VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 2e klas (1)

 

tweedeklas

Spannend is het nog wel om na de zomervakantie terug op school te komen, nieuw is het niet meer.
Veel zelfverzekerder dan vorig jaar maken de kinderen hun entree in de klas: ze kennen hun juf en hun klasgenoten immers al lang. Ze weten precies hoe het toegaat, wat wel en wat niet mag. Ze praten over die eersteklassertjes alsof ze die tijd al jaren achter zich hebben.
Veel kinderen zijn in de laatste maanden enorm gegroeid: broeken op hoogwater en veel te korte mouwen getuigen hiervan. De grote, nieuwe tanden passen nog niet in hun gezichten: de juf heeft ineens een klas vol konijntjes.
Over klasgenootjes worden ongeremd en zonder pardon opmerkingen gemaakt: Juf, hij ruikt zo vies! De tweede klasser heeft het hart op de tong. Toch liggen sympathie en antipathie nog heel dicht bij elkaar: de ene dag heet iemand een stomme tut, de volgende dag mijn beste vriendinnetje. Partijtjes zijn op deze leeftijd een bron van ellende; het liefst nodigen ze de hele klas uit. De ouder moet helpen een  keuze te maken, maar desondanks bestaat het gevaar dat de jarige de samenstelling van de groep vriendjes steeds verandert, een spoor van verwarring en verdriet bij zijn klasgenootjes achterlatend.

Steeds meer komt het individuele van de kinderen naar voren. Het is moeilijk om ze iets anders te laten doen dan ze zelf in hun hoofd hebben. Ieder kind moet op zo’n manier aangesproken worden, dat het persoonlijk betrokken raakt. Ze zijn niet hetzelfde en hoeven dus ook niet altijd hetzelfde te doen. Ze mogen op deze leeftijd niet het gevoel krijgen dat ze te kort schieten. Uit zichzelf ervaren kinderen hun grenzen niet.

Uit de leerstof in de tweede klas
Het kind kan langer dan vorig jaar achter elkaar doorwerken. Een aan zichzelf gesteld doel wil het graag bereiken, het werk moet hélemaal af, of héél erg netjes zijn.

De vertelstof van dit jaar zijn fabel en legende.

De fabel waarin het dier met een van de menselijke karaktertrekken (ondeugend, sluw, gulzig) op scherpzinnige wijze wordt neergezet, houdt het kind als het ware een spiegel voor. Het dier loopt door zijn karaktertrek onveranderlijk tegen de lamp en leert er niet van.

De legende daarentegen handelt over mensen die tot inzicht zijn gekomen: de heilige was niet altijd heilig. Zowel uit de fabel als uit de legende spreekt een natuurlijke moraal, waarbij een oordeel over goed of kwaad onuitgesproken blijft.

Het rekenonderwijs heeft nog steeds een zeer levendig karakter: bij het klassikaal opzeggen van de tafels wordt hard geklapt en gestampt.[1] Ze leren even makkelijk de tafels van vermenigvuldiging als gedichtjes en versjes uit het hoofd.

De heemkunde in de tweede klas verschilt niet zoveel van die van de eerste. De leerkracht vertelt verhalen geïnspireerd door de jaargetijden, de elementen, en de planten en dieren.

Over het Nederlands in de tweede klas. Spreken
Ook in de tweede klas wordt het stijlgevoel vooral sprekend ontwikkeld. De toneelstukken en recitaties hebben nu vaak fabels of legenden als onderwerp.

De leraar probeert de kinderen verschillen in zinsmelodie te laten horen. Zo klinkt het als we iets vragen:

Zullen wij een wedstrijd houden, haasje?

Zo klinkt het als we blij zijn:

Ga jij maar vast, ik ga dansen in de maneschijn.

En zo als we gewoon iets vertellen:

kruipt de schildpad voort.

Schrijven
De kinderen leren nu de kleine drukletters schrijven [2] De leerkracht schrijft alleen op het bord wat de kinderen uit het hoofd kennen. Hij zorgt ervoor dat de kinderen bij het reciteren, bij het overschrijven van het bord [3] en bij het lezen altijd van een samenhangend geheel uitgaan.

Dus eerst leren de kinderen de tekst in zijn geheel kennen, dan richten zij de blik naar elke zin en tenslotte naar enkele woorden. Nooit [4] worden de letters los van elkaar geoefend, zij blijven in het woordverband.
Waarom nu altijd van het geheel uitgaan?

In de belevingswereld van het kind hangt alles met elkaar samen. Wanneer de kinderen de dingen als afzonderlijke onderdeeltjes leren, maken we de werkelijkheid doods. De bloem die het kind plukt, bekijkt het ook nog niet op de aparte blaadjes, stamper en meeldraden.
Een andere reden is dat de kinderen door van het geheel uit te gaan een goed gevoel van onderlinge saamhorigheid krijgen. Daar hebben zij behoefte aan.
De overschrijfoefeningen en de verhaaltjes en de beschrijvingen die de kinderen maken, komen in een periodeschrift. Zij schrijven met kleurpotlood en versieren hun werk met bijpassende tekeningen en met kleurige sierranden vol bloemen, sterren en andere feestelijkheden.

Lezen
Pas wanneer de kinderen zichzelf op zeer eenvoudige wijze schriftelijk kunnen uitdrukken, wordt met het eigenlijke leesonderwijs begonnen. Meestal leert de leerkracht hun een gedichtje en wanneer de kinderen dit uit het hoofd kennen, wordt het op het bord geschreven en gaan ze gezamenlijk „lezen”. Wanneer een van de kinderen het even niet volgen kan, pikt hij het altijd ergens verderop weer op.

De leerkracht geeft de spaarzame individuele leesbeurten nooit aan een kind dat het niet kan. Anders wordt het lezen voor sommigen iets om met angst tegemoet te zien.
Voor de kinderen die erg veel moeite hebben met schrijven en lezen, heeft de leerkracht een mooi spel in petto.
Hij tekent op de grond een hinkelblok met bijvoorbeeld vier letters. Dan spreekt hij een simpel woord uit dat gesprongen moet worden, bijvoorbeeld LA.
Daarna springt het kind op andere woorden:

schrijven klas 2  1

 

Op deze manier schrijft en leest de kleine springer met zijn hele lichaam en kan hij spelend leren, wat hij stil zittend in zijn stoeltje niet voor elkaar kreeg. Niet alleen de moeilijke lezer krijgt een beurt. Deze mag zichzelf nooit een uitzonderingsgeval voelen. Bovendien springen alle kinderen graag.

In elke klas zit wel een kind dat een bepaalde spreektaal spreekt. Omdat zo’n taal vaak veel levendiger is dan het Algemeen Beschaafd Nederlands, is het voor dit kind, maar ook voor zijn klasgenoten, een verrassing en een verrijking als de leerkracht erop ingaat.

Grammatica
In de tweede klas krijgen de kinderen geen grammatica. Wel maakt de leerkracht de kinderen opmerkzaam op het gebruik van de punten en de komma’s in de zin.

Fabels — een eerste taalperiode
Een tijd geleden heeft de lerares de fabel van de vos en de raaf verteld. De kinderen hebben genoten van de krassende stem van de raaf en de kruiperige vleierijen van de sluwe vos. Nu komt het verhaal bij het schrijven en lezen terug. Op het bord staat een versje:

Van de vos en de raaf.

De raaf stal een stuk kaas,
Maar ach, helaas,
Hij wordt door de vos verleid
En raakt zijn lekkers aan hem kwijt.

Een tekening toont het tweetal op en onder de boom in gesprek.

De lerares laat de kinderen het verhaal navertellen. Dat gaat heel rap.

Wie wil de vos spelen?

De vingers vliegen omhoog.

Wie de raaf?

Ook veel liefhebbers. Twee kinderen komen naar voren en even later zit de raaf gehurkt op de stoel van de juf en staat de vos een eindje van haar vandaan, klaar om toevallig langs te lopen. Terwijl de lerares de fabel opnieuw vertelt, spelen zij hun rol. Als het spel uit is, zegt de juf het vers regel voor regel voor, de kinderen herhalen het. Even later zitten zij over hun schrift gebogen. Zij maken een tekening van de vos en de raaf.

Wanneer de kinderen het gedichtje de derde dag samen met de juf hebben opgezegd, vraagt zij hun of zij het woord de vos kunnen vinden op het bord. Bijna alle kinderen kunnen het. Sommigen omdat zij slechts één letter herkennen. Op deze manier ontstaat er een wisselwerking: de lerares noemt woorden uit het versje en de kinderen wijzen het aan. Nadat zij de tekst samen gelezen hebben, schrijven de kinderen het over  [3] in hun schrift op de bladzijde naast de tekening.

Tussendoor verzint de lerares allerlei oefeningen die met deze tekst te maken hebben. Met welke letter begint KAAS? Verzin eens een ander woord dat met een K [5] begint. Verzin eens een woord waarin de AA van RAAF staat en een waarin de A van ach staat.  Welke woorden beginnen hetzelfde als RAAF?
RAAS, RAAK, RAAM, RAAP.
Welke woorden eindigen als STAL? BAL, VAL, KNAL.
Welke woorden kun je maken van de letters uit RAAKT?
KAR, RAT, TAK, KAART.
Ook rijgen de kinderen woordkettingen waarbij het ene woord begint met de laatste letter van het vorige:
RAAF – FLAP – POES – STER – ROND – DIK – KOEK.

De sprinkhaan. de mol en de rups heet het korte toneelstuk dat deze klas gaat instuderen.
Allereerst leest de lerares de tekst voor. Dan komen elke dag drie andere kinderen voor de klas, een sprinkhaan, een mol en een rups. Zij spelen wat de juf op hetzelfde moment voorleest. De rest van de klas neemt de rol van de verteller voor haar rekening. Al na enkele dagen spreken de kinderen hele stukken tekst met de juf mee. Het duurt niet lang of haar stem is niet meer nodig. De kinderen weten nu zelf wat zij moeten zeggen.

Op een schoolfeestje voeren zij hun toneelstuk op voor de andere klassen. Het koor staat in de vorm van een halve cirkel op het podium en vertelt over een rups die in de lente ijverig aan een jong berkenblad zit te knabbelen. Daar komt de sprinkhaan met zijn groene vleugels aangesprongen.

Wat ben je daar aan ’t  luieren,
En stap voor stap aan ’t kuieren,
Jij dikke, domme rups?
Wordt toch als ik zo hups!
Voel jij dan niet de zonneschijn,
En spring je niet, al ben je klein
Naar het stralend gouden licht?
Zie hoe ik spring, ‘k heb geen gewicht!

Dan komt  de mol met grote roze handen en een zwarte snuit uit de aarde gekropen. Zijn oogjes knipperen tegen het felle licht. Hij vindt het maar niks in de zon en raadt de rups aan met hem mee te gaan onder de grond. De rups gaat echter zijn gang. Na enkele weken vinden de mol en de sprinkhaan de rups zonder kop of poot bewegingloos aan een takje van de berkenboom hangen. Zij schudden meewarig het hoofd: Had ik het niet gezegd!

Dan vertelt de klas:

Maar beide zwegen plotseling,
Er kwam beweging in het ding!
Twee blaadjes kwamen aan het licht
En klapten open en weer dicht.
Toen nu het knopje open was,
Vloog daar iets kleurigs boven ’t gras.
Weg fladderde het bloempje fijn,
Gedragen door de zonneschijn!

Een vlinder met grote kleurige vleugels is uit de pop tevoorschijn gekomen. De mol die niets van vliegen wil weten, kruipt nu voorgoed onder de grond. De sprinkhaan gaat hoopvol net zoveel groene blaadjes eten als de rups, maar nooit zal hij vliegen zoals de vlinder het kan.

Lettergrepen — een tweede taalperiode
Het is vroeg in het voorjaar. Op alle tafeltjes staat een jampot waarin een boon begint te ontkiemen. Op het bord staat een bonenvers:

Boontje in je aardekluit
Spreid je tere blaadjes uit,
Sta steviger in je steel
Krijg je blaadjes, groen en geel.
Je worteltjes kronkelen in het rond
En kruipen overal door de grond.
Daarmee zuig jij het water op.
Ben je stevig genoeg om zelf te staan,
Dan is niet Boon, maar Boonstengel jouw naam.

De kinderen lezen dit versje samen voor. Dan doen zij er allerlei leesoefeningen mee. De lerares wijst kris-kras woorden aan en later ook regels, die hardop gelezen moeten worden. Zij noemt woorden waarmee de kinderen nieuwe zinnen bedenken en wanneer zij het gedichtje helemaal hebben overgeschreven, [3] krijgen zij ook enkele regels als dictee op.

Om de samenhang tussen de klank en de schrijfwijze van de korte en de lange klinkers aanschouwelijk te maken, vertelt de lerares over een paar kinderen die op een mooie dag in de nazomer met grote manden naar zo’n oude appelboomgaard gaan. Zij mogen van de boer de rijpe appels meenemen. De kinderen klimmen in de bomen en schudden aan de takken zodat de rijpe appels in het gras rollen. Deze appels zijn door het vele zonlicht dat ze gekregen hebben, glanzend rood. Er zijn zoveel rijpe appels, dat zij niet alles kunnen meenemen. Na enkele weken komen de kinderen terug in de boomgaard om er boompjeverwisselen te spelen. Ze zien dat de appels die zijn blijven liggen, bruine schaduwplekjes hebben gekregen. Ze zijn rot geworden.

Op het bord tekent de juf twee appels: een gave rode appel en een met bruine plekken. Zij schrijft er rood en rot onder en vertelt de oo van rood zo helder klinkt. Dat komt door het zonlicht. Deze oo noemt zij lichtklank. De o van rot klinkt dof, deze heeft in de schaduw van de appelboom gelegen: een schaduwklank. Nu bedenken de kinderen zelf in welke woorden de oo voorkomt. Dat vinden zij niet moeilijk: school, boot, sloop, knoop, roos…. De juf schrijft het rijtje onder de rode appel. Ook zoeken zij naar woorden schaduw-o: kop, bok, stok, ros, bos, kok…
Niet lang daarna staan de woordenrijtjes onder aanvoering van de twee getekende appels in de schriften. De volgende dag zoeken de kinderen naar woorden met aa en a, met ee en e, met uu en u. Soms schrijft de lerares enkele woordparen op die slechts een klinker verschillen:

veel     vel
steel    stel
veer    ver

Zij vervolgt dit rijtje door steeds een van de twee woorden op te schrijven, zodat de kinderen het corresponderende woord moeten noemen:

heel   —
teel    —
—     Nel
—     net
—     scheel

In plaats van lettergrepen  leren de kinderen dat ieder woord „kamers” heeft. Sommige woorden hebben maar een kamer, andere hebben er twee of meer. Wanneer je met het uitspreken van een woord in je handen klapt, kun je horen hoeveel kamers er zijn. Dat proberen de kinderen uit:

mus
me-rel
nach-te-gaal
een-den-vij-ver

De kamers zijn niet helemaal gesloten. Een lichtklank kan de vensters openen. Het is dan zo licht in de kamer dat maar één lichtklankletter hoeft binnen te blijven.

schrijven klas 2  2

Natuurlijk blijft het niet bij deze voorbeelden. Zoals steeds gaan de kinderen zelf op zoek naar gesloten en open kamers.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] met ‘hard’ zal moeten zijn bedoeld: ‘intensief, we zijn flink aan het werk’; wat het geluid betreft: er moet ook zachtjes worden geklapt of slechts met de vingers in de handpalm e.d. Wat het stampen betreft: vooral niet ruw (dat dringt zelfs te veel door tot in de maag). Ook hier uiteraard afwisseling in steviger en minder stevig. Wat bij klappen en stampen de basis moet vormen is een zekere elegantie: mooie gebaren die ritme en maat tot zijn recht laten komen.

[2] het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet overtuigend dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander! Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wél!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.
En dan nog dit: waarom zou je iets gaan aanleren wat later weer moet worden afgeleerd!

[3] het overschrijven van het bord is in zekere zin uit ‘nood’ ontstaan. In Steiners tijd was er simpelweg geen geld om veel leermiddelen te kopen en wat er bestond vond hij vaak te onkunstzinnig. Dat laatste geldt voor veel methoden nóg.
Overschrijven van het bord is voor veel (jonge) kinderen moeilijk: steeds weer fixeren op waar je was gebleven: hoofd op, hoofd neer. Het kost veel meer tijd dan wanneer het kind ‘het versje’ op papier voor of naast zich heeft. Maar ja, hoe bied je dat ‘kunstzinnig’ aan.
Er zijn in deze tijd in ieder geval veel meer mogelijkheden om tot mooie kopieën enz. te komen. Voor veel kinderen is het ‘overschrijven’ een crime en er wordt weinig mee geleerd. Er gaat (te) veel tijd in zitten. Voor sommige kinderen is het zelfs frustrerend. Terwille van de ‘economie’ -het vlotter en makkelijker verloop van leren lezen en schrijven: wees kritisch bij het ‘overschrijven’.

[4] dat lijkt me wat absoluut gesteld. Het analytische proces is wat het leven ons voorhoudt: van het geheel naar de delen; dan kun je ook bij de losse letters terechtkomen – dat is om te leren spellen toch nodig.

[5] hier zou ik niet de alfabetletter Kaaa noemen, maar de klank.
.

Pieter HA Witvliet

.

2e klas: Nederlandse taal (2)

2e klas schrijvenalle artikelen

2e klas: alle artikelen

Spraakoefeningen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas: alle artikelen

.

463-429

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – Nederlandse taal (1)

.

schrijven klas 1  12 1

Vol verwachting staan zo’n dertig kinderen aan de hand van hun vader of moeder bij de deur van het klaslokaal. Eindelijk is het dan zo ver: de eerste dag op de ‘grote school’ is aangebroken. Het is spannend en eng tegelijk. Veel kinderen torsen een enorme schooltas met zich mee, met daarin een broodtrommeltje, zo’n lekkende beker en vaak ook een knuffelbeest. Groot en gewichtig voelen ze zich, maar als het moment van afscheid nadert zouden sommige kinderen maar het liefst weer mee naar huis gaan.

De overgang van kleuterklas naar eerste klas betekent niet dat alle kinderen ook meteen kleuter af zijn. Velen zien er nog uit als kleuters en gedragen zich ook zo. Praten over een meningsverschil is er niet bij. Spontaan springen ze op uit hun bank en timmeren razendsnel hun buurman in elkaar.[1] De juf kan alleen nog constateren dat Bartje een bloedneus heeft. Veel ruzietjes ontstaan doordat het verschil tussen mijn en dijn nog geleerd moet worden. Zeker in het begin zijn ze meer met elkaar in de weer dan met de leerstof.

Pas in de loop van het jaar worden het echte schoolkinderen, alles wat rond was wordt langer en dunner: hun hals, armen en benen. Het gezichtje met de grote, dromerige ogen verandert nu ook: steeds vaker kijken twinkelende ogen je aan, plezier of kattenkwaad verradend. Zelfs de kinderen die zich aan het begin van het jaar bedeesd en afzijdig hielden, doen nu vrolijk mee: eventjes met een vinger de hard stromende kraan dichtdrukken. Triomfantelijk kijken ze om zich heen. Een mooie tandenrij zien we steeds minder, de meeste kinderen zijn al met wisselen begonnen.

Ze zijn op deze leeftijd beweeglijker dan ooit. Op de speelplaats klauteren ze vliegensvlug de rekken op en af, springen touwtje, huppelen en rennen; hun energie lijkt onuitputtelijk.
Toch kunnen ze nu ook geconcentreerd luisteren en in hun bank stil aan het werk zijn. Daarbij merken ze dat hen nog niet alles lukt: tijden zijn ze met een tekening bezig, die daarna als mislukt wordt afgedaan omdat het nergens op lijkt. Voortdurend wordt de hulp van de juf ingeroepen. Het kind verwacht veel van haar en beoordeelt haar niet naar wat zij weet, maar naar wat zij kan.

Uit de leerstof in de eerste klas
Het onderwijs moet in de eerste klas heel levendig zijn. Omdat de spanningsboog om te leren bij het kind nog klein is, neemt het vrije spel, zeker in het eerste half jaar [2], nog een belangrijke plaats in.

De sprookjes zijn de vertelstof van het eerste jaar, in het bijzonder de sprookjes van Grimm. Deze verhalen hebben veel afwisselende beelden. Het sprookje vertelt vol wijsheid en humor over goed en kwaad, over verleiding en vernedering en over de prins of prinses, het beeld voor de mens, die tenslotte zegevierend tevoorschijn komt.

De taak van de leerkracht is, alles op een zo beeldend mogelijke wijze te vertellen; zijn woorden moeten kleurig zijn en het kind aanspreken. Zo kan het kind zich een eigen voorstelling vormen van de dingen, op weg geholpen door de fantasie van zijn leerkracht. De fantasie van leerkracht en leerling samen zullen nog gedurende de gehele lagere schooltijd de brug vormen naar de realiteit en de abstracties die geleerd moeten worden. Hierbij dient, misschien ten overvloede, opgemerkt te worden dat van feitelijke abstracties in de eerste klas nog nauwelijks sprake is.

De kinderen doen veel bewegingsoefeningen, kringspelletjes en vingerspelletjes. Ze zingen en reciteren versjes en spelen toneel. Schilderen, tekenen en boetseren met bijenwas doen ze veel en graag.

Bij het rekenen doen ze ritmische teloefeningen en bij de tafels van vermenigvuldiging stampen en klappen ze.

Het kind wil zijn omgeving leren kennen, de heemkunde helpt daarbij. De leerkracht vertelt over de dieren, de planten, de zeeën en rivieren, de lucht, de wei, het bos, de hemel, de zon, de maan en de sterren. Al deze natuurelementen dragen een eigen karakter: een heuvel is vriendelijker dan een grote grillige berg. De leerkracht beschrijft de natuur zo, dat het kind zich veilig en geborgen weet. Voor de kinderen is het de normaalste zaak van de wereld dat alles praat. De wind kan met de vogels praten, het bloempje met het lieveheersbeestje, de maan met de sterren, ja zelfs de brug spreekt met het water dat onder hem doorstroomt.

