Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over kinderbespreking (1-4/1)

.

In GA 302A Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis – bevindt zich een aantal voordrachten, alle gehouden in Stuttgart, die zijn ingedeeld als:

Meditativ erarbeitete Menschenkunde
Vier voordrachten: van 15 tot 22 september 1920
De voordracht van 22 sept.1920 werd vertaald: Menskunde innerlijk vernieuwd), Pentagon 2003

Erziehungsvragen im Reifealter   Zur künstlerischen Gestaltung des Unterrichts
Twee voordrachten op 21 en 22 juni 1922

Anregungen zur innerlichen Durchdribgubng des Lehr- ubnd Erzieherberuf
Drie voordrachten op 15 en 16 oktober 1923
Vertaald Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap, Pentagon 1994 

De samenvatting hieronder is gemaakt tijdens een leergang kinderbespreking in 1996, nadere gegevens ontbreken.
.

Het onderwerp is het kind dat te sterk incarneert en het kind dat te zwak incarneert.

In Menskunde innerlijk vernieuwd:

Daher ist es gegenüber dem Kinde durchaus so, dass es auf die Intimitäten des Lebens ankommt, dass wir niemals einseitig zu stark das Eine oder das Andere heranziehen, sondern ein Gefühl dafür haben müssen, das man bei der Erziehung künstlerisch ausbalancieren muss.

Daarom is het tegenover een kind absoluut zo dat het op de specifieke nuances van het leven aankomt, dat we nooit te sterk eenzijdig het ene of het andere erbij halen, maar dat we er gevoel voor moeten hebben hoe je de opvoeding kunstzinnig uitbalanceert.
GA 302A/57
Vertaling/60

Das Ich will nicht recht hinein in den Organismus, das Kind bleibt zu schwärmerisch

Het Ik wil niet echt naar binnen, het kind blijft te dweepzuchtig.
GA 302A/58
Vertaling/61

Om te helpen bij het wél goed in het lichaam komen van het Ik, a.h.w. een incarnerende beweging, noemt Steiner een aantal vakken – de leerstof als opvoedingsmiddel – en legt de nadruk op de wezenlijke aspecten:

rekenen/meetkunde:            het kind moet getallen en ruimtelijke gedachten                                                             denken

taal                                            daar waar deze muzikaal gevat wordt in ’t ritmische,                                                     reciterende

muziek                                     met name de ontwikkeling van een muzikaal                                                                  geheugen, het zich herinneren van muziek, werkt                                                          weldadig

tekenen/boetseren/schrijven: er gedachten bij hebben, zoals bv. bij                                                                                 vormtekenen of bij vergelijkende handschriften

geschiedenis                           geschiedenis behandelen vanuit ideeën en grote                                                             samenhangen

aardrijkskunde                       daar waar de aardrijkskunde meer denkend gepakt                                                       wordt, bv. bij het leren van hoogteverschillen                                                                 (nivelleren) ‘een meer wiskundig denken’

‘Das Kind wird zu materiell’

Het kind wordt te materieel
GA 302A/58
Vertaling/61

Om te helpen bij het niet te diep in het lichaam komen van het Ik, a.h.w. een excarnerende beweging, noemt Steiner een aantal vakken – de leerstof als opvoedingsmiddel – en legt de nadruk op de wezenlijke aspecten:

meetkunde                  het tekenen, construeren van meetkundige figuren

taal                               meer ingaan op de inhoud, de betekenis van hetgeen in de                                          taal tot uitdrukking komt

muziek                        het kind als luisteraar van muziek laten oefenen; het directe                                        luisteren zonder reflectie

tekenen/boetseren/schrijven: de bezigheid als zodanig

geschiedenis            zo behandeld dat het gevoel sterk aangesproken wordt; dat                                          eerbied eventueel afschuw kan ontstaan. Dit richt zich dan                                          vooral op de beschrijving van historische figuren

aardrijkskunde       algemeen genomen werkt de aardrijkskunde zo dat het kind                                       niet materieel wordt, waarbij Steiner ervan uitgaat dat de                                           aardrijkskunde heel beeldend behandeld wordt

Wie bovenstaande aanwijzingen leest en ze wil toepassen, heeft het niet gemakkelijk: wat wordt er precies bedoeld en hoe doe je dat concreet in een klas met, zeg maar, 25 verschillende kinderen.

Uit het feit dat er maar weinig over gepubliceerd is, mag je opmaken dat dit tot een van de lastigste vrijeschooldidactische opgaven behoort.

.
Zie voor een nadere uitwerking Kinderbespreking [1-4/2]  en [1-4/3]
.

Kinderbespreking: alle artikelen

.

2029-1901

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6/1)

.

Al jaren geleden was er aandacht voor agressie en de invloed van bepaalde tv-programma’s.

Niemand weet precies hoe het ‘echt’ zit, maar de samenhang zomaar ter zijde schuiven, is een andere kant.

En soms kun je ineens getroffen worden door een opmerking. 
Zoals deze, n.a.v. het vreselijke bloedbad dat Tristan v.d.V. aanrichtte in Alphen aan den Rijn, in 2011, in het AD:

Op die computer speelt hij ook schietspellen. Zo ging hij tekeer op de Ridderhof, zeggen mensen die erbij waren. Alsof het een schietspel was.

In ‘de Vacature’ – ooit het blad voor onderwijzend Nederland – verscheen een reeks artikelen over:

Drs.S.C.Derksen, ‘de Vacature’, 11-12-1975
.

AGRESSIE, GEWELD EN TV
.

Ook in de meest rechtvaardige zaak is geweld een verschrikkelijk iets.
Schiller

Collega Wilkeshuis die behalve door zijn boeken zeer velen aan zich heeft verplicht door het schrijven van zijn onvolprezen stukjes in „de Vacature” heeft enige weken geleden fiolen van zijn gramschap uitgestort over een bepaald soort tv-programma’s waarmee onze kinderen op het ogenblik worden geamuseerd. Voorzichtigheidshalve heeft hij hierbij de vraag open gelaten of en in hoeverre dit soort programma’s schadelijk is voor de geestelijke gezondheid van onze jeugd c.q. in hoeverre deze de agressiviteit van onze lieve jeugd opwekken (of bevorderen). Alvorens te trachten op deze vraag een antwoord te geven, willen we eerst even op het begrip agressie (en de ontstaanswijze er van) in gaan.

Het woord agressie komt van aggredi = erop af gaan.

In de literatuur worden twee begrippen agressie gebruikt; agressie als instinct tot zelfbehoud, en agressie als vernietigingsdrang. In verreweg de meeste gevallen beperkt men zich echter tot de agressie in laatstgenoemde betekenis, iets wat in het volgende deel van deze beschouwing ook gedaan zal worden. Agressie dient dus verder in de engere zin van het woord opgevat te worden, m.a.w. als die activiteiten waarbij van een verstorend ingrijpen sprake is. (De bekende Amerikaan-psycholoog Erich Fromm onderscheidt de zgn. goedaardige en kwaadaardige agressie en merkt terecht op dat de laatste het meest in overeenstemming met het dagelijkse spraakgebruik is).

Over het ontstaan van deze vorm van agressie bestaan diverse theorieën. Een van de bekendste hiervan is de zgn. drifttheorie van Freud en diens aanhangers. Volgens deze theorie is er in elke mens een blinde vernietigings- of doodsdrift aanwezig. Volgens anderen is er evenals bij de dieren sprake van een agressie-instinct dat tot een vijandige houding ten opzichte van de soortgenoten aanleiding kan geven. Anderen menen dat de agressie ontstaat doordat iemand een teleurstelling ervaart en andere hiervoor aansprakelijk probeert te stellen. Djt is de zgn. frustratietheorie. Tenslotte is er nog de zgn. leertheorie die er van uitgaat dat agressie aangeleerd wordt tijdens het socialisatieproces via het bestaande normen-en-waardensysteem en door beloningen of straffen leert de maatschappij het individu zich in bepaalde situaties agressief of niet agressief te gedragen. Er is een tijd geweest dat er tussen de aanhangers van deze theorieën een felle strijd woedde en over en weer wel eens minder vriendelijke woorden gewisseld werden. Op het ogenblik lijkt de discussie meer en meer in een rustiger vaarwater terecht te komen en groeit het aantal voorstanders van een meer pluralistische benadering van het begrip agressie. Men ziet meer en meer in dat het begrip agressie van verschillende kanten benaderd kan worden, en dat agressie niet alleen een kwestie is van menselijk temperament (driften) maar ook van maatschappelijke en culturele omstandigheden is. (In de ene cultuur komt bijv. veel meer agressie voor dan in de andere).

Het is bekend dat agressie al tijdens de eerste kinderjaren ontstaat. Wel is het zo dat ze bij kinderen nog weinig gericht is en tamelijk ongevaarlijk.

Bij volwassenen daarentegen is ze veelal tegen soortgenoten gericht en is ze ook veel duurzamer. Bovendien kan individuele agressie die vrij komt gemakkelijk gekanaliseerd en zo in een bepaalde richting bijv. in de richting van oorlog, worden aangewend. Latente agressie kan op die manier gemakkelijk voor politieke doeleinden worden gebruikt, iets wat bijv. in de jaren dertig in Duitsland op grote schaal is gebeurd. Grote werkloosheid, de gevolgen van een verloren oorlog (en revolutie), idem van inflatie, gevoegd bij de strakke autoritaire opvoedingspatronen die in Duitsland in zwang waren, hadden voor een overvloedig agressie-potentieel gezorgd, dat in handen van onverantwoordelijke volksmisleiders als Hitler, Göebbels en dgl. tot ongekende wreedheden en beestachtigheden aanleiding gaf (Eigenlijk is het woord beestachtigheden hier verkeerd gebruikt, want allerlei onderzoek heeft namelijk duidelijk gemaakt, dat het agressie-instinct bij de dieren een soort remmingsmechanisme bezit waardoor het uitroeien van soortgenoten zoals dat in Hitler-Duitsland het geval was in de dierenwereld een onmogelijkheid is).

Ook op dit ogenblik mag men de grootte van het agressiepotentieel niet onderschatten. Het zeer grote aantal gewelddaden in de wereld (in de V.S. alleen al per jaar [1975] meer dan 20.000 moorden, 25.000 zelfmoorden en 140.000 doden door het verkeer) is hiervan een duidelijk bewijs. Het grote aantal oorlogen en oorlogsachtige toestanden na 1945 met evenveel slachtoffers dan in de gehele Tweede Wereldoorlog legt hier eveneens getuigenis van af.

In een volgend artikel hopen we eens nader op de oorzaken van de toenemende agressie en van het geweld (dat als de meest naakte en-meest onbeschaamde vorm van agressie moet worden gezien) in te gaan, waarbij dan vanzelf het geweld in de film- en televisieprogramma’s en de verantwoordelijkheid van het onderwijs aan de orde komt.

Deel 2 en deel 3 van de artikelenreeks

Opvoedingsvragen: alle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2025-1897

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (5-4)

.
Het oefenen van de zgn. ‘onderste’ zintuigen – de lichaamszintuigen: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin – is letterlijk van vitaal belang voor de verdere ontwikkeling van het kind in de eerste zeven levensjaren (wat hier niet ophoudt!) 
De reeks artikelen onder ‘zintuigen alle artikelen‘ belichten het belang ervan ieder op hun terrein. 

In dit artikel gaat het om de allerjongste kinderen.

Willemijn Visser ’t Hooft, Weleda Puur Kind, herfst 2003, nr. 12

Zodra je kind kan zitten kun je het plezieren met een beweegspelletje op schoot, zoals ‘schuitje varen, theetje drinken’ en later ‘zagen, zagen, wiede-wiede-wagen’. Stevig verankerd op jouw vertrouwde knieën, speel je met hem door hem uit en weer in balans te brengen. Nog wat later komt ‘klap eens in je handjes’ en ‘hop, hop paardje in galop’, waarbij de bewegingen breder en gevarieerder worden. Bewegend vanuit het midden van waaruit het ritme wordt bepaald, speel je met je lichaam en met dat van je kind. Een eerste evenwichtsoefening op oude teksten!

Kruipen achter een bal aan is ook een balansspel. Als met ruim anderhalf jaar het lopen struikelend hollen wordt, is het spannend om achter die bal aan te gaan. Er wordt heel veel gevallen, maar dat doet aan het plezier niets af. Een goede speelbal voor jonge kinderen is zacht opgeblazen en niet te glad, zodat hij gemakkelijk te pakken en eventueel te vangen is. Gooien en vangen is een eindeloos spel. Heen en weer, geven en nemen, mikken en pakken, samen en solo. Ondertussen wordt er van alles geoefend, ook begrippen zoals hoog en laag, hard en zacht, voor en achter. En de kleine armen en benen moeten het allemaal doen! Handig voor op reis zijn de zogenoemde boogieballen (vanaf drie jaar) die je kunt opblazen met een rietje en voor het vervoer naar zandbak of strand kunt laten leeglopen. Ze zijn te koop in gespecialiseerde speelgoedwinkels en ook te krijgen met bobbeltjes die een grappig effect geven.

Binnenshuis komen de blokken te voorschijn. Torentjes worden gebouwd en weer omgestoten. Van het geluid en het resultaat van een kleine handbeweging wordt uitbundig genoten. Steeds maar weer bouwen en omgooien. Evenwicht creëren en opofferen aan het effect. Totdat het bouwen zelf een uitdaging wordt. Een doos KAPLA waarin 200 plankjes zitten van prachtig gedroogd en geschaafd beukenhout geeft de mogelijkheid om eindeloos te bouwen. In de hoogte, in de breedte, straatjes en hekken, dierenhokken en torens. Bij de doos zit een boekje met voorbeelden van constructies voor oudere kinderen, want de mogelijkheden van KAPLA houden niet op bij de kleutertijd. Er worden hele Eifeltorens van gebouwd door ervaren stapelaars. Voor grote bouwwerken heb je meer dan een doos nodig. De hele familie, van klein tot groot, kan hier op zijn eigen manier mee spelen. Een aanrader dus voor een herfstige zondagmiddag.

.

Zintuigen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters en kleuters

.

2013-1886

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (1-5)

.

Een klein resumé van de zintuigen, speciaal met het oog op de lichamelijke ontwikkeling van een baby:
.

Uit: Weleda Puur Kind, herfst 2003 nr. 12
.

Twaalf zintuigen

De vijf bekende zintuigen kunnen worden aangevuld tot twaalf als je de organen meerekent waarmee je je eigen lichaam en gevoelens waarneemt. De twaalf zintuigen zijn onder te verdelen in drie groepen:

1 De lichaamszintuigen: tastzin; levenszin; bewegingszin; evenwichtszin

2 De psychische zintuigen: reukzin; smaakzin; gezichtszin; temperatuurzin

3 De sociale* zintuigen: gehoorzin; taalzin; denkzin; ik-zin

Voor de ontwikkeling van je kind – en voor het lichamelijk welzijn van mensen in het algemeen – zijn vooral de vier lichaamszintuigen van belang. Het zijn de instrumenten waarmee je goed in je vel komt te zitten. Je kind verzorgen en opvoeden betekent eigenlijk hem helpen behoedzaam naar binnen te gaan in zijn lichaam. Op die weg komt hij weerstanden tegen waardoor zijn lichaamsbewustzijn wordt gewekt. De eerste weerstand is de huid met de tastzin. Als het kind zich door tastervaringen bewust is geworden van zijn eigen lichamelijke grens, kan hij verder naar binnen naar het vegetatieve zenuwstelsel waar de levenszin zit.

Na de grenservaring via de tastzin geeft de levenszin een gevoelservaring. Is dat gevoel prettig en behaaglijk, dan kan de stap naar de spieren worden gezet. Daar registreert de bewegingszin als in een soort telefooncentrale iedere beweging die het lichaam maakt. De laatste stap naar binnen is naar het bekken waar de evenwichtszin ligt. Uiteraard zit er ook een evenwichtsorgaan in het oor waarmee je je in de ruimte oriënteert. Maar om dat te kunnen zonder jezelf te verliezen, zul je eerst bij de evenwichtszin in het bekken moeten zijn aangekomen. Daarna kan het kind de omgekeerde weg gaan en zich als sociaal mens naar buiten richten zonder het contact met zijn eigen lichaam te verliezen.

Tastzin
staat voor aanraken, ontwaken en ontmoeten

Verzorging bij de baby: vasthouden en wikkelen
Pak een baby altijd goed vast, anders voelt hij zich verloren. Leg zelfs als het warm weer is een lakentje op hem.
Door een baby te wikkelen krijgt zijn tastzin een extra impuls. Hij zal zich daardoor extra geborgen kunnen voelen.

Levenszin
staat voor welbehagen en harmonie

Verzorging bij de baby: strelen
Door een babylijfje veel te strelen verandert de onbewuste waarneming van het stromende element in zijn lichaam in een gevoel van behaaglijkheid. Dat gebeurt ook na een warm bad. In de baby groeit daardoor het vertrouwen dat het leven goed en veilig is.

Bewegingszin
staat voor spelen, bewegen, concentreren en balanceren

Verzorging bij de baby: wiegen
Als je een baby wiegt, ontstaat er onbewust een oriëntatie op zijn spieren. Hij bouwt aan een krachtig netwerk van aanknopingspunten voor de spieren in de gewrichten en krijgt plezier in bewegen. Als hij wat groter wordt zal dat zich uiten in het voortdurend oefenen van kruipen, zitten, vallen en opstaan.

Evenwichtszin
staat voor centreren, staan, stabiliseren, bij jezelf blijven, in balans zijn

Verzorging bij de baby: rust
Leg je baby altijd op een stevige, vlakke ondergrond. Zorg ervoor dat je hem zo neerlegt dat het zwaartepunt bij zijn bekken ligt. Dat geeft hem innerlijke rust omdat hij niet voortdurend hoeft te zoeken naar lichamelijk evenwicht.

*In de meeste literatuur hierover, worden deze zintuigen tot de ‘geestelijke’ gerekend. (Opm. PHAW)

.

Zintuigen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

2011-1884

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-4)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 74 –       vertaling

BIJ HET KIND GAAT HET OM EEN HEEL ANDERE MANIER VAN HANDELEN

Nadat Steiner erop heeft gewezen dat er een bepaalde tendens bestond om kinderen zichzelf te laten opvoeden en dat m.n. in socialistische kringen men vond dat de kinderen op dezelfde manier met elkaar zouden moeten omgaan als volwassenen dat doen, volgt er een scherpe afwijzing van deze opvattingen:

blz. 74  vert. 74

Das aber ist das Falscheste, was man in der Erziehung tun kann.

Maar dat is de grootste fout die men in de opvoeding kan maken.

En het waarom daarvan is m.i. een basiskenmerk van het vrijeschoolonderwijs te noemen:

Man muß sich bewußt sein dessen, daß das Kind noch etwas ganz anderes an Seelenkräften und auch an Körperkräften zu entwickeln hat, als die Erwachsenen im Wechselverkehr mit- einander zu entwickeln haben. Also auf das, was tief unten in der Seele sitzt, muß die Erziehung und der Unterricht eingehen können; sonst kommt man nicht weiter.

Men moet zich ervan bewust zijn dat het kind nog heel andere zielenkrachten en lichamelijke vermogens moet ontwikkelen dan de volwassenen in de omgang met elkaar. Daarom moeten opvoeding en onderwijs kunnen ingaan op hetgeen zich diep in de ziel afspeelt. Anders komen we niet verder.

En in het kader van deze voordracht die over ‘de wil’ gaat, is de logische conclusie natuurlijk:

Was vom Unterricht und von der Erziehung wirkt auf die Willensnatur des Menschen? 

Welke aspecten van het onderwijs en van de opvoeding werken in op het wilsleven van de mens?

