VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (1)

 

HEEMKUNDE 3E KLAS

De heemkunde van de 3e klas krijgt weleens de naam ‘boerderijperiode’ of  ‘(oude) ambachtenperiode’, ‘huizenbouwperiode’ en wellicht meer.

Het is heemkunde als directe voorloper van de aardrijkskunde in klas 4: vanaf ‘thuis’ de grotere en verdere wereld in.

Ja, hoe leid je de beroepen en ambachten in? Men kan uitgaan van een gesprek over het bekende verhaaltje (een sprookje is het niet) van Grimm: Het mooie Pieternelletje en Pief Paf Polleken. Vele kinderen zullen het zich nog herinneren. Bij het behandelen van stof voor oudere kinderen moet men de zorgvuldige voorbereiding in de leerstof van de lagere klassen zoeken. Nu, dat grappige Pief Paf Polleken wordt in de derde klas bekeken vanuit de invalshoek van de ambachten.

De jongelieden bevallen elkaar wel. Maar dan is het tijd voor het zakelijke.

‘Mooie Pieternelletje, hoeveel heb je als bruidsschat?’
‘Veertien penningen opgedoft,
‘Derde half stuiver opgepoft,
‘Een half pond appeltjes,
‘Een handvol kappertjes,’Een handvol klappertjes
en nog zo wat:
Is dat geen prachtige bruidsschat?’

En Pief Paf Polleken, wat is je handwerk?’ 

‘Ben je kleermaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een schoenmaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een boer?’
‘Nog veel beter’
‘Een meubelmaker?1
‘Nog veel beter’
‘Een smid?’
‘Nog veel beter’
‘Een molenaar?”
‘Nog veel beter’
‘Ben je misschien een bezembinder?’
‘Juist, dat ben ik,
is dat geen prachtig handwerk?’

Een komische dialoog. De kinderen mogen hem naspelen. Het zijn precies zeven beroepen in het verhaal. Zes ervan zijn vrijwel onmisbaar in een gewone mensengemeenschap. Vrijwel, want kleren, schoenen en meubels zou men nog zelf kunnen maken met handigheid, vlijt en inzicht.

Dat geldt niet meer voor de smid, de machtige heer van vuur en ijzer, de boer, de sterke bewerker van aarde en granen, de molenaar, de heer van wind en broodmeel.

Bezems kan werkelijk iedereen maken, maar het is zo’n werk! Een zeer eenvoudig beroep of handwerk dus. Sprookjes beginnen soms met ‘Er was eens een arme bezembinder’.

In principe schildert de leraar, hoe de molenaar te werk gaat, maar soms zijn de kinderen al heel uitgeslapen op het gebied van de techniek.

Een molen wordt bezocht. Eventueel wordt een modelletje van een molen gemaakt.

Men kan niet alles doen, een keuze moet gemaakt worden. De kinderen tekenen hun ervaringen op. De eerste opstelletjes ontstaan. En natuurlijk wordt er veel getekend.

Een bakker biedt ook vele mogelijkheden. Brood bakken kan zelfs in de klas, wanneer de moeders draagbare oventjes hebben. Voor het bezoek aan een ‘warme bakker’ kan een hele ochtend uitgetrokken worden. Het gelukt soms ook om een smid te vinden. In ieder geval kan er verteld worden.

Meubelmaker, glasblazer, schoenmaker, kleermaker, pottenbakker, zij kunnen allen de revue passeren.

Het bezoek aan pottenbakker of glasblazer is fascinerend. Belangrijk is, dat de kinderen hun tekeningen of opstelletjes aan de gastvrije handwerkers brengen.

Men behoeft niet steeds het woord dankbaarheid in de mond te nemen. Maar het is van het grootste belang, dat waardering voor het handwerk, interesse voor het materiaal en de werkmethode van de leerkracht uitstralen. De dankbaarheid voor het gebodene komt dan vanzelf. Maar het bedanken is op zichzelf een kunst, die geleerd wil worden. Het is ook mogelijk om ieder beroep, dat met de kinderen wordt behandeld, uitdrukking te laten vinden in een gedicht. Een gedicht bewaart de essentiële dingen beter dan proza en blijft ook beter in het geheugen hangen. Twee onderwerpen behoren ook in de derde klas thuis: het boerenbedrijf en de huizenbouw. Het bezoeken van boerderijen en bouwerijen is het eindstadium, dat lange tijd is voorbereid.

Het spelelement kan aanwezig zijn in het reciteren van gedichten en de juiste bewegingen die bij het beroep horen én bij het gedicht.

De graansoorten tarwe, rogge, gerst en haver worden groot en mooi uitgetekend. Ook boerderijen worden getekend en de betekenis van de verschillende ruimten uiteengezet.
Kleine boerderijtjes van karton ontstaan uit groot enthousiasme. De gang van
graankorreltjes tot boterham wordt zorgvuldig behandeld.

Het koren
Kaal ligt de aarde, kaal is de grond.
Geen vrolijke bloemen kijken meer rond.
De vogels vertrekken naar ’t warmere land.
Kaal staan de bomen langs wegen en kant.
Maar de landman ploegt en de landman graaft.
Hoe zijn paardje zwoegt,
hoe zijn paardje draaft!
Zij trekken de voren, waar zij gaan.
Daar kan het koren groeien en staan.

De Zaaier
De zaaier zaait met vaste hand
En strooit de korrels op het land.
Hij strooit met fors en breed gebaar
De aardeschoot ontvangt het maar.
De korrels rusten, kalm en zacht
Door heel de lange winternacht.

De Boer
Wij ploegen en wij eggen,
Wij zaaien op het land.
Maar wasdom en gedijen,
Die zijn in Godes hand.

Graankorrel
In het omgeploegde akkerland
Werd ik gelegd door mensenhand.
Toen kwam de milde regen
Als eerste lentezegen.
Maar nog leek ik dor en dood
Te liggen in de aardeschoot.
Dat was, omdat ik rustte,
Totdat de zon mij kustte.
Ja! toen hief ik mij omhoog,
Zocht de lichte hemelboog!
En ik was niet meer alleen.
Want vele andere halmen
Wiegden om mij heen…

Maailied
Zongebrand! Goud op ’t land
Zie je nu het koren staan:
Eerst gezaaid, dan gemaaid
En geoogst wordt ’t gouden graan.
Zet de schoven recht naar boven,
Bindt de halmen bij elkaar!

Zon en regen brachten zegen,
Vormden korrels groot en zwaar.
Aan de Aarde die ’t bewaarde.
Aan de regen en de wind.
Aan de zon en aan de mensen,
Brengen wij nu dank, m’n kind!

Dorslied
Klip en klap, klip en klap!
Klinkt het luid in het rond.
Klip en klap, klip en klap!
Door de stille avondstond,
’t Zijn de boeren op hun vloeren,
Die daar werken vlijtig aan.
En zij kloppen met hun vlegels
Alle korrels uit het graan.

Malen
De molenaar, de molenaar
Is flink aan ’t werk, wat doet hij daar?
Hij maalt er de korrels
Van al het gouden graan,
Terwijl daar de wieken
Al klapperend gaan.
En als dan des avonds
Het werk is volbracht.
Dan rookt hij tevreden
Zijn pijpje en lacht!

Bakken
De bakker, de bakker,
Die krijgt nu zijn deel
Van alle volle zakken
Met glanzend wit meel.
Dan kneedt hij het deeg
In een grote, houten trog.
De zakken zijn leeg.
Maar de bakkersknecht werkt nog!
Hij vormt met de handen
De broden rond en zwaar.
Hij schuift ze op een schep
In de hete oven daar.
Hij stookt flink het vuurtje,
Het wordt een felle gloed
En binnen een goed uurtje
Is ’t brood al gaar en goed!

Het Brood
Bruin gebakken, rond en gaar,
Ligt het brood op tafel klaar.
Heb je dan ook wel bedacht
Wie dat alles heeft gebracht?
Warme zon gaf gloed en kracht.
Aarde heeft het voortgebracht,
Boer, die het naar binnen haalde,
Molenaar die ’t graan vermaalde
En de Bakker bakken deed.
Wat je nu zo lekker eet.
Dank hen allen voor dit brood
Daar groei je van en je wordt groot!

De huizenbouw
Holen, rieten hutten*, tenten, huizen, van alles kan besproken worden.
Waarom bouwt de mens een huis? Bescherming, omhulling, warmte zoeken ook de dieren. Bij de mens draagt een afgesloten ruimte ook bij tot individualisering en socialisering. Bijen leven met een heel volk in een nest of kast, maar de mens kan ook andere mensen in zijn huis ontvangen en gastvrij zijn. Die andere mensen behoeven niet tot hetzelfde volk of ras te behoren.

De kinderen zoeken van alles uit, komen met allerlei aandragen, brengen boeken mee, plaatjes van iglo’s, wigwams, paalwoningen, modelletjes van Bedoeïenentent, berghut of Japans lakhuisje. Er heerst een koortsachtige activiteit in de klas.

Herinnering aan de vertelstof uit het Oude Testament komt op: Vroeger woonde de Heer in een tent, de Tabernakel! Later bouwde Salomo een stenen tempel, een Godshuis. Die tempel was drieledig van bouw, zoals een mens. De meeste culturen vertonen deze drieledigheid in hun tempels: voorhof met altaren, middenhof (al of niet met zuilen en heilige voorwerpen) en het ‘heilige der heiligen’.

Zonder dat de kinderen het met zoveel woorden horen, speelt een onbewust weten bij hen mee: het kind zelf bereikt in de derde klas het stadium, dat zijn lichamelijkheid een ‘huis’ gaat worden voor de ontwikkeling van zijn ziel en geest. Een kleine fase wordt afgesloten.

Het huis is een oerbeeld voor het lichaam, dat betrokken gaat worden door het wezen van de mens zelf. ‘Het huis’ kan wel een uitdrukking van het wezen zijn, maar niet het wezen zelf.

Men begint dan over de bouwmaterialen te spreken, waaruit het huis zal worden opgebouwd. De kinderen weten al heel wat: er moeten stenen, balken, planken, palen, betonelementen, latten, buizen, dakpannen zijn. Dat alles wordt neergelegd op het bouwterrein. Het wordt aangevoerd per schip of vrachtwagen.

De vraag: ‘Ligt daar nu een huis?’ wordt met bulderend gelach van de kinderen begroet. Losse materialen zijn nog geen huis, evenmin als losse woorden een zin vormen die zin heeft!

Eigenlijk blijken de kinderen veel intelligenter — niet intellectueler natuurlijk — dan vele, zelfs geleerde mensen, die menen, dat mens en heelal door toeval ontstaan zijn en dat nog wetenschap noemen bovendien. Neen, wat rondgooien van balken, stenen, buizen en pannen doet nog geen huis ontstaan. Er is een plan nodig, een ontwerp, een architect die het maakt, een aannemer en een uitvoerder en natuurlijk vele bouwers, bouwvakkers.

Een of ander huizenbouwspel wordt ingestudeerd. Zo’n spel vind je niet in de literaire tijdschriften: de leerkracht moet het zelf maken, of een spel krijgen van een oudere collega en het eventueel verrijken met eigen vindingen, er is geen auteursrecht op. Wanneer de jonge Mozart een thema van de oude Haydn gebruikte, betekende dat een eer voor de oude meester. Zodoende. Een voorbeeld:

Komt, krachtig aan het werk!
Een huis hecht en sterk,
Dat willen wij bouwen.
Helpt zwoegen en sjouwen!
Voor ’t heien wilt halen
De puntige palen!
Brengt balken en staken
Voor deuren en daken.
Ook stenen en pannen.
Dan kunnen de mannen
Vol ijver aan ’t werk!

Dit wordt gereciteerd met lopen, stampen of ritmisch klappen. Er wordt een tekening gemaakt van elke fase. Andere kinderen weer beginnen van klei stenen te maken, of een klein huisje. Misschien gelukt het soms van echte stenen een huisje in de klas te bouwen. Er wordt in groepen gewerkt.

De recitatie gaat, met de gehele klas. In het gedicht zijn we aan het grondwerk toe.

(spitbewegingen)
Wij spitten met spaden
De grauw-grijze grond
De klodders en kluiten
Zij vliegen in ’t rond!

(elk pakt zijn voorman bij de benen. Die loopt op de handen)

Dan duwen we dapper
Kruiwagens door ’t hek
En dragen de grond
Naar een andere plek.

Morgen kan er geheid worden. Er wordt niet alleen over het heien verteld, maar de kinderen beelden het ook uit. Eén is de paal. Die zakt steeds meer door de knieën, twee maken een stelling. Eén laat zijn vuisten als heiblok fungeren.

Richt recht de paal   /   juist op zijn plaats!
Het heiblok valt   /   met groot geraas.
De eerste klap   /   klinkt luid in ’t rond.
De lange paal   /   zakt in de grond.
Heft hoog het blok   /   trekt stevig neer!
Nu slap het touw   /   het blok valt weer!
Steeds dieper zinkt   /   de grote paal.
Steekt in de grond   /   haast helemaal.
Dan valt het blok   /   nog één keer neer
-Een doffe plof   /   en dan niet meer!

Ongetwijfeld is een moderne heimachine even boeiend als zo n oude heistelling. Toch moet men niet dadelijk het nieuwste technische bespreken. Dit is niet zo goed te doorzien voor een kind. De oude heistelling wel. En daarom gaat het.

Een heel belangrijk punt bij de huizenbouw is het metselen. Over de bereiding van specie wordt gesproken. Ook over steenfabricage. Verschillende soorten steen worden genoemd. Over baksteen en natuursteen wordt verteld.

Het tekenen van alles, wat er aan het huis gebeurt, is voor de derdeklassers moeilijk. Ze kennen immers nog geen perspectief. Maar ze mogen zelf metselen, met hun leerkracht en een stel enthousiaste ouders. Op het toneel wordt het dan:

Voor het metselen maken wij
In een trog de metselbrij!
Meng de kalk met flink wat zand,
Roer gestadig met je hand.
Water moet er ook nog bij.
Anders stolt de dikke brij.
Dan cement, een beetje maar
En de brij is voor elkaar.
Draag de rose stenen aan,
Wilt nu aan het metselen gaan.
Strijk de specie op de kant
Met de troffel in je hand.
Dan komt weldra steen na steen
Van de grote muur bijeen.

Nu, de kinderen zien, dat metselen moeilijker is dan het eerst leek. Er komen nog andere leuke dingen: het stellen van kozijnen en deurposten, heel nauwkeurig.

Om het huis worden stellingen gebouwd. Op de vloer van beton is een woud van blank, geurig timmerhout verrezen. De muren van het huis worden voltooid. De grote dakbalken, de spanten worden aangebracht. De overkapping wordt gevierd met vlag en ‘pannenbier’.

Wat geklap in ons huis!
Wat gebons en gedruis!
Overal, hoog en laag, wordt getimmerd vandaag.
Tikketak! Op het dak zitten wij met gemak.
Plank na plank, tikketok! Slaan wij vast tot de nok.
Komt het klaar deze dag?
Hijs dan hoog onze vlag!
De mannen drinken met plezier
Het helder, schuimend pannenbier!

Dakpannen leggen ‘als schubben van een vis’; afwerken van muren en houtwerk, het buizen werk voor gas, water en elektriciteit, het schilderen, het glaswerk, alles komt klaar.

Alles wekt ook een enthousiasme bij de kinderen. De huizen van papier en hout, de tekeningen, het spel met de benodigde rekwisieten, het komt alles voor elkaar.

Tot slot van de huizenbouwperiode — het kan drie tot vier weken zijn — kan nog gereciteerd worden:

Ons huis is klaar. We gaan er wonen.
Het werk zal steeds de maker lonen.
Bewaar het nu voor ons, o Heer!
Zie op ons werk genadig neer!

De derde klas is de klas van het Oude Testament tenslotte. De kinderen zijn door de heemkunde gebracht tot een overzicht van de praktische wijze waarop de mens gebruik maakt van de natuur en zijn eigen gaven.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*het kan zijn dat deze link  maar tijdelijk op te roepen is

voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

478-442

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – alle artikelen

.

HEEMKUNDE ALGEMEEN

Rudolf Steiner over heemkunde
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

[1-1] Achtergronden; voorbeelden klas 1, 2 en 3
Matthieu Baeten
over: kinderen en natuur: die is nog bezield; de morele kant; de wereld spreekt nog met elkaar; eik en linde – cholerisch en flegmatisch temperament;
[2] idem

Klas 1
[1]
Uit: Het binnenste buiten: jaargetijden; bomen; temperamentsstemming
[2] steen, plant, dier en mens
[3] een paasverhaal over het ontstaan van het koren

Klas 2
herfstspelletje;
herfstspelletje
[ 1 ]
Uit: ‘Het binnenste buiten’: lessuggesties voor een onderwerp en werkwijze: vanuit de elementen: fabel (van Herder): zon en wind; berg en rivier; mol, rups, sprinkhaan en vlinder; slagershond en herdershond;

[ 2 ]
Pieter HA Witvliet over: de ‘sinnige Geschichte – het zinvolle/zinrijke verhaal’; vertellingen uit/over de natuur; moraliteit, eerbied, sympathie; vermijd hekel en antipathie.

[1-2/2] Het zinvolle verhaal
E.Fucke over: kind vóór 9e jr en zijn verhouding tot de wereld; alles kan nog met elkaar ‘spreken’; hoe kom je aan ‘zinvolle verhalen’; enkele voorbeelden.

Klas 3
Alle heemkunde-artikelen

Vlinders in de klas
Simona Grünhage over: het belang van vlinders; hoe kun jeze in de klas houden

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

477-441

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 2e klas (1)

.

HEEMKUNDE

Leerplan voor klas 2: verhalen over natuur en mens in de sfeer van fabel en legende

De tweedeklasser is ontvankelijk voor de dialoog. In de heemkunde kan men daarbij goed op dreef komen met de fabels en de legenden.

Elementen
‘O, wat ben ik sterk,’ zei de Wind. ‘Ik laat het water golven, de schepen sla ik stuk, de bomen ontwortel ik, schuren en huizen beroof ik van hun daken.’

‘Ja, ja,’ zei de Zon, ‘maar toch krijg ik met mijn warmte meer gedaan. Iedereen houdt van mij, maar niemand houdt van jou.’ ‘Dat kan me ook niets schelen!’ loeide de Wind, ‘wanneer de mensen maar bang voor me zijn!’

‘Komaan,’ zei de Zon, ‘Zie je daar die wandelaars? Wie hem het eerst uit zijn jas helpt, heeft de wedstrijd gewonnen!’ ‘Top,’ zei de Wind, verzamelde al zijn adem en viel blazend en brullend op de wandelaar aan.

Die schrikt eerst, maar hij klemt zijn jas stevig vast met de armen. Hij ging een keer van de been, maar hij stond weer op. De jas had hij aan. Eindelijk ging de Wind liggen. Hij was uitgeput.

De Zon kreeg de beurt. Mild schijnend, warm stralend, maakte hij, dat de wandelaar het geleidelijk heel erg warm kreeg. Spoedig deed hij zijn jas uit en hing hem over de arm. Het was de Zon, die de wedstrijd met vriendelijkheid won!*

Zo’n fabel kan op rijm worden gezet, of naverteld of nagespeeld, volgens het beproefde recept: rollen zon, wind en wandelaar. De rest van de groep: koor. Rollen wisselen.

Voor de minder vluggen is het stuk ook nog te gebruiken als een bewegings- en een spraakoefening.

Levenloze natuur
De Berg en de Rivier

De Berg lag machtig en groot op de aarde. Of, liever gezegd, hij had ook nog een heel groot deel van hem zelf onder de aarde. De Berg was ook heel erg hoog. Hij stak zijn puntige top in de wolken. De regen werd daar dadelijk tot sneeuw en ijs.

Heel hoog op de Berg kwam een klein, schuimend en kronkelend beekje te voorschijn. Het stroomde snel naar beneden, wrong zich door tussen rotsblokken, het werd steeds groter en het nam steeds meer andere kleine stroompjes op, die langs de berghelling naar beneden kwamen. Eindelijk was er een brede, grote rivier ontstaan, die was beneden aangekomen en stroomde nu om de Berg heen, maakte zijn flank nat en vervolgde zijn weg naar de Zee.
‘Dag Rivier’ zei de Berg met stevige Stem. ‘Dank je voor het water. Mijn flanken zijn groen. Eigenlijk ben ik net een grote plant. Zie je dat? Ik heb mijn wortels diep in de aarde, in mijn middendeel draag ik alle groen en mijn witte top hef ik als een zuivere bloem naar de hemel.’

‘Nou,’ zei de Rivier, ‘wanneer jij een plant bent, dan ben ik een mens! Heb ik niet mijn wortels in de hemel? Doe ik niet mijn daden op de aarde? Stijg ik daarna niet weer naar de hemel omhoog?’

Dierenwereld
Toneelspelletje: Rups, Mol en Sprinkhaan. Koor op de achtergrond.

Koor:
Een berkeboompje, jong en mooi
Stond in haar eerste lentetooi.
Een ijv’rig rupsje at zich zat
Aan ’t frisse, groene berkenblad.

Sprinkhaan:
Wat ben je toch aan ’t luieren,
En langzaam aan het kuieren?
Jij dikke, domme rups
Doe toch als ik ‘hups-hups’.

Koor:
De mol, uit winterslaap ontwaakt.
Was juist boven de grond geraakt
En knipperend tegen ’t felle licht
Knijpt hij weer gauw zijn ogen dicht!

Mol:
Ai, ai! Wat steekt het licht hier fel!
Na deze wandeling weet ik wel,
Hoe heerlijk onze moeder Aarde
In rust en donker mij bewaarde.

De mol vraagt aan de rups, wat hij in vredesnaam daar boven op die bladeren in de lucht doet. Al dat groenvoer kan niet goed zijn. Neen, onder de aarde vind je het malse rood voer, de vette wormen. De rups wordt uitgenodigd om mee naar beneden te gaan. De rups weigert vrij bruusk en zegt, dat hij van de zon geniet door blaadjes te eten. die smaken immers naar de zon! De halfblinde mol gaat schelden over de domheid en beperktheid van de rups.
Ook de sprinkhaan vindt de rups maar niks. Die eet wel blaadjes net als hij, maar hij kan niet eens naar de zon springen. Hij zelf wel.
Het is bij een klassengesprekje duidelijk, dat mol en sprinkhaan beide even dom — of beperkt — zijn, omdat zij zelf hun hele leven mol en sprinkhaan zullen blijven.

Wat zij van de rups zien, is maar een misleidende momentopname. Het beeld van de rups is niet volledig. Dat wordt duidelijk, wanneer mol en sprinkhaan na enige tijd terugkomen. Zij herkennen de rups maar nauwelijks. Hij hangt als een bruin, dood takje, een onbeweeglijk dood popje.
Commentaar van mol en sprinkhaan.

Sprinkhaan:
Ja ja, heb ik het niet gezegd.
Hij sprong niet, heeft het afgelegd!

Mol:
Ach, ach, hij wou niet in de grond
Daarom bleef hij niet gezond!

Koor:
Maar beide zwegen plotseling,
Er kwam beweging in het ding!
Zoals een bloemknop open gaat,
Of blaadjes kiemen uit het zaad:
Twee blaadjes, kleurig, fleurig, licht,
Zij klappen open en weer dicht,
En open, kijk, daar vliegt het weg,
Het lijkt een fladderend bloempje, zeg!

Uit de dode pop komt een levende vlinder te voorschijn. Een
opstandingsmysterie in het klein. Welk beeld de dierenwereld ons daar geeft, nu, daar kan men later op terugkomen.
Wanneer het aan de tijd is om vraagstukken van leven en dood te bespreken, kan later aan het beeld van deze fabel worden herinnerd.

Nooit dadelijk, weet u nog: ‘En zó zié je, kindertjes.., de lange onderwijsvinger, in de sfeer van het ‘moralinezuur’.
Pedagogisch werkt het beeld, wanneer het beeld kan blijven en niet door geredeneer wordt bedorven, volgens uitdrukkelijke raad van Rudolf Steiner.

Nog een gewone fabel
Alle vakken hangen samen. Een herdershond behoort bij het land, schoothondjes zijn in de stad. Maar het vers is ook een spraakoefening, een recitatie-oefening en ook deze fabel kan men dramatiseren:

Een herdershond, heel trouw en sterk
Het schapen hoeden was zijn werk,
Kwam met zijn baas eens in de stad,
Waar men veel kleine hondjes had.
Die keften woedend, sprongen rond
En hapten naar de grote hond.
Een slagershond, die zag het aan,
Was met de herdershond begaan:
‘Je wordt voortdurend aangeblaft…
Waarom die troep niet afgestraft?’
‘Ach, neen ,ik wil mijn tanden sparen.
Ze voor het wolvenpak bewaren!’

Een prachtige rol voor een agressief, sterk jongetje, die het door de fabel kan inzien, dat de kleine plaaggeesten hem te min zijn.

De pedagogische ductus zal kunnen heten: van wolf tot herdershond. Ook in het heemkunde-onderwijs blijft men, door de leerstof zelf pedagogisch geëngageerd — en geboeid. Onmisbaar is, zoals duidelijk te zien is, het spel­element, steeds weer.

Zie Rudolf Steiner over deze fabel: In GA 295 6e werkbespreking blz. 62   vert. 59/60**

.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*Herder heeft deze fabel op rijm gezet

zie ook 2e klas – Nederlandse taal

een herfstspelletje

een herfstspelletje

**Steiner over vertellen in klas 2

2e klas: alle artikelen

.

476-441

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde (1-2)

.

HEEMKUNDE
.

Het kind in de laagste klassen voelt zich nog één met de natuur. Zon en maan, plant en dier, alles heeft voor het kind een bepaald gebaar. Gebaren laten zich in taal omzetten.

Voor het kind is het derhalve natuurlijk, dat alle dingen een taal spreken. En ook een taal met elkaar spreken. Bewustwording van de omgeving krijgt het kind door verhalen over de kracht van de eik, de schuchterheid van het viooltje, de milde warmte van de zon.

De taal van deze dingen moet niet fantastisch zijn, maar wel fantasievol. Uit exacte fantasie moet door de leerkracht geput worden. Alles moet iets wezenlijks uitspreken.

Het kind leert zijn affectie en sympathie verbinden met bepaalde beelden en voorstellingen.

Leerplan voor klas I: verhalen over de natuur in sprookjessfeer

De winter vlucht

Men kan altijd beginnen met een geschiedenis, die een inleiding vormt tot het onderwerp, laten we zeggen: van de winter.

Op een nacht hoort men gebrom en gekreun. Men gaat naar buiten en ziet… een grote, wit besneeuwde gestalte in de tuin zitten. Medelijdend vragen onzerzijds. Het is vrij donker, maar er valt wel te zien, dat het koning Winter zelf is. Hij is gehavend door het gelui van de sneeuwklokjes, die Zon, Wind en Water hebben gewekt. Zorgvuldige beschrijving van de klachten van de koning volgt. Ook wordt het kleine, maar moedige sneeuwklokje beschreven, de Zon, de Wind en het Water.

Het is inderdaad Lente geworden. Het verhaal resulteert in een piepklein spelletje in dichtvorm. De jaargetijden zijn een belangrijk aanknopingspunt voor de heemkunde.

Het sneeuwde toen de lieve Lente
Haar klokjes in de tuinen hing.
Daar stonden zij heel flink te bengelen:
‘Ik wilde, dat die Winter ging…!
Ting, ting, ting!
‘Ik vlucht voor jou niet!’  zei de Winter,

‘Al tingel jij ook nog zo lang!
‘Een oude Witbaard is waarachtig
‘Niet voor zo’n kleuterklokje bang!’
Ting, ting, tang!’
Maar ’t klokje luidde alles wakker:

Zon, Wind en Water. Ting, ting, ting!
Tot mopperend — op zijn witte sokken —
Heer Winter naar het noorden ging.
Ting, tang, ting!

Er is een koor van kinderen. Eén speelt voor Zon, één voor Water, één voor Wind — een wilde kerel — één voor Winter — een mopperpot — en het meest verlegen meisje mag voor Sneeuwklokje spelen. Ach, veel tekst is er niet. Maar de kinderen weten nu heel goed, hoe de winter vertrekt. Iedereen begrijpt ook, dat hij volgend jaar óók weer vertrekt en nog dit jaar opnieuw komt.

De lente komt
De Lentefee heeft de handen vrij. Zij vliegt — een beweeglijk meisje — met een toverstokje rond. Op de grond liggen overal opgerolde kinderen. Wat zij voorstellen zal nog blijken. De fee raakt elk opgerold kind met haar stokje aan. Het koor spreekt:

 ‘Lente komt door bos en akker
En roept al het leven wakker.
Eerst de kleine, fijne zaadjes,
Dan de tere, groene blaadjes,
En de bloesemknoppen
En de vlinderpoppen…
Ja, zij ziet daarbij, hoe uit ieder ei
Kruipt het jonge leven!
Lieve Lente, wil nu zweven
Over veld en bos en akker.
Allen, alles maakt zij wakker!’

Spelen, reciteren, spelen en reciteren. De spelers spreken dus niet mee. Nu, zoiets is er voor de herfst ook.

‘Hoor de wilde wind eens waaien!
Hoor hem woelen door het bos!
Alle takken, twijgjes zwaaien
En de blaadjes… raken los,
Dansen, dwarr’len op en over,
‘Stuiven, stoeien in het rond,
Tot met geel en gouden lover
Ligt bedekt de grauwe grond.
Nu sterven kruid en blad,
Ook alle bloemen bont
En kruipen tor en pad
Heel, heel diep in de grond.’

Wel men voelt, hoe fijn het is om als blaadje rond te rennen, als takje heen en weer te zwaaien en als beestje weg te kruipen. Sommigen zijn zelfs niet meer te vinden. Gelukkig heeft het gedicht ook daarin voorzien. Hoort u maar:

De dagen worden koud en kort. ‘
Wij zullen in ons huisje gaan
En wachten tot het lente wordt…
Om vrolijk weer aan ’t werk te gaan!’

Ieder jaargetijde brengt in de natuur weer andere dingen naar voren. De gedichten worden zelfgemaakt of ontleend aan andere collega’s.

Wat zegt deze tegen die?
De krachten van de natuur personifiëren en tot beeld maken, dat is eigenlijk moderne mythologie bedrijven. De leerkracht maakt deze stof zelf. De inspanning van de leerkracht werkt denkbaar gunstig op het kind, vooral ook op het sociaal zwakke kind of op het moeilijk lerende kind. Een gesprek tussen zon en maan:

Zon: ‘Wat zijn mijn stralen heerlijk warm! Ik zie beneden de bloemen opengaan. Mijn licht laat ik op aarde neerdalen als een grote schilder, die alles met een reuzenkwast beschildert en kleurt. Wanneer ik er eens niet was, dan zouden de mensen niet eens dagen kunnen tellen.
Wanneer ik mooi, rose en geel, boven de horizon uit kijk, dan begint de dag.
Hoor je de haantjes kraaien?
Wat zijn ze blij, dat het licht weer terug is.
En de mensen gaan dan met plezier aan het werk.1

Maan: ‘Kalmpjes aan, broer Zon! Wat zouden de dagen zijn, wanneer er geen nacht op volgde? Wanneer jij de hele dag brandend-warm hebt geschenen, zeggen de mensen ppf! en oef!
Ze gaan zitten genieten van mijn zachte, koele licht. Sommigen hebben zelfs een zonnesteek gekregen. Een maansteek kunnen ze van mij nooit krijgen!’

Zon: ‘Wie een zonnesteek heeft gekregen, heeft ook heel dom gedaan door met blote nek steeds naar mij toe te zitten. Maar jij, lieve Maan, doet ook wel eens wat raars. Jouw licht is er niet altijd. Dan zie je niets; en soms zie je er uit als een sinaasappelpartje, dan weer als een witte bal en soms als een klein, scherp sikkeltje.’

Maan: ‘Ja, ik verander steeds van vorm, maar heel regelmatig, in de loop van de tijd. die de mensen maan-d noemen. Jij voor de dag, en ik voor de maand, zo zijn we allebei nodig!’

Dan zijn er de bomen*
Aan de rand van het bos staat de berk. Haar stam is prachtig wit met donkere banden hier en daar. Haar kroon — een boom is net een koningin — is driehoekig, haar kleine fris-groene blaadjes ook. Zij is heel sierlijk. De takken waaien en wiegen heen en weer. Het is, alsof ze dansen.

Bij het water staat de treurwilg. Zijn stam is gegroefd en groenig. Zijn blaadjes hangen naar beneden, ook wanneer het waait, hangen ze omlaag. Hij spiegelt zich in het water. Natte voeten zijn voor hem erg nodig. Zijn stam is te krom en te zwaar om te dansen.

In het bos staat de eik. Stam en takken zijn grimmig gegroeid, zijn bladeren staan in slordige bosjes bij elkaar. Zij komen laat en blijven lang liggen. De eik staat met diepe, sterke wortels in de grond. De stam is sterk, het hout hard en duurzaam, de takken zijn vol hoeken als puntige ellebogen.

Liefelijk is de rustige, brede linde. Haar stam is stevig, maar het hout is vrij zacht. De kroon is groot en bol, de bladeren zijn rond met een klein puntje aan het uiteinde. Heerlijk geuren de bloesems.

De linde is ook drukbezocht door bijen en andere insecten. Vogels nestelen ook graag in het dichte loof.

De berk zegt:
‘O, wat is het heerlijk te dansen en mijn blaadjes te laten ritselen op de adem van de bolle wind! Vrolijk begroet ik iedereen met mijn dansende takken. Weet je, waar ik het meest van houd? Wanneer er troepen vrolijk joelende en spelende kinderen om mij heen zijn. Die gezellige drukte! Maar ik houd ook van de taterende spreeuwen en de kwetterende mussen. De mensen help ik graag, met het frisse sap, dat tussen mijn tere schors en de stam vloeit.’

(sanguinisch van stemming)

De treurwilg zegt:
‘Ach, hoe treurig is het leven. Ik houd niet zo van die drukke kinderen, laten die liever wegblijven. Rustig kijk ik naar mijn spiegelbeeld in het water, dan behoef ik tenminste niet steeds iets anders te zien. want daaraan heb ik een hekel. Wel kijk ik graag naar de rand van het kerkhof, wanneer er weer een mens begraven wordt. Ze kunnen zich druk maken, maar de rust van het graf wacht een ieder.
(melancholisch van stemming)

De eik zegt:
‘Ha, ho! Wat een storm! Mijn takken steken en vechten. Met de wind! Mijn sterke hout kreunt en kraakt. Ja, dat is de moeite! Wat? Of ik bloemen heb? Ja, het moet wel. Maar, van dat weeë spul alleen het allerkleinste! Bijen? Welneen! Wespen, galwespen, die steken tenminste flink en maken galappeltjes. En ik vecht door! Zo, de wind geeft het op. Hij is gaan liggen. Koning Eik heeft gewonnen!

(cholerische stemming)

De linde zegt:
‘Ik houd veel van de mensen, niet van die heel drukke kinderen, maar vooral van de oudjes, dat zijn verstandige, lieve mensen. Mijn hele, bolle kroon ritselt en zoemt. Heerlijk geuren mijn bloesems. De bijen halen er honing uit, heerlijke lindebloesemhoning hm! hm! hm! wat lekker. Ik sta graag op die kleine dorpspleintjes, waar de oudjes op een bank in mijn schaduw zitten en oude herinneringen ophalen. Daarvan geniet ik dan ook…’

(flegmatische stemming)

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

*In de vijfde klas zullen de kinderen weer over deze bomen horen in de plantkundeperiode. Wanneer je in de 1e, 2e of 3e klas essentiële dingen over de bomen vertelt, kun je daar in de vijfde op teruggrijpen. Vaak weten de kinderen het nog. Het is ook goed om in een 1e te zeggen dat wat ze nu te horen krijgen, later nog terugkomt, ‘als ze groter’ zijn. Dat roept verwachting op – dat is toekomstgericht.

.

Heemkunde: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

.

475-440

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval, alle artikelen

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

.

Het woord ‘carnaval’ wordt met een kleine letter geschreven; dus ook alle samenstellingen ermee.
Vastenavond en Aswoensdag, daarentegen, worden met een hoofdletter geschreven.

[1-1] Carnaval ontmaskerd
Marieke Anschütz over: het ontstaan van carnaval en de betekenis van het masker.
Jonge kinderen ook al een masker?

[1-2] Maskers
Peter van der Linden over: maskers bij het toneelspelen; waarom gebruikt; historie; functie.

[2Broertje, neem die wolfskop eens uit de reistas’
Else Tideman over: een sprookje uit de Oekraïne, met ‘maskers’ als motief.

[3Carnaval, drie helse dagen
Mariek Ansdchütz
over: de winter; verinnerlijking; carnaval in de reeks jaarfeesten, onderwereld; sprookje van Sneeuwwit en Rozerood; carnaval en lijdenstijd.

[4Carnaval eeuwenoud?:
Jiska van Rijn over: carnaval in de oude culturen: Mesopotamië; Egypte; Griekenland; Rome; Germanen. Oorsprong voor heden.

[5Carnaval: feest van omgekeerde wereld
Riet Taal over: carnaval in de oude culturen (zie 4) en Kelten, in Friesland; carne vale; carne levare

[6Rudolf Steiner over carnaval
Carnaval in Rome

[7Carnavalskleren
Tineke Geus en Irene Doorn hebben ideeën voor verkleedkleren voor jonge kinderen

[8Carnaval
Ray Kusters over: achtergronden – initiatiefeest; bij de Germanen: Nerthus; Blauwe Schuit[

[9Carnaval
‘V’ over: achtergronden – carnaval als nieuwjaarsfeest; in Mesopotamië; bij de Romeinen; Calvijn, Luther en de kerk

[10Carnaval
E.Eshuis-Schütt over achtergronden, masker, midwinter, Babylonië; vrou Holle; vrouw Ferchta, carrus navalis

(11) Carnaval
‘Onbekend’ over achtergronden; bij de Germanen; Nerthus of Nerval; in dit verband carrus narvalis; over ‘vasten’

(12) Carnaval
P.C.Veltman over achtergronden; vastentijd; incognito/masker; commedia dell’arte; zottenfeest; in Rome

(13) Carnaval
Henk Sweers over ‘Ik’ en ‘zelf’

(14) Carnaval
Onbekend over achtergronden uit vroeger tijden, masker

(15) Carnaval
Hans Jacobs over de maskers en het maskermusuem in Binche

(16) Carnaval
Jan Meulemeester over oorsprong, m.n. Midden-Oosten; toestand in Nederland na het kerstenen

(17) Carnaval
Patricia Wessels over oorsprong, m.n. Germanen; Nerthus; een  verdergaande beschouwelijke benadering over masker en ware zelf

(18) Carnaval
Een Russisch sprookje als ‘knutselmotief’ om thuis verkleed te spelen

[19]
Carnaval
Annemieke Zwart over: na kerst en driekoningen; driekoningen met kinderen; macht en onmacht; maskers; lijdenstijd, vasten;

(20)Wat is carnaval
Een zeer volledig artikel van FED Vlaanderen

[21] Carnaval in de kleuterklas     (Carnaval 21)
Dieuwke Hessels over: herkomst carnaval; maskers; boeken; kledingideeën; knutsels; liedjes; kaarten; handgebarenspel; spelletje.

.

voor meer ideeën en achtergronden: Tinekes Doehoek

.

474-439

.

VRIJESCHOOL – 10e klas -Nederlandse taal

.

taal klas 10 1

Hoe anders is het beeld van een tiende klas vergeleken met dat van een negende. Na de rommeligheid van de negende klas lijkt de tiende een eiland van rust.

De elkaar bestrijdende groepjes zijn uitgewoed en opgelost, de klas bestaat weer uit een groep individuen. Het uiterlijk, in de vorige jaren zo belangrijk en belemmerend, is niet langer bepalend voor de relatie. Verbaasd ontdekken ze dat ze dat kind met haar tuttige kleren of die oen met zijn maffe brilletje, los van het uiterlijk kunnen zien en waarderen. De zestienjarigen kijken opnieuw en met verwondering naar de mensen om hen heen. Over hun bevindingen en gedachten zijn ze méér dan mededeelzaam: dag in dag uit en de hele dag door, zijn de monden in beweging. Politiek, ouders, relaties, films, boeken, sport, kortom alles wat op hen afkomt of wordt aangedragen, wordt uit den treure besproken en becommentarieerd.