Over het Nederlands in de eerste klas
Op de vrijeschool beoefenen we de taal voornamelijk mondeling. Vooral in de drie laagste klassen en helemaal in de eerste klas betekent taal: spreken en luisteren. De leerkracht gebruikt geen boekjes. Daarom is het gesprek tussen hem en de kinderen onderling de basis van de les. Dagelijks luisteren de kinderen naar sprookjes. Later mogen zij proberen het verhaal na te vertellen. Wie dat nog niet goed durft, let goed op of de ander niets vergeet en vult aan waar hij dat nodig vindt. Vaak maakt de leerkracht een gedichtje over een pas verteld sprookje. Hij probeert ervoor te zorgen dat zo’n versje echt klinkt. Het ritme en de klanken kunnen het gedicht zo leuk maken, dat de kinderen het steeds weer met enthousiaste stemmetjes reciteren, tenminste als de leerkracht het met verve brengt. Vanzelfsprekend hoeven de recitaties niet alleen over de sprookjes te gaan, de seizoenen, de natuur en de feestdagen geven genoeg mogelijkheden tot dichten. Als zelf dichten niet lukt, dan worden bestaande gedichten gebruikt.

Het klassikale reciteren geeft de kinderen een gevoel van saamhorigheid. De leraar tracht de gedichtjes zó te kiezen, dat ze voor ieder kind verrassend zijn, of  het nu een grote of een kleine woordenschat heeft. Ongemerkt nemen ze een rijkdom aan woorden en mooie klanken in zich op. Ook kunnen de kinderen op het ritme van de gedichtjes lopen. Op deze manier ondersteunt de beweging het spreken.

De oudste volkeren die schriftelijk iets wilden vastleggen, hadden nog niet het alfabet tot hun beschikking; dit is pas heel langzaam uit een beeldschrift ontstaan. Wanneer we de kinderen meteen de abstracte letters leren, geven we ze slechts de uitgeklede versie van de oorspronkelijke beeldvormen. Hoe de mensen door de eeuwen heen vanuit het leven zelf het schrift ontwikkelden, is dan voor de kinderen geheel verloren gegaan.

In de eerste klas probeert de leerkracht ook de gang van beeld naar letter met de kinderen te maken. Iedere leraar kiest daarvoor zijn eigen beelden, soms heel voor de hand liggende en veel gebruikte voorstellingen:
schrijven klas 1   1

schrijven klas 2   1

Soms minder voor de hand liggende, bijvoorbeeld in een sprookje:

schrijven klas 1  3   1

De leerkracht introduceert een letter vaak door middel van een verhaal, maar hij vertelt de kinderen wel van te voren dat ze er iets van gaan leren. Doet hij dit niet, dan voelen de kinderen zich na afloop gefopt. Bovendien spreekt de leerkracht hiermee de wil om te leren aan. Vaak schilderen de kinderen de voorstelling, de zwaan in het water, de vogel in de lucht, eerst met waterverf op een nat blad. Door dit nat-op-nat schilderen komen de vormen niet absoluut en stilstaand op het papier. De kleuren vloeien min of eerder meer in elkaar over, zodat er ruimte voor de fantasie overblijft.

Daarna doen ze het nog eens over met bijenwaskrijt en kleurpotlood. Langzamerhand wordt het beeld afgepeld en tenslotte komt de letter te voorschijn. Zo krijgt elke letter haar eigen geschiedenis mee. Bij veel kinderen behoudt de kale letter nog een tijdje een fantasie-element. Zo krijgt de ene K nog een kroontje en de andere een zwaard of een schoentje. Het blijkt dat de kinderen bij deze manier van leren, waarbij de fantasie zo’n grote rol speelt, hun kinderlijkheid niet vroegtijdig behoeven in te leveren.

Voor iedere medeklinker is wel een beeld te vinden. Toch leren de kinderen enkele letters zonder beeld, omdat zij toch ook in staat moeten zijn om de sprong in één keer te maken.

De klinkers worden niet samen met de medeklinkers geleerd. Zij bezitten een heel andere kwaliteit. Waar de medeklinkers de uiterlijke vorm in de spraak bepalen, zijn de klinkers juist directe gevoelsuitingen. Wanneer we iets uit de grond van ons hart zeggen, doet ons hele lichaam daarbij mee. Vooral kinderen hebben dat nog sterk. Ah, roepen zij bewonderend als zij iets moois zien en spreiden daarbij de armen ernaar uit. De klinkers worden vanuit de gebaren aangeleerd.

In de eerste klas leren de kinderen eerst schrijven, dan pas lezen. Zij lezen alleen hetgeen zij zelf geschreven hebben. De leerkracht eist nog niets van ze. Hij stimuleert de kinderen om zelf verhaaltjes te schrijven en is tevreden als zij de geleerde letters kunnen hanteren. Hij verbetert alleen de vorm van de letters; het gaat nog niet om foutloos spellen.

Ook aan het lezen wordt in de eerste klas nog geen eisen gesteld. Het komt wel eens voor dat de kinderen briefjes schrijven die hun moeders wel kunnen lezen, maar zij zelf niet meer.

Letters — een eerste taalperiode
Om de overgang van de kleuterklas naar de eerste klas voor de kinderen niet al te abrupt te maken, begint de leraar elke ochtend met een half uur kringspelen.

Een heel belangrijke inleiding op het schrijven is vormtekenen. De klas begint met het oefenen van de elementaire vormen: de rechte en de ronde lijn.

Het is een hele prestatie voor de kleintjes deze figuren mooi te krijgen. Vol bewondering kijken zij hoe knap de leraar de rechte en de kromme [3] op het bord voordoet. Een keer [4] mogen alle kinderen het op het bord nadoen. Dan oefenen zij in de lucht: met hun rechterhand, met hun linkerhand, met het puntje van hun neus zo groot mogelijk in de lucht en zelfs met hun grote teen over de vloer.
Als de vorm tenslotte overal zit, wordt deze eindelijk met een waskrijtblokje [5] op papier gezet. IJverig buigen de kinderen zich over hun tekenblad en tekenen de rechte en de kromme lijn. Gedurende deze periode zullen zij allerlei varianten oefenen:

schrijven klas 1  4   1

Als alle tekenspullen zijn opgeruimd, vertelt de leraar een verhaal over een vogel. Sommige kinderen hebben het hoofd op de armen op tafel gelegd en dromen weg naar de wijde verten waarover de meester vertelt.

De volgende dag vinden zij een kleurige vogel op het bord, die de kinderen

schrijven klas 1  5   1

natekenen. Iedere dag wordt uit dit beeld de vorm van de letter V [6] gehaald. De eerste letter kunnen zij nu schrijven.

Met de vogelletter kun je veel dingen doen: de kinderen zoeken uit wiens naam met een V begint. Zij doen pantomimespelletjes waarbij zij woorden die met V beginnen moeten raden: Wat is dit? Er wordt gewezen op vingers en voeten. Wat doe ik?  Vegen, vastbinden, vallen, vliegen.

De kinderen leren een versje:

Wieg, vlugge vogel,
vlieg je verre vlucht
en de vlugge vogel vloog
zijn verre vlucht.

Zij schilderen hierbij met geel een vogel in de blauwe lucht. Wanneer de schilderingen droog zijn, worden ze bekeken en daarna op de gang gehangen, zodat iedereen ze kan zien.

In een zaal waar de kinderen niet door stoelen en tafels gehinderd worden, vliegen zij klapwiekend als vogels op de woorden van het versje door de zaal. De vogelkinderen mogen elkaar niet raken, maar dat blijkt een kunst die alleen echte vogels verstaan.

Het wordt tijd om met de tweede letter te beginnen. De meester vertelt over een bruine beer met een bol buikje die in de boom klimt om van de bijenhoning te snoepen. Een boze bij steekt hem op zijn bolletje zodat er een dikke bult op groeit. De kinderen leven helemaal mee. Een enkeling betast voorzichtig zijn eigen hoofd.

De volgende dag staat er weer een tekening op het bord. Gaan we die bruine beer ook tekenen?

schrijven klas 1  6   1

Enkele dagen later komen een paar kinderen na het speelkwartier glunderend het lokaal binnen met het nieuws dat zij de Berenletter gezien hebben op de brandslang in de gang.

De meester vertelt nog eens over de waternimf uit het sprookje. Al gauw is de hele klas in deinend water veranderd. De armen golven door de lucht. Dan tekenen de kinderen met waskrijt de gouden haren van de nimf op het water.

schrijven klas 1  7   1

Naar aanleiding van het sprookje De zes zwanen schilderen de kinderen met blauw het water en vegen daarin met een natte spons zo, dat een witte zwaan ontstaat.
schrijven klas 1  8   1

Telkens als de kinderen een nieuwe letter geleerd hebben, zoeken zij uit in welke naam deze letter te vinden is. Veel kinderen proberen uit zichzelf op straat de pas geleerde letters te vinden.

Wanneer de meester de kinderen vraagt waar ze de mmm voelen trillen, wijzen ze op hun mond. Vanuit de vorm van de mond leren ze de letter M. Bij het gebruikelijke zoeken naar namen met een M, verwisselen sommige kinderen de M met de N. Ze moeten nu allemaal nnn zeggen en ze voelen dat niet de mond, maar neus trilt. En zie…….de Neuzenletter is ook gevonden.
De meester introduceert de D met het verhaal van Joris en de draak.
Vandaaruit gaat hij naar de T omdat deze in klank veel op de D lijkt. Bij de T voelen de kinderen de tong tegen de tanden komen. De Tandenletter! roepen zij. Uit de vorm van de voortanden ontstaat de T. De kinderen zoeken naar T- en D-woorden die veel op elkaar lijken of met elkaar te maken hebben. Zo ontstaan er rijtjes:

DAS      –    TAS                  DOL   –    TOL
DAK      –   TAK                 DOM  –   TOM
DAM       –   TAM                    DOR   –   TOR
DRIE      –   TWEE                  DOP   –   TOP

Als de kinderen deze acht nieuwe letters kennen, wordt er veel mee geoefend. Ze bedenken zelf woorden die beginnen of eindigen met zo’n letter of de meester schrijft nu en dan een woord of een zinnetje waarin de bekende letters in een mooie kleur worden geschreven, bijvoorbeeld in KASTANJEBOOM.
Zo  raken de kinderen ook vertrouwd met de onbekende letters. Ik heb een woord geschreven! klinkt het opgetogen wanneer ze voor het eerst een woord van het bord hebben overgeschreven.

De ‘S’ en de ‘G’ een korte tweede taalperiode
Nadat eerst de vertrouwde letters zijn herhaald, leren de kinderen nieuwe.
In een tekenschrift tekenen zij bladzijdegroot de beelden en daaromheen schrijven ze enkele malen de letter die erbij hoort. Onder de nieuwe letters van deze periode is de S:

Sssss, sist de slang.
Ik sluip en slinger
door het slanke gras. [8]

Met een touw maakt de meester slingerende bewegingen over de vloer. Er hangt een opgewonden stemming als de kinderen proberen er overheen te springen zonder het touw aan te raken.
De G leren de kinderen uit een grot van kristal. Hiervoor heeft de meester een stuk amethist mee naar school genomen. Hij vertelt een verhaal over een jongen en een meisje die zich tussen de rotsen willen verbergen en daarbij wonderlijke wijze in een kristalgrot terecht komen. Het lokaal wordt verduisterd. Twee kinderen bewegen kaarsen langs de paarse en lila kristallen. Ademloos kijkt de klas toe.
De kinderen staan in een kring. Zij moeten allemaal een woord in gedachten houden dat met een G begint. Wie de bal toegeworpen krijgt, zegt zijn woord en gooit de bal terug naar de meester.

De klinkers — een derde taalperiode
In de derde periode [9] leren de kinderen de klinkers. De meester heeft deze periode speciaal voor de adventstijd bewaard.
Op de eerste maandag van de advent voeren de leraren traditiegetrouw het Paradijsspel op voor alle leerlingen van de school. In dit spel wordt de schepping van de eerste mensen uitgebeeld, de verwondering van Adam en Eva in het Paradijs, de zondeval, de verjaging uit het Paradijs en de belofte van de engel Gabriël de mens op aarde terzijde te staan. Vooral het moment van de verjaging maakt altijd grote indruk op de jongere kinderen.

De meester van de eerste klas timmerde een zwaard en schilderde er vlammen op. Hij bouwde met de kinderen een groot podium van de tafels en op een van de tafels een extra verhoging met een stoel. Wanneer de klas het moment van de verjaging naspeelt, staat een zesjarige engel hoog boven de klas, heft fier zijn vlammenzwaard, zodat dit bijna het plafond raakt en spreekt de legendarische woorden:,, Gaat heen tot ik u weer binnen laat”.

De kinderen spelen om de beurt deze rol en spreken allemaal de tekst zo krachtig mogelijk uit. Ze willen dit gedeelte zo graag spelen, dat zij weer in de rij gaan staan in de hoop nog eens aan de beurt te komen.

In de gestrekte houding van de engel voelen de kinderen de I. Als zij daarna deze letter schrijven, kennen ze er een gevoelswaarde aan toe.

Op het bord staat een tekening van een brug. De pijlers zijn opgebouwd uit de al bekende medeklinkers. In één van de bogen, waardoor het water stroomt, staat de letter I.

schrijven klas 1  9  1

De overige klinkers zullen, zodra ze geleerd worden, ook een plaatsje onder de bogen vinden. De kinderen noemen de klinkers stroomletters. Zonder stroomletters klinkt de taal niet, dat wordt duidelijk als ze de namen van de klas zonder de klinkers uitspreken: Rtsk, Chrltt, Ixndr. Nu houdt de meester een hoepel vlak boven de grond. Ritske komt naar voren en kijkt hem lachend aan. Dan zegt de meester langzaam zijn naam en op het moment waarop Ritske de stroomletter hoort, duikelt hij parmantig door de hoepel.

Kerstmis nadert. In de klas spelen de kinderen het kerstverhaal. Iedere dag mogen andere kinderen spelen. De meester zegt de woorden voor en al spelend spreken de kinderen hem na. Na enkele dagen kennen ze de strekking van de tekst bedenken ze de woorden zelf. Wanneer Maria het kind in haar armen houdt, zegt zij: ‘Oh. wat een lief kindje.’

Vanuit de verwondering leren de kinderen de letter O. Ook de andere klinkers worden vanuit een verhaal, dus spelend, geleerd. Dan schilderen en tekenen de kinderen de letters: eerst heel groot op enorme vellen papier, daarna in kleiner formaat.
De klas doet allerlei oefeningen met de oude en de nieuwe letters. Verbaasd ontdekken ze dat je met de stroomletters zo veel verschillen kunt maken:

pit    mis     hik
pol    mos    hok
pet    mes     hek
put    mus    hak

Op een dag maken de kinderen lampionnen. In de lampionnen worden vijf vensters uitgeknipt en met wit transparantpapier beplakt. Hierop moeten de klinkers komen. De A, de E en de I kunnen de kinderen zelf uitknippen, maar de O en de U willen nog niet erg lukken. De kinderen kunnen nog lang niet wat de leraar van ze verwachtte. Ze maken er een vieze knoeiboel van. Het glibberige plaksel plakt niet alleen op het papier, maar ook op de kleding, op de tafels en op de vloer.
Maar wanneer de lampionnen met een beetje hulp tenslotte toch klaar zijn, stralen de kinderen even hard als de brandende lampionnen. Voor de kerstvakantie nemen zij hun lampje met de pas geleerde letters behoedzaam mee naar huis.

Het alfabet — een vierde taalperiode
Het alfabet staat in hoofdletters op het bord. Dit gaan de kinderen uit het hoofd leren.
Dagelijks zingen zij het ABC-lied:

A B C D E F G,
H I J K L M N O P
Q R S T U V W
X Y Z doen ook nog mee.
Nu ken jij het ABC,
Kom en zing nu met ons mee.

Soms zeggen de kinderen het alfabet op, zetten daarbij een stap vooruit op elke letter en klappen bij elke derde letter in de handen of stampen met de voeten: ABCDEFGHI…

Later in de periode bereidt de klas hun aandeel voor het komende schoolfeestje voor. Vijf klassen zullen elkaar iets laten zien van wat ze de afgelopen weken geleerd hebben. Dat kunnen liedjes, recitaties of toneelstukjes zijn.

De eerste klas zal het ABC-lied laten horen. Ze staan achter elkaar in de kring en klappen en stampen op de letters:

A (klap), B (klap), C (stamp), D (klap), E (klap), F (stamp), enz.

Het alfabet wordt nu ook in omgekeerde volgorde geoefend.

De leraar heeft een spel bedacht: ieder kind is een letter. Alle letters staan aan dezelfde kant van de zaal. De tikker, die in het midden van de ruimte staat, noemt een letter, bijvoorbeeld B, waarop B de poging waagt om ongetikt aan de overkant te komen. Wanneer de situatie voor B penibel wordt, roept hij gauw een andere letter, zodat de tikker achter een nieuwe renner aanmoet.

Voor een andere oefening krijgen de kinderen een blaadje waarop een van de letters van het alfabet staat. Zij moeten op de juiste volgorde gaan zitten. De ene keer van A tot Z, de andere keer in omgekeerde volgorde.

De leraar is van plan om de kinderen de laatste nieuwe letters gewoon kaal te leren, maar daar nemen zij geen genoegen mee. Wanneer hij de L op het bord schrijft, zegt een meisje: Dat is net een laars. Je tekent er toch wel een laars van, hè meester? Vooruit, toch maar weer letterbeelden! De L wordt ook in de spraak geoefend. Eerst met een dikke L:

Lekker lopen op je laarzen in de kledder.

Dan met een lichte L:

Luchtig lispelen de bladeren in het licht.

Tenslotte moeten ze de twee zinnen overschrijven in het schrift, maar dat is sneller gezegd dan gedaan.

Frans, een jongetje uit de klas, vraagt elke dag wanneer zijn letter nu eens aan de beurt is. Als het zover is, staat er een brandende fakkel op het bord getekend. Frans krijgt de hoofdrol in de spraak- en schrijfoefening:

Frans zit met een Fakkel op zijn Fiets.

De kinderen vinden het overschrijven nu heerlijk. Ze zetten hun tafels kaarsrecht voor het bord. zorgen dat er geen overbodige dingen op het schrijfblad liggen en zijn muisstil tijdens het schrijven. Ze kijken zelfs verstoord op als iemand het waagt een potlood te laten vallen.

Zelfs voor de Q is een beeld te vinden.

schrijven klas 1  10 1

Quispel, de verwaande dikke kater, is menigmaal nagespeeld.

Clown Woudi geeft een voorstelling op school. Tussen het publiek zitten veel eersteklassers. De volgende dag zijn ze er nog vol van; het juiste moment om de C leren:

schrijven klas 1  11 1

 

Ten slotte komen de dubbelklanken [7] aan de beurt.

In het sprookje De duivel met de drie gouden haren, moet een geluksjongen drie gouden haren van de duivel meebrengen om de koningsdochter te mogen huwen. Wanneer de duivel met zijn hoofd op de schoot van zijn petemoei ligt te snurken, rukt zij hem de haren uit.  ‘Au,’ schreeuwt de duivel. Onder de tekening van dit duiveltje op het bord, lezen de kinderen AU.

Twee dubbelklanken tegelijk leert de klas bij het verhaal over een meisje dat in een sneeuwstorm verdwaalt. ’s Avonds zoekt zij haar toevlucht in een vervallen kerk. Die nacht doorstaat zij duizend angsten: rondom ziet zij vurige ogen gloeien en de onheilspellende geluiden die zij hoort, gaan haar door merg en been. Wanneer de zon opkomt, ziet zij waarvoor zij zo bang is geweest: uilen die in de nissen in de muren zitten.

OEHOE en UIL lezen de kinderen onder de wijze uil op het bord.

Zoals steeds volgen oefeningen als de klas een nieuwe letter of klank geleerd heeft . Op het bord staan nu OE-woorden:

BOER
BOEM
BOEK
BOEL
BO
EF

Wie het kan lezen, mag zeggen welk woord bovenaan staat. De volgende herhaalt dit woord voor hij het tweede voorleest. Als een stapelliedje lezen de kinderen de woorden van het rijtje. Op deze manier krijgen ook de zwakke lezers het gevoel dat zij weten wat er staat. Ook bedenken de kinderen zelf woorden met dubbelklanken en schrijven deze op.

De kinderen vonden het verhaal van de duivel met de drie gouden haren zo grappig, dat de leraar het nogmaals vertelt, maar nu met de bedoeling om de IE aan te leren. Hij breidt de rol van Piep de muis uit, maar het beeld blijkt toch te klein om het echt tot leven te brengen bij de kinderen.
Daarom vertelt hij de volgende dag een nieuw sprookje: Meester Priem. Deze schoenlapper heeft zoveel aanmerkingen, dat geen knecht het bij hem uithoudt. Ondertussen maakt hij zelf door zijn springerige drukte de meeste fouten.

DE WIPNEUS VAN MEESTER PRIEM
WIE HEEFT ER OOIT ZO EEN NEUS GEZIEN.

schrijven de kinderen in hun schrift.

Nu volgen vele soorten schrijfopdrachten waarbij alle nieuwe letters geoefend worden.

Wanneer de kinderen enkele dagen het liedje

EEN, TWEE, DRIE, VIER, HOEDJE VAN PAPIER,

hebben gezongen, lezen zij het daarna van het bord. Als de leraar een woord aanwijst, bijvoorbeeld HOEDJE, kunnen sommigen het echt lezen. Anderen zingen het liedje stilletjes voor zich uit, tellen de woorden en weten dan ook wat er staat. Na enige oefening hebben zij het aftellen niet meer nodig en lezen zij het echt.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

[1] Door dit voorval in deze ‘algemene’ beschrijving op te nemen, zou men de indruk kunnen krijgen dat dit een soort ‘algemene’ vorm van gedrag is. Wat ik in de kleine 40 jaar van mijn werk als vrijeschoolleerkracht heb ervaren is, dat dit gedrag juist tot de uitzonderingen behoort. Natuurlijk zijn er altijd kinderen met korte lontjes of snelle driftbuien.

[2] Of het vrije spel nog een belangrijke plaats moet innemen, hangt sterk af van de leeftijd van de klas of van bepaalde kinderen. In het leerplanconcept van Steiner heeft het geen plaats. Het gaat er juist om dat beweging en fantasie – kenmerken van het vrijespel – nu terugkomen in het onderwijs.  Bij het leren, dus.

[3] In het Duits gebruikte Steiner ‘recht’ und ‘krumm’. Ons ‘krom’ heeft een enigzins negatieve bijklank; mooier lijkt het mij om te spreken van ‘recht en rond’.

