VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs (4)

.

In ‘Rudolf Steiner over kinderbespreking’ is een aantal malen sprake geweest van ‘waarnemen’. ‘Onbevangen en intens, fijnzinnig – dat bijna letterlijk kan worden genomen: precies, ‘fijntjes’ in de zintuiglijke waarneming.

In deel 3 van deze artikelenreeks staan de voornaamste opmerkingen van Steiner over het bleek eruit zien van kinderen door een overbelasting van het geheugen. Daarbij noemt hij ook als tegenstelling: het te veel blozen, rood worden.

Ook daarop wil hij de vrijeschoolleerkracht wijzen:

Oder man habe einen Knaben vor sich, den man wiederum von einem gewissen Punkte an unterrichtet hat. Der zeigt für ein feineres Bemerken nach einiger Zeit, daß er leise errötet. Nicht Schamröte kommt ihm, sondern ein mit seinen ganzen Gesundheitsverhältnissen zusammenhängendes Erröten kann man bemerken. Das braucht nicht robust aufzutreten, sondern in intimer Beobachtung enthüllt sich: der Knabe ist einfach jetzt von rötlicherer Hautfarbe, als er sie vorher gehabt hat. Natürlich können wieder alle möglichen Veranlassungen dazu da sein; aber das wird sich ja für eine gesunde Erziehungs- und Unterrichtskunst im einzelnen herausstellen. Aber es kann der Fall vor­Liegen, daß ich gerade diesem Knaben in bezug auf das Erinnerungs­vermögen zuwenig zugemutet habe, daß ich zuwenig appelliert habe an sein Erinnerungsvermögen. Dadurch ist er zum Erröten gekommen, und ich muß das nach einer anderen Seite ausbessern, indem ich nun anfange, seine Erinnerungsfähigkeit in Anspruch zu nehmen. Und wieder gibt es eine Steigerung desjenigen, was einem da entgegentritt im, ich möchte sagen, milden Erröten. Das nächste ist nämlich ein Seelisches: der Knabe bekommt leise, aber als Anlage schon bedeutende Zornanwandlungen, Wutanwandlungen. Es ist durchaus ein Zusammenhang möglich, daß aus einem Leerbleiben der Erinnerungsfähigkeit ein Kind zu Zornanwandlungen, zu krankhaften leisen Wutausbrüchen kommt, die wiederum in schädlicher Weise auf den Organismus zurückwirken; denn das Geistig-Seelische ist beim Menschen zwischen der Geburt und dem Tode fortwährend in Wechselwirkung mit dem Physisch-Leib­lichen.
Und die höchste Steigerung, die dadurch kommen kann, ist diese, daß das betreffende Kind zu einer Steigerung, zu einem Unregel­mäßigwerden seiner Atmung, seiner Blutzirkulation kommt. Ich kann sogar nach dieser Richtung hin ganz schlimme Anlagen in das Kind ver­setzen, wenn ich mich nicht zurechtfinde in dem, was sich da zunächst im Rötlicherwerden der Hautfarbe, nachher in den leisen Zorn- und Wutanwandlungen, und dann in einem leise gesteigerten Atmungs- und Zirkulationsprozesse ausdrückt.

Je hebt bv. een jongen voor je die je vanaf een bepaald ogenblik les hebt gegeven. Voor wie hem fijnzinnig waarneemt, blijkt na een bepaalde tijd dat hij makkelijk bloost. Je merkt dat het geen schaamrood is, maar een blozen dat met zijn totale gezondheidstoestand samenhangt. Dat hoeft niet krachtig te gebeuren, maar bij het fijnzinnig waarnemen wordt duidelijk: de jongen heeft simpelweg nu een rodere huidskleur dan hij daarvoor had. Natuurlijk kunnen daar weer alle mogelijke oorzaken voor zijn; dat zal voor een gezonde opvoedings- en onderwijskunst in detail moeten blijken. Maar het geval kan zich voordoen dat ik nu juist deze jongen met betrekking tot zijn geheugen te weinig heb aangesproken, dat ik te weinig een beroep heb gedaan op zijn vermogen tot herinneren. Daardoor is het blozen ontstaan en ik moet dat nu dus weer goed maken door te beginnen zijn vermogen tot herinneren aan te spreken. En weer zul je zien dat  – ik zou willen zeggen – dit matige blozen wat je daar ziet, sterker wordt. Wat volgt is namelijk iets in de ziel.
De jongen krijgt, nog niet heftig, maar in aanleg al duidelijke vlagen van boosheid, van kwaadzijn. Er bestaat toch een mogelijke samenhang tussen het herinneringsvermogen dat niet aangesproken wordt en het feit dat een kind vlagen van boosheid krijgt, niet heftig, maar toch ‘krankhaft’ (in de zin van in deel 1 besproken ‘bandbreedte’) die weer op een schadelijke manier inwerken op het organisme; want geest en ziel staan bij de mens tussen geboorte en dood voortdurend in wisselwerking met het fysiek-lijfelijke.
En de hoogste toename die daardoor kan optreden is dat bij het betreffende kind ademhaling en bloedcirculatie onregelmatiger worden.  Ik kan in deze richting zelfs heel slechte kiemen in het kind leggen wanneer ik geen greep krijg op wat eerst het roder worden van de huid is, daarna op wat matige vlagen van boos- en kwaadheid zijn en op wat zich dan matig geïntensiveerd in adem- en bloedsomloopprocessen uitdrukt.
GA 303 blz. 97
Gezondmakend onderwijs

Tief im innersten Seelischen sehen wir etwas heraufrücken im Kinde in diesem Lebensal­ter, das zuweilen an die Oberfläche tritt und nur in der richtigen Weise gedeutet werden muß.
Wir sehen zuweilen, wie das Kind errötet, errötet unter dem Einflusse gewisser Gemütsbewegungen. Das bedeutsamste Erröten ist das Erröten beim Schamgefühl. Ich meine das Schamgefühl nicht nur im engeren Sinne, wo es sich auf das Geschlechtliche bezieht, sondern ich meine das Schamgefühl im allerweitesten Sinne, wenn das Kind irgend etwas getan hat, was ihm so erscheinen kann nach dem System der Sympathien und Antipathien, die es entwickelt hat, daß es sich zu schämen hat, daß es sich gewissermaßen zurückzuziehen hat von der Welt. Dann schießt ihm dasjenige, was sein Wesen, sein Lebenswesen ausmacht, in die Periphe­rie; es verbirgt sich gewissermaßen hinter der Schamröte das eigentliche Seelenwesen.

Diep in het innerlijk van de ziel zien we in het kind van deze leeftijd (7-14) iets opkomen dat soms aan de oppervlakte verschijnt en dat wel op een goede manier verklaard moet worden.
We zien soms hoe het kind bloost, bloost onder invloed van bepaalde stemmingen. Het belangrijkste blozen is het blozen bij een gevoel van schaamte. Ik bedoel hier niet alleen het gevoel van schaamte in engere zin waarbij het gaat om het seksuele, maar ik bedoel het schaamtegevoel in de ruimste zin, wanneer het kind op de een of andere manier iets heeft gedaan wat voor hem dan iets is om zich voor te schamen, al naar gelang de sympathie en antipathie die het heeft ontwikkeld, iets om zich voor  in zekere zin uit de wereld terug te trekken. Dan dringt zijn wezen naar de periferie; de eigenlijke ziel verstopt zich achter het schaamrood.
GA 304 blz. 17
Niet vertaald

Oder der Lehrer hat ein anderes Kind vor sich sitzen: es wird nicht blaß, im Gegenteil, es bekommt eine auffallend rötere Farbe als früher, und es wird unwillig, es wird unruhig, es wird das, was man heute ein «nervöses» Kind nennt; es hält keine Disziplin, springt auf zur unrech­ten Zeit, kann also nicht leicht auf seinem Platze sitzen bleiben, will immerfort heraus- und hereinlaufen. Nun handelt es sich darum, daß man sich besinnen kann darauf, was diese moralischen Qualitäten bei diesem Kinde hervorgebracht hat. Und siehe da, man wird finden können – nicht in allen Fällen, es sind die Fälle eben sehr individuell, sie müssen eben auf individueller Menschenerkenntnis beruhen können, wenn man sie erkennen will, und das, was man über sie erkennen will, muß auf individueller Menschenerkenntnis beruhen -, da wird man sich überzeugen, wenn man sich auf das, was geschehen ist, besinnt: man hat dem Kinde zuwenig an Gedächtnisstoff zugemutet, das kann auch sein, denn das eine Kind braucht so viel, das andere nur so viel. Wenn man solch ein Kind hat, wie das zuletzt erwähnte, das unruhig wird, das nicht blaß wird, sondern im Gegenteil etwas röter wird, so kann man an allerlei Maßregeln denken, aber man muß, wenn man dem Kinde helfen will, auf das Richtige kommen. Und das Richtige verbirgt sich hier sehr stark. Wer nämlich Menschenerkenntnis haben will, darf sie nicht nur haben für den Menschen vom siebenten bis vierzehnten Jahre, während er in die Volksschule geht, sondern gar manches, was zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre sich abspielt, das erfüllt sich erst in viel späterer Zeit. Dieses Kind, das du so erziehst, daß du ihm zuwenig Gedächtnismaterial gibst, das bereitest du dazu vor, daß es ungefähr im fünfundvierzigsten Jahr an einer Fettschicht, die über dem Herzen liegt, ungeheuer schwierige Krankheitszustände durchmacht. Und das muß man auch wissen, was geistig-seelische Erziehung erst nach Jahrzehnten am Menschen unter Umständen  erzeugen kann.

Of de leerkracht heeft een kind voor zich zitten: het trekt niet wit weg, in tegendeel, het krijgt een opvallend rodere kleur dan vroeger en het wordt dwars, het wordt onrustig, het wordt, wat men tegenwoordig (1924) een ‘nerveus’ kind noemt; het houdt zich niet aan orde, springt op ongelegen ogenblikken op, het kan niet gemakkelijk op zijn plaats blijven zitten, het wil steeds in- en uitlopen. Nu gaat het erom dat je kan nadenken over wat deze morele kwaliteiten bij het kind veroorzaakt heeft. En dan zul je kunnen vinden – niet in alle gevallen – de gevallen zijn zeer individueel, die moeten dus op individuele mensenkennis berusten wil je ze leren kennen , wat je ervan weten wil moet op individuele mensenkennis berusten – daar zul je tot de overtuiging komen, wanneer je nadenkt over wat er gebeurd is: dat kind heeft te weinig geheugenstof gekregen, dat kan zo zijn, want het ene kind heeft zoveel nodig, het andere maar zoveel.
Als je zo’n kind hebt als het laatst genoemde, dat onrustig wordt, dat niet bleek wordt, maar integendeel wat roder, dan kun je aan allerlei maatregelen denken, maar je moet, wil je het kind helpen, wel op het juiste komen. En het juiste zit hier nogal sterk verborgen. Wie namelijk over mensenkennis wil kunnen vervoegen, mag deze niet alleen maar hebben voor de mens tussen het zevende en het veertiende jaar gedurende de basisschooltijd, want heel veel wat zich tussen het zevende en het veertiende jaar afspeelt, komt pas op een veel latere leeftijd te voorschijn. Dit kind dat je zo opvoedt dat je het te weinig geheugenmateriaal geeft, stel je bloot aan het moeten doormaken van een zeer zware ziekte, veroorzaakt door een vetlaag over het hart, wanneer het zo ongeveer vijfenveertig jaar is. Je moet wel weten wat een opvoeding met betrekking tot de ziel en de geest pas na tientallen onder bepaalde omstandigheden kan veroorzaken.
 GA 304a blz. 150
Niet vertaald

Wenn man wieder zu wenig das Gedächtnis belastet, dann entstehen sehr leicht, namentlich schon zwischen dem 16. und 24.Jahre, empfindliche Zustände in dem Organismus.

Wanneer je weer te weinig het geheugen belast, ontstaan er heel gemakkelijk, namelijk al tussen het 16e en 24e jaar situaties in het organisme waarbij je voor iets vatbaar bent.
GA 305 blz. 108
Vertaald:
voordracht 1 t/m/ 9 Opvoeding en onderwijs
.

Om waar te nemen dat het ene kind er blozender uitziet dan het andere of dat een kind soms bleker ziet dan normaal, is niet eens zo moeilijk. Dat het kind dat snel boos is – vaak met een cholerische aanleg – daarbij rood wordt, kunnen we makkelijk waarnemen. Ook de taal heeft zijn uitdrukkingen voor dit menselijke verschijnsel: rood aanlopen van woede; lijkwit zien van angst.
Veel moeilijker is de samenhang te doorzien die Steiner hier beschrijft tussen opvoeding en ziekte, vooral als het gaat om ‘op latere leeftijd’. Misschien moeten we die samenhang zoeken in het feit dat iets wat je eerst gevoelsmatig of mentaal (langdurig) hebt meegemaakt of ondergaan, zich op (veel) latere leeftijd uit in een veel meer fysieke kwaal. En wat betekent hier ‘erfelijkheid’.

Fysiotherapeuten weten uit ervaring dat iemand die jaren figuurlijk te veel op zijn schouders heeft genomen of op zijn nek gekregen, juist daar de pijn krijgt.

Maar, de samenhang van een te weinig belast geheugen en een hartkwaal te doorzien, is veel moeilijker, zo niet onmogelijk. 
In de jaren twintig van de vorige eeuw zei Steiner ook weleens dat het denken beter wordt, als de handen activiteit verrichten, zoals breien bv. Daar werd toen ‘raar’ tegenaan gekeken. Tegenwoordig – met alle hersenonderzoeken  – is de samenhang ‘hand-denken’ al verschillende keren aangetoond – zie ‘handen en intelligentie .

Wellicht zal (ooit) in de toekomst iets op de samenhang ‘hart en geheugen’ wijzen. In de taal vind je bepaalde uitdrukkingen: o.a.
to learn by heart; Maria bewaarde al deze dingen in haar hart.

Veel verder gaat het niet. Ondanks dat blijft wel de uitdaging bestaan waarvoor Steiner de leerkracht stelt: neem onbevangen en intens waar. 

.

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs  [1]    [2]  [3]

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

602-552

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Spel – alle artikelen

.
OVER BEPAALDE SPELLEN

[1-1]  Het spel en de knikkers
Marieke Anschütz over: spel n.a.v. Pieter Breugel de Oude; wat is spel, spelen; overwinnen hindernissen; leren verliezen; wat haal je in huis? kwartet, ganzenbord, regels; 

[1-2] Knikkeren
Rimbert Moeskops over: de knikkertijd; wat gebeurt er allemaal; aanknopen bij rekenen; geld; morele aspecten.

[1-3-1] Het ganzenbordspel als beeld van de werkelijkheid
Bert Voorhoeve over: betekenis van het ganzenbord; de 7 stadia: brug, doolhof enz. Hoe kun je erover ‘filosoferen’ tegen de achtergrond van het leven.

[1-3-2] Het ganzenbord
N.a.v. Mellie Uyldert over: betekenis van het ganzenbord; de 7 stadia: brug, doolhof enz. Hoe kun je erover ‘filosoferen’ tegen de achtergrond van het leven.

[1-4] Dobbelstenen
C. Wilkeshuis over: dobbelsteen; ganzenbord.

 

Aftelversjes  bikkelen   hinkelen   touwtjespringen

vliegeren

 

HET WEZEN VAN HET SPEL

[2-1] Spel en werk
Irmgard Berger over: de ernst van het spel; spel en werk; speelgewoonte i.p.v. ‘speeluurtje’; spel bij kleuters; spel en volwassenheid

[2-2] Spel op de vrijescholen
P.C. Veltman over: wezen van het spel; wezen van het kleine kind; ernst van het spel; nabootsing

[2-3] Kinderspel, een serieuze aangelegenheid
Etty Feringa over: spel als voedingsbasis voor later; ernst van het spel; materialen; soort speelgoed; fantasie en spel en later; nabootsing: de werkelijkheid wordt nagedaan.

[2–4] Het spel van het kind
Elisabeth Klein over: spel als voorwaarde voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.

[2-5] Meer ruimte voor vrij spel
Louise Berkhout
over: spel: fantasie-, sensopathisch, motorisch, vrij spel; psychosociale gezondheid; tijd en ruimte nodig; vitaliteit.

[2-6/1] Spel
Wouter Drewes over: bij de kleuter; ritmische activiteit, fantasie, scheppingskracht; bij het basisschoolkind;verandert het karakter; waarom geen gymnastiek in klas 1 en 2?; 

[2-6/2] Spel en sport
Wouter Drewes over: spel en sport: de verschillen; balspelen: hand- voetbal; hockey; het ontstaan van deze sporten; Steiner over sport; ‘voetbal is oorlog’

[2-7] Spel
Margreet van Waning over: observatie van haar spelende kind; fantasie; hij herkent zichzelf 

[2-8] Spel
Het binnenstebuiten over: waarom belangrijk; Schiller over spel.

[2-9] Kinderspel als opvoedingsmiddel
Henk Sweers over: kringspel; krui-kruiwagentje; samenhang met carnaval; ontwikkeling kind, Ik.

[2-10] De werkelijkheid van het kinderspel
Henk Sweers over: nabootsing; belang kinderspel; klein Anna zat op ene steen (uitleg); Mellie Uyldert over dit spel.

[2-11] Een Noorse aanpak ter ondersteuning van risicovol spel bij kinderen
Een studie over de waarde van risicovol spel. Laat kinderen hun eigen grenzen vinden.

Traditionele kinderspellen: een sleutel tot het stimuleren van motorische vaardigheden?
Een onderzoek naar de waarde van traditionele bewegingspelletjes voor de ontwikkeling van de grove motoriek van 5- 6-jarigen.

LEREN I.P.V. SPELEN?

[3-1] Kleuters leren meer van spel dan van school
Sieneke Goorhuis over spel en spelen in de kenniseconomie.

[3-2] Laat dat kind toch lekker spelen
Ditty Eimers over: Peter Gray; Sieneke Groothuis en Louise Berkhout over het belang van spelen voor de ontwikkeling van een kind.

[3-3] De kleuter en het spel
Annerieke Bolandover: 
kleuter is geen schoolkind; ‘leren’ gebeurt in spel; hoe kijk je naar een jong kind; spelen is ontwikkelen; betrokken zijn op het kind.

KRINGSPELEN

[4-1] Kinderspelen en jaargetijden
A.J.Miedaner
over: leven- en doodskrachten in de natuur; opbouwen en afbreken; ‘In Holland staat een huis’; knikkeren; touwtjespringen; vliegeren; tollen.

SPEELGOED

[5-1] Speelgoed
Annet Schukking over: op aarde komen; zintuigen; nabootsingsdrang; fantasie; materialen

[5-2] Het spelen – het spel – het speelgoed
A.J.Miedaner
over: de ‘onvolmaakte’ pop; huilende pop; Jan Klaassen; over poppenkastpoppen

[5-3/1] Speelgoed
Dorry
over: cadeautjes voor de kleine schoen; ideeën voor geschenken vanaf 1 jr – 6jr. O.a. vredesbeweging over: lijst met allerlei suggesties voor speelgoed voor de leeftijd 0 – 10jr.

[5-4/1] Spel en speelgoed
Drs. H.G.M.Daeter
over: wat is spel; wat is speelgoed; behoefte van kind als uitgangspunt; voorbeelden daarvan; invloed reclame;

[5-4/2] Spel en speelgoed
Drs. H.G.M.Daeter over: spelruimte geven; spelbelemmeringen; hoe speelgoed kiezen; 

[5-4/3] Spel en speelgoed
Drs. H.G.M.Daeter over: verveling en vervreemding; media en consumptie in relatie met spel en speelgoed; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed

[5-5] Spel en speelgoed
Rudolf Steiner over: het belang van beweegbare wandplaten. Met voorbeelden.

[5-6] Wat is educatief speelgoed
Loïs Eijgenraam over: wat is speelgoed: visies op spel; educatief speelgoed versus speelmateriaal: van buitenaf, van binnenuit.
.

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

.

601-551

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-1)

.

Irmgard Berger, vertaling Caroline Bos-Everts, Jonas 12 20-04-1979
.

Spel en werk
.

Een volwassen mens kijkt naar een spelend kind en glimlacht. Hij herkent zichzelf in de houding en de woordjes van dat kind, dat helemaal in zijn spel verdiept is.

Het heeft een stoel ondersteboven ge­zet en met een kleur van inspanning doet het daarop de was. Op een was­bord dat er niet is, schrobt het lucht en pakt het zeep en een borstel van lucht. Het zucht van inspanning. Snel wendt de volwassene zich af. Hij ziet zichzelf weerspiegeld in het spel van het kind. Maar als we aan het kind vragen: ‘Wat doe je eigenlijk?’ dan zal het, net als wijzelf, antwoorden: ‘Ik werk!’ [1]
Wat is nu spel, en wat is werk? Voor een volwassene is alles wat nodig is om aan bepaalde behoeften te vol­doen, werk. Wat hij doet, doet hij om­dat het nuttig en doelmatig is. Maar in het spel van een kind bestaan die voorstellingen niet. Al het spelen is voor het kind: vreugde om te doen. Zo is in de ogen van volwassenen het bezig zijn van een kind, spel. Het kind zelf echter neemt zijn spelen net zo ernstig en belangrijk op, als een volwas­sene zijn werk. Hij gaat helemaal op in zijn spel. Maar een kleuter kan alleen maar spelen als hij gestimuleerd wordt door mensen in zijn omgeving, die met vreugde werken. Zo nauw hangen spel en werk samen. Waarom?

