VRIJESCHOOL – Kinderbespreking (1)

In zijn opmerkingen en aanwijzingen voor het bespreken van kinderen heeft Rudolf Steiner verschillende keren genoemd dat het kind eigenlijk een raadsel is, dat wij als pedagogen moeten oplossen – d.w.z. zeggen: allereerst het kind liefdevol waarnemen; het met schroom toch proberen te doorgronden – met de hoop en het vertrouwen dat de juiste handelingen voor het kind kunnen worden gevonden, ter ondersteuning bij zijn ontwikkeling.

Christoph Wiechert, o.a. jarenlang klassenleerkracht in de onderbouw schreef een ‘handleiding’ voor ‘de’ kinderbespreking.
=Du sollst sein Rätsel lösen=

In de Lerarenbrieven voor vrijeschoolleerkrachten besprak Joop van Dam Wiecherts boek:

Christof Wiechert, “Du sollst sein Ratsel lösen” 1

Van Christof Wiechert is alweer2 een nieuw boek verschenen: “Du solist sein Ratsel lösen”. De titel is een zin uit een voordracht, die Rudolf Steiner in Den Haag op 4 november 1920 2 over de pedagogie hield en die in vele scholen aan het begin van de dag in het lerarencollege gesproken wordt.

Het thema van deze publicatie is de kinderbe­spreking in de wekelijkse pedagogische verga­dering. In het eerste deel van het boek wordt deze activiteit als de hartefunctie van het sa­menlevingsverband van de leraren beschreven.
In deze bijeenkomst wordt de identiteit van elke individuele school in ontwikkeling gehouden doordat het lerarencollege een onderzoekers­gemeenschap vormt, die een continu leerproces voltrekt. Men leert elkaar waarnemen en komt gezamenlijk tot nieuwe menskundige inzichten.
In dit werk zijn alle leraren gelijk en geldt het principe dat Steiner “republikeins” noemt. “Er is geen rectoraat of een directoraat, dat verordent. We moeten in de school binnenbrengen, wat ons de mogelijkheid geeft om verantwoordelijk te zijn voor wat we te doen hebben. Iedereen moet zelf verantwoordelijk zijn.”
Die verantwoordelijkheid geldt niet alleen voor de klas, maar voor de hele school.

Daarna worden door Christof Wiechert de voorwaarden van het lukken van de pedagogi­sche vergadering en met name van de kinderbe­sprekingen vanuit zijn langdurige ervaring aan­geduid:

  • het hebben van een gespreksleider, die de op­eenvolging van stappen in het proces van waar­nemen, beoordelen en besluiten bewaakt
  • het deelnemen van alle leraren aan de bijeen­komst
  • de kunst van de terughouding in het gesprek
  • het vinden van het juiste tijdstip om te spreken
  • de innerlijke houding ten opzichte van het kind
  • enzovoort.

In het tweede deel van het boek wordt het ver­loop van de kinderbespreking behandeld.

Deze begint met de waarneming van het kind: in zijn gestalte, in het verloop van zijn biogra­fie, in zijn leerproces, ook in zijn zichtbare werk (beeldend in tekeningen, schilderingen en periodeschriften, euritmisch en anderszins be­wegend ). En ook de vraag van de leerkracht, die het kind ter bespreking inbracht, wordt nog eens gesteld. Belangrijk in deze fase is, dat er nog geen interpretaties en oordelen komen. Wel kan al een vermoeden opkomen welke fenome­nen voor het kind karakteristiek zijn.

Die komen dan aan de orde bij de volgende stap, die bestaat in het zoeken naar de oorzaak van de problemen. Om de “diagnose” te stellen wordt de puur praktische menskunde als sleutel gehanteerd. Je probeert de constitutionele situa­tie van het kind te begrijpen. Door het venster van de vierledige mens en de relatie van de wezensdelen tot elkaar, door de typologieën (tem­perament, fantasierijk- of arm, kosmisch- aards, enzovoort) of door de drieledigheid.

