Und wenn er lernt, über das Ziel hinauszuwerfen, so wird er auch noch den Schildkrötenschluß lernen, wird auf all die merkwürdigen logischen Dinge kommen, die man in Griechenland aufgezählt hat. Und dadurch lernt man, sich in die Wirk­lichkeit hineinzustellen. Heute wird bei uns gewöhnlich so gedacht:
Hier ist ein Advokat, dort ein Klient, der Advokat weiß die Dinge, der andere weiß sie nicht. – Weil man aber in Griechenland gewohnt war, über das Ziel hinauszuwerfen, so wußte man: Wie ist es nun, wenn einer als Rechtskundiger einen Schüler hat in der Rechtskunde, und dieser Schüler wird von ihm so gut unterrichtet, daß er jeden Prozeß gewinnen muß? Dann entspinnt sich aber der Prozeß zwischen ihm und seinem Lehrer, und dann kommt die Sache heraus: Du wirst den Prozeß unter allen Umständen gewinnen und unter allen Umständen verlieren. – Sie kennen den Schluß: er steht in der Luft. So entwickelte sich also alles Denken und Sprechen aus der gymnastischen Erziehung; sie ging auf den ganzen Menschen.

Daarom zei hij, als gymnast: de mens zal behoorlijk leren denken als hij behoorlijk leert lopen en springen, en als hij behoorlijk leert discuswerpen. – En als hij leert verder te gooien dan het doel, dan zal hij ook nog de ‘paradox van de schildpad’ leren begrijpen,3 dan zal hij al die vreemde zaken uit de logica snappen die men in Griekenland maar kan bedenken. Door de gymnastische oefeningen leer je jezelf in de werkelijkheid te plaatsen. Vandaag de dag denken wij gewoonlijk als volgt: je hebt een advocaat en een cliënt. De advocaat is degene die de dingen weet, de cliënt niet. – Maar omdat men in Griekenland gewend was om verder dan het doel te gooien, wist men: hoe is het wanneer iemand als jurist een student in de rechten heeft,4 en die wordt door hem zó goed onderwezen dat hij elk proces moet winnen? Nu ontspint zich het gesprek tussen hem en zijn leraar. Daaruit komt voort: jij zult het proces onder alle omstandigheden winnen en onder alle omstandigheden verliezen. – U kent het slot: de rechter verdaagt de zitting en de uiteindelijke uitspraak hangt in de lucht. Zo ontwikkelde zich dus alle denken en spreken uit de gymnastische opvoeding; ze was op de gehele mens gericht.
GA 310/154-156
Vertaald/160-163

.

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3090-2904

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling Driegonaal

.

Denn die wirklich erzieherischen und unterrichtenden Kräfte des Lehrers können sich nur entwickeln in der freien Schule.

de echte opvoedkundige en onderwijskundige vermogens van de leerkracht kunnen zich alleen ontplooien in de vrije* school.

*Een vrije school is die school die alles voor de onderwijsgevenden en opvoeders mogelijk maakt om wat zij vanuit hun menskunde, vanuit hun kennis van de wereld, uit hun liefde voor het kind, voor het echt wezenlijke houden en dat dit geïntegreerd moet worden in ons onderwijs en onze opvoeding.
Een onvrije school is een school waarin de leraar moet vragen: wat is er voor de eerste klas voorgeschreven, wat voor de tweede, hoe moet ik het uur organiseren volgens de wet?
Een vrije school is een school waarin de leerkrachten een heel bepaalde kennis hebben die aan hun werk ten grondslag ligt, van hoe een kind zich ontwikkelt, over welke lichamelijke en psychische krachten het beschikt, welke lichamelijke en psychische krachten in het kind ontwikkeld moeten worden.
GA 298/126
Op deze blog vertaald

Bericht ‘Driegonaal’

John Hogervorst
Waar vrijheid begint

In een tijd waarin vrijheid onder druk staat, worden wij uitgenodigd scherper te krijgen wat wij onder vrijheid verstaan. Wat dat betreft leven wij in interessante tijden!

Vrijheid is als een onderaardse bron die we in onszelf moeten ontsluiten. In de artikelen die in deze uitgave zijn verzameld, wordt aan de hand van maatschappelijke verschijnselen een poging gedaan bloot te leggen ‘waar vrijheid begint’. Daarbij wordt ook beschreven wat wij voor elkaar, in de samenleving, kunnen doen opdat ieder in vrijheid kan bijdragen aan het geheel dat wij samen vormen.
ISBN 9789083325620
95p. / € 10,00

En dit was de eerste uitgave:

Marc Desaules / John Hogervorst / Rudolf Steiner
Basisinkomen – er is een beter alternatief

Met het basisinkomen, zo hopen de voorstanders, krijgt ieder mens een financiële bestaansbasis die hem/haar meer ruimte geeft voor eigen afwegingen over werk, ontplooiing, tijdsbesteding.
Dat zou je ook ieder mens toewensen.
Maar er is een betere weg om die gewenste situatie te scheppen. Die weg wordt beschreven in de artikelen in deze uitgave.
ISBN 9789492326874
67p. / € 10,00

Mail uw bestelling naar: info@driegonaal.nl

DRIEGONAAL

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde 5e klas – krokus

.
Omdat de krokus bij de plantkunde in klas 5 meestal (even) ter sprake komt, zijn hier nog enige aanvullende gezichtspunten.
De geneeskundige aspecten zijn niet voor in de klas.

Petra Essink, Antroposofisch Magazine, februari 2019 nr. 13
.

De krokus

.

Krokus

Latijnse naam: krokus
Engelse naam: flower of St Valentine

Familie: Iridacea (lissenfamilie)

Standplaats: zonnig, humusrijke, goed waterdoorlatende bodem

Bloei: februari-maart

Kenmerken: de krokus is geen bolgewas (zoals het sneeuwklokje, de tulp of de narcis), maar een knolgewas. De krokus houdt van het getal drie: hij heeft drie stampers en drie meeldraden, drie binnenste bloemblaadjes en drie buitenste bloemblaadjes.

Herkomst: krokussoorten zijn inheems in Zuid- en Zuidoost-Europa, Noord-Afrika, Turkije, Centraal Azië en China. Van daaruit zijn ze vanaf de 16e eeuw naar West-Europa gebracht.

De krokus is een voorjaarsverkondiger bij uitstek, alleen het sneeuwklokje bloeit eerder. Met zijn lila, paars, geel of witgekleurde kelkje veroorzaakt hij gemakkelijk gevoelens van blijdschap en opluchting; de winter is voorbij!
Er bestaan minstens honderd verschillende krokussoorten. Een daarvan is de saffraankrokus. Een unieke krokus die met zijn bloedrode stampers niet alleen eten kan kruiden en kleuren, maar ook een bijzondere medicinale werking heeft, die je zou kunnen samenvatten als: het in beweging brengen van het bloed.

Als je de groei van een krokus goed bestudeert, vallen er een paar dingen op. Allereerst volgt het braaf aandoende plantje, dat het best tot zijn recht komt in een grote groep andere krokussen, niet de normale van-blad-naar-bloem-groeivolgorde. Zeker, net als alle andere planten vormt hij eerst een paar kleine groene blaadjes, maar dan lijkt het of hij zijn bladontwikkeling stilzet om al heel vroeg in zijn ontwikkeling een of meerdere witte bloeistengels – die bestaan uit vergroeide bloemblaadjes – te vormen. Hij begeeft zich dus al heel snel in bloeisferen, alsof hij haast heeft zijn bloempje te tonen. Er gaat veel werk zitten in het vormen van die opvallend lange bloembuis. Daardoor duurt het toch nog een poosje voor hij daadwerkelijk kan gaan bloeien. Anders dan de meeste andere planten die hun vruchtbeginsel direct onder de gekleurde bloemblaadjes aanleggen, moet je het bij de krokus ondergronds zoeken, helemaal onderin die bloemstengel. Als je eens heel behoedzaam een krokus [gedeeltelijk] uitgraaft en je die witte bloeisteel van boven naar beneden aftast tussen je duim en wijsvinger, kun je vlak onder het aardoppervlak dat vruchtbeginsel (en in een later stadium de zaadjes] voelen als een piepklein bobbeltje. Het stuifmeel, dat de bijen bij de bloeiende krokus achterlaten, heeft er nog een hele klus aan om zich een weg te banen naar dit vruchtbeginsel. Al met al wordt de haastige krokus in het proces van tot bloei komen en bevrucht worden in zijn bloeidrift dus beproefd met een paar ‘vertragende obstakels’. Als de krokus bij voldoende warmte en zonlicht eenmaal zijn bloempje(s] opent, doet hij dat vol overgave, zo’n acht dagen lang. Om ze steeds ’s nachts en bij donker weer weer even te sluiten. Pas na de bloei groeien de parallelnervige miniblaadjes, waarvan sommige soorten een mooie zilverkleurige middennerf hebben, uit tot volwaardige krokusblaadjes. 

Antroposofisch arts Zoltan Schermann

“De krokussoort die meestal gebruikt wordt in de geneeskunde, zowel de antroposofische, de oosterse als de reguliere geneeskunde, is de saffraankrokus [Lat. crocus sativus].
De saffraankrokus bloeit, eigenwijs genoeg, niet in de lente, maar in de herfst. Saffraan kennen de meeste mensen alleen als specerij. Het zijn de opvallende,
bloedrode stampers – drie per bloem – die daarvoor worden gebruikt. De oogst en verwerking van saffraan is geweldig arbeidsintensief. Daardoor is het een heel kostbare specerij, ook wel ‘het rode goud’ genoemd.

Saffraan als ‘bloedbeweger’

“In de oosterse geneeskunde noemt men de krokus een ‘bloedbeweger’. Hij wordt bijvoorbeeld toegepast bij zogenaamde veneuze stuwingen die heel pijnlijk kunnen zijn. De krokus heeft de kracht om het bloed weer in beweging te brengen op plaatsen waar de bloedstroom stagneert. Zoals bij bepaalde menstruatieklachten, met name wanneer de menstruatie pijnlijk is. Als het menstruatiebloed zwart is of klontert wijst dat ook op het stagneren van de bloedstroom. In de antroposofische medicinale toepassing wordt gewoonlijk de hele krokus gebruikt. Het plantje wordt niet alleen bij menstruatieklachten maar ook bij spijsverteringsproblemen, zoals maagklachten (een maagzweer bijvoorbeeld) en diarreeachtige ontregeling van de darmen voorgeschreven. In de regel schrijf ik een samengesteld medicament voor waarin de krokus verwerkt is. Een ander voorbeeld van een gestagneerde bloedstroom zijn spataderen, die – met name als ze ontstoken zijn – ook bijzonder pijn kunnen doen. In dat geval schrijf het genoemde middel voor als zalf.
Goedaardige gezwelvorming, zoals vleesbomen’ (myomen) in de baarmoeder en zwellingen in de schildklier, hebben ook te maken met het stagneren van het bloed. Bij dergelijke problemen, waarbij de stagnatie nog ‘fysieker’ is, gebruik je alleen de knol van de krokus, in gepotentieerde vorm.

In de Chinese geneeskunde wordt de saffraan, vanwege de hoge kostprijs, soms vervangen door de goedkopere saffloer die een vergelijkbare werking heeft. De saffloer is een astersoort (carthamus tinctorius) die wel de medicinale aspecten van de saffraan heeft, maar niet de specerij-eigenschappen.”

Bij hormoongerelateerde stemmingsschommelingen

“Vanuit de reguliere geneeskunde, waar men zich richt op de concrete inhoudsstoffen van de plant, zijn er aanwijzingen dat de saffraankrokus iets doet bij depressie. Zowel in de klassieke homeopathie als in de antroposofische geneeskunst wordt hij voorgeschreven aan vrouwen met hormoongerelateerde stemmingsklachten, zoals het premenstruele syndroom. Of bij de uitvergrote versie daarvan: de postnatale depressie.’

Zoltan Schermann is consultatief antroposofisch arts 

.

Planten: vele afbeeldingen en beschrijvingen uit Weledaberichten

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas: plantkunde

.

3085-2899

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaël (55)

.

Tineke Croese, Antroposofisch Magazine sept. 2017 nr. 7
.

Draken verslaan met Michaël

Strijdbaar de herfst in

Op vrijescholen vieren de kinderen op 29 september het Michaëlsfeest, een roerig en vrolijk herfstfeest gebaseerd op de legende van de aartsengel Michaël die de draak verslaat. Soms heeft het elementen van een oogstfeest, zoals een draak die van vruchten is gemaakt. De nazomer en vroege herfst stemmen ons vrolijk vanwege hun kleurigheid en overvloed. Maar die vrolijkheid is vermengd met weemoed, want ook de sterfprocessen in de natuur beginnen nu.

Elk jaar willen we de zomer liefst wat vasthouden. Elk jaar hopen we dat het feest van kleur nog lang mag duren en de zonnewarmte nog even niet opraakt. Maar uiteindelijk is de nazomer een tijd van afscheid nemen. In de rijkdom van de oogst en de vlammende kleuren van bomen en struiken laaien leven en licht nog één keer op voor ze zich terugtrekken, voor ze de bomen kaal en de akkers leeg achterlaten, voor de dagen korter worden en de nachten lang. Al sterft de natuur in schoonheid, het is toch een sterfproces. Licht en donker, leven en dood zijn eind september, begin oktober nog even in balans. Al eeuwenlang wordt die korte tijd van balans gemarkeerd door de feestdag van de aartsengel Michaël op 29 september. Een groot christelijk feest zoals Kerstmis of Pasen was ‘Sint-Michiel’ ook vroeger niet. Een groot volksfeest als Carnaval of Sint-Jan was het evenmin. ‘Sint-Michiel’ was niet meer dan een gewone heiligendag. Als er nu ergens een Michaëlsfeest gevierd wordt, dan is dat door antroposofen.