[4] Die ‘een keer’ is het heel bijzondere ogenblik wanneer de 1e- klassers voor het eerst op school zijn en van de leerkracht horen waarom ze op school zijn. O.a. om met hun handen te doen. Dan tekent de leerkracht een rechte (vertikaal) en ronde (halve cirkel opening rechts) op het bord. Een voor een mogen de kinderen dit ook doen: zij maken in hun 1e schooluur kennis met de ‘oergebaren’ van de schepping: recht en rond – waarvan Kepler zei: ‘dat is God’.

[5] Het waskrijtblokje is m.i. niet om mee te schrijven. Het is te klein voor de fijne motoriek van het schrijven; het is ook bedoeld om te tekenen en moet eigenlijk op een speciale manier worden vastgehouden – zoals je je vingers op de gaatjes van een blokfluit hebt. Bovendien en dat geldt bijna nog meer voor het waskrijtstiftje, ‘stroopt’ dat over het papier en remt de schrijfbeweging. Ik weet het uit ervaring, want ik heb een keer met beide bij het schrijven gewerkt. Later ben ik overgestapt op het dikke kleurpotlood. Je hebt hiermee ook meteen gelegenheid vanaf het prilste begin het op de juiste wijze vasthouden van het potlood aan te leren.

[6] Alle letters worden uitgesproken als klank, niet als alfabetletter: vvvvv en niet vee

[7] Tweeklanken worden (meestal) pas in klas 2 aangeboden.

[8] Het is zeer belangrijk om deze oefeningen ook goed te leren spreken. Meer spraakoefeningen.

[9] Het is niet nodig – ook al is het mooi – tot de advent te wachten met de klinkers. Wat er tegen pleit is dat je te lang bezig bent met medeklinkers en dan ook bijna niet vanuit het geheel naar de delen kan lezen: vanuit het woord tot de letters komen. Het echt leren lezen komt dan toch te laat op gang.

.
1e klas: Nederlandse taal 2

1e klas schrijven: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

462-428

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – kleuters

.

een kleuter

Een volwassene in zakformaat? Eerder het omgekeerde: een onvolwassene van formaat! Het kleine kind leeft nog helemaal in de wereld buiten hem.

Een driejarig ventje zegt, terwijl hij met zijn moeder ’s avonds in de tuin de planten aan ’t begieten is (het huis ligt vlak bij een militair vliegveld): Allemaal mijn vrienden, Oom Henk, de bloemen, de straaljagers.

De kleuters ontspannen wanneer zij de klas binnenstappen. Haast en verkeersdrukte hadden hen meegesleurd. Nu bloeien zij op, gaan welgemoed hun gang in een voor hen veilige en vertrouwde omgeving. De een stopt een pop in bed, ie ander kijkt of de hijskraan nog werkt, een derde zit met stralende ogen het lokaal rond te kijken naar wat alle vriendjes aan het doen zijn.

Wordt er iets gevierd, dan tovert de feestelijke gebeurtenis zonneschijn op alle gezichtjes. Maar ook een kleinigheid is daarvoor al voldoende: de tuinman heeft zijn hoed vergeten! Daar ligt-ie op een stoeltje bij hen in de klas. De hoed van die aardige tuinman zomaar in hun midden. Een jongetje pakt hem beet en zet hem op, overdwars. De hele klas schatert.

Bij het uitbeelden van een sprookje wil iedereen Sneeuwwitje of een andere mooie rol spelen maar niet de boze koningin. Een meisje rukte eens prinsessenkroon en sluier af en begon tegen juf, die iets opruimde te mopperen: Wanneer je alles rommelig maakt, ga ik hier van school en kom ik nooit meer terug!

De ronde, soms wankele gestalte van de peuter groeit tussen 3 en 6 jaar uit tot het stevige figuurtje van de durf-al. De 5- à 6-jarigen benutten elke kans om te rennen, te springen, te klimmen. Zij zoeken lichamelijke uitdaging. Maar ook zitten ze soms samen met de kleintjes op een kluit tegen juf aan wanneer er iets bijzonders gebeurt.

De kleuterklas
Het ongebonden bestaan van het kind in de kleuterklas krijgt vorm door het dag-, week- en jaarritme.
Iedere ochtend om half negen stromen de kleuters de klas binnen en met ieder kind groeit de kring. Ze vertellen honderduit: er gebeurt zoveel opwindends in een kleuterleven. Juf zit ook in de kring en tracht door een vingerspelletje de krachten te bundelen.

Dan kan het arbeidsspel beginnen. Ineens zijn alle kinderen bijvoorbeeld op de boerderij: ze zeven, ze scheppen, ze bakken. Gedichtjes, liedjes en spelletjes lopen als een rode draad door het arbeidsspel heen.

Als het werk is gedaan leidt een opzegversje, een klein verhaaltje of een melodie het vrije spel in.

Sommigen spelen met de winkel, anderen bouwen huizen en kastelen van blokken. Ze maken tenten van lappen en vertroetelen hun pop. In een uur vrij spel is er heel wat op stelten gezet. Bij een klein verhaaltje wat juf vertelt kunnen ze weer op adem komen. Zingend wordt even later gezamenlijk alles opgeruimd. Duidelijk is het verschil tussen de vier- à vijfjarigen en het schoolrijpe kind. De kleintjes gaan al opruimend toch weer spelen bij het hoopje blokken dat ze vinden.

De grote kinderen zijn vlijtig in de weer en bemoederen daarbij de kleintjes. Kinderen die moeite hebben met opruimen krijgen een kleine overzichtelijke taak. Bijvoorbeeld de winkelier wordt gevraagd zijn winkel te bevoorraden, zo komen met behulp van de trekker alle spulletjes weer op hun plaats. Hoe stimulerend de chaos ook was, als ieder speelgoedje weer op zijn vaste plaats is teruggekeerd, geeft dat een gevoel van veiligheid en gezelligheid.

Een paar kinderen dekken nu de tafel, anderen dragen de tassen aan. Rustig wordt er gegeten en gedronken. Juf wijst de kinderen op allerlei bijzondere dingen, bijvoorbeeld op een vijfster midden in de appel. Het afruimen gaat vlug en vrolijk, de buitenlucht lokt. Jassen aan, schoenen aan en eropuit! Kijken hoe de bladeren vallen, door de plassen stampen, zandkastelen bouwen, stenen verzamelen, sjouwen met takken, kastanjes zoeken.

Na het buiten spelen wordt er, afhankelijk van het weekrooster, getekend, met bijenwas geknutseld of iets anders gedaan.

De ochtend wordt weer in de kring besloten, terwijl de kinderen naar een sprookje luisteren. Soms nog wat vingerspelletjes en dan… tot morgen!

Het jaarritme en de jaargetijden worden gemarkeerd door de jaarfeesten. Lang van te voren begint de voorbereiding met het maken van versieringen en het leren van versjes en spelletjes die bij het jaarfeest horen. Tegen de tijd dat het feest daar is, wordt bevestigd wat de kinderen al tijden voelden aankomen. Een enkele keer duurt het te lang voor het feest komt opdagen. Zo kwam een jongetje in een zachte winter plotseling met dikke wanten, das en muts de klas binnen; het moest nu maar eens Sinterklaas worden!

De kinderen leren de gang van het jaar intensief te beleven. In de herfst worden lampionnen gemaakt voor Sint-Maarten, waskaarsen getrokken voor advent. Voor Sinterklaas maken ze bijvoorbeeld een stoomboot en bakken speculaas. Met Kerstmis knutselen ze kerstboomversieringen en een stalletje. Dan komt de lente met Pasen en de zomer met Pinksteren en Sint-Jan. Ook deze feesten worden uitbundig gevierd. Maar voor de kleuter is eigenlijk iedere dag een feest.

Taal in de kleuterklas (theorie)
Eigenlijk onderwijst de kleuter zichzelf. De hele wereld met al haar vormen en al haar klanken is zijn leermiddel. Door nabootsing maakt hij zich de lichamelijke vaardigheden en de taal eigen. Ook de taal is onverbrekelijk verbonden met handelingen en bewegingen. De creatieve persoonlijkheid van het kind komt tot uiting in de wijze waarop het nabootsend speelt en spreekt. Bij de een is de nagebootste handeling nauwelijks te herkennen, bij de ander ligt deze er dik bovenop. Moeder maakt een foto, het dochtertje grijpt het deksel van de koffiepot, houdt deze voor één oog en knipt. Tante zegt: ,,T-shirt” het kind van anderhalf herhaalt het feilloos.

In de kleuterklas worden de kinderen geen lesjes maar spelen aangeboden. In de echte oude kinderspelletjes oefent het kind al zijn ledematen. Vingerspelletjes, hand- en voetspelletjes, kringspelen enz. vormen de hogeschool van de Taalontwikkeling. Het komt niet aan op de betekenis maar op de bewegingen, de melodie, de klank, de taalmuziek.

Witte Zwanen Zwarte Zwanen
Wie wil er mee naar Engeland varen
Engeland is gesloten
De sleutel is gebroken
Is er dan geen smid in ’t land
Die de sleutel maken kan.

In een vroeg stadium van het kinderleven zijn spreken en zingen niet van elkaar te scheiden. Voor de kleuter liggen zingen en spreken nog heel dicht bij elkaar. Een spelend kind spreekt veelal zing-zangend. Voor hem bestaat er geen „kleuterlied” in de strikte zin des woords. Niet alleen gezongen, ook gesproken spelletjes worden de kleuter aangeboden. Hierin spelen klank en ritme de hoofdrol. Wie kent niet het vingerspelletje:

Naar bed, naar bed, zei Duimelot.

Er zijn ook versjes die als een meer gerichte spraakoefening gebruikt kunnen worden:

Leent je leerde Lotje lopen
Langs de lange Lindelaan
Maar toen Lotje niet wou lopen
Toen liet Leentje Lotje staan

Wij walen wezen wilden wel witte wollen wanten wassen
Wisten wij waar warm water was

Zo is het mogelijk om een kleuter die plat-Amsterdams praat, iets meer vertrouwd te maken met die gekke Z:

,,Ziezo” zou m’n zuster Sientje zeggen, zo ze Zondagsavonds zonder zakcent zat!

en die vreemde V:

Vier vette varkens vochten vreeslijk voor het vlammend vuur. Foei! zei ’t vader varken.

Juist de uitzondering maakt het verschil duidelijk.

Ook worden er sprookjes verteld. De werkelijkheid van het sprookje is dat het goede zichzelf beloont en het boze zichzelf straft, dat de liefde de dood overwint.
De kleuter geniet van het sprookje als het met humor en zonder gruwelijke opsmuk verteld wordt. Door verhalen over prinsen en prinsessen, over heksen en reuzen, leert het kind goed en kwaad onderscheiden terwijl het toch nog beschermd wordt in een wereld van fantasie. De ervaring is dat sprookjes kinderen innerlijke zekerheid geven en dat ze hun minder angstig maken. De juf kiest haar woorden zorgvuldig en zorgt dat ze iedere dag weer op dezelfde plaats staan. De kinderen bewegen na enige tijd hun monden vanzelf met de juf mee. Als zij zich vergist zijn de kinderen diep verontwaardigd: ‘Gister zei je:,, Maar grootmoeder wat heb je een verschrikkelijk grote mond” en juf zei nu ,, vreselijk grote mond”

De kinderen spelen ook zelf toneel of poppenkast. Ze kiezen datgene wat hun onbewust bezighoudt, de ene keer een sprookje, de andere keer een voorval uit het dagelijks leven. Daarbij borduren ze voort op gebaren zoals ze ze gezien hebben en op woorden en zinnen zoals ze ze gehoord hebben.
Op deze wijze vindt in de kleuterklas de taalontwikkeling haar basis in het spel.

Een ochtend in de kleuterklas
Wij hebben kastanjes voor je, juffie.

Het is een heerlijke herfstochtend als juffie de kinderen binnenlaat. Vrolijk komen ze aangestapt, vol van hun eigen verhalen. Eén meisje heeft een kartonnen bakje met blaadjes meegebracht voor juf en ze maakt met de blaadjes een herfstbos op de zandtafel. Als iedereen op een stoeltje in een kring zit, wordt er nog even gebabbeld, dan beginnen ze met de liedjes. Er wordt aangesloten bij het seizoen waar iedereen zo vol van is.

Alle blaadjes van de bomen worden geel en bruin en rood…
Alle blaadjes klein en groot…

zingen ze en met hun handen dwarrelen de blaadjes omlaag. Nu valt er een appel, bom… alle kinderen ploffen op de grond. Daarna pakt juffie gekleurde lappen en ja, ze weten al wat er komt:

wind in ’t woud, waai, waai.

Prachtig waaieren de zijden sluiertjes omhoog en naar beneden. Daarna mogen de kleuters zelf de winden spelen met elk een sluiertje. ‘De blauwe is van mijn schoenenkleur!’, roept een kleintje.

Er komen nog meer spelletjes aan bod. De wasvrouwtjes en het spel van de werkende kabouters, voordat de kinderen vrij gaan spelen.
Twee meisjes gaan met het kartonnen bakje een bedje maken voor de kleine popjes. Slapen! Wakker worden! bevelen ze en trekken het dekentje over de hoofdjes op en neer en schateren het uit.

Een jongetje daarachter wil een huis bouwen met grote planken. Deze rusten aan één kant in een kastje en aan de andere kant op de stoelen van de meisjes.
Verbouwereerd ziet hij z’n huis instorten als één van de dametjes haar stoel weer naar zich trekt. Juf komt hem helpen. Als hij hijgend en zuchtend zijn bouwwerk in orde heeft gemaakt met een groot gordijn, komen twee vriendjes zich meester maken van zijn huis. Weer redt juffie hem en de jongens vragen nu: Mógen we binnen komen? Dat mag en dus kan het spel verdergaan.

Een Russisch jongetje kietelt met veel gekir en weinig woorden een Hollands jongetje. Als hij alleen speelt met het poppenhuis gaat dat in het Russisch maar hij begrijpt alles wat er om hem heen gebeurt en met de spelletjes deed hij ook vrolijk mee.

Twee meisjes hebben een stel puzzels omgekiept waarmee ze nu een enorm sprookjestafereel opbouwen: De wolf en de zeven geitjes. Natuurlijk komen er ook vaders, moeders en kinderen bij.
‘Hier achter het bosje zit de wolf en hier is moeder geit.’
Een jongetje ernaast heeft een boot vol kabouters en gaat ermee uit varen. Daarna moeten de kabouters slapen en zoekt hij zelf een ander plekje. Hij stapt op een stel kinderen af dat met paalkoppen een huis heeft gebouwd. Vrijwel alle meubels, pannen en wiegjes zijn erin overgeplaatst maar de nieuwkomer kan er nog best bij. Van paalkoppen krijgt hij een bed op maat. ‘Ben je op bezoek?’, vraagt de juf. ‘Nee ik logeer’, antwoordt hij vanuit z’n harde rustplaats. ‘De poppen liggen ook in bed’, verklaart de moeder van het gezin.

Het wordt tijd om op te ruimen maar eerst leest juffie het verhaal van Hansje Stoffel voor. Blij schuiven ze aan en vertellen mee. Juf vervangt het woord slechts door alleen. Een jongetje fluistert stralend toch dat moeilijke woord!

Nu wordt er plots een koortsachtige activiteit ontplooid en alles als vanzelf keurig opgeruimd. Zelfs de puzzels zitten zo weer in elkaar. Eén stukje is weg: ‘het komt wel weer boven water’, lacht de vierjarige wijs en ja hoor, onder het taboeretje is het kleinste geitje verstopt. Iedereen pakt z’n boterhammen. Eén meisje heeft geen brood bij zich: meteen krijgt ze van alle kanten iets toegeschoven. Met bolle wangen mompelt ze: ‘Ik wil eigenlijk niets meer.’
‘Attentie, geen eten meer voor Vanessa’, 
roept een jongetje.

Dan gaan ze buiten spelen. Twee jongens duwen de bezem die schokkend over de tegels gaat, wat een plezier, een rilbibberbezem.

Een stel loopt rondjes om de waterbak. De handen glijden over de ronde rand, steeds sneller. ‘Nu stoppen voor het licht’, roept er een. Er komen nog meer kinderen bij, ze beginnen te zingen, het voorste kind is het stoplicht. Die stopt abrupt; boem, botsen de anderen tegen elkaar. Daarna neemt een ander de leiding. ‘Treintje kan wel door’ zingen ze in kleuterdeun. Ineens is het genoeg. Ze waaieren uit elkaar het pleintje op. Op de rand van de zandbak worden taartjes gebakken, hele series.

Een jongetje staat trots op een rollende boomstam: ‘Kijk dan’, roept hij en pakt zich snel aan het schuurtje vast.

Na een poosje gaan ze op de rand van de schuur zitten omdat het bijna tijd is. Binnen wordt er nog even getekend.

Tot besluit vertelt juffie in de kring het sprookje van Wit- en Zwartkipje. Het is heel stil.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

Peuters/kleuters: alle artikelen

Nederlandse taal: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: kleuters

 .
461-427

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cleopatra

.

DE LEGENDARISCHE KONINGIN

Cleopatra wordt veelal gezien als een Egyptische sirene, die zelfmoord pleegde uit liefde voor de Romeinse veldheer Marcus Antonius. Ten onrechte. Hoewel Cleopatra als vorstin heerste over dat oude koninkrijk, had zij geen druppel Egyptisch bloed.
Zij was van Macedonisch-Griekse afkomst; haar hoofdstad, Alexandrië, was een Griekse stad en de taal die aan haar hof werd gesproken was Grieks. Haar dynastie was gevestigd door Ptolemaeus, een Macedonische veldheer van Alexander de Grote, die zich na diens dood van Egypte meester maakte en zichzelf tot koning uitriep.
Er is geen spoor van bewijs dat in het leven van Cleopatra enige man een rol zou hebben gespeeld behalve dan Julius Caesar en, drie jaar na zijn dood, Marcus Antonius. En dit waren geen frivole liaisons, maar verbintenissen, goedgekeurd door haar priesters en in Egypte als huwelijken erkend. De veronderstelling dat zij een wellustige vrouw was, die al haar kunstgrepen in het vuur bracht om deze mannen te veroveren is absurd. Toch heeft die legende 2000 jaar hardnekkig standgehouden, voornamelijk omdat dichters en toneelschrijvers, Shakespeare incluis, meer de nadruk hebben gelegd op haar fysieke bekoorlijkheden en hartstochten dan op haar verstand en moed. Haar daden bewijzen echter dat zij een briljante, schrandere vrouw was, die haar leven lang heeft gevochten om haar land ervoor te behoeden dat het door de Romeinen werd opgeslokt.
Cleopatra

Cleopatra werd in 68 of 69 v. Chr. geboren, en zij groeide op te midden van hofintriges en geweld. Haar vader, Ptolemaeus XI, stierf toen Cleopatra 18 was, en zij werd toen koningin, waarbij zij de troon moest delen met haar tienjarige broer Ptolemaeus XII. Twee jaar later verbande de jeugdige Ptolemaeus, die geheel werd overheerst door een drietal hofintriganten, zijn zuster naar Syrië. Cleopatra echter, die al dadelijk de moed toonde die haar hele leven zou kenmerken, bracht onmiddellijk een leger op de been en rukte weldra dwars door de woestijn op naar Alexandrië om de strijd om haar troon aan te binden. Het was deze Cleopatra, die Caesar in de herfst van het jaar 48 v. Chr. ontmoette. Hij was naar Egypte gekomen om de Romeinse veldheer Pompeius, zijn tegenstander in een strijd om politieke macht — het soort strijd die Rome bijna een eeuw lang in beroering zou houden, te achtervolgen.

Hoe zag Cleopatra eruit? De enige aanwijzingen die wij bezit­ten, zijn een paar munten waarop haar profiel staat afgebeeld, en een buste die zo’n 1800 jaar na haar dood bij opgravingen in een Romeinse ruïne werd gevonden. Zij vertonen een adelaarsneus en een mooi gevormde mond met fijn besneden lippen. Een aantal historici uit de oudheid hebben haar “verrukkelijke schoonheid” vermeld, maar deze mannen hadden haar niet zelf gezien. De betrouwbaarste beschrijving is misschien die van Plutarchus, wiens grootvader verhalen over Cleopatra had gehoord van een dokter die een van de koks uit de koninklijke hofhouding kende. Plutar­chus wist te vertellen dat haar feitelijke schoonheid “op zichzelf niet zo opmerkelijk was dat zij elke andere vrouw in de schaduw stelde”.

Alle vroege geschiedschrijvers waren het echter eens over haar “boeiende” conversatie, haar welluidende stem, haar “behendig en geraffineerd taalgebruik”. Zij sprak zes talen, was goed thuis in de Griekse geschiedenis, literatuur en filosofie, toonde zich een sluw onderhandelaarster en was klaarblijkelijk een bekwaam stratege. Zij had ook veel gevoel voor dramatische effecten. Toen Caesar haar sommeerde om haar troepen te verlaten en naar het koninklijk paleis in Alexandrië te komen, waar hij na het te be­zetten zijn intrek had genomen, glipte Cleopatra onder dekking van de avondschemering de stad binnen, liet zichzelf in een tapijt rollen en werd zo, voor ieders oog verborgen, op de rug van een vertrouwde dienaar door de poort tot in Caesars vertrekken ge­dragen.

Of deze list nu bedoeld was om te ontsnappen aan door haar broer gehuurde sluipmoordenaars of om indruk op Caesar te ma­ken, het was stellig een indrukwekkende entree, die in de wereldgeschiedenis nauwelijks haar weerga heeft. Haar moed en haar bekoorlijkheid deden de rest om Caesar te overtuigen dat hij er goed aan zou doen haar weer op de troon te zetten.

Het daaropvolgende voorjaar organiseerde Cleopatra een groots opgezette expeditie, waarbij zij een eindweegs de Nijl opvoeren. Wekenlang dreven zij en Caesar voort op een statieschip met kolossale afmetingen, begeleid door 400 andere vaartuigen, die troepen en voorraden meevoerden. Kort daarna, in juni, bracht Cleopatra een zoon ter wereld, Caesarion – wat in het Grieks Kleine Caesar betekent. Het kind, de enige zoon van zijn vader, schijnt de basis geweest te zijn voor een ambitieus plan van Caesar en Cleopatra om Rome en Egypte samen te smelten tot één ge­weldig rijk, dat door hen en hun nakomelingen zou worden gere­geerd. Meteen na de geboorte van de jongen vertrok Caesar uit Alexandrië ten einde krijgstochten te ondernemen in Klein-Azië en Noord-Afrika, waarbij hij alle tegenstand die hij ondervond snel de kop indrukte. Binnen een jaar keerde hij als overwinnaar naar Rome terug — de onbetwiste dictator. En daar waren ook Cleopatra en Caesarion, die door Caesar in een schitterende villa werden geïnstalleerd.

