VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het Ik – GA 55

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. .

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.


En ook voor het astraallijf: GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55; GA 56GA 57GA 58GA 59


GA 55


Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben


Het inzicht in het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het leven van nu


Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906


Blut ist ein ganz besonderer Saft


Bloed is een heel bijzondere vloeistof


Blz. 46


Das dritte Glied ist der sogenannte Astralleib, sehr schön und bedeutungsvoll so genannt,


Het derde wezensdeel is het zgn. astraallijf, heel mooi en zinvol om het zo te noemen. ( ) 


Dem Astralleib obliegt es, im Menschen und im Tiere, das Lebendige zur Empfindungssubstanz aufzurufen, so daß sich innerhalb des Lebendigen nicht bloß Säfte bewegen, sondern daß sich darin dasjenige ausdrückt, was man Lust und Leid, Freude und Schmerz nennt. Damit haben Sie im wesentlichen auch den Unterschied zwischen Pflanze und Tier angedeutet, obwohl es Übergänge gibt.


Het is de taak van het astraallijf in mens en dier het leven tot gewaarwordingssubstantie tevoorschijn te roepen, zodat zich binnen het leven niet alleen vloeistoffen bewegen, maar dat daarin iets tot uitdrukking komt wat je lust en leed, vreugde en pijn noemt. Daarmee heb je in wezen ook het onderscheid tussen plant en dier aangegeven, hoewel er overgangen bestaan.


Blz. 48


Der Mensch ragt nun über das Tier durch etwas ganz Besonderes hinaus, und das, wodurch er über das Tier hinausragt, haben sinnige Menschen immer gefühlt. Es wird darauf hingewiesen durch das, was Jean Paul in seiner Lebensbeschreibung selbst von sich sagt: er erinnere sich ganz genau, wie ihm als kleines Kind im Hofe seines Elternhauses der Gedanke durch die Seele schoß: du bist ja ein «Ich», du bist ja eine Wesenheit, die innerlich zu sich Ich sagen kann. Das machte auf ihn einen bedeutenden Eindruck.


De mens nu, stijgt door iets heel bijzonders boven het dier uit en waardoor hij boven het dier uitstijgt, hebben verstandige mensen altijd gevoeld. Ik wijs op iets wat Jean Paul in zijn biografie zegt over zichzelf: hij herinnert zich precies hoe  als klein kind de gedachte door zijn ziel schoot op de binnenplaats van zijn ouderlijk huis: ‘Maar jij bent een “Ik”, je bent een wezen dat innerlijk tegen zichzelf ‘ik’ kan zeggen. Dat maakte veel indruk op hem.


Alle sogenannte äußerliche Seelenkunde übersieht das Wichtigste, worauf es in diesem Punkte ankommt. Folgen Sie mir für einige Minuten in eine subtile Betrachtung hinein, die Ihnen aber zeigen wird, um was es sich handelt. Im ganzen Umkreis der deutschen Sprache gibt es ein einziges Wörtchen, das sich von allen anderen Wörtern prinzipiell unterscheidet. Von jedem Dinge, das hier in diesem Saale ist, kann jeder von Ihnen den Namen dieses Dinges nennen. Den Tisch kann jeder Tisch, den Stuhl kann jeder Stuhl


Alle zogenaamde uiterlijke psychologie ziet dit belangrijkste dat er op dit punt toe doet, over het hoofd. Volgt u mij een paar minuten bij een subtiele beschouwing die laat zien waar het om gaat. In het hele Duitse taalgebied is er één woordje dat principieel verschilt van alle andere woorden. Van alles hier in deze zaal kan ieder van u dat ding een naam geven. Iedereen kan de tafel tafel noemen, de stoel stoel.


Blz. 49


Aber ein Wort, einen Namen gibt es, den Sie nicht aussprechen können außer für das, dem dieser Name zukommt: das ist das Wörtchen «Ich». Niemand kann zu einem anderen «Ich» sagen. Das «Ich» muß heraustönen aus der innersten Seele selbst, es ist der Name, den sich nur die Seele selbst beilegen kann. Jeder andere ist für mich ein «Du», und ich selbst bin für jeden anderen ein «Du». Alle Religionen empfanden dieses Ich als den Ausdruck für jenes Wesen in der Seele, durch das die Seele in sich selbst ihre Grundwesenheit, ihr Göttliches, sprechen zu lassen vermag. Da beginnt dann dasjenige, was niemals durch die äußeren Sinne eindringen kann, was niemals in seiner Bedeutung von außen benannt werden kann, sondern aus dem Innersten heraus ertönen muß. Da beginnt jener Monolog, jenes Selbstgespräch der Seele, wodurch das göttliche Selbst in der Seele sich ankündigt, wenn die Bahn frei wird für das Einziehen des Geistes in die Seele.


Maar er is één woord, één naam die u niet kan uitspreken behalve dan door degene bij wie dit woord hoort: dat is het woordje “Ik”. Niemand kan tegen een ander “ik”  zeggen. Het ‘ik’ moet vanuit de diepste ziel klinken, het is de naam die alleen de ziel zichzelf kan geven. Alle anderen zijn voor mij “Jij” en ikzelf ben een “jij” voor alle anderen. Alle religies voelden dit ‘ik’ als de uitdrukking voor dat wezen in de ziel waardoor de ziel in zichzelf haar fundamentele essentie, haar goddelijkheid, kan uitspreken. Dan begint dat wat nooit door de uiterlijke zintuigen binnendringen kan, in zijn betekenis van buitenaf benoemd kan worden, maar wat vanuit het diepste innerlijk moet klinken. Dan begint die monoloog, die alleenspraak van de ziel, waardoor het goddelijke zelf zich aan in de ziel verkondigt, wanneer de weg voor de geest vrij wordt, de ziel binnen te gaan. 


In den älteren Kulturreligionen, noch im alten Hebräischen, hat man diesen Namen «den unaussprechlichen Namen Gottes» genannt, und was auch die heutige Philologie übersetzen mag, der alte jüdische Gottesname bedeutet nichts anderes als das, was heute durch das deutsche Wort «Ich» ausgedrückt wird. Bewegung ging durch die Reihen der Zuhörer, wenn der Name des «unbekannten Gottes» durch den Eingeweihten gesprochen wurde, wenn geahnt wurde, was durch dieses Wort ausgedrückt war, wenn das «Ich bin der Ich-Bin» im Tempel ertönte. In diesem Wort drückt sich das vierte Glied der menschlichen Wesenheit aus, das der Mensch im Umkreis seines irdischen Daseins für sich allein hat. Dieses Ich umschließt wiederum und bildet in sich aus die Keime zu höheren Stufen des Menschentums.


In de oudere culturele religies, nog in het oude Hebreeuws, werd deze naam “de onuitspreekbare naam van God” genoemd, en hoe de hedendaagse filologie dat ook vertaalt, de oude Joodse naam van God betekent niets meer dan wat tegenwoordig door het Duitse woord “Ik” wordt uitgedrukt. Er ging iets door de rijen van toehoorders heen de wanneer de naam van de «onbekende god» door de ingewijde uitgesproken werd, wanneer vermoed werd wat door dat woord werd uitgedrukt, wanneer het “Ik ben de Ik Ben”  in de tempel klonk. In dat woord wordt het vierde wezensdeel van de mens tot uitdrukking gebracht dat de mens in zijn aardse bestaan alleen voor zichzelf heeft. Dit ‘ik’ op zijn beurt omsluit en vormt op zich de kiemen naar hogere niveaus van mens-zijn.
GA 55/50-51
Niet vertaald


Voordracht 3 Berlijn, 8 oktober 1906


Der Ursprung des Leides


De oorsprong van het lijden


Blz. 73 Wir wissen aber auch, daß dieser physische Körper aufgerufen wird zum Leben durch das, was wir den sogenannten Äther- oder Lebensleib nennen; (  ) Wir betrachten den zweiten Teil der menschlichen Wesenheit, den Ätherleib, als etwas, was der Mensch gemeinschaftlich hat mit der übrigen Pflanzenwelt. Als das dritte Glied der menschlichen Wesenheit betrachten wir den Astralleib, den Träger von Lust und Unlust, von Begierde und Leidenschaft, den der Mensch mit der Tierheit gemeinsam hat


We weten echter ook dat in dit fysieke lichaam het leven tevoorschijn wordt geroepen door wat wij het zogenaamde ether- of levenslijf noemen; ( ) Wij zien het tweede deel van het mensenwezen, het etherlijf, als iets wat de mens gemeenschappelijk heeft met de verdere plantenwereld. Als derde menselijk wezensdeel kijken we naar het astraallijf, de drager van lust en onlust, van begeerte en hartstocht, dat de mens gemeenschappelijk heeft met het dierenrijk. 


Und dann sehen wir, daß des Menschen Selbstbewußtsein, die Möglichkeit, zu sich «Ich» zu sagen, die Krone der Menschennatur ist, die er mit keinem anderen Wesen gemeinsam hat; daß dieses Ich als die Blüte der drei Leiber, des physischen, Äther- und Astralleibes hervorgeht. So sehen wir einen Zusammenhang dieser vier Glieder, auf welchen die Geistesforschung immer hingewiesen hat. Die py thagoräische Vierheit ist nichts anderes als diese Vierheit: physischer Leib, Ätherleib, Astralleib und Ich.


En dan zien we dat het zelfbewustzijn van de mens, de mogelijkheid om ‘ik’ tegen zichzelf te zeggen, de kroon is van de menselijke natuur, die hij met geen ander wezen gemeen heeft; dat dit ‘ik’ als de bloem van de drie lichamen, van het fysieke, etherische en astrale lichaam tevoorschijn komt. We zien dus een samenhang van deze vier wezensdelen waar spiritueel onderzoek steeds op heeft gewezen. De pythagoreïsche vierheid is niets anders deze vierheid: fysiek lichaam, etherisch lichaam, astraal lichaam en Ik.
GA 55/73
Niet vertaald  


Voordracht 5, Berlijn 13 december 1906


Wie begreift man Krankheit und Tod?


Hoe kan je ziekte en dood begrijpen?


Blz. 105


( ) erstens haben wir den äußerlich sichtbaren physischen Körper, als zweites den Äther- oder Lebensleib, sodann den Astralleib, und als viertes das Ich des Menschen oder den Mittelpunkt seines Wesens.


ten eerste hebben we het uiterlijk zichtbare fysieke lichaam; als tweede het ether- of levenslichaam, en dan het astraallijf en als vierde wezensdeel het Ik van de mens of het middelpunt van zijn wezen.


Das Ich hat der Mensch ganz für sich allein, das macht ihn zur Krone der Erdenschöpfung.


Het Ik heeft de mens helemaal voor zichzelf; dat laat hem de kroon van de aardse schepping zijn.


Blz. 106


Der Astralleib ist der Schöpfer des ganzen Nervensystems, bis hinauf zum Gehirn und zu den Strängen, die in Form von Sinnesnervensträngen zum Gehirn gehen. Das Ich endlich ist der Architekt des Blutkreislaufes.


Het astraallijf is de vormgever van het hele zenuwsysteem, tot aan de hersenen en de strengen in de vorm van zenuw-zintuigstrengen die naar de hersenen lopen aan toe. Het Ik is de bouwmeester van de bloedsomloop.
GA 55/105-106
Niet vertaald


Voordracht 6, Berlijn 10 januari 1907 (zie nadere opmerkingen. N.B. dit is niet het bekende boekje met dezelfde titel, vertaald bij Pentagon): dat is een geschreven artikel uit GA 34)


Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft


De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie


Blz. 119 Als drittes Glied des menschlichen Wesens erkennen wir den Astralleib, den Träger von all dem, was wir Leidenschaften, niedere und zum Teil auch höhere nennen, alles, was der Mensch an Lust und Leid, Freude und Schmerz, Begierde und Trieb in sich trägt. Der Astralkörper ist Träger auch der gewöhnlichen Gedankenwelt, der Willensimpulse.


Als derde deel van het mensenwezen onderkennen we het astraallijf, de drager van alles wat wij lagere en voor een deel ook hogere hartstochten noemen, alles wat de mens aan lust en leed, vreugde en verdriet, begeerte en drift in zich draagt. Het astraallijf is de drager van de alledaagse gedachtewereld, van de wilsimpulsen.


Durch das vierte Glied ist der Mensch die Krone der Schöpfung. Es umfaßt das, als Kraft begriffen, was ihm die Fähigkeit gibt, zu sich «Ich» zu sagen, was ein jeder nur zu sich selbst sagen kann. Es ist der Ausdruck dafür, daß die Seele ihren göttlichen Urfunken in sich sprechen läßt. Alles, was sie mit den anderen Menschen gemeinsam hat, kann als Bezeichnung an ihr Ohr klingen, aber was jeder als inneren Gott in sich hat, kann nicht von außen an ihn herantreten. Deshalb wurde es in den jüdischen Geheimschulen der unaussprechliche Name Gottes genannt, das Jahve, das «Ich bin der Ich-Bin» der Hebräer, das der Priester selbst nur mit Schauern nannte. Dieses «Ich bin der Ich-bin» schreibt sich die Seele zu. –


Door vierde wezensdeel is  de mens de kroon van de schepping. Het omvat datgene, opgevat als kracht, dat hem het vermogen geeft om ‘ik’ tegen zichzelf te zeggen, wat iedereen alleen kan zeggen tegen zichzelf. Het is de uitdrukking van dat de ziel haar goddelijke oervonk in zichzelf laat spreken. Alles, wat ze gemeenschappelijk heeft met andere mensen kan als aanduiding gehoord worden, maar wat iedereen als een innerlijke god in zich heeft, kan niet van buitenaf tot hem komen. Daarom werd het in de Joodse geheime scholen de onuitspreekbare naam van God genoemd, Jahve, de “Ik ben de ik-ben’ van de Hebreeërs, dat alleen de priester zelf met huiver noemde. Dit ‘Ik ben de Ik ben’ betrekt de ziel op zichzelf.
GA 55/119-120
Niet vertaald


voordracht 7 Berlin, 24. januari 1907


              Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft 


Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap


Blz. 133


Vier Leibesglieder unterscheiden wir zunächst am Menschen: physischer Leib, Äther- oder Lebensleib, astralischer Leib und das Ich, der Mittelpunkt des Menschen.


We maken bij de mens onderscheid in vier wezensdelen: fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik, het middelpunt van de mens.
GA 55/133
Op deze blog vertaald /133  


Voordracht 8. Berlijn, 31 januari 1907


                   Der Irrsinn* vom Standpunkt der Geisteswissenschaf


*Irrsinn heeft verschillende vertalingen: absurditeit, krankzinnigheid, idioterie bijv.


Waanzin* vanuit het standpunt van de geesteswetenschap


Blz. 142/143


Wir unterscheiden folgende physische Teile am Menschen, ( ) erstens rein Physisches, was nach rein physischen Gesetzen gebaut ist, vor allem die Sinnesorgane ( ) zweitens alles das, was mit Verdauung, Wachstum, Fortpflanzung zusammenhängt. Das, was die Kristalle aufbaut, könnte auch den menschlichen Leib aufbauen, aber er wäre dann ein toter Organismus. Der Ätherleib ist der Bildner, der die Verdauungsorgane und so weiter aufbaut. Drittens Nervensystem (Gehirn und Rückenmark): sein Bildner ist der Astralleib, In ihm wohnt das Ich, das zugleich der Architekt des Blutsystems ist. Blutzirkulation: Ich Nervensystem: Astralleib Fortpflanzung: Äther leib Physisches: Physischer Leib


We onderscheiden de volgende fysieke delen aan de mens, als eerste puur fysiek wat volgens puur fysieke wetten gebouwd is, met name de zintuigorganen ( ) als tweede alles wat met vertering, groei, voortplanting samenhangt. Wat de kristallen opbouwt, kan ook het menselijk lichaam opbouwen, maar dan zou het een dood organisme zijn. Het etherlijf is de vormgever die de spijsverteringsorganen enz. opbouwt. Als derde het zenuwsysteem (hersenen en ruggenmerg): de vormgever daarvan is het astraallijf, daarin leeft het Ik, dat tegelijkertijd de architect van het bloedsysteem is.


Bloedcirculatie: Ik
Zenuwsysteem: astraallijf
Voortplanting: etherlijf
Fysiologisch: fysiek lichaam
GA 55/ 142-143
Niet vertaald


.


Antroposofie: een inspiratie: over het Ik


Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het Ik


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2991-2808

.

.

.

.

 


 


 


 


 


 


 


.


                .       .           

VRIJESCHOOL – De waarde van het handschrift bij lezen, schrijven en denken

 
.
Manfred Spitzer*, Erziehungskunst juli/augustus 2022

 

de waarde van HET handschrift bij lezen, schrijven en denken

.

Sommige mediadocenten voorspellen al jaren dat het handschrift zal uitsterven door touchscreens en toetsenborden. Het is alsof je voorspelt dat muziek en zang zullen uitsterven door radio’s en mp3-spelers. De vergelijking lijkt in eerste instantie misschien vreemd. Die volgt echter zonder enige beperking uit de onderstaande feiten en argumenten.

Lezen is een speciaal geval van visuele waarneming. Die laatste bestond natuurlijk al voordat er ook maar een schrift was, zelfs voordat er een taal was, want veel dieren kunnen zien. Onderzoek naar de grootte en vorm van schedels in prehistorische menselijke botvondsten suggereert dat taal al minstens honderdduizend jaar bestaat. Dat taal wordt vastgelegd door middel van grafische tekens is daarentegen een relatief recente culturele verworvenheid, zo’n vijf- tot zesduizend jaar oud.

In het eenvoudigste geval wordt een woord dat iets betekent weergegeven door een afbeelding van het ding. Daarom begon de ontwikkeling van het schrijven met het schrijven van afbeeldingen. Een dergelijke spelling heeft echter nadelen, zoals de volgende anekdote duidelijk maakt: Toen de Perzische koning Darius een half millennium voor de geboorte van Christus een veldtocht voerde tegen de Scythen, kwam na de invasie van hun land een Scythische boodschapper met de boodschap die bestond uit de afbeeldingen van een muis, een kikker, een vogel en drie pijlen. Darius interpreteerde de boodschap als volgt: ‘O Perzen, wij geven ons over met ons land en water [muis en kikker]. We vluchten [Vogel] voor de macht van uw legioenen en staan ​​klaar om al onze wapens [de pijlen] aan u over te geven.’ Tot grote verbazing van de Perzen vielen de Scythen echter de volgende nacht aan. Na de slag leerde de koning de ware betekenis van de boodschap van een Scythische generaal: “O Perzen, tenzij je jezelf kunt veranderen in vogels om door de lucht te vliegen, of in veldmuizen om onder de grond te graven, of in kikkers om schuil te gaan in de moerassen, je zult nooit ontsnappen en terugkeren naar je vaderland, maar eerder omkomen door onze pijlen.

De anekdote maakt duidelijk waarom in de meeste delen van de wereld het beeldenschrift eerst werd vervangen door een lettergrepen-klankschrift en vervolgens door het alfabetische schrift dat tegenwoordig gebruikelijk is, waarbij aan elk geluid een enkel symbool is toegewezen. Een uitzondering vormen de klinkers (A, E, I, O, U), die aanvankelijk niet of slechts gedeeltelijk werden geschreven.
Zelfs vandaag de dag worden ze nog steeds weggelaten in sommige geschriften 
en   j.   k.n  t..l  .cht  b.gr..p.n   w.nn..r  d.  kl.nk.rs  w.gg.l.t.n  z..n

Bij de ontwikkeling van het lettertype speelden ook handtechnische aspecten een rol. De Sumeriërs schreven meer dan 4000 jaar geleden met een houten stok in zachte klei gedrukt. Door drie tot tien lijnvormige indrukken ontstond een symbool. Omdat de druk niet altijd gelijk was, was het niet ongebruikelijk dat er aan het ene uiteinde van de regels een diepere en bredere indruk verscheen. Dit »werkspoor« gaf het schrift de naam spijkerschrift. De symbolen ontwikkelden zich binnen een paar honderd jaar vanuit een eenvoudig beeldschrift.

 Om lezen en schrijven cultureel over te dragen, werd door de Sumeriërs tegelijkertijd de school uitgevonden. Drie tot maximaal twaalf leerlingen kregen samen les, zoals we weten door vondsten van kleitabletten, dat waren wat nu “oefenboeken” worden genoemd: aan het schrijven kun je zien dat het schrijven bij het kind nog niet lekker loopt. Schrijven op kleitabletten met houten stokjes was ingewikkelder dan schrijven op papier met een potlood, en de inhoud – schrijven, lezen, rekenen, kantoorwerk – was abstracter dan op de huidige basisschool. De “schrijvers” waren nodig om het complexe staatsapparaat te besturen dat mogelijk werd gemaakt door landbouw en veeteelt – zij waren wat we nu “ambtenaren” noemen.

Het korte overzicht maakt duidelijk dat het menselijk brein ongeveer net zo geschikt is om te lezen en te schrijven als een tractor voor de Formule 1, omdat de mens 99 procent van zijn geschiedenis doorbracht zonder te lezen en te schrijven. Toen de technieken eenmaal waren uitgevonden, bleken ze echter zo praktisch dat ze bijna nooit uitstierven. Een bekende uitzondering is Paaseiland, waar schrift is gevonden dat niemand meer kan lezen en dat door de weinige vondsten tot op de dag van vandaag door niemand is ontcijferd.

Voor je verder leest, tel even hoe vaak de letter F in deze tekst zit:

FINISHED FILES ARE THE RE-

SULT OF YEARS OF SCIENTIF-

IC STUDY COMBINED WITH

THE EXPERIENCE OF YEARS.

Niet alleen jij, maar de meeste lezers en zelfs redacteuren zullen aanvankelijk slechts drie F’s vinden in plaats van zes. Waarom? Studies hebben aangetoond dat we bij het lezen de neiging hebben om weinig of geen aandacht te besteden aan korte, veelvoorkomende woorden. Eén zo’n woord is ‘OF’, dat drie keer voorkomt in de bovenstaande tekst. Waarschijnlijk zijn die F’s in de drie woorden niet geteld toen ze voor het eerst werden gelezen. Het meest voorkomende woord in het Engels is “the”, en dienovereenkomstig hebben studies aangetoond dat typografische fouten in dit woord in Engelse teksten de kleinste kans hebben om opgemerkt te worden. Je kijkt niet eens naar het woord.

Het is al meer dan honderd jaar bekend dat het langer duurt om een ​​enkele letter te herkennen dan om een ​​heel woord te herkennen. De gemiddelde volwassen lezer van vandaag kan een woord lezen in ongeveer vier tienden van een seconde (400 milliseconden). Het hardop voorlezen van een samenhangende tekst gaat nog sneller, aangezien er in één minuut ongeveer 300 woorden worden voorgelezen, dus vijf woorden per seconde.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat woorden op geen enkele manier letter voor letter worden gelezen, maar »holistisch«. dat zie je aan het feit dat een schrift dat is opgebouwd uit aFwIsSeLeNd HoOfD-  eN kLeInE lEtTerRs pas na enige oefening redelijk goed te lezen is. Het gaat al beter ALs je voor geLijKe FysieKe grooTTe van De HooFD- en KLeine LeTTers zorgt.

Stel dat middelbare scholieren per dag ongeveer tien pagina’s lezen en dat er ongeveer 500 woorden op één pagina staan, dan hebben ze na tien jaar oefenen 10 x 500 x 365 x 10 (= 18.250.000) woorden gelezen. Dit komt heel goed overeen met de bevindingen uit de taalontwikkeling: tegen de tijd dat ze naar school gaan, heeft een kind uit een eenvoudig milieu ongeveer 8.500.000 woorden gehoord, een kind uit een academische milieu ongeveer 40.000.000! Zelfs vóór de start van de school heeft een kind uit dat laatste milieu (waar men thuis meer spreekt dan in arbeidersgezinnen) ongeveer vier keer zoveel taal ervaren als een kind met een nogal bescheiden achtergrond. Aangezien lessen op scholen in wezen bestaan ​​uit op taal gebaseerd leren, gaat de veel bekritiseerde ongelijkheid van onderwijskansen in relatie tot de sociale achtergrond terug tot de tijd vóór school.

Met de hand schrijven is niet alleen belangrijk om te leren schrijven, maar vooral om te leren lezen. Van dit inzicht, hoewel oud, wordt de draagwijdte volledig genegeerd door degenen die het handschrift willen vervangen door typen. Laten we eens kijken naar een nieuwe studie gepubliceerd in het tijdschrift Science die de prestaties van een kunstmatig neuraal netwerk (computersimulatie) bij het leren lezen vergeleek met die van mensen om het belang van motorische informatie te beoordelen bij het verwerven van het vermogen om eenvoudige pictografische  vormrepresentaties te (re)creëren (letters), d.w.z. bij het leren lezen. De auteurs evalueerden de prestaties bij het leren van nieuwe tekens bij mensen en bij machine learning. Terwijl traditionele deep learning-netwerken aanzienlijk slechter presteerden dan mensen (met foutenpercentages tussen 8 en 34,8 procent), behaalde een visueel-motorisch geïntegreerd machine learning-systeem een ​​foutenpercentage van 3,3 procent, wat vergelijkbaar was met het menselijke foutenpercentage van 4,5 procent ( Lake et al. 2015). Verdere experimenten toonden aan dat het model ook in staat was om plausibele nieuwe tekens te genereren, wat betekent dat het het vermogen van mensen nabootste om dit gemakkelijk te doen.

Neuro-wetenschappelijke studies met behulp van functionele magnetische resonantie beeldvorming (fMRI) toonden ook aan dat het herkennen van letters die zijn geleerd door met een pen te schrijven, leidt tot verhoogde activiteit in motorische hersengebieden. Dit was niet het geval voor letters die via toetsenbordinvoer werden geleerd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat alleen het vormen van letters met een pen motorische geheugensporen creëert die worden geactiveerd tijdens de perceptie van letters en de herkenning van de letter in zijn visuele verschijning vergemakkelijken.

Het extra motorische geheugenspoor dat bevorderlijk is voor het lezen, wordt niet gecreëerd bij invoer via het toetsenbord, aangezien de typebewegingen niet gerelateerd zijn aan de vorm van de letters.

Over het algemeen is denken altijd belichaamd. Daarom is het leren van letters door te schrijven met een pen superieur aan leren door te tikken of te klikken op een digitaal schrijfapparaat. Kortom: goed leren lezen doe je alleen door met de hand te schrijven. Een vergelijking met muziek ligt voor de hand. Die leer je niet alleen door passief te luisteren, maar vooral door actief muziek te maken. Als men het zingen en musiceren in de kindertijd achterwege zou laten, zou men het kind de steun ontnemen die zingen en musiceren aantoonbaar geeft aan de muziek, maar ook aan andere hogere intellectuele prestaties. Muziek is een culturele techniek die wordt gepromoot simpelweg omdat het goed is voor mensen in hun menselijkheid, omdat mensen – ook en vooral vanuit biologisch oogpunt – culturele wezens zijn, ze zijn gebouwd om cultuur over te nemen en door te geven en zonder cultuur kunnen ze niet leven.

Met het oog op de snel voortschrijdende digitalisering van onze samenleving wordt het bijzonder duidelijk dat ook lezen en schrijven tot de culturele technieken behoren. Het gaat lang niet alleen om de juiste lettervorm, maar uiteindelijk om een ​​geïntegreerd senso-motorisch handelen, de basis van al het denken. Bovendien verstoren beeldschermen op jonge leeftijd de hersen- en oogontwikkeling, wat op de lange termijn leidt tot verminderdeontwikkeling en slecht zicht. In de oogheelkunde is er al sprake van een myopie-pandemie die meer dan een miljard mensen treft. Bij ernstige bijziendheid is het risico op blindheid aanzienlijk verhoogd. Het is aangetoond dat een lager opleidingsniveau in de kindertijd, adolescentie en vroege volwassenheid de sterkst beïnvloedbare risicofactor is voor het later ontstaan ​​van dementie. Voordat we laptops introduceren op de kleuterschool en basisschool, moeten we weten wat we onze kinderen ermee aandoen! Er bestaat niet alleen het gevaar dat de massale introductie van digitale media in kleuterscholen en scholen de leesvaardigheid van kinderen onvoldoende bevordert. Het gaat veeleer om de mentale prestaties en gezondheid van de volgende generatie, waarvoor wij volwassenen verantwoordelijk zijn en die we niet achteloos in gevaar mogen brengen.

.
*Auteur: prof. dr. dr Manfred Spitzer studeerde geneeskunde, psychologie en filosofie in Freiburg. Na zijn promotie werkte hij als hoofdarts in de psychiatrische universiteitskliniek in Heidelberg. Onderzoeken in de VS vormden zijn werk op het snijvlak van neurobiologie, psychologie en psychiatrie. Sinds 1997 is hij medisch directeur van de psychiatrische universiteitskliniek in Ulm. In 2004 richtte hij het Transfercentrum voor Neurowetenschappen en Leren (ZNL) op.
.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Over de invloed van het tv-scherm op het jonge kind:

Opvoedingsvragen onder nr. 19

2990-2807

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (17-06-1921)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald:Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

GA 298

Blz. 93

Ansprache mit Aussprache an der ersten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule»

Toespraak met discussie op de eerste algemene vergadering van de vereniging “vrijeschool”  *

Meine sehr verehrten Anwesenden! Ich eröffne die erste ordentliche
Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule». Ehe ich auf
das Programm eingehe, gestatten Sie, daß ich Sie im Namen des Vorstandes auf das allerherzlichste begrüße. Es ist nur eine kleine Anzahl der
Mitglieder des Vereins heute naturgemäß erschienen, aber um so herzlicher soll die Begrüßung für die kleine Anzahl sein; wir haben 1400 Mitglieder, so viel sind lange nicht da. Um so erfreulicher ist es, daß eine stattliche Anzahl erschienen ist. Was zunächst, meine sehr verehrten Anwesenden, zu sagen ist in bezug auf die bisherige Entwickelung der Waldorf schule, ist das Folgende: Wir haben zwei Schuljahre hinter uns, wir haben, wie Ihnen wohl aus den verschiedenen Veröffentlichungen, die schon erschienen sind, bekannt sein dürfte, mit dieser Waldorfschule,

Zeer geachte aanwezigen! Ik open de eerste Algemene vergadering van de vereniging «Vrijeschool». Voor ik op het programma inga, mag ik u namens het bestuur hartelijk begroeten. Er is vandaag vanzelfsprekend maar een klein aantal leden van de vereniging gekomen, maar des te hartelijker is het welkom  voor het kleine aantal; we hebben 1400 leden, maar zoveel zijn er bij lange na niet. Des te fijner is het dat er een aanzienlijk aantal is gekomen.
Wat allereerst, beste aanwezigen, te vermelden is, met betrekking tot de ontwikkeling van de vrijeschool tot nu toe, is het volgende: we hebben twee schooljaren achter de rug, we hebben, zoals u waarschijnlijk kunt opmaken uit de verschillende publicaties die al zijn verschenen en die u misschien kent, met deze vrijeschool, 

die von Emil Molt gegründet worden ist, etwas angestrebt, das aus neuen
pädagogisch-didaktischen Gesichtspunkten und aus Gesichtspunkten
einer allgemeinen humanitären Denkweise heraus wirklich nach den
verschiedenen Richtungen hin etwas Neues schaffen kann, daß neue
Kräfte entfesselt werden, die auf dem Gebiete des Unterrichts und der
Erziehung notwendig sind, um gegenüber den Verfallskräften, gegenüber den Niedergangskräften, die in unserer Zeit sehr deutlich zu sehen sind, das Nötige zu tun. Es ist begreiflich, daß ein Wichtiges in der
Gegenwart getan werden muß auf dem Gebiete des Unterrichts- und
Erziehungswesens. Eine solche Aufgabe war nicht leicht; es handelte
sich darum, in der Auswahl der Lehrer so vorzugehen, daß nun wirklich
bei denjenigen, die Lehrende und Erziehende sein sollten, der Geist von
all dem lebt, was wir eine notwendige neue pädagogisch-didaktische
Denkweise nennen können.
Wir mußten außerdem uns innerhalb der Lehrerschaft erst verständigen über dasjenige, was da ins einzelne des pädagogisch-didaktischen

opgericht door Emil Molt, als doel uit nieuwe pedagogisch-didactische opvattingen en vanuit gezichtspunten van een algemene humanitaire mentaliteit daadwerkelijk in verschillende richtingen iets nieuws te scheppen, dat nieuwe krachten worden gemobiliseerd die op het gebied van onderwijs en opvoeding noodzakelijk zijn om het hoofd te bieden aan de krachten van verval, de neergaande krachten, die in onze tijd heel duidelijk te zien zijn, om te doen wat nodig is. Het is begrijpelijk dat er iets belangrijks in deze tijd moet gebeuren op het gebied van onderwijs en opvoeding. Zo’n taak was niet gemakkelijk; het ging erom bij de keuze van de leerkrachten zo te werk te gaan, dat daadwerkelijk bij diegenen die opvoeder en leerkracht zouden moeten zijn, de geest leeft van alles wat we een noodzakelijke nieuwe pedagogisch-didactische manier van denken kunnen noemen.
Daarnaast moesten we eerst binnen de leerkrachtengroep tot een begrip komen van wat tot in detail van het pedagogisch-didactische werk, onze opdracht zou moeten worden.

*Toespraak bij de eerste ledenvergadering van de ‘Vereniging Vrijeschool’ op 17 juni 1921. De tekst van deze toespraak werd door Rudolf Steiner zelf opgesteld voor het ‘Mededelingenblad voor de leden van de ‘Vereniging Vrijeschool’, augustus 1921, nr. 1; de aansluitende toespraak niet.

Verder wordt hier nog verwezen naar ‘allerlei toespraken’ bij de opening van de school, die ooit werden uitgegeven als ‘Die Waldorfschule und ihr Geist’ Het gaat om drie toepraken uit 1919 die nu als voordracht zijn opgenomen in GA 297voordracht 1, van 24 augustus [op deze blog vertaald] , voordracht 2 van 31 augustus [op deze blog vertaald] ’s middags en voordracht 3 [vertaald] van 31 augustus ’s avonds.

Blz. 94

Wirkens hinein unsere Aufgabe wird werden müssen. Dazu ist ja
zunächst ein pädagogisch-didaktischer Kurs vor der Eröffnung der
Schule für das Lehrerkollegium in seiner ersten Zusammensetzung
gehalten worden, auf Grundlage dessen dann der Unterricht und die
Erziehung versucht worden sind. Zu diesem etwas längeren pädagogischen Kurs, der der Eröffnung voranging, kam dann ein kürzerer Ergänzungskurs vor dem Beginn des zweiten Jahres, und ein zweiter Ergänzungskurs wird jetzt eben gehalten vor dem Beginn des dritten Schuljahres. Bei den verschiedenen Besuchen, die mir als pädagogischem Leiter der Waldorfschule möglich waren im Laufe der zwei Jahre, hat sich allerdings dasjenige ergeben, das darf nach einer gewissenhaften Prüfung gesagt werden, daß es – trotz aller Schwierigkeiten, die ja dereinzelne Lehrer und Erzieher zum Teil aus äußeren Umständen und zum Teil, weil die Aufgabe schwierig ist, bei sich selbst zuüberwinden hat -möglich geworden ist, daß der Geist, der in unserer Schule waltet, immer intensiver das Lehrerkollegium ergriffen hat. Wir haben es mit einer aufsteigenden Entwicklung zu tun gehabt; und die Art, wie sich mehr
und mehr eingelebt hat dieser Geist der Waldorfschule, läßt uns hoffen,
daß wir auch im folgenden Schuljahre eine steigende Entwickelung des
Waldorfschulgeistes werden zu verzeichnen haben.

