VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-2)

.

Zie voor een inleiding op deze artikelen deel 1

Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest, waarin een aantal duidelijke parallellen met de visie van Brüll.

De eigenlijke vraag luidt niet of het basisinkomen financierbaar is

Een moedig rapport. Dat vindt professor Zwart van het in juni* verschenen rapport van de wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Tenminste, in aanmerking genomen dat het voorstel van de Raad voor alle burgers een gedeeltelijk basisinkomen in te voeren, bepaald niet alledaags is.

Het moment voor het voorstel van de WRR lijkt op het eerste gezicht goed gekozen. Om te beginnen speelt sinds enige tijd in politiek Den Haag de vraag, hoe het stelsel van sociale zekerheid moet worden herzien. Dat er iets moet gebeuren is duidelijk. De verhouding van de zogeheten collectieve sector (rijksschatkist en sociale fondsen samen) ten opzichte van de marktsector (handel, nijverheid, industrie) is immers fors uit de hand gelopen. Een kind met een waterhoofd zou men een beetje oneerbiedig kunnen zeggen. En aangezien met name door de toename van het ziekteverzuim, de arbeidsongeschiktheid en de langdurige werkloosheid, de uitgaven voor sociale zekerheid een bijzonder groot beslag leggen op het geheel van de collectieve sector, wordt steeds krachtiger de vraag gesteld naar de financierbaarheid. Bovendien sluiten de premieheffings- en uitkeringsprocedures in het geheel niet meer aan bij de toegenomen tendens naar individualisering. Verder was juni jongstleden minder dan een jaar te gaan naar de verkiezingen. Het moment, waarop in de regel de nieuwe partijprogramma’s in discussie beginnen te komen.

Goed gekozen dus, zo leek het. Maar de reacties op het rapport toonden aan, dat de situatie in Nederland nog niet rijp is voor drastische hervormingen. Nog maar nauwelijks was het standpunt van de WRR wereldkundig geworden of het hele bonte gezelschap van smaak- en opiniemakers, dat zich in ons land over zo’n zaak pleegt uit te laten, viel er languit overheen. Dat gebeurde zo snel, zo eensgezind en zo afwijzend, dat het veel weg had van moord met voorbedachte rade.

Het leek erop, dat alle betrokkenen slechts een kapstok nodig hadden om er hun bij voorbaat reeds vaststaande afwijzing aan te kunnen ophangen. En die werd gelukkig gevonden in het ontbreken van een gedetailleerd financieel plaatje. Voor de voorstanders moet het een schrale troost geweest zijn, dat het allemaal nogal doorzichtig was. Immers, een eenvoudige rekensom had kunnen leren, dat ook in het huidige arbeidsbestel elke Nederlander direct of indirect, via de marktsector of langs andere weg, in geld of in natura de een of andere vorm van inkomen geniet. Het gaat – wat de praktische uitwerking betreft – bij het basisinkomen hoogstens om een overheveling en individualisering van inkomensbestanddelen, al dan niet in combinatie met wijzigingen in het stelsel van premie- en belastingheffing.

Het is natuurlijk wel jammer, dat de discussie zo snel deze wending heeft genomen, want daardoor is misschien ten onrechte bij velen de indruk gewekt, dat de introductie van het basisinkomen noodzakelijkerwijze catastrofale financiële gevolgen met zich meebrengt.

De eigenlijke vraag luidt echter niet of het basisinkomen financierbaar is. Het gaat erom hoe hard een gemeenschap van mensen moet werken om een redelijke bestaanszekerheid (niveau van levensonderhoud) voor iedere burger te kunnen bieden en voorts welke motieven er zouden kunnen bestaan om dat ook inderdaad te doen.

Nog spijtiger is het, dat juist het tweede deel van deze vraagstelling tot nu toe niet in gesprek is gekomen. Daardoor blijft mijns inziens helaas onopgemerkt dat de introductie en geleidelijke verwerkelijking van een basisinkomen een perfecte oefening in eigentijdse gemeenschapszin zou zijn. Zo’n oefening zou een prachtige kans bieden om de vastgelopen maatschappelijke wagen weer in het goede spoor te krijgen van een vernieuwingsproces dat niet ingegeven wordt door puur partijpolitieke belangen maar door het verlangen bezig te zijn met de dingen, die moeten gebeuren omdat de geest van de tijd dit van ons verlangt, ongeacht onze wereldbeschouwelijke of politieke komaf.

Schaduwmaatschappij

Zoiets klinkt natuurlijk gauw theatraal, toch is er alle reden om het zo te stellen. Het huidige arbeidsbestel lijdt namelijk bepaald niet aan een oppervlakkige, voorbijgaande verkoudheid. De kwaal zit veel dieper en is ook veel hardnekkiger. Zij, die sinds kort betogen dat er in onze samenleving een tweedeling dreigt tussen de mensen die werk hebben en die buitenspel staan, tussen actieven en gedwongen inactieven, geven er blijk van dit te beseffen. Maar ik heb de neiging er nog een schepje bovenop te doen. De tweedeling waarop geduid wordt is in feite veel dramatischer.
Sinds enige tijd is er een ontwikkeling gaande die tot gevolg heeft dat er naast of achter de zogeheten reguliere maatschappij een complete schaduwmaatschppij aan het ontstaan is. Niet alleen met een zwartgeldcircuit, maar ook met tal van niet-officiële leefvormen, met gedragingen waarop de officiële rechtsorde nauwelijks nog enig vat heeft en met opvattingen, waarden en normen, die in het officiële woordenboek van onze cultuur niet te vinden zijn.

Door het zwartgeldcircuit keurig om te dopen tot ‘informele economie’ wordt de kloof tussen deze twee maatschappijen niet verkleind. Integendeel, in werkelijkheid is de informele economie slechts het topje van een ijsberg, die onder water snel uitdijt met allerlei vreemde aangroeisels. De snelle aanwas van deze groeisels zegt iets over onze samenleving. Om te beginnen, dat er blijkbaar een toenemend aantal mensen is, dat geen reële verbinding meer kan of wil vinden met de bestaande thans nog gangbare institutionele bedding van het maatschappelijk proces. En daarachter gaat een niet direct zichtbare maar wel werkzame tendens schuil, namelijk, dat het steeds moeilijker wordt om tussen groeperingen, die ondanks alle traditionele tegenstellingen tot voor kort toch nog betrekkelijk dicht bij elkaar stonden, bruggen te slaan als het gaat om het antwoord op de vraag hoe het leven zinvol geleefd kan worden. Dit is naar mijn mening de eigenlijke dramatiek van het einde van de twintigste eeuw. En die mag ons niet onberoerd laten. Een samenleving, die zo’n splitsingsproces toelaat, ondergraaft haar eigen toekomst. Geen gemeenschap kan immers op den duur bloeien op basis van een voortwoekerende scheiding der geesten. ‘Niet op zijn beloop’ laten betekent wel, dat we onze ideologisch en dogmatisch gekleurde brillen afzetten en al onze energie aanwenden om onbevangen opmerkzaam te worden voor de veranderingen die in de kleurstelling van het maatschappelijke decor optreden.
Dit decor leek kort na de Tweede Wereldoorlog ontworpen te zijn voor een blijspel of een familieserie in overzichtelijke afleveringen, en met het uitzicht op een goede afloop. Wederopbouw, economische groei, tripartiet overleg, de Europese Gemeenschap, de uitbouw van het stelsel van sociale zekerheid waren de titels van de afleveringen. Toen eenmaal in de loop van de zestiger jaren aan het vertrouwde maatschappelijke decor ook de nieuwe kleur van de eerste naoorlogse generatie van volwassenen was toegevoegd, leek de samenleving behalve sterke economische benen ook nog een echt menselijk, gedemocratiseerd gezicht te zullen krijgen.

Nieuwe zakelijkheid

Hoe anders is het uitgepakt. Nieuw links werd nieuw rechts; de hippies van toen maakten plaats voor de yuppies (de tekst heeft jappies) van nu; het nieuwe occultisme werd de nieuwe zakelijkheid; discussiëren werd saneren en persoonlijke groei werd weer verdrongen door economische groei. De zogenaamde zwijgende meerderheid leerde weer zijn mond open te doen en sprak: niet kletsen maar poetsen. Geheel in één lijn met deze gang van zaken werd reeds in de troonrede van 1984 aangekondigd, dat er ten aanzien van een aantal vraagstukken sprake leek te zijn van een keerpunt en een jaar later rond Prinsjesdag 1985 zonder aarzeling gezegd, dat het weer ‘beter gaat’. Met alle respect voor het ombuigingswerk dat tot nu toe in de tachtiger jaren verricht werd, moet toch vastgesteld worden dat de onverholen juichtonen in de jongste troonrede misplaatst zijn. Krasser gezegd: het is eigenlijk stuitend, dat een regering het oordeelsvermogen en het levensgevoel van de Nederlandse burger zo slecht inschat, dat zij het aandurft om een dermate eenzijdig beeld te presenteren.

Stuitend, omdat 0,1 procent koopkrachtverbetering – voor een deel van de bevolking -aangeprezen wordt als een verbetering van het bestaan. Enige tijd geleden spraken we nog over de kwaliteit van het bestaan, vandaag is dat blijkbaar gereduceerd tot statistische koopkrachtverbetering.

Stuitend ook, omdat er zoveel niet gezegd wordt wat wel tot het totaalbeeld hoort. Niets wordt er gezegd over de polarisatie in de internationale betrekkingen, niets over de toenemende tendens naar nationalisme, groepsegoïsme en protectionisme; niets over de stijging van het aantal zelfdodingen onder jongeren, niets over de opkomst van een volksbreed alcoholisme, niets over de verzuimcijfers die de pan uitrijzen en de bedroevende leerresultaten op scholen; niets over de kleine en grote criminaliteit, niets over terrorisme en fraude en niets over de opkomst van een nieuw soort analfabetisme: het onvermogen van jonge mensen om gewoon met elkaar te communiseren.

Materiaalmoeheid

Op het gevaar af te worden aangezien voor een doemdenker moest mij dit toch van het hart. Waarom? Omdat ook deze zaken onverbrekelijk deel uitmaken van het door ons zelf geschapen maatschappelijke decor. Maar vooral ook, omdat we scheve afwegingen zullen maken en foute beslissingen zullen nemen, wanneer we de talrijke symptomen die wijzen op de noodzaak van een fundamentele heroriëntatie, niet serieus nemen. Niet door schijnbeelden of door vlucht uit de werkelijkheid, maar door er nuchter en eerlijk naar te kijken, zullen we wakker worden voor de kansen op een andere werkelijkheid. En wakker worden moeten we. Tenzij we natuurlijk willen vergeten dat in de zeventiger jaren de arbeidsmarkt structureel ontregeld raakte, dat op de overgang van zeventiger naar tachtiger jaren hetzelfde gebeurde met de geld- en kapitaalmarkt en dat thans hetzelfde bezig is te gebeuren met de wereldmarkt van goederen en diensten. Werkloosheid, internationale schulden, en protectionisme zijn de symptomen dat de drie traditionele peilers van het economisch bestel, te weten de kapitaalmarkt, de arbeidsmarkt en de markt voor eindproducten zeer ernstige tekenen van materiaalmoeheid vertonen. En in zo’n geval is het goed na te gaan of het ontwerp wel goed was.

Wakker worden is de boodschap, tenzij we verder willen leven met de illusie, dat na de welvaartsmaatschappij en de verzorgingsmaatschappij thans de informatiemaatschappij de grote nieuwe kans voor een paradijs op aarde zal worden. Een illusie noem ik dat, omdat ernstig te betwijfelen valt, of een maaltijd high technology met chips variée en saus informatica ons levensgevoel echt zullen verkwikken.

En tenslotte: tenzij we zo naïef zouden zijn te veronderstellen dat de sociale bewegingen die ons in het recente verleden zo hebben bezig gehouden met de opkomst van de nieuwe zakelijkheid echt verdwenen zouden zijn. Zo eenvoudig is dat niet. Het is hoogstens de vraag, waar, wanneer en in welke vorm zij weer aan de oppervlakte zullen komen.

Misverstanden

Alle reden dus om concrete aanleidingen die er in de sociale werkelijkheid zijn om dingen te veranderen – zoals de wijziging van het stelsel van sociale zekerheid – niet met een opportunistisch aanpassingsbeleid te benaderen, maar met de houding, dat zulke noodzakelijke veranderingen een kans betekenen op een fundamentele doorbraak. Dat zal alleen lukken wanneer er een élan in de samenleving ontstaat om stoutmoedige, misschien op het eerste gehoor zelfs absurde denkbeelden met interesse te beluisteren en als vanzelfsprekend een open, eerlijke kans op uitwerking te geven. Als het gaat om het basisinkomen houdt dit wel het een en ander in.

Om te beginnen dat we een aantal misverstanden proberen recht te zetten.

Ten eerste: een basisinkomen is niet, zoals wel beweerd wordt, hetzelfde als een arbeidsloos inkomen of een soort premie voor ‘niet meer hoeven werken’. Arbeidsloos inkomen bestaat principieel niet. Adam Smith leerde reeds dat de rijkdom van een natie afhangt van de arbeid die verricht wordt. En dat is ook vandaag nog zo (uiteraard zonder daarmee de rol van kapitaal te onderschatten). Met andere woorden: inkomen moet eerst gegenereerd worden door menselijke inspanning, door prestaties te leveren. Dit weerspiegelt zich hierin dat ieder volwassen mens de vraag wordt gesteld wat hij bijdraagt aan de gemeenschap (prestatie-aspect) en wat hij verlangt van die gemeenschap (inkomens-aspect). Er is evenwel geen dwingende wet die zou zeggen dat die twee aspecten altijd direct via een beloningsstelsel gekoppeld dienen te zijn. In de praktijk is dat ook niet zo. Er zijn tal van uiterst zinvolle arbeidsprestaties die niet via de marktsector en dus ook niet via een beloningssysteem lopen. Of de mensen die zulke prestaties leveren ook een inkomen verwerven hangt af van de behoefte aan zulke inspanningen en van de hoogte van het nationaal inkomen. Nog korter gezegd: bij dit aspect van het basisinkomen gaat het uiteindelijk om de vraag hoe we onze prioriteiten stellen, hoe we onze solidariteit beleven en hoe we gestalte geven aan onze mondigheid.

Ten tweede: de arbeidsmarkt is geen echte markt, maar een schijnmarkt. Principieel is dat zo, omdat arbeid niet als koopwaar verhandelbaar is (tenzij we de slavernij weer willen invoeren) en praktisch niet omdat het zogenaamde vrije spel van aanbod en vraag, gereguleerd door de hoogte van de prijs, in dit geval nog veel gebrekkiger werkt dan dit al op de enige echte markt – de markt voor eindprodukten – het geval is.
Directe overheidsplanning en overheidsregelgeving is geen effectief alternatief. Men kan natuurlijk uitrekenen hoe lang de gemiddelde werkweek moet zijn om iedereen bij een gegeven of te verwachten volume aan arbeidsplaatsen aan betaald werk te helpen. Men kan zelfs democratisch beslissen dat de arbeidsweek collectief geregeld wordt. Maar de zeer teleurstellende ervaringen die inmiddels zijn opgedaan met het inleveren van loon of prijscompensatie in ruil voor herbezetting zou ons de ogen moeten openen voor het feit dat de werkelijkheid anders in elkaar zit. Wat ons op dit punt echt dwars zit is dat we gevangen blijven in het keurslijf van de betaalde arbeid. Onbegrijpelijk is dat natuurlijk niet, omdat velen, met name vrouwen die nog geen deel hebben kunnen nemen aan het circuit van betaalde arbeid juist hierin hun emancipatiestreven willen of menen te kunnen verwerkelijken.

Ten derde: in tegenstelling met wat vaak gedacht of gehoopt wordt is het onmogelijk om in het moderne economische leven voor jezelf te zorgen. De moderne wereldeconomie berust op wederzijdse afhankelijkheid en arbeidsdeling. Wie onbevangen kijkt ziet dat niemand nog voor zich zelf werkt. In werkelijkheid is mijn concrete arbeid altijd gericht op de behoefte van een ander en worden mijn behoeften gedekt uit de arbeidsinspanningen van anderen. Objectief altruïsme kunnen we dit noemen. Ons echte probleem op dit punt is dat ons bewustzijn en de psychologische werkelijkheid achterlopen op dit grondgegeven van het economische leven. Natuurlijk beleven we aan ons ‘verdiende loon’ gevoelens van erkenning en frustratie. Dat is maar al te menselijk. Uiteindelijk is het echter, in een economie met arbeidsdeling zo, dat ik met mijn verdiende loon aan de benzinepomp voor niets kom als een ander die niet gevuld heeft. Economie en psychologie moeten wel uit elkaar gehouden worden.

Ten vierde: ondernemerschap en kapitalisme zijn niet noodzakelijkerwijze gekoppeld. Het is waar, dat in het moderne economische leven gewerkt wordt met grote kapitaalmassa’s. Het is waar dat het te goedkoop worden van kapitaal voor ernstige verstoringen zorgt en het is ook waar dat er scheve machtsverhoudingen zijn en dat kapitaal egoïstisch gebruikt wordt. Maar dat wil nog niet zeggen, dat ondernemerschap per definitie fout of immoreel is. Integendeel, ondernemerschap of liever ‘ondernemende arbeid’ of ‘risicovol in het leven’ staan en het maken van winst vormen in diepste wezen de grondslag voor alle echte emancipatie of vrijwording. Dit moet wel onderscheiden worden van de private eigendom van productiemiddelen en de manier waarop winst verdeeld wordt. Als we dit niet gaan doorzien zullen we niet tot een zinvolle invulling van ons arbeidsethos komen en blijven steken in klassieke, steriele werkgever – werknemer tegenstellingen. Met als enig perspectief het voortduren van de loonafhankelijkheid of, bij onvoldoende betaalde arbeid de keuze tussen de wachtkamer van de uitkeringsgerechtigden en het zwartgeldcircuit.

Dilemma

Wanneer het ons eenmaal gelukt is om deze misverstanden uit de wereld te helpen, wacht ons vervolgens de vraag wat nu eigenlijk de betekenis van een basisinkomen is. Hierop zijn twee antwoorden te geven.

Ten eerste geeft een gemeenschap van mensen – een volk, een staat – middels het basisinkomen uitdrukking aan zijn solidariteit. Vinden we solidariteit niet nodig, ouderwets of niet realistisch dan moeten we ook niet aan een basisinkomen beginnen. Het wordt dan een vlag op een modderschuit. Maar ik zie het zo: het loutere feit dat ik in een bepaald volk geboren ben geeft mij het recht op een redelijke, individuele bestaanszekerheid. Dat is te zien als een uitgangspunt, een bodemvoorziening voor een menswaardig leven (hetgeen trouwens ook bij de voorvechters van het huidige stelsel aanvankelijk het motief was). Geen volk is zo lui dat het niet een nationaal inkomen zou kunnen voortbrengen in een orde van grootte die dit mogelijk maakt. Hiertegenover staat natuurlijk de verwachting dat met uitzondering van kinderen, zieken en ouderen, iedere burger zich in de een of andere vorm zal inzetten voor anderen, hetzij via de marktsector hetzij op een andere manier. Die andere manier wordt nu nog veelal misprijzend of meewarig aangeduid als vrijwilligerswerk. Maar waarom eigenlijk? Zou het slecht zijn wanneer wij echt op weg gingen naar een ‘vrijwilligerscultuur’? Niet realistisch hoor ik sommigen al roepen. Iedereen zal proberen te ontvluchten aan de marktsector; de prikkel voor toetreding tot de arbeidsmarkt blijft nodig. Mijn antwoord is: ja voor sommigen en neen voor anderen en hoe die verhouding in werkelijkheid zal komen te liggen weet niemand. Laten we niet vergeten, dat die zogenaamde prikkel nu ook niet of slechts zeer gebrekkig werkt.

Ten tweede is het basisinkomen het middel bij uitstek voor emancipatie. Wanneer we blijven vasthouden aan de klassieke loonarbeid zullen we eeuwig met een onoplosbaar dilemma blijven zitten. Enerzijds zullen we die arbeid blijven vervloeken, omdat hij mensen afhankelijk maakt. Anderzijds zullen we hem blijven omhelzen als het middel tot emancipatie. De geschiedenis – met name van socialistische partijen – heeft getoond, hoe groot dit dilemma is. Hierbij valt te bedenken dat arbeid, of in ieder geval een groot deel ervan, in een industriële samenleving met een hoge graad van arbeidsdeling eerder anti-emancipatorisch is dan het tegenovergestelde. Zijn we soms de pogingen vergeten van de vijftiger en zestiger jaren om tot humanisering van de arbeid, tot werkstructurering en tot taakverruiming te komen? De mogelijkheden hiertoe bleken beperkt en inmiddels is die situatie zeker niet verbeterd. Daarom is terugkeer naar volledige werkgelegenheid in een klassiek bestel van betaalde arbeid uit een oogpunt van emancipatie en menswaardigheid eigenlijk helemaal geen aantrekkelijk vooruitzicht.

Een basisinkomen voor iedereen betekent geen vetpot, maar het zal zeker bijdragen aan verkleining van de onrechtvaardigheidsgevoelens. En die zijn, meer dan soms wordt gedacht kiemen voor sociale onrust en conflict. Bovendien verschaft het iedereen de mogelijkheid om op basis van deze uitgangspositie zelf te kiezen hoe hij verder met zijn leven wil omgaan. Is dat emancipatorisch of niet? Pas nadat wij zover zijn gekomen dat wij ook de essentiële karakteristiek van het basisinkomen voor ons zijn gaan zien, komt de vraag hoe de praktische verwerkelijking kan gebeuren. Het antwoord hierop kan kort zijn: er zijn eindeloos veel varianten denkbaar en mogelijk. Als er één ding maar niet gebeurt, namelijk dat het in één klap voor iedereen op dezelfde manier zou worden ingevoerd. Dat zou een ramp zijn, omdat dit niet meer past bij de individualiseringstrend in onze samenleving en omdat er ook tijd voor gedragsverandering nodig is. Er moet geoefend kunnen worden om ervaring op te doen. Initiatiefprojecten zijn hiervoor een goede vorm, al dan niet met begeleiding en al dan niet met financiële steun. In ieder geval zal er een periode moeten komen met vele verschillende vormen van arbeid, van vrijwilligerswerk en freelancewerk aan de ene kant tot en met klassieke arbeidsovereenkomsten in de vorm van een vast dienstverband. Een hulp om dit op gang te krijgen is deeltijdarbeid. Het is hoogst opmerkelijk, dat juist deze deeltijdarbeid – geheel buiten bewust overheidsbeleid om – in de afgelopen jaren explosief in de samenleving is toegenomen. Laten we enig vertrouwen hebben en de samenleving een kans geven zich zelf uit te spreken.