HOE WERKEN OPVOEDING EN ONDERWIJS OP DE WIL

In dit laatste deel van de voordracht geeft Steiner een paar zeer waardevolle gezichtspunten weer, ook vat hij wat al werd gezegd, weer op een andere manier samen of geeft er een nieuw accent aan.

Bij het lesgeven – vooral wanneer we het hebben over ‘overdracht van kennis’ – wordt de wil gebruikt om de gedachtegang(en), gedachtesprongen te kunnen volgen. 
Dit gebeurt simpelweg als we denken: we knopen de ene gedachte aan de andere. Die activiteit schaarde Steiner ook onder de wil.
Bij overdracht van kennis wordt juist die activiteit ingeschakeld om al bestaande gedachten over te brengen op kinderen die deze dan moeten ‘volgen’. Het is een aansporing iets ouds – de al gedachte gedachten – NA te denken. (letterlijk: na dat anderen die gedacht hebben). In wezen hebben we dus te maken met iets ouds waarvoor we de wil inschakelen. Dat noemt Steiner hier ‘hoogbejaarde wil’ – wil op leeftijd:

Alles Intellektuelle ist schon greisenhafter Wille, ist schon der Wille im Alter. Also alle gewöhnliche Unterweisung im verstandesmäßigen Sinne, alle gewöhnliche Ermahnung, alles, was für die Erziehung in Begriffe gefaßt wird, wirkt in dem Alter, das für die Erziehung in Betracht kommt, noch gar nicht auf das Kind. 

Al het intellectuele is in feite al hoogbejaarde wil – wil op leeftijd. Daarom heeft al het gewone, verstandelijke onderwijs, hebben alle gewone vermaningen – alles wat voor de opvoeding in begrippen vervat is – nog volstrekt geen invloed op het kind in de leeftijd dat het opgevoed wordt.

INTELLECTUEEL ONDERWIJS

Op verschillende video’s wordt de methode ‘Zo leer je kinderen lezen en spellen’ uitgelegd.
Er zijn ook opnames van klassensituaties waarin – in dit geval – een juf de letters aanleert. Op deze video (tijd 4.44) gaat zij een nieuwe letter aanleren. nl. de r (uiteraard zegt ze geen ‘er’, maar ‘rrrrrr’. )
Ze heeft de letter op een kaartje staan dat ze aan de kinderen laat zien. Ze vertelt meteen welke letter het is. 
Vergeleken met het aanleren van de letters op de vrijeschool, is dit een hemelsbreed verschil.

In de vrijeschoolklas is er van te voren – meestal een dag eerder – een verhaal, dikwijls een sprookje, verteld waarin bv. een reus voorkomt. Deze reus nu, wordt door de kinderen de andere dag geschilderd en/of getekend, met zijn dikke buik (naar rechts) vooruit. Hij loopt, wat duidelijk te zien is aan zijn been met de grote laars. Deze reus staat een tijdje op het bord en op zeker ogenblik wordt deze met de kinderen zodanig bekeken dat ze er a.h.w. naar toegebracht worden met aandacht ‘reus’ uit te spreken. En dan uitgenodigd te zoeken naar de klank die helemaal vooraan klinkt. Voor sommige kinderen is dat nog ‘reu’, maar uiteindelijk komt iedereen zover dat de ‘rrrr’ aan het begin gehoord wordt. De kinderen wordt gevraagd meer woorden te zoeken die met deze ‘reusklank’, deze ‘rrrrrr’ beginnen.

Het dappere snijdertje

Hier zijn talloze voorbeelden van hoe de klanken in de vorm van beeld, als hoofdlettervorm zijn ontstaan.

Meer daarover: zie schrijven alle artikelen.

Vervolgens wordt het voor de kinderen duidelijk dat je natuurlijk niet iedere keer wanneer je deze ‘R’ moet schijven, daar een hele tekening bij kan maken. Maar er is wel wat van die reus overgebleven: zijn rug, zijn buik en zijn been: R.
Met verschillende rijmpjes en spraakoefeningen waarin de ‘r’ veelvuldig voorkomt, wordt de klank geoefend; op de versjes wordt bewogen, kortom: de R is even het stralende middelpunt.
In het vak euritmie komen de klanken – dus ook deze R – uitgebreid aan bod in ‘beweeglijke verbeelding’ waarbij het hele kind – niet alleen maar even het bewegen van twee vingerkootjes zoals in de video – wordt aangesproken. 

De spanning bij het verhaal, het schilderen en tekenen, het langzaam ontdekken van wat je weten moet, is de weg van het gevoel, via de wil, naar het kennen.

Deze weg ontbreekt bij de methode Schraven (ZLKLS) volledig en is met de manier van aanbieden: ‘kijk, dit is’ of  ‘die heet de’ de methode van directe begripsvorming, en met het ‘zeg maar na’, de methode van de reflectie op wat net heeft geklonken, m.a.w. de methode doet sterk een beroep op het voorstellingsleven, i.p.v. op het gevoels/wilsleven. M.a.w.: de hoogbejaarde wil staat op de voorgrond.

De juf op de videodemonstratie maakt bij de ‘r’ wél een gebaar: met de bovenste kootjes van haar vinger brengt ze de ronde vorm van de ‘r’ onder de aandacht van de kinderen die graag – immers: beweging – met haar meedoen. 
In vergelijking met de vrijeschoolmethode is het bewegen heel summier en vrijwel fantasieloos. En, moet meteen resulteren in een voorstelling: ‘leg hem maar neer en kijk naar welke kant het haakje opgaat.’

En dan is ook voor vrijeschoolleerkrachten het gezichtspunt over de klassikale opstelling belangrijk. Want in de foutieve opstelling gaat het ook fout. 
‘Goed gedaan, allemaal’, zegt de juf. Maar het kind aan de rechterkant, tweede van onder, spiegelt zijn overbuurman die het wél goed doet, en dus gaat bij hem het haakje naar de verkeerde kant!

Blz. 75  vert.  75

Wir dürfen also nicht mit Bezug auf die Willenskultur auf das sehen, was beim intellektuellen Leben von besonderer Wichtigkeit ist. Im intellektuellen Leben rechnen wir immer darauf: man bringt einem Kinde etwas bei, und es ist um so besser, je besser es die Sache begriffen hat. Auf das einmalige Beibringen legt man den großen Wert; dann soll die Sache nur behalten, gemerkt werden. Aber was so einmal beigebracht und dann behalten werden kann, das wirkt nicht auf Gefühl und Wille, sondern auf Gefühl und Wille wirkt das, was immer wieder getan wird und was als das durch die Verhältnisse Gebotene für richtig getan angesehen wird.

Wat voor het intellectuele leven met name belangrijk is, mag dus niet als uitgangspunt dienen voor de cultivering van de wil. In het intellectuele leven redeneren we zo: men leert een kind iets en hoe beter het de kwestie heeft begrepen, hoe beter het is. Men legt de grote nadruk op het in één keer iets leren. Daarna is het een kwestie van onthouden, in het geheugen prenten. Maar wat zo, in één keer, bijgebracht en onthouden kan worden, werkt niet op het gevoel en de wil. Op het gevoel en de wil werkt dat wat steeds weer wordt gedaan en wat wordt beschouwd als een juiste daad, die door de omstandigheden geboden is.

In deze voordracht die over de wil gaat, heeft Steiner meteen in het begin ook het gevoel weer gekarakteriseerd: 

GEVOEL EN WIL

Blz. 62     vert. 62

Was ist denn eigentlich ein Gefühl? Ein Gefühl ist mit dem Willen sehr verwandt. Wille ist, ich möchte sagen, nur das ausgeführte Gefühl, und das Gefühl ist der zurückgehaltene Wille. Der Wille, der sich noch nicht wirklich äußert, der in der Seele zurückbleibt, das ist das Gefühl; ein abgesturnpfter Wille ist das Gefühl. Daher wird man das Wesen des Gefühls auch erst dann verstehen, wenn man das Wesen des Willens durchdringt.

Wat is dan eigenlijk een gevoel? Een gevoel is zeer verwant aan de wil. Men kan zeggen dat de wil in feite het tot uitvoering gebrachte gevoel is en het gevoel de teruggehouden wil. De wil die zich nog niet werkelijk uit, die in de ziel blijft, dat is het gevoel; het gevoel is afgestompte wil.
GA 293/62  

Op blz. 75    vert.  74  pakt hij dit weer op:

Gefühl ist werdender, noch nicht gewordener Wille; aber im Willen lebt der ganze Mensch, so daß man auch bei dem Kinde rechnen muß mit den unterbewußten Entschlüssen. 

Gevoel is op weg wil te worden, maar is nog geen wil geworden; maar in de wil leeft de hele mens, zodat men ook bij het kind rekening moet houden met de onderbewuste besluiten. 

En met het oog op het voorbeeld dat ik hier gaf van de methode ‘ZLKLS’ geldt ook:

Hüten wir uns nur vor dem Glauben, daß wir mit allem, was wir meinen gut ausgedacht zu haben, auf den Willen des Kindes einen Einfluß haben. 

Laten we vooral niet denken, dat we met alles wat we volgens ons goed hebben uitgedacht, invloed hebben op de wil van het kind.

En ook niet:

Nicht dadurch, daß Sie dem Kinde einmal sagen, was richtig ist, können Sie den Willensimpuls zur richtigen Auswirkung bringen, ( )

Door een kind één keer te zeggen wat juist is, kunt u de wilsimpuls niet goed tot ontplooiing brengen, ( )

Het hoeft geen verrassing te zijn dat hier, waar sprake is van ‘gevoel’, dus van het ritmische systeem. het gebied is van nog eens en nog eens en weer opnieuw.
En als we werkelijk iets in onze wilsbeheersing willen krijgen – denk eens aan het bespelen van een  muziekinstrument – zullen we telkens weer moeten oefenen: herhalen en nog eens herhalen.

Dus: één keer werkt niet, wel:

( ) indem Sie heute und morgen und übermorgen etwas von dem Kinde tun lassen. 

door het kind iets te laten doen, en dan niet alleen vandaag maar ook morgen en overmorgen.

Steiner is hier niet zo concreet, want hij spreekt over:

( ) Sie lenken es hin auf irgend etwas, von dem Sie glauben, daß es das Gefühl für das Richtige im Kinde erwecken wird  ( ) 

( ) U moet het kind juist op iets richten waarvan u denkt dat het het gevoel voor het juiste in het kind zal wekken ( ) 

Dat ‘gevoel wekken’ voor ‘het juiste’ gaat niet door het kind voortdurend vermaningen en zedepreken te geven:

Das Richtige liegt gar nicht zunächst darin, daß Sie darauf ausgehen, dem Kinde Ermahnungen, Sittenregeln zu geben, sondern Sie lenken es hin auf irgend etwas, von dem Sie glauben, daß es das Gefühl für das Richtige im Kinde erwecken wird und lassen dies das Kind wiederholentlich tun. S

U moet niet denken dat het juist is wanneer u het kind voortdurend vermaningen en zedenpreken geeft; maar u moet het kind juist op iets richten waarvan u denkt dat het het gevoel voor het juiste in het kind zal wekken en u moet het kind dit dan herhaaldelijk laten doen. 

Sie müssen eine solche Handlung zur Gewohnheit erheben. 

U moet zo’n handeling tot gewoonte maken.

Nu onderscheidt Steiner nog de gewoontevorming voor het gevoel en die voor de wil:

Je mehr es bei der unbewußten Gewohnheit bleibt, um so besser ist es für die Entwickelung des Gefühls

Hoe onbewuster die gewoonte is, des te beter het voor de ontwikkeling van het gevoel is,

MEER ONBEWUST HERHALEN CULTIVEERT HET GEVOEL

Also mehr unbewußtes Wiederholen kultiviert das Gefühl;

Dus: meer onbewust herhalen cultiveert het gevoel;

MEER BEWUST HERHALEN: DE WIL

en voor de wil:

je mehr das Kind sich bewußt wird, die Tat aus Hin- gabe in der Wiederholung zu tun, weil sie getan werden soll, weil sie getan werden muß, desto mehr erheben Sie dies zum wirklichen Willensimpuls.

hoe meer het kind zich ervan bewust wordt de handeling te doen met toewijding, steeds weer, omdat het hem opgedragen is, omdat het noodzakelijkerwijs gedaan moet worden, des te meer wordt dit tot een werkelijke wilsimpuls.

vollbewußtes Wiederholen kultiviert den eigentlichen Willensimpuls, denn dadurch wird die Entschlußkraft erhöht.

herhalen bij vol bewustzijn cultiveert de eigenlijke wilsimpuls, want daardoor wordt de besluitkracht versterkt.

En van deze besluitkracht weten we, dat die samen met het voornemen en de wens, verweven is met het motief, en met het motief ontstaat pas de eigenlijke menselijke wil.

Und die Entschlußkraft, die sonst nur im Unterbewußten bleibt, wird angespornt dadurch, daß Sie das Kind bewußt Dinge wiederholen lassen. 

En de besluitkracht – die verder slechts onderbewust blijft – wordt aangespoord doordat u het kind bewust dingen laat herhalen.

Steiner zegt – het is 1919 – :

Blz. 76    vert. 75

Der heutige Mensch ist eben auf die Einmaligkeit dressiert. 

De mens van tegenwoordig is gedresseerd om dingen één keer te doen.

Dat geldt m.i. voor een eeuw later nog veel meer. We willen dat alles wat we willen, snel gaat, er snel is.
Snelle verbindingen, snel bezorgen van pakjes: nu besteld: morgen in huis. In één keer! En de grote honger naar steeds nieuwe beelden, nieuwe ervaringen, enz. is in deze tijd zoveel sterker dan in Steiners tijd. Hij vond in zijn tijd zoveel mensen al ‘wilszwak’, dat zou voor onze tijd dan ook in een nog veel grotere mate gelden!

In tegenstelling daarmee schetst Steiner a.h.w. een tijd waarin rust en regelmaat een veel grotere plaats innamen. 
Ook ik ken dat nog uit mijn jeugd. De hele week verliep min of meer in een zelfde patroon: een opeenvolging van gewoonten: ’s Maandags werd er inderdaad gewassen en op vrijdag werd het huis en de omgeving opgeruimd met het oog op de bijzondere dag: de zondag . ’s Zondags naar de kerk, ochtendbezoek bij de grootouders die voor die gelegenheid in de ‘zondagse kamer’ zaten; voor iedere maaltijd een gebed, na de maaltijd werd er een stukje uit de bijbel gelezen.
In de zekerheid die dat met zich meebracht, school een bepaalde kracht: zo gaat het en niet anders. Zo doen we dat.
Het werd tot levensgewoonte.

En hoort bij wat hij hier zegt over ‘het werd tot levensgewoonte’ ook niet het dagelijks zeggen van de morgenspreuk?

denn auf Wiederholung und bewußter Wiederholung beruht die Willenskultur.

want de cultivering van de wil berust op herhaling en bewuste herhaling.

Steiner had al iets over vermanen en moraliseren opgemerkt en aan het eind van de voordracht doet hij het opnieuw:

Es werden doch nur schwache, nervöse Menschen diejenigen, welche man zur Moral ermahnen will.

Vermanen en moraliseren kweekt toch alleen maar zwakke en nerveuze mensen.

Wat kun je dan in de klas doen?

Ik denk nu bv. aan een slordig kind dat overal alles laat slingeren en veel vergeet.
Die kun je in je klas een taak geven die elke dag uitgevoerd moet worden, laten we zeggen, de planten water geven. Of het bord mooi schoon maken. Het gaat nog niet eens om het ‘wat’, maar vooral om de regelmaat van de handeling.

Innerlich stark werden die Menschen werden, wenn man zum Beispiel zu den Kindern sagt: Du tust heute dies, und du tust heute das, und ihr beide werdet morgen und übermorgen dasselbe tun. – Da tun sie es auf Autorität hin, weil sie einsehen, daß einer in der Schule befehlen muß. Also: einem jeden eine Art Handlung für jeden Tag zuweisen, die sie dann jeden Tag unter Umständen das ganze Schuljahr hindurch, vollbringen – das ist etwas, was auf die Willensbildung sehr stark wirkt.

Innerlijk sterke mensen worden het wanneer men bijvoorbeeld tegen de kinderen zegt: jij doet vandaag dit en jij doet dat en jullie zullen morgen en overmorgen hetzelfde doen. Dan doen ze het op grond van de autoriteit van de leraar, omdat ze inzien dat er één in de school het voor het zeggen heeft.
Nogmaals: geef iedereen iedere dag iets te doen, iets wat iedere dag misschien wel een heel schooljaar lang gedaan moet worden – dat is iets wat heel sterk werkt op de vorming van de wil.

Steiner noemt hier niet – maar door schade en schande wordt men wijzer – dat je dan als leerkracht bijzonder goed moet weten welke opdracht je aan welk kind hebt gegeven en vooral: zie jij zelf dat die wordt uitgevoerd. Het is minstens ook een grote wilsoefening voor de leerkracht!

Ja, als hij het zelf consciëntieus naleeft, versterkt het de autoriteit van de leraar en schept het contact tussen de leerlingen onderling. Maar voor de relatie leraar/kind en voor de gevoels- en wilsontwikkeling van de leerling zal het geen vrijblijvend iets zijn, wanneer de leerkracht zijn aanpak versloft.

Aan het eind van de voordracht begint Steiner met wat een zeer belangrijk aspect van het vrijeschoolonderwijs is: het kunstzinnige. En omdat deze voordracht de wil als onderwerp heeft, gaat hij summier in op de samenhang van ‘wil en dit kunstzinnige’, toegespitst op de vraag:

Blz. 77  vert. 76

Warum wirkt denn ganz besonders das künstlerische Element auf die Willensbildung?

En waarom nu werkt heel in het bijzonder het kunstzinnige element op de vorming van de wil?

Dan zien we in het antwoord ‘de herhaling’ terugkomen. met name voor het gevoel: iets kunstzinnigs je eigen maken, is fijn, daar geniet je van, niet eenmalig, maar steeds weer. En als een soort voedsel voor het zielenleven wil Steiner deze kunstzinnigheid in het onderwijs een grote plaats geven.

Hij had hier nog aan toe kunnen voegen, dat in het oefenen, het steeds weer opnieuw oppakken en doorzetten, de wil wordt aangesproken, juist ook in zijn ‘hogere’ vormen: je wenst het je op deze manier te maken, bij hoe het wordt zal heel vaak doorklinken dat je het toch nog anders, mooier, beter had gewild en ook hier de herhaling: je moet er telkens weer aan beginnen, eraan werken, het vervolmaken.

Weil das ja im Üben erstens auf Wiederholung beruht, zweitens aber auch, weil dasjenige, was sich der Mensch künstlerisch aneignet, ihm immer wieder Freude macht. Das Künstlerische genießt man immer wieder, nicht nur das erste Mal. Es hat schon in sich die Anlage, den Menschen nicht nur einmal anzuregen, sondern ihn unmittelbar immer wieder zu erfreuen. Und daher haben wir das, was wir im Unterricht wollen, in der Tat zusammenhängend mit dem künstlerischen Element.

Ten eerste omdat de oefening daarin op herhaling berust, maar ten tweede omdat alles wat de mens zich op kunstzinnige wijze eigen maakt hem steeds weer vreugde schenkt. Van het kunstzinnige geniet men steeds weer en niet alleen de eerste keer. Het is het kunstzinnige eigen dat het de mens niet slechts één keer inspireert, maar steeds weer direct vreugde schenkt. En daarom hangt dat wat we met ons onderwijs beogen inderdaad samen met het kunstzinnige element.
GA 293/74-76
Vertaling/74-76

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1963-1847

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-6)

.