Daartoe is dus eerst voor het lerarencollege in zijn eerste samenstelling een pedagogisch-didactische cursus gehouden vóór de opening van de school, op basis waarvan dan de lessen en de opvoeding uitgeprobeerd werden. Na de wat langere pedagogische cursus, die aan de opening voorafging, volgde een kortere aanvullende cursus* voor de start van het tweede jaar, en een tweede aanvullende cursus** zal er nu gehouden worden voor de start van de derde schooljaar. Tijdens de verschillende bezoeken die ik als pedagogisch leider in de loop van twee jaar heb kunnen brengen, bleek, dat mag ik wel zeggen ​​na een gewetensvol onderzoek, dat het – ondanks alle moeilijkheden die de individuele leerkracht en opvoeder deels door externe omstandigheden en deels omdat de taak moeilijk is, in zichzelf moest overwinnen, mogelijk geworden is dat de geest die in onze school heerst, de leerkrachten steeds meer is gaan bezielen. We hadden te maken met een opgaande ontwikkeling; en de manier waarop deze geest van de vrijeschool steeds meer is gaan leven, geeft ons de hoop dat we ook in het volgende schooljaar een toenemende ontwikkeling zien van de vrijeschoolgeest.

*Aanvullende cursus: «Meditativ erarbeitete Menschenkunde» GA 302A, vertaald alsMenskunde innerlijk vernieuwd
**
«Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung» GA 302 vertaald als “Menskunde en opvoeding”

Es hat sich herausgestellt, daß die Lehrkräfte, die zu den alten hinzugekommen sind, weil die Vergrößerung der Schule es nötig machte, sich wirklich mit erstaunlicher  Schnelligkeit in den Geist der Waldorfschule einleben, so daß man in dieser Beziehung sagen kann: Dieser Geist der Waldorfschule ist immer
mehr und mehr etwas Lebendiges geworden, etwas, das man findet, von
dem man berührt wird, wenn man in die Waldorfschule hineinkommt. In dieser Beziehung dürfen wir aus einem sachgemäßen Beurteilen sagen, wir können nur Gutes verzeichnen; wir können hoffen, daß wir durch die Ausbildung des angestrebten Geistes allmählich dahin kommen, einen deutlichen Beweis liefern zu können, daß die Waldorfschule ihr Ziel wird erreichen können. Das ist zu sagen über den Geist, derwaltet in der Schule, in den Lehrerkonferenzen, über den Geist, der in der Denkweise, in der Gesinnung des Lehrerkollegiums für mich, der ich das zu prüfen hatte, zu bemerken war. Das Lehrerkollegium besteht aus dem Begründer der Schule, Herrn Emil Molt, und seiner Gattin, die

Het bleek dat de leraren die zich bij de eerdere voegden omdat de groei van de school het noodzakelijk maakte, zich met bewonderingswaardige voortvarendheid in de geest van de vrijeschool inleefden, zodat je in dit opzicht kan zeggen: deze geest van de vrijeschool is levendiger geworden, iets waar je door geraakt wordt, als je de vrijeschool binnenkomt
In dit opzicht mogen we vanuit een ter zake doend oordelen, zeggen dat we alleen goede dingen kunnen noemen; we mogen hopen dat we door de ontwikkeling van de geest die we nastreven, geleidelijk aan een duidelijk bewijs kunnen leveren dat de vrijeschool haar doel zal kunnen bereiken. Dat kan ik zeggen over de geest die in de school heerst, in de lerarenvergaderingen, over de geest in de manier van denken, in de stemming in de lerarenvergadering; ik moest dat nagaan, en dit kan ik zeggen. De lerarengroep bestaat uit de oprichter van de school, de heer Emil Molt, en zijn echtgenote, die

Blz. 95

gewissermaßen die Stelle der Patrone innehaben, und aus den Ihnen
bekannten Persönlichkeiten; die pädagogische Leitung ist durch die
Natur der Sache mir zugefallen, und ich darf sagen: In den Lehrerkonferenzen, die in meiner Anwesenheit gehalten worden sind, und auch bei
meinem Dabeisein während des Unterrichtes, was ja auch öfters im
Laufe der zwei Jahre stattgefunden hat, ist durchaus das zutage getreten,
was ich jetzt auseinandergesetzt habe. Das wäre in aller Kürze dasjenige, was von der einen Seite gesagt werden muß; dem muß allerdings von der
anderen Seite etwas gegenübergestellt werden. Das ist das, was ja, wie ich
glaube, mit voller Berechtigung von mir vor der Eröffnung der Schule in
allerlei Ansprachen und auch bei der Eröffnung gesagt worden ist, daß
eigentlich die Aufgabe der Waldorfschule nur dann voll erfüllt ist, wenn
zu ihr sehr rasch sich andere solche Schulgründungen finden. Denn mit
einer einzelnen Schule kann selbstverständlich nichts anderes geliefert
werden als ein Musterbeispiel, das wir in bezug auf Pädagogisch Didaktisches hingestellt haben. Das glaube ich in dieser berechtigten Weise vor Ihnen sagen zu können. Ein solches Musterbeispiel wird man konstruieren können. 

tot op zekere hoogte de plaats van de beschermheer en -vrouwe innemen, en van personen die u kent; de pedagogische leiding kwam uit de aard van de zaak bij mij en ik mag wel zeggen: tijdens de lerarenvergaderingen die in mijn bijzijn werden gehouden en ook bij mijn aanwezigheid tijdens de les, wat in de loop van die twee jaar ook vaker gebeurde, is het wel duidelijk geworden wat ik nu heb uitgelegd. In een notendop is dit wat er van de ene kant gezegd moet worden; aan de andere kant staat er ook wat tegenover. Dat is, wat mij betreft volledig gerechtvaardigd, door mij, voor de opening van de school in allerlei toespraken en bij de opening van de school, gezegd, dat eigenlijk de opdracht van de vrijeschool pas volledig geslaagd is, als heel snel andere dergelijke schoolstichtingen plaatsvinden. Want met een enkele school  kan natuurlijk niets anders gebracht worden wat pedagogie en didactiek betreft, dan een mooi voorbeeld. Ik geloof dat ik u dit op een gerechtvaardigde manier kan zeggen. Je kan zo’n toonvoorbeeld van een school in het leven roepen. Alleen met zo’n bijzonder voorbeeld is natuurlijk in onze tijd waarin het noodzakelijk is, de geest die hier bedoeld wordt, over te brengen op het hele onderwijssysteem, in de zin van de sociale driegeleding die een echt vrij geestesleven wat opvoeding en onderwijs betreft, vraagt, slechts een begin gemaakt. 

Es ist der Geist, der gemeint ist, nur dadurch zu erreichen, daß
die Waldorfschul-Idee die weiteste Verbreitung findet. Die Waldorfschule müßte Nachfolge erfahren; und das hängt natürlich davon ab, daß
in weitesten Kreisen Interesse dieser Waldorfschule entgegengebracht
wird. Wir dürfen allerdings sagen: Die Mitglieder des WaldorfschulVereins haben wirklich durch ihr tätiges Mitwirken ein anerkennenswertes Interesse gezeigt und ebenso die Elternschaft. Leider aber hat sich das Interesse der weitesten Kreise gegenüber der Waldorfschul-Idee nicht geregt; es ist noch außerordentlich gering. Außer einem Versuch, der in dankenswerter Weise im Kleinen unternommen worden ist innerhalb Mitteleuropas, hat die Waldorfschule keine Nachfolgerschaft gefunden. Es sind auch recht wenig Bestrebungen hervorgetreten für eine solche Nachfolgerschaft. Auch kann man sagen, daß sich nach einer anderen

De geest die bedoeld wordt, is alleen te bereiken als de vrijeschool-idee een zo groot mogelijke verspreiding vindt. De vrijeschool zou navolging moeten vinden en dat hangt af van de belangstelling die er voor deze vrijeschool in de breedst mogelijke kringen bestaat. We kunnen wel zeggen: de leden van de vrijeschoolvereniging hebben door hun actieve deelname echt een lovenswaardige belangstelling getoond, net als de ouders. Helaas is de belangstelling in de breedste kringen voor de vrijeschoolgedachte niet gewekt, die is nog buitengewoon klein. Behalve een poging waarvoor we dankbaar kunnen zijn, die in kleine kring ondernomen werd in Midden-Europa, maar verder heeft de vrijeschool nog geen navolging gevonden. Er zijn ook maar heel weinig pogingen voor zo’n navolging gedaan. Ook kun je zeggen dat naar de andere

Blz. 96

Seite hin das Interesse durchaus nicht in der Weise gezeigt hat, wie es
eigentlich zu erwarten gewesen wäre: Man braucht Geld, selbst wenn
nur eine Schule als Musterbeispiel gedeihen soll. Wir müssen die Sache
so einrichten, daß wir mit jedem Jahr eine Klasse anfügen. Wir haben,
nachdem wir die Schule achtklassig gegründet haben, im vorigen Jahr die neunte Klasse angefügt; wir werden mit der Eröffnung des dritten Schuljahres, die morgen stattfindet, die zehnte Klasse anzufügen haben.
Wir werden damit unsere Schule nach oben in jedem Jahre weiter
ausbauen, so daß sich unseren letzten Schuljahren die verschiedenen
Hochschulen anschließen können und wir tatsächlich unsere Schüler so weit bringen, daß sie beim Abgang aus unserer Schule das Abiturientenexamen ablegen können. Wir haben noch Zeit dazu, aber in dieser Weise soll diese Schule ausgebaut werden. Das fordert natürlich eine fortwährende bauliche Erweiterung der Schule. Außerdem hat sich herausgestellt, daß die Idee, die ursprünglich zugrunde lag, die Schule der Hauptsache nach zu begründen für die Kinder der Angehörigen der Waldorf-Astoria-Fabrik, ins Breite gewachsen ist. Es kamen immer mehr Anmeldungen aus weitesten Kreisen; und nach dieser Richtung hin ist durchaus ein gewisses Interesse vorhanden.

kant de interesse ook niet gebleken is, als eigenlijk te verwachten was: er is geld nodig, wil een school als toonbeeld bloeien. Wij moeten het zo organiseren dat er ieder jaar een klas bijkomt. We hebben, toen de school uit acht klassen was opgebouwd, vorig jaar de negende klas toegevoegd; met de opening van het derde schooljaar die morgen plaatsvindt, hebben we de tiende erbij. Ieder jaar zullen we de school verder naar boven uitbouwen, zodat daarmee onze laatste schooljaren aansluiten bij de verschillende soorten hoger vervolgonderwijs en wij de leerlingen zo ver brengen dat zij wanneer ze van school gaan, eindexamen kunnen doen. Daarvoor hebben we nog tijd, maar deze school moet op deze manier uitgebouwd worden. Dit vraagt ​​natuurlijk om voortdurende uitbreiding van het schoolgebouw. Ook is gebleken dat het oorspronkelijke idee om de school voornamelijk op te richten voor de kinderen van de medewerkers van de Waldorf-Astoria fabriek zich heeft verbreed. Er kwamen steeds meer aanmeldingen uit de breedste kringen; en er is vanuit deze richting zeer zeker belangstelling.

Für die Vergrößerung der Schule, für die Erweiterung der einen Schule, für ihren Geist ist durchaus ein Interesse schon vorhanden. Das zeigt sich darin, daß wir von allen Seiten Schüleranmeldungen haben, daß die meisten Klassen mit Parallelklassen arbeiten müssen.
Daß Schwierigkeiten bestehen in bezug auf den Ausbau der Schule,
das wird im Vorstandsbericht gesagt werden. Jedenfalls sieht man daraus, daß es notwendig ist, daß man der Schule in finanzieller Beziehung Interesse entgegenbringe. Man kann wirklich nicht sagen, daß die Schule in finanzieller Beziehung dieses Interesse gefunden hat. Wir stehen jedesmal, wenn eine Erweiterung notwendig ist, vor neuen finanziellen Sorgen. Daher muß schon heute der Vorstand vor dieser ordentlichen Mitgliederversammlung in den Bericht etwas über seine Sorgen hineintragen. Wenn wir auf der einen Seite berichten dürfen über die Befriedigung, die man haben kann über den geistigen Fortgang, so muß dem entgegengesetzt werden, daß wir berichten müssen von den Sorgen, die wir haben und die sich insbesondere im Verlaufe der nächsten Wochen

Er is zeker belangstelling voor de uitbreiding van die ene school, voor haar gezindheid is zeker wel belangtelling. Dat blijkt wel uit het feit dat we van alle kanten leerlingaanmeldingen krijgen, zodat de meeste klassen moeten werken met parallelklassen.
Dat er moeilijkheden zijn met betrekking tot de uitbreiding van de school*, komt in het bestuursverslag te staan. In ieder geval kan je hieruit opmaken dat het noodzakelijk is dat er vanuit financieel oogpunt belangstelling voor de school ontstaat. Je kan echt niet zeggen dat de school wat de financiën betreft die interesse al heeft. Iedere keer als uitbreiding nodig is, hebben we weer nieuwe financiële zorgen. Vandaar dat het bestuur nu al voor deze algemene ledenvergadering iets over de zorgen naar voren moet brengen. Wanneer we enerzijds mogen berichten over de tevredenheid die je kan hebben over de ideële vooruitgang, moet er toch ook gezegd worden dat we ons zorgen maken en dat die m.n. in de loop van de komende weken

*Op grond van een besluit over het grondwettelijke schoolbesluit moest de vrijeschool in de herfst van 1920 opnieuw naar goedkeuring zoeken. Daarin stond al dat de school net zo als andere particuliere scholen vanaf schooljaar 1922/23 geen nieuwe eerste klas mocht openen en dat het leerlingenaantal van de eerste vier klassen afgebouwd moest worden. Niettegenstaande dat de vrijeschool als proefschool een langere termijn in het vooruitzicht was gesteld. Het besluit werd later ingetrokken.

Blz. 97

sehr vergrößern werden. Diese Sorgen kann natürlich das Lehrerkollegium nicht bewältigen; das hat schon sehr viel zu tun mit der Bewältigung des geistigen Fortschrittes. Das ist etwas, was in geeigneter Weise
in der nächsten Zeit in die weitere Öffentlichkeit hineingetragen werden
müßte. Wir brauchen einfach die Erweckung des Interesses in bezug auf die finanzielle Stützung der Waldorfschule, sonst würde selbst dieses
eine Beispiel, das mit der einen Schule gegeben worden ist, nicht in der
entsprechenden Weise ausgebaut werden können. Es steht zu hoffen,
daß, wenn es gelingt, allmählich das Interesse der breitesten Öffentlichkeit für den Geist der Waldorfschule, für deren Ergebnisse zu erregen,
auch das andere Notwendige nachfolgen wird: die Erweiterung der
Waldorfschul-Idee dadurch, daß diese eine Schule Nachfolge findet, daß
solche Schulen weiter begründet werden. Geschieht das nicht, so bleibt
es bei einer Art Musterbeispiel. Damit wäre der Idee der WaldorfschuBewegung durchaus nicht Rechnung getragen. Das ist dasjenige, was ich als Vorsitzender des Waldorfschul-Vereins vorbringen wollte.

veel groter zullen worden. Het lerarencollege kan deze zorgen natuurlijk niet aan; dat heeft veel te doen om de spirituele vooruitgang voor elkaar te krijgen. Het is iets wat op een adequate manier de komende tijd openbaar moet worden. We hebben simpelweg de belangstelling voor de financiële ondersteuning van de vrijeschool nodig, want anders zou zelfs dit enige voorbeeld dat met deze ene school wordt gegeven, niet op de manier uitgebouwd kan worden die nodig is. Het is te hopen dat, wanneer het lukt stap voor stap de belangstelling van een zo breed mogelijk publiek te wekken voor de geest van de vrijeschool, voor de resultaten, ook het andere dat nodig is, zal volgen: de verspreiding van de vrijeschool-idee doordat deze ene school navolging vindt, dat er meer van deze scholen gesticht gaan worden. Als dit niet gebeurt, blijft het bij een soort modelvoorbeeld. Dit zou geen recht doen aan de idee van de vrijeschoolbeweging. Dat wilde ik als voorzitter van de vrijeschoolvereniging naar voren brengen.

Blz. 98

Aus der Aussprache bei der Mitgliederversammlung vom 17. Juni 1921

E. Molt: Es scheint eine der schönsten Aufgaben zu sein, Herrn Dr. Steiner den
tiefgefühlten Dank zum Ausdruck zu bringen für seine liebevolle Führung der Schule. Wir wissen, daß wir ihm die gedeihliche Entwicklung der Schule zu verdanken haben.

Dr. Steiner: Meine sehr verehrten Anwesenden! Ich danke Herrn
Molt für seine lieben Worte, und ich danke allen für ihre Zustimmung zu
seinen lieben Worten. Ich glaube diesen Dank auch aussprechen zu
dürfen im Namen des gesamten Lehrerkollegiums unserer Waldorf –
schule. Es wird ja kein Zweifel darüber bestehen können, daß dasjenige,
was einigermaßen gelungen sein kann diesem Lehrerkollegium, was
möglich war für es, für die Entwickelung der Waldorfschule zu leisten, daß das nur hat geleistet werden können aus dem Grunde, weil das
gesamte Lehrerkollegium durchaus tief durchdrungen ist von der Notwendigkeit der Waldorfschul-Idee, weil jeder einzelne dieses Lehrerkollegiums mit Begeisterung an dieser Waldorfschul-Idee hängt, und aus
dieser Begeisterung kommt die Kraft zu dem Wirken für eine im
wesentlichen doch neue Sache. Wir dürfen annehmen, daß trotz mancher
Schwierigkeit uns, die wir für die Waldorf schule und ihren geistigen
Fortgang zu sorgen haben, diese Begeisterung bleibt und infolgedessen
auch die Kraft zum Wirken bleibt. Und in diesem Sinne, weil Sie
vielleicht doch glauben können, daß wir aus reiner Begeisterung für die Waldorfschul-Idee in dieser Schule wirken, werden Sie auch das Versprechen entgegennehmen können, das ich in meinem Namen und in
meiner lieben Freunde Namen vom Kollegium abgeben möchte. Sie
werden das Versprechen entgegennehmen, daß wir auch in der Zukunft
in der Weise wirken werden, wie Sie es sehen, die Sie Ihr tiefstes
Interesse für die Wadlorfschule bezeigt haben, wie es Sie wird befriedigen können.

Uit de discussie op de algemene vergadering op 17 juni 1921

E. Molt: Het lijkt een van de fijnste taken, Dr. Steiner oprecht te bedanken voor zijn liefdevolle leiding van de school. Wij weten dat we de voorspoedige ontwikkeling van de school aan hem te danken hebben.

Dr Steiner: Geachte aanwezigen! Ik bedank de Heer Molt voor zijn vriendelijke woorden en ik bedank ook iedereen voor de instemming met zijn vriendelijke woorden. Ik denk dat ik mijn dank mag uitspreken namens het voltallige lerarencollege van onze vrijeschool. Er kan geen twijfel over bestaan dat wat enigszins succesvol is geweest voor dit lerarencollege, wat mogelijk was om bij te dragen aan de ontwikkeling van de vrijeschool, dit alleen maar gepresteerd kon worden doordat de leerkrachten diep doordrongen zijn van de noodzaak van de vrijeschool-idee, omdat ieder van de leerkrachten met enthousiasme betrokken is bij dit idee, en vanuit dit enthousiasme komt de kracht om te werken voor een zaak die in wezen nog nieuw is. We mogen aannemen dat ondanks sommige moeilijkheden voor ons, die de vrijeschool en de spirituele ontwikkeling moeten verzorgen, dit enthousiasme blijft en dat als gevolg daarvan ook de kracht om te werken blijft. En in die zin, omdat U ook mag geloven dat wij uit puur enthousiasme voor de vrijeschool-idee op deze school werken, mag u ook mijn belofte vertrouwen dat wij in de toekomst op een manier willen werken zoals u die ziet, u, die uw diepste belangstelling voor de vrijeschool hebt laten zien, en die u ook diep tevreden zal kunnen stellen.

Es wird der Wunsch ausgesprochen nach einer Gelegenheit, die Waldorfschule zu besichtigen.

Dr. Steiner: Ich glaube, daß man nicht außerordentlich viel haben
wird von einer Besichtigung in der Waldorfschule selbst, und daß die

De wens wordt uitgesproken om de vrijeschool bij gelegenheid eens te kunnen bezoeken.

Dr. Steiner: Ik geloof dat u aan een bezoek van de vrijeschool zelf niet echt veel zal hebben en dat de

Blz. 99

Lehrerschaft am morgigen Vormittag verhindert wäre zu führen. Es
wäre vielleicht möglich, Ihren Wunsch dahin zu modifizieren, daß Sie
morgen um halb zehn Uhr im hiesigen Stadtgartensaal an der Eröffnungsfeier teilnehmen, wenn es nicht allzu viele sind. Darf ich die verehrten Anwesenden bitten – es ist auch wohl von seiten der Lehrer nichts einzuwenden -, wenn es Ihnen möglich erscheint, diesen Wunsch dahin zu modifizieren, daß Sie morgen an der Eröffnungsfeier teilnehmen. Sollte Ihr Wunsch sein, gegen Abend nach sechs Uhr einen Spaziergang machen zu wollen, so werden sich die Mitglieder des Kollegiums freuen, morgen nach Feierabend das Gebäude zu zeigen.

leerkrachten u ’s morgens ook niet kunnen rondleiden. Uw verzoek zou mogelijk misschien aangepast kunnen worden, zodat u morgen om half tien in de plaatselijke stadstuinzaal bij het openingsfeest kan zijn, als u met niet al te veel bent. Mag ik u geachte aanwezigen vragen – ik denk ook wel dat de leerkrachten geen bezwaar maken – als het u uitkomt deze wens aan te passen zodat u morgen bij het openingsfeest erbij bent. Is uw wens om tegen de avond, na zes uur een wandeling te willen maken, dan zullen de leden van het college morgen als ze vrij zijn u graag het gebouw laten zien.

Ein Mitglied: Vielleicht kann man Leute an einem bestimmten Tag die Schule besuchen lassen? Etwa die Eurythmiestunden?

Dr. Steiner: Die Eurythmie gehört zum Unterricht; es würde für die
Eurythmie dasselbe in Betracht kommen, was für den übrigen Unterricht in Betracht kommt. Da möchte ich bemerken, daß es sich höchstens
darum handeln kann, daß vielleicht der Beschluß gefaßt würde, daß die
von den Kindern und Lehrern leere Schule besucht würde. Von einer Besichtigung der Schule während des Unterrichts könnte nicht die Rede
sein. Denn solch eine Besichtigung sollte nur stattfinden nach vorheriger
genauer Erwägung, nach vorherigem Verhandeln mit denen, die durch
die Besichtigung der Schule etwas lernen wollen. Es kann sich etwa
handeln um die, die aus dem Grunde etwas sehen wollen von der Schule,
weil sie irgendwo eine solche Schule begründen wollen, weil sie selbst
irgend etwas in sachgemäßer Weise für die Verbreitung der Waldorf

Een verenigingslid: Misschien kan men op een bepaalde dag de school laten bezoeken? In de euritmie-uren, misschien?

Dr. Steiner: De euritmie hoort bij het onderwijs; voor de euritmie geldt hetzelfde als voor het andere onderwijs. Ik zou willen zeggen dat het hooguit hierom gaan kan, dat we besluiten dat de school kan worden bezocht als de kinderen en leerkrachten weg zijn. Een bezoek tijdens de lessen is niet mogelijk. Zo’n bezichtiging kan alleen plaatsvinden als we van te voren precies afwegen, samen met degene die door een bezoek aan de school iets wil leren. Het kan bijv. om die mensen gaan die iets willen zien omdat zij ergens zo’n school willen oprichten, omdat ze zelf daadwerkelijk iets willen doen voor de uitbreiding van de vrijeschool-idee.

schul-Idee tun wollen. Es kann sich im Grunde nur um derartige seltene
Fälle handeln, wenn es sich um die Besichtigung des Betriebes der Schule
handelt. Wir sind natürlich nach dieser Richtung hin schon reichlich
aufgefordert worden, aber irgendwie weitergehend könnte das nicht
geschehen. Das kann aus rein pädagogisch-didaktischen Gründen nicht
sein. Auch das berechtigte Besuchen der Schule während des Unterrichts
bedeutet doch immer eine Störung, eine vor der Pädagogik nicht zu
rechtfertigende Störung des Unterrichtes. Wer auch immer das Schulzimmer betritt, stört den Unterricht. Es kann begründet sein, daß zu
einem höheren Ziele der Unterricht gestört wird. Dann muß man solche

Principieel kan het alleen om die enkele gevallen gaan waarbij de school bezichtigd wordt als die bezig is. Wat dit betreft, zijn we natuurlijk al vaak gevraagd, maar verder gaan dan dit, kan niet. Het gaat niet om puur pedagogisch-didactische redenen. Ook als het bezoek tijdens de les dan terecht is, betekent dat toch altijd een verstoring, een voor de pedagogie niet te rechtvaardigen storing van het onderwijs. Wie de klas binnengaat, stoort het onderwijs al. Maar voor een hoger doel kan de verstoring dan wel verantwoord worden. Dan moeten die

Blz. 100

Gründe gelten lassen. Man sollte doch ein Herz dafür haben, daß der
Unterricht etwas ist, was der Sammlung bedarf, was daher unter keinen Umständen, wenn es nicht dringend notwendig ist, der Besichtigung des Besuches ausgesetzt werden sollte.
Ich glaube, daß es auch die Ansicht der übrigen Mitglieder des
Kollegiums ist, daß wir daher höchstens könnten – das wäre eine Belastung, die jetzt auch kaum zuzumuten ist -, daß wir höchstens
könnten die Schulräume sehen lassen. Nun kann ich Ihnen die Versicherung geben, daß die dann etwas Sehenswertes darstellen werden, wenn wir recht viel finanzielle Mittel bekommen werden. Aber wahrscheinlich mit Bezug auf dasjenige, was von Dotierungen herrührt, was die Ausstattung betrifft, die auf Dotierungen begründet ist, werden die Leute viel eher auf die Rechnung kommen, wenn sie andere Schulen anschauen. Wir könnten uns höchstens der Gefahr aussetzen, daß sie uns sagen werden, wir haben nichts gesehen, und Lehrmittel, die durchaus nicht etwa reichlich sind. Gebt uns unser Geld zurück!

redenen voor gaan. Men zou het toch moeten kunnen meevoelen dat het onderwijs iets is wat concentratie nodig heeft, wat daarom onder geen omstandigheid, wanneer het niet dringend nodig is, geconfronteerd moet worden met de bezichtiging van bezoekers. 
Ik geloof dat dit ook de mening van de overige leerkrachten is; het zou een belasting zijn die nu ook nauwelijks toe te juichen zou zijn – we kunnen hooguit de klaslokalen laten zien. Ik kan u wel de verzekering geven dat die eruit zouden zien, het bekijken waard, als we behoorlijk veel financiële armslag zouden krijgen. Maar waarschijnlijk, met het oog op wat uit schenkingen komt, wat de inrichting betreft die er door schenkingen gekomen is, zullen de mensen eerder meer waar voor hun geld krijgen als ze andere scholen bekijken. Hooguit kunnen we ons blootstellen aan het gevaar dat ze tegen ons zullen zeggen dat ze niets hebben gezien, wat leermiddelen en ook niet rijkelijk. Geef ons geld maar terug!

Bezüglich der Eurythmie ist festzuhalten, daß wir das Tunlichste
gemacht haben, um zu zeigen, wie es mit der Eurythmie steht. Wir
haben Veranstaltungen gemacht, in denen man sehen kann, wie die
Waldorf Schulkinder eurythmisch sich betätigen. Solche Veranstaltungen werden hoffentlich auch weiter gemacht werden. Das kann die Gelegenheit sein, bei der man sich überzeugen muß, was in der Eurythmie durch die Waldorfschulkinder geleistet werden kann. Es erscheint mir aus pädagogischen Gründen tatsächlich untunlich, daß in bezug auf die Eurythmie irgendeine Ausnahme gemacht würde für dasjenige, was dem Unterricht gegenüber überhaupt gilt. Es ist bisher in der weitgehendsten Weise jedem berechtigten Wunsch entgegengekommen worden, sich zu informieren über das, was in der Waldorfschule vorgeht. Es ist in der weitgehendsten Weise auch ein nicht immer wünschenswerter Gebrauch gemacht worden von der Möglichkeit, die Waldorfschule zu besichtigen.

Wat de euritmie betreft moeten we vasthouden aan het feit dat we er alles aan gedaan hebben om te laten zien hoe het er met de euritmie voorstaat. We hebben uitvoeringen gegeven waarin je kan zien hoe de kinderen van de vrijeschool bezig zijn met euritmie. Hopelijk kunnen zulke uitvoeringen gegeven blijven worden. Dat kan een gelegenheid zijn om ervan overtuigd te raken wat de kinderen in de euritmie kunnen presteren. Om pedagogische redenen lijkt het mij ondoenlijk om voor de euritmie een of andere uitzondering te maken voor wat voor heel het onderwijs geldt. Tot nog toe is op de meest uitgebreide manier ingegaan op iedere te billijken wens zich te informeren over wat er in de vrijeschool gebeurt. Op de meest omvangrijke manier is er gebruik gemaakt van de mogelijkheid de vrijeschool te bezichtigen, al kwam dat niet altijd uit. 

Es kann im Grunde genommen in bezug auf diese Sache etwas
Gesundes nicht herauskommen, wenn bezüglich der Handhabung des
Verkehrs mit der Außenwelt und der Besichtigung irgendwie eine andere Weisung möglich ist als diejenige, die durch die Leitung der Waldorf

In principe kan er wat dit betreft niet iets gezonds uit voortkomen als het gaat om de communicatie en de bezichtiging in stand te houden anders dan wat door de leiding van de vrijeschool

Blz. 100

schule und das Lehrerkollegium möglich ist. Mir scheint es unmöglich
zu sein, daß die Leitung der Schule irgendwelche Weisung erhalten
würde von einem Verein. Hier handelt es sich darum, daß auch bezüglich dieser Sache nur das sachgemäße Urteil des Lehrerkollegiums in Betracht käme, so daß es mir gar nicht nötig schien, im Schoß des Waldorfschul-Vereins irgendwie darüber abzustimmen, ob man es gestatten soll oder nicht. Es müßte das durchaus vom Lehrerkollegium abhängen, wie man diese Sache handhabt. Es ist wohl auch kein Antrag gewesen.

. . . Das geht nicht, daß das, was ich im ersten Teil gesagt habe, daß der Geist der Waldorfschule vor Besucher hingetragen wird. Das muß
entwickelt werden im Unterricht. Das läßt sich auf keine Weise machen, als auf den Wegen, auf denen es bisher gesucht worden ist. Das, was der Geist der Waldorfschule ist, wird nicht anders vor die Öffentlichkeit gebracht werden können, als wenn diejenigen, welche Kinder haben, die Erziehungsideale kennenlernen, wenn die Elternschaft und auch andere, die damit zusammenhängen, in der Öffentlichkeit zeugen. Auf eine andere Weise gibt es keine Möglichkeit, daß der Geist der Waldorfschule beachtet wird

en het college voor mogelijk wordt aangegeven. Het lijkt mij onmogelijk dat de leiding van de school wat voor soort instructie dan ook, van een vereniging zou kunnen krijgen. Het gaat erom dat ook wat dit betreft alleen het adequate oordeel van de lerarengroep geldt, zodat het voor mij helemaal niet nodig leek daar intern over te stemmen of het goed gevonden wordt of niet. Het zou van de leraren moeten afhangen hoe men dat hanteert. Er is ook geen voorstel gedaan. 

….Wat ik in het eerste deel heb gezegd, dat de geest van de vrijeschool aan bezoekers getoond kan worden, dat gaat niet. Die wordt in het onderwijs ontwikkeld. Dat kan op geen andere manier dan langs de weg waarop die tot nog toe wordt gezocht. Wat de geest van de vrijeschool is, kan niet anders in de openbaarheid worden gebracht, dan wanneer de mensen die kinderen hebben, de opvoedingsidealen leren kennen; als de ouders en ook anderen in relatie daarmee dat in het openbare leven laten zien. Op een andere manier is er geen mogelijkheid om de geest van de vrijeschool te zien.

Ich kann die Versicherung geben, da ich weiß, daß der Vorschlag aus
gutem Willen hervorgeht: in den bisherigen zwei Jahren sind wir nach jeder Richtung entgegengekommen. Wir müssen scharf darüber wachen, daß nicht neugierige Leute kommen. Wir werden auch in der Zukunft niemanden, der eine Berechtigung hat, die Schule kennenzulernen, abweisen. Und da wir dann am Ende der Versammlung angekommen sind, gestatten Sie mir noch, daß ich im Namen des Vorstandes den herzlichen Dank dafür ausspreche, daß Sie diese erste Versammlung besuchen wollten. Ich hoffe, daß Sie an den Erfahrungen, die Sie werden machen können, das erleben werden, was Sie befriedigt, angesichts des Interesses, das Sie heute an den Tag gelegt haben durch Ihr Erscheinen. In diesem Sinne danke ich Ihnen im Namen des Vorstandes des Waldorfschul-Vereins für Ihr Erscheinen und erlaube mir, die erste ordentliche
Mitgliederversammlung zu schließen.

Ik kan verzekeren dat ik weet dat het voorstel met goede bedoelingen naar voren gebracht wordt: in de afgelopen twee jaar zijn we naar alle kanten welwillend geweest. We moeten scherp in de gaten hebben dat er geen nieuwsgierige aagjes komen. Ook in de toekomst zullen we niemand die de school op goede gronden wil leren kennen, weigeren. 

Nu we aan het eind van de vergadering gekomen zijn, wil mij dan nog toestaan dat ik uit naam van het bestuur u hartelijk wil bedanken dat u deze eerste vergadering wilde bijwonen. Ik hoop dat u door de ervaringen die u zal kunnen opdoen, datgene zal beleven wat u tevreden stelt, gezien de belangstelling die u vandaag aan de dag gelegd hebt, door hier te komen
In dit opzicht dank ik u namens het bestuur van de vereniging Vrijeschool voor uw aanwezigheid en sluit nu de eerste algemene ledenvergadering. 

.

Over GA 298inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2989-2806

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het Ik – GA 54

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. .

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.


En ook voor het astraallijf: GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55; GA 56GA 57GA 58GA 59


GA 54


Die Welträtsel und die Anthroposophie


De wereldvragen en de antroposofie


Voordracht 5, Hamburg, 17 november 1906


Die Frauenfrage


Het vrouwenvraagstuk


Blz. 123


Da nun, wo das tierische Leben beginnt, wo Lust und Leid, wo Triebe, Begierden und Leidenschaften beginnen, spricht man vom dritten Gliede der menschlichen Wesenheit, von dem astralischen Leib. Ihn hat der Mensch gemeinschaftlich mit der ganzen Tierwelt.