De regering heeft dit inmiddels niet meer nodig geoordeeld. In de tweede week van oktober heeft zij zich met haar standpunt, dat een (gedeeltelijk) basisinkomen niet ingevoerd moet worden, gevoegd in de lange rij van ‘afwijzers’. ‘De maatschappelijke discussie … is het afrondende stadium al dicht genaderd’, zo luidt het.

Laat ik nu nog steeds denken, dat die discussie nog moet beginnen. Maar ja, het is al eerder gebleken, dat men over (brede) maatschappelijke discussies zeer verschillend kan denken. Het kabinet ziet als enig positief kenmerk, dat in het advies van de WRR ook ‘toetredingsprikkels voor de arbeidsmarkt’ behouden blijven. En dat is nu net het enige wat niet nieuw, maar door en door oud is. Beter dan zó kan niet aangetoond worden, dat het inderdaad een moedig rapport is.

Cees Zwart, Jonas 6, 15-11-1985
Cees Zwart was buitengewoon hoogleraar in de Sociale Pedagogie aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam en medewerker van het NPI, Instituut voor Organisatie-Ontwikkeling te Zeist. Tevens was hij rector van de Vrije Hogeschool.

Zie ook [1]  en [2]

Sociale driegeleding: alle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1668-1563

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-13)

.

ODILIA

Een van de legendes die vrijwel in elke 2e klas van de vrijeschool wordt verteld, is die van Odilia.

Hier volgt een achtergrondartikel over haar leven:

EEN HELDIN DIE HET LICHT ZAG

In de wijngaarden van de Elzas hangen de laatste druiventrossen nog aan de ranken, gekrompen door de vorst, gelezen, maar te licht bevonden voor de laatste persing van de eiswein.
Vanuit het wijnstadje Molsheim rij ik* omhoog, de donkere bergen in.

De Elzas ligt als een groot plat bord achter me, gevuld met rijkdom.

Voor me rijst de Sankt-Odiliënberg op. Boven op de top prijkt het in de zevende eeuw gestichte klooster.
Al van ver zie ik het immense beeld van Odilia, dat voor het klooster staat. Met een wijds armgebaar zegent ze de Elzas, die helemaal aan haar voeten ligt. In haar tijd werd het hertogdom geregeerd door haar vader Etticho, ook wel Adalric genoemd. Hij was een broer van de Frankische koning Childéric.

Ik laat mijn auto achter in de winterse verlatenheid van een plomp geasfalteerd parkeerterrein, dat de natuurrijke omgeving van het klooster voor een deel heeft vernield. Slechts een bus vol vrolijke priesterstudenten, in toog, deelt vandaag met mij de vreugde van de pelgrimage. De huidskleur van de jonge mannen vertelt dat ze uit Afrika en Azië komen. Armoede levert nog roepingen op. Het lijkt al een beetje waar te zijn wat de Paus zijn Kerk voor ogen houdt: Europa wordt opnieuw een missiegebied.

Net zoals in de tijd van Odilia. Een nieuwe kerstening, nu vanuit voormalige missielanden. Deze jeugdige en opgewekte priesters in opleiding hebben echter niets van de steile, oude mannen uit de overlevering van de kerk, zoals bijvoorbeeld Bonifacius en Servatius.

Het klooster heette oorspronkelijk Hohenburg, naar de naam van het jachtslot dat Etticho op deze rots had gebouwd. Vanaf de transen kijk ik in een diepe afgrond en heb ik uitzicht over dorpen, stadjes en wijngaarden, tot aan het Zwarte Woud toe.

Het klooster is het vertrekpunt van talrijke goed aangegeven wandelroutes door hoogten en laagten van de Elzas, voor zowel zondagnamiddagwandelaars als voor ervaren randonniers die van bergtop naar bergtop lopen.

Odilia werd in 660 geboren in Oberehnheim (nu Obernai). Ze was het oudste kind van Etticho. Als baby moet ze hartveroverend mooi zijn geweest, maar helaas was ze blind. De hertog was boos op zijn vrouw omdat ze hem geen mannelijke opvolger had geschonken, maar een blinde dochter aan wie helemaal geen eer te behalen viel.
Ze zou nooit een prins als echtgenoot kunnen vinden. Etticho wilde het meisje niet eens zien; hij verstootte haar. In die tijd betekende dat niet minder dan dat hij haar voor de wolven wilde leggen. Maar de moeder, hertogin Bereswinde, wist Odilia te redden. Ze gaf haar in het geheim aan de voedster mee. Die bracht het kind onder in een nonnenklooster te Baume-les-Dames (bij Besançon), waar Odilia in vroomheid werd opgevoed. Op twaalfjarige leeftijd werd ze gedoopt. Toen gebeurde het wonder. Op het moment dat het doopwater haar ogen beroerde, zag ze het licht. Verrukt over dit mirakel besloot ze haar verdere leven aan God te wijden.

Eindelijk durfde men Etticho te vertellen dat Odilia nog leefde. Nu ze niet meer gehandicapt was, accepteerde hij haar als zijn dochter en nam haar in zijn huis op. Maar, Odilia’s belofte negerend, probeerde hij haar uit te huwen. De opvoeding door de nonnen bleek echter op vruchtbare bodem te zijn gevallen. Odilia bleef haar gelofte trouw. Ze ontvluchtte het kasteel in Obernai. Etticho, die een mooie partij voor zijn beeldschone dochter had gevonden, een vazal van het koningshuis der Merovingers die veel land en goed in de familie zou binnenbrengen, ging naar haar op zoek. Toen hij haar had gevonden, op de flanken van wat later de Sankt-Odiliënberg zou gaan heten, wist ze zich te verschuilen in een grot die zich, na haar gebed om hulp, in de rotsen vormde.
Toen haar vader over dit wonder vernam, zag hij in dat ze hem toch steeds dank zij bovennatuurlijke hulp zou ontkomen, en stemde hij erin toe dat ze op de wonderberg een vrouwenklooster stichtte.

Odilia’s stichting had succes, vooral vanwege het verhaal over de wonderlijke manier waarop ze het licht had gezien: zowel het aardse licht als het licht van God. Voor veel mensen gold het vrome meisje al als een heilige. In korte tijd sloten zich zo veel jonge vrouwen bij de kloostergemeenschap aan dat al spoedig een tweede klooster nodig was. Dat werd Niedermünster, aan de voet van de Sankt-Odiliënberg, het hospitium dat de geschiedenis inging als het eerste ziekenhuis van de Elzas.

Eerst bezoek ik de kleine kapel met de stenen tombe, waarin het lichaam van Sint-Odilia rust: het hart van het heiligdom. Het is er ijskoud, maar ook doodstil. Er is niemand, zodat ik de zwak verlichte ruimte op mijn gemak kan bekijken. Odilia rust in een sarcofaag, uitgehakt in de rots. Rond de sarcofaag is een stevig en betralied praalgraf gebouwd, dat haar voor al te opdringerige aanbidders behoedt. Zeven schilderijen rond de tombe tonen de belangrijkste feiten uit haar leven, zoals het doopsel waarbij ze het licht zag en de opname in de grot die haar verborg.
In de kapel ernaast bevindt zich het graf waarin het lichaam van de grillige hertog Etticho heeft gerust. Waarom juist zijn resten uit de sarcofaag zijn verdwenen tijdens de vele plunderingen die de Hohenburg in de loop der eeuwen hebben geteisterd, terwijl het lichaam van Odilia met rust werd gelaten, is een raadsel. In de tiende eeuw, ook wel ‘de duistere eeuw’ genoemd, plunderden heidense Magyaren het klooster. Ze lieten geen steen op de andere. Waarschijnlijk hadden ze te veel ontzag voor de heilige Odilia omdat ze, toen al zo aanbeden, een heidense priesteres in haar zagen. In de loop van de volgende eeuwen werd het klooster herhaaldelijk vernield en opgebouwd. Tijdens de reformatie was het aanzien van de heilige plaats vooral gedaald door het wereldse gedrag van de nonnen die er woonden. Van opofferende heiligen, die in zelfgekozen armoede leefden, waren ze veranderd in zelfzuchtige secreten, die zich zo schandalig werelds gedroegen dat ze door de bisschop van Straatsburg uit de kerk werden gezet. Bij hun gedwongen vertrek liet de hemel weten dat de bisschop juist had gehandeld: de bliksem sloeg in en het klooster brandde totaal af.

Toch bleven de pelgrims komen. Opnieuw werd er een kerk gebouwd en in de volksmond veranderde de naam ‘Hohenburg’ in ‘Sankt-Odiliënberg’. Weer later sloeg de Franse Revolutie toe. Soldaten verdreven de Premonstratenzer monniken die zich op de berg hadden gevestigd, en knoopten er een stuk of tien op. In de volgende jaren werd de kerk gebruikt als fabriek, stal en volksonderkomen.

In 1853 kocht de bisschop van Straatsburg de kerk van de staat terug. Broeders en nonnen bouwden alles weer op. Weer stroomden de pelgrims toe. In de jaren vijftig van deze eeuw** verleende Paus Pius XII aan Odilia de titel ‘Schutspatroon van de Elzas’. Of ze die titel verdient, valt te betwijfelen, vooral als je de talrijke vernielingen van haar eigen huis bekijkt.

Op 11 oktober 1988 bezocht paus Johannes Paulus II het graf van Odilia, waarvan grote en kleine prenten in de kiosken getuigen. Ze laten de paus zien, biddend voor de tombe.

Blijft de vraag: wat ligt er in de kist? Wie kan met zekerheid zeggen dat het lichaam van Odilia aan alle plunderaars, van heidenen tot revolutionairen, is ontkomen?

In de kleine kerk naast de kapel met de tombe, wordt een eeuwigdurend gebed gehouden. Voor het altaar knielen, in voortdurende aanbidding, steeds twee gelovigen, zowel jongeren als ouderen, elkaar dag en nacht aflossend, zingend of biddend voor een mooie toekomst voor de hele mensheid. Voor de rots zelf zal die toekomst uitstekend zijn, getuige de vele souvenierwinkels en restaurants die de kapel omsluiten. Achter het kloostergebouw staan twee kapellen, op de plekken waar Odilia zelf altijd gebeden zou hebben. De ‘Kapel van de Tranen’ is gebouwd op wat, in haar tijd, het kloosterkerkhof moet zijn geweest. In de rots rond de kapel zijn sarcofagen uitgehakt waarin, volgens de legende, de eerste volgelingen van Odilia te ruste zijn gelegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat ze al van vele eeuwen vroeger zijn, net als de fundamenten van de aanpalende Engelenkapel, die ooit een heidense tempel droegen. Wat mooi illustreert hoe de christelijke kerk voortbouwt op de haar voorgaande religies. De mozaïeken in de kapel laten zien welke rol de engelen in de godsdienst hebben gespeeld. Ook voor de kerstening van Europa, want Cherubijnen en Serafijnen zijn ware neven en nichten van de Sirenen.

Al lang voor de komst van het christendom was deze plek al een heilig oord. Er zijn aanwijzingen dat de berg in de bronstijd en zelfs al in de Neolitische tijd werd bewoond.

De Kelten die hier in de ijzertijd woonden, de stam der Médiomatriques, hebben er lange tijd hun religieuze feesten gevierd en offers gebracht aan hun zonnegod Belen. Te zijner ere hadden ze op dit raakpunt tussen aarde en hemel altaren gebouwd en dolmens opgericht.

De Romeinen, die heersten over het land vanaf 50 voor Christus, namen de natuurlijke vesting, die door de Kelten was verlaten, weer in gebruik en noemden de berg Altitona, wat zoiets als ‘donderende hoogte’ betekent. Ze herstelden de muren, bouwden een kazerne en hoge wachttorens. In hun tempel aanbaden ze de godin Rosmerto, patrones van de oostelijk gelegen Romeinse gebieden.

In Odilia’s tijd werd deze voorouderlijke heilige plaats nog steeds bezocht door de nieuwbakken christenen, die van het pas verworven geloof nog niet veel meer begrepen dan dat ze het onder dwang hadden moeten aannemen. Pas bekeerd hielden ze naast de nieuwe religie ook hun heidense goden in ere. Morden de mensen aanvankelijk omdat Odilia met klooster op de heilige rots van hun voorvaderen zat, tegen de dochter van de ruwe graaf Etticho durfden ze niets te ondernemen. Dat was levensgevaarlijk. Een jonge vrouw van mindere afkomst zouden ze vanwege heiligschennis hebben gelyncht. Ook hertog Etticho zelf had weinig op met het christendom dat hem door bekeerde koningen was opgelegd. Hij vond het geloof voor vrouwen. Misschien had hij een profetische blik. Heden ten dage bezoeken vooral vrouwelijke pelgrims het bedevaartsoord, wat trouwens geldt voor alle bedevaartsoorden. Mannen houden niet van heilige vrouwen en zeker niet van heilige maagden.

Na het bezoek aan het klooster loop ik de fraaie wandelroute rond de Heidenenmuur, een imposant bouwwerk van tien kilometer lang, dat door de Kelten moet zijn aangelegd. De hele top van de Sankt-Odiliënberg wordt er door omsloten. Een deels door de natuur aangewezen citadel die door Kelten, Romeinen en Franken als vesting werd benut. Een strategische plek van de eerste orde. Er is een route die in een uur of vier flink doorlopen voert langs de deels intacte resten van nog andere heidense heiligdommen. Het is een geliefd pad voor mensen die geloven in de invloed van de aarde op gezondheid van geest en lichaam. Ze zoeken genezende krachten en vitaliteit in aardstraling, die vooral op de religieuze plekken uit de oudheid heel krachtig heet te zijn en daar nog versterkt wordt door straling vanuit de kosmos. Sommige onderzoekers denken dan ook dat de heilzame invloed van het bedevaartsoord gelegen is in deze straling, waarvan de Druïden al de genezende werking hebben gekend. De zon werpt een feeëriek licht tussen de bomen van het oerbos, dat terugkaatst op de groene fluorescerende korstmossen op de restanten van de heidense muur. Vroeger was de muur vier meter hoog en gemiddeld anderhalve meter dik. Daarop was nog eens een hoge palissade aangebracht, wat de berg, die door zijn steile wanden toch al nauwelijks kon worden beklommen, tot een onneembaar fort maakte. De ommuurde ruimte besloeg 118 hectare,meen oppervlakte waar bij belegering velen hebben gewoond en gewerkt. Archeologische vondsten getuigen daarvan.

Aan het begin van het wandeltraject liggen een paar Romeinse graven, oneerbiedig open en bloot, half gevuld met dorre bladeren. De bolvormige tumuli in de omgeving verraden dat hier nog meer Romeinen rusten.

Een paar kilometer verder naar het zuiden ligt, nog steeds binnen de vesting, de grot van de Druïden, een megalitisch grafmonument waar de Kelten offers brachten. Op deze plek wordt door kenners de hoogste dosis straling gemeten. Een uurtje uitrusten in of op deze dolmen moet heilzaam zijn voor lijf en geest, ook voor wie er niet in gelooft.

Vlakbij de grot stortte op 20 januari 1992 in dikke mist een vliegtuig van Air France neer. 87 Mensen vonden de dood in de vlammen. Een eenvoudig houten bordje herinnert aan de ramp. In het hekwerk zijn honderden kruisjes aangebracht, gevlochten van takken. Boeketten bloemen hangen in de draad. Daartussen een eenvoudig houten kruisje, waarop in beverig handschrift staat geschreven:

‘Renée, geboren 11-3-1966, hier smartelijk overleden op 20-1-1992, toen haar leven zo mooi was.’

Drie priesters, in toog, staan er te bidden. Ik vraag of ik ze mag fotograferen.

‘Dat mag, maar liever niet en face’, zegt een van hen, die zich, als we in gesprek raken, bekend maakt als abbé Bernhard. ‘We zijn niet zo geliefd in Frankrijk.’ Op mijn verbaasde vraag vertelt hij dat ze priesters zijn van Lefèbre, de aartsconservatieve kardinaal die zo behoudend was dat hij door Rome uit de kerk is gezet. Ze komen hier vaak bidden, zegt abbé Bernhard. Hij is ervan overtuigd dat veel van de omgekomenen zijn gebed hard nodig hebben. Kinderen van deze egoïstische tijd als ze waren, zijn hun zielen natuurlijk nauwelijks voorbereid op de dood.

Na een wandeling van twee uur is het pad terug op de smalste plek van de ingemuurde ruimte; het klooster. De noordroute gaat door het overige deel van het vestingswerk. De verbazingwekkende en nog geheel gave delen van de Heidenenmuur slingeren zich langs de helling. Op enkele plaatsen in de muren staan de poorten naar de uitvalswegen nog overeind.
Kilometers verder, al weer bijna terug bij het klooster, ligt de grot die zich op zo wonderlijke wijze voor Odilia opende toen haar vader haar achterna zat.

Na de wandeling voltooid te hebben, neem ik me voor om haar de volgende dag nog eens te maken, maar dan andersom. Ik ben nog lang niet uitgekeken.

Om geen genade gemist te hebben, daal ik af naar de plek waar Odilia een bron deed ontstaan, toen ze op een van haar tochten tussen de beide door haar gestichte kloosters een oude uitgeputte man tegenkwam. Bij de bron vullen pelgrims flessen met bronwater en strijken het langs de ogen, hopend daarna beter te kunnen zien. Odilia is ook de patrones van de ooglijders. Ik dep water uit de bron op mijn ogen, maar mijn geloof is te klein: ik heb mijn leesbril nog net zo hard nodig.

Tien minuten verder naar beneden liggen de resten van het klooster Niedermünster. Een stevig hekwerk voorkomt verdere sloop van de ruïne. De aanpalende boerderij is gebouwd van stenen van het munster. Op een steenworp afstand staat een niet te definiëren kerkje, van later datum, te kleumen in een nat weiland. Een koppel duiven met opgezette veren treurt in een half dichtgetimmerd, raam over het verval. Uit een bron ter grootte van een wasbak ontspringt een beekje, zo dun als een potlood, dat sierlijke krullen in het weiland schrijft.

Terug bij het klooster klinkt ijl gezang uit de kerk naar buiten. Vijf uur. De vespers worden gezongen door de laatste nonnen die het convent bewonen. Negen stemmen. Eén stem minder dan een paar weken geleden. Een op de deur geplakt bericht vertelt dat op 24 december 1992, in de leeftijd van 62 jaar, de ziel van soeur Georges-Marie haar aardse lichaam heeft verlaten, nadat ze 38 jaar bruid van Christus is geweest. Eén stem minder maakt het koor iets ieler. En wat wanneer zuster Ignatia-Marie uitvalt? En na haar zuster Joséphine-Marie? Zullen de zes overgeblevenen het nog kunnen opnemen tegen de sterke bariton van rector Jaques Ponts, helemaal alleen in de rechterbeuk, die nog geen vijftig is en te zijner tijd het hele koor van nonnen zal overleven? Wie volgt daarna rector Jaques op?

Kopzorgen voor de kerk, die zoveel zielen geestelijk te voeden heeft, maar weinigen uitverkoren acht om aan de tafel des Heren voor te gaan. Zorgen die ook nu al de Sankt-Odiliënberg beheersen en die doorklinken in de eenvoudige stemmen van de nonnen. De voorzangeres heeft de stem van Soeur Sourire, de zingende non die in de jaren zestig zoveel harten veroverde met haar ongekunstelde liedjes.

Het gezang roept een weldadige rust op in het sfeerrijke licht van de donkere, winterse kerk, die naar kaarsen en wierook geurt. Na de wandeling in de ingetogen stilte van de bossen rond de Heidenenmuur vind ik hier een andere, maar net zo weldadige rust. Even voel ik me in de middeleeuwen en is het net of Sint-Odilia zelf, met haar eerste medezusters, in de kerk aanwezig is. De legende heeft me in haar greep. De Sankt-Odiliënberg, met zijn vele tastbare herinneringen aan het verleden, zo dicht bij elkaar, is een spiritueel fenomeen. Zelfs een moderne heiden als ik voelt zich na een bezoek aan deze plek geestelijk opgekalefaterd.

Wat allemaal waar is van de legende van Odilia, het kan me niet schelen, maar haar naam zij geprezen. Vooral als ik te harer ere in het pelgrimsverblijf een flink stuk Odiliëntorte eet. Bosbessenvlaai. Een typische Elzaslekkernij met een aardse geur en met een hemelse nasmaak.

Bronnen: G. Altenbach en B. Legrais: Lieux Magiques et Sacrés d’Alsace et des Vosges. Editions du Rhin,
ISBN 2 86339 012 0.
F. Petry en R. Will: Le Mont Sainte-Odile. Guides Archéolgiques de La France, ISBN 211 080954 X.

Ton van Reen, Volkskrant, 03-04-1993

.

De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein

2e klas: vertelstof

Rudolf Steiner over: vertellen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

1667-1562

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-6)

.

Het ene eetprobleem is het andere niet

.

Wat te doen als je kind veel te weinig (of veel te veel) eet? Een eenduidige remedie tegen eetproblemen bestaat niet. Goed kijken naar je kind is een eerste vereiste om erachter te komen waar het probleem zijn oorsprong heeft. Huisarts George Maissan geeft een paar voorbeelden uit zijn praktijk, met adviezen voor de aanpak ervan.

Tot nu toe was het zo’n lief, rustig kind. Alles ging vanzelf’, verzucht de vader van de 26 maanden oude Pim.
Ik kan een glimlach nauwelijks onderdrukken. ‘Gefeliciteerd, u heeft een zoon.’ Verbouwereerd kijkt hij me aan. Hij heeft me net omstandig uitgelegd dat het zo echt niet verder kan. Pim wil niet meer eten. Vooral de warme maaltijd is een strijd. Groenten worden met een luid ‘nee’ afgewezen. Ik vertel hem dat zijn zoon in de fase van het nee-zeggen is gekomen. Hij zet zich af tegen zijn omgeving en in Pims geval richt zich dat op het eten. Door nee te zeggen versterkt hij zijn ontluikende zelfbewustzijn. Je zou dat een soort tweede geboorte kunnen noemen. Vandaar mijn felicitatie.

Het oplossen van zo’n eetprobleem vraagt van ouders wel wat creativiteit.

Het is belangrijk dat je er geen machtsstrijd van maakt. Je kunt je peuter het beste wat afleiden met een verhaaltje of een spelletje. Het probleem zal vanzelf weer over gaan als het zelfgevoel van je kind zich zover heeft ontwikkeld dat hij het niet meer nodig heeft voortdurend nee te roepen. Maar dat vraagt van ouders wel een oefening in zelfwaarneming: ‘Ben ik duidelijk genoeg naar mijn kind?’ Want het heeft in deze fase herkenbare grenzen nodig. Dat komt al tot uiting in kleine dingen als de manier waarop je het kind aanspreekt: ‘Kom, we gaan naar buiten’ in plaats van ‘Wil je naar buiten?’ of: ‘We gaan nu eten’ in plaats van ‘Wil je iets eten?’