De engel met de weegschaal en het zwaard

De aartsengel Michaël werd al in de eerste eeuwen van het christendom overal in Europa vereerd. Kunstenaars gaven hem weer in steen, hout, brons en in verf. Ook in volksverhalen en legenden speelde hij een grote rol. Twee ervan springen eruit: ze tekenen Michaël als de sterke engel die de draak verslaat, en als de engel die na de dood de mensenzielen weegt. Volgens de legende van de drakendoder kwam de aartsengel Lucifer in opstand tegen God. Hij kon niet accepteren dat de mens naar Gods evenbeeld geschapen was. De trotse Lucifer had zelf willen zijn zoals God. Op Gods bevel stootte Michaël – zijn naam betekent: Wie is als God? – Lucifer uit de hemel. Lucifer viel op de aarde en veranderde in een afzichtelijke draak die nu de mens belaagt. De strijd met de draak is nu een strijd van de mens, al staat Michaël hem bij. In de tweede legende treedt Michaël op als zielenweger, als de engel die na de dood de balans opmaakt tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ in de mensenziel. Beide legenden passen bij de herfst. Wat in de natuur licht en duisternis is, heeft een morele parallel in het innerlijk van de mens. Daar zien we licht en duisternis terug als goed en kwaad. Op de drempel naar de herfst roept Michaël de mens op om zich te bezinnen op het morele gehalte van zijn daden en gedachten, zich daar zo op te bezinnen alsof hij de drempel naar de dood al was overgegaan. Michaël roept ons op om net zo liefdevol, maar ook net zo eerlijk naar onszelf te kijken als hijzelf doet wanneer hij in het leven na de dood onze zielen weegt. Want alleen als je jezelf met je lichte en vooral ook met al je donkere kanten eerlijk en liefdevol onder ogen durft zien, kun je de ‘draak’ herkennen en verslaan. Die ‘draak’ heeft een dubbele gedaante. Aan de ene kant brengt hij je in de waan dat uitsluitend het goddelijke ertoe doet en dat je je alleen druk hoeft te maken om jezelf en je eigen ontwikkeling. Aan de andere kant houdt hij je juist voor dat er alleen een aardse werkelijkheid bestaat: er is geen goddelijke wereld. Michaël roept ons op om het evenwicht te zoeken tussen deze twee uitersten. Om een kompas te ontwikkelen waarmee we zelf onze weg kunnen vinden in goed en kwaad. De draak is geen fabeldier, maar moreel en spiritueel gezien een even reële als geduchte tegenstander.

In het voetspoor van Michaël

Het Michaëlsfeest bestond vroeger niet, het wortelt niet in een traditie. Toch bestond er wel zoiets als een Michaëlsgedachte, die in de middeleeuwen vorm kreeg in het ridderideaal. Michaël was de beschermheilige van de ridders die opkwamen voor de zwakken in de samenleving, zoals weduwen en wezen. Ridders trokken ten strijde tegen onrecht, het liefst als er een schone jonkvrouw in het spel was. Ridderverhalen lijken zich af te spelen op de grens van een concrete werkelijkheid en een wereld vol sprookjesachtige beelden die een innerlijke werkelijkheid weergeven. In die beelden is de draak ook een bewoner van het morele moeras waar goed en kwaad maar moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, en beschermt de ridder in de belaagde jonkvrouw de zuiverheid van zijn eigen ziel.

In onze tijd zijn we eigenlijk voor het eerst in staat om ook zonder zulke beelden te erkennen dat ‘het kwaad’ niet altijd een macht buiten onszelf is. In het voetspoor van Michaël als zielenweger richten we de blik naar binnen, om net als die middeleeuwse ridder ten strijde te trekken tegen de drakerigheid in onszelf. Daar is moed voor nodig. Een ridder moest bereid zijn te sterven in zijn strijd tegen draken en andere monsters. Wie het aandurft om zijn eigen duistere kanten onder ogen te zien, moet ook bereid zijn te sterven, al is het dan niet lichamelijk. Het is immers een van de moeilijkste dingen om te durven toegeven dat je door je tekortkomingen een ander onrecht hebt aangedaan. Om dat te kunnen, moetje een behoorlijk stuk ego opgeven, een stuk van je ego moet ‘sterven’ en dat vraagt een bijna bovenmenselijke, michaëlische moed.

Onze tijd: een grote herfst

De herfst is een roerige, stormachtige tijd waarin oude vormen verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe. Want dat is sterven óók. In vroegere eeuwen riep het sterven van de natuur vooral gedachten op aan de eigen sterfelijkheid, en dat maakte de mensen bedroefd. Pas sinds het einde van de negentiende eeuw zijn we in staat om ook de schoonheid van de herfst te beleven. Toen pas begonnen mensen zich los te maken uit oude vormen en tradities die hun voorschreven wat ‘goed’ was en wat ‘kwaad’. Toen pas voelden ze zich innerlijk sterk genoeg om zelf uit te maken wat goed en kwaad is. Daarmee begon een zelfstandige morele ontwikkeling. Je zou kunnen zeggen dat door het loslaten van oude inzichten en het zoeken naar nieuwe, persoonlijke inzichten in goed en kwaad een ‘grote herfst’ is aangebroken in de mensheidsontwikkeling. Ook daar staat Michaël op de drempel, net zo strijdbaar als bij de jaarlijkse herfst. Het is terecht dat hij aandacht krijgt: hij wijst ons de weg naar een nieuwe tijd. Kan dat met een feest? Voor kinderen wel, natuurlijk. Zij vieren het Michaëlsfeest als een soort oogstfeest met heel veel beelden uit de legende. Maar voor volwassenen? Bij de strijdbaarheid van Michaël past volgens mij eerder een oproep dan een feest, de dringende oproep om tot handelen over te gaan. Michaël kan de draak niet voor ons verslaan. Dat moeten we zelf doen. 

.

Michaël– alle artikelen

Verhaal van Sint-Joris

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

3078-2892

.

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid (7)

.

Op deze blog staan een aantal artikelen over ‘gezondheid’ en m.n. ook over de gezondheid van de leerkracht.
Leerkracht zijn – zo heb ik het in ieder geval ervaren – is een beroep dat veel van je vraagt. En daar moet je ook fysiek tegen opgewassen zijn.

Ziekte is vaak een raadsel voor ons; maar gezondheid is dat eigenlijk ook. Maar als we ons gezond voelen, is het geen probleem, bij ziekte wél. 
Hoe kunnen we ons inzicht in beide fenomenen verruimen, wellicht met het resultaat dat we ook over onze eigen gezondheid en ziek-zijn bepaalde inzichten kunnen verwerven.

Waarom word je ziek? Dat is de vraag die ieder mens kwelt wanneer een ziekte toeslaat. Zeker wanneer dit je hele leven overhoop gooit. De reguliere geneeskunde beantwoordt diepgaande vragen naar de zin van ziekte niet en de psychosomatiek heeft algauw een antwoord klaar vanuit een calvinistische insteek: Ziek? Dan heb je iets fout gedaan. De antroposofie geeft heel andere verklaringen, het herstellen van evenwicht bijvoorbeeld.

Jaap van de Weg, Antroposofie Magazine, maart 2020 nr. 17
.

Waarom ben ik ziek
.

Van Calvijn naar karma
.

Voor een goed begrip van ziekte helpt het om de verschillende krachtenvelden te onderscheiden, die op het ontstaan van een ziekte invloed hebben. Het is duidelijk dat spanning, stress en andere emoties belastend kunnen werken op het organisme. Als er te veel spanning is, kan dat gezondheidsproblemen geven. Voor positieve emoties als verwondering en blijdschap geldt het omgekeerde. Zij versterken de gezondheid. In termen van het antroposofische mensbeeld heet dit krachtenveld: het astraallichaam. [1] Het teveel aan negatieve emotie belast de gezonde vitaliteit, die doorlopend bezig is het lichaam op te bouwen en biochemisch te laten functioneren, maar het ook in leven en in vorm te houden. Dit krachtenveld gebruikt de nachtelijke uren om te herstellen wat er overdag door het gebruik van het lichaam is gesleten. Maar als de belasting door stress en emotie té groot wordt, gaat dit systeem daaronder lijden en krijgen organen het moeilijk. Dan schiet het tweede krachtenveld tekort: het vitale lichaam ofwel het etherlichaam. [2]

Het derde krachtenveld is het fysieke [dat wat er in de vorm zichtbaar wordt], [3] en het vierde dat van het zelfbewuste Ik [4]. In het lichaam werkt het Ik sterk in het immuunsysteem. Het zelfbewuste Ik is de sturende kracht in het leven – de kracht die het astraallichaam op orde kan houden.

Kort en goed: ziekte ontstaat door een onbalans tussen bovengenoemde vier krachtenvelden.

Balans

Wanneer, populair gezegd, ons astraallichaam wordt ondergesneeuwd door ons emotionele systeem, ontstaan er problemen. Anders gezegd: als in het astraallichaam het emotionele systeem te zeer domineert, moet het etherlichaam dat opvangen. Het gaat mis als het etherlichaam daardoor uitgeput raakt. Dat uitgeput raken hoeft niet te gelden voor het etherlichaam als geheel; het kan ook betrekking hebben op een deel ervan: op de maag, de longen of het hart.

In zo’n situatie heeft het etherlichaam steun nodig. Bijvoorbeeld in de vorm van rust en voor jezelf ruimte maken om te genieten, of in de vorm van een antroposofisch of homeopathisch medicament. Maar vervolgens staan we ook voor de vraag hoe we herhaling kunnen voorkomen: hoe kan het zelfbewuste Ik het astrale lichaam beter in de hand nemen? Dat is een vraag naar inzicht en naar het oplossen van problemen [ze uitspreken en oplossen, in therapie gaan] of onderzoeken hoe je bepaalde emoties beter kunt reguleren (omgaan met boosheid en ergernis].

Bij het psychosomatische denken blijft een bepaalde vraag vaak onbeantwoord. Je weet dat je bijvoorbeeld te hard hebt gewerkt, maar waarom krijg je nu juist deze ziekte? In een diepere laag kun je de vraag ook zo stellen: hoe is de aanleg van het etherlichaam? Welke zwaktes liggen daarin verborgen?

Karmische aanleg

Hiermee kom je in het gebied van de aanleg die je door de erfelijkheid en van jezelf hebt meegenomen. Dat is het perspectief van het karma. Je komt met de karmische aanleg voor ziekten het leven binnen. Afhankelijk van de sterkte van de aanleg en de kracht waarmee het astraallichaam het etherlichaam belast, kan de ziekte zich vroeger of later manifesteren.
Als Nederlanders zijn wij erg gewend aan een calvinistische denkwijze in termen van schuld en iets niet goed gedaan hebben. Redenerend vanuit het perspectief van de aanleg vanuit het karma zien we iets anders: dan zou het zo kunnen zijn dat juist door te handelen uit enthousiasme en te leven vanuit morele waarden, de ziekte later en/of minder heftig heeft toegeslagen, dan dat die vanuit de aanleg uit zichzelf zou hebben gedaan. Het vraagt wat dit betreft dus om de blik te verwijden en een beeld te maken ven de ziekte, van de intenties en van de leefwijze, met zowel de positieve als de negatieve werkingen, om tot een interpretatie te kunnen komen.

Evenwicht

Bovendien bestaat er nog een ander proces, ieder mens wordt geboren met een eigen, hoogstpersoonlijke aanleg voor ziekten, Die aanleg hangt samen met hoe de eerdere levens zijn geleefd en welke eenzijdigheden er daardoor zijn opgebouwd in je lichamelijkheid. Dat pakket hoort tot het karma voor dit leven dat in evenwicht gebracht moet worden. Sommige elementen uit die aanleg kunnen zo diep zitten dat die zich zullen manifesteren als ziekte. Zo bezien is het karmisch louterend als je de betreffende ziekte doormaakt – zeker wanneer je de ziekte op een positieve manier doormaakt.

Een voorbeeld; stel dat iemand hard werkt aan zichzelf; mediteert en goede dingen doet in zijn leven. Hoe werkt dat op de ziel? Daar komt nieuwe lichtheid, er groeit warmte in die ziel en de betrokken persoon gaat meer openstaan voor de geest. Dat is een positieve ontwikkeling, die vervolgens een nieuwe verhouding moet zoeken tot het lichaam. Anders gesteld: past die verder ontwikkelde ziel nog in het lichaam waarin het ter wereld kwam? Misschien dat het lichaam met de genoemde ziekteaanleg in de loop der tijd als het ware te grof is geworden voor de gereinigde ziel. Dan kan het in karmisch perspectief nodig zijn dat de ziekteaanleg manifest wordt. Dat is namelijk de manier om de ziekte uit het etherlichaam te verwijderen. Vanuit die visie bezien word je dus niet ziek omdat je iets verkeerd hebt gedaan, maar word je juist ziek als consequentie van je goede activiteit, bijvoorbeeld door het gaan van de scholingsweg. Kortom: door de scholingsweg te gaan, probeer je de ziel te verheffen tot het geestelijke, maar mogelijk ‘past’ de ziel dan niet meer zo goed in het lichaam.