Waar het dierlijke leven begint, waar lust en leed, waar drift, begeerte en hartstocht begint, spreek je over het derde wezensdeel van de mens, van het astrale lijf. Dat heeft de mens samen met de hele dierenwereld.


Nun gibt es eines, was innerhalb des Menschen hinausgeht über alle Tierwelt und was den Menschen zur Krone der Schöpfung macht und was wir uns am besten vor die Seele führen, wenn wir eine kleine subtile Betrachtung anstellen. Es gibt im ganzen Umkreis der deutschen Sprache einen Namen, der sich unterscheidet von allen andern Namen. Zum Tisch kann jeder «Tisch», zum Stuhl jeder «Stuhl» sagen. Doch ein Name kann nicht so angewendet werden. Niemand kann zu mir «ich» sagen, so daß es mich bedeuten würde. Niemals kann «ich» an unser Ohr klingen, wenn es mich bedeutet. Dies hat man immer als etwas Wesentliches empfunden. Und selbst in den populären der älteren Religionsbekenntnisse hat man gefunden, daß da ein wichtiger Punkt der Seele liegt. Da wo die Seele anfängt, das Göttliche in sich zu fühlen, da wo sie anfängt, in diesem Dialog mit sich selbst zu sich «ich» zu sagen, mit sich selbst so zu sprechen, wie von außen nicht gesprochen werden kann, da beginnt die göttliche Wesenheit der Seele den Entwicklungsgang im Menschen. Der Gott im Menschen kündigt sich da an. Die alte hebräische Geheimlehre hatte das empfunden. Deshalb nannte man diesen Namen den unaussprechlichen Namen Gottes, den Namen, der da bedeutet: «Ich bin der Ich-bin.» Nach alttestamentlichem Glauben bedeutet der Name die


Nu is er iets  want in de mens alle dierlijk leven overstijgt en wat de mens tot kroon van de schepping maakt en wat wij het beste tot onze ziel kunnen laten doordringen als we een kleine subtiele waarneming doen. Er is er in heel het Duitse taalgebied een naam die verschilt van alle andere namen. Iedereen kan tegen een tafel ‘tafel’ zeggen, iedereen tegen een stoel ‘stoel’  Maar met één naam kan niet. Niemand kan ‘ik’ tegen mij zeggen, als het om mij gaat. Nooit kan ‘ik’ in onze oren klinken als het mij betreft. Men heeft dit altijd als iets wezenlijks gevoeld. En zelfs in de geliefde oudere religies is gebleken dat er een belangrijk gevoelspunt in zit. Daar waar de ziel het goddelijke in zichzelf begint te voelen, daar waar de ziel in de dialoog met zichzelf ‘ik’ begint te zeggen tegen zichzelf, met zichzelf zo te spreken als van buitenaf niet mogelijk is, begint in het goddelijke wezen van de ziel de ontwikkelingsweg van de mens. Dan kondigt de God in de mens zich aan. De oude Hebreeuwse Geheime Leer voelde dit aan. Daarom werd deze naam de onuitsprekelijke naam van God genoemd, de naam die betekent: «Ik ben de ik-ben.” Volgens het oudtestamentische geloof betekent de naam de


Blz. 124


Ankündigung der Gottheit in der menschlichen Seele. Deshalb gingen auch gewaltige Gefühle und Empfindungen durch die Menge, wenn der Priester ankündigte diesen Namen der Gottheit in der Seele: Jahve. Das ist das vierte Glied im Menschen, womit seine äußere Natur endet und seine Göttlichkeit beginnt.


aankondiging van de godheid in de menselijke ziel. Daarom gingen er krachtige gevoelens en emoties door de menigte als de priester deze naam van de godheid in de ziel aankondigde: Jahweh. Dit is het vierde wezensdeel in de mens, waar zijn uiterlijke natuur eindigt en zijn goddelijkheid begint.
GA 54/124
Niet vertaald


Voordracht 23, Berlijn 15 februari 1906


Wiederverkörperung und Karma


Reïncarnatie en karma


Blz. 296


Wir sehen (om Menschen) die Haut, deren Farbe und so weiter. Der Anatom kann mit physischen Mitteln noch Knochen, Muskeln, Nerven und so weiter betrachten, aber Lust und Schmerz, Instinkte, Begierden und Leidenschaften, die auch in demselben Räume sind, sind nicht sinnlich wahrnehmbar. Das nennt man den Astralleib und darin sitzt erst die geistige Wesenheit des Menschen, die wir unser Ich nennen, die wir den Träger unseres Selbstbewußtseins nennen. Den Astralleib hat schon das Tier. Es hat Lust, Freude und Schmerz. Was aber in der höchsten Ausgestaltung bei den Führern der Menschheit und in der Anlage bei allen Menschen vorhanden ist, clas ist der ewige Wesenskern des Menschen, der von Verkörperung zu Verkörperung fortschreitet.


Wat zien we als er een mens voor ons staat?  We zien de huid, de kleur ervan enz. De anatoom kan met fysieke middelen nog botten, spieren, zenuwen enz. waarnemen, maar lust en smart, instincten, begeerten en hartstochten die ook binnen diezelfde ruimte aanwezig zijn, zijn niet zintuiglijk waarneembaar. Dat heet het astraallijf en daarin bevindt zich pas het geestelijke wezen van de mens, die we ons Ik noemen. Ook het dier heeft een astraallijf. Het kent ook lust, vreugde en pijn. Maar wat in de hoogste vorm bij de leiders van de (vroegere) mensheid en in aanleg bij ieder mens aanwezig is, is de eeuwige wezenskern van de mens die van de ene incarnatie naar de andere gaat.
GA 54/296
Niet vertaald


Voordracht 13, Berlijn 22 februari 1906


                                                             Luzifer
                                                             Lucifer


Blz. 320


Zunächst haben wir den physischen Leib des Menschen, dann das Prinzip des Ätherleibes, das belebende, das formende, dann seine Triebe, Begierden und Leidenschaften, das Tierische in ihm; das ist zur Selbständigkeit erwacht durch das vierte Prinzip, durch das eigentliche Ich des Menschen, wodurch er über das Tier hinausgewachsen ist. Dieses Ich des Menschen ist es, was sich eigentlich weiterentwickelt. Dieses Ich lebt in den drei unteren Prinzipien. Es ist das vierte. Und innerhalb dieses vierten Prinzips wirken die göttlichen Mächte, die in ihrer Entwickelung das vierte Prinzip bereits überschritten haben und es von oben herunter beherrschen. 


Allereerst hebben we het fysieke lichaam van de mens, dan het principe van het etherlijf, het leven gevende, het vormende, dan zijn driften, begeerten en hartstochten, het dierlijke in hem. dat is ontwaakt tot onafhankelijkheid door het vierde principe, door het eigenlijke Ik van de mens, tot zelfstandigheid is gewekt, waardoor hij het dier is ontgroeid. Dit Ik van de mens  evolueert. Dit Ik leeft in de drie lagere beginselen. Het is het vierde. En binnen dit vierde principe werken goddelijke krachten, die in hun ontwikkeling dit vierde principe al voorbij zijn en van bovenaf over het Ik heersen.
GA 54/319
Niet vertaald


Voordracht 15, Berlijn 8 maart 1906


 Germanische und indische Geheimlehre


Germaanse en Indische verborgen leer


Blz. 362


Das dritte Glied ist der Träger der Gefühle von Lust und Leid, von den Instinkten und Leidenschaften. Wir nennen ihn den Astralleib, und zwar deshalb, weil die Kräfte, die in ihm wirksam sind, für denjenigen, der tiefer in die Welt hineinzuschauen vermag, sich als die Kräfte erweisen, die draußen im Sternenraum, im Astralen, leben und wesenhaft sind. Das vierte Glied bezeichnen wir als das eigentliche menschliche Ich.


Het derde wezensdeel is de drager van de gevoelens van lust en leed, van de instincten en hartstochten. We noemen dat het astraallijf en wel omdat de krachten die daarin werken voor degene die intensiever in de wereld kan doordringen, zich als krachten vertonen die buiten in de sterrenruimte, in het astrale, leven en werkelijk zijn. Als vierde wezensdeel noemen we het eigenlijke menselijke Ik.


Blz. 363


Jedes Mineral hat einen physischen Leib. Die Pflanzen haben physischen Leib und Ätherleib, die Tiere haben physischen Leib, Ätherleib und Astralleib. Der Mensch hat außerdem ein viertes Glied, um innerhalb dieser Welt zu leben, welches ihm ermöglicht, zu sich selbst «Ich» zu sagen. Nun ist dieses Ich das Endglied, der Schlußpunkt der Entwickelung der drei andern eben genannten Leiber, zu dem sie alle seit Urzeiten hingestrebt haben. Dieses Ich ist zugleich der Ausgangspunkt einer neuen göttlichen Entwicklung. Dieses Ich, das in den drei Hüllen wohnt, die es aber nicht wie Zwiebelschalen umgeben, sondern die gesetzmäßig ineinander wirken, kraftvoll sich durchdringen und sich gestalten, ist zu gleicher Zeit der Träger desjenigen, was heute nur als Anlage in der Mehrzahl der Menschen enthalten ist, der Träger einer höheren dreigliedrigen Natur, die wir deutsch am besten bezeichnen mit den Ausdrücken: Geistselbst, Lebensgeist und Geistesmensch.


Ieder mineraal heeft een fysiek lichaam. De planten hebben fysiek lichaam en etherlijf, de dieren hebben een fysiek- ether- en astraallijf. De mens heeft bovendien een vierde wezensdeel om in deze wereld te leven, wat hem in staat stelt “Ik” tegen zichzelf te zeggen. Nu is dit Ik het laatste wezensdeel, het eindpunt in de ontwikkeling van de drie andere zojuist genoemde lichamen, waarnaar zij alle sinds de oertijd hebben gestreefd. Dit Ik is tegelijkertijd het begin van een nieuwe goddelijke ontwikkeling. Dit ik, dat huist in de drie omhulsels, die het niet omringen als uienschillen, maar wetmatig  op elkaar inwerken, elkaar krachtig doordringen en zichzelf vormen, is tegelijkertijd de drager van dat wat vandaag de dag bij de meerderheid van de mensen alleen in aanleg aanwezig is, de drager van een hogere drieledige natuur, die we het beste kunnen omschrijven met de uitdrukkingen: geestzelf, levensgeest en geestmens.
GA 54/362-363      
Niet vertaald


.


Antroposofie: een inspiratie: over het Ik


Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het Ik


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2988-2805

.

.

.

.


 


 


 


 


.


 


 


 


 


.


                .  

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (1/5)

.

Gerbert Grohmann:
.

OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER

deel 1

DIERVORM – MENSENGEEST

Blz. 62

Hoofddieren, borstdieren, stofwisselings-ledematendieren

(Aanwijzingen in openbare voordrachten van Rudolf Steiner tussen 1920 en 1924. Schijnbare tegenspraken)

Nadat in september 1919 de vrijeschool in Stuttgart was opgericht en alle essentiële aanwijzingen, aanvankelijk met betrekking tot de basisschoolleeftijd, waren gegeven, nam Rudolf Steiner het op zich om de ideeën en basisprincipes van zijn pedagogiek in verschillende landen te presenteren, ook met voordrachtcursussen in het openbaar. Dit gebeurde meestal op verzoek van geïnteresseerde deelnemers, en Rudolf Steiner voldeed graag aan dergelijke verzoeken omdat hij wilde dat zijn culturele impuls, die hij op het gebied van pedagogiek had gegeven, zou worden begrepen en vrucht zou dragen. Zo’n voordrachtencursus werd al in mei 1920 in Bazel gehouden, andere volgden tot augustus 1924, toen Rudolf Steiners laatste openbare pedagogische voordrachten werden gehouden. In bijna al deze voordrachten werd ook het dierkundeonderwijs besproken, en door wat gestenografeerd werd, kregen we belangrijke aanwijzingen. Laten we proberen daaruit op te maken wat belangrijk is naast onze uitleg over de methodisch-didactische cursus.

Het zou de indruk kunnen wekken dat Rudolf Steiner in zijn methodisch-didactische cursus in Stuttgart en in zijn openbare voordrachten* op verschillende manieren over het dierkundeonderwijs heeft gesproken, ja, in sommige opzichten zouden er zelfs tegenstrijdigheden kunnen zijn. Vragen die hiermee samenhangen rijzen al als je merkt hoe relatief weinig van de inhoud van de 7e voordracht van de methodisch-didactische cursus (GA 294) in de openbare voordrachten aan bod kwam. De reden voor dit verschil is echter niet dat Rudolf Steiner van gedachten was veranderd of dat hij niet consistent was met betrekking tot zijn principes, maar in feite

*Alle pedagogische voordrachten die niet intern voor de leerkrachten van de vrijeschool in Stuttgart werden gehouden, moeten hier als openbaar worden beschouwd.

Blz. 63

is het punt veel meer dat hij telkens met een andere situatie werd geconfronteerd – namelijk met betrekking tot de aard van zijn toehoorders.

Bij het geven van zijn methodisch-didactische voordrachten vond hij het belangrijk dat zijn goed voorbereide toekomstige leraren – Rudolf Steiner was tot aan zijn dood pedagogisch leider van de vrijeschool – richtlijnen kregen die daarna direct in de praktijk konden worden gebruikt. Hij moest daarom methodische instructies geven aan toekomstige vrijeschoolleraren en koos en interpreteerde zijn voorbeelden dienovereenkomstig. Achter zijn uitspraken in die tijd tekende de hele professionele ernst zich af en de zorg voor de verreikende verantwoordelijkheid die het werk van een vrijeschoolleraar kenmerkt. Bij de openbare voordrachten, waarvan een deel ook voor leerkrachten, maar dan buiten de vrijeschool om, moest echter rekening worden gehouden met een publiek dat eerst kennis wilde maken met de vrijeschoolpedagogiek en haar randvoorwaarden. Dit gegeven, evenals de relatief korte tijd die voor een vakgebied beschikbaar is in een algemeen pedagogische voordrachtenreeks, moet in aanmerking worden genomen bij het vergelijken van de informatie over dierkunde en de daar gebruikte voorbeelden met met name in de methodisch-didactische cursus.

In de openbare lezingen bv. ontbreekt de hele inleiding voor de eerste menskunde, evenals het didactische voorbeeld van de inktvis, de muis en de mens. En hoe verbindt Rudolf Steiner in zijn methodisch-didactische cursus niet alles met de rol die de mens daarin speelt! In de openbare voordrachten wordt uitgebreid ingegaan op de drieledige mens en zijn weerspiegeling in het dierenrijk, maar zoals we nog zullen zien anders dan in de methodisch-didactische cursus. In de methodisch-didactische cursus komt het dierenrijk als uitgebreide mens, leidend beginsel bij het aan de orde stellen van de dierkunde, in de openbare voordrachten nergens aan de orde.

Dit alles heeft natuurlijk weloverwogen redenen, en we zullen straks te maken krijgen met de gevolgen die daaruit voortvloeien. Als Rudolf Steiner nooit inconsequent was, was hij aan de andere kant net zo min dogmatisch en wist hij zijn uitleg aan te passen aan de actuele omstandigheden. Dat op de waarde van de openbare voordrachten van Rudolf Steiner op deze manier niet mag worden afgedongen, hoeft niet specifiek te worden uitgelegd. Men moet altijd proberen het werk van Rudolf Steiner te begrijpen vanuit waar het in het leven speelde.

Nieuwe gezichtspunten en verdere inzichten zullen voor ons ontstaan,

Blz. 64

als we nu de bijzonderheden van de dierkunde uit de openbare voordrachten nader gaan bekijken. Daarbij mag niet zonder meer naar de relevante passages van de desbetreffende voordrachten worden verwezen en er mogen ook geen  discussies over de dierkunde aan worden verbonden, maar we willen er graag vragen uitpikken die kunnen helpen om de relatie tussen de openbare voordrachten en de methodisch-didactische cursus te verduidelijken.

Laten we na deze inleidende overwegingen nu de cursus voor leraren uit Bazel en omgeving Die Erneurung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft’, GA 301, op deze blog vertaald, [lit.lijst nr 9] gehouden van 20 april tot mei 1920 eens beschouwen! De 8e voordracht van 3 mei bevat meer uitgebreide informatie over de dierkundelessen. Rudolf Steiner ging aanvankelijk uit van Okens oude opvatting uit het eerste derde deel van de 19e eeuw, volgens welke het dierenrijk een mens is die in een waaiervorm is uitgespreid, en de mens een “compendium” van de dierenwereld. Rudolf Steiner nam deze leer niet zomaar over, hij noemde het alleen om te laten zien dat in een vroeger, minder materialistisch denkend tijdperk dan het onze, er al opvattingen waren ontwikkeld volgens welke de mens niet het eindproduct is van de dierlijke ontwikkeling, maar een samenvatting van het dierenrijk, een ‘synthese’. Dit komt heel dicht in de buurt bij de eis van Rudolf Steiner in de 7e voordracht van de methodisch-didactische cursus om altijd de mens op de achtergrond te hebben en het kind de indruk te geven van het belang van de mens binnen de hele wereldorde.

Maar in de Bazelse lerarenopleiding werd de relatie tussen mens en dier nog vanuit een andere invalshoek bekeken. Rudolf Steiner zei het zo: »Bij de dieren zijn de orgaansystemen steeds aan de buitenwereld aangepast; bij de mens zijn ze dat niet, maar het ene aan het andere.’ Om dit te begrijpen zouden we bijvoorbeeld kunnen denken aan de mol, wiens hele lichaam, inclusief de gespecialiseerde pootjes en voetjes, alleen te begrijpen is vanuit de perfecte aanpassing aan zijn ondergrondse manier van leven. De vleermuis [Vleermuizen]is alleen vanuit het luchtelement te begrijpen, de walvis als waterdier etc. De menselijke organisatie daarentegen is meer naar binnen gericht en blijft daardoor openstaan ​​voor hogere ontwikkeling.

Nu is het interessant welke wegen Rudolf Steiner bewandelde om zijn toehoorders de samenvatting van het dierenrijk in de mens uit te leggen. Hij sprak opnieuw over hoofddieren en gaf dit keer slakken en schelpdieren als voorbeeld. Die hebben harde schelpen, een uitwendig skelet, de zachte delen zitten binnenin. Dit gaf de luisteraars een eerste hulpmiddel

Blz. 65

om de relatie van deze dieren tot een menselijk hoofd voor te stellen, al was het maar op basis van een uiterlijke gelijkenis. De inktvis, die Rudolf Steiner in zijn methodisch-didactische cursus zo uitvoerig als hoofddier besprak, heeft geen harde schaal, geen uitwendig skelet behalve het sepiabeen dat verborgen ligt onder de huid van het achterste uiteinde van het lichaam. Het kostte veel meer tijd dan hier beschikbaar was om de relatie daarvan met een hoofd dat niet in de uiterlijke vorm tot uiting komt, begrijpelijk te maken als hoofddier. Op deze plek was het beter niet alleen minder te spreken, er moest ook anders gesproken worden. De inktvis werd genoemd in de lerarencursus van Bazel, maar in een heel andere context dan in de methodisch-didactische cursus, namelijk louter als voorbeeld van hoe, bij Oken, een op zich correct principe tot het groteske leidde, omdat alleen uiterlijke en niet tegelijkertijd wezenlijke overeenkomsten maatgevend werden. Oken vergeleek de octopus met de menselijke tong. Dit werd door Rudolf Steiner  in verschillende van zijn openbare voordrachten naar voren gebracht.

We hoeven het hier maar één keer te vermelden. De vergelijkingen die in de methodisch-didactische cursus worden gemaakt, zijn echt substantieel, zelf substantiëler, lijkt ons, dan met slakken en schelpdieren. Ze zijn gebaseerd op het feit dat de lagere dieren op dezelfde manier t.o.v. hun omgeving staan als het menselijk hoofd in zijn eigen omgeving. De ontwikkeling van de term hoofddier naar het voorbeeld van slakken en mosselen laat de problematiek als het ware in een verkort perspectief zien.

En Rudolf Steiner besprak in de Bazelse lerarencursus de vogel. Hij ontwikkelde die uit de menselijke long. Bij de mens wordt de longvorming als een innerlijk principe teruggehouden, bij vogels keert die zich naar buiten en bepaalt het karakter van het hele dier. Tegelijkertijd wordt wat bij de mens in de ledematen stroomt, bij vogels naar binnen gehouden.* Centraal in deze vergelijking staat een metamorfose die niet louter als een uiterlijke vormverandering moet worden voorgesteld. Door het gericht naar buiten te draaien, volgt de inpassing

*Op dit punt wordt de lezer er nogmaals aan herinnerd dat veel van de door Rudolf Steiner genoemde voorbeelden alleen kunnen worden genoemd in het kader van ons pedagogisch werk, zonder meer in detail in te gaan op technische verklaringen. Zoals reeds gezegd, de hele poging om een overzicht te geven van de openbare voordrachten van Rudolf Steiner is er alleen om de opbouw van de eerste dierkunde vanuit een heel specifiek gezichtspunt te belichten. Degenen van onze lezers die de zuiver dierkundige verbanden willen onderzoeken, worden verwezen naar de literatuur die aan het eind van deel 1 van dit boek wordt weergegeven. [waar mogelijk heb ik deze literatuur in dit hoofdstuk al aangegeven]

Blz. 66

in het element lucht, en alles wat de vogel in zich heeft, maar ook wat hij niet in zich heeft, wordt hieruit verklaarbaar. Zijn poten zijn verkommerd, bijna uitgedroogd, zijn voorste ledematen zijn teruggehouden en veranderd in vleugels, zelfs de kop is achtergebleven, want in plaats van de snavel zou er eigenlijk een bek met tanden hebben moeten zijn.

Hier ontwikkelde Rudolf Steiner dus een diersoort uit een menselijk orgaansysteem. Weliswaar heeft elk dier alle organen die een mens ook heeft, maar het overwicht van het een of het ander leidt tot eenzijdigheid. De leeuw werd geschetst als een type waarin alle processen die voortkomen uit de bloedsomloop en het hart overheersen, het rund als stofwisselingsdier werd “volledig maag” genoemd.

Als je de hier door Rudolf Steiner genoemde voorbeelden bij elkaar neemt, heb je de hele drieledige mens: het hoofdsysteem (slak, schelp), het ritmische of borstsysteem met bloedsomloop (leeuw) en adem (vogel) en het stofwisselingssysteem (rund). Het ledematensysteem werd deze keer niet specifiek genoemd. Maar de fysieke eenzijdigheid van de dieren komt ook overeen met de eenzijdigheid van de ziel. Geen enkel dier heeft de volledige bezieldheid, zoals Rudolf Steiner in Bazel zei.

Al aan deze eerste voordrachtcursus, gehouden na de oprichting van de vrijeschool, legde Rudolf Steiner, afwijkend van de methodisch-didactische cursus, de indeling naar functionele systemen ten grondslag. Zo werd er in Bazel nergens gesproken over borstdieren. 

Van 23 december 1921 tot 7 januari 1922 werd aan het Goetheanum in Dornach een tweede lerarencursus gegeven: ‘Die gesunde Entwicklung
des Menschenwesens’ GA 303  ‘Gezondmakend onderwijs[lit.lijst nr. 10]
In de 10e voordracht van 1 januari 1922 sprak Rudolf Steiner over dierkunde.
Als je op je laat inwerken wat de uitleg was, vraag je je af waarom Rudolf Steiner deze keer de boog zo ver heeft gespannen en kosmologische feiten heeft gebruikt waarvan de details hoogstens konden worden aangeduid en die als lesmateriaal voor een eventuele eerste dierkunde, helemaal niet in aanmerking komen. Maar Rudolf Steiner legde toen uit dat wat hij had geschetst zeker aan het kind kan worden verteld aangepast aan wat het kind kan begrijpen. Hieruit blijkt dat de door Rudolf Steiner aanbevolen overeenkomsten voor het onderwijs niet alleen als speelse analogieën bedoeld waren, maar dat ze ook in alle opzichten wetenschappelijk verantwoord moesten zijn.

Blz. 67

Rudolf Steiner stelde de evolutie van de aarde centraal in zijn overwegingen. De opeenvolging van stadia van lagere, middelste en hogere dieren duidt dus niet alleen verschillende graden van perfectie aan, maar tegelijkertijd ook de verschillende geologische leeftijden. Rudolf Steiner gaf het volgende schema:

Hoofdorganisatie                                               lagere dieren

Ritmische organisatie                                       middelste dieren

Stofwisselings-ledematenorganisatie           hogere dieren

Dat het hier niet om een systeem gaat, maar altijd om organisatie, maakt duidelijk dat minder de functies (functionele systemen) zijn bedoeld, maar veel meer – zoals in de methodisch-didactische cursus – de uiterlijke vormen. Voor het eerst sprak Rudolf Steiner van ledemaatdieren (stofwisselings-ledematendieren) als het hoogste niveau van het dierenrijk. In de methodisch-didactische cursus is het ledematen wezen de mens, hier is het een diersoort. Het werd duidelijk gemaakt door de leeuw en de kameel. We zijn de leeuw al tegengekomen in de Basel-cursus, maar daar als “volledige bloedsomloop en hart”. Volgens de richtlijnen van de methodisch-didactische cursus zou dat ongetwijfeld een rompdier zijn. De standpunten kunnen dus verschuiven, afhankelijk waar je van uitgaat. Dit is echter geenszins bedoeld om willekeur of feitelijke onjuistheid te bepleiten. Beweeglijkheid van denken is iets anders dan vaagheid. Je moet weten welk standpunt je kiest en vooral waarom je daarvoor kiest.

Het menselijk hoofd wordt in de momenteel besproken lerarencursus een geëvolueerd schaaldier (oester) genoemd. “Als u een slijmerig dier, door een schaal omgeven, bekijkt dan is dat eigenlijk de eenvoudigste vorm voor een menselijk hoofd.” Die gedachte kennen we al. Dan leren we, dat er ook ruggengraatdieren zijn, waarvan de belangrijkste de vissen zijn. De kop van de vis is slechts de licht gedifferentieerde voortzetting van de ruggengraat. Ten slotte moeten we ons onder de term “stofwisselingsdieren” weer zoogdieren voorstellen.

Schetsend wees Rudolf Steiner vervolgens op de kosmologische ontwikkeling van de mens. Hij zei dat de laagste dieren, de hoofddieren,  er natuurlijk het eerst waren. In de zin van de afstammingsleer stamt de mens feitelijk af van de »schelpdierenkop«. Het borststelsel en het metabolische ledematenstelsel daarentegen – zoals Rudolf Steiner zijn toehoorders uitlegde – stammen ​​niet op dezelfde manier als het

Blz. 68

hoofd, van het dier af. Pas later werden ze aan het hoofd vastgemaakt als oorspronkelijk onafhankelijke wezens “die al op weg waren om mens te worden”. De betekenis van deze uitspraak, die volledig buiten het bereik van ons wetenschappelijk wereldbeeld ligt, en hoe deze begrepen moet worden, is onmogelijk uit te leggen binnen het beperktere kader van onze pedagogische tekst. We moeten het daarbij laten, dat Rudolf Steiner ook deze kant van het probleem aan de orde heeft gesteld.*

*Het is bijvoorbeeld misleidend om zich de dingen zo voor te stellen alsof het menselijk hoofd afstamt van die schaaldieren die nu leven. In de eigen woorden van Rudolf Steiner moet de oorspronkelijke vorm worden gezien als “een slijmerig dier omgeven door een schelp”. Je kunt dus niet de blauwdrukken van moderne weekdieren nemen en ze willen vergelijken met de blauwdrukken van onze hoofden en dan het fundamentele verschil bepalen dat helemaal geen vergelijking meer toelaat. Deze blauwdrukken zijn pas ontstaan ​​tijdens lange en ingewikkelde ontwikkelingen, lang nadat de scheiding van mens en dier was voltooid. Ook hier kunnen paleontologische vondsten niet doorslaggevend zijn, omdat de door Rudolf Steiner bedoelde ontwikkelingen moeten worden gedacht vóór het tijdperk waaruit versteende resten zijn overgeleverd. Het menselijk lichaam was toen tenminste nog niet zo verdicht dat het als fossiel kon worden bewaard. — Het “oerschelpdier” had waarschijnlijk helemaal geen structuurplan. Zijn verwantschap met een hoofd ligt in zijn relatie tot de omgeving. Rudolf Steiner had al gezegd: “Het menselijk hoofd staat op dezelfde manier in relatie tot zijn omgeving als lagere dieren in relatie tot hun omgeving.” Ook al is deze relatie bij de mens tegenwoordig er altijd een van de zenuw-zintuigen, de relaties kunnen vroeger anders geweest zijn. De verwijzing naar de schelpen van onze mosselen aan de ene kant en de benige schedel van onze hoofden aan de andere kant, werd door Rudolf Steiner eigenlijk alleen gebruikt om zijn onvoorbereide toehoorders een zo voor de hand liggend, maar niet zo duidelijk mogelijk referentiepunt te bieden. wetenschappelijk voldoende en geldig in alle richtingen en grondig gefundeerd. Dat is wel een punt van aandacht.

In de volgende pedagogische cursus, die van 15 tot 21 april 1923 weer in Dornach plaatsvond, over het onderwerp: ‘Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis’ GA 306,  op deze blog vertaald, [lit.lijst nr. 11] is er betrekkelijk weinig en zeer algemene informatie over de dierkundelessen te vinden.

Rudolf Steiner gebruikte opnieuw het beeld van de uitgebreide mens, waarbij elk dier begrepen moest worden als een eenzijdig orgaanstelsel.

Blz. 69

De leeuw bijvoorbeeld is de eenzijdig ontwikkelde vorm, m.n. van de borstorganisatie, de olifant is georganiseerd naar de verlenging van de bovenlip, de giraf naar de verlenging van de nek. Op deze manier kan je de hele dierenreeks overzien tot aan de insecten toe en nog verder naar beneden, zelfs tot aan de geologische dieren. We zien dus dat in wezen alleen ideeën die we al kennen hier naar voren zijn gebracht.

In de cursus die van 5-17 augustus 1923 in Ilkley, Engeland gehouden werdGegenwärtiges Leben und Erziehung’ GA 307, Opvoeding en moderne kultuur [lit.lijst nr. 12] vinden we in de 9e voordracht van 13 augustus meer gedetailleerde aanwijzingen over dierkunde. “De planten bij de aarde, de dieren bij de mens gebracht, dat moet onderwijsprincipe worden. “, zo leidde Rudolf Steiner zijn overwegingen in. Vervolgens legde hij, net als voorheen, de innerlijke relatie uit tussen onze hoofdorganisatie en de schelpdieren. Het ritmische systeem of de borstorganisatie met ademhaling, bloedsomloop en hart werd, zoals in de Dornach-cursus, vanuit de ruggengraat met de wervelkolom en de ribben beschouwd, d.w.z. weergegeven vanuit fysiek oogpunt, en opnieuw werden vissen, maar later ook reptielen, ritmische dieren genoemd.

Het middelste dierniveau is al een groep gewervelde dieren. Alle hogere dieren moeten worden begrepen vanuit het gezichtspunt van de stofwisselings-ledematenorganisatie, waarbij Rudolf Steiner deze keer speciale nadruk legt op de bewegingsorganen.

Als bijzonder indrukwekkende lesstofvoorbeelden raadde hij aan de mechanische werking van de voet van het paard en de klauw van de leeuw of

Blz. 69

de poten van bepaalde moerasdieren die gebouwd zijn om te kunnen waden. Maar ook de apenpoot die van de menselijke ledematen werd afgeleid, werd genoemd als een uitstekend voorbeeld van een door dieren gevormde ledemaat. Als het stofwisselingssysteem bij een dier bijzonder prominent aanwezig is, ontstaan ​​er soorten zoals herkauwers met lange darmen en gecompliceerde spijsverteringsorganen, terwijl bij roofdieren de darmen slechts kort zijn, maar vooral het hart en de bloedcirculatie bijzonder zijn ontwikkeld.

Terwijl we de tot nu toe genoemde voorbeelden kennen, althans in principe, schetste Rudolf Steiner vervolgens de hogere dieren in het algemeen vanuit een verrassend nieuw perspectief. Hij zei dat hun koppen “wezenlijk tot de spijsverteringsorganen behoren”, ja eigenlijk alleen te beschouwen in samenhang met de maag en darmen. Met deze toevoeging is waarschijnlijk niet bedoeld, dat het hoofd zelf een spijsverteringsactiviteit uitvoert, maar dat het toch in dienst staat van het verkrijgen van voedsel. Het menselijk hoofd daarentegen is een onafhankelijke organisatie. Zoals Rudolf Steiner het uitdrukte, bleef het daar vrij van en kon het zich daarom wijden aan taken die niet alleen vanwege het rompleven noodzakelijk zijn.

Zelfs de organisatie van de ledematen strekt zich bij hogere dieren tot in de kop uit, want de twee kaken zijn, zoals reeds vermeld, niets meer dan ernstig verkommerde ledematen die ver naar voren zijn geduwd*

*Friedrich A.Kipp: Bezahnung und Bildungsidee des Organismus. In »Der Beitrag der Geisteswissenschaft zur Erweiterung der Heilkunst«. Stuttgart 1952. [lit.lijst nr. 18]

Zo wordt – met de mens als maatstaf – als vanzelf een overzicht van het dierenrijk gegeven en wanneer het 12e levensjaar nadert, moet de diversiteit weer worden samengevat in het totaalbeeld van de mens. Een door Rudolf Steiner op deze plaats genoemde leeftijd van het kind, zal later nog belangrijker worden. Het werd voorlopig alleen aangekondigd.

Ten slotte sprak Rudolf Steiner in Ilkley voor het eerst over het feit dat dierkundelessen heel belangrijk zijn voor de wilsvorming van het kind. Dat de correct gegeven plantkunde ten dienste staat van de ontwikkeling van een levend denken, werd al benadrukt in de plantkundebesprekingen. In Ilkley zei Rudolf Steiner woordelijk over het nauwe verband tussen dierkunde en wilsvorming:

De mens wordt wat zijn wil betreft in­nerlijk sterk als hij zich op deze wijze met zijn eigen kennis te voorschijn ziet komen uit het samenstromen van alle dierlijke fragmenten door de levende geest, die deze synthese veroorzaakt. Dat gaat over in de wilsvorming van de ziel.
GA 307/173
Vertaald/220

Blz. 71

Welke leerkracht die dierkunde geeft, is zich goed bewust van de gevolgen van dit onderwijs voor het hele latere leven van het kind! Maar het is volkomen logisch, dat levenszekerheid, waardigheid en verantwoordelijkheidsgevoel kunnen worden aangelegd wanneer het kind niet alleen leert kijken naar de componenten van zijn menselijkheid in dieren, maar ook wanneer hij zichzelf ziet als boven het dierenrijk verheven.

