Tagarchief: slaap REM-fase

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen

.

En morgen gezond weer op

Behalve uitrusten en groeien, gebeurt er nog meer in de slaap van een kind: hij leert. De indrukken die hij overdag opnam bergt hij ’s nachts op in zijn lichaam. Daarmee kan hij de volgende ochtend weer een beetje meer dan de dag ervoor. Antroposofisch kinderarts Edmond Schoorel vertelt over de betekenis van de slaap voor een klein kind.

Als ik een rozige zuigeling met zijn handjes naast z’n hoofd in diepe rust zie, word ik meestal stil en eerbiedig. Zo’n kind is een toonbeeld van gezondheid. Als ik een kleuter in een nachtmerrie zie, zwetend, roepend, niets ziende en angstig, moet ik oppassen niet ongerust te worden. Bij dit kind weet ik zo net nog niet of het op dit moment met z’n gezondheid bezig is. Slaap heeft veel aspecten. De slaap van een zuigeling is anders dan die van een kleuter of een schoolkind. De slaap na een boswandeling is anders dan die na een spannende film. Hoe ontwikkelt de slaap zich eigenlijk? Waarvoor is slaap nodig? Waardoor wordt het slapen gestoord en wat kun je doen aan slaapproblemen?

Ontwikkeling van de slaap

Een schoolkind slaapt normaal gesproken elf uur, een kind van een jaar of twee twaalf uur en een pasgeborene zestien uur per dag. Logisch: een baby moet vooral groeien, heeft nog maar weinig waar te nemen en nog niets met z’n verstand te snappen. Maar er is meer aan de hand. Slapen is namelijk een door en door ritmisch proces. Als een kind ter wereld komt, kan het nog niet slapen. Dat moet het, hoe vreemd dat misschien ook klinkt, nog leren. Door in een slaapritme te komen wordt het aardeburger, mens onder de mensen. Dat wordt het natuurlijk ook door andere invloeden als voeding, warmte, koude, gezelligheid, geluiden, liefdevolle bejegening enzovoort. Maar door de afwisseling tussen slapen en waken leert het geleidelijk om in een 24-uursritme te komen. Het allereerste ritme ontstaat na zes tot acht weken. Het is dan echter nog geen 24-uursritme maar een ritme dat zich uitstrekt over een periode van 25 uur. Daardoor verschuiven de slaaptijden en wordt een baby, die eerst om vijf uur wakker werd, een dag later om zes uur en weer een dag later om zeven uur wakker. Langzaam maar zeker verschuiven de slaaptijden en pas met een maand of drie komt een 24-uursritme tot stand, in het eerste levensjaar is er behalve de nachtslaap nog een ochtend- en een middagslaap. Het tweedejaar alleen nog een middagslaapje. In deze eerste twee jaren maakt het nog niet zoveel uit of het donker is in het slaapvertrek. Het kind slaapt toch wel. Maar daarna komt de tijd dat het wel degelijk scheelt of de gordijnen dicht zijn of niet. Dat betekent dat de slaap mede wordt bepaald door het licht, door de zon. Vanaf dat moment kan bijvoorbeeld het begin van de zomertijd het ritme grondig verstoren. Een kind kan zich verbinden met de aarde doordat het tot in zijn slaap-waakritme wordt beïnvloed door de zon. Bij mensen die in een onderzeeër of anderszins in het duister leven, verdwijnt het 24-uursritme al snel en daar komt het ‘oude’ 25-uursritme weer voor in de plaats.

REM-slaap

Nog belangrijker dan het aantal slaapuren is het ritmische verloop van de slaapperiode. Het slapen kent, net als het waken, verschillende stadia. De diepte van de slaap wordt uitgedrukt in vier stadia die op een EEG zijn te onderscheiden. Het belangrijkste is misschien wel de zogeheten REM-fase. Zo’n fase maakt een mens verschillende keren per nacht door. Dan wordt er heftig gedroomd, allerlei orgaanfuncties draaien op volle toeren en de ogen bewegen snel heen en weer (Rapid Eye Movement). Deze REM-fasen zijn van levensbelang want ze spelen een essentiële rol in de informatieverwerking en in de leerprocessen. Ondertussen weet de slaper natuurlijk van niets, hij is bij wijze van spreken bewusteloos.

Zuigelingen besteden de helft van hun slaap, dus een derde van de dag, aan REM-slaap. In die tijd zijn ze dus niet alleen aan het groeien maar ook aan het leren. Rond het derde jaar beslaat de REM-slaap nog 25% van de slaaptijd en in de schooltijd zo’n 20 procent.