Familiekarma

Deze zienswijze kunnen we uitbreiden tot de familie. Er blijken in veel families lastige thema’s te bestaan, die van ouders op kinderen worden overgedragen. Dit is ook het uitgangspunt van bijvoorbeeld de familieopstellingen volgens Hellingen. Zulke thema’s kunnen gaan over vertrouwen of over onzichtbaar blijven. Of zoals een deelnemer aan zo’n opstelling eens zei: “In onze familie leefde het motto ‘als je als dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje.’ De familieleden leefden volgens de stelregel: heb maar geen kapsones.

Ook in dit soort gevallen is er sprake van karma – zij het dan geen individueel karma, maar het familiekarma. Het thema leeft door van generatie naar generatie, totdat er iemand opstaat die het oplost. In een dergelijk geval kan iemand tegen de familie, de ouders en voorouders zeggen: “Ik wil proberen uit dit zich herhalende patroon te stappen. Willen jullie me steunen en achter me staan?” Mensen die zoiets zeggen, kunnen beleven hoe er grote interesse ontstaat vanuit de wereld van de gestorvenen. Ze kunnen ervaren hoe hun voorouders benieuwd zijn naar wat zo iemand dan gaat doen. Ook voor de voorouders kan dat bevrijdend zijn. Het geeft het familiekarma nieuwe energie. Wanneer je jezelf slachtoffer voelt en je ouders de schuld geeft, blijf je gevangen in onvrijheid.

Eenmaal vertrouwd met karmische gezichtspunten, is het gemakkelijker een last te herkennen als iets van jezelf. Als je die last op je neemt, kun je daarbij de steun van je karmische groepsgenoten ervaren. Dit verandert op een wezenlijke manier de karmische verhoudingen.

Aandacht voor de hele mens

Als je pijn hebt, kun je bij een reguliere arts pijnstillers krijgen. En als je slecht kunt slapen, slaappillen. Vaak is dat alleen symptoombestrijding. Maar waar komen de klachten vandaan? In de antroposofische gezondheidszorg gaat men uit van een vierledig mensbeeld [fysiek lichaam, levenslichaam, ziel en geest] [5] en kijkt daarom verder: naar je leefstijl, biografie enzovoort. Langzaamaan komt dit ook de reguliere gezondheidszorg binnen, bijvoorbeeld via de integratieve geneeskunde.

Voetnoten van PhaW

[1] Astraallichaam
[2] Etherlichaam
[3] Fysiek lichaam
[4] Ik
[5] Vierledig mensbeeld

Gezondheidalle artikelen

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3057-2872

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid (6)

.
Op deze blog staan een aantal artikelen over ‘gezondheid’ en m.n. ook over de gezondheid van de leerkracht.
Leerkracht zijn – zo heb ik het in ieder geval ervaren – is een beroep dat veel van je vraagt. En daar moet je ook fysiek tegen opgewassen zijn.

Ziekte is vaak een raadsel voor ons; maar gezondheid is dat eigenlijk ook. Maar als we ons gezond voelen, is het geen probleem, bij ziekte wél. 
Hoe kunnen we ons inzicht in beide fenomenen verruimen, wellicht met het resultaat dat we ook over onze eigen gezondheid en ziek-zijn bepaalde inzichten kunnen verwerven.

Arianne Coilee, Antroposofie Magazine, maart 2020 nr. 17
.

De biografie als medicijn
.

Welke vraag zit er onder je klachten?

Onder veel klachten zoals stress, burn-out en depressie, gaan existentiële vragen schuil. “Daar ligt de oorzaak die geleid heeft tot bepaalde symptomen,” zegt Susanne Kruys, zingevingstherapeut en biografisch coach.
Zelf raakte ze tijdens haar scheiding in 2011 in een crisis en ervoer het enorme belang van zin en betekenis. Inmiddels heeft ze twee boeken geschreven over zingeving als ‘medicijn’. Want, zegt Susanne: “Er moet veel meer aandacht komen voor het verhaal áchter de persoon.”

Susanne heeft persoonlijk ervaren hoe er in de zorg vooral aandacht is voor symptoombestrijding, vaak in de vorm van medicatie of cognitieve therapie. Dat werd haar onder meer duidelijk toen in 2011 een van haar kinderen werd opgenomen in de kinder- en jeugdpsychiatrie.
“Ik zag hoe weinig ruimte er was voor de mens voorbij de symptomen. Er wordt tegenwoordig veel cognitieve therapie toegepast: gedrag wordt veranderd in ander gedrag. Maar als je niet weet waar dat gedrag vandaan komt, dan loop je na een tijdje opnieuw vast, want je hebt alleen de symptomen bestreden. En hoewel er nu, ook in de GGZ, veel gesproken wordt over zingeving en er hoopgevende ontwikkelingen op dat gebied gaande zijn, wordt er nog weinig methodisch en concreet mee gewerkt. Daarom heb ik na mijn eerste boek over het grote belang van zingeving in de zorg samen met mijn collega Wouter Zuurbier een tweede boek geschreven, met een uitgewerkte methodiek hoe je die zingeving concreet maakt.”

Geen collectief verhaal meer

Mensen zijn volgens Susanne ‘gemaakt op zin en betekenis’: “De buitenwereld is geneigd om alles op de materiële kant te richten. Maar het is juist inherent aan ons mens-zijn dat we zin willen ervaren. Vroeger werd mensen een referentiekader aangeboden via de kerk of een andere gemeenschap waar je onderdeel van was. Maar nu leven we in een tijd dat we die zin zelf moeten vinden, want we hebben geen groot collectief verhaal meer waaraan we die kunnen ontlenen. We moeten zelf de regie over ons leven nemen om onze eigen betekenis op het spoor te komen. Uiteindelijk gaat het over de vraag: Waar gaat mijn leven nu werkelijk over? Maar niemand heeft ons geleerd hoe je daarachter komt.”

Existentiële vragen

Het werk van Susanne bestaat eruit samen met haar cliënten te ontdekken wat er ónder hun klachten schuilgaat. “Daar zitten bijna altijd existentiële vragen onder. Ergens is er iets gebeurd waardoor de klachten zijn ontstaan. De klachten waar ik mee te maken krijg, zijn divers. Sommige mensen lopen bijvoorbeeld vast op hun werk. Vaak zijn cliënten overprikkeld door de buitenwereld en verliezen ze daardoor het contact met hun binnenwereld. Dat kan zich uiten in angst, depressie, een burn-out. Anderen lopen vast in hun privéleven, vaak door relatieproblemen.”

In de ontmoeting

Volgens Susanne kan de betekenis van iemands leven eigenlijk alleen maar zichtbaar worden in de ontmoeting met een ander. “In de ogen van de ander word je zichtbaar. Doordat een ander je spiegelt. Het perspectief van een ander kan helpen, omdat je zelf vaak vastzit in je eigen overtuigingen en je je niet bewust bent van bepaalde thematieken.
Een voorbeeld: Een cliënt vertelde me dat zijn relaties altijd stuklopen. Uit zijn verhalen werd voor mij zichtbaar dat hij zich telkens van de ander afsloot. Dat spiegelde ik hem. Vaak ontstaat zo’n overlevingspatroon in iemands jeugd. In het geval van deze cliënt was er een verband met zijn vader, die een kwade dronk had. Als hij gedronken had, gingen de gezinsleden naar hun kamer en sloten letterlijk hun deur. Als een cliënt zo’n thematiek weet om te zetten, dan kan hij op het spoor komen waar zijn leven werkelijk over gaat. Vaak zijn mensen vooral op zoek naar talenten en kwaliteiten, maar als zingevingstherapeut zoek ik een laag dieper.
We onderzoeken een levensverhaal op vier verschillende dimensies. Bij elke laag horen vragen. Bij de fysieke dimensie gaat het bijvoorbeeld om vragen als: Wat heb jij nodig om je eigen plek te creëren, hoe ga je om met je lichaam?

Soms toont een levensverhaal vrij gemakkelijk wat eigenlijk belangrijk voor iemand is. Susanne: “Zo was er een cliënte van eind twintig die kanker had gehad. Voordat ze ziek werd, studeerde ze [in de voetsporen van haar moeder] psychologie. Na haar herstel voelde dat ze niet op het goede spoor zat. Het bleek dat toen haar vader was overleden, zij zich meer richting haar moeder was gaan bewegen. Terugkijkend bleek dat ze veel met creativiteit bezig was geweest. Net als haar vader had ze veel piano gespeeld en geknutseld, maar ook veel gedanst. Door het overlijden van haar vader was dat alles naar de achtergrond geraakt. Via haar levensverhaal kwam ze weer terug bij haar liefde voor creativiteit en besloot ze een opleiding tot creatief therapeut te gaan volgen.”

Verder lezen:

• Susanne Kruys – De biografie als medicijn. De zin van levensverhalen in de zorg. Lannoo Campus

• Susanne Kruys en Wouter Zuurbier. De biografie als medicijn. Handleiding, coachen aan de hand van de vier dimensies. Lannoo Campus 

Voor deze boeken zie: squareoflife.nl

100 jaar antroposofische zorg

Rudolf Steiner startte in 1920 de eerste cursus voor artsen over de relatie tussen mens en natuur, en over zijn visie op de mens als lichamelijk én spiritueel wezen [uitgegeven als Geesteswetenschap en geneeskunde]. Bij de uitbreiding van de antroposofische gezondheidszorg ontstonden er rondom antroposofische artsen ook therapeutica, waar je terechtkunt voor verschillende antroposofische therapieën, zoals kunstzinnige therapie, euritmietherapie of biografietherapie. Deze zijn complementair aan de reguliere geneeskunde. Een antroposofisch arts heeft dan ook eerst een medische studie gedaan, en daarna een aanvullende opleiding voor antroposofische geneeskunde.

.

Gezondheid: alle artikelen

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3056-2871

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-6)

.
John Hogervorst, Antroposofie Magazine maart 2018 nr. 9

.

Mijn geld, de bank en ik

.

Kansen voor een gezonder financieel systeem

Nu de crisis bezworen is, is er weinig dat erop wijst dat de praktijk van banken en het financiële systeem wezenlijk veranderd is. De verontwaardiging over de rol van de banken in de financiële en economische crisis van 2008 lijkt in rook te zijn opgegaan. Misschien moeten wij, als we willen bijdragen aan een ‘gezondere praktijk’ op dit gebied, ook wel ergens anders beginnen, namelijk bij onszelf. Want waar anders zouden wij kunnen beginnen? Wat doen wij zelf met ons geld en in hoeverre begrijpen wij de werking daarvan?

Als ik naar mezelf kijk, zijn er goed beschouwd drie dingen die ik met geld kan doen:

1: Ik koop er de producten mee die ik nodig heb, bijvoorbeeld een brood. Daarmee vervul ik mijn behoefte aan brood én maak ik het, vereenvoudigd voorgesteld, mogelijk dat de bakker, de groothandelaar, de boer en alle anderen die er samen voor zorgen dat ik morgen in de winkel opnieuw een brood aantref, hun werk kunnen doen. Dit is de werking van wat Rudolf Steiner koopgeld noemt.

2: Geld dat ik voor het dagelijks leven niet direct nodig heb kan ik, bij een bank, op een spaarrekening zetten. Hoe werkt dit geld, in Rudolf Steiners terminologie leengeld? Dit is het geld waarmee de banken aan de slag gaan. Zij mogen, zo is bepaald, een veelvoud van het geld dat ik spaar uitlenen. Dat gebeurt in de vorm van kredieten, aan startende ondernemers of aan ondernemingen die kapitaal nodig hebben, om uit te breiden of een vervangende investering te doen. Wanneer het zo zou zijn (zo is het niet, maar het is de situatie die wij zullen moeten creëren als wij de samenleving structureel vooruit willen helpen) dat ondernemingen géén privé-eigendom oftewel niet verhandelbaar, maar ‘van zichzelf’ zijn, dan vervult mijn spaargeld als leengeld een vruchtbare rol: het stelt ondernemers in staat meer consumentenbehoefte te vervullen, zonder dat eigenbelang daarin een leidend motief is. Want dit eigenbelang, dat zich uit in de zucht naar winstmaximalisatie en kortetermijndenken, kan in de economie zijn gang gaan doordat ondernemingen privébezit zijn.

3: En dan is er nog iets dat ik met mijn geld kan doen: ik kan het besteden aan mijn ontwikkeling of die van anderen. Dit is het geld dat ik, bijvoorbeeld, uitgeef aan onderwijs en scholing, aan gezondheidszorg, aan de vervulling van mijn kunstzinnige of spirituele behoeften. Dit is wat Rudolf Steiner schenkgeld noemt, een soms verwarrende term die wij misschien beter kunnen begrijpen wanneer wij zien dat wij door het besteden van dit geld doorgaans niet iets tastbaars in handen krijgen, maar eerder iets ontvangen of beleven dat met ontwikkeling of welzijn te maken heeft. Schenkgeld is het geld dat het mogelijk maakt dat mensen werkzaam kunnen zijn in sectoren als onderwijs, zorg, kunst en wetenschap. In onze samenleving loopt dit geld via door de overheid geïnde belastingen en vindt de verdeling ook plaats door de overheid. Dat gaat hand in hand met onwenselijke neveneffecten, die er vooral op neerkomen dat degenen die in bijvoorbeeld het onderwijs en de zorg werkzaam zijn, steeds minder op basis van hun kunde en ervaring kunnen werken omdat zij ingesnoerd raken door bureaucratie en protocollen. (Wij moeten er dus ook voor gaan zorgen dat deze ‘schenkgeldstroom’ anders verloopt; niet meer via de overheid…)

Eigendom van ondernemingen

Wanneer ik bewust met mijn geld wil omgaan, en daarmee wil bijdragen aan een betere, socialere en duurzamere samenleving, kan ik mijn koopgeld steeds gerichter besteden aan producten die duurzaam tot stand komen, en dat doe ik dan liefst bij ondernemingen die ook in economisch opzicht duurzaam werken – wat betekent dat zij streven naar eerlijke prijzen, opdat alle betrokkenen (leveranciers, medewerkers, klanten] eerlijk behandeld worden. Bewust omgaan met spaargeld is geen nieuw thema. Banken als de Triodosbank en ASN hebben hierin bijvoorbeeld als eersten stappen gezet. Desondanks opereren zij binnen de kaders van de huidige economische en financiële praktijk. Het zou interessant zijn wanneer zij het vraagstuk van het eigendom van ondernemingen op zouden pakken, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘vriendelijk’ vermogensfonds voor ondernemingen die zich zó organiseren dat zij geen privé-eigendom zijn. Het zou deze ondernemingen helpen om te illustreren dat ondernemen zonder dat eigenbelang voorop staat, niet alleen mogelijk is maar ook daadwerkelijk tot eerlijker prijzen leidt.