De volgende pedagogische cursus werd gehouden van 8 tot 11 april 1924 in Stuttgart ter gelegenheid van een pedagogische conferentie van de vrijeschool onder de titel: Die Methodik des Lehrens’ GA 308, ‘De wordende mens[lit.lijst nr. 13] In de 4e voordracht op 10 april ’s avonds kwam dierkunde kort aan bod. We vinden de gedachte die ons al bekend is weer terug, dat het eenzijdige stofwisselingssysteem resulteert in een dier van het rundertype, om zo te zeggen de personificatie van de laagste krachten in de mens – verkorting van het darmstelsel en achterblijven van de kop de leeuwenaard, het midden- of ritmische systeem van de mens. Aan de andere kant gebruikte Rudolf Steiner in Stuttgart voor het eerst in een pedagogische context de vogel als een voorbeeld van een hoofddier. De externe reden hiervoor was waarschijnlijk dat het houden van de voordrachten werd ingeleid met verwijzing naar de oude, instinctieve wijsheid die voortkwam uit de imaginatieve voorstelling van de mens door de vierheid leeuw, stier, adelaar en engel.

Hier worden slechts enkele zinnen toegevoegd over de vogel als hoofddier. Rudolf Steiner zelf beperkte zich zelfs tot een enkele zin.

Allereerst kan eraan worden herinnerd dat het skelet van het vogellichaam bijna als een machtige schedelkap om de ingewanden gewikkeld is. Het bekken heeft bijna de vorm aangenomen van een bedekkend bot zoals de schedel. Vergeleken hiermee is de echte kop slechts een drager van de zintuigen en van de snavel die vanuit de nek naar voren wordt geduwd. De ledematen zijn verschrompeld, de poten spelen bijvoorbeeld alleen nog maar de rol van »apparaat«. Activiteiten die anders in het hoofd worden uitgevoerd, worden terug naar de romp overgebracht, bv. het kauwen, dat de vogel doet door zijn sterk gespierde kauwmaag. De stem van de vogel, ook van de zangvogels, komt niet uit een strottenhoofd zoals de stem van andere dieren of van mensen – de vogel heeft helemaal geen strottenhoofd – maar uit een soortgelijk orgaan dat verder in het lichaam zit in de buurt van de longen, wat alleen kenmerkend is voor vogels. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de vogel met zijn romp zingt.

Blz. 72

De vertering van vogels is gebrekkig, vluchtig als het ware, daarom moet een vogel onevenredig veel eten*.

*Hermann Poppelbaum: Tierwesenskunde. [lit.lijst nr. 20]

Maar het kwam voor Rudolf Steiner bij zijn vergelijking ook nog op iets anders aan dat echter zonder de hulp van geesteswetenschappelijke begrippen slechts moeilijk verklaard kan worden, namelijk dat – zoals Rudolf Steiner zei – “wat er nog meer aan kracht groeit in onze hoofden, aan krachten die van binnen aanwezig zijn, naar buiten in de veren terechtkomt«. Hiermee zinspeelde Rudolf Steiner op die mentale en astrale krachten die in ons hoofd actief zijn als we gedachten vormen. Die gaan bij de vogel naar buiten en manifesteren zich als verenkleed. De kleurenglans en de vaak verrassende uitdrukkingsvormen liggen over het volledig uitdrukkingsloze naakte lichaam en vormen de eigenlijke vogel. Volgens Rudolf Steiner in een andere voordracht kan iedereen die over bovennatuurlijke vermogens beschikt, direct zien of iemand denkt als een pauw of een mus, enz. Met zijn aanduidingen, die gebaseerd zijn op spiritueel onderzoek, wilde Rudolf Steiner zich in ieder geval voor zijn volwassen toehoorders begrijpelijk maken en hen de onvoorstelbare realiteiten achter zijn vergelijkingen laten meevoelen.

We zien dus dat Rudolf Steiner in deze voordracht andere dan de gebruikelijke middelen om de mens als samenvatting van het dierenrijk voor te stellen, te baat nam. Als voorbeeld gebruikte hij alleen zoogdieren en vogels. Principieel is hierdoor niets veranderd.

In de van 13 tot 17 april 1924 te Bern gehouden voordrachtenreeks: ‘Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen. GA 309, op deze blog vertaald, [lit.lijst nr. 14] die we hier voor de volledigheid slechts vermelden, werden geen andere suggesties of voorbeelden gegeven dan in de voorgaande pedagogische cursussen. De dierkunde werd in de 4e voordracht van 16 april kort behandeld. Opnieuw vinden we de koe, die met ‘lichamelijk enthousiasme’ verteert, de leeuw als borstdier en de vogel als hoofddier.

Ook in Holland (Arnhem) hield Rudolf Steiner een reeks pedagogische voordrachten. Die vond plaats onder de titel:‘Der padagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik’. GA 310., Menskunde, pedagogie en kultuur, van 17 tot 24 juli 1924.[lit.lijst nr. 15] In de4e voordracht kwam dierkunde kort aan de orde. Onder de leidende gedachte dat het dier een deel van de mens ontwikkelt, een menselijk orgaan of orgaansysteem, en dat de juiste relatie van het kind tot de wereld op deze leer gebaseerd zou kunnen

Blz. 73

worden, toonde Rudolf Steiner zijn toehoorders een metamorfose van het menselijk gezicht. Hij zei namelijk:

Stelt u zich eens voor dat bij een bepaalde mens het voorhoofd sterk achter zou terugwijken, de kaken zouden naar voren gaan staan, de ogen zouden in plaats van naar voren naar boven kijken; het gebit met wat daar tegenaan stoot, zou eenzijdig worden ontwikkeld. Op deze manier, vanuit die eenzijdige ontwikkeling, kunt u zich de meest uiteenlopende zoogdiervormen voorstellen. ‘

Deze methode om dierlijke vormen uit mensen te laten ontstaan ​​is nieuw. Zoals we zullen zien, wordt deze ook gebruikt in de laatste pedagogische cursus van Rudolf Steiner.

Daarna zei Rudolf Steiner: “En als u inwendige organen neemt, bij­voorbeeld die welke met de voortplanting samenhangen, dan komt u terecht in het rijk van de lagere dieren. ” Wie dergelijke – hier worden niet alle lagere dieren bedoeld – nader leert kennen,  zal bijvoorbeeld bij sommige wormen vinden hoe sterk de voortplanting op de voorgrond treedt. Deze eigenaardigheid is natuurlijk goed te begrijpen vanuit de noodzaak om een ​​vaak ronduit enorm nageslacht (parasieten) voort te brengen of ook vanuit een andere bijzondere manier van leven. Toch zijn deze dieren, als lagere dieren, ook hoofddieren. De situatie is hier vergelijkbaar met die van vogels, die  als hoofddierenkunnen worden beschouwd, maar ook als rompdieren, al naar gelang welk gezichtspunt doorslaggevend is.

De voordrachten gehouden in Torquay, Engeland, van 12 tot 21 augustus 19: ”Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit, GA 311, op deze blog vertaald, [lit.lijst nr. 16] vormen de laatste pedagogische cursus van Rudolf Steiner. In zijn opmerkingen over dierkunde in de 3e voordracht op 14 augustus ontwikkelde Rudolf Steiner zijn idee van het samensmelten van de verschillende diersoorten bij de mens geheel vanuit het gezichtspunt van de ziel. Ook de mens, zei hij, heeft de wreedheid van roofdieren in zich, de moed van bepaalde vogels, de vriendelijkheid van lammeren, het geduld van schapen, de luiheid van ezels, zij het in een mildere vorm. Omdat hij ze allemaal in zichzelf verenigt, harmoniëren ze met elkaar.

De overgang naar het fysieke vond vervolgens plaats door een metamorfose van het menselijk gezicht, vergelijkbaar met die in Arnhem. Rudolf Steiner tekende een menselijk profiel op het bord en transformeerde dit met enkele karakteristieke streken in een hondenkop. Het voorhoofd werd weggeveegd, de mond naar voren geschoven. Zoals Rudolf Steiner zei, kunnen de leeuwenkop en andere, ook worden ontwikkeld vanuit het menselijk hoofd door middel van de juiste metamorfose.

Blz. 74

De hond werd weer gebruikt als voorbeeld van innerlijke metamorfoses. Bij mensen is de reukzenuw zo veranderd dat we er voorstellingen mee kunnen vormen. Als een geniale hond ‘De wereld als wil en voorstelling’ van Schopenhauer had geschreven, zou het waarschijnlijk ‘De wereld als wil en geur’ hebben geheten, en zou het zeker veel interessanter zijn dan zijn door de mens geschreven tegenhanger.

Om de samenhang tussen mens en dier uiteindelijk drastisch terug te brengen tot het fysieke niveau, liet Rudolf Steiner, tot hilariteit van zijn toehoorders, de menselijke figuur uit een schildpad – die hij hier een lager dier noemde – als een verharde kop en een kangoeroe als ledematen ontstaan. Het bijna groteske karakter van dit idee was natuurlijk opzettelijk.

Ook het tot stand brengen van een juiste verhouding tot de wereld en de daaruit voortvloeiende wilsimpuls werden, ook in deze voordracht, weer gepresenteerd als pedagogisch belangrijke resultaten van de dierkundelessen.

Tijdens zijn opmerkingen in Torquay, op die levendige, bijna opgewekte manier, schiep Rudolf Steiner er klaarblijkelijk plezier in om gekscherend de rollen om te draaien en zijn toehoorders in leerlingen te veranderen in plaats van leraren. Wat hij zei, en hoe hij het zei, is daarom misschien niet meteen te beschouwen als bedoeld voor werk met negenjarige kinderen. Enige vrijblijvendheid van het gesproken woord zou hierin zijn rechtvaardiging vinden.

Hiermee hebben we een overzicht gekregen van de aanwijzingen voor de dierkunde in de openbare pedagogische voordrachten die na de oprichting van de vrijeschool werden gehouden. Nu rest ons de taak het geleerde in de juiste verhouding te plaatsen met de uitleg van de methodisch-didactische cursus.

.

Over het 1e dier- en plantkundeonderwijsinhoud

Rudolf Steiner over: dierkunde

Dierkundealle artikelen
waaronder aparte artikelen over de de leeuw en het rund

Vrijeschool in beeld4e klas dierkunde 

adelaar 1

leeuw 1

koe-3

bordtekeningen vrijeschoolklas

.

2987-2804

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het Ik – GA 34

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. .

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

En ook voor het astraallijf: GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55; GA 56GA 57GA 58GA 59

GA 34

Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft

De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie


Blz. 316  vert. 


Nun hat der Mensch ein viertes Glied seiner Wesenheit, das er nicht mit anderen Erdenwesen teilt. Dieses ist der Träger des menschlichen «Ich». Das Wörtchen «Ich», wie es zum Bei­spiel in der deutschen Sprache angewendet wird, ist ein Name, der sich von allen anderen Namen unterscheidet. Wer über die Natur dieses Namens in zutreffender Weise nachdenkt, der er­öffnet sich damit zugleich den Zugang zur Erkenntnis der menschlichen Natur. Jeden anderen Namen können alle Men­schen in der gleichen Art auf das ihm entsprechende Ding an­wenden. Den Tisch kann jeder «Tisch», den Stuhl ein jeder «Stuhl» nennen. Bei dem Namen «Ich» ist dies nicht der Fall. Es kann ihn keiner anwenden zur Bezeichnung eines anderen; jeder kann nur sich selbst «Ich» nennen. Niemals kann der Name «Ich» an mein Ohr klingen als Bezeichnung für mich. Indem der Mensch sich als «Ich» bezeichnet, muß er in sich selbst sich benennen. Ein Wesen, das zu sich «Ich» sagen kann, ist eine Welt für sich.

Nu is er in de opklimmende reeks geledingen van ’s mensen natuur nog een vierde lid te onderscheiden, dat hij met andere aardse wezens niet gemeen heeft. Dit is de drager van het menselijke ‘ik’. Het woordje ik’ is in onze taal een benaming, die zich van alle andere naamwoorden onderscheidt. Wie over de aard van dit woord nadenkt, zo, dat hij het wezen van de zaak raakt, die verschaft zich daarmee tegelijkertijd een toegang tot dieper inzicht in de menselijke natuur. Ieder ander naamwoord kan door alle mensen op precies dezelfde wijze gebruikt worden om er een overeenkomstig ding mee aan te duiden. Een tafel kan iedereen tafel, een stoel, stoel noemen. Bij het naamwoord ‘ik’ is dat niet het geval. Niemand kan dat woordje gebruiken om er een ander mee aan te duiden; ieder kan slechts zichzelf met ‘ik’ aanspreken. Nooit kan mij het voornaamwoord ‘ik’ in de oren klinken als een aanduiding van mij. Door het feit, dat de mens ‘ik’ zegt, alleen met betrekking tot zichzelf, moet hij in zichzelf zich deze naam geven. Een wezen, dat dit innerlijk ‘ik’-woord uitspreken kan, is een wereld op zichzelf.

Diejenigen Religionen, welche auf Gei­steswissenschaft gebaut sind, haben das immer empfunden. Sie haben daher gesagt : Mit dem «Ich» beginne der «Gott», der sich bei niedrigeren Wesen nur von außen in den Erscheinun­gen der Umgebung offenbart, im Innern zu sprechen. Der Trä­ger der hier geschilderten Fähigkeit ist nun der «Ich-Leib*», das vierte Glied der menschlichen Wesenheit. *Man stoße sich nicht an dem Ausdruck «Ich-Leib». Es ist dabei natürlich nichts Grobmaterielles gemeint. Es ist aber nur möglich, in der Geisteswissenschaft die Worte der gewöhnlichen Sprache zu verwenden. Und da diese für Materielles angewendet werden, so muß man bei Anwendung in der ­Geisteswissenschaft sie selbst erst ins Geistige übersetzen­. Dieser «Ich-Leib» ist der Träger der höheren Menschenseele. Durch ihn ist der Mensch die Krone der Erdenschöp­fung.  

In de godsdiensten, die op geesteswetenschappelijke inzichten berusten, is dit ook altijd
 aangevoeld. Daar wordt gezegd: Met het ‘ik’ begint de Godheid, die zich bij de lagere wezens slechts van buitenaf in de verschijnselen van de omgeving openbaart, in de innerlijke wereld te spreken. De drager van het hier beschreven vermogen is het ‘ik-lichaam’, het vierde lid in de totale geleding van het mensenwezen.* *Men neme geen aanstoot aan het woord ‘ik-lichaam’. Daarmee is natuurlijk niet iets grof-materieels bedoeld. In de geesteswetenschap kunnen geen andere woorden gebruikt worden, dan die van de gewone taal, en omdat men deze voor materiele dingen aanwendt, moet men ze bij gebruik in de geesteswetenschap eerst in geestelijke zin vertalen

 Steiner gebruikt ‘Ich-Leib’, dus weer ‘lijf’ in de zin van een krachtencomplex’, in ieder geval ‘lichaam’ niet als iets stoffelijks, hoe verfijnd ook!


Dit ‘ik-lichaam’ is de drager van de hogere mensenziel; hierdoor is de mens de kroon op de aardse schepping.
GA 34/316 -317
De opvoeding van het kind‘/19-20


.


Antroposofie: een inspiratie: over het Ik


Algemene menskunde: voordracht 1 – over het Ik


Algemene menskundevoordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen 


.


2986-2803

 


 


 


 


 


 


 


 


 


.


 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-3/16)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

In dit essay benadrukt hij het belang dat het niet om ónze oordelen gaat!

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 31

Gesammelte Aufsätze zur Kultur- und Zeitgeschichte 1887-1901


Verzamelde artikelen over culturele en hedendaagse geschiedenis 1887-1901

 

Blz. 233/234

Unzeitgemäßes zur Gymnasialreform 

Vooortijdig naar gymnasiumverniewing

Magazin für Literatur, 67. Jg., Nr. 9, 5. März 1898

Aber wir haben nicht die Aufgabe, unserer heranwachsenden Generation Überzeugungen zu überliefern. Wir sollen sie dazu bringen, ihre eigene Urteilskraft, ihr eigenes Auffassungsvermögen zu gebrauchen. Sie soll lernen, mit offenen Augen in die Welt zu sehen.
Ob wir an der Wahrheit dessen, was wir der Jugend überliefern, zweifeln oder nicht: darauf kommt es nicht an. Unsere Überzeugungen gelten nur für uns. Wir bringen sie der Jugend bei, um ihr zu sagen: so sehen wir die Welt an; seht zu, wie sie sich euch darstellt. Fähigkeiten sollen wir wecken, nicht Überzeugungen überliefern.
Nicht an unsere «Wahrheiten» soll die Jugend glauben, sondern an unsere Persönlichkeit. Daß wir Suchende sind, sollen die Heranwachsenden bemerken. Und auf die Wege der Suchenden sollen wir sie bringen. Wie wir mit den Dingen uns abfinden, sagen wir unsern Nachkommen und überlassen es ihnen, wie ihnen dasselbe gelingt.

Maar wij hebben niet de taak aan onze opgroeiende generatie overtuigingen door te geven. Wij moeten ze ertoe brengen hun eigen oordeelskracht, hun eigen begripsvermogen te gebruiken. Zij moeten leren met een open blik naar de wereld te kijken. Het gaat er niet om of wij aan de waarheid van wat we aan de jeugd doorgeven, twijfelen of niet. Onze overtuigingen gelden alleen voor ons. We brengen ze de jeugd bij om te zeggen: zo zien wij de wereld, kijk hoe die zich aan jullie voordoet. Vaardigheden moeten wij wekken, niet overtuigingen doorgeven. Niet in onze ‘waarheden’ moet de jeugd geloven maar in onze persoonlijkheid. De jongeren moeten kunnen zien dat wij zoekenden zijn. En op de wegen van de zoekenden moeten wij hen brengen.
GA 31/233-234  
Vertaling uit: ‘Antroposofische menskunde begrijpen‘, blz. 19-20

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.
Algemene menskunde: voordracht 9 – over oordelen

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2985-2802

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool– GA 298 (11-6-1920)

.

In de vertaling van GA 298Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderenzijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.
.

GA 298

DIE SCHULGEWOHNHEITEN DER NIEDERGEHENDEN
ZEIT UND DIE SCHULPRAXIS DES KOMMENDEN TAGES
VORTRAG, GEHALTEN AM ELTERNABEND

Stuttgart, 11 juni 1920

Meine sehr verehrten Anwesenden! Ich darf Sie herzlich willkommen
heißen hier in diesem Räume, in dem wir uns ja zum zweiten Male
versammeln, um Fühlung zu nehmen in wichtigen Fragen, die das Leben
unserer Waldorfschule betreffen. Es freut uns ganz besonders, daß Sie so
zahlreich erschienen sind. Als Thema des heutigen Vortrages habe ich
gewählt: Die Schulgewohnheiten der niedergehenden Zeit und die
Schulpraxis des kommenden Tages.
Meine sehr verehrten Anwesenden! Mir schien es, daß ein solches
Thema um so mehr gewählt werden dürfte, als es für Sie alle, nachdem
unsere Waldorfschule ins Leben trat, mehr als ein bloßes Denkproblem
geworden ist. Was in einer solchen Fassung meiner heutigen Ausführungen wie einleitend dastehen soll, ist für Sie nicht bloß ein Denkproblem,
sondern eine Frage, in der Sie ernstliche Möglichkeiten der Auseinandersetzung mit der heutigen Zeit finden. Und Sie haben, nachdem Sie in dieser Auseinandersetzung zum Entschluß kamen, Ihre Kinder in die
Waldorfschule zu schicken, bewiesen, daß Sie Vertrauen haben können
zu dem, was in dieser Schule als Neues versucht werden will. Aus dem
Empfinden dieses Vertrauens möchte ich versuchen, zu einer Art von
Urteil dadurch zu kommen, daß ich alles dasjenige zu beleuchten
unternehme, was als Zurückbleibendes, Absterbendes hinter uns liegt,
und daß ich ins Auge zu fassen versuche, was uns jetzt schon aus der
bisherigen Arbeit unserer Schule wie eine Ermutigung entgegentreten
konnte.
Wenn wir diese Frage betrachten wollen, so wird es dienlich sein,
einmal ins Auge zu fassen, was eigentlich jener Moment, den man den
Augenblick des Schuleintrittes beim Kinde nennt, innerhalb der heutigen
Verhältnisse bedeutet. Die Verhältnisse sind so geworden, daß man
sagen dürfte, was heute im Elternhaus an Frische und Unmittelbarkeit

Zeer geachte aanwezigen!
Ik mag u hartelijk welkom heten, hier in deze ruimte waar we nu voor de tweede keer samenkomen om een gevoel te krijgen voor de belangrijke vragen die het schoolleven van onze vrijeschool betreffen. We zijn blij dat u met zo velen bent gekomen.
Als thema van deze voordracht heb ik gekozen: de schooltradities van een tijd die teloor gaat en de schoolpraktijk van de toekomst.

Zeer geachte aanwezigen!
Mij leek het dat er voor zo’n thema des te meer gekozen mag worden, daar het voor u allen, nadat onze vrijeschool er kwam, meer dan alleen maar een probleem van het denken is geworden.
Wat ik als inleiding van wat ik nu als geheel onder woorden wil gaan brengen, is voor u niet alleen een probleem van het denken, maar een vraag waarin u serieuze mogelijkheden zal vinden om u met de huidige tijd uiteen te zetten.
En u hebt, toen u met deze confrontatie te maken kreeg, een besluit genomen uw kinderen naar de vrijeschool te laten gaan, bewezen dat u vertrouwen kan hebben in de poging deze school iets nieuws te laten zijn. Vanuit het gevoel van dit vertrouwen wil ik proberen tot een soort oordeel te komen door alles te gaan belichten wat als achterblijvend, afgestorven-zijnd, achter ons ligt en dat ik probeer te kijken naar wat we nu al van het werken in onze school als een aansporing kunnen zien.
Als we naar deze vraag willen kijken, kunnen we er wat aan hebben eens te proberen te kijken naar wat eigenlijk dat tijdstip waarop het kind voor het eerst naar school gaat, in de huidige omstandigheden betekent. De omstandigheden zijn zo geworden dat je mag zeggen dat wat tegenwoordig in het ouderlijk huis aan elan en directheid

Blz. 45

freigemacht wird für die heranwachsenden Zöglinge, hat sich herausgerettet aus den Einschachtelungen und Abschrankungen, wie sie unser soziales Leben bezeichnen. Es ist gerade die Möglichkeit, in der Kinderstube, im Heim einmal sich rein menschlich ausleben zu können.
Nicht viele Kinder unserer Gegenwart haben überhaupt noch die Möglichkeit, ihre Kräfte so spielen zu lassen, wie es dem tiefen Drange ihrer
eigenen Willensnatur entsprechen würde. Und daß sie dies nimmer vermögen, das hat sich in der Zeit der letzten zwei Jahrhunderte
herausgebildet.
Werden nun aus dieser Umgebung Kinder in die Schule hineingeschickt, da vollzieht sich etwas höchst Bedeutsames, sehr Folgenschweres in der heutigen Zeit. Soviel man auch noch vor der Kinderstube hat zurückhalten können von dem bezeichneten eingeschachtelten Leben, alles das lauert auf den herankommenden jungen Menschen, das wird von dem ersten Schultag an wirksam, das wird vom Augenblick des Schuleintrittes an aktuell. Es wird so wirksam, daß man ohne Übertreibung von einer bedeutsamen Krisis im Leben des Kindes sprechen kann.
Diese Krisis besteht darin, daß das Kind sich gegenübergestellt sieht
einem fertigen System innerhalb der alten Schulgewohnheiten, die etwas
haben, was an die Kinder herangebracht wird in Form eines ausgearbeiteten Lehrplanes; sie haben etwas, was feststeht als eine überlieferte
umfassende Methode, und sie haben im Zusammenhang mit diesen
Lehrzielen auch eine ganz bestimmte Art, besonders die Disziplin in der
Schule auszuüben.
Und alles dieses ist so ausgestaltet worden, daß man leider nicht sagen
kann, die eigentlich treibenden Kräfte der Gegenwart, namentlich die
tieferen Strömungen des sozialen Werdens der unmittelbaren Vergangenheit und Gegenwart, waren in diese Gestaltungen ausgeflossen. Was den Lehrplan betrifft, war es bis vor wenigen Jahren im allgemeinen so,
daß diejenige Aufstellung galt, die vor fünfzig Jahren gemacht worden
war. Das trug dazu bei, die schlechten Folgen zu mindern, die vom
Lehrplan ausgehen konnten. Das wird später gestreift werden.
Etwas derartig Fertiges lag vor, etwas, das so gemacht worden war,
daß man nicht sagen konnte, die tätige Schulerfahrung ist da hineingeflossen, denn jene Menschen, die diese Feststellung von Amts wegen zu

gemobiliseerd wordt voor de opgroeiende kinderen, is gered voor de beperkingen en barrières die ons sociale leven zo kenschetsen. M.n. de mogelijkheid is er dat je thuis in de kinderkamer echt menselijk tot je recht komt.
Niet veel kinderen in onze tijd hebben eigenlijk nog een kans zo met hun krachten te spelen, als dat hoort bij hun diepere drang van hun eigen wilsnatuur. En dat ze dat toch steeds voor elkaar krijgen, is de laatste twee eeuwen wel gebleken.
Wanneer vanuit dit milieu kinderen naar school worden gestuurd, gebeurt er iets heel belangrijks, in deze tijd iets heel ernstigs. Hoeveel je ook van dat beknotte leven weg hebt kunnen houden uit de kinderkamer, ligt voor de opgroeiende jonge mens toch op de loer, dat gebeurt vanaf de eerste schooldag, dat wordt vanaf het ogenblik van het naar school gaan actueel.
Het wordt zo actueel dat je zonder te overdrijven wel van een belangrijke crisis in het kinderleven mag spreken.
De crisis bestaat erin dat het kind zich geplaatst ziet tegenover een kant-en-klaar systeem binnen de oude schooltradities die iets hebben, wat aan de kinderen meegegeven wordt in de vorm van een uitgewerkt leerplan; ze hebben iets wat vaststaat als een overgeleverde omvattende methode en in samenhang met deze leerdoelen ook een heel bepaalde manier, vooral om de discipline in de school ten uitvoer te brengen.
En dat is allemaal zo vorm gegeven dat je helaas niet kan zeggen dat de eigenlijke drijvende krachten van deze tijd, namelijk de diepere stromingen van de sociale ontwikkeling van het directe verleden en het heden, in die vormgeving uitmonden. Wat het leerplan betreft, was het een paar jaar geleden nog zo, dat die regelingen gelden die vijftig jaar geleden opgesteld werden. Dat droeg eraan bij de slechte resultaten die van het leerplan uit kunnen gaan, te verminderen. Dat zal ik later nog noemen.
Zoiets dergelijks was er kant-en-klaar; het was zo in elkaar gezet dat je niet kon zeggen dat de actuele schoolervaring daarin gestroomd was, want die mensen die van ambtswege dat hadden opgesteld,

Blz. 46

machen hatten, hatten vielleicht in der ersten Zeit ihrer Entwicklung eine gewisse Beziehung zur Schule gehabt. Sehr bald war diese Beziehung gelöst worden, nicht vielleicht vermöge ihrer hervorragenden Lehrerqualität, sondern vermöge der Tatsache, daß sie sehr geschickt sich erweisen konnten, sich ins ganze Verwaltungssystem des Schulwesens als Hoffnung erweckende angehende Beamte hineinzustellen. Diese Beamten verwalteten dasjenige, was man Aufstellung des Lehrplanes nennt, abgeschnitten von der eigentlichen Schulentwickelung, wenn man auch von einer solchen kaum eigentlich sprechen darf, wenn man nicht eher zu sprechen hätte von den hintangehaltenen Entwickelungskräften, die ein aufmerksamer Beobachter hätte sehen müssen.
Diesem Lehrplan sah sich das Kind vom ersten Tag an bereits gegenübergestellt: etwas Fremdes, Kaltes, was mit unerbittlicher Strenge alles
zu bestimmen haben wird, was seelisch-geistiges Leben des Kindes bedeutet, von dem ersten Tage ab. Nicht nur das ganze Ziel des Lehrens war festgesetzt, sondern es war namentlich in den letzten Jahrzehnten bestimmt worden, von Klasse zu Klasse, von Woche zu Woche, an welcher Stelle der Unterricht zu stehen hat an dem und dem Datum.Und es wurde die Erreichung des Zieles bis ins einzelste hinein vorgeschrieben durch das, was man die staatlich approbierte Methode nennen könnte. Diese Methode war von einer solchen Art, daß es dem einzelnen Lehrer nicht möglich gewesen wäre, in Freiheit von ihr abzusehen. Es wäre ihm nur kurze Zeit möglich geworden, dann hätte er sich in Konflikt befunden mit den Beamten, die das zu verwalten hatten. Diese Methode, wie wirkt sie hinein? 

hadden wellicht in de eerste tijd van hun opleiding nog een bepaalde verhouding tot de school. Weldra was dat gevoel verdwenen, misschien niet door hun uitstekende kwaliteit als leraar, maar door het feit dat zij konden laten zien dat ze heel goed in staat waren een rol te vervullen in het hele administratieve onderwijssysteem als beginnende ambtenaren die hoop wekten. De ambtenaren gaven leiding aan het opstellen van het leerplan, zoals dat wordt genoemd, maar losstaand van de onderwijsontwikkeling, ook al kan je over iets dergelijks nauwelijks spreken, eerder zou je moeten spreken van remmende ontwikkelingskrachten, die een opmerkzaam waarnemer toch wel had moeten zien. Vanaf de eerste dag werd het kind met dit leerplan geconfronteerd: iets vreemds, iets kils, iets wat met een meedogenloze strengheid alles wilde bepalen wat voor het kind van psychisch-mentaal belang is, vanaf de eerste dag. Niet alleen was het totaaldoel van het onderwijs vastgesteld, maar de laatste tientallen jaren was ook per klas vastgelegd waar het onderwijs wekelijks moest zijn gekomen op die en die datum. En om het doel te bereiken was tot in detail voorgeschreven wat je de goedgekeurde  staatsmethode zou kunnen noemen. Die methode was van dien aard dat het voor de individuele leerkracht niet mogelijk was, in vrijheid daarvan af te wijken. Misschien voor een korte tijd, maar dan was hij in conflict gekomen met de ambtenaren die erover gingen. Wat doet deze methode?

Diese Methode stammt aus Lebensvoraussetzungen der Menschheit, die im Grunde genommen längst überholt waren. Die Schule entwickelte sich im Mittelalter unter der Oberhoheit der Kirche. Dann übernahmen die Staaten alles das, was das Schulwesen der Kirche gewesen war. Es wurde die staatliche Schule ausgebaut, von der man sagen kann: je mehr ihre Grundlage im einzelnen bestimmt wurde, um so weniger konnte noch eine Entwickelungsmöglichkeit bleiben; je mehr man nach außen paradieren konnte, namentlich mit dem, was moderne Volksschule war, um so größer wurde die gähnende Öde innerhalb des Schulwesens selbst. Diese Öde mußte so groß werden, weil die Methode aus der alten Kirchenschule

Deze methode stamt uit een tijd van de mensheid waarin voor het leven veronderstellingen golden die in de aard van de zaak al lang achterhaald zijn. De school kwam in de Middeleeuwen onder de soevereiniteit van de kerk tot ontwikkeling. Daarna namen de staten over wat het schoolsysteem van de kerk was. De staatsschool werd verder ontwikkeld, waarover je kan zeggen: hoe meer de basis tot in detail werd bepaald, des te minder ontwikkelingsmogelijkheden bleven erover; hoe meer men naar buiten toe kon pronken met de moderne volksschool, des te groter werd de gapende leegte in het schoolsysteem zelf. De leegte moest wel zo groot worden, omdat uit de methode uit de antieke kerkschool,

Blz. 47

Lateinschule stammt, sei es, daß man sie in das moderne neuzeitliche
Gymnasium direkt verpflanzte, sei es, daß man sonst mit ihr arbeitet. Es
war die alte unterrichtliche, juristisch-lateinische Methode in den Schulen aller Gattungen. Wenn dagegen angegangen wurde, wenn Teilreformen versucht wurden, so mag das eine historische Bedeutung haben, umgestaltende Kräfte sind nicht entfesselt worden von den Teilreformen.
Wir haben nun die Lehrplanüberlieferung, wir haben die Methode. In
welcher Weise wurde nun beides ans Kind herangetragen? War es so,
daß auch andere Voraussetzungen als diejenigen der rein lehrmäßigen
Art auf das kindliche Leben eine schicksalbeeinflussende Bedeutung haben? Wir haben überall die Schule, die sich auf Standesgliederung aufbaut. Über die Einheitsschule hat man viel gesprochen. Zur wirklichen Tat ist man nicht gekommen, bis wir die Waldorfschule gründeten.
Dieses tat man aus der Erkenntnis, eine große soziale Mission übernehmen zu sollen.

de Latijnse school, is ontstaan, zij het dat deze zonder meer naar het moderne gymnasium van van nu werd verplaatst, of dat men er toch mee werkt. Het was de oude pedagogische, juridisch-Latijnse methode, in welke school dan ook. Als men zich hier tegen verzette, als er werd geprobeerd gedeeltelijke hervormingen door te voeren, kan dit wel een historische betekenis hebben, maar die gedeeltelijke vernieuwingen hebben geen omwentelingskrachten losgemaakt. We hebben nu de leerplantraditie, we hebben de methode. Op welke manier werden beide op het kind overgebracht? Ging het zo dat ook andere vooronderstellingen dan die zuiver op het leren betrekking hebbende manier, op het leven van het kind een lotsbeïnvloedende betekenis hebben? We hebben overal scholen die zich richten op de indeling in sociale klassen. We hebben overal scholen die als basis de sociale klassenindeling hebben. Er is veel gezegd over de scholengemeenschap. Tot echte daden is het niet gekomen, tot wij de vrijeschool oprichtten. We deden dit vanuit het besef een grote maatschappelijke taak op ons te moeten nemen.

Sowie das Kind am ersten Schultag in die Stunde kam, erlebte es nicht
nur die Krisis, die wir als die seelisch-geistige bezeichnen, sondern es
erlebte auch eine soziale Krisis. An diesem Tage, als das Kind zum
erstenmal aus der Volksschule oder aus dem Gymnasium heimkam und
seinem Spielgenossen begegnete, da mußte ihm zum Bewußtsein kommen, was man die Standesunterschiede nennt. Vom ersten Tage ab wurde ihm jenes Gift, das die Spaltung der einzelnen Gesellschaftsschichten gemacht hat, eingeträufelt. Eine solche Krise im Empfinden sozialer Art, im Empfinden des gesamten kindlichen Seelenlebens trat ans Kind heran am ersten Tag. Wie muß sich ein derartiges ausleben? Daswerden wir wissen können, so wie es uns die Geisteswissenschaft heute herausgearbeitet hat. Wir können sehen: das, was gestaltende Kraft wird im Unterricht vom siebenten Lebensjahre ab, kann deswegen gestaltend wirken, kann sich deswegen bestimmte Aufgaben stellen, weil im Kinde durch eine bereits vollzogene organische Entwickelung gewisse Kräfte frei geworden sind.
Mit diesen Kräften kann man arbeiten. Man kann so arbeiten, daß sie das
bewirken, was man die innere Ausbildung des Menschen nennt, daß sie
sich ausprägen im Verlaufe der weiteren organischen Fortentwickelung.