Te klein en te licht

Een heel ander kind is de driejarige Robbert, die samen met zijn moeder heel mijn spreekkamer vult. Hij vraagt honderd uit over mijn computer, rent op zijn tenen rond en zit, tot wanhoop van zijn moeder, overal aan. Hij ziet er bleek en mager uit maar kijkt wakker uit zijn heldere, blauwe oogjes. Robbert eet al maanden heel weinig of niets. Zijn ontlasting komt verschillende keren per dag en is altijd dun. ’s Nachts is hij vaak wakker en wil dan drinken. Dat doet hij overdag ook veel.

Als ik hem onderzoek voelt zijn lichaam, met uitzondering van zijn hoofd, koud aan. Hij is duidelijk te klein en te licht voor zijn leeftijd. Als hij gaat tekenen, bespreek ik met zijn moeder hoe we het probleem gaan aanpakken. Robbert verliest zich helemaal in de dingen om hem heen. We zullen moeten proberen hem interesse bij te brengen voor zijn binnenwereld, dat wil zeggen zijn stofwisseling. Dit kun je doen door een vaste regelmaat van drie maaltijden per dag aan te houden en hem dan vooral veel zoete vruchten en de bloemige delen van planten te eten te geven, naast meelspijzen en pap. Ook stel ik voor dat zijn moeder of vader hem regelmatig (om het anderhalf uur) op de bank op schoot neemt en samen met hem een prentenboek bekijkt of hem een verhaaltje voorleest. Dat brengt ritme in zijn dag. Om zijn warmteorganisme te verbeteren en hem wat af te sluiten voor de buitenwereld, raad ik Baby- en Kinderbad aan (driemaal per week) en Calendula Babyolie om hem ’s ochtends en ’s avonds mee in te smeren.

Als ondersteunend medicijn schrijf ik tweemaal daags tijdens het eten een halve tablet Nahrkraftquell* voor en driemaal daags voor het eten vijf druppels Anaemodoron*, dat ervoor zorgt dat het ijzer in de voeding beter door het lichaam wordt opgenomen.

‘Kan ik dat ook aan Yvon, mijn dochter van zeven, geven?’ vraagt Robberts moeder. ‘Die eet ook bijna niets.’ Ik vertel haar dat dat inderdaad kan, maar dat het eetprobleem van haar dochter toch van een heel andere aard is. Yvon is een licht en vlinderig meisje. Het is alsof ze overal net even aan tipt. Ze heeft niet de rust om zich door een rijstebrijberg aan eten op haar bordje te werken. Zij wil heus wel wat eten maar ze is zo snel vol. Ze kan alleen maar kleine hapjes aan en floreert daar eigenlijk ook goed op. Een kind als Yvon kun je best wat vaker op de dag kleine, lichte hapjes als een yoghurtje, een rijstewafel of een vrucht geven.

Uit de kluiten gewassen

Weer een heel ander eetprobleem heeft Gerard, een uit de kluiten gewassen kleuter van vijfeneenhalf. Bij het wegen en meten slaat hij alle records. Zijn waarden passen niet op de grafiek die bij zijn leeftijd hoort. Als ik over zijn eetgedrag doorvraag, blijkt dat hij altijd kan eten en geen enkele maat weet te houden.

Gerard is wat je noemt een ‘stofwisselingskind’. Hij schrokt alles in hoog tempo naar binnen zonder waar te nemen wat hij eet en hoeveel hij eet. Het vermogen om het voedsel dat je eet werkelijk te proeven, verdwijnt vaak wanneer kinderen te vroeg te veel en te sterke smaken aangeboden krijgen. Door een kind eenvoudige, bij de leeftijd passende voeding te geven kunnen de zin voor smaak en geur zich geleidelijk ontwikkelen. Gerard moet geholpen worden om waar te gaan nemen wat hij eet en wanneer zijn buikje vol is. Dit kan door hem langzaam en rustig te leren eten en tijdens de maaltijd af en toe een vraag over het eten te stellen. Voor hem zijn rauwkost en zure ingrediënten belangrijk.

.

* Deze zelfzorgmiddelen zijn ook zonder dokstersrecept verkrijgbaar bij drogist en apotheek (soms bestellen).

George Maissan, arts, Weleda Puur Kind nr 5, lente 2000

.
Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1666-1561

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-19/2)

.

slapeloosheid

Regelmatig begeef ik* mij in het holst van de nacht naar de krakende sponde, om als gevolg van de fantastische verantwoordelijkheden die op mijn schouders drukken te constateren dat er niets te slapen valt.
„Want alle zijn is tot niet zijn geschapen”, zo houd ik mij dan hoopvol voor met de dichter Bloem.
Dat helpt als regel niet. Meestal strompel ik dan een verdieping lager en drink melk, aangelengd met door een morsig kruidenvrouwtje verhandelde
biologisch-dynamische honing, en ik smeer de borst in met kaarsvet. Ook dat haalt als regel niets uit.

De volgende stap behelst dat ik me de meest schandelijke taferelen ga voorstellen, wat slechts leidt tot grote waakzaamheid. De slotfase bestaat uit het reciteren van zoveel mogelijk uitspraken, afkomstig uit de Upanishaden of geschriften der mystici, hetgeen verzandt in de constatering dat hun ideeën eigenlijk even schandelijk waren.
Kortom, ik ben bij tijd en wijle een slapeloze tobber die zich troost met de gedachte dat er in de onmiddellijke omgeving zo’n vier miljoen vergelijkbare typetjes zijn.

Waar komt slapeloosheid vandaan en valt hier iets in de marge te rommelen?
In Amerika zijn er honderd speciale slapeloosheidsklinieken, maar hier moeten we het doen met een agoog die nooit te vinden is. Volgens talrijke verhandelingen is slapeloosheid multicausaal bepaald. Ik ben allergisch voor dat woord: als simpele dingen in het Latijn worden gezegd, weet meestal geen hond wat er gaande is. Dat bleek laatst ook uit een geschrift waarin stond dat iemand leed aan jactatio capitis nocturna et restless legs. Kortom: hij sloeg ’s nachts met zijn hersens tegen de rand van het bed, onderwijl de dekens van zich aftrappend.

Eén invloedrijke factor is de zon die zich in dit jaargetijde** wel eens wil laten zien en die naar verluidt door sommigen zelfs wordt opgezocht. Veel zonlicht ontregelt de pijnappelklier in ons brein, een nietig orgaantje dat onder andere tal van lichamelijke en geestelijke ritmen sychroniseert. Bar veel licht schijnt er voor te zorgen dat dit ding de kluts kwijt raakt, met als gevolg dat de ritmen in kwestie als losgeslagen raderen rond gaan tollen.

Daarnaast is er naar de wetenschap beweert een biologische dispositie. Deze houdt in dat het slachtoffer chronisch overactief is, wat tijdens de slaap betekent dat hij zelfs wakker wordt van een vier blokken verderop doorgetrokken toilet. Dan hebben we natuurlijk de onvermijdelijke ziekten die tot slapeloosheid voeren, zoals daar zijn de pijn van rheuma, maagzweren, versleten harten, migraine, astma, weigerachtige nieren en schildklieren die als gekken een activerend hormoon maken.

Op zielkundig niveau zijn slechte slapers blijkens tests hoogst problematische mensen, maar ik zou me ook kunnen voorstellen dat een mens sjagrijnig wordt van slecht slapen. Niettemin wordt volgehouden dat hier iets aan de hand is. Slechte inslapers zijn angstig en slechte doorslapers depressief. Zou je op den duur niet depressief worden van dat altijd maar weer ontijdig ontwaken?

Vervolgens is er nog de massa mensen bij wie slapeloosheid herleid kan worden tot frequent bezoek aan de slijterij, alsmede de geneesmiddelenslikkers. Veel slaapmiddelen hebben als eigenaardige bijwerking dat zij slapeloosheid in de hand werken. Iets dergelijks geldt voor middelen tegen depressies en anticonceptiepillen. Misschien mogen we zelfs zeggen dat de seksuele revolutie wortelt in door slapeloosheid opgeroepen verveling. Het zou me althans niets verbazen als zo’n redenatie binnenkort in een sociaal-wetenschappelijk proefschrift wordt aangetroffen.

Nu kan het voor de duidelijkheid geen kwaad ons af te vragen hoe lang we eigenlijk behoren te slapen. Dat is dan jammer: we weten het niet. De individuele verschillen zijn enorm. Het heeft er de schijn van dat probleemloos levende wezens veel minder slaap nodig hebben dan de tobbers onder ons. (Als die laatste groep in het zuloïsme*** werkzaam is heb ik overigens nog een opwekkende mededeling: er komt over twee jaar een taakverdelingsronde die driemaal zo fors is als de huidige, namelijk 900 miljoen gulden, welterusten).

Bij wijze van regeltje kunnen we slechts zeggen dat de hoeveelheid slaap afneemt met de leeftijd en ergens ligt tussen achttien uur per etmaal bij de zuigeling en zes uur bij de bejaarde. In sommige opzichten zouden slapelozen lijken op zuigelingen: zij proberen het slechte slapen goed te maken door overdag dutjes te doen, met als ondermijdelijk gevolg dat de vermoeidheid ’s avonds onvoldoende kan toeslaan.

Ook ordinaire conditionering kan hierbij een rol spelen. Als u de slaapkamer betreedt en bij de aanblik van de opgestelde parafernalia wordt herinnerd aan duizenden doorwaakte nachten, is dat voldoende reden om alweer niet te slapen. De remedie ligt voor de hand: slaap buitenshuis, of schilder de kamer, zet het bed aan de andere kant en houd desnoods een regenjas aan. Op die manier moet de conditionering uitgeblust kunnen worden.

Andere denkers zeggen dat slapeloosheid wordt veroorzaakt door de neiging alleen in bed te tobben. Gebruik uw werk daar eens voor. Tenslotte zijn er een paar leefgewoonten die u moeiteloos uit de ellende zouden helpen. Ga op vaste tijdstippen naar bed, sta op vaste momenten op (geslapen of niet), en haal slaap overdag nooit in. Verder moet u stoppen met slechts een klein aantal genoegens, te weten drank, sigaretten, chocola, kaas, koffie, thee, cola en sommige vormen van sex, naar men fluistert. Voor het overige mag u me tot 4 uur bellen in verband met toelichtingen.

.

*Piet Vroon***, Volkkrant, **28-06-1986

.

Ritme: alle artikelen

.

1665-1560

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-19/1)

.
slapeloosheid

‘Ik heb de hele nacht geen oog dicht gedaan’

Het slapen blijkt vaak een moeizaam verworven toestand te zijn, die men dikwijls alleen bereikt door het innemen van slaapmiddelen, wanneer hulpmiddeltjes als schaapjes tellen en warme melk met honing ook niet meer helpen.

Uit de publikaties over het slaapmiddel ‘Halcion’ en de vele reacties erop, bleek dat zeer veel mensen een slaapmiddel nodig hebben om in slaap te kunnen vallen.

Behalve dat men zich zorgen kan maken over de – ongewenste – bijverschijnselen van de slaapmiddelen en de onzorgvuldigheid waarmee sommige hiervan op de markt gebracht worden, roept het feit dat deze middelen op zo’n grote schaal ingenomen worden, vragen op.

Waarom valt men aan het eind van de dag niet ‘gewoon’ in slaap?

Wat is slapen en wat is wakker zijn? Bob Witsenburg, arts, gaat in zijn artikel op deze vragen in.

‘Ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan’. Een thema dat in verschillende variaties voor velen van ons een proleem is, soms tijdelijk, maar soms ook blijvend. We blijven er vóór en met onszelf mee worstelen en vinden een enkele keer zelf een oplossing. Maar vaak ook wordt de slapeloosheid als een medisch probleem gezien, op te lossen door een tabletje.

Waarom hebben we eigenlijk slaap nodig? Deze vraag kun je op meerdere niveaus bekijken.

Lichamelijk kun je zeggen dat we ons lichaam tijdens het wakker-zijn, met ons bewustzijn ‘afbreken’, totdat het natuurlijke gevoel van vermoeidheid aangeeft, dat de afbraak zó ver is gevorderd, dat nu de periode van opbouw, de slaap, is aangebroken. Zo’n afwisseling is een ritme. Deze ritmische afwisseling is bijvoorbeeld terug te vinden in de lever, die van drie uur ’s nachts tot drie uur ’s middags een afbraakfase kent, waarbij suiker aan het bloed wordt afgegeven, en van drie uur ’s middags tot drie uur ’s nachts een opbouwfase, waarbij suiker tot leversubstantie (zetmeel) wordt opgebouwd. Mensen in ploegendienst en bijvoorbeeld stewardessen, ervaren dit ritme vaak zeer concreet. Zij merken bijvoorbeeld dat zij zich lichamelijk ’s nachts niet fit voelen, moe zijn, terwijl ze toch genoeg geslapen hebben. Of juist overdag niet kunnen slapen, wanneer dat bij hun werk zo uitkomt. Het lichaam is dan nog in de afbraakfase. Bij mensen die grote tijdsverschillen met vliegtuigen overbruggen, verkeert het leverritme nog in de fasen die hoorden bij de tijd van het land waar ze net vandaan kwamen. De aanpassing kan enkele dagen duren. Psychologisch betekent de slaap onder meer een verwerkingsproces, waarbij de gebeurtenissen en ervaringen van de dag ‘vergeten’ worden, en na verwerking in diepere bewustzijnslagen de volgende dag, of nog veel later, als levenservaring en vermogens te voorschijn komen.

Uitdrukkingen als ‘de ochtend is wijzer dan de avond’, of ‘ik zal er eens een nachtje over slapen’, zijn hier voorbeelden van.

Wat de geestelijke aspecten van het slapen betreft, kunnen we in de eerste plaats kijken naar het bewustzijn. Van dit bewustzijn zou je kunnen zeggen dat het overdag polair is aan ons nachtbewustzijn. Als we goed wakker zijn, beleven we onszelf door middel van onze zintuigen als centrum van de wereld, tegenover de wereld.

Letterlijk staan we in het centrum van onze eigen horizon. Ons waakbewustzijn is een centrum-bewustzijn. Ons slaapbewustzijn daarentegen is een omtrek-bewustzijn. Als centrum hebben we onszelf verloren, en we zijn in zekere zin in een wijde omtrek uitgespreid. Als overgangsbelevenis kennen we wellicht allemaal het verschijnsel -hopelijk zelden -, dat je eens bij een lezing bijna bent ingeslapen, en daarbij soms niet meer weet of datgene wat er in je omgaat je eigen gedachten zijn, of de gedachten van de spreker. Plotselinge zintuigindrukken, zoals iets dat valt, een stemverheffing en dergelijke, brengen je dan weer ineens ‘tot jezelf’.
Om het verwerken in de nacht van je dagervaringen mogelijk te maken, moeten deze belevenissen iets eigens gekregen hebben. Wat dit betekent, kunnen we ons voorstellen als we ons afvragen, hoeveel indrukken en ervaringen er op ons afkomen, die we ons niet eigen kunnen maken. Denk aan de veelheid, heftigheid en te snelle opeenvolging van informatie door televisie, radio, kranten, lawaai op werk of straat, snelverkeer, reclames, verstrooiing in vakanties, etcetera. Wie van ons kan zijn indrukken, informaties en ervaringen nog allemaal, of zelfs maar gedeeltelijk, zelf kiezen? En wie heeft daarna de rust om ze ook zelf te laten bezinken en te verwerken? Om maar te zwijgen over of het je lukt er ten slotte nog iets mee te doen.

Het zijn vaak de niet-eigen gemaakte indrukken, gevoelens en ervaringen, die ons het gezonde slapen belemmeren. Niet-eigen maken overdag, geeft een niet-zelfverwerken ’s nachts. De kwaliteit van onze dagervaringen is hierdoor meebepalend voor de kwaliteit van ons slapen.

Omgekeerd zal ook de kwaliteit van onze slaap ook de kwaliteit van ons werken overdag beïnvloeden.

Wat kunnen we nu aan slapeloosheid doen? Even kort iets over slaapmiddelen. Zij werken alleen symptomatisch, laten je wél slapen, maar de slapeloosheid zelf wordt erger. Hoe langer je ermee doorgaat, hoe moeilijker het is om te stoppen. En het nachtelijk verwerkingsproces gaat waarschijnlijk grondig de mist in.

Lichamelijk gezien is regelmaat het belangrijkste. In het algemeen is een ritmisch bestaan, met een steeds terugkerende regelmaat van activiteit en ontspanning, maaltijden en slaaptijden, essentieel. Hoe regelmatiger de periodes van activiteit (afbraak) en rust (opbouw) elkaar afwisselen, hoe sterker de uitslagen, dat zijn de dieptes en de hoogtes van onze slaap-waakcurve kunnen worden. Niet alleen is het nodig voor voldoende rust ’s nachts te zorgen, (en uren vóór 12 uur, het uur dat de zon weer aan zijn opmars begint tellen dubbel), maar ook dat de periode van ingespannen werk overdag, niet te lang duren. Niet voor niets duren colleges gemiddeld 45 minuten, en daarna is er even pauze. Soms is het zelfs noodzakelijk om aan het begin van de middag een echte middagpauze te maken, om alles even los te laten, bijvoorbeeld door te rusten, of te wandelen. Wandelen is sowieso een goede activiteit vóór het slapen, omdat het het denken tot rust kan brengen, en de bloedsomloop aanzet. En het is juist de bloedsomloop, die in nauwe relatie met onze opbouwprocessen, ’s nachts actief wordt. Met koude voeten bijvoorbeeld, kun je niet slapen.

Op meer psychologisch niveau zullen we eerst misschien wat vóóroordelen moeten overwinnen. Vaak hoor je mensen zeggen: maar ik móet toch slapen, want anders… Ja, wat anders?

Wat zou er gebeuren als je eens een week niet sliep? Weekje ziektewet? Extra vakantie nodig? Zal je tenslotte niet vanzelf in slaap vallen, als de vermoeidheid te erg wordt? Er zijn twee mogelijkheden: óf je haalt het slaapverlies wel weer in, óf je moet je leven anders inrichten, wat misschien wel hoog nodig is. En bedenk dat mensen die menen dat ze ‘de hele nacht geen oog dicht’ doen, vaak tussen door wel degelijk blijken te slapen, maar dat juist dié momenten zich aan de herinnering onttrekken. Laat dus dat moeten-slapen maar eens weg, het is juist een sterke belemmering tot inslapen. Bovendien geldt, dat hoe ouder je wordt, hoe minder slaap je nodig hebt. Maar we kunnen ook veel positieve dingen doen. Zo kunnen we proberen alle vluchtigheid in ons waarnemen te vermijden, want door iets echt waar te nemen, tot je te nemen, is ook een echt verwerken mogelijk. Lezen doen we bijvoorbeeld vaak veel te snel en te vluchtig. Het spreekt voor zich, dat we ondertussen niet de radio of televisie laten aanstaan. En het sterkste werkt, als we onze waarnemingen en informatie zélf kunnen kiezen, en er niet steeds voor ons gekozen wórdt. Daar hoort bij de vraag, of het juist is om allerlei krachtige indrukken emotioneel in je op te nemen, waarvan je weet dat je ze toch niet verwerken kunt. Verwerken in de zin van tot je te laten doordringen, en er daarna iets mee te kunnen doen. Horen hierbij niet vele live-uitzendingen over kapingen, gijzelingen, sensationele ongelukken, etcetera?

Wat de geestelijke kant betreft is er nog één soort persoonlijke oefening, die ik in verband met slapen en waken zou willen noemen, en die in de antroposofie bekend is als ‘rückschau’ en ‘vorschau’. In de rückschau, of terugblik, kijken we ’s avonds terug op onze dag, waarbij we de gebeurtenissen aan ons voorbij laten trekken, in omgekeerde volgorde, dat wil zeggen, het laatste het eerst. Het resultaat is, dat de dag nog eens in vogelvlucht via het denken in het voorstellingsleven vóór ons staat. Als dat lukt, zonder opnieuw de emoties van de dag te beleven, kunnen de belevenissen daarna, in de nacht, ‘vergeten’ worden. In dit vergeten geschiedt het verwerken.

Wat gebeurt er in het algemeen met dingen die we vergeten? Vergeten wil zeggen dat ze in een onbewuste laag van ons dóórwerken. Het betekent niet dat de ervaringen voor ons verloren zijn. Zoals we dingen, die we met veel moeite vroeger geoefend hebben, zoals muziekoefeningen, later als een vanzelfsprekendheid ter beschikking hebben. De moeizame oefeningen en probeersels die er vroeger aan voorafgingen, zijn vergeten. Ze zijn nu tot vermogen geworden, schijnbaar moeiteloos de muzikant ter beschikking staand. Zo is er een dergelijk verwerkingsproces met alle dagelijkse ervaringen. Als we ze uit de voorstelling loslaten, kunnen ze in de nacht tot vermogens worden. Het nachtbewustzijn is hetzelfde bewustzijn als van waaruit onze wilsimpulsen stammen. Vergeten ervaringen van gisteren, kunnen op deze manier geïntegreerd worden in de wilsimpulsen van morgen. Als je ergens een nachtje over moet slapen, betekent dit dat je je vragen van vandaag, de kans geeft om tot je eigen wilsimpulsen van morgen te gaan behoren. Als je metéén zou beslissen, doe je misschien iets wat niet echt bij je hoort.

In de vooruitblik ’s morgens, kun je je dan afvragen wat je die dag te doen staat. Welke dingen er allemaal moeten, maar vooral welke dingen je die dag met enthousiasme tegemoet gaat. Juist dit enthousiasme maakt persoonlijke inzet mogelijk. Zo’n enthousiasme maakt, dat je er helemaal bij bent. En hoe meer je er overdag zelf bij bent, hoe beter je het ’s nachts zelf weer los kunt laten. Zo kun je ook vanuit je intensiteit van beleven, je slaap-waakdiepte beïnvloeden.

Deze twee oefeningen kunnen helpen bij de twee slaapstoornissen die er zijn; de inslaapstoornissen, en de dóórslaapstoornissen. Bij de inslaapstoornissen blijven de dagbelevenissen, emoties en zorgen, aan ons vastkleven, en we kunnen of durven ze niet los te laten. De afbraakprocessen van het waakleven hebben ons te sterk te pakken, en belemmeren zo het inslapen. De dag terugdenken zonder de emoties, alsof het een ander betreft, kan ons er dan van bevrijden. Met vertrouwen kunnen we onze dag aan de vergetelheid van de nacht prijsgeven, want om in te slapen heb je vertrouwen in je levenssituatie nodig. Het vertrouwen, dat ook al laat je al je zorgen en problemen los, deze je niet zullen overweldigen.