Tegelijk met het ontwakend individualisme, gaan ze zich afzetten tegen de voorheen als vanzelfsprekend aanvaarde autoriteit: ze willen zelf bepalen, zelf beslissingen nemen, zelf inzicht krijgen. Rebellerend tegen het gezag hopen ze hun eigen gangetje te kunnen gaan: de één wil laat uit — te laat, vinden de ouders —, de ander alléén met vakantie, — te jong, vrezen de ouders —, de derde weigert hulp bij zijn huiswerk — hoe dom, denken de ouders —.
De meisjes beschermen hun innerlijk door kattig van zich af te bijten, en ook de jongens zijn meer naar binnen gekeerd. Beiden doen akelig eigengereid; ongevraagd en ongezouten wordt kritiek geventileerd, maar werkelijk een eigen oordeel geven vinden ze vaak nog doodgriezelig. Liever wachten ze af wat de mening van een ander is en sluiten zich daar dan opgelucht bij aan. Pas tegen het einde van de tiende klas zie je dat de leerling niet meer schroomt eigen voorkeuren kenbaar te maken en eigen oordelen te geven.

Volop en geëngageerd staat de zestienjarige in het leven. Hij kijkt met interesse om zich heen met het verlangen de wereld te doorgronden. Dat het zo nu en dan tot conflicten komt met die wereld is bijna noodzakelijk om een zelfstandig denkend en oordelend mens te worden.

Over het Nederlands in de tiende klas
Zoals de achtjarige wilde weten waar hijzelf en de wereld vandaan kwam, zo verlangt de zestienjarige inzicht te krijgen in de hedendaagse samenleving en de mens daarin. Het proces van kleuter naar schoolrijp kind, met haar plotselinge groei en tandenwisseling, heeft zich herhaald in het proces van kind naar puber.

De zestienjarige staat nu, net als de achtjarige toen, aan de drempel van een nieuwe periode en dat roept eenzelfde vraag naar het ontstaan der dingen op, alleen op een ander niveau: hoe-is-dat-nu en hoe-was-dat-vroeger, vraagt de tiendeklasser zich af.
In de derde klas werd het scheppingsverhaal verteld, in de tiende klas worden de Middeleeuwen behandeld.

De Middeleeuwen en de overgang naar de Renaissance vormen een periode in de ontwikkeling van de mensheid waarin kenmerken terug te vinden zijn die vergelijkbaar zijn met wat zich in het adolescentenleven afspeelt. Aanvankelijk ruw, barbaars en snel geëmotioneerd, later ingetogen en gebonden aan de regels van de hoofse minne, laat de Middeleeuwer zien hoe hij steeds meer vat krijgt op zijn gemoedsleven. Ook vinden we in de Middeleeuwen en de vroege Renaissance het ontstaan van de steden met haar rechten en wetten, de opkomst van de gilden, de uitvinding van de boekdrukkunst, de ontwikkeling van de wetenschap, het begin van de meer individuele kunst, de overgang van het theocentrisch wereldbeeld naar het antropocentrisch wereldbeeld, het aanvechten van het gezag, alle onderwerpen die tegemoet komen aan het verlangen van de zestienjarige om inzicht in de grondslagen van de samenleving te krijgen.

Dit alles kan je een tiende klas laten zien aan de hand van de meest uiteenlopende teksten. In de heiligenlevens en de geestelijke literatuur vinden ze het ascetische en religieuze in de mens, in de ridderromans komen ze nog oud-Germaanse en vroeg-christelijke vormen van omgang en samenleven tegen en tenslotte zien ze hoe ten tijde van de hoofse minne de meer individuele op het innerlijk gerichte gedichten en vertellingen ontstaan zijn.

Het totaalbeeld, het grootste van de wereldontwikkeling geef je aan door vele facetten van de middeleeuwse cultuur te belichten. Hoe dat gebeurt en op welke teksten en tijd het accent gelegd wordt, hangt helemaal af van de klas waaraan de periode gegeven wordt. Bij een muzikale klas zing je liederen uit het Antwerps Liedboeck, bij een bewegelijke klas speel je kluchten, soms ga je uit van schilderijen en prenten, dan weer van de literatuur, in de ene klas besteed je aandacht aan de Varende Luyden, in een andere klas juist aan de ridderromans. Het bontgekleurde, veelzijdige, en veelomvattende van het leven in de Middeleeuwen verbaast de leerlingen en maakt hen enthousiast.

Het periodeschrift, het zelfgeschreven leerboek, moet deze keer een echt Middeleeuws boekwerkje worden: mooi geschreven, met veel tekeningen, versierde beginletters, randversieringen, kortom alles wat het principe van de Middeleeuwen, waar tekst en beeld altijd samen gingen, gestalte geeft.

Veel leerlingen gaan er uitgebreid voor zitten en leveren dan vaak ware kunstwerkjes af: geharnaste ridders te paard, minstrelen met hun luit, jonkvrouwen geflankeerd door hazewindhonden, narren en drinkende ghesellen, pauwen en herten illustreren de Middeleeuwse gedichten en zelfgeschreven teksten. Ook aan de inhoud kun je zien dat er veel plezier en aandacht aan besteed is. De nonchalance en slordigheid van de negende klasser, heeft plaatsgemaakt voor ernst en zorgvuldigheid. Daarbij vindt de tiendeklasser het tegenover zijn klasgenoten niet meer gênant en uitsloverig een fraai periodeschrift ook voor Nederlands te produceren, een vak waar de verzorging niet een voornaamste rol speelt.

Naast de ontwikkeling van de mens en de samenleving is het goed om de ontwikkeling van de Nederlandse taal te laten zien: de historische taalkunde op eenvoudig niveau. Alleen de grote verbanden en inzichten worden aangegeven. Het werkt motiverend wanneer de invloed van andere Europese talen erin betrokken wordt. De leerlingen zullen dan zelf met veel voorbeelden aankomen.

De tweede periode Nederlands is gewijd aan de poëtica. Het is de bedoeling de leerlingen vooral zelf tot dichten aan te zetten. De eerlijke gevoelens die op deze leeftijd nog heel schuchter en kwetsbaar verwoord worden, kunnen in het gedicht, dat er immers om vraagt innerlijke belevingen weer te geven, vrijer geuit worden.

Verschillende dichtvormen en dichters worden behandeld. De gedichten winnen veel aan zeggingskracht voor de leerlingen door de biografie van de dichter in de bespreking te betrekken: zo worden ook zijn gevoelens in zijn dichtwerken meer zichtbaar.

In de negende klas zou het maken van zulke gedichten en daarmee in de groep voor het voetlicht treden, voor velen te bedreigend zijn geweest. In de elfde klas zijn de leerlingen meestal al zover in hun relatie tot de omgeving en hun gevoelens gegroeid, dat een poëtica-periode geen hulp meer is in de ontwikkeling van de adolescent. Maar in de tiende klas draagt het poëtisch lucht geven aan gevoelens en verlangens bij tot de vorming en uiting van de persoonlijkheid.

In de vaklessen neemt de spreekbeurt een belangrijke plaats in, daarmee wordt geoefend in het openbaar te spreken, een mening over een boek te formuleren en materiaal te verzamelen over een auteur en zijn werk. De leerlingen worden zoveel mogelijk vrijgelaten hun eigen boek te kiezen en ook de opbouw van de spreekbeurt is vrij. Verwerkt moeten worden: de fabel van het boek, iets over de hoofdpersoon en hoe die zich ontwikkelt, iets over de stijl en een eigen mening. Eén of meer fragmenten moeten voorgelezen worden.

Het belangrijkste is dat de spreekbeurt zo is ingericht dat iedereen na afloop vraagt het boek te mogen lenen. Zo wordt het lezen en het uitwisselen van gedachten over literatuur gestimuleerd. In de negende klas werd in principe hetzelfde gedaan, met dat verschil dat de klas nu in staat is om rustiger en doordachter de spreekbeurt te beoordelen. Iedereen kan zijn zegje doen in de nabespreking en deze vormt dan ook een essentieel onderdeel van het geheel. Er zijn veel onderlinge kwaliteitsverschillen, dus elke leerling wordt naar zijn of haar mogelijkheden beoordeeld, niet als selectiemiddel maar met het doel ieders vermogen te ontwikkelen.

Als de spreekbeurt werkelijk beneden de maat is, moet hij uiteraard overgedaan worden; niet-selectief wil nog niet zeggen dat men zich er met een Jantje-van-Leiden af kan maken.

In samenhang met de spreekbeurten wordt er ingespeeld op wat er aan literaire bijvoegsels van kranten en weekbladen verschenen is.

Er worden korte moderne verhalen in de klas gelezen. De stijlkenmerken van het verhaal komen aan de orde en er wordt een begin gemaakt met verhaalanalyse, zonder dat men met al te veel theoretische termen schermt. Begrippen als vertelsituatie en tijd worden behandeld en daarna geoefend in imitatieopdrachten.

Bij het taalonderwijs wordt aandacht besteed aan stijlfiguren, het leren doorzien van foute zinsconstructies en de opbouw van een zakelijke tekst. Ook begin je dit jaar de leerlingen vast voor te bereiden op het eindwerkstuk in de twaalfde klas. In de komende twee jaar leer je ze materiaal te verzamelen en te ordenen. In de tiende klas heeft het zin hiermee te beginnen, omdat dan enige afstand tussen het onderwerp van beschouwing en de beschouwer mogelijk is.

In de tweede helft van het jaar schrijven de leerlingen een werkstuk volgens een bepaalde indeling. Het onderwerp mag van literaire of andere aard zijn. Belangrijk is dat het werkstuk goed opgebouwd is, leuk om te lezen en voorzien van een eigen mening. In de elfde klas volgt een proefeindwerkstuk, gepresenteerd aan een groter publiek dan alleen de eigen klas. In de twaalfde klas tenslotte, moeten de leerlingen zo zelfstandig geworden zijn, dat ze in staat zijn alleen voor het grote publiek hun eindwerkstuk en afsluitende werkstuk van de vrijeschool, te presenteren.

Rangen en standen — een lesbeschrijving van een literatuurperiode
Het is iets voor half negen. De leerlingen staan in groepjes bij elkaar in het lokaal. Er hangt een koortsig opgewonden stemming. Er wordt druk gepraat, heftig gegesticuleerd en onder uitroepen van goed- en afkeuring worden verschillende ochtendbladen vergeleken. Hier en daar is een blauw oog zichtbaar, een pleister of verband.

Het is de dag na de spectaculaire ontruiming van de Lucky Luyk, een kraakpand aan de Amsterdamse Jan Luykenstraat. Eén dag was het oorlog in Amsterdam en veel van deze leerlingen hebben de kans niet laten lopen om dat mee te maken. Uit de verhitte gesprekken blijkt aan de ene kant de woede over het onrecht, aan de andere kant het medeleven met de op elkaar gejaagde partijen. Op het bord staat een onschuldig Middeleeuws gedicht over een drinkeboertje, maar daar heeft niemand oog voor.

De bel gaat, de les moet beginnen. Na de spreuk steekt de leraar meteen van wal:

Vandaag kiezen we eens een heel andere ingang in de Middeleeuwen dan we tot nu toe gedaan hebben. We gaan kijken naar de maatschappij van nu, of daarin ook net als in de Middeleeuwen rangen en standen te ontdekken zijn. Het is niet de bedoeling dat je een oordeel uitspreekt, maar dat je onderscheidt.

In groepjes van drie à vier leerlingen wordt overleg gepleegd. De leraar loopt rond, geeft hier en daar aanwijzingen:

Stel je een willekeurige drukke straat voor, waarin allerlei mensen lopen. Wat kom je dan zoal tegen?

Na een minuuut of tien worden de standen voorgelezen. Sommigen hebben eenvoudigweg een tweedeling gemaakt van denkers en doeners, anderen een hele waslijst met bovenaan de koningin. Weer anderen onderscheiden alleen armen en rijken. Wat voorgelezen wordt, wordt op het bord geschreven en steeds aangevuld. Zo heeft iedereen de punten feitelijk voor ogen.

Hoe groot is bij ons het verschil tussen arm en rijk? Waar ter wereld is het verschil veel groter?

Iemand heeft een categorie jongeren en een categorie krakers aangebracht.

Zijn dat wel aparte categorieën?
Jazeker

verzekert een meisje,
want ze worden toch niet geaccepteerd! Wat zijn dan jongeren? Tja,…
Nou, van 15 tot en met 22 jaar, probeert een jongen voorzichtig. Hoe ziet die groep er dan uit?
Schoolkinderen, werkelozen, studenten die op zich zelf staan.

Een meisje merkt op dat ze bij het begrip jongeren altijd aan verveling moet denken. Ze was zoals altijd twintig minuten te laat op school gearriveerd, had zich lusteloos in haar bank laten vallen en nog geen mond open gedaan. Dit is het moment dat ze ineens overeind schoot en definitief bij het gesprek en de les inhaakte. De discussie laaide fel op, iedereen wilde graag iets kwijt over de eigen groepering en de moeilijkheden. Het verschil tussen jeugd en jongeren komt ter sprake en er wordt gezocht naar een omschrijving van de begrippen. Sommigen vinden het hetzelfde, anderen verbinden aan jongeren, werkend of werkeloos. De beroepen worden doorgenomen, ambtenaren, dokters, advocaten, kunstenaars.

Het is opvallend,

zegt de leraar

dat over het ene beroep aardiger wordt gepraat dan over het andere.

Een vrij beroep, kunstenaar met name, lijkt de meesten het leukste. Er wordt over subsidie voor de kunsten gepraat. De opmerking dat een balletvoorstelling de staat eigenlijk f 200,— per plaats kost, krijgt als commentaar:

Potverdomme, laten ze dat liever aan arme kunstenaars geven!

De tiende klas is een sociaal bewogen klas, steeds verontwaardigd opkomend voor: de groepen die maatschappelijk uit de boot vallen, jongeren, junks, ‘buitenlanders’.

Na een half uur praten heeft men stoom afgeblazen. Het is gebleken dat wij ook, zei het minder in het oog springend, een maatschappij in standen hebben en met die kennis keren ze terug naar de Middeleeuwen.
Een minnedicht van Henric van Veldeke wordt te voorschijn gehaald. De leraar leest het voor en loopt de betekenis snel door. Het gedicht beschrijft het leed van de wereld en hoe de minne dit leed verzacht en hoop geeft in het leven. Het sluit prachtig aan bij het gevoel van onrecht in de maatschappij dat tijdens de discussie steeds naar voren kwam.

Daarna, de felheid is nu wat bezonken, moet de klas een samenvatting van de discussie maken en daarbij een eigen mening geven. Een paar worden voorgelezen en becommentarieerd:

We hebben het gehad over de verschillende inkomens en de bevolking in groepen verdeeld. De koningin is een heel groot verschil met minimumloners, jongeren en de niet-werkers. Er kwam een opmerking van iemand dat er geen groot verschil tussen arm en rijk is. Ik denk dat iedereen hier verschillend over denkt. Bijvoorbeeld de niet-werkers, daar kan je twee dingen onder verstaan: het niet willen werken en de werkelozen. Ook opmerkingen als: ieder zorgt voor zich en er wordt voor je gezorgd. Ook een punt waar iedereen een eigen beeld over heeft. Als ik de maatschappij inkijk zie ik ook een groot verschil tussen arm en rijk, het niet geaccepteerd worden als je anders dan anderen bent en dat de minimumloners altijd de klappen krijgen. Voor junks is bijna geen opvang, maar ook als je uit de bak komt heb je zeer weinig kans op werk. Wat maakt het uit als iemand in een kantoorpak loopt of punk is en met geitenwollen sokken loopt? Als je elkaar accepteert zijn die uiterlijke verschillen juist leuk!… Het gaat niet om het uiterlijk maar om het INNERLIJK!!

Het uiterlijk dat in de negende klas zo bepalend was, moet hier onherroepelijk wijken voor het veel belangrijker innerlijk! De leraar kondigt vast aan:

Morgen zullen de standen die in de Middeleeuwen uit de boot vielen, De Varende Luyden en de Aernoutsgesellen behandeld worden.

Het gedicht dat aan het begin van de les al op het bord stond, blijft daar staan tot morgen.

De discussie, eigenlijk naar aanleiding van de gebeurtenissen in Amsterdam, gaf de mogelijkheid dat wat de klas op dat moment het meest bezighield, zinvol te gebruiken. Het gevoel van onrecht bij de leerlingen kon afgereageerd en gerelativeerd worden, en werkte op deze manier geleid, ook ondersteunend voor de periode Middeleeuwen.

Leven in de middeleeuwen — een literatuurperiode
In een donkere steeg van een klein stadje zit een in lompen gehulde bedelaar op de keien en strekt een bevende hand uit naar een voorbij rijdende ridder: ,,Een aalmoes heer!” De klasisdoodstil. Het is maandagmorgen half negen de eerste les van de periode

taal klas10 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

middeleeuwen. Net toen de leerlingen klaar zaten om de nieuwtjes van het afgelopen weekend met elkaar uit te wisselen, begon de leraar plompverloren met zijn verhaal. Overdonderd klapte iedereen meteen zijn mond weer dicht. Gefascineerd luistert de klas naar een beschrijving van een Middeleeuwse stad: nauwe straatjes met bedelaars, edelen, kooplieden, een plein met marktkramen, kooplui, potsenmakers en een troep toneelspelers.

Na deze inleiding wordt met elkaar een lijst opgesteld van alles waaraan je bij de Middeleeuwen denkt:

•grote rijkdommen tegenover grote armoede
burchten met ridders en jonkvrouwen
horigen
minstrelen, jongleurs en troubadours
•ziektes, pest, dood en verderf
•de ongeregelde taal

Over dat laatste, de ongeregelde taal, zal het in deze periode vooral gaan. In het periodeschrift moeten uitwerkingen van wat de leraar vertelt, Middeleeuwse gedichten, samenvattingen van Middeleeuwse verhalen, verwerkte opdrachten en heel veel illustraties komen.

Een zelfgeschreven inleiding siert de eerste bladzijde van het schrift. Het werd aan het einde van de periode geschreven, toen de leerlingen pas een overzicht hadden van de stof:

Wanneer u wilt weten hoe Nederland door en in de Middeleeuwen verdeeld was, wie hier woonden, hoe men sprak, wat voor gedichten en verhalen men schreef, hoe men over de dood dacht, of wanneer u meer over het harde ridderleven wilt weten, leest dan dit vorstelijk boek. Het laat u, mede door een overvloed aan uitstekend verzorgde illustraties, kennis maken met het leven en de taal in de Middeleeuwen.

De geschiedenis van de taal
Stukje bij beetje vertelt de leraar over de ontwikkeling van de taal hier te lande, de leerlingen werken het uit in hun schrift:

De eerste mensen die dingen op papier zetten waren monniken, zij schreven in het Latijn, evenals ze preekten. De boeken die ze schreven waren bijbelse of geestelijke geschriften. De monniken schreven de boeken voor het klooster en deze stelde ze beschikbaar voor de adel die geen letter kon lezen of schrijven…

Dat waren nog eens sombere tijden: monnikenwerk verrichten, waar niemand iets aan had! Omdat ze in het Latijn schreven, worden wij ook niets wijzer over de taal die toen gesproken werd.

De oudste Nederlandse taal die wij kennen, is het Diets. Het woord Diets komt van het woord Ieod wat ‘volk’ betekent in het Gotisch, Diets betekent dan ook ‘volkstaal’. Het Diets is uit vele talen afgeleid, toen namelijk voor het jaar nul de Germanen, Batavieren, Franken, Saksen, Friezen, Kelten en Romeinen ons gebied introkken om hier te komen wonen, werden, doordat de stammen vaak verhuisden, al deze talen spoedig verspreid en door elkaar gehusseld.

Aan het rijtje vertalingen van vader hieronder, blijkt dat sommige woorden in verschillende talen ook nu nog op elkaar lijken:

Sanskriet                 Pitar
Latijn                       Pater
Nederlands            Vader
Duits                        Vater
Engels                     Father

In de 19e eeuw ontdekt Jacob Grimm door verschillende talen te vergelijken dat er ooit een oertaal geweest moet zijn die de voorloper van alle talen was. Hij geeft aan welke veranderingen in een woord plaatsvonden:

taal klas 10 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             b>p                                                d>t                                    g>k
latijn                 labium            grieks              deka        grieks               agnu
oud saksisch   lepor                oud saksisch  tehan      gotisch              kniu
nederlands      lip                     nederlands      tien         nederlands       knie

Door dit soort vergelijkingen krijgt de taal voor de leerlingen een flinke dimensie erbij.

 

Voorhoofse literatuur
Steeds wordt er een onderwerp uit de Middeleeuwen behandeld. Het grootste gedeelte van de periodeles echter wordt besteed aan de Middeleeuwse literatuur.

Karel ende Elegast wordt ten dele in het Middelnederlands voorgelezen, ten dele verteld.

Kies nu een minimaal detail uit het verhaal en bewerk het eens opnieuw, alsof je zelf de verteller bent.

De opdracht wordt gegeven om te leren van iets heel kleins iets groots en boeiends te maken, alsof je door een vergrootglas kijkt. Het beeld dat in je hoofd zit, moet omgezet worden in taal, zo krijg je greep op eigen voorstellingen.

De episode in de slaapkamer van Eggheric en zijn vrouw, wordt in de bewerking van één van de leerlingen een modern huwelijksconflict:

De verbeelding uit Karel ende Elegast.

,, Hoorde ik nou gerinkel of niet?…, het geblaf van mijn hond is in ieder geval geen verbeeldingen; ik hoor ook mijn kippen kakelen” dacht Eggheric.,, Vrouw” begon hij toen tegen mij, ,, Vrouw, ben je wakker?”. Ik antwoordde niet maar deed alsof ik sliep.,, Vrouw” begon hij nogmaals. Ik begreep dat ik maar beter wakker kon worden en rees omhoog. ,,Vrouw” begon hij voor de derde keer, ,, hoorde jij ook gerinkel van belletjes?”

„Nee dat hoorde ik niet” zei ik stug,,en laat me alsjeblieft slapen!” Eggheric gaf het echter niet op en begon opnieuw:,, Vrouw, hoorde je echt niets rinkelen?”. Ik bleef volhouden dat ik niets gehoord had. Eggheric stond op het punt om woedend te worden, toen ik plotseling tot mijn grote verbazing een zacht gemompel onder het bed vandaan hoorde komen, „Dus toch ” dacht ik en net toen ik wou kijken wie er onder het bed zat viel ik in een diepe, diepe slaap.

Een andere opdracht was een fragment zo boeiend en spannend mogelijk te vertellen voor de klas. Er mocht met elkaar overlegd worden welk fragment te kiezen. Eindeloos gegiechel en gegrap onderling. Eén leerling wordt voor de klas gevraagd. Ze ploft meteen op de stoel neer die daar staat, en raakt zo, op te laag niveau alle aandacht van haar klasgenoten kwijt. Een ander plukt voortdurend aan zijn trui, zegt steeds: Nou eh… tussendoor, en verliest daarmee zijn publiek. Na iedere verteller wordt door de klas besproken eerst wat goed, daarna wat minder goed was.

Uiteindelijk komt er een lijst op het bord waar een verteller in de Middeleeuwen, maar ook nu nog, op moet letten:

  • niet verlegen zijn                               • sfeervol beschrijven
  • goed articuleren                                • hier en daar een grapje maken
  • het publiek aankijken                       • pauzes in zinnen houden
  • niet monotoon spreken                     • oppassen voor stoplappen
  • niet te snel spreken                            • uitgekiende gebaren maken

Ook werd van een fragment een zo kort mogelijke beschrijving gemaakt. Aan de hand van deze samenvattingen werd uitgelegd hoe je hoofdzaken van bijzaken kan onderscheiden, wat belangrijk is voor de loop van het verhaal en wat niet.

Karel ende Elegast wordt vergeleken met een ridderverhaal van later datum Lanseloet en het hert met de witte voet. Er zijn veel verschillen, maar met enige moeite ook overeenkomsten te vinden:

Karel                         verschil                                Lanseloet
bange dief                                                              dappere jager
religieus                                                                  
geen geloof
eer tonen                                                                 eer redden

overeenkomst
eerlijke ridder                                                       eerlijke ridder
goed en kwaad                                                      
goed en kwaad
gaat om mannen                                                   
gaat om mannen
Elegast en Eggheric                                            
Walewijn en de vreemde ridder
vechten om gelijk                                                  
vechten om gelijk

De ridderschap
De Germanen hadden geen ridders. Ze streden met knotsen tegen hun vijanden, dit deden ze ook niet in legerverband maar samen met hun familie.

In de loop van de tijd veranderde het strijdtafreel en werd het geraffineerder, mensen gingen zich verdedigen met leren kappen op hun kop.

De leren kappen werden wapenuitrustingen en, de knotsen werden zwaarden. Je behoorde niet meer bij toeval tot een vechtersbazenfamilie, je werd tot ridder geslagen onder dure eden en beloftes van eeuwige trouw. Vol spanning luistert de

taal klas 10 5

klas naar de groei en bloei van het ridderschap. Als opdracht moeten ze in de schoenen gaan staan van een ridder die een griezelig avontuur beleeft. Met overgave worden verhalen geschreven vol bloed, wraak en gruwelijkheden.

De zelfkant van de samenleving
Buiten de drie standen waarin de Middeleeuwse samenleving oorspronkelijk was ingedeeld, de adel, de geestelijkheid en de burgerij, werd nog een vierde stand onderscheiden.

Tot deze vierde stand werden alle lieden gerekend die niet tot een vaste stand behoorden; men noemde hen de Varende Luyden of Reinouts- en Aernoutsgesellen. Opklimmen in stand was onmogelijk: als de vader boer was, werd de zoon dat ook; afzakken daarentegen, vooral naar die vierde stand, behoorde wel tot de mogelijkheden.

Eens in het jaar, werd deze strenge standenmaatschappij losgelaten, dat was met Carnaval, de vrolijkste en vreemdste tijd van het jaar:

In 1400 en 1500 was het leven één groot feest, tussen 11 november en 15 april. Allerlei optochten, grote drink- en eetfestijnen. Het meest fantastische was het carnaval. De poorten gingen open voor iedereen. Alles kwam er binnen, dieven, zieken, nonnen, monniken, zangers, jongleurs, goochelaars en studenten. Nou de rampen waren niet te overzien. De burgemeester stak zich in het pakje van een student en de student deed het burgemeesterspak aan en regeerde een week de stad. Marskramers liepen hun koopwaar aan te prijzen, de klokken beierden de hele dag, mensen lachten, schreeuwden, kortom het was een vreselijk kabaal. En dan op een gegeven moment kwam er een blauwe schuit op wielen de stad binnen rijden. In deze kar zaten de bakker, de slager en andere gewone burgers die zich verkleed hadden als allerlei soort tuig. De schuit was het symbool voor mensen op weg naar de hel. Het blauw was de kleur van de schijn. Op de schuit werd gedronken, gelachen, gedobbeld en gegeten.

Van het carnaval en de schuit op weg naar de hel, wordt overgestapt op een tekst Mariken van Nieumeghen, waarin een jong meisje verlokt wordt door de duivel, Moenen metter eender ooghe. Moenen, de duivel, is een Aernoutsgeselle.

Het verhaal wordt in de klas gelezen en in eigen woorden samengevat in het schrift.

De hoofse minne
De leraar vertelt over de minne in de Middeleeuwen, van vorsten en landheren die op eenzame burchten woonden en zichzelf en hun vrouwen lieten vermaken door rondtrekkende troubadours. Zij zongen van de liefde, de hoge volmaakte liefde tussen man en vrouw. Zonder sexuele bijbedoelingen vullen de meeste leerlingen in hun schrift ter verduidelijking aan. Ze kwamen uit het Zuiden, deze troubadours maar:

In het Noorden raakte men op den duur ook geïnteresseerd voor die troubadours, hier werden de liederen echter niet zo mooi gezongen dat men er in opging, ze werden mede door het slechte weer ook minder vrolijk en zwaarder. Hoofse minneliederen werden ze hier genoemd en de troubadours minstrelen. Een man die zich hoofs gedroeg, zo zei men laat in de Middeleeuwen, werd standvastig, moedig, rechtschapen, alles wat een mens maar van zichzelf wensen kan. Ideaal dus.

Ineens daagt het de meeste leerlingen:

Dus „Lanselot en het hert met de witte voet” hoort binnen de traditie van de hoofse minne thuis!

Ook wordt er verteld over helderziendheid en hekserij en daarover schrijven sommigen de mooiste verhalen:

Het was al een beetje schemerduister en de klokken galmden over de stad. De kerk rees hoog boven de tierlantijnige daken uit. Op het marktplein lagen nog de laatste resten van de vertrokken markt. Er heerste een voldane rust. Af en toe schoot er een lichtkiertje tussen de luiken van de huizen door. Daar zat ze, vlak bij de deur van de kerk. Een beetje ineengedoken. Grijze jurk, een vale cape met capuchon, alles een beetje grauw. Zo in een oogopslag een doodnormale vrouw. Het werd nu donkerder en in alle huizen brandden nu wel lichtjes. Een statige gestalte kwam het plein met de kinderhoofdjes op. Je kon van verre zien dat het een vrouw was. Ze was erg mooi. Ze had bruine glanzende ogen en een hoge punthoed op. Haar huid was melkwit en ze droeg een lange japon met cape. Voorzichtig liep ze de trap op, keek om zich heen en knielde bij de oude vrouw neer. Deze keek verbaasd op. Of eigenlijk niet verbaasd heel vreemd. Met haar waterige hel blauwe ogen leek ze wel dwars door de jonkvrouwe heen te kijken. ,,Helena? Gij zijt gekomen om mij te raadplegen. Roderic is de naam van de dappere ridder. Trouw niet met hem, hij zal u geen kinderen kunnen bieden. Bovendien is hij niet eerlijk. Hij heeft al een andere minnares. “,,Hoe wist ge m’n naam? Hoe wist ge van Roderic?” de helderblauwe ogen keken strak zonder uitdrukking. ,,Ge zijt een bedriegster, een heks, ge bent van de duivel bezeten. ” De oude vrouw stond op en liep de trap af. Nog eenmaal draaide ze zich om: ,,Ik ben geen heks, mijn helderziendheid is een gave van God. ” Toen liep ze langzaam weg, de nacht in.

De leraar die zulke verhalen van zijn leerlingen krijgt, weet zeker dat ze iets over de Middeleeuwen opgestoken hebben. Anderen schrijven verhalen over de pest en de dood. Hier komt een jongen aan het ziekbed van zijn zusje:

,,Het valt best mee” denk ik, maar twijfel aan mijn woorden wanneer ik de opgesnoven lucht uit de gang uitadem en opnieuw inadem. Ik kan wel kotsen, een sterke rottende vleeslucht dringt tot diep in mijn lichaam door en doet me eraan herinneren dat ik het azijndoekje vergeten ben. ,,Ik wen er wel aan”, hoop ik en ga naast Caroline zitten, mijn zus durf ik kaar niet meer te noemen. Behalve een paar rode vlekken is er niets aan haar te zien, maar ik vrees toch het ergste. Haar afschrikwekkende gehoest en haar zachte geijl zorgen daarvoor. Ben ik jaloers? Binnenkort zal ze dansen met Magere Hein, en de dood is het mooiste ogenblik in je leven.

taal klas 10 4

Hiermee kwam ook een einde aan deze periode. Het periodeschrift verschaft de maker en de lezer een kleurrijk overzicht van leven en dood in de Middeleeuwen.

Dichten, een ambacht — een poëticaperiode
Voor de klas staat een reproductie van een schilderij van Kandinsky.

Tsja, proberen jullie maar eens op te schrijven wat er zoal in je opkomt als je naar dit schilderij kijkt.

De leerlingen kijken elkaar bevreemd aan.
„Niets” roept iemand laconiek, „Dat soort dingen kan ik niet” roept een ander.

Het is de eerste les van de periode poëtica. De leraar heeft net uitgelegd dat de bedoeling van deze periode is zelf tot dichten te komen. En alhoewel dichten voor een groot deel inspiratie is, zijn er een aantal handgrepen om het te leren. Door middel van het imiteren van poëzie van dichters, oefent de klas het dichten. Aan het eind van de periode moet een gezamenlijke dichtbundel ontstaan zijn.

De associaties naar aanleiding van het schilderij van Kandinsky worden even later voorgelezen. De een noemt alleen de kleuren en vormen op het schilderij, een ander ziet dreigende luchten en vult zo al een kwaliteit in, weer een ander heeft een man te paard ontdekt. Iemand begint met oud stuk karton en een enkeling heeft al een echt poëtische zinsnede geformuleerd: werelddelen overbrugd in één sprong.

Niets is fout, leraar en leerlingen bespreken wat goed is en waarom.

Soms generen de leerlingen zich in het begin voor elkaar, het is aan de leerkracht om heel voorzichtig met de dichtuitingen om te springen.

Het verschil tussen proza en poëzie wordt bekeken. Het is vaak heel moeilijk om te zeggen of iets een gedicht is. Het meest steekhoudende blijkt de wijze waarop de tekst gedrukt is, de bladspiegel.

De leraar deelt blaadjes uit waarop gedichten van Lucebert en Marsman staan. Twee gedichten moeten voor de volgende les geïmiteerd worden:

De visser van Ma Yuan,
onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser
                                                                                     Lucebert

De burger van Takya.
op de paden fietsers scheuren
op de wegen fietsen auto’s
maar daartussen loopt de burger

paden worden brede wegen
wegen worden smalle paden
maar intussen loop de burger
                                                                                     (imitatie door een leerling)

De burger van Takya.
in mensen vreugde ontwaren
in harten bonken hartstochten
maar overal waart de dood

grijnzen worden bange blikken
blikken worden starre grijnzen
maar in hen waart de dood
                                                                                     een leerling

Fort                                                            Zalm

Fort                                                            Zalm

donder                                                      amber

stormend ontsprongen                        damasten tafels
de wervelkolommen                             kaarsen manestralen
de schokkende monden                        paarlen, kaviaar
van de kanonnen                                   van Cote d’Azure

donder                                                     amber                                                       

de horizonnen                                        de zware geur 
gaan onder                                             
van amber

muren der sterren                                 perziken, peren
gitzwarte vuren                                     bloedkoraalatol 
kolen en tonder                                       sarongs en amber

en de toren                                               met de weelde
der zon                                                      van spijs

laaiende                                                    slagroomkers

ton                                                              ijs

stort                                                           palm

onder                                                        strand

donder                                                      amber

fort                                                            zalm 

Marsman                                                   (imitatie door een leerling)

De structuur van de beide oorspronkelijke gedichten wordt nader bekeken aan de hand van de imitaties. Het opvallendste van het eerste gedicht is de kruisstelling in de eerste twee regels. Als je „Fort” hardop leest, hoor je dat heel veel woorden een ,,o” in zich hebben. De imitatie Zalm heeft daarvoor in de plaats, heel mooi, allemaal ,,a”‘s.

Op deze manier wordt enige tijd met verschillende gedichten geëxperimenteerd. De bespreking van de imitaties is voornamelijk zakelijk: klopt het aantal lettergrepen en het rijmschema? De inhoud alszodanig wordt niet besproken. Niemand hoeft bang te zijn dat zijn diepere gevoelens aan een analyse onderworpen worden. Wel wordt het criterium gesteld dat het werk boven het niveau van het sinterklaasgedicht uitstijgt:

De automobilist.

Een automobilist zat achter het stuur van zijn automobiel
Een dagelijkse bezigheid die hem niet erg beviel
Daar zag hij een pompbediende, die tankte autogas
Toen dacht de automobilist: ik wou dat ik die pompbediende was.

De pompbediende.

De pompbediende pompte de een na de ander vol
aan dat baantje beleefde hij niet veel lol
zou automobilist een leuke bezigheid zijn?
Ja, dat leek de pompbediende reuze fijn.

Deze gedichten worden gered door de combinatie. Vaak kan in een gedicht dat naar rijmelarij neigt al een verrassend effect bereikt worden door ergens het ritme te veranderen.

In de loop van de periode komen gedichten en biografieën van verschillende dichters aan bod, — veelal door middel van spreekbeurten —, rijmsoorten en rijmschema’s, lettergrepen, ritme en metrum.

Aan de hand van voorbeelden wordt gekeken waar het strakke metrum in het vrijere ritme overgaat, hoe een dichter zijn metrum kan doorbreken door woorden met een bepaalde klemtoon te kiezen en welke gedichten zich niets van metrum en ritme aantrekken maar wel van een vast aantal lettergrepen. De sonnetvorm wordt behandeld en beoefend. Het is geen gemakkelijke opgave een sonnet te maken dat aan alle eisen voldoet:

Als de zon in zee is ondergegaan,
De schapen langzamer zijn gaan grazen,
Dan in ’t duister volgt het uur der dwazen.
Dan komen de grijze geesten eraan.

De late wandelaar zal zich verbazen
En met open mond geboeid blijven staan.
Aan de duistere hemel rijst helder de maan.
Zij schijnt over bomen, schapen, de hazen.

De nevels wervelen zich om de lijven.
De schaduwen der heksen vliegen snel.
Is het verbeelding, de grijzende wijven?

Spichtige flitsen, gerommel, geschel.
Zwarte wolken die ’t maanlicht verdrijven.
De heksen zingen het lied van de hel.

Zelfs in dit voorbeeld, één van de beste uit de klas, is het metrum niet overal even perfect. Aan het eind van de periode worden pogingen gedaan gedichten met een vrije versvorm te schrijven. Een van de opdrachten was over het dichten te dichten:

Gedicht.

Woorden vliegen
scherp of zacht
scherp en zacht
‘k probeer ze te pakken
Maar het lacht
pakken doe je ons niet
wij komen alleen op tijden
dat je ons niet verwacht.

Een andere opdracht was veel te schrappen en met een minimum aan woorden toch de betekenis niet verloren te laten gaan:

Zwanenserie.

Met mijn moeder aan de hand
stukjes brood
de waterkant
Een beetje bang
Het klappen der vleugels
kan mij de armen breken

Plat, vlak en groen
met rode daken driehoekjes
Met de hals diep in de bekroosde sloot poerend
één grote
een rits kleintjes
Het klappen der vleugels
doet het water spetten

IJsselmeer
lichtblauw water,
kalkwitte vleugels
kleuren van Hellas
kleuren van Holland
Het klappen der vleugels
doet de dieren dalen

Twee sierlijke boten
al eeuwig glijdend
over het stille water
al eeuwig trots
al eeuwig kalm
Het klappen der vleugels
doet de rust eer aan

Een tafel
Met een perzisch bruin tapijt
ergens een vergrootglas
Mijn opa tekent me een zwaan
ontsprongen uit een 2
Het klappen der vleugels
is geheel afwezig.

In Gedicht werd het ritme bepaald door een herhaald rijmwoord, in Zwanenserie komt één regel in iedere strofe terug. Het dichten blijkt niet alleen maar Goddelijke inspiratie te zijn, maar ook vooral een ambacht waarin je je door oefening kunt bekwamen.

Tot besluit van de periode schrijft iedere leerling de gedichten van hemzelf die hij het beste vindt, in de gezamenlijke dichtbundel.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

Nederlandse taalalle artikelen

.

473-439

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – klas 9

.

taal klas 9

Bijna ongemerkt is de prepuberteit in de puberteit overgegaan.

In de verschijning van de vijftienjarige lijkt het evenwicht zich te herstellen, langzaamaan krijgen de ledematen hun harmonische proporties terug. Het gezicht begint nu volwassen trekken te vertonen en ook dit gaat niet onopvallend aan de puber voorbij: met verontwaardiging worden pukkels, beginnende baardgroei, te grote neuzen in ogenschouw genomen, gevolgd door diep sombere, overpeinzingen. De psychische problemen drukken met volle kracht op de ontredderde geest, de kloof met de volwassenenwereld lijkt onoverbrugbaar:

Werkelijk niemand begrijpt wat ik voel!

klaagzangt de jeugdige. Zelf begrijpt hij zijn gevoelens meestal evenmin, maar dat maakt voor hem de ernst van de zaak niet geringer. Toch is hij die zich kan uiten nog gelukkig vergeleken met degene die stilletjes zijn verdriet verbijt.

De clubjesgeest en de bijbehorende groepscodes die in de achtste klas de nodige vastigheid moesten bieden hebben hun bloeitijd nog niet gehad; steeds meer valt de klas in vaste groepen uit elkaar. De houding naar de buitenwereld is meedogenloos: je hoort er wél, of je hoort er helemaal niet bij. De verschillende groepjes onderscheiden zich veelal door een zorgvuldig opgebouwde groepsverschijning, waardoor meteen zichtbaar wordt tot wie de afzonderlijke leerlingen zich het meest aangetrokken voelen.