Spaargeld vruchtbaar inzetten

Overigens kennen wij in Nederland (Stichting Sleipnir en de Sleipnir Coöperatie] een voorbeeld van een groep ondernemingen – die geen privé-eigendom zijn – die onderling, en enkele ook samen met hun klanten, andere vormen van omgaan met geld (kapitaal) ontwikkelen. Deze ondernemingen staan elkaar bij in hun behoefte aan kapitaal en bieden consumenten de mogelijkheid hun spaargeld (leengeld) te laten werken zoals zij dat willen.

In deze richting liggen veel kansen. Voor de meeste bestaande banken geldt dat zij zelf ook privébezit zijn en dus te maken hebben met eigenaren of aandeelhouders die het onderste uit de kan willen. Dat betekent dat deze banken niet tot echte oplossingsgerichte stappen zullen komen.

Kijkend naar de toekomst van de banken, mogen wij nog gerust denken aan wat Rudolf Steiner hierover een eeuw geleden opmerkte: dat er ‘bank-achtige instituten’ zullen (moeten) ontstaan die doen wat banken eigenlijk moeten doen: het ingelegde spaargeld vruchtbaar inzetten ten nutte van het algemeen.

Zie stichtingsleipnir.nl en sleipnircooperatie.nl

Verder lezen:

R. Steiner, Economie – de wereld als één economie, Nearchus

.

Meer van John Hogervorst

Agenda cursussen Sociale driegeleding

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [9..] over (basis)inkomen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3055-2870

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Een grondsteen

.
Michiel Gastkemper, Antroposofisch Magazine, juni 2020 nr. 19
.

Een grondsteen. Wat is dat en waarom?

.

Wie als beginnend vrijeschoolouder betrokken is bij een pril schoolinitiatief, stuit al gauw op de vraag naar huisvesting: in een bestaand gebouw trekken, of nieuwbouw plegen? In beide gevallen komt vaak ook de vraag naar een grondsteen, en een bijbehorende grondsteenlegging. Maar wat is een grondsteen? En waar dient hij voor?

De tweede vraag is makkelijker te beantwoorden dan de eerste. Een grondsteen heeft geen enkel praktisch nut. Het is geen hoek- of sluitsteen waarop een gebouw rust of die een gebouw afsluit. Wel speelt hij een rol bij een nieuwbouw, vooral voorafgaand aan de bouw ervan. De grondsteen is een uitdrukking van wat met het gebouw bedoeld wordt en ook waarvoor het eigenlijk dient.

Dat doet een grondsteen op twee manieren. In zijn inhoud, die meestal een spreuk is, en in zijn vorm. Die vorm is speciaal, want op geen enkele manier praktisch te gebruiken bij het bouwen. Integendeel, die zou het gebouw eerder in de weg zitten. Voordat we dan maar beginnen over de tekst, die ai meer duidelijk kan maken over waarvoor een grondsteen dient, eerst nog bij welk soort gebouwen een grondsteen kan voorkomen.

In de antroposofische beweging zijn dat vooral nieuwe gebouwen die een verzamelfunctie hebben. Denk aan een zaal voor een opvoering of samenkomst, bijvoorbeeld in een school of een zorginstelling. Een grondsteen komt daar het meeste voor. Een voorbeeld is het nieuwe Van Dam Huis in Haarlem, dat gebruikt wordt door zowel een antroposofisch therapeuticum als voor ledenbijeenkomsten van de Antroposofische Vereniging ter plaatse.

Gemeenschappelijk belang

De tekst van een grondsteen is meestal een poëtische uitdrukking van het doel van het gebouw. De toekomstige gebruikers komen bij elkaar om zich te bezinnen op hun nieuwe gebouw en op waarvoor het gebruikt gaat worden. Dan blijkt dat zij, ook al kennen zij elkaar mogelijk niet persoonlijk, een gemeenschappelijk belang hebben.
Hoe verschillend zij individueel ook zijn, zij vormen voor dit gebouw een gemeenschap.

De tekst moet objectief zijn, niet persoonlijk, en uitdrukking geven aan het doel waarvoor de gemeenschap garant wil staan. In die zin is deze tekst ook een oproep, of zelfs een aanroep, aan het hogere in de mens en het hogere in de kosmos, of, als je dat liever hebt, in de evolutie.

Ais voorbeeld het begin van de tekst van de grondsteen van het Elisabeth Vreedehuis in Den Haag, dat in januari 2018 een nieuwe grondsteen kreeg:

Mogen in dit Vreedehuis
mensen samen komen
in de geest van deze tijd,
die met innerlijke kracht
horen wat ontwaken wil,
dienen wat beginnen wil,
smeden wat zich vormen wil.

Het is eigenlijk een soort bede. De spreuk goed formuleren is een gezamenlijke inspanning van een groep mensen. Dat alleen al vraagt een hoge mate van afstemming.

Mens en heelal

Dan de vorm. Zoals gezegd, die is totaal niet functioneel. Tenminste, niet als bouwsteen. De vorm bestaat idealiter uit vijfhoeken, dus een vorm met vijf hoeken, een pentagon geheten. Twaalf daarvan met de randen kunstig aan elkaar vastgemaakt, zodat het geheel bijna een bolronde vorm wordt: een dodecaëder. Waarom deze vreemd uitziende vorm?

Eerst die vijfhoek, de pentagon. De vijfhoek, zou je kunnen zeggen, is de vorm van een mens: een hoofd en twee uitgestrekte armen en twee gespreide benen.

Dan de twaalf vijfhoeken, waarom twaalf? Tezamen vormen die een soort bol. Je kunt denken aan een wereldbol. De grootste bol die we kennen is de hemelkoepel, en helemaal daar rond gaan de twaalf tekens van de dierenriem. De twaalf vijfhoeken van de grondsteen vormen als het ware de uiterste grenzen van ons heelal.

Kortom, in de vorm van de grondsteen zien we zowel de mens terug als het heelal, in hun verhouding tot elkaar. Als je denkt aan twaalf mensen met twaalf verschillende sterrenbeelden, dan kun je daarin de hele mensheid terugvinden. Een gebouw wordt niet voor één mens gemaakt, maar voor een gemeenschap van mensen, misschien zelfs ten dienste van de hele mensheid.

Intentie

En waar vind je dan die grondsteen van een gebouw? Het is een bepaalde ceremonie, een grondsteenlegging, die voorafgaat aan de voltooiing van een gebouw. Vaak al op een vroeg moment in de bouw. Zodat die grondsteen bijvoorbeeld kan worden ingemetseld in de fundamenten. Op een plaats waar je niet makkelijk bij kunt, maar waarboven of vlak in de buurt veel mensen samenkomen. Bijvoorbeeld onder de ingang of de plek zaal en podium elkaar raken.

Je staat dan met je voeten op de eigenlijke grond van het gebouw, namelijk de intentie van een groep mensen. Zij hebben expliciet uitgesproken waarvoor zij zich willen inzetten. Iets heel dierbaars dus. Zo is ook de grondsteenlegging een heel feestelijke gebeurtenis, waarbij je met elkaar het idee van het aanstaande gebouw viert.

.

Steiner over de grondsteen in GA 298, op deze blog vertaald

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3045-2860

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkeling door oefening

.
Rudolf Steiner benadrukt in zijn pedagogische voordrachten verschillende keren hoe belangrijk het is voor de mens dat zijn wil wordt ontwikkeld:

Het komt erop aan alle drie de elementen: intellect, gevoel en wil van de mens op de juiste manier op te voeden, dat men zichzelf in staat stelt deze drie elementen op de juiste wijze te laten samengaan.

Es kommt darauf an, alle drei Elemen­te, Intellekt, Gemüt und Willen, im Menschen in der richtigen Weise zu erziehen, daß man sich in die Lage zu versetzen versteht, diese drei Lebenselemente in der richtigen Weise zusammenwirken zu lassen.
GA297/57
Op deze blog vertaald/57

Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt.

Wir müssen uns klar sein, daß wir den Unterrichtsstoff hauptsächlich dazu verwenden, um die Willens-, Gemüts- und Denkfähigkeiten des Kindes zu ergreifen, daß es uns viel weniger darauf ankommt, was das Kind gedächtnismäßig behält, als daß das Kind seine seelischen Fähigkeiten ausgestaltet.
GA 295/38
Vertaald/38
Meer op ‘Wegwijzers

Dan moet je als opvoeder ook aan het werk: opvoeding = zelfopvoeding.

Manon Berendse, Antroposofisch Magazine juni 2019, nr 14

.

Train je wilskracht met Steiners Basisoefeningen
.

Kijken naar en jezelf en naar je ik
.

Van antroposofie wordt nog wel eens gezegd dat het vaag of ongrijpbaar is, terwijl het vaak verrassend concreet en toepasbaar is. Het gaat wél over diepgaande processen die we als mens beleven. Voorbeeld bij uitstek?
De Basisoefeningen en de terugblikoefeningen, waarmee je het denken, voelen en willen kunt trainen.
Antroposofisch arts Jaap van de Weg is al jaren enthousiast over deze vorm van meditatie. “Het is een glasheldere manier van meekijken naar wat je denkt, doet en voelt. Ik ben er rustiger en daadkrachtiger van geworden.”

Dat Jaap van de Weg iedere dag zijn denken en handelen traint, blijkt meteen als ik hem bel voor onze telefonische afspraak. “Ik dacht dat je pas over een halfuurtje zou bellen, dus ik was nog even naar de bibliotheek gewandeld. Maar ik ben bijna thuis hoor. Kijk, dit is nou zo’n ‘verwarringsmoment’ waar je naar kunt kijken. Iedere dag maken we een aantal keren kleine of grotere situaties mee die ons overvallen of uit onze concentratie halen. Dan zijn we even niet actief met ons zelfbewuste ik, maar moeten we beslissen wat we gaan doen. Wat doe ik, nu blijkt dat je me eerder belt dan ik had gedacht? Later terugbellen of gewoon even doorpraten tot ik thuis ben? Door op dit soort momenten structureel terug te kijken, alsof het een film is die je terugdraait, verminder je de stress die ermee gepaard kan gaan. Zo, ik ben thuis. Waar gaan we het over hebben?”

Bewustzijn laten groeien

Laten we beginnen bij welke vormen Rudolf Steiner onderscheidde: de terugblikoefeningen en de Basisoefeningen.

Jaap van de Weg: ‘Terugblikken kun je doen aan het einde van de dag. In grote lijnen, door in omgekeerde volgorde na te gaan wat je hebt gedaan, gedacht en wie je hebt ontmoet. Je neemt je dag door, van de avond terug naar de ochtend. Of je staat stil bij een voor jou belangrijk moment, of zo’n ‘verwarringsmoment’. Wat gebeurde er? Wat deed je? En kun je de film van die situatie ook anders afmaken in je hoofd? Naast deze terugblikoefeningen kun je werken met de zes Basisoefeningen, ook wel Nebenübungen genoemd, die je kunt toepassen naast het mediteren. Het zijn allemaal manieren om vanaf grotere afstand te kijken naar jezelf – liefdevol en zonder oordeel. Je wordt jezelf bewuster van wat je denkt, doet en voelt. Als je zo leert mee te kijken naar jezelf, krijg je een groter besef van jouw zelfbewuste Ik en leer je jouw wilskracht te richten. Dat is een verschil met bijvoorbeeld mindfulness of boeddhistische meditatie. Die vormen scheppen vooral zielenrust, maar antroposofische meditatie reikt verder: omhoog, de kosmos in. Je ontwikkelt het geestelijke deel van jouw mens-zijn om zich te verbinden met het geestelijke van de kosmos. De Basisoefeningen zijn dus een praktische manier om te werken met karma: je vraagt je af waarom dingen gebeuren, binnen een kader dat groter is dan jij zelf bent. Jouw reflecties versterken dus niet alleen jouw ziel – je kunt de Basisoefeningen ook gaan doen met het doel bewustzijn te laten groeien binnen een gemeenschap: op school bijvoorbeeld, op je werk of binnen een vriendenkring. Je wordt er rustiger, tevredener en daadkrachtiger door. Maar je proeft ook meer kansen omdat je minder energie verliest aan emoties die je voorheen konden overweldigen. En zelfkennis vergaren is nu eenmaal enorm bevredigend – dat maakt deze vorm van mediteren zo vitaliserend.”

