VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 4 (4-3-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 69 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In deze 4e voordracht gaat het over ‘manifestaties’ van de wil. ‘Wil’ opgevat als wat vanuit ‘een binnenwereld buitenwereld kan worden’.
In dit artikel werd geconstateerd dat in de vier natuurrijken alleen de dieren en de mens ‘wil’ in zich dragen.
Het zichtbaar worden van de wil, gebonden aan het fysieke lichaam, noemt Steiner instinct. Gedrag in het verlengde van zijn lichaamsbouw.

Als we de wil als kwaliteit beschouwen hoort deze als instinct bij het fysieke lichaam.

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

DRIFT

We moesten ook vaststellen dat het taalgebruik van het woord instinct zich niet beperkt tot puur iets lichamelijks. Dat geldt ook voor de tweede kwaliteit van de wil, die Steiner ‘drift’ noemt.

Van Dale omschrijft ‘drift’ uitvoerig:

1. inwendige werking die iem. tot niet vooraf overwogen of onbeheerste handelingen brengt, hartstocht, aandrift: de driften van het bloed;-(psych.) drang, onbewuste neiging waarin de wil om te leven zich uit, vooral die om zich te voeden en de geslachtsdrift: de drift tot zelfbehoud;-(in alg. zin) heftige neiging of begeerte: een edele drift tot weldoen;-vuur, geestdrift;-
2. haast die uit een sterke begeerte of drang voortkomt; –
3. sterke en plotselinge toornachtige opwelling, of heftige uiting van ongeduld: in drift geraken; een opkomende drift onderdrukken; rood van drift; in drift gesproken woorden;-ook: neiging tot een derg. gemoedsgesteldheid;-
4. het drijven op een vloeistof, meest in de verb. op drift; het ijs is op drift geraakt; een schip op drift; de deklast ging op drift, spoelde weg;-vand.: aantal planken enz. dat tegelijk aanspoelt;-
5. stroming in vloeistoffen of in de lucht: er is veel drift, de wolken jagen, drijven snel; vand.: wolken die langs het uitspansel jagen;-wolk van sneeuwvlokken, sneeuwvlaag: waar de sneeuw zacht ritselend in dichte drift neerdaalde (v. Schendel);-
6. afwijking van de koers (van een schip) door de werking van de wind op romp en tuig;-
7. (luchtv.) weerstandskracht der lucht(stroming), een der componenten van de kracht die nodig is om een vliegtuig op te houden in de lucht;-
8. beweging, stroming van het zeeijs en van het smeltwater van diluviale gletsjers;-
9. (elektr.) het verlopen van instellingen van een versterker met de tijd; —
10. kudde, troep, m.n. van vee dat voortgedreven of geweid wordt: een drift ossen;-troep lopende honden, meute; —
11. recht om vee over een stuk grond te drijven of om watervogels te houden in bep. wateren (vgl. zwanendrift); –
12. steeg; weg waarlangs men vee drijft of mag drijven: van de drift, die de helling van de heide opging, zagen zij het ezelwagentje komen (v. Schendel); (vgl. Dreef 1.)-
13. terrein dat wordt afgedreven (bij een drijfjacht);-
14. (timm.) toestel voor het aandrijven van de naden van schotwerk.

Overduidelijk is dat het overal gaat om ‘beweging’ van ‘het een naar het ander’. Dus om ‘wil’. En nergens vinden we dat het om iets ‘bewust’ gaat: ‘vooraf niet overwogen – onbewuste neiging waarin de wil om te leven zich uit, vooral die om zich te voeden en de geslachtsdrift: de drift tot zelfbehoud.’

In zijn boek ‘De twaalf driften‘ merkt Frits Julius op:

‘Een van de grootste moeilijkheden van de huidige dierpsychologie ligt in het feit, dat men de(ze) lagen van de wil niet goed weet te onderscheiden. Men kan zonder dit te doen echter nooit een zuivere systematiek van de wilsuitingen ontwikkelen.

In verband met de buitengewone veelvormigheid van het dierenrijk zijn de instincten uitermate gedifferentieerd. Elke instincthandeling apart is veelal scherp omschreven en lokt daardoor tot studie en heldere analyse, maar men komt, wanneer men op de veelheid van de instincthandelingen ingaat, in een zee van onoverzichtelijke bijzonderheden terecht.

Wij nemen dus de driften als uitgangspunt, die veel overzichtelijker en veel gelijkvormiger over het gehele dierenrijk heen zijn. Bijna alle dieren hebben b.v. de behoefte om te eten. Aan deze behoefte ligt een drift ten grondslag. De instincten daarentegen regelen de aard van het voedsel en de wijze, waarop het opgenomen wordt. Zij doen dit bij iedere diersoort verschillend. Dit staat natuurlijk in verband met de bouw van de bek, de tanden, de darmen, enz. Een zoetwaterpoliep, een koe, een zwaluw, stoppen zichzelf telkens vol met deeltjes. Op dit punt lijken zij op elkaar. Dat er ook verschillen zijn merkt men pas goed, wanneer men een koe in de gedachten muggen laat vangen of een zwaluw gras laat eten. Op deze wijze kunnen wij ons oefenen driften en instincten zo scherp mogelijk te onderscheiden.’