Na de voorbereiding in andere stadia van de slaap, worden in de REM-slaap de ervaringen van de dag ingebouwd in de organische processen. Ze worden als het ware lijfelijk. Je kunt ook zeggen: ze komen in het geheugen. En zo is het ook: er is een directe relatie tussen de REM-slaap en het geheugen.

Waarvoor is slaap nodig?

Tijdens de slaap rust het lichaam uit van de vermoeienissen van de dag. Wat overdag wordt afgebroken, wordt ’s nachts weer hersteld. Is het kind dan ’s morgens weer de oude? Absoluut niet! Want als het goed is hebben de biologische processen van de slaap ervoor gezorgd dat de indrukken van de dag het lichaam ’s nachts ook hebben veranderd, ’s Morgens wordt iemand anders wakker dan hij de avond ervoor naar bed is gegaan. Natuurlijk zijn dat maar hele kleine veranderingen, maar bij kleine kinderen zijn ze goed waarneembaar.

Welke dingen bijdragen tot die veranderingen van het lichaam, het geheugen en de vermogens van het kind, hangt af van de leeftijd en de indrukken die het kind meekrijgt. Een baby maakt heel veel mee, zij het nog grotendeels onbewust Maar ook die onbewuste ervaringen zijn van grote betekenis.( In de nacht beïnvloeden ze de leerprocessen van het lichaam die eveneens onbewust tot stand komen. Een schoolkind of een puber is al veel bewuster (mede)mens geworden. Hij neemt ook de ervaringen die hij overdag opdoet in de omgang met anderen ’s nachts mee in de verwerkingsfasen van de slaap. Daar beïnvloeden ze de psychische leerprocessen. Ze dragen bij aan de vorming van zijn belevingswereld, zijn opvattingen en zijn stemmingen. Een volwassene staat overdag zo bewust in het leven, dat hij ’s nachts echt tot inzicht kan komen. Hij kan over een problemen ‘een nachtje slapen’ en de volgende ochtend met de oplossing wakker worden.

Wat stoort de slaap?

Een kind kan hinder hebben van zwaar verteerbaar eten, buikkrampjes, koorts, pijn of andere fysieke hindernissen. Maar ook minder lichamelijke zaken kunnen de nachtrust bederven. Veel kinderen slapen onrustig als hun ouders niet in huis zijn, als ze de volgende dag jarig zijn of als Sinterklaas in aantocht is. Kennelijk zijn er niet-fysieke invloeden die van buitenaf op de slaap werken. In het algemeen kun je zeggen dat alle slaapproblemen eigenlijk waakproblemen zijn. Als er overdag een goede afwisseling is tussen activiteit en ontspanning, tussen druk-doen en rustig zijn, tussen op-je-hoede-zijn en laten-vieren, tussen eten en een lege maag, dan zal het ritme van de slaap de indrukken wel opvangen en verwerken. De indrukken die een kind overdag opdoet, nemen daarbij een belangrijke plaats in. Voor het kleine kind zijn zintuigprikkels al gauw te veel. Daar heeft het dan ’s nachts last van.

Wat kun je doen aan slaapproblemen?

Bij ieder slaapprobleem kun je ervan uitgaan dat het ritme moet worden benadrukt. Probeer daarnaast de situatie voor het kind zo veilig mogelijk te maken. Bouw ’s avonds de dag af door op de rand van het bed op de dag terug te kijken en de onopgeloste zorgen van je kind in beheer te nemen tot de volgende ochtend. Misschien wil hij graag een lichtje aan of de lamp op de overloop. Of geeft dat juist enge schaduwen? Zijn er akelige geluiden en griezels in de kamer? Laat je kind vertellen wat het meemaakt, hoor het aan en geef geruststellend commentaar. Ontken het niet, want dan lijkt het alsof je je kind niet gelooft. Ga er ook niet in mee: dan raakt hij zijn houvast in de realiteit kwijt. Want dat ben je als ouder voor je kind: zijn toetssteen voor de dagelijkse, aardse werkelijkheid.
’s Nachts kun je dat niet meer zijn. Dan schept het kind zijn eigen, nieuwe werkelijkheid.
.
Edmund Schoorel, arts. Weleda Puur Kind 6, herfst 2000
.

Edmond Schoorelboeken

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15)

.