De andere belangrijke slaapstoornis, is de doorslaapstoornis. Hierbij worden mensen juist vroeg wakker, bijvoorbeeld drie uur, en slapen dan niet meer in. Wat de lichamelijke kant hiervan betreft, heeft dit vroege ontwaken vaak te maken met het eerder genoemde leverritme. Hierbij is het opbouwproces in ons te zwak. Het kan ook samenhangen met te veel dingen in de dag die allemaal moeten, en waar we geen persoonlijk enthousiasme meer voor voelen, of waarin een eigen inbreng niet meer is te verwezenlijken. We schrikken terug voor de dag, waardoor die al op ons valt, nog vóór we uitgeslapen zijn. In de vooruitblik kunnen we proberen te ontdekken welke punten in de dag ons enthousiasme kunnen wekken, en welke punten in de dag de moeite van de eigen inzet toch waard zijn, waardoor je een moed stukje kunt vinden, om de dag te beginnen.

Om in te slapen heb je vertrouwen in je levenssituatie nodig. Om dóór te slapen heb je moed nodig om de volgende dag te beginnen. In de terugblik en de vooruitblik kunnen we dit vertrouwen en deze moed proberen te ontwikkelen.

Bob Witsenburg, arts, Jonas 3, 5-10-1979

.

Ritme: alle artikelen

.

1664-1559

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderbespreking – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over: kinderbespreking

[1-1] Het kind ‘een raadsel’.
[1-2] Het kind als ‘kunstwerk’; de schroom om een kind te ‘doorgronden’.
[1-3] Het belang van waarnemen.
[1-4/1] Over het te sterk en te zwak incarnerende Ik.
Met een opsomming van de vakken die daarbij kunnen helpen.
[1-4/2]
Kim Lapré werkt bovenbedoelde opsomming verder uit.

over waarnemen van beweging; samenhang beweging/spreken.

[2] Het raadsel doorgronden...
Joop van Dam over: het boek ‘Du sollst sein Rätsel lösen’, (niet vertaald*) van Christof Wiechert; de inhoudelijke kanten van de kinderbespreking.

[3] Labels als molenstenen
Marcel Seelen
over: wat doet een ‘label’; wat is wezenlijk voor een kind met een probleem (als bv. ADHD); praktijkvoorbeelden; leraar probeert een stigmatiserend patroon te doorbreken

[4] Een weg naar het wezen van het kind
Heiner Priess
over: waarnemen van een kind; kinderbespreking als oefening in lerarencollege; hoe en in welke wereld ontwikkelen kinderen zich nu?; de beschrijving van een kind; wat weet je van de ‘voorgeschiedenis’; wat kunnen we in overeenstemming met de meest innerlijke wil van het kind voor zijn ontwikkeling doen; doel: dat we niet óver het kind spreken, maar dat het kind zich in ons uitspreekt

[5] Hoe verschijnt het kind ons in de lichamelijke gestalte die het zich heeft opgebouwd?
Leo Klein over: de lichamelijke kenmerken waarnemen.

.
Christof Wiechert: Du sollst sein Ratsel lösen

.

1663-1558

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-6)

.

En morgen gezond weer op

Behalve uitrusten en groeien, gebeurt er nog meer in de slaap van een kind: hij leert. De indrukken die hij overdag opnam, bergt hij ’s nachts op in zijn lichaam. Daarmee kan hij de volgende ochtend weer een beetje meer dan de dag ervoor. Antroposofisch kinderarts Edmond Schoorel vertelt over de betekenis van de slaap voor een klein kind.

Als ik een rozige zuigeling met zijn handjes naast z’n hoofd in diepe rust zie, word ik meestal stil en eerbiedig. Zo’n kind is een toonbeeld van gezondheid. Als ik een kleuter in een nachtmerrie zie, zwetend, roepend, niets ziende en angstig, moet ik oppassen niet ongerust te worden. Bij dit kind weet ik zo net nog niet of het op dit moment met z’n gezondheid bezig is. Slaap heeft veel aspecten. De slaap van een zuigeling is anders dan die van een kleuter of een schoolkind. De slaap na een boswandeling is anders dan die na een spannende film. Hoe ontwikkelt de slaap zich eigenlijk? Waarvoor is slaap nodig? Waardoor wordt het slapen gestoord en wat kun je doen aan slaapproblemen?

Ontwikkeling van de slaap

Een schoolkind slaapt normaal gesproken elf uur, een kind van een jaar of twee twaalf uur en een pasgeborene zestien uur per dag. Logisch: een baby moet vooral groeien, heeft nog maar weinig waar te nemen en nog niets met z’n verstand te snappen. Maar er is meer aan de hand. Slapen is namelijk een door en door ritmisch proces. Als een kind ter wereld komt, kan het nog niet slapen. Dat moet het, hoe vreemd dat misschien ook klinkt, nog leren. Door in een slaapritme te komen wordt het aardeburger, mens onder de mensen. Dat wordt het natuurlijk ook door andere invloeden als voeding, warmte, koude, gezelligheid, geluiden, liefdevolle bejegening enzovoort. Maar door de afwisseling tussen slapen en waken leert het geleidelijk om in een 24-uursritme te komen. Het allereerste ritme ontstaat na zes tot acht weken. Het is dan echter nog geen 24-uursritme maar een ritme dat zich uitstrekt over een periode van 25 uur. Daardoor verschuiven de slaaptijden en wordt een baby, die eerst om vijf uur wakker werd, een dag later om zes uur en weer een dag later om zeven uur wakker. Langzaam maar zeker verschuiven de slaaptijden en pas met een maand of drie komt een 24-uursritme tot stand, in het eerste levensjaar is er behalve de nachtslaap nog een ochtend- en een middagslaap. Het tweedejaar alleen nog een middagslaapje. In deze eerste twee jaren maakt het nog niet zoveel uit of het donker is in het slaapvertrek. Het kind slaapt toch wel. Maar daarna komt de tijd dat het wel degelijk scheelt of de gordijnen dicht zijn of niet. Dat betekent dat de slaap mede wordt bepaald door het licht, door de zon. Vanaf dat moment kan bijvoorbeeld het begin van de zomertijd het ritme grondig verstoren. Een kind kan zich verbinden met de aarde doordat het tot in zijn slaap-waakritme wordt beïnvloed door de zon. Bij mensen die in een onderzeeër of anderszins in het duister leven, verdwijnt het 24-uursritme al snel en daar komt het ‘oude’ 25-uursritme weer voor in de plaats.

REM-slaap

Nog belangrijker dan het aantal slaapuren is het ritmische verloop van de slaapperiode. Het slapen kent, net als het waken, verschillende stadia. De diepte van de slaap wordt uitgedrukt in vier stadia die op een EEG zijn te onderscheiden. Het belangrijkste is misschien wel de zogeheten REM-fase. Zo’n fase maakt een mens verschillende keren per nacht door. Dan wordt er heftig gedroomd, allerlei orgaanfuncties draaien op volle toeren en de ogen bewegen snel heen en weer (Rapid Eye Movement). Deze REM-fasen zijn van levensbelang want ze spelen een essentiële rol in de informatieverwerking en in de leerprocessen. Ondertussen weet de slaper natuurlijk van niets, hij is bij wijze van spreken bewusteloos.

Zuigelingen besteden de helft van hun slaap, dus een derde van de dag, aan REM-slaap. In die tijd zijn ze dus niet alleen aan het groeien maar ook aan het leren. Rond het derde jaar beslaat de REM-slaap nog 25% van de slaaptijd en in de schooltijd zo’n 20 procent.

Na de voorbereiding in andere stadia van de slaap, worden in de REM-slaap de ervaringen van de dag ingebouwd in de organische processen. Ze worden als het ware lijfelijk. Je kunt ook zeggen: ze komen in het geheugen. En zo is het ook: er is een directe relatie tussen de REM-slaap en het geheugen.

Waarvoor is slaap nodig?

Tijdens de slaap rust het lichaam uit van de vermoeienissen van de dag. Wat overdag wordt afgebroken, wordt ’s nachts weer hersteld. Is het kind dan ’s morgens weer de oude? Absoluut niet! Want als het goed is hebben de biologische processen van de slaap ervoor gezorgd dat de indrukken van de dag het lichaam ’s nachts ook hebben veranderd, ’s Morgens wordt iemand anders wakker dan hij de avond ervoor naar bed is gegaan. Natuurlijk zijn dat maar hele kleine veranderingen, maar bij kleine kinderen zijn ze goed waarneembaar.

Welke dingen bijdragen tot die veranderingen van het lichaam, het geheugen en de vermogens van het kind, hangt af van de leeftijd en de indrukken die het kind meekrijgt. Een baby maakt heel veel mee, zij het nog grotendeels onbewust Maar ook die onbewuste ervaringen zijn van grote betekenis.( In de nacht beïnvloeden ze de leerprocessen van het lichaam die eveneens onbewust tot stand komen. Een schoolkind of een puber is al veel bewuster (mede)mens geworden. Hij neemt ook de ervaringen die hij overdag opdoet in de omgang met anderen ’s nachts mee in de verwerkingsfasen van de slaap. Daar beïnvloeden ze de psychische leerprocessen. Ze dragen bij aan de vorming van zijn belevingswereld, zijn opvattingen en zijn stemmingen. Een volwassene staat overdag zo bewust in het leven, dat hij ’s nachts echt tot inzicht kan komen. Hij kan over een problemen ‘een nachtje slapen’ en de volgende ochtend met de oplossing wakker worden.

Wat stoort de slaap?

Een kind kan hinder hebben van zwaar verteerbaar eten, buikkrampjes, koorts, pijn of andere fysieke hindernissen. Maar ook minder lichamelijke zaken kunnen de nachtrust bederven. Veel kinderen slapen onrustig als hun ouders niet in huis zijn, als ze de volgende dag jarig zijn of als Sinterklaas in aantocht is. Kennelijk zijn er niet-fysieke invloeden die van buitenaf op de slaap werken. In het algemeen kun je zeggen dat alle slaapproblemen eigenlijk waakproblemen zijn. Als er overdag een goede afwisseling is tussen activiteit en ontspanning, tussen druk-doen en rustig zijn, tussen op-je-hoede-zijn en laten-vieren, tussen eten en een lege maag, dan zal het ritme van de slaap de indrukken wel opvangen en verwerken. De indrukken die een kind overdag opdoet, nemen daarbij een belangrijke plaats in. Voor het kleine kind zijn zintuigprikkels al gauw te veel. Daar heeft het dan ’s nachts last van.

Wat kun je doen aan slaapproblemen?

Bij ieder slaapprobleem kun je ervan uitgaan dat het ritme moet worden benadrukt. Probeer daarnaast de situatie voor het kind zo veilig mogelijk te maken. Bouw ’s avonds de dag af door op de rand van het bed op de dag terug te kijken en de onopgeloste zorgen van je kind in beheer te nemen tot de volgende ochtend. Misschien wil hij graag een lichtje aan of de lamp op de overloop. Of geeft dat juist enge schaduwen? Zijn er akelige geluiden en griezels in de kamer? Laat je kind vertellen wat het meemaakt, hoor het aan en geef geruststellend commentaar. Ontken het niet, want dan lijkt het alsof je je kind niet gelooft. Ga er ook niet in mee: dan raakt hij zijn houvast in de realiteit kwijt. Want dat ben je als ouder voor je kind: zijn toetssteen voor de dagelijkse, aardse werkelijkheid.
’s Nachts kun je dat niet meer zijn. Dan schept het kind zijn eigen, nieuwe werkelijkheid.
.

Edmund Schoorel, arts. Weleda Puur Kind 6, herfst 2000
.

Edmond Schoorel: boeken

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1662-1558

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-5)

.

Eten als peuterwapen

Wanneer een kind niet wil eten, kan dat allerlei redenen hebben. Het kan de vorige dag een keer laat zijn geworden waardoor het simpelweg te moe is om te eten. Dan is de remedie: gewoon gauw naar bed!
Of er kan zich een ziekte aan het ontwikkelen zijn die het kind de eetlust ontneemt. Soms ook reageren kinderen op spanningen in het gezin met een verzet tegen eten.
Pas wanneer een kind een aantal weken moeilijk doet over eten, kun je gaan spreken over een eetprobleem.
De eerste vraag is dan: is er een lichamelijke oorzaak? Wanneer je twijfelt of je zorgen maakt, overleg dan met je consultatiebureau-arts of huisarts.

In het grootste deel van de gevallen is er echter sprake van een probleem dat in pedagogische zin een beroep op je doet.
Niet voor niets wordt moeilijk eetgedrag een van de ‘peuterwapens’ genoemd. Zeker wanneer je kind bij opa en oma of bij de buren met smaak eet wat het thuis weigert, is het goed niet elke weigering te accepteren. Het kan onderdeel zijn van de koppigheidsfase van een peuter, en die kan ontaarden in een strijd die ouders tot wanhoop drijft. Dan is het zaak allereerst de angst en bezorgdheid te overwinnen dat een kind tekort komt en schade ondervindt van een periode slecht eten. Wanneer er geen lichamelijk probleem is, zo leert de ervaring, is dat vrijwel nooit het geval.

Die geruststelling maakt het iets gemakkelijker de strenge maatregelen te nemen die in veel gevallen helpen. En die zijn: alle snoep en koekjes schrappen en de maaltijden kort houden. Verder zijn er zo’n twintig minuten om het bordje leeg te eten, daarna verdwijnt het. Bij de volgende maaltijd krijgt het kind dan weer hetzelfde voorgezet wat het eerder weigerde.
In zo’n geval helpt het om de momenten van de ‘tussendoortjes’ te benutten en een tijd lang van drie naar vijf maaltijden te gaan. De essentie van deze maatregelen is: consequent gedrag. Scènes en dwang werken daarbij averechts, gezelligheid en ongedwongenheid helpen. Uiteraard is er niets op tegen om het (warme) eten dat een kind weigert in bijvoorbeeld een gepureerde soep of groententaart te ‘verstoppen’.

Besef echter dat ook een klein kind al een smaak heeft die respect verdient.

.

Machteld Huber, arts, Weleda Puur Kind nr. 5, lente 2000

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1661-1557

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (7) – over de dromedaris

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 52                                                                                                     hoofdstuk 7

Het Duits is enigszins verwarrend. De kameel met twee bulten heet ‘Trampeltier’. ‘Kamel’ is in het Duits de kameel met één bult, die wij dromedaris noemen, een woord dat ook in het Duits bestaat als ‘Dromedar’. Grohmann gebuikt hier steeds ‘Kamel’ als het over de dromedaris gaat. Vandaar de eerste zin: ‘Die Kamele, auch Dromedare genannt’.

Het kamelengeslacht waartoe ook de dromedarissen behoren, vertoont veel verwantschap met de herkauwers, want beide diersoorten behoren tot de herkauwers. Wat is erger, iemand een rund noemen of als os bestempelen of hem voor kameel uit te schelden? [Kamel = ‘ezel, domkop’] Wie zou deze vraag makkelijk kunnen beantwoorden? Maar wacht maar eens af wat de bioloog daarover te zeggen heeft. Misschien kan hij ons het juiste antwoord geven. Zo gaat dat, wanneer de mens op de een of andere manier iets van het dier overneemt. Meteen houdt hij dan een beetje op mens te zijn.
Maar aan de andere kant, wie heeft nu eigenlijk het recht een dier minder te achten, omdat het maar een dier is? Zeker geen mens, want dieren worden toch juist zo volmaakt in hun soort, ook zo nuttig of dienstbaar omdat ze iets bepaalds volmaakt ontwikkeld hebben of goed kunnen, veel beter dan de mens het ooit zou kunnen. Moeten we daarom dan minder van hen houden?
De koe kan buitengewoon goed het groenvoer verteren om daaruit uiteindelijk melk te laten ontstaan. In haar verschillende magen zondert ze het voedsel af en verandert het. Iedereen weet toch wat voor ingewikkelde buik ze heeft. Die is veel volmaakter en zit gecompliceerder in elkaar dan de onze. In haar kop is ze daarom oliedom. Maar wat maakt dat uit als ze daarvoor in de plaats in haar buik zo kunstig gebouwd is. Daar is ze bijna de hele dag bezig. Acht uur alleen al moet ze per dag grazen. Dan gaat ze liggen om te herkauwen, want dat is haar belangrijkste taak. Nee, deze goede runderen zijn echt ijverig en ze worden bij hun werk dan ook niet graag gestoord.

Aan de dromedaris zie je al uit de verte dat hij hoewel hij ook een herkauwer is, niet zo’n grote buik heeft. Hij heeft ook één maag minder dan andere herkauwers. want hij heeft geen boekmaag. Daarvoor in de plaats zitten de goede eigenschappen in de lange en sterke poten. Hij kan vracht dragen en je kan zelfs op zijn rug rijden. Het is echt een origineel dier, deze dromedaris, ondanks veel echt wel slechte eigenschappen, maar daarover hebben we het niet.
De gezichtsuitdrukking van de dromedaris lijkt onbewogen, zelfs een beetje onnozel waaraan in het bijzonder ook de overhangende bovenlip bijdraagt. Die is gespleten. De oogpupil is een langwerpige, scheefstaande spleet. Aanhankelijkheid aan de mens, ook aan die hem verzorgt en beschermt, kent de dromedaris niet. Hij is gedienstig als hij daartoe wordt gedwongen en stribbelt tegen, als het maar eventjes kan.

Het is beter om maar eerst de slechte eigenschappen van het dier te noemen, zodat later de goede des te meer opvallen.
Laten we eens luisteren naar hoe de beroemde bioloog Brehm zijn slechte ervaringen met dromedarissen samenvat:
‘De enige eigenschap waar de dromedaris groot mee is, is zijn vreetlust; al het andere valt daarbij in het niet. Hij heeft buitengewoon weinig verstand. Onaangedaan vertoont hij geen liefde en geen haat, het is hem wat alles betreft om het even, behalve zijn voer en de jongen. Prikkelbaar wordt hij, zo gauw hij zich moet inspannen; als z’n boosheid niets helpt, schikt hij zich weer onverschillig in wat hij doen moet, zoals in al het andere. Als hij kwaad is, wordt hij boosaardig en gevaarlijk. Echt afschuwelijk is zijn grenzeloze angst. Het gebrul van een leeuw laat meteen de karavaan uiteenvallen; iedere dromedaris werpt ogenblikkelijk z’n vracht af en gaat ervan door.  Van het huilen van een hyena wordt hij buitengewoon onrusitg; een aap, een hond, een schildpad, voor hem zijn het verschrikkelijke schepsels. Ik ken geen ander dier waarmee het op een vriendelijke manier omgaat. Met de ezel lukt dat nog wel; het paard ziet hij als het meest afschuwelijke dier. Van zijn kant lijkt de dromedaris de andere schepsels met dezelfde wrevel aan te kijken, als waarmee hij naar de mens kijkt.
De dromedaris komt wat edelmoedigheid betreft achter aan de rij van alle huisdieren. Hij heeft echt geen enkele grote karaktereigenschap; hij verstaat de kunst om de mens razend te maken. En daarom heeft ook de benaming [Duits Kamel, kameel] een diepere betekenis, want wanneer je een mens die naam geeft die alle eigenschappen van een os, ezel, schaap en muildier in zich verenigt, kun je geen beter voorbeeld kiezen.’
Na deze woorden van de natuuronderzoeker Brehm is het nu wel duidelijk of het erger is om iemand een os of een rund te noemen of een kameel.

Maar wanneer er nu zoveel slechte eigenschappen van de dromedaris te berde zijn gebracht, is het toch niet anders dan eerlijk en billijk om ook de vele eigenschappen naar behoren onder de aandacht te brengen die het dier tot een bijna niet te vervangen vriend en helper van de mens maken. Als je ooit van dieren kan zeggen dat ze met ‘huid en haar’ door hun vlees en vet, ook door de melk, talloze mensen het leven mogelijk maken, dan moet er toch in de allereerste plaats aan de dromedaris gedacht worden. Hij is lastdier en rijdier, geeft kleding en voedsel sinds oertijden, wat we bijv. uit de Bijbel weten. De melk kan door het hoge vetgehalte beslist niet worden gedronken. Zelfs de mest die in de morgen geproduceerd wordt, wordt meegenomen, want in de woestijn waar geen hout is, is het een kostbaarheid. Overdag droogt het in de hitte en ’s avonds doet het dienst als brandstof voor het vuur bij het kamp. Niets mag ongebruikt verloren gaan! Reusachtige stukken woestijn en steppenland maakt de dromedaris door zijn veelzijdige nuttigheid pas bewoonbaar. Hij maakt het leven mogelijk voor veel volksgemeenschappen. Toen het Suezkanaal er nog niet was, trokken grote karavanen van Suez naar Port Said door de woestijn.
Ten zuiden van de 12e breedtegraad kan de dromedaris niet meer leven, daar ook niet in woestijnen of op de steppen. Van Noordwest-Indië naar Klein-Azië, in Palestina en het land van de Nijl, uiteindelijk in heel Noord-Afrika wordt hij als onmisbare helper gefokt. Hij is naar Australië en Amerika gehaald. Vooral in vochtig-hete klimaten kan hij in zijn thuisland niet en ook niet ergens anders bestaan.
Laten we nu eens naar zijn eten kijken.
Ondanks de vreetzucht die we al genoemd hebben, is er aan de andere kant geen dier dat met weinig zo tevreden is als de dromedaris, vooral wanneer er simpelweg geen voedsel is. Als het avond is geworden en de drijvers de dieren van hun last bevrijd hebben, beginnen de dromedarissen zelf naar voedsel te zoeken. Van hun drijvers kunnen ze op lange woestijnreizen niet meer dan een paar handen gierst of gerst krijgen. De drijver houdt dit karige voer voor hen in zijn omslagdoek bij zich. Wat de dromedaris nog vindt is dor en droog, hard en doornig. Maar daar geeft hij niets om. Hij vermaalt alles met zijn sterke tanden en omdat de lippen en de bek verhoornd zijn, voelt hij er ook niets van. De strohutten van de woestijnbewoners die met bladeren gedekt zijn, moeten met een muur beschermd worden, anders vreten de dromedarissen ze tot aan de grond toe op. Bijzonder graag halen ze ook de bladeren van de bomen naar beneden. Dierenonderzoeker Brehm vertelt dat hij op zijn reizen steeds weer op scherpe doorns trapte die door de zolen van zijn laarzen drongen of door de leren neuzen van zijn schoenen; maar dat de dromedaris dat soort doornen met graagte opvrat. Met een dergelijk karig voedsel kan een dromedaris zeker geen vet produceren.
Nu heeft de dromedaris boven op zijn rug iets heel wonderlijks meegekregen dat hem helpt wanneer hij door gebrek in nood raakt: zijn bult. Die is in betere tijden  door eten ontstaan, want het is niets anders dan een vetbuikje dat hij op zijn rug draagt. Er zitten geen beenderen in en daarom kunnen ze dikker worden en weer dunner al naar gelang het goede of slechte dagen zijn. Wie zijn vetbuik op zijn rug draagt, wordt bij het lopen niet gehinderd. Als een bult goed vol zit, kan die wel 15 kg wegen, maar wanneer die opgebruikt is, weegt die nog maar 2 kg en je ziet hem haast niet meer. Wat een geluk voor iemand die zo lang een voorraad voedsel heeft!
Ook wat drinken betreft zijn de dromedarissen onderweg met weinig tevreden. Als ze veel verse bladeren vinden, kunnen ze ook wel helemaal zonder water, maar anders zakken ze in elkaar wanneer ze geen drinken krijgen. Met hun bijzonder verfijnde speurzin nemen ze een bron al op grote afstand waar. Ze weten ook de plaastsen nog waar ze vroeger weleens hebben gedronken, strekken de halzen, rennen erop los en laten zich niet tegenhouden tot ze bij hun doel zijn. Dan slurpen ze begerig en heel lang en het hele lijf schijn het water op te zuigen, maar dat de dromedaris speciale waterzakken in zich heeft die het voor droge tijden kan vullen, is echt een voorstelling waarom hij die het weet, moet glimlachen.
Alle streken op aarde hebben dieren als helper en elk doet dat op zijn manier. In het hoge noorden is het dat half in het wild levende rendier, ook een herkauwer, in de Afrikaanse woestijn is het de dromedaris. De loggere kameel met zijn twee bulten die in Azië tot ver in het noorden voorkomt en daar eveneens als lastdier, vlees- en melkdier gefokt wordt, noemen we hier terloops. De lama die heel verwant is aan de dromedaris, dient in het hooggebergte van Zuid-Amerika als lastdier. Door zijn andere lichaamsbouw is hij juist voor het gebergte bijzonder geschikt. 