In de eerste periode van zeven jaar be­leeft het kind het geestelijk-psychische van zijn omgeving, dus ook hoe de mensen bezig zijn met hun werk. Dit is een kracht die in het kind beweging losmaakt, dat wil zeggen die het kind nabootsend in zich opneemt en, spe­lend bezig, weer naar buiten kan bren­gen. Het kind leert daarbij de mensen in zijn omgeving kennen, het oefent zijn ledematen en gaat zich met zijn ik ermee verbinden. Dat betekent werk ten opzichte van zijn ontwikkeling: werken aan zichzelf, dat in tegenstel­ling met het werken van volwassenen, nog niet uiterlijk nuttig is. Menselijke werkzaamheid is voor het kind een sti­mulans om te spelen, het brengt hem in beweging, en de eigen beweging stimuleert weer zijn groei en zijn ont­wikkeling. De kleuter is niet vrij in het in-zich-opnemen van menselijke werk­zaamheid, maar wel is hij vrij in het naar-buiten-spelen ervan. Dit laatste kan op een heel ander tijdstip uit het eerste voortkomen, en de werkzaam­heid ervan kan door het ik van het kind individueel zeer verschillend tot uiting komen. Echt spel moet eigenlijk altijd voortkomen uit direct deelne­men aan het leven. In de kleuterklas kan er dan ook geen ‘speeluurtje’ zijn, maar alleen een speel-gewoonte. Het spel moet altijd uit plezier en vreugde voortkomen, dan is het ik van het kind er in betrokken. Het wordt an­ders tot een bezig-zijn, wat net zo ver­moeiend is als het werken-zonder-plezier voor een volwassene: het werkt verlammend op zijn zieleleven en schept geen relatie tussen het ik en de ledematen.

Voor volwassenen is er een werktijd; bij het kind gaat het er in de eerste
pe­riode van zeven jaar om, of zijn omge­ving hem bewegelijk genoeg kan
op­vangen. Een kind zal, als dat zo uit­komt, uit zijn spel worden weggeroe­pen, maar het zal er daarna weer met evenveel plezier in terugkruipen. Het kind leeft in het ogenblik. Daar­door kan het op deze leeftijd nog niet zelfstandig in drie fases (voorbereiding, uitvoering, afwerking) werk ten uit­voer brengen. Voortdurend maakt het sprongen omdat het kind naar zijn aard altijd met het doen te maken wil hebben.

Dit in-het-ogenblik-leven is goed waar te nemen in de verschillende speelfases van de kleuter. In het begin is al het spelen alleen maar zich bewegen. Een kind van drie jaar dat op een omge­keerde stoel de was doet, zal al gauw die stoel tot een bed of iets anders omtoveren. Zijn spel verandert voort­durend. Langzamerhand blijft hij meer bij één ding en daarbij zoekt hij ook in toenemende mate naar meer adequate meubels. Maar wat er altijd bij hoort: vol vreugde doet zijn hele lichaam eraan mee.

Werk van een volwassene kan bepaald worden door behoeften; kleuterspel kan überhaupt nooit worden bepaald zonder dat dat een ongezonde terug­slag op het kind zou hebben.

Alle leer- en gedragsspelletjes vereisen dat het kind zich rustig gedraagt, dat het oplet. Het zijn kunstmatig gescha­pen ‘spel’-situaties, die losstaan van het directe leven. De volwassene ver­langt daarbij dat het kind zich iets voorstelt, en doordat hij zelf in abstracte voorstellingen leeft en die wil overdragen, is zijn uitwerking op het kind navenant. Voor het kind is dit een opzettelijk onderdrukken van zijn bewegingsdrang, wat pas op zijn plaats is in de tweede periode van zeven jaar, na het afsluiten van bepaalde groei- en ontwikkelingsprocessen. Voorstellende activiteit zou pas lang­zamerhand op de lagere school mogen worden verlangd, zoals spelen via de liefde voor de leerkracht in werken overgaat. Door de liefde voor de leer­kracht wordt leerdwang tot vreugde, en meer en meer tot arbeidsvreugde. Die arbeidsvreugde wordt groter naar­mate er een beroep op wordt gedaan, zoals anderzijds nu de groei- en rij­pingsprocessen in de ontwikkeling van het kind tot een einde komen. In de schooltijd zoekt het kind het samen spelen met leeftijdgenootjes, de ge­meenschap. Het kind kan zijn indivi­dualiteit nu invoegen in een geheel en zijn bewegingsdrang intomen, waar­door hij wakkerder is voor zijn omge­ving.

Zo metamorfoseren zich spelen en leren in de verschillende ritmen die aan de ontwikkeling inherent zijn. Na het eenentwintigste jaar, nadat de opgroeiende mens zijn eerste ervarin­gen met eigen inzicht heeft opgedaan, kan het ik zich actief gaan instellen op wat sociaal nodig is. De bewegelijk­heid in het spel, die via plezier-in-het-leren tot liefde voor werk leidde, doet een positieve instelling ontstaan ten opzichte van situaties waarin de mens nodig kan zijn. Noodzakelijk werk kan worden aangepakt zonder dat daartoe in de eerste plaats beleefd wordt dat men afstand van iets moet doen. Uit bewust persoonlijk verantwoordelijk­heidsgevoel en met begrip zal zich de jonge mens in allerlei levenssituaties willen inleven. Hij zal daarbij nieuwe dingen leren en hij zal de wisselwer­king  tussen zijn werkzaamheid en zichzelf, en ook die tussen zijn werk­zaamheid en zijn omgeving ervaren. Deze ervaring zal het hem mogelijk kunnen maken om op ieder moment van het leven waarop dat nodig is, te beschikken over een positieve instelling. Maar de mens moet dit bewust willen. Dan kan liefde tot het werk – die bewust in het ik is ontstaan -rijpen tot de mooiste vrucht van echt kinderlijk spelen.

[1]ik speel niet ik werk 1

            ↑ ‘Ik speel niet: ik werk’ ↓

ik speel niet ik werk 2

.
Rudolf Steiner: over spel

Opspattend grind: over spel: nr. 16, 19, 29, 53, 59, 68

spel: alle artikelen

.

600-551

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Spel (1-1)

.

Marieke Anschütz, Jonas 09-01-1981
.

Het spel en de knikkers

Er is een verrukkelijk schilderij van Pieter Breughel de Oude waarop hij alle spelletjes die er in zijn tijd werden gespeeld, heeft uit­gebeeld. De kunsthistorici hebben ze zelfs geteld: het zouden er 84 zijn, van bellen blazen tot bruiloftje spelen toe. Er is slechts een enkel kind dat alleen speelt, verreweg de meeste spelen met elkaar. Ik dacht niet, dat het de schilder erom te doen was voor later tijden een verzameling aan te leggen van de toen bekende spelen. Het is meer of Breughel wil zeggen: kijk, zoals de kinderen spelen lijkt op wat er gebeurt in de samenleving van de volwassenen. Ze oefenen zich in het spel voor later. Maar wat wordt dan geoefend?

Het behoort, dacht ik, tot het wezen van het spel dat het geen doel in zichzelf kent. In principe kan het eindeloos duren en je kunt steeds weer opnieuw beginnen. Het eerste wat je zo globaal over de meer gerichte spe­len kunt zeggen, is dat de natuurlijke drang tot bewegen door allerlei onderlinge afspra­ken gekanaliseerd en gereguleerd wordt. Het tweede is, dat bij elk spel bepaalde hindernis­sen genomen moeten worden, voordat je ver­der kunt, en vaak lijkt het of de zin van het spel, van het spelen in het algemeen, ligt in —het overwinnen van die hindernissen, steeds weer, zodat je al oefenend behendiger wordt. Bij bokspringen moet je je aanloop goed be­rekenen en hoog genoeg springen, anders bots je tegen ‘de bok’ aan of blijf je steken op zijn rug! Het kind heeft een stuk zekerheid en zelfvertrouwen veroverd als het na een tijdje merkt dat het gaat, dat zijn afzet sterk ge­noeg is om over de hindernis heen te komen. Het overwinnen van jezelf is zowel naar bui­ten als naar binnen toe steeds in wording, het is nooit af, er komen steeds weer nieuwe hindernissen die genomen moeten worden, en dat ervaart een gezond kind ook als reëel. Weerstanden zijn er om overwonnen te wor­den. Zo is het leven, of misschien kun je nog beter zeggen: dat is leven!

Wanneer begint een kind te spelen? Je zou kunnen zeggen: vanaf de zesde week. Dan wordt het kind wakker voor zijn omgeving, het ontdekt zijn eigen handjes en het maakt het eerste sociale contact. De ernstige blik van de ogen wordt doorbroken door dat eer­ste schattige lachje dat meestal de moeder geldt. En nog voordat het eerste jaar voorbij is, hebben moeder en kind een spelletje ont­dekt dat in allerlei vormen het hele verdere kinderleven even verrukkelijk blijft: dat is het kiekeboespelletje, dat later ‘verstoppertje’ heet, en nog veel later ‘spoken’. Een spel van zichtbaar en onzichtbaar, van licht en duister.

Winnen en verliezen

Ieder voorjaar wordt er verwoed geknikkerd op het schoolplein. Er is geen spel waarbij je zo goed leert verliezen, en leert om verstan­dig met je bezit om te gaan. Er zijn kinderen die al gauw afstand kunnen nemen van dat felle gebeuren van winnen en verliezen. Zij bewaren zuinig enkele mooie stuiters en met de rest wagen ze telkens een gokje. Ze knik­keren echt om het spel. Er zijn echter ook kinderen die ervan bezeten zijn. Het zijn al­tijd jongens en het zijn meestal niet de beste verliezers. Een jongen van acht had een enor­me zak knikkers verzameld. Ook zijn zak­centjes werden in knikkers omgezet. Hij knik­kerde bij het leven, het liet hem weken lang niet meer los. Maar o, wat zijn er een tranen gevloeid in dat voorjaar! De jongen knikker­de goed en hij won vaak, maar hij nam het op tegen iedereen, en daardoor verloor hij minstens evenveel, en dan was er bitter ver­driet. Het hielp niet als je wees op die grote zak vol knikkers. Iedere verloren stuiter was er één. Hij heeft toen in het groot gewonnen, maar ook in het groot leren verliezen. Want het volgende voorjaar speelde hij veel bedachtzamer, en kon beter afstand nemen van winst en verlies.

Binnen spelen

Vanaf het zesde jaar kan een kind er inner­lijk tegen om zo zoetjes aan te leren verlie­zen. Bij spelletjes worden ze voor vol aange­zien en mogen op eigen kracht meedoen. Het aloude ganzenbord ,het levensspel’ vol hinder­nissen is nog steeds zeer geliefd en wordt be­slist niet alleen gespeeld op oudejaarsavond. Er bestaan variaties op het ganzenbord onder andere een oud tramspel en een treinenspel, beide uitgaven van het Nederlands
Spoorweg­museum in Utrecht.

Dan zijn er kwartetspelen in allerlei vormen. Een goed kwartet om mee te beginnen is een spel gebaseerd op kleuren, zodat kinderen die niet of nauwelijks kunnen lezen, toch mee kunnen doen. ‘Mijn eerste kwartet’ is goed doordacht en verzorgd van tekening en kleur. Dat soort kwartetten moet je met een lantarentje zoeken, want de meeste dieren-, bloemen-, steden- of sport-kwartetspelen zijn volmaakt willekeurig samengesteld. Er is geen enkele lijn in te ontdekken, maar je kunt er wel mee spelen. Zowel met kwartet­spelen als met ganzenborden leer je op een elegante manier verliezen, want je bent niet de enige verliezer.

Haal niet teveel spelletjes tegelijk je huis in. Dat heeft geen zin, net zo min als met speel­goed. Liever eerst een enkele, zoals huisje­-boompje-beestje, een eenvoudige plaatjesdo­mino van karton of hout en zo’n eerste kwartetspel. Als je deze eerst vele malen met de kinderen hebt gespeeld, dan zijn alle va­riaties daarop later gemakkelijker herkenbaar. In vakanties of op hoogtijdagen wordt dan langzamerhand de voorraad aangevuld.

Samen doen

Telkens weer merk ik hoe belangrijk het is, dat je als ouders een nieuw spel inzet met de kinderen samen. Niet in de trant van: ‘Dat zal ik jullie wel even voordoen’, maar meer: ‘Mag ik meedoen? Want ik wil het ook leren kennen’. Als een oudere erbij is, worden de regels van het spel direct goed voor iedereen duidelijk, zodat daar nooit ruzie over behoeft te ontstaan. Later maken de kinderen er wel variaties op, maar altijd uitgaande van die vaste, vertrouwde regels. Als je het al niet wist, dan kun je het aan de spelletjes merken dat ieder kind behoefte heeft aan vaste regels en goede gewoonten, als een vaste grond onder zijn voeten. Het geeft een kind zelfver­trouwen en een rustige kern van waaruit de wereld wordt verkend.

Je doet echter meer ontdekkingen. De kinde­ren spelen alles mee, maar uiten ook langza­merhand hun voorkeur voor bepaalde spel­letjes. Soms kun je het zelfs omdraaien: be­paalde spelletjes zijn goed voor een bepaald kind. Dat heb ik ervaren met dat geliefde én verguisde spel Monopoly. Het omgaan met veel, bijna echt geld zoals in Monopoly aan de orde is, heeft een onschuldig voorstadium: het winkeltje spelen. Dat begon in ons gezin, toen onze oudste dochter op haar vijfde ver­jaardag een winkeltje kreeg, gemaakt van een grote houten kist, met schapjes en laden en een langwerpig houten blok als toonbank, al­les gezellig bruin en groen geschilderd. Er was een weegschaal, puntzakjes, allerlei bak­jes en roodgeruite zakjes met ‘levensmidde­len’ tot en met de winkelbel toe. Het verhan­delen zelf gaat eerst in natura, met eikels en kastanjes, maar al gauw wordt er geld ge­maakt, getekend en uitgeknipt. In een latere fase wordt al het speelgoed tentoongesteld en geprijsd. Daar zijn ze werkelijk uren mee bezig. Op den duur verzamelde ik een spe­ciaal zakje buitenlandse munten, waarmee nog veel ‘echter’ gespeeld kon worden. Het is nu een beetje over, want ze zijn nu al zo groot dat ze een kleine hoeveelheid zakgeld mogen beheren. Die intensieve speelperiode heeft echter goed gewerkt. Een van de kinderen bleek van meet af aan sterk geboeid te worden door dat gegoochel met kleine en grote bedragen aan geld. Uitge­rekend dat kind krijgt op zijn negende ver­jaardag Monopoly cadeau. Hij had het leren kennen bij vriendjes, het was een openlijke wens geworden. Het is geen gemakkelijk spel en aanvankelijk ontstond steeds weer ruzie, omdat de regels niet duidelijk waren. Totdat vader kort daarna de tijd nam om een hele zondagmiddag met dit kind Monopoly te spe­len. De jongen heeft het er nog over: ‘Pappa en ik hebben toen vier en een half uur gespeeld!’ Hij heeft zich helemaal kunnen uitleven in de enorme getallen en de vele papie­ren en gewichtige kaarten. Hij kent nu niet alleen grondig de regels, maar zijn lust in gro­te getallen is geheel bevredigd. Hij kan nu af­stand nemen, hij doorziet het spel tot op ze­kere hoogte, zelfs in de negatieve kanten, en hij ziet ook ineens de andere speler als mede­speler. In het begin had hij geen geduld met een zusje dat minder vlot rekende dan hij. Nu legt hij het rustig uit of wijst de ander een weg om er ook te komen.

Zaterdagavond

Er zijn gezinnen waar de zaterdagavond ge­wijd is aan bezigheden die je gezamenlijk met het hele gezin kunt doen. Met jongere kinde­ren zijn allerlei soorten spelletjes erg geschikt daarvoor. Er wordt ook wel op andere ma­nieren geprobeerd met elkaar iets te doen. Toch moet je oppassen, dacht ik, dat je zo’n avond niet teveel vastlegt. Als jijzelf vindt dat er iets moet gebeuren met elkaar, heb je de neiging te snel in een bepaalde vorm te schie­ten en die te herhalen. Je zou eigenlijk de durf moeten hebben niet teveel te organise­ren en het te beschouwen als een oefening in het ‘spelen’ met elkaar in de ruimste zin van het woord.

In welke vorm dat gebeurt is minder belang­rijk, want de grondgedachte is: samen iets la­ten ontstaan, met groot en klein. Als moeder kan je dan proberen de juiste stemming op te roepen waarin iets kan ontstaan. Je bent de hele week onderweg geweest, ieder dook onder in de eigen beslommeringen. En dan, aan het eind van die zeven dagen, op de drempel van een nieuwe week, nemen we even afstand van die wereld daarbuiten. We kijken rond in die kleine kring van het gezin, ons ‘uitgangspunt’, en we stellen de vraag: ‘Waar ben je? Hier ben ik’, zoals Niels Holgersson de wilde ganzen riep. Je vraagt naar de ander en je geeft jezelf. Dan kan een beweeglijke vorm ontstaan, en juist die be­weeglijkheid binnen de orde van een aantal regels lijkt mij wezenlijk voor het spel.
.

Rudolf Steiner: over spel

Opspattend grind: over spel: nr. 16, 19, 29, 53, 59, 68

spel: alle artikelen

.
599-550

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Madame Curie

.

DE TRIOMF VAN MADAME CURIE

In het najaar van 1891 liet een Pools meisje, Marya Sklodowska, zich vol gespannen verwachting inschrijven bij de faculteit van de wis- en natuurkunde van de Sorbonne-universiteit te Parijs. Als de mannelijke studenten in de gangen dat ver­legen meisje met haar vastberaden gezichtje en haar eenvoudige, haast schamele kleding tegenkwamen, vroegen ze vaak: “Wie is dat?” Maar het antwoord was vaag. “Een buitenlandse met een onuitspreekbare naam. Op natuurkundecolleges zit ze altijd vooraan.”
Dan oogden de jongelui haar sierlijke figuurtje na en besloten: “Mooi haar!” Heel lang waren het asblonde haar en het typisch Slavische gezichtje het enige waaraan de studenten van de Sorbonne hun bedeesde medestudente herkenden.

Maar dat meisje was allerminst geïnteresseerd in jongemannen. Ze werd geheel in beslag genomen door haar studie en werkte koortsachtig. Voor haar was elke minuut dat ze niet studeerde ver­loren tijd. Marie Sklodowska was te verlegen om vriendschap te sluiten met de Fransen en zocht haar toevlucht bij de kleine kolonie van haar landgenoten, die een eilandje van het vrije Polen vormden in het Quartier Latin, de studentenwijk van Parijs. Daar leefde ze uiterst sober en wijdde zich uitsluitend aan haar studie. Haar inkomen was maar veertig roebel per maand, en bestond uit het geld dat ze in Polen had overgespaard van haar salaris als gouvernante, en de kleine toelage die haar vader, een onbekende maar zeer ontwikkelde leraar wis- en natuurkunde, haar kon sturen. Van dat kleine bedrag — drie francs per dag — moest ze haar kamer, eten, kleren en alle studiekosten betalen. Marie wilde nooit erkennen dat ze honger of kou leed. Om geen kolen te hoeven kopen, stak ze vaak de kachel niet aan, en ze schreef getallen en vergelijkingen op zonder erop te letten dat ze met verstijfde vingers zat te rillen. Weken achtereen leefde ze op niets dan boterhammen en thee. Als ze eens echt lekker wilde eten kocht ze twee eieren, of een stukje chocola of wat vruchten. Door die onvoldoende voeding kreeg het stevige frisse meisje dat een paar maanden tevoren uit Warschau was vertrokken, last van bloedarmoede. Vaak voelde ze zich duizelig als ze opstond. Dan kon ze nog maar net haar bed bereiken voor ze het bewustzijn verloor. Als ze dan weer bijkwam, dacht ze dat ze ziek was. Het kwam nooit bij haar op dat ondervoeding de oorzaak was.

Marie had op het programma van haar leven geen plaats open­gelaten voor liefde en huwelijk. Toen ze zesentwintig was hield ze, geheel beheerst door haar hartstocht voor de wetenschap, nog verbeten vast aan haar onafhankelijkheid. Toen kwam Pierre Curie in haar leven. Hij was een geniaal Frans natuurkundige, die zich met hart en ziel aan het wetenschappelijk onderzoek wijdde en op vijfendertigjarige leeftijd nog ongehuwd was. Hij was een lange man met slanke, gevoelige handen, een ruige baard en een zeldzaam intelligent, gedistingeerd voorkomen. In 1894 maakten ze met elkaar kennis op een laboratorium, en voelden zich on­middellijk tot elkaar aangetrokken. Pierre Curie ontdekte dat mademoiselle Sklodowska een hoogst merkwaardig persoontje was. Wat was het vreemd om met een charmante jonge vrouw te kunnen spreken en daarbij technische termen en ingewikkelde formules te kunnen bezigen . . . Wat was dat een genot!