Als koningin met een koninklijke hofhouding begon Cleopatra op het leven der Romeinen invloed uit te oefenen. Zij liet munters uit Alexandrië overkomen om de Romeinse munt te verbeteren, en financiers om Caesars belastingprogramma op te stellen. Haar sterrenkundigen ontwierpen een kalenderhervorming, en zo kwam de Juliaanse kalender tot stand, waarop onze huidige tijdrekening nog steeds is gebaseerd. Caesar liet haar beeld plaatsen in een nieuwe tempel die hij had laten bouwen voor de eredienst van Venus en hij liet een munt slaan, waarop Venus en Amor herken­baar waren als Cleopatra met Caesarion in haar armen. Zijn macht scheen absoluut. Toen plotseling, 20 maanden nadat Cleo­patra naar Rome was gekomen, was Julius Caesar dood — ver­moord op de Idus van maart, 44 v. Chr. Was Cleopatra door smart overmand? Niemand weet het. Een maand nadien scheepte zij zich in en voer naar Egypte terug.

De geschiedschrijvers vermel­den geen feiten over de drie volgende jaren van haar regering, be­halve dat de mededingers in de strijd om de macht die Rome nu in een burgeroorlog stortte, haar steun zochten. Klaarblijkelijk volgde zij een politiek van waakzaam afwachten wie de opvolger van Caesar zou worden.

Toen Marcus Antonius uit de strijd te voorschijn kwam als de sterke man van het Oosten, ontbood hij Cleopatra naar Tarsus in Klein-Azië voor een ontmoeting met hem. Een tijdlang negeerde zij zijn oproep; toen zeilde zij uit met een schitterende vloot, waar­op zij goud, slaven, paarden en juwelen meevoerde. Ter rede van Tarsus aangekomen liet Cleopatra zich niet als smekelinge aan land brengen; ze bleef rustig aan boord van een der voor anker liggende schepen. Nadat ze de situatie listig had omgedraaid, waardoor niet Cleopatra, maar Antonius als gast ten tonele ver­scheen, vergastte ze hem op een verblindend schouwspel: de met zilver beslagen roeiriemen van haar galei bewogen op de maat van de muziek van fluiten en harpen, bespeeld door mooie, als nereïden en gratiën geklede slavinnen; wierookbranders verspreidden een exotische geur. Achterovergeleund op een rustbed onder een gou­den troonhemel lag daar Cleopatra, uitgedost als Venus, terwijl knaapjes als cupidootjes haar koelte toewuifden.

Na afloop van het daaropvolgend banket bood Cleopatra Antonius de gouden schotels, de prachtig bewerkte drinkbekers, de weelderige ligbanken en de geborduurde tapijten ten geschenke aan. De volgende avond onthaalde zij Antonius en zijn gevolg op soortgelijke wijze, terwijl ze hen bij hun vertrek wederom met geschenken overlaadde. Het was er haar niet om te doen, An­tonius’ genegenheid te winnen — ze wilde hem doordringen van de grenzeloze rijkdom van Egypte dat bijgevolg een machtig bondgenoot beloofde te zijn.

Drie maanden later kwam Antonius naar Alexandrië, waar hij de winter doorbracht. Hij vertrok weer in de lente, zes maanden voordat Cleopatra hun tweeling ter wereld bracht, en er gingen bijna vier jaar voorbij voor hij haar terugzag. In die tussentijd versterkte Cleopatra de verdediging van haar land, breidde haar vloot uit en vergaarde zoveel mogelijk goud en voorraden. Toen Antonius, in de hoop zijn macht in het Oosten uit te breiden, haar vroeg hem in Syrië te ontmoeten, ging ze met de vaste bedoeling bij de onderhandelingen het maximum te bedingen. Ze wist te bereiken dat Egypte alle uitgestrekte gebieden zou krijgen die de farao’s 1400 jaar tevoren hadden bezeten, maar die nu Romeinse provincies waren. Antonius stemde ook toe in een wettig huwelijk, en ter gelegenheid van die gebeurtenis werden er munten met hun beider beeltenis geslagen. Daarmee werd een nieuwe fase van Cleopatra’s regering ingeluid. Ze was nu drieëndertig en trok met Antonius ten oorlog tegen de Perzen, maar bij de Eufraat moest zij de veldtocht staken. Ze was weer in verwachting. Het kind werd in de herfst geboren, en die winter deed Antonius een wan­hopig beroep op haar: zijn leger was gedecimeerd en het uitge­putte, gehavende overschot had maar amper de Syrische kust kunnen bereiken. Cleopatra ging scheep met geld, voorraden en wapens, en zeilde naar hem toe om hem hulp te gaan bieden.

Het jaar daarop, 35 v. Chr., moest zij al haar listigheid aan­wenden om Antonius — een drankmisbruik van jaren had zijn geestvermogens zeer verzwakt — ervan te weerhouden voor de tweede maal een inval in Perzië te gaan doen. In het besef dat Octavianus, Caesars neef en erfgenaam, die van Rome uit het Westen beheerste, hun werkelijke vijand was, drong zij er bij Antonius op aan dat hij alles in het werk zou stellen om die ten val te brengen. In 32 v. Chr. verhaastte zij het uitbreken van de oor­log met Octavianus doordien zij Antonius tot twee dingen wist te overreden: een formele brief aan zijn andere vrouw, Octavia (de mooie zuster van Octavianus) te zenden, waarin hij haar te ken­nen gaf dat hij haar niet langer als zijn echtgenote beschouwde, en het zenden van troepen over de Aegeïsche Zee naar Griekenland. Cleopatra stond nu op het hoogtepunt van haar macht: vazallen uit het Nabije Oosten kwamen haar hulde brengen en de Atheners overlaadden haar met eerbewijzen, verafgoodden haar als Afrodite en plaatsten haar beeld in de Akropolis.

Maar zie, laat in de middag van de 2de september in het jaar 31 v. Chr. stortte alles bij het plaatsje Actium aan de westkust van Griekenland ineen. Over deze beslissende slag lopen de me­ningen van de geschiedschrijvers sterk uiteen: zoals bijvoorbeeld over de vraag waarom Antonius, die toch een voortreffelijk leger had, het tot een zeeslag liet komen; of waarom Cleopatra, toen het zeegevecht op zijn hevigst was en de afloop nog onbeslist, de zeilen liet hijsen en met haar 60 oorlogsschepen voor de wind naar Egypte vluchtte; of waarom Antonius zijn enorme leger in de steek liet, zich aan boord van haar schip begaf en met haar wegzeilde.

Na haar terugkeer in Egypte, waar het nieuws van de ramp zich als een lopend vuurtje verspreidde, begon Cleopatra meteen al het ontevreden gemor de kop in te drukken. Ze trachtte de banden met de buurlanden nauwer aan te halen. Ook begon ze oorlogsschepen van de Middellandse Zee over te brengen naar de Rode Zee — hetgeen betekende dat die vele kilometers door de woestijn moesten worden gesleept — op zichzelf al een gigantische onderneming.

Ook nadat Egypte’s grensversterkingen Octavianus’ troepen in handen waren gevallen, bleef Cleopatra in Alexandrië, gereed om met Octavianus te onderhandelen of hem te bestrijden. Maar toen het binnenvallende leger naderbij kwam, gingen haar vloot en ruiterij aan de haal. Daarop benam Antonius zich het leven. Cleopatra, die de Romeinen levend in handen viel, werd onder bewaking gesteld en gewaarschuwd dat als zij de hand aan zich­zelf sloeg, haar kinderen zouden worden gedood.

Hoewel Octavianus beloofde genadig te zullen zijn, vreesde Cleopatra dat haar hetzelfde lot te wachten stond als honderden andere gevangenen van koninklijken bloede hadden ondergaan: in ketenen door de straten van Rome gevoerd en daarna ter dood gebracht. Vindingrijk en moedig als ze tot het einde was, deed ze het voorkomen of ze elke gedachte aan zelfmoord had opgegeven. Daarop kreeg ze toestemming om Antonius’ graf te bezoeken, en tijdens die tocht door de straten, gezeten in haar draagstoel, heeft ze klaarblijkelijk kans gezien enkele trouwe aanhangers in de arm te nemen. Ze keerde terug naar haar vertrekken in het paleis, nam een bad, gebruikte de maaltijd en liet zich door haar diena­ressen als Venus kleden. Van wat er daarna is voorgevallen, weten we alleen dit: Romeinse officieren, die zich met geweld toegang tot haar vertrekken verschaften, troffen Cleopatra dood aan. De legende wil dat de koningin zich had laten bijten door een aspis-adder, die in een mandje vijgen was binnengesmokkeld.

Bij de viering in Rome van Octavianus’ verovering van Egypte werd een beeld van Cleopatra, met om haar ene arm een aspis-adder gewonden, door de straten meegevoerd. Haar drie kinderen van Antonius — Caesarion was reeds eerder ter dood gebracht — werden gedwongen in de beschamende stoet mee te lopen. En bij die gelegenheid hebben Romeinse dichters, ten einde bij de over­winnaar in het gevlij te komen, de legende in de wereld gebracht als zou Cleopatra een verdorven en losbandige Egyptische konin­gin zijn geweest — een legende die tot op de huidige dag voort­leeft.
.

alle biografieën

 

460-426

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas vertelstof (1-3)

.

na de Edda

Wanneer de verhalen uit de Edda zijn verteld, is het ook mogelijk (een deel)  uit de Nibelungen te vertellen.

De uitgave van Kurt Eigl ‘Deutsche Götter- und Heldensagen’ leent zich daar goed voor. Bij mijn weten is deze niet vertaald.

Een goed alternatief is zeer zeker  ‘De Nibelungen en andere sagen’ van Edmund Mudrak, Prismapocket 1137.

.

vertelstof: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

459-425

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Helen Keller

.

HET INSPIRERENDE LICHT VAN HELEN KELLER
.

Helen Keller  heeft iets tijdeloos — zelfs in haar uiterlijk — dat goed past bij haar hoogst merkwaardige levensloop. Ze werd al heel jong blind en doof en bijgevolg ook stom, maar ze overwon die drievoudige handicap en werd een van de meest bekende persoonlijkheden van onze tijd, en een inspiratie voor blinden zowel als zienden overal ter wereld.
Toen ze na de Tweede Wereldoorlog een bezoek aan Japan bracht, kwamen ook in afgelegen dorpen jongens en meisjes haar tegemoet met de kreet: “Helen Keller!” Zelfs nog vóór de tijd van radio en bio­scoop was haar naam tot in de rimboe doorgedrongen.
Ofschoon die hartelijkheid haar goed doet, wenst ze toch geen afzonderlijke behandeling voor zichzelf. Ze vindt dat blinden als volwaardige mensen met volledige verantwoordelijkheid moeten leven en werken.

Op tienjarige leeftijd las Helen al gretig braille en kon ze zich uitdrukken door middel van het handalfabet, waarbij men met de hand of vingers op een bepaalde manier de hand van de ander aanraakt om de letters aan te geven. Toen, in het voorjaar van 1890, hoorde ze van een doofstom en blind Noors meisje, dat had leren praten. Bliksemsnel spelde ze in de hand van haar onder­wijzeres, Anne Sullivan: “Ik moet spreken.”

Anne Sullivan ging met haar naar Sarah Fuller, hoofd van de Horace Mann-school voor Doven te Boston. Juffrouw Fuller be­gon onmiddellijk. Ze nam Helens hand en liet haar over het onderste deel van haar gezicht strijken. Ze bracht de vingers van het kind in haar mond, zodat ze de positie van tong en tanden kon aftasten en voelen hoe de onderkaak van haar lerares bewoog. Daarna bracht juffrouw Fuller haar tong vlak achter haar onderste snijtanden om de i-klank te vormen. Ze zette toen Helens wijsvinger tegen haar tanden, legde een andere vinger tegen haar keel en herhaalde de i-klank meermalen. Zodra ze daarmee ophield “vlogen Helens vingers naar haar eigen mond en keel, ze bracht haar tong in de juiste positie ten opzichte van haar tanden, en bracht toen een geluid uit dat zozeer op mijn i leek dat het er wel een echo van kon zijn”.

helen keller

Vervolgens oefenden ze de klinkers a en o, die Helen duidelijk kon nazeggen. Daarna probeerden ze het met de woorden mamma en pappa. Juffrouw Fuller sprak zorgvuldig het woordje mamma uit, terwijl ze tegelijk met haar vinger langs de rug van Helens hand streek om de lengte van de twee lettergrepen aan te geven. Nadat ze dit enige malen herhaald had, kwamen de woorden mamma en daarna pappa er goed uit, “met een bijna muzikale intonatie”.

Na haar zevende les keerde Helen zich in de tram op weg naar huis naar juffrouw Sullivan toe en zei op “holle hijgerige toon”: Nu ben ik niet stom. Daarmee gebruikte ze voor het eerst welbewust woorden om een gedachte uit te drukken, en wel binnen een maand na haar eerste spraakles! Dit was echt spreken als een mens, en dat van iemand die behalve het gebrabbel uit haar prilste jeugd, tot haar tiende jaar niets anders had uitgebracht dan de rauwe klanken van een doofstomme.

Helen kreeg elf lessen van juffrouw Fuller, maar dat was nog maar het begin van haar lange worsteling om te leren spreken. Week in week uit, maand in maand uit en jaar in jaar uit werkte ze aan de verbetering van haar uitspraak. Urenlang herhaalde ze woorden en zinnen, waarbij ze haar vingers gebruikte om bij Anne Sullivan de trillingen van haar keel, de bewegingen van haar tong en lippen en de uitdrukking van haar gezicht bij het spreken waar te nemen. Ze is nooit opgehouden haar stem te oefenen; ze sprak vaak in het openbaar en voerde haar gesprekken grotendeels mondeling. In haar onmiddellijke omgeving merkte men op dat haar uitspraak na haar zestigste jaar nog aanmerke­lijk beter werd. Haar beheersing van de taal is wel “de grootste individuele prestatie in de geschiedenis van het onderwijs” ge­noemd.

Na jarenlang oefenen leerde ze voortreffelijk “liplezen” via trillingen. Ze kon “horen wat anderen zeggen” door haar middel­vinger tegen iemands neus te leggen, haar wijsvinger op zijn lippen en haar duim tegen zijn strottehoofd — vooral bij mensen met een duidelijke, goed klinkende stem. In dat opzicht vond ze Franklin D. Roosevelt ideaal. Ze ving Mark Twains beste moppen op via trillingen. Enrico Caruso deed zijn gouden stem in haar hand klinken — via haar vingers, die tegen zijn lippen rustten. Feodor Chaliapin zong luidkeels het lied van de Wolgabootsman met zijn arm vast om haar heen geslagen, zodat ze elke trilling van zijn machtige stemgeluid kon voelen. Toen Jascha Heifetz haar voor­speelde, rustten haar vingers luchtig op zijn viool. Ze las Carl Sandburgs gedichten van zijn lippen af en beluisterde zijn neger­liedjes van de plantages aan de rand van zijn gitaar. Wanneer ze haar hand op een piano legde, kon ze door een licht vibreren het weergeven van een melodie waarnemen. Ook bij een radio kon ze bepaalde trillingen opvangen.

In 1886, toen Helen Keller zes jaar oud was, begonnen de eerste lichtstralen door de mist die haar omfloerste heen te dringen. Ze was op 27 juni 1880 geboren in Tuscumbia, een stadje in Alabama. Tot ze negentien maanden was leek ze een normale baby, die schijnbaar genoot van de bloemen, voorbijflitsende vogels en het spel van licht en schaduw. Toen kreeg ze “hersen- en ingewandskoortsen”. Ze was hard ziek, maar de koorts verdween bijna even plotseling als ze was opgetreden.

Al spoedig merkte haar moeder dat Helen haar ogen nooit dicht kneep, wanneer ze in haar badje gestopt werd. Ze ging met het kind naar een oogarts en vernam dat Helen blind was. Daarna viel het op dat het kind niet reageerde op hard klokgelui: Helen was ook doof. En onvermijdelijk was ze op driejarige leef­tijd ook stom geworden, en had ze alle woorden die ze anderhalf jaar geleden had gebrabbeld vergeten.

Helen groeide snel. Lichamelijk was ze sterk en goed gevormd, maar haar goede humeur maakte plaats voor felle driftbuien. Wanneer ze niet begrepen werd, kreeg ze hevige woedeaanvallen. Ze gooide zich op het gras en begon onbeheerst te gillen. Haar tafelmanieren waren abominabel. Ze weigerde haar gezicht te wassen of haar laarsjes dicht te knopen. Jaren later schreef ze: “Ik had het gevoel dat ik door onzichtbare handen werd vastge­houden. Ik probeerde wanhopig me te bevrijden.”

Haar lieve moeder was doodsbang voor haar heftigheid en gaf haar in alles toe. Helen had een grote wilskracht, in tegenstelling met de apathie waaronder de meeste meervoudig gehandicapte kinderen gebukt gaan. Mevrouw Keller was de wanhoop nabij, toen ze toevallig Charles Dickens’ boek American Notes in handen kreeg en daarin las over Laura Bridgman, het doof-blinde meisje in New England, dat door Samuel Gridley Howe, hoofd van het Perkins-Instituut, uit haar geestelijk isolement was verlost.

Tenslotte ging men met Helen naar Michael Anagnos, de op­volger van dr. Howe. Die kon als huisonderwijzeres een Iers meisje aanbevelen, dat juist haar opleiding had voltooid. Ze heette Anne Sullivan, en ze zou een halve eeuw lang Helen Kellers onaf­scheidelijke gezellin zijn. Haar ouders waren Ierse immigranten, en haar eigen jeugd leek wel een verhaal van Dickens. Haar dronken vader ranselde haar geregeld af. Ze leed honger, werd verwaarloosd en bont en blauw geslagen, en werd ten slotte op staatskosten in een armhuis grootgebracht. In 1880 werd ze in het Perkins-Instituut opgenomen, toen ze als gevolg van trachoom blind was geworden. Na twee operaties was haar gezichtsvermo­gen nagenoeg hersteld, ofschoon ze haar hele verdere leven last van haar ogen had, en op latere leeftijd opnieuw blind werd.

Bij haar aankomst in Alabama werd Anne Sullivan onmid­dellijk getroffen door Helen Kellers fiere houding en intelli­gente gezicht. Toen ze uit het rijtuig stapte, snelde Helen haar tegemoet, betastte haar kleren en gezicht, probeerde haar tas open te maken, en maakte meteen al bij de voordeur een ge­weldige scène toen haar moeder trachtte dat te beletten. Anne Sullivan gaf haar namens de kinderen van het Perkins-Instituut een pop. Toen Helen daar een poosje mee had gespeeld, spelde juffrouw Sullivan in Helens hand de letters van het woord: p-o-p. Dat was iets ongewoons, dat onmiddellijk Helens aandacht in beslag nam, en ze probeerde de vingerbewegingen na te doen. Dat was de eerste bewuste poging die ooit was gedaan om Helen Keiler iets bij te brengen.

Toen juffrouw Sullivan probeerde de pop weg te bergen, ver­zette Helen zich daar heftig tegen. Dat was het eerste van vele conflicten. De nieuwe onderwijzeres haalde Helen bij haar hevig ongeruste ouders weg en ging ergens dichtbij met haar in een huisje wonen. Dagenlang woedde er een zware strijd — lichame­lijk zowel als geestelijk — toen Helens wil in botsing kwam met die van haar onderwijzeres. Maar Anne Sullivan won, ook al moest ze het kind soms twee uur achtereen vasthouden om haar hevige verzet te breken. “Haar rusteloze geest tast in het duister,” lichtte ze toe. “Haar handen vernielen alles wat ze aanraakt, doordat ze niet heeft geleerd wat ze er anders mee moet doen en onbevredigd is.”

Ze merkte op dat het kind er al verschillende manieren op na hield om aan te geven wat ze wilde. Had ze trek in ijs, dan maakte ze een beweging of ze aan de zwengel van een ijsmachine draaide. Als ze een boterham wilde, deed ze alsof ze brood sneed en smeer­de. Om haar vader aan te duiden zette ze zogenaamd een bril op. Ze begon haar nieuwe pop te wiegen, waarbij ze haar vingers tegen haar lippen legde en een eentonig zangerig geluid maakte. Maar ze leerde ook nieuwe woorden spellen in het handalfabet: speld, hoed, beker, en werkwoorden als zitten, staan en lopen.

Binnen veertien dagen begon er iets bij haar te dagen. Anne Sullivan nam haar mee naar de pomp en begon water te pompen. Terwijl dat in de kroes gulpte en over Helens rechterhand heen liep, spelde ze in haar andere hand het woord w-a-t-e-r. “Het leek wel of ze schrok van dat woord, dat zo onmiddellijk in ver­band scheen te staan met het koude water, dat ze over haar hand voelde stromen,” schreef juffrouw Sullivan. “Ze liet de kroes vallen en stond als aan de grond genageld. Er lichtte iets op in haar gezicht.”

In Helens herinnering was er dit gebeurd: “Het geheim van de taal werd mij geopenbaard. Plotseling wist ik dat ‘water’ dat wonderlijke koele iets was, dat over mijn hand stroomde. Dat levende woord deed mijn ziel ontwaken; het schonk mij licht, hoop, vreugde; het bevrijdde mijn geest!” Helen keerde koorts­achtig opgewonden naar het huis terug en raakte onderweg alles aan — het was duidelijk dat ze probeerde te ontdekken hoe dat alles heette. De grond, het latwerk voor de klimplanten, de strui­ken, de pomp — ze besefte nu dat die allemaal een naam hadden, en die wilde ze kennen. Binnen een paar uur had ze dertig nieuwe woorden aan haar vocabulaire toegevoegd. Van dat ogenblik af leerde ze met een onwaarschijnlijke snelheid.