De dromedaris daarentegen is alleen geschikt voor vlak land of een beetje bergachtig. Daarin ligt zijn eenzijdigheid, maar ook zijn kracht. Juist voor deze leefruimte vind je geen geschikter dier. De hoge poten beweegt hij in telgang, dat betekent dat er twee poten aan dezelfde kant tegelijk naar voren worden gezet. Daar komt de wat schommelende gang vandaan, het schommelen van het schip van de woestijn. Maar wanneer hij steil van de berg naar beneden moet, wordt hij onzeker. Zijn eigen lichaam met de lange poten moet hij wel als een last ervaren die hem steeds opzij trekt. Nee, van iemand die zo is als de dromedaris kan je niet verlangen dat die steil naar beneden van een berg afdaalt!

Het is vanzelfsprekend dat er van een dier dat al duizenden jaren onder de menselijke zorg leeft – wilde dromedarissen zijn er niet meer – wel net zoveel rassen moeten zijn dan bij paarden en runderen. Zware, logge kamelen die vooral gebruikt worden voor het dragen van vracht, vind je bijv. in Egypte. Ook in de vruchtbare gebieden van Noord-Afrika worden zulke kamelen gehouden. Men gebruikt ze niet om op te rijden. Daarvoor zijn toch de in de hoogte gegroeide slanke dromedarissen met de hoge poten die de berijder in snelle loop door de woestijn dragen, zodat geen paard volgen kan, een trots geslacht! De woestijnrijders kunnen daarom alleen maar geringschattend naar de zwaar uitgevallen vrachtkamelen kijken. Ook bij dromedarissen spreekt men van edele en onedele soorten. Beroemd geworden is de rit op de dromedaris van de profeet Mohammed die haastig vluchtend op een ‘hedjin’, een rijkameel of pelgrimskameel genoemd in twaalf uur de afstand van Kairo naar Alexandrië aflegde.

Wat gebeurt er allemaal tot de karavaan eindelijk klaar is, de dromedarissen gevangen en bepakt? Laten we het Brehm, de ervaren woestijnreiziger, laten vertellen:
‘De dromedarissen die de vracht verder moeten brengen, zijn pas gisteren aangekomen en vreten met het onschuldigste gezicht de muur van een strohut op, waarvan de eigenaar even afwezig is en die nagelaten heeft zijn huis met doornstruiken te beschermen. Een paar dromedarissen ondersteunen het geschreeuw van de drijver met dat van henzelf in afwachting van wat er gaat komen; bij de andere, die nog niet meebrullen, betekent dat zoveel als: ‘Onze tijd is nog niet aangebroken, maar die komt wel. Ja, die komt! De zon geeft de tijd aan voor het namiddaggebed, de tijd van elk begin volgens Arabische begrippen.  De gebruinde mannen stormen naar alle kanten om hun aan de huizen vretende of ergens anders onheil aanrichtende dromedarissen te vangen; gauw daarna zie je ze met hen tgerugkomen. Iedere dromedaris wordt tussen de klaarstaande goederen van zijn lading geleid en met een onbeschrijfelijk gorgelend geluid gevraagd of door een paar zweepslagen die de vraag ondersteund, te gaan liggen. Met uiterste tegenzin gehoorzaamt het schepsel dat wel een vermoeden heeft dat er een aantal zware dagen in schrille kleuren aankomen. Eerst brult hij met gebruikmaking van zijn longen op een manier die door merg en been gaat en weigert duidelijk hoorbaar en vastbesloten zijn nek uit te steken voor de vracht. Hij schikt zich in het onvermijdeliljke, maar niet met berusting en overgave, maar met alle tekens van een gemoed dat in hoge mate is verstoord, met het draaien van zijn ogen, het laten zien van zijn tanden, met stoten, slaan, bijten, kortom met ongekende grimmigheid. Eindelijk schijnen de longen leeg te zijn. Maar nee: er worden andere stemmen opgezet en in een afgrijselijke volgorde iets klagelijkere tonen aangeheven.’

Zo schetst Brehm het. Ja, ze zouden het weleens kunnen voorvoelen, deze dieren, dat hun nood en ontbering wacht. Op veel plaatsen ken je de karavaanroute aan de geraamten van dromedarissen die aan hun einde zijn gekomen. Dieren die in elkaar gezakt zijn, kun je niet anders dan simpelweg laten liggen. Dan komen uit duizelingwekkende hoogte, waar je ze nauwelijks nog als een puntje kan zien, de grote aasgieren naar beneden. Ze hebben de woestijn afgezocht naar buit en de dode dromedaris ontdekt. Met hun vreselijke snavels scheuren ze wat eetbaar is van het karkas af, steken hun kop met de kale hals in de holte van de ingewanden en verslinden gretig wat daar is te vinden. Scharen andere aasvogels komen erbij, vechten, tot er nog alleen maar een skelet op de grond ligt dat in de zon verbleekt. Zo neemt het leven van de woestijn het dode lichaam van de dromedaris weer in zich op.
Alsof de woestijnbodem hen heeft gemaakt als een deel van zichzelf, zo zijn de poten van dromedaris. Ze lopen maar op twee tenen, net zoals de andere tweehoevige zoogdieren, runderen, herten en ook giraffen. Ze staan allemaal maar alleen op de derde en vierde teen van de voet. De andere tenen zijn verkommerd. De teennagels zijn bij de dromedarissen tamelijk klein, veel kleiner dan bij andere tweehoevigen, maar de dromedarisvoet is met een eeltkussen gepolsterd. Dan kan hij niet wegzakken in het zand. Die merkwaardige zolen hebben hem de naam eeltpotige gegeven.
Men zegt wel na vele ervaringen, dat de dromedarissen bang zijn. Ze worden ook onrustig als ze een woestijnstorm aan voelen komen, een zandstorm, de samum.  Al lang voor die aankomt, hebben ze die met hun fijne zintuigen waargenomen. Dan beginnen ze steeds sneller te lopen om hem nog voor te blijven. Maar tenslotte gaan ze liggen, met de rug in de windrichting en leggen ook hun gestrekte hals in het zand. Zo houden ze het uit, tot die alles doordringende gloeiende hitte weer voorbij is. Ze lijden zeker niet minder dan de mens die onder de vracht beschutting heeft gezocht. De zon is door de dikke wolken verduisterd en nog voor ze weer zichtbaar wordt, zijn sommige dromedarissen aan de droogte en de gloeiende hitte bezweken. Met de tong uit de bek blijven zij op de route liggen.
Wanneer de dromedaris gaat rusten, bijv. ’s avonds, wanneer hij gaat herkauwen, komen de eeltkussens hem goed van pas. Hij ligt erop als op een ondergrond die het zelf meegebracht heeft, omdat ze aan hem vastgegroeid zijn. Die kussens worden gevormnd wanneer de dromedaris groter wordt, op z’n borst, op zijn ellebogen, op zijn zoolgewrichten, op de knieën en de hielen, overal dus, waar het liggend met de bodem in aanraking komt. Je kan wel bewondering hebben voor de wonderlijke samenhang van dit dier met het landschap waarin het leeft. Ja, tot in zijn lichaamsbouw is de dromedaris zelf een stukje woestijn geworden.
Tot slot moet er ook nog iets worden gezegd over de jonge dromedarissen. Iedere dromedarismoeder of  -merrie brengt er jaarlijks maar één ter wereld. Hij is meteen beweeglijk en speelt vrolijk met de andere. De kalfjes hebben een mooie, wollige huid. Ook wanneer ze niet meer door hun moeder gezoogd worden, mogen ze nog jarenlang vrij rondspringen. Dan lopen ze hun moeder achterna en zo raken ze aan het lange reizen gewend. Na ongeveer drie jaar moeten ze dan leren zalf lasten te dragen of de ruiter op hun rug te verdragen. Dat is natuurlijk zoals bij alle last- en rijdieren een zwaar werk waarbij het niet zonder slaag toegaat. Maar de moeite wordt beloond, want een edele berijdbare dromedaris is net zoals een edel paard, de trots van zijn berijder.

.

dromedaris
kameel en dromedaris

Grohmann: leesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkunde: alle artikelen

Grohmann: leesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas- dierkunde

.

1582

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ritme (3-18)

.

slapen/waken
.

Overlevingskansen en het omgaan met dag en nacht

Dag en nacht – waken en slapen: een ritme dat niet door ieder als vanzelfsprekend wordt ervaren. De een wordt ’s ochtends fris en verkwikt wakker, de ander heeft de hele dag nodig om te herstellen van de slaap en begint ’s avonds pas weer te leven.
Ate Koopmans: ‘Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt’.

De toekomst heeft vele kanten. Vooraan in het bewustzijn staat de bedreiging door de massale kernbewapening. Andere bedreigingen voor het leven van de mensheid zoals milieucatastrofes, grondstoffengebrek, overbevolking, golven zo nu en dan in het bewustzijn omhoog om daarna weer een tijdlang weg te ebben. Men herinnere zich in dit verband de publicaties van de Club van Rome.

Het eigenaardige van deze bedreigende toekomstperspectieven is dat ze alle in wezen geen toekomstperspectieven hebben. Je bent ervan overtuigd dat het belangrijk is ze te verhinderen. Maar het zijn perspectieven van een einde, van dood en ondergang.

Er zijn ook toekomstperspectieven die met het leren te maken hebben. Het eigenaardige van deze perspectieven is echter, dat ze niet, of slechts met grote innerlijke inspanning tot bewustzijn gebracht kunnen worden.

Het leven voltrekt zich in ritmen; bij de plant in biologische ritmen, bij de mens ook in bewustzijnsritmen. De meest opvallende is het ritme van dag en nacht. Het belangrijkste perspectief van de toekomst is voor mij het omgaan met dag en nacht, met slapen en waken, geworden. Net iets belangrijker nog dan de verhindering van de catastrofes die ons bedreigen. Omdat het in het laatste geval gaat om het verhinderen van doodsprocessen, in het eerste geval om het ontwikkelen van nieuw leven.

De stedelijke bevolking – en wie behoort daar tegenwoordig niet toe – heeft zich in aanzienlijke mate geëmancipeerd van het dag- en nachtritme. Wie gaat er tegenwoordig nog voor twaalf uur naar bed? Een steeds zeldzamer categorie. De landbevolking – zeker die van voor de oorlog – schudde meewarig het hoofd bij ’t idee de kippen in hun eentje op stok te laten gaan. Dit was tegennatuurlijk, eigenlijk een soort opstand tegen Onze Lieve Heer. Het proces van verstedelijking en het losraken, zich emanciperen van het ritme van dag en nacht hangen naar mijn gevoel duidelijk samen. De mens slaapt steeds meer wanneer hij wil – met of zonder pillen.

De wijze van slapen en ontwaken is zeer verschillend. Ieder heeft daar zijn eigen grondtype in (uiteraard kan dat veranderen gedurende het leven). De een wordt ’s ochtends wakker en is onmiddellijk present. Fris en fluitend stapt hij of zij het bed uit en het bad in. Vertelt dan sterke verhalen aan het ontbijt. Voor een ander die dit moet meemaken is dat een grote ramp, uiterst vermoeiend. Die ander behoort wellicht tot een heel andere categorie van wakker worden. Het grootste deel van de dag is een kwestie van dofheid en dufheid. Pas tegen de avond begint hij te leven. En naast deze extremen zijn er oneindig veel varianten. ‘Zeg mij hoe gij slaapt en waakt en ik zal u zeggen hoe ge in elkaar zit.’ Het klinkt misschien wat boud, maar hoeft niet ver naast de waarheid te zijn. Mensen van het laatste extreem – pas tegen de avond beginnen te leven – zullen bij onbevangen waarneming tot de conclusie komen dat slapen een rampzalige zaak is. Je kunt weliswaar niet zonder, maar als je je eraan overgeeft, maakt het je doodziek en je hebt een groot deel van de dag nodig om je ervan te herstellen. De eerste groep – de ‘frisse jongens’ – zal het daar totaal niet mee eens zijn: slaap verkwikt, in de slaap herstel je je, slaap is de gezondste bezigheid die je je kunt denken. Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt. Beiden spreken uit ervaring!

Kijken we eens nader door dit poortje van ervaringen van een gezondmakende slaap en een ziekmakende slaap! Er slapen kennelijk twee verschillende mensen in ons. In de één is die slaper een gezondmaker, in de ander een ziekmaker.

Voor deze paradox is het antroposofische mensbeeld werkelijk een machtige ‘toverdoos’. Vier geledingen in de mens doordringen elkaar twee aan twee: het fysieke en het levenslichaam samen als het levende lijf dat in bed blijft liggen; anderzijds het zielenlichaam (of: astraallichaam) en het ik, die zich beide gedurende de slaap anders tot het slapende lijf verhouden dan in de waaktoestand.

In de slaap gebeuren er – grofweg gesproken – twee dingen. Het astraallichaam heeft zich losgemaakt uit de organen die het bewuste dagleven verzorgen – zoals de zintuigen en de hen verzorgende zenuwen. In de slaap werkt het astraallichaam anders op de organen en processen in. Het bemiddelt tussen een kosmische wereld van werkende oerbeelden en het slapende lichaam. Derhalve trekt het astraallichaam zich in de slaap als het ware terug op zijn thuisfront, dat wil zeggen het land waar de kosmische oerbeelden, de plannenmakers van de organen werkzaam zijn. Daarom is de naam astraallichaam (sterrenlichaam) weliswaar misschien wat ‘geladen’, maar wel zinvol. Het verkwikkende van de slaap is te danken aan deze opbouwende, ‘voedende’ werkzaamheid van het astraallichaam uit de krachten van de kosmische oerbeelden van de organen.

Totaal anders is het met het levende lichaam dat in bed blijft liggen. Ook daar gaan de processen door, maar nu tijdens de slaap met een zekere eenzijdigheid. De belangrijke werkzaamheid van het astraallichaam en het ik zijn immers weggevallen: we slapen. Het levende lichaam is in een aantal zeer belangrijke processen en organen verlaten door het meest eigenlijke van de mens: het astraallichaam en het ik. Het slapende lichaam heeft daardoor de neiging van de ‘eigenlijke’ mens te vervreemden. We kunnen dat waarnemen bij het ontwaken als we onze oplettendheid vergroten. Het gevoel van ‘niet goed wakker’ te kunnen worden, is daar een globaal en wat al te grof voorbeeld van. Bij een nauwkeuriger waarneming ondervinden we dat dit proces veel genuanceerder kan plaats vinden. We kunnen bemerken dat achter dit ‘ergens’ niet goed wakker kunnen worden bepaalde ziektetendensen in ons liggen. En wel van zeer verschillende aard. Degene die pas ’s avonds begint te leven komt uit zijn lichamelijkheid een heel bepaalde, misschien heel onschuldige ‘vervreemdingstendens’ tegen. Maar zo’n tendens kan ook bij de fris-uit-het-bed-springer te vinden zijn, maar dan bijvoorbeeld beperkt tot één proces, of één orgaan.

Wat zit hier achter? Om dit te doorzien moeten we het levenslichaam leren kennen. Zoals het fysieke lichaam verwant is met de zichtbare stof, zo is het levenslichaam dat met de onzichtbare wereld van de elementen, van elementaire wezens. Zo moet men hier uiteindelijk heel zakelijk, en vooral zonder in paniek te geraken, spreken over demonische elementaire wezens die in het levenslichaam kunnen werken, hun werkzaamheid uitbreiden nu de ‘eigenlijke mens’ er in de slaap niet bij is. Zij uiten zich of op natuurlijke wijze – in een lichamelijk ziekteproces – of op het psychische of morele vlak. Het demonische karakter ligt- objectief besloten in het feit dat ze de menselijke lichamelijkheid vervreemden van het astraal lichaam en het ik.

Op deze wijze kunnen we met het antroposofisch mensbeeld een schuchter begin maken ervaringen met slapen en waken te doorlichten. Een korte tussenopmerking over de vraag: waar haal je het recht vandaan op een bepaald moment die ‘toverdoos’ er bij te halen? Je begon eerst fatsoenlijk fenomenen te beschrijven, maar plotseling kwam je met het antroposofisch mensbeeld om de hoek.
Rudolf Steiner zegt dat hij deze verschillende wezensdelen van de mens en hun doen en laten schouwt, ‘ziet’. Wij kunnen dit misschien alleen denken. De vraag is nu echter wat we met die gedachten en ideeën doen.

Op dat gebied kunnen we de accenten heel verschillend leggen. We kunnen met het speculatieve verstand over de ideeën gaan denken. Bijvoorbeeld over hoe waarschijnlijk of onwaarschijnlijk ze zijn, etcetera. We kunnen ze echter ook nog op een of andere manier beproeven, namelijk door de ideeën als het ware te investeren in de waarnemingen en ervaringen en dan te kijken wat er met dit, dat wil zeggen ons ervaringsgebied, gebeurt. Doet het iets? Worden de ervaringen misschien doorzichtiger? Of veranderen we zelf? Kunnen we het betreffende gebied anders hanteren, of veranderen misschien zelfs de ideeën zelf. Gaan ze groeien, worden ze minder ‘dun’, meer concreet, verzadigder, zodat we ze bijna ‘met ogen zien’. Kortom: we gaan een ‘spiritueel pragmatisme’ hanteren, als we in filosofisch jargon willen spreken.

Zoals je bij het astraallichaam gedurende de slaap naar de kwaliteit van bemiddelaar van kosmische oerbeelden kunt zoeken, kun je ook vragen naar de kwaliteit van het ik in de nacht. Het meest dichtbij, lijkt me, is uit te gaan van de heel gewone vraag: wat wil ik eigenlijk gaan doen? Je stelt hem bijvoorbeeld ook op die wijze in de levensfase van een beroepskeuze. Wat wil ik eigenlijk? Of wat wil ik eigenlijk met dit leven of met de komende levensperiode? Een vraag die door de meesten van ons zo tussen zestien en eenentwintig jaar voor het eerst bewust wordt gesteld – en dan het hele leven door op gezette tijden terug kan komen (wat te hopen is). Als je die vraag nu eens ‘omstulpt’ – buiten je gewone zelf plaatst. ‘Wat zou voor mijn zelf – vanuit een objectief perspectief van mens te willen worden – het beste zijn door te maken op aarde’. Je voelt nu onmiddellijk: houd ik die vraag uit?

Het is een karmische vraag, de vraag naar een levenslot dat ik zoek of kies of intendeer. Waar wordt die vraag gesteld? Die vraag leidt ons als het ware naar de kwaliteit van het ik gedurende de slaap. Gedurende de slaap treedt het ik in relatie tot zijn eigen hoger wezen. Uit deze sfeer komen besluiten, zoals het ‘inbouwen’ in je lichaam van een handicap als uitdaging om bijvoorbeeld heel bepaalde wils- of gevoelskrachten in het leven te ontwikkelen. De vraag van het ‘wat wil ik eigenlijk’ staat hier in een heel andere dimensie: sub specie aeternitatis – in het perspectief van de eeuwigheid. En niet alleen met betrekking tot jezelf, maar ook ten opzichte van andere mensen, andere wezens.

Wat heeft dit te maken met de toekomst? Zoals reeds gezegd: ik geloof zeer veel. Onze verregaande emancipatie van slapen-waken van het dag-nachtritme is slechts een uiterlijk symptoom van de emancipatie van de mens van de natuur en van de kosmos. Deze emancipatie voltrok en voltrekt zich. Daar is niets tegen in te brengen. Parallel aan deze emancipatie ontwikkelt zich niet alleen de stedencultuur, maar ook de wetenschap, de industrie, de milieuproblematiek, de hygiëne met de bevolkingsexplosie, de kernsplitsing met de atoombom, enzovoort. Dat is een zeer veelzeggende samenhang, waarop in het verleden wel vaker werd gewezen. Maar ik geloof niet dat er vaak de conclusie aan werd verbonden: mens, zorg voor de toekomst dat je iets nieuws leert in het omgaan met slapen en waken. Niet terug naar de ‘natuurlijke staat’ van met de kippen op stok, maar op een manier die perspectieven biedt voor een ontwikkeling.

Het wezenlijke van de antroposofie ligt mijns inziens in het feit, dat zij een praktijk-gerichte wetenschap is om de verhouding van slapen en waken op een nieuwe wijze te leren hanteren. En wel zo dat daaruit gezond-makende, genezende impulsen voor de menselijke samenleving voortkomen. Dat lijkt een vreemde en boute ‘definitie’. Maar als je kijkt naar de door Rudolf Steiner gegeven schilderingen van de antroposofische scholingsweg met de verschillende oefeningen en hun werking en ook maar de eerste stappen en ervaringen hebt opgedaan, dan merk je dat dit te maken heeft met inslapen en ontwaken. Als je de dag zo beëindigt dat je in een beeld of een spreuk geconcentreerd en met de grootst mogelijke innerlijke activiteit een korte tijd leeft, beïnvloed je de slaaptoestand. Je neemt met deze ‘meditatie’ in de waaktoestand een initiatief waardoor je anders leert slapen. Dat wil zeggen dat je gunstig en bevorderend werkt op de genezende, gezondmakende werking van de slaap uit de wereld van de oerbeelden. Maar dat is niet het enige. Je komt tevens in een bewustere relatie tot dat wezen dat zich onder andere manifesteert in de vraag: wat wil ik eigenlijk – morgen, in de komende levensfase, met dit leven.