Pierre Curie probeerde met haar op vriendschappelijke voet te komen. Hij vroeg verlof haar te mogen bezoeken. Ze ontving hem vriendelijk, maar gereserveerd, op haar kamertje. Nooit had Marie hem mooier toegeschenen dan daar op dat kale zolder­kamertje, met haar versleten japonnetje en met die vastberaden uitdrukking op haar gezicht. Wat Pierre zo aantrok in Marie was niet alleen de volkomen toewijding aan haar werk, maar ook haar moed en hoogstaand karakter. Een paar maanden later vroeg Pierre Curie haar ten huwelijk. Maar het scheen Marie Sklodowska ondenkbaar toe dat ze een Fransman zou trouwen en haar familie en haar geliefde Polen voorgoed verlaten. Er moesten nog tien maanden verlopen voor ze eindelijk het denkbeeld van een huwelijk kon aanvaarden. De eerste dagen van hun gemeen­schappelijke leven zwierven Pierre en Marie al fietsend over het platteland; die fietsen hadden ze gekocht van het geld dat ze als huwelijksgeschenk hadden gekregen. Ze aten brood met kaas en fruit, stapten af bij onbekende herbergen, en genoten van de lange verrukkelijke dagen van hun samenzijn-in-eenzaamheid die hun niet meer dan de nodige trapbewegingen en een paar francs logieskosten in het een of andere dorp kostten.

Het jonge paar betrok een bescheiden appartement aan de rue de la Glacière 24. De wanden waren er uitsluitend bekleed met boeken; er stonden verder twee stoelen en een withouten tafel. Op die tafel lagen boeken en artikelen over natuurkunde, er stond een olielamp en een vaas met bloemen — dat was alles. Langzamerhand werd Marie een betere huisvrouw. Ze bedacht gerechten die weinig bewerkelijk waren of die “vanzelf gaar werden.” Voordat ze wegging regelde Marie de vlam met weten­schappelijke nauwkeurigheid. Een kwartier later stond ze dan over ander vaatwerk gebogen en regelde de vlam van een brander in het laboratorium met dezelfde zorgvuldigheid.

In het tweede jaar van hun huwelijk werd hun dochtertje Irene geboren — een mooi kindje, en een toekomstige winnares van de Nobelprijs. Het kwam geen ogenblik bij Marie op dat ze zou moeten kiezen tussen haar gezin en haar wetenschappelijke loop­baan. Ze deed het huishouden, baadde haar dochtertje en zette het eten op, maar ze bleef ook op een laboratorium werken aan de belangrijkste ontdekking die tot die tijd in de moderne natuur­wetenschappen was gedaan.

Eind 1897 toonde de balans van Maries werkzaamheden twee universitaire graden, een studie-opdracht en een monografie over de magnetische eigenschappen van gehard staal. Haar volgende doel was: de doctorstitel. Toen ze een onderwerp voor haar dissertatie zocht, trok een recente publicatie van de Franse natuur­kundige Antoine Henri Becquerel haar aandacht. Becquerel had ontdekt dat uraniumzouten spontaan, zonder aan het licht te zijn blootgesteld, een onbekend soort stralen uitzenden. Wanneer men een stuk uraniumerts, in zwart papier gewikkeld, op een foto­grafische plaat legde, liet het door het papier heen een afdruk achter op de gevoelige plaat. Dat was de eerste waarneming van dat vreemde, merkwaardige verschijnsel, dat Marie later als radioactiviteit zou aanduiden; maar de aard van die straling en de ontstaanswijze waren nog onbekend. Pierre en Marie Curie werden gefascineerd door Becquerels ontdekking. Wat kon de bron zijn van de energie, die uraniumverbindingen voortdurend in de vorm van straling uitzenden? Dat beloofde een boeiend onderzoek te worden — een sprong in het onbekende!

Dank zij de directeur van een technische school, de École de Physique et de Ghimie industrielles, waar Pierre leraar was, mocht Marie daar voor haar proeven een kleine, gelijkvloers gelegen opslagruimte gebruiken. Het viel niet mee in dat hok wetenschappelijk onderzoek te verrichten, waar de atmosfeer fataal was, niet alleen voor de uiterst gevoelige precisie-instrumenten, maar ook voor de gezondheid van Marie Curie.

Toen ze al een heel eind op weg was met haar onderzoek naar de straling van uranium, ontdekte Marie dat de verbindingen van een ander element, thorium, eveneens spontaan stralen uitzenden gelijk aan die van uranium. Bovendien leek bij beide elementen de radioactiviteit heel wat sterker dan te verwachten was van de hoe­veelheid uranium of thorium, die de onderzochte monsters be­vatten. Waar kwam die abnormale straling vandaan? Er was maar één verklaring mogelijk: die mineralen moesten, in kleine hoeveelheden, een nog veel sterker radioactieve stof bevatten dan ura­nium of thorium. Marie had alle destijds bekende chemische elementen in haar onderzoek betrokken. Dan moesten die ertsen dus een andere radioactieve stof bevatten, een nog onbekend element.

Een nieuw element! Pierre Curie, die met intense belangstelling de snelle ontwikkeling bij de proeven had gevolgd, gaf nu zijn eigen onderzoek op om haar te helpen. In dat vochtige werkkamertje zochten nu twee stel hersenen en vier handen naar het onbekende element. Ze slaagden erin alle elementen van pekblende, een uraniumerts, af te scheiden en de radioactiviteit ervan te meten. Toen ze het doel van hun onderzoek naderden, werd het uit hun gegevens duidelijk dat er in plaats van één nieuw element, twee moesten zijn. In juli 1898 konden ze de ontdekking van een van die stoffen aankondigen. Marie noemde het polonium, naar haar ge­liefde Polen.

In december 1898 kondigde het echtpaar Curie het tweede nieuwe element aan, dat ze in pekblende hadden aangetroffen, en dat ze radium noemden — een element dat waarschijnlijk geweldig radioactief was. Nu had niemand dat radium ook maar ooit gezien. Niemand kende het atoomgewicht ervan. De volgende vier jaar werkten de Curies om het bestaan van polonium en radium te bewijzen. Ze wisten al op welke manier ze de nieuwe metalen dachten af te scheiden, maar dat betekende dat ze zeer grote hoeveelheden erts moesten verwerken.

Pekblende, waarin polonium en radium voorkomen, werd bij de mijnen van Joachimsthal in Bohemen verwerkt om daaruit uraniumzouten te winnen, die bij de glasfabricage werden ge­bruikt. Het was een kostbare grondstof, maar Pierre en Marie Curie hadden berekend dat wanneer het uranium aan het erts was onttrokken, het polonium en radium nog aanwezig moesten zijn. Waarom zouden ze dus niet het afgewerkte erts gebruiken, dat heel weinig waarde had?

Van de Oostenrijkse regering kregen ze een ton van dat mate­riaal, en begonnen daarmee te werken in een leegstaande schuur, dicht bij het kamertje waar Marie haar eerste proeven had gedaan. Er lag geen vloer in; de inrichting bestond uit een paar wrakke keukentafels, een schoolbord en een oude gietijzeren kachel. “En toch,” schreef Marie later, “brachten wij in die gammele oude schuur onze beste en gelukkigste jaren door, die volkomen aan ons werk waren gewijd. Soms deed ik een hele dag niets anders dan een kokende massa omroeren met een ijzeren staaf, die bijna even groot was als ikzelf, ’s Avonds was ik dan volkomen op van ver­moeidheid.” In dergelijke omstandigheden werkte het echtpaar Curie van 1898 tot 1902. In haar oude stoffige kiel vol zuurvlekken, met verwaaide haren en in een wolk van scherpe rook, die in haar ogen en haar keel prikte, fungeerde Marie als een com­plete fabrieksinstallatie. Eindelijk behaalde ze in 1902, 45 maan­den na de dag waarop de Curies het vermoedelijke bestaan van radium hadden aangekondigd, haar overwinning: ze was erin ge­slaagd één tiende gram zuiver radium af te scheiden en het atoomgewicht ervan te bepalen. Radium bestond nu officieel.

Ongelukkigerwijs hadden de Curies nog met andere moeilijk­heden te kampen. Aan de École de Physique verdiende Pierre een salaris van ruim vierduizend gulden per jaar, en nadat Irene ge­boren was sloeg het loon van een kindermeisje een gat in hun be­groting. Er moesten nieuwe bronnen worden aangeboord. In 1898 kwam aan de Sorbonne een leerstoel voor fysische scheikunde vacant, en Pierre besloot daarnaar te solliciteren. Het zou zeven­duizend gulden per jaar opleveren, met minder lesuren; maar hij werd gepasseerd. Pas in 1904 werd Pierre benoemd tot hoog­leraar, nadat de hele wereld zijn verdiensten had erkend. Voor­lopig moest hij met een minder belangrijke functie aan de Sorbonne genoegen nemen. Ondertussen kreeg Marie een aanstelling als lerares aan een meisjesschool bij Versailles.

De Curies bleven bereidwillig en zonder verbittering lesgeven, en wijdden daaraan hun beste krachten. Nu ze hun energie moesten verdelen tussen hun eigen werk en hun betrekking, schoten eten en slapen er vaak bij in. Verschillende malen moest Pierre door aanvallen van hevige pijn in zijn benen het bed houden. Marie werd door haar tot het uiterste gespannen zenuwen overeind gehouden, maar hun vrienden schrokken van haar bleke, uitgeteerde gezicht. Zo werd de kennis van de radioactiviteit steeds verder ontwikkeld en uitgebouwd, terwijl de twee natuur­kundigen die deze in het leven hadden geroepen daardoor gaande­weg meer uitgeput raakten.

Gezuiverd in de vorm van een chloride, bleek radium een dof wit poeder te zijn, dat veel op gewoon keukenzout lijkt. Maar het bleek verbluffende eigenschappen te bezitten. De straling over­trof alle verwachtingen in intensiteit; ze bleek twee miljoen maal krachtiger te zijn dan die van uranium. De stralen drongen zelfs door de hardste en meest vaste stoffen heen. Alleen afscherming met zware loden platen kon die verraderlijk doordringende kracht tegenhouden.

Het laatste, meest ontroerende wonder was dat radium een bondgenoot van de mens kon worden bij zijn strijd tegen de kanker. Radium bleek nuttig te zijn — en nu was de winning ervan niet meer uitsluitend van belang voor de wetenschap. Al spoedig zou er een radiumindustrie ontstaan. In verscheidene landen had men plannen gemaakt voor het gebruik van radio­actieve ertsen, vooral in België en Amerika. Maar het “fabuleuze metaal” kon alleen worden gewonnen wanneer het geheim van de ingewikkelde techniek bekend was.

Op een zondagmorgen legde Pierre dat allemaal aan zijn vrouw uit. Hij had juist een brief doorgelezen van een paar technici in de Verenigde Staten, die in Amerika radium wilden gaan gebruiken en hem nu om inlichtingen vroegen. “We kunnen één van tweeën doen,” zei Pierre tegen haar. “We kunnen zonder enige terug­houding de resultaten van ons onderzoek beschrijven, met inbegrip van het zuiveringsproces …” Marie maakte automatisch een gebaar van instemming en mompelde: “Ja, natuurlijk.” “Of anders,” ging Pierre voort, “kunnen wij onszelf beschouwen als de ‘uitvinders’ van het radium, octrooi aanvragen op de ver­werkingsmethode van pekblende, en ons verzekeren van de rechten op het bereiden van radium over de hele wereld.”

Marie dacht een paar seconden na. Toen zei ze: “Dat kan niet. Dat zou in strijd zijn met de wetenschappelijke ethiek.” Pierre’s ernstige gezicht klaarde op. “Goed, dan zal ik die Amerikanen vanavond nog schrijven en hun alle gevraagde inlichtingen geven.”

Een kwartier na die korte gedachtewisseling trokken Pierre en Marie op hun geliefde fietsen de zondagse bossen in. Ze hadden definitief gekozen tussen armoede en welgesteldheid.

In juni 1903 werd Pierre officieel uitgenodigd door de Royal Institution om in Londen een voordracht te komen houden over radium. Daarna volgde er een stortvloed van uitnodigingen voor officiële diners, want heel Londen wilde met de ontdekkers van het radium kennismaken. In november 1903 verleende de Royal Society te Londen aan Pierre en Marie een van haar hoogste onderscheidingen: de Davy-penning.

Vervolgens werden zij gehuldigd door de Zweden. Op 10 decem­ber 1903 kondigde de Academie van Wetenschappen te Stockholm aan dat de Nobelprijs voor Natuurkunde dat jaar voor de helft werd toegekend aan Antoine Henri Becquerel, en voor de andere helft aan het echtpaar Curie voor hun ontdekkingen op het gebied van de radioactiviteit. Die Nobelprijs betekende een bedrag van ongeveer vijftigduizend gulden, en het was niet “in strijd met de wetenschappelijke ethiek” die te aanvaarden. Een unieke kans om Pierre te ontslaan van de noodzaak les te geven, om zijn
gezond­heid te sparen! Toen de cheque was uitbetaald, gingen er giften en leningen naar Pierres broer en Maries zusters, contributies naar wetenschappelijke genootschappen, bijdragen naar Poolse studen­ten en naar een jeugdvriendin van Marie. Marie liet ook een “moderne” badkamer in hun huis installeren en een uitgewoonde kamer opnieuw behangen. Maar het kwam geen ogenblik bij haar op ter ere van het heuglijke feit een nieuwe hoed te kopen. En zij bleef lesgeven, ofschoon ze erop stond dat Pierre de Ecole de Physique zou verlaten.

Nu die roem hun ten deel was gevallen, regende het tele­grammen op hun grote werktafel. Duizenden artikelen ver­schenen in de kranten; honderden verzoeken om handtekeningen en foto’s, brieven van uitvinders, gedichten over radium stroomden binnen. Maar de Curies beschouwden hun opdracht niet als vol­tooid ; ze wilden alleen maar verder werken.

In het voorjaar van 1904 schreef Marie: “… We hebben geen moment rust. De mensen houden ons voortdurend van ons werk af. Nu heb ik besloten flink te zijn en geen bezoekers meer te ont­vangen — maar ze blijven me lastig vallen. Ons leven samen is helemaal bedorven door al die eer en roem . . . Ons rustige leven van hard werken is helemaal in de war gestuurd.”

Toen de geboorte van haar tweede kind naderde, was Marie bijna volkomen uitgeput. Op 6 december 1904 werd er weer een dochtertje geboren, met een hoofdje vol dik zwart haar: Eve, de schrijfster van deze biografie. Al spoedig werkte Marie weer als tevoren op school en op het laboratorium. Men zag het echtpaar nooit in de uitgaande wereld, maar aan officiële diners ter ere van buitenlandse wetenschapsmensen konden ze niet altijd ontkomen. Bij dergelijke gelegenheden trok Pierre avondkleding aan en Marie haar enige avondjurk.

Op 3 juli 1905 werd Pierre Curie tot lid van de Franse Academie van Wetenschappen verkozen. Ondertussen had de Sorbonne speciaal voor hem een leerstoel in de natuurkunde ingesteld — de positie die hij zich al zo lang had gewenst — maar nog steeds had hij geen behoorlijk laboratorium. Marie moest nog acht jaar lang geduld oefenen voor ze de radioactiviteit een passende woning kon geven — in een gebouw dat Pierre zelf nooit zou
aan­schouwen. Op donderdag 19 april 1906 — een zwoele, regen­achtige dag — nam Pierre om half drie ’s middags afscheid van de hoogleraren van de faculteit van de wis- en natuurkunde, met wie hij had geluncht, en liep naar buiten, de regen in. Toen hij de rue Dauphine wilde oversteken, liep Pierre verstrooid achter een huurkoetsje om de rijweg op, en kwam voor een sleperswagen terecht. Verschrikt probeerde hij zich vast te klemmen aan de borst van het paard, dat plotseling begon te steigeren. Pierre gleed uit op de natte rijweg. De voerman trok wel de leidsels strak, maar de wagen rolde door zijn eigen gewicht van zes ton nog ver­scheidene meters verder door. Het linkerachterwiel ging over Pierre’s lichaam heen.

Zes uur. Levendig en opgewekt kwam Marie Curie haar woning binnen. Ze vond er bezoekers, in wier houding ze iets van medelijden voelde. Terwijl ze verslag uitbrachten over het ge­beurde, hoorde Marie hen roerloos aan. Na een lange pijnlijke stilte bewogen eindelijk haar lippen: ‘Is Pierre dood? Dood? Is hij werkelijk dood?” Vanaf het ogenblik dat die drie woorden “Pierre is dood” tot haar bewustzijn doordrongen werd ze een ongeneeslijk eenzame vrouw.

Na de begrafenis stelde de regering officieel voor, de weduwe en kinderen van Pierre Curie een staatspensioen toe te kennen. Marie wees dat onverbiddelijk af : ‘Ik wil geen pensioen hebben,” verklaarde ze. ‘Ik ben jong genoeg om voor mijzelf en mijn kinderen mijn brood te verdienen.”

Op 13 mei 1906 besloot het bestuur van de faculteit van de wis- en natuurkunde eenstemmig om Pierre’s professoraat aan de Sorbonne op te dragen aan Marie Curie. Het was de eerste maal dat in Frankrijk een vrouw bij het hoger onderwijs werd benoemd. Op de dag dat ze haar eerste college aan de Sorbonne zou geven, was de collegezaal propvol; de mensen stonden zelfs in de gangen en buiten op het plein. Men rekte de hals om toch vooral Madame Curies binnenkomst niet te missen. Wat zou de nieuwe hoog­leraar het eerst zeggen? Zou ze de minister en de universiteit haar dank betuigen? Zou ze over Pierre Curie spreken? Ja, onge­twijfeld ; het was immers de gewoonte te beginnen met een lofrede op de voorganger . . .

Half twee . . . De deur achter in de zaal ging open, en onder een storm van applaus liep Madame Curie naar haar plaats. Ze boog even het hoofd, een kort, sober gebaar dat als begroeting was bedoeld. Staande wachtte ze, tot de ovatie zou ophouden. En in­eens werd het stil. Marie Curie keek strak voor zich uit en zei: ”Wanneer men bedenkt welke vorderingen er de laatste tien jaren in de natuurkunde zijn gemaakt, verbaast men zich over de
voor­uitgang in onze denkbeelden betreffende elektriciteit en materie …” Madame Curie hervatte het college precies bij de zin waar Pierre Curie opgehouden was. Nadat ze onbewogen haar nuchtere uit­eenzetting had voltooid, verdween Marie even snel door de achter­deur als ze was binnengekomen.

Nu steeg de persoonlijke faam van Madame Curie als een raket, en verbreidde zich overal. Ze ontving tientallen diploma’s en eer­bewijzen van buitenlandse universiteiten. En ofschoon ze geen lid werd van de Academie van Wetenschappen — ze kwam één stem te kort — kende Zweden haar de Nobelprijs voor scheikunde toe voor het jaar 1911. Het zou nog meer dan vijftig jaar duren vóór een ander waardig werd gekeurd zo’n eerbewijs tweemaal te ontvangen.

De Sorbonne en het Instituut Pasteur stichtten gezamenlijk het Curie Radium-Instituut, dat uit twee delen bestond: een labora­torium voor radioactiviteit onder leiding van Marie Curie; en een laboratorium voor biologisch onderzoek en bestudering van de kankertherapie, onder leiding van een vooraanstaand arts. Tegen de raad van haar familie in schonk Marie aan het laboratorium van het Instituut al het radium dat zij en Pierre eigenhandig hadden gewonnen, en dat meer dan een miljoen goudfranken waard was. Tot aan het eind van haar leven bleef dat labora­torium het middelpunt van haar bestaan.

In 1921 brachten Amerikaanse vrouwen honderdduizend dollar bijeen om één gram radium te kopen als geschenk voor Marie Curie. In ruil daarvoor vroegen ze haar, een bezoek aan de Verenigde Staten te komen brengen. Marie aarzelde. Maar ze was zozeer getroffen door het edelmoedige gebaar, dat ze haar vrees overwon en op 54-jarige leeftijd voor het eerst de verplichtingen van een grote officiële reis op zich nam. Te New York bleef een enorme mensenmenigte haar vijf uur lang aan de kade opwachten. Vanaf het ogenblik dat ze voet aan wal zette werd het duidelijk, hoeveel de bedeesde Madame Curie voor Amerika betekende. Zelfs voordat men haar persoonlijk kende, hadden de Amerikanen haar met een bijna religieuze verering omgeven; nu ze in hun midden vertoefde, kende hun hulde geen grenzen.

Madame Curie had van de meeste Amerikaanse universiteiten uitnodigingen ontvangen. Tientallen erepenningen en ere­doctoraten wachtten haar. Maar de luidruchtige toejuichingen waren haar te machtig. De starende blikken van talloze mensen beangstigden haar, evenals het gedrang. Ze was altijd bang dat ze in die verschrikkelijke deining zou worden doodgedrukt. Ten slotte was ze te zeer verzwakt om haar reis te kunnen voortzetten, en ze keerde op raad van haar artsen naar Frankrijk terug.

Die reis naar Amerika heeft, geloof ik, mijn moeder ertoe gebracht haar hardnekkige afzondering op te geven. Als weten­schappelijk onderzoekster kon ze zich afsluiten voor de buiten­wereld en zich geheel op haar eigen werk concentreren. Maar toen, op vijfenvijftigjarige leeftijd, was Madame Curie niet alleen maar een geleerde. Haar naam had nu zoveel gezag dat ze, alleen al door haar aanwezigheid, een plan dat haar na aan het hart lag kon doen slagen. Van nu af aan zou ze voor dit soort opdrachten een plaats in haar leven inruimen. Al haar reizen leken voortaan veel op elkaar. Wetenschappelijke congressen, lezingen, uni­versitaire plechtigheden en bezoeken aan laboratoria brachten Madame Curie in een groot aantal hoofdsteden, waar ze werd gevierd en toegejuicht.