De enkele in zichzelf gekeerde eenling die nergens bij wil, kan of mag horen, wordt door de rest van de klas tot zonderling bestempeld en genegeerd. Eenzaamheid is vaak zijn deel!

Om het uiterlijk bepalend voor de groep kracht bij te zetten, is niets te dol: waar sommigen uitgedost als Indianen op oorlogspad de school betreden, lijken anderen weggestapt uit een modetijdschrift, of permanent op weg naar een sportvereniging. Het uiterlijk is op deze leeftijd zo bepalend geworden dat iemand aan een foute bril of dom kapsel voorgoed ten onder kan gaan. Acceptatie en tolerantie beleven hun dieptepunt, alles is stom of gek. Het ontwakend oordeelsvermogen hakt er vrolijk op los, niets en niemand ontziend.

Met de negende klas begint de vrijeschool de bovenbouw. De leerlingen richten hun aandacht hoofdzakelijk op de volwassenenwereld; daar zoeken ze naar mensen die bewonderd kunnen worden: een leerkracht of een ander ouder iemand, maar ook het popidool en de filmster.

Nu verschijnt dan ook een nieuwe klassenleraar voor de klas: een vakdocent van de bovenbouw. Alle vaklessen en periodes worden door vakdocenten gegeven, het onderwijs wordt specialistischer en heeft een volwassener aanpak.

Over het Nederlands in de negende klas
Het beeld dat de negendeklasser oproept is als van een personage dat net iets te zwaar is aangezet, in uiterlijk en uitingen net te opvallend om geloofwaardig te zijn. Groots en meeslepend wil hij leven, hij is dan ook niet van dramatiek ontbloot.

Zoals eerst de ledematen te plotseling waren uitgegroeid om nog een harmonisch geheel te vormen, zo zijn nu de gevoelens te overweldigend en heftig om van een evenwichtige persoonlijkheid te spreken. De vijftienjarige leeft in uitersten en gevoel voor overdrijving is hem zeker niet vreemd.

Voor het eerst worden twee afzonderlijke literatuurstromingen behandeld, het rationalisme (18e eeuw) en de romantiek (19e eeuw), beide aanhakend bij de problematiek van de vijftienjarige.

Voor de negendeklasser lijkt het koele verstand het hoogst denkbare goed:

o, hij zou zo graag verstandig wezen, maar te gevoelig is zijn hart…

Het is goed om juist nu in de gedachtewereld van de 18e-eeuwers mee te gaan, die verstand en nut zo hoog in het vaandel schreven. Naar die wereld, waar het denken en de gevoelens zoveel mogelijk gescheiden blijven, verlangt de vijftienjarige. Hoe moeilijk blijkt het, ook voor de 18e-eeuwer, de gevoelens te veronachtzamen en het verstand te laten prevaleren.

Lijnrecht tegenover dit verstandelijke denken, staat de wereld van het romantisch verlangen. In deze wereld van onuitsprekelijke en onpeilbare diepe gevoelens, van het grote verlangen en het onbegrepen en eenzaam zijn in de omgeving, verkeert de vijftienjarige. Een van de doelen van het literatuuronderwijs op de vrijeschool is de leerlingen hun eigen binnenwereld te laten herkennen, zonder uitdrukkelijk en klassikaal de problemen door te ploegen. Bij de romantici van de 19e eeuw kunnen ze stiekem zitten zwijmelen en ervaren dat hun gevoelens en problemen helemaal zo gek niet zijn.

Het is belangrijk om in deze klas de lichte toon te vinden: het leven is al zo zwaar, vinden ze. Het onderwijs staat daarom in het teken van de humor. De humor is het middel om de werkelijkheid te verbloemen, te verkleuren en te relativeren. De achtste klas was nog te jong om schijn van werkelijkheid te onderscheiden, de negende geniet ervan: spot, zelfspot, ironie, sarcasme, galgenhumor kunnen nu op hun waarde geschat worden. Er kan gelachen, gehuild en gegriezeld worden, er kan becommentarieerd, bekritiseerd en geparodieerd worden. Verstand en gevoel, ernst en spot wisselen elkaar af in een bonte verzameling van teksten.

Schrijvers als Van Effen, Rhijnvis Feith, Multatuli, Hildebrand, Van Alphen, Piet Paaltjens spreken alles aan wat aan gevoelsleven, maatschappelijk engagement en humor aanwezig is bij de leerlingen. De leerkracht stelt de behandelde stof niet ter discussie, dat zou tot niets leiden in de negende klas. Feiten zijn concreet en absoluut, dat geeft houvast.

Ook tot het literatuuronderwijs behoort de boekbespreking, vaak in de vorm van een spreekbeurt. Voorlopig is het voornaamste doel van pedagogische aard. De leerlingen leren kritisch naar elkaar luisteren en ze leren, door de leraar begeleid, gericht commentaar te leveren: wat was goed en waarom, wat was minder goed en waarom en welke dingen zou hij/zij kunnen verbeteren? Uit zo’n nabespreking ontstaat dan een soort klassengesprek, waardoor een aantal vaardigheden ontwikkeld worden: zorgvuldig luisteren en precies formuleren, begrip voor andermans standpunt, het volharden in eigen standpunt, tolerantie voor andersdenkenden. Het leren van deze vaardigheden is voor de snel geëmotioneerde negendeklasser en voor hun leerkracht een weg van vallen en opstaan, toch moet er dapper doorgezet worden. Het is wel van belang dat het gaat over concrete en feitelijke zaken die ergens bij aansluiten, niet een discussie omwille van de discussie. De bespreking van een boek, een krantenartikel, elkaars verhalen of geschreven verwerking van de lesstof, lenen zich hier uitstekend voor.

De grammatica is in hoofdzaak in de vorige klassen behandeld en neemt dan ook in de negende een ondergeschikte plaats in. Er wordt nu meer aandacht gegeven aan het doorgronden van de structuur van lange zinnen en moeilijke teksten en aan het ontdekken van verbanden in teksten. Het is vaak de wens van de leerlingen de elementaire grammatica te herhalen. Zo ontdekken ze dat ze lang niet alles vergeten zijn en dat ze kunnen vertrouwen op opgedane leerervaringen.

In de achtste klas is de waarneming van de leerlingen geschoold. Nu kan daarop aangesloten worden door het imiteren van geschriften van anderen. Er is nu afstand tussen de leerling en het te imiteren object. Het imiteren is daarom zo belangrijk omdat ze leren zich op verschillende wijzen uit te drukken en meevoelen hoe het is om je zo uit te drukken.

Speciale aandacht moet besteed worden aan de spelling, aan het handschrift en aan de verzorging van het periodeschrift, want de negendeklasser is vaak slordig. Veel van deze praktische verworvenheden zijn op deze leeftijd weggezakt, of men is niet in staat ze te gebruiken. Zowel bij het schriftelijk als het mondeling taalgebruik moet je steeds weer op alle slakken zout leggen. Ook al maakt het de indruk dat je aanwijzingen langs de leerlingen heen vliegen:

Laat die man maar kletsen

een jaar later als deze periode van onevenwichtigheid grotendeels achter de rug is, blijkt dat ze er toch een hoop van hebben opgepikt.

Bij alles wat we de negendeklasser willen leren, proberen we in het oog te houden dat het feitelijke stof is, die met veel humor en plezier gepresenteerd wordt.

Maandagmorgen — een lesbeschrijving van een literatuurperiode
Vandaag,  begint de leraar,  gaan we eerst een paar dingen die vorige week behandeld zijn, op een rijtje zetten. We hebben kort twee literatuurperiodes bekeken, welke waren dat? Het rationalisme van de 18e eeuw en de romantiek van de 19e eeuw, antwoordt een meisje. Waarin verschilde de romantiek van het rationalisme? Van alle kanten komen flarden van antwoorden: lossere kleding; de tuinen werden minder symmetrisch; men ging romans schrijven; het rationalisme gaf alleen plaats aan het verstand, de romantiek aan het gevoel.

De leraar zal de romantiek nog wat uitgebreider behandelen:

Wat ik herhaal moeten jullie maar overslaan, verder heeft iedereen die zijn uitwerking niet of onvolledig heeft, nu de kans hem aan te vullen: De mislukte Franse revolutie heeft een rigoureuze ommezwaai naar de romantiek tot gevolg. De idealen zijn vernietigd, het verstand en de wetenschap waar men al zijn vertrouwen in had gesteld, hebben niet getriomfeerd. De tijden die volgen zijn somber. De mensen vallen terug, slapen in of worden pessimistisch. Ze wroeten in hun gevoel, wentelen zich in sentiment en vragen zich af waarom de wereld toch zo slecht is. Sommigen ontvluchten hun bestaan, anderen leggen tuinen aan met donkere bosschages en grote vijvers, waar het heerlijk eenzaam toeven is. De schilderkunst, in de 18e eeuw zo licht en kleurig, vertoont nu donkere en stemmige taferelen: veel winderige heuvels, met dorre bomen en dreigende luchten erboven. In de literatuur wordt gepeinsd en geweend over verloren geliefdes en de ondergang der wereld. Goethe beschrijft de zelfmoord in „Die Leiden des jungen Werthers”, wat een hoos van zelfmoorden tot gevolg heeft. In Nederland is de romantiek niet zo spontaan en invloedrijk geweest als in Engeland en Duitsland, de Nederlanders werden over het geheel alleen een tikkeltje duffer.

Eén van de weinige voortbrengselen van het romantisch pessimisme hier te lande staat op het bord:

Niets is zo koud als deze wereld
Een vriendschap zonder warmte
Een liefde zonder ideaal,
Een poëzie zonder stoutmoedigheid
Vaderlandsliefde zonder offers,
Godsdienst zonder enthousiasme.

(De Clerq, 1817)

Voor de negendeklasser die zich vaak net zo in de kou voelt staan, is zo’n gedicht enkel lafenis. Opgelucht stelt een leerling vast dat dit soort gevoelens dus heel gewoon waren. Hoe uitzichtslozer de situatie geschetst wordt, hoe meer hij erin opgaat. Het gedicht wordt in het schrift geschreven en dat wat de leraar verteld heeft moet voor morgen uitgewerkt worden.

Een heel ander onderwerp wordt nu aan de orde gesteld: de spraakklanken. Eerder werden de t en de d besproken, nu komen de v en de w aan de beurt. Om het verschil tussen de twee klanken goed te voelen, wordt een kinderversje met veel w’s gereciteerd:

Wie, wat, waar
Witje watje ben je daar
Wil je weten wie ik ben
Wil je weten wie ik ben

Afwisselend hard en zacht; ook worden de w’s door v’s vervangen. Dan komt de opdracht:

Schrijven jullie eens heel nauwkeurig op hoe je die twee klanken maakt. Waarin zit het verschil?

De leraar loopt rond en verleent hier en daar de nodige steun. Na een minuut of tien lezen een paar leerlingen hun beschrijving voor. Althans, daar doen ze een poging toe. Ze zijn er niet echt uit gekomen, durven nauwelijks voor te lezen wat ze hebben opgeschreven en vallen zichzelf steeds in de rede met:

O ja, dit klopt even niet of: Hier wist ik het niet goed meer.

Eén meisje heeft helemaal niets opgeschreven en mag het op haar eentje op de gang proberen; we zien haar voorlopig niet terug.

Met stug doorvragen en doordenken komt de klas toch tot de belangrijkste kenmerken. De leraar destilleert hieruit een beschrijving, die hij dicteert:

De w maken we door de lippen iets te spannen en de boventanden de binnenzijde van de onderlip licht te laten raken. De lippen zijn iets getuit en de tong ligt onderin de mond. De uitgeademde lucht laat de stembanden trillen. Vervolgens komt de lucht door de plotselinge ontstane opening tussen tanden en lippen vrij. De w is een stemhebbende klank. We noemen deze klank een ‘ploffer’ en hij behoort tot de lipklanken. De v is een glijder en het verschil met de w is dat de boventanden bovenop de onderlip staan zolang je de klank maakt.

Het is voor de negende klas geen sinecure heel nauwkeurig te voelen en beschrijven, maar wel een uitstekende oefening.

Voor vandaag was het huiswerk een verhaal bij een foto te schrijven. Dat wordt als laatste in deze les besproken. Twee meisjes achter in de klas zitten aandachtig hun nagels te lakken.

Dames, zouden jullie die frutselarijen willen opruimen. Het is pech dat jullie vanmorgen geen tijd hadden, maar niet nu hier, of gaan jullie je anders buiten op de gang versieren!

Giechelend worden de spulletjes opgeruimd en de opdrachten te voorschijn gehaald. De meest verrassende verhalen worden even later voorgelezen:

De ochtendschemer begon al een beetje op te komen, toen ik ‘m zag. Een hele bink was ie en hij wilde wat van me. Natuurlijk voelde ik me wel gevlijd, maar er zijn zoveel binken die wat van me willen! Ik krijg nog een kind van ze! Goed, ik keek ‘m dus niet aan en liep gewoon door. Maar hij liet het er niet bij zitten en begon prachtig voor me te krijsen. Ik had nog nooit zo mooi horen krijsen, dus ik bleef stilstaan om te luisteren. Hij greep zijn kans en sprong op me af. Nou, toen hebben we wat gevochten! Ik heb ‘m een paar flinke krassen op z’n kop gegeven. Toen de baas wakker was ben ik meteen naar binnen gegaan om te pitten, want buiten kun je dat niet meer rustig doen en ik word zo moe van al die kerels! Net toen ik lekker sliep, moest die stomme baas zonodig een foto van me maken. Nou vraag ik je!

Op de foto ligt een poes behaaglijk te slapen. Haar eigenaresse heeft zich kennelijk moeiteloos in het poezenbestaan verplaatst. Uit de verhalen wordt zonneklaar waar de interesse van de leerlingen ligt, en dat vaak heel onverwacht!

Ik stond onder mijn ruimteschip. Ik draaide me nog eenmaal om. Voor me zag ik een vredig paars landschap onder een opkomende zon. Ik luisterde naar het gekwetter van de vogels en het ruisen van de watervallen. Het was windstil en het water was spiegelglad. Ik klom omhoog aan boord en sloot de deur. Achter me ebde het geluid weg en alleen het geruis van de watervallen bleef doortuiten in mijn oren, maar ik had dan ook al 24 uur aan één stuk gehoord. Ik liep naar de stuurcabine en nam plaats op mijn stoel. Ik startte eerst de linker- en daarna de rechtermotor. Ik kon me voorstellen hoe de vogels kwetterend weg zouden vliegen. Ik zette alle meters op ‘klaar voor vertrek’. Na drie lirondo’s was het zover en ik duwde op de startknop en de motoren ontstaken zich. Ik kon me het gebulder goed voorstellen, alhoewel ik het nog nooit gehoord had. Al snel kwam ik op hoogte en met een snelheid van 500 cartus per lirondo vloog ik nog eenmaal laag over. De vogels zouden nog maar één keer voor mijn donderende motoren op hoeven te vliegen. Ik gaf nu vol gas, onder me verdween de Paarse Planeet. .

Tegenstellingen belicht — een literatuurperiode
In dit schrift treft u aan een indruk van een periode in onze geschiedenis, die grote verwarring en grote verwachtingen met zich mee bracht. Naar aanleiding van geschriften uit de tijd van kil en koel verstand treft u hier daarop geïnspireerde vertellingen aan. Gelukkig wordt het gevoel van de lezer ook aangesproken door de ontroerende en soms al te gevoelige verhalen uit de romantiek. Zonder humor zou het leven van de romanticus in dit aards tranendal onleefbaar zijn.

Zo luidt de inleiding van het periodeschrift die de leraar de laatste les van de periode dicteert. De eerste les heeft hij enige aanwijzingen voor de indeling van het schrift gegeven:

1.   inleiding op eerste bladzijde
2.   inhoudsopgave op laatste bladzijde
3.   nummer de bladzijden
4.   schrijf de gedichten en belangrijke uitspraken op ongelinieerde bladzijden
5.   geef elk hoofdstuk een titel

De negendeklasser heeft duidelijkheid en overzicht nodig. Als je precies vertelt wat de bedoeling is, volgt hij het met plezier op. Zo kan, ondanks de rommeligheid die de negendeklasser eigen is, toch een redelijk net en overzichtelijk schrift ontstaan.

De eerste les van de periode wordt besteed aan een beschrijving van het rationalisme. Voor de volgende dag werken de leerlingen het vertelde uit, ieder op hun eigen manier:

Als je nu langs de Amstel loopt, zie je dat alle huizen precies symmetrisch zijn. Dat zijn de huizen die in de 18e eeuw zijn gebouwd. Niet alleen de huizen en tuinen waren symmetrisch, maar ook de mode en eigenlijk het hele leven…

Ook de literatuur van die tijd stond in het teken van het rechtlijnige, het verstandelijke denken. Allerlei uitvindingen werden gedaan en beschreven, encyclopedieën uitgegeven, en de opvoeding van het kind en de wereld nam een centrale plaats in.

De klas wordt gevraagd een voorval van die ochtend een keer objectief, verstandelijk, te beschrijven en een keer subjectief, met gevoel:

Objectief.
Nadat klas 9b van de Geert Groote School de mededeling had gekregen, lokaal 28 van het meubilair te ontruimen en dit in lokaal 7 te plaatsen, gingen zij als volgt te werk: zij vormden een slang op de trap waardoor de situatie zich spoedig oploste.

Subjectief
Toen we vanmorgen op school kwamen, moesten we alle tafels en stoelen helemaal van boven naar beneden sjouwen. We gaven door, en ik stond bovenaan en hoefde haast niets te doen. Daarna moesten er andere tafels in ons lokaal. Een beetje onhandig eigenlijk. Toen alles op zijn plaats stond, zocht iedereen zijn plaats op en plofte neer, hè, hè!

Eenzelfde soort onderscheid is in de taal zelf terug te vinden. Om dit duidelijk te maken, moet een van de leerlingen voor de klas gaan staan, met zijn rug naar de klas toe. Iemand spreekt een klinker uit. Aan de stem wordt bijna onmiddellijk herkend wie het is.

Als hetzelfde met medeklinkers wordt geprobeerd, gaat het vrijwel iedere keer mis. De menselijke stem blijkt dus veel makkelijker te herkennen in klinkers dan in medeklinkers. In de klinkers worden gevoelens en stemmingen uitgedrukt.

Dit experiment vormt een onderdeel van de behandeling van de Nederlandse taal, of eigenlijk van het woord. De leraar schrijft Het woord op het bord en vraagt:

Waar bestaat dat eigenlijk uit?

‘Het woord’ bestaat uit:

vorm        = klank + letters        (klank hoor je, letters zie je)
en 
betekenis
Soms gaat in de klank van het woord al een deel van de betekenis schuil, bijv. zoemen, sissen, piepen, dat heet een onomatopee.

Hoe spreek je het woord pad uit? De d blijkt als een t te klinken. Het schrift voor een klank geven we aan met de letter tussen twee streepjes, de d heeft dan twee klanken d en t. Er worden meer voorbeelden gezocht. Uiteindelijk volgt een dictaatje over de spraakklanken ofwel fonemen.

Als iedereen zijn laatste letter heeft geschreven, moet de klas gaan staan en nazeggen: splits pats boem, van hard naar zacht en omgekeerd. Dan heel zachtjes: stilte, steeds luider en dan afnemend, het eindigt in ssst… De leerlingen genieten zichtbaar, vol vuur wordt geschreeuwd, om daarna heel voorzichtig en ingehouden te fluisteren.

Een héél braaf gedicht van Hieronymus van Alphen wordt nu gereciteerd:

Het vrolijk leeren.
Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen,
En waarom zou mij dan het leeren verveelen?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken, ‘
t Is wijsheid, ’t zijn deugden, naar welken ik haak.
                                                                                                         (1779)

De klas moet de tekst proberen heel serieus te nemen, het kost wel wat moeite en gegiechel, maar het lukt. Iemand moet het nu alleen en uit het hoofd doen. Zijn klasgenoten vullen aan en verbeteren. Inderhaast, maar tot groot vermaak van de toehoorders, wordt priktol ineens piktrol.

In aansluiting op het gedicht van Van Alphen, wordt een opvoedkundig verhaal over een ondeugend jongetje gelezen in de klas ; een opdracht zelf zo’n moraliserend verhaal te schrijven thuis gemaakt.

De romantiek
Tegenover het rationalisme staat de romantiek, die de leerlingen duidelijk meer aanspreekt:

In de 18e eeuw was de wetenschap nog steeds het belangrijkste. De mensen deden heel optimistisch over de wereld, hoe groot en mooi hij wel niet kon worden.
Maar het begin 19e eeuw werden ze juist pessimistisch. De revolutie was een ramp geworden, en tot overmaat van ramp kwam Napoleon aan het bewind. De mensen hadden totaal geen hoop meer op de toekomst. In de literatuur wordt op een zeer gevoelige en zwaarmoedige manier geschreven.

Als voorbeeld van zulke gevoelige literatuur wordt Themice van Rhijnvis Feith gelezen. Goed beschouwd is het een draak van een verhaal, maar serieus gebracht komt het tegemoet aan de verlangens en gevoelens waar de negende klas mee te kampen heeft. In tweede instantie kan er dan natuurlijk om gelachen worden, en worden parodieën op wat nu sentimenteel gedoe heet, zeer gewaardeerd. De leraar verduidelijkt het begrip parodie nog even:

Een parodie is een navolging van een kunstwerk, waarin alle kenmerken van het originele kunstwerk voorkomen, maar de stijl wordt overdreven om de lachlust op te wekken.

Op het bord staat een gedicht van Anthony Winkler Prins:

Duizend tallen oceanen
Zijn in ’t eindloos wereldmeer
Van mijn bittre weemoedstranen
Slechts een droppel en niet meer

Honderdduizend exterogen
Doen de zwerver minder smart,
Dan het branden van mijn ogen,
En het smachten van mijn hart.

Tachtig uitgevaste leeuwen
Om het leger der hyeën
Kunnen samen nooit zo schreeuwen
Als ik huil om u alleen.

Samen wordt bekeken wat het precies betekent, en wat de grappen zijn. Waarin zit hem nu de parodie? Om het verschil tussen de verstandsmens en de gevoelsmens nog eens op een grappige manier te accentueren wordt een gedicht van J. van Oosterwijk Bruyn uitgedeeld.

Twee leerlingen moeten de coupletten afwisselend voorlezen:

De gewone mens
en
De gevoelige mens
te Zandvoort

De gewone mens
‘k Wil zondag eens naar Zansvoort gaan;
Want iedereen komt daar;
‘k Heb nooit voorheen die toer gedaan:
De zandweg was te zwaar.
‘k Wil eens gaan kijken naar het strand
En ’t daar gebouwde bad;
‘k Heb toch niets beters aan de hand;
’t Verveelt mij hier in stad.

De gevoelige mens
Heil mij ‘k verlaat de stad, haar zorgen haar bezwaren:
En Zandvoort heilig strand is van mijn tocht het doel. ‘
k Zal ’t Godlijk schouwspel van de onbedwingbare baren.
’t Genot, dat daar mij wacht, steeds mijn ontvlamd gevoel.

Als opdracht moet iedereen alleen of samen een gedicht of verhaal schrijven waarin ook deze twee menselijke tegenpolen voorkomen. Na een kwartiertje al zijn de eersten klaar:

Dolf en Rinus hebben autopech.

Rinus:   De auto is kapot
                Kijk nou naar dat krot

Dolf:     Ach jee mijn hemel wat een zonderlijke pech
               Wat staat deez’auto zielig aan de kant van de weg
                Wat vreselijk toch, dit gedoe
               ’t Is zo moeilijk en ’t maakt mij zo moe

Rinus:   Wat er aan mankeert heb ik al bekeken
Hij heeft enkele kleine gebreken
De V-snaar is gebroken I
k zal een ander moeten kopen.

Dolf:     Ach jee wat zal eraan mankeren
               Ik zal dit goddelijk vak wel nooit leren
O God, nu sta ik hier in deez’ woestenij
‘k Denk dat ik me maar even neer vlei.

Rinus:   Ah, dit is al het einde van mijn pech
Daar rijdt de ANWB al over de weg ‘
                  k Vraag vlug een nieuwe snaar
Des te sneller ben ik klaar.

Dolf:     Ach jee, wie komt daar aan geraced?
Is het de ANWB of zijn geest?
                Misschien kunnen zij hem maken?
Dan kan ik weer doorgaan met m ’n zaken.

Rinus:   Zo die is klaar
                Dus ik smeer ‘m maar.

Dolf:     Ach hee, Gij zijt een Goddelijk man
Dat ik nu weer verder kan.

Wie van de twee hier de gevoelsmens is, lijdt geen twijfel!

Een in vroeger tijden populaire bezigheid, het bedenken en schrijven van grafschriften, wordt geïntroduceerd:

Hier ligt Poot
Hij is dood.

Zeg wandelaar, zeg,
Je moet niet denken dat ik hier
voor mijn plezier leg!

De klas verzint zelf met veel animo ook een aantal grafschriften:

Hier ligt een coureur met z’n BMW
Hij in 1000 stukjes en zijn moter in 2.

Hier ligt Joop bezweken
Hij had iets te diep in het glaasje gekeken.

Mens en schrijver — een literatuurperiode
De tweede literatuurperiode behandelt hoofdzakelijk de biografie en het werk van een drietal schrijvers.

Een negende klas heeft het vermogen heel ver mee te gaan in het leven van een grootheid, en diens vreugde en verdriet, ideeën en teleurstellingen mee te leven. Ze vinden hun eigen dromen en verlangens terug in het bestaan van een ander.

De levensbeschrijvingen en citaten uit het werk van de schrijvers worden in het periodeschrift geschreven, evenals de opdrachten die de leerlingen tijdens deze periode maken. De inhoud, tekst en de lay-out van het schrift zijn hierbij het belangrijkste.

Piet Paaltjens en Francois Haverschmidt
Als eerste schrijver wordt de raadselachtige figuur Piet Paaltjens behandeld: zijn vrolijke studententijd, zijn plotselinge verdwijnen en weer opduiken op onverwachte plaatsen en zijn ironische gedichten. De leraar introduceert hem als iemand die werkelijk bestaan heeft en laat de klas meegissen in de mysteries rond deze wonderlijke dichter.

Als opdracht moeten de leerlingen een verhaal schrijven rond Paaltjens waarin zijn leven nog geheimzinniger lijkt. Een meisje beschrijft de verdwijning van Piet alsof ze Piet zelf is:

Op een dag, het was grauw en koud, ben ik weggegaan, waarheen wist ik nog niet, logisch eigenlijk, het waarom was net zo onduidelijk. Het leek net alsof ik door een lange arm werd weggeduwd uit deze oude omgeving.

De Zelfmoordenaar een van Paaltjens gedichten wordt uitgedeeld, maar slechts voor de helft, de afloop van het gedicht moeten de leerlingen zelf dichten. De leraar behandelt het rijmschema en het aantal lettergrepen om de leerlingen houvast te geven. Het gedicht is bekend bij de klas tot waar het kozend liefdespaar zich net onder de eik wil vleien waaraan de zelfmoordenaar hangt. Zo werd het door een van de leerlingen voortgezet:

De vrouw gilde wat heen
En wierp zich meteen
Op de man, die haar opving gezwind.
Hij wankelde even,
Stond daar te beven
En liet haar toen vallen, dat kind.

Hij rende verschrikt,
Verward en getikt,
En kwam in een meertje terecht.
Hij sputterde en zonk

Nog voor hij verdronk
Heeft hij de naam van zijn liefde gezegd.

De vrouw voelde zich ziek
En raakte in paniek
Haar ogen stonden star en rood Het werd haar teveel
Ze greep naar haar keel

En na enige tijd lag ze dood.

Ook andere gedichten uit Snikken en Grimlachjes worden voorgelezen en gereciteerd. In humoristische teksten van hedendaagse schrijvers, zoals Ziektes van Kees van Kooten en Sjiek van Jan Blokker, moeten de leerlingen de grappen eruit lichten. Het is veel ingewikkelder dan je zou denken, een grap blijkt pas een grap in zijn context.

Dan wordt het leven van de zwaarmoedige dominee François Haverschmidt aan de klas verteld: van het vrolijke jongetje tot de man die het beroep heeft gekozen waarin hij zichzelf niet kan zijn. Doodongelukkig spreekt hij uiteindelijk van de kansel de woorden:

Want is het ook geen moed om het zich eerlijk te bekennen: ,,Ik kan niet, ik mag niet, want ik geloof niet meer. ”
                                                                                         (uit een preek van 1893)

Zijn wanhoop resulteert in zelfmoord een jaar later. Zo’n aangrijpende levensbeschrijving mag heel treurig worden, een negende klas leeft bij uitersten. Sommige leerlingen staat het huilen dan ook nader dan het lachen.

De zelfmoord is op deze manier voor de leerlingen niet een kaal feit, maar de uitkomst van een worsteling met een gewetensconflict. Het is duidelijk voor hen dat Haverschmidt tot het uiterste is gegaan.

Nog een gedicht van Paaltjens wordt uitgedeeld:

Dat heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger
Doch sinds het die witte das aan heeft
Minnedicht het niet langer

Voor de meeste leerlingen valt ineens alles op zijn plaats: de ironische Paaltjens en de zwaarmoedige Haverschmidt zijn één en dezelfde, of zoals een leerling schrijft:

Onze persoon van Piet Paaltjens heeft nooit in de voor ons beschreven figuur bestaan. Piet Paaltjens heeft wel bestaan, maar in de voor ons bekende persoon Francois Haverschmidt.

Francois had Piet Paaltjens in het leven geroepen om z’n opgekropte emoties in de ironisch, humoristische en romantische gedichten van Piet Paaltjens kwijt te kunnen.

De tragiek van deze gespleten persoon is veel intenser na te voelen voor de leerlingen, nu ze zich zo in de twee figuren hebben kunnen verdiepen.

Nu Piet Paaltjens nooit echt bestaan blijkt te hebben, hoeft zijn naam ook niet meer helemaal serieus genomen te worden, een meisje bedenkt allerlei woordgrapjes:

Paaltjens zijn voor of nadat Francois deze naam koos enkele gezegdes meegegeven:

1.  Paal(tjens) en perk stellen
is iemand beteugelen, en Piet Paaltjens beteugelde de kerk, terwijl de kerk Francois Haverschmidt beteugelde.

2.  Dat staat als een Paal(tjens) boven water
betekent: het is onbetwistbaar dat Piet en François één en dezelfde figuur waren, maar dat aan iedere naam een andere persoon verbonden zat.

3.  François Haverschmidt heeft zich misschien wel van kant gemaakt,
omdat hij vond dat hij voor Piet Paal(tjens) op deze wereld stond (voor
niets, dit gevoel komt als je niets zinvols voor mensen kan doen (zoals ik
bijvoorbeeld)).

Aan de laatste opmerking van dit meisje kan je aflezen met welke gevoelens op deze leeftijd strijd geleverd wordt.

Multatuli (Eduard Douwes Dekker)
Het strijden en lijden van Eduard Douwes Dekker, roept bij de leerlingen afwisselend bewondering en medeleven op.

De leraar leest uit de Max Havelaar enkele gedeeltes voor waaruit blijkt hoe gecompliceerd de structuur van het boek is. Ook wordt er een fragment gedicteerd, zodat de klas aan den lijve ondervindt hoe ingewikkeld de zinsstructuur en het taalgebruik van Multatuli zijn.

Naar aanleiding van Droogstoppel, een van de personages uit de Max Havelaar, krijgt de klas de opdracht een verhaal te schrijven waarin een personage optreedt dat uitermate onsympathiek is, zonder dat dat expliciet gezegd wordt:

Oh, nee daar hebben we haar ook weer. Ze zegt met een ,cheese’ lachje gedag zoals ze tegen iedereen lacht. Of ze hem nu aardig vindt of niet. Ze gaat bij ons clubje zitten aan de ronde tafel terwijl ze wist dat ze er niet bijhoorde. Ze kwam dan met haar verhalen over mensen die nu net toevallig niet aanwezig waren. Ze probeert van iedereen de aandacht te trekken door extra hard te praten, lachen en vooral iedereen aan te kijken zodat het onbeleefd is als je door haar gesprek met iemand anders gaat zitten praten….

Het is heerlijk voor een negendeklasser zich uit te leven in zo’n opdracht, de meest weerzinwekkende mensen worden beschreven. Het geeft hem de kans zijn al te heftige gevoelens en onvrede van zich af te schrijven.

Multatuli’s beschrijving van de Kapelsteeg, brengt de leraar op een idee voor een nieuwe opdracht. Op een ochtend wordt de hele klas de straat op gestuurd. Ieder moet een plek in de stad uitkiezen waar hij zelden komt. Terug in de klas moeten de leerlingen een verhaal schrijven waarin zijzelf de hoofdpersoon zijn en de bezochte plek met stemming en kleur beschreven wordt. Ter ondersteuning zijn eerst in de klas twee voorbeelden van stadsbeschrijvingen behandeld: een Stadsbeschrijving van Amsterdam uit 1891, een zeer gedetailleerde stadsbeschrijving maar zonder personages en sfeer en als tegenpool een fragment uit De aanslag van Harry Mulisch waarin het gaat om de stemming en gedachten van personen. Uit de beschrijvingen blijkt dat het voor veel leerlingen een uitdaging was om zo onbekend mogelijke plekjes te vinden, zoals bijvoorbeeld de Dubbele Worststeeg die in het centrum van Amsterdam schijnt te bestaan. Hieronder volgt wel een bijzonder geslaagd voorbeeld van zo’n stadsbeschrijvingsverhaal:

Herinnering.

’t Is een tijd geleden dat ik hier was, maar de omgeving is weinig veranderd. Het huis aan de voorkant is nog even groot en indrukwekkend, maar daar sloeg ik nauwelijks aandacht op, ik wilde naar de achterkant, om naar de tuin te kijken, waar ik als klein kind zo vaak speelde. Ik liep het park in sloeg het eerste paadjes linksaf, het grote huis voorbij en daar was m’n oude huis, daar waar ik als klein kind woonde. Je kon het niet zo goed zien, want er stonden een aantal grote hulstbomen voor, met van die bladeren die gemeen prikken. De oude stromat, die wij daar neer gehangen hadden tegen de inkijk van buitenstaanders (wat ik nu ook was) was half vergaan en de laatste restjes lagen beneden het hek. ’t Hek was eigenlijk lager dan ik had gedacht, nu reikte het tot aan mijn middel terwijl het in mijn gedachten boven me uitreikte. De tuin was lichter dan ik me had voorgesteld, ook kleiner. Er waren nu trompetnarcissen en andere lage plantjes.

Waar was die mooie goudenregenboom, waar ik als kind onder stond als ze uitvielen en dan riep ik dat het goud regende. Waar waren de hoge springbalsemienen die in de zomer zo hoog waren dat het voor mij een bos leek, met mooie rose bloemen aan het eind.

Alles was veranderd en anders. Het was niet meer mijn tuin, evenmin als het nu mijn huis was. Nu zag ik het als een verwaarloosde tuin zoals er vele waren. Het was niet meer mijn kleine oerwoud, waar monsters waren in de vorm van spinnen en kakkerlakken. Alles was anders en ik werd triester op deze sombere, grauwe dag.

Maar deze tuin zou altijd blijven voortleven in mijn gedachte zoals ik hem heb gekend.

Voor de meeste leerlingen is het heel moeilijk om een verhaal vanuit henzelf te schrijven, ze hebben nog te weinig afstand tot hun eigen gevoelens en gedachten. Veel leerlingen lieten de ik-figuur dan ook maar achterwege en gaven slechts een minutieuze beschrijving.

De aanklacht van Havelaar wordt besproken. Hoe is dat tegenwoordig, waartegen protesteren de mensen nu? Welke middelen worden ervoor gebruikt? De leraar maakt op het bord twee lijsten van de antwoorden uit de klas:

Protest tegen:

•huurverhogingen
taximoorden
werkloosheid
bezuinigingen
•kernwapens
milieuvervuiling
•discriminatie
•abortus
massamoorden
dierenmishandeling
•pornografie

Vormen van protest:
•stakingen
toespraken
handtekeningenacties
rubberbootjes (Greenpeace)
kapingen
levende barricades
verf op zeehonden
•stil protest
kaars voor het raam
•paalzitten
•zelfmoord plegen

Dit is nog maar een klein gedeelte van wat er op het bord stond: de leerlingen waren onuitputtelijk in het aandragen van antwoorden. Een oproep tot hulp voor Afghanistan uit de krant wordt gezamenlijk gelezen. Hoe zit zo’n stukje in elkaar? Wie ondertekenen zoiets? De leraar vraagt:

Welk middel zou je zelf gebruiken om je protest kenbaar te maken?

Velen raken meteen hevig geëmotioneerd.

Als opdracht moeten ze een onderwerp kiezen waarover ze hun hart mogen luchten. Op het ergste voorbereid, begint de leraar het werk te lezen:

Aanklacht

Aan de heer Ossewaarde.

Ik ben een goede klant van uw Gemeente Vervoerbedrijf, zo ging ik wel twee maal per maand met bus 15. Maar de laatste busrit beviel mij allerminst.
Ten eerste zat de buschauffeur steeds uitbundig alle straatnamen aan te kondigen, nadat we er voorbij waren.
Ten tweede: ik zat onder van die zwiepende foldertjes, zodat bij elke stop
m’n pruik op m’n voorhoofd werd geplaatst. Als ik hem dan weer had
teruggeplaatst en de bus begon weer te rijden, had dit tot gevolg dat ik aan
de heer achter mij, mijn pruik terug moest vragen.
Toen dit een keer of acht was gebeurd, begon deze net genoemde heer
kersen te eten en spuwde de kersenpitten in de kraag van mijn witte jurk.
Ten derde: toen ik de bus wou verlaten op de door mij verkozen halte, reed
de bus zo’n 20 meter te ver door. Toen ik de buschauffeur hierop attent
maakte, zei hij heel ordinair: „Had die bus achter ons dan op deze bus
moeten stoppen?” en hij begon te lachen.
Ik hoop dat u deze chauffeur op het rechte pad wijst.

De meest onbeduidende zaken bleken tot een wantoestand te zijn opgeblazen. Dichtbij huis en humoristisch, verdient de voorkeur boven ver en tragisch.

Frederik van Eeden
Eerst vertelt de leraar iets over de 19e eeuw, de eeuw van de uitvindingen en de industrialisatie, van Karl Marx en Charles Dickens, van de domineesliteratuur en de tachtigers. Van een van die tachtigers, Frederik van Eeden, wordt de biografie uitgediept, zijn veelzijdigheid, zijn sociaalbewogenheid, zijn jeugd en idealen en ten slotte zijn teleurstellingen in het leven:

Frederik groeide op tussen deze dingen (flora en fauna red.) en wandelde vaak tien passen achter zijn vader aan en groette elk kevertje, elk bloempje, elke boom. Zijn vader wees hem alles aan en gaf uitleg. Frederik was erg gehecht aan zijn vader en die tijd was heel belangrijk voor hem. Hij spaarde als klein kind zijderupsen en had een vlinderverzameling. Het belangrijkste van het leven van Frederik was dat hij het altijd opnam voor de zwakkeren en heel idealistisch was. Maar hij was niet de enige. Veel mensen zagen de ellende niet die er heerste in Europa. Dat waren natuurlijk de rijken, die alles wel weer goed zagen komen, maar ondertussen werkten er kinderen uit de arme gezinnen in fabrieken en de arbeiders werden onderdrukt. In 1886 werd er veel geschreven over deze onderdrukkingen. De arbeiders kwamen in de belangstelling en er brak revolutie uit. De ellende werd merkbaar en Van Eeden schreef daarover.

Fragmenten uit De kleine Johannes worden in de klas gelezen, voorgelezen en samengevat. Van Eeden besteedde in zijn werk veel aandacht aan natuurbeschrijvingen. Aan de hand van verschillende floragidsen en aan de hand van eigen beschrijvingen komt de klas tot een onderscheid in analytische, zakelijke en lyrische beschrijvingen waarin soms de natuur zelfs gepersonifieerd wordt.

Ook wordt de klas op een ochtend de straat op gestuurd op zoek naar een onverwacht stukje natuur middenin de stad. De zotste belevenissen worden in de verhalen beschreven:

Het dakterras.
Ik liep in de Valeriusstraat op zoek, ja naar wat eigenlijk, gewoon naar wat interessante dingen. Maar het was erg saai op straat, het motregende iets en het vocht wat neerkwam werd meteen in de nog warme grond opgezogen. Niets interessants te bekennen dus, ja een paar wandelende paren of moeders die voor boodschappenwagen speelden. Niet iets om je in te verdiepen dus, ik liet mijn blik langs de aan een kant beregende huizen glijden. Goh wat een hoge boom helemaal boven het dak uit.