Enkele gedachten bij blz. 72 t/m 76 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

WENS, VOORNEMEN EN BESLUIT

In deze 4e voordracht gaat het over ‘manifestaties’ van de wil. ‘Wil’ opgevat als wat vanuit ‘een binnenwereld buitenwereld kan worden’.
In dit artikel werd geconstateerd dat in de vier natuurrijken alleen de dieren en de mens ‘wil’ in zich dragen.

tweede mens

In het vorige artikel sprak Steiner op blz. 72 over ‘een tweede mens’ in ons, die hij op blz. 73 de ‘andere mens’ noemt, tevens de ‘betere mens’ in ons. Die neemt zich voor een verrichte handeling de volgende keer beter te doen.
Als onbewust, onderbewust voornemen zou dit altijd als ondertoon meeresoneren.

voornemen en besluit als ‘kiem’

Het blijft voor mij een moeilijk te bevatten onderwerp: dat de impuls van wat je wilt, eigenlijk pas realiteit wordt na je dood. Terwijl je toch juist heel vaak je wilsimpuls die je nu voelt, hebt, binnen niet al te lange of wellicht toch pas later, realiseert, uitvoert. Het gaat, zoals in de 2e voordracht naar voren komt, om de ‘kiem’ ervan.
Dit geldt ook voor de wens.
Wanneer deze wens in ons om iets een volgende keer beter te doen, sterker wordt, ontstaat in je het gevoel ‘om dat ook echt te gaan doen’, en dan kun je spreken van ‘een voornemen’.
In onze eigen levenservaring kennen we dat fenomeen allemaal: door de omstandigheden ben je ertoe gebracht; je bent in een situatie terechtgekomen waarin het voornemen sterker wordt: ‘En nu ga ik het zó doen!’
Wanneer je het dan daad!-werkelijk zo doet, op het punt staat om, dan kun je toch spreken van een besluit.
“Ik heb het vaste voornemen om…’ ‘Mijn besluit staat vast (om…) nemen toch een bijna concrete vorm aan.

Maar ook over dit voornemen en besluit zegt Steiner dat het in de ziel als kiem aanwezig blijft. De ziel moet eerst van het lichaam bevrijd zijn:

blz. 74  vert. 73

Und erst wenn die Seele einmal vom Leibe befreit sein wird, wird aus diesem Vorsatz der Entschluß. Der Vorsatz bleibt ganz keimhaft in der Seele liegen; dann folgt der Entschluß später nach. 

En pas wanneer de ziel eens van het lichaam bevrijd zal zijn, dan ontstaat uit dit voornemen het besluit. Het voornemen blijft in de ziel geheel als kiem aanwezig; het besluit volgt later.

zevenledige wil

Zoals we al zagen, verbindt Steiner de zevenledige wil aan de zevenledige mens.
Het instinct aan het fysieke lichaam.
Omdat we zelf ook over een fysiek lichaam beschikken, kunnen we dit instinctmatige meevoelen en beleven en dus beter begrijpen.
Dat geldt ook voor::
De drift aan het etherlijf en de begeerte aan het astraallijf.
Ook hebben we een Ik, waar het motief bijhoort.

Maar in dit leven beschikken we nauwelijks over de wezensdelen die boven het Ik uitgaan: geestzelf, levensgeest en geestmens.
Daarom is het niet eenvoudig, wellicht onmogelijk om helemaal te doorgronden hoe de samenhang is met wens, voornemen en besluit.

blz. 74   vert. 73/74

Und der Entschluß sitzt ebenso im Geistesmenschen, wie der Vorsatz im Lebensgeist und wie der reine Wunsch im Geistselbst sitzt. Fassen Sie also den Menschen als wollendes Wesen ins Auge, so können Sie alle diese Bestandteile finden: Instinkt, Trieb, Begierde und Motiv, und dann leise anklingend das, was schon im Geistselbst, im Lebensgeist und im Geistesmenschen lebt als Wunsch, Vorsatz und Entschluß.

En het besluit ligt in het gebied van de geestesmens, zoals het voornemen in de levensgeest en de zuivere wens in het geesteszelf ligt. Neemt u de mens dus als wilswezen in ogenschouw, dan kunt u alle elementen vinden: instinct, drift, begeerte en motief en dan klinkt als ondertoon mee, wat als in het geesteszelf, de levensgeest en de geestesmens leeft: wens, voornemen en besluit.

de werking van het Ik aan de wezensdelen

In [1-7-2/8] wordt er iets gezegd over: geestzelf, levensgeest en geestmens. Daarbij gaat het om de invloed die het Ik op de ons ter beschikking staande wezensdelen heeft. En kan hebben, wanneer we bewust proberen deze invloed te vergroten.
Maar  hoe moeilijk is het niet om bv. iets aan ons eigen karakter te veranderen. In wat ‘in onze aard’ ligt. Telkens weer moet je a.h.w. opnieuw beginnen. Eigenlijk kun je – ook al slaag je daarin – nooit zeggen, dat het nu genoeg is, dat je er bent, dat het goed is, zo. Het resultaat ligt, zolang je leeft, eigenlijk voortdurend in de toekomst.
Geestzelf, levensgeest en geestmens als omgewerkte wezensdelen resp. astraallijf, etherlijf en fysiek lichaam, zijn dus dit leven nooit volledig te ontwikkelen. We weten simpelweg niet wat dit ‘volledig’ is, hoe het bereikt wordt en wanneer.
En in deze sfeer bevinden zich ook wens, voornemen en besluit, die blijven hierbij eigenlijk alleen maar op een toekomst gericht die we in wezen niet kennen.

We kunnen er ons alleen een voorstelling van maken; we hebben er slechts een beeld van:

blz. 74  vert. 74

Das hat nun für die Entwickelung des Menschen eine große Bedeutung. Denn was da leise lebt als sich aufbewahrend für die Zeit nach dem Tode, das lebt sich im Bilde aus beim Menschen zwischen Geburt und Tod. Da bezeichnet man es dann mit denselben Worten. Vorstellungsmäßig erleben wir auch da Wunsch, Vorsatz und Entschluß. Aber nur dann werden wir in menschlich entsprechender Weise diesen Wunsch, Vorsatz und Entschluß erleben, wenn diese Dinge in richtiger Art heran- gebildet werden. Was Wunsch, Vorsatz und Entschluß eigentlich in der tieferen Menschennatur sind, das tritt nicht hervor beim äußeren Menschen zwischen Geburt und Tod. Die Bilder treten im Vorstellungsleben hervor. Sie wissen ja gar nicht, wenn Sie nur das gewöhnliche Bewußtsein entwickeln, was Wunsch ist. Sie haben stets nur die Vorstellung des Wunsches. 

Dat is nu van groot belang voor de ontwikkeling van de mens. Want wat daar zo voorzichtig klinkt en nog bewaard blijft voor de tijd na de dood – dat manifesteert zich als beeld in de mens tussen geboorte en dood. Men geeft het daar dezelfde namen. Ook daar beleven wij in onze voorstelling wens, voornemen en besluit. Maar we zullen deze wens, dit voornemen en dit besluit alleen op waarlijk menselijke wijze beleven, wanneer deze dingen op de juiste wijze gevormd worden. Bij de mens tussen geboorte en dood treedt niet duidelijk aan de dag wat wens, voornemen en besluit eigenlijk in de diepere natuur van de mens zijn. De beelden komen in het voorstellingsleven te voorschijn. U weet namelijk geenszins wat een wens is, wanneer u slechts het gewone bewustzijn ontwikkelt. U heeft altijd slechts de voorstelling van de wens.

blz. 75    vert.  74/75

Daher glaubt Herbart, es sei überhaupt in der Vorstellung des Wunsches schon ein Strebendes vorhanden. Beim Vorsatz ist es ebenso; vor ihm haben Sie auch nur die Vorstellung. Sie wollen so und so etwas tun, was sich real unten in der Seele abspielt, aber Sie wissen ja nicht, was da zugrunde liegt. Und nun erst der Entschluß! Wer weiß denn etwas davon?

Daarom meent Herbart [4] dat reeds in de voorstelling van de wens een streven aanwezig is. Bij het voornemen is het precies zo — ook daarvan heeft u slechts de voorstelling. U wilt iets op een of andere manier doen – en dit speelt zich ook werkelijk diep in de ziel af – maar u weet echter niet wat daaraan ten grondslag ligt. En dan het besluit – wie weet daar nu iets van?

Und dennoch muß in alle diese drei Seelenkräfte regelnd und ordnend der Unterrichter und Erzieher eingreifen.

En toch moeten opvoeder en pedagoog sturend en ordenend inwerken op deze drie zielenkrachten.

pedagogische consequenties

In GA 294 verbindt Steiner ‘de wens’ aan een pedagogische situatie:

GA 294  blz. 59  vert. blz. 68

Das wird außerordentlich gut auf das Kind in methodischer Beziehung wirken, wenn Sie ihm in den ersten Stunden davon gesprochen haben, daß es Schreiben, Lesen und Rechnen zwar jetzt noch nicht kann, aber alle diese Dinge in der Schule lernen wird. Dadurch prägt sich in dem Kinde die Hoffnung aus, der Wunsch, der Vorsatz, und es lebt sich durch das, was sie selber tun, in eine Ge­fühlswelt hinein, die wieder Ansporn ist zur Willenswelt. Also selbst das können Sie tun, daß Sie in bezug auf das Erzieherische das, was Sie später tun wollen, nicht unmittelbar an das Kind heranbringen, sondern es einige Zeit in der Erwartung lassen. Das wirkt außerordentlich gün­stig auf die Willensausbildung des werdenden Menschen.

Methodisch zal het al bijzonder werkzaam zijn als u het kind in de eerste uren [5] hebt verteld dat het weliswaar nu nog niet kan schrijven, lezen en rekenen, maar dat het dat allemaal op school zal leren. Daardoor ontwikkelt zich in het kind een hoop, een wens, een voornemen. En de kinderen leven zich, door wat ze zelf doen, in een gevoelswereld in, die zelf weer een aansporing is van de wil. Dus u kunt zelfs zo te werk gaan dat u, als een pedagogische maatregel, de kinderen niet direct aanreikt wat u later gaat doen, maar ze eerst enige tijd in ‘verwachting’ laat. Dat werkt buitengewoon gunstig op de wilsontwikkeling van de opgroeiende mens.

Dan volgen er twee uitspraken die weliswaar in deze context worden gesproken, maar die een veel algemener karakter dragen: [6]

Man muß gerade mit dem arbeiten, was in den Tiefen unten in der Menschennatur sich abspielt, wenn man erziehend und unterrichtend arbeiten will.

Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.

Es ist immer außerordentlich wichtig, daß man sich als Erzieher und Unterrichter bewußt werde: Es genügt nicht, den Unterricht einzurichten nach dem gewöhnlichen Menschenverkehr, sondern man muß diesen Unterricht aus der Erfassung des in- neren Menschen heraus gestalten.

Het is buitengewoon belangrijk dat men zich als opvoeder en pedagoog er steeds van bewust is, dat men er niet mee kan volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar dat men dit onderwijs moet vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Steiner gaat nu in op wat het betekent het onderwijs in te richten ‘volgens de gewone omgangsnormen’ en neemt als voorbeeld ‘het gangbare socialisme’ in Rusland.
Op zich een interessante uiteenzetting, maar in 2019 kan dit geen voorbeeld meer zijn voor ‘de inrichting van het onderwijs volgens de gewone omgangsnormen’.

We zouden voorbeelden moeten vinden waarbij sprake is van dat er iets in het vrijeschoolonderwijs wordt of moet worden ingevoerd.
En bij het ‘hoe’ in te voeren, zou het uitgangspunt dan o.a. moeten zijn: dat men er niet mee kan volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar dat men dit onderwijs moet vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Hoe kun je ‘computerles’ geven, vormgegeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Er zijn ook leerkrachten die van mening zijn dat yoga en/of mindfulness op de vrijeschool gegeven zouden moeten worden.
Welke inzichten in de innerlijke mens geven daarvoor een basis?

En is deze opmerking uit de context te lichten om deze in een groter verband ook serieus te nemen?:

blz. 76   vert. 76

Hier muß besonders achtgegeben werden. Es müssen Menschen da sein, welche wissen, daß der Fortschritt nach der sozialen Seite ein um so intimeres Erfassen des Menschen von seiten der Erziehung fordert. Daher muß man wissen, daß gerade von dem Zukunftserzieher und unterrichter das Innerste der Menschennatur angefaßt werden muß, daß man mit diesem In- nersten der Menschennatur leben muß und daß der gewöhnliche Verkehr, wie er sich zwischen den Erwachsenen abspielt, nicht im Unterricht angewendet werden darf.

Dit vraagt om de grootst mogelijke oplettendheid. Er moeten mensen zijn die weten dat vooruitgang in sociaal opzicht van de kant van de opvoeders een des te intiemer inzicht in de mens vereist. Daarom moet men weten dat juist de opvoeder en de pedagoog van de toekomst tot de innerlijke kern van de menselijke natuur moeten doordringen, dat men met deze kern moet leven en dat de gewone manier van omgaan tussen volwassenen onderling niet in het onderwijs mag worden toegepast.

Zou dit ‘in sociaal opzicht’ niet ook gewoon weggelaten kunnen worden, geldt dit niet algemener in de zin van ‘iedere ontwikkeling van het kind?’

Steiner komt met nóg een voorbeeld, dat sterk doet denken aan de in de jaren zeventig van de vorige eeuw populaire ‘anti-autoritaire opvoeding’. 

blz. 77  vert. 76:

Was will man denn heute nach dem sogenannten sozialistischen Programm? – Man will die Kinder so miteinander in Verkehr treten lassen, wie es bei den Erwachsenen der Fall ist. Das aber ist das Falscheste, was man in der Erziehung tun kann. Man muß sich bewußt sein dessen, daß das Kind noch etwas ganz anderes an Seelenkräften und auch an Körperkräften zu entwickeln hat, als die Erwachsenen im Wechselverkehr mit- einander zu entwickeln haben. 

Want wat wil men dan tegenwoordig volgens dat zogenaamde socialistische programma? Men wil dat de kinderen op dezelfde manier met elkaar omgaan als volwassenen dat doen doen. Maar dat is de grootste fout die men in de opvoeding kan maken. Men moet zich ervan bewust zijn dat het kind nog heel andere zielenkrachten en lichamelijke vermogens moet ontwikkelen dan de volwassenen in de omgang met elkaar.

In een volgend artikel [nog niet oproepbaar] gaat Steiner dieper in op het verschil volwassene-kind.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] In o.a. GA 297 gaat Steiner nader in op Herbart – vertaald op deze blog blz.23
[5] Rudolf Steiner over de 1e klas – het eerste uur
[6] Deze ‘algemene’ uitspraken binnen een bepaalde context heb ik verzameld onder de naam: Rudolf Steiner – wegwijzers

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1946-1830

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (5)

.

Ulrike Staudenmaier, Erziehungskunst okt. 2015
.

vragen BIJ DE kindertekening
.

Wanneer je de veranderingen in de kindertekeningen gedurende een bepaalde tijd met elkaar vergelijkt, zie je stap voor stap de ‘landing’ van het kind op aarde. Van het eerste ‘lichaamsbeeld’ gaan de tekeningen over op het uitbeelden van wat de kinderen zien en zich voorstellen. 
De vraag wat er in deze tekeningen tot uitdrukking komt, gaat Ulrike Staudenmaier na.

In de loop van hun ontwikkeling worden door de kinderen emoties, voorvallen, ruzies en ziekte, maar ook vreugde en je heel fijn voelen, in ‘tekens’ op papier gezet.

Met verbazing heb ik in de beelden de weg van ‘kosmische’ beweging via het weergeven van de eigen lichaamsontwikkeling tot aan het afbeelden van wat waargenomen wordt, meebeleefd. Daarbij kunnen veel vragen ontstaan, waarop een antwoord komt wanneer je het beeld nabeleeft.

Andere beelden onthullen zich bij het nadenken over hun ‘symboolgehalte’ – het huis dat voor de eigen lichamelijkheid kan staan, of het schip dat wij op een bepaalde tijd nieuwe wateren op moeten sturen.

Hoe staat het met de ‘koppoters’?

Al jaren houdt de vraag me bezig: waarom schilderen alle kinderen in de loop van hun ontwikkeling ‘koppoters’? Dat er ‘mensafbeeldingen’ zijn vóór de koppoters opduiken, is bekend. Geen ontwikkeling loopt lineair. Maar de koppoters zijn geen ‘mislukte’ mensbeelden! Ze worden al te lang en te duidelijk getekend en dat zeker vanuit een innerlijke reden. Van het beeld van de boom weet men – eventueel ook weer door een of andere geniale ‘realistische’ boom – dat de boom eerst als ‘lichaamsboom’ opduikt. De ruggenwervels, ribben, zenuweinden, long of aderen worden zo aangegeven dat het kind in de veronderstelling verkeert dat het een ‘boom’ heeft getekend.

Dit ‘organische’ geheugen – een begripsbepaling van Arno Stern – dat wij bij de boom in vele varianten kennen – zelfs in de combinatie boom-mens – wordt gedurende een bepaalde ontwikkelingstijd door de kinderen in beelden uitgedrukt. Het zijn groeiprocessen of orgaanontwikkelingen die uit de diepte van het onbewuste tot thema van de kindertekeningen worden, ook wanneer het kind daar niets van weet. Denk eens aan de eerste huizen! De schoorsteen maakt een hoek als van een omhooggestoken arm, want het kind beleeft zijn lichaam als een huisje waar het ingetrokken is.

Zou het niet kunnen zijn dat bij het maken van de koppoter een vormverhaal geschilderd wordt dat ons iets van het proces van de groei van de beenderen vertelt?

Kijk eens naar de volgende beelden van mensen in de volgorde waarin ze gemaakt werden:

1.
ontstond op de leeftijd van 4 jaar en 7 maanden.
Het meisje heeft een groot blad in de lengte gekozen om zichzelf als skiester af te beelden:

Wat opvalt is de rode draaiing die in het daarvoor al lichtbruin getekende hoofd gezet werd en waarvandaan de rode benen (eveneens in de al eerder lichtbruin getekende benen) komen. De rode kleur betekent hier een ‘krachtenconcentratie’ in het hoofd die zich ‘uitstort’ in de beide benen.

2.
Op nr. 2 (door hetzelfde meisje getekend zoals ook alle andere tekeningen) zie je drie figuren waarbij zowel armen als benen uit het hoofd komen. De schouders zijn bij het linker en de middenfiguur bruin aangezet. Alleen het kleine kind dat beneden op de wei ligt en door de linker figuur bij de hand wordt gehouden, heeft armen die niet vanaf het hoofd komen – zeldzaam!:

3.
Nu komt beeld 3, een van de vele boom-mens-tekeningen die afwijkt van het gebruikelijke. Wat geoefend werd, gaat niet lineair verder.:

4.
Afbeelding 4 gaat met het verbeelden van de mens weer verder, zo dat benen en armen vanuit het hoofd vandaan worden getekend. In de tekening vermengen zich bepaalde belevingsniveaus zeer sterk. Je herkent in de lange bloem links met de vele rode ‘knoppen’ dat hier een lichaamsproces naar voren komt dat aan de werking van de rug doet denken. Een ander vlak is dat van de hand in de broekzak, een spiegelbeeld van wat zelf is waargenomen en het huis toont weer zoveel ramen dat je hier de wakkerheid en de nieuwsgierigheid van de tekenaar in dit huis verbeeld vindt.:

Beelden worden in de leeftijd tussen 3 en 6 vaak vanuit verschillende niveaus geïmpulseerd.