Volhouden

“Je zult het wel echt zelf moeten doen. Dat begint dus bij het echt willen en een helder voornemen maken van welke oefeningen je wilt doen, hoe lang en waarom. Maar je kunt wel afspreken met een vriend of vriendin om dezelfde oefeningen gedurende een periode te doen en dan uit te wisselen. Want volhouden is wel een dingetje: als het niet goed met ons gaat, zijn we tot veel bereid, maar als het ons wel goed gaat, versloffen dit soort voornemens snel. Vijf minuten mail checken is makkelijker dan elke dag vijf minuten vinden voor het doen van een Basisoefening. Maar als het je lukt, win je heel veel meer.”

Het doel van de 6 Basisoefeningen

Denkoefening: leer helder denken.

• Wilsoefening: krijg controle over je handelen/wilsimpulsen.

• Gevoelsoefening: word je bewust van je gevoel. Beleef sterke gevoelens minder intens en geef subtiele gevoelens meer ruimte.

• Positiviteitsoefening: neem het positieve bewuster waar. In deze oefening combineer je denken en voelen.

• Onbevangenheidsoefening: sta open voor nieuwe ervaringen. In deze oefening combineer je voelen en willen.

• Innerlijke harmonie: beoefen de voorgaande oefeningen tegelijkertijd, om harmonie te scheppen tussen denken, voelen en willen.

Aan de slag

• Maak een helder voornemen: waarom ga je oefenen, hoe lang en wanneer?

• Een functioneel ritme is: iedere basisoefening een maand doen.

• Met wie kun je uitwisselen? Dan houd je je ritme langer vol.

Over de zgn. ‘Nebenübungen

Verder lezen

Roel den Duik, Praktische oefeningen voor een innerlijke ontwikkeling, brochure #31 Centrum Sociale Gezondheidszorg. Te bestellen via gezichtspunten.nl

Joop van Dam, Het zesvoudige pad, Christofoor 2007

Jaap van de Weg, Achter de sluier: van oefening naar meditatie, Christofoor 2007

3036-2851

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren – folklore (2)

.
Over oude gebruiken rond en met Pinksteren. Artikel waarschijnlijk van rond 1950.

.

pinksteren

Tal van voorjaarsgebruiken, door ons noordelijk klimaat tot de zomertijd opgeschoven, zijn aan het Pinksterfeest verbonden.
Zoals in mei de meibruid of meikoningin werd rondgevoerd als belichaming van de herleefde groeikracht, zo hield men met Pinksteren een ommegang met de pinksterbruid. Bij de meibruid behoorde oorspronkelijk de meibruidegom; ook de pinksterbruid werd meermalen vergezeld van de pinksterbruidegom, alias pinksterhaan.

Pinksterbruigom en Pinksterbruid als herderspaartje. Uit: Vaderlandsche Kindervreugd, Amsterdam, omstreeks 1780.

Eigenlijk nooit kwamen deze bruidegoms alleen voor, want van de vrouw stroomt de vruchtbaarheidskracht uit (daarom laten sommige natuurvolken de akkerbouw geheel aan de vrouw over). Het is dan ook komisch en paradoxaal, dat in de opera Albert Herring (1946) van Benjamin Britten (naar Le Rosier de Madame Husson van Guy de Maupassant) een klungelige brave jongen als meikoning wordt verkozen – door een comité dat de meisjes te ‘licht’ bevindt.

Merkwaardig is het Limburgse gebruik, waarvan Emile Seipgens vertelt in Langs Maas en Geul (1890): ‘Toen ’t weer zomer werd en in den eersten Meinacht door de jongelui van het hoogste punt van den Kommelberg de namen der
Meiliefsten werden afgekondigd, klonk het ook uit den grooten spreekhoorn over het dorp en door het geheele dal in het donkere van den nacht: “Hanspeer Hoenen en Marianne Schmeitz! Is ’t uch allemaol leef?’’ – En een daverend “Jao!” van het geheele dorp, dat zich aan den voet van den berg verzameld had, weergalmde als antwoord – Hanspeer schaterde van genoegen. Volgens gebruik moest zij thans den volgenden Zondag met hem uitgaan.’

Pinksterbruid en -bruidegom, uitgedost als herder en herderin, met een schepersstaf in de hand, zien wij in de Vaderlandsche Kindervreugd. Zij dragen om het hoofd het rozenkransje, het ‘rozenhoedje’, waarvan het Pinksterliedje gewaagt:

Daar komt de fiere Pinksterbloem,
Daar komt zij aangegangen.
Met een schoon rozenhoedje op,
AI met twee bloeiende wangen.

Het is een stijf paartje en de stoet, die door vrouwen wordt geregeld, heeft weinig kinderlijks.

In lieflijker vorm kon men dit pinksterbruidspaar tot voor weinig jaren nog de boerschappen van Twente (Ussel op zien rondtrekken. Bruid en bruidegom liepen onder een bontpapieren kroon, versierd met waaiertjes en uitgeblazen eieren, en opgehangen aan het kruispunt van twee grote halve hoepels, eveneens met bont papier omhangen. Vier kinderen droegen de uiteinden, achter het bruidspaar sloot een kindergevolg zich aan. Allen waren getooid met pinksterbloemen, madeliefjes en margrieten. Kransen van deze bloemen hingen hun om hals en schouders, hele trossen bengelden van de petten van de jongens. Zo trok de fleurige lentestoet van de ene boerderij naar de andere, waar op elke deel de kinderen van het gevolg om bruidspaar en dragers een kring sloten en zongen:

Doar kom’ wi-j cm met de Pinksterbroed,
Met mooie bleumkes cd um den hoed,
En as zij oons nich wat gewwen wil,
Dan stoaw hier ook nich langer stil.

Bedelen deden deze kinderen niet, maar overal offerde men graag een gift in het busje; van de opbrengst werd ’s avonds vrolijk feest gevierd.

Bloemen en groen waren de hoofdtooi van de pinksterbruid, doch ook werd zij wel behangen met allerlei zilveren sieraden, welke de burgerij gaarne hiertoe afstond. Immers hoe rijker tooi, hoe vruchtbaarder jaar!
De pinksterbloem van Schermerhorn

Pinksterbloem te Schermerhorn. Uit Claes Bruin, Noord Hollandsche Arcadia, 1732.

die staande op een burrie door vier meisjes werd rondgedragen, zoals vroeger de oorlogsheld op het schild werd geheven, droeg twintig zilveren tuigen, tien zilveren bellen, drie knipbeugels en vijfentwintig barnstenen of bloedkoralen kettingen. De zilvertooi verdween onder de invloed der plakkaten, die dreigden ‘de kleinooden, juweelen of ander silverwerk’ der pinksterbruiden ten behoeve van de armen verbeurd te verklaren.

Op de Waddeneilanden hield dit gebruik nog lang stand. Zo bijvoorbeeld op Texel, tot 1892 (Den Hoorn). In zijn novelle Gerrit de Wolf (Texelsche Vertellingen, Utrecht 1867) vertelde Dirk Dekker, hoe de ‘pinksterblom’ (een meisje van de naaiwinkel) zwaar ‘begoud en bezilverd’ langs straten en wegen trekt. Van de giften houdt men op tweede pinksterdag de zogenaamde pinksterkriek, ‘pret met sukelaad en krentebóltjes’. De jongens mogen eraan deel nemen, tegen een bijdrage, gelijkstaande met het aandeel der meisjes in de ontvangen giften.

Elders, o.a. in Limburg, zat de pinksterbruid, altijd een mooi meisje, op een draagstoel of in een rol- of mandewagentje, steeds door een sluier afgesloten. Mooi uitgedoste kinderen trokken met haar langs de huizen en zongen:

Péngsterbloom, de wien is oet,
Geef ós get en laot ós gaon,
Want veer moeten nog ei deurke wie’èr gaon.

Kwamen de bewoners naar buiten, dan vroegen de meisjes: ‘Wilt geer de péngsterbloom zeen?’ Op een bevestigend antwoord schoven zij de sluier even terzijde en kregen daarvoor een gift. Ook te Vriezenveen was de pinksterbloem, een van de kleinste meisjes, bedekt, daardoor een groot schort, die werd weggenomen als ,men haar wilde bekijken:

‘Hier is de Pinksterbroed;
Wi-j hum zain veur ’n paar doét?’

De traditie wordt ook nog in ere gehouden in het Noordbrabantse Cromvoirt, waar een kleine pinksterblom, in het wit, een krans van pinksterbloemen op het hoofd, gevolgd door alle dorpsmeisjes, ook met bloemen of groen versierd, door de straten trekt. Bij elk huis wordt een kring gevormd en om de zwijgende pinksterbruid gedanst onder het zingen van het pinksterliedje:

Daar komt de mooie Pinksterblom.
Vanwaar komt zij gegangen?
Met twee gebloosde wangen
Daar komt ze voor u staan.
Maar ja, als ze niet deugen wil,
Dan zullen we ze gaan verkopen.
We zullen ’n kenneke stropen
Daar achterin het groene woud.
Daar zingen de vogeltjes, jong en oud,
Daar zingen ze, rommeldebom,
Draai ’ns om, die mooie Pinksterblom,
We komen ’t volgend jaar weerom.

Het meisje dat daarbij in een korf de giften inzamelt voor het later te vieren feest, heet de Judas. Na afloop van het feest kiest de pinksterblom haar opvolgster voor het naaste jaar. Overigens is de pinksterbruid in Nederland blijkbaar uitgestorven, doch er zijn tekenen van herleving. In 1941 heeft men te Beek (L.) een pinksteroptocht georganiseerd. Te Hengelo (O.) trok, na de Tweede Wereldoorlog, een fleurige pinksterstoet de straten langs, niet de traditionele van boerenkinderen, maar van stadsmeisjes. Dit was een gezonde herleving zonder inmenging van volwassenen en zonder uitloving van prijzen. Wel werd door de ouders het initiatief genomen, waarop de kinderen vol geestdrift ingingen.

Ook zo goed als verdwenen zijn de pinksterkronen, die hingen over straat en weg, de met bloemen, bont papier en uitgeblazen eieren versierde kransen, waar de pinksterbruid onder zat in een nis van sparrentakken of op een versierde stoel, met een bloemkorf op haar schoot. Wat was het een fleurig gezicht de kinderen zingend om de bruid te zien dansen, telkens als iemand onder de kroon doorging en daarvoor zijn tolgeld betaalde.
Alleen in de Gelderse Achterhoek wordt dit gebruik nog enigermate in ere gehouden.
Te Ruurlo spande men over de weg een touw, versierd met bloemen en groen. In het midden van dit touw hing horizontaal een krans, soms een oud rad, omwonden met wilde bloemen, voornamelijk brem en zo mogelijk pinksterbloemen, ook nog papieren bloemen. Als er iemand naderde, posteerde de bruid zich onder de kroon en dansten de kinderen om haar heen.
Ook te Lochem en te Hengelo (G.) spande men slingers over de weg. Ook nu hangen er nog wel pinksterkronen boven de weg tussen Ruurlo en Lichtenvoorde, maar er wordt niet meer gezongen.

Deze pinksterkronen gaan terug op de meikransen, die men op 1 mei, tegelijk met het planten van de meiboom, uithing. Ook reeds bij de meiboom verving men deze grote kransen door een wagenrad. Onder deze meikransen placht men te dansen en te springen, en wel zo lustig, dat ze bij plakkaat werden verboden.

Bijzondere vermelding vraagt de pinksterkroon te Deventer.

De Pinksterkrone in de Papenstroate, omstreeks 1895. Tekening van de schildersbaas E. Bokhorst in H. J. E. van Beek, Deventer vrogger en noe, deel II (1924).

Dit is geen krans die over de straat hangt, maar een hoge paal, in de volksbuurten van de oude stad opgericht. Alle straatbewoners dragen daarvoor naar vermogen bij; voor de ingekomen gelden worden bontgekleurde lampions en vloeipapier in grote hoeveelheden ingeslagen. Hebben de knipsters deze tijdens de avonduren in schuur of pakhuis tot eiernetjes en kettingslingers verwerkt, dan wordt mannelijke hulp ingeroepen. Aan een stevige paal van 6 à 10 meter lengte, die met lichtkleurig papier is beplakt, worden op gelijke afstand zes of zeven eveneens versierde hoepels horizontaal bevestigd, die naar beneden in grootte toenemen, terwijl bovenop de paal twee kleine tenen hoepeltjes kruiselings worden vastgespijkerd. Is dit geraamte gereed, dan zet men de paal ineen kuip of tobbe met stenen vast en behangt de hoepels kwistig met de geknipte eiernetjes en papierslingers. De pinksterkroon mag niet massief worden, zij moet ‘doorzichtbaar’ zijn. Ten slotte komen de lampions, een balvormige in de top en langwerpige aan de hoepels.