Ook Warschau bouwde een radiuminstituut — het Marya Sklodowska Curie-Instituut — en  de Amerikaanse vrouwen brachten opnieuw een wonder tot stand door genoeg geld bijeen te brengen om één gram radium voor het Warschause instituut te kopen — het tweede gram dat Amerika aan Madame Curie schonk. De gebeurtenissen van 1921 herhaalden zich: in oktober 1929 vertrok Marie opnieuw naar New York, om Amerika namens Polen dank te brengen. Ze was de gast van president Hoover en logeerde verscheidene dagen op het Witte Huis. Maar ze was in niets veranderd: noch in haar fysieke vrees voor mensenmassa’s, noch in haar ongeneeslijke bescheidenheid. Het was nog altijd het laboratorium — en de jonge onderzoekers die daar werkten — die in Marie Curies hart de grootste plaats innamen. ‘Ik weet niet hoe ik zonder het laboratorium zou kunnen leven,” schreef ze eens.

Marie had nooit de voorzorgsmaatregelen die ze haar leer­lingen oplegde, in acht genomen: buisjes met radioactieve stoffen alleen met een tang aanpakken, nooit onbeveiligde buisjes aan­raken, zware loden ”schilden” als afscherming gebruiken om zich voor gevaarlijke straling te vrijwaren. Ze wilde zich maar nauwe­lijks onderwerpen aan de bloedproeven, die regel waren aan het Radium-Instituut. De samenstelling van haar bloed was
ab­normaal. En wat dan nog? Vijfendertig jaar lang was Madame Curie met radium omgegaan en had ze de stoffen die door radium worden afgegeven, ingeademd. Tijdens de oorlog was ze vier jaar lang blootgesteld geweest aan de nog veel gevaarlijker straling van de röntgenapparatuur. Enige afbraak van het bloed, hinderlijke en pijnlijke brandwonden aan haar handen, waren ten slotte niet zo erg in verhouding tot de risico’s die ze had gelopen!

Marie Curie schonk weinig aandacht aan de lichte verhoging waar ze last van kreeg. Maar in mei 1934 moest ze na een griep­aanval naar bed, en stond daarna niet meer op. Toen eindelijk haar sterke hart had opgehouden te kloppen, sprak de wetenschap zich uit. De klachten en de vreemde, nog niet eerder waargenomen afwijkingen in haar bloed hadden de ware dader aangewezen: radium.

Op vrijdag 6 juli 1934 nam Madame Curie om twaalf uur ’s middags haar plaats te midden van de doden in — zonder plechtige lijkstoet en redevoeringen, en zonder aanwezigheid van politici of autoriteiten. Op de begraafplaats te Sceaux werd ze bij­gezet naast Pierre, in tegenwoordigheid van haar familie, haar vrienden, en de medewerkers die haar liefhadden.

.

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

.

598-549

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over kinderbespreking (1-3)

.
Rudolf Steiner:

Ich habe dazumal betont, wie es unser Bestreben sein muß, wirklich aus der Erkenntnis der kindlichen Wesenheit und kindlichen Körperheit alles dasjenige herauszuholen, was zum Gegenstand des Unterrichts und der Erziehung gemacht werden soll. Eine solche Kinderbeobachtung, weil sie ja eine Menschenbeobachtung ist, eine solche Kinderbeobach­tung ist nur möglich, wenn man eine Erkenntnis des ganzen Menschen anstrebt, wie sie angestrebt wird durch die Anthroposophie.

Ik heb toen benadrukt hoe het ons streven moet zijn om werkelijk uit het kennen van het wezen kind en zijn fysieke verschijning alles te halen wat tot onderwijsobject en opvoedingsmiddel gehaald kan worden. Een dergelijk waarnemen van kinderen, omdat dit een waarnemen van de mens is, is slechts mogelijk wanneer je het kennen van heel de mens nastreeft, zoals deze nagestreefd wordt door antroposofie.
GA 298/28
Vertaald: gedeeltelijk Phaidos werkmap nr. 10

Rudolf Steiner gebruikt hier de begrippen ‘waarnemen’ en ‘kennen’. In zijn boek ‘De filosofie van de vrijheid‘ staat hij bij deze begrippen langdurig stil: 

Die Wahrnehmung ist also nichts Fertiges, Abgeschlossenes, sondern die eine Seite der totalen Wirklichkeit. Die andere Seite ist der Begriff. Wahrnehmung und Begriff eines Dinges machen aber erst das ganze Ding aus.

De waarneming is dus niet iets dat klaar, afgesloten is, maar ze is de ene kant van de totale werkelijkheid. De andere kant is het begrip. Waarneming en begrip van een voorwerp bepalen pas wat het hele ding is.
GA 4/92
vertaald

Uiteraard beschouwen wij het kind niet als ‘een ding’ of ‘een voorwerp’, maar wanneer je een kind wil leren kennen, wil leren doorgronden, ontkom je er niet aan het tot ‘voorwerp’ van studie, van onderzoek te maken. Je plaatst je toch a.h.w. tegenover het kind. In het ‘tegenover’ – dat is de ‘kennis’kant, ligt, zoals we dat kunnen begrijpen uit Steiners ‘Allgemeine Menschenkunde’ – vertaald:  ‘Algemene menskunde als basis voor de pedagogie‘  onbewust, de antipathie. Ik denk dat juist daarom Steiner zo vaak wanneer het gaat om het kennen van het kind, tegelijkertijd de kracht van de sympathie wil mobiliseren: eerbied voor dit raadsel; ‘het kind met eerbied in je opnemen, in liefde opvoeden, tot het in vrijheid zijn weg kan gaan’ enz.

Vandaar ook ‘onbevangen’ – niet met vooroordelen bv.

Und jetzt denken Sie sich einmal, Sie stehen vor einem Menschenkinde, Sie schauen es mit solchen Erkenntnissen unbefangen und ver­nünftig an, wie ich sie eben auseinandergesetzt habe.  

Denk je eens in, je staat voor een mensenkind, je kijkt naar hem onbevangen en weloverwogen met die kennis die ik zojuist naar voren heb gebracht.
GA 296/80
vertaald: Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave

Wanneer in september 1919 de 1e vrijeschool haar deuren heeft geopend, moeten er heel veel zaken geregeld worden, ontwikkeld, een bepaalde vorm krijgen. 
Iedere donderdag is er een lerarenvergadering en Steiner is bij een aantal aanwezig. Notulen daarvan zijn opgetekend en uitgegeven in GA 300, in de delen a, b, en c. [niet vertaald]

Ook daarin vind je opmerkingen over de kinderbespreking:

Dann wäre es sehr gut, wenn durchgeführt werden könnte, daß auch die einzelnen Kinder als solche, sei es gruppenweise oder ganz indi­viduell, gewissermaßen ein Gegenstand der Sorge des ganzen Kolle­giums werden könnten, daß man sich über sie ausspricht. Das scheint mir etwas, was ganz wünschenswert wäre. Das erfordert nur, daß man der Sache etwas Interesse zuwendet.

Dan zou het heel goed zijn, wanneer we zouden kunnen realiseren dat ook de individuele kinderen, hetzij als groep of ook helemaal apart, in een bepaald opzicht een voorwerp van zorg van het hele college zouden kunnen worden, dat jullie je over hen uitspreken. Dat lijkt mij iets dat zeer wenselijk is. Dat vraagt alleen wel, dat je wel wat interesse in de zaak moet hebben.
GA 300a/139
Niet vertaald

Wenn man Forderungen aufstellt, wie ein Kind sein soll, kann man das leicht definieren. Wie die Kinder wirklich sind, das psychologisch zu erkennen, muß man sich mit schwerem Studium erringen. Dies ist eines, wovon ich meine, daß wir es nach dem ersten Jahre als eine Hauptsache betrachten: Verstehenlernen der Kinder. Sich gar nichts vornehmen, sie müssen so oder so sein.

Wanneer men eisen opstelt waaraan een kind moet voldoen, kan men die makkelijk formuleren. Hoe de kinderen echt zijn, dat psychologisch te weten, moet je door een moeilijke studie verwerven. Di is iets waarvan ik meen dat we dit als een prioriteit beschouwen: het begrijpen van de kinderen. Helemaal niet je voorstellen dat ze zus of zo moeten zijn.
GA 300a/156
Niet vertaald

In Psychologie wirken! Die Kindergemüter müssen studiert werden!

Met psychologie werken! De kinderzielen moeten bestudeerd worden!
GA 300a/161
Niet vertaald

Psychologische Bilder von den Schülern zu gewinnen, dazu gehören auch pädagogisch-technische Kunstgriffe, von denen wollen wir reden. Was aber vor allen Dingen dazu gehört, das ist Enthusiasmus und Interesse.

Tot het ontwerpen van psychologische beelden van de leerlingen, behoren ook pedagogisch-technische kunstgrepen waarover we nog willen spreken. Boven alles behoort daartoe: enthousiasme, interesse.
GA 300c/190
Niet vertaald

Mit diesem Erziehungsprinzip sucht man nun in dem Lebensalter der Volks­schule jedes Jahr, ja man möchte sagen, jeden Monat, jede Woche die Entwicklung des Kindes so intim zu durchschauen, daß man Lehrplan und Lehrziele von der menschlichen Wesenheit abliest. Ich möchte sagen : Erkenntnis des Menschen, wahre, intime Erkenntnis des Men­schen bedeutet zu gleicher Zeit die Möglichkeit, überall zu sagen: Das muß in einem entsprechenden Lebensjahre oder sogar Lebensmonate an das Kind herangebracht werden.

Met dit opvoedingsprincipe probeer je in de basisschoolleeftijd ieder jaar, je zou willen zeggen, iedere maand, iedere week de ontwikkeling van een kind zo grondig te doorzien dat je leerplan en leerdoel aflezen kan aan het mensenwezen. Ik zou willen zeggen: kennis van de mens, echte, strikt persoonlijke kennis van de mens betekent tegelijkertijd dat het mogelijk is overal te zeggen: dit moet in het desbetreffende jaar of zelfs de maand aan het kind gegeven worden. [
GA 304 blz 16
vertaald op deze blog/16
.

Rudolf Steiner over kinderbespreking (1)

Rudolf Steiner over kinderbespreking (2)

.

Kinderbespreking: alle artikelen

.

597-548

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over kinderbespreking (1-2)

.

In ‘Rudolf Steiner over kinderbespreking (1-1) zette ik een aantal uitspraken bij elkaar waarin Steiner nadrukkelijk spreekt over het kind als ‘een raadsel’ dat de pedagoog, en in zonderheid de vrijeschoolleraar, moet oplossen.

Je staat tegenover een ‘kunstwerk’ waarover je iets zinnigs wil zeggen. Je staat tegenover een kind, een volstrekt uniek wezen. En van hem of haar zou je dan het wezenlijke moeten kunnen zeggen.

Dit is zonder twijfel de moeilijkste taak van het vrijeschoolleraarschap. 

Wanneer we boven een nest jonge katjes staan, zal niemand zich afvragen wat ze worden. Het worden grote poezen en daarna oude katten.

Wie boven een wieg staat gebogen met daarin een pas geboren mensenkind, kan zich wél de vraag stellen. ‘Wat zal er uit jou worden’. (Als taalexpressie heel mooi: ‘uit jou’, dat impliceert dat er ook iets ‘in jou’ verborgen is – aanleg moet zijn aangelegd.) Het antwoord: groot en oud, zoals bij poes, gaat hier niet op. Dat interesseert ons niet bij de gestelde vraag – dit is vanzelfsprekend. Het gaat ons om het unieke dat zich tijdens dit groter en ouder worden zal manifesteren.

Om de levensloop. Om de biografie.

Voor Rudolf Steiner begint de levensloop niet met de geboorte, d.w.z. wel de levensloop op aarde, maar deze gezien als een zichtbaar worden van een levensloop die zich deels ook afspeelt in een geestelijke wereld – de fase vóór de geboorte en na de dood. Zie o.a. ‘Algemene menskunde” [1-6] en [1-10]

Hij noemt geboren worden op aarde, een sterven voor de geestelijke wereld; een sterven op aarde, een geboren worden in de geestelijke wereld.

Hij beschrijft hoe de ongeboren of gestorven ziel in de niet-aardse wereld ook een ontwikkeling doormaakt, waaraan geestelijke wezens  ‘meewerken’, tot de ziel weer rijp is op aarde zich te verbinden met een lichaam, d.w.z. geboren wordt.

Vanuit dit perspectief houdt Steiner de opvoeder wel eens voor dat deze eigenlijk het werk van de ‘goden’ op aarde voortzet wanneer hij het kind verder grootbrengt.

In bevlogen woorden noemt hij dit soms ‘een heilíg werk’, een soort ‘godsdienst’. 

En hoewel van dit gevoel niet veel zichtbaar is wanneer je in een oefenuur het gelijknamig maken van breuken nog eens goed moet repeteren, geven deze gezichtspunten in de diepere lagen van de ziel een bepaalde stemming, toch een soort schroom in de benadering van het kind als het erom gaat zijn wezen te doorgronden.

Wenn wir uns bloß sagen: wir wollen das heranerziehen, was in der Zukunft da sein soll – dann nehmen wir keine Rücksicht darauf, daß die Menschenwesenheit so beschaffen ist, daß jedes Kind rätselhaft von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr durch das Gewebe des Leibes das offenbart, was sich entwickelt hat im vor­geburtlichen, beziehungsweise vor der Empfängnis liegenden Le­ben.
Aber nimmt man das nicht dazu, betrachtet man den Menschen so, wie es die heutige Anthropologie tut, nur in seinen Äußerungen zwischen Geburt und Tod, so hat man es nicht mit dem vollständigen Menschen zu tun, sondern nur mit einem Stück des Menschen, und dieses Stück des Menschen kann man aus dem Grunde nicht erziehen, weil man sich hinstellt vor das werdende Kind und etwas erziehen will, wovon man nichts weiß.
Es wollen die Eigenschaften heraus, die sich entwickeln wollen nach Maßgabe dessen, was vorgeburtlich ist; aber man nimmt keine Rücksicht darauf. Man löst nicht das Rätsel des Kindes, weil man keine Ahnung hat, was in dem Kinde drinnen steckt aus dem Leben vor der Geburt, und man löst das Rätsel des Kindes auch nicht nach der anderen Seite, weil man nicht weiß, was Werdeprinzip ist, was sich erst entwickelt, wenn es durch den Tod gegangen ist.

Wanneer we alleen maar zeggen: wij willen alleen aanbrengen wat nodig is voor de toekomst, dan houden wij er geen rekening mee dat het met het wezen mens zo is, dat ieder kind als een raadsel dag na dag, week na week, jaar na jaar lichamelijk tot uitdrukking brengt, wat zich ontwikkeld heeft in het leven voor de geboorte, in zekere zin voor de conceptie.
Maar betrek je dat er niet bij, bekijk je bij de mens zoals de tegenwoordige antropologie dat doet, alleen de uitingen tussen geboorte en dood, dan heb je niet de volledige mens voor je, maar slechts een deel en dit deel kun je in de grond der zaak niet opvoeden, omdat je je voor het wordende kind geplaatst ziet en iets wil opvoeden waarvan je niets weet.
Eigenschappen gaan zich manifesteren die zich willen ontwikkelen naar hun voorgeboortelijke aanleg; maar men houdt er geen rekening mee. Men lost het raadsel kind niet op, omdat men geen rekening houdt met wat er in het kind aanwezig is uit het leven voor de geboorte en men lost het raadsel kind ook niet op naar de andere kant, omdat men niet weet wat wording betekent, niet weet wat pas tot ontwikkeling komt wanneer men door de dood is gegaan.
GA 297 blz 32
Vertaald op deze blog/32

Der Erzieher, welcher im Sinne der Geisteswissenschaft sich Menschenkenntnis erwirbt, er blickt, indem er den werdenden Menschen vor sich hat, auf dasjenige hin, was aus dem Geiste her­aus diesen werdenden Menschen bildet. Er kommt mit seinen Bil­dungsmitteln diesem werdenden Menschen entgegen. Der im Sinne der Geisteswissenschaft wirkende Pädagoge hat nicht eine Pädago­gik im Auge, die, wie es heute normal ist, nach abstrakten Regeln einen Zögling heranbilden soll; für ihn ist der einzelne Zögling ein Rätsel. Für ihn ist dasjenige, was im einzelnen Zögling sich auslebt, etwas, das mit jedem Tag, mit jeder Stunde lebendig gelöst werden muß. Aber indem sich der Erzieher die Anschauung dieses leben­dig wirkenden Geistes im lebendig sich entwickelnden Menschen aneignet, nimmt er in sich eine Wirklichkeits-Erkenntnis auf, die nicht in Begriffen, nicht in abstrakten Gewohnheiten bleibt, sondern die seinen Willen mit Geistigkeit durchdringt. Er wird wirklich eine Erkenntniskraft entwickeln können, er wird ein Erkenntnisweiser, und er wird daraus eine Pädagogik entwickeln, die unmittelbar Leben ist, weil sie aus Menschenkenntnis, aus der Erkenntnis des vollen, ganzen Menschen hervorgeht.

De opvoeder die op de manier van de geesteswetenschap kennis over de mens heeft ontwikkeld, kijkt, wanneer hij de wordende mens voor zich heeft staan naar hetgeen vanuit de geest deze wordende mens vormt. Hij komt met zijn ontwikkelingsmogelijkheden deze wordende mens tegemoet. De pedagoog die op basis van de geesteswetenschap werkt, heeft geen pedagogie op het oog die, zoals tegenwoordig gangbaar is, volgens abstracte regels een kind moet ontwikkelen; voor hem is het individuele kind een raadsel. Voor hem is hetgeen in het individuele kind zich manifesteert, iets dat iedere dag, ieder uur op een levendige manier opgelost moet worden.
Wanneer de leerkracht zich het waarnemen van de actief werkende geest in de zich actief ontwikkelende mens eigen maakt, neemt hij een realiteit van de werkelijkheid in zich op die niet in begrippen, niet in abstractie gewoontes blijft hangen, maar die zijn wil met geestkracht doordringt. Hij zal dit vermogen van kennen werkelijk kunnen ontwikkelen; hij wordt een professional in het kennen en hij zal een pedagogie ontwikkelen die regelrecht leven is, omdat deze uit mensenkunde*, uit het kennen van de totale mens komt.
GA 297 blz 136
Vertaald op deze blog/136

[Menschen(er)kenntnis = menskunde, maar tevens mensenkennis, het valt bij Steiner vaak samen, ool omgekeerd.]

Diejenigen aber, die an der Stutt­garter Waldorfschule Lehrer sind, die empfinden es, wie das, was im menschlichen physischen Organismus sich als Seelisch-Geistiges durch Blick, durch Physiognomie, durch das Wort, durch alles Mögliche offenbart, sich des Körpers bedient – der durchaus bei dieser Erziehung nicht vernachlässigt wird -, wie das herunterge­stiegen ist aus göttlich-geistigen Höhen und sich mit dem vereinigt hat, was ihm von Vater und Mutter in der Vererbungsströmung durch die Empfängnis beziehungsweise durch die Geburt geworden ist. Wer mit der Empfindung an das Kind herantritt: Es ist aus der geistigen Welt zu dir dieses Kind heruntergestiegen, du sollst sein Rätsel lösen von Tag zu Tag, von Stunde zu Stunde, – der hat in seinem Gemüte diejenige liebevolle Hingabe an die Entwicklung des Kindes, die notwendig ist, um dieses Kind durch alle möglichen Imponderabilien auf den Lebensweg zu geleiten.

Diegenen echter, die aan de Stuttgarter vrijeschool leerkracht zijn, ervaren hoe in het menselijk fysieke organisme de geest-ziel door de blik, door de fysionomie, door het woord, door al het mogelijke zich uitdrukt, zich van het lichaam bedient – dat ook zeker bij deze opvoeding niet verwaarloosd wordt – hoe deze (geest-ziel) uit goddelijk-geestelijke hoogten afgedaald is en zich hier met datgene verbonden heeft wat van hem door vader en moeder in de erfelijkheidsstroom door de conceptie, in zekere zin door de geboorte, geworden is. Wie met het gevoel het kind benadert: uit werelden van de geest is dit kind tot je gekomen – je moet zijn raadsel oplossen van dag tot dag van uur tot uur – die heeft in zijn gevoel die liefdevolle houding tot de ontwikkeling van het kind die nodig is om dit kind door alle mogelijke onzichtbare realiteiten op zijn levensweg te begeleiden.
GA 297A blz 150
Niet vertaald

Dit ‘uit werelden van de geest of ‘uit de geestelijke wereld’ enz wordt in veel scholen gezamenlijk door de leerkrachten gesproken als zij ’s morgens weer hun werk gaan beginnen.

Wij spraken er van tijd tot tijd over hoe moeilijk deze opgave eigenlijk is.
Op een morgen sprak mijn zeer gewaardeerde collega Ruud Venekamp de legendarische woorden, terwijl hij de spreuk ‘deed’ (die zeiden we toen in het Duits):  Du sollst    (s) EIN  Rätsel lösen…….
.