5.
Hoe komt een kind ertoe de mens als een vijfpuntige ster te tekenen? Die vormt hier heel duidelijk het centrum en wordt door een stralende boog (poort, aura) omgeven. Over de vijfster heeft Rudolf Steiner – voor zover ik weet – maar een keer in Parijs gesproken [1] en deze genoemd in samenhang met symbolische vormen. Maar ik denk wel dat je met deze inhoud behoedzaam moet omgaan en de kinderbeelden er niet mee moet ‘overladen’.
Duikt daarentegen de tweeheid zo vaak op als in het hier getekende beeld, dan is in het algemeen een bewustzijnsproces aangeduid, ook als dat nog niet door het kind bespiegeld kan worden.

6.
Anders is afbeelding 6, zeven maanden later. Nu weet het kind dat ze naar de 1e klas gaat en wat ze beleeft (het circus) wordt tot thema. Nu tekent het kind helemaal uit de voorstelling.:

De koppoter spiritueel bekeken

Laten we nog eens naar de koppoter kijken. Hoe ervaren kinderen onbewust de groei van hun botten, m.n. die van armen en benen? Vanuit welke laag of door welke kracht worden kinderen aangezet armen en benen vanuit het hoofd vandaan te laten gaan?

Op deze vraag vond ik bij Steiner in zijn ‘Esoterische voordrachten [2] een antwoord. Hij schetst hier dat in de eerste zeven levensjaren de hele mens vanuit het hoofd wordt gevormd. ‘Ieder bot’,  aldus Steiner. ‘is zo gebouwd zoals het vanuit het hoofd gevormd moet worden.’

Door het embryologie-onderzoek weten we dat het hoofd het grootst is en markant aanwezig. Zijn uiterlijke vorming is ook voor die van het overige lichaam afgesloten (met ongeveer drie jaar).

Vanuit een ander gezichtspunt formuleert Steiner die botvorming in het boek [3] zo: ‘Je kan de hersenen van de mens alleen begrijpen, wanneer je er de botvormende tendens in kan zien die in het allereerste ontstaan onderbroken wordt. En alleen dan kan je de botvorming begrijpen, wanneer je daarin een geheel tot afronding gekomen impulswerking van de hersenen herkent.’

In de Algemene menskunde [4] gaan de voordrachten 10 en 13 over de vorming van de ledematen.

Nu kan je je afvragen of de botvorming en de vorming van de ledematen identiek zijn. Misschien moet je dan bedenken, dat Steiner daar over schoolkinderen spreekt. In zekere zin dus vanuit een ander ‘vlak’.
Wanneer je naar de lichamelijke activiteit kijkt vanuit een astraal standpunt, dan ontstaat er weer een ander beeld dan dat je krijgt vanuit een etherisch standpunt.

In de boven aangehaalde tekst wordt de botvorming gedacht als vanuit het hoofd geïmpulseerd. Wat de groei betreft, zoals in de Algemene menskunde geschetst, stroomt wat geest-ziel is vanuit de kosmos  komend door de ledematen naar binnen. Nu wordt begrijpelijk dat wat in het leven gebeurt, niet alleen aan het tekenen van bloemen, daken van huisjes of bergen (wanneer de tanden doorbreken) kan worden afgelezen, maar ook aan de tekeningen van mensen. Wanneer benen en armen uit het hoofd groeien, tekent het kind niet op deze manier omdat het nog niet anders kan, maar omdat een innerlijk vormproces tot uiting wil komen.

Het gezonde van het spontaan tekenen zit in het feit dat de tekenaar iets naar buiten kan brengen en daarmee op een bepaalde manier een ‘gezonde vertering’ mogelijk maakt.

Alle kinderen over de hele wereld – wanneer ze de mogelijkheid krijgen te tekenen – doen dat met een zelfde vormtaal, tot de door de lichaamsprocessen geïmpulseerde beelden langzaam overgaan in tekeningen, die het kind ‘met een bedoeling’, dus door zijn voorstellingen gestuurd, op papier zet.

Het schijnt een oerbehoefte van de mens te zijn, zijn ontwikkeling ook tekenend na te doen.

[1] GA 94 12e vdr. 8-6-1906
Niet vertaald
[2]
GA 236 10e vdr. 16-05-1924
Vertaald
[3] GA 27
Vertaald
[4] GA 293
Vertaald
.
Kindertekeningen: alle artikelen

Peuter en kleuteralle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

In een reactie op Facebook waarop dit artikel ook verscheen, merkt Joep Eikenboom op:
Wat ik vervolgens weer zo grandioos vind, is dat bv. in de periode Dierkunde dezelfde ontwikkelingsstappen overdrachtelijk weer aan de orde komen: inktvis (koppoter), de zogenaamde rompdieren en als ideaalbeeld de mens (hoofd, romp én ledematen). Wat hebben we toch een fantastisch leerplan.
.
Joep over het werk van Audrey MacAllen
.

1944-1828

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 67 en 68 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Verschillen in de wezensdelen

Om de overeenkomsten en de verschillen in kaart te brengen van de vier wezensdelen, gaat dat vaak zo:

In het natuurrijk vinden we het aardrijk: de mineralen, gesteenten – het fysieke.
Dat stukje aarde draagt de mens met zich mee in het fysieke lichaam.

We vinden er ook het plantenrijk. De planten hebben alle een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang de plant leeft. Dit stukje van de plantenwereld draagt de mens met zich mee in wat we leven noemen: het levens- of etherlijf.
T.o.v. het fysieke kan je het leven niet ‘een hogere lichamelijkheid’ noemen: het is totaal iets nieuws en dat kenmerkt dit rijk.

We vinden er ook het dierenrijk. De  dieren hebben alle een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang het dier leeft. Wat het dier tot dier maakt, is de wereld van zijn belevingen, zijn gevoelens. Dit stuk van de dierenwereld draagrt de mens met zich mee in wat we een deel van het menselijk zielenleven kunnen noemen.
T.o.v. het leven(de) kan je de be-leving niet ‘een hogere levensvorm noemen: het is 

We vinden er ook het mensenrijk. De mensen hebben allen een fysiek lichaam dat aanwezig is zo lang de mens leeft. De mens heeft evenals het dier belevingen en gevoelens. Wat de mens tot mens maakt, is zijn eigen wereld, die van zijn Ik, het feit dat hij niet alleen bewustzijn heeft, maar over zijn eigen bewustzijn kan reflecteren: zelfbewustzijn.
T.o.v. de belevingen en gevoelens kan je het Ik-beleven als unieke persoonlijkheid niet een ‘hogere’ beleving noemen in de zin van ‘nog meer beleving en gevoelens’, het is volstrekt een nieuw element wat bij de dieren ontbreekt.  Het Ik is totaal iets nieuws en dat kenmerkt dit rijk.
In dit opzicht kan je daarom ook niet spreken van de mens als hoger dier.

Dat kan ook al niet, volgens Steiner, wanneer je naar het fysieke lichaam kijkt:

( ) wissen: so wie der Mensch in seiner Seele umkleidet ist mit dem physischen Leib, so ist auch das Tier mit einem physischen Leib umkleidet, aber der physische Leib des Tieres ist in vieler Beziehung anders gestaltet als der des Menschen. Der physische Leib des Menschen ist nicht eigentlich vollkommener als der des Tieres. 

Zoals de menselijke ziel door een fysiek lichaam omhuld wordt, wordt ook het dier door een fysiek lichaam omhuld, maar het fysieke lichaam van het dier is in velerlei opzicht anders ge­vormd dan dat van de mens. Men kan eigenlijk niet zeggen dat het fysieke lichaam van de mens volmaakter is dan dat van het dier.

Dat een mens in velerlei fysiek opzicht niet zoveel kan als het dier, zou er al toe moeten leiden dat men niet ‘zo maar’ spreekt van de mens als hoger dier. In fysiek opzicht staat de mens vaak lager, als je bij deze terminologie blijft.
Waar het om fysieke prestaties gaat die de mens evenals het dier kan leveren, blijft de eerste ver achter. Letterlijk al, als we kijken naar bijv. de snelheid die sommige dieren kunnen bereiken met rennen:

Hoe knap de perstatie ook is: 100m in 10 sec., het komt niet in de buurt van de 174 km/u die het jachtluipaard haalt. 
Naar welke menselijke lichamelijke prestatie je ook kijkt die je ook bij de dieren kan waarnemen: de mens komt er zeer bekaaid vanaf – een nachtvlinder is al sneller – om niet te spreken van ‘onbeholpenheid’.
En vanuit deze optiek kun je inderdaad niet zeggen dat het lichaam van de mens volmaakter is dan dat van een dier.

Anderzijds kan de mens met zijn lichaam prachtige prestaties leveren: de vingervlugheid van de pianist(e), violist(e) enz. De enorme behendigheid die sporters aan de dag kunnen leggen: de kunstrijders op de schaats, de turners enz. 
Wanneer je deze fenomenen bekijkt, zie je dat waar de mens tot grote lichamelijke prestaties komt, deze niets meer te maken hebben met wat de dieren lichamelijk kunnen: in het dierenrijk vinden we geen turners, snookerspelers, streetdancers of drummers.

En kijk je bijv. naar een triatlon, dan zie je mensen die op drie gebieden heel goed kunnen zijn. Als je dat wil vinden in het dierenrijk, zoek je tevergeefs.
Een dier is goed in één ding; een mens kan goed zijn in veel meer dingen.
Hij kan ook kiezen waar hij voor gaat. Dat is in het dierenrijk volkomen afwezig: daar is geen keuzevrijheid.
Of, zoals Leen Mees zo simpel als treffend opmerkte: ‘een dier doet wat het moet’.

En ‘hoe’ het moet, wordt in zeer sterke mate bepaald door hoe het dier is gebouwd. De vorm dicteert a.h.w. de gedragingen. 

Met deze poten kun je niet in een boom klimmen:

wel uitstekend zwemmen! (poot van zwaan)

En met deze uitstekend klimmen! (poot van eekhoorn)

Aan de vorm kun je zien wat er wel en niet mee kan. Voor een dier bestaat, zoals gezegd, de keuze niet om er ‘dit of dat’ mee te doen. Het doen ligt a.h.w. in het verlengde van de vorm.
Met onze handen en voeten kunnen we beide – wel niet zo goed – zwemmen en klimmen.

Steiner neemt de bever als voorbeeld:

Der physische Leib des Menschen ist nicht eigentlich vollkommener als der des Tieres. Denken Sie an solche aus der Reihe der höheren Tiere, wie an den Biber, wenn er seinen Biberbau formt. Das kann der Mensch nicht, wenn er es nicht lernt, wenn er nicht sogar eine sehr komplizierte Schulung dazu durchmacht, wenn er nicht Architektur lernt und dergleichen. Der Biber macht seinen Bau aus der Organisation seines Leibes heraus. Es ist einfach sein äußerer, physischer Leib so geformt, daß er sich in die äußere physische Welt so einfügt, daß er das, was in den Formen seines physischen Leibes lebt, zur Herstellung seines Biberbaues verwenden kann. Sein physischer Leib selbst ist in dieser Beziehung sein Lehrmeister. Wir können die Wespen, die Bienen, können auch die sogenannten niederen Tiere beobachten und werden in der Form ihrer physischen Leiber finden, daß darin etwas verankert ist, was im physischen Leibe des Menschen in dieser Ausdehnung, in dieser Stärke nicht vorhanden ist.

Men kan eigenlijk niet zeggen dat het fysieke lichaam van de mens volmaakter is dan dat van het dier. Denkt u maar aan de hogere diersoorten, hoe bijvoorbeeld de bever zijn bouwsels vormt. Dat kan de mens niet, wanneer hij het niet leert, wanneer hij niet – op hoog niveau! – ge­schoold is en architectuur en dergelijke bestudeerd heeft. Het bouwwerk dat de bever maakt, wordt bepaald door de bouw van zijn lichaam. Zijn stoffelijke, fysieke lichaam is eenvoudig zo gebouwd, dat de bever zich zo in de fysieke wereld om hem heen voegt, dat hij voor de vervaardiging van zijn bouwwerken kan gebruiken wat in de vormen van zijn fysieke lichaam leeft. Zijn fysieke lichaam zelf is in dit opzicht zijn leermeester. We kunnen wespen, bijen en ook de zogenaamde lagere dieren waarnemen en we zullen vinden dat in de vorm van hun fysieke lichaam iets verankerd ligt, dat in dezelfde omvang, in dezelfde mate niet aanwezig is in het fysieke lichaam van de mens.

Dit ‘iets’ dat daar verankerd ligt en dat in het gedrag van het dier naar buiten komt, moeten we, als we vasthouden aan ‘een binnenwereld die buitenwereld kan worden’ wat we dus onder ‘wil’ rangschikken, dan dus ook ‘wil’ noemen. Met de aantekening dat er eigenlijk niets te willen valt: het dier móet zich zo gedragen. Gedrag in het verlengde van zijn lichaamsbouw: dat is voor Steiner instinct.

In het dagelijks taalgebruik wordt ‘instinct’ niet alleen gebruikt om aan te geven wat er hierboven over werd opgemerkt.

Hier worden een aantal omschrijvingen gegeven. Daaronder ook op een bepaalde manier gedefinieerd, wat Steiner er hier over zegt:
Een instinct is een soortspecifiek en erfelijk vastgelegd gedragspatroon, waarbij ervaring of leren geen rol speelt. Het instinct van een organisme is genetisch vastgelegd, waarbij specifieke actiepatronen (stimulus-respons) optreden als een gebonden keten van reflexen (Eng: fixed action patterns),

Waar Steiner een verschil maakt tussen instinct en drift, wordt dat in het huidige spraakgebruik soms door elkaar gebruikt:

instinct: aangeboren aandrift bij (dierlijke) wezens om onbewust doeltreffend te handelen. Aangeboren, onbewuste, innerlijke drang, natuurdrift.

Het is soms nog lastiger wanneer het in één adem wordt genoemd met ‘intuïtief’. ‘Instinctief voelde hij aan, dat…..’ Wij zeggen dat ook van dieren in de natuur die bijv. ‘weten’ wat ze wél of niet moeten eten. ‘Ze voelen dat instinctief aan.’ Ook Steiner gebruikt instinctief in deze betekenis. In GA 106/152, vertaald, 11e vdr. spreekt hij over de mens die in vroegere ontwikkelingsfasen ook instinctief aanvoelde wat goed of niet goed voor hem was wat voedsel betreft.

In de Algemene Menskunde gaat het hier over kwaliteiten van de wil. Behorend bij het fysieke lichaam, is dat het instinct.

Steiner:

Das ist alles das, was wir umfassen mit dem Begriff des Instinktes; so daß wir den Instinkt in Wirklichkeit nur studieren können, wenn wir ihn im Zusammenhange mit der Form des physischen Leibes betrachten. Studieren wir die ganze Tierreihe, wie sie sich außen ausbreitet, so werden wir in den Formen der physischen Leiber der Tiere überall drinnen die Anleitung haben, die verschiedenen Arten der Instinkte zu studieren. Wir müssen, wenn wir den Willen studieren wollen, ihn zuerst aufsuchen im Gebiete des Instinktes und müssen uns bewußt werden, daß wir den Instinkt auffinden in den Formen der physischen Leiber der verschiedenen Tiere. Wenn wir die Hauptformen der einzelnen Tiere ins Auge fassen und aufzeichnen würden, so würden wir die verschiedenen Gebiete des Instinktes zeichnen können. Was der Instinkt als Wille ist, das ist im Bilde die Form des physischen Leibes der verschiedenen Tiere. Sie sehen, da- durch kommt Sinn in die Welt hinein, wenn wir diesen Gesichtspunkt anlegen können. Wir überschauen die Formen der physischen Tierleiber und sehen darin eine Zeichnung, welche die Natur selbst von den Instinkten schafft, durch die sie verwirklichen will, was im Dasein lebt.

Dat alles vatten wij samen in het begrip instinct. We kunnen dus het instinct in feite alleen bestuderen, wanneer we het in verband brengen met de vorm van het fysieke lichaam. Bestuderen we de dierenwereld in zijn geheel, in al zijn uiterlijke vormen, dan zullen we in de vormen van de fysieke lichamen van de dieren altijd de richtlijn vinden voor de bestudering van de verschil­lende soorten instinct. Wanneer we de wil willen bestuderen, moeten we deze het eerst zoeken op het gebied van het instinct; we moeten ons bewust worden dat we het instinct vinden in de vormen van de fysieke lichamen van de verschillende dieren. Wanneer we de hoofdvormen van de afzonderlijke dieren zou­den bekijken en tekenen, dan zouden we de verschillende ge­bieden van het instinct kunnen tekenen. Wat het instinct als wil inhoudt, dat wordt duidelijk in het beeld dat de vorm van de fysieke lichamen van de verschillende dieren vertoont. Wan­neer we dit gezichtspunt kunnen hanteren, dan krijgt de wereld zin, zoals u ziet. We laten onze blik gaan over de vormen van de fysieke lichamen der dieren en zien daarin een tekening die de natuur zelf maakt van de instincten en waardoor ze wil realise­ren wat er in het bestaan leeft.
GA 293/68
Vertaald/68

Een schema maken kan verhelderend werken. Zoals al vaker opgemerkt: een schema benadrukt de ‘losse’ delen, die echter meestal in een verband staan met elkaar. Bij het schematiseren mag je dat verband eigenlijk niet uit het oog verliezen. 
Ook hier is dat heel belangrijk. Zoals het fysieke lichaam in stand wordt gehouden door het etherlijf, staat dit laatste dus ‘hoger’, doordringt het fysieke lichaam. Het instinct, dus hier gekoppeld aan het fysieke lichaam, wordt óók doordrongen door wat als wil bij het etherlijf hoort. Dat noemt Steiner ‘drift’. Maar nog weer ‘hoger’ vinden we eerst het gewaarwordingslichaam als de omhulling van de gewaarwordingsziel en het wilsaspect dat daar bijhoort, is de begeerte, die op haar beurt de drift doordringt. 

In zijn boek ‘De twaalf driften‘ merkt Frits Julius op:

‘Een van de grootste moeilijkheden van de huidige dierpsychologie ligt in het feit, dat men deze lagen van de wil niet goed weet te onderscheiden. Men kan zonder dit te doen echter nooit een zuivere systematiek van de wilsuitingen ontwikkelen.

In verband met de buitengewone veelvormigheid van het dierenrijk zijn de instincten uitermate gedifferentieerd. Elke instincthandeling apart is veelal scherp omschreven en lokt daardoor tot studie en heldere analyse, maar men komt, wanneer men op de veelheid van de instinct-handelingen ingaat, in een zee van onoverzichtelijke bizonderheden terecht.

Wij nemen dus de driften als uitgangspunt, die veel overzichtelijker en veel gelijkvormiger over het gehele dierenrijk heen zijn. Bijna alle dieren hebben b.v. de behoefte om te eten. Aan deze behoefte ligt een drift ten grondslag. De instincten daarentegen regelen de aard van het voedsel en de wijze, waarop het opgenomen wordt. Zij doen dit bij iedere diersoort verschillend. Dit staat natuurlijk in verband met de bouw van de bek, de tanden, de darmen, enz. Een zoetwaterpoliep, een koe, een zwaluw, stoppen zichzelf telkens vol met deeltjes. Op dit punt lijken zij op elkaar. Dat er ook verschillen zijn merkt men pas goed, wanneer men een koe in de gedachten muggen laat vangen of een zwaluw gras laat eten. Op deze wijze kunnen wij ons oefenen driften en instincten zo scherp mogelijk te onderscheiden.’

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

Campagne: instinct

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1916-1800

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – nabootsing (14-3)

.