Kinderen hebben vaak last van slaapproblemen. Kinderpsychiater Dick Hütter† over de oorzaken, de gevolgen en de remedies. De boze droom ontleed.

het spook in de nacht

’s Avonds gaan alle kinderen evenals de bloemen, de dieren en de zon zoet slapen om de volgende ochtend fris en uitgerust weer aan een nieuwe dag te beginnen. Talloze slaapliedjes en verhaaltjes-voor-het-naar-bed-gaan heb- ben deze strekking, maar legioenen ouders verzuchten: ‘Ach, was het maar zo’. Trouwens het feit dat er zoveel slaapliedjes bestaan zou hen al wantrouwig moeten maken of het zoet inslapen wel zo vanzelfsprekend is.

Is het niet eerder zo dat zij bedoeld zijn om het kind te leren ordentelijk in te slapen? Want vanuit zichzelf doet het dat niet, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. En zoals bijna met alles heeft het ene kind meer pedagogische ondersteuning nodig dan het andere. Slapen is niet even ‘gemakkelijk’ als ademen, maar wel even belangrijk. Misschien dat we daarom zo nerveus reageren als ons kind laat inslaapt of ’s nachts regelmatig wakker wordt. Maar dit soort ‘stoornissen’ horen er in zekere zin bij, het is alleen verschrikkelijk belangrijk hoe wij hierop als ouder reageren.

Kijken we naar het (in)slaapgedrag van kinderen in verschillende leeftijdsfases, dan zien we het volgende:

Baby’s zijn in principe geweldige slapers, zelfs zo dat ze zich de eerste maanden absoluut niet storen aan het normale dag- en nachtritme.

Toch blijkt uit onderzoek dat vijfenzeventig procent van alle drie maanden oude baby’s een groot deel van de nacht doorslaapt, onafhankelijk van het voedingsregime en andere prikkels, zoals een natte luier. Als ze één jaar oud zijn, hebben negen van de tien dit ritme zeker te pakken en zijn ze, zoals ze dat in het Engels zeggen, ‘gesettled’. Je zou kunnen zeggen dat dit het moment is waarop ze werkelijk op aarde zijn neergestreken en ze zich voegen naar dit typisch aardse ritme. Maar observatie wees ook uit dat dit niet betekent dat de baby’s niet wakker worden ’s nachts, alleen de reactie daarop van ieder kind is verschillend. De helft draait zich bij wijze van spreken weer om en slaapt verder, de andere helft daarentegen ‘roept’ om zijn ouders, met niet meer redenen dan dat het even wakker is. Deze waarneming kan ons sterken in de overtuiging dat we bij nachtelijk hulpgeroep van de kleine zo min mogelijk toestanden maken. Kijken of er iets storends is kan en even laten zien dat je ‘er nog bent’ ook, maar liefst met zo min mogelijk ingrepen. Niet te veel activiteit, alles in de slaapsfeer houden. Hier kan gewoontevorming de wissel zetten voor vele jaren. Het devies moet eigenlijk zijn, dat dit even wakker worden er nu eenmaal bijhoort, niets bijzonders is en dus ook geen opwinding behoeft van de betrokken partijen.

Niet al te gezellig

Op de peuterleeftijd (van een tot vier jaar) komen er vaak problemen bij het inslapen. Het kind wil geen afscheid nemen van zijn ondernemingslust en activiteiten en het is soms bang om alleen gelaten te worden. In deze leeftijdsfase wordt het zich geleidelijk aan bewust een afzonderlijk wezen te zijn en dat geeft bij alle vreugde ook seperatie-angst: angst om op zichzelf teruggeworpen te worden. De peuterleeftijd is bij uitstek de tijd van de bedrituelen, waarbij ouders zich als ware evenwichtskunstenaars op het slappe koord kunnen beleven tussen hun eigen wens om het niet te lang te laten duren (meestal hebben we haast) en de wens van het kind om allerlei uitbreidingen toe te voegen aan het ritueel. Waardoor ze zich tenslotte gaan voelen als de hofhouding van een nogal grillige kroonprins of prinses.

Het is inderdaad een subtiel evenwicht. Natuurlijk is het goed als je inspeelt op de onlustgevoelens van het naar bed te brengen peutertje, maar houd de regie in eigen handen. Blijf degene die de grenzen trekt, ook al om te voorkomen dat je niet prikkelbaar wordt en je geduld verliest. Want dat laatste verhoogt de kinderlijke seperatie-angst en als ouder val je dan van de regen in de drop. Hier kunnen bovenvermelde slaapliedjes een uitkomst bieden al was het alleen maar om de juiste stemming op te roepen. ‘Slaap kindje slaap, daar buiten loopt een schaap.’