Door deze menskundige beschouwing ont­staat een verhouding tot het kind, die boven de sympathie en antipathie uitstijgt. Morele oorde­len vervallen. Het kind wordt in zijn constituti­onele situatie geaccepteerd. Het kind is niet zijn constitutie, maar heeft deze. Net zomin als je iemand kunt verwijten dat hij blauwe of bruine ogen heeft, kun je bezwaar hebben tegen zijn cholerische of sanguinische temperament of te­gen het aards- of kosmisch-zijn. Als leerkracht probeer je het kind te helpen met zijn constitutie te leren omgaan en een te grote eenzijdig­heid te harmoniseren.

In het begin zal je het palet van de typolo­gieën langs gaan. Dan ben je als het ware in de fase van het “menskunde studeren” zoals Rudolf Steiner het in de derde voordracht van “Menskunde innerlijk vernieuwd” noemt . Daarna probeer je je telkens weer in te leven in hoe het is, om met een bepaalde constitutie te leven. Dan ben je in het “Menskunde medite­ren”. En daaruit ontstaat het vermogen tot het “zich herinneren van de door God (in de nacht) bevruchte menskunde”.
Spontaan komt de passende menskundige typo­logie in je op; je hoeft niet de hele rij van moge­lijkheden langs te gaan. De waarnemingen van het kind trekken de toepasselijke typologie aan, zoals de magneet het ijzer aantrekt.

Na de “diagnose” komt tenslotte de therapie: hoe kun je het kind helpen en de problemen op­lossen, die aanleiding tot de kinderbespreking waren?

Ooit vroeg Eugen Kolisko, de eerste school­arts van de Waldorfschool in Stuttgart, zich bij een jongen af: moet ik dit kind nu zilver als medicijn geven of aan de leerkracht vragen om de fantasiekrachten bij hem aan te moedigen? Het werd me duidelijk, dat bij problemen veelal niet direct een aparte helper ingeschakeld moet worden, maar dat de leerkracht zelf de thera­peutische middelen ter beschikking heeft in zijn vakken en zijn wijze van lesgeven. Opvoeden als genezen!

Ook hier is de menskunde de leidraad. Hoe en waar in het kind werkt het beeldende, en waar het musische in de les? Wat doet de euritmie? Welke therapeutische werking heeft de aardrijkskunde en hoe anders is dat bij de ge­schiedenis als vak? Welke specifieke hulp kan bij de verschillende typologieën geboden wor­den? enzovoort. Vele voorbeelden worden
ge­noemd, met name in het laatste deel waar over concrete kinderbesprekingen bericht wordt.

De lezer wordt geïnspireerd door de verrassen­de vondsten, zowel in het zien van samenhan­gen tussen de verschillende waarnemingen als ook door de originele invallen voor pedagogi­sche hulpverlening. Het beschrevene heeft overduidelijk de gouddekking van de ervaring van de auteur. De “algemene” menskunde wordt hier tot “individuele en praktische mens­kunde”, die voor elk kind weer anders en uniek is.

Het boek is in een prachtig en uitdrukkings­rijk Duits geschreven. Toch hoop ik, dat er spoedig een Nederlandse vertaling komt, opdat ook de leraren die de Duitse taal niet beheersen, de rijke inhoud van het boek in ontvangst kun­nen nemen.
En dan deze inhoud voor zowel het levensorganisme van de lerarengemeenschap als voor de kinderen in hun klas vruchtbaar kunnen maken.

Joop van Dam

  1. Christof Wiechert, Du solist sein Ratsel lösen. Verlag am Goetheanum, 2012.
  2. Zijn vorige boek verscheen vorig jaar in vertaling: Zin in het leraarschap?!
  3. Rudolf Steiner, Het morele en religieuze in de opvoe­ding. Uitg. Pentagon.
  4. Rudolf Steiner, Menskunde, innerlijk vernieuwd. Uitg. Pentagon

Met welwillende toestemming van de recensent.

Lerarenbrieven nr. 24-1-(2013)

Rudolf Steiner over kinderbespreking

 

 

 

 

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Kinderbespreking (1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Remedial teaching | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s