Juffrouw Sullivan leerde haar lezen door zinnetjes te vormen op een soort leesplankje, nadat ze elk woord daarvan — op karton — naast het betreffende voorwerp had gelegd, bijvoor­beeld: pop ligt op bed. “Als ze met haar vingers bekende woorden aantreft,” schreef Anne Sullivan, “dan schreeuwt ze het eenvou­dig uit van plezier en valt mij van vreugde om de hals. Toen ik haar mijn ‘braille-lei’ gaf om haar bezig te houden, schreef die kleine heks er al gauw letters op. Ik had geen idee dat ze wist wat een letter was!”

Na drie maanden kende Helen vierhonderd woorden en een heleboel uitdrukkingen. Die zomer ging het spelletje steeds door, binnenshuis of buiten, uren achtereen. Helen leerde laurier onder­scheiden van kamperfoelie, en een varken van een kip. Juffrouw Sullivan maakte van klei voor haar leerlinge reliëfkaarten met touwtjes en takjes ten einde de evenaar, meridianen en polen aan te geven. Ze leerde Helen tellen door kralen groepsgewijs op garen te rijgen, en gebruikte stokjes van de fröbelschool om haar te leren optellen en aftrekken. Dat was het enige vak waar het kind niet van hield. Al gauw kon ze keurig met potlood schrijven. Nog geen maand na haar eerste poging schreef ze haar nichtje een leesbaar, goed gespeld briefje.

Toen Helen bijna acht was ging juffrouw Sullivan met haar terug naar het Perkins-Instituut, waar een volkomen nieuwe wereld voor haar openging. Ze kreeg brailleboeken te lezen en kon omgaan met andere kinderen, die het handalfabet kenden. Al gauw bleek ze over verbluffende talenten te beschikken. Ze leerde daar lezen, rekenen, aardrijkskunde, plant- en dierkunde. Het was een tijd van grote geestelijke groei voor Helen. Wanneer ze met juffrouw Sullivan op reis was, spelde deze in haar hand vlotte beschrijvingen van wat ze onderweg voorbijkwamen — bergen en rivieren, dorpen en steden, hoe de mensen eruitzagen en hoe ze gekleed waren. Ze brachten de zomer door op Cape Cod, waar Helen leerde zwemmen; maar de eerste maal dat ze in zee plonsde was wel een grote verrassing voor haar, want niemand had eraan gedacht haar te vertellen dat zeewater zout is! Ze leerde roeien en zeilen, paardrijden en fietsen op een tandem. Ze groeide op tot een slanke, bevallige jonge vrouw, die blijk gaf van charme en gevoel voor humor.

De volgende stap was een middelbare schoolopleiding, waar Helen zich met haar gewone grondigheid op voorbereidde. Ze ging naar de kostschool voor jonge dames te Cambridge in Massachusetts, waar ze intensief les kreeg, steeds met juffrouw Sullivan naast zich om alle lessen aan haar door te geven. In 1900 liet ze zich inschrijven op de Radcliffe-Academie voor Vrouwen, als eerste dubbel gehandicapte student die ooit aan een instelling van hoger onderwijs was gaan studeren. Maar de universiteit werd een teleursteling voor Helen. Haar vorderingen waren goed, maar ze kreeg niet genoeg tijd om na te denken. Tijdens de colleges kon ze geen dictaat bijhouden, doordat ze haar handen nodig had om te “luisteren”. Wat ze zich kon herinneren, schreef ze op zodra ze thuiskwam. Voor algebra, meetkunde en natuurkunde gebruikte ze een braille-schrijfmachine, maar ze had weinig aanleg voor wiskunde. De examens waren een nachtmerrie. Sommige colleges vond ze heerlijk, en zij en haar “Juffie” Anne Sullivan werkten als gewoonlijk met volledige concentratie. Ze kregen leerboeken in braille uit Duitsland en Engeland, en Helen las tot haar vingers ervan bloedden.

In 1904 behaalde Helen haar universitaire graad, met uitsteken­de cijfers voor Engels. Ze was toen vierentwintig. Ze kreeg al heel wat verzoeken om op bijeenkomsten te spreken of artikelen te schrijven. In 1904 werd ze ook uitgenodigd om op de tentoonstel­ling in St. Louis te komen om daar belangstelling te wekken voor het onderwijs aan doof-blinden. Maar op de Helen Kellerdag was de menigte niet in toom te houden. Haar japon werd gescheurd en de rozen werden haar van de hoed gerukt.

Ze bereidde zich op haar lezing voor door speciale lessen te nemen bij een zangpedagoog. Soms kon ze haar stem niet beheer­sen, dan daalde deze plotseling of schoot naar boven uit. Regen, wind, stof en emotie hadden invloed op de toonhoogte. “Mijn geest verstarde plotseling,” verklaarde Helen toentertijd. Ze bad. Er kwamen wel woorden bij haar op, maar ze kon geen letter­greep uitbrengen. Eindelijk stootte ze een klank uit die voor haar gevoel als een kanonschot klonk. Later hoorde ze dat het niet meer dan een fluistertoon was geweest.
Maar daarna traden juffrouw Keller en “Juffie” heel vaak in het openbaar op. Dan demonstreerde “Juffie” hoe ze Helen als kind had onderwezen. Daarna sprak haar leerlinge, die eindigde met de woorden: Ik ben nu niet stom. In 1914 gingen ze voor het eerst op tournee om overal in Amerika spreekbeurten te vervullen. Ze hadden toen ook al een energieke bekwame jonge Schotse vrouw, Polly Thompson, aangetrokken als secretaresse en “impresario”. Ze gingen naar Hollywood om daar de film Bevrijding te maken.

Toen begonnen ze met een beter soort vaudeville-optreden, dat in New York een sensatie veroorzaakte. Helen vond het heerlijk. Dit vaudeville-leven was opwekkend, kleurrijk en afwisselend. “Ze voelde de adem van het publiek op haar gezicht.”

Helen Keller was nu overal ter wereld beroemd. Haar boeken werden in vele talen overgezet en ook gebrailleerd. In de jaren dertig begon ze reizen buiten Amerika te ondernemen. Herhaal­delijk reisde ze naar Europa, toen naar het Verre Oosten — steeds met belangstelling voor de blinden, voor wie ze geld inzamelde met haar lezingen. Wie over haar had gelezen, wilde haar nu zelf zien. Ze was een ontwikkelde, zelfbewuste jonge vrouw geworden, die uitstekend tegen allerlei moeilijkheden opgewassen bleek. In vele landen ontving ze eredoctoraten en onderscheidingen.

Maar de gezondheid van “Juffie” ging achteruit. Ze was bijna blind. Ze kon het tempo van de gezonde energieke Helen niet meer bijhouden. In 1936 stierf ze, kort na de laatste van een lange reeks oogoperaties. In datzelfde jaar werd aan dit opmerkelijke tweetal de Roosevelt-medaille voor “Gezamenlijke prestaties van uit­zonderlijke aard en vérstrekkende betekenis” toegekend.

Helen Keller woont in een fraai ruim huis in de bossen van Connecticut, dicht bij Westport. In een hoek van het gazon staat als een symbool een stenen Japanse lantaarn van twee en een halve meter hoog, waarin onafgebroken een licht blijft branden — zo lang als Helen Keller leeft.
Langs de wanden van haar studeerkamer staan haar brailleboeken, waarin ze leest tot haar vingertoppen, die over zoveel kilometers uitstekende puntjes zijn gegaan, met zijde verbonden moeten worden. Haar brailïe-bijbel is nog steeds haar kostbaarste bezit. Hele stukken ervan kent ze uit het hoofd. Ze leest in het donker of bij daglicht, zoals alle blinden, die altijd slecht slapen en geen dag van de nacht kunnen onderscheiden.

Helen Keller is diep religieus. Haar geloof is haar tot steun in de uren dat ze zich terugtrekt in een diepe stilte, die slechts men­sen die blind en doofstom zijn ooit leren kennen. “Ik kijk verlan­gend uit naar het hiernamaals,” zegt ze, “waar alle lichamelijke beperkingen als kluisters van mij af zullen vallen, en waar ik mijn geliefde “Juffie” weer zal vinden, en mij met vreugde kan wijden aan groter dienstbetoon dan ik ooit heb gekend.”
.

Helen Keller

alle biografieën

.

458-425

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – vindplaatsen

De voordrachten over pedagogie(k) die Rudolf Steiner in de jaren – ruwweg – 1919 t/m 1924 in verschillende plaatsen in West-Europa hield, zijn in de ‘totale uitgave’, beter bekend als Gesamtausgabe (GA) gerubriceerd onder de nummers 293 t/m 311.

In het Duits zijn ze hier te vinden.

Een aantal voordrachten is in het Nederlands vertaald

GA 293
Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
vertaald:
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
Bij SteinerVertalingen kun je deze als PDF downloaden

GA 294
Erziehungskunst- Methodisch-Didaktisches
vertaald:
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
Bij SteinerVertalingen kun je deze als PDF downloaden

GA 295
Erziehungskunst – Seminarbesprechungen und Lehrplanvorträge
vertaald:
Praktijk van het lesgeven
(met verschillende inkijkmogelijkheden)
Scan ter inzage via vspedagogie@gmail.com (gratis)

GA 296
Die Erziehungsfrage als soziale Frage
vertaald:
Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave

GA 297
Idee und Praxis der Waldorfschule
Op deze blog vertaald. Inhoudsopgave

GA 297A
Erziehung zum Leben
Op deze blog vertaald: inhoudsopgave
behalve de 5e voordracht: Het morele en het religieuze in de opvoeding*

GA 298
Rudolf Steiner in der Waldorfschule
Gedeeltelijk vertaald
De niet-vertaalde hoofdstukken zijn op deze blog vertaald: zie inhoudsopgave

GA 299
Geisteswissenschaftliche Sprachbetrachtungen
Niet vertaald

GA 300A /B/C
Konferenzen mit den Lehrern der freien Waldorfschule
Niet vertaald, vertaling van GA 300A in uitvoering: GA 300A  inhoudsopgave

GA 301
Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft
Op deze blog vertaald:  Inhoudsopgave;

GA 302
Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung
Vertaald:
Menskunde en opvoeding

GA 302A
Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis
De 9 voordrachten staan onder drie indelingen:
Meditativ erarbeitete Menschenkunde:
Voordrachten 1, 2, 3 en 4 vertaald als:
Menskunde innerlijk vernieuwd*

Erziehungsfragen im Reifealter
Zur künstlerischen Gestaltung des Unterrichts
In de GA zijn ze voordracht 1, en 2  en bij de volgorde van 9 dus 5 en 6.
Voordracht 1 (5) vertaald
Voordracht 2 (6) op deze blog vertaald

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes:  
Ook deze voordrachten zijn weer 1, 2 en 3 genummerd en onder de 9 zijn het dus 7, 8 en 9.
Nu is er iets merkwaardigs: in de gedrukte GA staat de 1e voordracht, 15-10-1923 hiervan op blz. 107, (uitg. 1977); de 2e 16-10-1923 op blz. 122, dat is een ochtendvoordracht en de 3e, 16-10-1923, een avondvoordracht op blz. 135.
In de PDF echter staat deze 3e voordracht in de inhoudsopgave als een voordracht van 22 juni 1922 op blz. 87, dat is dus een vergissing. De tekst van de 3e voordracht van 16-10-1923 staat in de PDF ook op blz. 135, maar deze ontbreekt in de inhoudsopgave.
Deze voordrachten 1, 2 en 3, in de volgorde dus 7, 8 en 9 zijn vertaald:
Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap*

GA 303
Die gesunde Entwicklung des Menschenwesens
oorspronkelijk: Die gesunde Entwicklung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Seelisch-Geistigen
Vertaald:
Gezondmakend onderwijs*  (bij Pentagon)
voordracht 9, 10, 11 en 12 bij Phaidos 021

GA 304
Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage
Vertaald:
voordracht 1
Vertaald; Antroposofie en het praktische leven

Voordracht 2
Vertaald: Een antroposofische kijk op opvoeding, onderwijs en het praktische leven

De overige voordrachten zijn op deze blog vertaald:

Opvoed- en onderwijsmethoden vanuit de antroposofie

voordracht 3
voordracht 3  vragenbeantwoording
voordracht 4
voordracht 5
voordracht 6
voordracht 7
voordracht 8
voordracht 9
 

 GA 304A
Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik
Vertaald:
voordracht 1 en 2 Pedagogie kunst en moraliteit*
inleidende woorden bij een euritmieopvoering van leerlingen

Op deze blog: voordracht 3 [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  en de
Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
voordracht 7: De kunst van een morele en lichamelijke opvoeding (Uitg. Vrij Pedagogisch Centrum)

GA 305
Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Vertaald:
voordracht 1 t/m 9 Opvoeding en onderwijs
Bij SteinerVertalingen kun je deze als PDF downloaden

GA 306
Die pädagogische Praxis vom Gesischtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis
Op deze blog vertaald
behalve voordracht 7 Motivatie en kompromissen in de vrijeschool*

GA 307
Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung
Vertaald: Opvoeding en moderne cultuur*

GA 308
Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens
Vertaald: De wordende mens*

GA 309
Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
Op deze blog vertaald: Uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs
Inhoudsopgave
Voordracht [1] [2]  [3]  [4]  [5]
Vragenbeantwoording [1]  [2]  [3]  Toespraak

GA 310
Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik
Vertaald:
Menskunde pedagogie en kultuur*

GA 311
Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit
Op deze blog vertaald: De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens
Inhoudsopgave
Voordracht [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] vragenbeantwoording

GA 24
Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915 –1921
Verhandeling 7 Die pädagogische Grundlage und Zielsetzung der Waldorfschule
Vertaald op deze blog en in ‘In het midden de mens‘.

Verhandeling 4  Freie Schule und Dreigliederung
Vertaald:
Vrije School en Driegeleding Driegonaal 8e jaargang no.1

GA 34
Lucifer-Gnosis/Aufsätze:
(vanaf blz. 309) Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft
Vertaald:
De opvoeding van het kind*

GA 55
Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit
voordracht 6 :Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft
Op deze blog vertaald: De opvoeding van het kind vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

voordracht 7: Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft
Op deze blog vertaald: Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

GA 77A
Die Aufgabe der Anthroposophie
Fragebeantwortung am Pädagogischen Abend
Niet vertaald

GA 95
Vor dem Tore der Theosopohie
Voordracht 6
Op deze blog vertaald

GA 96
Grundimpulse der Theosophie
Voordracht 4
Op deze blog vertaald 

GA 192
Geisteswissenschaftliche Behandlung sozialer und pädagogischer Fragen
Voordracht 4,5,6 Neuorientierung des Erziehungswesens im Sinne eines freien Geisteslebens: 3 Vorträge über Volkspädagogik
Op deze blog vertaald: 3 voordrachten over volkspedagogie

GA 217
Geistige Wirkungskräfte im Zusammenleben von alter und junger Generation
voordracht 9
Niet vertaald
Geistige Wirkungskräfte im Zusammenleben von alter und junger Generation
Voordracht 10
Niet vertaald

GA 218
Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des menschlichen Organismus
Voordracht 12: Erziehungs- und Unterrichtsfragen
Niet vertaald
Voordracht 13 Erziehungskunst durch Menschenerkenntnis
Op deze blog vertaald: Opvoedkunst door menskunde

Los uitgegeven met een andere titel

*nadere informatie via ‘fondslijst’

.

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

457-424

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 9

 .

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1]  [2]  [3  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording bij de 3e voordracht.

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOPHISCHER
GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Blz. 216

Voordracht 9, Dornach 16 september 1922, tijdens de ‘Franse cursus’ in het 
Goetheanum.

Die Gegenwart ist die Zeit des Intellektualismus. Der Intellekt ist diejenige Seelenkraft, bei deren Betätigung der Mensch am wenigsten mit dem Inneren seines Wesens beteiligt ist. Man spricht nicht mit Unrecht von dem kalten intellektuellen Wesen. Man braucht nur daran zu denken, wie der Intellekt auf die künstlerische Anschauung und Betäti­gung wirkt. Er vertreibt oder beeinträchtigt sie. Künstler fürchten sich auch davor, daß ihre Schöpfungen von der Intelligenz begrifflich oder symbolisch erklärt werden. In dieser Klarheit verschwindet die Seelen-wärme, die im Schaffen den Werken das Leben gegeben hat. Der Künstler möchte sein Werk von dem Gefühle, nicht von dem Verstande, ergriffen wissen. Denn dann geht die Wärme, in der er es erlebt hat, in den Betrachter hinüber. Von der intellektuellen Erklärung aber wird diese Wärme zurückgestoßen.
Im sozialen Leben ist es so, daß der Intellektualismus die Menschen voneinander absondert. Sie können in der Gemeinschaft nur recht wirken, wenn sie ihren Handlungen, die stets auch Wohl und Wehe der Mitmenschen bedeuten, etwas von ihrer Seele mitgeben können. 

De huidige tijd** is de tijd van het intellectualisme. Het intellect is die kracht van de ziel waarmee de mens, als hij er zich van bedient, het minst met zijn innerlijk wezen erbij  betrokken is. Er wordt niet voor niets gesproken over het ‘koude’ intellect.
Je hoeft er alleen maar aan te denken hoe het intellect werkt bij een kunstzinnige beschouwing en betrokkenheid. Het verdrijft of beïnvloedt deze. Kunstenaars zijn ook bang dat hun scheppingen door het intellect begrijpelijk gemaakt of symbolisch verklaard worden. Bij deze overzichtelijkheid verdwijnt de zielenwarmte die aan de werken leven heeft gegeven. De kunstenaar wil dat zijn werk door het gevoel, niet door het verstand gegrepen wordt. Dan gaat de warmte waarmee hij het beleefd heeft, op de toeschouwer over. Door de intellectuele verklaring wordt de warmte teruggeketst.
In het sociale leven is het zo, dat het intellectualisme de mensen van elkaar afzondert. Zij kunnen pas echt in de gemeenschap werken, wanneer zij aan hun verrichtingen die ook steeds wel en wee voor de medemens betekenen, iets van hun ziel kunnen meegeven.

Ein Mensch muß an dem anderen nicht nur dessen Betätigung erleben, sondern etwas von dessen Seele. In einer Handlung aber, die dem Intellektualismus entspringt, hält der Mensch sein Seelisches zurück. Er läßt es nicht in den anderen Menschen hinüberfließen.
Man spricht schon lange davon, daß in Unterricht und Erziehung der Intellektualismus lähmend wirkt. Man denkt dabei zunächst nur an die Intelligenz des Kindes, nicht an die des Erziehenden. Man will die Erziehungs und Unterrichtsmethoden so gestalten, daß in dem Kinde nicht bloß der kalte Verstand in Wirksamkeit tritt und zur Entwickelung kommt, sondern daß in ihm auch die Wärme des Herzens entfaltet wird.
Die anthroposophische Weltanschauung ist damit vollkommen einverstanden.

Een mens moet aan de ander niet alleen diens activiteiten meebeleven, maar ook iets van zijn ziel. Maar bij een handeling die uit het intellectualisme voortkomt, houdt de mens zijn ziel terug. Die laat hij niet naar de ander toestromen.
Er wordt al lange tijd over gesproken dat in onderwijs en opvoeding het intellectualisme verlammend werkt. Men denkt daarbij allereerst slechts aan het intellect van het kind, niet aan dat van de opvoeder. Men wil de opvoedings- en onderwijsmethoden zo vorm geven, dat in het kind niet alleen het kille verstand werkt en tot ontwikkeling komt, maar dat ook de hartenwamrte ontwikkeld wordt.
De antroposofische wereldbeschouwing is het daarmee helemaal eens.

blz. 217

Sie anerkennt im vollsten Maße die vorzüglichen Erzie­hungsmaximen, welche durch diese Forderung Leben gewonnen haben. Aber sie ist sich klar darüber, daß Seele nur von Seele mit Wärme erfüllt werden kann. Deshalb meint sie, daß vor allem die Pädagogik selbst und dadurch die ganze pädagogische Tätigkeit der Erziehenden beseelt wer­den müsse.
In die Unterrichts- und Erziehungsmethoden ist im Laufe der neueren Zeit stark der Intellektualismus eingezogen. Es ist ihm dieses auf dem Umwege durch das moderne wissenschaftliche Leben gelungen. Die Eltern lassen sich von der Wissenschaft sagen, was dem Leiblichen, Seelischen und Geistigen des Kindes gut ist. Die Lehrer empfangen in ihrer eigenen Ausbildung von der Wissenschaft den Geist ihrer Erzie­hungsmethoden.
Aber diese Wissenschaft ist zu ihren Triumphen eben durch den Intellektualismus gekommen. Sie will ihren Gedanken gar nicht etwas von dem eigenen Seelenleben des Menschen mitgeben. Sie will ihnen alles geben lassen von der sinnlichen Beobachtung und dem Experiment.

Ze erkent ten volste de voortreffelijke opvoedingsbeginselen die door deze eis aan leven gewonnen hebben. Maar voor haar is het duidelijk dat slechts de ene ziel aan de andere warmte kan geven. Daarom is zij van mening dat boven alles de pedagogiek zelf en daardoor heel het pedagogisch bezig zijn van de opvoeder bezieling moet krijgen.
In de onderwijs- en opvoedingsmethoden van de laatste tijd* heeft het intellectualisme sterk zijn intrede gedaan. Dat werd mogelijk door het moderne wetenschappelijke leven. De ouders laten zich door de wetenschap vertellen wat voor lichaam, ziel en geest van het kind goed is. De leerkrachten krijgen in hun eigen opleiding van de wetenschap de mentaliteit van haar opvoedingsmethoden mee.
Maar deze wetenschap is nu juist door het intellectualisme tot haar triomfen gekomen. Bij haar denkbeelden past niet zoiets als het eigen zielenleven van de mens.
Wél alles van de zintuiglijke waarneming en het experiment.