 Rudolf Steiner over kinderbespreking (1)

Rudolf Steiner over kinderbespreking (3)

Kinderbespreking: alle artikelen

.

596-547

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – Edda (3-1)

.

Een sprookje kun je vertellen zonder dat je iets van de symboliek van de beelden weet. Dat geldt voor andere vertelstof net zo: Oude Testament, de Edda, de Griekse mythen.

Zelf vond ik het op den duur wel een verrijking er ‘iets’ van af te weten: ik voelde iets van de diepere waarheden en dat gaf ook aan de manier van vertellen een diepere dimensie. Het waren niet zomaar verhalen meer. De mogelijke duidingen van de beelden zijn vaak verrassend.

Uiteraard krijgen de kinderen hiervan niets te horen: voor hen zijn de overgeleverde verhalen.

Een uitstekend naverteld – ik bedoel dan beeldend en met mooi taalgebruik – zijn de verhalen door Roger Lancelyn Green ‘Scandinavische mythen en sagen’ (Prismapocket 1177).

Ook veel gebruikt wordt het boek van Dan Lindholm ‘Godenverhalen uit de Edda’, uitgegeven bij Chrisotofoor, maar momenteel (06-2014) uitverkocht.

Hieruit de volgende hoofdstukken – met een alfabetische lijst van namen die voorkomen en hun betekenis.

Ten geleide

De inhoud van deze verhalen berust op de poëtische Edda, ook wel oude Edda genoemd, en de proza- of jonge Edda, op de liederen en de sagen. Slechts een enkele maal werden andere bronnen, die overigens schaars zijn, gebruikt. Ook zal men hier en daar zinnen aantreffen die niet direct teruggaan op de hier ge­noemde bronnen. Hun functie is uitsluitend ervoor te zorgen dat betekenis en samenhang niet teloorgaan op die plaatsen, waar deze anders voor het huidige oegrip duister zouden blijven. Want de Edda is immers niet volledig bewaard gebleven. Zij plaatst zowel de onderzoeker als wie haar wil navertellen voor de grootst denkbare problemen.
De gezichtspunten van de hier volgende bewerking kwamen voort uit een jaren­lang zich verdiepen in deze materie evenals in de geesteswetenschap van Rudolf Steiner. Hiermee is ook aangegeven in welk opzicht deze weergave van de Edda zich onderscheidt van de meeste reeds bestaande. Want de antroposofische geesteswetenschap wees de weg om veel dieper in de geest en het wezen van deze mythe, door te dringen dan anders mogelijk zou zijn geweest. Vooral moeten hier de voordrachten worden genoemd die Rudolf Steiner in 1910 te Oslo (het toenmalige Christiana) hield en die werden uitgegeven onder de titel ‘De volkszielen. De opdracht van de verschillende volkeren in relatie tot de Germaanse mythologie’.
Ook aan het mooie boek van Ernst Uehli ‘Nordisch-germanische Mythologie als Mysteriegeschichte’ heb ik vele belangrijke inzichten te danken.
Dan Lindholm

Over de oorsprong van de Edda

In voorhistorische tijden maakten de mensen niet altijd een onderscheid tussen het leven op deze aarde en in het hiernamaals: hier de wereld van de zichtbare dingen, daar een wereld van bovenzinnelijke machten. Wel was deze splitsing bezig te ontstaan. Nog waren echter goden en mensen niet geheel uit elkaar gegaan. De scheiding kwam later.

Tegenwoordig wordt de mens zich zelf gewaar als staande op de hoogste trede van de schepping: onder zich heeft hij het rijk van de dieren, dat van de planten en van de gesteenten. Toen had hij het gevoel zich direct op de onderste trede van de scheppende wezens te bevinden. Boven zich zag hij de rijken der goden. Deze goden behoorden echter bij hem, zoals hij bij hen behoorde. En wanneer hij naar de natuur om zich heen keek trof hij overal een wereld aan die hem aan Ymir herinnerde, de onmetelijk grote reus, uit wie alles is ontstaan. Hij herinnerde zich dit echter half als in een droom. Niet altijd onderscheidde hij scherp tussen de helderheid van het tegenwoordige en de droom van de herinnering.

Zo was het in den beginne. Steeds sporadischer echter deed zich de gave van het schouwen en zich herinneren voor. Ten slotte waren het nog slechts zeer bijzondere mensen die op bepaalde momenten als het ware in vervoering geraakten. Dan hadden zij hun visioenen en door hun mond openbaarde zich een oeroude, heilige mare, ‘Het lied van de stammoeder’. Het zijn juist meest vrouwen geweest die deze gave hebben bezeten. Liederen van deze oorsprong zijn slechts in de oude, poëtische Edda bewaard gebleven. Reeds het woord Edda geeft deze oorsprong aan, want het betekent zoveel als stammoeder of overgrootmoeder.

Woorden en betekenis van de liederen van de Edda zijn niet altijd gemakkelijk te verklaren. De beelden flitsen plotseling als uit een donkere oergrond op, vaak met grote afstanden ertussenin.

Vrouwen die de gave van dit schouwen bezaten, stonden bij de mensen in het Noorden in hoog aanzien. Een dergelijke vrouw werd ook Wala of in het oudnoors Wolwa (zieneres) genoemd.

Bij de liederen van de oude Edda voegen zich de sagen van de jonge. Deze vullen tal van leemten op en maken het mogelijk een verband te zien. Ook de jonge Edda gaat terug op een schouwen, beter gezegd wellicht: op een inwijding. Want als eerste wordt daarin de sage van koning Gylfe verhaald. Deze luidt als volgt:

In Switjod — zo noemde men het oude Zweden — leefde een man. Zijn naam was Gylfe en hij was een machtige koning. Tot hem kwam eens een zieneres. Zij heette Gefjon. Koning Gylfe schepte een zodanig behagen in zijn gesprek­ken met haar, dat hij haar als beloning zoveel land beloofde, als zij in één dag zou kunnen omploegen. Gefjon spande haar vier zonen, die zij in de gedaante van stieren met een reus had verwekt, voor de ploeg. Op hun voorhoofd droegen de stieren sterren, dat waren hun ogen. Zij trokken zo hard dat de damp van hen afsloeg. Op deze wijze ploegde Gefjon een groot stuk land uit Switjod los en wentelde het in zee. Daar werd het een eiland dat tegenwoordig bij Denemarken hoort en Seeland heet. Waar Seeland had gelegen ontstond een meer van dezelfde grootte, het Vanermeer. Dit verklaart waarom inhammen in het Vanermeer en schiereilanden op Seeland altijd ineenpassen. Gylfe moest erkennen dat Gefjon hem te slim af was geweest. Daarom besloot hij die goden op te gaan zoeken, die van oudsher de Asen worden genoemd, om van hen te weten te komen wat hem nog aan wijsheid ontbrak. Want hij verwonderde zich er zeer over dat de Asen altijd in staat zijn alles te leiden zoals zij dit wensen en willen.

De koning verkleedde zich als een arme bedelaar en aanvaardde zijn lange tocht. De goden lieten zich echter niet door zijn vermomming op een
dwaal­spoor brengen. Zij zagen de voetreiziger van verre aankomen en troffen toe­bereidselen om hem met wonderlijke visioenen te ontvangen. Voordat Gylfe het zich recht bewust was geloofde hij voor een burcht te staan, groter en prachtiger dan hij ooit in zijn leven gezien had. Het dak was geheel met gouden schilden bedekt en de muren waren zo hoog dat ze tot in de hemel reikten. Voor de poort kwam een man Gylfe tegemoet, die zonder ophouden met zeven zwaarden speelde; beurtelings wierp hij ze in de lucht en nooit verloor hij er een. De man vroeg Gylfe hoe hij heette, en Gylfe noemde zich Gangleri, — ook Odin wordt altijd zo genoemd wanneer hij een tocht onder­neemt. Gangleri — dat wil zeggen: hij, die op weg gegaan is, de ‘Wandelaar’ — vroeg toen, wie de koning van deze burcht was. De man met de zwaarden antwoordde: ‘Ik zal u bij onze koning brengen.’ Gangleri overschreed de drempel, de poort ging als vanzelf open en viel ook als vanzelf achter zijn hielen dicht.

Toen Gangleri de hal betrad zag hij veel mensen op vele verdiepingen, want het ging er zeer levendig toe. Sommigen speelden, anderen zaten te drinken en weer anderen bestookten elkaar met wapenen. Toen sprak Gangleri:

Alle deuren,
éér men ingaat,
moet men beschouwen,
moet men bespieden,
want nooit weet gij,
of soms niet wacht
uw vijand daar op de vloer.

Deze woorden komen voor in een lied in de oude Edda, de ‘Spreuken van de Hoge’ (‘Hávamál’) genaamd. Hier, nu een mens de hal van de Hoge betrad, scheen het een wachtwoord en richtsnoer te zijn. Want opeens zag Gangleri zich geplaatst voor een drievoudige hoge zetel, waarvan de zitplaatsen zich boven elkaar verhieven. Op ieder ervan was een grote man gezeten. Gangleri vroeg aan zijn begeleider de namen van deze drie mannen. Deze gaf ten antwoord dat hij, die onderaan zat, hun koning was. Zijn naam echter verzweeg hij. ‘Wij noemen hem de Hoge’, zei hij, ‘de tweede noemen wij de Evenhoge, en hij, die bovenaan zit, de Derde.’
Nu begon de Hoge te spreken. Hij vroeg wat Gangleri wenste en tot de poort­wachter sprak hij: ‘Bied hem spijs en drank aan, zoals aan iedereen die onze hal betreedt.’ Gangleri wilde echter niets gebruiken. Want hij was niet gekomen terwille van spijs en drank maar om uit te vorsen of hij op deze plaats iemand zou ontmoeten die kennis bezat, een ingewijde. Toen ant­woordde de Hoge: ‘Niemand komt hier levend vandaan, die niet zelf één ding weet, dat aan ons verborgen bleef. Blijft gij nu staan, daar gij de vragen stelt. Wie antwoordt, mag blijven zitten.’ Gangleri vroeg: ‘Wie is de oudste van alle goden?’
De Hoge antwoordde: ‘Hij heeft vele namen. Hier noemen wij hem de Alvader. Hij leeft door de tijdenronden heen en heerst over zijn rijk. Ook kent hij alle dingen, de grote zowel als de kleine.’
De Evenhoge antwoordde: ‘Hij schiep hemel en aarde, de lucht en het water.’ De Derde sprak: ‘Zijn grootste daad is dat hij de mens schiep en hem een geest gaf, die niet te gronde gaat, ook al vergaat het lichaam.’
Gangleri vroeg: ‘Wat deed hij, voordat hemel en aarde er waren?’ De Hoge antwoordde: ‘Toen was hij bij de Thursen.’
Gangleri bleef doorvragen naar alle bijzonderheden en de drie gaven beurte­lings antwoord, eerst de Hoge, dan de Evenhoge en ten slotte de Derde. Vaak sprak alleen de Hoge.
Het gesprek duurde zeer lang en liep van de eerste tot de laatste dingen. Toen het ten einde liep weerklonk in Gangleri’s oren een geweldige donderslag. Snel wierp hij een blik opzij. Maar toen hij zijn oog weer op de drie mannen wilde richten was de burcht verdwenen en stond hij midden op een wijde vlakte. Zover als hij om zich heen kon zien werd hij slechts verlatenheid gewaar. Blijkbaar had Gylfe toch één ding geweten, dat aan deze goden onbekend was, want hij heeft het er levend afgebracht.
Toen begaf hij zich op weg naar huis en kwam in zijn eigen rijk terug. De sagen, die Gylfe in de hal van de Hoge had gehoord, vertelde hij aan zijn kinderen en dienaren. Latere geslachten verhaalden elkaar, het ene geslacht aan het andere, steeds weer opnieuw, wat Gylfe in de burcht had vernomen. En op deze wijze is de mare ervan tot in onze dagen bewaard gebleven.

Verklarende lijst van namen

De namen van de goden en figuren, die in de Edda optreden, wijzen vaak op de diepere betekenis die in deze namen schuilt. Het is echter niet altijd zo, dat zij slechts voor één uitleg vatbaar zijn, evenmin als de wezens, die zij aanduiden. Sommige kunnen zonder veel moeite worden verklaard, andere werpen daarentegen moeilijk te doorgronden problemen op. Want men moet deze namen niet uitsluitend etymologisch willen verklaren en begrijpen, niet alleen op grond van hun oorsprong en geschiedenis, maar zij moeten ook onomatopoëtisch worden beleefd, dat wil zeggen als klanknabootsingen.

In deze lijst zijn de namen en verklaringen die in de oorspronkelijke Duitse uitgave voorkomen volledig opgenomen. Bovendien werd voor de samenstelling ervan de volgende literatuur geraadpleegd:

Edda. Die Lieder des Codex Regius… herausgegeben von Gustav Neckel. II Kommentierendes Glossar. Heidelberg, 1927

The prose Edda of Snorri Sturluson… selected and translated by Jean I. Young. Berkeley / Los Angeles, 1964

Die Edda. Die wesentlichen Gesange übertragen von Felix Genzmer. Düsseldorf / Köln, 1977

Edda. Goden- en heldenliederen… vertaald en van inleidingen voorzien door dr. Jan de Vries. Deventer, 1978^

Die Edda. II Götterdichtung. Uebertragen von Felix Genzmer. Düssel­dorf / Köln, 19806

Bartelink, G.J.M. Mythologisch woordenboek. Utrecht/Antwerpen, 19783

Branston, Brian. Gods of the North. London, 1980^

Vollmer’s Wörterbuch der Mythologie aller Völker. Stuttgart, 18743

Vries, Jan de. Altgermanische Religionsgeschichte I — II. Berlin / Leipzig,

1935-1937

Afi
‘Grootvader’. Voorvader van de vrije boeren. Zie ook Amma.

Aï
‘Overgrootvader’ of stamvader; de stamvader van de stand der onvrijen

Alven
‘Elfen’. Natuurgeesten. Van de beide grote geslachten van de alven of elfen waren de zwarte alven de boze, de licht-elfen de goede gees­ten.

Amma
‘Grootmoeder’. Van haar en Afi stammen de vrije boeren af.

Amsvartnir 
de duistere zee in de onderwereld.

Angerboda
(‘angr’ = verdriet; ‘bodi’ = brenger): ‘Ongelukbrengster’. Zie de hoofdstukken ‘Het einde van het gouden tijdperk’ en ‘De kinderen van Loki’.

Annar
of Anar, Onar, de tweede man van Nott, de Nacht, en de vader van de Aarde. Deze naam hangt mo­gelijk samen met de wortel ‘oan’ of ‘wan’, die nog voortleeft in ons woord ‘wanen’, ‘waan’ (het Oudnoorse ‘van’ betekent ‘vooruitzicht’, ‘ver­wachting’): dromen, zich verbeelden, vermoeden, verwachten. Het zou zin hebben ‘Annar’ eenvoudig op te vatten als ‘Droom’, ‘Droomwezen’. De Aarde (Jord) zou dan zijn voort­gekomen uit de Nacht, ‘zwanger van dromen’. (Men denke ook aan de be­kende woorden van Shakespeare — The Tempest, 4, 1, 156/7 – ‘We are such stuff As dreams are made on’, ‘wij zijn zo iets als datgene, waarvan dromen zijn gemaakt’.

Asen
Aesir of Asas; in het Gothisch ‘Anses’. De wortel ‘ans’ of ‘ant’ bete­kent ‘krachtig ademen’. Odin, de vader van het geslacht der Asen, is werkzaam in de wind en als schepper van de spraak in het stromen van de adem. Met ‘ans’ verwant is ook  ‘ansa’ = gadeslaan, waarnemen. Asen betekent dus ‘Zij die ons waarnemen’, ‘Zij die krachtig ademen’. Zie ook onder Gullveig.

Asgaard
‘Hof der Asen’ (‘gardr’ = (om)tuin(ing), hof).

Ask
‘Es’. Het eerste mensenpaar werd gevormd uit twee bomen, Ask, ‘Es’, de man, en Embla, ‘Olm’, de vrouw

Audhumla
‘Humla’ betekent een koe zonder hoorns. Audhumla is een wezen, waarin niets verhard is: ‘de rijkelijk schenkende ongehoornde’.

Balder
of Baldur. Deze naam wordt meestal verklaard als ‘heer’ of ‘vorst’. De wortel ‘bhel’, ‘bhol’, betekent ‘zwellen’, ‘groter worden’, en leeft nog voort in ‘bal’, ‘balg’, ‘buil’ en tal­rijke andere woorden. Zo opgevat kan de naam Balder in verband worden ge­bracht met het in kracht toenemende, hoger stijgende licht van de dag of van de lente.

Barri
(‘barr’ = iets dat spits omhoog rijst, vandaar de naalden van een naaldboom, ook de naaldboom zelf en in ’t algemeen: boom): ‘verbor­gen, stil woud’.

Bergelmir
een reus uit het eerste geslacht der reuzen (zie het hoofd­stuk ‘Over de reus Ymir en de koe Audhumla’.) De betekenis van deze naam is nog niet overtuigend ver­klaard: ‘Berenhelm’ (?), ‘Berggebruis’ (?). De oudste reuzen hebben namen die op ‘-gelmir’ eindigen, een woord met ons ‘galm’ verwant.

Bestia
‘de Beste’; dochter van Bolthorn en zuster van Mimir; uit haar huwelijk met Bor werden Odin, Wili en Wé geboren.

Bilskirnir
‘Opklarend weer’ (‘skirr’ = helder, licht), het paleis van Thor. Met deze naam is de weldadige wer­king bedoeld van het onweer met wegtrekkende wolken.

Bodn
‘Aanbod’, ‘Aanbieding’ (‘bioda’, ‘baud’ = aanbieden, aanrei­ken): een van de drie vaten waarin Fjalar en Galar ‘Kvasirs bloed’ lieten vloeien. De beide andere waren Odroerir en Son.

Bolthorn
de vader van Mimir. De naam is afgeleid van ‘bolr’, ‘romp’, en ‘thorn’, ‘doorn’. De betekenis ervan is dus ‘Degene die, of hetgene dat in het lichaam binnendringt’ (de ‘doorn in het vlees’). — Volgens de geesteswetenschap van Rudolf Steiner kan de naam worden ver­klaard uit het door Steiner beschre­ven proces van het ontstaan van het herinneringsvermogen, dat tot stand is gekomen door een dieper
binnen­dringen in het fysieke lichaam van de mens van de hogere bestanddelen van zijn wezen. Tegen deze achter­grond moet Bolthorn worden be­schouwd als degeen, die dit proces bestuurt; Mimir wordt zijn zoon ge­noemd.

Bor
zoon van Buri (‘burr’ = zoon), en vader van Odin, Wili en Wé.

Bragi
hangt samen met ‘bragr’, ‘de eerste’, ‘die uitblinkt’; ook heeft ‘bragr’ de betekenis van ‘dichtkunst’. Bragi is de god van de welsprekend­heid en de wijsheid, gehuwd met Idun.

Breidablik
de ‘wijdglanzende’ burcht, ‘waar men wijd en zijd kan uitzien over de wereld’, het paleis van Balder.

Brisingamén
de door een dwerg Brising gesmede halsketting van Freya (‘men’ = halsketting).

Buri
de ‘Verwekker’, de vader van Bor en de grootvader van Odin, Wili en Wé.

Byleist(r)
‘Hij die door de hofste­den sluipt’, broeder van Loki (Ut-gaard-Loki?).

Deiling
of Dellinger, ‘Dageraad’, de derde echtgenoot van Nott, de Nacht, en de vader van Dagur, de Dag.

Ding
oudgermaanse volksvergade­ring, waar ook rechtszaken werden behandeld. In oorsprong een sacrale bijeenkomst.

Draupnir
verwant met het Duitse ‘Traufe’, ‘drup’,’ ’t druppelen’: ‘Druppelaar’, de wonderring van Odin, vervaardigd door de dwergen Sindri en Brok.

Durin en Dvalin
‘Tijdsduur en Slui­mer’, dwergen.

Edda
Over de betekenis van dit woord lopen de meningen nog uiteen; het zou kunnen samenhangen met het oudnoorse ‘odr’, dichtkunde, poëtica, en zoveel kunnen betekenen als stammoeder of overgrootmoeder.

Einheri’s
of Einheriar: de zielen van de gevallen krijgers die in Walhalla verblijven. De naam kan worden ver­klaard als ‘strijdlustige individuali­teiten’, waarbij ‘strijdlustig’ de ener­gie van de ziel aanduidt.

Elivagar
‘Door stormvlagen ver­wekte golven’, ‘ijs- of hagelstromen’ ‘stormgolven’. De zin van deze bena­ming is die van ‘ritmisch zich her­halende golven’. Zie het hoofdstuk ‘Over de reus Ymir en de koe Audhumla’. — Deze, evenals menige andere naam wordt begrijpelijker wanneer men de opmerking van Rudolf Steiner ter harte neemt, dat de mythen een fysiologisch aspect be­zitten, dat zij, met andere woorden, ook verwijzen naar de natuurlijke levensverschijnselen. Wereld en mens, macrokosmos en microkos­mos beantwoorden aan elkaar. (Zie ook Hvergelmir.)

Eliwog
zie Elivagar

Elli
(vergelijk het Oudhoogduitse ‘elti’): ‘Ouderdom’. Zie het hoofd­stuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Embla
‘Olm(zie Ask).