Zodra het kind op de eerste schooldag naar de les kwam, ervoer het niet alleen de crisis die we psychisch-mentaal noemen, maar het ervoer ook een sociale crisis. Op die dag dat het kind voor de eerste keer thuis kwam van de basisschool of van het gymnasium en zijn speelkameraadjes ontmoette, moest hij wel tot het besef komen van wat het klassenverschil wordt genoemd. Vanaf dag één hij werd doordrenkt met het gif dat de verdeeldheid van de gelaagdheid in klassen van de samenleving, veroorzaakte. Zo’n crisis in het gevoel voor het sociale, in het hele gevoelsleven van het kind kwam op de eerste dag op het kind af. Wat zijn de gevolgen daarvan? Dat kunnen we weten, omdat de geesteswetenschap van nu dat voor ons heeft uitgewerkt. Wij kunnen zien: wat in het onderwijs vanaf het zevende jaar, vormende kracht wordt, kan zo vormend werken, kan zich daarom bepaalde opgaven stellen, omdat in het kind door een organische ontwikkeling die al afgesloten is, bepaalde krachten zijn vrijgekomen. Met deze krachten kun je werken. Je kan er zo mee werken dat ze, wat je de innerlijke ontwikkeling van de mens noemt, tot gevolg hebben; dat ze in de loop van de verdere organische ontwikkeling zichtbaar worden.

Blz. 48

Das ist eine Grundanschauung, wie sie uns von der Geisteswissenschaft,
deren Methode wir hineinzuarbeiten bemüht sind, geschenkt worden ist.
Stellt man dem gegenüber die Gewohnheit der alten Schule, so muß
man sagen, die alte Schule hat keinerlei Beziehung zu jenen organisch
freigewordenen Kräften gehabt, die in Betracht kommen während dieser Altersstufe, und hat gesündigt gegen die Anerkennung einer derartigen
Anschauung, die hätte gefunden werden müssen aus der gesunden
Unterrichtspraxis. Indem sie einerseits die freiwerdenden Kräfte nicht
zur Gestaltung zu führen vermochte, begannen jene Kräfte zu wuchern,
so daß sich Triebe entwickeln und nicht in den Strom der Entwickelung
geführt werden, die vorgezeichnet ist. Andrerseits nahmen sie diejenigen
organischen Kräfte schon vom ersten Schultage ab in Anspruch, die sehr
viel später erst frei werden sollten und frei werden wollten, wenn man
die kindliche Natur versteht.

Dat is een basisprincipe zoals we dat door de geesteswetenschap – aan de methode ervan proberen we te werken – hebben gekregen. Zet je daar de routine van de oude school tegenover, dan moet je toch zeggen dat de oude school geen enkele relatie heeft tot die organisch vrijgekomen krachten, waarom het tijdens leeftijd gaat, en dat ze ernaast zat door een dergelijke opvatting niet te erkennen, die eigenlijk had moeten worden gevonden vanuit een gezonde onderwijspraktijk. Omdat deze aan de ene kant niet in staat was de vrijgekomen krachten in de verdere ontwikkeling te begeleiden, begonnen die krachten een eigen leven te leiden, zodat ze zich driftmatig begonnen te ontwikkelen en deze niet in de stroom van de ontwikkeling werden geleid die zich aftekent.
Aan de andere kant deden ze wel vanaf de eerste schooldag een beroep op die krachten die pas heel veel later vrij zouden moeten komen en dan pas vrij willen komen, als je tenminste de natuur van het kind begrijpt.

Dadurch wurde bewirkt, was Sie im Knochensystem beobachten
können. Der innere Halt, das Skelett wurde geschwächt. Es wurden gewisse Möglichkeiten des Aufrechtstehens im Leben dem Kinde
dadurch genommen, daß man vom allerersten Schultage an eine reine
Kopfbildung ans Kind heranbringen wollte, daß man nur zu seinem
Verstand sprach, gar nicht tiefer herandringen wollte oder konnte.
Solche Tatsachen spiegeln sich oft in kleinen Symptomen. So war es
interessant, in dem Buche von Hang den Satz zu finden, daß man den
Unterricht der französischen Sprache, von der Sie wissen, daß wir sie von der Sie wissen, daß wir sie von der allerersten Schulstufe ab unterrichten, nicht pflegen dürfe auf jener Stufe, weil die Sprache irrational sei. Was offenbart sich in einem derartigen Merkmal? Ganz deutlich sehen wir hier, wie vor dem Kinde nicht der lebendige Mensch steht, sondern ein dickes Buch, das für uns alle Schicksalsbedeutung gehabt hat, das «Grammatik» heißt. Die Grammatik kann man auf dieser Stufe nicht an die Kinder heranbringen; das war identisch für die Menschen der alten Schulgewohnheiten mit der Unmöglichkeit, die lebendige Kraft der Sprache hineinspielen zu lassen in die kindliche Entwickelung. – So wie Sie in den Gymnasien das Buch stehen haben, so haben Sie in den Volksschulen anderes anstelle der lebendigen Persönlichkeit stehen, die eigentlich ans Kind die Inhalte des Lebens heranbringen muß. Von dem

Dat had een gevolg en dat kan je in het beenderstelsel zien. De steun van binnen, het skelet, werd zwakker. Bepaalde mogelijkheden voor het kind om in zijn leven rechtop te staan, werden hem afgenomen doordat men vanaf de allereerste schooldag bij het kind zijn hoofd wilde ontwikkelen, dat men alleen zijn verstand wilde aanspreken en helemaal niet verder wilde gaan of kon gaan. Dit soort dingen zie je veel weerspiegeld in kleine uitingen. In dit opzicht was het interessant een passage in het boek van Hang* te vinden dat je Franse les, waarvan u weet dat wij die vanaf het allereerste schoolbegin geven, niet op die leeftijd mag geven, omdat taal irrationeel is.
Wat kan je uit zo’n karakterisering opmaken?
ʢ Hier zien we heel duidelijk hoe er voor het kind geen levend mens staat, maar een dik boek, dat voor ons allemaal wel wat betekende in ons levenslot, het heet ‘grammatica”. ʡ Grammatica kan je op deze leeftijd het kind nog niet aanleren; dat was ook zo voor de mensen van de oude schoolgarde, met de onmogelijkheid de levende kracht van de taal een rol te laten spelen in de ontwikkeling van het kind. Zoals je op het gymnasium het boek hebt, heb je op de basisschool iets anders dan de levende persoonlijkheid die in feite verondersteld wordt de zin van het leven aan het kind over te brengen.

*in dem Buche von Hang: Nähere Angaben konnten nicht ermittelt werden.
In het boek van Hang: verdere aanwijzingen zijn niet te geven.
.

Blz. 49

Buch ist man abgekommen, dafür finden Sie jetzt um so mehr Karten, Schemen, Tabellen. Alles das soll ans Kind herangebracht werden, damit es urteilen lerne.
Aber man wird zugestehen müssen, wenn man die kindliche Natur richtig kennt, daß die Unaufmerksamkeit des Kindes gerade gegenüber einer derartigen Unterrichtsart ihre feineren Gründe hat. Es strebt zurück von dem Buche, von der intellektualisierenden Anschauung, durch die Kraft der Weisheit, die das Kind vor Schädigung bewahren will. Es ist eine Selbsthilfe des Kindes, was als Unaufmerksamkeit eintritt. Das Kind entzieht sich den nivellierenden Einflüssen eines derartigen Unterrichts. Unterrichtet man von der ersten Stunde bis zur letzten in der geschilderten Art, dann wird der Versuch gemacht, durch Unaufmerksamkeit sich einem derartigen Unterricht zu entziehen. Wie soll nun aber dieser Versuch gelingen innerhalb einer Schule, die auch eine Art Disziplin hatte! Nicht nur, daß in der eben angedeuteten Art und Weise der Lehrstoff herangebracht wurde; dem Kinde wurde auch zugemutet, daß es innerhalb eines Vormittages drei- bis viermal sich umstellen mußte in bezug auf den Lehrstoff, so daß es gestürzt wurde von der einen Stufe in die andere hinein. 

Van het boek is men afgestapt, maar nu kun je des te meer kaarten, schema’s, tabellen vinden. Dit alles moet het kind worden bijgebracht, zodat het kan leren oordelen. Maar je zal moeten toegeven, dat wanneer je de natuur van het kind goed kent, dat de desinteresse van het kind voort dit soort lesstof, dieper liggende redenen heeft: door de kracht van de wijsheid die het kind wil behoeden voor beschadiging, wil het dat boek niet, niet die intellectualistische opvattingen. Het kind helpt zichzelf en wij zien dat als ‘geen aandacht’. Het kind onttrekt zich aan de nivellerende invloeden van dat soort onderwijs. Als je lesgeeft op de beschreven manier van de eerste tot de laatste les, dan probeer je zo’n les te ontwijken door niet op te letten.
Maar hoe zou zoiets moeten slagen op een school die ook nog een soort discipline heeft. Niet alleen dat op de net aangegeven manier de lesstof wordt overgebracht; het kind moest ook nog eens gedurende een morgen drie, vier keer wisselen van lesstof, zodat het van het ene lesuur naar het andere gestuurd werd.

Wer deutlich die Entwickelung zu verfolgen wußte, der konnte erkennen, wie in der letzten Zeit das Streben vorhanden war, die Stunden noch weiter zu kürzen, auf 45 Minuten, kinematographisch den ganzen Unterrichtsstoff vorbeiziehen zu lassen. Die Gliederung übertrug sich noch auf die einzelnen Stunden. Und in welcher Art? Als Meisterwerk der modernen Didaktik, so stehen die Formalstufen da, von Ziller begründet, heute übernommen im ganzen Volksschulunterricht. Lassen Sie sich klarmachen, was ein solcher Lehrer innerhalb einer einzigen Unterrichtsstunde von 45 Minuten zu leisten hat. Der Stoff soll an das Kind herangebracht werden in sechs Phasen: Erstens: Anknüp­fung; zweitens: Vertiefung, und nach der Vertiefung kommt die Besee­lung des Stoffes; dann weiter nach der Beseelung kommt die Stufe der Verfügbarkeit des Stoffes. Sie schließt wenig in sich. Dann kommt die Stufe der Stoffbemeisterung, Stoffverwertung innerhalb der Stunde selbst. Aber das wiederholt sich ja viermal noch am selben Vormittag innerhalb der verschiedenen Gebiete. – Sie werden mir zugestehen, wenn Lassen Sie sich klarmachen, was ein solcher Lehrer innerhalb einer einzigen Unterrichtsstunde von 45 Minuten zu leisten hat. Der Stoff soll an das Kind herangebracht werden in sechs Phasen: Erstens: Anknüp­fung; zweitens: Vertiefung, und nach der Vertiefung kommt die Besee­lung des Stoffes; dann weiter nach der Beseelung kommt die Stufe der Verfügbarkeit des Stoffes. Sie schließt wenig in sich. Dann kommt die Stufe der Stoffbemeisterung, Stoffverwertung innerhalb der Stunde selbst. Aber das wiederholt sich ja viermal noch am selben Vormittag innerhalb der verschiedenen Gebiete. – Sie werden mir zugestehen, wenn

Wie de ontwikkeling goed kon volgen, zag hoe de laatste tijd de neiging bestond om de lessen nog verder in te korten, tot 45 minuten, om de hele leerstof cinematografisch voorbij te laten glijden. De structuur is doorgevoerd naar de individuele uren. En op welke manier? De formele stadia, in het leven geroepen door Ziller*, staan daar als een meesterwerk van moderne didactiek en worden nu overgenomen in alle lessen op de basisschool. Mag ik u laten zien wat zo’n leraar moet bereiken in een enkele les van 45 minuten. De stof moet in zes fasen aan het kind worden gegeven: eerst: verbinding; ten tweede: verdieping, en na verdieping komt de bezieling; verder de opvraagbaarheid. Dat heeft weinig om het lijf. Dan komt de fase van het beheersen van de stof, het gebruiken van de stof binnen de les zelf, maar dat wordt op dezelfde ochtend vier keer herhaald binnen de verschillende gebieden. U zal het toch met me eens zijn

* Tuiskon Ziller, 1817-1882, Schüler Herbarts. «Einleitung in die allgemeine Pädagogik» (1856), «Grundlegung zur Lehre vom erziehenden Unterricht» (1865).
Tuiskon Ziller, leerling van Herbart. ‘Inleiding in de algemene pedagogiek’; ‘Basisprincipoes van de didactiek’

Blz. 50

ich sagen muß, unsere Kinder können nach einer derartigen Methode, die die Kinder mißhandelt, nicht behandelt werden. – Wenn sich solche mißhandelten Kinder den Wirkungen des Unterrichts, des Lehrplanes, der verlangt, am Dienstag, den ii. Mai, muß in allen Klassen dies und dieses Ziel erreicht werden, entziehen wollten, was geschah da?
Dann trat die Disziplin in Kraft. Sie arbeitete von der allerersten Schulstunde mit Mitteln, die in tiefer Weise das ganze moralische Leben des Kindes verseuchen mußten. Das Kind, das gewohnt war, sich natürlicherweise zu äußern, sah sich auf Schritt und Tritt dem Lob oder Tadel gegenüber. Schematisierung trat ein. Die Kinder stellten sich von vorneherein auf die Möglichkeit ein, gefragt zu werden, so daß sie nur in gewissen Fällen mit der Aufmerksamkeit beim Unterricht dabei waren. Wenn das Kind bis dahin gewohnt war, sich frei zu äußern, und es das in der Schule ebenso tun wollte, so erlebte es, daß es abgeschnitten wurde durch jene Rüge, die es immer erfuhr,wenn es in solcher Weise an den Lehrer herantreten wollte; es hatte Strafe zu gewärtigen, die die aller­größten Bedenken ins kindliche Seelenleben senken mußte. Die Kinder mußten dann besondere Schulaufgaben machen, anstatt daß ihnen von vorneherein die Anschauung wachgerufen worden wäre, es sei eine Freude, in der Schule arbeiten zu dürfen.

dat ik moet zeggen dat wij met onze kinderen niet zo’n methode gebruiken die slecht is voor hen. Wanneer zulke slecht behandelde kinderen zich aan de effecten van het lesgeven, van het leerplan dat vereist, op dinsdag 11 mei moet in alle klassen dit en dit doel behaald worden, zouden willen onttrekken, wat zou er dan gebeuren?
Dan is daar de discipline. Die werkt vanaf het allereerste schooluur met middelen die op een diepgaande manier het hele morele leven van het kind wel moet verzieken. Het kind dat gewend was zich op een natuurlijke manier te uiten, werd overal geconfronteerd met geprezen worden of met straf. Er zouden maniertjes ontstaan. De kinderen stellen zich vanaf het begin in op de mogelijkheid een vraag te krijgen zodat ze alleen maar in bepaalde gevallen bij de les waren. Als het kind tot dan toe gewend was zich vrij te uiten en dat op school ook wilde doen, dan ervoer het dat het werd afgesnoerd door die berisping die het steeds kreeg wanneer het op die manier de leerkracht tegemoet trad; het kon straf verwachten, de grootst mogelijke twijfel deed zich in de ziel van het kind gevoelen. Dan moesten de kinderen speciale opdrachten maken, in plaats dat in hen meteen de voorstelling opgeroepen werd dat het fijn is om op school te mogen werken.

So wurde die Schulaufgabe zur Strafe gestempelt. Das Kind bekam eine eigenartige Auffassung vom Unterricht solcher Art. Der ganze Unterricht hat etwas mit einem Strafsystem zu tun. Es äußert sich in jenen organischen Beeinträchtigun­gen, die das kindliche Wachstum hemmen, daß im Kinde verschiedenes zur Wucherung kam, was sonst sich gesund entfaltet hätte.
Ich möchte darauf hinweisen, daß eine ganz bestimmte Erscheinung der späteren Schulstufe damit zusammenhängt. Unsere Schüler stehen ironisch gegenüber dem gesamten Schulwesen, und das durchsetzt das ganze Verhalten des Schülers zu seinem Lehrer, zu seiner Schule. Sie wissen alle aus ihrer Schulzeit her, wie es Vergnügen bereitet hat, über die Lehrer zu urteilen.
Dann die Erscheinung der Schülerselbstmorde; immer mehr treten diese drohenden Erscheinungen hervor, und immer ratloser sieht sich die Verwaltung gegenüber diesen Erscheinungen. Wirkliche Lebenskräfte, die sich betätigen wollen in einem naturgema­ßen Unterricht, sind zurückgedämmt worden. Alles was so zurückgestaut

Dus het werk op school werd bestempeld als een straf. Het kind kreeg een eigenaardige opvatting over dit soort onderwijs. Het hele onderwijs heeft iets te maken met een strafsysteem. Dat uit zich in die invloed op het organisme die de groei van het kind remt, dat in het kind verschillende dingen een eigen leven gingen leiden, wat anders zich gezond had kunnen ontplooien. Ik wil erop wijzen dat dit samenhangt met een heel bepaald iets in de latere schooltijd. De leerlingen kijken met een bepaalde ironie naar het hele schoolsysteem en dat is van invloed op de hele relatie van de leerling met zijn leerkracht, met zijn school. U weet allemaal uit uw eigen schooltijd hoe lollig het was, over de leerkrachten een oordeel te vellen.
En dan het fenomeen van de leerlingen die zelfmoord pleegden; steeds vaker zijn deze dreigende verschijnselen aan de orde. Echte levenskrachten die aangesproken willen worden in een onderwijs dat natuurlijk verloopt, worden ingeperkt. Alles wat zo gestuwd wordt,

Blz. 51

wird, das bewirkt jene Nervosität, die wir eine Zeitkrankheit nennen, die sich auf dem Gebiete des Schulwesens offenbart.
Nun fragen wir uns, was wurde erreicht und bis zu einem bestimmten Abschluß gebracht, wenn man von der untersten Schulstufe bis zur letz­ten Stufe geht? Unsere Volksschüler verlassen die Schule mit dem fünfzehnten Jahr. Menschen, die viel mit Proletariern zu tun hatten und die häufig den arbeitenden Menschen ins Gesicht gesehen haben, werden die Erscheinung bemerken, daß etwas wie eine gewisse Herbheit sich ausprägt im Antlitz dieser Menschen. Es ist viel darüber gesprochen worden, wenig gedacht. Aber man hat nicht beobachtet, daß dies ja gar nicht anders sein könne, daß dies eine  naturnotwendige Folge davon ist, daß mit dem vierzehnten Jahre im Menschen das Empfindungsleben frei wird, und von diesem Zeitpunkt ab war für die Mehrzahl unserer Volksgenossen die Bildung abgeschnitten. Wie kann es anders sein, wenn Empfindungsfähigkeiten nicht zu bildenden Kräften zu werden vermögen im Schicksal dieser Menschen?
Die anderen, die nun weiter fortgeführt wurden, die wurden erst recht hineingeführt in jene alte, lateinische Methode, von der ich eingangs sprach. 

veroorzaakt die nervositeit die we een ziekte van deze tijd noemen, die zich manifesteert op het gebied van het onderwijs.
Nu vragen we ons af wat is er bereikt en tot een bepaalde afsluiting gekomen als men van de onderbouw naar de laatste klas gaat? Onze basisschoolleerlingen verlaten de school op hun vijftiende. Mensen die veel met arbeiders te maken hebben gehad en vaak werkende mensen in het gezicht hebben gekeken, zullen merken dat er iets van een zekere hardheid in de gezichten van deze mensen tot uiting komt. Er is veel over gezegd, weinig over nagedacht. Maar er werd niet opgemerkt dat dit niet anders kon, dat dit een natuurlijk gevolg is van het feit dat op veertienjarige leeftijd het gevoelsleven in de mens vrij wordt en vanaf dat moment werd het onderwijs voor de meeste mensen afgesneden. Hoe kan het ook anders als de gevoelsvermogens geen creatieve krachten kunnen worden in het lot van deze mensen? De anderen, die verder werden begeleid op school, maakten echt kennis met die oude Latijnse methode waarover ik in het begin sprak.

Das Studium der klassischen Sprachen trat mehr in den Vorder­grund, oder das Studium der Naturwissenschaften, die im Aufbau auch nur das Erbe des Römischen Reiches und Rechtes angetreten haben. Die Folge davon war, daß wenn aus der Volksschule notwendig in ihrer Entwickelung zurückgehaltene Menschen austraten, so traten von dem humanistischen Gymnasium Menschen heraus, die später die Vertreter des humanistischen Bildungsideals werden sollten. Es wurde dies als eine Errungenschaft dargestellt, daß man Sprachen treiben könne, die man um ihrer selbst willen treibe. Man bemerkte aber nicht, daß die Beschäf­tigung mit derartigen Sprachen zurückstrahlt auf den ganzen Menschen, daß die Menschen, die sich in vielen Stunden in die griechische Sprache versenkt hatten, unfähig wurden, die deutsche Sprache und die Sprache der Tatsachen zu verstehen. Jene Menschen, die von der Realschule ins Leben traten, die gaben ab die späteren Realpolitiker, die immer pochen auf Tatsachen, pochen auf Gesetze aller Art, die aber nicht sehen, wie die Wirklichkeit beeinflußt wird von ganz anderen Strömungen als denjeni­gen. die sie ihre Gesetze nennen.

Het leren van de klassieke talen kwam meer op de voorgrond, ofwel de studie van de natuurwetenschappen, die qua structuur slechts de erfenis van het Romeinse Rijk en Romeinse recht hebben geërfd. Het gevolg hiervan was dat mensen die noodgedwongen in hun ontwikkeling achterbleven, de lagere school verlieten, maar dat mensen het humanistisch gymnasium verlieten die later de vertegenwoordigers van het humanistische onderwijsideaal zouden worden. Dit werd gepresenteerd als een prestatie, dat men talen kon oefenen die men voor zichzelf beoefende. Maar niemand merkte op dat het omgaan met zulke talen weerspiegeld wordt op de hele mens, dat mensen die zich urenlang in de Griekse taal hadden verdiept, de Duitse taal en de taal van de feiten niet meer konden begrijpen. Die mensen die na de Realschule [nu vergelijkbaar met havo] tot het leven toetraden, werden de latere Realpolitici, die altijd prat gingen op feiten, prat gingen op allerhande wetten, maar die niet zien hoe de werkelijkheid wordt beïnvloed door totaal andere stromingen dan wat ze hun wetten noemen.

Blz. 52

Alle diese drei Schulaustritte dürfen wir so ins Auge fassen, daß wir die verhängnisvolle Wirkung so arbeiten sehen, daß die Kräfte hintange­halten werden, die organbildend sein können und Bildung beeinflussend im tiefsten Sinne des Wortes, daß andererseits die Kräfte, die nicht einströmen konnten, wuchern mußten. Dort, wo ein Gefühlsleben nicht gepflegt wird, hat es die Neigung, zur Sentimentalität zu gelangen auf Schritt und Tritt. Der Wille, was wurde aus dem? Entweder er wurde so gebrochen, daß wir jene Ruinen von Menschen haben, die heute auf verantwortungsvol­len Posten stehen, oder auf der anderen Seite jene brutalen Gewaltmen­schen, die in die Welt so hineintreten, daß sie alles unter ihren Füßen zusammenstampfen, eine Folge davon, daß der Wille gar nicht zu einer Pflege kommen konnte. Diese Erscheinungen sind häufig zusammengefaßt worden. Kritik ist in Hülle und Fülle ausgeübt worden. – Als sich der Vorgang der Weltrevolution abspielte, da war die Meinung entstanden: Jetzt wird aus dem Brodem der kochenden neuen Kräfte etwas hineinfließen können, etwas wie eine neue Lebensströmung in das Schulwesen selbst; man wird dazu kommen, die Kritik aufzupeitschen zu einer gestaltenden Tat. –

We kunnen alle drie deze schoolverlaters zo bekijken dat we het fatale effect zo zien werken dat de krachten die orgaanvormend kunnen zijn en in de diepste zin van het woord de vorming kunnen beïnvloeden, worden tegengehouden, terwijl aan de andere kant de krachten die niet naar binnen konden stromen, ongebreideld moesten groeien. Waar gevoelsleven niet wordt gecultiveerd, neigt het ertoe om bij elke gelegenheid sentimenteel te worden. Hoe ging het verder met de wil? Of die is zo kapot gemaakt dat we die wrakken van mensen hebben die tegenwoordig verantwoordelijke posten bekleden, of aan de andere kant die agressief gewelddadige mensen die de wereld zo betreden dat ze alles onder hun voeten plat stampen, een gevolg van het feit dat de wil niet gecultiveerd werd. Deze verschijnselen zijn vaak genoeg opgesomd. Er is veel kritiek geuit. – Toen  de wereldrevolutie plaatsvond, ontstond de mening: nu zal er iets uit de damp van de kokende nieuwe krachten kunnen instromen, iets als een nieuwe levensstroom in het schoolsysteem zelf; men zal kritiek gaan aanzwengelen tot een vormende daad. –

Seit jenen Tagen ist man nicht müde geworden, immer wieder das Wort «Einheitsschule» zu gebrauchen als einen Titel für die Bestrebungen, die meinten, sich mit der Zeit in Verbindung zu setzen. Aber wenn wir die Auslassungen der Gesetzgebung beobachten, so werden wir nicht umhin können zu sehen, was wie eine schwarze Gefahr uns gegenübertritt. Wir sehen, daß zwar jene Gliederung der Schule, wie sie althergebracht war, äußerlich verändert worden ist, daß aber, weil das, was man Schulkon­zession nennt, viel ausgiebiger als sonst noch zur Geltung kommen möchte, die Gefahr als drohend bezeichnet werden muß. Wir sehen, daß die Volksschule zu einer Konfessionsschule, einer Parteischule und Schule von bestimmten wirtschaftlichen Gruppen werden kann, daß man noch weniger als früher bedacht ist, auf das allgemein Menschliche Rücksicht zu nehmen, jetzt mit aller Eindringlichkeit des juristisch arbeitenden Beamtenapparates.
Sie werden finden, daß der Beamte innerhalb der neuen Zustände nicht seine Bedeutung verloren hat, daß er viel mehr wirken kann, daß er

Sinds die tijd kreeg men er geen genoeg van steeds het woord “uniforme school”  te gebruiken als naam voor inspanningen die bedoeld waren om met de tijd mee te gaan. Maar als we zien wat er in de wetgeving weggelaten is, kunnen we niet anders dan zien met wat voor zwarte dreiging we worden geconfronteerd. We zien weliswaar dat de structuur van de school, zoals die traditioneel was, aan de buitenkant veranderd is, maar omdat wat schoolconcessie heet, veel uitgebreider dan normaal tot zijn recht zou kunnen komen, moet het gevaar als bedreigend worden omschreven. We zien dat de basisschool een confessionele school kan worden, een partijschool en een school voor bepaalde economische groepen, dat mensen nog minder voorzichtig zijn dan voorheen om rekening te houden met wat algemeen menselijk is, nu met alle druk van het juridische ambtelijke apparaat. U zult merken dat de ambtenaar binnen de nieuwe toestand zijn belangrijkheid niet heeft verloren, dat hij veel meer kan bewerken, dat hij

Blz. 53

viel mehr zersetzen kann, als innerhalb des alten Systems. Beachten Sie, mit welcher Eifersucht gewacht wird, daß alle Verfügungen beachtet werden. Gegenüber diesem brutalen Willen wird man nicht umhin können zuzugeben, daß es nicht leicht möglich werden wird, jenes Bildungsideal durchzuführen. Wir werden gewärtig sein müssen, daß mehr als früher bestimmt werden wird, was als Unterricht ans Kind herangebracht werden soll, namentlich im Geschichtsunterricht. Was wird die Folge weiter sein? Die Folge wird sein, daß der Beamtencharakter des Lehrers sich noch mehr ausprägen wird.
Alledem gegenüber steht unsere Welt von heute, die Not der Zeit, die noch nach ganz anderem verlangt als demjenigen, was man als einen schwachen Zukunftsschimmer ausgießen möchte über das Schulwesen und darüber hinaus. Warum können die Neuerungen nicht zu jenem Ziele führen? Wir kommen zu einem eigenartigen Gesetz: Wenn irgendwo etwas gedacht wird, und es sich nicht auszugießen vermag, weil es nicht durchdrungen ist von der ganzen Energie des Menschenwe­sens, so wirkt es so, daß dies nicht eine Verminderung des Negativen ist, sondern sich verbindet mit den negativen Zuständen. Es fließt unter­irdisch da hinüber. So hat es Lichtwark ausgedrückt: Teilreformen bewirken nur eine Verstärkung der bereits bestehenden Tendenzen. -Alles andere ist zu erwarten als eine Neugestaltung. Wir können nur eine weitere Verstärkung der schon vorhandenen Bestrebungen erwarten.

voor veel meer desoriëntatie kan zorgen dan binnen het oude systeem. Let op de ijver waarmee alle decreten worden nageleefd. Geconfronteerd met deze agressieve wil, kan men niet anders dan toegeven dat het niet gemakkelijk zal zijn om dat ideaal van onderwijs uit te voeren. We zullen ons ervan bewust moeten zijn dat meer dan voorheen zal worden bepaald. wat er aan kinderen geleerd moet worden, vooral in het geschiedenisonderwijs. Wat zal het verdere gevolg zijn? Het gevolg zal zijn dat de leraar als ambtenaar nog meer naar voren komt. Dit alles staat haaks op onze wereld van vandaag, op wat de tijd nodig heeft, die iets heel anders vraagt ​​dan wat men als een dunne sluier zou willen draperen over de toekomt van het het schoolsysteem en daarbuiten. Waarom kunnen de innovaties niet tot dat doel leiden? We komen tot een eigenaardige wetmatigheid: als ergens iets gedacht wordt en het kan geen werkelijkheid worden, omdat het niet doordrongen is van de hele energie van de mens, dan werkt het zo dat dit geen vermindering van het negatieve is, maar dat het zich bindt aan de negatieve toestanden. Het stroomt ondergronds verder. Zo verwoordde Lichtwark* het: Gedeeltelijke hervormingen versterken bestaande tendensen alleen maar. – Al het andere is te verwachten, behalve een vernieuwing. We kunnen alleen maar een verdere versterking van de reeds bestaande inspanningen verwachten.

*Alfred Lichtwark, 1852-1914, Kunstpädagoge
Kunstpedagoog

Nun, dieses Bild habe ich vor Ihnen aufgerollt, um Ihnen deutlich werden zu lassen an dem, was mir nicht übertrieben scheint, was aus dem persönlichen Leben vieler Lehrender schicksalmäßig beseitigt wer­den möchte, weil wir, wenn wir jenes Bestreben unserer Freien Schule richtig ins soziale Leben der Zeit hineinfließen lassen wollen, wissen müssen, welche Gefahr uns von dem alten Schulwesen droht. Es kann nicht die Aufgabe meiner jetzigen Ausführungen sein, unsere Bestrebun­gen noch einmal zu wiederholen. Wenn in unserer Schule jene Bestimmungen fehlen, die das alte Schulleben gesetzmäßig regeln, so bedeutet das nicht, daß wir uns unsere Aufgabe leicht gemacht haben. Wir haben uns unsere Aufgabe schwerer gemacht. Die Zeit muß fordern, daß man schwere Lasten auf sich nimmt, um derjenigen Entwickelung willen, von der wir eine Zukunft erwarten

Welnu, ik heb dit beeld voor u ontwikkeld om u duidelijk te maken wat mij niet overdreven lijkt, wat veel leerkrachten vanuit hun persoonlijk leven graag als iets van hun lot, op zouden willen ruimen, omdat wij als we de inspanningen van onze vrijeschool op een goede manier het sociale leven van deze tijd willen laten instromen, wij moeten weten welk gevaar ons bedreigt vanuit het oude schoolsysteem. Het kan niet de bedoeling van mijn huidige opmerkingen zijn om onze inspanningen nogmaals te herhalen.
Het feit dat in onze school die regelementen ontbreken die het oude schoolleven wettelijk geregeld hebben, wil niet zeggen dat we het onszelf gemakkelijk hebben gemaakt met onze taak. We hebben die moeilijker gemaakt. De tijd eist dat men zware lasten op zich neemt ter wille van die ontwikkeling waarvan wij een toekomst mogen verwachten.

Blz. 54

dürfen. Wenn wir aber die schweren Lasten auf uns genommen haben, so können wir sie nur tragen, wenn alle diejenigen mittragen helfen, die uns Vertrauen geschenkt haben, wenn sie darauf bedacht sind, daß die kleinsten Wirkungen von Bedeutung sind, und hierbei auf das Ernsteste das Schulleben verfolgen; keine Unterrichtsstunde, keine andere Unter­nehmung, die im Verlaufe des Schulwesens sich ergibt, ist so gedacht, wie sie sich innerhalb der alten Schulgewohnheiten ergibt. Was hier geleistet wird, ist Lebenskraft unseres Volkes selbst, sind Kräfte, deren Auswirkungen wir brauchen. Unsere Zeit lechzt nach ihnen. Wenn nun das Elternhaus der Schule so gegenübersteht, wie es innerhalb der alten Schulgewohnheit der Fall ist, so muß vieles von dem ganz anders verwirklicht werden. Entweder es bestand ein Kampf, oder es bestand dies, was man nennen kann ein Hinundherwerfen zwischen Elternhaus und Schule. Denn wie häufig treten Sie der Meinung gegen­über, daß die Eltern froh sind, sobald die Kinder in der Schule sind. Sie möchten sie den ganzen Tag in der Schule haben und sind sehr aufge­bracht über alle Zumutungen, die gemacht werden, daß sie die Tätigkeit der Schule unterstützen sollen.

Maar nu we de zware lasten op ons hebben genomen, kunnen we ze alleen dragen als iedereen die vertrouwen in ons heeft, meehelpt ze te dragen, als wordt beseft dat de kleinste gevolgen ertoe doen, en hierbij zo serieus mogelijk het schoolleven volgt; geen enkele les, en al het andere dat we in de loop van het onderwijs willen doen, heeft iets te maken met de oude schoolgewoonten. Wat hier functioneert, is de levenskracht van de mensen zelf, het zijn krachten waarvan we de effecten nodig hebben. Onze tijd dorst ernaar. Als de ouders zo naar de school kijken als bij de oude school de gewoonte was, moet veel daarvan heel anders worden. Of er was een ruzie of er was wat je zou kunnen noemen een heen en weer gedoe tussen thuis en school. Want hoe vaak kom je de mening tegen dat ouders blij zijn zodra de kinderen naar school zijn. Ze willen dat ze de hele dag op school zijn en ze zijn zeer gepikeerd bij elke suggestie dat ze de activiteiten van de school zouden moeten steunen.