Julius: ‘Het instinct is verbonden met bouw en structuur van het lichaam.

D.w.z. in het instinct zien we een ‘hoe’.
Aan dit ‘hoe’ ligt een ‘waarom’ ten grondslag. En het antwoord op dit waarom heeft alles te maken met ‘leven’. 

Wanneer Steiner over ‘leven’ spreekt, zal hij niet nalaten telkens te benadrukken dat ‘leven’ geen gevolg is van ‘materie’; dat ‘leven’ a.h.w. ‘vooraf’ gaat aan de materie; dat de fysieke stof niet het leven voortbrengt, maar dat het fysieke (lichaam) pas kan functioneren wanneer het doortrokken is van leven en dat dit zonder het leven in zijn ware aard terechtkomt: die van de ontbinding, de ontbonden stoffen. 
Zie voor een uitgebreidere karakteristiek: [1-7-2/1]  en  [1-7-2/2]

Bij de beschouwingen over de wil gaat Steiner in deze voordracht bij de driften dan ook uit van het etherlijf: 

blz. 68/69            vert. 68/69

Nun lebt in unserem physischen Leibe, diesen ganz durchgestaltend, durchdringend, der Atherleib. Er ist für die äußeren Sinne übersinnlich, unsichtbar. Aber wenn wir auf die Willensnatur schauen, dann ist es so, daß ebenso wie der Ätherleib den physischen Leib durchdringt, so ergreift er auch das, was sich im physischen Leibe als Instinkt äußert. Dann wird der Instinkt zum Trieb. Im physischen Leib ist der Wille Instinkt; sobald der Ätherleib sich des Instinktes bemächtigt, wird der wilie lrieb. Es ist dann sehr interessant, zu verfolgen, wie in der Beobachtung der Instinkt, den man in der äußeren Form mehr konkret erfassen kann, sich verinnerlicht und sich auch mehr vereinheitlicht, indem man ihn als Trieb betrachtet. Von Instinkt wird man immer so sprechen, daß er, wenn er sich im Tiere oder in seiner Abschwächung im Menschen vorfindet, dem Wesen von außen aufgedrängt ist; beim Trieb ist schon daran zu denken, daß das, was sich in einer mehr verinnerlichten Form äußert, auch mehr von innen kommt, weil der über- sinnliche Ätherleib sich des lnstinktes bemächtigt und dadurch der Instinkt zum Trieb wird.

Nu leeft in ons fysieke lichaam het etherlichaam, dat het fysieke lichaam geheel doordringt en vormt. Het is voor de gewone zintuigen bovenzinnelijk, onzichtbaar. Maar wanneer we naar de aard van de wil kijken, dan is het zo dat het  etherlichaam, op dezelfde wijze waarop het het fysieke lichaam doordringt, ook opneemt wat zich als instinct in het fysieke lichaam uit. Dan wordt het instinct drift.° In het fysieke lichaam is de wil instinct; zodra het etherhchaam zich het instinct eigen maakt, wordt de wil drift. Het is zeer interessant om dan te volgen hoe het instinct – dat men in de uiterlijke vorm concreter kan zien – wordt verinnerlijkt en meer een eenheid wordt als drift. Het instinct kan men altijd als volgt omschrijven: het is aan het wezen, aan het dier of in mindere mate aan de mens, van buitenaf opgedrongen. Bij de drift moet men al bedenken dat wat zich in een meer verinnerlijkte vorm uit, ook meer van binnen komt – omdat namelijk het bovenzinnelijke etherlichaam zich van het instinct meester maakt, waardoor dit instinct tot drift wordt.

°drift: het woord slaat op het driftleven, niet op driftigheid. De Duitse term is ‘Trieb’.

blz. 69     vert. blz. 69

Beim Trieb sprechen Sie so, daß er doch, ich möchte sagen, von der Geburt bis zum späten Alter sich einheitlich äußert;

Van de drift zult u zeggen dat deze zich, laten we zeggen, van de geboorte tot op hoge leeftijd toch op steeds dezelfde wijze manifesteert; 

Julius: De driften vloeien vooral voort uit de levenstoestanden en de levensprocessen van het organisme.

Zoals het etherlijf het fysieke lichaam vormgeeft, zo ook dus de drift het instinct.

Julius blz. 30: Drift: doffe, ongericht drang – vaag onbewust
Instinct: het vormgeven aan de drift – geheel onbewust

Hij onderscheidt in zijn studie o.a.: de eet- of voederdrift, de vechtdrift, de voortplantingsdrift, de drift tot broedverzorging, de jachtdrift, een totaal van twaalf die hij ook in verband brengt met de tekens van de dierenriem.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1827

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.