Die mensen in die fraai versierde flat hebben dus een dakterras. Dat moet ik zien, ik liep naar de oprijlaan van de flat. Voor de ingang en mooi houten bord met daarop Westhove en daaronder verboden toegang voor onbevoegden artikel zoveel. Da’s tegenvallen, net iets interessants gevonden op deze troosteloze dag en dan mag je het niet bekijken. Ik deed een paar passen naar achteren en keek omhoog langs de vier verdiepingen hoge flat, ik zag nog net het topje van de dennenboom en een over de rand hangende haag.

Verboden toegang voor onbevoegden, ’t is wat, maar als ik mezelf nou bevoegd maak. Met die gedachte van bevoegdheid liep ik de oprijlaan op, toen ik een paar fraaie Bentleys passeerde, begon ik me langzaam weer onbevoegder te voelen. Nou ja ik stond er nu, nou nog naar boven.

Trap na trap loop ik op, zo nu zal ik er wel zijn, maar dit bleek een korte
galerij te zijn met aan het eind nog een trap. Dakterras staat er boven, ik loop erheen maar plots gaat er een deur langzaam open, ik bleef aan de grond genageld. Da ’s vervelend nog één trap verwijderd van het dakterras en dan betrapt worden. Maar uit de witte deur kwam geen kwade conciërge, maar een vriendelijk uitziende man met één glazig uitziend oog. Hij komt recht op mij af en kijkt mij onderzoekend aan, ik had het er wat moeilijk mee, zag hij me nou of niet? ja hij zag me en groette vriendelijk, mijn hartslag daalde iets. De man scheen niets te vermoeden en liep vrolijk gehumeurd door. Nou snel die trap op, kijken en weer wegwezen. Boven gekomen versperde alleen nog maar een ijzeren luik mij de weg naar boven. Ik tilde het luik op en keek naar boven, een flauwe motregen daalde op mij neer, ik was dus boven. Wat een gazon, de mensen hadden hier een gazon van heb ik me jou daar en ik kwam daar als een mol uit. Langs de randen van 
het gazon waren bloemen geplant en daarachter mooie fel groene bomen. Ik constateerde zelfs een kas met daarin een … een mens. In de deuropening stond een man in kantoorpak, hij keek wat verwilderd en zijn handen zaten onder de tuinaarde. ,,Volgens mij ben ik een etage te hoog”, de man kwam naar me toe en vertelde dat ik vier etages te hoog was, jammer en pardon.

Een verhaal van Lorenz over kauwen, uit Ik sprak met viervoeters, vogels en vissen wordt gelezen: waar houdt de wetenschappelijke beschrijving op en begint het anekdotische? Als opdracht moeten de leerlingen zich verplaatsen in een zelfgekozen dier:

Wie ben ik.
Hopeloos probeer ik tegen de wanden van een groot, grijs van kleur, en mijn wereldje begrenzend glad oppervlak omhoog te klimmen, maar ik glij steeds terug deels door het gladde oppervlak deels door mijn korte harde pootjes. Ook mijn harde dak is zwaar en ik ga maar net als m’n zonet nieuw in de ‘bak’, zoals de mensen dat noemen, gekomen soortgenoten in het kleine laagje water liggen. Als ik m’n kop opricht zie ik soms de grote mensen naar mij en m’n vriendjes kijken die nu gedeeltelijk onder de grote rotsstenen verscholen liggen en misschien ook terugdenken aan hun broertjes en zusjes in het riet bij het water, en als ik aan de sappige waterplanten denk, loopt het water me al in m’n snavelachtige bek. Tegen de buitenkant van de ‘bak’ staat een zwart rechthoekig voorwerp wat ik maar ten dele kan zien. Ik zie de mensen wel eens kijken naar dat ding alsof er iets speciaals aan is te zien. Zojuist hoorde ik een jongetje zeggen terwijl hij naar het ding keek: ,,Kleine waterschildpadjes te koop. Slechts f 7,50 per stuk!

Deze jongen heeft de techniek van wie-ben-ik en de tegenstelling gevoel-ratio tot het uiterste benut!

Als laatste vertelt de leraar over de autobiografie van Van Eeden:

Als Van Eeden merkt dat hij van zijn dagboek een nachtboek maakt, wil hij meer over dromen gaan schrijven en er meer van af weten. Na jaren komt hij er achter dat er verschillende dromen zijn: gekleurd en zwart-­wit, vervolgdromen en toekomstdromen. De associatieve droom komt naar aanleiding van een gebeurtenis van het moment.

Van Eeden merkt dat er twee momenten van dromen zijn namelijk voor het inslapen en voor het ontwaken. Er is een moment dat het dromen onmogelijk is, omdat het bewustzijn dan erg laag is. Veel mensen worden elke dag op dezelfde manier wakker, bijvoorbeeld vliegend of rijdend op een paard.

Een onderwerp als de droom zet veel in beweging in een negende klas, de leerlingen praten honderduit over nachtmerries, dromen die uitkwamen enzovoorts. Het vormde een geanimeerde afsluiting van de periode.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

Nederlandse taal: alle artikelen

.

472-438

.

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – klas 8

.

taal klas 8

 

Als bij het begin van het nieuwe schooljaar de zevende klas achtste is geworden, lijkt het zo op het oog alsof er niets is veranderd. Nog steeds maakt het beeld van de klas één ding heel duidelijk: hier wordt geworsteld, zowel met de uiterlijke verschijning als met de innerlijke roerselen.

Wat voor de zevende klas werd geschetst blijkt nu voor de achtste klas ook te gelden en later in zekere zin ook voor de negende klas: dezelfde onevenwichtigheid van uiterlijk en innerlijk treed naar voren, dezelfde ontdekkingsdrang en interesse in feiten, hetzelfde verlangen volwassen te zijn. Maar wel is men een jaartje ouder: wat vorig jaar nog met gejuich werd ontvangen, wordt nu als kinderachtig weggefloten.

Het meest kenmerkt de achtste klas zich door verdeeldheid. De scheiding tussen jongens en meisjes is scherper geworden. Terwijl de meisjes het eigen innerlijk verkennen, dromend van de ideale man, exploreren, zo niet demonteren de jongens het innerlijk van radio’s, auto’s en brommers. De jongens snappen vaak niets meer van de meisjes en vinden hen mateloos aanstellerig, de meisjes doen hun mannelijke leeftijdgenoten af met net kinderen en dwepen met de oudere jongens.

Maar ook onderling gaat de eenheid steeds meer verloren; er wordt veel geruzied, gevochten, gefluisterd en gegiecheld in een achtste klas. Vriendschappen komen op en gaan geluidloos weer onder, clubjes verdwijnen net zo snel als ze ontstaan. De gevoelens gaan van sympathie naar antipathie, van lust naar onlust, van zin naar onzinl De weg die de zevendeklasser welgemoed was ingeslagen, leidt nu steeds meer tot eenzame hoogten en diepe dalen. De veertienjarige voelt zich alleen en onbegrepen in de wereld.

Met een groeiend gevoel van eenzaamheid krijgt de groepscode steeds meer macht. In snel tempo wisselen trends en rages elkaar af, door een groot deel van de groep buiten adem bijgebeend. Wat door één voorzichtig wordt ingezet, krijgt al gauw zijn gevolg: verbaasd zien we hoe talloze leerlingen kreupel de trappen bestijgen omdat iemand heeft bedacht dat het leuker is op rolschaatsen naar school te komen, of hoe het vrouwelijk deel van de klas plotseling op wortels als voornaamste voedsel is overgestapt omdat één dikkertje de calorieëntabel heeft gelanceerd.

De achtsteklasser weet nog niet zo wat hij wil, wat mooi en wat lelijk te vinden. Het veiligste is onopvallend dus eender aan de ander in de massa te verdwijnen.

Uit de leerstof in de achtste klas
Kleurig, gevarieerd, veelzijdig maar zakelijk moet de leerstof van de achtste klas gebracht worden, niet om tot een keuze te komen of een oordeel uit te lokken, daarvoor is het nog te vroeg: oordeel zou tot vooroordeel leiden. Maar waar de veertienjarige innerlijk in de kou staat, moet naar buiten toe een rijk beeld van de wereld geschetst worden. Veel kan bereikt worden door in het leerproces uit te gaan van de waarneming: wat is er eigenlijk te zien?, en niet: hoe zie ik het?

Omdat de achtste klasser de neiging heeft zijn gevoel voorop te plaatsen, is het nodig hem de waarde van feitelijke gegevens en objectief kijken te leren inzien. Enerzijds moeten gerichte opdrachten, feiten en structuren hem houvast geven, anderzijds moet de behandeling van uitvindingen, ontdekkingen, natuur- en persoonsbeschrijvingen de wereld interessant en aantrekkelijk maken.

De geschiedenis wordt behandeld tot aan de Nieuwe Tijd (ca. 1850). Men gaat uit van de grote vernieuwers wier ideeën tot revoluties hebben geleid, zowel op cultureel als op industrieel gebied: de Franse revolutie, de koloniale revolutie, de industriële revolutie. De leerlingen krijgen hierdoor begrip voor de maatschappij zoals deze tot nu toe geworden is en zij ontlenen vertrouwen aan het idealisme, de vernieuwing en verandering die de motor zijn van iedere samenleving in ontwikkeling.

De meest technische facetten van het menselijk lichaam worden in de biologieperiode behandeld: het skelet en het spierstelsel. De nadruk ligt op de functie van de gewrichten en spieren. Een vergelijking met de dierenwereld levert veel verrassingen op: de voorvin van de dolfijn is de arm van de mens. Waarin verschillen vin en arm en waartoe dient de één en de ander? Bij de behandeling van het spierstelsel haakt de leerkracht in op de sporten die in de klas beoefend worden.

In de aardrijkskundeperiode tracht de leerkracht bij zijn leerlingen gevoel en waardering op te wekken voor de verschillende culturen en voor dat wat aan die culturen het meest eigen is. Juist op deze leeftijd is het belangrijk de kinderen een beeld van de totale mensheid te geven: enerzijds omdat ze er sterk voor open staan, anderzijds omdat het voldoet aan de behoefte andere normen en wetten te leren kennen. De één trekt zich op aan het eergevoel en de moed van de Indiaan, de ander is onder de indruk van de overlevingsstrijd en de eenvoud van de Eskimo.

Elementaire natuurkundige verschijnselen zoals de levitatie- en gravitatiekracht, de hydraulica, de aeromechanica en de klimaatleer worden aan de hand van proeven behandeld. Hierdoor wordt het waarnemingsvermogen bij de leerlingen geschoold. Belangrijk is dat ze de praktische toepassingen van deze krachten herkennen in bijvoorbeeld de watertoren en waterleiding, de scheepvaart en luchtvaart en het weerbericht.

Alleen in de eerste helft van het jaar kan nog geboetseerd worden. De vanzelfsprekende kunstzinnige vermogens verdwijnen ergens in de achtste klas; de handen worden ineens als onhandig ervaren.

Er kan een start gemaakt worden met een technische leergang in hout en metaal: meten, aftekenen, schulpen, schaven, tandverbinden, vijlen en boren in hout, komen in aanmerking. Er wordt gewerkt volgens een werktekening. In metaal worden constructies gemaakt waarbij gehardsoldeerd of gelast en gepuntlast moet worden.

Bij handwerken leren ze machinenaaien. Machines dwingen respect af en vergen concentratie. Het geeft de leerlingen en de leerkracht veel voldoening als aan het eind van het jaar de hele klas in een zelfgemaakte broek of blouse loopt.

Over het Nederlands in de achtste klas
Het beeld van de achtste klasser doet bijna armoedig aan: innerlijk verarmd staat hij in de wereld als gekleed in een veel te ruime jas. Wat achter hem ligt is ineens te kinderachtig geworden, wat vóór hem ligt zo weids en onoverzichtelijk dat het ondoenlijk lijkt daarin een weg te vinden. Er moet een verhouding tot de maatschappij gezocht worden; de leerling moet zich een plaats daarin veroveren. Maar voor het zover is, kan veel afwijzen en eenzijdig denken het gevolg van die onzekerheid zijn.

In het literatuuronderwijs worden de leerlingen geconfronteerd met beschrijvingen van de wereld en haar bewoners. Kleurrijke verhalen van herkenbare situaties leiden de leerlingen af van een al te subjectieve kijk op hun bestaan. Om het waarnemingsvermogen te ontwikkelen kunnen allerlei beschrijvingsopdrachten gegeven worden. Noem jij dat groen? Da’s hardstikke bruin. Veel blijkt nog op interpretatie van de werkelijkheid te berusten. De veertienjarigen doen niets liever dan praten en praten, ook al leidt dat tot niets anders dan een cirkelgang. Zonder nadenken worden gedachten en emoties eruit geflapt. Opdrachten waarin woede, haat en liefde centraal staan, leren hen genuanceerder met hun uitingen om te springen.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid als de klas daar al aan toe is, te kijken naar de structuur van een verhaal: Wat is de functie van een beschrijving? Wie is de ik-persoon? Het is voor de meeste kinderen heel raar te ontdekken dat je ik kan schrijven en toch iemand anders zijn. Ook is het zinvol om de leerlingen, bijvoorbeeld gedurende een week, een dagboek te laten bijhouden van hun dagelijkse bezigheden. Het brengt ze vaak op het idee ook hun innerlijke roerselen, verliefdheden en ongenoegens met zichzelf aan het papier toe te vertrouwen. Het blijkt voor velen een verademing te zijn dat je dingen van je af kunt schrijven.

Het lezen en laten lezen heeft in de benedenbouw hoofdzakelijk tot doel gehad de lust tot lezen bij de kinderen te ontwikkelen. Voorlezen, samen lezen, vertellen over boeken en schrijvers moest hen nieuwsgierig maken naar méér.

De leerkracht koos zijn voorleesboeken soms in samenhang met de problematiek van de klas, maar meestal voor het plezier. Van echt literatuuronderwijs was in de benedenbouw geen sprake.

Nu, in de achtste klas kunnen er meer eisen aan de leerlingen gesteld worden en wordt het tijd het lezen meer vorm te geven. En daarmee belanden we meteen in een probleem!

Een ieder die zich met literatuuronderwijs bezighoudt, stuit vroeg of laat onherroepelijk op de vraag: hoe bepaal je wat wél en wat niet literair of verantwoord is, en als je al een scherp beeld voor ogen hebt, hoe zorg je dan dat je leerlingen ook tot dat onderscheid in staat raken, zonder dat iedere leesvreugde bij voorbaat of alsnog om zeep geholpen wordt? Met andere woorden: hoe krijg je de kinderen de strip uit en het verantwoorde boek in?

Het is natuurlijk zinloos te vluchten in dwingen en verbieden, daardoor worden verschillen niet zichtbaar. Het gaat er niet om de beeldlectuur totaal uit te bannen — een goede strip blijft immers toch wel overeind —, maar om de klas zélf te laten ontdekken wat kwaliteit bezit.

Aan het begin van het jaar kiezen de leerlingen een boek waarover ze een spreekbeurt willen houden. Er moet een korte inhoud gegeven worden, de hoofdpersonages moeten beschreven worden en er moet aangegeven worden wat men van het boek vond en waarom. De passage die het meest aansprak, mag voorgelezen worden, ook al is deze lang. Vaak vertelt een leerling de korte inhoud, zichzelf onderbrekend door iets voor te lezen. Hierdoor krijgt de leerling een ruggensteuntje en de spreekbeurt een stevige structuur.

Na een spreekbeurt wordt gezamenlijk naar inhoud en presentatie gekeken, niet te gedetailleerd, maar zo dat het volgende keer nog een beetje beter kan. De leerkracht speelt hierin nog een bepalende rol, achtsteklassers vallen elkaar niet gauw af. Toch probeer je de leerlingen eraan te wennen elkaars werk naar waarde te schatten. Ze moeten leren gefundeerde kritiek te leveren en te incasseren van elkaar.

Ineens op een dag komt een leerling voor zijn spreekbeurt met een strip op de proppen. Al snel blijkt waar hem de schoen wringt: van déze strip valt nauwelijks een korte inhoud te geven, voorlezen gaat al helemaal niet, en goed beschouwd blijkt het gegeven literair te arm om er ook maar iets zinnigs over te zeggen. Bij de nabespreking komen de problemen vanzelf aan het licht.

Dit hoeft maar een paar keer te gebeuren en niemand waagt zich meer aan zo’n evenement. De beeldroman en andere lichte lectuur gaan dezelfde weg als de ‘arme’ strip gegaan is. Het duurt wel lang, maar uiteindelijk zien de meeste leerlingen toch het verschil.

Soms leidt een spreekbeurt of andere gebeurtenis tot een klassengesprek. Dan blijkt hoe moeilijk het is op elkaar te reageren. Ieder richt zijn woorden hoofdzakelijk tot de leraar, waardoor vaak dezelfde dingen door anderen gezegd worden. Goed luisteren naar elkaar moet geoefend worden, bijvoorbeeld door één leerling heel exakt een voorwerp te laten beschrijven en de rest van de klas te laten raden wat het is. In het begin wordt op het gevoel af maar een gooi gedaan, op den duur leren ze toch nauwkeurig te luisteren en precies te raden.

Bont en kleurig aan de ene kant, stevig gestructureerd aan de andere kant, moet de wereld aan een achtste klas gepresenteerd worden. Bijna nergens kom je deze twee polen in zo’n innige harmonie tegen als in de poëzie: alles is mogelijk, maar uitsluitend binnen een bepaalde structuur.

In de achtste klas wordt de poëzie alszodanig uitvoerig behandeld. Niet de schoonheid van de dichtkunst staat voorlopig ter discussie, maar meer de schema’s en vaste patronen die er aan ten grondslag liggen. Om te ervaren hoe het is je binnen gestelde grenzen te bewegen, dichten de leerlingen veel zelf.

Ook kunnen bij de poëzie allerlei uitzonderlijke taaluitingen bekeken worden. Wat bedoelt de dichter met:
Oh waterlelie, jij bloeiende zwaan;
oh zwaan, jij zwemmende lelie.

Wat voegt zo’n taal grapje toe aan de betekenis? De behandeling van de metafoor toont aan wat de taal allemaal tot uitdrukking kan brengen. Het dient de stijlvorming van de leerlingen en waar de veertienjarigen neigen tot overwaardering van het feitelijke en verstandelijke, brengt het hen in contact met ongrijpbare, imaginatieve beelden.
Ook een stijlfiguur als de hyperbool sluit goed aan bij deze leeftijd: Het mannetje rende alsof de dood hem op de hielen zat. Voor de veertienjarige is de overdrijving een geliefd uitdrukkingsmiddel!

Op deze leeftijd moet het tot een eenvoudig constateren van de stijlfiguren beperkt blijven, het geeft de aanzet tot het begrip van allerlei beelden (tropen) in de taal, maar ook in de schilderkunst, de muziek enzovoorts. In de negende klas, als de leerlingen overlopen van gevoelens, is er alle reden om op deze stijlfiguren door te gaan.

Elke dag wordt vijf minuten dictee gegeven. Een achtste klasser vindt het prettig getoetst te worden en zich te meten met zijn klasgenoten. Het gaat vaak als volgt: één leerling schrijft de zinnen op de achterkant van het bord, de rest van de klas in het schrift. De leerkracht corrigeert de zinnen op het bord, de klas het eigen werk. Belangrijke woorden moeten onderstreept worden. Zo krijgen de kinderen geen hekel aan het dictee en geeft het bovendien een vaste regelmaat aan de les. Ook leren ze vooral zakelijke brieven te schrijven. Door het zakelijke, oefenen ze zo droog mogelijk te formuleren. Het leert zo objectiveren en abstraheren van hun gevoelens.

De grammatica neemt in de achtste klas nog steeds een belangrijke plaats in. In dit jaar wordt naar een afronding toegewerkt. Steeds willen de leerlingen weten waarom is dat zo? om dan het antwoord te belonen met een nieuw Waarom? Er kan dus diep op feitelijk materiaal worden ingegaan. Er worden indrukwekkender samengestelde zinnen behandeld dan vorig jaar. Ook nu weer gebruiken de leerlingen geen boekjes, maar gaan ze uit van eigen taaluitingen, zodat ze zien wat ze precies zeggen of schrijven.

Van een voorgelezen verhaal kan een fragment worden ‘omgevormd’. De leraar heeft hiervoor van een aantal complexe zinnen de bijzinnen in hoofdzinnen veranderd, de klas moet de korte hoofdzinnen weer tot lange hoofdzinnen met bijzinnen omvormen:

Ik waste me verlegen. Ik kleedde met uit. De baboe hield daarbij toezicht. Mijn moeder vertelde mij ondertussen: ,,De uren met mijnheer Bollinger zullen worden voortgezet tot augustus. In augustus begonnen de scholen. “

De oplossingen worden voorgelezen en vergeleken. Als klap op de vuurpijl wordt het origineel, een fragment uit Oeroeg van Hella Haasse, voorgelezen om te zien hoe de echte schrijver het heeft geschreven. Ook het omgekeerde kan geoefend: enkele heel ingewikkelde volzinnen moeten in meerdere korte zinnen worden opgelost. De leerkracht heeft hiervoor zelf een zin bedacht. Geef dezelfde inhoud weer in een aantal korte zinnen:

Daar stond ik die geboren was in X., een gehucht dat uit drie huizen bestaat, die direct aan de oever van de Maas staan, waar deze nog ongekanaliseerd langs boorden vol wilde planten stroomt, opeens in de Pijp van Amsterdam terwijl ik wist, dat hier mijn kinderen die ik liever eenzelfde jeugd als mijn eigen kindertijd had gegeven, moesten opgroeien.

Het is voor de klas geen makkelijke opgave, maar wel een hele uitdaging zo’n puzzel op te lossen.

Taalgrapjes als verkenning — een grammaticaperiode
In de zevende klas was al een begin gemaakt met de hoofd- en bijzinnen, nu moet dat weer opgepakt worden. Dit blijkt helemaal niet zo eenvoudig te zijn. De vorige grammaticaperiode is bijna een jaar geleden, er staat een nieuwe leraar voor de klas en de leerlingen weten nergens meer van. Over bekend veronderstelde begrippen ontstaat grote verwarring, defenities zijn in het niets weggezakt, het lijkt wel alsof ze nog nooit van een onderscheid tussen zinnen hebben gehoord. Het enige commentaar op alle vragen is: Nee hoor, hebben we nooit gehad! Alle gezichten kijken oprecht verontwaardigd naar de nieuwe leraar. Het beste lijkt het helemaal opnieuw te beginnen en tussen de regels door te achterhalen wat men is vergeten.

In de afgelopen jaren heeft deze klas steeds voordat de periodeles begon een spel gedaan en het ritme van eerst bewegen dan pas werken, zit er nog in. Voor een spel is de achtste klas te oud, dat wordt te kinderachtig gevonden, maar meteen met de les beginnen lukt niet. Daarom heeft de leraar vijf minuten gesprek-tussen-leraar-en-leerlingen ingevoerd, zodat ze langzaam kunnen wennen aan meteen-aan-het-werk.

Samengestelde zinnen
De kenmerken van hoofd- en bijzin kunnen nu abstracter geformuleerd worden dan vorig jaar. De leraar destilleert een aantal regels uit stukjes tekst:

In de hoofdzin staat de persoonsvorm op de eerste of tweede plaats.

In de bijzin staat de persoonsvorm aan het eind van de zin;

de zin begint meteen betrekkelijk voornaamwoord of een voegwoord.

De leerlingen bedenken nu zelf vele voorbeelden:

Mijn cavia, die Fiedelien heet, is erg tam.
Mijn cavia is erg tam.
Mijn cavia heet Fiedelien.

Hoewel de tram bomvol zat, worstelde ik mij naar binnen.
De tram zat bomvol.
Ik worstelde mij naar binnen.

De grammatica-oefeningen worden alleen op school gemaakt, omdat grammatica voor de meesten een noodzakelijk kwaad is en huiswerk in de achtste geen straf moet zijn. Fantasieopdrachten als verhalen schrijven, extra voorbeelden verzinnen, opdrachten met het woordenboek, zinnen maken met zoveel mogelijk bijvoeglijke naamwoorden zijn aantrekkelijker huiswerkopdrachten.
,,Saaie stof” als grammatica lijkt op school met zijn allen altijd boeiender dan op je eentje thuis. Elke dag wordt de stof van de vorige dag herhaald, soms met de oude voorbeelden (omdat het zo moeilijk was), soms met nieuwe voorbeelden. Pas daarna wordt er iets nieuws aangepakt, met nieuwe oefeningen. Er moet veel onderling gepraat en gevraagd, geholpen en verbeterd kunnen worden om de levendigheid van de taal zoveel mogelijk uit te buiten. Na een tijdje neemt de concentratie af en het geklets toe. De rust keert weer als de oefeningen in het net in het periodeschrift worden geschreven en de leraar de theorie erbij dicteert.

Gewoonlijk worden in een achtste klas ook gedichten gereciteerd, lekker hard of juist heel zachtjes. Deze klas vindt dat echter zo vervelend dat het beoogde ha fijn, even iets anders niet wordt gehaald, maar wel een afkeer van alle poëzie. De leraar laat het reciteren dus wijselijk achterwege.

Synoniemen en homoniemen
Het gebruik van synoniemen levert talloze mogelijkheden op:

die ochtend regende het pijpestelen óf
die morgen kwam het water met bakken naar beneden óf
het plensde van de regen die ochtend

De leraar dicteert:
Zinnen die in hun uiterlijke vorm verschillen, maar dezelfde betekenis hebben, noemen we synonieme zinnen.

Ook bij woorden kunnen synoniemen bedacht worden. De leerlingen moeten zelf voorbeelden zoeken en in het schrift schrijven. Ieder volgt zo zijn eigen gedachtelijn, waarvan hier twee voorbeelden:

prent           plaat                         smeris                  politie
nederig   bescheiden               gevangenis             nor
nobel           edel                           gauw                       snel
toilet            w.c.                           boer                         heikneuter

Aan de hand van wat de leraar verteld heeft, wordt bij de voorbeelden een uitleg geschreven:

Synoniemen gebruik je om zoveel mogelijk variatie aan te brengen in een verhaal of brief. In sommige situaties zul je de gemakkelijkste vorm gebruiken, in andere situaties kies je misschien voor de moeilijkste of beleefdste.

Vervolgens komen de homoniemen aan de orde. Zonder de term te noemen, vraagt de leraar de leerlingen dubbelzinnige zinnen te bedenken. Dat valt helemaal niet mee. Iemand heeft ineens een inval: „Hij is stom”. De ene betekenis weet iedereen meteen, maar over de andere moeten de meeste toch even denken. Dan volgen de voorbeelden in hoog tempo.

Geef mij eens een schop.

Heel ingewikkeld wordt het met:

De roosters lagen naast de lijst bij het bord:
vakroosters                   – schilderijlijst            bord om van te eten
luchtroosters                – boekenlijst                schoolbord
barbequeroosters         – namenlijst                naambord

 

Er wordt uitgelegd wat het verschijnsel inhoudt, de leerling schrijft het in eigen woorden in het schrift:

Zinnen kunnen meer dan één betekenis hebben. Dat kan heel verwarrend zijn en daarom moet je soms een dubbelzinnigheid uitleggen. Zinnen met meer dan één betekenis noemen we homonieme zinnen. Een komiek legt natuurlijk nooit dubbelzinnigheden uit. Een homonieme is een gelijkluidend woord. Het komt van het grieks, homo is gelijk, onoma (nieme) is woord.

De oorzaak van dubbelzinnigheid in zinnen kan zijn: dat een woord dubbelzinning is, of dat een zinsdeel zowel onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp kan zijn. Bijvoorbeeld:

Dat is de hond die de man beet
–  de hond beet de man
–  de man beet de hond

Tot slot moet de klas een verhaaltje schrijven met veel dubbelzinnige zinnen erin.

Tot groot vermaak van de klas worden er ook allerlei woord- en taalspelletjes gedaan. Het palindroom (een woord dat ook van achter naar voren gelezen kan worden) is een ontdekking:

lepel      parterretrap
kok        pa al ski jij ik slaap

Bij toeval ontdekt de leraar op zekere dag dat ook de Bescheurkalender een bijdrage kan leveren aan deze periode:

Meneer de Beestemurger,
De meetragelen die in verbund met de demokrakisering van het woningbestond hun beslaag kregel, blaken, tot hop eden, onvoldonder…
Daar bomt nog kij, dat ten fopzichte an behaalde toverreders niet hoer
genagd praal en pek werd gestold. En als, meneer de Beestemurger, vergelijke dormen van muisbrik, ook van onze zo kale voorniezingen en de sapcidergezelingen worden gelotereerd, dan, meneer de Meester grubber, is het dek van de ham!

(Bescheurkalender, 1982)

De klas heeft zich bescheurd!

Het laatste gedeelte van de periodeles wordt dagelijks besteed aan lezen en schrijven.
Aan de hand van Postduiven voor de prins van A. Hildebrand, verhalen van Bomans en Carmiggelt, worden verschillende opdrachten gegeven: een samenvatting van een voorgelezen hoofdstuk, een gedetailleerde beschrijving van een interieur, een persoon, de weg naar school etcetera.

Opdat de leerlingen zelf ook weten wat ze geleerd hebben, maken ze aan het eind van de periode een proefwerk waaruit moet blijken dat ze de regels kennen en in staat zijn tot het maken van eigen voorbeelden. Verrassend voor de leraar zijn de resultaten van zo n proefwerk zelden, hij weet wel wat zijn leerlingen kunnen. Voorzichtig wijst hij de fouten aan; een achtste klas is nog zo jong dat gemakkelijk het enthousiasme gebroken wordt. Plagerige of spottende opmerkingen worden bloedserieus genomen en zouden daardoor vernietigend zijn. Al te voorzichtig moet er natuurlijk ook weer niet met hen omgesprongen worden, is een opdracht niet goed … dan gaat hij óver!

Naast de structurele kant van de taal, is allerlei aan de orde geweest dat duidelijk maakt dat de uitdrukkingsmogelijkheden van de taal eindeloos zijn. Het is immers niet alleen de bedoeling de achtste klasser zekerheid te geven door inzicht in het skelet van de taal, maar ook door inzicht in de variatie en de versiering van de taal.

Brieven schrijven.
De laatste week van de periode wordt besteed aan het schrijven van brieven. Om te beginnen oefent de klas het schrijven van zakelijke brieven, aan de hand van een door de leraar gedicteerde indeling:

Aanspreking
-1e alinea geeft informatie over: de situatie waarin je zit
     waarom je de brief schrijft

2e alinea behandelt de mededeling
     het verzoek
de klacht
een bedankje

3e alinea geeft de afsluiting met een bedankje als het gaat om een verzoek
       of klacht

Eindigen met: vriendelijke groeten
  met de meeste hoogachting
hoogachtend

Het resultaat is keurig, maar saai. Dan bedenkt de leraar iets grappigs: schrijf een klachtenbrief naar aanleiding van overlast en stuur die aan iemand in de klas. Vooral het laatste deel van de opdracht wordt met gejuich ontvangen. IJverig gaat men aan het werk. Korte tijd later circuleert een stroom van papieren-scheldkannonades door de klas. De reacties blijven niet uit, onmiddellijk wordt ook mondeling van repliek gediend. De brieven worden, zij het in een wat gekuiste versie, in de periodeschriften geschreven:

Klacht aan juffrouw Rosalie

Hierbij wil ik u vragen om te stoppen met dat gejengel op die gitaar van u. Als u dit niet gauw stopt neem ik mijn maatregelen en koop een drumstel en zal eens laten horen wat muziek is. Ik heb gesproken.

gegroet
L. Vermeulen.

Geachte heer Vermeulen Windsant

Dat u mijn gitaarspel niet waardeert vind ik zeer treurig.
Maar ik zal u oordopjes doen toekomen zodat u niet meer gestoord zult worden door mijn gitaarmuziek.

Hoogachtend, R. Iemhoff

Uit zo’n experiment blijkt hoe jong een achtste klas nog is: terwijl de emoties toenemen, slinken de briefjes!

Schrijven — een literatuurperiode
Naar aanleiding van een voorgelezen verhaal R.J. Peskens, De kolenboer uit Twee vorstinnen en een vorst, wordt aan de klas de vraag gesteld: Hoe werd die straat beschreven, uitvoerig, beknopt, kleurrijk, eenvoudig? Beschrijf nu zelf eens in een paar regels hoe het schoolplein eruit ziet. De resultaten worden voorgelezen en becommentariëerd. Tot grote hilariteit blijkt lang niet alles bij iedereen te kloppen: Hé man, heb jij zand in je ogen, dat hek is niet zwart maar bruin! of: ,,Dat noemt ze een berk. Dat zijn populieren, sukkel! Iedereen hangt nu uit de ramen om zich te vergewissen van eigen en vooral andermans vergissingen. Het verschil tussen een uitvoerige beeldende beschrijving en een kale opsomming wordt besproken. Thuis moet als opdracht een beschrijving van één kamer gemaakt worden, maar dan zo gedetailleerd dat men het voor zich kan zien.

De volgende les komt aan de hand van de opdracht het verschil naar voren tussen een onpersoonlijke beschrijving, als een foto, en een gekleurde beschrijving, met de sfeer en gevoelens van degene die hem geschreven heeft. Met dit onderscheid kan nu verder geoefend worden: Stel je eens voor dat je een Indiaan hoog in de Andes moet beschrijven hoe een fiets werkt. Het lijkt zo makkelijk, maar de leraar weet wel beter!

Vervolgens worden persoonsbeschrijvingen bekeken. Een verhaal van Carmiggelt, in dit geval een karikatuur van een barkeeper, dient tot voorbeeld. Beschijf zelf eens de hoofdpersoon uit het voorgelezen verhaal:

Joop is een barkeeper. Hij is heel dik, zwaar en kaal. Hij lijkt een beetje op een ziek nijlpaard. Vrouwen zijn nooit op hem gevallen. Hij woont alleen. Hij heeft zo’n molentje op z’n dak dat elektriciteit opwekt, voor als er weer oorlog komt.

Bij een persoonsbeschrijving is het belangrijk, dicteert de leraar, dat je op het volgende let:

Hoe ziet hij/zij eruit?
Wat doet hij/zij?
Hoe doet hij7zij?

Als experiment wordt de klas de straat op gestuurd met als opdracht een voorbijganger heel nauwkeurig, maar zonder dat deze het in de gaten heeft, te beschrijven; ze krijgen daarvoor een half uur. Horloges worden vergeleken en gewapend met potlood en papier gaan de leerlingen op pad: Zomaar onder schooltijd naar buiten en dan met zo ’n rare opdracht, dat is pas leuk!

Hijgend om op tijd te zijn en opgetogen over alles wat ze gezien hebben, zijn ze ruim een half uur later weer binnen. Ze willen allemaal wel hun beschrijving voorlezen, slechts een paar krijgen de eer. Groot tumult ontstaat als onverwacht blijkt dat iemand een klasgenootje aan de arbeid heeft beschreven, vooral het slachtoffer zelf stikt bijna van het lachen.

De meest fantastische verhalen blijken zomaar van de straat geraapt:

Ik zag een oude vrouw en man over de Marathonweg bij de kruising met de Stadionweg lopen.
De vrouw had een rode mantel aan, een rode das om en ze droeg een zwarte handtas. De man had een donkere gleufhoed op en droeg een lichtgroen-beige jas, een blauwe broek. Uit zijn nukkig gezicht stak een grote neus. Hierop rustte een zware bril. De vrouw had een mollig gezicht, iets vrolijker en zij droeg geen bril. Ook was de vrouw groter dan de man. De man keek een paar keer schichtig om. Hierna haalde hij ergens een wit plastic zakje vandaan, liep snel op de bosjes bij de sportvelden toe, en schudde de zak vlug leeg. Er zat brood in, waarschijnlijk voor de duiven. Bij dit alles was de vrouw op de plaats waar ze hadden gelopen blijven wachten. Nadat dit was gebeurd, haakten ze hun armen weer in elkaar en staken vlug het kruispunt over. Alsof ze een grote haast hadden. De man liep rechts, de vrouw links. Er kwam slechts één duif op het voer af.

Vaak, zegt de leraar, wordt het te beschrijven onderwerp vergeleken met iets anders. Wat stellen jullie je voor bij iemand die zich voelt als een afgebladderde muur?
Ongelovige ogen, verbaasde kreten als gek zijn het antwoord. De leraar dicteert:

Als iets vergeleken wordt met, of vervangen wordt door de naam van iets anders, heet dat beeldspraak;

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind. (Rodenko)
Een boom van een vent.

Er wordt nu ijverig geoefend in beschrijvingen met vergelijkingen:

Ze is heel dun en mager. Ze is nogal lang, iets van 1.80 m denk ik. Ze draagt meestal erge korte rokjes. Haar benen zien er daardoor extreem lang uit, waardoor ze een beetje aan een ooievaar doet denken.

Ook al vind jij dat ze eruit ziet als een ooievaar, iemand die van lang en dun houdt, vindt haar misschien wel heel mooi,

is het commentaar. Het verschil tussen objectief en subjectief wordt uitgelegd:

Subjectief:                                  Objectief:
Wat jij vindt                                Zoals het is

Maak nu eens een heel subjectieve beschrijving. Een heerlijke opdracht voor een achtste klas, het regent vooroordelen:

De directeur zat achter zijn buro. Zijn dikke handjes lagen voor hem op tafel. Hij lachte met en dom lachje tegen zijn mooie secretaresse. ,, Typ dit maar” zei hij terwijl hij onhandig met zijn mollige vinger naar zijn papieren tastte…

Bij de bespreking kunnen de beschrijvingen weer aangevallen worden. Discussies over dikke directeuren en mooie secretaresses blijken in zo’n verband heel leerzaam. Ook moest er een objectieve beschrijving geschreven worden van iemand in de klas:

Hij heeft blond haar dat een beetje rechtop staat en krult. Hij heeft blauwe ogen en ziet er vaak ongeschoren uit. Hij is nogal klein en dik. Hij draagt nu een lichtgrijze trui en een donkergrijze broek en lichtbruine laarzen.

Wél klein, maar dik was de hier beschreven leraar in geen geval! Ook objectief is een rekbaar begrip, zeker voor een achtste klasser.

Het begrip tijd in een verhaal wordt behandeld. Teken en schrijf eens een strip in maximaal zes plaatjes. Een heel verhaal in maar zes plaatjes, dat is hardstikke moeilijk, roept iemand, maar daarna gaat hij opgewekt aan het werk. Als de strips af zijn en bekeken, moeten de plaatjes losgeknipt, in een andere volgorde gelegd en van een aangepast verhaal worden voorzien. Bijna iedereen maakt gebruik van een flash-back, zonder dat ze het bewust als verschijnsel kennen. Nu is het veel eenvoudiger dat begrip uit te leggen.

Als voorbeeld van een bijzondere tijdsduur leest de klas het gedicht Alpejagerslied van Paul van Ostayen. Wat gebeurt er nou eigenlijk in het gedicht? Veel meer dan twee heren die elkaar tegenkomen en begroeten, een kwestie van een paar seconden, is het niet, en daar weidt Van Ostayen toch een flink gedicht aan:

Alpejagerslied

taal klas 8 1

taal klas 8 3

Poëzie
Ook de structuur van gedichten is uitstekend te behandelen in een achtste klas. Bij het zien van een gedicht, is het eerste wat ze roepen: O, wat een stom gedicht! Maar als je gaat kijken hoe het gedicht in elkaar zit, wat de rijmwoorden zijn, of, en dan wélke strofes het heeft, dan denkt de klas geanimeerd mee. Op grond van de structuur vinden ze later dat het toch een heel knap gedicht is.

De opdracht zoveel mogelijk rijmwoorden bij een woord te zoeken wordt een geliefde sport, hoe meer hoe beter en dat loopt vaak in de tientallen. Het belangrijkste echter is dat de leerlingen zelf dichten, meestal naar voorbeeld van een behandeld gedicht. Uiterst gevoelige en aardssombere gedichten worden op deze manier geboren:

Voorrijm:
Zuiverende stromen
Huiverende mensen
Rollende stenen
Tollende boten
Brekende dijken
Wrekende stromen
Ween en gehuil
Geen overleeft

Vrije vers, fragment…
Dan is het stil
Alsof de storm
Zijn taak heeft volbracht
Geen vleugje wind
Is meer te voelen
En ik sta verslagen
Te kijken naar het lijk
Terwijl de regen zachtjes neervalt
Als was het bang
Nog iets kapot te maken.
Aan de gedichten kan de leraar goed aflezen waar zijn leerlingen op dat moment mee bezig zijn. De ondergang van mens en wereld is voor het meisje dat beide gedichten geschreven heeft blijkbaar een centraal thema.
.
(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

8e klas Nederlands: alle artikelen

 

Nederlandse taal: alle artikelen

 

 

471-437

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Schweizer

.