Tegen het derdejaar kunnen bange dromen de nachtrust gaan verstoren. De moeilijkheid daarbij is dat het jonge kind aan dromen dezelfde realiteitswaarde toekent als aan de gebeurtenissen van overdag. Dus hen vertellen dat het ‘maar een droom is’, stelt het kind nauwelijks gerust. Er zit niets anders op dan de tijd te nemen om de droom te laten ‘vervliegen’, bijvoorbeeld door ze te laten vertellen wat ze allemaal hebben meegemaakt in hun slaap. Het nachtelijk wakker worden zal echter ook zonder dromen blijven voorkomen en het is van groot belang het kind te leren daar zelf mee klaar te komen. Veel kinderen kunnen zichzelf en hun ouders op zo’n moment wijs maken dat het toch om een bange droom ging en zo een ‘gezellig’ momentje in de nacht ensceneren. Je kunt als ouder die behoefte aan onrust of troost natuurlijk niet bot negeren, maar er zijn andere en betere oplossingen te bedenken zoals een klein lichtje in het stopcontact, de kamerdeur op een kier of een extra troeteldier of pop in bed. Soms helpt het om het kind een tijd samen met een broertje of zusje op één kamer te laten slapen. Het horen van de ademhaling van een slaapgenoot geeft vaak voldoende rust en veiligheidsgevoel om zonder hulp weer in te slapen. En ‘vlieg’ je als ouder eens in dat bange droomverhaal, maak het dan niet al te gezellig.

Oudere kleuters en jonge schoolkinderen (ongeveer van vier tot negen jaar) kunnen af en toe nachtmerries hebben, hetgeen eigenlijk hevige angstdromen zijn. Op zich is dit ook niet alarmerend. Het kind kan op die leeftijd waarin het zich steeds meer op de wereld om hem heen gaat richten, gebeurtenissen beleven waar het emotioneel nog niet rijp voor is. De oplossing kan dan een nachtmerrie zijn, wat heel gezond is. Pas wanneer deze regelmatig optreden is het zaak om te onderzoeken of er geen ontwikkelingsconflict bestaat. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat er eisen aan het kind gesteld worden op school waaraan het niet kan voldoen of die mogelijk tegenstrijdig zijn met datgeen wat thuis van hem verlangd wordt. Van zoiets kan een kind vreselijk in verwarring raken.

Hetzelfde geldt voor de zogenaamde ‘Pavor Nocturnus’, een verschijnsel dat voor de betrokkenen nogal verontrustend is, maar in een normale ontwikkelingsgang zo nu en dan kan voorkomen. Het beeld is dat in het begin van de slaap het kind met een schreeuw wakker wordt en men het vervolgens rechtop zittend in bed aantreft met angstig-opengesperde ogen, trillend, zwetend, met versnelde adem en hartslag. Het slachtoffer is niet aanspreekbaar, onrustig en lijkt soms dingen te zien die er niet zijn. Na enkele minuten zakt de aanval, het kind zelf herinnert zich er dan niets meer van en gaat gemakkelijk weer verder slapen. Terwijl de ouders in zo’n geval nog enige tijd nodig hebben om te bekomen van de schrik.

Pubertijd

Pavor Nocturnus is evenals slaapwandelen te zien als een toestand waarin slapen en waken in zekere zin gelijktijdig optreden. Niet elkaar aflossen maar op een verschillende manier in elkaar overlopen. Oorzakelijk is er meestal sprake van een rijpingsachterstand die zich in de loop van de tijd spontaan herstelt, doch die het kind gevoeliger maakt voor psychische belasting zoals bijvoorbeeld oververmoeidheid. Hoe angstaanjagend ook, over zo’n enkele aanval hoeft niemand zich ongerust te maken. Herhalen de aanvallen zich echter, dan wijst dat op ‘onderliggende’ problemen en moet er hulp ingeroepen worden.

Zijn de kinderen eenmaal goed in de schoolleeftijd aangeland, dan zijn het normaliter goede slapers geworden, hoewel je blijft houden dat er momenten zullen zijn dat ze langer wakker liggen dan gewenst. Pas in de puberteit komen er bij een normale ontwikkelingsgang vaak weer wat problemen met in-en doorslapen.