Erda
zie Jord.

Erna
‘de Flinke’, de vrouw van Jarl.

Fadir
‘Vader’.

Fenrir
‘fen’ = moeras, grond die niet draagt, onbetrouwbaar is. De wolf Fenrir wil dus zeggen ‘de onbe­trouwbare wolf’, ‘het leugenbeest’.

Fimbulvetr
(‘fimbul’ = reuzen-; ‘vetr’ = winter): ‘de reuzen-, de reus­achtige winter’, de lange winter aan het einde der tijden.

Fjalar
‘De veel wetende’; dwerg, die samen met de dwerg Galar uit het met honing vermengde bloed van de wijze Kvasir de dichtermede maakte.

Fjörgynn
de vader van Frigg. Naast deze mannelijke god, een reus, komt een vrouwelijke godin Fjörgyn voor. ‘Fjörgyn’ betekent ‘aarde’; godinnen hebben vaak namen, die te kennen willen geven dat zij van de aarde
af­stammen.

Folkwang
‘Landouw van het volk’, ‘Volksveld’, ‘Vlakte van het krijgs­volk’ (‘folk’ = krijgsschaar, gevolg, stoet): het verblijf waar Freya de ge­vallen krijgers ontvangt.

Forseti
‘de Voorzitter’, ‘Rechter’, zoon van Balder en Nanna.

Freki
zie Geri en Freki

Freyr en Freya ‘Heer’ en ‘Vrouwe’, ‘Heerser’ en ‘Heerseres’, kinderen van Njord en Skadi.

Frigg
of Frigga (‘fridr’ = vrouw): Vrouw, echtgenote. Frigg was de echtgenote van Odin en de moeder van Balder en Bragi. Gangleri de ‘Gaande’, ‘Hij die op weg is gegaan’, de ‘Wandelaar’. Een van de bijnamen van Odin.

Gangrad(r)
(‘rad’ = raad; ‘god-radr’ = goede raad gevend): ‘Hij die goede raad geeft’, bijnaam van Odin.

Garm(r)
‘de Blaffende’, ‘de Bijterige’, ‘Hond’, die de weg naar Helheim bewaakt; komt overeen met de Cerberus in de Griekse mythologie, en is met deze naam waarschijnlijk ook taalkundig verwant.

Gefjon
de ‘Gevende’. Dit is ook de naam van een godin, die in het gevolg van Odin voorkomt. Door deze naam wordt derhalve aangeduid dat Gefjon een boodschapster van Odin is.

Gerd
‘Ge-Erd’, dat wil zeggen ‘Uit de aarde’. Gerd, de dochter van de reus Gymir, trouwde met Freyr, die door zijn wapendrager Skirnir naar haar hand liet dingen. Zie het hoofd­stuk ‘Freyr dingt naar de hand van de dochter van een reus’. Geri en Freki  ‘Gulzigheid’, ‘de Gul­zige’ en ‘Vraatzucht’, ‘de
Vraatzuch­tige’, de twee wolven die Odin volgen.

Gimle
de eeuwig gouden zaal, het vernieuwde Walhalla na Ragnarok.

Ginnungagap
Oorsprong: ‘Gap Ginnunga’. Gap is taalkundig ver­want met gapen: strot, diepte, af­grond enz. ‘Ginnung’ is afgeleid van het Oudnoorse werkwoord ‘ginna’: bedriegen, toveren, drogbeelden voor­voorspiegelen. Ginnungagap is dus ‘de van toverbeelden of droombeel­den, dat wil zeggen van imaginaties, vervulde ruimte of gapende afgrond’. Zie het hoofdstuk ‘Over de reus Ymir en de koe Audhumla’.

Gnipaheller
‘gnipa’ is taalkundig verwant met ‘knijpen’. ‘Hellekloof’, ravijn waardoor de weg naar Helheim voerde.

Gullveig
(‘gull’ = goud; ‘veig’ = drank): ‘Gouddrank’. Achter deze naam gaat een groot raadsel schuil. Uit de samenhang schijnt opgemaakt te mogen worden dat Gullveig tot het geslacht der Wanen behoort. Deze zijn vooral in de opbouwende levenskrachten werkzaam. Wat groeit en leeft vormt het terrein van hun werkzaamheid. Zoals het geslacht van de Asen kan worden gekenschetst als dat van de ‘Zonen van de Dag’, zo dat van de Wanen als de ‘Dochters van de Nacht’. Want iedere nacht, wanneer het bewust­zijn zich tijdens de slaap terug­trekt, vullen de vorm- en levenskrach­ten datgene weer genezend aan, wat door het actieve, wakende leven tijdens de dag werd verbruikt. Zo bestaat er een strijd tussen die goden, die meer het bewustzijn van de mens stimuleren, en diegenen, die het ,scheppende, actieve leven dienen. Dit proces wordt weerspiegeld in de mythe van het verbranden van Gullveig in het ‘paleis van de Hoge’. Het onverbrande hart duidt op een onver­bruikte rest, op een soort voortwoe­kerend bezinksel, waarvan Loki zich meester kan maken.

Gungnir
afgeleid van ‘ganga’, ‘gaan’: ‘Datgene wat golvend voorwaarts gaat’, Odins speer, zinnebeeld van zijn spraakvermogen.

Gylfe
of Gylfi: Vorst, koning. Zie het hoofdstuk ‘Over de oorsprong van de Edda’.

Gymir
‘Ge-Ymir’, dat wil zeggen ‘Van Ymir afstammend’, ‘de Aardse’. Reus, vader van Gerd.

Hati
zie Skol en Hati

Heervader
naam voor Odin: ‘Aan­voerder van het leger der gevallen krijgers’; ‘het wilde heir’ of ‘de wilde jacht’ is de omschrijving voor Odin, in de storm voortjagend door de lucht, aan het hoofd van de zielen der gevallen krijgers (zie Einheri’s).

Heid
(‘heidr’ – heide, woud): ‘Die uit het woud’, ‘Die van de heide’ -een naam voor tovenaressen. Er schijnt een geheime samenhang te bestaan tussen de ‘Oude in het erts­woud’, Heid, Angerboda en het onverbrande hart van Gullveig.

Heimdall
‘de Helle, Heldere uit het heelal’, ‘Wereldglans’, lichtgod; door hem worden de verschillende standen in het leven geroepen.

Hei
de heerseres over de onder­wereld, het rijk van de doden. Taal­kundig verwant met ‘hol’, ‘de hel’ enz.

Helheim
het rijk van Hel, de heer­seres over de onderwereld, het
doden­rijk.

Hermod
(‘hermogr’ = krijger, krijgsman), verwant met ons woord ‘heir’ (‘krijgsmacht’): ‘Hij die moedig is als een heir’. Hermod is de zend­bode, de afgevaardigde van de goden. Himinbjorg  (‘himinn’ = hemel, fir­mament; ‘biarg’ = berg): ‘Hemelberg’ of ‘Hemelburcht’, het paleis van Heimdall.

Hlidskjalf
(‘hlid’ = poort, deur) ‘bank bij de deur’, de troon van Odin, de hoogste zetel van Asgaard, van waaruit hij de hele wereld kon overzien.

Hlorridi
‘Bliksemslingeraar’, bij­naam van Thor.

Hodmimir
‘Hodd’ = het Duitse ‘Hort’, een vorstelijke schat; Hodmimir is ‘de schat bewarende Mimir’ (de rijkdom van de herinne­ring). ‘Hodmimirs hout’ is een ge­heime benaming voor de levens­boom Ygdrasil.

Hödur
of Hod, ‘de Schatbewaar­der’ (?) (‘hodd’ = vorstelijke schat). De betekenis van deze naam is pro­blematisch. De blindheid van Hödur, de blinde broeder van Balder, heeft betrekking op de we­reld van de goden. Deze blindheid heeft zich meester gemaakt van de gehele mensheid. Op grond hiervan vertegenwoordigt Hödur als bewust­zijnsvorm de aardsgezindheid, het blind zijn voor het goddelijke, het levensgevoel dat aan het louter
fysie­ke organisme gebonden is.

Hönir
‘De lokkende, roepende’. De Indogermaanse wortel is ‘chan’, met de betekenis van ‘zingen’, ‘lokken’, ‘roepen’. Deze naam zinspeelt dus op het verband tussen Hönir en het verbeeldingsleven van de mens. Hönir roept de verlokkende voor­stellingswereld op. Zie het hoofd­stuk ‘De goden en hun werken’.

Hraesvelg
‘Lijkenverslinder, -verzwelger’ (‘hrae’ = lijk). Hraesvelg is een reus die in de gedaante van een adelaar aan het einde van de wereld zit. Van zijn vleugels gaat de wind uit. De drukkende zwoelheid die aan storm en onweer voorafgaat, werd als ontzielde, levenloze lucht ervaren. De storm verzwolg deze dode lucht. Als imaginatie, als een door de voorstellingskracht opgeroepen beeld, ontstond de reusachtige ade­laar, die de wind door zijn vleugel­slagen teweegbrengt.

Hrungnir
‘de Knarsende’, ‘Herrie­schopper’, ‘Bruiser’. Zie het hoofd­stuk ‘Thors strijd met Hrungnir’.

Hugin en Munin
‘Gedachte’ en ‘Her­innering’ of ‘Geheugen’: de twee raven die op Odins schouders zitten.

Hugi
‘Zin’, ‘Gedachte’. Zie het hoofdstuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Hvergelmir
‘Helm’ (het gewelfde deksel van een distilleerkolf) ‘waarin het wervelt of kolkt’, ‘bruisketel’. Microkosmisch (zie Elivagar) wordt met Hvergelmir de ontwikkeling van de hersenen bedoeld. De helm is de hersenpan, de werveling, de zich ont­wikkelende, zich vormende herse­nen. De twaalf rivieren zijn de in de droom beleefde evenbeelden van de zenuwstrengen. Elivagar wijst op het proces van het overgaan in vaste toe­stand. In overeenstemming hiermee is Muspelheim de wereld van de ver­branding, die uit de stofwisseling in het onderlichaam van de mens de warmte produceert. — Deze werelden, in beeldende vormen beleefd, stonden de zieneres voor de geest als terzelfder tijd kosmische en menselij­ke, de ontwikkeling stuwende krach­ten. Zie de hoofdstukken ‘Over de reus Ymir en de koe Audhumla’ en ‘Over de es Ygdrasil’.

Hymir
een reus; de betekenis van deze naam is onzeker. Waarschijnlijk bestaat er een samenhang met Ymir. Ook kan gedacht worden aan een ver­band met ‘hrim’, ‘rijp’, ‘rijm’; ‘hrim-kaldr’, ‘rijp-koud’, is een ken­schetsing van reuzen. Hymir zou dan kunnen betekenen ‘Rijpveroorzaker’.

Hyrrokin
(‘hyrr’ = vuur): ‘De in het vuur gerookte’, tovenares door de goden geroepen om het schip voor Balders vuurdood los te wrikken.

Idavlakte
‘id’= daad, handeling: ‘de vlakte, de velden van de hande­lenden, van de arbeid’.

Idun
verwant met ‘id’, ‘daad’, ‘han­deling’: ‘Zij die handelt’, in dit ge­val ‘Zij die verjongt’. Idun is de doch­ter van een koning der elfen of dwergen, Iwald. Het eten van haar appels schonk aan de goden steeds weer nieuwe jeugd. (Men vergelijke de Griekse mythe van de appels der Hesperiden, die eveneens eeuwige jeugd verschaffen.)   [ook Iduna]

Iwald
of Ivaldi ‘Hij die vermag’, ‘Hij die kan’, ‘die het in zijn macht heeft’. Vader van Idun.

Jarl
(het Engelse ‘Earl’): ‘Edelman’, adellijke titel die aan de hogere ambtenaren van de koning toekwam. In het lied van Rig stammen van Jarl de edelen af.

Jarnsaxa
(‘jarn’ = ijzer, kling; ‘sax’, in het Latijn ‘saxum’ (steen) = een kort zwaard; de uitdrukking ‘sax’ stamt uit de steentijd): ‘IJzerzwaard’, een reuzin bij wie Thor twee zonen verwekte: Modi en Magni.

Jord
of Erda, de godin van de Aarde, dochter van Annar en Nott, de Nacht. Zij werd de moeder van Thor.

Joten
zie Jotunheim Jotunheim  ‘Heim of heem, woon­plaats, der Joten’. (‘jotun’, oorspron­kelijk ‘Eoten’ = eter, veelvraat). Jotunheim was ‘oostelijk’ gelegen, aan gene zijde van de Elivagar. Dit moet echter niet alleen maar in ruimtelijke zin worden opgevat. Want wat aan de andere zijde van de Elivagar lag, ging in tijd vooraf aan de wereld, geschapen door Odin, Wili en Wé. De Joten zijn vanuit voorbijetijden met vernietigende krachten werkzaam, en wel ‘vretend’. De wijsheid van de Joten heeft altijd betrekking op het verleden. Toen Odin iets over het oerbegin wilde vernemen zocht hij een Jotun, Wafthrudnir, op (‘Hij die sterk is in het weven, dat wil zeggen in het op­geven van moeilijk te ontwarren raadsels’, ‘de ingewikkeld spreken­de’). Wanneer hij iets over de toe­komst wilde te weten komen, be­diende hij zich van de ziel van een mens, en wel van de Wala.

Karl
‘Kerel’, de naam voor de vrije boer. In het lied van Rig de stam­vader van de stand der vrije boeren.

Kvasir
‘de Fluisteraar’ (‘kveda’, ‘kvad’ = geluid geven). Het ontstaan van Kvasir, de wijste van alle schep­sels, uit de samenwerking van de beide godengeslachten van de Asen en de Wanen, wijst op het ontstaan van de spraak, respectievelijk op de spraakorganen. Daarom werd gezegd dat uit Kvasirs bloed de dronk der skalden, de dichtermede, was ont­staan (‘Kvaedi’ = gedicht). Het Noorse ‘kwase’ en het Russische ‘kvas’ voor een uit bessen gegiste drank wijzen nog op de samenhang met de mede.

Laufey
(‘lauf’ = loof, blad; ‘ey’ = eiland): ‘Loofeiland’ (‘Loofhout’?), de moeder van Loki. Wanneer Loki de zoon van Laufey wordt genoemd, heeft het er, volgens de geestesweten­schap van Rudolf Steiner, alle schijn van, dat hiermee zijn herkomst wordt aangeduid uit een toestand van de aarde, die is zoals die van het loof, dat wil zeggen nog niet geminerali­seerd. (Zie Rudolf Steiner, De we­tenschap van de geheimen der ziel).

Lidskjalf zie Hlidskjalf

Lif en Lifthrasir
‘Zij die leeft’, ‘het Leven’; en ‘Hij die op het leven wacht’, ‘de Levenbegerende’, ‘Levensdrang’. Zie de hoofdstukken ‘Over de es Ygdrasil’ en ‘Na Ragnarok’.

Lodur
verwant met het Duitse woord ‘lodern’, ‘(op)vlammen’, ‘branden’, ‘gloeien’. Lodur is in de bloedwarmte en in de stofwisseling werkzaam. Hij wakkert ‘het vuur’ aan, datgene wat de mens van binnen uit zijn kleur verleent, kortom wat zijn verschijning bepaalt. Zie het hoofdstuk ‘De goden en hun werken’.

Logi
‘Vlam’, ‘Gloed’. Zie het hoofd­stuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Loki
deze naam is voor meer dan een uitleg vatbaar.Waarschijnlijk hangt hij samen met het werkwoord ‘luka’, (‘lauk’), dat ‘afsluiten’, ‘be­ëindigen’, ‘een einde maken’ bete­kent; ‘luka upp’ is ‘ontsluiten’, ‘af­leiden’; ‘lok’ betekent ‘slot’, ‘eind’. Ook wordt wel een samenhang gezien met logi’, ‘vlam’, ‘laaie gloed’. Deze ontvankelijkheid voor velerlei uit­leg komt geheel voort uit het wezen van Loki. Hij is de Lucifer van de oudnoorse mythe. Tijdelijk is hij met de goden verbonden en helpt hij hen bij tal van moeilijkhe­den. Door toedoen van Loki echter maakt de wijsheid zich los van de dingen, die door de schepping waren ontstaan. Door niets meer ge­bonden ontaardt de wijsheid tot die sluwheid, die Loki zijn macht geeft. Van deze sluwheid gaat een sterke verlokking uit. Zij brengt de mensen zelfzucht (de wereldslang Midgardsormr), de leugen (de wolf Fenris) en ten slotte de dood (Hei): alle drie kinderen van Loki.

Lorridi zie Hlorridi

Magni
‘de Sterke’ (‘magn’, oor­spronkelijk identiek met ‘megin’ = kracht, sterkte). Magni is de sterke zoon van Thor.

Maretak
(Viscum album) ‘mistel-teinn’ (‘teinn’ = twijg), ook vogellijm en met de Engelse naam mistletoe genoemd. Deze plant, die niet in de aarde wortelt maar parasiteert op allerlei bomen, stond de ‘Zoon van Laufey’, Loki, ter beschikking. Juist omdat hij geen wortel kan schieten in de aarde stamt hij uit hetzelfde verleden van de wereld, waaruit ook Loki is voortgekomen. (Meer bijzon­derheden bij Rudolf Steiner, Welt, Erde und Mensen, 1908, G.A. 105.)  [ zie ook plantkunde]

Menglad
(‘men’ = halsketting; ‘gladr’ = blij, verheugd): ‘Zij, die zich over de halsketting verheugt’, bijnaam van Freya.

Midgaard
‘De middelste wereld’, die aan de mensen was toegewezen. Aan de ene kant, boven, was zij omgeven door Asgaard, de hof der Asen, de godenburcht; aan de andere kant, beneden, door Jotunheim. Dit in de macrokosmos, in de wereld in het groot. In de microkosmos, in de mens zelf, komt Midgaard overeen met de ritmische mens, dat wil zeggen met hart en ademhaling. — Door de mens uit vroeger tijd werd de borst beleefd als de eigenlijke zetel van de ziel. Van beneden af, vanuit de stofwisseling, bruiste Muspelheim op. Vanuit het gebied van het hoofd voelde hij de wereld van het koude komen.

Mimir
taalkundig verwant met ‘memoria’, ‘memory’, enz. Mimir draagt in zich de herinnering van de wereld. Door de wijze waarop hij in de Edda is uitgebeeld behoort hij tot de wezens van een hogere orde dan de dichter bij de mensen staande Asen.

Mistletoe zie Maretak.

Mjöllnir
‘de Verpletteraar’, de hamer van Thor (‘mölva’ = verbrijze­len, vermorzelen).

Modi
‘de Moedige’, zoon van Thor en de reuzin Jarnsaxa.

Modir
‘Moeder’.

Modsognir
(‘sogn’ hangt samen met ‘suga’, ‘zuigen’): ‘Zuiger van mede’. Schijnt een bijnaam van Mi­mir te zijn; Modsognir is echter ook de naam van een van de aanvoerders der dwergen.

Mundilfari
de vader van Mani (de Maan) en Sol (de Zon). De naam hangt samen met ‘maan’ en duidt een bepaald tijdstip aan.

Munin
zie Hugin en Munin.

Muspelheim
‘Oord van vernietigend vuur’, vuurwereld. De warme pool bij het ontstaan van de wereld. (Zie ook Niflheim en Hvergelmir.)

Naglfar
het uit menselijke nagels gebouwde dodenschip, ‘Nagelschip’.

Nanna
‘De werkzame’, de echtge­note van Balder en moeder van Forseti.

Narwe zie Nor.

Nidhog
(het Oudhoogduitse ‘nid’ betekent ‘haat’, ‘nijd’; ‘högg’ = houw, hakken): ‘Nijd-hakker’, ‘N(e)idhart’, ‘Nijdas’, de draak die aan de wortel van Ygdrasil knaagt. De naam duidt op de het leven ver­terende kracht, die werkzaam is in het zenuwstelsel. (Vergelijk de Griekse mythe van het hoofd van Medusa met zijn verstenende kracht.)

Niflheim
letterlijk ‘Nevelheim’, nevelgebied. De oude Germanen be­leefden de wereld en de mens als ont­staan uit een polariteit. Niflheim duidde de ijzig koude pool aan. (Zie ook Muspelheim.)

Njord
een van de goden uit het ge­slacht der Wanen die onder de Asen werd opgenomen. Vader van Freyr en Freya. God van de rijkdom en de vruchtbaarheid. Zie de hoofd­stukken ‘De Asen en de Wanen’ en ‘Suttungs mede’.

Noatun
‘Hof der schepen’, ‘Schepentuin’, het paleis van Njord. Nor of Norvi, Norve, ‘De in ’t nauw gebrachte’, ‘de Benarde’; ‘narwa’ is in het Oudgermaans ‘nauw’, ‘smal’. Nör is de vader van Nott, de Nacht.

Nornen
afgeleid van ‘nyrna’, ‘hei­melijk mededelen’: de drie Schikgo­dinnen, die over het menselijke lot beschikken. Hun namen zijn Urd, Werdandi en Skuld — Verleden, Heden en Toekomst.

Nott
of Natt, de Nacht, de dochter van de reus Nör. Zij was driemaal ge­trouwd, eerst met Naglfari (Lucht of Aether), aan wie zij een zoon Audur (Stof, Voorraad) schonk; daarna met Annar, die de vader werd van Jord, de Aarde; en ten slotte met Delling, de Dageraad. Uit dit laatste huwelijk werd Dagur, de Dag, geboren.