De wijsgeer van het oerwoud

Het dorp Lambarene ligt aan de rivier de Ogowe, vieren­zestig kilometer ten zuiden van de evenaar in Gabon, het voormalige Frans Equatoriaal Afrika. De streek weerspiegelt ’s werelds begin — wolken, rivier en woud voegen zich er samen tot een oerlandschap, dat er onwaarschijnlijk antiek uitziet. Het grootste deel van het jaar gelijkt de lucht op stoom, oprijzend uit een waas van groen. Dat is het decor voor een van de beroemdste zendingsinitiatieven ter wereld — het veelbesproken oerwoudziekenhuis van dr. Albert Schweitzer.

Schweitzer was onbetwistbaar een groot man — een van de grootste van deze en van alle tijden. Hij had vier verschillende loopbanen: in de wijsbegeerte, medicijnen, theologie en muziek. Hij schreef doorwrochte boeken over Bach, over Jezus en over de geschiedenis der beschaving, en hij was de grootste autoriteit ter wereld op het gebied van de orgelbouw en eveneens een vermaard organist.
Ook wist dr. Schweitzer bijzonder veel — meer dan velen die hun leven aan deze speciale vakken gewijd hebben — van schoonheidsleer, tropische dierkunde, antropologie en landbouw; verder was hij een bekwaam timmerman, metselaar, dierenarts, botenbouwer, tandarts, tekenaar, monteur, apotheker en tuinman.

Schweizer

Albert Schweitzer, geboren in 1875 te Kaysersberg in de Elzas, was een ziekelijk kind, wat men de sterke, gezonde man van later niet zou aanzien. Hij was ook — en dat is nog vreemder — laat met lezen schrijven, en hij kon slecht leren. Daarom dwong hij zichzelf, toen hij opgroeide, om juist die onderwerpen te leren beheersen, die hem moeilijk afgingen, zoals Hebreeuws. In de muziek was hij een wonderkind. Hij componeerde een psalm toen hij zeven was, begon orgel te spelen op zijn achtste, toen zijn benen nog maar net tot aan de pedalen reikten, en als jongen van negen viel hij in voor de organist tijdens een kerkdienst.

Hij studeerde wijsbegeerte aan de universiteit van Straatsburg en een proefschrift over Kant bezorgde hem zijn eerste doctors­graad. Hij studeerde theologie en werd in 1900, dus op zijn vijf­entwintigste, hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk in Straats­burg. Hij studeerde muziekleer en begon zijn loopbaan als con­certorganist. Toen hij zesentwintig jaar was, bezat hij doctorstitels in de wijsbegeerte, de theologie en de muziek. Intussen begon een stroom van boeken van zijn hand het licht te zien, die nooit op­gehouden is. Toen, op zijn dertigste, liet hij plotseling zijn drie loopbanen varen om geneesheer te worden en voorgoed naar Lambarene te trekken als zendingsarts.

Waarom geneeskunde? Omdat hij genoeg had van woorden en iets wilde gaan doen. Waarom Lambarene? Omdat het een van de ontoegankelijkste en primitiefste plekken van heel Afrika is, een van de gevaarlijkste ook, en omdat daar geen arts was. Familie en vrienden trachtten hem ervan af te brengen, maar hij zei dat hij voelde “iets te moeten terugdoen” voor het geluk, dat hem ten deel was gevallen. Hij gehoorzaamde letterlijk aan het gebod van Jezus: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven zal verliezen om mijnentwil . . . die zal het behouden.”

Schweitzer werkte van 1905 tot 1912 aan zijn medische studie en op achtendertigjarige leeftijd werd hij arts. Deze jaren waren de moeilijkste en ook de vermoeiendste van zijn leven. Een me­dische opleiding is op zichzelf al afmattend genoeg; toch speelde hij het klaar om wijsbegeerte te blijven doceren, om zijn werk­zaamheden als hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk voort te zetten, om een begin te maken met de definitieve uitgave van Bachs orgelmuziek, en om al die jaren geregeld orgelconcerten te geven!

Hij trouwde in 1912. Zijn vrouw, dochter van een bekende historicus te Straatsburg, volgde een verpleegstersopleiding om hem in Afrika te kunnen helpen. Toen zij in 1913 in Lambarene aankwamen, bleken de omstandigheden geducht moeilijk — wat ze trouwens nog zijn. Elke meter bouwgrond in dat gebied moet uitgekrabd worden in het onmetelijke oerwoud, dat dicht bevolkt is met allerlei onvriendelijke dieren als pythons en gorilla’s, terwijl de rivieren vol krokodillen zitten.
Albert Schweitzer bouwde zijn hospitaal uit het niets op, vrijwel met zijn blote handen. Eenmaal moest hij de hele nederzetting afbreken en verhuizen, omdat de oude hutten te klein waren geworden om zijn groeiende praktijk te herbergen. Afrikaanse patiënten, lijdende aan alle soorten ziekten, van lepra tot elefantiasis, waren niet altijd gemakkelijk te behandelen.
Een van de levensbeschrijvingen van Schweitzer vermeldt, dat ze soms de zalf opaten die hij voorgeschreven had voor een huidaandoening, in één teug een fles medicijn opdronken, waarmee ze enige weken hadden moeten toekomen, of dat ze probeerden andere patiënten te vergiftigen. Na de dood van een van zijn patiënten, die te laat bij hem was gekomen om nog gered te kunnen worden, verdachten ze een tijd lang Schweitzer ervan een vermomde luipaard te zijn die met opzet mensen doodde.

In 1954 brachten mijn vrouw en ik een bezoek aan dr. Schweitzer. Op het vliegveld werden we afgehaald door juffrouw Emma Hausknecht, een verpleegster uit de Elzas, die Schweitzer sedert 1925 had bijgestaan. Ze was een soort algemeen bedrijfsleidster van de hele nederzetting en trad op als Frans-Engelse of Duits-Engelse tolk voor de dokter. Toen wij ons onderdak bezichtigd hadden, ging juffrouw Haussknecht ons voor langs een modderpad tussen de struiken en vruchtbomen naar het nieuwe leprozendorp, dat Schweitzer aan het bouwen was. Ten slotte kwam, dichtbij een open plek, de dokter zelf te voorschijn. Hij had een grote arendsneus, een grijze hangsnor en ogen, die werkelijk door je heen keken. Hij was krachtig gebouwd en hij droeg die dag een zonnehelm, een open wit overhemd, een versleten broek en zware, zwarte schoenen.
Schweitzer bracht ons naar het leprozendorp, waar de ernstigste leprapatiënten woonden. Hier begon de oude dokter onmiddellijk een ploeg werklui achter de vodden te zitten. Zelf nam hij een schop en zong een soort deun op de maat van het graafwerk: “Allez-vous OPP! Allez-vous OPP-upp-OPP ! ! Hupp, upp, OPP!” Bezoekers verbaasden zich soms over het hospitaal omdat het eruit zag als wat het is — een inboorlingendorp. De patiënten kwamen van heinde en ver en brachten soms hun hele gezin mee.
Er waren geen geplaveide paden of wegen. Er was geen stromend water, geen elektriciteit, behalve voor de operatiekamer.

Er leken meer dieren dan mensen rond te lopen. Het ziekenhuis had ongeveer honderdvijftig geiten en er waren allerlei andere beesten, zoals parkieten en een jonge mandril. Dicht bij de eet­zaal zat een wild zwijn achter gaas en een aap met een touw aan een boom. Vier gracieuze antilopen stonden in een ruwe, met ijzerdraad omgeven hertenkamp en werden elke avond na het eten door de dokter gevoerd.

De hoofdafdeling van het ziekenhuis was ondergebracht in een lang gebouw zonder verdieping, verdeeld in smalle, donkere kamertjes die alle op een binnenplaats uitkwamen. De patiënten lagen op houten, met vlechtwerk overtrokken britsen. Buiten elke deur brandde een rokerig vuurtje: daar kookte het gezin van de patiënt. Als een man geen familie had en te ziek was om zelf te koken, vormde hij een ernstig probleem. De meeste patiënten wilden namelijk geen voedsel aannemen van iemand buiten hun stam uit angst voor vergiftiging.

Er was, voor zover ik kon zien, geen apparaat om verband onder hoge druk te steriliseren; water moest gekookt worden in ketels boven open houtvuren. Jarenlang waren de medicijnen en verbandmiddelen schaars. Iedere veiligheidsspeld was kost­baar. Dingen die in de meeste ziekenhuizen heel gewoon zijn, wer­den hier met eerbied behandeld — als ze er tenminste waren. Iemand vertelde me dat Schweitzer niet van ingewikkelde, moderne hulpmiddelen hield. Ten eerste is het onderhoud lastig in een tropisch klimaat. Wat heb je aan rubberkruiken, als ze binnen een week wegrotten? Ten tweede wilde hij dat de Afrikanen zich prettig voelden, in omstandigheden die hen aan thuis deden denken.

Op een ochtend keken we de operatiekamer binnen; we schrok­ken eigenlijk wel even, dat dit zomaar vanaf de binnenplaats mogelijk was. Op de tafel lag een ontklede patiënt, zijn buik droop van de mercurochroom. De arts die de operatie had ver­richt — een normale breuk — kwam een uur later aan de koffie­tafel. Hij had nog geen tijd gehad zich grondig te wassen en ging in zijn hemdsmouwen aan tafel, terwijl zijn armen nog vuurrood van de mercurochroom waren.

Een druk gebruikte open ruimte dicht bij de eetzaal vormde het middelpunt van het ziekenhuisleven. Afrikanen kwamen en gingen met producten uit de tuin in hun onbeholpen kruiwagens. Vrouwen zaten gehurkt op de grond en bonden palmbladeren bij­een voor de dakbedekking; anderen waren druk in de weer met naaimachines op een veranda boven, en weer anderen streken de was met primitieve strijkijzers, gevuld met houtskool. Tussen deze ordelijke bedrijvigheid door liep de dokter en zag toe dat iedereen werkte. De drukte en het geraas deden denken aan een pionierskamp.
Ten tijde van ons bezoek was de eerste geneesheer in Lambarene (Schweizer was toen 79 en in het medische werk niet meer zo actief ) een Hongaar; een der andere artsen was een neef van de oude baas. De verpleegsters, allen Europese vrouwen, leken ons zo teruggetrokken, zo vroom en zo onwerelds als nonnen.
Bij de maaltijden zat Schweitzer aan het midden van een lange tafel, en eventuele eregasten er tegenover. Vlak voor elke maaltijd zei hij een kort gebed in het Frans; direct na het avondeten (geen enkele maaltijd duurde langer dan een half uur) kondigde hij met stentorstem een psalm af en er werden gezangboeken doorgegeven. Hij stapte naar een blikkige piano aan het eind van de zaal en speelde zonder franje maar krachtig en precies de begeleiding, terwijl het gezelschap zong. Dan liep hij naar zijn plaats terug, keek in de lijst van bijbelteksten, klapte een bijbel open en las een paar regels.

Wij vonden Schweitzer een bijzonder gezaghebbende, waakzame en scherpzinnige prater, maar aan tafel sprak hij zelden. De verklaring, die heel aannemelijk lijkt, is dat hij te moe was. Toen hij de eetzaal uitging, vulde hij zijn zakken met etensrestjes om aan de antilopen te geven.
Wanneer de avondrust over de rest van het kamp was gekomen, zat Schweitzer nog tot middernacht of later te werken, brieven te schrijven of post te beantwoorden.
Het is een keer voorgekomen, dat hij tot verbazing van de douane-ambtenaren in Bordeaux aan boord ging met zijn onbeantwoorde post – vier aardappelzakken vol.

Toen hij naar Afrika vertrok, dacht Schweitzer dat hij voorgoed opgaf wat hem het naast aan het hart lag — de kunst en het leraarschap. Maar hij heeft altijd een piano bij zich gehad in Afrika en heeft zo zijn muziek kunnen bijhouden.
Na de Tweede Wereldoorlog hebben zijn orgelvertolkingen van Bach, op grammofoonplaten vastgelegd toen hij met vakantie in Europa was, grote artistieke waardering gevonden. Hij hield overal lezingen als hij in de beschaving terugkeerde en is door talloze universiteiten geëerd. Bovendien is hij er, door ’s nachts te werken, in geslaagd geregeld nieuwe boeken te doen verschijnen.
In 1952 werd hem de Nobelprijs voor de vrede toegekend.

Hij heeft altijd een scherp gevoel gehad voor wat belangrijk is en wat niet, en hij bezat een fijn, ironisch gevoel voor humor. In 1949, toen hij voor de eerste (en enige) keer in de Verenigde Staten was om het Goethe-Festival in Aspen, in Colorado, bij te wonen, toonde hij zich bijzonder gestreeld door de aandacht, die de pers­fotografen aan hem besteedden. “Lieve help,” riep hij uit, “ik geloof waarachtig, dat jullie me net zo belangrijk vinden als een bokskampioen!”

Op onze laatste avond in het ziekenhuis werden we na het eten uitgenodigd om met Schweitzer mee te gaan naar zijn kamers. Hij had een kleine slaapkamer en een kantoortje ernaast. Het was daar een warwinkel van boeken, papieren, voorraden, gereed­schappen — er lag een zaag dwars over een stapel manuscripten — lege blikjes, stapels muziek en timmermanswerkstukken. Als hij een hoofdstuk voor een boek klaar had, haalde hij een touwtje door de bladzijden en hing ze achter zijn schrijftafel — “Net een trofee van de fazantenjacht.” (Metalen klemmen zijn onbruikbaar in Lambarene: ze roesten dadelijk.)

Schweitzer bracht ons naar zijn beroemde piano met de orgel­pedalen, een geschenk van de Parijse Bachvereniging. Het in­strument was met zink bekleed tegen het vocht en tegen de witte mieren, en woog drie ton. Het was geweldig ontstemd. Schweitzer, mijn vrouw en ik zaten met ons drieën op de kleine houten bank — er was trouwens geen andere zitplaats — en hij speelde wat Bach. De volgende dag deed hij ons uitgeleide, maar dit korte, nachte­lijke concert was de laatste aanraking, een afscheidsplechtigheid, die Schweitzer typeerde. Het is dit beeld van hem, zittend aan dat gehavende oude wrak van een piano in het hart van het stille, sluipende oerwoud, dat ik mij het liefst voor de geest zal halen.
.

Albert Schweizer
.

alle biografieën

.

470-436

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – Nederlandse taal

 

klas 7 taal 1

 

Slungelig, trappend tegen alles wat hem voor de voeten komt, baant de dertienjarige zich een weg door het leven. Als propellers maaien zijn armen door de lucht, van alles in zijn vaart meesleurend. Benen worden als per ongeluk in beweging gezet en te pas en te onpas uitgestrekt, tot onvermoed struikelblok voor de omgeving. Alles is te groot, te onhandig, te veel uit proporties gegroeid.

Het afgeronde, harmonische kinderlichaam van voorheen is doorgeschoten tot een uit balans geraakte verschijning.

Ook de innerlijke rust raakt verstoord: onzekerheid, hangerigheid, rusteloosheid, maar daarnaast een hevig verlangen de wereld in al haar nuances te ontdekken, zijn kenmerken van de zevendeklassers.

Vaak uit zich dit in overgevoeligheid, wat dan weer verborgen wordt achter een al te nonchalante houding. Ze willen de indruk wekken alles wel alleen af te kunnen, maar vragen eigenlijk om nog aan één hand vast gehouden te worden. Dit uitsluitend in figuurlijke zin; echt aan de hand van de volwassene lopen, willen ze niet meer. Bij uitstapjes is de volwassene de enige die alleen „uitstapt”, de kinderen lopen in groepjes bij elkaar.

Met de fysiologische veranderingen heeft de prepuberteit ingezet, de overgang van kind naar puber. Die overgang vindt niet voor alle kinderen tegelijk plaats, de klas bestaat dan ook uit “reuzen en kuikens”.
Terwijl in de pauze de ene helft van de klas nog achter de bal aanholt staat de andere helft er gezellig bij te kletsen, ongevoelig voor de hen rakelings voorbijschietende bal en tot schreeuwende woede van de fanatieke spelers.

Ook gaat voor het eerst het verschil tussen jongens en meisjes een rol spelen. Sommige meisjes hebben hun krachten al nodig voor de lichamelijke rijping, terwijl de jongens juist overlopen van vitaliteit. De meisjes zijn vaak snel moe en hangerig, de jongens overactief en baldadig.

In de prepuberteit moet een basis gelegd worden, stevig genoeg om straks in de puberteit de problemen het hoofd te bieden.

Uit de leerstof in de zevende klas
Stapje voor stapje ontdekt de zevendeklasser de wereld: deze lijkt zo aantrekkelijk, zo groot, maar zo ongrijpbaar. Het is een glibberig pad waarlangs de dertienjarige loopt. Hij heeft het nodig dat er structuren in zijn wereld worden aangebracht, dat verschaft overzicht en zekerheid.

De opdrachten die een zevendeklasser krijgt, moeten ook duidelijk en overzichtelijk zijn en de vertelstof tenminste waar gebeurd om niet meteen naar het rijk der fabelen verwezen te worden. De leerkracht vertelt nuchter, anders zouden zijn leerlingen alleen maar om de verhalen lachen. Details en feiten willen ze weten. Ze vragen de leerkracht het hemd van het lijf, de meest onverwachte en bizarre vragen waarop hij zich net niet heeft voorbereid, worden hem gesteld: Hoe oud is die vulkaan? Hoe heette de vrouw van Maarten Luther? De meeste kinderen willen graag en kunnen ook zelfstandig of in groepjes werken. Ze willen veel doen in weinig tijd. De leerkracht stelt strenge eisen aan zijn leerlingen, wat niet wegneemt dat de omgang tussen leerkracht en klas kameraadschappelijker wordt.

De geschiedenis behandelt het tijdperk van de Renaissance tot de Nederlandse Gouden Eeuw. Na de donkere Middeleeuwen richtten de mensen opnieuw hun blik op het aardse bestaan. Zij werden uitgedaagd de wereld te verkennen en te doorgronden. Hoewel vele zeelieden vreesden hun ondergang tegemoet te gaan, weken sommige schepen af van de bekende, veilige route en waagden zich op vreemde zeeën en oceanen.

Hendrik de Zeevaarder, een der eerste ontdekkingsreizigers, voer uit met de bedoeling de legendarische priesterkoning Johannes in Afrika te ontmoeten om hem terzijde te staan in de strijd tegen de Moren. Rond 1500 echter sloeg de geestelijke impuls om naar een materialistische: goud en goederen, nieuw land en slaven werden de drijfveer van de latere ontdekkingsreizigers.

De Renaissance is ook de tijd van revolutionaire ideeën. Galileï en Copernicus stelden de zon in plaats van de aarde in het middelpunt van het heelal. Macchiavelli schreef een ,,handleiding” over politiek en macht. Luther en Calvijn behoorden tot de eersten die zich in het openbaar verzetten tegen de leer van de rooms-katholieke kerk. Willem van Oranje vocht met vuur voor vrijheid van godsdienst.

Een wereld van tegenstellingen komen de kinderen heel duidelijk tegen in de algebraperiode. Zij beleven positief en negatief op velerlei manieren. Ook machtsverheffen, worteltrekken en de leer van vergelijkingen worden behandeld.

Bij meetkunde komt de zevende klas tot de stelling van Pythagoras.

In de lessen voedings- en gezondheidsleer wordt de kinderen onze lichamelijke afhankelijkheid duidelijk van voedingsgewassen die koolhydraten, vetten, eiwitten en mineralen bevatten. Dit mondt uit in het koken van volwaardige smakelijke maaltijden.

Tijdens de aardrijkskundeperiode verdiept men zich in enkele Europese volkeren, waarbij men uitgaat van de materiële en economische basis van hun bestaan. Wanneer je de levenswijze van twee ver van elkaar verwijderde volkeren naast elkaar zet, Italianen naast Zweden, Russen naast Engelsen, worden de tegenstellingen duidelijk zonder dat het tot vooroordelen of generalisaties hoeft te leiden. Onder de levenswijze wordt behalve het dagelijkse leven in de stad (steden- en huizenbouw) of op het platteland (landschap en klimaat) ook verstaan de taal, het voedsel, de kleding, de muziek, de volksverhalen en de tradities. Door dit alles heen spreekt een volksaard. De horizon van de kinderen wordt verwijd door de behandeling van de plaats en de loop van zon, maan, sterren en planeten.

In de natuurkundeperiode worden de onderwerpen licht, geluid, warmte, magnetisme en elektriciteit uitgebreid. Het is nog niet noodzakelijk dat de kinderen tot begrip komen van de natuurkundige verschijnselen, maar wél dat zij verbanden kunnen leggen: als ik dit doe, gebeurt dat. Alles wat zij leren, stoelt op hun ervaringen, opgedaan tijdens de gezamenlijke proeven of op hetgeen zij in groepjes zelf hebben uitgevoerd.

Evenwicht is het uitgangspunt in de mechanicaperiode. De ontdekkingen die de kinderen door de proeven doen, worden nu geschematiseerd:

gewicht x afstand = gewicht x afstand (de momentenwet).

Hijskranen, ophaal- en basculebruggen worden van dichtbij bekeken en getekend. Ook zoeken de kinderen naar gereedschappen die werken volgens het hefboomprincipe (onder andere de nijptang, de hamer en de schaar) en ze proberen alle mogelijkheden van katrollen uit. Het inzicht in de constructie vormt de oplossing van wat zo ingewikkeld leek. De toepassing van eenvoudige principes biedt de kinderen zekerheid.

Ook in de scheikundeperiode moet de leerstof lichamelijk te ervaren zijn. De klas moet zien, horen, tasten en ruiken. Met verschillende materialen wordt vuur gemaakt. Doordat de kinderen deze vuren precies moeten natekenen en beschrijven, leren zij heel nauwkeurig te kijken. Vele onderwerpen die met vuur te maken hebben komen aan de orde. Kalk, zwavel, koolstof en fosfor worden bestudeerd op het ontstaan, de eigenschappen, de werking en de verbrandingsprocessen.

In de zevende klas tekenen veel kinderen niet meer zo graag en onbevangen als daarvoor. Ineens vinden ze dat ze het niet meer kunnen. De werkelijke verhoudingen die ze willen tekenen, krijgen ze niet zo op papier. Door het tekenen ook verstandelijk te benaderen en de grondbeginselen van het perspectieftekenen aan te leren, krijgen de kinderen langzaamaan weer een beetje zelfvertrouwen. Door steeds vanuit een ander perspectief te tekenen, ervaren zij aan den lijve, dat ieder mens een ander standpunt heeft.

In het weekrooster van de zevende klas valt de nadruk na het periodenonderwijs op metaal- en houtbewerking, boetseren, grafische technieken en textiele handvaardigheid. Bij deze vakken kunnen de kinderen hun werklust richten op een product dat eisen stelt en doorzettingsvermogen vraagt, bijvoorbeeld door een lepel te gutsen uit een stuk mahoniehout. Van belang is dat functionaliteit en eigen expressie met elkaar in evenwicht zijn.

Dit Algemeen Technische Onderwijs draagt ertoe bij dat de dertienjarigen thuisraken in de fysieke wereld.

Over taal in de zevende klas

Lezen
De leraar kiest proza- en poëzieteksten die qua inhoud en stijl net iets rijker en moeilijker zijn dan de kinderen zelf schrijven. Op deze manier worden zij steeds gevoed met goede voorbeelden. Na het individuele lezen geven de kinderen de inhoud van de tekst weer en wordt dit besproken.

Grammatica
Zinnen die een wens uitdrukken en zinnen die verbazing en bewondering uitdrukken. De dertienjarige staat voor de drempel van de puberteit. Zijn wensen en verwachtingen worden sterker, maar zijn nog op een naïef niveau: Was er maar vrede in de wereld en Was ik maar balletdanseres. Soms gaat het kind zo sterk in zijn illusies op dat het de vaste grond onder zijn voeten verliest. De grammatica geeft de wankele dertienjarige de mogelijkheid met het bewustzijn greep op zijn gevoelens te krijgen. We gaan uit van zinnen, waarin de kinderen een wens uitspreken:

Was ik maar een beetje groter.

Deze uitspraak is niet vervuld en daarmee onwerkelijk. In verbazings- en bewonderingszinnen drukken we ook een gevoel uit:

Is dat even een snel zeilschip!
Hoe kan zo’n zwaar schip toch blijven drijven!

In tegenstelling tot de wenszinnen, gaan deze uitspraken over de werkelijkheid.

Het laten bedenken van zinnen die verbazing uitdrukken, is op zich al een pedagogisch middel. Verbazing maakt nieuwsgierig en spoort aan tot onderzoek. Dat is wat we de zevendeklasser willen meegeven, immers verbazing is de poort tot ieder inzicht.

Als in de puberteit het beeld van de werkelijkheid vertroebeld wordt door de gevoelens, moet dit verlangen naar inzicht uiteindelijk richtinggevend zijn.

Uit de klas komen nu eindeloos veel wenszinnen en bewonderings- of verbazingszinnen. Wanneer deze twee typen zinnen worden vergeleken, blijkt er een opvallende overeenkomst te bestaan. Bij beide soorten ontstaat voor een deel de woordvolgorde van de vragende zin. Het verschil is in de intonatie te vinden. Bij de wenszin krijgt één woord de klemtoon, terwijl de verbazings- en bewonderingszinnen meer accenten kennen:

Was ik maar een beetje groter.
Was ik maar een beetje gróter.
Is dat even een snél zeilschip!

Dat de wenszinnen in tegenstelling tot de bewonderingszinnen niet op werkelijkheid berusten, wordt uitgedrukt door de onvoltooid verleden tijd:

Was ik maar een matroos.

Ja, zelfs de wens zelf wordt nog in de onvoltooid verleden tijd gezet:

Ik wou dat ik een matroos was.

Samengestelde zinnen: hoofdzinnen en bijzinnen. Zevendeklassers zijn eraan toe hun gedachten te ordenen naar doel, oorzaak en gevolg, naar ruimte en tijd. Daarbij doen zij pogingen ingewikkelder zinnen te vormen. Voor het eerst hoor je hen spontaan zinnen maken waarin de voegwoorden als hoewel, aangezien en ofschoon voorkomen.

Bijzinnen maken onze taal levendig en kleurrijk:

Toen de zon de hemel in vurige gloed zette, duwde de visser zijn boot in het water.

Ieder zinsdeel van de enkelvoudige zin, behalve het gezegde, kan door een bijzin vervangen worden. Aan de hand van voorbeelden ontdekken de kinderen met behulp van de leraar kenmerken van de hoofdzin en de bijzin:

Hij verborg een flink stuk scheepskoek onder zijn muts om straks te ruilen voor een randje gepekeld vlees.
Nadat de scheepsjongen de gedroogde vis aan boord had gebracht, moest hij helpen bij het vlechten van de touwen.

In een enkelvoudige zin en in een hoofdzin zijn onderwerp en persoonsvorm onafscheidelijk. In de bijzin kunnen tussen het onderwerp en de persoonsvorm een of meer woorden staan:

Weet jij waarom de stuurman naar de Poolster kijkt?”

De kinderen kunnen zo ver komen dat zij kunnen vaststellen dat soms de hoofdzaak in de bijzin staat:

Hij vreest, dat er storm op komst is.
Zij hoopt, dat het pad na al die jaren nog begaanbaar is.

De leraart vertelt dat dit alleen voorkomt waar in de hoofdzin uitdrukkingen staan als voorstellen, denken, weten, geloven, menen, vermoeden, voelen, hopen, vrezen, wensen, willen en vinden.

De ordening van de bijwoordelijke bijzinnen. Om de kinderen het complexe geheel van de bijzinnen te leren overzien, kunnen we een nieuwe start maken. Deze start doet merkwaardig aan.
Welke mensen boeien je bij het vertellen het meest? vraagt de leraar aan zijn klas. De antwoorden worden geïnventariseerd en tot drie categorieën teruggebracht. De verteller moet:

I de gebeurtenissen ordenen, de chronologische volgorde aanhouden en de logische samenhangen laten blijken,

II   – zo vertellen dat je het voor je kunt zien, alsof je er zelf bij bent,

III    – de drijfveren en de bedoelingen van de mensen die in het verhaal voorkomen, duidelijk maken.

In het taalgebruik van de verteller zijn deze drie categorieën op heel duidelijke wijze terug te vinden in de bijzinnen:

I

De opgeschoten jongens schrobden het dek dat het een lieve lust was.
Zij zongen een lied om de vaart erin te houden.
Toen de dag aanbrak, voeren de drie karvelen uit.

De kinderen moeten bepalen in welke categorie de zinnen thuishoren. Ook bedenken zij zelf zinnen in deze trant. De leraar kijkt met de klas naar zinnen die niet zo gemakkelijk in te delen zijn:


Waar zij heen zeilden, had geen schip zich ooit nog gewaagd.
(bijwoordelijke bijzin van plaats)

Terwijl Christopher Columbus juist betrouwbare zeelieden nodig had, bestond een kwart van zijn bemanning uit gajes.
(van omstandigheid)

Hoe verder de schepen van de bekende kust afraakten, hoe banger de mannen werden.
(van verhouding)

In de Sargasso-Zee voeren zij door velden van stinkend zeewier, zodat zij vreesden dicht bij de hel te zijn.
(van gevolg)

Hoewel Columbus hen probeerde wijs te maken dat het gewoon gras was, slingerden zij hem de ergste verwensingen naar het hoofd.
(van toegeving)

Omdat de uitkijk drijfhout, rietstengels en vogelgroepen signaleerde wist hij dat het land dichtbij moest zijn.
(van oorzaak)

II.
De scheepskok schilde de koolrapen alsof zijn leven ervan afhing.
(van hoedanigheid)

Zo snel als de scheepsjongen het want in klom, klom geen van de andere mannen.
(van vergelijking)

III.
Isabella van Spanje schonk Columbus drie schepen, opdat hij nieuw land zou ontdekken.
(van doel)

Als huiswerk onderstrepen de kinderen de bijzinnen met kleur: de bijzinnen van de gedachte-ordening met blauw, die van de middelste groep met groen of oranje en de wilsmatige bijzinnen met rood. Hierbij wordt nooit gewerkt met losse zinnen om het gevaar van versnippering te voorkomen. Bovendien moet de tekst al bekend zijn; bestaat er eenmaal een gevoelsrelatie met de tekst, dan is het gevaar van doodanalyseren niet meer zo groot.

Andere bijzinnen
Het is belangrijk dat de kinderen zien hoe de bijzinnen ontstaan. De leraar tracht hen deelgenoot te maken van het veranderingsproces. Zo krijgen zij oog voor de gedaanteverwisseling.

De man, die geen zeebenen heeft, moet niet meegaan.
Degene, die geen zeebenen heeft, moet niet meegaan.
Wie geen zeebenen heeft, moet niet meegaan.

Het onderwerp is uit de hoofdzin verdwenen. Omdat het nu vervangen is door de bijzin, noemen we deze onderwerpzin.

We kunnen dit natuurlijk ook doen met lijdend-voorwerpzinnen:

De schipper gaf de jongen de oorvijg, die hij verdiende.
De schipper gaf de jongen dat, wat hij verdiende.
De schipper gaf de jongen, wat hij verdiende.

en met meewerkend-voorwerpzinnen:

De schipper gaf de jongen, die te laat op wacht verscheen, een oorvijg.
De schipper gaf wie te laat op wacht verscheen, een oorvijg.

Tot slot een voorbeeld van een verandering met een bijvoegelijke bijzin:

De man, die een model van de kust maakte, had een zak zand en een zak bonen bij zich.
De man, die een zak zand en een zak bonen bij zich had, maakte een model van de kust.

Opvallend is dat met dezelfde informatie de betekenis verandert.

Een werkwijze als hier beschreven oefent het beweeglijk denken van de leerlingen én van de leerkracht.

Ik wou dat ik bewonderde — een eerste periode
In deze periode gaat het om het uitdrukken van gevoelens in de taal.

De kinderen kunnen daarbij zo diep uit hun gevoelens putten als zij zelf willen.

Ik kijk wel uit, ik ga niet over mijn gevoelens schrijven,

zegt een jongen gegeneerd. Hij denkt dat gevoelens altijd over liefde moeten gaan. Als dit misverstand is opgehelderd, werkt ook hij enthousiast aan de opdrachten.

De lerares vertelt een sprookje van Godfried Bomans: De pantoffelheld.
De schoenmaker in dit verhaal mag enkele wensen doen. Aanvankelijk kiest hij voor rijkdom, voor pracht en praal, maar op den duur ziet hij in dat hij bij zijn wensen alleen aan zichzelf heeft gedacht. Op verzoek van de koningsdochter met wie hij wil trouwen, doet hij afstand van zijn rijkdom. Pas dan kan hij tevreden leven.

Iedereen heeft wensen, de kinderen natuurlijk ook. Zij schrijven twee wensen op: een voor de anderen en een voor zichzelf. Zonder uitzondering wensen ze vrede of een betere verdeling tussen arm en rijk in de wereld. De wensen voor zichzelf lopen nogal uiteen: een eigen kamer, een wereldreis, een mooie vrouw later, veel geld, een huisje in het bos of een crossmotor.

Dan krijgen de kinderen de opdracht een gedeelte van De pantoffelheld opnieuw te schrijven. Een van de wensen moet daarin uitgewerkt worden, zodat ook de mijmeringen die aan de wens voorafgaan, worden opgeschreven. Bij het voorlezen en bespreken van het werk letten de kinderen vooral op wat gedacht wordt en wat gezégd.

In de roman „Nozzingbut ze bloes” beschrijft Bert Jansen zijn vurig verlangen naar een gitaar. Zijn onuitsprekelijke vreugde, wanneer hij op sinterklaasavond denkt dat het grote moment eindelijk gekomen is slaat om in verstikkende teleurstelling als het een banjo blijkt te zijn. De kinderen leven helemaal mee. Zoiets hebben ze allemaal wel eens meegemaakt en velen willen daar graag over vertellen. Ook rollenspelen over dergelijke situaties maken grote indruk. Later schrijft de klas verhalen over wens en teleurstelling of juist wens en blijdschap.

Na al deze wensen wordt het tijd zich in een andere gevoelsuiting te verdiepen: de bewondering.

Een verhaal dat zich daartoe prachtig leent, is De Bramenplukker, ook van Godfried Bomans. De bramenplukker voelt zich rijk door al het moois van de natuur dat hem omringt. Hij steekt zijn bewondering niet onder stoelen of banken. De hebzuchtige dorpelingen voelen zich echter bedrogen als blijkt dat zijn rijkdom geen geld, maar slechts fantasie is. Uit woede hangen zij hem op. De kinderen verplaatsen zich beurtelings in iemand als de bramenplukker of de dorpeling.

Ook een zelfgekozen onderwerp wordt van twee kanten belicht en beschreven:

Over de zee

Ach, wat is het water heerlijk fris, het verkoelt mijn zwetende huid. De golven dragen mij deinend naar het strand. Zij weerspiegelen de gouden schitteringen van de zon. Wanneer de golven hoger en wilder zijn, duik ik erin en voel mij een dolfijn.

Bah, wat is het water koud. De kwallen zijn op zoek naar mijn benen. Als ik niet oppas, word ik door de sterke stroming meegesleurd en zal ik zoals duizenden voor mij verdrinken in de gulzige mond van het water.

Wanneer de kinderen hun bewondering voor iets of iemand beschrijven, vertelt een meisje:

Ik bewonder niet een bepaald persoon, maar in het algemeen. Ik vind het heel knap als mensen iets maken zonder dat ze iets hebben van materiaal. Dat kan van alles zijn: een boek schrijven, ontdekken, oneindig veel. Dat is iets wat ik heel erg bewonder. Omdat er niet zo veel van dat soort mensen zijn. De meesten moeten alles voorgezegd krijgen, of uit een boekje lezen.

Ook rollenspelen lenen zich weer goed om te laten zien hoe persoonsgebonden bewondering is. Bijvoorbeeld:

Yvonne gaat met haar moeder in de stad nieuwe kleren kopen.

,,Oh, kijk eens Yvon, wat een beeldige blouse!” ,,Daar vind ik nou niks aan. Iedereen loopt trouwens in een t-shirt.” „Maar een t-shirt is altijd zo kaal in je nek. Kijk nou toch eens naar die blouse. Juist het kraagje met dat snoezige kantje erlangs zal je goed staan. Dat kant is op zich al een kunstwerk. En dan die kleine ronde knoopjes, dat prachtige paarlemoer. Kom, we gaan naar binnen. “

Er is weinig fantasie voor nodig om te begrijpen hoe amusant zo’n rollenspel wordt voor de toeschouwers, al was het alleen maar om de herkenbare strubbelingen.

Door dit soort opdrachten leren de kinderen ongegeneerd uitingen van bewondering te formuleren. Het gaat er tenslotte bij dit alles om dat ze leren de gevoelsschakeringen in de taal onder woorden te brengen. De lerares grijpt een van de vele populaire uitdrukkingen aan voor een stijloefening:

Zeg op een andere manier:

Te gek, die sneeuw op de bomen.

Betoverend, die sneeuw op de bomen.
Kijk de sneeuw glinsteren op de bomen.

Het bos is net een sprookje, zo in de sneeuw.
Hoe stil staan de bomen onder het witte kleed.

Sommige verhalen hebben een pedagogische bedoeling. Dit verhaal gaat over meneer Suykerbuyck. Hij werkt op een klein verzekeringskantoor in een rustig stadje, waar hij het goed kan vinden met zijn chef en zijn collega’s.

Wanneer hij wordt overgeplaatst naar het hoofdkantoor in de grote stad, voelt hij zich diep ongelukkig. Het nieuwe kantoor is groot en bedrijvig. Meneer Suykerbuyck zit achter zijn bureau kolommetjes in te vullen, maar hij heeft zijn jas nog aan en een gleufhoed bedekt zijn ogen. Hij weigert gebruik te maken van de kapstok. De kantoormeisjes vinden dat maar vreemd en om de beurt proberen zij een gesprek met hem aan te knopen. Meneer Suykerbuyck reageert daar alleen maar op door angstig zijn jas steviger om zich heen te trekken en zijn hoed nog dieper over zijn ogen te duwen. Wanneer hij in zijn huurkamertje komt, staat hij voor de spiegel te mopperen over dat vreselijke kantoor en zijn nog afschuwelijker mensen.

Thuis maakt hij het gezellig. Hij zet een vrolijk draaiorgelplaatje op en gaat verder werken aan de miniatuurcarrousel, die hij van suikerklontjes bouwt. Op een dag trekt een van de typistes de stoute schoenen aan. Zij heeft medelijden met meneer Suykerbuyck en vraagt hem recht op de man af of hij niet een paar mensen van kantoor bij hem thuis wil uitnodigen om elkaar beter te leren kennen. Suyckerbuyck raakt daarvan zo in paniek, dat hij zijn jas heel strak om zich heen trekt. Dan gaat de jas een eigen leven leiden en trekt zichzelf als een dwangbuis om hem heen, zodat de man machteloos wordt en dreigt te stikken…

Hier houdt het verhaal op. Ieder kind moet een eigen oplossing bedenken. Al gauw is iedereen ijverig aan het schrijven. Ze vinden bijna allemaal dat de arme man geholpen moet worden:

„Henk, breng me de schaar!” riep de secretaresse. Zij knipte de jas kapot. Dit was zo ’n opluchting voor meneertje Suykerbuyck, dat hij zich helemaal uitstrekte, met of zonder jas. En oh, wat was dat? Daar vielen allemaal suikerklontjes uit zijn jas. Het hele kantoor lachte zich slap. „Inderdaad, nu weet ik waarom u Suykerbuyck heet, ” riep de jongen met de geruite broek, „hahohohi.” Maar het lachen hield algauw op, want ze kregen in de gaten dat het met grapjes niet opgelost was.

Als de collega’s in het vervolg van dit verhaal de suikerkermis van Suykerbuyck zien, worden zij zo enthousiast, dat zij later de bureaus uit het kantoor zetten en een bedrijfje in miniatuurkermissen beginnen met uiteraard meneer Suykerbuyck als directeur.

Een andere leerling eindigt zijn verhaal opgewekt met:

De volgende dag kwam meneer Suykerbuyck met een spijkerjack en een alpinopetje op naar zijn werk. Lachend hing hij zijn spullen aan de kapstok.