Das Kind übernimmt alle Nuancen, die in seiner Umgebung angeschlagen werden, in feiner Weise. Wenn das Kind beobachten kann: Was mir in der Schule gesagt wird, das wird zu Hause anders betrachtet! – dann kommt das Kind in einen Zwiespalt, und diejenigen Wirkungen, die auf das Kind ausgehen sollen, können nicht ausgehen. Nachdem wir unsere Schule ins Leben gerufen haben, nachdem wir mit allen Kräften danach ringen, einen Teil zu erfüllen, da sind die alten Schulgewohnheiten lebendig geblieben, so daß Menschen, die innerhalb dieser Gewohnheiten groß geworden sind, die Voraussetzungen aus einem Alten ins Neue hineintragen. Sie möchten das Ganze nach jenem  Einschachtelungsmuster beurteilen. Es kann vorkommen, daß Menschen besorgt sind, wenn man nicht nachweisen kann in unserer Schule, die alle Kräfte entwickeln will: warum hat das Kind das oder das noch nicht gelernt und so weiter? Man ist in großen Sorgen. Man sollte berücksich­tigen, daß diese Sorgen ungerechtfertigt sind, daß wir dann nicht spre­chen dürfen von einer neuen Schule, sondern daß wir die alten Schulge­wohnheiten in irgendeiner umgeschachtelten Form in die Schule aufgenommen

Het kind neemt op subtiele wijze alle nuances in zijn omgeving op. Als het kind kan waarnemen: wat op school tegen mij wordt gezegd, wordt thuis anders bekeken! – dan raakt het kind in een conflict, en wat er op het kind zou moeten werken, komt niet tot stand. Nadat we onze school waren begonnen, nadat we er met al onze kracht naar streven een deel te verwezenlijken, zijn de oude schoolgewoonten blijven bestaan gebleven, zodat mensen die met deze gewoonten zijn opgegroeid, de veronderstellingen van het oude meenemen naar het nieuwe. Het geheel willen ze dan beoordelen  naar een model waarin alles vastgelegd is. Het kan gebeuren dat mensen zich zorgen maken als je onze school, die al zijn sterke punten wil ontwikkelen, niet kunt volgen: waarom heeft het kind dit of dat nog niet geleerd enzovoort? Je maakt je grote zorgen. Je zou je voor kunnen houden dat deze zorgen onterecht zijn, dat we dan niet moeten spreken over een nieuwe school, maar dat we de oude schoolgewoonten in een of andere ingewikkelde vorm in de school hebben

Blz. 55

hätten. Dasjenige, was in der Waldorfschule abweichend gemacht wird von den alten Schulgewohnheiten, wird so gemacht aus einer Praxis, die nicht aus einer verstandesmäßig erklügelten Anschau­ung erfließt, sondern aus jenen Kräften, die sich auf die Werdekräfte der jungen Menschen und des Volkes selbst beziehen. Indem wir Ihnen diese Zusicherung geben, dürfen Sie sich mit Ihren Vertrauenskräften genug verbunden fühlen. Sie werden die Geduld haben müssen, wenn Sie abwarten wollen das, was da reift.
Nehmen Sie doch als ein Zeichen der beginnenden Reife die Stim­mung, die unsere Kinder überall beseelt und belebt, die die Kinder in die Schule hineintragen, wenn sie sich sagen: das Lernen ist hier keine Strafe. Nehmen Sie jene Stimmung, die sich sogar an frisch geröteten Wangen mancher unserer Zöglinge offenbart, nehmen Sie sie als Wahrzeichen dafür, daß Dinge in der Reife sind. Lassen Sie sich nicht einschüchtern durch die Gespenster, die in unsere niedergehende Zeit hineinbrechen möchten. Sagen Sie sich: Das Kind, das hier heranwachsen soll, das soll nur mit sich selbst einmal verglichen werden können, wenn es als reifer Mensch ins Leben herausgetreten sein wird.

meegenomen. Wat in de vrijeschool wordt gedaan dat afwijkt van de oude schoolgewoonten, komt voort uit een praktijk die niet voortvloeit uit een intellectueel bedachte visie, maar uit die krachten die betrekking hebben op de ontwikkelingskracht van jonge mensen en het volk zelf. Door hen deze zekerheid te geven, mogen zij zich voldoende verbonden voelen met de kracht van hun vertrouwen. U zal geduld moeten hebben als u wil afwachten wat er zich aan het ontwikkelen is. Neem de stemming die onze kinderen overal bezielt en verlevendigt als een teken van deze beginnende ontwikkeling, die de kinderen mee naar school nemen als ze tegen zichzelf zeggen: leren is hier geen straf. Neem die gemoedstoestand die zelfs zichtbaar wordt in de  fris blozende wangen van sommige van onze leerlingen, beschouw het als een bewijs dat de dingen zich aan het ontwikkelen zijn. Laat u niet intimideren door de spoken die in onze neergaande tijd ons zouden willen overvallen. Zeg tegen jezelf: het kind wanneer het als volwassen mens in het leven is komen te staan, kun je dan pas vergelijken met het kind dat hier op moet groeien. 

Wenn wir eine derartige Anschauung an die Schule heranbringen, dann wird die Schaffensfreude, die uns belebt, Früchte tragen, daß wir sehen, das heutige Leben wird mit der Schule zu rechnen haben. Schöpferkräfte können nur aus solchen Schulen kommen, wo Schöpferkräfte nicht zurückgestaut werden, sondern wo sie entwickelt werden, so daß der erste Tag in der Schule nicht eine Krisis bedeutet, sondern das Kind so hineinführt, daß es aufgeschlossen wird für das Leben später; so daß es die Schule verläßt, nicht als Gewaltmensch, nicht als bloß mit Kopfwissen beladener Mensch, sondern als Mensch, der eine neue Bildung zu vertreten vermag, die wahre Menschenbildung der neuen Zeit. In der wahren Erkenntnis des Menschenwesens liegt das Unterpfand für die Entwicelung unseres Volkes in der Zukunft. Auch diese Aufgabe ist groß, aber es ist ein Zeichen unserer Zeit, daß sie herb ist. Man will vor dem Antlitz unserer Zeit nicht so klaren Blickes stehen, daß man die verbitterten Züge sehen will. Man will Schleier über Schleier vor dieses Antlitz ziehen und will sich seinen Anblick deswegen fernhalten, weil man die Sprache fürchtet, die aus dem

Als we zo’n visie naar de school brengen, zal de vreugde in ons werk die ons verlevendigt, vruchten afwerpen, zodat we zien dat het leven van vandaag rekening zal moeten houden met de school. Scheppende krachten kunnen alleen uit scholen komen waar scheppende krachten niet worden geremd, maar waar ze worden ontwikkeld, zodat de eerste schooldag geen crisis betekent, maar het kind zo leidt dat het later openstaat voor het leven; zodat het de school verlaat, niet als een gewelddadig persoon, niet als een persoon alleen belast met kennis voor het hoofd, maar als een persoon die in staat is een nieuwe opvoeding te vertegenwoordigen, de ware menselijke opvoeding van de nieuwe tijd. In het ware inzicht in de mens ligt de belofte voor de ontwikkeling van onze mensen in de toekomst. Deze taak is ook groot, maar het is een teken van onze tijd dat die zwaar is. Men wil niet voor het aangezicht van onze tijd staan ​​met zo’n helder zicht dat men de verbitterde gelaatstrekken wil zien. Men wil sluier na sluier voor dit gezicht trekken en de ogen afwenden omdat men bang is voor de taal die uit dit

Blz. 56

Antlitz redet. Herb und groß sind die Aufgaben, die wir übernommen haben. Aber wir glauben, daß es Menschen geben kann, die die Aufga­ben doppelt zu lieben vermögen, weil sie herb und groß sind. Wir vereinigen uns mit Ihnen in der Hoffnung, daß Sie sie lieben lernen werden, weil es eine herbe Aufgabe ist. Aus der Herbheit wird die Frische entspringen können.Herb und scharf ist das, was wir zu vertreten haben; aber diese Herbheit wird uns die Kraft geben, hier von der Freien Waldorfschule aus der niedergehenden Zeit ein Flammenzeichen auf die Stirne zu schreiben. Sie möge, während sie dahinlebt im Phrasentum, die Kraft finden, einen kräftigen Tod zu sterben, daß darauf fallen möge die Sonne des kommenden Tages.

gezicht spreekt. Zwaar en groot zijn de taken die we op ons hebben genomen. Maar we geloven dat er mensen kunnen zijn die dubbel van taken kunnen houden juist omdat ze zwaar en groot zijn. We sluiten ons bij u aan in de hoop dat je zult leren ervan te houden, omdat het een zware taak is. Uit de zwaarte kan de blijmoedigheid opborrelen. Waar we voor staan, is zwaar en intens; maar deze zwaarte zal ons de kracht geven om vanuit de vrijeschool, in de neergang van de tijd, een vuur​​teken op ons voorhoofd te schrijven Moge de tijd terwijl die voortleeft in frasen, de kracht vinden om een ​​intense dood te sterven, zodat de zon van de komende dag die kan beschijnen.
GA 298/toespraak 11-06-1920 

Over GA 298inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2984-2801

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 10e klas – Scheikunde

.
Hans Rost, Rudolf Steinerschule Nürtingen
.

SCHEIKUNDE  PRACTICUM

.

Hoe wordt zeep gemaakt?

Qua ontwikkeling zitten de leerlingen in deze klas midden in de psychische puberteit, terwijl de fysieke puberteit grotendeels voorbij is. Ze nemen de polariteiten tussen de geslachten met een veranderd bewustzijn en dus duidelijker waar. De polariteit tussen man en vrouw is op haar beurt een voorwaarde voor het ontstaan ​​van nieuw menselijk leven.

Dit gezichtspunt wordt in de scheikundeperiode met de zouten, basen en zuren weer opgepakt, want voor Rudolf Steiner was leerinhoud hét middel om de leerlingen impulsen te geven en hun ontwikkeling te ondersteunen.

Net als de twee geslachten vertegenwoordigen basen en zuren polariteiten. De verschillende kwaliteiten van base en zuur worden duidelijk gemaakt en besproken door scheikundeproeven. We laten zien dat beide stoffen op zichzelf en in geconcentreerde vorm schadelijk zijn voor ons mensen. Maar ze houden elkaar in evenwicht als ze een verbinding aangaan. Door neutralisatie ontstaan ​​geheel nieuwe stoffen, namelijk de zouten. Deze zijn zelfs essentieel voor het menselijk leven.

Zo kan met behulp van des scheikunde duidelijk worden gemaakt dat polariteiten in principe, als ze op elkaar inwerken, een balans kunnen vinden en kwalitatief iets geheel nieuws kunnen opleveren. Zo bezien kan in de scheikunde objectief en helder een dieper inzicht in deze centrale natuurwetten worden gegeven. Het leerplan houdt rekening met de mentale gesteldheid van de leerlingen, stimuleert hun ontwikkeling en geeft hen oriëntatie.

Het scheikundepracticum pakt dit onderwerp weer op met het bereiden van zeep, want chemisch gezien is de productie van zeep een neutralisatiereactie waarbij vetzuren met natronloog reageren tot zeep.

Net als bij de andere praktijkvakken is het scheikundepracticum bedoeld om leerlingen een beter begrip te geven van de wereld om hen heen. Maar ze moeten ook ervaring opdoen door hun eigen praktische activiteiten die hen geschikt maken voor het leven. Daarnaast wordt in de bovenbouw bij de praktijkvakken de waarom-vraag steeds belangrijker. Daarom wordt de theoretische achtergrond van de behandelde processen ook klassikaal uitgewerkt. Theorie en praktijk worden met elkaar verbonden.

Het practicum wordt uitgevoerd met groepen van 10 tot 15 leerlingen. Elke leerling heeft zijn eigen werkplek waarvoor hij verantwoordelijk is. Deze werkplaats is voorzien van een gasbrander en de benodigde apparatuur, die de leerlingen zelf op orde moeten houden en dan weer moeten klaarmaken voor de volgende groep.

Aan het begin

Eerst moeten de leerlingen elementaire practicum-activiteiten leren, zoals het gebruik van de gasbrander. Daarnaast wordt het buigen van glazen buisjes, het vervaardigen van glazen pipetten en dergelijke aangeleerd. Al bij deze eerste activiteiten wordt duidelijk hoe verschillend de leerlingen nieuwe en onbekende taken aanpakken. Sommigen gaan met veel ijver direct aan de slag en doen al doende ervaring op, anderen zijn heel voorzichtig en moeten eerst hun angst voor het vuur overwinnen. Zij hebben moeite om van denken naar doen te komen. Als iedereen de nodige zekerheid heeft gekregen, wordt met de eerste opdracht begonnen.

Bepaling van de concentratie van zoutoplossingen

Door hun scheikundelessen weten de leerlingen wat een oplossing is en hoe je het zoutgehalte kan bepalen. Wat gezamenlijk wordt ontwikkeld, wordt in het periodeschrift genoteerd. In dit experiment leren de leerlingen oplossingen te verdampen, de weegschaal te gebruiken en percentages te berekenen. Het doel is om waarden te bepalen die zo nauwkeurig mogelijk zijn. Vooral bij het wegen moet de nodige rust en geduld worden betracht. Niet snelheid, maar nauwkeurigheid is de doorslaggevende factor.

De pH-waarde

Omdat het looggehalte bij het fabriceren van zeep steeds opnieuw moet worden bepaald, moet de tweede opdracht zijn om de pH-waarde als maat voor de concentratie van loog of zuur in een waterige oplossing in te voeren. Gelijk geconcentreerde natronloog en zoutzuur worden geleidelijk verdund. De verandering van de pH-waarde wordt zowel met het pH-papier als door smaaktesten bepaald. De verdunde oplossingen worden samengevoegd en ingedampt. Het witte residu heeft de typische smaak van zout, zodat iedereen de neutralisatie en balancering van de tegenstellingen van zoutzuur en natronloog tot keukenzout met de zintuigen kan ervaren.

Zeep koken

Pas nu wordt de productie van kernzeep gestart. Water, natronloog en palmolie worden enkele uren gekookt. Bij verhitting breekt het natronloog het vet af in vetzuren en glycerine. De natronloog wordt geleidelijk geneutraliseerd door het vetzuur, wat de leerlingen kunnen waarnemen door continu de pH-waarde te meten. Tegelijkertijd verdwijnen de vetogen en ontstaat er steeds meer zeepschuim. De vloeistof wordt steeds stroperiger en het toevoegen van tafelzout (uitzouten) leidt tot het afscheiden van de zeep als zeepkern. Dit wordt opnieuw verwarmd met water en geroerd tot het schuimig is. Vervolgens wordt parfum en eventueel kleurstof toegevoegd en wordt de nog hete en vloeibare zeep in een mal gegoten. Na een paar uur hardt het uit en kan het gebruikt worden om de handen mee te wassen.

In dit experiment kan het ontstaan ​​van de zeep met de zintuigen worden ervaren. Omdat de natronloog zeer bijtend is, moeten de leerlingen een veiligheidsbril dragen en zeer voorzichtig te werk gaan. Zo leren ze op de juiste manier om te gaan met gevaarlijke chemische stoffen. Voortdurende aandacht is vereist om de toenemende schuimvorming in de gaten te houden, terwijl overkoken moet worden voorkomen door te roeren en water toe te voegen. Geduld is vereist bij het koken van zeep, omdat het proces lang duurt en pas mag worden beëindigd als de zeep plakkerig is geworden.

Ook leren de leerlingen hoe een middel dat dagelijks wordt gebruikt, zoals zeep, wordt verkregen

Vervaardiging van fijne zepen en crèmes

Bij het maken van fijne zeep en crème is het belangrijkste doel om te laten zien hoe je zelf cosmetica kunt mengen en wat daarvoor nodig is. Er wordt besproken dat veel toevoegingen in de verkrijgbare verzorgingsproducten schadelijk zijn voor de huid. Bij het maken van crème zie je hoe met behulp van een emulgator uit olie en water een witte emulsie, de crème, ontstaat.

Diffusie en osmose

In samenhang met de zouten kan, als er voldoende tijd is, diffusie experimenteel worden uitgewerkt. Door tijdgebrek is dat in de scheikundeperiode meestal niet mogelijk. Experimenten laten zien hoe zouten oplossen en zich verspreiden in water zonder invloeden van buitenaf.

Een gekleurd zoutkristal wordt in een glazen pipet in contact gebracht met het wateroppervlak van een bekerglas. Het zout stroomt in een draad naar beneden en verspreidt zich vervolgens binnen een dag gelijkmatig in het water tegen de zwaartekracht in. De leerlingen zien daarbij dat mineralen en voedingsstoffen in alle levende wezens op dezelfde manier worden verdeeld zonder extra krachten.

De leerlingen leren uitleggen waarom komkommers en radijzen water aantrekken als ze gezouten zijn, of waarom loofbomen langs de weg in het voorjaar bruine bladeren krijgen. Stukjes aardappel die in verschillende zoutoplossingen worden gelegd en daarbij krimpen of zwellen, laten zien dat de oorzaak ligt in het hoge zoutgehalte van de betreffende omgeving. Dit fenomeen, bekend als osmose, is ook de oorzaak van de wateropname in planten.

Veel van wat in het hoofdonderwijs alleen theoretisch behandeld kan worden, kunnen de leerlingen tijdens het practicum direct waarnemen en begrijpen. Daarnaast krijgen de tiendeklassers inzicht in de hoeveelheid werk die zelfs het eenvoudigste experiment vereist en dan volgen ze de proeven in de scheikundeles met andere ogen.

.

10e klas: alle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

2983-2800

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/18)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in voordracht GA 55

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Het inzicht in het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het leven van nu

Voordracht 5, Berlijn 13 december 1906

Wie begreift man Krankheit und Tod?

Hoe kunnen we ziekte en dood begrijpen?

Blz. 106

Heute sei mehr vom physiologischen Gesichtspunkt aus besprochen, was man die Arbeit des physischen Prinzips im menschlichen Organismus nennt. Das wird geleistet in der Epoche von der Geburt bis zum Zahnwechsel. Da arbeitet das physische Prinzip am physischen Leibe so, wie die Kräfte und Stoffe des mütterlichen Organismus am Kindeskeim arbeiten, bevor das Kind geboren ist. Vom siebenten Jahre

Vandaag zullen we meer vanuit fysiologisch oogpunt bespreken wat het werk van het fysieke principe in het menselijk organisme wordt genoemd. Dit gebeurt in de periode vanaf de geboorte tot aan de tandwisseling. Het fysieke principe werkt aan het fysieke lichaam op dezelfde manier als de krachten en substanties van het organisme van de moeder inwerken op de kiem van het kind voordat het kind geboren wordt. Vanaf het zevende jaar

Blz. 107

bis zur Geschlechtsreife arbeitet am physischen Leibe haupt­sächlich das Ätherprinzip, und von der Geschlechtsreife an arbeiten die Kräfte, die innerhalb des Astralleibes verankert sind. So daß wir uns die Entwicklung des Menschen recht vorstellen, wenn wir uns denken, daß der Mensch bis zur Geburt vom Leibe der Mutter umschlossen ist. Mit der Ge­burt drängt er gleichsam den mütterlichen Leib zurück, seine Sinne werden frei, und nun ist es möglich, daß die äußere Welt anfängt, auf den menschlichen Organismus einzuwir­ken. Da stößt der Mensch auch eine Hülle von sich, und derjenige erst begreift richtig die Entwicklung des Menschen, der begreift, daß zwar nicht im physischen, aber im geisti­gen Leben etwas Ähnliches in der Zeit des Zahnwechsels vor sich geht. Um das siebente Jahr herum wird der Mensch richtig ein zweites Mal geboren. Da wird nämlich sein Ätherleib zur freien Tätigkeit geboren, wie sein physischer Leib zur Zeit der Geburt.

tot aan de puberteit werkt hoofdzakelijk het etherische principe in het fysieke lichaam en vanaf de puberteit zijn de in het astraallijf verankerde krachten aan het werk. Zodat we de ontwikkeling van de mens goed in beeld hebben als we denken dat de mens tot aan zijn geboorte omringd is door het lichaam van zijn moeder. Bij zijn geboorte duwt hij als het ware het moederlichaam terug, zijn zintuigen komen vrij en nu kan de buitenwereld inwerken op het menselijk organisme. Dan werpt de mens een omhulsel af, en wie de ontwikkeling van de mens werkelijk begrijpt, die begrijpt dat er iets soortgelijks gebeurt, weliswaar niet in het fysieke leven, maar in het geestelijke leven, op het moment van de tandenwisseling. Rond het zevende jaar wordt de mens werkelijk voor de tweede keer geboren. Want dan wordt zijn etherlijf  geboren voor vrije activiteit, net als zijn fysieke lichaam op het moment van geboorte.

So wie physisch der Mutterleib an dem Menschenkeim in der Zeit vor der Geburt arbeitet, so arbeiten geistige Kräfte des Weltenäthers bis zum Zahnwechsel an dem Ätherleib des Menschen, und sie werden um das siebente Jahr herum ebenso zurückgedrängt wie der Mutterleib bei der physischen Geburt. Bis zum siebenten Jahre liegt der Ätherleib wie latent im physischen Leibe. Wie bei einem in Brand gesetzten Zündholz ist es mit dem Ätherleib um die Zeit des Zahnwechsels herum. Er ist im physischen Leibe darinnen gebunden und kommt nun her­aus zur eigenen, freien, selbständigen Tätigkeit. Und das Zeichen, wodurch sich diese freie Tätigkeit des Ätherleibes ankündigt, ist gerade der Zahnwechsel. Der Zahnwechsel hat für den, der tiefer in die Natur des Menschen hineinschaut, eine ganz bedeutsame Stellung. Haben wir einen Menschen bis zum siebenten Jahr vor uns, so arbeitet das physische Prinzip frei im physischen Leib; aber gebunden

Net zoals het lichaam van de moeder fysiek inwerkt op de menselijke kiem in de tijd voor de geboorte, zo werken de spirituele krachten van de kosmische ether in op het menselijk etherlijf tot aan de tandenwisseling, en ze worden rond het zevende jaar net zo teruggeduwd, als lichaam van de moeder bij de fysieke geboorte. Tot het zevende jaar ligt het etherlijf latent in het fysieke lichaam. Het etherlijf is net een lucifer die in brand wordt gestoken rond de tijd van de tandenwissel. Hij is gebonden in het fysieke lichaam en komt nu naar buiten voor zijn eigen, vrije, onafhankelijke activiteit. En het teken waarmee deze vrije activiteit van het etherlijf wordt aangekondigd, is juist de tandenwisseling. De verandering van tanden neemt, voor wie de natuur van de mens met een dieper doordringende blik bekijkt, een zeer belangrijke plaats in. Als we een mens hebben tot de leeftijd van zeven jaar, werkt het fysieke principe vrijelijk in het fysieke lichaam; maar gebonden

Blz. 108

und aus den geistigen Hüllen noch nicht herausgeboren ist das Äther- und das astrale Prinzip. Wenn wir den Menschen bis zum siebenten Jahr betrach­ten, so enthält er eine ganze Summe von Vererbungstat­sachen, die er nicht mit seinem eigenen Prinzip erbaut hat, sondern die er von den Vorfahren ererbt erhalten hat. Dazu gehört das, was man die Milchzähne nennt. Erst die Zähne, die nach dem Zahnwechsel kommen, sind im Kinde die eigene Schöpfung des Prinzips, das als physisches dazu veranlagt ist, die feste Stütze zu bilden. Was in den Zähnen zum Ausdruck kommt, schafft bis zum Zahnwechsel im In­nern, und es bildet am Ende seiner Wirksamkeit gleichsam den Schlußpunkt und bringt den härtesten Teil des Stütz­organes in den Zähnen hervor, weil es noch den Äther- oder Lebensleib als Wachstumsträger in sich gebunden hält. 

en het ether- en astrale principe zijn nog niet uit de spirituele omhulsels geboren.
Kijken we naar de mens tot het zevende jaar, dan bevat hij een hele optelsom van erfelijke feiten, die hij niet vanuit zijn eigen principe heeft opgebouwd, maar die hij van zijn voorouders heeft geërfd. Dit omvat ook wat melktanden worden genoemd. Alleen de tanden die na de tandwisseling komen, zijn het eigen bouwwerk van het kind, van het principe, dat als fysiek element aangelegd is om de vaste lichaamsbouw steun te geven. Wat zich in de tanden uitdrukt, bouwt van binnen op tot aan de tandwisseling, en op het einde van zijn activiteit vormt het als het ware het sluitstuk en produceert het het hardste deel van het steun geven in de tanden, omdat het nog  het ether- of levenslijf nog als drager van groeikrachten aan zich gebonden houdt.

Nachdem dieses Prinzip abgestoßen ist, wird der Ätherleib frei und schafft jetzt an den physischen Organen bis zur Geschlechtsreife, und dann wird ebenso eine Hülle, die äußere astrale Hülle, weggedrängt wie bei der Geburt die Mutterhülle. Astralisch wird der Mensch bei der Geschlechtsreife zum dritten Male geboren. Und die wirkenden Kräfte, die im Ätherleib gebunden waren, machen jetzt für ihre Schöpfungsart im Menschen den Schlußpunkt, indem sie die Fähigkeit der Geschlechtsreife, der Fortpflanzung, und ihre Organe erzeugen. So wie das physische Prinzip im sieben­ten Jahre durch die Zähne den Schlußpunkt macht, indem es die letzten harten Organe schafft, und wodurch der Ätherleib, das Wachstumsprinzip, frei wird, so schafft das astrale Prinzip in dem Moment, wo es frei wird, die stärkste Kon­zentration der Triebe und Begierden, der Lebensäußerung, insofern wir es mit der physischen Natur zu tun haben. Wie Sie das physische Prinzip wie konzentriert in den Zähnen haben, so das Wachstumsprinzip in der Geschlechtsreife. Da ist der Astralleib, die Umhüllung des Ich frei, und das Ich arbeitet nun am Astralleib.

Nadat dit principe is afgestoten, komt het etherlichaam vrij en werkt het aan de fysieke organen tot aan de puberteit, en dan wordt een omhulsel, het buitenste astrale omhulsel, weggeduwd net als het omhulsel van de moeder bij de geboorte. Astraal wordt de mens in de puberteit voor de derde keer geboren. En de actieve krachten die in het etherlijf waren gebonden, markeren nu het einde van hun scheppende werk in de mens door het vermogen tot geslachtsrijpheid, tot voortplanting en hun organen voort te brengen. Net zoals het fysieke principe in het zevende jaar door de tanden een afsluiting bewerkt, als het de laatste harde organen schept, en waardoor het etherlijf, het principe van de groei, vrij wordt, schept het astrale beginsel de sterkste concentratie van instincten en verlangens, de uitdrukking van het leven, voor zover we te maken hebben met de fysieke natuur. Net zoals het fysieke principe geconcentreerd is in de tanden, zo is het principe van de groei in de geslachtsrijpheid  geconcentreerd. Dan is het astraallijf, de omhulling van het Ik vrij, en het Ik werkt nu op het astraallijf in.
GA 55/106-109
Niet vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2982-2799

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (85)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.


BORIS

Evenals in ‘Het wereldje van Beer Ligthart‘ kom je ook in dit boek veel somberheid tegen. Het speelt zich af in de oorlog die Duitsland in Rusland voert.
Met alle daarbij behorende ellende: bombardementen, hongersnood, angst, dood.
Jaap ter Haar is in mijn ogen een rasverteller, dat vooral blijkt uit zijn ‘Geschiedenis van de lage landen’.
Hoofdpersoon Boris is nog alleen met zijn moeder – zijn vader is verdronken tijdens een transport over een bevroren meer – een onderneming om aan de klauwen van de Duitsers te ontkomen. Zijn moeder is ziek en moet eten. Boris gaat iedere dag naar de gaarkeuken om wat magere soep te bemachtigen. Dat onderweg naar huis, tijdens een bombardement, de ‘lekkere’ soep in de sneeuw terecht komt, benadrukt voor mij het zwarte scenario. De dood van zijn vriendinnetje Nadja is uiteraard ook geen lichtpunt.
Waar je nog wel moed uit kan putten is de hulp die de Duitse soldaten aan de verdwaalde Nadja en Boris geven. Even overstijgt hier naastenliefde de gruwelen van een oorlog. Dapper zegt Boris later tegen een Russische militair, wanneer de Duitsers gevangen zijn genomen en Boris een van hen herkent: ‘Hij is mijn vriend’. Dat raakte me wel. Roerend is ook hoe Boris zijn moeder toch nog kan verrassen met een maaltijd die hij kreeg aangeboden op een kinderbijeenkomst en die hij a.h.w. meesmokkelde naar huis.

Jaap ter Haar
Ill. Lidia Postma. De omslag is van J.Rabou

Boek

Het is in verschillende uitvoeringen verschenen
Deze bij Uitgeverij Wolters-Noordhoff
in de reeks ‘gouden lijsters’.

.

Leeftijd v.a. 14 jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2981-2798

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – het astraallijf [1-7-2/4-2]

.

HET ASTRAALLIJF 

en de woorden die het karakteriseren

Telkens zal Rudolf Steiner wanneer hij het astraallijf karakteriseert, zeggen dat het de drager is van:
-in willekeurige volgorde: hartstochten, driften, begeerten, lust, onlust, vreugde, verdriet, leed, smart.
Wanneer we daar 1 vertaling voor nemen, doen we de betekenis iets te kort, we belichten die dan te eenzijdig.
Ik heb daarom wat meer vertalingen gezocht voor:

Abneigung

Afkeer, antipathie, misnoegen, onwil, weerspannigheid, afschuw, afkeer, tegenzin, afkeuring

Freude

leukheid; genot; tevredenheid; opgewektheid; aardigheid; lust; plezier; blijheid; blijmoedigheid; vreugde; vreugd; blijdschap; vrolijkheid.

Instinkt

Natuurdrift, aandrift

Leid

Pijn, leed, kommer en kwel, misère

Leidenschaft:
Een heftig gevoel dat door het verstand maar moeilijk te sturen valt;
Zo wordt dit omschreven in een woordenboek. Steiner zal daar niet ‘verstand’ gebruiken, maar het Ik.

plezier; genoegen; lust; genot; pret; leut; jool; drift; wellust; instinct; aandrift; vuur; passie; overgave; gloed; hartstocht; geestdrift; vurigheid; hartstochtelijkheid; seksuele begeerte; de obsessie; bezetenheid

Lust

goesting; plezier; lol; pret; keet; gein; jolijt; leut; genoegen; lust; genot; jool;  aardigheid; content; tevredenheid; drift; wellust; begeerte; heftig verlangen;  vrolijkheid; blijheid; opgewektheid; blijmoedigheid; seksuele begeerte; animo ; zin, wens.

Neigung

Beheptheid, voorliefde, geneigdheid, hang, voorkeur*

Schmerz

Een zeer onaangenaam lichamelijk gevoel: pijn

Hier wordt bedoeld:

Gevoel als je verdrietig bent:

leed, smart, zielenpijn

Trieb

genot; lust; voortgedreven seksuele begeerte; instinct; drift; aandrift, neiging; het smachten; het verlangen; de lust; hevig verlangen; zucht; het wensen

Unlust

onlust; lusteloosheid; lauwheid; ongeanimeerdheid; onvrede; onbehagen; misnoegen; onmin; onwil; weerspannigheid.

Verlangen

wensen ; verlangen ; lustzucht naar; begerensmachtende begeerte; hunkering; wens

Wunsch

Verlangen, wens

*ook aard, aanleg, karakter, geaardheid, inborst

Als je al deze omschrijvingen ziet en je zou ze nog exacter hun plaats willen geven, dan is natuurlijk de indeling sympathie – antipathie heel verhelderend.
Immer:

(  ) Die Grundkräfte der Seele kann man Sympathie und Antipathie nennen.

( ) De fundamentele krachten van de ziel. Je kunt ze sympathie en antipathie noemen.
GA 9/44
Vertaald/81

En dat geldt ook voor de verschillende aspecten van de wil. Zie daarvoor Algemene menskunde voordracht 4
Ook zie je dat bepaalde gevoelens meer naar het lichamelijke gaan en daarmee dus meer bij de overgang van etherlijf naar gewaarwordingslijf gaan, waar ze gewaarwordingsziel worden.
Een uitgebreid artikel daarover: Algemene menskunde voordracht 1
Dat geldt ook weer voor de gevoelens die meer naar de onegoïstische kant gaan: liefde, medelijden, altruïsme e.d. of zoals Steiner het hier samenvat:

Das dritte Glied ist der astralische Leib, der Träger von Lust und Unlust,
Freude und Schmerz, Leidenschaft und Begierde, der niedrigsten Triebe sowie der höchsten Ideale.

Het derde deel is het astrale lijf, de drager van lust en onlust, vreugde en verdriet, passie en begeerte, de laagste driften alsook de hoogste idealen.
GA 56/196
Niet vertaald

Hier heb ik een begin gemaakt met een opsomming van allerlei ‘gevoelens’. De lijst is niet compleet (zo dat ooit al kan) en er kan altijd discussie ontstaan over de plaats waar zo’n gevoel zou kunnen staan:

De rechterrij is meer de sympathische, de linker de antipathische kant

Gevoelsleven dicht staand bij het fysieke beleven, dus waar het etherlijf een rol speelt: gewaarwordingsziel

lust                                           onlust
(wel)behagen                          onbehagen
genoegen                                ongenoegen
begeerte                                  afschuw
affectie                                    begeerte/afkeer
graagte                                    tegenzin
wellustig afkerig

Meer gemoedsziel

Wanneer in de rechterrij geen woord staat, heb ik dat nog niet als tegenstelling gevonden

vreugde                                   verdriet
blij                                            bedroefd
pret                                           smart
meegaand                              onwillig/dwars/weerspannig
sympathie                               antipathie
aantrekking                            afstoting/afkeer
genoegen                                misnoegen
tevreden                                  ontevreden
bezorgd                                    onbezorgd
welbevinden (euforie)         geprikkeld, boos, nerveus (dysforie)
graag mogen                         hekel aan
liefde                                       haat
aangedaan onaangedaan
aangenaam onaangenaam
aangeslagen
aangrijpend koud latend
aanhankelijk
aanbiddelijk afstotend
aandoenlijk
vreugdevol bedroevend
droevig blijmoedig
bedroefd blij
smartelijk vreugdevol
bewogen onbewogen
roerend
ontroerend
onverschillig betrokken

Meer verstandsziel

interesse                                 desinteresse
gelijkmatig                             onverschillig
beheerst                                  onbeheerst
voorzichtig                              roekeloos
bedachtzaam                          onnadenkend
goedkeurend                          afkeurend

aandachtig ongeïnteresseerd

nog te rubriceren

aandrang  aandrift aangedaan getroffen geroerd medelijden aangenaam aangeslagen grimmig dreigend aangrijpend aanhalig volhardend verleidelijk aanlokkelijk aanmatigend trots laatdunkend aanminnend aanminnelijk bekoorlijk lief bevallig

Help je mee aanvullen?  Bericht aan: vspedagogie  at  gmail.com

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2980-2797

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het Ik – GA 52

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. .

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.


En ook voor het astraallijf: GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55; GA 56GA 57GA 58GA 59


In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het Ik GA 52


Voordracht 12, Berlijn 7 maart 1904                                        


Theosophie und Somnambulismus


Blz. 257


Innerhalb dieser Körper, die ich Ihnen erwähnt habe, innerhalb des physischen, des Ätherdoppelkörpers und des Astralkörpers, befindet sich erst unser eigentliches Ich; das, was wir unser Selbst nennen, in dem wir uns bewußt werden, in dem wir sagen: wir sind es. Dieses Ich bedient sich der übrigen Glieder der menschlichen Wesenheit, die ich erwähnt habe, als seiner Werkzeuge.


Binnen deze drie lichamen die ik heb genoemd, binnen het fysieke lichaam, het ether(dubbel)lichaam en het astraallichaam bevindt zich ons eigenlijke Ik, dat wat we ons ‘zelf’ (Selbst) noemen, waarbinnen we ons bewust worden, waarbinnen we zeggen: wij zijn het. Dit Ik gebruikt de andere wezensdelen als zijn ‘instrumenten’.
GA 52/257
Niet vertaald.