Bij dit versieren van de kroon wordt een zekere geheimzinnigheid betracht: alleen leden van de commissie, die meestal uit vrouwen en meisjes bestaat, mogen erbij zijn. Dit herinnert aan de meiboom, bij welks versiering ook bepaalde categorieën waren uitgesloten. Evenals de meiboom wordt ook de pinksterkroon in het midden van de gemeenschap geplant om allen tot zegen te zijn. Zodra hij is versierd, danst men er in uitgelaten feestvreugde omheen, zoals men ook bij de meiboom deed. De Deventer pinksterkroon is dus feitelijk een meiboom. Bij deze pinksterkroon zit geen pinksterbruid, maar een harmonicaspeler, die in de nabijheid op een bankje plaatsneemt. Op de eerste tonen reien alle kinderen uit de straat zich om de kroon. Hand in hand ‘rozen’ zij in wijde kring en zingen uitentreuren, op de wijze van ‘Wie in januari geboren is’, een liedje dat in het begin van deze eeuw door een ‘kindervriendin’ gemaakt is en zich spontaan vervormt in de overlevering:

De Pinksterkroon is weer in ’t land, hoezee!
De vlaggen die waaien van alle kant, hoezee!
Wij rozen naar de oude trant
Weer allen samen, hand in hand;
Hoezee, hoezee, hoezee! (bis)
De Pinksterkroon is weer in ’t land, hoezee!
Hij stiet weer in de stroat geplant, hoezee!
Zien bonte kop stek fier omhoog,
’t Is ja ’n lust veur ieders oog,
Hoezee, hoezee, hoezee! (bis)

’s Avonds, als de kaarsjes in de lampions zijn aangestoken, komen de volwassenen zich onder de kinderen scharen, en het wordt soms middernacht eer de kaarsjes op last van de politie worden uitgeblazen en de feestvierders de pinksterkroon in triomf terug dragen naar haar bergplaats in stal of schuur. Doch even triomfantelijk wordt zij er de volgende ochtend weer te voorschijn gehaald om andermaal middelpunt te zijn van vrolijke kinderpret. In de late avond of wel midden in de nacht van Pinkstermaandag wordt de pinksterkroon ten slotte door de buurtgenoten, de harmonicaspeler voorop, in optocht naar de IJssel gedragen en daarin verdronken. Of wel men steekt haar op de plaats waar zij staat, in brand, terwijl de hele buurt er omheen ‘roost’. Ook dit herinnert aan het tragische lot van de meiboom, die wordt verdronken of verbrand, omdat men meende hierdoor regen te bekomen of warmte aan de zon toe te voeren. Bij het wegbrengen van de kroon kon het soms ruw toegaan, evenals bij het feest van de meiboom, oorspronkelijk een nachtelijke orgie. Daarom zijn de pinksterkronen te Deventer wel eens een tijdje, bijvoorbeeld in 1679, verboden geweest. Ze zijn nu, met de ontvolking van de oude binnenstad, nagenoeg verdwenen: in 1977 was er alleen een viering in de Rivierenwijk.

De pinksterkroon leeft ook nog voort op Terschelling, maar uitsluitend op Oost-Terschelling, te Oosterend en Hoorn, niet op Midsland en West-Terschelling. Ook deze pinksterkroon is, evenals de Deventerse, een meiboom. In de vroege ochtend van Pinksterzondag richten meisjes aan de hoek van de weilandomheining een paal op, die zij versieren met kransen van veldbloemen en uitgeblazen eierschalen van spreeuw, tureluur, bonte piet. Keerde de boer ’s middags van het melken huiswaarts, dan plachten de meisjes hem op te wachten met een kan of emmertje en werden beloond met schuimende melk, waarvan zij ’s avonds chocolade dronken. Doch dit ‘melkofferen’ bestaat thans niet meer, wél is als overblijfsel het drinken van chocolademelk met Pinksteren gebruik gebleven. Het liedje, genoteerd door Jaap Kunst (Terschellinger Volksleven), kent nu heel Nederland:

Hier is onze fiere Pinksterblom,
En ik zou hem zo graag eens wezen,
Met zijn mooie kransen om het hoofd,
En met zijn klinkende bellen.
Recht is recht, krom is krom,
Gelief je ook wat te geven,
voor de fiere Pinksterblom?
Want de fiere Pinksterblom moet voort.

Ook bestaat de pinkstermeiboom, behalve in het Limburgse Bleijerheide, nog op Schiermonnikoog; hij heet daar de kalle-mooi = kale mei.
Te Zoutkamp (Gr.), waar eenzelfde gebruik bestond, sprak men van ‘haneboom’. Ook op Schiermonnikoog neemt men hiervoor een paal. Boven aan de paal komt een groene tak en daaronder waait de Nederlandse vlag, die op de witte baan het woord ‘kallemooi’ voert. Onder de vlag komt een dwarspaal met een paar lege flessen; flessen met drank kwamen ook bij de oude oogstmei voor. Hierop volgt de hoofdpersoon van het feest: een levende haan, opgesloten in een grote korf, waarover een stuk baalzak hangt. Deze haan wordt óf door de kastelein beschikbaar gesteld óf hij wordt in de Pinksternacht gestolen. Hij krijgt voer mee voor drie dagen, waaraan – zo wordt gezegd – een vingerhoedje jenever niet ontbreken mag, ter bevordering van zijn kraailust. Wanneer de hele toestel op de grond is klaargemaakt, wordt de kallemooi des zaterdagsavonds vóór Pinksteren op het aan de herberg gelegen pleintje omhoog gehesen en stevig bevestigd, waarbij alle jongemannen moeten helpen en geen meisje mag tegenwoordig zijn. Na afloop opent de pinksterkermis met het bal, de ‘kallemooistep’, waarop, als de muziek even staakt, de heren moeten kraaien en de meisjes tokkelen; wie mist, moet dit afzonderlijk overdoen. Drie dagen lang oefent de haan de magische macht van zijn gekraai uit over het eiland: warmte-verwekkende kracht werd toegekend aan hem, wiens kraaien aan het opgaan der zon voorafging. Op Pinksterdinsdag, ‘Pinkstertrooi’, wordt het dier uit zijn eenzaamheid verlost en de kallemooi neergehaald, een gevaarlijk werk, dat niet in het donker kan gebeuren. Men draagt hierbij alle zorg, dat de haan er het leven niet bij inschiet, en weer op de begane grond wordt hij hartelijk verwelkomd. Hierop volgt de grootste kermisavond. waarbij de jongemannen geheel in het wit dansen. Zij doen hun jas uit en later ook hun bovenbroek; voor deze gelegenheid dragen zij daaronder een extra bovenbroek, die sneeuwwit is.

Zo beschrijft Catharina van de Graft een fascinerend gebruik, dat nu nog, met lichte variaties, in volle fleur is. Al in 1702, in een verslag van de ‘Scholendinaer tot Soltcampe’, wordt het vermeld: ‘Als de tweede daghe van Pinksten, so men veiert dat Feste van Colle Mooei al waer een yder sich seer vroolick ende opgheweckt in begevet met sangh ende dansen. Die schriek Hane welcke geholden is in den top ener pael te verblijven gedeurenden dat Feste is door de ingesetenen van den Eijlande seer bequaam in ene mes te ener scip in de hoogte gebracht.’
Kermis op Pinksterdrie wordt ook druk gevierd op Walcheren, waar, evenals in enkele streken van Friesland, de oude zede bleef bewaard op onze voornaamste hoogtijdagen, Kerstmis, Pasen en Pinksteren, drie dagen feest te vieren. De Walcherse dorpskermissen worden steeds vergezeld van een ringrijderij, Zeeuws volksvermaak bij uitnemendheid. In Koudekerke, Oost-Souburg, Nieuw- en Sint-Joosland, Oostkapelle trekken dan de ruiters en hun ongezadelde paarden, de manen en de ‘gebreistaerte’ staart versierd met bonte papieren rozen, honderden kijkers uit de stad. Het slot van de wedstrijd is het rijden om de pollepel, waarbij de gelukkige winnaar verplicht is alle ringrijders te trakteren op een ‘rondje pollepel’, en dezen om beurten uit de pollepel brandewijn drinken. Mogelijk gaat dit gebruik terug op een vroegere inzameling van eetwaren, in gemeenschappelijke maaltijd genuttigd. Ook bij Vlaamse Sintmaartensommegangen werden de giften met een pollepel opgehaald.

Een ander oud Zeeuws volksvermaak op Pinksterdrie is het gaai schieten door de schuttersgilden, bijna overal met de handboog. Waar het gilde nog bloeit, houdt men wekelijks schietoefening, doch eenmaal in het jaar wordt het gildefeest gevierd met koningschieten. Dan wordt een uit taai hout gesneden vogel, versierd met veelkleurige bonte pluimen, de papegaai, bovenop een hoge paal, de schietstang, aan een stuk ijzer stevig bevestigd. Wie de vogel afschiet, is koning voor één jaar en wordt bekleed met het zilver: de halsketen met platen (schilden) en zilveren vogel. De koning is verplicht het zilver te ‘verbeteren’, d.w.z. een zilveren schild te schenken aan de gildeketting. Wie driejaar achtereen koning schiet, is keizer en ontvangt het zilver in volle eigendom, doch zijn gilde mag dit voor een vastgesteld bedrag lossen.

Nergens wordt mooier met ‘de edele handboog’ geschoten dan in Zeeland, doch hier ontbreekt de zwierige praal van optocht en vendelzwaaien, kiest de koning zich geen koningin, noch viert men tot besluit het vrolijke koningsfeest. Alleen de papieren bloemen, successievelijk gestoken aan de hoeden van de prijswinnaars, die een deel van de vogel afschoten, brengen nog wat kleur aan, terwijl hier en daar een kleine traktatie van de koning de vroegere gildemaaltijd vervangt.

Een schilderachtiger schouwspel bieden de Brabantse en Gelderse schutters, als zij op Pinkstermaandag, ook wel op Kerstmismaandag, Hemelvaartsdag en patroonsdag, niet altijd jaarlijks, ook wel om de twee of meer jaren, optrekken met hun breedgerande pluimhoeden, hagelwitte pantalons en oranje sjerpen, de Limburgers daarentegen in oude legeruniformen, die nu door nieuwe op de oude geïnspireerde uitmonsteringen zijn vervangen. Vooral in Brabant is het schoon, waar de tamboer roffelt op zijn hoge koperen trommel en het paard van de standaardruiter of ‘alféris’ met papieren bloemen en kleurige strikken is versierd. In golvende lijn wordt het voorwaarts gestuurd, terwijl de vaandrig zijn dunne zijden vaan onophoudelijk zwaait in een reeks van schone, in elkaar vloeiende zwenkingen. Dit vendelzwaaien, als eerbewijs bij allerlei gelegenheden gebracht, heeft in Brabant zeer kundige beoefenaars. Ook in Gelderland waar het gebruik is met twee vaandels te zwaaien. In Limburg lijkt deze nobele kunst verloren te gaan, maar er is, van Nederweert uit, duidelijk een opleving. Zo heeft Helden thans een actieve vendelgroep.

In het katholieke gebied woont de gilde eerst gezamenlijk de mis bij en trekt met vanen en wapenen de kerk binnen. Vandaar gaat men onder het spelen van een oud jagers- of soldatenlied naar het schietterrein en trekt daar eerst driemaal om de schutsboom. De koning van het vorige jaar lost het eerste schot, vaak ook de pastoor of de burgemeester. Bij elk raak schot roffelt de tamboer en gaat een gejuich op. In Brabant en Gelderland schiet men met hand- en voetboog en geweer, in Limburg (al hebben daar wel handboogschutterijen bestaan) uitsluitend met geweer, behalve te Maastricht. Niet overal kiest de koning zich nog een koningin; het verdwijnen van de koningin, in het algemeen van de vrouw uit de gilde, wijst op verval. Bij het koningsfeest, het teerdag houden, had vroeger de gildemaaltijd plaats, nu beperkt tot drinken, waarbij men soms nog wat eet. Tot slot danst men onder begeleiding van een enkele viool of harmonica boerendansen, o.a. de boerencarré of in Gelderland de Driekusman.

Jan ter Gouw noemt de gilden broederlijke verenigingen tot onderlinge bijstand, zo oud als ons volk. Bij de opkomst der steden vormden de schuttersgilden een keurbende tot verdediging der burgerij. Later werden zij een hulp van stads- en dorpsbestuur, een soort van politie. Ook stelden zij zich als geestelijke broederschap onder de hoede van de Kerk, steeds kozen zij een heilige tot patroon. Aan de katholieke eredienst verleenden zij hun bijstand, o.a. bij de jaarlijkse processie, vooral bij die van het Heilig Sacrament. Als gepast vermaak beoefenden zij het vogelschieten.

In de schuttersoptocht zijn blijkbaar allerlei restverschijnselen bewaard. Wij worden herinnerd aan het middeleeuwse mei-gilde, dat op 1 mei of Pinksteren in blinkende wapentooi de stadspoorten uitreed om de meikoning of meigraaf te kiezen. Omkranst werd deze in plechtige optocht geleid naar de stad, vorstelijke eer werd hem bewezen. Aan het meigraaffeest was meermalen het vogelschieten verbonden, na afloop onthaalde de meigraaf allen op een feestmaal; alleen een vermogend man kon meigraaf zijn. Deze nam deel aan de processie van het Heilig Sacrament.

Nog herinnert de onderscheiding waarmee de koning wordt bejegend, aan de eer, vroeger de meigraaf bewezen. Te Doornenburg mag niemand de koning toespreken zonder bemiddeling van een bestuurslid; in het Gaesbeecker- of Sint-Aegten-gilde te Soest mocht niemand plaatsnemen aan de tafel waaraan de ‘ouderman’ met de zijnen zat.

Voorstellingen door verklede en gemaskerde personen, in de Middeleeuwen zo geliefd, vinden wij terug in de vertoningen uit het leven van de gildepatroon; zo stelt het Martinus-gilde te Tongerle in zijn optrekken Sint-Maarten met de bedelaar voor. Op verdienstelijke wijze speelt men in Gelderland en Limburg de ‘bieleman’, die met veel ceremonieel een paaltje omhakt, waaronder veelal een kleine gave zit verstopt. In Hummelo gebeurt dit bij huizen waar het vendel gezwaaid wordt. De ‘bielemannen’ zijn waarschijnlijk een overblijfsel van de vroegere sappeurs, die met grote bijlen aan legerafdelingen vooraf gingen om de weg open te kappen; hier en daar dragen zij nog de uniformen der sappeurs met hoge kolbakken en schootsvellen. Nu zijn het een soort van grappenmakers, die vóór de troep uit marcheren en al dansende de jeugd vervolgen. Men noemt ze ook wildemannen; in Brabant spreekt men van de pias.