Op deze blog wordt in verschillende artikelen ingegaan op het belang van de nabootsing bij de ontwikkeling van het kleine kind tot mens.

In een artikel over ‘aandacht‘ staat een opmerking van Arie Bos uit zijn ‘Mijn hersenen denken niet, ik wel’, met een illustratie van de hersengroei, of juist het ontbreken daarvan i.v.m. ‘aandacht’.

Enige tijd geleden stond er een artikel in de krant over ‘Oxana, het hondenmeisje’.
Niet mensen waren haar voorbeeld, maar honden.

Op Youtube is te zien hoe zij zich gedroeg. In het commentaar erbij wordt opgemerkt:

‘Kinderen kunnen de gewoontes van de schepselen om zich heen nadoen. Wanneer die schepselen menselijke wezens zijn, worden zij menselijke wezens. Maar, zoals u weet, zij (Oxana) had honden om zich heen, dus werd ze meer een hond dan een mens.’

Het meisje loopt inmiddels rechtop en kan spreken, maar er wordt over haar gezegd: ‘Ze zal nooit als een normaal mens worden beschouwd.’

Een neurowetenschapper zegt:

‘Ik denk echt dat ze van binnen bang zijn, bang van veel; want het brein houdt ons in leven. Het is erg behoudend en iedere neurale activiteit, elke zintuigindruk, elke informatie die nieuw is, wordt gezien als potentiële bedreiging tot het tegendeel is bewezen. En voor deze kinderen, omdat ze niet de ervaringen hebben die het brein helpt systemen te organiseren om de wereld als zinvol te beleven, heeft de wereld nooit zin.’

Als een rode draad loopt het belang van de nabootsing door het pedagogisch werk van Steiner.
Zonder nabootsing van wat in moreel opzicht waard is nagebootst te worden, ontstaat er in de mens geen moraliteit, geen vrijheid – die zo wezenlijk bij de mens horen.

.

N.a.v. dit artikel zegt Miriam Haenen op vrijschool Facebookgroep:

Nabootsing is een van de grootste geheimen. We kennen het woord, denken het te begrijpen, en iedere keer weer ervaar ik diep, hoe er een nieuw fijnzinnige begrijpen zich kan vormen. Als ik iemand wil leren zwemmen, moet/moed ik eerst zelf leren zwemmen. Als een kind op aarde komt en de moed heeft om mens te willen worden, kan het dat alleen maar leren, van de mens die zelf de moed heeft om, ONGOING meer mens te willen worden… Het NABOOTSEN van menswording heeft zijn diepste leerperiode in de ”FORMATIVE” jaren…De eerste zeven jaren. Iedere keer weer kan ik diep geraakt worden in het werken met leerkrachten en opvoeders, hoe krachtig hun eigen ”formative” nabootsing, onbewust doorwerkt in hun werk met… Needless to say, dat dat het allerkrachtigste voor opvoeders in die eerste zeven jaar beweegt, vandaar is een gestage zuivere innerlijke ontwikkeling = een warm moedig bewegen naar vol mens te groeien…” voor opvoeders in deze fase van menswording van nog essentiëler belang als in alle fasen daaropvolgend.
.

Menskunde en pedagogie: over nabootsing onder nr. 14

.

1915-1799

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

over de wil – vervolg

Deze voordracht gaat vooral over de wil.
Als het over de wil gaat, is deze bij Steiner onlosmakelijk verbonden met ‘toekomst, met wat nog komen moet: o.a. wil als nog niet uitgevoerd gevoel [4-1] en in het veelvuldig karakteriseren: teruggehouden gevoel;

kijk je naar de fysieke kant: het steeds zich vernieuwende bloed;
kijk je naar de geestelijke kant: de scheppende gedachtestroom van de fantasie, van het creëren;

de ideeën in een soort ‘status nascendi’. Het verwezenlijken = verwerkelijken, het woord zegt het al – van de wil, betekent dat ‘iets’ in verschijning treedt, werkelijkheid wordt, aards wordt, concreet, wat zonder beweging, activiteit, niet tot stand komt.

Deze ‘in-de-wereld-plaatsing’ legt Steiner nu a.h.w. langs de negen- of zevenledige mens – zie voor een uitgebreide uiteenzetting de artikelen van [1-7-2]

Ik heb in de verschillende psychologische gezichtspunten van anderen geen indeling van de wil kunnen vinden die zo direct met de verschillende aspecten van het menselijk zijn samenhangt, dan die Steiner naar voren brengt.

Bij ieder wezensdeel waarmee we ‘iets’ in de wereld zetten – grofweg gezegd: waarmee we onze wil manifesteren, geeft Steiner een speciale nuancering van de wil bij dit wezensdeel. 

Tegelijkertijd komt hij hiermee over de dieren te spreken. Zij zijn het immers die in de vier natuurrijken: mineraal, plant, dier en mens, het eerste rijk zijn waarbij sprake is van een beweging van binnen naar buiten. In ander verband werd opgemerkt dat de dieren – niet de gesteenten en de planten – een ziel hebben en ‘ziel’ werd al gekarakteriseerd als ‘het vermogen om de binnenwereld tot buitenwereld te maken’.
En aangezien wij als mens een deel van de ziel gemeenschappelijk hebben met de dieren, is dus de logische consequentie dat iets opmerken over de menselijke wil ook inhoudt dat je iets opmerkt over de dierlijke wil. Of weer anders gezegd: over het naar buiten komen van het dierlijke gevoel, van wat de dieren beleven en de manier waarop ze die belevingen vertonen.

Steiner komt tot deze indeling:

GA 293/72   
Vertaald/71

Ook hier gelden weer zijn opmerkingen over het eigenlijk niet kunnen indelen van wat er zich in een levend organisme afspeelt: zie [1-7]

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je met je kennis in wil gaan op de werkelijkheid, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar zetten, maar het moet duidelijk zijn voor je, dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden dat er op de een of andere manier iets te voorschijn komt dat het meest opvalt, dat echter wel de overige elementen van de werkelijkheid daar ook in zitten en dat overal waar anders iets op de achtergrond blijft, dit aan de andere kant op een ander terrein van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond komt te staan.
GA 202/58
Vertaald

Vanaf 4-3-1 wordt er nader ingegaan op deze ‘metamorfosen van de wil’:
Instinct
drift
begeerte
motief
wens
voornemen
besluit

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen
.

1913-1797

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-2)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

over de wil

In deze voordracht gaat het vooral over de wil en wat daarmee samenhangt. In de 2e voordracht heeft Steiner ook al over de wil gesproken en een van de belangrijkere eigenschappen van de wil bracht hij in verband met ‘de toekomst’.
[2-3] blz. 33-35

Een bijna vanzelfsprekende gedachte: wanneer je iets wil doen – we kunnen ook zeggen: wil gaan doen, hebben we het nog niet gedaan: onze daad ligt nog in de (nabije) toekomst. Die is nog geen realiteit. 
Maar als we dan wél tot het uitvoeren zijn overgegaan, is het vaak zo, dat niet alles is gelukt, tot standgekomen, wat je wilde. Door allerlei oorzaken kan het zijn dat je plan niet volledig uit de verf is gekomen. Vaak gaat dit met de gevoelens gepaard: ‘Dat komt dan later nog wel een keer’, in alle mogelijke varianten. Of je weet dat het er niet of nooit meer van komt: ‘Het is nu eenmaal zo; niets meer aan te doen.’
Interessant is dit ‘later’. Komt het er echt nog van, ooit, of niet meer. 

Maar ook al zou het allemaal wél gelukt zijn, blijft er, volgens Steiner altijd toch nog iets liggen:

Blz. 62  vert. 62

Es bleibt im Menschen, wenn er einen Willensentschluß ausführt, immer etwas übrig, was sich nicht erschöpft in dem Leben bis zum Tode hin; es bleibt ein Rest, der im Menschen fortlebt und der gerade von jedem Willensentschluß und jeder Willenstat durch den Tod sich fortsetzt.

Wanneer de mens een wilsbesluit uitvoert, blijft er altijd iets in hem over wat in het leven tot de dood niet volledig wordt verbruikt. Van ieder wilsbesluit en iedere wilsdaad blijft er een rest over die in de mens voortleeft en zich voortzet door de dood heen.

Dieser Rest muß durch das ganze Leben und insbesondere auch im kindlichen Alter berücksichtigt werden.

Met deze rest moet gedu­rende het hele leven en in het bijzonder ook in de kindertijd rekening worden gehouden.

Hoe we daar in de kindertijd rekening mee kunnen houden, staat o.a. in GA 294, de 3e en 4e voordracht.

Na dit aanstippen van het ‘kiemkarakter’ van de wil, herhaalt Steiner met een paar woorden enige aspecten van de drieledige mens. Daar is v.a. [1-7-2/1] uitvoerig aandacht aan besteed.

Blz. 63  vert. 62/63

Wir wissen, wenn wir den vollstandigen Menschen betrachten, so betrachten wir ihn nach Leib, Seele und Geist. Der Leib wird zunachst, wenigstens seinen gröberen Bestandteilen nach, geboren. Das Genauere darüber finden Sie in meinem Buche «Theosophie». Der Leib wird also in die Vererbungsströmung einbezogen, tragt die vererbten Merk-male und so weiter. Das Seelische ist schon in der Hauptsache das, was aus dem vorgeburtlichen Dasein sich verbindet mit dem Leiblichen, hinuntersteigt in das Leibliche.

Beschouwen we de mens in zijn totaliteit, dan doen we dat, zoals u weet, naar lichaam, ziel en geest. Het lichaam, althans de grovere bestanddelen, wordt het eerst geboren. Hoe dat precies zit, kunt u vinden in mijn boek Theosofie.0 Het lichaam wordt dus opgenomen in de erfelijkheidsstroom, het draagt de erfelijke kenmerken, enzovoort. De ziel is al in hoofdzaak dat­gene wat komt uit het bestaan voor de geboorte en zich verbindt met het lichamelijke, wat afdaalt tot in het lichamelijke.
GA 293/62-63
Vertaald/62-63

0Theosofie. GA 9, vertaald. Essentie van het mens-zijn. Dit boek, dat tot
de basiswerken van de antroposofie behoort, beschrijft op systematische
wijze het wezen van de mens, reïncarnatie en karma, het leven na de
dood en de weg tot inwijding. Onder het kopje ‘De zielenwereld’ schetst
Steiner hoe in de zielenwereld de verschillende ‘zielsvormen’ elkaar aantrekken of afstoten; deze wereld wordt beheerst door de twee fundamentele krachten sympathie en antipathie.

In de 2e voordracht:

Wenn nun das Kind auf den physischen Plan herausgetreten ist, dann müssen wir uns bewußt sein, was eigentlich für das Kind geschehen ist im Übergang von einem geistigen zu einem physischen Plan. Sehen Sie, da müssen wir vor allen Dingen uns bewußt werden, daß sich das Menschenwesen wirklich aus zwei Gliedern zusammensetzt. Bevor das Menschenwesen die physische Erde betritt, wird eine Verbindung eingegangen zwischen dem Geist und der Seele; dem Geist, insofern wir darunter verstehen dasjenige, was in der physischen Welt heute noch ganz verborgen ist und was wir anthroposophisch-geisteswissenschaftlich nennen: der Geistesmensch, der Lebensgeist, das Geistselbst. Mit diesen drei Wesensgliedern des Menschen ist es ja so, daß sie gewissermaßen in der übersinnlichen Sphäre vorhanden sind, zu der wir uns nun hindurcharbeiten müssen, und wir stehen zwischen dem Tod und einer neuen Geburt schon in einer gewissen Beziehung zu Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst. Die Kraft, die von dieser Dreiheit ausgeht, die durchdringt das Seelische des Menschen: Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseele und Empfindungsseele.

Wanneer het kind fysiek geboren wordt, dan moeten we ons ervan bewust zijn wat er eigenlijk met het kind gebeurd is bij de overgang van een geestelijk bestaan naar een fysiek bestaan. Welnu, daarbij moeten we in de eerste plaats bedenken dat het mensenwezen0 in werkelijkheid uit twee delen bestaat. Voordat de mens de fysieke aarde betreedt gaan geest en ziel een verbin­ding aan; onder geest wordt hier verstaan dat wat in de fysieke wereld tegenwoordig nog geheel verborgen is en wat we in de antroposofische geesteswetenschap noemen: de geestesmens, de levensgeest, het geesteszelf. Met deze drie wezensdelen van de mens is het zo, dat ze zich in zekere zin in de bovenzinnelijke sfeer bevinden, een sfeer waar wij nu weer naar toe moeten werken. Wij hebben tussen de dood en een nieuwe geboorte al een zekere verbinding met de geestesmens, de levensgeest en het geesteszelf. De kracht die uitgaat van deze drie samen door­straalt de ziel van de mens: de bewustzijnsziel, de verstands- of gemoedsziel en de gewaarwordingsziel.
GA 293/22-23
Vertaald/22

0geestzelf: Al naar gelang de situatie koos Steiner een wisselend gezichtspunt om het wezen van de mens te beschrijven. De termen die hij in deze cursus meermalen gebruikt (zie m.n. de vierde voordracht) zijn ontleend aan het negenledige mensbeeld, dat in lichaam, ziel en geest telkens drie componenten onderscheidt. Het geestzelf (geestelijk zelf
of hoger ik), de levensgeest en de geestesmens (in hindoeïstische terminologie: manas, boeddhi en atma) zijn de geestelijke ‘voorbeelden’ van resp. het astrale lichaam (met het lagere ik), het etherische en het fysieke lichaam. De mens moet zich deze geestelijke lichamen in de toekomst nog eigen maken.
Zo worden ook in de ziel drie aspecten onderscheiden: de gewaarwordingsziel, de verstands- of gemoedsziel en de bewustzijnsziel, die tegelijkertijd stadia van individualisering van de ziel uitdrukken.
Het lichaam tenslotte is te onderscheiden in een fysieke, een etherische
of vitale en een zintuiglijke component.
Zie De wetenschap van de geheimen der ziel, GA 13,  het hoofdstuk ‘Het wezen van de
mens’ en het gelijknamige hoofdstuk in Theosofie. Zie ook het nawoord
‘Rudolf Steiner en de pedagogie

Hier noemt Steiner geest: ‘wat in de fysieke wereld tegenwoordig nog geheel verborgen is: de geestesmens, de levensgeest, het geesteszelf. Deze wezensdelen bevinden zich in zekere zin in de bovenzinnelijke sfeer.’

Op blz. 63 komt hij er zo op terug:

Aber das Geistige ist im gegenwartigen Menschen – in dem Menschen einer femeren Zukunft wird es ja anders sein – eigentlich nur seiner Anlage nach vorhanden. Und hier, wo wir die Grundlagen zu einer guten Padagogik legen wollen, müssen wir auf das Rücksicht nehmen, was im Menschen der heutigen Entwickelungsepoche nur der Anlage nach als Geistiges vorhanden ist. 

Maar de geest is in de mens van deze tijd – in de verre toekomst zal het anders zijn — eigenlijk slechts in aanleg aanwezig. En nu we de basis willen leggen voor een goede pedagogie moeten wij rekening houden met de geest die, zij het slechts in aanleg, aanwezig is in de mens in het huidige stadium van ontwikke­ling.

Wat in de 2e voordracht even werd aangegeven, wordt hier verder uitgewerkt:

Machen wir uns zunachst einmal ganz klar, was als solche Anlagen des Menschen fur eine feme Menschheitszukunft vorhanden sind.

Laten we ons eerst heel duidelijk voor ogen stellen wat voor kiemen voor de mensheid in de verre toekomst in de mens van nu aanwezig zijn.
GA 293/63
Vertaald/64

GEESTZELF

Omdat er in de 2e voordracht weinig over werd gezegd, heb ik er in [1-7-2/8] nog e.e.a. bij gezocht. 
Steiner gaat er in deze 4e voordracht zo mee verder:

Da ist zunächst das vorhanden, eben nur der Anlage nach, was wir nennen das Geistselbst. Das Geistselbst werden wir nicht unter die Bestandteile, unter die Glieder der menschlichen Natur ohne weiteres aufnehmen können, wenn wir von dem gegenwärtigen Menschen sprechen; aber ein deutliches Bewußtsein vom Geistselbst ist insbesondere bei solchen Menschen vorhanden, die auf das Geistige zu sehen vermögen. Sie wissen, daß das gesamte morgenländische Bewußtsein, insofern es gebildetes Bewußtsein ist, dieses Geistselbst «Manas» nennt und daß von Manas als etwas im Menschen Lebendem in der morgenländischen Geisteskultur durchaus gesprochen wird. Aber auch in der abendländischen Menschheit, wenn sie nicht gerade «gelehrt» geworden ist, ist ein deutliches Bewußtsein von diesem Geistselbst vorhanden. Und zwar sage ich nicht ohne Bedacht: ein deutliches Bewußtsein ist vorhanden; denn man nennt im Volke – hat wenigstens genannt, bevor das Volk ganz ergriffen worden ist von der materialistischen Gesinnung – das, was vom Menschen übrigbleibt nach dem Tode, die Manen. Man spricht davon, daß nach dem Tode übrigbleiben die Manen; Manas = die Manen. Ich sagte: ein deutliches Bewußtsein hat das Volk davon; denn das Volk gebraucht in diesem Falle den Plural, die Manen. Wir, die wir wissenschaftlich mehr das Geistselbst noch auf den Menschen vor dem Tode beziehen, sagen in der Einzahl: das Geistselbst. Das Volk, das mehr aus der Realität, aus der naiven Erkenntnis heraus über dieses Geistselbst spricht, gebraucht die Mehrzahl, indem es von den Manen redet, weil der Mensch in dem Augenblick, wo er durch die Pforte des Todes geht, aufgenommen wird von einer Mehrzahl von geistigen Wesenheiten. Ich habe das schon in einem anderen Zusammenhang angedeutet: Wir haben unseren per- sönlichen führenden Geist aus der Hierarchie der Angeloi; darüberstehend aber haben wir die Geister aus der Hierarchie der Archangeloi, die sich sogleich einschalten, wenn der Mensch durch die Pforte des Todes geht, so daß er dann sofort sein Dasein in gewisser Beziehung in der Mehrzahl hat, weil viele Archangeloi in sein Dasein eingeschaltet sind. Das fühlt das Volk sehr deutlich, weil es weiß, daß der Mensch, im Gegensatz zu seinem Dasein hier, das als eine Einheit erscheint, sich dann mehr oder weniger als eine Vielheit wahrnimmt. Also die Manen sind etwas, was im naiven Volksbewußtsein von diesem der Mehrzahl nach vorhandenen Geistselbst, von Manas, lebt.