Al de bovenstaande slaapperikelen van de baby tot de puber zijn misschien voor het kind zelf en de ouders vervelend, maar omdat ze niet wijzen op een ernstige onderliggende ontwikkelingsproblematiek en ook het gezond functioneren van het kind niet nadelig hoeven te beïnvloeden, noem ik ze normaal. Met rustig, vriendelijk en vooral zakelijk optreden is het beslist mogelijk de zaak op te lossen. En wat vaak over het hoofd wordt gezien: er bestaan ‘langslapers’ en ‘kortslapers’, al vanaf jonge leeftijd. Stop je een kortslaper te lang in zijn bed, dan kan het niet anders of hij ligt een poos wakker. Men spreekt eigenlijk pas van ernstige slaapstoornissen als de kinderen overdag duidelijk niet uitgerust zijn, dus slaperig, vermoeid, prikkelbaar en ongeconcentreerd zijn. Net als bij volwassenen is er een groot verschil tussen klachten over slapeloosheid en werkelijke slaapstoornissen. Observatie heeft aangetoond dat klagende ‘slapelozen’ vaak vele uren doorslapen en dat omgekeerd mensen die niet klagen soms tijden lang in bed liggen zonder te slapen, en bovendien overdag goed fit zijn. Bij kinderen komt daar nog bij dat men ook van ernstige problemen moet spreken als de ouders uitgeput raken en het gezinsleven min of meer ontwricht dreigt te worden. Wat men dan bij onderzoek voor oorzaken van deze noodsituatie kan vinden, is in feite te gevarieerd om uitputtend op te sommen.

In het algemeen kan men zeggen dat het vaak gaat om kinderen met een enigszins extreme constitutie of een ontwikkelingshandicap, die daardoor belemmerd worden ‘autonoom’ te worden, of wel zich een zekere zelfredzaamheid eigen te maken zoals dat normaal is op hun leeftijd. Of het gaat om een opvoedingsklimaat dat onvoldoende voorwaarden biedt om het kind te leren slapen, zoals te weinig structuur of te weinig leermomenten om zijn eigen problemen op te lossen, of te veel spanningen en gejaagdheid.

Het kan de thuissituatie zijn, maar evengoed de school en soms is het derde milieu de storende factor, dat wil zeggen de kinderen in hun omgeving. Misschien wordt het wel doorlopend geplaagd door een ander kind of heeft het een dominerend vriendje. Ook ontdekt men soms een acuut psychotrauma, ontstaan door een bedreiging of een angstige situatie waarin het kind verzeild is geraakt. Vaak zonder daar thuis over te reppen. Belangrijk lijkt me de ervaring dat onschuldige slaapproblemen bij een foutieve aanpak in hardnekkige slaapstoornissen kunnen overgaan. Als goede gewoonten een heilzame werking in de opvoeding kunnen hebben, is het te begrijpen dat foute gewoonten eveneens een groot effect kunnen hebben.

En dat is dan ook de weg waarlangs onaangename voorvalletjes uitgroeien tot ware rampen. Is men in zo’n extreme situatie beland, dan zal men met deskundige hulp en veel inzet van de ouders tot een gewoontevorming moeten komen die het probleem weer tot hanteerbare proporties terugbrengt om een eventueel medische of orthopedagogische therapie een kans van slagen te bieden.

Informatieverwerking

Slapen is gezond, zegt men. Maar wat is slapen eigenlijk, wat gebeurt er precies? De gegevens uit wetenschappelijke onderzoeken geven ons iets meer inzicht. Met een Electro-encefalogramonderzoek (eeg) kan men de elektromagnetische spanningsvelden bestuderen die ontstaan tijdens de fysiologische activiteiten van de hersenen. Die ‘velden’ veranderen, naar gelang de situatie en de leeftijdsfase van een mens. Dus ook bij waken en slapen verschillen ze. Een normale achturige nachtslaap blijkt in golven te verlopen van één à twee uur met een wisselende slaapdiepte. Als ik de slaap in een beeld vat: Het is een schip dat met de ziel als lading in de nachtwereld vaart en enkele malen per nacht in een ritmische golfbeweging de kust van het dagleven weer aanloopt, zonder echt de haven binnen te komen. Bij een lichtere slaapdiepte versnelt de ademhaling en de hartslag en treden er bewegingen op van het gelaat en de ledematen. Ook blijkt dat de slaper met zijn gesloten oogleden snelle oogbewegingen te maken. Men noemt dit de ‘REM-fase’ van de slaap (Rapid Eye Movement). Het interessante is nu dat het eeg op zo’n moment een activiteit registreert die deels bij het waakbewustzijn hoort. Als men de slaper in zo’n fase wakker maakt, herinnert hij zich zijn dromen het beste.