Blz. 259


Nun, im gewöhnlichen Leben ist es unser Ich, unser helles, waches Tagesbewußtsein, welches von sich aus, gleichsam von innen der Außenwelt das entgegenstellt, was wir brauchen, um die Eindrücke herauszuheben und zu unseren Bewußtseinseindrücken zu machen. Denken Sie sich nun einmal dieses Bewußtsein ausgelöscht. Was ist dann noch in Tätigkeit? Dann ist noch in Tätigkeit der physische Körper, der Ätherdoppelkörper und der Astralleib. Dieser Astralleib kann nun zwar immer dasjenige, was er von außen empfängt, in Bilder umwandeln, nur wird es nicht in Vorstellungen umgewandelt, nur wird es nicht in das bewußte helle Tagesbewußtsein aufgenommen.


In het dagelijks leven is ons Ik, ons heldere, wakkere dagbewustzijn dat van zich uit, a.h.w. van binnenuit zich tegenover de buitenwereld plaatst, dat wat we nodig hebben om de indrukken eruit op te nemen en tot onze bewustzijnsindrukken te maken. Stel je eens voor dat het bewustzijn weg is. Wat is er dan nog actief? Dan werkt het fysieke lichaam nog en ook het ether- en astraallijf. Dit astraallijf kan nog steeds in beelden omzetten wat het vanuit de buitenwereld ontvangt, maar het wordt echter niet omgezet in voorstellingen, en het wordt niet opgenomen in het bewuste heldere dagbewustzijn.
GA 52/259
Niet vertaald.


Omdat Steiner in deze voordracht een bepaald ziektebeeld beschrijft waarbij het om ‘verwrongen’ beelden gaat, wordt uit de context duidelijk, dat dit gebeurt omdat het Ik niet goed aanwezig is. De beelden komen a.h.w. gezond binnen als het Ik bij het hele proces aanwezig is.      


Antroposofie: een inspiratie: over het Ik


Algemene menskunde: voordracht 1 – over het Ik


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen .


2979-2796

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 59

.

Uit de voordrachten
 GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59
nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit
GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59
over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

 In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.

Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

GA 59

Metamorphosen des Seelenlebens Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel Ervaringen van de ziel

Voordracht 10, Berlijn 10 januari 1910

Die Geisteswissenschaft und die Sprache

Geesteswetenschap en spraak

Blz. 13/14

Für die Geisteswissenschaft ist der Mensch im Grunde genommen ein sehr kompliziertes Wesen. So wie er vor uns steht, hat er zunächst seinen physischen Leib, der in sich dieselben Gesetze und Substantialitäten hat, die wir auch in der mineralischen Welt finden. Dann hat der Mensch für die Geisteswissenschaft als ein zweites, höheres Glied seiner Wesenheit den Ätherleib oder Lebensleib.

Sodann dasjenige Glied, das wir den Träger von Lust und Leid, Freude und Schmerz, von Trieb, Begierde und Leidenschaft nennen, den astralischen Leib, der für die Geisteswissenschaft ein ebenso reales, ja realeres Glied der Menschennatur ist als das, was man mit Augen sehen und mit Händen greifen kann.

Voor de geesteswetenschap is de mens in de grond van de zaak een zeer gecompliceerd wezen. Zoals hij voor ons staat, heeft hij in eerste instantie zijn  fysieke lichaam dat in zich dezelfde wetten en substanties heeft, die we ook in de minerale wereld vinden. Dan heeft de mens voor de geesteswetenschap nog een tweede, hoger wezensdeel: het etherlijf of levenslijf.

Dan is er dat wezensdeel dat we de drager van plezier en pijn, vreugde en smart, van drift, verlangen en hartstocht noemen, het astrale lijf, dat voor de spirituele wetenschap net zo reëel, zelfs reëler deel uitmaakt van de menselijke natuur dan wat je met de ogen kan zien en met je handen kan aanraken.
GA 59/13-14
Niet vertaald

Wanneer het Ik aan het astraallijf werkt: geestzelf

Blz. 21

Was wir in uns das Gefäß- oder Drüsensystem nennen, ist beim Menschen und auch beim Tier der äußere physische Ausdruck des Äther- oder Lebensleibes, das heißt, der Atherleib ist der Architekt oder Bildner von.dem, was wir das Drüsen- oder Gefäßsystem nennen.

Der astralische Leib ist wiederum der Bildner von dem, was wir das Nervensystem nennen. Daher haben wir nur dort ein Recht von einem Nervensystem zu sprechen, wo ein astralischer Leib in einem Wesen vorhanden ist.

Wat wij in ons het vaten- of kliersysteem noemen, is bij de mens en ook bij het dier de uiterlijke uitdrukking van het ether- of levenslijf, d.w.z. het etherlijf is de architect of de bouwer van wat wij het klier- of vatensysteem noemen.

Het astrale lijf is op zijn beurt de bouwer van wat wij het zenuwstelsel noemen. Daarom hebben we alleen het recht om te spreken van een zenuwstelsel waar een astraallijf in een wezen aanwezig is.
GA 59/21
Niet vertaald

Voordracht 11, Berlijn, 3. februari 1910

Lachen und Weinen

Lachen en huilen

Blz. 44/45

Wir haben gesehen, wie sich der Mensch uns darstellt, wenn wir ihn in seiner vollständigen Wesenheit betrachten, bestehend aus seinem physischen Leib, den er gemeinschaftlich hat mit der ganzen mineralischen Natur, aus seinem Äther- oder Lebensleib, den er gemeinschaftlich hat mit der ganzen pflanzlichen Natur;

weiter aus dem astralischen Leib, den er mit der tierischen Natur gemeinsam hat, und der der Träger ist von Lust und Leid, Freude und Schmerz, von Entsetzen und Verwunderung und auch von all den Ideen, welche täglich vom Aufwachen bis zum Einschlafen in unserem Seelenleben auf und ab fluten.

We hebben gezien hoe de mens zich aan ons vertoont, wanneer wij hem als volledig wezen bekijken, bestaand uit zijn fysieke lichaam, dat hij gemeenschappelijk heeft met de hele minerale wereld., uit een etherlijf- of levenslijf dat hij gemeenschappelijk heeft met de hele plantaardige natuur,

verder uit het astrale lijf, dat hij gemeen heeft met de dierlijke natuur, en dat de drager is van verlangen en lijden, vreugde en pijn, van afschuw en verwondering en ook van alle ideeën die dagelijks in ons zielenleven opborrelen en wegebben  vanuit het wakker worden tot aan het in slaap vallen.
GA 59/44-45
Niet vertaald

Voordracht 14, Berlijn, 3 maart 1910 

Krankheit und Heilung

  Ziekte en genezing

Blz. 136/137

Die(se) Gesamtnatur (des Menschen) haben wir schon öfter hier so dargestellt, daß sie sich zusammensetzt aus den realen vier Gliedern des menschlichen Wesens: erstens aus dem physischen Leib, den der Mensch gemeinschaftlich hat mit allen mineralischen Wesen seiner Umgebung, welche ihre Formen von den ihnen innewohnenden physischen und chemischen Kräften und Gesetzen haben. Das zweite Glied der menschlichen Wesenheit nannten wir immer den Äther- oder Lebensleib und konnten sagen, daß ihn der Mensch in der Art, wie wir von ihm sprechen, gemeinschaftlich hat mit allem Lebendigen, also mit den pflanzlichen und tierischen Wesenheiten seiner Umgebung.

Dann haben wir hingewiesen auf den astralische Leib, den der Mensch als drittes Glied seiner Wesenheit hat; er ist der Träger von Lust und Leid, Freude undm Schmerz, von allen vom Morgen bis zum Abend in uns auf und ab wogenden Empfindungen, Vorstellungen, Gedanken und so weiter. Diesen astralischen Leib hat der Mensch nur noch gemeinschaftlich mit der tierischen
Welt seiner Umgebung. 

De mens als totaliteit hebben we hier al vaker zo ten tonele gevoerd, dat die totaliteit bestaat uit vier werkelijke delen: ten eerste: het fysieke lichaam dat de mens gemeenschappelijk heeft met al het minerale uit zijn omgeving dat zijn vorm krijgt door de daarin werkende fysieke en chemische krachten en wetten. Het tweede wezensdeel noemen we steeds het ether- of levenslijf en we konden zeggen dat de mens zoals wij over hem spreken die gemeenschappelijk heeft met alles wat leeft, dus met de plantaardige en dierlijke wezens uit zijn omgeving.

Vervolgens wezen we op het astrale lijf, dat de mens als derde wezensdeel heeft; dat is de drager van plezier en verdriet, vreugde en pijn, van alle opwellende gewaarwordingen, ideeën, gedachten, enzovoort in ons van ’s ochtends tot ‘ s avonds. De mens heeft dit astrale lichaam alleen gemeen met de dierenwereld in zijn omgeving.
GA 59/136-137
Niet vertaald

Algemene menskunde: voordracht 1 –over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2978-2795

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (1/4)

.

Gerbert Grohmann:
.

OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER

deel 1

DIERVORM – MENSENGEEST

Het onderwijsvoorbeeld van inktvis, muis en mens

Blz. 39

Nu komen wij bij het eigenlijke dierkundeonderwijs. Rudolf Steiner leidde zijn besprekingen in door allereerst twee diertypen met elkaar te vergelijken, een lager dier, een ‘hoofddier’, zoals hij dat later noemde, namelijk de inktvis, en een hoger dier, een ‘rompdier’, namelijk muis, lam of paard – wat je wil. Rudolf Steiner koos in zijn voordracht het voorbeeld van de muis om het verder te verduidelijken. Daarna werden de beide diertypen tegenover de mens gezet, waarbij naar voren kwam dat de mens zogezegd het sluitstuk is van een reeks ‘ledematenwezens’, het enige wezen in de wereld bij wie de ledematen zelfstandig en geestelijke actief zijn, terwijl deze in andere gevallen alleen dienstbaar zijn aan het lichaam en tot werktuigen zijn verstard. Langs deze weg kan aan de eis tegemoet gekomen worden, bij het kind de indruk te wekken van de belangrijkheid van de mens binnen de hele wereldorde. Ook de door ons hierboven opgeworpen vraag wat er dan in het kind verknoeid wordt, wanneer de eerste menskunde niet vóór de dierkunde komt, wordt hier beantwoord. Ja, de hoofdgedachte ‘steeds wanneer we iets over de natuur beschrijven, de mens op de achtergrond te hebben staan’, werd door Rudolf Steiner zo consequent doorgevoerd, dat je je bijna genoodzaakt ziet te vragen of deze manier van lesgeven eigenlijk  nog wel biologie genoemd kan worden, of op z’n minst onder deze omstandigheden de dierkunde niet te kort wordt gedaan.

Rudolf Steiner is later zelfs een keer op deze vragen ingegaan, toen hij opmerkte, dat het uiteindelijk toch alleen maar om woorden zou gaan, wanneer je diervormen zonder de mens die moraliteit als aanleg heeft, alleen maar op zichzelf staand zou beschrijven, zoals dat nu eenmaal, dat is bekend, meestal in het dierkundeonderwijs gebeurt. Van een foutieve ‘vermenselijking’ kan bij Rudolf Steiner al helemaal geen sprake zijn, omdat hij nu juist niet doet wat zo vaak wordt gedaan, namelijk een dier neerzetten als een volledig mens, met ziel en al. In tegendeel! De mens wordt als synthese van het dierenrijk uitgelegd en pas daardoor als een universeel wezen gezien.

Blz. 40

Vóór het negende jaar, wanneer de natuur nog op een vertellende manier aan het kind wordt gegeven, of wanneer wezens uit de natuur in sprookjes, fabels en legenden een rol spelen, is de menselijke verpersoonlijking van de dieren zeker op z’n plaats.

Bij biologie heeft dat niets meer te zoeken, want de wolf in het sprookje is geen natuurwezen, ook niet waanneer hij lammeren opvreet. Ook de tijd waarin het er bij de verhalen hoofdzakelijk op aankomt dat ze ‘zinrijk’ zijn, is definitief voorbij.
De kinderziel die juist op het punt staat zelfstandiger te worden en ook tegenover de natuur komt te staan, wil verklaringen, die met het gevoel verwerkt kunnen worden. Nu moet echter, zoals we zo zullen zien, niet meteen aan het begin het hele dierenrijk ten tonele gevoerd worden. Volledig te willen zijn, is een totale misrekening. Ook het zoölogische systeem speelt nog geen enkele rol, want de overgang van mens naar dier wordt bepaald door een pedagogische vraag.
Echter, inktvis en muis zijn onderwijsvoorbeelden, die zich als geen andere, lenen voor de bedoelingen die Rudolf Steiner heeft. Zo zul je, je verstandig beperkend, eerst een paar dieren nemen waarmee voor dat ogenblik het wezenlijke getoond kan worden. Pas in latere dierkundeperioden, wanneer er in zekere zin al een bepaald fundament voor de innerlijke relatie van het kind met het dier is gelegd, moet de horizon verbreed worden naar andere typen dieren, zoals vogels, insecten, amfibieën en reptielen, enz.

Laten we eerst de tekst volgens van Rudolf Steiners voordracht! De inleidende woorden dat het kind zoveel mogelijk over de mens bijgebracht  moet worden, betekent vanzelfsprekend niet, dat we het kind volproppen met zoveel mogelijk kennis. Wat behandeld is, moet wel bij de leeftijd passen:

Zo moeten we, door van de vorm naar het begrip toe te werken, het kind zoveel mogelijk bijbrengen over de biologische kant van de mens. Dan pas gaan we over naar andere gebieden van de biologie, te beginnen bij de dieren. ( hier staan opmerkingen over het methodische).
Nu moet u bedenken hoe u te werk zult gaan. U moet proberen om de leerlingen eerst met de inktvis te laten kennismaken. U zult hun vertellen hoe hij in de zee leeft, u zult beschrijven hoe hij er uitziet door hem te laten zien of door hem te tekenen, kortom, u zult de leerlingen met de inktvis kennis laten maken. Ze zullen voe­len, wanneer u de inktvis beschrijft, dat u hem op een speciale manier beschrijft. Misschien zullen ze pas later, bijvoorbeeld wanneer u de muis beschrijft,

Blz. 41

merken hoe anders u die muis beschrijft dan de inktvis. U moet proberen dit kunstzinnig gevoel bij de kinderen te ontwikkelen, zodat ze door de verschillende manieren waarop u de inktvis en de muis beschrijft tegelijktijdig  een zeker gevoel voor het verschil tussen beide dieren krijgen. Bij de inktvis moet u aanduiden dat hij iets voelt van wat er in zijn omgeving aanwezig is. Bespeurt hij gevaar om hem heen, dan laat hij dadelijk zijn donkere vloeistof los, om zich in een wolk te hullen en het naderend gevaar van hemzelf af te leiden. Men kan het kind dan veel dingen vertellen waardoor het begrijpt dat een inktvis, die zich op een of andere manier tegen zijn vijanden beschermt of ook wanneer hij eet, altijd precies zo doet als een mens doet, wanneer die iets eet of naar iets kijkt. Wanneer de mens namelijk iets eet, heeft hij een smaak, een gevoel dat hij krijgt via zijn smaakorgaan, de tong. En het oog van de mens heeft voortdu­rend de behoefte om naar het licht te kijken: daardoor kan het oog het licht ontmoeten. Doordat de smaakorganen van de mens willen proeven, nemen ze op wat hij als voedsel nodig heeft. Beschrijft u de inktvis dus zo, dat het kind door de manier waarop u dat doet de sensi­tiviteit van de inktvis voelt, zijn fijne waarnemingsvermogen voor de dingen om hem heen. U zult voor uzelf een kunstzinnige beschrijving van de inktvis moeten uitwerken, zodat de kinderen door die kunstinnige beschrijving werkelijk iets vatten van het dier

De inktvis die hier, passend bij het pedagogische doel, natuurlijk alleen maar van een bepaalde kant uit geschetst moet worden, is zonder twijfel een hoogst interessante diervorm. Hij hoort tot de weekdieren, zoals slakken en mosselen (is dus geen vis) en komt in principe niet verder dan de verhoudingsgewijs nog primitieve innerlijke organisatie van zijn ontwikkelingstrap. Alles wat hij aan zich draagt, komt overeen met de organen van bijv. een slak en dat kan je zonder enige moeite van deze afleiden. Heel opvallend is daarentegen hoe de aanleg van dit bouwplan gespecialiseerd wordt en gebruikt. De inktvis komt daardoor in sommige opzichten uiterlijk heel dicht bij de zoogdieren, wat in het bijzonder wat de ogen en het zenuwcentrum in de kop betreft, dikwijls is beschreven.
Wij hebben hier een van de gevallen voor ons waarbij een lager diertype het model van een die veel hoger staat ‘uiterlijk ‘nabootst’, zonder daardoor tegelijkertijd ook de innerlijke vervolmakingsgraad te bereiken. Hoe dit bedoeld wordt, zal nog met twee voorbeelden duidelijk gemaakt worden.
Inktbissen zijn, wat de geschiedenis van de aarde betreft, zeer oude diertypen. Hun bloeitijd is al lang voorbij. Van

Blz. 42

de bijna 10.000 bekende soorten leven er nu nog ongeveer 500. Alle andere zijn uigestorven, die kennen we alleen als fossielen. Ook dit feit krijgt in samenhang met Rudolf Steiners aanwijzingen nog een zekere verdieping.
Rudolf Steiner wilde in zijn voordracht dat bij de beschrijving van de inktvis in de eerste dierkundelessen vooral de hooggevoeligheid, het waarnemingsvermogen voor wat er in de omgeving gebeurt, uitgewerkt zouden worden. In zoverre hiermee niet de gevoeligheid van het hele lichaam bedoeld wordt, komt natuurlijk in eerste instantie de al genoemde, opvallende gevormdheid van het oog van de inktvis in aanmerking, waarop nu eerst nader ingegaan zal worden. Weliswaar  komt wat nu aangegeven gaat worden, niet in aanmerking als onderwijsstof voor de kinderen, maar de volwassene, zoals zal blijken, krijgt een meer gedegen overzicht, als hij zich vertrouwd maakt met dergelijke details.
Om de verbazingwekkende volmaaktheid van het oog van de inktvis juist te kunnen zien, moet je het in samenhang zien met de gezichtsorganen van andere weekdieren. Veel mosselen hebben helemaal geen ogen, alleen een goed ontwikkelde tast- en smaakzin. Bij de slakken vinden we alle niveaus van het meest primitieve lichtzintuigorgaan dat denkbaar is, tot aan een graad van volmaaktheid die dan toch nog door het oog van de inktvis ook wat de grootte betreft, verre wordt overtroffen. Vanzelfsprekend maken dergelijke organen nog niet mogelijk dat er beelden worden gezien, op z’n hoogst dat er licht-donker wordt onderscheiden, verbonden met het eerste zien van richting en beweging. Hun ontwikkeling begint ermee dat de lichaamshuid op twee plaatsen op de kop zich terugtrekt tot een holte, een kommetje, een beker. De huidcellen die daar liggen zijn gevoelig voor licht en staan in verbinding met het zenuwsysteem (Voorfase van een netvlies). Bij hoger ontwikkelde soorten bevindt zich in de oogholte een doorzichtig afscheidingsorgaantje dat de plaats inneemt van een glasachtig lichaam, ja zelfs daar waar de oogholte naar buiten toe opent, kan een lensachtige substantie uitgescheiden worden. We zien dus dat de natuur al op een laag niveau gebruik maakt van dezelfde optische principes waarnaar ook ons oog gevormd is.

Denken we deze ontwikkeling nog verder door, dan komen we bij het oog van de inktvis. Uiterlijk lijkt het verbluffend op het oog van een zoogdier en dat van de mens. Het heeft een hoornvlies, zelfs oogleden, een lens die echter niet in- en uit kan zoomen, een iris met een pupil die kan veranderen (kattenblik),

Blz. 43

het heeft een glasachtig lichaam en ten slotte ook een laagje zichtcellen dat weliswaar in de plaats komt voor een netvlies, maar zoals we zullen zien, niet direct vergeleken mag worden met het netvlies van ons oog.

Het aanzienlijke verschil, ja de tegenstelling van het inktvissenoog met dat van de mens, wordt namelijk al gauw duidelijk wanneer we vragen waar de delen vandaan komen. Hoe het oog van een inktvis ontstaat, hebben we aangegeven. Het wordt helemaal gevormd door de huid aan de buitenkant; bij het menselijk oog daarentegen, hebben we met twee ontstaansoorzaken te maken die elkaars tegengestelde zijn. Bij wat van buitenaf werkt, komt nog een innerlijke component. Hoornvlies, iris en lens stammen zoals bij de inktvis af van de uiterlijke lichaamshuid, de oogkas die gevoelig is voor licht met het netvlies daarentegen, wordt vanuit de hersenen gevormd, dat zich tijdens de embryonale ontwikkeling aan beide kanten van de kop zich uitstrekt naar de lensvorming. Je kan dit deel van het oog volledig terecht als een naar buiten geschoven deel van de hersenen beschouwen, waarbij ook het bloedsysteem in de aderhuid gaat meedoen.

Meer dan dit principiële hoeft in het kader van wat we willen, niet gegeven te worden. Omdat het gaat om algemeen bekende feiten, kan indien nodig, ieder biologieboek daarop worden nageslagen. Waarop het hier aankomt, is het ontbreken van heel de innerlijke component, inclusief het vaatvlies.
Alles wat we aan hem vinden, tot en met de zichtcellen, stamt van de buitenhuid van het lichaam (ectoderm) en is daarom alleen maar met het voorste, puur optisch werkend deel van ons oog te vergelijken.

De totaal verschillende, zelfs aan elkaar tegengestelde afkomst van het netvlies bij het menselijk oog en de overeenkomstige zichtcellenlaag van het inktvissenoog zijn ook de zichtcellen in beide ogen tegenovergesteld georiënteerd. De staafjes en kegeltjes van ons netvlies wijzen naar binnen, de staafjes van het inktvissenoog daarentegen van binnen naar buiten. In deze puur anatomische tegenstelling hebben we een beeld voor wat voor totaal verschillende rol buitenwereld en binnenwereld al bij het proces van het zien van het betreffende wezen moet spelen. Bij de mens stoot de buitenwereld al in het proces van het zien op de eigen binnenwereld. De inktvis kan voor de buitenwereld die door het oog in hem binnendringt, niet zo’n barrière opwerpen. De grens tussen binnen en buiten is hier veel minder duidelijk zichtbaar en de ‘subtiele waarneming voor de dingen uit zijn omgeving’ kan direct door het hele organisme heendringen om daar spontane reacties op te roepen. Zo is het weliswaar bij alle lagere dieren, maar bij de inktvis

Blz. 44

kan je het als gevolg van de uitgesproken specialisering van het oog tot in de ontwikkelingsgeschiedenis volgen.
Ook door de absolute en relatieve grootte laat het oog van de inktvis binnen het dierenrijk iets buitengewoons zien. Het grootste oog dat we kennen, met een doorsnede van pakweg 40 cm is een inktvissenoog (diepzeesoorten) en het aandeel van het gewicht van het oog bedraagt bij inktvissen tot wel 20%.

Voor het onderwijs kan je je het beste aan een concreet voorbeeld houden, bijv. de gewone inktvis, de sepia, of de pijlinktvis die ook in de Noordzee voorkomt.
(‘U zult hun vertellen hoe hij in de zee leeft, u zult beschrijven hoe hij er uitziet door hem te laten zien of door hem te tekenen‘) GA 294/106 vert.
We moeten dus bijv. beschrijven hoe hij zwemt, achteruit, door het uitstoten van het ademwater uit de trechter van de mantelholte, vooruit met behulp van zijn randvinnen enz. Vanzelfsprekend zal de leerkracht die de inktvis moet gaan beschrijven van te voren aan de hand van een boek diepgaand over de bouw en de leefwijze geïnformeerd dienen te zijn. Het is niet nodig om hier te herhalen, wat in allerlei biologieboeken gepubliceerd en afgebeeld is.

Rudolf Steiner verlangde van zijn leraren dat ze in de klas kunstzinnige beschrijvingen zouden geven, maar het begrip kunstzinnig betekent hier geenszins dat je de biologische feiten zou mogen negeren om te kunnen fantaseren. Het verhaal moet vol leven zitten, niet alleen het hoofd aansprekend, maar ook het gevoel en de wil van de kinderen aansporen. Als er bijv. over de gevoeligheid van de inktvis wordt gesproken dan moet die in de gebaren, in de klank van de stem van de leraar tot leven komen. Rudolf Steiner heeft het over een ‘een speciale manier‘ van beschrijven. Geen ander dier kan zo beschreven worden als de inktvis en de kinderen zullen dit later ontdekken, wanneer het over de muis zal gaan.

Een dergelijke beschrijving van een dier van een heel bepaald standpunt uit, is iets heel anders dan een dierkundige monografie, ook niet wanneer deze zo meesterlijk uitgevoerd is als de schets van de inktvis in het boek van


[20] Poppelbaum
Tierwesenskunde‘ (niet vertaald).

Wanneer wetenschappelijke stof pedagogisch moet worden gebruik, moet alles omgewerkt worden. Hoe de inktvis zich voortplant, waar z’n darmen zitten, hoe hij z’n voedsel verteert, kan rustig achterwege blijven. Dat hij eieren legt en dat de jongen daar uit kruipen als al echte kleine inktvissen, kun je natuurlijk wel vertellen.

Rudolf Steiner stelde hier aan de leerkrachten aanzienlijke eisen

Blz. 45

en niemand zou er voor zichzelf als een vanzelfsprekendheid vanuit moeten gaan, dat hij daar zonder meer aan zou kunnen voldoen; ja ook een toekomstige lerarenopleiding zal er ook uit moeten bestaan de vaardigheden die hier gebruikt worden, door systematisch oefenen methodisch te ontwikkelen. Ook een nog zo’n volkomen beheersen van de lesstof maakt iemand nog niet tot leerkracht.

In de 7e voordracht roerde Rudolf Steiner nog niets aan van het bekende en dikwijls beschreven kleurenspel van de inktvis waarmee stemmingen, bijzondere vormen van agitatie uiterlijk al zichtbaar worden*.

*Op de hele rug overheerst een roze-gelige kleurschakering met witte vlekken in het midden; de tentakels zijn groenachtig, de kieuwen doorzichtig violet gekleurd. Dan komt er een kleine kreeft of een vis in zijn buurt. Ogenblikkelijk begint er een wonderbaarlijk kleurenspel: de rug blijft als verstard met onregelmatige opgezwollen plekken van kastanjebruinachtige kleur en koperroodachtige metaalglans. Van de kop en de vangarmen gaat een groenachtige glans uit. De oogbollen fonkelen met een roze-rood blauwig- groenige zilverglans. Beweeglijke kleurenwolken vliegen over de kant van de buik. Als een bliksemflits stort de inktvis zich op zijn prooi. De tentakels rollen uit en grijpen het slachtoffer. (Vrij naar Brehm door H. Rutz)

Hij sprak alleen over het uitstoten van de zwarte inktvloeistof bij gevaar. Hij gebruikte ook het woord ‘handelen’ voor het gedrag van de inktvis en trok de vergelijking van het proeven en zien bij de mens, twee zintuigfuncties dus, die in de kop gelokaliseerd zijn. Wat de inktvis buiten zich a.h.w. proevend waarneemt, ziet enz. gaat over in de ‘ledematen’. Hij doet meteen iets. Maar deze ‘ledematen’ zijn geen echte ledematen, het zijn alleen maar delen van de kop. De vangarmen waarop het dier zelfs kan lopen (vandaar voor de inktvis de naam koppotigen of cephalopoden), zijn weliswaar gespierd, maar zacht, soepel en zonder skelet. Ze staan rond de bek als lippen. Je zou ze ook met een tong kunnen vergelijken. De trechter van de mantelholte speelt de rol van een strottenhoofd waardoor de inktvis echter in plaats van te spreken, ademwater, inktvloeistof, de eindproducten van de stofwisseling, ja zelfs de geslachtsproducten uitstoot.

In tegenstelling tot latere openbare pedagogische voordrachtcursussen schijnt Rudolf Steiner in de 7e voordracht van ‘Opvoedkunst’ klaarblijkelijk minder op de uiterlijke vormvergelijkingen uitgekomen te zijn, toen hij de inktvis een hoofddier noemde, dan wel op het functioneren wat bij de mens het hoofd doet en dat zich hier over het hele lichaam uitstrekt. Dat dit werkelijk zo is, blijkt ook uit een andere opmerking van Rudolf Steiner in de 7e voordracht als hij over de inktvis zegt dat deze door zichzelf, door zijn lichaam 

Blz. 46

gevoelig is en daarom niet van de grote oorschelpen nodig heeft als de muis, ook niet zo’n spitse snuit.
Hoewel het later nodig kan zijn, nog eens op de inktvis terug te komen, gaan we nu eerst Rudolf Steiners opmerkingen volgend, naar de muis over. Rudolf Steiner zei het volgende:

Dan beschrijft u een muis. U beschrijft dat hij een spitse snuit heeft, dat het meest opvallende aan die spitse snuit de snorharen zijn en de knaagtanden die schuin naar voren staan. U beschrijft de onevenredig grote oren, dan de cilindervormige romp van de muis en het fijne, fluwelige haar. Vervolgens beschrijft u de ledematen: de kleine voorpoten, de iets grotere achterpoten, waarmee de muis goed kan springen. Ten slotte heeft de muis een met schubben bedekte staart, die weinig haar heeft. U wijst het kind erop dat een muis op zijn staart steunt als hij ergens tegenop klautert of iets met zijn voorpoten wil pakken. Hij kan zijn staart zo goed gebruiken omdat die van binnen gevoeliger is, wat te maken heeft met het feit dat de staart geen haar maar schubben heeft. Kortom, u probeert ook de muis zo te beschrijven dat u de vormen van de muis op een kunstzinnige manier opbouwt. En dat kunstzinnig opbouwen zult u bereiken wanneer u in het kind de voorstelling oproept dat een inktvis voor alles wat hij doet nog geen aangroeisels aan zijn lichaam nodig heeft, maar een muis wel. De inktvis is door zichzelf, door zijn lichaam gevoelig, daarom heeft hij niet zulke grote oorschelpen nodig als de muis. Hij staat zo in verbinding met zijn omgeving dat hij zijn voedsel in zich op kan nemen zonder de spitse snuit van de muis. Hij heeft ook niet zulke grote aangegroeide ledematen nodig als de muis, omdat hij zijn lichaam zelf kan gebruiken om zich in het water voort te bewegen. Vat u dat goed voor uzelf samen, wat u de kinderen kunstzinnig omkleed wilt bijbrengen, namelijk dat de inktvis zich minder manifesteert door zijn ledematenorganen, maar meer door zijn lichaam zelf.
Ik moet dit allemaal eerst voor u beschrijven, zodat u het later in uw lessen in een eigen vorm kunt gieten. Want u moet zich bewust zijn van wat u later meer onbewust een plaats geeft in het kunstzinnig vormgegeven onderwijs. Kortom, beschrijft u de muis zo dat u in het kind langzamerhand het gevoel oproept: een muis is er helemaal op gebouwd om met zijn ledematen

Blz. 47

zijn romp te dienen. Dan kunt u het kind ook duidelijk maken: in feite is ook het lam zo gebouwd, of het paard wanneer het in het wild leeft, dat de ledematen het leven van de romp kunnen dienen. U kunt bijvoorbeeld het volgende zeggen: ‘Kijk, een muis heeft van die hele spitse tanden. Die tanden moeten wel scherp en spits zijn, anders zou de muis niet aan de dingen kunnen knagen. En dat moet hij doen om te eten en om gaten te knagen waar hij in woont. Daardoor slijten zijn tanden natuurlijk steeds af. Maar bij een muis is het zo dat die tanden van binnenuit ook weer aangroeien, net als bij ons de nagels.’ Dus de tandsubstantie wordt bij de muis voortdurend van binnenuit aangevuld. U ziet heel goed aan de tanden, die toch ook organen zijn die aan de rest van het organisme vastzitten, dat ze zo gevormd zijn dat de romp van de muis kan leven.

We moeten er zorgvuldig op letten wat Rudolf Steiner hier deed, want hij omkaderde in zekere zin de opbouw van het lesuur: eerst werd de kop van de muis in zijn originaliteit geschetst. Je ziet hem voor je: de spitse snuit met de snorharen, net een slurfje, de grote oren, de knaagtanden. De leerkracht moet bij de beschrijving van de lichaamsdelen alles wat aan humor ter beschikking staat laten opkomen, mimiek, gebaren, alles zal mee moeten helpen. Dan is de cilindervormige romp aan de beurt, die zo fijntjes behaard is. Voor- en achterpootjes, dan nog de staart waarover Rudolf Steiner zei dat deze inwendig gevoeliger is en als steun gebruikt kan worden, omdat er geen haren, maar schubben op zitten. Dat noemde Rudolf Steiner allemaal om de vorm van de mens kunstzinnig op te bouwen, d.w.z. zo te beschrijven dat die voor het innerlijke oog van het kind als een vanzelfsprekende uitdrukking verschijnt voor het zielenwezen van dier.
Je moet wel een droge pier zijn als het je niet lukt je klas hier heel enthousiast voor te krijgen.
Hier kan natuurlijk het tekenen ook goed van pas komen. De kinderen van de vrijeschool beginnen al heel vroeg met het tekenen van vormen, geen vormen als dode kopieën van uiterlijke voorwerpen. Ze leren de beweging van een bijv. rechte of gebogen lijn, een spitse of een stompe hoek en deze niet alleen maar als strepen te zien, waarmee je dingen in de ruimte natuurgetrouw na kan tekenen, maar als kwalitatief zelfstandige vormelementen. Ook het lopen van vormen in de euritmieles draag er wezenlijk aan bij om het dynamische van een vorm van binnenuit te beleven. Als er dan een spitse snuit, een cilindervormige romp getekend wordt, dan zijn die vormen voor het kind al lang vertrouwd door de heel andere oefeningen. Hier hebben we een

Blz. 48

directe manier via het tekenen om het dierlijke gebaar te begrijpen. Hoe fundamenteel verschillend zulke dierentekeningen kunnen worden, hoeveel origineels er tevoorschijn kan komen en hoe karakteristiek het resultaat kan zijn, niet alleen voor de muis, maar ook voor het kind in kwestie, is altijd verbazingwekkend.

Maar laten we teruggaan naar ons eigenlijke onderwerp! Rudolf Steiner vergeleek de muis vervolgens met de inktvis die ons al bekend is. Volgens Rudolf Steiner heeft hij geen spitse snuit, snorharen, oren of zelfs ledematen nodig, omdat hij alles met het lichaam zelf regelt, niet alleen de voortbeweging, maar ook wat de zintuigen van de kop van de muis doen. We gaan dit nog eens goed samenvatten door middel van een kunstzinnige omlijsting.

Het gevoel bij het kind dat de ledematen van de muis alleen de romp dienen, d.w.z. dat ze slechts ogenschijnlijk onafhankelijk zijn, houdt op zich al een oordeel in. Natuurlijk mogen we het niet aan het begin stellen en het dan bewijzen. Het zou daar aan het einde van onze beschrijvingen moeten staan ​​als een vanzelfsprekend resultaat dat geen bewijs meer nodig heeft. De muis wordt door Rudolf Steiner geen rompdier genoemd omdat de romp het grootst is en de ledematen minder in het oog springen, maar omdat alles de romp dient. Zelfs een dier met poten zo lang en gracieus als een hert is geen ledematendier maar een rompdier! Om dezelfde reden zijn lam en paard rompdieren. Hun ledematen dienen ook de romp. Wanneer het wilde paard over de steppe raast, blijken zijn poten het meest perfecte voortbewegingsmiddel te zijn, perfect aangepast aan de leefomgeving van het dier.