En een andere aanbeveling is deze meditatie te laten voorafgaan door een terugblik op de dag. Maak in deze terugblik beelden van de mensen waarmee je te maken had, van je ontmoetingen of uiteenzettingen met mensen: exacte en concrete, sappige beelden. De energie en de krachten die je daarin investeert, doen je in de slaaptoestand anders in relatie treden tot de mensen-ikken waar je mee te maken had. Ook zij zijn het die zich verbergen achter de vraag ‘wat wil ik eigenlijk’. Op deze wijze werk je als het ware via de omweg van de nacht tevens op de sociale vermogens die in het dagleven van ons verlangd worden. En ook in het sociale en maatschappelijke leven kun je over ziekte en gezondheid spreken, in een hogere zin.

Het omgaan met dag en nacht is zowel in natuurlijk als ook in sociaal opzicht een vraagstuk van ziektetendensen en genezende, gezondmakende krachten. Uit de nacht haalt de mens diepe morele impulsen, positieve en negatieve. Gezondheid en ziekte, christelijke naastenliefde en kernbommen komen beide in zekere zin uit de wereld van de nacht, maar wel op verschillende wijze en uit verschillende bron. Die verschillende wijzen en die verschillende bronnen bewust op het spoor te komen is daarom zo belangrijk, omdat daaruit pas echte keuzes kunnen voortkomen.

.

Ate Koopmans, Jonas, 18-03-1983

.

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1659-1555

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven en lezen (2-14)

.

Een artikel uit ‘de oude doos’. Maar het bevat nog altijd actuele opvattingen over het vrijeschoolonderwijs in klas 1 en over de 1e-klasser.
De oorspronkelijke spelling heb ik laten staan.

HET BELANG VAN DE EERSTE KLASSE OP DE VRIJE SCHOOL

Het grootste bezwaar, dat de ouders hebben om hun kinderen dadelijk vanaf de eerste klas op de Vrije School te brengen is, dat ze niet direct lezen en schrijven leeren. Tegenwoordig maakt men zich ongerust, wanneer een 6-jarig kind niet net zoo geleerd in de boeken leest als een volwassen mensch.

Een tijd, waarin psychologisch inzicht alleen langs experimenten wordt verkregen en waarin het technische hulpmiddel zoo geperfectioneerd wordt, dat de mensch er haast machinaal nauwkeurig op reageeren moet, ziet het gebeuren, dat een kind vóór zijn 7e jaar in den kortst mogelijken tijd het lezen en schrijven leert.

En toch zijn er vroeger tijden geweest, waarin de menschen nog niet in den tegenwoordigen zin lezen en schrijven leerden. Men beoordeelt echter die menschen uit oude tijden als dom en kinderlijk, terwijl men het tegenwoordig zoo ver gebracht heeft. Wanneer men echter ingaat op de zielekennis en op de geestkennis der oudere menschheid, dan ontdekt men verbluffende wijsheid. Toen kwam het ook niet in de menschen op over opvoeding te praten en zulke zonderlinge proeven te doen, als men tegenwoordig doet om iets te weten te komen.

Men is vergeten, dat een oudere menschheid een schrift gevormd heeft. Tegenwoordig is het schrift een conventioneel iets.

Toen de eerste Europeanen in Amerika kwamen, vonden de Indianen de schriftteekens kleine demonen en duivels. Zij ondervonden wat eigenlijk onbewust een kind ook ondervindt, nl. het abstracte en beeldlooze van den verstarden vorm, waarmee zich de ziel niet meer verbinden kan. Omdat ze echter zoo graag leeren wat een volwassene kan, nemen ze het in zich op.

Een gevoeliger onderzoek langs geesteswctenschappelijken weg merkt wel degelijk, dat in het kind een reusachtige antipathie leeft tegen deze vreemde vormen. Desniettegenstaande zijn ze gedwongen de letters te leeren, dus iets, wat hun menschelijk vreemd is met het zieleleven te verbinden. Dat is door een fijner onderzoek te merken aan den slaap der kinderen. Deze wordt n.l. door ongezonde droomen gekweld. Na eenigen tijd kan men opmerken, dat dc gezondheid er onder begint te lijden.

Hoe komt dat?

De zielefuncties van het kind zijn in de eerste jaren volkomen gebonden aan het lichamelijke. Overal waar het lichaam groeit, neemt ook de ziel actief deel aan het groeien en vormen. Het zijn de zielekrachten, die voor het herinneren en voorstellen, gebruikt worden, welke na het 7e jaar vrij komen. Gebruikt men ze voor het leeren van abstracte letters, dan worden die zielekrachten sterk afgeleid van den lichaamsarbeid en verstoren deze. Bij sommige kinderen toont zich zoo’n stoornis dadelijk, bij andere eerst veel later en weer andere pas op ouden leeftijd in den vorm van allerlei ziekten.

Wacht men af, tot de.kinderen na het tandenwisselen, de zielekrachten voor het herinneren vrij krijgen, dan kan men veel beter de letters leeren en ook schrijven. Vervolgens moet men nu ook de goede methode vinden, om sympathiek te maken, wat de kinderen onbewust antipatisch is.

Daarom moet men in de eerste plaats het kinderkarakter kennen, weten welke vermogens in zijn ziel verborgen liggen. Onderzoekt men of een kind fantasierijk of -arm is, hoe het geheugen werkt, hoe de wil in het kind werkt, hoe het zich beweegt en of het graag of niet graag teekent, dan kan men de wegen tot de persoonlijkheid vinden. Maar een algemeen klassikaal onderwijs moet met algemeene gezichtspunten kunnen werken. Het algemeene gezichtspunt moet zijn de kunst.

Het kind speelt. Zijn spel is echter niet voor het kind wat het spel voor den volwassene is. Wanneer men dus zegt: het leeren moet spelend gaan en men meent daarbij, het kind moet zoo spelen, als wij dat opvatten, dan spreekt men als een dilettant. Want het spel is voor den volwassen mensch een grap, een pleizier, iets wat dus niet de inhoud van het leven is. Het spel van een kind is de ernstigste inhoud van zijn leven, het is de waardigste wijze waarop het de wereld beleeft. Wanneer men het spel, als spel, als grap of vreugde invoegt in het onderwijs, zal men onpaedagogisch werken. Laat men dit spel overgaan in het kunstzinnige en doet men dit met dezelfde ernstige heilige overgave, als waarmee het kind vroeger speelde, dan heeft men de juiste opvoedingskunst gebruikt. Het is noodig om de methode te gebruiken, die een middenweg volgt tusschen kunstmatig inhameren en dilettantisch spelen.

Wanneer de kinderen in de eerste klas op de Vrije School komen, leeren ze dus zich kunstzinnig bezig te houden met dezelfde vreugdevolle ernst, waarmee ze vroeger gespeeld hebben. Ze moeten met hun onhandige vingers en handen op het papier met water en verf werken en men zal ze door de vreugde van het kleurbcleven, tot het kunstzinnige samenvoegen der kleuren brengen. Ze teekenen of plasticeeren. Daardoor groeien de kinderen met hun innerlijk zielewezen op fijne wijze in de dingen, die ze zelf maken, die echter de autoriteit hun opgegeven heeft. Door het muzikale en dichterlijke element groeit het in een muzikale dichterlijke wereld om hen heen. Men wekt eigenlijk de groeikrachten op gezonde wijze. En het kind neemt in zich op, wat het zoo geleerd en ervaren heeft. De kunstzinnige beelden en tonen leven verder in den nacht in zijn droomleven en werken aan den opbouw van het lichaam mee. Men kan merken, dat de kinderen den volgenden dag ontvankelijker terug komen. De beelden komen weer te voorschijn en willen nu verder ontwikkeld. worden. Men laat ze vormen loopen en met de hand bewegen. Het geheele menschenwezen is kunstzinnig in actie.

Heeft men dit in voldoende mate gedaan met de kinderen, dan kan men tot het schrijven overgaan. Evenals de oude volken een natuurlijken overgang hebben gemaakt van het beeldenschrift tot het abstracte schrift, zoo moet ook ieder kind door het kunstzinnige beeld in het schriftteeken een weg vinden. Uit het teekenen en schilderen ontstaan de beelden, die men na lange herhaling in een teekenschrift over kan brengen. Het schrijven is een veel actiever bezigheid dan het lezen. Dit begint eerst wanneer het kind voldoende kan schrijven om het geschrevene terug te lezen.

Een schrift, dat met liefde geteekend is, kan ook schooner zijn dan een mechanisch geschreven schrift. Wat in het eerst deprimeerend was voor de ouders, om hun kinderen niet met trots te kunnen vergelijken met anderen die al lezen en schrijven kunnen, verandert in een voldoening, wanneer ze zien: hun kind is gezond gebleven, gaat met vreugde naar school en kan nu schrijven met groote liefde.
.

D. J. v. BEMMELEN, Ostara (vrijeschool Den Haag), 2e jrg. 02-1928

.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas 

.

1658-1554

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes – Er was eens……(9-1)

.

er was eens, maar hoe lang nog……?

Rond de sprookjes is het eigenlijk wonderlijk gesteld.
“Je moet me geen sprookjes vertellen’, staat toch min of meer gelijk aan: ‘Je moet niet tegen me liegen.’ Of  ‘me geen onzin verkopen.’
In dit verband delen ze het lot van de mythe. Ook deze wordt vaak gelijk gesteld aan iets wat niet klopt. De mythe wordt dan – of moet dan worden ‘ontmaskerd’ of ‘ontzenuwd’.

In zijn boek ‘Er was eens en er is nog’  verklaart C.J.Schuurman’  sprookjes. Hij zegt: ‘Mythen en sprookjes zijn de dromen van de mensheid die zo een expressie van het wezen van de ziel vertolken. We zien in de symbolen onszelf weerspiegeld in onze neigingen, verlangens en onze zoektocht naar bewustwording.’

De ‘leugens’ en/of ‘de onzin’ maken bij hem plaats voor dieper liggende symboliek. Is dat de waarheid achter de sprookjes?
Voor Schuurman wel, maar iemand die een recensie over het boek schreef, merkt op: ‘De inleiding behelst een theorie over het sprookje, die alleen als curiositeit waarde heeft’. En even verder: ‘een opvatting volgens welke sprookjes een “oneindig gevarieerde uitbeelding van het kosmisch gebeuren” en een “uitdrukking van wat in de onderstroom van de ziel leeft” zijn, kan nergens anders in uitmonden dan in een zeer speculatieve wijze van uitleggen.

Maar niet alleen Schuurman heeft zich aan uitleg gewaagd. Ook Freud bijv. En het hoeft niet te verbazen dat hij ze bekeek vanuit zijn visie op seksualiteit. [7-1]

Erich Fromm schreef ‘Dromen, sprookjes, mythen‘
De recensent van dit boek zegt: ‘Fromm wil de ‘symbolische taal’, waarin moeilijk grijpbare innerlijke ervaringen uitdrukking vinden in narratieven van gebeurtenissen in de buitenwereld, onder de aandacht brengen. Hij noemt het de enige universele taal van de mensheid, de hele geschiedenis en alle cultuurverschillen overstijgend. We riskeren deze taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’

En dan is er bijv. ‘De symbolische betekenis van de klassieke sprookjes‘
Daarvan wordt gezegd: ‘Een symbool is een openbaring en een versluiering van een waarheid die erachter verborgen ligt. Sprookjes, en haar symbolen, worden van generatie op generatie doorgegeven en zijn levend gebleven omdat “de mens er het werkelijk levende in gevonden heeft’.

In ‘Waar kom je vandaan en waar wil je naartoe? van Bert Voorhoeve, is ook sprake van ‘beeldentaal’.

En Jung had weer zijn visie in ‘De mens en zijn symbolen‘

Over de mythe zei Rudolf Steiner dat deze wel op zevenvoudige manier verklaard kan worden. Of hij dat over de sprookjes ook heeft gezegd, is mij niet bekend, maar het zou me niet verbazen, gezien de vele interpretaties die er in de loop van de tijd gegeven zijn.

Ook Rudolf Steiner heeft over de sprookjes gesproken: Sprookjes

De recensent zegt erover:
‘Drie voordrachten door de grondlegger van de antroposofie (1861-1925). De eerste voordracht gaat over het sprookje in het licht van de antroposofie. De ziel heeft sprookjesbeelden nodig om ervaringen een plaats te geven. Omdat in oude tijden ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, kon de mensenziel toen sprookjesbeelden scheppen. De tweede voordracht behandelt de beeldentaal van de sprookjes. Sprookjes moeten worden geduid vanuit de achterliggende geestelijke werkelijkheid. Deze werkelijkheid wordt waargenomen door de gewaarwordingsziel, de verstandsziel of de bewustzijnsziel. Sprookjesmotieven als de reuzen, betoverde gestalten, het huwelijk worden in deze voordracht geduid. In de derde voordracht gaat Steiner in op de Rozenkruiserwijsheid in de sprookjes. Men voelde aan dat de oude geestelijke schatten aan het verdwijnen waren en dat men ze in de toekomst door de wetenschappelijk gefundeerde theosofie weer terug moest zien te krijgen. Dit vond plaats aan het begin van de negentiende eeuw. Het boek is niet gemakkelijk te lezen, maar achtergrondkennis over de antroposofie is niet per se noodzakelijk.’

Op grond van Steiners mededelingen zijn anderen de sprookjes verder gaan onderzoeken, o.a.
Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen‘; Rudolf Meier ‘Sprookjeswijsheid‘; Rudolf Geiger: ‘Met sprookjesprinsen op weg’

Het moge duidelijk zijn dat er nogal wat invalshoeken zijn van waaruit je naar sprookjes kan kijken.

En dat gebeurt af en toe:

Hier vanuit feministisch perspectief, dissertatie van Floor van Twuyver.

Waar mevrouw van Twuyver het vandaan heeft, weet ik niet, maar ze beweert dat sprookjes vooral favoriet zijn bij meisjes.
Ik zou dat vanuit een jarenlange praktijk als sprookjesverteller niet kunnen bevestigen: ik zag nooit een grotere interesse bij de meisjes t.o.v. de jongens.
De dissertatie begint al wat feministisch gekleurd: prinsessen in torens die wachten tot de knappe prins hen komt redden van de draak of over
Sneeuwwitje die weg moet vluchten omdat ze te mooi bevonden wordt door haar stiefmoeder.

Als het moet gaan om ‘de kracht van de vrouw’ had mevrouw van Twuyver ook kunnen beginnen met het zusje in ‘Broertje en zusje’ waarin zij haar broertje redt; of hetzelfde motief in ‘De zeven raven’ of Grietje die Hans toch maar mooi uit zijn kooi redt.

Ze zegt: ‘Ik vraag me af wat voor invloed dit heeft op jonge kinderen. De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving.

Dat is op zich natuurlijk een interessante vraag, waar ik ook het antwoord niet op weet. Dat is altijd de onmogelijkheid bij de opvoeding: je kan het niet dubbel doen: een opvoeding met en een opvoeding zonder sprookjes om dan te vergelijken wat het aan een kind heeft gedaan. Dat is bij veel meer dingen zo.

En: ‘De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving’, gaat voorbij aan de vele sprookjes waarin het goede wordt beloond of gierigheid wordt bestraft enz. (Is het niet ‘de moraal(v!) die; en beeld dat?). Het is toch meer het ballonnetje van een suggestieve veronderstelling van de negatieve invloed van sprookjes op kinderen, vooral: de meisjes! – dat de schrijfster van het proefschrift hier oplaat.

Aan het proefschrift kan je zien hoe je over de sprookjes kan denken, gaat denken, wanneer je vertrekpunt ‘feminisme’ is.
Dat is trouwens ook zo wanneer het sprookje vanuit een heel andere optiek wordt bekeken, wanneer je vertrekpunt de symboliek is zoals die gevonden kan worden door de ontwikkeling van de mens, de menselijke ziel te bestuderen met bijv. antroposofische gezichtspunten, zoals Friedel Lenz, Meier, Geiger en Voorhoeve doen.

Het is niet mijn bedoeling met bovengenoemde gezichtspunten de feministische te weerleggen. Dat kan ook simpelweg niet, omdat de uitgangspunten totaal andere zijn. Alsof ‘Twee-oogje’ hetzelfde zou (moeten) zien als ‘Drie-oogje’.

Maar de feministische zienswijze pleit wél voor aanpassing van de sprookjes. Die zouden herschreven moeten worden.
Als dat gebeurt, is dat op basis van intellectuele gezichtspunten. Of zoals Fromm zegt: We riskeren deze (sprookjes)taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’
En de feministische bril is dan wellicht niet conventioneel, zeer zeker wel rationeel en realistisch. Van deze tijd.
En dat is het grote verschil met het echte sprookje: het is van alle tijden!
Herschreven sprookjes kunnen geen sprookjes meer zijn, zoals ‘ze in oude tijden zijn ontstaan toen ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, toen kon de mensenziel nog sprookjesbeelden scheppen.’ (Steiner)
De ‘achterliggende geestelijke realiteit’ waarover Steiner spreekt, is niet de realiteit van een ‘hier en nu’ die vanuit feministische, rationele gezichtspunten de sprookjes als inhoud zouden moeten krijgen.

Op de vrijescholen worden sinds jaar en dag sprookjes verteld. Dat zijn zeker niet alleen de sprookjes die de gebroeders Grimm verzamelden. Alle mogelijke volkssprookjes kunnen worden gebruikt.
In de kleuterklassen (groep 1 en 2) en in de 1e klas (groep 3) zijn sprookjes de vertelstof.

Af en toe gaan er stemmen op of niet ook de vrijeschool de inhoud van de sprookjes zou moeten herzien, met het oog op bijv. feministische motieven. ‘Aanpassen aan de moderne tijd’ heet het dan en ‘ze zijn al 200 jaar oud, dat moet nodig gemoderniseerd’.

Wie niet in de eerste plaats naar de beeldentaal kijkt, naar de achterliggende geestelijke realiteit zoekt, zal tot andere interpretaties komen die met het ‘waarom de sprookjes op de vrijeschool zo verteld worden als ze worden verteld’, niet veel te maken hebben.

Sprookjes herschrijven leidt m.i. onvermijdelijk tot intellectualisering van het sprookje, tot de beeldenstorm ervan.

Rudolf Steiner gaf zijn pedagogische aanwijzingen om een onderwijs te creëren dat ‘moreel-spiritueel’ is, i.p.v. een onderwijs van ‘het intellect en het gemoed’.

Ik ben van mening dat volkssprookjes veel meer moreel-spirituele inhoud bevatten, dan intellectueel-gemoedelijk bedachte (feministische) verhalen, die ik ‘per definitie’ geen sprookjes kan (en zal) noemen.

.

Pieter HA Witvliet

.

Sprookjes: alle artikelen

.

1657-1553

.

.

.

https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/34454/%27Spiegeltje%2C%20spiegeltje%27%20een%20blik%20op%20de%20verhouding%20van%20Sneeuwwitje%20tot%20het%20hedendaags%20feminisme.pdf?sequence=1

https://www.nu.nl/cultuur-overig/5348528/sprookjes-worden-al-eeuwen-aangepast-maar-essentie-blijft.html

link naar artikel over infantilisering taalgebruik https://www.independent.ie/entertainment/british-prizewinning-author-slams-dumbing-down-of-language-in-childrens-books-37022860.html

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-6-1)

.

In dit artikel ging het om

‘De mens als kosmisch wezen’

Daarin werd opgenomen uit GA 294, 2e voordracht Steiners uiteenzetting over de samenhang van de mens met de kosmos, met als uitgangspunt het ademen.

Op andere plaatsen spreekt hij daar ook over, vaak weer net iets anders. 

GA 192     blz. 77

Wir sehen hin auf unsere Atmung. Wir haben beim normalen Atmen 18 Atemzüge in der Minute. Das gibt in einem Tage bei 24 Stunden ungefähr 25.920 Atemzüge. So daβ wir in einem Tage rhythmisch hintereinander vollziehen das Einatmen und das Ausatmen ungefähr 25.920 mal. Das ist das kleinste Atmen das unser individueller Mensch entfaltet. Schon im Alten Testament hat man das Patriarchealter auf 70 Jahre ungefähr angenommen. Das sind ungefähr 25.920 Lebenstage.
Wenn Sie nun nehmen jenen groβen Atemzug, der mit uns gemacht wird, indem wir am Morgen untertauchen mit unserem Ich und Astralleib in unsern Ätherleib und physischen Leib, so daβ wir morgens einatmen unser Geistig-Seelisches und abends wieder ausatmen, wenn Sie das nehemen als einen Atemzug, der jeden Tag vollzogen wird, dann vollzieht unser Lebenstag, der ungefähr 71 Jahre umfaβt 25.920 Atemzüge.Das heiβt, jener groβe Geist, der da atmet, indem wir geboren werden und sterben, der atmet in seinem Lebenstag, der unser ganzes Menschenleben umfaβt, so oft ein und aus wie wir in 24 Stunden. So sind wir angepaβt mit unserem menschlichen Atmen jenem geistigen Atmen das der Geist vollzieht, für den das Ein-und Ausatmen ist, was für uns Geborenwerden und Sterben ist. Wir sind das Ergebnis seiner Atemzúge in unserem Wach-und Schlafesleben. Und die Sonne, von der Sie ja wenigstens ahnen können, daβ sie eine Beziehung zu unserem Erleben hat: der Mensch beobachtet wie ihr Aufgang vorrückt im Tierkreisbild um eine bestimmte Anzahl Grade jährlich, so daβ, wenn der Frühlingspunkt liegt an einer bestimmten Stelle eines bestimmten Tierkreisbildes, er das nächsdte Jahr weiter verschoben ist usw. So kreist der Aufgangpunkt der Sonne scheinbar um die ganze Ekliptik herum, in dem, was ein platonisches Weltenjahr genannt wird, und das umfaβt 25920 Jahre.