Eine solche Wissenschaft kann die ausgezeichnete Naturerkenntnis ausbilden, die in der neueren Zeit entstanden ist. Sie kann aber nicht eine wahre Pädagogik begründen.
Eine solche aber muß auf einem Wissen ruhen, das den Menschen nach Leib, Seele und Geist umfaßt. Der Intellektualismus erfaßt den Menschen nur nach dem Leibe. Denn der Beobachtung und dem Experi­ment offenbart sich nur das Leibliche.
Es ist erst eine wahre Menschenerkenntnis notwendig, bevor eine wahre Pädagogik begründet werden kann. Und eine wahre Menschener­kenntnis möchte die Anthroposophie erringen.
Man kann den Menschen nicht so erkennen, daß man erst seine leibliche Wesenheit durch eine bloß auf das sinnlich Erfaßbare begrün­dete Wissenschaft in der Vorstellung aufbaut und dann frägt, ob diese Wesenheit auch beseelt ist, und ob in ihr ein Geistiges tätig ist.
Für die Behandlung des Kindes ist eine solche Stellung zur Menschen-erkenntnis schädlich. Denn weit mehr als beim Erwachsenen sind im Kinde Leib, Seele und Geist eine Lebenseinheit. Man kann nicht erst nach Gesichtspunkten einer bloßen Sinneswissenschaft für die Gesundheit

Zo’n wetenschap kan de uitstekende kennis van de natuur ontwikkelen die in de laatste tijd ontstaan is. Maar een echte pedagogiek kan ze niet in het leven roepen.
Die moet berusten op een weten dat de mens naar lichaam, ziel en geest omvat. Het intellectualisme beschouwt de mens alleen als lichaam. Want de waarneming en het experiment kunnen alleen in het lichamelijke tot uiting komen.
Er is eerst echte menskunde nodig, voor er een echte pedagogiek kan ontstaan. En de antroposofie zou een echte menskunde willen verwerven.
Men kan de mens niet zo kennen, dat men eerst zijn lichamelijkheid in de voorstelling opbouwt door een wetenschap die als basis alleen het zintuiglijk meetbare heeft, om vervolgens te vragen of dit wezen ook een ziel heeft en of er ook iets geestelijks in werkzaam is.
Voor het omgaan met het kind is zo’n stellingname t.o.v. de mens schadelijk. Want veel meer dan bij de volwassenen zijn in de kinderen lichaam, ziel en geest een levenseenheid. Je kunt niet eerst volgens de gezichtspunten van alleen maar een zintuigwetenschap voor de gezondheid

blz. 218

des Kindes sorgen, und dann dem gesunden Organismus das beibringen wollen, was man für es seelisch und geistig angemessen hält. In jedem einzelnen, das man seelisch-geistig an dem Kinde und mit dem Kinde vollbringt, greift man gesundend oder schädlich in sein Leibes-leben ein. Seele und Geist wirken sich im Erdendasein des Menschen leiblich aus. Der leibliche Vorgang ist eine Offenbarung des Seelischen und Geistigen.
Die Sinneswissenschaft kann nur auf den Leib als Wesen mit körper-haften Vorgängen gerichtet sein; sie kommt nicht zu einer Erfassung des ganzen Menschen.
Man fühlt dieses, indem man auf die Pädagogik hinsieht. Aber man verkennt dabei, was in dieser Beziehung der Gegenwart not tut. Man sagt es nicht deutlich, aber man meint es in einer halben Bewußtheit:
Durch Sinneswissenschaft kann die Pädagogik nicht gedeihen, also begründe man nicht aus dieser Wissenschaft, sondern aus den Erzie­hungsinstinkten heraus die pädagogischen Methoden.

van een kind zorg dragen en dan het gezonde organisme datgene willen toedienen wat men dan voor ziel en geest geschikt acht. In ieder onderdeel van wat men op het gebied van ziel en geest aan het kind voltrekt, grijpt men gezondmakend of schade toebrengend aan zijn lichamelijk wezen in. Ziel en geest hebben tijdens het aardse leven invloed op het lichaam van de mens. Het lichamelijke proces is een uitdrukking van ziel en geest. De zintuigwetenschap kan alleen maar op het lichaam als een verschijnsel met lichamelijke processen gericht zijn; zij komt niet tot een opvatting over de mens als geheel.
Dat voel je, wanneer je naar de pedagogiek kijkt.
Maar men beseft in dit opzicht niet wat de tegenwoordige tijd nodig heeft. Men zegt het niet zo duidelijk, maar men bedoelt, half bewust:
Door zintuigwetenschap kan de pedagogiek niet floreren, dus moeten we maar uit de opvoedingsinstincten en niet uit die wetenschap de pedagogische methoden vormen.

Das wäre in der Theorie anzuerkennen. Aber in der Praxis führt es zu nichts. Denn die moderne Menschheit hat die Ursprünglichkeit des Instinktlebens verloren. Es bleibt ein Tappen im dunkeln, wenn man aus heute nicht mehr elementar im Menschen vorhandenen Instinkten eine instinktive Pädagogik aufbauen will.
Das wird durch die anthroposophische Erkenntnis eingesehen. Durch sie kann man wissen, daß die intellektualistische Orientierung in der Wissenschaft einer notwendigen Phase in der Entwickelung der Mensch­heit ihr Dasein verdankt. Die Menschheit der neueren Zeit ist aus der Periode des Instinktlebens herausgetreten. Der Intellekt hat seine her­vorragende Bedeutung erhalten. Die Menschheit brauchte ihn, um auf ihrer Entwickelungsbahn in der rechten Weise fortzuschreiten. Er führt sie zu demjenigen Grade der Bewußtheit, den sie in einem gewissen Zeitalter erklimmen muß, wie der einzelne Mensch in einem Lebensalter gewisse Fähigkeiten erringen muß. Aber unter dem Einflusse des Intel­lektes werden die Instinkte abgelähmt. Man kann nicht, ohne gegen die Entwickelung der Menschheit zu arbeiten, zu dem Instinktleben wieder zurückkehren wollen. Man muß die Bedeutung der Vollbewußtheit anerkennen, die durch den Intellektualismus errungen ist. Und man muß

Wat de theorie betreft, daar kan men het wel mee eens zijn. Maar in de praktijk leidt het tot niets. Want de moderne mens is het oorspronkelijke instinctieve leven kwijtgeraakt. Het blijft luchtfietsen, wanneer men uit fundamenteel niet meer aanwezige menselijke instincten een instinctieve pedagogiek vorm wil geven.
Met antroposofische kennis zie je dit in. Hierdoor kan men weten dat het intellectualistisch zich oriënteren in de wetenschap haar bestaan te danken heeft aan een noodzakelijke fase in de ontwikkeling van de mensheid.
De mensheid van de nieuwere tijd heeft de fase van het instinctleven verlaten. Het intellect heeft zijn voortreffelijke betekenis gekregen. De mensheid had het nodig om op het pad van de ontwikkeling op de juiste koers te blijven.
Dit leidt haar naar die graad van bewustzijn die ze in een bepaalde tijd moest bereiken, zoals de individuele mens op een bepaalde leeftijd zekere vaardigheden verwerven moet. Maar onder invloed van het intellect verzwakten de instincten. Je kunt niet, zonder tegen de ontwikkeling van de mens in te gaan, weer terug willen naar het instinctieve leven. De betekenis van het ten volle tot bewustzijn te zijn gekomen door het intellectualisme, moet je accepteren. En je moet

b;z. 219

dem Menschen in dieser Vollbewußtheit das auch vollbewußt wieder geben, was ihm kein Instinktleben heute mehr geben kann.
Dazu braucht man eine Erkenntnis des Geistigen und Seelischen, die ebenso auf Wirklichkeit begründet ist wie die im Intellektualismus begründete Sinneswissenschaft. Eine solche strebt die Anthroposophie an. Dies anzuerkennen, davor schrecken viele Menschen heute noch zurück. Sie lernen die Art kennen, wie die moderne Wissenschaft den Menschen verstehen will. Sie fühlen, so kann man ihn nicht erkennen. Daß aber eine neue Art weiter ausgebildet werden könne, um in ebensol­cher Bewußtheit zu Seele und Geist vorzudringen wie zum Körperhaf­ten, dazu will man sich nicht bekennen. Deshalb will man für die Erfassung und erziehliche Behandlung des Menschlichen wieder zu den Instinkten zurückkehren.
Aber man muß vorwärtsgehen; und dazu hilft nichts als zu der Anthropologie eine Anthroposophie, zu der Sinneserkenntnis vom Menschen eine Geisteserkenntnis hinzugewinnen. Das völlige Umlernen und Umdenken, das dazu nötig ist, erschreckt die Menschen. Und aus einem unbewußten Schreck heraus klagen sie die Anthroposophie als phantastisch an, während sie nur auf dem Geistgebiete so besonnen vorgehen will wie die Sinneswissenschaft auf dem physischen.

de mens in dit volle bewustzijn ook volbewust geven wat het instinctleven hem niet meer geven kan. Daarvoor heb je kennis van de geest en van de ziel nodig die net zo op realiteit berust, als de zintuigwetenschap berust op het intellectualisme. Hiernaar streeft de antroposofie.
Voor een erkenning hiervan schrikken veel mensen nu nog terug.
Ze leren de manier kennen zoals de moderne wetenschap de mens begrijpen wil. Dat er echter op een nieuwe manier verder gebouwd kan worden om met net zo’n volledig bewustzijn door te dringen in de geest en de ziel, als in het lichamelijke, dat wil men niet accepteren. Dus keert men liever terug naar de instincten voor het begrip en het opvoedkundig behandelen van de mens.
Maar, we moeten vooruit; en daarbij helpt niets de antropologie zo, dan de antroposofie; bij de zintuigkennis omtrent de mens kennis over de geest verwerven.
Het totaal andere denken en andere leren, schrikt de mens af. En vanuit die onbewuste angst verwijten de mensen de antroposofie fantasterij. terwijl ze nu juist op het terrein van de geest net zo vol bezinning te werk wil gaan als de zintuigwetenschap op lichamelijk gebied.

Man sehe auf das Kind hin. Es entwickelt um das siebente Lebensjahr herum seine zweiten Zähne. Diese Entwickelung ist nicht das Werk bloß des Zeitabschnittes um das siebente Jahr herum. Sie ist ein Geschehen, das mit der Embryonalentwickelung beginnt und im zweiten Zahnen nur den Abschluß findet. Es waren immer schon Kräfte in dem kindli­chen Organismus tätig, welche auf einer gewissen Stufe der Entwicke­lung die zweiten Zähne zur Entwickelung bringen. Diese Kräfte offen­baren sich in dieser Art in den folgenden Lebengabschnitten nicht mehr. Weitere Zahnbildungen finden nicht statt. Aber die entsprechenden Kräfte haben sich nicht verloren; sie wirken weiter; sie haben sich bloß umgewandelt. Sie haben eine Metamorphose durchgemacht. Es finden sich noch andere Kräfte im kindlichen Organismus, die in ähnlicher Art eine Metamorphose durchmachen.
Betrachtet man in dieser Art den kindlichen Organismus in seiner Entfaltung, so kommt man darauf, daß die Kräfte, um die es sich da

Kijk nu eens naar het kind. Zo rond het 7e jaar krijgt het zijn blijvende tanden. Deze ontwikkeling is niet alleen maar de werkzaamheid van een periode rondom het 7e. Het is een proces dat in de embryonale ontwikkeling begint en dat bij het krijgen van de blijvende tanden alleen maar tot een afsluiting komt. Er waren steeds al krachten werkzaam in het organisme van het kind die in een bepaalde fase in de ontwikkeling de blijvende tanden tevoorschijn brengen. Deze krachten treden in de volgende levensfasen niet meer op deze manier naar buiten. Nieuwe tandenvorming vindt niet meer plaats. Maar de krachten die erbij horen, zijn niet verloren gegaan; die werken verder; ze zijn alleen anders geworden. Ze hebben een metamorfose doorgemaakt. Er bevinden zich in het organisme van het kind nog andere krachten die ook een metamorfose ondergaan.
Wanneer je op deze manier naar de ontplooiing van het kinderlijk wezen kijkt, kom je op de gedachte dat de krachten waarom het gaat

blz. 220

handelt, vor dem Zahnwechsel in dem physischen Organismus tätig sind. Sie sind untergetaucht in die Ernährungs- und Wachstumsprozesse. Sie leben in ungetrennter Einheit mit dem Körperlichen. Um das sie­bente Lebensjahr herum machen sie sich von dem Körper unabhängig. Sie leben als seelische Kräfte weiter. Wir finden sie in dem älteren Kinde tätig im Fühlen, im Denken.
Die Anthroposophie zeigt, wie dem physischen Organismus des Menschen ein ätherischer eingegliedert ist. Dieser ätherische Organis­mus ist bis zum siebenten Lebensjahre in seiner ganzen Ausdehnung im physischen Organismus tätig. In diesem Lebensabschnitte wird ein Teil des ätherischen Organismus frei von der unmittelbaren Betätigung am physischen Organismus. Er erlangt eine gewisse Selbständigkeit. Mit dieser wird er auch ein selbständiger, von dem physischen Organismus relativ unabhängiger Träger des seelischen Lebens.
Da sich aber das seelische Erleben nur mit Hilfe dieses ätherischen Organismus im Erdendasein entfalten kann, so steckt das Seelische vor dem siebenten Lebensjahre ganz in dem Körperlichen darinnen. Soll in diesem Lebensalter Seelisches wirksam werden, so muß die Wirksamkeit körperlich sich offenbaren.

vóór de tandenwisseling aan het fysieke organisme werkzaam zijn geweest. Ze zijn ondergedoken in de processen van groei- en instandhouding. Die zijn niet zelfstandig, maar vormen een eenheid met het lichaam. Rondom het 7e jaar worden ze onafhankelijk van het lichaam. Ze leven als zielenkrachten verder. We vinden ze in het oudere kind terug in voelen en denken. De antroposofie toont aan hoe het fysieke organisme van de mens in zich een etherische component heeft. Dit etherorganisme is tot rond het 7e jaar als totaliteit in het fysieke actief. In deze leeftijdsfase wordt een deel van het etherische leven vrij van het directe werken aan het fysieke organisme. Het krijgt een zekere zelfstandigheid. Hiermee wordt het een meer op zichzelf staande, van het fysieke lichaam in een bepaald opzicht onafhankelijke drager van het gevoelsleven.
Echter, omdat het zielenleven alleen maar met behulp van het etherwezen zich in het leven kan ontplooien, bevindt zich het gevoelsleven vóór het 7e jaar helemaal in het lichamelijke.
Als het gevoelsleven zich op deze leeftijd wil manifesteren komt dit in het lichamelijke tot uitdrukking.

Das Kind kann nur mit der Außenwelt in ein Verhältnis kommen, wenn dieses Verhältnis einen Reiz darstellt, der körperlich sich ausleben kann. Das ist nur dann der Fall, wenn das Kind nachahmt. Vor dem Zahnwechsel ist das Kind ein rein nachahmendes Wesen im umfassendsten Sinne. Seine Erziehung kann nur darinnen bestehen, daß die Menschen seiner Umgebung ihm das vormachen, was es nachahmen soll.
Der Erzieher soll in sich selbst erleben, wie der menschliche physische Organismus ist, wenn dieser noch seinen ganzen ätherischen Organis­mus in sich hat. Das gibt die Menschenkenntnis des Kindes. Mit dem abstrakten Prinzip allein ist nichts anzufangen. Für die Erziehungspraxis ist notwendig, daß eine anthroposophische Erziehungskunst im einzel­nen entwickelt, wie sich der Mensch als Kind offenbart.
Zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife steckt nun im physischen und im ätherischen Organismus ein seelischer Organismus darinnen – der von der Anthroposophie astralisch genannte – wie bis zum Zähnwechsel der ätherische im physischen.

Het kind kan alleen met de buitenwereld in relatie treden, wanneer deze relatie uit een prikkel bestaat die lichamelijk tot uitdrukking kan komen. Dat is alleen dan het geval, wanneer het kan nabootsen. Vóór de tandenwisseling is het kind louter een nabootsend wezen, in de meest omvattende zin. Zijn opvoeding kan er alleen maar uit bestaan dat zijn omgeving hem voordoet, wat hij moet nadoen.
De opvoeder moet bij zichzelf beleven hoe het menselijk fysieke organisme is, wanneer dat nog een vol etherisch leven in zich draagt. Dat levert de mensenkunde van het kind op.
Met het abstracte principe valt niets te beginnen. Voor de praktijk van het opvoeden is het nodig, dat een antroposofische opvoedkunst gedetailleerd ontwikkelt, hoe de mens zich als kind uit.
Tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid zit er in het fysieke en het etherische organisme een gevoelsorganisme – dat door de antroposofie astraallijf wordt genoemd – zoals tot de tandenwisseling het etherische in het lichamelijke.

blz. 221

Das bedingt, daß für dieses Lebensalter das Kind ein Leben entwik­kelt, das sich nicht mehr in der Nachahmung erschöpft. Aber es kann auch noch nicht nach vollbewußten, vom intellektuellen Urteil geregel­ten Gedanken, sein Verhältnis zu anderen Menschen bestimmen. Das ist erst möglich, wenn ein Teil des Seelenorganismus mit der Geschlechts-reife sich von dem entsprechenden Teile des ätherischen Organismus zur Selbständigkeit loslöst. Vom siebenten bis zum vierzehnten oder fünf­zehnten Lebensjahre ist das Bestimmende für das Kind nicht diejenige Orientierung an den Menschen seiner Umgebung, die durch die Urteils­kraft, sondern diejenige, die durch die Autorität bewirkt wird.
Das aber hat zur Folge, daß die Erziehung für diese Lebensjahre ganz im Sinne der Entwickelung einer selbstverständlichen Autorität gestaltet werden muß. Man kann nicht auf die Verstandesbeurteilung des Kindes bauen, sondern man muß durchschauen, wie das Kind annehmen will, was ihm als wahr, gut, schön entgegentritt, weil es sieht, daß sein vorbildlicher Erzieher dies für wahr, gut, schön hält.
Dazu muß dieser Erzieher so wirken, daß er gewissermaßen das Wahre, Gute und Schöne dem Kinde nicht bloß darstellt, sondern es ist. Was er ist, geht auf das Kind über, nicht, was er ihm lehrt. Alle Lehre muß wesenhaft im Vorbilde vor das Kind hingestellt werden. Das Lehren selbst muß ein Kunstwerk, kein theoretischer Inhalt sein.

Dat betekent dat het kind in deze levensfase zich niet meer alleen uitleeft in de nabootsing. Maar het kan ook nog niet met volbewuste, door een intellectueel oordeel gestuurde gedachten, zijn verhouding tot de andere mens bepalen. Dat kan pas, wanneer een deel van het zielenorganisme met de geslachtsrijpheid zich als op zichzelf staand, losmaakt van het erbij behorende etherische organisme.
Van het 7e tot het 14-, 15e jaar is bij het zich oriënteren op de mensen uit zijn omgeving niet de oordeelskracht bepalend, maar wat door autoriteit tot stand komt.
Dat heeft echter tot gevolg, dat de opvoeding in deze jaren geheel moet samengaan met de ontwikkeling van een vanzelfsprekende autoriteit. Men kan niet steunen op wat het kind met het verstand beoordeelt, maar men moet inzien dat het kind accepteren wil wat het als waar, goed en mooi aangereikt krijgt, omdat het een voorbeeld ziet in zijn opvoeder die dit voor waar, goed en mooi houdt.
Daartoe moet de opvoeder in zekere zin zo bezig zijn, dat hij niet alleen maar het ware, goede en mooie toont, maar dat ís.
Wat hij is, gaat op het kind over, niet wat hij het leert. Al het aanleren moet in wezen voorbeeld zijn voor het kind.
Het aanleren zelf moet een kunst zijn, geen theoretische inhoud.

*GA=GesamtAusgabe, de genummerde werken en voordrachten van Steiner.
GA 304

Rudolf Steiner: pedagogische voordrachten

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen.

.

.

456-424

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Carnaval (19)

.

CARNAVAL

Eindelijk winter!* Aan de vooravond van deze koude dagen stond er een prach­tige heldere maan aan de hemel. Zelfs overdag scheen hij ijzig mooi boven het naakte hout van de boomkruinen, het leek een voorbode van de strakke gladde ijsvlaktes die zouden komen. Nu zit het ritmische bewegen van het eerder nog golvende water in de benen van alle schaatsers. En na een fijne dag buiten branden we ’s avonds alle kaarsjes op van de kersttijd. Nog een moment genieten van de aanwezige kerstlichtjes, die we verder in onszelf on­zichtbaar brandende moeten houden.

De eerste schooldag na de vakantie hebben alle kinderen op school het Drie Koningenfeest gevierd.
Bij de kleuters en de laagste klassen mochten de drie kinderen die een boon in het feestbrood vonden, de rode, blauwe en groene koning zijn. Getooid met mantel, kroon en staf lopen zij rond en be­groeten Maria en het kindje.
De koningen uit de hogere klassen mogen een wens doen. Voor iedereen, tot en met de zevende klas, is het nog spannend of je dit jaar eindelijk een koning zal zijn.

Vanaf de vierde klas zien de kinderen het Drie Koningenspel, het laatste van de drie kerstspelen.

In dit spel ontmoeten zij het in alles heersende krachtenspel tussen licht en duister. Duister is de boze Koning Herodes, een gekroonde vorst op een troon. Licht is de ware Koning in een schamele stal, die werd geduid door een ster aan de hemel. Hij zal nooit een troon bestijgen, zijn enige kroon is de doornenkroon aan het eind van zijn leven.

In ieder mensenleven is het moeilijk om geen “tronen” te bestijgen, die macht geven om onmacht te verbergen. Afstand doen geeft helderheid van Geest en maakt ruimte voor vrede en rust. Alleen dan kunnen alle mensen elkaars ongelijke gelijke zijn.

Op weg naar het feest van carnaval, als inleiding van de veertig dagen du­rende lijdenstijd, hoopt ieder toch dat deze beelden uit de kerstspelen gestalte kunnen krijgen, niet alleen in onze kinderen als ze volwassen zijn, maar ook in ons en in allen die op dit moment in de gelegenheid zijn of zullen komen iets bij te dragen aan de “VREDE” op aarde.

Op de laatste dag voor de krokusvakantie vieren we carnaval. Alle leerling­en komen verkleed op school, de oudsten natuurlijk compleet met maskers. In vele culturen en ook bij de voor-Christelijke volksfeesten gaf het dragen van een masker de gelegenheid iets te laten doorklinken vanuit de wereld van het bovenaardse. Deze jaarlijks terugkerende gemaskerde volksfeesten zijn de bakermat van het hedendaagse toneel.

Aan kinderen beleven we dat het ‘verkleden’, het steeds weer veranderen van persoon, het mogelijk maakt de wereld vanuit allerlei posities en
ge­zichtspunten te bekijken en te leren kennen. Een masker hebben kleine
kin­deren nog niet nodig, hun eigen identiteit zit ze nog niet in de weg.
Bij de opvoering van de kerstspelletjes van de laagste klassen voor de kerstvakantie werd duidelijk zichtbaar dat zij het ‘heilige’ van de kerst­figuren konden doorgeven slechts omhuld door eenvoudige ‘verkleedkleren’.