In elke klas zitten wel kinderen die buiten de groep staan en dat ook zelf in de hand werken. Voor hen is een dergelijk verhaal een enorme opluchting.

De rest van de klas wordt zo gedwongen zich in het probleem te verdiepen en een oplossing te zoeken. Ook in de nagesprekken hoeft niemand zich bewust aangesproken te voelen terwijl de moeilijkheden toch besproken worden.

’s Ochtends voor de les begint, is het boek Kruistocht in spijkerbroek bij een aantal kinderen het onderwerp van gesprek. Wanneer de les is begonnen, krijgen de kinderen een opdracht:

De hoofdpersoon uit het boek waarover jullie het net hadden, komt door een machine in een andere tijd terecht. Hij verbaast zich over de mensen van die tijd, maar zij verbazen zich niet minder over hem. Stel je nu eens voor dat iemand uit de Middeleeuwen plotseling vandaag op de Dam komt te staan. Waarover zou hij of zij zich verbazen? Beschrijf dat in een verhaal.

Dat hier vreemde situaties kunnen ontstaan, blijkt uit het volgende gedeelte van een verhaal. Hoewel deze leerling de verbazing niet laat uitspreken, is deze wel te merken:

Een jonge edelvrouw wordt met de teletijdmachine geflitst naar het jaar 1981. Zij belandde in een ordinaire snackbar. „Meid, mot je een patat of een kroket?” zei de snackbarhouder Henk, zonder echt te kijken wie het was. Daarop volgde een lieflijk stemmetje: „Pardon meneer, heb ik het goed begrepen dat u mij wilde aanspreken?”

Henk draaide zich met een ruk om en zei: ,,Wat motje,” maar hij had er al gauw spijt van, want daar stond een prachtige vrouw. Met een diamanten jurk, voor zover hij dat kon weten. Hij had er kennelijk geen verstand van, want het waren parels die erop geborduurd waren. Henk, die in de gaten had dat het een zeer edel iemand was, toomde zijn taal maar wat in. „Heeft u trek in een lekker hapje?” zei hij met nog steeds zijn accent. „Maar meneer, ik zou niet weten wat u mij wilt toereiken,” zei ze weer…

Na het voorlezen en spelen van enkele verhalen worden de verbazingszinnen eruit gehaald en op het bord geschreven:

Nou ja, wat is dat nou!
Hoe is het mogelijk!
Waar kom jij nou vandaan?

Tenslotte worden wenszinnen en bewonderings- en verbazingszinnen met elkaar vergeleken. Op het bord staan enkele voorbeelden:

Wat straalt de Poolster helder!
In een warm land zou ik willen zijn.
Wat kun jij mooi schrijven!
Had ik hem maar nooit ontmoet.
Een lekker ijsje, daar heb ik trek in.

Enkele kinderen lezen deze zinnen voor. Om de verschillen duidelijk te krijgen, moeten zij proberen met een zo overdreven mogelijke toon te lezen. Nu blijkt dat bij de bewonderingszinnen op verschillende plaatsen de klemtoon mogelijk is. Bij de wenszinnen is dit niet het geval. Ook worden de kinderen op de woordvolgorde gewezen. Zij zien dat bij deze zinnen de persoonsvorm voor het onderwerp staat, dit in tegenstelling tot de woordvolgorde van de meeste zinnen in de aantonende wijs.

Dichters — een tweede periode
De lerares vertelt hoe persoonlijk gedichten zijn. Wat de een in vervoering brengt, spreekt de ander totaal niet aan.

De kinderen horen enkele zeer verschillende gedichten:
Onweer in het moeras van Vasalis,
Nooit zal ik je vergeten van Bert Schierbeek,
Ik wilde dat ik leven kon zoals de bomen leven van Roel Houwink
en een paar limericks, dus droevige, vrolijke, rijmende en niet rijmende gedichten. Er wordt aandachtig geluisterd, er is nog geen aanleiding tot vragen of commentaar, ze kijken voorlopig even de kat uit de boom.

Waaraan denk je als je het woord vakantie hoort? Uit de klas klinkt: Vrij… zon… zee… tent… fietsen… Schrijf nu op welke woorden in je opkomen wanneer je aan storm denkt. Alle kinderen schrijven ijverig hun eigen woorden op. Enkelen lezen daarna hun rijtje voor. Met deze woorden moeten ze nu korte zinnen maken. Tot hun verbazing ontstaan zo vanzelf al teksten die op een gedichtje lijken:

Waaiende winden
loeiende orkanen
wolken drijven weg
regen klettert neer
stuivend zand
luisterende bomen
gieren en huilen
golven klotsen
overboord

Dat het zo gemakkelijk gaat… Mogen we er nog een maken?

Op bord staat het gedicht Marc groet ’s morgens de dingen van Paul van Ostaijen.
Sommigen vinden het maar een gek gedicht. Wanneer ze echter bezig zijn aan zo’n gedicht over hun eigen huis, komen ze snel terug op hun mening.

Ons huis

Daag bed tot vanavond
Oooh trapje, laat je me weer struikelen
hallo trui hier ben ik weer
Heeeee kaas blijf je wel op mijn boterham?
Zo tandpasta, jij wil graag uit je tube
Hoi w.c. mag ik nog even op je schoot zitten!

Doris groet ’s morgens de dingen

Och gordijnen, worden jullie gepest
door het licht?
Rüttss… open gordijn.
Dag licht, kom toch binnen.
Raam, maak je raam
toch open voor het licht.
Goeiemorgen zon, heb je goed
geslapen in zee?
Of was je aan de andere kant
van deze bol?

De volgende opdracht luidt: leef je in een voorwerp in — een pen, een vloermat, de tafel, een zakdoek. Wat gebeurt er met je, wat voel je, wat zie je, wie ontmoet je? Om de kinderen op gang te helpen, leest de lerares Een boom van Van Schagen, Tijd van Vasalis en een paar gedichten van kinderen uit Gedichten maken op school voor. Zij hoeft niets meer te zeggen, de helft is al begonnen tijdens het voorlezen. De een wijdt zijn gedicht aan de bordenwisser, de ander aan een knikker in een broekzak, de derde schrijft over het lot van een propje kauwgom. Klaas schrijft over een steen:

Ik, steen
Losgerukt, losgespoeld uit massief rotsgebergte,
Rolde ik diep naar benee.
Slijtend, botsend door de beek,
Korter, kleiner wordend door het water
Kwam ik and’re stenen tegen.
Rood, geel, bruin, zwart waren zij,
Maar vriendelijk.
Toen kwam ik in de rivier,
Wild stromend, bruisend, bulderend
Werd ik gesleten tot fijn zacht zand,
Reizend van strand tot strand.

De kinderen luisteren naar vier gedichten. Elk gaat over een ander jaargetijde: ’t Mezennest van Guido Gezelle, Herfstlandschap van Paul van Ostaijen, Schaatsenrijden van Clara Eggink en Liggen in de zon van Hans Andreus. Hierna volgt een gesprek over wat nu zo karakteristiek is voor ieder seizoen.

Vervolgens maken de kinderen zelf een gedicht over hun lievelingsseizoen.

Zomer

Een boer is aan het werk
Hij veegt zijn gezicht af
met een grote rode zakdoek
Het is warm hij zucht
Geen druppel water
Geen plasje water
Alleen de zon zo heet als die is
Geen vogel te horen
Geen dier te zien
Alleen de stilte
de eeuwige stilte

Herfst in Nederland

Overal waar je loopt
ligt een tapijt van dode bladeren.
Bij iedere stap kraakt
en krakt het onder je voeten.
De bomen zijn geel, bruin en rood.
Een Sjah uit Iran zit verkleumd op een bankje,
Terwijl een ijsbeer uit de Noordpool
puffend van de hitte
naar Artis wordt gebracht.
Ondertussen koop je zelf
bij C&A
wat winterkleren.
Je moeder zanikt
dat het zo ’n vies weer is,
terwijl de radio tettert
dat het KNMI in de Bilt
meer buien verwacht.
Ach ja, het gaat wel weer voorbij.

Nu de kinderen al een beetje gewend zijn aan het dichten, moeten zij proberen strenger voor zichzelf te zijn en niet te snel tevreden met hetgeen ze maken. Te lange zinnen kunnen ingekrompen worden.

Sommige kinderen willen per se dat de woorden rijmen. Ze gebruiken dan veel woorden die gekozen zijn om het rijm en niet omdat ze in de sfeer van het gedicht passen. Een jongen die voor deze gelegenheid een rijmwoordenboek heeft meegebracht, is er niet van te overtuigen dat hij zijn boekje beter niet kan gebruiken. Hij is doof voor alle argumenten en biedt het ieder grootmoedig aan om er handige oplossingen in op te zoeken. Hoewel zijn werk enkele speelse elementen bevat, lijkt het toch een beetje op een sinterklaasgedicht:

Zomer

Onder de lekker warme zon
lig ik te bakken op mijn balkon.
Zwaluwen zwieren door de lucht,
de kater naast mij spint en zucht.

Een bolletje ijs ter waarde van een piek
ligt te kwijnen in het portiek.
Kon het maar altijd zo zijn,
want ik vind de zomer fijn.

De gedichtenbundels die door de kinderen en door de lerares mee naar school zijn genomen, vinden gretig aftrek. De kinderen bladeren erin en kiezen een gedicht uit om in hun schrift over te schrijven. Annie M. G. Schmidt, Vasalis en Trijntje Fop blijken favoriet te zijn.

Tijdens deze periode zijn veel gedichten gemaakt. Soms zelfs twee of drie bij dezelfde opdracht. Het blijkt mogelijk over talloze onderwerpen te dichten: een thematische foto (eenzaamheid, verzet, vreugde), een familiekiekje, een zondagse stemming, een kleur.

Ieder kiest nu zijn beste gedicht uit, schrijft het op en maakt er een tekening bij. De copieermachine draait op volle toeren en aan het einde van de periode zit in iedere tas de gedichtenbundel van de zevende klas.

Enkele gedichten hieruit:

Een limerick

De oudere Tsjong Hing uit Shanghai
zei tegen zijn vrouw eens: ,,Goodbye”.
Hij greep zijn koffer
en bracht een offer
aan de heilige god uit Tsjing Wai.

Rood

Gloed van het vuur
Fel en vechtlustig
Voor de vrijheid strijdend
Vlammen op de vlag
Met ’t geweer vooruit!
Weg met de regering!!!
Bloedend slepend
Door het veld, de vlag in top.
Het leger bezwijkt!
Vrijheid zal zegevieren!!

Een naamdicht

Dodelijke stilte
Op het water zo spiegelend
Rusteloos zwenkend kijken zeemeeuwen
naar hun tegenbeeld
Oersierlijk staat daar een treurwilg
Treurend over het land gebogen
Hemelsblauw steekt er helder tegen af
Een nachtegaal verbreekt de stilte
Een verlossend lied.

Grammatica
Ondertussen is elke dag zo’n twintig minuten besteed aan samengestelde zinnen en zinsontleding. Op het bord komen enkele zinnen te staan:

Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.
Wie twee hazen jaagt, vangt geen enkele.
Wie de pit wil hebben, moet eerst de noot kraken.

Elke zin bestaat eigenlijk uit twee zinnen. Een daarvan is de vervanging van het onderwerp. Er zou net zo goed kunnen staan: hij moet op de blaren zitten. Zo leren de kinderen wat een onderwerpzin is. Zij bedenken ook zelf zegswijzen waarin een onderwerpzin voorkomt. Later maken zij eigen zinnen die een onderwerpzin bevatten. Deze bijzinnen worden enkele dagen geoefend. Bij het opschrijven onderstrepen de kinderen de hoofdzinnen met rood en bijzinnen met blauw.

Aan de hand van een eerder verteld verhaal, De gevangene in de Kaukasus van Tolstoj, worden voorbeeldzinnen gemaakt om de bijzinnen te oefenen.

Het is belangrijk dat de zinnen een zekere stijl hebben, zodat de kinderen daaraan hun taalgevoel kunnen ontwikkelen.

Zjilin was officier bij de Kozakken.
Zjilin kreeg verlof om zijn oude moeder te bezoeken.

Van deze zinnen kun je twee samengestelde zinnen maken:

Zjilin, die officier bij de Kozakken was, kreeg verlof om zijn oude moeder te bezoeken.

Zjilin, die verlof kreeg om zijn oude moeder te bezoeken, was officier bij de Kozakken.

Hetgeen de nadruk krijgt, staat in de hoofdzin en is hier onderstreept. Vervolgens maken de kinderen zelf zinnen met een bijvoegelijke bijzin of vullen zij zinnen aan met een of meer bijvoeglijke bijzinnen:

Het meisje redde hem het leven.

De klas oefent tevens bijvoeglijke bijzinnen bij het lijdend voorwerp:
De officier ontmoette onderweg de dikke Kostylin, die besloot met hem verder te trekken.

en bij het meewerkend voorwerp:
Hij gaf het Tartarenmeisje, dat een ketting van Russische kopeken droeg, de waterkom terug.

Ook de bijwoordelijke bijzinnen komen aan bod.

Van tijd:
Zodra Kostylin de Tartaren zag, vloog hij als een pijl uit de boog in de richting van de vesting.

Van plaats:
Waar de mannen gevangen zaten, kwam geen straaltje zonlicht binnen. 

Van hoedanigheid:
Het meisje ging zo diep op haar hurken zitten, dat haar knieën boven haar schouders uitstaken.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

7e klas: alle artikelen

Nederlands: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:7e klas

.

469-435

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 6e klas (1)

.

taal klas 6 1

Is dat echt gebeurd of niet? vraagt de zesdeklasser als de juf net een verhaal verteld heeft. Als zij bevestigend antwoordt, zet hij een serieus gezicht en laat de inhoud nog eens goed tot zich doordringen. Het verhaal is nu sterk in waarde gestegen.

Sommige zesdeklassers groeien je al bijna boven het hoofd. Wel lang, maar tot hun verdriet nog dun en houterig: Pippi Langkousbenen op grote voeten. Met armen en handen is het al net zo gesteld. Oh die grote handen, zo onwennig. Waar moet je ze laten? De niet modebewuste jongens lopen door hun uitschietende groei vaak met een te korte lange broek. Bij sommige meisjes verschijnen hier en daar al kleine pukkeltjes op voorhoofd en neus. Medelijden en heimelijke spot van de klasgenoten zijn genoeg om de onzekerheid te laten zegevieren.

Strenge, maar rechtvaardige wetten wenst de zesde klas. Soms krijgt de juf commentaar op haar tolerantie: Dat je hem daar geen straf voor geeft! Als de juf daarop vraagt: Wat zou jij dan voor straf geven als jij de juf was?, dan krijgt zij de meest overdreven straffen te horen, zoals: Een héél boek overschrijven. Onderling zijn ze niet erg mild voor elkaar.

De vang- en bevrijdspelletjes die de kinderen altijd met veel pret buiten speelden, moeten plaats maken voor serieuze sporten. Het is nu niet meer de lol, maar de prestatie die gaat tellen. Ze kunnen niet genoeg krijgen van slagbal of kastie. Met dezelfde inzet stellen zij bijvoorbeeld een klasse- of clubkrant samen. Iedereen moet daar zijn bijdrage voor leveren. Lange discussies worden gevoerd om nieuwe ideeën te bespreken en het werk te verdelen. Of zij richten een kookclub op waarbij jongens en meisjes om de beurt bij elkaar gaan koken. Zelfgemaakte bloemkool smaakt nu ineens, vooral zonder ouders, veel lekkerder.

De twaalfjarigen willen niets liever dan met elkaar en zonder het wakend oog van de volwassene hun gang gaan, of het nu werken betreft of andere activiteiten.

Uit de leerstof in de zesde klas
Werklust, dat typeert de twaalfjarige. Hij wil aan de slag! Geen onzin meer, maar meteen iets doen.

Een zesdeklasser weet uitstekend wat hij kan en is goed in staat om in groepjes te werken. Wanneer in deze klas een groep op moeilijkheden stuit, zal deze net zolang doorgaan en oplossingen zoeken tot het voor elkaar is. Ze beschouwen hun gekozen werk als een echte klus en ze zullen deze klaren, ook al moeten de kinderen daarvoor in het speelkwartier of na schooltijd doorgaan.

De afdeling „Studieboeken” van de Openbare Bibliotheek wordt ontdekt en wekelijks met grote nieuwsgierigheid afgestroopt. De geschiedenis en de vertelstof vallen dit jaar samen. De twee periodes gaan over Rome en over de Middeleeuwen.

Kinderen op die leeftijd vertonen, in het klein natuurlijk, een aantal overeenkomsten met de robuuste en werklustige Romeinen. Daardoor kunnen zij onbewust veel van zichzelf herkennen in de verhalen.

De Romeinen waren een hard werkend en ondernemend volk: wegen, bruggen en aquaducten werden aangelegd. De resten daarvan, die we in deze tijd nog kunnen vinden, getuigen van oersterke kwaliteit. Zij hadden wel minder fantasie en gevoel voor schoonheid dan de Grieken, hun werk was meer rechttoe, rechtaan en functioneel. Ook hadden de Romeinen minder ontzag voor hun goden dan de Grieken. In de latere Romeinse tijd gingen sommige keizers zelfs zo ver, dat zij zichzelf tot god verhieven.

De expansiedrang nam buitengewoon grote vormen aan. In het leger heerste een perfecte organisatie en de soldaten onderwierpen zich met overgave aan de algemene discipline. De wetten waren streng, maar voorbeeldig. Alle Romeinse burgers kregen gelijke rechten. In de decadente tijd werd de keizer steeds meedogenlozer. Bloedige gladiatoren- en beestengevechten moesten tot het bittere einde worden uitgevochten tot vermaak van het publiek.

Van de Christenvervolging in de Romeinse tijd volgen we de draad naar de Middeleeuwen. Het is voor de kinderen een groots beleven, dat de Christenen levend onder het Romeinse juk vandaan zijn gekomen en vooral dat de Christenen pal bleven staan voor hun geloof.

In de zesde klas komen ook de Islam en het leven van Mohammed ter sprake.

Het hof van Karei de Grote steekt schril af tegen het schitterende hof van zijn Arabische tijdgenoot Harun al Raschid, een hoogtepunt van verfijnde cultuur en wijsheid, zoals de geschiedenis zelden heeft gekend.

Bij het rekenen is het van belang dat er opgaven uit het praktische leven komen. In de zesde klas staan renteberekeningen centraal. De opgaven worden gezamenlijk uit het hoofd uitgerekend. Leerkracht en kinderen vinden samen de renteformule uit. Net als bij grammatica: een lange weg van realiteit naar abstractie.

In de aardrijkskundeperiode worden de klimaten en de vegetaties over de gehele wereld behandeld en daaraan gekoppeld het verband met de stand van de hemellichamen. We volgen de loop van grote rivieren door de gebergten en zien welke invloed rivieren en bergen op elkaar uitoefenen. Door verschillende landschappen te boetseren, te schilderen en te tekenen worden ze niet alleen aanschouwelijk gemaakt, maar in zekere zin ook door de kinderen herschapen. Graniet- en krijtgebergten, waaruit alle gesteenten van de aarde afkomstig zijn, komen uitgebreid terug in de mineralogieperiode.

Voor natuurkunde worden eenvoudige voorwerpen uit de gebieden licht, geluid, warmte, magnetisme en elektriciteit gekozen. Het is het begin van een concentrische opbouw. In de zesde klas is het nog een onderzoekend spel met prisma’s, muziekinstrumenten, magneten, de Van der Graaf generator, enzovoorts. De kinderen moeten spelenderwijs kunnen ontdekken en enthousiast worden voor de natuurkundige verschijnselen, zodat ze een klankbodem voor dit vak krijgen. Het gaat niet om de uitleg of de verklaringen van die verschijnselen. Er zou een sfeer van verwondering moeten heersen, van doe, kijk en verbaas je.

Ook in de meetkundeperiode gaat het om de aanleg van een gevoelsrelatie met het vak. [1] Door cirkelverdelingen of verschuivingen van driehoeken ten opzichte van elkaar kunnen de mooiste figuren ontstaan. Wanneer deze uitwaaierende vormen kleur krijgen, worden het schilderijen, waard om in een museum te worden opgehangen. De kinderen leren omgaan met de instrumenten die om fijne motoriek vragen. Elke minimale afwijking van lijn of cirkel kan voor de gehele figuur desastreuze gevolgen hebben.

Over het Nederlands in de zesde klas

Spreken
Om de spraak beweeglijk te houden en om bij slordig sprekende kinderen de spraak meer in het bewustzijn te brengen, doet de leerkracht allerlei gekke, maar wel heel moeilijke spraakoefeningen met ze:

Bram, de brave broer van breiende brouwende Brielse Brechtje, bracht in zijn bronsbruin broekje een bril en een bros gebroken bruin brood zonder brommen of brullen over de brede brug te Breukelen.

Pak, hak kwiek, breek krakend dikke eiken stokken.

De volgende oefeningen moeten steeds sneller worden uitgesproken en zijn een uitdaging voor het concentratievermogen:

Knaap, de knappe kapper, knipt en kapt knap, maar de knecht van Knaap, de knappe kapper, knipt en kapt knapper dan Knaap, de knappe kapper, knippen en kappen kan.

Professor Pruttelaar pruttelt prietpraat uit protest.

Grammatica
Modaliteit. Omdat tussen het twaalfde en veertiende jaar allerlei vage wensen en verlangens steeds vaker een loopje met het kind nemen, is het belangrijk dat het de realiteit en het gewenste leert te scheiden. Met stelopdrachten rondom wens en mogelijkheid leert het onderscheid te maken tussen hetgeen werkelijk is en hetgeen wenselijk of mogelijk is.

Maak een kort opstelletje onder de titel:

Mijn onvervulbare wens
Had ik dat maar nooit gedaan

De opdrachten kunnen ook minder persoonlijk gericht zijn:

Als de zon niet meer onderging…

Voor de kinderen is de inhoud van de stukjes natuurlijk het belangrijkste. Toch heeft de leerkracht ook een ander doel voor ogen: hij laat de klas ontdekken dat de werkwoordsvormen in de onvoltooid of voltooid verleden tijd staan. Dit merkwaardige tijdsgebruik geeft uitdrukking aan het feit dat het niet over de werkelijkheid gaat, maar over onwerkelijkheid.

We kunnen nu de aanvoegende wijs onder de aandacht brengen:

Lang leve de jubilaris! Men neme twaalf eieren.

Deze spaarzaam gebruikte uitdrukkingen op zichzelf maken geen enkele indruk op de kinderen. Om ze met de aanvoegende wijs te leren omgaan, kunnen zij een ouderwets recept van hun grootmoeder overschrijven of bij wijze van grap een handleiding maken over het omgaan met zichzelf of een bevriende klasgenoot.

Het redekundig ontleden van de zinnen
Rond het twaalfde jaar worden de kinderen rijp voor het bevatten van abstracte begrippen. Pas nu wordt de eigenlijke leer van de zinsbouw toegankelijk voor de meeste kinderen. Als je er eerder mee begint, plaag je de kinderen er alleen maar mee.

Ter introductie zou je de zinsbouw kunnen vergelijken met onze lichaamsbouw. Zoals we bij de mens van lichaamsdelen spreken, de romp, het hoofd, de armen en de benen, zo spreken we bij de zin van zinsdelen.

Eerst leren zij het gezegde te vinden. Het is dat deel van de zin dat een gebeuren, een daad of een toestand aangeeft:

Het paard steigert.

De bron waaruit het stamt of degene die het teweeg brengt, noemen we het onderwerp (Wie of wat doet het?). In bovenstaand voorbeeld het paard. De kinderen bedenken allerlei zinnen.

Wanneer zij de zinnen ook in de vragende vorm zetten, zien zij dat de plaats van onderwerp en gezegde veranderlijk is:

De keizer spreekt. Spreekt de keizer?

Aan de zin Hannibal verzint… ontbreekt iets. We moeten het aanvullen: Hannibal verzint een list.

Het deel dat de handeling van het onderwerp ondergaat, heet lijdend voorwerp. Het meewerkend voorwerp geeft aan, tot wie het onderwerp zich richt:

De dictator beloofde de tweelingbroers een tempel te bouwen.

De bijwoordelijke bepaling laat zien op welke manier het gaat, hoe het in tijd en ruimte staat, wat de oorzaak of het doel is. De kinderen moeten nu loskomen van de woorden en de abstracte functies ontdekken. Daartoe gebruiken zij gemakshalve eenvoudige tekens:

taal klas 6 2

taal klas 6 3

 

[2]

Stelopdrachten.
De kinderen zijn nu in staat om boven het alledaagse taalgebruik uit te stijgen. Het omgaan met taal, die mooier en moeilijker is, oefenen zij in gesprekken, in brieven, in opstellen en in navertellingen.

Beknoptheid, zakelijkheid en nauwkeurigheid worden bij het schrijven van zakelijke brieven geëist. Deze kwaliteiten kunnen ook ontwikkeld worden met het exact beschrijven van meetkundige constructies en natuurkundige proeven.

Ontleden: een brandende kwestie — een eerste periode
Wanneer de kinderen het lokaal binnenkomen, zien zij tot hun verbazing op elke bank een steen en een blaadje papier liggen. „Hè, de mineralogieperiode is toch afgelopen. We zouden vandaag toch met taal beginnen?” De opdracht die ze krijgen vormt de overgang van de mineralogieperiode naar de taalperiode:

Beschrijf uitvoerig en precies hoe jouw mineraal eruit ziet. Je beschrijving moet minstens een kant van je blad vullen.

De ruwe stukken rozenkwarts, opaal, amethist, agaat, toermalijn en bergkristal worden aan onderzoekende blikken onderworpen. De leraar heeft voor ieder kind een mineraal uitgezocht dat het aankan. Een heel goede waarnemer bijt zijn tanden nog net niet stuk aan een brokje pyriet, terwijl een minder nauwgezet kijker al een hele kluif heeft aan een stukje toermalijn. Wanneer enkele kinderen hun beschrijvingen voorlezen, let de klas goed op dat al het beschrevene op werkelijkheid berust. Zinnen als Ik vind dat… of Mijn steen geeft me het gevoel… worden afgekeurd.

Ter introductie van het redekundig ontleden vertelt de leraar een verhaal dat de komende dagen steeds een vervolg zal hebben. Het gaat over een ondergesneeuwd dorp, waar bij een boerderij brand uitbreekt. Het vrijwilligerskorps van de brandweer wordt gewaarschuwd. Iedere brandweerman moet iets doen voor hij naar de brand kan:

De slager gooit zijn mes neer.
De schoorsteenveger bergt zijn bezem op.
De sigarenboer sluit zijn winkel.
De bakker rukt zijn muts af.
De schoolmeester stuurt de kinderen weg.

Wat de persoonsvorm en het gezegde is, wisten de kinderen al. Nu vraagt de leraar: Wie spelen in deze zinnen eigenlijk de hoofdrol?
De kinderen maken een opsomming: de slager, de schoorsteenveger, de sigarenboer, de bakker, de schoolmeester. Zo leren zij wat het onderwerp is.

De volgende dag komt naar aanleiding van dezelfde zinnen het lijdend voorwerp aan bod.

Nadat eerst klassikaal geoefend is, leert de klas de volgende tekens:

taal klas 6 4voor het gezegde,

taal klas 6 5voor het onderwerp

en  taal klas 6 6voor het lijdend voorwerp.

Wanneer zij het erover hebben waarom voor het lijdend voorwerp een boogje wordt getekend, gaat iemand een licht op:

Als je in die boog zit, kun je er niet meer uit. Je kunt dan zelf niets doen, alleen maar afwachten wat een ander met je doet.

Nu moeten de kinderen zelf de oefenzinnen die ze gedicteerd krijgen, schriftelijk ontleden. De zinnen komen uit Romeinse verhalen. Sommige kinderen zuchten: Alwéér die Romeinen…

Wanneer de klas geen moeite meer heeft met het onderscheiden van het gezegde, het onderwerp en het lijdend voorwerp, wordt er weer een stap verder gezet.

Om het meewerkend-voorwerpteken taal klas 6 7
voor de kinderen zinvol te maken, doet de klas buiten een estafette met twee groepen. De lopers van beide groepen rennen op de heenweg aan de buitenkant en op de terugweg aan de binnenkant. Bij de bocht waar de terugweg begint, moeten de twee lopers uitkijken dat er geen botsing ontstaat. Ze moeten bij de bocht dus meewerken.
taal klas 6 8

Weer terug in de klas vervolgt de leraar zijn verhaal: de rivier bij de brandende
boerderij blijkt dichtgevroren te zijn. De brandweerlieden moeten eerst een gat in het ijs hakken, voordat de pomp zijn werk kan doen:

De schoolmeester geeft de slager een bijl.
De bakker geeft de smid een pomp.
De sigarenboer geeft de schoorsteenveger de brandslang door.

Bij de behandeling van het meewerkend voorwerp betrekt de leraar de estafette bij de uitleg: bij de bocht moest je meewerken, anders zou het fout lopen. Wanneer hij het meewerkend-voorwerpteken op het bord laat zien, roept een van de kinderen: Een edelman die iemand met zijn pluimhoed begroet, maakt net zo’n gebaar.

Nu is het beeld rond. Het teken laat zien dat je een beweging naar iemand toe maakt.

De oefenzinnen die de kinderen moeten opschrijven, maken toespelingen op gebeurtenissen in de klas:

Sommige jongens sturen hun vriendinnen briefjes.
Els geeft Piet een hap zoete chocolade.

Met hun ogen geven zij de leraar te verstaan dat zij doorhebben dat hij hen een beetje in de maling neemt. Na elke zin zijn ze al nieuwsgierig naar de volgende. Spannend vinden ze dit, vooral omdat zij deze toespelingen net niet kunnen ontzenuwen.

Bij de brandende boerderij is inmiddels ten behoeve van de bijwoordelijke bepaling van plaats een reporter van de plaatselijke krant gearriveerd. Hij kijkt goed uit zijn ogen, want hij moet de brand zo precies mogelijk beschrijven. In zijn notitieboekje krabbelt hij onder andere:

De vlammen lekken langs de dakgoot.
De knecht van de boerin valt in de greppel.
Lange ijspegels hangen aan de zwartgeblakerde vensters.

Pas wanneer de kinderen de geleerde zinsdelen goed kunnen ontleden, worden de grammaticaregels in het schrift geschreven.

We gaan terug naar de Romeinse tijd. In de geschiedenisperiode heeft de klas geleerd over de veroveringen, de heerschappij en de dood van Julius Caesar. Op de dag van de begrafenis spreekt Brutus, een van Caesars vrienden, maar tevens een der samenzweerders, op het Forum de terneergeslagen burgers toe:

Romeinen, burgers, vrienden, hoort mij aan bij het bepleiten van mijn zaak, en weest stil, opdat gij moogt horen. Indien er iemand in deze vergadering is, die een innig vriend van Caesar was, tot hem zeg ik, dat Brutus’ liefde tot Caesar niet minder was dan de zijne. En als die vriend dan vraagt, waarom Brutus tegen Caesar opstond, dan is mijn antwoord: Niet omdat ik Caesar minder liefhad, maar omdat ik Rome meer liefhad.

Dit is een gedeelte van de door Shakespeare geschreven rede. De kinderen hebben deze toespraak en het wederwoord van Marcus Antonius tijdens de taalperiode voorgedragen. In het begin klinken alle stemmen tegelijk, later krijgen groepjes afwisselend de beurt. Tussendoor brengen ook enkele kinderen een kort stukje alleen ten gehore.

Ook op andere wijze wordt de Romeinse welsprekendheid ten voorbeeld gesteld. Hiervoor gaan we nog verder terug in de tijd, namelijk naar Hannibals trektochten. Een jongen en een meisje krijgen de opdracht zich thuis voor te bereiden op de rol van een Romeins senator. De Carthaagse Hannibal is net over de Alpen gekomen en een van de twee senatoren moet een „toespraak” houden waarin hij de senaat oproept Hannibal met het leger tot staan te brengen. Hij moet een zelfbedachte tactiek onthullen. De tweede senator moet thuis voorbereiden waarom de legers juist niet naar het noorden kunnen, bijvoorbeeld omdat de schatkist bijna leeg is. De beide „heren” moeten morgen hun standpunt goed kunnen beargumenteren. Voor de senaat bijeenkomt, wordt van de tafels en stoelen een tribune gebouwd waarop de klas als toehorende senaat plaats neemt. De twee sprekers staan in het midden. Zij hebben een witte doek als een chiton om hun schouders geknoopt. Van te voren is afgesproken dat zij elkaar en de senaat met uiterste beleefdheid zullen toespreken. Wanneer de eerste senator zijn pleidooi inzet, is het stil op de tribune. Met onzekere stem ontvouwt hij zijn aanvalsplannen…

Soortgelijke taferelen spelen zich ook later in de periode af. Nieuwe senatoren, zowel mannelijke als vrouwelijke, die zich van te voren in andere problemen hebben verdiept, voeren met steeds meer gemak het woord. Sommigen blijken hun publiek handig te kunnen bespelen, zodat al naar gelang gejuich of gejoel van de tribune opklinkt.

Het Finse epos „Kalevala” — een tweede periode
De klas zal een schimmenspel maken van het eeuwenoude Finse epos Kalevala dat de leraar geruime tijd voor deze periode verteld heeft.

Bij kinderen rond het twaalfde jaar gaat de kinderlijke fantasie geleidelijk aan voor een groot deel plaats maken voor een meer verstandelijke, volwassen benadering. Om de kinderen te laten ervaren dat verhalen, rijk aan wonderlijke en fantasieprikkelende beelden niet alleen in de kinderwereld thuishoren, wordt voor de Kalevala gekozen.

Het poëtische begin van het verhaal, dat zich voor en tijdens het ontstaan van de wereld afspeelt, hebben ze nog maar vaag in herinnering. Daarom vertelt de leraar opnieuw elke dag een gedeelte, waarover de klas gedichten maakt. Van ieder kind worden mooiste regels uitgezocht en deze vormen samengevoegd de inleiding in dichtvorm:

Heel alleen in de wind,
door mistvlagen verblind,
verblijft een eenzaam kind.
Ilmatar leefde in de lucht,
zwevend op een zucht.

IJzig koud, groot en stil,
heel alleen,
tussen nevel en mist.
Lichtblauw, grijsblauw,
alle kleuren, grauw en licht.

Oneindige luchten,
diepe zuchten van de wind.
Heel alleen, ach, zo stil.
Stil verlangt zij naar de golven.

Wanneer Vainamöinen, de zoon van deze eenzame Ilmatar, die met zijn prachtige zangstem over wonderbaarlijke krachten blijkt te beschikken, een wijs man is geworden, komt er meer handeling in het verhaal: de onstuimige jongeman Joukahainen daagt de oude Vainamöinen op brutale wijze uit hun wijsheid en zangkunst te meten. Joukahainen mag beginnen: de jongen verkondigt echter zoveel prietpraat als wijsheid en hij zingt zo lelijk, dat Vainamöinen zijn geduld verliest en zonder meer begint te zingen. Zijn stem doet de besneeuwde takken van de dennebomen trillen, maar dat niet alleen… Verschrikt moet Joukahainen constateren dat de grond onder zijn voeten moerassig is geworden en dat hij daarin langzaam maar zeker wegzakt. Hij bidt en smeekt Vainamöinen hem te sparen. Deze is echter niet te vermurwen. De arme jongen doet de mooiste beloften: twee boten, twee wonderbaarlijke bogen, een muts vol goud, de hele hooioogst, maar de meesterzanger slaat ze allemaal af… todat Joukahainen zijn zuster als bruid belooft.

In groepjes gaat de klas uiteen om dit gedeelte van het verhaal al improviserend te spelen. Wanneer zij het later aan elkaar laten zien, blijkt ieder spel wel iets aantrekkelijks te hebben: een leuk gevonden uitspraak, een gezichtsuitdrukking of een karakteristieke beweging.
Na het spel van elke groep worden de beste momenten er uitgelicht, waarna ieder zijn eigen tekst schrijft van het gespeelde gedeelte:

(wanneer Joukahainen in wilde vaart op zijn slede door het besneeuwde landschap suist, komt hij in botsing met de slede van een oude man):

Vainamöinen:
Kun je niet uitkijken, onbesuisde jongeling.
Je weet toch dat de ouderen voorgaan.

Joukahainen:
Nou, bij ons ligt dat niet aan de leeftijd, maar bij ons gaat de wijste voor.
En dat ben ik!

Vainamöinen:
Zo, wat weet jij dan zoal?

Joukahainen:
Ik weet dat het licht wordt als de zon opkomt
en als de zon weer ondergaat, dan wordt het donker.
Ik weet ook dat de vissen in het water zwemmen en dat snoeken graag baarzen eten.

Vainamöinen:   En wat weet je nog meer?

Joukahainen:
Ik weet dat gevleugelden kunnen vliegen
en dat de zeerobben van ijsschotsen houden.

Vainamöinen:
Maar weet je dan geen echt belangrijke dingen?

Na een week op deze wijze gewerkt te hebben, geven sommige kinderen te kennen geen zin meer in het schrijven te hebben. De te trage werkwijze moet veranderen. Ieder kind kiest voor het werk waartoe het zich het meest voelt aangetrokken: tekst schrijven, muziek maken, decors schilderen, rekwisieten maken of toneelspelen. Alle verloren hoeken en gaten in de school worden bezet en dagelijks komen vrienden en ouders te hulp.

Steeds vertelt de leraar een kort deel van het verhaal. Daarna gaat iedereen aan het werk om drie kwartier later in de klas aan de andere groepen te laten zien wat ze gedaan hebben. De muziekgroep maakt met behulp van een piano, een gitaar, een dwarsfluit, pauken, xylofoon en triangels dreigende geluiden, vrolijke bruiloftsmuziek, ijle luchtklanken en Vainamöinens krachtige liederen.

De eerste keren heeft vooral deze groep een goede begeleiding nodig, maar later kunnen de muziekkinderen het ook vaak alleen af. De manier waarop zij hun zelfbedachte muziek noteren, is voor hen heel helder, maar voor anderen geheimschrift. De schilders maken met waterverf decors op schilderpapier: de lucht, een rustig kabbelende zee, huizenhoge golven, het interieur van een boshut, een besneeuwd dennenbos, een smederij, een berglandschap bij maanlicht. Van deze kleine schilderingen worden dia’s gemaakt. Wanneer de diaprojector deze op een grote spiegel projecteert, wordt het beeld levensgroot weerkaatst op het scherm. Als de kinderen achter dit scherm spelen, bewegen hun schimmen zich in de kleurige decors. Voor de speler is het een veilig gevoel om een scherm tussen zichzelf en de toeschouwers te hebben. Doordat ze niet oog in oog met het publiek hoeven te staan, schudden ze gemakkelijk alle verlegenheid van zich af. Toch heeft ook deze speelwijze zijn speciale eisen: de spelers moeten goed gearticuleerd spreken omdat het scherm veel geluid tegenhoudt, zij moeten zich voortdurend en profile laten zien en zich steeds bewust zijn van iedere beweging die zij maken. Elk nerveus handengewapper of gewriemel wordt op het scherm een lachwekkend gebaar.

De zeer vindingrijke rekwisietengroep die zich, door James-Bondfilms geïnspireerd, liever de groep van de speciale effecten noemt, maakt van het karton van lege dozen platte sleden, een roeiboot, golven die zacht, maar ook wild kunnen bewegen, zwaarden en een ploeg. Een vishengel laat aan zijn onzichtbare lijn een houten eend door de lucht klapwieken. Boterhampapier voor de lens veroorzaakt dichte mist op zee.

De tekstschrijvers helpen als zij klaar zijn met hun werk de spelers met het instuderen van hun rol en de decorschilders maken aankondigingen van het schimmenspel om in de school op te hangen.

Natuurlijk loopt niet alles zo glad als hier lijkt. Integendeel, soms heeft zelfs de leraar spijt van de hele onderneming. Onderlinge ruzietjes in de groepen, ik-doe-het-niet-meer gemok, rekwisieten die alsmaar kapot gaan, collega’s die uit hun klas komen met het vriendelijke maar besliste verzoek of het niet wat zachter of ergens anders kan, een zaal die zich niet zomaar laat verduisteren en nog veel meer brengt de begeleiders vaak tot wanhoop.

Maar wanneer op een zonnige zomeravond de klas het stuk voor ouders en familieleden opvoert, is al het leed vergeten. Alle kinderen zijn vol verwachting en gespannen. Bij de start gaat echter al iets mis: gegrinnik in de zaal, dus paniek achter het scherm! Welke gek heeft aan de projector gezeten? De decors wisselen om de drie seconden, wat niet de bedoeling was. Wanneer de automatische bedieningsknop op „uit” is gezet, kalmeren de gemoederen snel. En dan gebeurt het wonder dat ieder die met kinderen toneel speelt, wel eens meemaakt.