Laten we onze ademhaling nemen. Wanneer we normaal ademhalen, doen we dat 18 keer per minuut. Dat is op een dag van 24 uur ongeveer 25920 keer. Zodat we op een dag ongeveer 25920 keer ritmisch achter elkaar in- en uitademen. Dat is het kleinste ademhalingsritme dat wij als individuele mens hebben.
Al in het Oude Testament heeft men de leeftijd van de aartsvaders op ongeveer 70 jaar gesteld*. Dat zijn om en nabij 25920 levensdagen.
Wanneer we nu de grote ademhaling nemen die we ’s morgens ondergaan wanneer ons Ik en astraallijf bezit neemt van ons etherlijf en fysieke lichaam, zodat we ’s morgens ons geest-zielenwezen inademen en dat ’s avonds weer uitademen, beschouwen als een ademhaling die iedere dag plaatsvindt, dan voltrekt zich dat wat op één dag uit ons leven dat ongeveer 71 jaar duurt, in 25920 ademhalingen.
Dat betekent dat die grote geest die ademt wanneer we geboren worden en sterven, tijdens zijn levensdagen die ons hele mensenleven omvat, zo vaak in- en uitademt als wij doen in 24 uur.
Zo zijn we met ons ademen als mens aangepast aan het geestelijk ademen dat de geest voltrekt voor wie het in- en uitademen is, wat voor ons geboren worden en sterven betekent. Wij zijn het resultaat van zijn ademhaling in ons waak- en slaapleven.
En de zon waarvan je op z’n minst wel een gevoel kan hebben dat die iets met ons leven op aarde te maken heeft: de mens neemt waar dat het punt waar zij opkomt in het sterrenbeeld jaarlijks met een paar graden opschuift, zodat het lentepunt op een bepaalde plaats in een bepaald dierenriemteken ligt en dat dit jaarlijks wat verschoven is. Zo loopt het punt waar de zon opkomt schijnbaar door de hele ecliptica wat een platonisch wereldjaar wordt genoemd en dat ongeveer 25920 jaar duurt
Een dag in ons leven bevat 25920 ademhalingen, ons leven tussen geboorte en dood omvat 25920 levensdagen, een groot zonnejaar ongeveer 25920 levensjaren.
Zo voegen wij ons naar datgene wat ademen is in het zon-aardeproces door een platonisch wereldjaar. Hier zie je een wereldritme waarmee de mens deel uitmaakt van de kosmos.
GA 192/77

*Daar is vrij veel onderzoek naar gedaan. Men heeft wel iets gevonden dat bijv. de hoge leeftijd van Methusalem verklaart en als men dan een andere berekening hanteert is hij i.p.v. 969 jaar, 78 jaar. Maar dat had tot gevolg dat ermet deze berekening iemand is geweest die op 3-jarige leeftijd een kind heeft verwekt. Kortom: die leeftijden zijn raadselachtig en de aartsvaders zijn geen 70, zoals Steiner hier zegt, maar rond de 180 jaar. 

GA 201    blz. 57

Der Mensch hat in seinem Atmungsrhythmus-die 18 Atemzüge in der Minute-etwas, was in einer merkwürdigen Übereinstimmung steht mit anderem im Weltenall. Wir haben 18 Atemzüge, die ausgerechtnet für den Tag, 25920 tägliche Atemzüge ergeben. Das ist aber dieselbe Zahl, die man bekommt, wenn man ausrechnet wieviel Tage eine so normale Lebensdauer von etwas 72 Jahren hat. Auch das sind ungefähr 25920 Tage. So daβ in einem Tag irgend etwas ausatmet unseren astralischen Leib und unser Ich, und wiederum einatmet beim Aufwachen, aber nach demselben Zahlen-rhythmisch.Und wiederum, wenn wir die Zahl der Jahre nehmen, welche die Sonne braucht, wenn sie scheinbar oder wirklich, darauf kommt es jetzt nicht an, vorrückt in ihrem Frülingspunkte-immer schreitet sie um ein Stückchen vor jedes Jahr-so braucht sie 25920 Jahre, um einmal ihren Frühlingsausgangspunkt um den ganzen Himmel herumzuführen: ein platonisches Jahr.
Es ist eigentlich dieses menschliche Leben bis ins Kleinste, bis in den Atemzug und bis in seine irdische Begrenzung zwischen Geburt und Tod nachgebildet den Gesetzen des Weltenalls.

De mens heeft in zijn ademritme de 18 ademhalingen per minuut – iets wat op een bijzondere manier overeenkomt met iets anders in de wereldruimte. Wij hebben 18 ademhalingen, dat is per dag 25920 ademhalingen. Dat is echter hetzelfde getal dat je krijgt wanneer je uitrekent hoeveel dagen een normale leeftijd van 72 jaar heeft. Ook dat zijn ongeveer 25920 dagen. Net zo als we op één dag ons Ik en astraallijf uitademen en bij het wakker worden weer inademen, volgens dezelfde getallen, ritmisch.
En ook, wanneer we het getal van het aantal jaren nemen dat de zon nodig heeft, wannneer die, schijnbaar of in werkelijkheid, daar komt het niet op aan, verder gaat met het lentepunt – ze gaat steeds een stukje verder, ieder jaar – dan heeft ze 25920 jaar nodig om weer bij beginlentepunt te komen: een platonisch jaar. [ik meen gelezen te hebben, maar ik weet niet meer waar – dat ook dit punt iets verder ligt dan 25920 jaar geleden]. Eigenlijk is dit menselijk leven tot in het kleinste, tot in de ademteug en tot in zijn aardse begrenzing tussen gebooret en dood nagevormd naar de wetten van het wereldal.

blz. 58

Nehmen Sie die 18 Atemzüge in der Minute, das gibt in der Stunde 1080, in 24 Stunden 25920 Atemzüge. Das heiβt, wir muβten multiplizieren 18 mit 60 mal 24, um 25920 Atemzüge im Tage zu bekommen. Nehmen wir das aber als den Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel. Würden wir das nun dividieren durch 60 mal 24, so würden wir natürlich wiederum 18 bekommen. Wir würden 18 Jahre bekommen. 18 Jahre, was würde denn das eigentlich sein? Überlegen wir uns das einmal, was diese 18 Jahre bedeuten würden. Die 25920 Atemzüge entsprechen einen 24 stündigen Menschentag beziehungsweise sagen wir, dieser 24stündige Menschentag ist also der Tag des Mikrokosmos. 18 Atemzüge entsprechen der Einheit des Rhythmus. Nehmen wir jetzt einmal-scheuen wir uns dessen nicht-den ganzen Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel als einen groβen Himmelstag, nicht bloβ als das platonische Jahr, sondern als einen groβen Himmelstag. Nehmen wir ihn als Himmelstag oder Weltentag, wie sie wollen, als Tag des Makrokosmos. Wenn wir die Atemzüge aufsuchen würden im Makrokosmos die entsprechen würden den Atemzüge des Menschen in einer Minute, wie lange müβten die denn dauern? Es müβten diese Atemzüge 18 Jahre dauern. Ein 18jähriges Atmen, ausgeführt von demjenigen Wesen das dem makrokosmos entspricht.

Neem nu eens de 18 ademhalingen per minuut, dat zijn er in een uur 1080, in 24 uur 25920. Dat betekent dat we 18 moeten vermenigvuldigen met 60 keer 24 om aan 25920 ademhalingen per dag te komen. Dat nemen we nu als de omlooptijd van het lentepunt langs de hemel. Als we dat zouden delen door 60 keer 24, dan zouden we natuurlijk weer 18 krijgen. Wij zouden 18 jaar hebben. 18 jaar, wat is dat dan? Je moet goed nadenken over deze 18 jaar. De 25920 ademhalingen komen overeen met een dag van 24 uur bij de mens, we zeggen dus a.h.w. deze dag van 24 uur in een mensenleven is als de dag van de microkosmos. 18 ademhalingen komen overeen met de eenheid van het ritme. Maar nu nemen we – we hoeven er niet voor terug te schrikken – de hele omloop van het lentepunt langs de hemel als één grote hemeldag, niet alleen als het platonisch jaar, maar als een grote hemeldag. We beschouwen deze als hemeldag of werelddag, wat u wil, als dag van de macrokosmos.
Wanneer we de ademhalingen zouden zoeken in de macrokosmos die overeenkomen met de ademhalingen van de mens in een minuut, hoe lang zouden die dan moeten duren? Die zouden 18 jaar moeten duren. Een ademhalingsperiode van 18 jaar, uitgevoerd door het wezen dat met de macrokomos overeenkomt.
GA 201/57
Niet vertaald

blz. 63

Viele tausend Jahre vor unserer Zeitrechnung war es den Ägyptern bekannt, daβ nach 72 Jahren die Fixsterne in ihrer scheinbaren Bewegung der Sonne um einen Tag vorausgeeilt sind. Die Sonne dreht sich [scheinbar] wesentlich langsamer als die Fixsterne, und nach 72 Jahren sind die Fixsterne schon ein Stück vorausgeeilt.Deshalb verschiebt sich ja der Frühlingspunkt, weil die Fixsterne vorauseilen wenn der Frühlingspunkt weiter und weiter rückt, dann müssen sich ja die Fixsterne gegenüber dem Stand der Sonne verschoben haben. Nun, die Sache ist so, daβ nach 72 Jahren tatsächlich die Fixsterne der Sonne um einen Tag voraus sind. So findet man, daβ nach 72 Jahren die Sterne Ende des 30.Dezember an einem bestimmten Punkte ankommen, die Sonne kommt erst Ende des 31.Dezember an demselben Punkte an. Sie ist also langsamer gegangen um einen Tag. Nach 25920 Jahren bleibt sie so weit zurück, daβ der ganze Umkreis vollendet ist, daβ sie wiederum an den Punkt zurückkomt, den wir vorher notiert haben. Nach 72 Jahren ist die Sonne um einen Tag zurückgeblieben hinter den Fixsternen. Das ist aber eben ungefähr die normale Lebensdauer eines Menschen, das sind die 72 Jahre, die 25920 Tage sind. Und nehmen wir diese 72 Jahre 360 mal, dann haben wir eben wenn wir das Menschenleben als einen Tag betrachten und 360 Weltentage annehmen, in denen die Sonne einmal herumgeht, da haben wir dann das Menschenleben als einen Tag des Makrokosmos-der Mensch gleichsam ausgeatmet aus dem Makrokosmos-das Menschenleben als einen Tag im makrokosmischen Jahr.

Vier duizend jaar voor onze jaartelling was het bij de Egyptenaren bekend dat na 72 jaar de dierenriemtekens in hun schijnbare bewegingen een dag verder zijn dan de zon. De zon draait (schijnbaar) wezenlijk langzamer dan de direnriemtekens en na 72 jaar zijn deze al een stukje verder.  Het lentepunt verschuift omdat de dierenriemtekens vooruitgaan; wanneer het lentepunt steeds verder komt te liggen dan moeten de dierenriemtekens t.o.v. de stand van de zon verschoven zijn.
Nu, het zit zo dat na 72 jaar inderdaad de dierenriemtekens één dag uitgelopen zijn op de zon. Dan vind je dat na 72 jaar de sterren op het eind van 30 december op een bepaalde plaats aankomen en dat de zon op het eind van 31 december op hetzelfde punt aankomt. Zij is dus 1 dag langzamer gegaan. Na 25920 jaar is ze zover achter, dat de hele omloop voltooid is; dat ze opnieuw op het punt terug is, dat we van te voren genoteerd hebben. Na 72 jaar is de zon één dag achtergebleven op de dierenriemtekens. Dat is ongeveer ook de normale leeftijd van een mens, 72 jaar en dat zijn 25920 dagen.
En als we deze 72 jaar 360 keer nemen, dan hebben we ook wanneer we het mensenleven als een dag beschouwen en 360 werelddagen nemen waarin de zon één keer haar omloop voltrekt, het mensenleven als één dag van de macrokosmos – de mens a.h.w. uitgeademd vanuit de macrokosmos – het mensenleven als een dag in het macrokosmische jaar.
GA 201/63-64

GA 205     blz.  112

Wir atmen, nicht wahr, und ich habe Ihnen das letzte Mal die Atemzüge ausgerechnet für vierundzwanzig Stunden. Rechnen wir achtzehn Atemzüge auf die Minute, so haben wir in der Stunde sechzig mal acht­zehn, und in vierundzwanzig Stunden 25920 Atemzüge in Tag und Nacht. Wenn Sie nun einen andern Rhythmus im Menschen nehmen, so ist es der Rhythmus von Tag und Nacht selber. Am Morgen beim Aufwachen saugen Sie in Ihren physischen Leib und Ätherleib hinein den Astralleib und das Ich. Es ist auch ein Atmen. Sie atmen morgens herein, und Sie atmen am Abend beim Einschlafen den astralischen Leib und das Ich wieder aus, also ein Atemzug in vierundzwanzig Stunden, in einem Tag. Das sind dreihundertfünfundsechzig solche Atemzüge im Jahr. Und nehmen Sie das Durchschnittsalter eines Men­schen, zweiundsiebzig Jahre, so haben Sie ungefähr dieselbe Zahl; würde ich nicht zweiundsiebzig genommen haben, sondern etwas dar­unter, so würde ich dieselbe Zahl bekommen haben. Das heißt, wenn Sie das gesamte irdische Leben des Menschen nehmen und Sie sehen in einem Tag im Einschlafen und Aufwachen einen Atemzug, so haben Sie in einem Leben auch so viel solches Ein- und Ausatmen des astra­lischen Leibes und des Ich, wie Sie in vierundzwanzig Stunden Atemzüge haben. Sie machen während eines Lebens auch so viel solche Atemzüge, 205/113 die im Ausatmen und Einatmen des Ich und des astralischen Lei­bes bestehen. Diese Rhythmen entsprechen sich durchaus, und wir sehen, wie da der Mensch in die Welt eingefügt ist. Das Leben des Tages, Sonnenauf- und -untergang, also das einmalige Herumgehen entspricht einem inneren Sonnenauf- und -untergang, der von der Ge­burt bis zum Tode dauert.

We halen adem, niet waar en ik heb de vorige keer het aantal ademhalingen uitgerekend per 24 uur. Wanneer we 18 ademhalingen per minuut rekenen, dan hebben we er per uur 60 x 18 en in 24 uur 25920 ademhalingen dag en nacht. Wanneer we nu een ander ritme in de mens nemen, dan is het dat van dag en nacht zelf. ’s Morgens wanneer we wakker worden neemt u [letterlijk ‘zuigt’] uw Ik en astraallijf weer op in uw etherlijf en fysiek lichaam. Dat is ook een ademhalen.
U ademt ’s ochtends in en ’s avonds bij het inslapen ademt u het astraallijf en Ik weer uit, dus één ademhaling in 24 uur, op 1 dag. Dat zijn 365 van zulke ademhalingen in het jaar. En neem nu de gemiddelde leeftijd van de mens, 72 jaar, dan krijg je ongeveer hetzelfde getal; zou ik geen 72 genomen hebben, maar iets lager, dan zou ik toch hetzelfe getal hebben gekregen. D.w.z. wanneer je het totale aardse leven van de mens neemt en je ziet op 1 dag inslapen en wakker worden als een ademhaling, dan krijg je in zijn leven ook zoveel in- en uitadelingen van het astraallijf en het Ik, als je in 24 uur aan ademhalingen hebt. U maakt gedurende een leven zoveel van de in- en uitademingen die het Ik en het astraallijf maken. Die ritmen staan in verhouding tot elkaar en we zien hier hoe de mens deel uitmaakt van de wereld. Het leven van de dag, zonsopkomst en zonsondergang, dus de eenmalige zonsomloop staat in verhouding tot een innerlijke zonsopkomst en -ondergang, die van de geboorte tot de dood duurt.
GA 205/112-113
Niet vertaald

.

over: 25920 jaar

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1656-1552

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-6)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 40 en 41
.

DE MENS ALS KOSMISCH WEZEN

Nadat Steiner a.h.w. op ‘micro’-niveau naar de mens heeft gekeken en zijn visie op de zenuwen heeft gegeven, richt hij de blik in tegengestelde richting: naar de kosmos.
Hij beperkt zich echter meteen tot één aspect: dat van sympathie en antipathie.
Dat ligt uiteraard voor de hand, want tot nog toe ging het over wat daarmee in de mens samenhangt wanneer hij op aarde is: voorstellen en willen, daartussen het gevoel, dat in wezen bestaat uit sympathie en antipathie. Die kunnen we echter niet los zien van de alom aanwezige sympathie en antipathie buiten ons in een ‘wereld’ waarin we verblijven vóór de geboorte en na de dood.

Deze ‘wereld’ is veel omvattender dan alleen sympathie en antipathie bevattend. Het is de wereld van ‘de geest’ en ‘de ziel’: de geestes- en zielenwereld.

Moeilijke begrippen waarmee we al te maken kregen in de 1e voordracht, toen het ging om bijv. de hiërarchische wereld.

Omdat deze wereld voor Steiner een concrete inhoud heeft, heeft hij er ook veel mededelingen over gedaan, vooral in de talrijke voordrachten.

Om er meer een paar te noemen:    (als er geen verwijzing is naar een vertaling zijn ze niet vertaald)
GA 67 Het eeuwige in de menselijke ziel. Onsterfelijkheid en vrijheid
Vertaald: 67 “Dromen, hallucinaties, visioenen 
GA 79 De werkelijkheid van de hogere werelden
GA 102 De invloed van geestelijke wezens op de mens
GA 110 Kosmische hiërarchieën
GA 119 Macrokosmos en microkosmos
GA 133 De aardse en de kosmische mens
GA 136 De geestelijke wezens in de hemellichamen en in de natuurrijken
GA 141 Het leven tussen dood en nieuwe geboorte in relatie tot kosmische feiten
GA 151 Het menselijk en het kosmisch denken
GA 178 Individuele geestwezens en hun werking in de ziel
GA 219 De verhouding van de sterrenwereld tot de mens en omgekeerd
GA 224 De menselijke ziel in samenhang met goddelijk-geestelijke individualiteiten.
GA 230 De mens als klankharmonie van het scheppende wereldwoord

De lijst is verre van compleet.

Het is vrijwel onmogelijk voor velen van ons, al deze inhoud te bestuderen en innerlijk eigen te maken.
Dat is m.i. ook niet nodig om vrijeschoolleerkracht te kunnen zijn.

Wél belangrijk is je te verdiepen in wat sympathie en antipathie zijn en hoe ze in het gevoel van de leerlingen aanwezig zijn en welke invloed je daarop uitoefent met je lesstof. En vooral ook: hoe komt je lesstof bij de leerlingen aan als je weet dat de ziel het instrument is waarmee we in eerste instantie de wereld in ons opnemen. Dat is dus met sympathie en/of antipathie. Maar niet alleen de wereld in ons opnemen: we manifesteren ons vanuit onze ziel in wat we doen; wat we in de wereld zetten en de manier waarop.

Een paar voorbeelden die direct met het klassenwerk hebben te maken (er zijn er meer)

Het spreken: de klanken in de vorm van klinkers en medeklinkers. De ‘sympathieke’ vocalen en de ‘antipathieke’ consonanten.
Hoe zou je ooit  ‘in geestelijke zin’ de letters aanleren die in onze culturele ontwikkeling vanuit het beeld tot letter zijn geworden, als je het verschil tussen klinker en medeklinker niet kent vanuit de optiek sympathie-antipathie!

Roept de leerstof meteen antipathie op door de manier waarop je het brengt of neem je de kinderen op een door hen gewilde manier mee omdat je bijv. fantasievol of kunstzinnig lesgeeft?

En wat we al tegenkwamen bij het geheugen, het ontstaan van voorstellingen die herinneringsbeeld kunnen worden (of met nog meer antipathie: begrippen):

Blz. 40  vert. 40

Nun merken Sie schon an dem, was ich jetzt hier entwickelt habe, daß eigentlich das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen. Denn indem wir vorstellen, haben wir das Kosmische in uns. Wir waren im Kosmischen, ehe wir geboren wurden, und unser damaliges Erleben spiegelt sich jetzt in uns; und wir werden wieder im Kosmischen sein, wenn wir die Todespforte durchschritten haben werden, und unser künftiges Leben drückt sich keimhaf t aus in dem, was in unserem Willen waltet. Was in uns unbewußt waltet, das waltet sehr bewußt für das höhere Erkennen im Kosmos.

Nu merkt u al aan hetgeen ik hier ontwikkeld heb, dat het wezen van de mens eigenlijk alleen begrepen kan worden in samenhang met het kosmische. Want als we ons voorstellingen maken, hebben we het kosmische in ons. We waren in de kos­mos voordat we geboren werden en onze belevenissen van toen spiegelen zich nu in ons; en we zullen weer in de kosmos zijn wanneer wij door de poort van de dood zijn gegaan; ons toe­komstige leven wordt uitgedrukt in de kiem die werkt in onze wil. Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.

Blz. 41  vert. 41

Wir sind mit unserem Erleben in den Kosmos eingeschaltet. Ebenso wie wir Tätigkeiten entwickeln, die im Kosmos weiter zu verfolgen sind, so entwickelt wieder mit uns der Kosmos fortwährend Tätigkeiten, denn er entwickelt fortwährend die Tätigkeit von Antipathie und Sympathie. Wenn wir uns als Menschen betrachten, so sind wir wieder selbst ein Ergebnis von Sympathien und Antipathien des Kosmos. Wir entwickeln Antipathie von uns aus: der Kosmos entwickelt mit uns Antipathie; wir entwickeln Sympathie: der Kosmos entwickelt mit uns Sympathie.

Met ons beleven maken we deel uit van de kosmos. Zoals wij activiteiten ontwikkelen die in de kosmos verder gevolgd kun­nen worden, zo ontwikkelt omgekeerd de kosmos voortdurend activiteiten met ons, want de kosmos ontwikkelt voortdurend sympathie en antipathie. Wanneer wij mensen onszelf be­kijken, dan zijn wij weer een resultaat van de sympathie en antipathie van de kosmos. Wij ontwikkelen vanuit onszelf anti­pathie: de kosmos ontwikkelt met ons antipathie; wij ontwikke­len sympathie: de kosmos ontwikkelt met ons sympathie.
GA 293/41
Vertaald/41

Dit  ‘maken we deel uit van de kosmos’, behandelde Steiner in GA 294 in de tweede voordracht, d.w.z. in het tweede morgenuur, na de tweede voordracht van de ‘Algemene menskunde’ al door het spreken – het gebruik van klinker en medeklinker te zien als uitingen van sympathie en antipathie.
Je zou daarin een verdere karakterisering van ‘het ademhalen‘ kunnen zien die in de 1e voordracht aan de orde werd gesteld.

De uitgebreide uiteenzetting daarover uit GA 294 en andere voordrachten.

Steiner:

GA 294
Blz. 30  vert. 41

Auf diese Weise haben wir die Sprache erkannt als eine Beziehung des Menschen zum Kosmos. Denn der Mensch für sich würde bei Be­wunderung, Staunen stehenbleiben; erst seine Beziehungen zum Kos­mos rufen Bewunderung, Staunen zu demjenigen auf, was lautet.