Naar aanleiding van de observaties bij de EEG-onderzoeken vermoedt men dat de diepe slaap het lichamelijke herstel en regulatie dient, terwijl de REM-fase de functie heeft van ‘informatieverwerking’. Deze constatering, namelijk dat de slaap een tweeledige functie heeft, komt overeen met de gegevens uit geesteswetenschappelijk onderzoek.

Van Rudolf Steiner weten we dat die nachtwereld de geestelijke wereld is, waaruit de ziel bij de geboorte van de mens op aarde is neergedaald. Dat die ziel daar ieder etmaal weer in terugkeert en in die nachtwereld de ervaringen – opgedaan in de dagwereld – verwerkt, is daarom zo belangrijk omdat de mens daardoor nieuwe kracht opdoet om weer in het aardse bewustzijn te ontwaken. Ons lichaam herstelt ondertussen in de nacht van de afbrekende invloed die ons bewustijn overdag op de levensprocessen heeft uitgeoefend. De slaap heeft dus kennelijk twee functies: één voor de ziel en één voor het lichaam!

Rondspoken

Er bestaat een duidelijke samenhang tussen ‘goed slapen’ en ‘je prettig voelen’. Zo kun je – zeker tegenwoordig – omgekeerd een verband constateren tussen het optreden van nervositeit en slaapproblemen.

Er is een interessant onderzoek van een huisarts uit Geldrop waaruit (eigenlijk tegen verwachting) bleek dat vijftig jaar geleden* de mensen niet beter sliepen dan nu. Ze gingen er echter anders mee om, ze bleven er rustig onder. Over zichzelf schrijft de huisarts: ‘Als kind lag ik veel wakker in bed en maakte van de wolken landen, dieren, gekke koppen. Zo beleefde ik door het dakraam kijkend de gekste avonturen en construeerde ik mijn wereld en mijn fantasie, mogelijk het belangrijkste dat wij als mensen hebben’. Uit deze zinnen komt een duidelijke beeld te voorschijn van een kind dat nog in staat was om zichzelf, vrij van de opgedane dagindrukken, dromend in de eigen ziel te beleven.

Alles is door de jaren heen in een versnelling geraakt. Ook de zintuigen worden vaker en heftiger aangesproken, waardoor het kind teveel indrukken opdoet om ze voldoende te kunnen verwerken. Wat staat er niet allemaal op het programma op een ‘kinderdag’: de school met de verkeersdrukte onderweg, sport en spel en buitenschoolse lessen en clubjes, baantjes om het zakgeld aan te vullen, televisie, feestjes. Het is of het zijn voedsel haastig door moet slikken zonder te kauwen en te proeven. Dat gaat bij sommige kinderen wel wat zwaar op de maag liggen. Zij krijgen zo de kans niet meer om de indrukken te verteren, ze ‘klaar’ te maken voor de slaap.

Een goede pedagogie en didactiek moet erop gericht zijn om het kind op de juiste manier te leren slapen.[1] De betekenis daarvan kunnen wij gaan inzien wanneer we de blik niet eenzijdig op het lichaam blijven richten maar gaan beseffen wat de ziel aan een gezonde slaap doormaakt. Indrukken die een kind verwerkt heeft, zich ‘eigen’ heeft gemaakt, worden door het verblijven van de ziel in de geestelijke wereld tijdens de slaap, omgevormd tot vermogens, tot zielekrachten. Dat kan niet gebeuren met half-verteerde indrukken, die blijven hoogstens in dromen rondspoken (hetgeen overigens eveneens een poging is om hen te verwerken). Om te bevorderen dat niet alleen het lichaam maar ook de ziel door de slaap nieuwe krachten opdoet, is het dus van belang het kind indrukken aan te bieden, die bij hem passen. Die het niet alleen met zijn verstand maar ook met zijn gemoed kan beleven, waar het met zijn eigen fantasie en creativiteit iets eigens aan kan toevoegen. In onze haastige, intellectuele en technische cultuur is dit niet meer een vanzelfsprekende zaak en vandaar dat we als opvoeders zulke indrukken bewust moeten aanreiken. Natuurlijk, zullen we dan eerst voor onszelf moeten gaan ontdekken waar deze te vinden zijn.

Dick Hütter, Jonas 6, *10-11-1989.
.

zie de artikelen onder [1-8] Algemene menskunde

.

meer over ‘slaap’

opvoedingsvragen: alle artikelen

leerproblemen: alle artikelen

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1489

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.