Evenzo heeft het kunstige vendelzwaaien om hoofd en nek, borst en lendenen, ook onder de voeten door, als de vaandrig zich plat op de grond werpt, oude betekenis. Het moest de omstanders geruststellen dat de vaandrig zijn vaandel zou blijven hoog houden, ook al werd hij aan hand of voet gewond. Al is van het gildezilver door verkoop, verplichte inlevering en slordig beheer veel verloren gegaan, toch vormt dit van de honderden schutterijen die ons land nog telt, een rijk bezit, van vaak hoge kunstwaarde. De schilden, gegraveerd met hun door de koningen gemaakte versjes, vol dorpshumor, verdienen als voortbrengselen van volkskunst ten volle de belangstelling, die hun nu ten deel valt, vooral in Noord-Brabant. Nog altijd is het een onderscheiding lid te zijn van het schuttersgilde, wordt de winnaar van het koningschap in het dorp hoog geëerd. De fiets en de voetbal, het moderne verkeer, doen geen merkbare afbreuk aan dit edele vermaak; integendeel vertonen sommige gilden duidelijke tekenen van opleving en tot in de jongste tijd worden nieuwe schuttersgezelschappen opgericht.

Het Gemeentemuseum te Arnhem bezit een alleraardigste waterverfschildering door P. van Cuyck, van 1759, die het vogelschieten van de Sint-Jans Schutterij op de hoogten tussen Zijpendal en Sonsbeek met grote nauwkeurigheid afbeeldt. Men ziet tegen de boom het vaandel staan, ook het zilver is daar door de koning opgehangen en de speellieden benevens de ene tamboer hebben er hun instrumenten neergezet. De andere tamboer staat links terzij, gereed tot roffelen zodra het schot raak is. In een wijde kring daaromheen staan of liggen de toeschouwers op het gras of ze zitten aan tafeltjes wat te drinken.

Van geheel andere aard is een pinkstergebruik dat op een enkele plaats in de Twentse en Gelderse Achterhoek nog voorkomt, de broodbedeling aan de armen. Ook Noord-Brabant kende vroeger zulke broodbedelingen.

Sinds eeuwen kwamen de armen van Ootmarsum jaarlijks op Pinkstermaandag ’s middags om twee uur samen op een open plek van de Ageler Es, ‘het Boaken’, waar dan de rogge in bloei staat. Daar brachten de boeren van de boerschappen Groot en Klein Agelo elk een zwaar roggebrood van 24 à 28 pond, dat zij gestoken aan een stok op de schouder aandroegen. Toen de boer zijn brood niet meer zelf bakte, zonden sommigen van hen ook wel een boodschap dat het brood bij deze of gene bakker te Ootmarsum kon worden afgehaald. Een van de oudste boeren was de leider. Als er niemand meer werd verwacht en alle broden op het gras lagen neergeworpen, kon de uitdeling beginnen, maar eerst knielden allen neer om Gods zegen op de oogst af te bidden. Daarna telde men de liefhebbers, alle aanwezigen telden mee, ook de zuigelingen. Maar wie de weg naar de Es niet meer kon afleggen, kwam niet in aanmerking. Dan werden de broden verdeeld en zo nodig met een groot mes in stukken gesneden, waarop ieder zijn aandeel ontving of een briefje dat recht gaf op een bakkersbrood. Ofschoon de boeren katholiek waren, konden de armen van alle gezindten van deze uitdeling genieten. Daarna knielden alle aanwezigen nogmaals met ontblote hoofden te midden van de uitgestrekte korenvelden neer en dan trokken de armen hun beladen kinderwagens en karretjes langs de mulle zandwegen weer naar huis. De boeren bleven nog even napraten en verspreidden zich dan ook, in de vaste overtuiging dat hun weldadigheid zegen zou brengen aan de te velde staande oogst en daarvan het ‘vervriezen en verhagelen’ voorkomen. Bij mensenheugenis moet de rogge op de Ageler Es nooit zijn bevroren. Al in 1672 was het gebruik bekend: toen had het plaats onder een boom, ‘den Bokum’ genaamd, waaraan nog de naam van de open plek in de es herinnert.

Wat is de oorsprong van deze broodbedeling?

In de voorchristelijke tijd plachten de bewoners van een zelfde streek in de voorzomer, als het jonge koren het meest aan de hagel is blootgesteld, een ommegang te houden over de velden. Dan trachtten zij door het brengen van offers de boze geesten, die men zich vooral op kruispunten van wegen aanwezig dacht, gunstig te stemmen voor de nieuwe oogst. Later gingen deze offers over in giften aan de kerk en brooduitdelingen aan de armen, die deels nog plaatshebben op kruispunten. Hier richtte men wel ‘hagelkruisen’ op, kleine van steen in Limburg en Brabant, hoge masten met dwarslat en houten haan in top in Gelderland, die bedoelden hagelslag te voorkomen. Te Kilder (G.) had, tot 3 à 4 jaar geleden, deze brooduitdeling, met preek, plaats op tweede Pinksterzondag in de weide van een boerenhuis, dat het erve Hagelkruis heet. Doch niet altijd hebben deze bedelingen op Pinksteren plaats: in Gelders Hengelo en Wehl houdt men ze o.a. op Hemelvaartsdag. De verplichting daartoe rust op bepaalde boerderijen, waaraan in de voormalige marken het volledig stemrecht was verbonden. Op boerderij ‘De Muldersfluite’ tussen Gelders Hengelo en Zelhem, is de brooduitdeling een heel gebeuren. Het gaat daar om reuzenbroden en wie het zwaarste brood inlevert verdient twee flessen wijn. Geen brood mag lichter zijn dan 22 pond. De broden worden nu bij opbod aan de vele bezoekers verkocht en het geld is bestemd voor liefdadige doeleinden. Het gebeurt nu niet meer als verplichting, maar vrijwillig. In 1977 woog het zwaarste brood 60 pond! In Wehl gaat men nog steeds in processie naar het hagelkruis aan de rand van het bos, waarbij men bidt voor de vruchten der aarde. Bij het kruis wordt de litanie van alle heiligen gebeden. Een collecte voor de armen vervangt de brooduitdeling.

De historie geworden omgang van de Pinksterjongen (!) te Makkum. Naar een tekening van D. Lam in Uil Friesland’s volksleven van Waling Dijkstra. De jongen heet Pinksterbloem, maar is eigenlijk een ‘luilak’ (langslaper).

Wordt het pinksterfeest nog tot Pinksterdinsdag verlengd, het heeft ook een voorpretje in de luilakdag, het best bekend in Holland, van Texel tot Delft en speciaal aan de Zaan, waar met ‘looielak’ het huis geheel moet zijn schoongemaakt en ook de molen stofschoon behoort te zijn. Al een week voor Pinksteren beginnen de jongens er te rijden met zogenaamde korries, eigengemaakte lage wagentjes, waarop zij om beurten gaan zitten bij hun proefritten voor de luilakochtend. Dan is de korrie beladen met groene takken en vooral ook met brandnetels. Aan de korrie hangt een lange sliert van blikken en deksels, kapotte emmers en teilen, die over de keien een hels spektakel maken, zeer geschikt om alle slapers te wekken. Overal waar men een langslaper vermoedt, wordt aan de bel gerukt en daaraan een bos brandnetels of een dode rat gehangen onder het zingen van:

De looie lak,
De slaperige zak,
Vanmorgen niet vroeg opgestaan,
Je ken wel weer naar bed toe gaan.

In Amsterdam zingt men:

Luilak, beddezak,
Staat om negen uren op,
Negen uren, half tien,
Dan kan men de luilak zien.

Waagt deze luilak het buiten te komen, dan wordt hij met brandnetels geslagen, wat waarschijnlijk teruggaat op een oud vruchtbaarheidsgebruik.
In Groningen is ‘pinksterbloum’ een schertsende naam van de ‘brannekkel’: daarmee sloeg men de langslapers, zaterdag voor Pinksteren. De schooljeugd ‘pinksterde’ de langslaper ermee! Hebben de kinderen genoeg van het rondlopen, dan wordt de korrie in het water gegooid, evenals de Deventer pinksterkroon.

In de gezinnen pleegt degene, die het laatst is opgestaan, te trakteren. De traditionele luilakbollen, die in de vroege ochtend bij de bakker werden afgehaald en warm, met veel boter en stroop of bruine suiker, aan het ontbijt gegeten, komen nu weinig meer voor.

Drenthe kent luilak viering op Pinkstermaandag. De koejongen die dan het laatst verschijnt ‘op de diek’, de gemeenschappelijke weg naar de verschillende weiden, heet de ‘nustekook’ en wordt ook met brandnetels en bremtakken (= pinksterbloemen!) geslagen.
In Zuidlaren zingen de kinderen:

Nustkook, nustkook,
Zitstou zo diep in de veren?
Kinstou dien eigen roem niet eren?
Hestou geen oogjes Van kiekerdekiek?
Komst ja te laat Met de koen op de diek!
Nustkook hier, nustkook daar,
Nustkook tot op ’t ander jaar!

Het luilakgebruik, dat in de Randstad meer en meer in baldadigheid ontaardt, is ook aan andere dagen verbonden, o.a. in Gelderland aan Hemelvaartsdag, te Genemuiden aan 1 mei (de ‘luiemotte’), in Groningen aan de Goede Vrijdag (Loppersum). Te Roodeschool was gebruik, dat de kinderen op Goede Vrijdag zeer vroeg bij school kwamen, want de laatste moest een zakje met as op de rug nemen. Dat was de ‘aaskejong’ of ‘aaskepoester’ (blazer in de as). Dan begon een rondgang door het dorp tot naar afgelegen boerderijen. De kinderen sloegen met stokken op de zak, zodat de as rondstoof. De ‘aaskejong’ kreeg de opgehaalde centen. Deze ‘aaskejong’ verbeeldde de winter, die feestelijk werd uitgedreven. De rol werd vaak vervuld door een arme jongen, die op zo’n manier wat extra’s kreeg.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; Pinksteren

.

3024-2839

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 34

.

Over Ik, bewustzijnsiel en geest(es)zelf

GA 34

Om het begrip ‘geestzelf’ te verduidelijken, gebruikt Steiner ook weer zijn ‘methode’ om de dingen in hun tegenstellingen te bekijken; van verschillende kanten te benaderen.
Hier vergelijkt hij de ‘boodschappen’ die wij ‘binnen krijgen’ enerzijds vanuit de aardse wereld en anderzijds vanuit de geestelijke wereld. 

Om met de aardse wereld in contact te komen, kunnen we niet zonder de zintuigen. Kleuren, geuren, geluiden: we zouden ze niet kunnen waarnemen zonder de daarbij horende zintuigen. 

Van de lichamelijke kant uit bekeken, spreken we dan over ‘gewaarwordingen’ en omdat wij hier een stukje van de buitenwereld tot eigen wereld maken, hebben we daarvoor ‘de ziel’ nodig. Dit stukje ziel omschrijft Steiner als gewaarwordingsziel.

Nu kan je ook gewaarwordingen hebben van iets geestelijks. Die zijn niet zo duidelijk als bv. heldere kleuren die ‘op ons netvlies vallen’. 
Toch spreken we daar ook over ‘aan’- ‘in’voelen. 
Die geestelijke gewaarwording noemt Steiner ‘intuïtie‘.

En zoals de lichamelijke gewaarwordingen beleefd worden in de gewaarwordingsziel, d.m.v. de zintuigen, zo de geestelijke gewaarwordingen in de geestmens. d.m.v. de intuïtie.

Von der Aura des Menschen 

Over de aura van de mens

Januari tot april 1904

Blz. 134

Und wie ferner der physische Leib durch die sinnliche Empfindung Erkenntnis von der sinnlichen Welt er­langt, so der Geistesmensch durch die geistige Empfindung, die Intuition genannt wird, von der Geisteswelt. Dem sinn­lichen Empfindungsleib der körperlichen Welt entspricht daher ein besonderer Empfindungsgeist auf diesem höheren Gebiete. Ebenso wie das niedere Eigenleben mit der Emp­findung beginnt, so das höhere mit der Intuition. Dieses gei­stige Eigenleben sei daher Geistselbst genannt (in der theoso­phischen Literatur heißt es «höherer Manas»).

En zoals het fysieke lichaam door de zintuiglijke gewaarwording kennis opdoet over de zintuiglijke wereld, zo de geestmens door de geestelijke gewaarwording die intuïtie wordt genoemd, van de geestelijke wereld. Het zintuiglijke zielenlijf van de lichamelijke wereld enerzijds, anderzijds een bijzondere gewaarwordingsgeest op dit hogere gebied. 
Net zoals het lagere eigen leven begint met de gewaarwording, zo het hogere met de intuïtie. Dit geestelijke eigenleven moet daarom geestzelf genoemd worden.
In de theosofische literatuur heet dit ‘hogere manas’.