Zo hebben we de taal leren kennen als een verbinding van de mens met de kosmos. Want de mens op zichzelf zou in bewondering, verwondering blijven steken; pas door zijn verbindingen met de kosmos ontstaan bewondering en verwondering voor dat wat er klinkt.0

ºbewondering en verwondering voor dat wat er klinkt: Deze wat cryptisch eindigende zin is misschien onvolledig gestenografeerd.
GA 294/30
Vertaald/41

Aan het eind van de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ wijst Steiner erop dat het er bij de leerkracht om moet gaan ‘hoe hij is’, niet zo zeer om wat hij doet. 
De essentie is: met welke gedachten loopt hij rond over het zich ontwikkelende kind, de wordende mens. 

Dan volgt een nieuw voorbeeld hoe de mens met de kosmos samenhangt, opnieuw vanuit het perspectief ‘ademen’.

Blz. 30  vert. 41

Nun ist der Mensch auf eine bestimmte Art in den Kosmos einge­bettet und man kann ja schon durch ganz äußerliche Erwägungen dieses Drinnenstehen des Menschen im Kosmos beobachten. Was ich jetzt sage, das sage ich aus dem Grunde, weil – wie Sie schon aus dem gestrigenVortrage gesehen haben – viel davon abhängt, wie wir gefühls­mäßig zu dem werdenden Menschenwesen stehen, wie wir in dein wer­denden Menschenwesen wirklich ein rätselvoll Offenbares des ganzen Kosmos verehren können. Daß wir dieses Gefühl als Erzieher und Unterrichter entwickeln können, davon hängt ungeheuer viel ab.

Nu is de mens op een heel bepaalde manier ingebed in de kos­mos, en we kunnen al op grond van heel uiterlijke overwegingen deze verbondenheid van de mens met de kosmos leren zien. Wat ik nu zeg, zeg ik omdat er veel van afhangt hoe wij gevoelsmatig tegenover het wezen van de opgroeiende mens staan, of wij in dat wezen werkelijk een raadselachtige manifestatie van de hele kos­mos kunnen vereren. Dit hebt u ook al uit de voordracht van giste­ren kunnen opmaken. Er hangt ongelooflijk veel van af of wij als opvoeder en leraar dit gevoel kunnen ontwikkelen.

Blz. 30/32:  vert. 41 e.v.

Nehmen wir die bedeutungsvolle Tatsache, daβ der Mensch etwa 18 Atemzüge in der Minute macht. Wieviel macht er in 4 Minuten. 18 mal 4 = 72 Atemzüge. Wieviel Atemzüge macht er am Tage? 18 mal 60 mal 24= 25920. Ich kann es aber auch so ausrechnen, daβ ich die Zahl der Atemzüge von 4 Minuten nehme, das sind 72. Ich hätte dann anstatt mit 24 mal 60, nur, nur mit 6 x 60, das heiβt mit 360 die Zahl der Atemzüge von 4 Minuten zu multiplizieren und bekäme dann ebenfalls 25920 Atemzüge am Tage, 360 mal 72=25920.
Man kann sagen: während 4 Minuten ist der Atmungsprozeβ-einatmen, ausatmen, einatmen-ausatmen-gewissermaβen ein kleiner Tagesprozeβ, und indem wir diese Zahl mit 360 multipliziert haben, ist die andere Summe von 25920 dem gegenüber ein Jahresprozeβ und der Tag von 24 Stunden ist ein Jahr für unser Atmen.

Neemt u nu eens, vanuit een iets ruimer gezichtspunt, het be­langrijke feit dat de mens ongeveer 18 keer ademhaalt in één mi­nuut. Hoeveel is dat in 4 minuten? 18 x 4 = 72 ademhalingen. Hoe­veel is dat op een dag? 18 x 60 x 24 = 25 920 ademhalingen op een 1 dag. Maar ik kan het ook zo uitrekenen: ik neem het aantal ademhalingen in 4 minuten, dat zijn er 72. Dan hoef ik niet 24 x 60, maar 6 x 60, dus 360, te vermenigvuldigen met het aantal adem­halingen per 4 minuten. Dan krijg ik ook 25920, want 360 x 72 = 25920. We kunnen dan zeggen: gedurende 4 minuten is het pro­ces van ademhalen – inademen, uitademen, inademen, uitademen – als het ware een klein dagproces. Doordat we dit aantal met 360 vermenigvuldigd hebben, is het andere totaal van 25 920 ten op­zichte daarvan een jaarproces. De dag van 24 uur is een jaar voor onze ademhaling.

Jetzt nehmen Sie unseren gröβeren Atmungsprozeβ, der darin besteht, daβ wir tägllich wechseln zwischen Wachen und Schlafen. Was heiβt denn Wachen und Schlafen im Grunde genommen? Wachen und Schlafen bedeutet, daβ wir auch etwas ausatmen und einatmen. Wir atmen aus das Ich und den astralischen Leib beim Einschlafen, und wir atmen sie wieder ein beim Aufwachen. Das tun wir innerhalb von 24 Stunden. Wenn wir diesen Tag nehmen, so müssen wir ihn, um dazu den Jahreslauf zu haben mit 360 multiplizieren. Das heiβt im Laufe eines Jahres vollbringen wir in diesen Atmen etwas Ähnliches, wie in dem kleinen Atmungsprozeβ an einem Tage bei dem wir mit 360 das multiplizieren, was in 4 Minuten geschieht; multiplizieren wir mit 360 die Zeit zwischen Aufwachen und Einschlafen, was während eines Tages vor sich geht, so haben wir das, was in einem Jahr geschieht; und multiplizieren wir jetzt 1 Jahr mit unserem durchschnittlichen Lebensalter, also mit 72, so bekommen wir wieder 25920. Jetzt haben sie eigentlich schon einen zweifachen Atmungsprozeβ: unser Ein-und Ausatmen, das in 4 Minuten 72 mal geschieht und in einem Tag 25920 mal; unser aufwachen und Einschlafen das mit jedem Tage geschieht, das 360 mal in einem Jahr und 25920 mal im ganzen Leben geschieht. Dann haben Sie noch ein drittes Atmen, wenn sie die Sonne in ihrem Umlauf verfolgen. Sie wissen, daβ der Punkt, wo die Sonne im Frühling aufgeht, in jedem Jahr um ein Stück vorrückt scheinbar, und die Sonne geht auf diese Weise in 25920 Jahren um die ganze Ekliptik herum, rückweise; also hier wieder die Zahl 25920 im planetarischen Weltenjahr.

Maar neemt u nu ons grote ademhalingsproces: onze dagelijkse afwisseling van waken en slapen. Wat zijn waken en slapen eigen­lijk? Het is zo dat we bij het waken en slapen ook iets in- en uitade­men. Bij het inslapen ademen we het ik en het astrale lichaam uit en bij het ontwaken ademen we ze weer in. Dat doen we in 24 uur. Nemen we deze dag, dan moeten we deze met 360 vermenigvuldi­gen om een jaar te krijgen. Dat wil zeggen dat we in de loop van een jaar iets soortgelijks doen als in het kleine ademhalingsproces op een dag, waarbij we dat wat in 4 minuten gebeurt, vermenigvuldi­gen met 360. Vermenigvuldigen we de tijd van ontwaken en insla­pen, van wat op één dag gebeurt, met 360, dan hebben we wat er in een jaar gebeurt. En vermenigvuldigen we nu 1 jaar met de gemid­delde leeftijd die de mens bereikt, met 72 dus, dan krijgen we weer 25.920. Daarmee hebt u eigenlijk een tweevoudig ademproces: het in- en uitademen dat in 4 minuten 72 keer gebeurt en op een dag 25.920 keer, en het ontwaken en inslapen dat iedere dag gebeurt, 360 keer in een jaar en 25.920 keer in een mensenleven.
Maar dan is er nog een derde ademhaling: die vindt u wanneer u de loop van de zon volgt. U weet dat het punt waar de zon in het voorjaar opkomt ieder jaar schijnbaar een stukje opschuift. Op de­ze wijze gaat de zon in 25.920 jaar, steeds een stukje opschuivend, door de hele ecliptica. Ook hier in het planetaire wereldjaar vindt u weer het getal 25.920.

Blz. 32   vert. 42

Wie ist unser leben in die Welt hineingestellt? Wir leben 72 Jahre im Durchschnitt. Multiplizieren Sie diese Zahl mit 360, so bekommen Sie wiedeer 25920. Sie können sich also vorstellen, daβ das platonische Jahr, der Weltenlauf der Sonne, der sich in 25920 Jahren vollendet, als einen Tag unser menschliches Leben hat, so daβ wir, wie wir in unserem menschlichen Leben dastehen, als einen Atemzug ansehen können denjenigen Vorgang, der sich im ganzen Weltenall darstellt als ein Jahr, daβ wir unsere menschliche Lebensdauer verstehen können als ein Tag im groβen Weltenjahr, so daβ wieder den kleinsten vorgang als das Abbild des groβen kosmischen Vorganges verehren können. Sieht man es sich genauer an, dann bekommt man durch das platonische Jahr, daβ heiβt, was im platonischen Jahre geschieht, ein Abbild des gesamten Vorganges, der sich von der alten Saturnentwicklung über Sonnen-, Monden,-Erdentwicklung usw bis zum Vulkan hin abspielt. Aber alle Vorgänge, die sich in der angedeuteten Art abspielen, sind geordnet als Atmungsprozeβ nach der Zahl 25920. Und in dem, was sich abspielt für uns in der Zeit vom Aufwachen bis zum Einschlafen ist wieder Ausgedrückt, was sich abspielte während der Mondenentwicklung, sich abspielte während der Erdenentwicklung, sich abspielen wird während der Jupiterentwicklung. Da drückt sich aus, was uns zum Angehörigen des Auβerirdischen macht. Und was sich in unserem kleinsten Atemprozeβ der sich in 4 Minuten ausdrückt, abspielt, darin ist das wirksam, was uns zu irdischen Menschen macht.

Hoe is ons leven opgenomen in de kosmos? Wij leven gemid­deld 72 jaar. Vermenigvuldigt u dit getal met 360, dan krijgt u weer 25.920. U kunt zich dus voorstellen dat in het platonische jaar – de gang van de zon door de kosmos in 25.920 jaar – een mensenle­ven een dag betekent. Vanuit ons leven beschouwd kunnen we dus het proces dat in de kosmos een jaar is, beschouwen als een adem­haling, en we kunnen onze menselijke levensduur begrijpen als een dag in het grote wereldjaar. We kunnen dus ook hier weer het kleinste proces eren als een afspiegeling van het grote kosmische proces. Bekijken we dit nauwkeuriger, dan laat het platonische jaar, dat wil zeggen wat in een platonisch jaar gebeurt, ons een afspiegeling zien van het hele proces vanaf de oude saturnusontwikkeling, via de zon-, maan- en aardeontwikkeling enzovoort tot en met vulcanus.0 Maar alle processen die zich op deze manier afspelen, zijn als ademprocessen geordend naar het getal 25.920. En in het gebeuren dat zich bij ons afspeelt tussen ontwaken en inslapen, is weer uitgedrukt wat zich afspeelde tijdens de maanontwikkeling, zich afspeelt tijdens de aardeontwikkeling en zich zal afspelen tijdens de jupiterontwikkeling. Daarin wordt uitgedrukt wat ons tot deel­genoten van het buitenaardse maakt. En wat zich in ons kleinste ademproces van 4 minuten afspeelt, daarin is werkzaam wat ons tot aardse mensen maakt.

º Volgens Steiner maakt de aarde waarop de mensheid zich ontwikkelt, zelf ook een gefaseerde evo­lutie door. De voorafgaande planetaire verschijningsvormen van de aar­de noemt hij ‘(oude) saturnus’, ‘(oude) zon’ en ‘(oude) maan’, de toekom­stige verschijningsvormen resp. ‘jupiter’, ‘venus’ en ‘vulcanus’. Met de gelijknamige hemellichamen van ons zonnestelsel houden deze evolutiestadia slechts indirect verband. Zie o.m. GA 13  De wetenschap van de geheimen der ziel en GA 110  Kosmische hiërarchieën. De evolutie van aarde en mensheid.

Wir müssen also sagen: wir sind irdische Menschen durch unseren Atmungsprozeβ; wir sind durch unseren Wechsel von Aufwachen und Einschlafen Monden-, Erden-und Jupitermenschen; und wir sind dadurch, daβ wir mit unserem Lebenslauf eingegliedert sind in die Verhältnisse des Weltenjahres, kosmische Menschen.
Für das kosmische Leben, für das ganze Planetensystem, umfaβt ein Atemzug einen Tag unseres Daseins, und unsere 72 Lebensjahre sind ein Tag für jenes Wesen, dessen Organe das Planetensystem bilden.

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daβ Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeβ, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirklichkeit ist, dann können Sie sagen: Ich selber bin ein Atemzug des Kosmos.

We moeten dus zeggen: wij zijn aardse mensen door ons ademhalingsproces; wij zijn door onze afwisseling van waken en slapen maan-, aarde- en jupitermensen; en wij zijn kosmische mensen doordat we met onze levensloop zijn ingebed in de orde van het wereldjaar. In het kosmische leven, in het hele planetenstelsel omvat één ademhaling een dag van ons leven, en onze 72 levensjaren betekenen één dag voor het wezen waarvan de organen het planetenstelsel vormen. Schud de illusie van u af dat u een beperkt mens bent, zie uzelf als wat u bent: een proces in de kosmos, dat bent u in werkelijkheid. Dan kunt u zeggen: ikzelf ben een ademhaling van de kosmos.
GA 294/30-32
Vertaald/41-43

Dus:
Ein Jahreskreislauf im Kosmos entspricht dem Tageskreislauf des Menschen

Een jaaromloop van de aarde in de kosmos staat tot een dagomloop van de mens.

das Menschenleben als einen Tag im makrokosmischen Jahr.

Het mensenleven is als een dag in het macrokosmische jaar.

Ein Tag des Menschenlebens: ein Atemzug des Kosmos

Een dag uit een mensenleven: voor de kosmos is het één ademhaling.
.

Grootse gedachten die ik destijds (en nog) heel bijzonder vond.
Toch rezen er, wellicht in tegenspraak met deze universele visie, wat kleinschaliger vragen: die 18 ademhalingen en 4 polsslagen kloppen. Dat getal 72 ‘staat’. Maar hoe is het met de 360 dagen per jaar. Kosmisch gezien moet er steeds iets ‘gesmokkeld’ worden, want het is meer: ca. 365.
En de gemiddelde leeftijd van 72 jaar? 
Er bestaat een hardnekkig misverstand dat de gemiddelde leeftijd van bijv. een paar eeuwen veel lager lag. Dit blijkt niet zo te zijn. 
De gemiddelde leeftijd van vrouwen en mannen is in de loop van de tijd wel gestegen. Als die nu bijv. gesteld wordt op ca. 80 jaar, hoe verhoudt zich dat dan tot die 72 die zo mooi in de vermenigvuldiging passen om bij 25920 te komen. En hoe is dit t.a.v. de wereldbevolking.
Ik heb op die vragen nog geen antwoord gevonden.

Desalniettemin richt het de blik op de leerling als een ‘raadselachtige manifestatie van de hele kosmos’. Dat wezen zou je als leerkracht moeten kunnen vereren.

Tegelijkertijd maakt Steiner de opmerking dat wij als mens groots over onszelf mogen denken, weliswaar ‘slechts; een ademhaling van de kosmos, maar tegelijkertijd een deel van het grote geheel’. 

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daβ Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeβ, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirklichkeit ist, dann können Sie sagen: Ich selber bin ein Atemzug des Kosmos.

Schud de illusie van u af dat u een beperkt mens bent, zie uzelf als wat u bent: een proces in de kosmos, dat bent u in werkelijkheid. Dan kunt u zeggen: ikzelf ben een ademhaling van de kosmos.

Natuurlijk vinden we daarover in ander pedagogische voordrachten ook opmerkingen:

In deze tweede voordracht van de ‘Algemene menskunde” wanneer het zal gaan over het voorstellen en het willen:

Erst dann, wenn man den Zusammenhang des einzelnen Menschen mit dem ganzen Weltenall ins Auge fassen kann, ergibt sich ja eine Idee von der Wesenheit Mensch als solcher.

Pas wanneer men de samenhang van de individuele mens met de gehele kosmos kan inzien, kan men zich een idee vormen van het wezen van de mens als zodanig.
GA 293/32
Vertaald/31

Zoals in dit artikel aan de orde komt:

( dass ) das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen.

Het wezen van de mens kan eigenlijk alleen begrepen worden in samenhang met het kosmische.
GA 293/40
Vertaald/40

In de derde voordracht:

Der gegenwärtige Lehrer müßte im Hintergrunde von allem, was er schulmäßig unternimmt, eine umfassende Anschauung über die Gesetze des Weltenalls haben.

Als achtergrond voor alles wat hij in de school doet, zou de leraar van tegenwoordig een grondig inzicht moeten hebben in de wetten van het heelal.
GA 293/46
Vertaald/46

Der Mensch ist nicht bloß ein Zuschauer der Welt, sondern er ist Schauplatz der Welt, auf dem sich die großen kosmischen Ereignisse immer wieder und wieder abspielen. 

De mens is niet alleen een toeschouwer in de wereld, maar ook het schouwtoneel van de wereld waarop de grote kosmische gebeurtenissen zich steeds weer afspelen.
GA 293/61
Vertaald/61

In de genoemde GA 294, tweede voordracht:

Es ist jetzt die Zeit, wo der Mensch das, was zur Erziehung gehört, herholen muß aus der Erkenntnis der Beziehung des Menschen zum Kosmos.

Het is nu de tijd dat de mens uit het inzicht in de samenhang van mens en kosmos moet putten wat voor de opvoeding nodig is.
GA 294/33
Vertaald/30

En verder:

Der Mensch ist ja eine kleine Welt, der Mensch ist ein Mikrokosmos.

De mens is een kleine wereld, de mens is een microkosmos
GA 301/253
Op deze blog vertaald/253

Ja, das ist dasjenige, was eine solche Menschenerkenntnis darstellen will, daß wir den Menschen wiederum hinstellen in das ganze Weltall nach Leib, Seele und Geist.

(   )  Deze mens­kunde wil dat we de mens naar lichaam, ziel en geest weer in de totale kosmos plaatsen.
GA 302/120
Menskunde en opvoeding/119
.

Het ligt voor de hand dat er ook in andere – ook niet pedagogische – voordrachten over het platonische jaar wordt gesproken.

Voorbeelden daarvan in [2-6-1] 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven.

over 25920 jaar
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1655-1551

.

.

*

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (17-2)

.

ZONDEBOK TEGEN WIL EN DANK

Sommige kinderen worden dag en uur gepest. Dit op te lossen reikt verder dan het herstellen van de vrede.

‘In de kleine pauze maakte Diederik een rare opmerking tegen mij. Hij zei: ‘Je kunt maar beter zelfmoord plegen, want er is toch niemand die je belangrijk vindt’. In de grote pauze werd ik als een hond weggejaagd. Ik ging maar ergens anders zitten. Maar na een kwartier pakte Rogier een boek en smeet dat een eind weg. Hij zei: ‘Die richting ga jij ook’.’

Dit is een flard uit het verhaal van een volwassen man, die terugblikt op zijn schooltijd. Normaliter vindt een mens in zijn herinneringen afwisselend leuke en minder leuke gebeurtenissen, maar voor sommige mensen was en is hun schooltijd een hel. En dan niet omdat de leerkrachten niet aardig zijn of de leerstof te ingewikkeld, maar omdat de klasgenoten om de een of andere duistere reden uitgerekend die persoon uitkiezen om kapot te treiteren. Zondebok tegen wil en dank.

Naar verluidt werd er ooit op Grote Verzoendag door de oude Israëlieten een bok als zondoffer geslacht, terwijl een andere bok de woestijn werd ingejaagd nadat hij door de hogepriester op een symbolische manier beladen werd met ‘de zonden des volks’. Over het lot van deze ‘zondebok’ had niemand enige twijfel.

Enige tijd geleden verscheen er een boekje over menselijke zondebokken in het onderwijs, geschreven door oud-gymnastiekleraar en psycholoog Bob van der Meer. (†) Toen hij eens meemaakte dat een meisje huilend zijn les uitliep en hij achteraf naar de reden daarvan vroeg, kwam hij voor het eerst in zijn loopbaan in aanraking met het verschijnsel zondebok.

‘Daarvoor was ik druk met de les, had vijfentwintig kinderen in de klas en een houding van: ach het is er één en het hoort er gewoon bij. Dat kind zal het er ook wel naar gemaakt hebben’. Maar tijdens het gesprek met dat meisje begreep hij plotseling hoe eenzaam en verdrietig een kind kan zijn door die aanhoudende pesterijen en hij begon een onderzoek. In zijn boekje worden de slachtoffers onderverdeeld in soorten, zo is er ‘de vieze leerling’, ‘de volgzame leerling’, ‘de afkoper’. Het verschil tussen hen ligt in de manier waarop ze naar buiten treden, maar de overeenkomst is dat ze allemaal over te weinig sociale vaardigheden beschikken om zich aan de groep aan te passen.

Het is vooral dit laatste dat mij een onbehaaglijk gevoel geeft, want ik stel me dan al die meelopers voor, die zich wezenloos achter de aanstichter scharen en dus blijkbaar wel over die zogenaamde vaardigheden beschikken. Het ‘missen van de boot’ op dit gebied zou ik absoluut niet negatief willen kwalificeren, maar bovendien geloof ik niet dat hier de oorzaak van de problemen te vinden is.

‘De zondebok’, zo lees ik, ‘bestaat bij de gratie van zijn agressor en paradoxaal genoeg houdt een intieme band hun beider gedrag in stand’.

Ik denk dat daar de quintessens van de zaak ligt: twee zielen zitten om vooralsnog onbegrijpelijke redenen in elkaar verknoopt. Het oplossen van dit raadsel is niet alleen verschrikkelijk moeilijk en vraagt meer inzicht dan puur psychologisch, maar tegelijk reikt het belang daarvan verder dan het herstellen van de vrede in de klas. Het is zowel voor de ontwikkeling van de zondebok als van de agressor van levensbelang dat die knoop wordt ontward.

De aanwijzingen die in het boekje worden gegeven, lijken adequaat genoeg om de situatie in de klas te verbeteren en de pijn van het slachtoffer te verlichten. Maar — hoe wenselijk dat ook is — het blijft oppervlakkig, want de vraag waarom die twee kinderen die ontmoeting hebben, wordt niet beantwoord. In opvoeden kun je je bekwamen en daar zijn talrijke hulpmiddelen voor, maar hoe dan ook…..het blijft een kunst
.

Hanneke Steutel, Jonas, nadere gegevens onbekend

.

zie ook: Sarren, jennen en treiteren

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1654-1550

.

.

.