Heel anders is het in de hogere klassen, zij komen verkleed en gemaskerd om zichzelf te verbergen. Los van zichzelf, losbandig!,  kunnen ze opgaan in het feestgewoel, omhuld door de identiteit van een onbekende ander, zonder valse schaamte, verlegenheid en zonder de als vreselijk ervaren eigen
ver­antwoordelijkheid voor al het kattenkwaad dat uitgehaald wordt in het leven van alle dag. Als aan het eind van de dag iedereen weer ontmaskerd is, is de feestroes voorbij en voor sommige kinderen is het net of ze er niet bij zijn geweest.

In de wereld van de volwassenen treedt na de ontmaskering bewust de
lijdenstijd in. Van oudsher een tijd van inkeer en onthouding, een oefenweg tot religie. Religie in de betekenis van weer verbonden raken, verbonden met de oorspronkelijke krachten van het leven (verbonden met de Geest). Losbandigheid en verbondenheid horen bij elkaar, maar het streven is toch verbondenheid in de ruimste zin van het woord te bereiken zonder masker!

Buiten in de natuur wordt het nu lichter en tegelijk ook warmer, de dagen worden langer en de zon komt iedere dag hoger aan de hemel. De polariteit in de jaarfeesten ondergaat een ommekeer, na de ‘licht’-feesten in de donkere wintertijd komen nu de ‘donkere’-feesten in de lichte zomertijd.
In het leven van de jongste schoolkinderen is nog geen duisternis, de volle omvang van de duisternis begint in de pubertijd binnen te treden. Daarom zal het vieren van de komende jaarfeesten verschillend zijn voor de ver­schillende leeftijdsgroepen.

Belangrijk is daarbij dat met de kinderen op school alle jaarfeesten inten­sief vanuit de ‘licht’krachten in mens en wereld gevierd worden. Want wie de macht van het licht, van het nieuwe in het leven, kent, zal het duister altijd ontmaskeren.

(Annemieke Zwart, vrijeschool Ede, nadere gegevens ontbreken)

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten

.

455-423

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-8)

.

KRACHT PUTTEN UIT RITME

Het slaap-waakritme is zo’n vanzelfsprekend ritme dat je er eigenlijk niet eens bij stilstaat. Pas als je lijdt aan een slaapstoornis of nachten hebt gewaakt bij een zieke, merk je hoe je lichamelijk welbehagen van dat ritme afhankelijk is.
Naast het slaap-waakritme zijn er nog heel wat andere ritmes die invloed uitoefenen op onze gezondheid.
Wat voor ritmes zijn dat en hoe kun je ze herkennen?

Wie ooit naar Amerika of nog verder, naar Australië of Nieuw-Zeeland is gevlogen, heeft kennis kunnen maken met een merkwaardig fenomeen. Ook al ben je zelf van plan je onmiddellijk aan te passen aan de andere taal, het klimaat en de omstandigheden, vaak ziet je lichaam dat de eerste dagen nog helemaal niet zitten. De uiterlijke klok is immers niet gelijkgesteld met je eigen bioritme. Je lijf meldt daardoor op de verkeerde tijden dat het slaap nodig heeft of hongerig is en het leven gaat nog min of meer als een droom aan je voorbij. Pas na ongeveer een week begint het nieuwe ritme te wennen en krijg je langzaam aan het gevoel dat je er echt bent. Je hebt de ritmestoornis, in dit geval de verstoring van het slaap- en waakritme, dan overwonnen.

Ritme
Wat is ritme precies? Van Dales Groot Woordenboek omschrijft het als ‘iedere geaccentueerde, periodieke (maar niet altijd gelijke) wisseling in een bewe­ging’.
Ritme is dus de wisseling in een beweging, geen regelmaat, want dan is alles altijd hetzelfde. Na een dag en een nacht volgt steeds weer een volgen­de dag, maar tegelijk wordt het steeds iets korter of langer licht. Als je erop gaat letten, zie je overal rit­mes: in onze tijdsindeling in dag en nacht, week, maand en jaar, in de wis­seling van de seizoenen, in het functio­neren van onze organen en zelfs in onze levensloop. Onze polsslag bijvoorbeeld heeft een ritme dat in een specifieke verhouding staat tot onze ademhaling, namelijk 4 op 1. Bij een hevige schrik stokt de ademhaling en ben je even letterlijk van slag. Ook de lever heeft een eigen ritme. Hij begint rond drie uur ’s middags met zijn opbouwactiviteiten en eindigt daarmee rond drie uur ’s nachts.

Opbouw en afbraak
Interessant is dat ons eigen fysiologische ritme niet los te zien is van grotere, kosmische ritmes. Wij halen in een etmaal 25.920 keer adem; de zon heeft er 25.920 jaar voor nodig om de hele kring van de dierenriem te bewandelen.
Een ander voorbeeld: de menstruatiecyclus bestrijkt ongeveer 28 dagen, het­zelfde aantal dagen dat de maan ervoor nodig heeft om alle fasen – van nieuwe tot volle maan en weer terug – te doorlopen. Naast deze wetmatigheden zijn er ook ritmes die zich veel innerlijker afspelen. De afwisseling tussen dag- en nacht­ritme en het verschil tussen waken en slapen betekenen een afwisseling tussen afbraak en opbouw. Overdag breek je je levenskrachten af doordat je voortdurend je zintuigen gebruikt en allerlei prikkels moet verwerken; ’s nachts moet je deze levenskrachten weer opbouwen. Opbouw en afbraak gelden echter net zo goed overdag. Een hele dag intensief vergaderen of winkelen, waarbij je met je hoofd voortdurend indrukken opneemt, tendeert naar afbraak. De opbouwkant overheerst bij een dag die je doorbrengt aan de open haard, met wat soezen in de warmte, met taart en een mooie roman. Ritmische processen verbinden deze beide polariteiten. Je spaart daardoor kracht.
Ritme is een golf waardoor je je een stukje kunt laten meenemen, in plaats van tegen de stroom in te zwemmen.

De kracht van ritmes
Voor wie kracht wil putten uit de ver­schillende ritmes zijn er heel wat aanknopingspunten te vinden. In het dagritme werkt het al heel ordenend als je op een vaste tijd opstaat, een patroon ontwikkelt in het afwerken van karwei­tjes en prioriteiten stelt. Als je tussen­door pauzes inlast, een wandelingetje maakt en op tijd eet, versterkt dat de opbouw, en daardoor krijg je weer energie.
Let je op de veranderingen in het licht, op de zonsondergang, op het invallen van de schemering, op de stand van de maan en het al dan niet aanwezig zijn van sterren, dan zul je na verloop van tijd merken dat het je slaap-waakritme versterkt. Een indeling per dagdeel naar ‘hoofd, hart en handen’ kan je behoeden voor eenzijdigheid.
In het begin gaat het daarbij vooral om de registratie van wat je doet of hebt gedaan. Was ik de afgelopen morgen vooral met mijn hoofd bezig, of heb ik vooral mijn handen of benen gebruikt?
Doe ik ter afwisseling dingen die meer het hart aanspreken, zoals het schrijven van een brief, het bewonderen van een roos of een sneeuwvlok? Neem ik wel tijd voor een goed gesprek?
Daarbij zal overi­gens de een liever ’s morgens denkwerk verrichten en de ander ’s avonds.
Een weekritme is eveneens een uitstekend middel tegen eenzijdigheden en stress: op bepaalde dagen wassen of strijken, op een vaste middag verga­deren of zwemmen, op zondag heel andere dingen doen en anders eten dan in de week. Het voordeel is dat je zodoende aan allerlei dingen toekomt waar je anders geen tijd voor denkt te hebben.

Het maandritme werd al even genoemd in verband met de menstruatiecyclus. Ook daar kun je naar toeleven. Bij speciale cursussen voor vrouwen die bij de menstruatie veel pijn ondervinden, is het opvallend dat hun wordt geleerd zich niet tegen de cyclus te verzetten.
Met het ritme meegaan, niet het uiterste van jezelf vragen in je dagelijkse inspanningen, maar de buik juist extra aandacht en warmte geven, zorgt ervoor dat bij veel vrouwen de narig­heid afneemt.

Het mooie van ritme is dat het niet alleen je gezondheid ondersteunt, het maakt de wereld ook veelkleuriger en beweeglijker dan je op het eerste gezicht denkt. Steeds gaat het erom wisseling in de beweging te brengen.
Verjaardagen, feestdagen en vakantie kunnen hierdoor met meer overgave worden gevierd en, wat ook belangrijk is, je hebt ineens een zee van tijd.

(Ineke van der Duijn Schouten, m.m.v. George Maissan, huisarts, Weledaberichten nr.175, winter 1997)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

454-422

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Opspattend grind (3)

.

De overheid heeft ‘de’ lijst  EXCELLENTE  SCHOLEN 2017 gepubliceerd.

Er staan GEEN vrijescholen op.

Ik ben daar persoonlijk niet rouwig om. Mij puzzelt de vraag: kan een vrijeschool wel een door de overheid excellent bevonden school zijn?

De overheid ‘claimt’ hier het woord ‘excellent’.

Zij weet dus wat excellent is.

Zoals sommigen weten wat de ‘ware’ godsdienst is. Wie die niet belijdt is ‘niet waar’ – een afvallige – vroeger een ketter – en elders nu: een hond.

Zo weet de overheid ook precies wat ‘zwak’ en ‘sterk’ is.

Een niet overheid-excellente vrijeschool is misschien wel een excellente vrijeschool – alhoewel? Wie weet wat een excellente vrijeschool is.

Een overheid-zwakke vrijeschool is misschien wel een heel sterke vrijeschool – alhoewel? Wie weet wat een sterke vrijeschool is.

Veel ouders die een school zoeken voor hun kind zijn erg gelovig: zij nemen voetstoots aan wat de overheid zegt.

En leg dan als ‘zwakke’ vrijeschool maar eens uit dat je een goede vrijeschool bent.

Je zou bijna aan een ‘keurmerk’ denken. Er bestaat al een Demetercertificaat – zou een ‘Pallaslabel’ iets zijn?
.

Opspattend grind: alle artikelen

.

453-421

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Biografieën – alle artikelen

.

BIOGRAFIEËN

Er doen zich in het vrijeschoolonderwijs nogal wat gelegenheden voor waarbij verteld zou kunnen worden over of uit het leven van bekende persoonlijkheden.

Of dit nu bij (kunst)geschiedenis is, bij aardrijkskunde, natuur- of scheikunde, overal ontmoeten we de ‘groten der aarde’.

Steiner noemde het vertellen van biografieën als een middel om het melancholische kind in aanraking te brengen met het levenslot van een ander: opdat het leert meebeleven wat de ander heeft meegemaakt. Dat plaatst de eigen levenslotgevallen in een ander perspectief: maakt ze minder zwaar, leidt af van de op het eigen zelf betrokken aandacht.

In veel gevallen kunnen de levenslotgevallen van de beroemde persoonlijkheden ook een beeld bevatten dat voor het getuigschrift van alle leerlingen vanaf klas 6 – mits de persoon in de lessen een rol heeft gespeeld – zeer geschikt is.

                                                                                                                                                                                                                      135

Abraham
Alexander de Grote
Andersen                      Hans Christian
Aristoteles
Arkwright                     Richard
Assurbanipal
Attila de Hun
Augustus
Bach                               Johann Sebastian
Banting                         Frederic
Beaverbrook
Beecher-Stowe           Harriet
Beethoven von            Ludwig
Boeddha
Bolivar                           Simon
Bolk                               Louis
Braille
Caesar                            Julius
idem
idem
Caruso                           Enrico
Cartwright                   Edmund
Cavell                            Edith
Churchill                     Winston
Cervantes de              Miguel
Cleopatra
Columbus
                    Christoffel
Confucius
Constantijn 1 de Grote
Cook                              James
Cortez                           Hernàn
Coster                           Laurens
Cugnot                         Nicholas
Curie                             Marie
Daimler                       Gottlieb
Darius 1
Darwin                        Charles
Diocletianus
Djengis Kahn
Douglas                       Donald
Dürer                           Albrecht
Edison                         Thomas Alva
Eiffel                           Gustave
Einstein                     Albert
Elisabeth v Thüringen
Elizabeth 1
Filips de Goede
Filips l l
Fitch                           John
Ford                           Henry    [2]
Franciscus
Fulton                       Robert
Galileï                       Galileo
Gandhi                     Mahatma
Garibaldi                 Guiseppe
Goddard                  Robert
Goodyear                Charles
Groote                     Geert
Gutenberg              Johann
Hannibal
Hargreaves            James
Hauser                    Kaspar  [2]
Hendrik de Zeevaarder
Hildegard von Bingen
Hudson                   Henry
Jacquard                  Joseph
Jeanne d’Arc
Justinianus 1 de Grote
Karel de Grote
Karel V
Kay                           John/Robert
Keller                      Helen
Kübler Ross           Elisabeth
Leeuwenhoek       Antoni van
Lincoln                   Abraham
idem
Lindberg                Charles
Linnaeus                Carolus
Livingstone           David
Lodewijk XVI
Luther                    Maarten
Magalhaen           Fernao de
Manutius              Aldo            

Marconi                Guglielmo
Marx                     Karl
Mergenthaler      Ottmar
Michelangelo
Mohammed
Montgolfier        Joseph/Jacques
Morse                   Samuel
Mozart                   Wolfgang Amadeus
Nansen                  Fridtjof
Nebukadnezar
Newton                 Isaac
Nightingale         Florence
Nobel                    Alfred
Odilia
Paracelsus
Pascal                   Blaise
Pasteur                 Louis
Peary                    Robert E.
Pericles
Peter de Grote
Philips                 Gerard en Anton
Pico della Mirandola
Plato
Polo                      Marco
idem
Ptolemeus 1
Pullman              George
Salomo
Santos-Dumont Alberto
Schweizer           Albert
Senefelder          Alois
Shakespeare      William
Siemons             Werner von   zie over zijn jeugd in*
Sikorsky             Igor
Socrates
Solon
Steiner               Rudolf (gedeeltelijke biografie; ook over diens werkterreinen)
Stephenson       Georg
Straus                 Johann jr. en sr.
Suttner von
       Bertha
Tolstoi                Leo
Toscanini           Arthuro
Trevithick          Richard
Verdi                   Guiseppe
Verne                  Jules
Victoria
Voltaire
Washington 
     George
Watt                   James
Wells                  H.G.
Westinghouse  George
Wilde                  Oscar
Willem de Veroveraar
Willem van Oranje
Willem van Oranje [2]
Wright              Orville en Wilbur
Zeppelin von    Ferdinand

 

*over de vormende werking van de biografie

meer (over) biografieën in Vrije Opvoedkunst

vertelstof: alle artikelen

.

Opmerkelijk is wel, dat van de vele biografieën die ik hier kon plaatsen, er relatief weinig over ‘grote vrouwen’ gaan. Die zijn er veel meer dan o.a. hier genoemd.

Hadewych, Eva Curie, Hannie Schaft, Etty Hillesum, Fatima bint Muhammad Al-Fihriya Al-Qurashiya, Theodora van Byzantium
Hier zitten ook interessante persoonlijkheden bij. https://www.biographyonline.net/…/women-who-changed..

Vrouwen op ontdekkingsreis

.

452-420

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Edison

.

DE ELEKTRISERENDE EDISON

Als hij zo in zijn laboratorium in Menlo Park, New Jersey, rondscharrelde, met een slordige haarlok die boven zijn felle, schitterende blauwe ogen opzij over zijn voorhoofd viel, met zijn gekreukelde kleren vol vlekken en brandgaatjes van chemische stoffen, zag Thomas Alva Edison er allerminst uit als een man wiens uitvindingen reeds tijdens zijn leven een ommekeer in de wereld hadden teweeggebracht. In ieder geval gedroeg hij zich daar nooit naar. Toen een hooggeplaatste bezoeker hem eens vroeg of hij veel medailles en onderscheidingen had gekregen, zei hij: ‘O ja, ma heeft thuis een paar emmers vol.’ “Ma” was zijn vrouw, mijn moeder.

En toch was het voor ons die hem na stonden elke dag opnieuw duidelijk dat hij een reus was onder de mensen. Hoeveel diensten hij de mensheid ook heeft bewezen — hij nam patent op een recordaantal uitvindingen: 1093 — toch is dat niet de kant van hem die ik mij vooral herinner; veeleer denk ik aan zijn weergaloze moed, zijn verbeeldingskracht en doorzettingsvermogen, zijn bescheidenheid en humor. Soms was hij een echte kwajongen.

Doordat hij zo onvoorstelbaar hard werkte, was zijn huiselijk leven tamelijk beperkt, maar hij nam er toch tijd af om met zijn gezin autotochtjes te maken of te gaan vissen en om, toen wij nog klein waren, triktrak te spelen of op de grond met ons te stoeien.
Iets dat ik me heel goed herinner, is de viering van Onafhankelijkheidsdag in Glenmont, ons huis in West Orange met zijn drie verdiepingen en zijn puntdak, dat nu een nationaal monument is. Dit was voor vader de feestdag van het jaar, omdat de traditie wil dat de viering gepaard gaat met het afsteken van vuurwerk. Hij begon bijvoorbeeld in alle vroegte een voetzoeker in een ton te gooien, waardoor hij ons allemaal wekte, de buren incluis. Daarna staken wij de hele dag vuurwerk af, in allerlei combinaties. “Ma zal het wel niet zo leuk vinden,” zei hij dan olijk, “maar laten we er eens 20 tegelijk afschieten en kijken wat er dan gebeurt.”

Edison

Vader moedigde ons altijd aan om te onderzoeken en te experimenteren. Hij gaf ons klokken en andere mechaniekjes om mee te prutsen, plaagde ons en werkte op onze eerzucht, net zo lang tot we iets gingen uitvoeren. Toen ik zes jaar was, liet hij me in zijn chemische laboratorium bekerglazen wassen en toen ik tien was, hielp hij me een “levensgrote” auto in elkaar te zetten. Een carrosserie is er nooit op gekomen, maar er zat wel een kleine tweetakt-scheepsmotor in met riemaandrijving. Je kon er echt mee rijden en wij hadden er als kinderen geweldig veel plezier mee. Menigmaal speelden mijn broer Theo en ik “polo” op het gras, met croquethamers en auto’s — en alleen moeder en de tuinman waren daar op tegen.

Vader kon bevelen geven en deed dat ook vaak, maar bij voorkeur bezielde hij de mensen door zijn eigen voorbeeld. Daarin school een van de geheimen van zijn succes. Hij was namelijk niet, zoals velen menen, een fysicus die eenzaam in een laboratorium werkte. Toen hij goed en wel zijn eerste geslaagde uitvinding – een druktelegraaf voor beurskoersen — voor 40.000 dollar had verkocht, begon hij scheikundigen en monteurs in dienst te nemen, allemaal mensen bij wie hij gaven vermoedde die hem konden helpen bij het oplossen van een lastig probleem. Zo sloeg hij een brug tussen wetenschap en industrie door het instellen van “research in teamverband”, zoals dat tegenwoordig te doen gebruikelijk is.

Vader zelf werkte gewoonlijk 18 uur per dag of nog langer. “Iets tot stand brengen geeft in het leven de enige ware voldoening,” zei hij legen ons. Er werd alom over hem verteld dat hij genoeg had aan slechts vier uur slaap, met af en toe een dutje; dit was overdrijving. “Slaap is als een verdovend middel,” beweerde hij. “Als je een te grote dosis neemt, word je er suf van. Dat kost je tijd en fut en je mist er kansen door.”
Zijn successen zijn wereldbekend. Met de fonograaf, die hij uitvond toen hij 30 was, legde hij geluid op wasrollen vast; zijn gloeilamp verlichtte de wereld. Hij was de uitvinder van de microfoon, de mimeograaf, (kopieermachine) de fluorescoop, de accu(mulator) met ijzer- en nikkelelektroden en kaliloog, en de kinematograaf.(filmtoestel). Hij maakte de uitvindingen van anderen — de telefoon, de telegraaf en de schrijfmachine — in de praktijk bruikbaar. Hij ontwierp ons gehele systeem voor elektriciteitsvoorziening.

Mij wordt wel eens gevraagd: “Is hem nooit iets mislukt?” Het antwoord is: ja. Thomas Edison heeft herhaaldelijk mislukkingen gekend. Zijn eerste patent — toen hij vrijwel geen sou bezat — betrof een elektrisch apparaat om in de Senaat de stemmen te tellen, maar de politici voelden er niet voor het te kopen.
Hij had eens zijn gehele kapitaal belegd in een apparatuur om langs elektromagnetische weg laagwaardig ijzererts van steen te scheiden — waarna hij echter merkte dat zijn vinding verouderd en oneconomisch was geworden door het openleggen van rijke mijnen met hoogwaardig ijzererts. “Kletskoek,” zei hij gedurende een reeks teleurstellende proeven tegen een ontmoedigde medewerker, “het is ons niet mislukt. Wij kennen nu al 1000 dingen waar het niet mee lukt, dus zijn we al een heel stuk verder om te ontdekken wat wél zal lukken.”

Hij nam een soortgelijk standpunt in ten opzichte van geld (ongeacht of hij het bezat of niet). Hij beschouwde het als een grondstof, zoals metaal, veeleer om te gebruiken dan om te vergaren, en dus stak hij zijn kapitaal steeds weer in nieuwe ondermingen. Meermalen ging hij bijna failliet, maar hij vertikte het om zich de wet te laten voorschrijven door het dollarteken.