Ten eerste is er – slechts in aanleg dus – dat wat we het geesteszelf noemen. Sprekend over de mens van nu zullen we het geesteszelf niet zonder meer kunnen rekenen tot de be­standdelen, de wezensdelen, van de mens. Maar een duidelijk bewustzijn van het geesteszelf  hebben met name die mensen die in de geestelijke wereld kunnen schouwen. U weet dat in het bewustzijn van het gehele Morgenland – althans in ontwikkel­de kringen – dit geesteszelf ‘manas’ genoemd wordt en dat er in de geestelijke cultuur van het Morgenland zeer zeker ook sprake van is dat het manas in de mens leeft. Maar ook bij de mensheid van het Avondland – tenminste bij mensen die nu juist niet ‘geleerd’ zijn — bestaat er een duidelijk bewustzijn van dit geesteszelf. Ik zeg dit weloverwogen: er bestaat een duidelijk bewustzijn van. Want men noemt in het volk – althans dat heeft men gedaan, voordat het volk volledig in de ban is geraakt van de materialistische zienswijze — datgene wat van de mens na de dood overblijft: de manen. Men zegt dat na de dood de manen overblijven.0 Manas = de manen. Ik zei dat het volk daar een duidelijk bewustzijn van heeft. Het volk gebruikt namelijk in dit geval het meervoud: de manen. Wij die vanuit wetenschap­pelijk oogpunt het geesteszelf meer relateren aan de mens voor de dood, gebruiken het enkelvoud: het geesteszelf. Het volk dat meer redeneert vanuit de realiteit, vanuit naïeve kennis, ge­bruikt het meervoud: manen, omdat de mens op het moment dat hij door de poort van de dood gaat wordt ontvangen door meerdere geestelijke wezens. Dat heb ik in ander verband al aangeduid: we hebben onze persoonlijke geestelijke leider in de hiërarchie van de engelen;0 daarboven zijn er de geesten uit de hiërarchie van de aartsengelen, die zichzelf onmiddellijk in­schakelen zodra de mens door de poort van de dood gaat. Na de dood heeft de mens dan ook onmiddellijk als het ware een bestaan in meervoud, omdat vele aartsengelen deel uitmaken van zijn bestaan. Dat voelt het volk heel duidelijk, omdat het weet dat de mens zichzelf daar min of meer als meervoud waar­neemt – in tegenstelling tot zijn bestaan hier, dat zich als enkel­voud voordoet. Wat in het naïeve volksbewustzijn leeft van dit in meervoud aanwezige geesteszelf, het manas, dat zijn dus de manen.

0 Het woord – dat alleen in het meervoud voorkomt – hangt samen met het Latijnse woord ‘manes’:
00geesten van de gestorvenen. de hiërarchie van de engelen: In zijn benamingen van de hogere geestelijke wezens knoopt Steiner o.a. aan bij Dionysius de Areopagiet (een
leerling van Paulus), wiens leer volgens Steiner in de zesde eeuw voor een deel te boek is gesteld. Dionysius onderscheidde negen rangen (hiërarchieën) van geestwezens, waarvan de laagste rang, de engelen, tot taak heeft de individuele mens te begeleiden. Zie o.m. De wetenschap van de geheimen der ziel, GA 13 en Kosmische hiërarchieën GA 110.
.

Maar evenals in de 2e voordracht, besteedt Steiner niet veel aandacht aan de levensgeest en de geestmens. In [1-7-2/8] gaf ik nog een paar aanvullingen.

LEVENSGEEST    GEESTMENS

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist dann das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Er ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird. Und dann das Höchste, was im Menschen ist, was gegenwärtig eben nur der ganz geringfügigen Anlage nach vorhanden ist, das ist der eigentliche Geistesmensch.
Wenn nun aber auch im gegenwärtigen, hier auf der Erde zwischen Geburt und Tod lebenden Menschen diese drei höheren Glieder der Menschennatur nur der Anlage nach vorhanden sind, so entwickeln sie sich, allerdings unter dem Schutze höherer geistiger Wesenheiten, zwischen Tod und neuer Geburt doch sehr bedeutsam. Wenn also der Mensch stirbt und sich in die geistige Welt wieder hineinlebt, entwickeln sich diese drei Glieder, gewissermaßen vordeutend ein zukünftiges Menschheitsdasein, sehr deutlich. Also geradeso wie der Mensch sich in seinem jetzigen Leben geistig-seelisch zwischen Geburt und Tod entwickelt, so hat er auch nach dem Tode eine deutliche Entwicklung, nur daß er dann, gleichsam wie an einer Nabelschnur, an den geistigen Wesenheiten der höheren Hierarchien dranhängt.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel wei­nig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomst van de mensheid zal ontwikkelen. En dan is er het hoogste in de mens, wat tegenwoordig nog maar als uiterst kleine aanzet bestaat, en dat is de eigenlijke geestesmens.
Ook al zijn in de mensen die nu tussen geboorte en dood op aarde leven deze drie hogere wezensdelen van de menselijke natuur slechts in aanleg aanwezig, ze ontwikkelen zich – welis­waar onder de hoede van hogere geestelijke wezens – toch in belangrijke mate tussen dood en nieuwe geboorte. Wanneer de mens dus sterft en zijn levensweg weer vervolgt in de geeste­lijke wereld, ontwikkelen zich deze drie wezensdelen heel dui­delijk en laten in zekere mate al een toekomstig mensheidsbestaan zien. Dus net zoals de mens in zijn leven nu tussen ge­boorte en dood zijn ziel en geest ontwikkelt, maakt hij ook na zijn dood een duidelijke ontwikkeling door – zij het dat hij dan als het ware met een navelstreng verbonden is met de geeste­lijke wezens van de hogere hiërarchieën.

Met het noemen van de de ziel rondt Steiner a.h.w. dit overzicht van de drieledige mens af om dan te beginnen met de lichamelijke kant van de mens:

Fügen wir nun jetzt zu den heute kaum wahrnehmbaren höheren Gliedern der Menschen natur dasjenige hinzu, was wir jetzt schon wahrnehmen. Das ist zunächst das, was sich ausprägt in der Bewußtseinsseele, in der Verstandes- oder Gemütsseele und in der Empfindungsseele. Das sind die eigentlichen Seelenbestandteile des Menschen. Wollen wir heute beim Menschen von der Seele sprechen, wie sie im Leibe lebt, so müssen wir von den eben angeführten drei Seelengliedern sprechen.
Wollen wir von seinem Leibe sprechen, so sprechen wir von dem Empfindungsleib, dem feinsten Leib, den man auch astralischen Leib nennt, von dem ätherischen Leib und dem groben physischen Leib, den wir mit unseren Augen sehen und den die äußere Wissenschaft zergliedert. Damit haben wir den ganzen Menschen vor uns.

Aan deze tegenwoordig nog maar nauwelijks waar te nemen hogere wezensdelen van de mens voegen we vervolgens toe wat we nu al wel waarnemen. In de eerste plaats is dat datgene wat tot uitdrukking komt in de bewustzijnsziel, de verstands- of gemoedsziel en in de gewaarwordingsziel.0 Dat zijn de ei­genlijke zielenelementen van de mens. Willen we in deze tijd spreken over de ziel van de mens, levend in het lichaam, dan moeten we het hebben over de zojuist genoemde drie zielenelementen. Willen we over het lichaam spreken, dan moeten we het hebben over het gewaarwordingslichaam, het fijnste lichaam, dat men ook wel het astrale lichaam noemt, het etherlichaam en het grove fysieke lichaam dat we met onze ogen zien en dat door de reguliere wetenschap geanalyseerd wordt. Dat is de mens in zijn totaliteit.
GA 293/64-65
Vertaald/64-65

0zielengeest of geestziel en het lichamelijk-lijfelijke of lijfelijk-lichamelijke samengevoegd: Steiner hanteert hier op een wat speelse manier twee dubbele begrippen voor de twee zijden van de mens. Het eerste, ‘geestziel of
zielengeest’, verwijst duidelijk naar de nauwe verbinding tussen de geest
en de ziel van de mens; het tweede – in het Duits Körperleib resp. Leibeskörper – verwijst naar de verbondenheid van het fysieke (körperliche) aspect
van het lichaam met het etherische, van levenskracht doortrokken (leibliche) aspect ervan

Over de hierboven genoemde wezensdelen sprak Steiner ook in de 2e voordracht. Ik heb daar aandacht aan besteed in:  vanaf [1-7-2]

De ‘wil’ lijkt even verdwenen, maar die komt straks weer terug en wordt in verband gebracht met de in deze voordracht opnieuw gekarakteriseerde wezensdelen.

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 4: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1900-1784

.

**

VRIJESCHOOL – Ritme (3-17/2)

.

Rinke Visser, Jonas 21, 17-06-1977

.

ROMMELEN MET DE TIJD

Om kwart voor één stapten we op de fiets. Na een kwartier fietsen kwamen we thuis. De zonnewijzer naast de keukendeur wees aan dat het tien voor half twaalf was. Dat hadden we dus mooi snel gedaan.

Een kind kan niet begrijpen dat het al naar bed moet. Het slapen lukt ook maar slecht. Het is nog zo licht.

Veel kinderen zijn al moe als ze ’s morgens op school komen, hoorde ik onlangs van een leraar uit de laagste klassen, ’s Avonds vallen ze niet makkelijk in slaap, ’s morgens is het al weer vroeg dag. ‘Mam, wat eten we vroeg’. ‘Nee jongen, het is zes uur’. Op een sombere ochtend kun je je over het schemerige licht verbazen.

Zo hebben we de laatste maanden interessante ervaringen kunnen opdoen.

De zomertijd is weer in Nederland ingevoerd. Hoewel het voor heel veel onder ons een nieuwe ervaring is, is het voor Nederland niet de eerste keer dat met het ingaan van het zomerseizoen de klokken verzet worden. Tot aan het begin van onze eeuw kennen we in ons land geen centrale wettelijke voorschriften betreffende de tijdsrekening. Pas in 1909 wordt een wet van kracht die voor heel Nederland de Amsterdamse tijd voorschrijft. Vanaf 1916 kennen we de jaarlijkse invoering en beëindiging van de zomertijd. In 1937 wordt de Nederlandse Tijd ingevoerd. Deze regeling geldt tot 16 mei 1940, toen het de Duitsers beter uitkwam de in Duitsland geldende Midden Europese Zomertijd hier in te voeren. De klokken moesten toen maar liefst 1 uur en 40 minuten verzet worden. Vanaf 1942 werd ieder najaar overgeschakeld op Midden Europese tijd. Na het vertrek van de Duitsers bleven we, wat de tijd betreft, tot Midden-Europa horen: de Midden Europese Tijd die 40 minuten met onze Nederlandse Tijd scheelt (gerekend naar de meridiaan 0 20’ 00”), bleef gehandhaafd. In het maandblad Zenith hebben I. Draaisma en R. Kaarls een uitvoerig artikel gewijd aan tijd en tijdregeling.

De herinnering van de zomertijd blijkt voor veel mensen gunstig uit te vallen. Na enige onzekerheid van ‘hoe zal dat zijn’, komen al snel de voordelen aan het licht. De weldadig lange avonden. Het gevoel dat het al zomer is. En, vooral niet te vergeten, het commerciële profijt. De verkorting van het ochtendlicht is geen tegenwicht van belang, wordt nauwelijks opgemerkt. Eigenlijk alleen maar praktische voordelen dus. En daar ging het toch maar om. Principiële tegenwerpingen kun je trouwens haast niet maken, want de hele tijdrekening is alleen maar een kwestie van afspraken. Afspraken kun je veranderen. Je staat in feite gewoon een uur vroeger op en je gaat een uur vroeger naar bed.

Maar dat zit me toch niet lekker. Er blijft, na alle nuchtere feiten en praktische overwegingen een gevoel van ‘je kunt toch niet zomaar wat rommelen met de tijd?’ Er is, naast alle logica, iets waardoor het niet kan — maar hoe krijg je dat duidelijk voor jezelf? De reacties van de kinderen helpen. Zij leven nog niet in de mechanische tijd van de horloges. Tijd verstrijkt voor hen met het veranderen van het licht. Ook als het bewolkt is. Moeders van jonge kinderen kennen dat goed: de slaaptijd van de kleintjes wordt afgestemd op het ware midden van de dag.

Levensprocessen spelen zich af in een ander tijdritme dan het getik van de klokken. Het is de stijgende en dalende beweging van de zon die zegt hoe laat het is. Ik heb een zonnewijzer nodig waar ik de ware zonnetijd op af kan lezen. Kleine kinderen hebben nog niet de schaduw nodig om te weten hoe licht het is.

Waar het mij om gaat is niet de vraag of we misschien vanaf morgen de plaatselijke ware zonnetijd in moeten voeren. Naast het gebrek aan draagbare zonnewijzers zijn er nog wel enkele bezwaren te bedenken die daaraan verbonden zijn. Punt is of je bewustzijn hebt voor wat je doet. Als je de invoering van de zomertijd afdoet met de vaststelling dat het alleen maar praktisch is, dan loop je ergens aan voorbij: dat wij een gebied in ons meedragen dat met onze horloges niets van doen heeft, waarvoor het tijdsverloop zoals dat door de zon wordt aangegeven, de realiteit is. ’s Morgens zitten we anders in elkaar dan ’s avonds, en daartussen zitten alle nuances die ons van het ochtend-bewustzijn naar het avond-bewustzijn voeren. Het middaguur neemt daarin als wendingspunt een bijzondere plaats in.

Een dag is als een jaar in het klein. Zoals je het ene jaargetijde naar licht en warmte kwaliteiten kunt onderscheiden van het andere, zo ook de uren van de dag. Een vakantie zonder horloge kan je daarin veel leren. Het ene jaargetijde biedt je andere innerlijke mogelijkheden dan het anderen. Ook dat geldt voor de uren van de dag. Die uren zijn dan niet de horloge-afspraak-uren, maar de uren van het dagelijks zonneritme.

Als we ons door onze eigen tijdafspraken in de luren laten leggen, verslapen we de tijd die zich niet door mensenvingers laat verdraaien.

Ik geloof dat het er erg op aankomt, hoe je in de tijd staat. Dat je bewustzijn voor de tijd-kwaliteiten probeert te krijgen. Alleen maar op je horloge kijken en zeggen: ‘het is twaalf uur’, werkt vervuilend op dat gebied in ons dat weet: het midden van de dag valt tegenwoordig om tien over half twee.

.

Ritme: alle artikelen

.

1877-1762

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-6)

.
Signe Roll Wickberg, Die Menschenschule, 27e jrg. nr.2 1953
.

De kracht van de fantasie en de herinnering in de opvoeding

Door de psychologie die aan de pedagogiek van de vrijescholen ten grondslag ligt, kan je tot het inzicht komen, dat alles wat je met het kind doet, zijn groeikracht bevordert of remt.
Je ziet dan dat de kennis die het kind opdoet, eigen moet maken, de vaardigheden die het moet ontwikkelen, maar één doel hebben: een goede groei, een gezonde ontwikkeling van geest, ziel en lichaam.
Daar moeten de opvoeder en de leerkracht naar kijken: dat ieder kind volgens zijn aanleg zijn levenslot, dit doel, zo goed mogelijk kan bereiken?

Hoe moet de leerkracht die beide tegengestelde krachten, de fantasiekracht en het herinneringsvermogen nu behandelen, zodat deze dat doel op een goede manier ondersteunen? Hoe moet hij daarmee omgaan, zodat ze in evenwicht zijn, de fantasiekracht niet met het kind op de loop gaat, het geheugen het niet vastpint en in een te vroege verstarring brengt?

Om die beide krachten te leren kennen, willen we ze, volgens de methode van Goethe, bestuderen aan abnormale gevallen, waarbij ze de overhand hebben of ontbreken.

De arts Carl Ludwig Schleich schreef het boek ‘Vom Schaltwerk der Gedanken‘ (Over het ‘schakelen’ van de gedachten). Daarin beschrijft hij een vrouw die door een bij is gestoken en angstig naar hem toe komt en hoe de kleine bijensteek, terwijl hij ernaar kijkt, zich voor de vrouw in haar voorstelling tot een groot gezwel ontwikkelt.
Bij een andere vrouw die een spijker in haar voet heeft gekregen, ontwikkelen zich door iets soortgelijks alle symptomen van tetanus; bij een derde zelfs alle verschijnselen van een zwangerschap, zonder dat zij zwanger is. De fantasiekracht kan zich dus tot een orgaanvormende kracht ontwikkelen.
Men kent ook in de fysiologie de fantasiesecretie die door Virchow werd onderzocht. ‘Het water komt ons in de mond’, wanneer we iets zien of het ons voorstellen, wat onze genotservaring in het gebied van de smaak oproept.

Het zijn ook de fantasievoorstellingen die, ontdaan van de ideeën van willekeur, doordrongen van helderheid, ons in Goethes metamorfoseleer, in de scheppende krachten van de natuur toegang verschaffen en ‘ontelbare mogelijke planten’ voor het innerlijk oog laten ontstaan. 

Wanneer we aan de andere kant de herinneringskracht willen leren kennen, kunnen we naar het negatieve geval kijken waarbij een mens zijn geheugen verliest. We weten dat zo iemand op reis kan gaan, van de ene plaats naar de andere kan reizen, alles wat erbij hoort normaal kan doen, hoe alles wat hij doet toch geen samenhang vertoont. Hij is zijn naam en zijn hele verleden vergeten. Wat hij nu doet, vertoont geen samenhang met wat er vroeger is gebeurd. Hier zie je de verbinding tussen Ik-bewustzijn en geheugen. – Je hoeft maar een hersenschudding gehad te hebben om deze toestand mild ervaren te hebben.

Het geheugen van de mens gaat zover terug tot de tijd waarop hij zichzelf Ik ging noemen, zo 2 ã 3 jaar.

Kenmerkend voor de kracht van het herinneren is ook dat deze door de kracht die de begrippen vormt, door het intellectuele bewustzijn, beperkt wordt. De Amerikaanse oogarts William Bates vertelt in zijn boek ‘Perfect sight without glasses‘, (Goed zien zonder bril) over een meisje van 10 dat geen regelmatige opvoeding kreeg en dat alles wat ze moest onthouden al spelend makkelijk leerde, b.v. een boek uit het hoofd kende zodra ze het gelezen had, maar dat hardnekkig weigerde om cijfers te leren kennen en te rekenen. – Door de sprookjes en volkssagen die door zingen en vertellen tot ons gekomen zijn, hebben we een bewijs voor het goede geheugen van vroegere generaties. [1]
In onze tijd waarin de intellectuele begrippen door de techniek zogezegd fysieke realiteit aangenomen hebben, is het geheugen verzwakt.

Terwijl de fantasie verlevendigt, de polsslag stimuleert, de ademhaling dieper maakt, verlossend werkt, heeft de herinneringskracht iets samentrekkends, laat de adem vrij naar buiten stromen, brengt rust en stevigte, geeft ruggengraat. Oude mensen die hun herinneringen schrijven, ademen in zekere zin hun leven uit, vóór ze hun laatste adem uitblazen.

Tot het 7e jaar is de fantasiekracht aan het organische gebonden. In de kleuterklas tekenen gezonde kinderen b.v. mensfiguren met grote handen, wanneer ze net met hun handen gewerkt hebben, figuren met grote oren wanneer ze daarvoor heel goed geluisterd hebben.

Na het 7e jaar komt de fantasie losser van het organische, maar wel gebonden aan het gevoel. De kinderen van deze leeftijd leven in het spelen, in het gevoelsleven. Wat ze maken, komt direct vanuit hun ziel via de vingers naar buiten. Daarom zijn het ook geen kunstwerken, hoe bewonderingswaardig ‘het staat’ en hoe mooi ze ook zijn. Pas na het 14e jaar wordt de fantasie vrij, kan door de geest – of door de on-geest – gebruikt worden.

Het lijkt erop dat het kind van 2 of 3 jaar al een geheugen heeft. Een klein kind is b.v. ’s zomers bij een meer geweest. Het heeft steeds een blok hout over de berg meegezeuld en bij het meer aangekomen, zei het steeds ‘ah’. ’s Winters vindt het kind het blok hout, dat lang weg was, weer terug en zegt weer ‘ah’. Het herinnert zich, maar aan de hand van dit ‘merk’teken. *

Na het 3e tot het 7e jaar (en ook nog later) is de herinneringskracht sterk aan de zintuigwaarnemingen gebonden. Waar bloemen sterk geurden, de krachtige geuren in de paarden- of koeienstal, ze worden vastgehouden. De klank van een stem, de kleur van kleding worden later nog levend herinnerd. Na het 7e jaar wordt het dan net als de fantasie, innerlijker, vrijer van het lichamelijke, maar gebonden aan de ziel. 
Wat het hart beroert, dat herinner je je.
Het woord zelf, niet alleen de klank van de stem, wordt nu, vastgehouden als het door een mens gesproken wordt, met wie je in liefde bent verbonden. Pas na het 14e jaar is de geheugenkracht rijp ook meer abstracte dingen vast te houden. De begripsvormende kracht is nu werkzaam. Het geheugen moet dan al goed ontwikkeld zijn, anders kan het niet, wordt het door de intellectualiteit verzwolgen.