Omdat Steiner in deze tijd nog lid was van de Theosofische Vereniging en daar voordrachten hield, geeft hij vaak ook de Sanskriet namen.
Dit ‘theosofische’ heeft dus niet direct te maken met zijn boek ‘Theosofie’ (GA 9) 

Hierboven is sprake van ‘gewaarwordingslichaam’ en ‘gewaarwordingsziel’.
Om de relatie ‘bewustzijnsziel’ – ‘geestzelf’ te begrijpen, die a.h.w. een spiegel hiervan zijn, is het zaak deze woorden uit GA 34 eveneens te bestuderen: Rudolf Steiner over het astraallijf

Daarna begrijp je deze relatie beter:

Blz. 135

Die Empfindungsseele füllt den Empfindungsleib aus und verschmilzt mit ihm zu einem Ganzen. Dies wird klar, wenn man sich folgendes vorstellt: Daß ein Eindruck der Außen­welt die Farbe «Rot» hervorruft, beruht auf einer Tätigkeit des Empfindungsleibes. Daß die Seele dieses «Rot» in sich erlebt, beruht darauf, daß mit dem Empfindungsleib die Empfindungsseele unmittelbar verknüpft ist, und die von außen empfangene Wirkung sogleich zu der ihrigen macht.
(  ) den mit der Empfindungsseele verbunde­nen Empfindungsleib (Astralkörper, Kama rupa),

De gewaarwordingsziel vult het gewaarwordingslijf op en versmelt ermee tot een eenheid. Dat wordt duidelijk als je je het volgende voorstelt: Dat een indruk van de buitenwereld de kleur ‘rood’ oproept, berust op een activiteit van het gewaarwordingslijf. Dat de ziel dit ‘rood’ in zich beleeft, berust erop dat de gewaarwordingsziel direct is verbonden met het gewaarwordingslichaam en de van buiten ontvangen werking direct tot de hare maakt.
(…) de met de gewaarwordingsziel verbonden gewaarwordingslichaam heet het astraallichaam (Körper), Kama rupa.

Ebenso verschmelzen die Bewußtseinsseele und das Geist­selbst durch die selbsteigene Tätigkeit des «Ich» zu einem Ganzen.

Op dezelfde manier worden bewustzijnsziel en geestzelf één door de activiteit van het ‘Ik’.
GA 34/134-135
Niet vertaald

Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft

De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie

Hier karakteriseert in GA 34 Steiner het Ik om dan verder te gaan met hoe dit Ik aan de verschillende wezensdelen kan werken, om het ‘geestzelf’ te begrijpen dus het werken aan het astraallijf.

Blz. 317

Das «Ich» ist aber in dem gegenwärtigen Menschen kei­neswegs eine einfache Wesenheit. Man kann seine Natur er­kennen, wenn man die Menschen verschiedener Entwick­lungsstufen miteinander vergleicht. Man blicke auf den unge­bildeten Wilden und den europäischen Durchschnittsmen­schen, und vergleiche diesen wieder mit einem hohen Ideali­sten. Sie haben alle die Fähigkeit, zu sich «Ich» zu sagen; der «Ich-Leib» ist bei allen vorhanden. Der ungebildete Wilde folgt aber seinen Leidenschaften, Trieben und Begierden mit diesem «Ich» fast wie das Tier. Der höher Entwickelte sagt sich gegenüber gewissen Neigungen und Lüsten: diesen darfst du folgen, andere zügelt er und unterdrückt sie. Der Idealist hat zu den ursprünglichen Neigungen und Leidenschaften hö­here hinzugebildet. Dies ist alles dadurch geschehen, daß das «Ich »an den andern Gliedern der menschlichen Wesenheit ge­arbeitet hat. Ja darinnen liegt gerade die Aufgabe des «Ich», daß es die anderen Glieder von sich aus veredelt und läutert.

Het ‘ik’ is echter in de tegenwoordige mens geenszins eenvoudig naar zijn aard en wezen. Men kan deze aard leren kennen, wanneer men mensen van verschillende ontwikkelingshoogte met elkaar vergelijkt. Men beschouwe de onontwikkelde natuurmens en de gemiddelde Europeaan, en vergelijkt deze dan weer met een mens, bezield door hoge idealen. Zij hebben alle drie het vermogen ‘ik’ tot zichzelf te zeggen; het ‘ik-lichaam’ is bij alle drie aanwezig. De onontwikkelde wilde volgt evenwel met dit ‘ik’ zijn hartstochten, driften en begeerten bijna als een dier. De hoger ontwikkelde mens zegt ten aanzien van bepaalde neigingen en lusten tot zichzelf: aan deze mag je toegeven; andere beteugelt en onderdrukt hij. De idealist heeft naast de oorspronkelijke neigingen en  hartstochten hogere drijfveren in zich ontwikkeld. Dit alles is geschied, omdat het ‘ik’ aan de andere delen van de menselijke natuur gewerkt heeft. En daarin ligt juist de taak van het ‘ik’, dat het door zijn inwerking de andere delen veredelt en loutert.

So sind bei demjenigen Menschen, der hinausgelangt ist über den Zustand, in den ihn die äußere Welt versetzt hat, die niederen Glieder unter dem Einfluß des Ich mehr oder weniger verändert worden. In dem Zustande, in dem sich der Mensch über das Tier eben erhebt, indem sein «Ich» aufblitzt, gleicht er in bezug auf die niederen Glieder noch dem Tiere. Sein Äther- oder Lebensleib ist lediglich der Träger der lebendigen Bildungskräfte, des Wachstums und der Fortpflanzung. Sein Empfindungsleib drückt nur solche Triebe, Begierden und Leidenschaften aus, welche durch die äußere Natur angeregt werden. Indem der Mensch von dieser Bildungsstufe aus durch die aufeinanderfolgenden Leben oder Verkörperungen zu im­mer höherer Entwickelung sich hindurchringt, arbeitet sein Ich die anderen Glieder um. So wird der Empfindungsleib der Träger geläuterter Lust- und Unlustgefühle, verfeinerter Wün­sche und Begierden. Und auch der Äther- oder Lebensleib ge­staltet sich um. Er wird der Träger der Gewohnheiten, der blei­benden Neigungen, des Temperamentes und des Gedächtnis­ses. Ein Mensch, dessen Ich noch nicht gearbeitet hat an seinem

Bij de mens, die innerlijk uitgegroeid is boven de toestand, waarin hij door de uiterlijke natuur geplaatst was, zijn dus de lagere delen van zijn wezen onder invloed van het ‘ik’ min of meer omgewerkt. Op het moment, dat het ‘ik’ ontvonkt en de mens zich daardoor boven het dier verheft, lijkt hij, wat de lagere delen van zijn wezen betreft, nog steeds op een dier. Zijn ether- of levenslichaam is enkel en alleen nog maar de drager van de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting. Zijn gewaarwordingslichaam brengt slechts zulke driften, begeerten en hartstochten tot uiting, welke door de buitenwereld worden opgewekt. Terwijl de mens van deze onderste ontwikkelingstrap in de loop van opeenvolgende levens of incarnaties opstijgt tot steeds hogere trappen van ontwikkeling, werkt het ‘ik’ gaandeweg op de drie andere ‘lichamen’ in, zodat deze veranderd worden. Zodoende wordt het gewaarwordingslichaam de drager van gelouterde gevoelens van sympathie en antipathie, van meer verfijnde wensen en begeerten. En ook het ether- of levenslichaam wijzigt zich. Het wordt de drager van gewoonten, van diepgewortelde neigingen, van het temperament en het geheugen. Een mens, wiens ‘ik’ nog niet aan zijn

Blz. 318

Lebensleib, hat keine Erinnerung an die Erlebnisse, die er macht. Er lebt sich so aus, wie es die Natur ihm eingepflanzt hat.
 Die ganze Kulturentwicklung drückt sich für den Men­schen in solcher Arbeit des Ich an seinen untergeordneten Glie­dern aus. Diese Arbeit geht bis in den physischen Leib hinun­ter. Unter dem Einflusse des Ich ändert sich die Physiognomie, ändern sich die Gesten und Bewegungen, das ganze Aussehen des physischen Leibes.
Man kann auch unterscheiden, wie die verschiedenen Kul­tur- und Bildungsmittel auf die einzelnen Glieder der mensch­lichen Wesenheit verschieden wirken. Die gewöhnlichen Kul­turfaktoren wirken auf den Empfindungsleib; sie bringen die­sem andere Arten von Lust und Unlust, von Trieben usw. bei, als er vom Ursprunge aus hatte. Die Versenkung in die Werke der Kunst wirkt auf den Ätherleib. Indem der Mensch durch das Kunstwerk die Ahnung eines Höheren, Edleren erhält als das ist, was die Sinnesumgebung darbietet, gestaltet er seinen Lebensleib um. Ein mächtiges Mittel zur Läuterung und Ver­edelung des Ätherleibes ist die Religion. Die religiösen Im­pulse haben dadurch ihre großartige Mission in der Menschheitsentwicklung.

levenslichaam gewerkt heeft, behoudt geen herinnering aan zijn belevenissen. Hij leeft slechts van moment tot moment, de drang volgend, die de natuur in hem heeft gelegd. De gehele ontwikkeling van de  cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting. Zijn gewaarwordingslichaam brengt slechts zulke driften, begeerten en hartstochten tot uiting, welke door de buitenwereld worden opgewekt. Terwijl de mens van deze onderste ontwikkelingstrap in de loop van opeenvolgende levens of incarnatie opstijgt tot steeds hogere trappen van ontwikkeling, werkt het ‘ik’ gaandeweg op de drie andere ‘lichamen’ in, zodat deze veranderd worden. Zodoende wordt het gewaarwordingslichaam de drager van gelouterde gevoelens van sympathie en antipathie, van meer verfijnde wensen en begeerten. En ook het ether- of levenslichaam wijzigt zich. Het wordt de drager van gewoonten, van diepgewortelde neigingen, van het temperament en het geheugen. Een mens, wiens ‘ik’ nog niet aan zijn levenslichaam gewerkt heeft, behoudt geen herinnering aan zijn belevenissen. Hij leeft slechts van moment tot moment, de drang volgend, die de natuur in hem heeft gelegd. De gehele ontwikkeling van de cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke lichaam voortzet. Onder invloed van het ‘ik’ veranderen het gelaat, de gebaren en bewegingen, het gehele aanzien van het fysieke lichaam. Men kan ook onderscheiden, hoe de verschillende gebieden van de cultuur en middelen van beschaving op de afzonderlijke delen van het mensenwezen verschillend inwerken. De gewone cultuurelementen beïnvloeden het gewaarwordingslichaam; zij brengen hierin een verandering teweeg, zodat andersoortige gevoelens van sympathie en antipathie, andere neigingen enzovoort optreden dan tevoren. Het zich aandachtig verdiepen in kunstwerken oefent een werking op het etherlichaam uit. Doordat het kunstwerk de mens in aanraking brengt met iets wat hoger en edeler is dan de gegeven zintuigelijke wereld, wordt het ether-lichaam tot hogere ontwikkeling gebracht. Een machtig middel tot loutering en veredeling van het etherlichaam is de religie. De religieuze impulsen hebben daardoor hun grootse en verstrekkende taak in de mensheidsontwikkeling.

Das, was man Gewissen nennt, ist nichts anderes als das Er­gebnis der Arbeit des Ich an dem Lebensleib durch eine Reihe von Verkörperungen hindurch. Wenn der Mensch einsieht, daß er dies oder jenes nicht tun soll, und wenn durch diese Ein­sicht ein so starker Eindruck auf ihn gemacht wird, daß sich dieser bis in seinen Ätherleib fortpflanzt, so entsteht eben das Gewissen.
Nun kann diese Arbeit des «Ich» an den untergeordneten Gliedern entweder eine solche sein, die mehr dem ganzen Menschengeschlechte eigen ist, oder sie kann ganz individuell eine Leistung des einzelnen Ich an sich selbst sein. An der er­steren Umwandlung des Menschen arbeitet gewissermaßen die ganze menschliche Gattung mit; die letztere muß auf der ei­gensten Tätigkeit des Ich beruhen.
Wenn nun das «Ich » so

Dat wat men ‘geweten’ noemt, is niets anders dan het resultaat van de arbeid van het ‘ik’ aan het levenslichaam gedurende een reeks van incarnaties. Wanneer de mens inziet, dat hij de een of andere daad niet moet verrichten en wanneer dit inzicht een zo sterke indruk op hem maakt, dat deze zich tot in zijn etherlichaam voortplant, dan ontstaat geweten.
Nu kan deze arbeid van het ‘ik’ aan de genoemde drie lagere’ lichamen’ meer voor het gehele mensengeslacht gelden, of er kan sprake zijn van een zuiver individuele arbeidsverrichting van het afzonderlijke ‘ik’ aan zichzelf. Aan de eerstbedoelde arbeid ter verandering van de mens werkt in zekere zin de menselijke soort als totaliteit mede; de laatst bedoelde moet berusten op de oereigen activiteit van het ‘ik’. Wanneer nu het ‘ik’ zo sterk wordt, dat het uitsluitend door zijn meest eigen kracht

Blz. 319

Wenn nun das ‘Ich’ so stark wird, daß es nur durch die eigenste Kraft den Empfindungsleib umarbeitet, so nennt man dasjenige, was das Ich auf diese Art aus diesem Empfindungs- oder Astralleibe macht: das Geistselbst (oder mit einem morgenländischen ­Ausdrucke: Manas). Diese Umgestaltung beruht im wesentlichen auf einem Lernen, auf einem Bereichern des Innern mit ­höheren Ideen und Anschauungen.

het gewaarwordingslichaam omwerkt, dan noemt men datgene, wat het ‘ik’ op deze wijze uit het gewaarwordings- of astrale lichaam maakt: het geestzelf (of met een woord dat de oude Indiër hier voor gebruikte: manas).
GA 34/317-319
Vertaald/21-24

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het Ik

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3014-2830

.

.

.

.