Odin
in het Oudhoogduits Wuodan, later Wotan (Wodan). Taal­kundig verwant met ‘waden’ en ‘woeden’, dat wil zeggen ‘krachtig in voorwaartse richting gaan, naar voren dringen’. Odin is de godheid die bij voorkeur werkzaam is in de storm — in de ademhaling die de longen vult, en in de wind die door het woud bruist. Buiten, in de we­reld in het groot, laat hij struiken en bomen spreken, kruinen ruisen, takken kraken. — In de mens bun­delt hij dit alles in het woord, in woorden die aan klanken van de na­tuur zelf zijn ontleend. De taal die Odin aan de mensen schonk was een onomatopoëtische, op klanknaboot­sing gebaseerd, en hierop berustte haar magische werking. Odin-Wotan is verreweg de meest gecompliceerde en complexe godheid onder de noordgermaanse goden.

Odr
ook Od of Odur (Oudhoog­duits ‘wuot’): ‘Gemoedsbeweging’, ‘Hartstocht’, ‘Zieleleven’. Odr is de bruidegom van Freya.

Odroerir
‘Geestverwekker’, ‘Die de geest in beweging brengt’: zowel de ketel, waarin de mede, de skalden­drank, bewaard werd, als deze dichtermede zelf.

Onar zie Annar

Raesvelg zie Hraesvelg 

Ragnarok
(hangt samen met ‘regin’, Gotisch ‘ragin’, ‘de heersenden’, ‘de goden’): ‘het raadsbesluit, aan de goden voltrokken’, ‘de ondergang der goden’, ‘wereldondergang’, ‘godenschemering’. Hiermee is voor­al een verandering van het bewust­zijn bedoeld, die zich na de dood van Balder moest voltrekken. De oude helderziendheid, die de dingen als in een droom zag, verdwijnt; voortaan is voor de mens slechts dat­gene ‘werkelijk’, wat hij met zijn zin­tuigen duidelijk waar kan nemen. Regin  (Gotisch ‘ragin’): ‘de Heer­senden’, dat wil zeggen de goden.

Rig
‘Heerser’, ‘Wezen van een hoge­re orde’ (het Keltische ‘ri’, tweede naamval ‘rig’ betekent ‘koning’).

Rungnir zie Hrungnir

Sessrymnir
(‘sess’ = zetel, zit­plaats): ‘de Zetelrijke’, zaal in het paleis van Freya.

Sif
is hetzelfde woord als ‘sibbe’, ‘familie’, ‘de gezamenlijke ver­wanten’, Sif was de echtgenote van Thor.

Sindri 
‘De vonkenspattende’. Naam van de dwerg die de hamer Mjöllnir smeedde.

Skadi
‘Schade’, ‘Stammend van de tegenkrachten’, dochter van de reus
Thjazi, die door de goden gedood wordt. Als genoegdoening hiervoor trouwt Skadi met Njord.

Skidbladnir
(‘skid’ is het Noorse ‘ski’; ‘blad’ = blad): ‘Uit planken, zo dun als bladeren gevormd’, ‘Gevleu­geld hout’, het opvouwbare schip van Freyr.

Skirnir
(‘skina’ = glanzen, lichten, stralen; ‘skirr’ = helder, klaar, licht): ‘de Schitterende’, ‘de Glanzende’. Dienaar en wapendrager van Freyr.

Skol en Hati
(‘skollr’ = slinkse stre­ken; ‘hatr’ = haat): ‘de Slinkse, Valse’ en ‘de Hatende’, de beide wolven die zon en maan willen ver­slinden.

Skrymir
afgeleid van ‘skrama’, ‘doen schrikken’. Hiermee verwant is ‘skrymt’, ‘spook’, ‘verschijning’. Zie het hoofdstuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Skuld
hangt samen met ‘skolo’ (‘skylda’), ‘moeten’ en met ‘skyldr’, ‘schuldig’. Deze naam heeft betrek­king op de toekomst, op datgene, wat de mens overeenkomstig zijn lot moet betalen. Daarom heet een van de drie Nornen, die van de toe­komst, Skuld.

Sleipnir
taalkundig verwant met ‘sluipen’: ‘De snel sluipende’, het achtvoetige paard van Odin.

Snaar
‘Schoondochter’, de vrouw van Karl, de stammoeder van de stand van de vrije boeren.

Son
‘Offer'(taalkundig verwant met ‘zoenen’ in de betekenis van ‘boeten’, ‘goedmaken’). Een van de drie vaten, waarin de dichtermede, Kvasirs bloed, werd opgevangen.

Surt
‘de Zwarte’ (‘sortna’ = zwart worden). De demon van het vuur die Muspelheim met een vlammend zwaard bewaakte. Suttung ‘de Geweldadige’ (?) volgens een andere verklaring ‘de Zui­per’): zoon van de reus Gilling. Na diens dood kreeg hij van de dwergen Fjalar en Galar als vergoeding de dichtermede, die hij door zijn doch­ter Gunlod liet bewaken.

Svadilfari 
‘Die over gladde rotsen heenrijdt’, de hengst van de bouw­meester van de muur om Asgaard.

Tanngnjostr en Tanngrisnir
‘Tan­den knetteraar’ en ‘Tandenknarser’, de twee bokken die Thors wagen trokken.

Thjalfi
de betekenis van deze naam is onzeker; mogelijk ‘dienaar’ (?) Zie het hoofdstuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Thjazi
of Thjassi, ‘Stormer’ (?); de betekenis van deze naam is onzeker. Vader van Skadi.

Thökk
deze naam wordt zowel ver­klaard in de betekenis van ‘Duister’ als van ‘Dank’ (‘thakka’ = danken). In deze laatste betekenis moet de naam ironisch zijn bedoeld voor de reuzin, wier gestalte Loki aanneemt na de dood van Balder, en die als enige van alle schepsels niet om de dood van Balder treurt. Thor of Donar, ‘Donder’. Door de figuur van Thor werd in de oudnoorse mens zijn eigen ik-bewustzijn wakker geroepen.

Thrall
‘Horige’, ‘Knecht’. Stamvader van de stand der onvrijen.

Thrudwang
Landouw van de kracht’ (‘thrud’ = kracht), het gebied waar zich de burcht van Thor, Bilskirnir, bevindt. Thrym afgeleid van ‘thruma’, ‘don­deren’, ‘geraas maken’: ‘Donder’, reus die tijdens Thors slaap diens hamer steelt.

Thrymheim
‘Dreunend heem’, ‘Donderverblijf’ (‘thruma’ = donde­ren), de woning van Thjazi.

Thursen
‘Duistere wezens’ (het woord ‘Thurs’ legt de nadruk op de weerzinwekkende lelijkheid). Zij worden vaak op één lijn gesteld met de Joten en eenvoudig als reuzen be­schouwd. Oorspronkelijk was dit niet zo. Toen noemde men de oer­wezens, die verbonden waren met een wereld die aan de huidige vooraf­ging, Thursen. Dit blijkt duidelijk uit een passage in de jonge, de proza Edda (‘Gylfaginning’, ‘De begooche­ling van Gylfe’). Daar wordt door Gylfe/Gangleri gevraagd, waar de schepper van de wereld was, toen hij nog niet de huidige wereld had ge­schapen. Het antwoord luidt: ‘Toen was hij bij de Thursen’.

Thyra
‘Slavin’, ‘(Dienst)meid’.

Ull
 ‘uil’, het Angelsaksische ‘wull’, Gotisch ‘wulla’, betekent ‘wol’. ‘De Wollige’ (?), zoon van Sif, stiefzoon van Thor, bekend als skiloper, jager en boogschutter.

Urd
‘uit de oertijd’, de Norne van het verleden en de belangrijkste van de drie Nornen.

Utgaard
(‘ut’ = buiten, eruit; ‘gardr’ = (om)tuin(ing), hof): ‘Buitenhof’, het rijk van Utgaard-Loki, gelegen aan het einde der wereld, het rijk van de ijzige koude.

Utgaard-Loki
‘de Loki van de we­reld buiten ons’. De Noors-germaanse mythologie onderscheidt tussen twee werkzame beginselen van het kwaad. Het eerste, dat door Loki, de zoon van Laufey, wordt vertegen­woordigd, oefent zijn verleidende werking uit op het gebied van de geest en de ziel. Dat wil zeggen dat Loki uit de rijen van de goden naar de mens toegaat. Het tweede, Ut­gaard-Loki, bewerkstelligt de be­goochelingen die van buiten af de ziel omvangen, om de mens te be­letten de diepere werkelijkheid te doorgronden die zich achter de we­reld van de zintuiglijke waarneming verbergt. — Bij Saxo Grammaticus, de schrijver (overleden ca 1220) van een geschiedenis van Denemarken vanaf de oudste tijden tot 1184, vin­den we een zeer drastische schilde­ring van de onderaardse grotten van Utgaard-Loki. Alles is daar hoornachtig en hard geworden. In het uiterste noorden, waar nooit de zon schijnt, bevindt zich de ingang tot deze met gif gevulde holen.

Valr zie Walvader

Wala
oudnoors Wolwa of Volva: Waarzegster, zieneres. Letterlijk: ‘Zij die vertrouwd is met de offerstaaf­jes’. Om het lot of de wil van de goden te doorgronden werden op een bepaalde wijze staafjes of met bloed ingewreven spaanders, zoge­naamde ‘volr’, op een hoop gegooid. De runen die hierdoor ontstonden wist de Wala te duiden. — Misschien mag in ‘Volva’ ook de overeenkomst in klank met ‘wolf’ worden beleefd, hoewel dit zuiver etymologisch moeilijk kan worden gestaafd. Onder de dieren werd de wolf als een in bij­zondere mate bezeten, demonisch, wezen ervaren. Daarom werd met ‘wolf’ heel vaak die merkwaardige relatie aangeduid, die ontstaat wan­neer een hogere macht bezit neemt van een mens — in goede zowel als in kwade zin. De vele sagen over weerwolven hangen hiermee samen, vermoedelijk ook het veelvuldig voorkomen van ‘wolf’ als eind- of be­ginlettergreep in oudgermaanse namen.

Walhalla
‘Hal der gevallenen’, het verblijf van Odin.

Walkuren
‘Zij die de Wal (‘valr’) kiezen’, ‘Dodenkiezers’: dienaressen van Odin die door de lucht rijden en op Odins bevel hen aanwijzen, die in de strijd zullen sneuvelen.

Walvader
afgeleid van ‘vair’, de lijken van de gevallenen op het slag­veld na de slag: ‘Vader van de geval­len krijgers’, een van de namen van Odin.

Wanen
taalkundig verwant met het werkwoord ‘wanen’: ‘Zij die wanen’. Het Oudnoorse ‘van’ betekent ‘vooruitzicht’, ‘verwachting’: ‘Zij die verwachten’. Zie ook onder Gullveig.

War
ook Wara, Woer of Wor. Hangt samen met ‘var’, het Oudhoogduitse ‘wara’, ‘gelofte van trouw’. War is de godin van de huwelijkstrouw.

Wegtam
‘De aan wegen gewende’, ‘de veel reizende’, een van de namen van Odin (‘vegr’ = weg; ‘tamr’ = tam, getemd).

Werdandi
de Norne van het tegen­woordige, het heden.

Widar
(‘vida’ = wijd, ver): ‘De Om­vattende’, ‘De wijd en zijd heer­sende’, zoon van Odin en de reuzin Grid.

Wili en Wé
taalkundig verwant met ‘Wil’ en ‘Wijding’, ‘Heiligdom’. De drievuldigheid Odin, Wili en Wé moet worden opgevat als een uit de geeste­lijke kosmos stammende werkzaam­heid van de ziel. Deze in den beginne werkzame drievuldigheid stemt niet geheel overeen met de latere drievuldigheid Odin, Hönir en Lodur, die werkzaam is bij de schepping van de mens. De laatstgenoemde drievul­digheid vindt haarvoortzetting in de krachten van de menselijke ziel van het voelen, denken en willen. Hierbij heeft een verschuiving plaats gevon­den. In de eerste drievuldigheid ver­tegenwoordigt Odin meer het denken, in zekere zin als de uit de wereldgeest scheppende goddelijke kracht, Wili en Wé het willen en voelen. In de tweede, op de mens ge­richte drievuldigheid werkt Odin door de adem taalscheppend, terwijl Hönir het gevoel en de zinsbekoring doet ontbranden en Lodur in de warmte van het bloed de wil laat op­vlammen. De verschuiving schijnt op te treden doordat de oorspronkelijke, bij de schepping van de wereld werk­zame drievuldigheid zich in de mens wijzigt in een viervuldigheid. Bij het denken, voelen en willen voegt zich een vermenging, die opgeroepen wordt met de zintuiglijke waarne­ming. (Men denke aan de vier ko­ningen in Goethe’s ‘Sprookje van de groene slang en de schone lelie’.)

Wor zie War

Ygdrasll
‘Yggr’ is de naam van een (krijgs)god en betekent ‘de Vrees­wekkende’. Odin neemt soms deze naam aan; taalkundig is hij verwant met ‘ek’ en ‘ik’. Het Ik van de god­heid riep bij de mensen altijd vrees op. ‘Drasil’ = ‘Drager’, ‘dragend dier’. Hieruit kan ‘Yg(g)-drasil’ worden ver­klaard als ‘Ik-drager’. Ygdrasil is de levensboom of wereldboom, die het met een ik begaafde schepsel draagt.

Ymir
het alles omvattende oer­wezen, waarin alles samen- en ineen-vloeit. Meer bijzonderheden hier­over deelt Rudolf Steiner mee in de vierde voordracht van zijn cyclus over de ‘Egyptische mythen en mysteriën’ uit 1908 (G.A. 106). Hij zegt daar: ‘De inwijdeling schouwde in de geest als het ware de oervorm van de godheid. De dieren zag hij als lagere, als ‘bij’vormen, ook de plan­ten zag hij als ondergeschikte gestal­ten. Alles, wat hier als lagere natuur­rijken leeft, dat alles zag de Atlan­tische inwijdeling als voortkomend uit degestalte van de mens.’ Waar­schijnlijk is Ymir taalkundig verwant met het Oudiraanse ‘Yama’, Indisch ‘Jama’. Yama was voor de Iraniërs de oermens, Jama was de god van de doden van de Indiërs (Ymir is het eerste wezen, dat ooit is gestorven).

vertelstof: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas Edda

.

595-546

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – G. en A. Philips

.

Op een van de donkerste dagen van de Tweede Wereld­oorlog, 13 mei 1940, toen Fransen en Engelsen terug­weken voor de Duitse stoomwals en de Nederlandse mili­taire weerstand zich op de rand van de ineenstorting bevond, baande een Britse torpedobootjager op een uitzonderlijke red­dingsmissie ondanks het gevaar van Duitse mijnen en duikbom­menwerpers zich een weg naar de Nederlandse kust. Het schip meerde af in Hoek van Holland en nam daar een groep van om­trent 25 mannen aan boord. Dat waren geen gestrande Britse onderdanen of een ingesloten militaire eenheid; het waren voor­aanstaande functionarissen en onderzoekers van het wereldver­maarde Philips-concern, Nederlands “elektronische reus”.

De Britten achtten een poging om de “brain-trust” van dit con­cern aan de greep van de Duitsers te onttrekken het risico van het verlies van een waardevol oorlogsschip meer dan waard — en zij bleken gelijk te hebben, want de Philips-mensen brachten bijzon­derheden mee over nieuwe elektronische vindingen die voorbe­stemd waren om in de grote worsteling een uiterst belangrijke rol te spelen. Een daarvan betrof een nieuwe vacuümbuis die een vitale component van radar werd. Een andere buis, die on­zichtbare infrarode straling omzette in een zichtbaar beeld, werd de kern van een apparaat voor het lokaliseren van geschutsstellingen. De Philipsgroep, die enkele weken na de evacuatie naar Engeland verder trok naar de Verenigde Staten, gaf daar leiding aan het werk ten dienste van de oorlogsproductie van de Ameri­kaanse tak van het concern, de North American Philips Corp., benevens van een nieuw laboratorium te Irvington. Na de oorlog ontving de North American Philips Corp. het slechts aan een klein gedeelte van de industrie toegekende Army-Navy Production Award Emblem ‘Voor bekwaamheid, ijver en toewijding op het productiefront van de grootste oorlog in de geschiedenis”.

Het Philips-concern is een van de opmerkelijkste en wijdst ver­breide ondernemingen ter wereld. Het bezit fabrieken in alle werelddelen, telt
252 000 werknemers en leverde in 1965 [1]voor een waarde van zeven-en-een-half miljard gulden aan goederen en diensten aan derden. De onderneming is er een welsprekend bewijs van dat “big business” niet het specifieke domein van grote naties is. Toen de Nederlandse markt te klein bleek om de productie van Philips-gloeilampen te absorberen, sloeg de toen nog piep­jonge onderneming haar vleugels uit, eerst over Europa, later over heel de wereld, en zij is dat blijven doen.

Zo men van iets mag zeggen dat het “wereldbekend” is, dan van de naam Philips. Hij verlicht om zo te zeggen de hele aard­bol. Zijn gloeilampenfabrieken vindt men in tientallen landen, de jongste in Turkije en in Maleisië. Het zijn strijklichten van Philips die de beroemde kathedraal van Barcelona en de Place de la Concorde in Parijs illumineren, en halogeengloeilampen van Philips die de Shalamar Gardens in Lahore en de Rots van Gibral­tar in “floodlight” zetten en de renbanen van Vichy en Majorca verlichten. De belichting van het toneel van Europa’s beroemdste operatheater, La Scala in Milaan, is van Philips — maar die naam vindt men ook op de projectieapparatuur in Amerika’s grootste bioscopen, op elektronische onderdelen voor Engelse com­puters, op de natriumlampen die de nieuwe, prachtige autoweg bij Lyon en een net van verkeerswegen bij Caracas verlichten en veiliger maken, op de “travelling wave maser” die gebruikt wordt in het Britse grondstation voor de transatlantische communicatie via satellieten, op de apparatuur voor de lanceerbasis Woomera in Australië, en op de röntgenapparatuur in ziekenhuizen in Birma. Philips-radiotoestellen worden per muilezel naar hoogge­legen eenzame plaatsen in het Andesgebergte gebracht, onder­zoekers in Zweedse natuurkundige laboratoria gebruiken spectroscopen en elektronische microscopen van Philips, de geluids­versterking bij de massabijeenkomst in New York bij het bezoek van paus Paulus VI was van Philips, het is Philips die de moderni­sering en automatisering van het telefoonnet van de Soedan ver­zorgt, de eerste televisiezender van Australië bouwde, omroep- en televisiezenders construeert in Venezuela, Indonesië en Zambia.

De producten van de onderneming variëren van eenvoudige kerstboomverlichting tot gecompliceerde cyclotrons ter waarde van vele miljoenen guldens. Zij voert verlichtingsprojecten uit voor banken in Parijs en Karachi en fabrieken in België, Tanzania en Pakistan, zij richt complete ziekenhuizen in, telefooncentrales en telegraafnetten, radio- en televisiestudio’s, verzorgt de gehele elektronische uitrusting van een modern vliegveld — en dat alles “waar ook ter wereld”.

Deze gigantische onderneming werd uit het niets geschapen door twee uitzonderlijk begaafde broers: ir. Gerard Philips en zijn 16 jaar jongere broer Anton. Beiden werden geboren in het kleine stadje Zaltbommel aan de Waal, waar hun vader, Frederik Philips, een kassiersbedrijf, de gasfabriek, een tabakskerverij, een koffie­branderij en een wattenfabriek exploiteerde en een handel in tabak en thee dreef. De oudste zoon, Gerard, geboren op 9 oktober 1858, studeerde met succes aan de Polytechnische School te Delft, waar hij de ingenieurstitel behaalde. De wat verlegen, leergierige Gerard, met zijn weerbarstige snor en zijn stalen bril, werd in het gezin “de professor” genoemd; hij werd gefascineerd door de toen nog jonge elektrotechniek en las alles wat hem in handen kwam over Edisons nieuwe, in 1879 gelanceerde gloeilamp, en ex­perimenteerde in een primitief, in het washok achter het ouderlijk huis ingericht “laboratorium”. Hij was al jong in contact ge­komen met de later zo befaamde Lorentz, die zijn belangstelling voor experimentele natuurkunde stimuleerde, en tijdens een ver­blijf in Glasgow waar hij toezicht hield op het aanleggen van een lichtinstallatie aan boord van de Willem, Prins van Oranje van de Maatschappij Zeeland kwam hij in aanraking met de beroemde fysicus Thomson, de latere Lord Kelvin, die hem toestemming gaf in zijn elektrisch verlichte laboratorium zijn studies voort te zet­ten. Terug in Zaltbommel zette Gerard Philips zich ertoe zich de kunst van het maken van gloeilampen eigen te maken, ervan overtuigd dat hij een kooldraadlamp kon vervaardigen die beter en goedkoper was dan die van buitenlands fabrikaat. Eind 1890 was hij zo ver (hij was toen 32 jaar); hij slaagde erin zijn vader te infecteren met zijn enthousiasme voor het nieuwe licht dat de wereld zou gaan veroveren. Frederik Philips bleek bereid 75 000 gulden te investeren en te riskeren in een gloeilampenfabriekje. Zaltbommel kwam als vestigingsplaats niet in aanmerking en Gerard vond ten slotte wat hij zocht in het toen nog landelijke, Brabantse plaatsje Eindhoven: een klein bakstenen gebouw van een stilgelegde bukskinfabriek. Hij nam tien goedkope arbeids­krachten in dienst, landarbeiders wier vereelte handen beter geschikt waren om koeien te melken dan om de fijne kooldraden voor elektrische lampen te vervaardigen. Geduldig leerde Gerard hun de kunst en in 1892 kwam de productie op gang: 30 kooldraadlampen per dag.