De bijzondere ontwikkeling van de heup- en schoudergewrichten, de knieën en hielen, de middenvoet en de tenen, dit alles is niet toepasselijker te bedenken. En voorwaar, hier is het gepast om te spreken van doeleinden, want de poten van de rompdieren zijn werktuigen. Hoe perfect ze ook zijn, ze zijn ook eenzijdig. Het paard, dat met elk been maar op één vingernagel staat, heeft dit als het ware omgevormd tot een laars. Maar hij kan er niet veel meer mee dan wij als we onze flexibele voeten in stijve laarzen hebben gestoken. Het kan schrapen, schoppen, trappen, maar zelfs een steile helling veroorzaakt moeilijkheden. Een hoefdier kan ook niets beetpakken, zoals bv. de muis het kan, wiens voetjes beweeglijker zijn gebleven. Daarom dienen de ledematen op een heel andere manier als gereedschap voor de romp, bijvoorbeeld bij het klimmen of om voedsel vast te houden als de muis knabbelt. Zelfs het muizen-

Blz. 49

staartje is een stukje gereedschap; want het kan, zoals we zien, worden gebruikt als steun voor de romp.

Het is gemakkelijk om honderden voorbeelden te vinden. Het is slechts een kwestie van ze correct te gebruiken voor onze pedagogische taak. Wat Rudolf Steiner helemaal niet bedoelde, is een zoölogisch systeem. Er kunnen veel verschillende manieren zijn om het dierenrijk te verdelen in hoofdieren, romp- en ledematendieren, en elk van die systemen – we zullen er later nog een paar leren kennen – heeft zijn rechtvaardiging en kan wetenschappelijk verdedigbaar zijn. Maar met zulke vragen hoeven we ons hier niet bezig te houden. Ze spelen geen rol, want de eerste dierkundelessen hoeven niet gebaseerd te zijn op wetenschappelijke gezichtspunten, maar uitsluitend op pedagogische, die echter niet in tegenspraak mogen zijn met de wetenschappelijke feiten.

Rudolf Steiner noemt ook de tanden van de muis als werktuigen die de romp dienen, bv. door het voedsel in stukjes te bijten, of doordat ze knagend overal proberen binnen te komen.. Deze snijtanden zijn ware wonderen van de natuur. Omdat ze geen wortels hebben, kunnen ze altijd doorgroeien, dus de muis moet ervoor zorgen dat ze afslijten. Het kan een heel grappig moment in de klas zijn als de leraar vertelt over de nervositeit en rusteloosheid van de knaagdieren en hun angst dat hun tanden zelfs uit hun mond groeien, die dan misschien niet meer sluit. Dus de muizen worden gedwongen te knagen en knagen.

Het grootste deel van de snijtand bestaat uit het zachte dentine. Het is veel zachter dan glasachtig glazuur, de hardste substantie van het dierlijke en menselijk lichaam. Het glazuur is echter zeer ongelijk verdeeld over het oppervlak van de snijtand. Alleen de voorkant is bedekt met een dikke laag emaille. Als gevolg hiervan blijft de voorrand van de tand, die veel minder snel slijt, staan als een vlijmscherpe braam die voortdurend opnieuw wordt geslepen bij gebruik in plaats van afgestompt te worden.

Zo vinden we onze gedachten, al uitgesproken op pagina 31, dat ook de kop en in het bijzonder het gebit, het karakter kunnen aannemen van een zeer verstandig geconstrueerd stuk gereedschap, opnieuw bevestigd. Bij de octopus is de romp, samen met de ledematen als het ware opgeslokt door de kop, bij de muis, het lam of het paard zijn de kop en de ledematen op het niveau gekomen van dienende lichaamsdelen.

Blz. 50

Nu gaan we weer verder met de woorden van Rudolf Steiner:

Zo hebt u bij het kind een krachtige voorstelling, al is het elementair en gevoelsmatig, opgeroepen van de inktvis en van de bouw van de muis. En dan stapt u weer over op de bouw van de mens. U zegt: ‘Als we nu bij de mens opzoeken waar hij het meest op de inktvis lijkt, dan komen we vreemd genoeg bij het hoofd!’ Bij de mens lijkt het hoofd het meest op de inktvis. Het is een vooroordeel dat de mens juist zijn hoofd als zijn meest volmaakte deel beschouwt. Het hoofd zit wel heel gecompliceerd in elkaar, maar eigenlijk is het een omvorming van de inktvis, ik bedoel een omgevormd lager dier. Want het hoofd gedraagt zich ten opzichte van zijn omgeving precies zoals lagere dieren doen. En met zijn romp lijkt de mens het meest op de hogere dieren: op de muis, het lam en het paard. Alleen kan de inktvis zichzelf met zijn hoofd in leven houden, de mens niet. Zijn hoofd moet bovenop de romp zitten en erop rusten, het kan zich niet vrij bewegen, terwijl de inktvis, die in feite een en al hoofd is en verder niets, zich vrij in het water beweegt. U moet er eigenlijk naartoe werken dat de kinderen het gevoel krijgen: de lagere dieren zijn hoofden die zich vrij kunnen bewegen, alleen zijn het nog niet zulke volmaakte hoofden als het menselijk hoofd. En u moet er gevoel voor wekken dat de hogere dieren voornamelijk romp zijn en dat hun organen geraffineerd gevormd zijn door de natuur om voornamelijk de behoeften van de romp te bevredigen. Dat is bij de mens veel minder het geval; die is wat zijn romp betreft minder volmaakt gevormd dan de hogere dieren. 

‘Je moet de kinderen een idee laten krijgen van hoe de lagere dieren vrij bewegende koppen zijn, alleen niet zo perfect als het menselijk hoofd, en je moet de kinderen een gevoel laten krijgen dat de hogere dieren voornamelijk romp zijn.” Ook wordt gezegd dat de mens wat betreft zijn romp onvolmaakter ontwikkeld is dan die van de hogere dieren. Dit zijn waarschijnlijk de belangrijkste ideeën van onze bovenstaande voordracht. Ze bevatten aspecten die nog niet aan bod zijn gekomen. Een echt buitengewoon leerdoel wordt hier genoemd door Rudolf Steiner! Welke leraar, die misschien al zijn eerste lessen dierkunde had gestructureerd volgens de richtlijnen van Rudolf Steiner,

Blz. 51

zou durven opscheppen dat hij daadwerkelijk aan deze eisen voldoet! Het is voor ons gemakkelijk om favoriete onderwerpen in de klas aan de orde te stellen of verbanden te leggen die ons bekend zijn, maar hier wordt van ons verlangd iets in een kunstzinnige vorm te ontwikkelen, dat voor ons zelf bijna nog een raadsel is, ja, we moeten het zo kunstzinnig in het leerplan opnemen, dat de kinderen het niet alleen intellectueel uit het hoofd leren, maar dat ze er een gevoel voor krijgen, wat, zoals bekend, veel meer betekent. Werkelijk kunstzinnig gegeven onderwijs zal er onder bepaalde omstandigheden voor zorgen dat sommige van deze gevoelsoordelen, die Rudolf Steiner hier bedoelt en die we de kinderen zouden moeten meegeven, rustig in de dromende diepten van de kinderzielen blijven, in plaats van ze paraat te houden als weetjes voor een test. Later, als de ziel van het kind rijper wordt, zullen ze automatisch in het licht van het heldere bewustzijn komen en dan zullen ze voor het kind een zeker gesteld eigen bezit vormen. Hoe ver men hier kan gaan en wat niet te doen, moet aan het oordeel van de ervaren leerkracht worden overgelaten.

Hoe het begrip van een romp moet worden begrepen, hoeft niet opnieuw te worden gezegd. Het is minder voor de hand liggend welke dieren hier door Rudolf Steiner als hogere dieren worden bedoeld, maar we denken dat we er niet naast zitten, als we alle gewervelde dieren in deze zin als hogere dieren beschouwen, d.w.z. amfibieën, reptielen en warmbloedige dieren en in het bijzonder natuurlijk de zoogdieren. Maar ook de vogels moeten in deze categorie ingedeeld worden. Bovenal geldt voor hen dat de ledematen uitsluitend de romp dienen. De voorpoten worden hier omgevormd tot vleugels, die de romp door de lucht bewegen of, zoals bij de pinguïn, door het water. Ook hier krijgt de kop het karakter van een stuk gereedschap, zoals we eerder aan de hand van enkele karakteristieke voorbeelden hebben uitgelegd.

Dat de vogel een rompdier is, verdient extra aandacht, omdat Rudolf Steiner hem in andere voordrachten vanuit een heel andere invalshoek nadrukkelijk als hoofddier typeerde. Ja, Rudolf Steiner zei ronduit dat je de vogel helemaal niet kunt begrijpen, tenzij dat je deze  als een vrij bewegend hoofd beschouwt. Deze schijnbare tegenstrijdigheid zal elders duidelijker worden, maar voorlopig willen we ons tevreden stellen met het feit dat de vogel een rompdier is volgens de hier door Rudolf Steiner maatgevende indeling, maar dat je hem onder de rompdieren moet verstaan ​​als een hoofdtype.

Wat verder aan verduidelijkingen moeten worden toegevoegd, is de expliciete verwijzing dat de romp van de mens onvolmaakter

Blz. 52

is gevormd dan dat van de dieren. Laten we helemaal aan de buitenkant beginnen, namelijk bij de beharing! Door zijn vel is het dier warm en veilig voor zijn omgeving en de ontberingen, zoals bv. de weersinvloeden, zodat alleen al om deze reden een kunstmatige lichaamsbescherming overbodig is. Daarnaast komt de vacht ook uitstekend tegemoet aan de bijzondere levenswijze van het dier. Wanneer een dier in het water leeft zoals de zeehond, is zijn vel glad en biedt daardoor niet de minste weerstand bij het zwemmen. Bij de mol – om maar één voorbeeld te geven van talloze andere die mogelijk waren – staan ​​de zeer korte haartjes loodrecht op de huid. De vacht van de mol heeft geen vleug en stelt de drager daarom in staat ongehinderd heen en weer te kruipen in zijn gangen.
Het is echter niet eens nodig om veel van dergelijke bijzondere details te geven, want we hoeven alleen maar te beseffen hoe perfect de hele vorm van de romp overeenkomt met de speciale manier van leven van het dier. Denk bijvoorbeeld aan de souplesse van veel boomklimmende dieren, aan roofdieren, of volledig onder water levend (“gestroomlijnd”). Als we ook maar één moment bedenken wat voor hinder een herkauwer van zijn lichaam zou hebben bij een katachtige sprong, dan begrijpen we meteen hoe belangrijk hier de vorm van de romp zelf weer is.

Gemeten aan de eisen van de manier van leven van het dier in zijn natuurlijke omgeving, is elke dierenromp perfecter dan die van de mens. De mens is niet aangepast aan het leven in het wild, en daarom wordt herhaaldelijk gewezen op onze incompetentie in de strijd om het bestaan, en terecht. Ongetwijfeld kan de mens ook veel bereiken door zijn lichaam te trainen, vooral als hij hulpmiddelen voor zichzelf maakt, maar ondanks dit alles blijft zijn uitgesproken minder zijn ten opzichte van de natuurlijke en moeiteloze beheersing van het dier. De uitspraak van Goethe dat dieren door hun organen iets aanleren, geldt ook voor de romp. Bij het kind moet het gevoel worden gewekt dat de mens niet voorbestemd is om met dieren te wedijveren, want juist de onvolmaaktheid van het lichaam maakt aan de andere kant mogelijk dat de mens op mentaal en spiritueel gebied meer kan.
.

[19] Poppelbaum: Mens en dier

Zijn krachten zijn niet opgebruikt voor de verdere ontwikkeling van het lichaam.
Niemand hoeft echter bang te zijn dat dit het gevoel van innerlijke verwantschap met dieren en liefde voor dieren, dat zo levendig is op deze leeftijd bij kinderen, zal worden aangetast.

Blz. 53

Integendeel! Eerder zullen we op deze manier een gevoel van vriendschapsgevoelens
opwekken, alleen op een gezonde basis, die overeenkomt met “de belangrijke plaats van de mens in de hele wereldorde”. Zelfs als het niet bewust is, trekt het kind toch halfbewust zijn consequenties, en wat in de dromende ziel neergelegd is, blijft als levensstemming aanwezig. De jaren liggen nog niet zo lang achter ons dat de strijd om het bestaan, die zijn volledige rechtvaardiging vindt in de natuur, ook voor de mens maatgevend moest worden gemaakt. Met die onmiskenbare gevolgen.

Wat Rudolf Steiner in bovenstaand citaat over het menselijk hoofd zei, heeft een biologisch en een moreel-sociaal aspect. Laten we eerst even over dat laatste nadenken.

Het is echt geen ramp als de komende generatie wordt gestimuleerd om het hoofd niet zo eenzijdig te overwaarderen, zoals het feitelijk gebeurt, of laten we zeggen dat het waardevol of niet waardevol zijn van een persoon niet alleen af ​​te meten is aan wat hij intellectueel kan presteren. Deze verkeerde beoordeling kan ook een zeer nadelig effect hebben in het schoolleven (bijvoorbeeld bij de zogenaamde selectie van hoogbegaafde leerlingen). Dan worden de menselijke capaciteiten die niet alleen gebaseerd zijn op hoofdkennis noodzakelijkerwijs onderschat. Maar dit hangt natuurlijk ook in niet onbelangrijke mate samen met het feit dat de huidige wetenschap van de mens de zetel van al het geestelijke en zielenleven alleen in het hoofd plaatst. Denken en voelen, ja zelfs de wil, kortom de hele hogere mens is ondergebracht in het zenuwcentrum van het hoofd, de hersenen. Aan de andere kant, als een kind eenmaal heeft geleerd om naar zijn ledematen te kijken, en dus naar de menselijke ledematen, zoals Rudolf Steiner ernaar keek, is er veel minder gevaar om later een ander mens als minderwaardig te beschouwen, simpelweg omdat hij de wereld dient door zijn handwerk.

Als we nu komen tot de kwestie van Rudolf Steiners vergelijking van de lagere dieren met het menselijk hoofd, vinden we een aantal dingen die al zijn voorbereid door onze eerdere beschouwingen over de inktvis. De ongewervelde dieren moeten hier natuurlijk worden opgevat als lagere dieren. Hun samenhang met het hoofd verwijst geenszins naar louter overeenkomsten in de vorm, als we Rudolf Steiner niet verkeerd willen begrijpen. “Het menselijk hoofd verhoudt zich tot zijn omgeving op dezelfde manier als de lagere dieren zich verhouden tot hun omgeving”, staat in voordracht 7. Zo kunnen bv. de zintuigfuncties, die bij mensen door het hoofd worden uitgeoefend, bij

Blz. 54

lagere dieren min of meer uitgestrekt over het hele lichaam liggen. De regenworm “proeft” met zijn lichaamshuid. De perceptie van licht wordt ook via de huid overgebracht. De mogelijkheid tot een vergelijking met het hoofd lijkt qua vorm des te meer voor de hand te liggen naarmate het betreffende dier primitiever is. Onder de eencellige organismen vinden we vormen die, hoewel ze slechts uit een druppeltje slijm bestaan, een ‘schedelkapsel’ afscheiden, zo samengetrokken dat die kleine afmetingen alleen met de microscoop zijn te zien. Bijvoorbeeld de radiolaren van het zeeplankton, die vaak worden beschreven en geïllustreerd vanwege hun prachtige behuizing.

Over het algemeen is het buitenste skelet dat zo kenmerkend is voor de meeste lagere dieren (in tegenstelling tot het binnenste skelet van gewervelde dieren, vooral de ledematen) een duidelijke indicatie van de innerlijke relatie met het menselijk hoofd, omdat ons hoofd eigenlijk een buitenskelet heeft zoals slakken of mosselen, krabben, insecten, spinnen, enz. De bedekkende botten zijn het tegenovergestelde van de ondersteunende botten (pijpvormige botten) van de ledematen. In de inktvis zit alleen een restant van een buitenste skelet (de zogenaamde schulp). Het ligt verborgen onder de buitenhuid aan de achterkant van het dier.

Het mag niet onvermeld blijven dat Rudolf Steiners vergelijking van de lagere dieren met het mensenhoofd ook door de geesteswetenschappelijke kosmologie wordt bevestigd. Volgens deze leer is de mens het eerste, niet het laatste schepsel dat tijdens de evolutie van de wereld wordt gevormd. Het dierenrijk, het plantenrijk en ook het mineralenrijk stammen van hem af. Ze legden de verschillende stadia van de menselijke ontwikkeling vast en daalden zo af naar het natuurlijke bestaan. Men moet zich echter niet voorstellen dat de eerste aanleg van de mens veel lijkt op onze huidige bestaansvorm, als men niet wil vervallen in het groteske, het zelfs ronduit belachelijke. Hetzelfde geldt voor de bewering uit spiritueel onderzoek, die vooral onthullend is voor onze huidige samenhangen, dat het eerste gevormde lid van de menselijke organisatie niet de romp was, zoals men aanvankelijk zou kunnen aannemen, maar het hoofd. In termen van evolutionaire geschiedenis is het dus het oudste deel van de drieledige mens en dus ook het verst gevorderd. Die dieren, de »hoofddieren«, die als eerste door de mens op hun ontwikkelingsweg werden afgezonderd en achtergelaten, konden natuurlijk niet meer aan deze ontwikkeling deelnemen. Dit verklaart hun zeer verreikende verschil, ondanks al hun innerlijke verwantschap, maar ook hun simpelheid ten opzichte van het menselijk hoofd. Meer over de

Blz. 55

geesteswetenschappelijke kosmologie kan uitvoerig en ter zake gevonden worden in het boek van Rudolf Steiner,

[7] Rudolf Steiner: Die Geheimwissenschaft im Umrifi. 1925. GA 13.
Vertaald

en vele andere van zijn geschriften.
Steeds weer moet erop worden gewezen dat overwegingen zoals die zojuist zijn gemaakt en die later af en toe ingelast worden, niet moeten worden verward met de leerstof die in de lessen zelf aan bod komt. Dergelijke misverstanden kunnen alleen maar leiden tot ernstige misverstanden. Zoals de lezer met een beetje aandacht misschien zal hebben opgemerkt, zijn alle directe methodische aanwijzingen die Rudolf Steiner tot nu toe heeft gegeven, zo gehouden dat ze het bevattingsvermogen en de ervaringssfeer van het kind niet te boven gaan. Vrijescholen mogen in geen geval ideologische scholen zijn, willen ze de taak die hun door hun spirituele stichter is opgedragen werkelijk vervullen. Dit kan ons er echter niet van weerhouden om af en toe perspectieven te openen die laten zien wat er aan volwassenen wordt geleerd op een veel ruimere basis dan alleen de pedagogische achtergronden. De zekerheid en overtuigingskracht van de leerkracht kunnen hierdoor alleen maar toenemen.

De vergelijking van de lagere dieren met het mensenhoofd is geenszins een dogma. Als het eenmaal is ontdekt, kan het, zoals we hopen te hebben aangetoond, door feiten worden gestaafd; inderdaad, veel van onze voorstellingen hebben tot doel te bewijzen dat de juistheid ervan veel verder gaat dan wat er werkelijk in de klas gebeurt. Dat het fijn is om aan de eisen van Rudolf Steiner te voldoen als hij zegt dat we moeten proberen het kind een gevoel te geven hoe de lagere dieren vrij bewegende hoofden zijn, wordt niet beweerd. Sterker nog, er worden best hoge eisen gesteld aan de kunstzinnige vaardigheden van de leerkracht, die zich niet zomaar aan een leerboek kan houden.

Rudolf Steiner drukte het zo uit dat hij zei dat de lagere dieren gewoon niet zo ingewikkeld zijn als een mensenhoofd. Ze hebben bijvoorbeeld nog niet wat het grootste deel van het menselijk hoofd vormt, een brein. Men zou eerder van hen kunnen zeggen dat ze in veel opzichten nog steeds als een soort ‘brein’ of op zijn minst een voorstadium ervan kunnen worden beschouwd; want ze vervullen als geheel organisme soortgelijke functies als veel later en op een veel hoger niveau een brein op zich moet nemen. Bij mensen verwerken de hersenprocessen bv. de zintuiglijke indrukken. Het brengt de met ons denken overeenkomende impulsen over in het omgaan met de omgeving .De reacties op wat tussen de 

Blz. 56

lagere dieren en de buitenwereld gebeurt en op hen van invloed is, worden niet denkend verwerkt, misschien zelfs – afhankelijk van het ontwikkelingsstadium – niet eens dromend, maar met een bijna slapend bewustzijn, waaraan we de aanduiding bewustzijn, afgemeten aan onze eigen innerlijke ervaringen, niet meer willen toekennen.

In dit opzicht is de octopus al een zeer hoog ontwikkeld lager dier; zoals we hebben gezien, is hij al verder gevorderd dan het niveau van organisatie waartoe hij behoort, in die zin dat hij bepaalde organen hermodelleert naar het model van een hoger dier. Een van deze organen is zijn buitengewoon grote en verbazingwekkend hoog ontwikkelde zenuwcentrum in zijn kop, zijn “hersenen“. De emancipatie gaat hier zo ver, dat deze zelfs omhuld zijn door een harde kraakbeenschaal, vergelijkbaar met ons schedelkapsel. Gewoonlijk wordt de perfectie van dit zenuworgaan ermee geassocieerd, dat de octopus, in tegenstelling tot de meeste van zijn verwanten, een vrij zwemmend, snel bewegend dier is. Hij jaagt op snel zwemmende zeedieren en moet in een flits kunnen reageren, terwijl trage en langzaam bewegende dieren slecht ontwikkelde zenuwcentra vertonen. Aan de juistheid van dergelijke overwegingen kan natuurlijk niet worden getwijfeld, maar er kunnen andere, minder teleologische [zoeken naar het doel achter de dingen] verklaringen zijn.

Lagere dieren hebben nog geen centraal zenuwstelsel, bestaande uit de hersenen, het ruggenmerg en de ruggenmerg- (lichaams)zenuwen. Ze hebben daarvoor in de plaats een zogenaamd verspreid zenuwstelsel, dat dan al bij wormen en geleedpotigen de vorm aanneemt van het ritmisch gestructureerde touwladder-zenuwstelsel. In tegenstelling tot het centrale zenuwstelsel van hogere dieren ligt het aan de kant van de buik, daarom wordt het ook wel het ventrale koord genoemd. In termen van evolutionaire geschiedenis moeten we het beschouwen als een voorbereidend stadium van het sympathische of vegetatieve zenuwstelsel van hogere dieren en mensen. Een bijzonder onderdeel van de laatste, de zogenaamde sympathische stammen aan weerszijden van de wervelkolom, heeft nog steeds een onmiskenbare gelijkenis met het zenuwstelsel van een touwladder.

De functies van beide zenuwstelsels zijn natuurlijk in overeenstemming met hun anatomische verschillen fundamenteel anders. Terwijl het centrale zenuwstelsel eigenlijk alles van de ziel dient, wat zich min of meer in het bewustzijn afspeelt – bij de mens omvat het zelfs het denkorgaan – is de activiteit van het zenuwstelsel van de lagere dieren meer gericht op processen die meer aan het organische gebonden zijn. Met de aanduiding vegetatief of ook autonoom (viceraal) zenuwstelsel voor de mens komt deze bijzonderheid duidelijk genoeg tot uitdrukking.

Blz. 57

In zekere zin is het erg moeilijk om een ​​nauwkeurig beeld te krijgen van hoe fundamenteel verschillende mentale reacties in het ene geval en in het andere verlopen, omdat we alleen onze eigen ervaring kennen als een onmiddellijke ervaring en daarom ligt altijd het gevaar op de loer ons de zielen van de dieren voor te stellen zoals die van ons is.

We moeten speciaal benadrukken dat het zenuwstelsel van de hogere dieren niet door verdere ontwikkeling uit het zenuwstelsel van de lagere dieren is ontstaan. Het is iets nieuws, zoals je al kan zien aan het feit dat het oude bleef bestaan, nadat het nieuwe erbij was gekomen..

De hersenen van de inktvis groeiden vanuit het ventrale (buik) koord, niet uit het ruggenmerg. Het is eigenlijk gewoon een concentreren van de bv. bij wormen nog ritmisch over het hele lichaam verdeelde buikganglia-keten in de kop. Dus de inktvis imiteert een brein. In termen van evolutionaire geschiedenis gaat het bijna om het tegenovergestelde van een brein. Als je al van de inktvis zou willen zeggen dat hij observeert of zelfs ‘denkt’, dan moet je er rekening mee houden dat hij het doet op basis van een zenuworgaan dat niets te maken heeft met zelfs maar het meest primitieve brein van een gewerveld dier.

Nadat we de lezer door zoveel stoffelijke gebieden en gedachtegangen hebben geleid die schijnbaar ver afliggen van het pedagogische, moeten we nu wijzen op het punt waar het specifieke overgaat in het algemene: de octopus behoort tot de lagere dieren, ook al is hij een echte hoogontwikkelde variëteit van zijn groep. Zijn zenuwstelsel is ook het zenuwstelsel van een lager dier. Daarin vindt toch een soort ‘vooruitgrijpen’ plaats naar het centrale zenuwstelsel van de hogere dieren, en wel zo dat het deel wordt nagebootst dat bij alle hogere dieren en de mens, de hersenen zijn. Dus de octopus kan zijn hoofdnatuur niet ontkennen. Het is waar dat het als aanleg aanwezig is bij alle lagere dieren*, maar het is vooral duidelijk bij de inktvis omdat de inktvis een zeer geavanceerd, fysiek gecompliceerd dier is geworden.

Dit is waarschijnlijk ook de reden waarom Rudolf Steiner de inktvis koos als voorbeeld van een hoofddier voor zijn eerste dierkundeles, want het is eigenlijk allesbehalve vanzelfsprekend dat dierkunde na de eerste menskunde met een

*Insecten hebben nog andere zenuwcentra, vooral in het borstgedeelte. Ook hier heeft de borst het karakter van een hoofd, wat heel goed overeenkomt met het sterke uitwendige skelet.

Blz. 58

lager dier, dat in de zee leeft en dat bijna geen van de kinderen ooit heeft gezien, begint. Het lijkt verstandiger om uit te gaan van een huisdier of, als het dan een hoofddier moet zijn, misschien van een bekende vogel, zoals in veel leerboeken wordt gedaan. Deze methode zou gebaseerd zijn op de opvatting dat wat het kind elke dag om zich heen ziet, het dichtst bij hem staat, Als we die zouden volgen, dan deden we iets wezenlijk anders dan wat uit de gezichtspunten van de pedagogie van Rudolf Steiner naar voren komt. Waar het toe zou leiden de dieren te schetsen zonder de mens op de achtergrond te hebben, is al genoemd naar aanleiding van een opmerking van Rudolf Steiner hierover. We zullen het opnieuw zien als we terugkeren naar de tekst van voordracht 7.

Dan moet u in de kinderen een gevoel oproepen voor die delen van de mens waarin hij qua uiterlijke vorm het meest volmaakt is. Dat is hij in zijn ledematen. Bekijkt u de hogere dieren tot aan de apen, dan ziet u dat de voorste ledematen nog niet zoveel verschillen van de achterste en dat de vier ledematen er in hoofdzaak toe dienen om de romp te dragen, voort te bewegen enzovoort. Die prachtige differentiëring van de ledematen in voeten en handen, in benen en armen, treedt pas op bij de mens en drukt zich vooral uit in zijn opgerichte manier van lopen en zijn opgerichte houding, waarop zijn hele bouw van meet af aan is afgestemd. Geen enkele diersoort is wat betreft de differentiëring van de ledematen zo volmaakt gebouwd als de mens. 

Wat bedoelde Rudolf Steiner toen hij zei dat de menselijke ledematen beter georganiseerd zijn dan die van dieren? Hebben we hierboven niet geprobeerd het tegendeel te bewijzen, namelijk dat de ledematen van dieren veel perfectere werktuigen zijn dan de menselijke? Ze zijn door de natuur ingenieus ontworpen, wat bij de mens veel minder het geval is, zoals Rudolf Steiner het in een van onze eerdere citaten verwoordde. Er is echter geen tegenstrijdigheid tussen de twee interpretaties zodra men de context beschouwt waarin elk van hen voorkomt. De grotere perfectie van de menselijke ledematen is juist dat ze geen werktuigen zijn, en de dierlijke ledematen worden alleen verfijnd als werktuigen ‘om de behoeften van de romp te bevredigen’. Hier ligt de oplossing van het raadsel. De grotere graad van perfectie in de mens ligt in het onderscheid tussen handen en voeten. Wat voor waarde Rudolf Steiner eraan hechtte dat dit verschil door de kinderen zou worden ervaren en beleefd, blijkt uit alles wat hij later nog uitlegde. Rudolf Steiner eiste namelijk dat op dit punt 

Blz. 59

dat een echt aanschouwelijke beschrijving van de armen en handen in loop van de lessen opgenomen zou worden, niet de ledematen dus, maar alleen de handen en voeten. De kinderen moet erop worden gewezen dat de armen en handen het organisme niet hoeven te dragen en dat de handen voor fysieke doeleinden helemaal niet in contact komen met de aarde. Op deze manier moet je overgaan tot het wilsmatige en morele. Ideeën zoals de volgende moeten in het gevoel bij het kind worden opgeroepen, niet alleen theoretisch: “Je neemt bv. het krijtje in je hand om te schrijven. Je kunt het krijt alleen in je hand nemen omdat je hand is omgevormd om het werk te doen, zodat hij je lichaam niet meer hoeft te dragen.”

Het dier kan niet lui zijn met armen, omdat het eigenlijk helemaal geen armen heeft, en het is slechts een onnauwkeurige manier om over de aap te spreken als een vierhandige, omdat het, zoals Rudolf Steiner zei, eigenlijk armachtige benen heeft en voeten die het lichaam dienen door het te ondersteunen bij het klimmen. Bij mensen daarentegen zijn handen en armen bijna onbruikbaar geworden voor wat het lichaam betreft, tenzij hij er uit eigen vrije wil mee werkt, bijvoorbeeld om zichzelf te voeden. Armen en handen zijn het mooiste symbool van menselijke vrijheid. Een mooier symbool is er niet.

Vervolgens benadrukte Rudolf Steiner in zijn voordracht nogmaals dat het belangrijk is om bij het kind “sterke gevoelens en gevoelsvoorstellingen” op te roepen over het feit dat de lagere dieren een hoofdkarakter hebben, de hogere dieren een rompkarakter, terwijl alleen mensen een ledemaatkarakter hebben. Op dit punt toonde Rudolf Steiner opnieuw in een nieuw licht waarom dit moest gebeuren. Hij verlichtte perspectieven die alleen een echte kenner van de wereld en mensen kan hebben. Er werd gezegd dat het alleen tot trots bij mensen leidt als ze voortdurend wordt geleerd dat hun hoofd hen tot de meest perfecte wezens maakt. Bovendien weet de mens instinctief dat het hoofd die “luilak” is die zich door de wereld laat dragen door zijn romp en ledematen, en het kind neemt onwillekeurig sterk het idee op dat je perfect bent door luiheid, door gemakzucht, als je het hoofd voor hem als het hoogste beschouwt.

U maakt de mens diep van binnen moreler als u hem ver ontwikkeld noemt, niet om zijn luie hoofd, maar om zijn ijverige ledematen. Want de wezens die alleen maar hoofd zijn zoals de lagere dieren, die moeten hun hoofd zelf bewegen,

Blz. 60

en de wezens die hun ledematen alleen gebruiken in dienst van hun romp zoals de hogere dieren, zijn minder ver ontwikkeld dan de mens doordat hun ledem aten minder gebouwd zijn om in vrijheid gebruikt te worden, zoals bij de mens het geval is. Hun ledematen zijn al aan een bepaald doel gebonden, ze staan altijd in dienst van de romp. Bij de mens is één paar ledematen, de handen, volledig opgenomen in de sfeer van de menselijke vrijheid. Een gezonde instelling tegenover de wereld brengt u de mens alleen bij, wanneer u de voorstelling in hem oproept dat hij hoog ontwikkeld is door zijn ledematen en niet door zijn hoofd. Daarvoor is de vergelijkende beschrijving van de inktvis, de muis – of het lam of het paard – en de mens heel geschikt.

Zou er voor de leraar een bevredigender resultaat van zijn educatieve activiteit kunnen zijn dan dat hij zijn leerlingen voor het leven in hoge mate een innerlijke moraliteit meegeeft? Maar zulke ‘onwankelbare morele begrippen’ krijgen de mensen niet door ze intellectueel te onderwijzen, helemaal niet door een beroep te doen op het verstand, maar alleen door een beroep te doen op gevoel en wil, zoals Rudolf Steiner later uitlegde.

Moraliteit ontwikkelt u niet in kinderen door aan het verstand te appelleren, maar door aan gevoel en wil te appelleren. En dat doet u, wanneer u de gedachten en gevoelens van het kind erop richt dat het zelf pas volledig mens is wanneer het zijn handen gebruikt om te werken voor de wereld, dat het daardoor het hoogst ontwikkelde wezen is; dat doet u, wanneer u verband legt tussen het hoofd van de mens en de inktvis en tussen de romp van de mens en de muis of het schaap of het paard. Doordat het kind zich zo opgenomen voelt in het geheel van de natuur, neemt het ook gevoelens in zich op waardoor het zichzelf later in de ware zin van het woord als mens kan beleven. 

 U kunt dit hoogst belangrijke morele element in de ziel van het kind zaaien, als u het biologie-onderwijs zo probeert te geven dat het kind niet vermoedt dat u het moraliteit wilt bijbrengen. Maar u zult nooit een spoortje moraliteit in de kinderen leggen, als u biologie onafhankelijk van de mens behandelt en u de inktvis op zichzelf beschrijft, de muis, of het lam of het paard, en zelfs de mens als op zichzelf staande dingen beschrijft – omdat u daarmee louter woordverklaringen geeft. Want de mens kunt u alleen beschrijven als u hem samenstelt uit alle andere organismen en krachten van de natuur.

Blz. 61

In deze passage van zijn 7e voordracht, die een samenvatting op een hoger niveau lijkt, herinnert Rudolf Steiner ons nog eens aan het hoge pedagogische doel van de eerste dierkundelessen: alle lesstof, evenals de manier waarop we die gebruiken in de klas moet ondergeschikt zijn aan de standpunten die voortkomen uit de innerlijke eisen van de zich ontwikkelende mens; Rudolf Steiners vastbesloten mening was dat het veel belangrijker is om zich voortdurend af te vragen: wat doe ik eigenlijk met de kinderen wanneer ik op de een of andere manier lesgeef, dan nauwgezet te zijn in het nakomen van een of ander schema.

bordtekening in vrijeschoolklas

Over het 1e dier- en plantkundeonderwijsinhoud

Rudolf Steiner over: dierkunde

Dierkundealle artikelen
waaronder aparte artikelen over de inktvis

Vrijeschool in beeld4e klas dierkunde 

.

2977-2794

.

.

.

.