Hoe kan de leerkracht deze krachten nu goed gebruiken?

Laten we eerst kijken hoe dit bij het vertellen van sprookjes in de 1e klas gaat. Eerst mogen de kinderen luisterend wat juf vertelt, in zich opnemen en zich laten dragen door de beelden op de vleugels van de fantasie. Op een dag vraagt ze misschien of de kinderen nog weten wat ze de vorige dag verteld heeft. Dat kan niet iedereen. En dat hoeft helemaal niet te zijn omdat ze niet geluisterd zouden hebben. Maar iemand weet wel hoe het begon en hij kan het vertellen. Geleidelijk ziet de leerkracht aan de gezichten hoe de beelden weer uit ‘de zee van het vergeten’ opstijgen. En er volgen bijdragen van kinderen die het zich niet zo makkelijk meer herinnerden. En ten slotte staat het sprookje daar weer door gezamenlijke inspanning. Op deze manier zijn de kinderen van de fantasie-activiteit naar de geheugenactiviteit geleid, aan de hand van sprookjesbeelden. Het zijn de beeldende vormkrachten die nu vrij geworden zijn en als geheugenkracht aangesproken mogen worden.  
Een meer niet waar te nemen, muzikale vorm van geheugenkracht wordt geoefend door de getallen, in ritmen gebracht. En door het reciteren van gedichten worden beide verbonden. Het beeldende is hier in de ritmische woorden gebracht, het melodieus-ritmische aan de andere kant in de beeldrijke woorden. Op deze leeftijd wordt a.h.w. het geheugen van de hele klas geoefend. Beide krachten liggen ook nog dicht bij elkaar.

Langzamerhand tegen het 9e jaar en verder tot het 11e, 12e moet je beginnen sterker een beroep te doen op het geheugen en meer van het individuele kind m.b.t. het herinneringsvermogen te eisen. Wat ze uit het hoofd moeten leren, moet wel iets zijn waar het hart aan meedoet. Zelfs de tafels van vermenigvuldiging moeten hart en adem in beweging brengen, de kinderen moeten ervan gaan houden.
Waarom je niet moet gaan testen, heeft Kristen Koll, oprichter van de vrijeschool in Denemarken, voortgekomen uit de volkshogeschoolbeweging, eens goed gekarakteriseerd. ‘Wanneer ik een erwt in de grond heb gelegd,’ zei hij, ‘haal ik die er toch weer niet uit om te kijken of die al kiemt. Ik vertrouw die aan de aarde, licht en lucht toe, en ik zorg ervoor dat die goed water krijgt en ik vertrouw erop dat ze gaat kiemen.’ Wat de leerkracht door deze jaren heen in beelden aan de kinderen geeft, hoeft niet allemaal door het geheugen te worden vastgehouden. Wanneer het wegzinkt in het onbewuste doet het zijn vormend werk aan het kind, als het maar goed verteld werd. 
Aan de andere kant moeten de kinderen leren dingen te onthouden. En hierbij spelen de periodeschriften op een vrijeschool een grote rol. Wat de kinderen daarin moeten opschrijven en tekenen, moeten mijlpalen zijn waaraan in verder liggende jaren een gevoelvol herinneringsbeeld wakker kan worden voor de lesperioden. 
Op het 11e, tegen het 12e levensjaar bereikt de herinneringskracht een hoogtepunt en vraagt om oefening. In deze tijd kunnen ze lange gedichten, balladen en liederen leren en daar plezier aan beleven.

Vanaf het 12e jaar begint op de vrijescholen het natuurkunde-onderwijs. En hier wees Rudolf Steiner erop dat dit onderwijs met fantasie en schoonheid doorspekt zou moeten worden. Maar net zo bij wat de kinderen over het menselijke lichaam moeten weten. Als dat droog aangeleerd wordt, verkommert de ziel, het intellect wordt star, de fantasie verliest haar vleugels en richt zich op duisterder gebied.

Het geheugen kan op deze leeftijd meer samenhangende dingen vasthouden, zoals chronologie bij geschiedenis, namen en getallen bij aardrijkskunde, grammaticaregels en rekenformules, die vroeger alleen maar geoefend werden.

Heel verschillend moeten de individuele kinderen wat hun fantasie en geheugen betreft, behandeld worden. Met het bleke kind dat snel in de lengte groeit, moet anders worden omgegaan dan het blakende kind met de rode wangen, zoals Rudolf Steiner deze vaker behandelde. Bij het bleke kind moet je vaker door de vingers zien dat het iets niet kan onthouden. Zijn ziel moet zich kunnen ontplooien aan enthousiasmerende beelden, het moet diep leren inademen, zijn hart moet snel kunnen kloppen. Bij het blakende kind moet je het niet laten gaan wanneer het erop aankomt dat het iets helemaal uit het hoofd kent. Het moet sterker leren uit te ademen, moet sterker worden tot in het organische, moet ruggengraat krijgen en Ik-bewustzijn. Het mag niet zwelgen in te veel fantasie-activiteit.

Zo moeten opvoeder en arts elkaar de hand reiken in hun zorg om de gezonde ontwikkeling van het kind. |

Ook de opvoeder werkt door tot in het lichamelijke.
.

[1] C. Grenacher ‘Über die Gedächtniskraft der Analphabeten’, Die Menschenschule 1952, nr. 6
.
*
Zo fietste ik eens ’s zomers met mijn 2-jarig neefje op de verjaardag van mijn moeder, door de polder waar op dat ogenblik een akker werd bespoten door een sproeivliegtuig. Deze ‘koekak’ werd aandachtig gevolgd in opstijgen, rondvliegen en afdalen.
Een jaar later, weer op moeders verjaardag, fietste ik daar weer met mijn neefje voorop de fiets. Plotseling riep hij: ”Koekak, koekak, waar is koekak nou?’ Eerst wist ik niet wat hij bedoelde, maar plotseling herinnerde ik mij het vliegtuig van het jaar daarvoor. Hij dus ook, maar veel eerder dan ik – sterker nog – ik zou er zonder zijn aanleiding – niet aan hebben gedacht.

.

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Gezondmakend onderwijs: alle artikelen

Algemene menskunde: fantasie en herinnering

.

1871-1756

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – aan het begin van het leven (1-5)

.

Anneke Maissan, Weledag Puur Kind, herfst 2000 nr.6

.

De babykamer

Het begint meestal voorzichtig, maar zo tegen de zevende maand krijgen de meeste aanstaande ouders een onweerstaanbare behoefte met de inrichting van de babykamer bezig te zijn. Hoe kom je eigenlijk tot een keuze en waarop baseer je die? Enkele adviezen van consultatiebureau-verpleegkundige Anneke Maissan.

Als je je gaat oriënteren op wat er allemaal te koop is op babygebied, is de kans groot dat je duizelig wordt van het aanbod. Je kunt natuurlijk gewoon kopen wat in de mode of net in de aanbieding is. Maar je kunt het ook anders aanpakken, namelijk door je geconcentreerd in te leven in het kindje dat gaat komen. Meestal zal er dan gaandeweg een gevoel ontstaan voor wat er bij een baby past en wat niet. Belangrijk daarbij is dat een baby op een heel andere manier ziet, hoort en voelt dan jij als volwassene. Probeer je daarom bijvoorbeeld voor te stellen hoe het voor je baby, die negen maanden in een donkere omgeving heeft gedobberd, is om na de geboorte opeens in ‘onze’ wereld terecht te komen. De oogjes hebben tot dat moment nog niets gezien en zonder dat hij zich ertegen kan verweren, is hij nu blootgesteld aan helder licht en felle kleuren.

De werking van kleur en vorm

Volwassenen kunnen zich min of meer afsluiten voor indrukken van buiten, een baby kan dat niet. Die is een en al zintuig: alle gewaarwordingen dringen regelrecht zijn lijfje binnen en werken diep in hem door. Ook geluiden neemt een baby -haast nog meer dan met zijn oren – met zijn hele lichaam waar.

Iedere kleur heeft zijn eigen werking op het organisme van de baby en iedere vorm en beweging die hij ziet en voelt herhaalt hij als het ware innerlijk.

Wanneer je je dat realiseert, zul je voor de babykamer vanzelf kiezen voor een rustige inrichting, waarin je baby zich geborgen kan voelen en de kans krijgt zich in rust en in het bij hem passende tempo te ontwikkelen. Daardoor kan hij, als hij daar klaar voor is, zijn hoofdje leren optillen, gaan omrollen, gaan zitten en staan. En dat is toch het werk waar het in die eerste jaren vooral om gaat. Wanneer hij gezond is en er zo min mogelijk verstorende invloeden om hem heen zijn, doet je baby dit allemaal vanzelf.

Hoge eisen

Hoe zou een babykamer die de ontwikkeling van de baby ondersteunt en ook gezellig is, eruit kunnen zien? In feite kunnen de eisen die je stelt aan de inrichting van de kamer voor je baby niet hoog genoeg zijn. Wat niet betekent dat het ook duur moet zijn.

Wat de kleuren betreft kun je het best kiezen voor effen tinten. Gebruik prettig aanvoelende materialen zoals wol, zijde en katoen. Deze stoffen ademen en nemen geen elektrostatische lading aan. Neem, als eerste opvolger van het allerkleinste huisje waarin je kind voor de geboorte verbleef, liefst een wieg. Als je voor een kinderbedje kiest, maak er dan toch een intieme ruimte van door er een hemeltje boven te hangen. Bij een sluier of hemel voor een wieg of kinderbedje denk ik nog altijd aan het woord ‘meekrap’; een plantaardige kleurstof die ik meer dan twintig jaar geleden gebruikte om de zijde voor het wiegje van mijn eerste kind te verven. Het gaf een prachtige, perzikbloesemachtige kleur. Zijde schijnt fraai door als er licht op valt en is daarom bij uitstek geschikt voor hemeltjes. Nu is het niet meer zo gebruikelijk zelf stof te verven, maar omdat je de kleur net zo licht of diep kunt maken als je wilt, is het wel een leuke manier om naar de tint te zoeken die je het beste vindt passen bij de sfeer waarin jij je pasgeborene wilt ontvangen.

Knuffels

Een rij knuffelbeesten op een plank, kleertjes aan een lijn en een kleurige mobile in het bedje staan heel gezellig. Maar het voortdurend zien van al die voorwerpen in zijn omgeving kan een baby ongedurig maken en het inslapen bemoeilijken. Ook drukke prints op gordijnen en behang kunnen onrustig werken.

Probeer eens vanuit de positie van het hoofdje van je kind zijn kamer rond te kijken en de indrukken over je heen te laten komen. Dan zie je vanzelf wat past en wat niet.

Verder is het aan te raden behalve een commode als aankleed- en opbergplek een makkelijke stoel in de kamer te zetten. Voor een pasgeboren baby is het prettig zoveel mogelijk in de rust van de babykamer te worden gevoed.

Tastzin

Je kindje heeft voor de geboorte alleen water gevoeld en trage, waterige bewegingen gemaakt binnen de omhulling van de baarmoeder. Na de geboorte kan hij veel sneller bewegen en zich daardoor soms verliezen in gemaai met armpjes en beentjes. Geleidelijk aan komt er wat controle over de handjes die, samen met de ogen die zich gaan richten en steeds beter gaan zien, de dingen gaan aftasten. De tastzin is het zintuig waarmee een kind de wereld buiten zich het meest direct waarneemt. Het zit niet alleen in zijn vingertjes, maar in de hele huid die zijn lijfje omsluit. Innerlijk resoneert hij mee met alles wat de huid voelt. Ook daarom kun je beter geen synthetisch materiaal voor wiegbekleding, lakentjes en dekens kiezen. Wanneer de baby er aan toe is iets vast te pakken, zorg er dan voor dat de eerste speeltjes van materiaal zijn gemaakt dat mooi is om te zien en prettig om aan te raken. Als het tasten een aangename gewaarwording geeft, zal de baby dit steeds weer willen doen. Door te kijken en te tasten zal hij belangstelling krijgen voor de dingen die hem omringen. En wanneer dat gebeurt in een sfeer van rust en schoonheid, ervaart hij zijn wereld als goed en veilig. 

.

Voor Steiner begint de mens niet met de geboorte: zijn wezenskern is ‘eeuwig’ en maakt verschillende incarnaties door.
De taak van de opvoeding is o.a. dit op aarde komende wezen te begeleiden.

Algemene menskunde[1-2]   [1-2-1]   [1-6]   [1-9]   [1-10]

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1868-1753

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-7)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

De mededeling van Steiner dat de lichamen van de gestorven mensen, of deze nu begraven worden of gecremeerd is om het even, voedsel vormen voor de aarde waardoor deze niet sterft, is er weer een waartoe je bijna geen toegang krijgt. En er komen allerlei vragen op je af: wat gaat er dan van het zich ontbindende lijk over in de aarde en hoe; heeft het dan iets te maken met de micro-organismen; maar wat dan als de as van de gecremeerde ergens wordt uitgestrooid; wat zit er dan nog in die as. Of moeten we daar nog anders naar kijken.
Steiner heeft er wel voordrachten aan besteed [4] om dit verder uit te leggen.

Aan de andere kant hoeft het ons als principe ook weer niet zo te verbazen. De aarde heeft voortdurend meststoffen nodig om vruchtbaar te kunnen blijven, m.a.w. om op een bepaalde manier het leven in stand te houden en door te geven.

Hoe het ook zij en wat er ook gebeurt, altijd zal ons lijf – ik gebruik bewust het woord ‘lichaam’ niet, maar ‘lijf‘ om de mogelijkheid te hebben op ‘leven’ te duiden – wanneer het door de overige wezensdelen is verlaten, tot dood lichaam, een lijk worden, tot stoffelijkheid die zijn vorm verliest nu de etherkrachten, de vormkrachten, de levenskrachten, de stoffen niet meer als compositie bij elkaar houden.

Dus vóór de stoffen weer teruggaan naar de stoffelijke wereld, nadat de band van de compositie is verdwenen en de ont-binding begint, bevinden deze stoffen zich in een geheel van vormkrachten. Deze opbouwkrachten – door Steiner soms ‘de architect’ genoemd – laten de mens – als we ons hier tot hem beperken – daadwerkelijk in een compositie verschijnen.

Steiner heeft heel veel uitspraken gedaan om aan te geven dat in de materie de geest werkzaam is, dat de materie een uitdrukking is van de geest:

Das Leibliche kann nur gefaßt werden, wenn es als eine Offenbarung des Geistigen und auch des seelischen aufgefaßt wird.

Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.
GA 293/91    
Vertaald/90

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.
GA 301/238
Op deze blog vertaald/238

Alles Stoffliche ist zugleich Geistiges.
Al het stoffelijke is tegelijkertijd geestelijk.
GA 302/24
Menskunde en opvoeding/23

Meer bij: Rudolf Steiner wegwijzers  vanaf  105 met verdere verwijzing.

Wanneer we het drieledig mensbeeld nemen met de duidelijke onderscheiding in hoofd, romp en ledematen, komt de compositie a.h.w. naar je toe:

de diametrale tegenstelling tussen het ronde hoofd en de radiale ledematen, met daartussenin de ritmische opbouw van de ribben die naar boven toe verdichten en a.h.w. ‘hoofd’ willen worden, naar beneden zich verwijden, zelfs ‘zwevend’ worden en daarmee aangeven eigenlijk bij de ledematen te willen horen, is daarmee de uitdrukking van de denkende, voelende en willende mens of zo je wil van de zenuw-zintuig-, ritmische- en wilsmens:

En deze drieledigheid is ook op andere plaatsen in/aan het lichaam te vinden:

In het boek ‘Der dreigliedrige Mensch‘ vind je daar veel voorbeelden van.

In het dagblad Trouw verscheen een hele reeks artikelen van wetenschapper (natuur- en sterrenkunde) Ylva Poelman over bionica.
De kop van het artikel luidt telkens:

Over hoe vernuft van de natuur leidt tot technische hoogstandjes‘.

Haar boek heeft als titel: ‘De natuur als uitvinder‘.

De gedachte daarachter is dat miljarden jaren evolutie mooie oplossingen voor technische problemen heeft opgeleverd, waar mensen inspiratie uit kunnen halen voor het oplossen van hun eigen technische problemen.’

Steiner wijst op de wespen die al veel eerder dan de mens in staat waren papier te maken:

Sie alle kennen Papier. Sie wissen, die Menschen haben das Papier, das wir heute haben, erst vor vier bis fünf Jahrhunderten erfunden. Früher hat man alles mögliche andere, Pergament und so weiter zum Schreiben verwendet. Aber das sogenannte Lumpenpapier, das hat ja die zivilisierte Menschheit erst vor vier bis fünf Jahrhunderten entdeckt. Vorher konnte man auf Leder und so weiter schreiben. Wie konnte man das entdecken? Das konnte man nur dadurch entdecken, daß man gewisse Substanzen in einer bestimmten Form zusammengemischt hat. Vielleicht war einmal einer von Ihnen in einer Papierfabrik. Das Papier ist zuerst flüssig, wird verfestigt und so weiter. Also es wird auf eine rein künstliche Weise, durch allerlei chemische und mechanische Mittel hergestellt.
Sie werden vielleicht nicht nur Papier gesehen haben, sondern auch ab und zu ein Wespennest.

U kent allemaal het papier. U weet dat de mens het papier dat we nu hebben, pas vier tot vijf eeuwen geleden uitgevonden heeft. Eerder gebruikte men van alles, perkament enzo om te schrijven.
Maar het papier van lompen gemaakt, dat heeft de beschaafde mensheid pas vier, vijf eeuwen geleden ontdekt. Je kon ook op leer schrijven. Hoe is dat ontdekt? Dat kon men alleen ontdekken door bepaalde stoffen op een bepaalde manier door elkaar te mengen. Misschien bent u weleens in een papierfabriek geweest. Het papier is eerst vloeibaar, wordt steviger enz. Maar het wordt puur op een kunstmatige manier gemaakt, op allerlei chemische en mechanische manieren.
U zal misschien niet alleen papier hebben gezien, maar ook weleens een wespennest.

Solch ein Wespennest ist ungefähr so aufgebaut (es wird gezeichnet): Es steht irgendwo auf, dann geht es so herum, daß die Wespen hereinfliegen können. Grau ist es, nicht weiß, sondern grau, aber es gibt ja auch graues Papier.
Dieses Wespennest, das ist richtiges Papier! Wenn man frägt: Was ist das chemisch, woraus das Wespennest gemacht ist? – so ist es nach der chemischen Zusammensetzung ganz genau dasselbe wie das Papier. Es ist richtiges Papier.
Nun, die Wespen machen ihre Nester nicht erst seit vier bis fünf Jahrhunderten, sondern wahrhaftig seit Jahrtausenden! Daraus würden Sie sehen: die Wespen haben das Papier viel früher hergestellt als die Menschen. Das ist einfach auch eine Tatsache. Das Wespennest ist einfach aus Papier. Wenn die Menschen schon vor Jahrtausenden etwa den schlauen Gedanken gehabt hätten: wir wollen einmal nachschauen, aus was die Wespennester bestehen, so wären sie schon zum Papier gekommen. Aber die Chemie war dazumal noch nicht so weit.