In zijn fabriek voor het verpulveren van ijzererts was vader op een dag niet te spreken over de manier waarop de steenbreker werkte. “Zet hem eens wat sneller,” gelastte hij de man die de machine bediende.
“Durf ik niet,” was het antwoord. “Dan gaat-ie kapot.” Vader wendde zich tot de opzichter. “Hoeveel heeft die machine gekost, Ed?”
Vijfentwintigduizend dollar.”
“Hebben we zoveel op de bank staan? Goed, doe er dan nog maar een schepje op.”
De arbeider voerde de snelheid op. En toen nog wat. “Hij bonkt crimineel,” waarschuwde hij. “We gaan d’r straks nog aan!”
“Dan maar d’r aan,” schreeuwde vader. “Nog harder!” Toen het bonken luider werd, gingen ze wat achteruit. Plotseling klonk er een oorverdovende slag en de brokstukken vlogen in het rond. De steenbreker was uit elkaar gesprongen.
“En wat bent u nou wijzer geworden?” vroeg de opzichter.
“Nou,” zei vader met een glimlach, “dat ik hem 40 percent meer kan belasten dan hij volgens de aannemer kan verdragen, behalve – net dat laatste streepje. Nu kan ik er eentje bouwen die precies zo goed is en waarvan het nuttig effect groter is.”
Ik herinner me in het bijzonder een zeer koude decemberavond in 1914, toen de nog niet geslaagde proeven met de accumulator, waaraan vader bijna tien jaar had besteed, er schuld aan waren dat hij financieel nauwelijks het hoofd boven water kon houden. Het laboratorium werd alleen bekostigd uit de winst van de kinematograaf en de productie van grammofoonplaten. Op die decemberavond weerklonk de kreet “brand!” door de fabriek. In de filmkamer was zelfontbranding ontstaan. Binnen enkele ogenblikken was al het verpakkingsmateriaal, het celluloid voor grammofoonplaten, films en andere brandbare goederen in een zee van vlammen opgegaan. De brandweer van acht dorpen verscheen ten tonele, maar de hitte was zo hevig en de waterdruk zo laag dat de brandslangen niets konden uitrichten.

Toen ik vader niet kon vinden, begon ik ongerust te worden Er was hem toch niets overkomen? Zou hij de moed laten zakken nu al zijn bezittingen in rook opgingen? Hij was 67, te oud om opnieuw te beginnen. Opeens zag ik hem op het fabrieksterrein vlug naar me toe komen. “Waar is ma?” riep hij. “Ga haar halen! Zeg dat ze haar kennissen moet waarschuwen! Zo’n brand zien ze van hun leven niet meer!”

De volgende ochtend om halfzes, toen de brand amper was bedwongen, riep hij zijn personeel bijeen en kondigde aan: “We gaan de zaak weer opbouwen.” Eén man kreeg opdracht alle machinewerkplaatsen in de omgeving af te huren. Een ander liet hij bij de Erie-Spoorwegen een takelwagen halen. En alsof het toen pas bij hem opkwam, vroeg hij: “Dat is waar ook. Weet iemand misschien hoe we aan wat geld kunnen komen?”

Naderhand gaf hij een toelichting. “Je kunt altijd munt slaan uit een ramp,” zei hij. “We hebben alleen maar een hoop oude rommel opgeruimd. Nu gaan we op de puinhopen iets groters en beters bouwen.”Vervolgens maakte hij een hoofdkussen van zijn jas, installeerde zich op een tafel en viel onmiddellijk in slaap.
Zijn opmerkelijke reeks uitvindingen vestigde de indruk dat hij min of meer een magische kracht bezat, zodat hij “De Tovenaar van Menlo Park” werd genoemd. Hij vond die bijnaam beurtelings grappig en ergerlijk. “Tovenaar?” vroeg hij dan. “Kletskoek. Gewoon hard werken — daar zit het hem in.”
Of zijn uitlating die zo dikwijls geciteerd wordt: “Genie is één percent inspiratie en 99 percent transpiratie.”

Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde hij met Mina Miller, die mijn moeder zou worden. Zij vulde hem op volmaakte wijze aan. Ze was evenwichtig, vriendelijk en zelfstandig en gaarne bereid zich aan te passen bij vaders drukke leven. Ieder die hen kende werd aangenaam getroffen door de warmte die van het paar uitstraalde. Vaders dagboek, het enige dat hij heeft bijgehouden (gedurende negen dagen vóór hun huwelijk in 1885), bewees hoe dol hij op haar was. “Liep aan Mina te denken en kwam bijna onder een tram,” bekende hij. Toen hij haar ten huwelijk vroeg, deed hij dat in morsetekens, die zij had geleerd in de tijd dat hij haar het hof maakte.
Men heeft van Thomas Edison wel eens gezegd dat hij nauwelijks onderwijs heeft genoten. Inderdaad is hij maar een halfjaar werkelijk op school geweest, maar toen hij als jongen in Michigan les kreeg van zijn moeder, las hij, op acht- of negenjarige leeftijd, klassieke werken als The Decline and Fall of the Roman Empire (“Verval en ondergang van het Romeinse Rijk”) van Edward Gibbon.
Nadat hij als krantenjongen en verkoper van allerlei artikelen bij de Grand Trunk Railroad was gekomen, bracht hij hele dagen door in de Openbare Leeszaal van Detroit — die hij “van A tot Z” uitlas.
Bij ons thuis had hij altijd boeken en tijdschriften, evenals een heel stel dagbladen.

De man die zoveel tot stand zou brengen, is vanaf zijn jongensjaren bijna geheel doof geweest. Hij kon alleen de hardste geluiden en schreeuwende stemmen horen, maar dat deerde hem niet. Als mensen hem wel eens vroegen waarom hij geen gehoorapparaat uitvond, antwoordde vader altijd: “Hoeveel heb je in het afgelopen etmaal gehoord wat je niet had kunnen missen?” Hij liet hierop volgen: “Een man die moet schreeuwen, kan nooit liegen.”
Hij hield van muziek en als de compositie de nadruk op de melodie legde, kon hij “luisteren” door een potlood tussen zijn tanden te houden en het andere einde tegen de kast van een fonograaf te drukken. De trillingen en het ritme kwamen perfect over. De fonograaf lag hem trouwens na aan het hart, het meest van al zijn uitvindingen.

Vader ontving vele huldeblijken, waarvan twee hem vooral genoegen deden. Het ene kreeg hij op 21 oktober 1929, de dag van het jubileum van de gloeilamp. Dit heuglijke feit was voor Henry Ford aanleiding om in Dearborn, Michigan, vaders laboratorium van Menlo Park na te bouwen, bedoeld als een blijvend gedenkteken te zijner ere, te midden van al datgene wat Amerika dank zij Ford had gepresteerd.

Het jaar 1928 bracht de andere bijzondere onderscheiding: een speciale gouden “medaille van het Congres der Verenigde Staten” uit erkentelijkheid voor alles wat hij tot stand had gebracht.

Hij is altijd blijven doorwerken en heeft nooit opgezien tegen het oud worden. Op 80-jarige leeftijd begon hij een wetenschap te bestuderen die geheel nieuw voor hem was: de plantkunde. Hij beoogde een plant van eigen bodem te vinden die de grondstof voor rubber bevatte. Nadat hij proeven had genomen met 17000 verschillende planten en ze had geclassificeerd, slaagden zijn medewerkers en hij erin een methode te ontwikkelen om uit guldenroede aanzienlijke hoeveelheden latex te tappen.

Toen hij op zijn 83ste hoorde dat Newark Airport de drukste luchthaven van de oostkust was, troonde hij moeder mee om “te zien hoe het op een echt vliegveld toegaat”. Bij het zien van de eerste helikopter zei hij stralend: “Ik heb altijd wel gedacht dat het zó moest.” En hij begon tekeningen te maken voor verbeterin­gen aan het weinig bekende “wentelwiekje”.

Op 84-jarige leeftijd, toen hij niervergiftiging kreeg, begonnen zijn krachten hem ten slotte te begeven. Tientallen verslaggevers brachten de hele nacht bij ons huis door. Van uur tot uur werd het nieuws aan hen doorgegeven: “Het licht brandt nog.” Maar om 3 uur 24 in de vroege ochtend van 18 oktober 1931 kwam het bericht: “Het licht is uit.”

Het plan werd geopperd om op de dag van zijn begrafenis als laatste hulde de elektrische stroom in Amerika gedurende één minuut geheel uit te schakelen, maar dit werd te gevaarlijk ge­acht. In plaats daarvan werd slechts hier en daar het licht ge­deeltelijk gedoofd. Het radarwerk van de vooruitgang werd niet stilgezet. Zó zou Thomas Edison het hebben gewenst.
.

meer over Edison

alle biografieën

vertelstof: alle artikelen

451-420

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Ritme (3-7)

.

HET WARE ELEMENT VAN HET MIDDEN

Neiging tot ziekte wordt overwonnen

Het woord ritme roept in de mens verschillende voorstellingen op. Bij de
mu­sicus zullen deze anders zijn dan bij de technicus, bij de huisvrouw anders dan bij de dokter. Een gesprek over dit onderwerp eindigt dan ook vaak met de vaststelling: „het leven is tegenwoordig* zó onritmisch”.
Ritme, harmonie en gezondheid zijn begrippen, die dicht bij elkaar liggen. Een ritmische gang, het juiste ritme van bezigheid en rust, van waken en sla­pen gelden als uitdrukking van de gezondheid.
Wanneer we ons hierin verder verdiepen, zullen we langzamerhand het ritme overal in ontdekken: in de loop van de sterren aan de hemel, in het verloop van de dag, in het natuurproces – in het hele menselijke leven. Hoe meer we van de kosmos en de natuur over­stappen naar het werkelijke mensenrijk, des te meer zullen we moeten vast­stellen, dat dit element gaat ontbreken.

Hierbij wordt een principiële opmerking noodzakelijk. Wij mensen van deze tijd moeten ons steeds sterker bewust worden van onze algemene en
persoon­lijke levenssituaties, alsook van onze gewoonten. Een leven dat slechts in­stinctief de gewone banen volgt, wordt steeds minder bevredigend.
We kun­nen daaruit de conclusie trekken, dat ook het element „ritme” opnieuw door ons wakende dagbewustzijn veroverd moet worden. En daarbij kan dan een zekere vreugde aan de ontdekkingen die we maken beleefd worden: de bit­tere ernst van de huidige situatie, van de zozeer onritmische toestanden van ons leven. Als we daarover nadenken, zullen we bijna dagelijks iets nieuws kunnen vinden. Aan planten, dieren, gebruiksvoorwerpen en vele andere din­gen zullen we ritmische vormen of processen onderkennen.
Wie denkt er b.v. aan, dat bij het gebruikelijk weven van stoffen een ritmische bezigheid vol­trokken wordt en dat het weefsel, wanneer het klaar is, een vermenging van schering en inslag is, die ook weer heel verschillend gehanteerd kan worden.
Misschien zijn we op zekere dag verrukt over de harmonische vorm van kla­verzuring, met zijn hartvormige drieklank, of over het blad van een
bosaardbei.
Wie zich interesseert voor menskunde, zal het ritme van de wervelkolom of van de borstkas bewonderen.
De natuurliefhebber kijkt naar de wolken­vormen, de meander van het natuurlijk verloop van een rivier, de jaarringen aan boomstammen, ieder die belangstelling heeft voor dergelijke vragen over het bestaan zal tenslotte tot zijn verbazing leren inzien, dat men daarbij een zeer veelomvattend levenselement ontmoet.

Daarmee komen we op ons oor­spronkelijke thema terug met de vraag: hoe ontstaat ritme en wat is de bete­kenis daarvan?

Nadat we onze blikken vooral naar buiten hebben gewend, richten we onze aandacht nu naar binnen. We ontdekken ons denkende bewustzijn als „waar­nemingsorgaan” voor het rijk der ideeën. Hier kan de door Rudolf Steiner uit­gesproken idee van de drieledigheid van het menselijke organisme een licht werpen op het thema zoals dat tot nu toe is behandeld.

Deze idee laat aan de lichamelijke organisatie van de mens zien, hoe daarin drie krachtprincipes werken, die de grondslag leggen voor het inwerken van denken, voelen en willen als de functies van de menselijke ziel en geest. Om­dat dit thema in de Weleda Berichten reeds vaak werd behandeld, zij hier volstaan met het volgende schema:

ritme

We kunnen het ritme zien als een evenwicht scheppend principe in de mens en de natuur, maar daar bovenuit brengt het nog een „Steigerung” tot stand. De polariteiten beweging en rust, uitzetten en samentrekken of in het zielengebied sympathie en antipathie kunnen klaarblijkelijk alleen maar tot uitersten leiden.
Onze ziel voelt een soort van uitzichtloosheid, wanneer ze zich voor­stelt dat beweging of ook rust steeds maar zouden culmineren. Op het zielengebied zou dezelfde situatie ontstaan met betrekking tot sympathie en anti­pathie. Waar zouden ze tenslotte toe moeten leiden dan tot een uiteinde­lijke oplossing of tot vernietiging? Of wanneer we dit aflezen aan het mense­lijke organisme: het eenzijdig werken van het zenuwzintuigstelsel zou tot een volledige verharding van de vorm en verstarring en het eenzijdig werkende stofwisselings-ledematenstelsel tot oplossing van het menselijke organisme moeten leiden, ware het niet, dat tussen deze beiden het ritmische stelsel met het hart en de longen onophoudelijk genezend werkzaam is.

Het ware element van het midden
Het ritme blijkt dan ook niet alleen een evenwicht scheppende,
harmoniseren­de factor te zijn, maar een genezend proces, dat als een „openbaar geheim” (Goethe) de ontwikkeling van mens en wereld doortrekt. Het overwint zelfs de in de polariteiten als mogelijkheid liggende neigingen tot ziekte, die — zoals we zagen— alleen maar tot verstarring, oplossing of vernietiging kunnen leiden en die de mens in de wereld voortdurend bedreigen.

Ritme is het ware element van het midden, dat steeds bereid is te overwin­nen, te harmoniseren en om te vormen. De mens die naar inzicht streeft ziet daarin een centrale kracht, die hem zijn menselijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar die ook als zichtbaar en tegelijk verborgen element in de hele natuur en de kosmos werkzaam is. De geboorte van een dergelijk idee in de menselijke ziel kan ervaren worden als een beleven van licht, juist in een tijd, waarin het jaarritme ons voert naar het kerstgebeuren.

(Dr. J.Kaufmann, Weledaberichten nr.88, *dec. 1970)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

450-419

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-6)

.

MENSENWERELD
RITMEN IN EN BUITEN DE MENS

Het meest opmerkelijke ritme in de natuur is wel het ritme van dag en nacht. Met het op­gaan van de zon ontwaakt ook de natuur; in het voorjaar horen we bijvoorbeeld het veelstemmige concert van de vogels. De mens en de meeste hogere dieren ontwaken, bloemen gaan open voor het zonlicht. ’s Avonds verstomt langzamerhand het lawaai van overdag. Veel bloemen gaan dicht. Mens en dier gaan slapen.

Uiteraard kan de mens zich tot op zekere hoogte tegen dit ritme verzetten. Bepaalde lichamelijke functies zoals bij­voorbeeld de vorming van menselijk zet­meel, glycogeen, in de lever bereiken hun hoogtepunt in de tweede helft van de nacht. De plasma-cortisolspiegel (hormoon van de bijnierschors) bereikt zijn hoogtepunt tussen 6.00 en 9.00 uur. Wanneer het slaap-ritme verandert, verschuiven ook deze ritmen.

Naast dit dagritme, dat met de loop van de zon samenhangt, kennen we nog het zeven-dagenritme van de week.
In de oud­heid werd dit ritme in verband gebracht met de krachten van de schepping. (De schep­ping in zeven dagen volgens het Oude Testament).
Ook nu nog kunnen we ervaren dat het herstel na een verwonding of een acute ziekte een ritme van zeven dagen doorloopt. Dat wil zeggen bij genezing, die niet wordt beïnvloed door een behandeling met medicamenten, treden bijvoorbeeld pijn en zwellingen in de omgeving van de verwonding in ritmische volgorde elke ze­ven dagen in steeds zwakkere vorm op, tot de genezing volledig is.
De regeneratiepro­cessen die uitdrukking zijn van een eigen krachtenveld, dat we levenslichaam kun­nen noemen, volgen het ritme van zeven dagen. Een ander ritme hangt samen met de omloop van de maan om de aarde.

Het duurt 28 dagen voor de maan alle stadia van nieuwe maan naar volle maan en weer nieuwe maan heeft doorlopen. Zulke maanritmen hebben duidelijk in de dierenwereld nog een directe betekenis; voor de mens is dit alleen nog het geval met betrekking tot de maanperiode in de cyclus van de vrouw en in de embryonale ontwikkeling die 280 dagen, dus tien maal 28 dagen, duurt.

Het qua grootte daaropvolgende ritme is het jaarverloop waar we onze leeftijd aan afmeten. Voor de lichamelijke en psychisch-geestelijke ontwikkeling van de mens is het ritme van zeven jaar van groot belang. In de eerste zeven jaar komt het fysieke lichaam tot een zekere rijpheid. Met het wisselen van de tanden, dat rond het zevende jaar behoort te beginnen, is het kind schoolrijp.
Met veertien jaar komt de geslachtsrijp­heid; dit is ook weer een belangrijke stap met betrekking tot de psychische ontwikkeling van de kinderjaren naar de puberteit en adolescentie. Het eigenlijke volwassen wor­den, de rijpheid om eigen verantwoordelijk­heid te kunnen dragen, volgt met eenen­twintig jaar. Daarmee houden de perioden van zeven jaar niet op, maar krijgen meer het karakter van een psychische rijping. Het grootste onderscheid tussen mens en dier ligt in het feit dat het dier met de geslachtsrijpheid het hoogtepunt in zijn aardse bestaan bereikt terwijl het hoogte­punt bij de mens, door zijn geestelijk latere rijpheid, pas bij het vijfendertigste jaar ligt. Daarmee zijn de grotere ritmen die mens en kosmos verbinden, beschreven. Nu zijn er echter bij de mens nog ritmen die korter zijn dan het dag-nacht ritme, bijvoorbeeld het ritme van de ademhaling. Ook dit ritme staat in verband met de kosmos: bij achttien ademhalingen per minuut ademt de mens binnen 24 uur 25920 maal in en uit. Dat aantal is gelijk aan het aantal jaren dat de zon nodig heeft om éénmaal door de hele dierenriem aan de sterrenhemel te gaan.

Het ritme van de ademhaling
Elke inademing heeft iets van geboren wor­den; elke uitademing iets van sterven in zich.
Onze eerste ademtocht begint met de inademing; de laatste eindigt met de uit­ademing. Vier maal sneller dan het ritme van de ademhaling gaat het ritme van de polsslag waarin – net zoals bij het ritme van de ademhaling – iets van het wezen van de mens als burger van beide werelden tot uit­drukking komt.

Een nog sneller ritme is het zogenaamde alfa-ritme van de hersenen. Het gaat hier om elektrische spontane schommelingen die ook gedurende de diepe slaap nog aanwezig zijn en rond de 10 per seconde liggen.

Bij de innerlijke zorg voor het ritme komt het aan op de momenten van bezinning die men in het verloop van een dag inbouwt; bijvoorbeeld een gebed of een spreuk voor het eten of een terugblik aan het eind van de dag. Een kunstzinnige activiteit, die in de dagelijks noodzakelijke bezigheden wordt opgenomen, kan een verloren ge­gaan ritme in de leefwijze weer herstellen. Vaak zijn slechts enkele momenten van ver­wondering daarvoor al voldoende. Aandacht voor het ritme is tegelijkertijd zorg voor de gezondheid. In de uiterlijke leefwijze moet er veel waarde worden gehecht aan lichaamsbeweging, maar ook aan regel­maat in de maaltijden, goed kauwen bij het eten en het juiste evenwicht tussen waken en slapen, rust en beweging.

Het wezenlijke van het ritme kunnen we slechts begrijpen, wanneer we de polari­teiten kennen waaraan het zijn bestaan te danken heeft.
Bij de plant zijn dat de aardse en de kosmische krachten, bij het dier bo­vendien de krachten van aantrekken en af­stoten bij vreugde en smart, krachten die zich in het zielengebied uiten. De mens be­schikt bovendien nog over de instrumenten van de bewuste geest, die bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de polariteit van waar­nemen en denken.

Een gezond ritme zal altijd een evenwicht tussen de polariteiten bewerkstelligen. Dat gaat echter – althans bij de mens- niet vanzelf omdat krachten van binnen en van buiten dit gezonde evenwicht voortdurend ver­storen.

Laten we het meest fundamentele ritme van de mens bekijken: de ademhaling, waaraan weer alle andere ritmen gekoppeld zijn. De ademhaling stokt bij een shock, bij onver­wachte ervaringen (hoe vaak niet bij een enkele autorit door de stad?), wordt opper­vlakkiger bij slechte, benauwde lucht of bij gebrek aan beweging, wordt ingehouden bij opwinding en ontspant en wordt rustiger bij het beleven van een kunstwerk.

Zorg besteden aan het ritme
Aandacht voor het ritme is tegelijkertijd zorg besteden aan de gezondheid. Het gaat er immers om door het juiste ritme voortdurend een evenwicht te vinden tussen de ziek­makende polen. De ene ziekmakende pool hangt samen met het dagbewustzijn. Dit ontstaat op basis van afbraakprocessen. De ontbrekende mogelijkheid van de ganglioncellen van de hersenen om zich te herstellen en zich te vermeerderen is daar­van een uitdrukking. De andere ziekma­kende pool hangt samen met het slaap-bewustzijn en dit hangt op zijn beurt weer samen met de opbouw- en regeneratie­krachten van ons stofwisselingssysteem. In het dagbewustzijn beleeft elk mens zich­zelf als middelpunt. De krachten van de persoonlijkheid overwegen en snoeren de mens van zijn omgeving, van de kosmos af. In de slaap wordt het hogere wezen van de mens één met de omgeving maar het weet daar – uitzonderingen daargelaten – niets van. We zijn ons niet meer bewust van onze omgeving en van onszelf.
In de egocentrische tendens van de ‘dag­mens’ en in het ‘zich verliezen’ als ‘nacht­mens’ kunnen we twee ziekelijke tendensen zien, die door het ritme van waken en slapen in evenwicht gebracht moeten worden.
In elke inademing leeft een beetje de tendens van de dagmens, in elke uitademing die van de nachtmens. De astmaticus, de hypertonicus – met te hoge bloeddruk- en de preascleroticus (in de voorfase van arteriosclerose) leeft te sterk in het inademingspro­ces. Om het evenwicht te hervinden heeft hij alles nodig wat de uitademing stimuleert:

voldoende slaap, pauzes die het hectisch dagverloop onderbreken en gelegenheid voor kunstzinnige activiteiten, terwijl de pa­tiënt met een te lage bloeddruk daaren­tegen vaak juist de zelfbeleving nodig heeft zoals die bijvoorbeeld in de sport, of in een krachtmeting met de elementen wordt op­geroepen. Hiermee zijn de basisideeën ge­geven en deze kunnen voor ieder tot een zinvolle invulling van het eigen leven leiden.
.

Olaf Titze, arts; Weledaberichten nr.154, sept. 1991

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

449-418

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.