Het is net of het spel het brandpunt van de wereld is geworden: alle krachten zijn gebundeld in de gebeurtenissen op, rond en onder de planken.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] M.i. niet alleen een ‘gevoels’ relatie. Op deze leeftijd ontstaat het eerste vermogen om objectief te denken, d.w.z. los van eigen sympathie en antipathie. In meetkunde komt dit tevoorschijn in het bewijzen van stellingen (Pythagoras!) of, eenvoudiger, waarom is de som van de hoeken van een driehoek 180′ . Enz.

[2] M.Tittmann: Deutsche Sprachlehre der Volksschulzeit

.

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

.

468-434

.

VRIJESCHOOL – 5e klas -Nederlandse taal (1)

.

taal klas 5 1

Na de stormachtige periode in de vierde klas keert de rust in de vijfde langzamerhand weer.

Een vijfdeklasser gaat zich verdiepen in het gedrag van zijn klasgenootjes en probeert te begrijpen waarom de ander niet zus, maar zo doet:

Juf, het is zo gek hè, maar ik vind de kinderen zo anders worden, zo ingewikkeld. Eerst vond ik de kinderen of leuk òf stom, maar nu kun je dat niet meer zomaar zeggen.

Dat ze genuanceerder gaan denken, is ook goed te merken in de omgang: ze helpen elkaar, springen voor aangevallen klasgenoten in de bres en troosten waar dat nodig is.
Voor het eerst wordt hier en daar met voorzichtige grapjes op elkaar gereageerd en het begint een leuke sport te worden om een ander op de kast te jagen. Ook de relatie tot volwassenen verandert; plotseling begint het kind zich van hen los te maken. De klas ontdekt dat ze als groep meer macht kunnen hebben dan de leerkracht. Zijn alwetendheid wordt aangetast omdat blijkt dat boeken ook antwoord op vragen kunnen geven.

De elfjarige vindt het heerlijk om in atlassen en encyclopedieën te bladeren en te snuffelen. Tijden kan hij over de kaart gebogen zitten zonder er genoeg van te krijgen. In plaats van fantasietekeningen maken de kinderen dan ook liever landkaarten. Het fantasiespel binnenshuis gaat verdwijnen voor bordspelen. Op regenachtige dagen zit de halve klas in het speelkwartier te dammen, de andere helft kijkt toe en geeft raad. Met gewichtige gezichten bewonderen ze elkaars postzegelalbums en alles wat volgens de laatste rage verzameld dient te worden, wordt verhandeld en geruild.
De vijfdeklasser is geïnteresseerd in de samenhang tussen wat in hemzelf leeft en wat hij in de buitenwereld vindt. Geleidelijk aan krijgt hij zo meer vat op de wereld.
Het uiterlijk van de kinderen begint meer en meer uit de verf te komen. Er komt meer tekening in het gezicht; de bewegingen worden soepeler. Het kind ziet er gezond en bloeiend uit.

Uit de leerstof in de vijfde klas
Het opkomen van het verstandelijk begrip wordt in de Griekse mythologie en historie mooi weergegeven. Het orakel van Delphi geeft raadselachtige spreuken, die de mens pas kunnen helpen als hij door eigen denken de oplossing vindt. De goden hebben menselijke eigenschappen en daarmee ook menselijke onhebbelijkheden. Zij bieden niet zomaar hulp, de mensen moeten zelf ook iets doen. Na de autoriteitscrisis van de vierde klas richten de kinderen hun bewondering op de Griekse helden, zoals de sterke Heracles en de slimme Odysseus.

Bij het rekenen wordt het metrieke stelsel behandeld. Men gaat uit van menselijke maten, zoals el, voet en duim, en maakt dan de overgang naar de abstracte maten van het gangbare metrieke stelsel. Tiendelige breuken, in schrijfwijze veel abstracter dan de gewone breuken, worden geleerd en onder andere toegepast in eenvoudige procentberekeningen.

Bij de plantkunde worden de verschillende stadia behandeld: paddenstoelen, korstmossen, algen en wieren, mossen, varens, eenzaadlobbigen en tweezaadlobbigen.

Bij de menskunde wordt voorzichtig ingegaan op de ontwikkeling van baby tot puber.

De aardrijkskunde laat zien hoe over de hele wereld mensen voor elkaar aan het werk zijn. Je kunt bijvoorbeeld van het kopje thee uitgaan dat je ’s ochtends gewoontegetrouw bij je ontbijt drinkt. Mannen, vrouwen en kinderen in Sri Lanka verbouwen en oogsten die thee onder de brandende zon. Handelaren keuren en kopen het en zeelieden brengen het met hun schip naar de Rotterdamse haven. Daar wordt het door de havenarbeiders gelost. Voor het naar de winkels gaat, wordt de thee gewogen en verpakt.
De leraar probeert zo kleurrijk mogelijk te vertellen welke gang het product moet gaan. Zo worden in de klas grote denkbeeldige reizen meegemaakt.

De geschiedenis van de Oude Wereld laat onder andere zien hoe de verschillende volkeren omgaan met de dood. De Indiërs beschouwen het leven op aarde als schijn en het leven na de dood als werkelijkheid. De Egyptenaren daarentegen hechtten zoveel waarde aan het aardse leven, dat ze hun doden allerlei aardse gebruiksvoorwerpen en sieraden meegaven, opdat het hen na de dood in materieel opzicht aan niets zou ontbreken. Een van de mooiste verhalen die in de vijfde klas verteld kunnen worden, is het meer dan 4000 jaar oude Assyrische verhaal over koning Gilgamesj. Deze gaat, nadat hij voor het eerst met de dood geconfronteerd wordt, op zoek naar de onsterfelijkheid. Na vele omzwervingen leert hij te aanvaarden dat ook hij aan de dood zal moeten toegeven.

Over het Nederlands in de vijfde klas

Spreken
Dit is het jaar van de hexameter, het metrum waarin Homerus zijn Ilias en Odyssee schreef. Aanvankelijk stuit het reciteren bij de kinderen op enige weerstand, maar eenmaal bezig, kunnen ze er vaak niet genoeg van krijgen. Nee, niet ophouden, het gaat netzo lekker! Het ritme is krachtig, doch rustgevend.

Stevig snoerden zij mij met een goedgedraaid touw aan de banken
Vast van het schip en gingen er uit en namen een maaltijd,
Vlug aan het strand van de zee. Maar vanzelf ontknoopten de Goden
Maklijk mijn boeien…

(Odyssee, vertaling A. W. Timmerman)

Vaak lópen de kinderen de gedichten. De ene keer met bedaarde stappen in de maat, terwijl zij samen het gedicht reciteren, de andere keer echt in het ritme, dus met lange en korte passen. Dan reciteert de leraar alleen, want èn spreken èn in het ritme lopen is wel erg moeilijk. Het kan ook zo dat de ene helft van de klas loopt, terwijl de andere helft reciteert.

Lezen
Bij de leesteksten wordt gelet op de stijl. De leraar zoekt teksten met korte, afgebeten zinnen of juist teksten vol bijzinnen en uitvoerige overpeinzingen. Het gaat erom wat de kinderen gevoelsmatig ervaren bij de verschillende stijlen. Op deze manier wordt nu de grondslag gelegd voor wat later een logisch en intellectueel begrip moet worden.

Grammatica
De lijdende en bedrijvende vorm.
Letterlijk genomen heeft de uitdrukking lijdende vorm een negatieve betekenis. Toch kunnen zinnen in de lijdende vorm uitdrukking geven aan iets positiefs:
Eerst werd het jongetje door zijn vader gebaad, waarna het door zijn moeder wordt gevoed.
Het is dus niet per se noodzakelijk dat we in de lijdende vorm het slachtoffer zijn.

Nog nooit werd in de taal de lijdende vorm zo vaak gebruikt: de groente wordt gekweekt, het brood wordt gebakken, de krant wordt bezorgd, reizen worden georganiseerd. Daarmee blijft onzichtbaar wie het werk verricht.

Hoewel de leraar de lijdende vorm met sympathie heeft geïntroduceerd, stimuleert hij de kinderen de bedrijvende vorm vaker te gebruiken omdat deze vorm sterker tot onze verbeelding spreekt.

Als oefening kunnen de kinderen passieve zinnen in de actieve vorm zetten:

In de stad wordt muziek gemaakt.
–  De fanfare maakt muziek in de stad.
–  De orgeldraaiers maken muziek in de stad.

Wie de muziek maakt, mogen de kinderen zelf bedenken.

De directe en indirecte rede
De directe en indirecte rede geven ons een goede gelegenheid om op een bepaald aspect van de sociale omgang dieper in te gaan.

Het maakt veel uit of je je eigen mening geeft of die van een ander weergeeft. Dit onderscheid valt voor de meeste kinderen niet mee.

Wanneer je letterlijk citeert wat een ander gezegd heeft, moet je even van je eigen mening afzien en je in de ander inleven. Wanneer je echter vertelt over wat een ander gezegd heeft, moet je erop letten, dat je er niet onbewust iets van jezelf bijvoegt en zo de woorden niet helemaal feitelijk weergeeft. Dit laatste is oorzaak van menige ruzie. Het oefenen met directe en indirecte rede ontwikkelt het sociale verantwoordelijkheidsgevoel.

De kinderen kunnen allerlei dialogen schrijven uit hun eigen leefwereld, bijvoorbeeld:
Wat de meester en de telaatkomer tegen elkaar zeiden of Hoe Kees en Willem ruzie kregen, of op een hoger plan uit de leer- en vertelstof: Een gesprek tussen Pallas-Athene en Ariadne.

De trappen van vergelijking en het bijwoord
Hoe kunnen wij de drie trappen van vergelijking voor de kinderen interessant maken? Veel voorbeelden vinden we bij de kinderen zelf:

Vorig jaar waren jullie groot, sterk, slim, handig en sportief. Dit jaar zijn jullie groter, sterker, slimmer, handiger en sportiever. Het liefst zouden jullie het grootst, het sterkst, het slimst, het handigst en het sportiefst zijn.

Vele voorbeelden van de overtreffende trap zijn te vinden in de sportwereld. In het kader van de vertelstof zoeken we ze in de Griekse heldenverhalen of de Olympische Spelen.

Het is leuk om de kinderen erop attent te maken dat de groei bij de vergrotende trap tot uitdrukking komt in de beweeglijke letter r aan het eind — Hector is dapperder dan Paris — en dat bij de overtreffende trap met st tot stilstand komt wat bij de vergrotende trap nog in beweging was: Odysseus is het slimst.

Bij de behandeling van de vergrotende en de overtreffende trap krijgen we vanzelf te maken met bijwoorden: Hij lacht het hardst. Een mooie gelegenheid om nog eens de aandacht te vestigen op het verschil tussen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Je kunt het grappig maken door het bijvoeglijke naamwoord en het bijwoord tegengestelde betekenissen te geven:

De snelle marathonloper liep langzaam toen hij zag dat zijn veter los zat. De deftige dame liep gillend op de vechtende tekkels af.

Directe en indirecte rede — een eerste taalperiode
Wanneer de les is begonnen, lijkt het of we ons in het oude Griekenland bevinden. De beginregels van de Odysse klinken als één stem uit vijfentwintig monden:

De zangerige klanken van de Griekse taal worden vloeiend door het metrum gedragen. Het duurt niet lang of de kinderen kennen de tekst uit het hoofd, zodat zij ook kunnen lopen in de maat van het gedicht. Daartoe worden de tafels en stoelen aan de kant geschoven. Het duurt een tijdje voor de kinderen achter elkaar in de kring staan. Allemaal met de rechtervoet beginnen. Schoorvoetend en lacherig worden de eerste stappen in de maat van het vers gezet.

Sommigen trappen hun voorganger op de hielen en krijgen als antwoord een duw terug. Anderen lopen met een zorgvuldig bestudeerde nonchalance, alsof ze door de Kalverstraat slenteren. Al doende echter wordt de kring een gelijkmatig geheel.

De stap die gezet wordt in de stilte van de cesuur, accentueert de harmonie tussen het ritme en de maat. Hoewel de kinderen zich dit niet bewust zijn, voelen zij dit laatste wel degelijk. Wanneer zij de klas na afloop weer op orde brengen, is de stemming merkbaar anders dan vóór het lopen.

Even later luisteren de kinderen naar de streken van Tijl Uilenspiegel. Tijl is in dienst bij een boer en volgt diens instructies zo letterlijk op. dat alles fout loopt.

Wanneer hij in opdracht van zijn baas een zak erwten in de stad heeft gekocht, krijgt hij op de terugweg al gauw genoeg van zijn zware last. Als hij op de top van een heuvel staat uit te blazen, herinnert hij zich wat de boer hem de vorige keer heeft geleerd toen hij met een paar gestikte biggen van de markt was gekomen. Hij had Tijl toen boos toegesnauwd dat je zoiets voor je uit moet drijven. Dit brengt Tijl op een briljant idee. Hij knoopt de zak open en schudt hem leeg. zodat alle erwten van de heuvel afrollen. Vrolijk zingend komt hij thuis met de lege zak over zijn schouders. Wanneer de boer argwanend vraagt waar zijn erwten zijn gebleven, antwoordt Tijl dat ze zó wel zullen komen. De boer begrijpt dat hij naar zijn erwten wel kan fluiten en roept woedend dat Tijl de zak aan een touw op zijn rug had moeten hangen. Tijl belooft zijn baas dat hij daar de volgende keer aan zal denken. Hoe de geit, die Tijl een week later kopen moest, aan zijn einde is gekomen, valt nu niet moeilijk meer te raden.

Twee kinderen mogen voor de klas komen om Tijl en de boer na te spelen. De andere kinderen krijgen de opdracht vooral goed te onthouden wat de spelers zeggen:

De boer zei, dat Tijl een zak erwten in de stad moest kopen. Als deze zin in de indirecte rede op het bord is geschreven, moeten de kinderen bedenken hoe het precies is gezegd:

De boer zei: „ Tijl, je moet in de stad een zak erwten kopen”. [1] Het gedeelte tussen de aanhalingstekens wordt in kleur geschreven. Enkele andere voorbeelden volgen:

Tijl antwoordde dat het goed was en dat de baas hem maar geld moest meegeven.

Tijl antwoordde: ,,Goed baas, geef me maar geld mee”. De boer vroeg waar zijn erwten waren. ,, Waar zijn mijn erwten?”, vroeg de boer.

Hoewel de lerares de leestekens wel op het bord gebruikt, zegt zij er nog niets over. Sommige kinderen merken de aanhalingstekens op, kijken er nog eens extra aandachtig naar en fronsen het voorhoofd. Anderen zien de tekens niet eens.

De volgende dagen vertelt de lerares steeds een korte episode uit het leven van Tijl, wat gevolgd wordt door een rollenspel en het zeggen en opschrijven van enkele zinnen in de directe in indirecte rede. Al gauw maken de kinderen gebruik van de leestekens. Nu kunnen ook ingewikkelder zinnen in de directe rede behandeld worden:

„Jij driedubbele ezelskop”, schreeuwde de boer, „begrijp je dan helemaal niets?”

De dwaze Uilenspiegel wordt nu even aan de kant geschoven. De klas gaat zelf zinnen bedenken. De lerares geeft een voorbeeld, dat de kinderen enigszins verbaast:

De keukenmeid brulde van verdriet: ,,De soep is gelukt!”

Dat kan niet, vinden de kinderen en zij slaan druk aan het overleggen hoe het wèl moet:

De keukenmeid brulde van verdriet: ,,De soep is mislukt!”

Zelf maken ze bij voorkeur voorbeelden waarin de gemoedsstemming niet overeenkomt met hetgeen in de directe rede staat:

De boze buurvrouw snauwde:,, Wil je een koekje, schatje?” „Kindje”, lachte moeder, „nu krijg je billenkoek”.

De juiste versie van deze zinnen zetten de kinderen later in de indirecte rede. Ter oefening krijgen de kinderen teksten waarin zij de directe rede moeten veranderen in de indirecte rede, behalve daar waar de directe rede toepasselijker is. Of zij moeten in teksten met indirecte rede de directe rede aanbrengen waar dit het meest zinvol is.

Het schip aller tijden — een eerste taalperiode
In deze periode zullen de werkwoordsvervoegingen centraal staan.

Hoewel de kinderen hiermee in de vierde klas ruimschoots geoefend hebben, lijkt het dit jaar weer splinternieuw omdat ze nu de spellingsregels beginnen te ontdekken.

Met Het schip aller tijden, dat de leraar levensgroot op het bord getekend heeft, komen de kinderen voor het eerst in aanraking met alle werkwoordstijden.

Wanneer de kinderen dit in hun schrift hebben nagetekend, doen zij een seinspel, dat ondanks het speelse karakter een groot beroep doet op het denkvermogen. De leraar zet voor de klas twee tassen naast elkaar met een onderlinge afstand van ruim twee meter. De linkertas is de plaats van de voltooide mast, de rechter tas die van de onvoltooide. Een meisje wordt uitgenodigd als seingever op het schip te komen staan. Wanneer de leraar een zinnetje zegt, bijvoorbeeld Ik reis, moet de seingever bij de juiste mast gaan staan, met de armen de plaats van de juiste werkwoordstijd aangeven en daarbij de ingewikkelde naam van de werkwoordstijd zeggen:

taal klas 5 3

De eerste leerling wordt het nog niet zo moeilijk gemaakt. De leraar zegt slechts zinnetjes met de werkwoorden die op de zeilen staan geschreven en de tekening op het bord biedt nog de nodige houvast.

Maar de daarop volgende dagen worden de seinopdrachten steeds pittiger. De leraar noemt nieuwe werkwoorden, zodat de kinderen elke keer opnieuw even moeten nadenken. Later moeten zij het zonder de hulp van het bord stellen.

taal klas 5 4Wanneer de kinderen eenmaal goed aan dit sein-spel gewend zijn, verzint de leraar allerlei variaties. In plaats van hemzelf dicteren de kinderen om beurt de nieuwe zinnetjes of hij noemt een werkwoord, bijvoorbeeld klimmen, gaat zelf op het schip staan en laat de kinderen zeggen welke tijd hij aangeeft: Ik zou klimmen, onvoltooid verleden toekomende tijd.

taal klas 5 5

Wie meent dat deze oefeningen onzinnig zijn, zou het zelf eens moeten proberen. Hoewel de spellingsregels met behulp van ’t Kofschip hier erg toepasselijk lijken, gebruikt de leraar hen nog niet in de vijfde klas.

Om te weten of een voltooid deelwoord eindigt op een d of een t, moeten de kinderen het woord in de verleden tijd zetten, zodat zij via het gehoor achter de juiste spelling komen:

wandelde   –   gewandeld    fietste   –   gefietst

Om te weten of een werkwoord zwak of sterk is, geldt in de vijfde klas maar één regel: verstand op nul, zég het werkwoord maar! moedigt de leraar aan.

Opmerkelijk is, dat de kinderen het, juist door er niet over na te denken, altijd bij het goede einde hebben. Verstand op nul, zeg het maar, zijn tijdens deze periode gevleugelde woorden geworden.

De lerares die twee keer in de week Franse les geeft in deze klas, heeft de leraar gevraagd om elke ochtend een Frans gedichtje met de kinderen te reciteren, zodat zij wat vaker Frans kunnen spreken.
Terwijl de leraar hiertegen geen enkel bezwaar heeft, blijken de kinderen wel degelijk bezwaar te maken:
We doen het al genoeg met de Franse juf.
Zo komt de leraar ermee in zijn maag te zitten. Omdat bij een groot aantal kinderen het vervoegen van de werkwoorden moeizamer gaat dan hij verwachtte, bedenkt hij hoe het mes aan twee kanten zou kunnen snijden.

In vier rijtjes op het bord laat hij zien hoe de Nederlanders, de Engelsen, de Fransen en de Duitsers hun regelmatige werkwoorden vervoegen. Samen met de kinderen bekijkt hij welke bijzonderheden de verschillende talen tonen.

bijvoorbeeld, is in het Nederlands de tweede persoon enkelvoud, terwijl het in het Frans de tweede persoon meervoud is. In het Nederlands spreken we van hij, zij en het, terwijl het Frans slechts il en elle kent. Op verzoek van de klassenleraar gaan ook de Franse en de Duitse lerares gedurende deze weken tijdens hun les met de kinderen werkwoorden vervoegen. Door de afwisseling in de herhaling krijgen de kinderen plezier in het schrijven van de vervoegingsrijtjes. [2]

Bij de bedrijvende en de lijdende vorm, vertelt de leraar gaat het om inzet. Je geeft inzet of je ontvangt inzet. Ter illustratie schetst hij een situatie die zich in de Middeleeuwen zou hebben kunnen afspelen:

Een bakker bakt drie manden vol lekkere broden. Eén brood is voor zijn eigen gezin, maar de rest is voor andere mensen bestemd. Hij laadt de manden op zijn kar en gaat ermee naar de markt. Daar komt ook een boer met een kist vol rode kolen. De boer ruilt met de bakker een kool voor een brood. Zij ruilen inzet voor inzet. De bakker heeft de boer nodig en de boer heeft de bakker nodig.

Wanneer de leraar een verbinding legt met onze tijd en vertelt hoe we nu persoonlijke inzet ruilen voor geld, geeft hij ook enkele voorbeelden van hoe we inzet tegen inzet kunnen ruilen, bijvoorbeeld een vriendendienst of een burenhulp. Een van de kinderen reageert hierop met: Ja maar meester, als jij brood koopt, wat is dan jouw inzet? Oh, heel eenvoudig, antwoordt deze, ik heb een zoon van de bakker in de klas. Die brengt me trouwens ook nog elk weekend een taart. Als door een zwerm wespen gestoken veert de hele klas op. Is dat zo? klinkt het ongelovig.

Twee kinderen zijn nu de bakker en de boer op de markt. Eerst spelen zij de ruilhandel op hun eigen manier, maar ter afsluiting zegt de bakker: Ik bak het brood. De rode kool wordt door de boer verbouwd. De boer voegt daar het zijne aan toe: Ik verbouw de rode kool. Het brood wordt door de bakker gebakken. De klas gaat nu in groepjes allerlei situaties verzinnen, waarin een ruil wordt gedaan. Wanneer enkele groepen dit voor de klas spelen, moet daarin op een bepaald moment de bedrijvende en de lijdende vorm tegenover elkaar worden gezet: Ik kietel Berend. Ik word door Berend achterop de fiets genomen. Ik neem Suzanne achterop de fiets. Ik word door Suzanne gekieteld.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

.

[1] De plaatsing van de aanhalingstekens is voor velen lastig. Dit wordt erover gezegd:
Volgorde punt – aanhalingsteken
Vraag:
Komt de punt binnen het aanhalingsteken te staan in de volgende zin? Hij zei: ‘Ik heb dat boek allang gelezen.’
Antwoord
Ja.
Toelichting
De punt komt binnen het aanhalingsteken te staan, als hij hoort bij het citaat of bij de directe rede die als geheel binnen de aanhalingstekens geplaatst worden. Bijvoorbeeld:
(1) Zij antwoordde: ‘Ik denk niet dat ik nog langer met je om wil gaan.’
Hoort echter de punt niet bij het deel dat tussen aanhalingstekens staat, dan wordt hij geplaatst na het aanhalingsteken. Bijvoorbeeld:
(2) Zij fluisterde iets van ‘eeuwig trouw’ en ‘altijd blijven houden van’.

Als vuistregel kun je stellen dat bij het citeren van een hele zin of hele zinnen de punt binnen de aanhalingstekens komt, terwijl je hem bij het citeren van delen van zinnen erbuiten plaatst.

Wat doen we als de regels leiden tot meer dan twee leestekens na elkaar? In zin (1) hoort er na het laatste aanhalingsteken eigenlijk nog een punt te volgen. Immers, de eerste punt sluit alleen het citaat af; de tweede punt de gehele zin. Toch plaatsen we die tweede punt niet. Het principe is dat we bij voorkeur niet drie of meer leestekens op elkaar laten volgen. Op dit principe bestaan echter uitzonderingen.

In de volgende zin kan het vraagteken duidelijk niet gemist worden:
(3) ‘Heb je dat boek al gelezen?’, vroeg hij.

Hier nemen we voor lief dat er wél drie leestekens naast elkaar staan. Sommige schrijvers vinden die opeenhoping van leestekens zo lelijk dat ze de komma weghalen (‘Heb je dat boek al gelezen?’ vroeg hij.).

Bijzonderheid
Een noot komt na het aanhalingsteken. Voorbeeld:
(4) De auteur vermeldt: ‘Deze opvatting van het vorstendom heeft lang doorgewerkt.’5

[2] Een samenwerking die door Steiner zeer werd aanbevolen: vakkenintegratie/vakkenconcentratie; ‘economie’ in het onderwijs
>

5e klasalle artikelen

Nederlandsalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld5e klas: alle beelden

.

467-433

VRIJESCHOOL – 4e klas – Nederlandse taal

.

taal klas 4 1

 
Ik weet wel waarom jij altijd een lange broek draagt. Omdat niemand zo je puntknieën kan zien’, merkt een meisje op. Wie les gaat geven in een vierde klas, mag zijn borst wel nat maken.
Gaat het kind tot ongeveer het negende jaar op in de wereld om zich heen, nu maakt het zich voor het eerst ervan los en bekijkt deze met nieuwe ogen. Wat hij ziet, stelt hem dikwijls teleur. Alles is anders dan hij tot nu toe had gedacht: de wereld is niet zo mooi en goed, zijn vader is niet langer de bewonderde held tegen wie hij torenhoog opkeek en de juf is niet meer ,,de knapste” van de hele school. Plotseling wordt zij met kritische blik van top tot teen opgenomen. Aan de ouders mankeert ook van alles. De kleren die vader of moeder voor hem heeft uitgezocht worden onder protest of onder tranen met tuiten aangetrokken.

Het kind voelt de grote wereld als een bedreiging tegenover zijn kleine ik; het voelt zich daardoor hopeloos onzeker en eenzaam. Geen wonder dat het snauwerig en kattig wordt en soms zomaar in huilen uitbarst. Wat er aan de hand is, kom je niet aan de weet, want het is zijn verdriet en daar moet een ander van afblijven.

Daartegenover heeft het ook heel eigen pretjes waar geheimzinnig over wordt gedaan.

Krachtmetingen spelen een grote rol in het leven van de vierdeklasser. Strijd en durf spreken hem erg aan. In vechtpartijen rollen de vierdeklassers met vuurrode koppen over het schoolplein. De klasgenoten stormen hier verheugd op af en moedigen de sterkste aan. De verliezer, die toch al geen kans had, wordt joelend uitgelachen en nu door een stelletje dat niet van ophouden weet tot tranen toe uitgedaagd. De vloek- en scheldwoorden vliegen je om de oren.

Zo uit de vierdeklasser zich om stoer te doen en om te laten zien dat het hem toch niets kan schelen. Achter zo’n houding schuilt vaak een onzeker, angstig kind, dat hongert naar sympathie en geborgenheid, ’s Nachts moet de slaapkamerdeur op een kier blijven staan en het ganglicht branden. Hij durft zijn armen niet naast het bed te laten bungelen want er kan wel een tijger onder liggen. Wie weet, staat iemand van achter het gordijn of vanuit de kast naar hem te loeren.

Met een grote dosis incasseringsvermogen, begrip en bovenal humor bewijst de leerkracht niet alleen zichzelf, maar vooral zijn leerlingen een grote dienst.

Uit de leerstof in de vierde klas
In de Noors-Germaanse mythologie leveren de Goden (de Asen) een voortdurende strijd tegen de reuzen. De kinderen zitten tijdens het luisteren niet meer dromerig en rustig op hun stoelen, maar hebben uitbundige pret om de vulkanische Thor, die met zijn hamer overal op afstormt.
Een enkel kind móet dan even meevechtende bewegingen maken wanneer deze roodharige dondergod zijn woede uit. Verontwaardiging stijgt op in de klas om de gemene streken van de listige Loki. De kinderen leven mee met de angst van de Asen voor de naderende ondergang. Door deze vertelstof voelt het kind zich begrepen.

Bij het rekenen komen de breuken voor het eerst aan bod. Zoals voor de negenjarige de wereld uiteen valt, zo blijkt zelfs het getal één uiteen te kunnen vallen.

Het vak mens- en dierkunde komt in de plaats van de fantasieverhalen over de natuur.

In de vierde klas begint het kind zich te oriënteren in ruimte en tijd. In de aardrijkskundeperiode tekenen de kinderen eerst plattegronden van de nabije omgeving: de klas, de straat, de buurt. Daarna maken zij kleurige kaarten van de streek waarin zij wonen. Eerst tekenen zij daarin de karakteristieken van het landschap: rivieren, weilanden, akkers, bossen.
Pas daarna laten zij zien hoe de mens daarop heeft ingespeeld: stad en industrie, havens, bruggen, wegen en spoorlijnen.

Over het Nederlands in de vierde klas

Spreken
De gedichten over de Noors-Germaanse mythologie die de vierdeklassers declameren, zijn veelal in stafrijm geschreven. Een voorbeeld uit de Edda:

ik zie de schepen
met schuim bespat;
de staghengsten zullen
de storm niet bestaan.

Uit: Het gevecht met de draak (Reginsmál en Fáfnismál), vers 16

(vertaald door Jan de Vries)

(staghengst is een schip)

De kracht van het stafrijm krijgt extra nadruk door klappen of stampen.

Het gaat erom dat dit precies op tijd gebeurt. Je moet even de wereld bij jezelf laten ophouden, je op jezelf concentreren. Dit vergt veel, zo niet het uiterste van de inzet. Wie ook maar even met de gedachten afdwaalt, stuurt alles in de war. Tijdens het declameren zijn velerlei variaties mogelijk:

— Stilstaan en een klap in de handen geven bij elk allitererend woord: schepen — schuim, staghengsten — storm — bestaan.

— Stilstaan en alleen naar voren stampen bij elk allitererend woord.

— In de maat lopen en alleen bij de alliteraties klappen.

— In de maat lopen en klappen, behalve bij de alliteraties, daar wordt alleen gestampt.

Schrijven
In de vierde klas en daarna wordt aan een goed leesbaar handschrift voortdurende zorg besteed.

Lezen, eigenlijk voordracht
De overgang van gezamenlijk lezen naar individuele leesbeurten wordt gemaakt. Eerst lezen de kinderen samen na wat de leraar heeft voorgelezen. Pas daarna krijgen afzonderlijke leerlingen een leesbeurt.

Door nabootsing krijgen zij de goede toon te pakken. [1]

Grammatica
De werkwoorden.
In het verleden, het heden en de toekomst is de relatie tot de mens in respectievelijk denken, voelen en willen terug te vinden. Door hoofdzakelijk beschouwend en denkend tegenover het verleden te staan, wordt deze vruchtbaar voor ons. We handelen immers uit ervaring. Wie zich vooral voelend aan het verleden overgeeft, neigt naar het sentimentele of melancholieke. Wie het verleden anders zou willen, vervalt in vruchteloze spijt.
We staan voor het grootste deel met ons gevoel in de tegenwoordige tijd. Voelen is het midden tussen denken en willen. Wie in het hier en nu handelt, heeft daar meestal denken en willen aan laten voorafgaan. Wie de toekomst open en met goede wil tegemoet gaat, heeft de meeste kans om iets van zijn leven te maken. Wie de toekomst denkend vooruitberekent en vastlegt, zal vele teleurstellingen op zijn weg vinden. Wie slechts het gevoel laat werken, laat zich in het heden afwisselend door angst en hoop heen en weer slingeren.

Het moge duidelijk zijn dat denken, voelen en willen in welke tijd dan ook, nooit alléén regeren, maar elkaar overheersen.

Net als de kinderen, die het heerlijk vinden zich te verkleden, zien we de werkwoorden ook steeds van gedaante verwisselen: ik ga kan plotseling veranderen in ik ging. Van alle woordsoorten is het werkwoord het meest levendig. In de zo beweeglijke vierde klas zijn de verbuigingen van de werkwoorden een mooi begin van de grammatica. Dan volgen de werkwoorden in de verleden, tegenwoordige en toekomende tijd.

Wanneer de kinderen over deze tijden leren, waarbij de leraar voor zichzelf uitgaat van de relatie tot denken, voelen en willen, maar de kinderen er niet mee lastig valt, moeten zij eerst in het begrip tijd komen. Pas daarna leren en oefenen zij de werkwoorden in vier tijden:

de toekomende tijd, waarin alles nog in wording is: Ik zal bouwen.
de tegenwoordige tijd, waarin we op het moment van handelen zijn: Ik bouw.
de onvoltooid verleden tijd, waarin we terugkijken naar het gebeurde: Ik bouwde.
de voltooid tegenwoordige tijd, waarin het gebeurde afgesloten is en we kunnen onderscheiden wat daaraan goed was en wat verkeerd: Ik heb gebouwd.

Wanneer de kinderen deze vier tijden kennen, kunnen zij als oefenstof korte, eenvoudige verhaaltjes van de ene tijd in een andere zetten. Het is goed ook verhalen te maken, waarin de kinderen bij sommige zinnen vrij zijn om de meest geschikte tijd te kiezen.

De gebiedende wijs.
Nu kunnen de kinderen ook de gebiedende wijs leren. Eigenlijk is deze term niet helemaal terecht, want behalve bevelen worden vooral oproepen, uitnodigingen en bemoedigingen uitgesproken. Veel kinderen die op het matje worden geroepen als zij een streek hebben uitgehaald, beroepen zich op de aansporing:
Ah joh, doe het toch ook.

Het versleten antwoord hierop laat zien dat van een bevel geen sprake kan zijn:
Als hij zegt dat je in het water moet springen, doe jij het dan ook?

In plaats van gebiedende wijs, kan een andere naam genomen worden, die de eerste tijd in de klas gebruikt wordt, bijvoorbeeld aansporende wijs. Allerlei bekende zegswijzen kunnen voorbeelden zijn:

Geef me de vijf!
Rust wat!
Houd je haaks!
Trek je er niets van aan!
Wees welkom!

Voorzetsels. Soms behandelt men in de derde klas al de voorzetsels die statisch gebruikt worden:
De geiten grazen langs de dijk.
Het strodak rust
op het huis.

In de vierde klas leren de kinderen vooral de voorzetsels die beweging aangeven:
Hij loopt naar de rivier.
Zij springt
op het hek.

Daar het voorzetsel een van de woordsoorten is die tot het wilsgebied behoren, ligt de nadruk bij de introductie ervan nog eens extra op het doen:
Leg je pen op je oor, in je etui, achter je stoel, voor je voeten, boven je schrift, tussen je tanden, naast je pink, onder je hand.

Door het meebewegen met de voorbeelden wordt de interesse bij de kinderen altijd sterker opgewekt. Een voorzetsel en een werkwoord kunnen samen een nieuw woord vormen: inhalen, doorlopen, uitsteken, afwegen.

Zij kunnen ook de voorzetsels in samenhang met de zelfstandige naamwoorden in vaste uitdrukking leren:
Hij nam hem bij de hand.
Wat is er aan de hand?
Hij deed zijn oude wagen van de hand.
De jas is met de hand gemaakt.
Hij eet uit haar hand.
De patiënt is in goede handen.
Hij is aan de beterende hand.
Ik heb nog wel wat geld achter de hand.

Getekende zinnen. De zinsleer wordt nog niet als ontleding behandeld. De kinderen zijn daar pas aan toe wanneer rond hun twaalfde jaar het denken abstracter wordt.

In de vierde klas wordt de opbouw van de samengestelde zinnen in tekeningen aanschouwelijk gemaakt. Allereerst wordt het besef gewekt van het gewicht van de hoofdzin ten opzichte van de bijzin.

Natuurlijk begin je met eenvoudige samengestelde zinnen. Het gaat erom dat de kinderen zich op beeldende wijze de bouw van de zinnen eigen maken. Iedereen kan voor deze zinstekeningen zijn eigen vorm vinden. Dit zijn slechts voorbeelden:

taal klas 4 2

Stelopdrachten. De kinderen leren brieven schrijven, ook zeer eenvoudige brieven in de zakelijke sfeer.

Schriftelijk navertellen of beschrijven kunnen tevens als verwerking van de leerstof dienst doen.

De tijden — een eerste taalperiode
In de klas ontstaat een gesprek over de tijd. De sprookjes, de verhalen van het Oude Testament en van de Noors-Germaanse mythologieën speelden zich af in tijden die allang voorbij zijn. Dat is verleden tijd. Maar ook de tijd waarin de leraar tien was, is anders dan nu, de tegenwoordige tijd. Gisteren is voorbij en een minuut geleden is ook al verleden tijd geworden. Het dringt tot de kinderen door dat de tijd eeuwig is, maar het moment vluchtig. Het raadseltje:

Wanneer was vandaag morgen?

onderstreept dit laatste nog eens.

Yggdrasill, de reusachtige wereldboom, torst de woonplaats van de goden, de mensen en de reuzen. Onder de eerste wortel van Yggdrasill spinnen de drie Nornen de draden van het leven. Urd, de oudste, spint de draden van het verleden. Verdandi, de middelste, spint de draden van het heden en Skuld, de jongste, spint de draden van de toekomst.

Op de eerste periodedag is de leraar opeens Yggdras, de oude tuinman van Midgard geworden. Hij heeft een grote pit bij zich en plant deze in een pot met aarde. De volgende dag is daaruit een boom gegroeid: een paal met zijstokken. Later wordt dit de boom van de werkwoordsvormen, nu liggen er drie gekleurde lappen onder.

Als de kinderen het lokaal binnenkomen, reageren zij eerst smalend: Jaja… en wat is dat nou voor een stom ding! Maar ook: Wat gaan we met die lappen doen? Ze zijn toch wel nieuwsgierig. De leraar pakt de blauwe doek en slaat deze om zich heen. Ik was van plan om in de vakantie een bergtocht te maken. We stonden met de tent bij een oud boerderijtje. Op de gammele fiets van Jean-Paul, de oudste zoon van de
boer reed ik ’s ochtends vroeg naar het dorp om verse stokbroden en kaas voor onderweg te kopen.

De blauwe doek gaat nu af en de leraar slaat de gele om zich heen. Ik vertel nu maar niet over de ongelukkige afloop van mijn vakantieavontuur, jullie geloven het toch niet en ik denk dat jullie daar straks zelf achter komen.

De rode doek wordt opgepakt en omgedaan. Maar… volgend jaar zal ik weer een poging wagen. Ik zal bij dezelfde boerderij aankloppen en ik zal Jean-Paul verrassen met een nieuwe fiets en natuurlijk zal ik, als ik het heuveltje af ga, iets beter de remmen aantrekken.

De kinderen hebben de bedoeling begrepen. Wie van hen wil nu ook onder de boom komen staan? Paul. Hij voelde zich toch al aangesproken daar zijn naam genoemd was. Paul, doe de blauwe doek maar om en vertel ons wat je vanochtend gedaan hebt. Paul vertelt in de verleden tijd, maar wanneer hij in de directe rede overgaat:

Toen ik wegging, zei mijn moeder: ‘Vergeet niet je gymspullen mee te nemen,’
roept een oplettende slimmerik:

Hé, dat is toch geen verleden tijd?! Oh nee, waarom niet?

Ze leggen het elkaar uit. Al doende gaan de kinderen het begrijpen. De leraar merkt dat de kinderen moeite hebben om zomaar te vertellen.

Vooral omdat het hier niet zozeer om de inhoud van het verhaal gaat, maar om de tijd waarin het verteld wordt. Voor het eerst bekijken ze de taal nuchter, om de taal zelf en niet om de boodschap.

Als ze het eenmaal doorhebben, vinden ze het prachtig met die gekleurde lappen. Vooral als ze anderen op een fout kunnen betrappen.

Gedurende een week werken ze hiermee elke dag. De rol van de leraar wordt steeds kleiner, die van de kinderen groeit. Zelf veroorzaakt hij ook vaak (per ongeluk) grote hilariteit:

Toen dacht ik:,, Weet je wat, ik zal een taart voor haar bakken”.

Hier moet hij in één zin drie keer van lap verwisselen.

Soms vergeet hij te wisselen en dan roepen alle kinderen triomfantelijk:

Je lap!

Wanneer de leraar zich buigt om de rode lap te pakken en mompelt: Ik moest toch deze!,

hebben de kinderen de grootste pret. Het is heerlijk om slimmer te zijn dan de meester.