Zo’n wespennest is ongeveer zo gebouwd: (er wordt een tekening gemaakt, maar die is niet afgedrukt). Het staat ergens op, dan gaat het zo, dat de wespen naar binnen kunnen vliegen. Het is grijs, niet wit, maar er is ook grijs papier.
Dit wespennest is alleen maar papier! Wanneer je vraagt: wat is het chemische waaruit het wespennest gemaakt is? dan is het qua chemische samenstelling hetzelfde als papier. Het is puur papier.
Maar de wespen maken niet sinds een eeuw of vier, vijf hun nesten, dat doen ze echt al duizenden jaren! Daaraan kun je zien: de wespen hebben het papier veel vroeger gemaakt dan de mens. Dat is simpelweg een feit. Het wespennest is puur papier. Wanneer de mensen al duizenden jaren geleden op de slimme gedachte waren gekomen: we zullen eens kijken waaruit de wespennesten bestaan, dan hadden ze al papier kunnen hebben. Maar de chemie was nog niet zo ver.

Het gebruik van de woorden ‘vernuft’, ‘uitvinder’, ‘voorbeelden om inspiratie uit te putten’, wijzen in de richting van ‘een plan’, een compositie, al is de stilzwijgende, dus bijna vanzelfsprekende gedachte dat de ideeën die in de natuur te vinden zijn, daar ‘door toeval’ zijn gekomen.

Ik zeg altijd: als het zo toevallig is, dan had het vast ook anders kunnen zijn. Noem mij een paar andere mogelijkheden. Maar die heb ik nog nooit gehoord.

Steiner:

Ja, da müssen Sie doch sagen: In der Natur waltet Verstand. –
Und Sie können, wenn Sie die Natur wirklich studieren, überall diesen waltenden Verstand finden. Und über Ihren eigenen Verstand
werden Sie dann bescheidener denken, denn der ist erstens nicht so
groß wie der Verstand, der da in der Natur waltet, zweitens aber ist
er nur so etwas wie ein bißchen Wasser, das man aus einem See geschöpft und in eine Kanne getan hat. Der Mensch ist nämlich in
Wirklichkeit eine solche Kanne, die den Verstand der Natur auffaßt.
In der Natur ist überall Verstand, alles ist überall Weisheit. Derjenige, der nur dem Menschen für sich selbst Verstand zuschreibt, ist
ungefähr so gescheit wie einer, der da sagt: In dem See draußen oder in dem Bach soll Wasser sein? Das ist Unsinn, da ist kein Wasser
drinnen. In meiner Kanne allein ist Wasser, die Kanne hat das Wasser hervorgebracht. – So denkt der Mensch, er bringe den Verstand
hervor, während er ihn nur aus dem allgemeinen Meere des Verstandes schöpft.

In de natuur heerst verstand. – En je kan, als je de natuur werkelijk bestudeert, overal dit werkende verstand vinden. En over je eigen verstand ga je dan bescheidener denken, want het is ten eerste niet zo groot als de geest, die in de natuur heerst, ten tweede is het echter slechts zoiets als een scheutje water dat je uit zee hebt geschept en in een kan gedaan. De mens is namelijk in werkelijkheid als een kruik die het verstand van de natuur bevat. In de natuur is overal verstand, alles is wijsheid. Degene die slechts de mensen zelf verstand toeschrijft, is ongeveer net zo slim als iemand, die zegt: In de zee of de beek zou water zijn? Dat is onzin, daar is geen water in. Alleen in mijn kan zit water, de kan heeft het water voortgebracht. – Zo denkt de mens, dat hij het is die het verstand te voorschijn brengt, terwijl hij het slechts uit de algemene zeeën van het verstand put.
GA 220/149-150  
Hier vertaald  Gedeeltelijk vertaald bij Pentagon

De compositie ‘drieledige mens’ zien we vanaf de buitenkant, maar ook inwendig vinden we ‘vernuft’, ‘wijsheid’ terug.

In een willekeurige atlas van het menselijk lichaam, kun je bijv. aantreffen:

De beenderen hebben hun buitengewone stevigheid vooral te danken aan de manier waarop ze gebouwd zijn. Het dijbeen dient bijvoorbeeld als steunpilaar, aangezien het ons hele lichaam draagt. Als we een ingenieur een pilaar zouden laten ontwerpen die dezelfde taak heeft als ons dijbeen, dan zou de ingenieur in de pilaar steun- en treklijnen tekenen, die net zo lopen als de bindweefselbundels (benige deeltjes) in de kop van het been.’ [5]

Ingenieur

Het is interessant dat hier over een ‘ingenieur’ wordt gesproken. Die het net zo gemaakt zou hebben zoals het bot zich als bouwwerk vertoont.

Dat betekent niet meer of minder dan dat aan de bouw van dit bot intelligentie wordt toegeschreven. (De intelligentie van de ingenieur, of wie het vóór hem heeft uitgedacht)

De ingenieur komt tot zijn model door allerlei berekeningen en het volgen van bepaalde bouwkundige wetten!

Dan kan je er eigenlijk niet omheen de vraag te stellen: wie of wat is dan die ‘ingenieur’ die dit bot in deze vorm ontworpen heeft.

Steiner:

Wenn jemand eine Uhr auseinandernimmt und nachdenkt, nach welchen Gesetzen sie zusammengefügt ist, dann muß er annehmen, daß der Uhrmacher die Teile der Uhr zuerst nach diesen Gesetzen zusammengefügt hat. Niemand sollte glauben, daß man aus einer Welt, die nicht nach Gedanken gebaut gestaltet und geformt ist, irgendeinen Gedanken herausfinden kann. Alles was wir herausfinden über die Natur und ihre Geschehnisse, ist nichts anderes, als was zuerst in diese Natur und ihre Geschehnisse hineingelegt sein muß.
Es ist kein Gedanke in unserer Seele, der nicht zuerst draußen in der Welt gewesen ist.

Als iemand een klok uit elkaar haalt en nadenkt volgens welke wetten deze samengesteld is, dan moet hij aannemen dat de klokkenmaker de onderdelen van de klok eerst volgens deze wetten samengevoegd heeft. Niemand mag geloven dat men uit een wereld die niet volgens gedachten ontworpen en gevormd is, een gedachte halen kan. Alles wat wij ontdekken over de natuur en haar gebeurtenissen is niets anders, als wat eerst in deze natuur en haar gebeurtenissen gelegd moet zijn. Er is geen gedachte in onze ziel, die niet eerst buiten in de wereld geweest is.

Zuerst muß man den Glauben und das Vertrauen haben an die Wirklichkeit, an die Realität der Gedanken. Aus einem Glase, in dem kein Wasser ist, kann man kein Wasser herausschöpfen; aus einer Welt, in der keine Gedanken sind, kann man keine Gedanken herausholen. Es ist das Absurdeste, anzunehmen, daß alle Gedanken nur in uns selber sich abspielen. Niemand sollte glauben, daß er aus einer Welt, die nicht nach Gedanken gestaltet und geformt ist, irgendeinen Gedanken herausholen könne. 

Het eerste wat aanwezig moet zijn bij iemand die een werkelijk praktisch denken wil ontwikkelen, is dat men geloof en vertrouwen heeft in de werkelijkheid, in de realiteit van de gedachten. Wat betekent dat? Uit een glas waarin geen water is, kan men geen water halen. En uit een wereld, waarin geen gedachten zijn, kan men geen gedachten halen. Het is het meest absurde als men gelooft, dat de hele som van onze gedachten en voorstellingen alleen in onszelf aanwezig is.
GA 57/251
Niet vertaald  Hier als citaat vertaald

Ich habe Ihnen zum Beispiel einmal gesagt, wie ein Oberschenkel beim Menschen aussieht. Während er beim Biber wirklich noch nicht so ist, sieht ein Oberschenkel beim Menschen wie ein außerordentlich feines, schönes Kunstwerk aus. Da sind Balken (siehe Zeichnung);

Ik heb u als voorbeeld eens gezegd, hoe een bovenbeen er bij de mens uitziet. ( ) die ziet er bij een mens als een buitengewoon precies mooi kunstwerk uit. Er zijn balkjes:

die sind ganz kunstgemäß gebaut. 

die geheel als kunstwerk zijn gebouwd.
GA 348/246
Vertaald bij Pentagon

De stoffen die we in de minerale wereld vinden en daar aan de daar heersende wetten gehoorzamen, vinden we terug in het menselijk lichaam. In hun vaste vorm – hun ‘zijnde’ bieden ze het lichaam de stevigte, steun en bescherming.
De nog jonge, buigzame broze botten van het jonge kind worden steviger en sterker om ten slotte in de ouderdom weer brozer te worden in het proces van aardser worden: de verkalking.
Knokig en knekelig zijn ze a.h.w. een beeld van de dood zoals de man met de zeis ook wordt afgebeeld; we zien de knekels op de piratenvlag en met Halloween wordt de dood eveneens uitgebeeld met het geraamte: de minerale verdichting en verstarring.
Maar in het levende lijf is eigenlijk alleen de buitenkant compact vast beenweefsel (substantia compacta). Meer naar binnen vinden we de mergholte met vetweefsel (geel beenmerg). De eindstukken zijn met kraakbeen bedekt en binnenin opgevuld met een poreus netwerk van beenbalkjes (sponsachtig beenweefsel; substantia spongiosa). In de holle ruimten tussen de balkjes bevindt zich het rode beenmerg (bloedvormend weefsel).

Bovenarmbeen. (Uit: Platzer 1975, blz.. 21)

Dwarsdoorsnede van het dijbeen aan de bovenkant. Hier is duidelijk de sponsachtige structuur zichtbaar.
Daarnaast: trek- (M) en drukkrachten (R) in de dijbeenkogel.

Is het reëel de vraag te stellen waar deze in de botten ‘opgeslagen’ wijsheid, intelligentie, dit vernuft blijft, wanneer deze materie aan zichzelf wordt overgelaten wanneer het leven is geweken, bij de dood. 
Is dat allemaal op slag ‘gewoon weg’ of….
Moeten we misschien zoeken in de richting van een morfologisch veld? Dat daar de ‘overdracht’ plaatsvindt naar de aarde en deze zo voor ‘sterven’ behoedt?

In hoofdstuk 2 kwam de tegenstelling zenuw-bloed al aan de orde.
Bij het karakteriseren kwam naar voren dat de zenuwen i.t.t. het bloed, nauwelijks levend kunnen worden genoemd.

Op blz. 57 belicht Steiner het net weer van een andere kant:

Nu lijkt er weer even sprake van een 2-ledig (fysiek) mensbeeld: 

Wie walten also diese todbringenden Kräfte in der menschlichen Natur? Sie walten so. daß der Mensch alle diejenigen Organisationen durch sie hervorbringt, die in der Linie vom Knochensystem bis zum Nervensystem liegen.

Hoe werken deze doodsprocessen in de natuur van de mens? Ze werken zo dat de mens daardoor alle stelsels tot ontwikkeling brengt die liggen in de lijn van botten tot zenuwen.

Een duidelijke verwijzing naar de doodskrachten en naar de levenskrachten:

Was die Knochen und alles, was mit ihnen verwandt ist, aufbaut, das ist ganz anderer Natur als dasjenige, was die anderen Systeme aufbaut. In uns spielen die todbringenden Kräfte herein: wir lassen sie, wie sie sind, und dadurch sind wir Knochenmenschen. In uns aber spielen weiter noch die todbringenden Kräfte herein: wir schwächen sie ab, und dadurch sind wir Nervenmenschen. –

De botten en alles wat daarmee verwant is worden door iets heel anders opgebouwd dan de andere stelsels. De doodsprocessen werken in ons door: we laten ze zoals ze zijn en daardoor hebben wij mensen botten. De doodbrengende krachten werken echter nog verder in ons: we zwakken ze af en daardoor hebben we zenuwen.

Was ist ein Nerv? Ein Nerv ist etwas, was fortwährend Knochen werden will, was nur dadurch verhindert wird, Knochen zu werden, daß es mit nicht knochenmäßigen oder nicht nervösen Elementen der Menschennatur in Zusammenhang steht. Der Nerv will fortwährend verknöchern, er ist fortwährend gedrängt abzusterben, wie der Knochen im Menschen immer etwas in hohem Grade Abgestorbenes ist. Beim tierischen Knochen liegen die Verhältnisse anders, er ist viel lebendiger als der menschliche Knochen. – So können Sie sich die eine Seite der Menschennatur vorstellen, indem Sie sagen: Die todbringende Strömung wirkt im Knochen- und Nervensystem. Das ist der eine Pol.

Wat is een zenuw? Een zenuw is iets wat voortdu­rend bot wil worden, maar daarin alleen tegengehouden wordt doordat ze in verband staat met elementen die niet tot de botten of zenuwen behoren. De zenuw wil voortdurend verharden tot bot, heeft voortdurend de drang af te sterven, zoals de botten in de mens iets zijn wat in hoge mate afgestorven is. Bij de botten van dieren ligt dat anders: die zijn veel levender dan de botten van mensen. — Zo kunt u zich de ene kant van de menselijke natuur als volgt voorstellen: de stroom van de doodsprocessen werkt in het bot- en zenuwstelsel. Dat is de ene pool.

Die fortwährend Leben gebenden Kräfte, die andere Strömung, wirkt im Muskel- und Blutsystem und in allem, was da- zugehört. Nerven sind nur deshalb überhaupt keine Knochen, weil sie mit dem Blut- und Muskelsystem so im Zusammen- bang stehen, daß der Drang in ihnen, Knochen zu werden, den daß Blut und Muskel wirkenden Kräften entgegensteht. Der Ncrv wird nur dadurch nicht Knochen, weil ihm Blut- und Muskelsystem entgegensteht und sein Knochenwerden verhindert. 

bron

De andere stroom, de krachten die voortdurend leven geven, werkt in het spier- en bloedstelsel en in alles wat daarbij hoort. De enige reden dat zenuwen geen botten zijn is dat ze zo samenhangen met het bloed en de spieren, dat de drang om bot te worden tegenwerking ondervindt van de krachten die in bloed en spieren werken. De zenuw wordt geen bot, enkel en alleen doordat het bloed- en spierstelsel een tegenkracht uit­oefent en de botvorming verhindert.
GA 293/56
Vertaald/55

Nog niet zo lang geleden werden er in het beenmerg bloedvaatjes ontdekt 
In een artikel daarover van 25-01-2019 staat o.a.:

Volgens professor Sys heeft men de haarvaten niet eerder gezien omdat ze erg klein zijn, op een schaal van micrometers. Het is enkel dankzij moderne beeldvormingstechnieken en microscopisch onderzoek dat de onderzoekers hebben kunnen aantonen dat de doorbloeding complexer is dan gedacht. “Het bot blijkt volledig doorbloed te worden, het is een soort zeef met heel kleine gaatjes.’

‘De ontdekking zal helpen om betere behandelingen te vinden voor een aantal aandoeningen, zo zei Sys. Nu is het zo dat bij bepaalde behandelingen voor ontkalking of uitgezaaide gezwellen in het bot,  het bot zeer hard wordt. Blijkbaar gaan bij die behandelingen veel van die gaatjes dicht, waardoor er minder zuurstof aangevoerd wordt en het bot sneller zal breken.’

De 2-ledige mens is dus a.h.w. met twee begrippen uitgebreid: de bot-mens en de spier-mens.

We hadden als karakteristiek al:

zenuw                                                                          bloed
nu:
bot                                                                                spier

ook al:
denken                                                                        doen
begrip                                                                          fantasie                                        definitie                                                                       karakteristiek       

Voor de pedagogie tekent zich ook nu weer af: kinderen moeten kunnen doen, het moet wordend, met fantasie, levend zijn, alvorens het verstarren moet in begrip en definitie, waarin denkend de leerstof wordt onthouden.

In de voordracht die op dezelfde ochtend waarop deze voordracht 3 van de Algemene menskunde wordt gehouden volgt, komt Steiner op deze thematiek terug met voorbeelden uit de praktijk van het lesgeven.

Het betreft hier het tekenen:

Dann muß man sich selber sehr stark damit durchdringen, daß das bloße Zeichnen schon etwas Unwahres hat. Das Wahrste ist das Emp­finden aus der Farbe heraus, etwas unwahrer ist schon das Empfinden aus dem Helldunkel heraus, und das Unwahrste ist das Zeichnen. Das Zeichnen nähert sich als solches schon durchaus jenem abstrakten Ele­ment, das als Ersterbendes in der Natur vorhanden ist. Zeichnen sollten wir eigentlich nur so, daß wir uns dabei bewußt werden: wir zeichnen im wesentlichen das Tote. Mit Farben malen sollten wir so, daß wir uns dabei bewußt sind: wir rufen aus dem Toten das Lebendige hervor. -Was ist denn schließlich die Horizontlinie? Wenn wir einfach einen Bleistift nehmen und die Horizontlinie hinzeichnen, so ist das ein Abstraktes,  ein Ertötendes, Unwahres gegenüber der Natur, die immer zwei Strömungen hat: das Tote und das Lebendige. Wir schälen die eine Strömung heraus und behaupten, das sei Natur. Wenn ich aber sage, ich sehe ein Grünes, und ich sehe ein Blaues, die sich voneinander schei­den, dann wächst die Horizontlinie aus dem Aneinandergrenzen der Farben heraus, dann sage ich eine Wahrheit. So werden Sie allmählich darauf kommen, daß die Form der Natur wirklich aus der Farbe her­aus entsteht, daß daher das Zeichnen ein Abstrahierendes ist. Von sol­chen Dingen sollte man eine gute Vorstellung, eine gute Empfindung schon in dem heranwachsenden Kinde erzeugen, weil dies sein ganzes Seelenwesen belebt und in ein richtiges Verhältnis zur Außenwelt bringt. 

Dan moet men heel goed tot zich laten doordringen dat in het simpele tekenen al een element van onwaarheid schuilt. Het meest waar is het ervaren vanuit de kleur, iets minder waar is al het ervaren vanuit het licht-donker en het minst waar is het tekenen. Het tekenen komt als zodanig al dicht bij het abstracte dat als sterfproces in de natuur aanwezig is. Wij zouden eigenlijk alleen zo moeten tekenen, dat we ons daarbij bewust worden dat we in feite het dode tekenen. We zouden met kleuren zo moeten schilderen dat we ons daarbij bewust zijn dat we uit het dode het levende te voorschijn roepen. Wat is bijvoorbeeld de horizonlijn?

Als we gewoon een potlood pakken en een horizon tekenen, dan is dat abstract, dood, onwaar vergeleken bij

de natuur die altijd twee stromingen heeft: het dode en het levende. We lichten er de ene stroming uit en beweren dat dat de natuur is. Maar wanneer ik zeg: ik zie groen en blauw die zich van elkaar scheiden, dan groeit de horizon uit het grensvlak van beide kleuren. Dan spreek ik een waarheid uit. Zo zult u er geleidelijk aan op komen dat de vorm van de natuur werkelijk ontstaat uit de kleur en dat het tekenen daarom abstract is. Van zulke dingen zou men al in het opgroeiend kind een goede voorstelling moeten opwekken, een goed gevoel voor zoiets, omdat dit zijn hele zielswezen tot leven wekt en in een juiste relatie tot de buitenwereld brengt.
GA 294/41
Vertaald/51

Hier toegepast bij het tekenen van bomen, in een plantkundeles:Christien Kordes, leerlinge in mijn klas 1975, 11 jaar. Ze overleed in 2024.
.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4]
GA 168/12f.    
GA 181/204  
GA 181/229
GA 229/28ff  

[5] Het menselijk lichaam
Uitg.Christoph Columbus Verlags AG, Clarus. 1977, blz. A14

.

Algemene menskunde: voordracht 3: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikele

.

1826-1712

.

.

.

.