En de boom… wordt hoe langer hoe dikker. Enkele meters kippegaas en takkenbossen geven de stam en de zijtakken meer volume. Op het gaas worden kranten geplakt, die bruine, grijze en groene verfvlekken krijgen. Zo lijkt de boom net echt. De kinderen moeten een werkwoord in gedachten nemen en daarvan de stam met grote letters opschrijven. De leraar controleert of iedereen het goed heeft. Vervolgens knippen ze de letters uit en plakken deze in de juiste volgorde op de stam van de boom. Dan volgt een discussie waar in de boom de tegenwoordige tijd hoort.

Na wat geharrewar worden de kinderen het met elkaar eens dat de tegenwoordige tijd in de bladeren zit.

Ze hoeven niet te zoeken naar de beste plaats voor de verleden tijd. Die zit in de dorre bladeren op de grond, dat is duidelijk.

Voor de toekomende tijd twijfelen ze tussen de vruchten, de zaden en de knoppen. De keuze valt uiteindelijk toch op de knoppen.

De kinderen knippen bladeren uit groen crêpe-papier en op een klein wit strookje schrijven zij een tegenwoordige-tijdvorm, bijvoorbeeld zij springt of jij klimt. Als dat goed is opgeschreven plakken zij het strookje op het blad en hangen dit aan de boom. Binnen de kortste keren zijn de takken dichtbegroeid.

De volgende dag knippen zij bruine bladeren voor de verleden tijd. Deze leggen zij, voorzien van een werkwoordsstrookje, op de aarde onder de boom.

Dan schrijven zij iets in de toekomende tijd en laten het door de leraar nakijken, want niet alleen hij staat erop dat ze het goed schrijven, maar het is ook hun eer te na. Vervolgens rollen zij het strookje op en wikkelen daar omheen lichtgroen crêpe-papier, zodat de toekomende tijd binnen in de knop verstopt zit. Sommige kinderen doen erg geheimzinnig en zwijgen over hetgeen erin staat.

Wanneer de boom af is, prijkt hij achter in de klas. Telkens weer staan er kinderen omheen die de bladeren lezen.

Ouders, die hun kinderen komen afhalen, worden de klas ingetrokken om de boom te bekijken. Een meisje vertelt haar vader niet alleen waar haar eigen blad hangt, maar weet ook de bladeren en knoppen van al haar vriendinnen te hangen. De kinderen maken ook allerlei schriftelijke oefeningen met de verschillende werkwoordstijden: Schrijf een verhaal verteld door Skuld, de schikgodin van de toekomende tijd:

Zondag zal het Sinterklaas zijn. En iedereen zal blij zijn met de kadootjes die hij of zij zal krijgen. En de mensen zullen lachen om de surprises. En daar zal lekker eten en drinken zijn. En iedereen zal laat naar bed gaan. En de volgende ochtend zal iedereen fijn spelen met de kadoos die hij of zij gehad zal hebben.

Ook schrijven de kinderen teksten van het bord over en onderstrepen de werkwoorden in de toekomende tijd met rood, die in de tegenwoordige tijd met geel en in de verleden tijd met blauw.

Ritsen van rijtjes met werkwoordsvervoegingen hebben de kinderen in hun schrift staan. Sommigen maken er een sport van om de rijtjes zo netjes en geordend mogelijk op de bladzijden te zetten.

Het Hamerlied — een tweede taalperiode
Dere periode heeft iedere dag dezelfde opbouw: het eerste half uur wordt besteed aan spelling, het tweede half uur spelen de kinderen toneel, dan een half uur aandacht voor de werkwoordstijden en later ook voor het woordbenoemen. De resterende tijd luisteren de kinderen naar een nieuw verhaal uit de Edda.

Dagelijks krijgen zij een dictee uit het toneelstuk dat zij spelen. Na elke zin vergelijken zij zelf hun werk met de zin die op het bord komt te staan. Van elk fout geschreven woord maken zij een rijtje woorden met een soortgelijke moeilijkheid. Een kind heeft bijvoorbeeld vogol geschreven. Zijn rijtje naast het dictee ziet er zo uit:

vogel                        tafel
lepel                         ratel

Wanneer het kind er zelf niet uitkomt, wordt het door de juf een eindje op weg geholpen.

Soms komen grote spellingsmoeilijkheden aan de orde, bijvoorbeeld woorden met auw en ouw. De kinderen verzinnen zo veel mogelijk woorden waarin auw staat. Ze komen allemaal onder elkaar op het bord te staan. Samen met de lerares heeft de klas als ezelsbruggetje een auw-versje gemaakt:

Grauw is de dauw,
blauw is de pauw.
De kauw geeft een knauw.
De pauw geeft een snauw
en drijft gauw
de kauw in het nauw.

Op dezelfde manier ontstaat ook een versje vol ouw-woorden:

In de nieuwbouw zit jouw trouwe vrouw
te rouwen en te vouwen aan haar mouw bij de koude schouw…

Ziehier het verdriet van de groene weduwen per toeval met een verzameling ouw-woorden tot uitdrukking gebracht.

Het Hamerlied, een toneelstuk met korte krachtige taal vol alliteraties gaat over de hamer van Thor. Thrym, een van de gehate reuzen, heeft de hamer, waarvan Thor onafscheidelijk is, gestolen en ergens diep onder de grond verborgen. Hij wil deze pas teruggeven als Freya, de godin van de liefde en de schoonheid, zijn bruid wordt. Freya briest van woede als haar dit voorstel wordt gedaan. Er zit voor Thor niets anders op dan zelf als bruid verkleed naar het reuzenland te gaan. Bij het bruiloftsmaal verbaast Thrym zich over de onbehouwen vraat- en drankzucht van zijn aanstaande en wanneer hij zich over haar heen buigt om haar te kussen, deinst hij verschrikt terug als een paar vurige ogen hem tegemoet bliksemen. Vlak voor de huwelijksplechtigheid legt hij, nog steeds niets vermoedend, zijn bruid het betwiste voorwerp op de schoot. Zodra Thor zijn hamer in de hand voelt, maakt hij korte metten met het reuzengebroed.

Dit is het lievelingsverhaal van bijna elke vierdeklasser. Geen mooier toneelstuk is denkbaar:

Woedend was Wing-Thor
toen hij ontwaakte
en merkte dat hij zijn hamer miste.
Hij schudde zijn haar
en blies in zijn baard,
begon met zijn hand
om zich heen te grijpen.

Allereerst oefenen de kinderen samen de teksten. Staande bij hun tafeltjes spreekt ieder de teksten uit en beweegt zich alsof hij of zij dat het best erbij vindt passen. Bijna allemaal spelen de kinderen zonder gêne. Later kiezen zij een eigen rol, maar blijven nog steeds op hun plaats. Een Thor en een Thrym die naast elkaar staan, spelen vanzelf al een beetje met elkaar. Wanneer een vaste rolverdeling wordt gemaakt, bestaat voor alle rollen een dubbele bezetting. De ene dag speelt de eerste groep en de volgende de andere. Zo zien alle kinderen hoe een ander hun rol speelt.

Het spel wordt menens als er speciale kleding aan te pas komt. Een grote regenjas maakt van twee kinderen een reus die bij de slappe lach hopeloos dubbelklapt of zelfs instort. De bruid heeft een ooit door een moeder of tante gedragen bruidsjurk aan.

Veel jongens moeten heel wat van zichzelf overwinnen voor ze vanwege de rol de stoere Thor dit bruidstoiletje met petticoats aantrekken, maar het resultaat is om te zoenen.

Op het bord staat Yggdrasill de Wereldes getekend. Daaronder bevinden zich de drie nornen: Skuld van de toekomst, Verdandi van het heden en Urd van het verleden. Om weer in de werkwoordstijden te komen, oefent de klas mondeling enkele zinnen in deze drie tijden. Dan komen vier kinderen voor de klas. Drie spelen de wevende zusters, de vierde is Odin, de machtigste der Asen die naar de wijsheid zoekt. Hij blijft bij Verdandi staan en vraagt haar: Waardoor blijft de wereldes groen? Verdandi antwoordt: De Wereldes blijft groen door de dauw.
Vervolgens gaat hij naar Urd: Waardoor bleef de Wereldes groen? Deze antwoordt: De Wereldes bleef groen door de dauw.
Ten slotte wendt Odin zich tot Skuld: Waardoor zal de Wereldes groen blijven? De Wereldes zal groen blijven door de dauw.
De laatste zin is spannend omdat de anderen weten dat Skuld niet de waarheid spreekt, want ook de Wereldes moet eens verdorren.
Wie een andere vraag heeft verzonnen, komt als Odin voor het bord, vergezeld door drie nieuwe nornen: Waardoor valt Sif uit bed? Thor zoekt zijn hamer. Hij doet het ruw. Daardoor valt Sif uit bed.

Ik zal jullie iets vertellen waarmee ik jullie een nieuw soort woorden wil leren. Wie doorheeft om welke woorden het gaat, mag aanvullen.

De lerares begint haar verhaal: Vroeger mocht ik in de vakanties vaak bij mijn grootouders logeren. Zij woonden in een dijkhuisje met een grote kelder en zolder. Op een zondagochtend stond ik heel vroeg op. Ik wilde mijn grootouders verrassen door alvast de tafel te dekken. Toen ik de deur van de keukenkast stilletjes opendeed, stond mijn hart even stil van schrik: daar was een hele muizenfamilie op onderzoek uit. Ze zaten tussen de kopjes, in de broodmand, achter de theemuts, op de botervloot, naast de kaasstolp, bij de honingpot. Zodra ze mij zagen, schoten ze weg. Ze kropen uit de kast, achter de kast, over de kast… onder de kast, klinkt het nu uit de klas. Van alle kanten worden nieuwe vluchtwegen voor de muizen aangedragen: boven de kast, voor de kast, tussen de planken… Voorlopig heten de voorzetsels Muizenwoorden.

De term „bezittelijke voornaamwoorden” geeft zó duidelijk aan welke woorden ermee bedoeld worden, dat de lerares denkt dat de kinderen zelf op de naam kunnen komen. Zij loopt langs de banken, staat zo nu en dan bij iemand stil en zegt: Dit is jouw tas. Dat is zijn schrift. Dit is haar puntenslijper.
Terug bij haar eigen tafel, pakt zij enkele spullen uit haar tas en zegt: Dit is mijn tas, dit is mijn agenda, dit is mijn appel. Dit zijn allemaal mijn… Bezittingen, hoopt zij te horen, maar zij heeft buiten de waard gerekend. Er bestaat nog een ander woord voor: Eigendommen, zegt een kind. Tja, dan moeten ze maar even eigendomswoorden heten.

Tegen het einde van de periode hebben de Adam-, de Eva- en de Doewoorden hun echte naam gekregen. De benamingen zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden klinken de kinderen veel gewichtiger in de oren.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)

 

[1] In het Duits is het woord ‘zin’ – de woorden van hoofdletter naar punt – ‘Satz’, dat ook ‘sprong’ betekent. Het is belangrijk dat de kinderen wennen aan het lezen van hoofdletter naar komma/punt in één ‘sprong’. Daarvoor moeten ze oefenen: naar de zin kijken – deze innerlijk lezen – en pas dan hardop lezen – zonder hapering. Daarmee voorkom je dat woord voor woord, soms stuntelig, gelezen wordt; daarbij is bijna geen ‘begrijpelijk’ lezen mogelijk. Ik oefende het ook regelmatig door een zin op het bord te schrijven. Aanwijsstok op de hoofdletter; een langzame beweging over de woorden heen naar de punt. En dan meteen iemand hardop laten lezen – ‘in de stroom’. Je komt zo ook snel te weten wie het al kan en wie niet.

.

4e klas: alle artikelen waaronder meer Nederlandse taal

Nederlands: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

466-432

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Nederlandse taal

.

klas 3 taal 1

Waarom heet een boom nu een boom en waarom zeg ik tegen mijn vader „papa ” en niet ,,mama”?
Voortdurend wordt de leraar van de derde klas met dit soort vragen bestookt.

Op deze leeftijd wil het kind van alles de oorsprong weten, het hoe en waarom, en met zijn vragen probeert hij er meteen achter te komen of zijn meester het allemaal wel weet.

Ook op andere wijzen willen de kinderen weten wat hun leraar waard is. Zonder blikken of blozen kijkt een meisje hem aan en zegt: Wat moet je nou… met jou heb ik niets te maken!, waarbij schouders en wenkbrauwen uitdagend in de hoogte gaan. Dat deze houding niet meer dan een onzekere poging is blijkt wel als de leraar haar even aankijkt: rood van schaamte weet ze opeens niet hoe snel ze haar gezicht moet verbergen.

Dergelijke strubbelingen zijn voor de leraar alvast een voorproefje van het volgend jaar. Nu kibbelen sommige kinderen nog dagelijks met elkaar omdat ze tijdens een wandeling per se aan de hand van hun meester willen lopen. Ook komen ze telkens met hun werk naar hem toe met de vraag: ‘Is het zo goed?’, om daarna welgemoed verder te gaan. Als ze maar op gezette tijden een duwtje krijgen, werken ze verder al heel zelfstandig alleen of samen.

Niet alleen  de houding ten opzichte van de leraar verandert, maar ook die van de kinderen onderling. Vriendschappen ontstaan niet meer toevallig; vaak wordt nu al de basis gelegd voor een vriendschap door dik en dun.
In het spel valt op dat ze meer initiatief nemen: ze wijzen zelf een tikker aan en als er ruzie is, ligt niet meteen het hele spel stil.
In alles wordt het kind zelfstandiger en steviger. Stond het kind in de eerste twee klassen zo open voor z’n omgeving dat het voor alle indrukken ontvankelijk was, nu is het in staat z’n eigen kleur aan deze  indrukken te geven.

Uit de leerstof in de derde klas.
Het verhaal van de schepping en hoe al het geschapene een naam kreeg, hoe de eerste mens Gods verbod overtrad en daardoor verdreven werd uit het paradijs, behoort tot de vertelstof van de derde klas.
De kinderen merken dat het Oude Testament streng en onverbiddelijk is. Je hebt te leven naar de wetten die gegeven zijn en als je dat niet doet, gaat het mis en draai je zelf voor de gevolgen op. Als Lot en zijn vrouw Sodom en Gomorra verlaten wordt hun duidelijk gezegd dat ze niet om mogen kijken. De vrouw draait zich toch om en dat heeft consequenties: ze verandert in een zoutpilaar. Onder Mozes gaat het volk een langzame, moeilijke weg, wankelend tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid.
Het kind leert om zich door middel van de vier hoofdbewerkingen vrij in de wereld van de getallen te bewegen. Ook praktische toepassingen, zoals het omgaan met geld, behoren tot de leerstof.

In de drie heemkundeperiodes worden de oude ambachten spelend beoefend; de boerderij wordt niet alleen in verhalen, maar ook echt bezocht en de klas kijkt wat er allemaal te pas komt aan het bouwen van verschillende soorten huizen, van iglo tot flat.

De derde klas vormt een afsluiting van de gouden kindertijd. Alles wat ze tot nu toe hebben geleerd, moet door oefening tot kunnen en kennen worden.

Over het Nederlands in de derde klas.

Spreken
Tot de derde klas wordt bij het taalonderwijs de meeste tijd besteed aan het spreken. Recitaties hebben vooral het Oude Testament of de heemkunde tot onderwerp. De kinderen zijn nu in staat om ook de betekenis van de gedichten aan te voelen. Hoewel de taal altijd mooi moet zijn, hoeven niet alle gedichten een serieuze ondertoon te hebben. Ze kunnen ook heel luchtig en vrolijk zijn, met taal­- en uitspraakgrapjes. Vooral als handen en voeten mogen meedoen, ontstaat een roerig spektakel.

Schrijven en stelopdrachten.
De kinderen leren nu het verbonden schuine schrijfschrift en de bijpassende hoofdletters. [1]

In de steloefeningen vertellen zij met eigen woorden gedeelten van de verhalen na, die de leraar enkele dagen daarvoor vertelde.

De kinderen leren de spellingregels van de open en gesloten lettergrepen. Zij leren letten op een juiste zinsbouw en goed gebruik te maken van de hoofdletters en de leestekens.

Lezen.
Net als in de tweede klas lezen de kinderen vooral gezamenlijk korte teksten of gedichtjes van het bord. (opmerking 3) Het is nu niet meer nodig dat zij de tekst van de leesoefening uit het hoofd kennen, maar er wordt wel voor gezorgd dat de strekking bekend is.

Grammatica.

De woordsoorten

Spelenderwijs beleven de kinderen het verschil tussen de werkwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige naamwoorden zonder dat deze zo genoemd worden. De leraar probeert levendig met deze woordsoorten om te gaan, zodat het niet een star verdelen van de woorden wordt, maar een groeperen in menselijke samenhang. Dit vraagt om een nadere uitleg:

Wanneer je een ding of een wezen bij de naam noemt (zelfstandig naamwoord), schep je daarmee een afstand tussen jezelf en dat ding of wezen: Hier ben ik en daar staat de hond.

Wanneer ik erbij vertel welke eigenschap het heeft (bijvoeglijk naamwoord), vertel ik wat ik daarbij ervaar: De trouwe hond. Deze ervaring brengt een verbinding tussen mij en de hond tot stand.
Bij de werkwoorden gaan we nog een stap verder. Wanneer ik zeg: De hond graaft een kuil, is de kans groot, dat ik tegelijkertijd met mijn handen gravende bewegingen maak. Maar ook als ik dat niet zichtbaar doe, doorleef ik de actie. Bij werkwoorden is er dus niet alleen sprake van verbonden zijn, maar ook van meedoen. Vertel maar eens over een timmerman die timmert en zaagt. Dan zie je de kinderen met handen en voeten meewerken.

Denken – voelen – willen. Het ligt voor de hand om de kinderen het eerst te laten kennismaken met het werkwoord, omdat het dynamische karakter van het werkwoord het meeste aanspreekt. De lichamelijke bewegingen komen vooral van armen en benen, van handen en voeten. Deze bewegingen worden gestuurd door de wil.

Van de werkwoorden gaan we naar de bijvoeglijke naamwoorden. Deze vertellen wat we innerlijk beleven, wat we voelen. Dit komt het sterkst tot uiting in voorbeelden met tegenstellingen, bijvoorbeeld met sympathie en antipathie: een Zwitser vindt ons water misschien vies, maar een Egyptenaar kan het wel heel helder en fris vinden.

Mijn vader vindt mij jong, maar mijn zoontje zegt dat ik oud ben. Bijvoeglijke naamwoorden zijn uitingen van persoonlijke ervaringen en komen uit het gevoelsgebied.
Ten slotte komen we bij de zelfstandige naamwoorden. Hierbij ervaren we niet zoiets levendigs als bij de werkwoorden of zoiets persoonlijks als bij de bijvoeglijke naamwoorden. Wanneer ik alleen maar zeg: de boom, raakt het je niet. Het is nog een vrijblijvende voorstelling. Voorstelling en begrip horen thuis in het denken. Pas als het beeld wordt ingekleurd met een bijvoeglijk naamwoord, bijvoorbeeld: de bloeiende boom, voel je je betrokken.
Door deze overwegingen wordt zinvol, wat vaak tot een grammaticaal schema verstard is. Goethe zegt het volgende:

Grammatica is geen willekeurige wet, maar het is een spiegel van ons eigen wezen.

De leerkracht die zich dit bewust is, gaat vanzelf op een heel andere manier met de grammatica om.
Ook de andere woordsoorten hangen samen met het denken, het voelen en het willen.
De tussenwerpsels Oei! Au! Ha! zijn directe uitingen van het gevoel.
Ook al zijn de voorzetsels nog zo klein, zij vragen om beweging.
Het kunnen oogbewegingen zijn. Wijs maar eens vanaf een kerktoren naar waar je vrienden wonen:

Achter dat pakhuis, naast het bruggetje, onder die poort.

De ogen moeten steeds naar een andere richting verspringen. Het kunnen ook innerlijke bewegingen zijn:

Niet vóór het bos, maar midden in het bos.

Bij deze maak je in je voorstelling onmiddellijk een sprong van voor naar middenin.

Het overzicht van de woordsoorten ziet er zó uit:

DENKEN hoofd)                    VOELEN (middengebied)       WILLEN (ledematen)
zelfstandige naamwoorden   bijvoeglijke naamwoorden   werkwoorden
lidwoorden                                 tussenwerpsels                        voorzetsels
voornaamwoorden                  bijwoorden                                voegwoorden
telwoorden

 

Natuurlijk behandelt de leraar niet alle woordsoorten uitvoerig in de derde klas. Zij zijn hier slechts gegeven voor de volledigheid.

Een kennismaking met de woordsoorten, met name de werkwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige naamwoorden, is voor de derde klas meer dan genoeg.

Eva en Adam… — een eerste taalperiode.
Jongens, kondigt de leraar aan, deze week ga ik jullie leren met inkt te schrijven. Hoi! roept er eentje en zij kijkt glunderend om zich heen om instemming bij haar klasgenoten.

Op de tafel ligt een hoopje rietstengels. [2] Een paar weken geleden heeft de leraar deze tijdens een zondagse roeitocht verzameld en thuis heeft hij er voorzichtig puntjes aan gesneden. Terwijl hij vertelt over vroegere tijden, waarin de mensen veel meer zelf konden maken, laat hij de klas een rietpen zien. Wanneer de pennen en de potjes inkt zijn uitgedeeld, bekijken de kinderen het riet met heel andere ogen: de doodgewone rietstengel is plotseling een kostbaar gereedschap geworden.

De eerste streken worden gezet en meteen spatten de eerste spetters. Ze moeten nog voorzichtiger met de inkt zijn dan zij al dachten. Het riet schrijft veel stugger dan kleurpotlood, maar het gekras klinkt ze zo echt in de oren. Als voorbereiding op het lopend verbonden schrift doet de leraar enkele slierten voor op het bord die de kinderen met iets meer moeite nadoen:

taal klas 3 2

Bijna elke dag besteedt de leraar tijd aan dit werken met inkt. Het gaat hand in hand met het aanleren van het verbonden schrift. Na een paar dagen worden de rietstengels vervangen door penhouders met pen. Het toppunt van gemak ondervinden de kinderen wanneer zij een vulpen krijgen. Wat zijn ze er in het begin trots en zuinig op.

In de derde klas willen de kinderen graag weten waar alles vandaan komt. Het scheppingsverhaal uit het Oude Testament geeft de meesten op deze leeftijd voorlopig een bevredigend antwoord. Na iedere vertelde scheppingsdag maken de kinderen met waskrijt een tekening en daarin schrijven zij met kleurpotlood wat God die dag schiep:

De eerste dag: Het zal licht worden! En het werd licht.
De tweede dag: De lichte lucht zal naar de hemel stijgen en de zware lucht zal naar de diepte zinken.
De derde dag: Er zal water in rivieren en zeeën stromen en het aardrijk zal gras en kruiden voortbrengen.
De vierde dag:  Geeft glans, lichtjes aan het firmament. Verlicht de tijden elke dag.
De vijfde dag: Vissen, spartelt in het water! Vogels, vliegt en jubelt in de lucht!
De zesde dag: Aarde, komt tol leven met dieren van Iedere soort! En God schiep de mens uit alle krachten van de aarde.

De tekst van de zevende dag geven de kinderen zelf weer, de een uitgebreider dan de ander:
De zevende dag keek God naar beneden en zag dat het goed was. “

of

De zevende dag zei God dat het goed was en dat de mens ook op aarde moest werken. Toen vroeg Michaël of hij Adam en Eva een beetje mocht helpen.

De klas gaat het werkwoord oefenen. De tafels en de stoeltjes worden aan de kant gezet. De kinderen staan verspreid in het lokaal. Lopen, zegt de leraar en daar gaan ze. Stampen. Ze stampen als dragonders in het rond. Ze kruipen, ze graven, ze drinken, ze slapen, ze springen, ze sluipen, ze snuffelen, ze buigen, ze klappen, ze hippen, ze zoemen en ze zitten. Hè, hè, eindelijk rust. Een meisje mag naar voren komen en iets doen. De anderen moeten raden wat. Wie het doewoord het eerst geraden heeft, mag de beurt overnemen.

Later in de periode leren de kinderen de zelfstandige naamwoorden en de bijvoeglijke naamwoorden. De leraar vertelt over Adam en Eva. Hand in hand wandelden zij door het Paradijs.

Adam gaf naam aan al wat bestond, Eva vertelde hoe zij het vond.

Dat ieder kind door iets anders geboeid is, blijkt uit de zelfgeschreven opstelletjes:

Adem  en Eva liepen in het Paradijs. Zij kwamen langs een beer en Eva zei: ‘Wat een groot beest’. Adam zei: „Dat is een beer”. Zij liepen verder. Toen kwamen zij langs een tijger en Eva zei: ,,Wat een mooi dier”. Adam zei: „Dat is een tijger”. En ze liepen door. Toen kwamen zij langs een aap en Eva zei: ,,Wat een gek dier”. En Adam zei: „Dat is een aap”. Ze liepen en ze liepen. Toen kwamen zij langs een boom en daar zat een slang in de boom.

Adam en Eva liepen door het Paradijs en ze zagen een schildpad en Eva zei :,,Wat langzaam”, en ze liepen verder. Toen kwamen zij bij de boom der wijsheid en het slangetje zei: „Hier Eva, neem deze appel”. „Nee slangetje, dat mag ik niet”. „Neem deze appel”. „Nee slangetje, dat mag ik niet”. Het slangetje sprak zo verleidelijk dat Eva de appel in haar hand nam en ze nam een hap van de appel. Ze ging naar Adam en zei: „Adam, neem een hap, Adam”.

Twee kinderen spelen Adam en Eva, die nu niet door het Paradijs lopen, maar door de klas. Dit is de tafel, wijst Adam, waarop Eva antwoordt: Wat een stevige tafel. Adam: Dit is het aanrecht. Eva: Oh, wat een handig aanrecht. Dit is de prullenbak. Bah, wat een stinkende prullenbak.

De kinderen hebben de afgelopen dagen een paar keer deze oefenspelletjes gedaan. De meesten kennen nu het onderscheid tussen de Doewoorden, de Adamwoorden en de Evawoorden.

Nu worden de drie woordsoorten samen geoefend. De kinderen met roodachtige kleren aan moeten opstaan als de leraar een Doewoord zegt, de blauwgekleden bij een Adamwoord en de rest bij een Evawoord. De gelijkgekleurden kijken elkaar betekenisvol aan, niemand wil achterblijven. Eerst horen ze de hele zin: De trotse haan kraait. Dan wordt het woord voor woord herhaald: De trotse… Aarzelend gaan de bontgekleurde kinderen staan en weer zitten. …haan… Daar gaan de blauwen. …kraait. De roden twijfelen het minst. Ook een andere volgorde is mogelijk: Knort het vette varken? Sommige kinderen staan weliswaar op het juiste moment op, maar kunnen het eigenlijk nog niet helemaal vatten. In de groep voelen zij zich echter veilig.

De kinderen schrijven veel verhalen. Daar vragen zij om. De thema’s zijn vaak naar aanleiding van de vertelstof gekozen. Na het verhaal van Jozef in Egypte die de droom van de farao uitlegde, schrijven de kinderen hun eigen dromen op. Soms ook schrijven zij over hun dagelijkse belevenissen of bedenken zij met z’n tweeën een dialoog. De leraar helpt de spelfouten uit het werk te halen en wanneer het helemaal goed is, schrijven zij het op hun mooist over en maken zij er een tekening bij. De leraar kopieert de verhalen en maakt er boekjes van. De kinderen zijn opgetogen als zij hun werk in een boekje terugvinden.

Mozes — een tweede taalperiode.
De kinderen horen het geboorteverhaal van Mozes:

De farao van Egypte, in wiens rijk de Hebreeërs in slavernij leefden, droomde over een klein kind dat zwaarder woog dan heel Egypte. Wijzen, die de betekenis uitlegden, waarschuwden hem voor dit kindje, dat de bevrijder van de Hebreeërs zou worden. De farao gaf daarop bevel om alle eerstgeboren jongetjes in de rivier te werpen. Mirjam, het zusje van de pasgeboren Mozes, droeg haar broertje in een mand naar de rivier en verborg hem in het riet in de wetenschap dat de dochter van de farao daar altijd langskwam. De prinses hoorde het kind huilen en wilde voor het vondelingetje zorgen. Mirjam, die dit gezien en gehoord had. kwam te voorschijn en stelde de prinses voor het kind bij een voedster te verbergen. Zo kwam het jongetje veilig terug bij zijn moeder. Vanaf zijn derde jaar ontfermde de farao’s dochter zich over zijn opvoeding.

Elke dag reciteert de klas gedeelten uit het toneelstuk „De geboorte van
Mozes”. Er komen twee liedjes in voor. Een ervan wordt gezongen door de
Hebreeërs die bij de bouwwerken van de farao dwangarbeid verrichten. Zingend gooien zij de stenen naar elkaar door. De kinderen zijn zwoegende arbeiders geworden. In plaats van stenen geven zij elkaar hun zware tekendozen door in het ritme van dit liedje:

taal klas 3  3

De kinderen doen geconcentreerd mee, want wie even niet oplet, krijgt een tekendoos tegen zijn hoofd. [3]

Ook spelen ze de gedeelten die ze kunnen opzeggen. Sommige kinderen weten wie ze willen zijn: de farao, de prinses, een riethalm, een eendje, de opziener enzovoorts. In het begin mag iedereen spelen wat hij wil. Later zoekt de leerkracht voor sommigen een rol uit, zodat ook de bedeesde kinderen aan bod komen. Harm, bijvoorbeeld, durft niet zo op de voorgrond te treden. Hij krijgt de rol van de wachter. Hij staat op het toneel naast de farao en hoeft verder niets te doen….lijkt het. Maar Harm vat zijn rol ernstig op: hij is gespannen als een snaar. Zijn ogen speuren het toneel af naar mogelijke gevaren. Hij is immers de farao aan het bewaken!

Daantje, die altijd zo gesloten is en zelf meestal een eenzame, stille rol kiest, mag een van de twee eendjes zijn. Zij waggelen achter elkaar aan en snateren om het hardst. Zijn tekst is simpel en kort, maar hij laat tenminste van zich horen. De onstuimige Marrie daarentegen kan zich heerlijk uitleven in de rol van de heerszuchtige farao. Eindelijk kan zij de baas spelen, zonder dat er ruzie van komt.
Op deze manier gaat het toneelspelen niet louter om het spel, maar helpt de kinderen verder in hun ontwikkeling.

Repeteren – derde taalperiode

De leraar probeert in herinnering te brengen wat er in de eerste taalperiode is gedaan.
De schriften worden uitgedeeld en als de kinderen deze nog eens hebben doorgelezen, vertelt de leraar:

Net zoals Adam hebben jullie ook eens voor de eerste keer geademd. Met deze adem heb je langzamerhand leren spreken. Eerst thuis en op straat en later ook hier op school, heb je steeds meer van de taal in je opgenomen. Daardoor draag je al, zonder het te weten, alles in je mee wat we gaan oefenen in deze periode. Eigenlijk kun je zeggen dat je een schatkamer van binnen hebt. Daar kun je alles wat we nodig hebben uithalen, net zoals een schatbewaarder de edelstenen die hij verzameld heeft, uit de schatkist haalt, ze bekijkt, onderscheidt en goed leert kennen.

Wanneer de kinderen voor het eerst echt in boeken lezen, geeft de leraar de opdracht om de Doewoorden te zoeken, die in het gelezen stukje staan. De kinderen blijken dat zo goed te kunnen, dat de leraar een beetje overmoedig wordt: ze moeten in datzelfde stukje de Adamwoorden [4] opzoeken en in hun schrift schrijven. Bij een aantal kinderen loopt het nu spaak. Verwarring en onrust alom. De leraar merkt dat sommigen het wel samen kunnen, maar nog niet alleen. Om ze te helpen geeft hij een paar voorbeelden:

Adam zegt: ,,Kijk Eva, een dennenboom”. Eva: ,,Een stekelige dennenboom”. Adam: ,,Kijk Eva, een zwaan”. Eva: „Een deftige zwaan “.

Hier en daar gaan de vingers omhoog. Sommige kinderen willen zelf graag voorbeelden verzinnen. Ook bij de kinderen die het zo-even niet meer wisten, gaat het nu beter. Opvallend, maar niet zo vreemd is het dat ze het steeds over dieren hebben. De leraar wil ze op een ander spoor brengen. De namen van planten en voorwerpen zijn tenslotte ook Adamwoorden. Even vergeten ze hun dieren en doen ze pogingen om andere soorten zelfstandige naamwoorden te bedenken, maar het duurt niet lang of ze keren vanzelf weer naar hun poezen, honden en muizen terug.

Ook bij de Evawoorden gebruiken de kinderen weinig variaties. Ze noemen steeds: groot, klein, mooi, lelijk en nog een paar algemene beschrijvingen. Weer moeten zij op andere ideeën gebracht worden: De woeste beer, de harige beer, de grommende beer, de duistere lucht, de bewolkte lucht, de zonnige lucht, de dreigende lucht.
Aha, bedoel je dat?! Nou meester, pas maar op! Even nadenken en daar vliegen de vingers omhoog. Ze grinniken om elkaars bedenksels die steeds gekker worden: Het vrolijke nijlpaard! De moedige mug! De slaperige waakhond!

Toch ontgaat de kinderen de essentie van de Adam- en Evawoorden, de leraar had teveel verwacht. Hij besluit terug te gaan naar de Doewoorden. Op het bord schrijft hij met grote letters: IK GA STAAN. Sommigen hebben meteen in de gaten wat de bedoeling is. Zij staan op, spoedig gevolgd door de rest. STAAN wordt uitgeveegd en daarvoor in de plaats komt LIGGEN. De hele klas duikt naar de grond. Bij de werkwoorden voelen de kinderen zich meer in hun element. Hier gaan actie en begrip goed samen.

Het toneelstuk over de geboorte van Mozes heeft in deze periode ook nog steeds de volle aandacht. Aan het eind van de periode zal het voor publiek worden opgevoerd.
Behalve om te spelen, gebruikt de leraar de tekst, die de kinderen nu helemaal uit het hoofd kennen, ook voor andere doeleinden: het oefenen van de drie woordsoorten. Terwijl de kinderen de zinnen reciteren, stampen ze als ze een werkwoord tegenkomen, klappen ze in de handen bij een zelfstandig naamwoord en maken ze een sprongetje omhoog bij een bijvoeglijk naamwoord:

 Ooievaar: Ik kom met deftig afgemeten passen
s
tamp    sprong sprong     klap
door het diepe water plassen.
sprong   klap   stamp
Een kikkertje hier, een visje daar.
            klap                      klap
Ziezo, met eten ben ik klaar.
                   stamp

Prinses: Stil! Ik zie de ooievaar.
                                 stamp klap
Wat zoekt hij daar?
          stamp
In het water gewis
             klap
een maaltje vis.”
            klap    klap

Ze vinden het oefenen heel spannend, maar natuurlijk gaat er veel mis: soms springt er een in zijn eentje op, soms gebeurt er niets als er gestampt moet worden. De geeft niets, als de kinderen maar allemaal meedenken. Dan schrijft de leraar enkele regels van het toneelspel op het bord. Met zijn hulp onderstrepen de kinderen de werkwoorden rood, de bijvoeglijke naamwoorden geel en de zelfstandige naamwoorden blauw.

Het is carnaval. Er heerst een soort marktsfeer in het schoolgebouw. Overal slingers en in elk lokaal is wel iets leuks te doen of iets lekkers te eten. De derde klas zal het toneelstuk opvoeren. In het lokaal is met kleurige doeken een grote, deels open tent gebouwd. Dat is het paleis van de farao. Aan de andere kant van het lokaal staan stoelen en bankjes voor het publiek, leerlingen uit de andere klassen.

Die ochtend komen er wel vier prinsessen, een even groot aantal farao’s, zes wachters en vijf rietstengels binnen. Niemand heeft zich verkleed als eend. De kinderen voelen zich zeker te groot om als eendje op school te komen. Er loopt wel een statige ooievaar rond. Het is de jongste van de klas.
De rollen worden verdeeld. Ze zullen het stuk meerdere keren spelen, zodat alle farao’s en prinsessen een keer de hoofdrol krijgen. Er is echter één probleem: hoe komen we aan eenden? Spontaan bieden twee gesluierde prinsessen zich aan.

Dan stroomt het publiek binnen: prinsen, feeën, kabouters, kikkers, lieveheersbeestjes, konijnen, Noormannen, Griekse goden en godinnen. Alle plaatsen zijn bezet; de deur gaat dicht en het spel kan beginnen. Het publiek is nog een beetje luidruchtig, maar de spelers spreken zo duidelijk en krachtig, dat het al gauw stil wordt. Even dreigt de farao uit zijn rol te vallen. Hij is een stuk van zijn tekst kwijt. Zachtjes fluistert de schildwacht hem de woorden in. De twee prinsesseneenden trekken kordaat hun lange jurken op en lopen gehurkt langs het riet. Ze kwekken en ze kwaken dat het een lieve lust is. Geen enkele toeschouwer heeft er moeite mee. Het bonte gezelschap is ademloos stil…

Als deze periode achter de rug is, blijkt nog eens hoeveel indruk het toneelspel op de kinderen gemaakt heeft. Wanneer de leraar tijdens het werken een beetje streng optreedt, verzucht een jongetje:
Als slaven moeten wij werken gaan.

De anderen vallen hem spontaan bij:

Nu werken wij als slaven
Wij rennen en wij draven
Dag in, dag uit.
En tot besluit
Een karig loon!
Wat een hoon!
Smart en honger drukt ons neer.
Help ons uit de nood, o Heer!

En de leraar? De leraar lacht beschaamd.

 (Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] bij ‘taal in klas 2’ voegde ik dit commentaar toe:
het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander!. Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wèl!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.
In klas 3 ‘verlies’ je dus geen tijd aan het aanleren van het verbonden schrift.

[2] vogelveren, m.n. de ganzenveer: zeer geschikt.

[3] Ik zou altijd vermijden dat kinderen dingen tegen hun hoofd kunnen krijgen wanneer ze niet goed opletten. (Bovendien gooi je niet met een tekendoos.)

[4] ‘Adam’- en “Eva’woorden zijn zeker namen die de kinderen helpen gevoel te krijgen voor de woordsoorten. In de loop van de 3e klas kun je ook overgaan op noem (naam)woord en hoe-woord.            Pieter HA Witvliet

.

3e klas: alle artikelen

Spraakoefeningen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas: alle beelden

.

465-431

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Opspattend grind (5)

.

SPELEN

opspattend grind‘Mogen ze eindelijk naar school, moeten ze daar puzzelen en spelletjes doen, terwijl ze ver­der willen met het alfabet en sommen maken’, aldus een woordvoerder van Bekius Schoolma­terialen in Onderwijsblad 1.

Wat een vreselijke uitspraak en wat jammer dat zoveel mensen in Nederland de waarde van het spelen nog steeds onderschatten. Kinderen van vier jaar al met een taakkaart laten werken uit een werkmap? Geef kleuters de gelegenheid om te experimen­teren met materialen waarbij zij al hun zintuigen kunnen gebruiken, zoals zand, klei, en vingerverf. Laat hen spelen in de poppenhoek en de bouwhoek, maar bied ook puzzels aan waar­door zij kritisch leren waarnemen en inzicht krijgen.

Een breed aanbod van activiteiten en materialen, daar leert een kleuter van en niet van het ‘ei van Columbus’ van Bekius Schoolmaterialen.

(Anja Visser, Abcoude in Onderwijsblad Aob, nr en datum onbekend)

 

EEN DAG IN EEN VRIJESCHOOLKLEUTERKLAS

 

RUDOLF STEINER   
‘Was wird heute zum Beispiel für Unfug getrieben mit der Einordnung des Spiels in den Unterricht, in die Kindererziehung. Bei dieser Einordnung des Spiels wird sehr häufig das Allerwichtigste nicht berücksichtigt: Wenn das Spiel streng geregelt wird und das Kind sein Spiel in einer bestimmten Richtung verlaufen lassen muß, ist es kein Spiel mehr. Das Wesen des Spiels besteht darin, daß es frei ist.
[1]

Wat wordt er tegenwoordig* b.v. niet voor onzinnigs uitgehaald bij het organiseren van het spel in het onderwijs, in de opvoeding van het kind. Bij dit organiseren van het spel heeft men heel vaak het allerbelangrijkste niet in de gaten: wanneer het spel strak geregeld wordt en het spel van het kind in een bepaalde richting moet verlopen, dan is het geen spel meer. Het wezenlijke van spel is dat het vrij is.

[1] GA 297 Idee und Praxis der Waldorfschule blz 58  *1919

opspattend grind: alle artikelen

Spel: alle artikelen

.

464-430

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.