Vier jaar lang rekte het fabriekje zijn moeizaam bestaan: de productie rees traag, het geld verzwond snel. Om nog iets van het bedrijfskapitaal te redden besloten vader en zoon in 1895 de zaak te verkopen, maar de onderhandelingen sprongen af op een onoverbrugbare kloof van duizend gulden tussen de vraag­prijs (25 000 gulden) en de biedprijs (thans, driekwart eeuw na de oprichting, bedraagt het eigen vermogen van de onderneming bijna 4 1/2 miljard gulden!). Op dat precaire ogenblik besloot vader Frederik dat de zaak nieuw bloed nodig had: dat van Gerards broer Anton.

De vrolijke, onstuimige Anton, toen 20 jaar, in Amsterdam en Londen opgeleid voor de effectenhandel, voelde er niet veel voor zijn ambities op te geven en de kosmopolitische centra waar hij zijn werkterrein hoopte te vinden te verwisselen voor het saaie, kleinsteedse Eindhoven. Maar hij liet zich overhalen en stemde toe in een proeftijd van een half jaar. Het standbeeld dat de stad Eindhoven voor hem oprichtte is er een blijvend ge­tuigenis van dat die proeftijd werd omgezet in levenslange arbeid ten dienste van de onderneming die door zijn vader en zijn broer zo bescheiden was opgezet. Met wervelende energie zette hij zich aan de taak de firma Philips & Co uit het slop te halen. Hij dreef de afzet omhoog, ging de boer op met zijn koffer­tje met kooldraadlampen, en in 1896 sloot de firma voor het eerst een boekjaar met winst af : ƒ 14 460 (zeventig jaar later beliep de concernwinst 400 miljoen gulden!). Een jaar later overtrof de productie ruim de behoefte van de nog maar be­scheiden Nederlandse markt, waar het “nieuwe licht” slechts langzaam terrein won (Eindhoven zelf kreeg pas in 1912 elek­trisch licht!). Anton trok met zijn koffertje de grenzen over, 3de klas reizend en levend van een paar rijksdaalders per dag — naar Duitsland eerst, Frankrijk, Spanje, Portugal daarna, en ook Rusland. Daar boekte hij, in 1898, zijn grootste order: 50 000 “kaarslampen” voor de kristallen luchters van het winterpaleis van de tsaar in Sint Petersburg, een bestelling die hij vol trots aan Gerard doorseinde. Die informeerde telegrafisch of Anton niet per ongeluk een nul te veel had geschreven; waarop Anton prompt terugseinde: “fïfty thousand — fünfzig tausend — cinquante mille”.

Anton had reden voor die trots. Rusland, dat het gaslicht leek over te slaan en van kaars en petroleum op gloeilamp overscha­kelde, werd door reizigers van de veel machtiger en kapitaalkrach­tiger Duitse gloeilampenindustrie intensief bewerkt. Er leek daar een markt met een ongekend absorptievermogen braak te liggen en daarom had de oudere en rijpere Gerard besloten zelf die markt te gaan verkennen. Maar moeilijkheden bij de montage van een nieuwe stoommachine weerhielden hem en zo moest de 24-jarige Anton, nauwelijks twee maanden na zijn huwelijk met Annetje de Jongh, de reis naar het toen zo verre, vreemde land aanvaarden, zonder introducties en zonder enige kennis van de taal. Doch zijn talenten als verkoper kregen nu de kans zich ten volle te
ont­plooien: met zijn onstuimige energie wist de vertegenwoordiger van het kleine, beginnende Eindhovense fabriekje bijna overal zijn Duitse concurrenten de loef af te steken. Binnen één maand bracht hij 21 nachten in een slaapwagen door, aan zijn jonge vrouw schreef hij dat hij zo door vlooien en luizen was gebeten dat hij met gezwollen armen rondliep. Maar hij verkocht gloei­lampen bij tienduizenden: binnen enkele weken de helft
van de toenmalige jaarproductie. Zijn emotionaliteit en zijn impulsivi­teit spraken de Russen aan. Hij won hun vertrouwen, ook door zijn wijze van zakendoen. Toen een beginnende Russische instal­lateur geestdriftig een onverwacht grote order gaf voor een nieuw soort lampen, adviseerde Anton hem, na inzage van ’s mans verkoopstaten, de bestelling flink te verlagen: hij bespaarde zijn nieuwe klant liever het risico van een onverkoopbare voorraad.

Later, toen hij aan het hoofd stond van een al machtige, wijd vertakte onderneming, heeft hij eens tijdens een reis door de Verenigde Staten gezegd: “Een goede handelsreiziger wil zaken doen voor altijd en niet voor eenmaal.” Hij ergerde zich aan men­sen die zich boven het acquisitiewerk verheven voelden: hij door­drong er zijn medewerkers immer van dat het verkopen de front­linie van het zakendoen was, dat alle zakelijke relaties in een sfeer van correctheid ook een persoonlijk karakter moesten dra­gen, dat met de wensen van afnemers en met de lokale omstan­digheden rekening moest worden gehouden, maar ook met iedere klacht. In 1909, in de tijd van de overschakeling van kooldraadlampen op metaaldraadlampen (waarvan er vele na een gering aantal branduren zwart werden), spotte men in België na de dood van koning Leopold II dat Philips “rouwlampen” leverde. Anton had dagwerk met het opvangen van klachten van ontevreden af­nemers: alle teruggezonden, zwartgebrande lampen werden koste­loos vervangen door nieuwe, net zo lang tot Gerard een middel had gevonden om de donkere aanslag in de glasballons te voor­komen en de sombere “tijd van de zwarte lampen” voorbij was.

Het was de combinatie van de zo sterk uiteenlopende talenten van Gerard en Anton die de grondslag legde voor de opbloei van een noodlijdend kooldraadlampenfabriekje tot een gigantisch wereldconcern op het gebied der elektronica.

Gerard, de technicus, experimenteerde en ploeterde onvermoeid om nieuwe en betere fabricagemethoden te vinden, de kwaliteit van zijn producten op te voeren en de technologische ontwikke­ling voor te blijven. Hij bleef studeren in zijn “laboratorium”, een hoek in een der werkruimten waar een kast met flessen en reageer­buizen en een tafel met instrumenten voor eenvoudige proeven stonden, tezamen vormend wat men in het bedrijf de “keuken” of de “apotheek” noemde. Met minder medewerkers en minder hulpmiddelen dan zijn buitenlandse concurrenten wist hij
niette­min in de voorhoede der technische evolutie te blijven, dank zij vooral de grote vindingrijkheid waarmee hij zijn uitgebreide theoretische kennis aan de praktijk wist dienstbaar te maken. Toen een technische vernieuwing van grote betekenis zich aan­kondigde, de vervaardiging van een metaaldraadlamp met ge­spoten wolfraamdraad, ging Gerard
experimenteren met wol­fraam. Het resultaat was een metaaldraadlamp die bij eenzelfde stroomverbruik een driemaal grotere lichtsterkte had dan de oude kooldraadlamp.

Anton, de koopman, ontpopte zich meer en meer als de ge­boren grote ondernemer met een de wijde wereld omvattende ruime blik, die snel zag waar zijn kansen lagen en daardoor de moordende concurrentie vaak een slag voor was. Toen in het begin van deze eeuw een ware prijzenoorlog uitbrak tussen de A.E.G. en Philips om het bezit van de Duitse markt, kreeg Anton in Berlijn van Emil Mainroth, een der directeuren van de A.E.G., de raad zijn brutale concurrentiestrijd maar te staken: “Ik hoef slechts op deze knop te drukken en de prijs van de lampen gaat omlaag tot 20 Pfennig.” Waarop Anton riposteerde: “U kunt op die knop drukken zoveel u wilt, maar u komt te laat. Sedert een maand staat in al onze verkoopcontracten de clausule dat de prijzen van Philipslampen steeds een halve Pfennig beneden de offertes van de A.E.G. zullen liggen.”

Hoe slagvaardig Anton was bewees hij na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, toen de Duitsers de aanvoer van voor het be­drijf onontbeerlijke glasballons uit Duitsland en Oostenrijk be­lemmerden en de spoorwegverbinding met Rusland, een van de grootste afnemers van de onderneming geworden, afsneden. Anton handelde met de hem kenmerkende durf en verbeeldings­kracht. Hij bouwde een eigen glasfabriek, smokkelde vakkundige glasblazers uit het door de Duitsers bezette België (hij liet ze langs sluikwegen naar de grens komen waar ze door een tussen het prikkeldraad geschoven ton naar Nederlands gebied kropen) en kocht zeventig rendieren en sleden om de leveranties aan Rusland via Finland voortgang te doen vinden. Toen de blokkademaat­regelen ter zee en de door de Duitsers afgekondigde onbeperkte duikbootoorlog de aanvoer van grondstoffen en de export van eindproducten in gevaar brachten, werd Anton zelfs reder: hij kocht een aantal loggers en trawlers die onder de blauwwitte Philipsvlag zijn lampen naar hun bestemming brachten en grond­stoffen, maar ook andere schaarse goederen, als hoeden uit Italië, groentezaden, parfums en zelfs champagne uit Frankrijk, aanvoerden. Röntgenbuizen voor medici konden niet meer wor­den ingevoerd: Philips ging ze repareren en daarna zelf maken. Lampen voor filmprojectors volgden. De militaire autoriteiten hadden radiobuizen nodig: Philips ging ze maken en zette daar­mee de eerste schreden op een weg die naar een verbluffend snelle expansie van het bedrijf zou leiden — de popularisering van de radio als massa-communicatie- en ontspanningsmedium.

Gerard Philips vergezelde zijn broer niet op die weg: in 1922 trok hij zich uit de leiding van het bedrijf terug en droeg de ver­antwoordelijkheid aan Anton over. Hij zag in dat de sectoren der techniek die hij zo lang superieur had beheerst, steeds meer vormen van teamwerk vergden, waarin de genialiteit van de indi­viduele uitvinder op de achtergrond werd gedrongen. Het weten­schappelijk onderzoek nam een vlucht die voor een ingenieur zonder gespecialiseerde fysische en mathematische kennis moeilijk te volgen was: de gedachte “Einstein niet te kunnen begrijpen” drukte hem zwaar. Maar toch had Gerard de richting bepaald van de weg die de onderneming voor haar verdere ontplooiing moest inslaan. Toen koningin Wilhelmina in de prille ochtend­uren van de 1ste juni 1927, nadat zij en prinses Juliana zich voor het eerst via de Philips-kortegolfzender tot de bewoners van Oost­- en West-Indië hadden gericht, aan Anton de aan de Huisorde van Oranje-Nassau verbonden eremedaille in goud “voor voort­varendheid en vernuft” overhandigde, merkte deze op: ‘Ik kan wel voor de voortvarendheid zorgen, maar het vernuft bevindt zich hier in het laboratorium.”

Daarmee doelde hij op het natuurkundig laboratorium dat Gerard, zich realiserend dat in wetenschappelijk onderzoek de sleutel lag voor succes in de zich snel uitbreidende wereld der elektronica, reeds in 1914 had ingericht en dat een der eerste industriële researchinstituten ter wereld was. Hij stelde het onder leiding van een geniale jonge natuurkundige, dr. G. Holst, die spoedig erkend werd als een der grote pioniers op het gebied van de industriële research in Nederland. Een indrukwekkende reeks nieuwe producten werd in dit laboratorium ontwikkeld. Het leidde door zijn experimenten en ontdekkingen het bedrijf naar terreinen waar Gerard en Anton in hun schamele, spaarzaam ver­lichte en verwarmde kantoortje in hun eerste primitieve kooldraadlampenfabriekje nauwelijks van gedroomd zullen hebben: natriumlampen voor wegverlichting, hogedruk-kwiklampen, reus­achtige vuurtorenlichten, maar ook subminiatuurlampjes met een diameter van 3 millimeter, radio- en televisietoestellen,
kunst­stoffen, grammofoonplaten, kwartslampen met infrarode straling voor industriële ovens, huishoudelijke apparaten, vitaminepre­paraten, koelkasten en stofzuigers, insecticiden, fungiciden en herbiciden.

Toen hem gevraagd werd hoe Philips het had klaargespeeld van een nietig fabriekje dat 30 gloeilampen per dag maakte uit te dijen tot zijn huidige omvang en betekenis, verklaarde Frits Philips, de zoon van Anton, dat aldus: “Vele ondernemingen wensen niet te groeien, zij geven de voorkeur aan zekerheid boven het avontuur. Bij ons is dat altijd anders geweest. Anton Philips had haast om groot te worden. Mensen van zijn type hebben de neiging daarbij anderen onder de voet te lopen. Anton deed dat niet. Hij droeg bevoegdheden over en moedigde anderen aan ver­antwoordelijkheid te dragen. Hij hield ervan mensen vooruit te helpen. Nog tijdens zijn leven — hij stierf in oktober 1951 — was het kleine Eindhovense bedrijf uit de jaren ’90 uitgedijd tot ‘een wereldfederatie van ondernemingen’ welke ervan getuigt dat free enterprise’, als ze de kans krijgt, overal kan groeien en bloeien, tot verrijking van iedereen.”

alle biografieën

.

594-545

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over kinderbespreking (1-1)

.

‘School’ was voor Rudolf Steiner meer dan een instituut waar aan kinderen ‘iets’ wordt geleerd. Een veel grotere nadruk legde hij op de vraag ‘wat is een kind’ en vooral ‘wie is DIT kind’. Omdat we dit niet weten, noemde Steiner het kind dan ook ‘een raadsel’. In verschillende voordrachten spreekt hij daarover met bevlogen woorden:

‘Ein heiliges Rätsel wird uns dadurch der werdende Mensch, ein heiliges Rätsel, das wir in jeder Stunde lösen wollen. Wenn wir uns so mit unserer pädagogischen Kunst in den Menschheitsdienst hineinstellen, dann dienen wir diesem Leben aus den großen Interessen dieses Lebens.’

Een heilig raadsel wordt de wordende mens daardoor, een heilig raadsel dat we ieder uur willen oplossen. Wanneer we op deze manier met onze pedagogische kunst ons in dienst stellen van de mensheid, dan dienen we dit leven, uit  grote interesse voor dit leven. [1] En even later:

‘Ein solches Erkennen der menschlichen Wesenheit, daß derjenige, der nun vor dem werden­den Menschen, dem Kinde steht – vor diesem wunderbaren Wel­tenrätsel, das geboren wird, das in den ersten Tagen seines äußeren Weltendaseins uns den wunderbaren Aufbau eines physischen Organismus aus dem Geistig-Seelischen heraus in jedem Augen­blick zeigt, das uns dann zeigt, indem es heranwächst, wie aus dem Innern, dem Geistig-Seelischen heraus alles gestaltet wird -, daß derjenige, der nun als Lehrer oder als Erzieher gegenübergestellt ist diesem lebendigen Weltenrätsel, diesem werdenden Menschen, in einer Weise zusammenwächst mit seiner Aufgabe, daß man wirk­lich sagen muß: Die Geisteswissenschaft ist dann das Feuer, durch welches die Liebe zu der Erziehung, zum Unterricht unmittelbar erweckt wird. Das ist es, was das Ziel unseres ganzen Strebens hier ist: den Menschen kennen zu lernen.’

Een zodanig kennen van het wezen mens, dat degene die voor de wordende mens – het kind – staat – voor dit wonderbaarlijke wereldraadsel dat geboren wordt, dat in de eerste dagen van zijn zichtbare aanwezigheid op aarde ieder ogenblik de wonderbaarlijke bouw laat zien van zijn fysieke lichaam vanuit de geest-zielenwereld, dat ons dan laat zien wanneer het opgroeit hoe van binnenuit, vanuit geest en ziel alles vorm krijgt – dat degene die nu als leraar of opvoeder tegenover dit levende wereldraadsel is geplaatst, deze wordende mens, op een bepaalde manier vergroeit met zijn opgave, dat men werkelijk moet zeggen: de geesteswetenschap is dan het vuur waardoor liefde voor het opvoeden, voor het lesgeven direct wordt gewekt. Dat is het doel van heel ons streven hier: de mens leren kennen. [2] ‘Het kind als raadsel dat de leerkracht moet oplossen’, komen we vaker tegen:

‘Und je mehr wir der Zukunft entgegenwachsen, desto mehr müssen wir alles dasjenige, was sinnlich um uns herum ist, lernen geistig aufzufassen. Und angefangen muß das werden mit der pädagogischen Betätigung des Lehrers gegenüber dem heranwach­senden Kinde. Physiognomische Pädagogik: Wille, dieses größte Rätsel Mensch in jedem einzelnen Exemplar Mensch durch die Er­ziehung zu lösen!’

En hoe meer we de toekomst tegemoet gaan, des te meer moeten we alles wat we met de zintuigen rondom ons waarnemen, leren te beschouwen als iets geestelijks. En begonnen moet worden met de pedagogische activiteit van de leerkracht met betrekking tot het wordende kind. (Steiner heeft hiervoor gesproken over hoe je het Ik van het kind kunt ‘zien’; zijn astraallijf enz. Vandaar: fysionomische pedagogie: de wil om dit grootste raadsel mens in iedere individu door opvoeding op te lossen. [3] Hoewel ik dit artikel de kop heb gegeven:’ Rudolf Steiner over kinderbespreking’, had ik net zo goed ‘Rudolf Steiner over individualiteit’ kunnen nemen, want:

‘Nun können Sie fühlen, wie stark eigentlich in unserer Zeit das ist, was ich als Prüfung der Menschheit auseinandergesetzt habe. Eigentlich drängt dasjenige, was ich auseinandergesetzt habe, dahin: immer mehr und mehr zu individualisieren, jeden Menschen als ein Wesen für sich zu betrachten. Das muß uns ja eigentlich als großes Ideal vorschweben: Keiner gleicht dem andern, jeder, jeder ist ein Wesen für sich. Und die gesellschaftliche, namentlich industrielle Kultur, die macht auch äußerlich aus den Menschen gleiche, läßt die Individualitäten nicht herauskommen. Und so strebt man in der Gegenwart nach Nivellement, während das innerste Ziel des Men­schen sein muß, nach Individualisierung zu streben. Wir verdecken am meisten die Individualität in der Gegenwart und haben es am nötigsten, die Individualität aufzusuchen. Beginnen den inneren Seelenblick voll auf die Individualität hin­zulenken, das muß im Unterricht des Menschen kommen. In die Lehrerbildung muß die Gesinnung aufgenommen werden: Individu­alitäten in den Menschen zu finden. 

Nu kunt u meevoelen hoe sterk in onze tijd is, wat ik de beproeving van de mensheid heb genoemd. Eigenlijk vraagt wat ik uiteengezet heb, dringend om: steeds meer individualiseren; ieder mens als een wezen op zich te beschouwen. Dat zou ons als een groot ideaal voor ogen moeten staan: Geen enkeling lijkt op de ander, ieder, ieder is een wezen op zich. En de maatschappij, vooral de industriéle cultuur maakt ook in uiterlijk opzicht de mensen gelijk, laat de individualiteit niet tot zijn recht komen. En zo streeft men in deze tijd naar nivellering, terwijl het diepste streven van de mens moet zijn naar individualisering te streven. Tegenwoordig verhullen we het meest de individualiteit en we hebben het meest nodig dat we de individualiteit zoeken. In het onderwijs moet begonnen worden de innerlijke zielenblik vol op de individualiteit te richten. In de lerarenopleiding moet de overtuiging komen: de individualiteit in de mens te vinden. [4]

Nicht darum handelt es sich aber, daß man verstandesgemäß dieses Prinzip hat, aus der Menschenseele etwas herauszuholen, sondern darum handelt es sich, daß man die werdende Menschenseele im Kind wirklich beobachten kann. Und dafür muß man zunächst einen Sinn entwickeln. Diesen Sinn entwickelt nun erst derjenige, der sich bewußt ist, wie die eigentliche Individualität des Menschen, 297a/16 die eigentliche geistig-seelische Wesenheit aus einer geistigen Welt, in der sie lange gelebt hat, heruntersteigt; wie von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr in alledem, was sich physisch, was sich seelisch ausbildet in dem Kind, ein Übersinnliches lebt; wie uns als Erziehenden, als Lehrenden aus einer übersinnlichen Welt etwas übergeben ist, was wir zu enträtseln haben. Wenn wir von Tag zu Tag sehen, wie die physiognomischen Züge des Kindes deutlicher und deutlicher werden, wenn wir entziffern können, wie sich ein Geistig-Seelisches, das uns aus der geistigen Welt heruntergeschickt ist, in diesen physiognomischen Zügen nach und nach enträtselt und enthüllt, da handelt es sich darum, daß man vor allen Dingen als die Grundlage einer pädagogisch-didaktischen Kunst ein ehrfurchtsvolles Gefühl gegenüber der aus geistigen Welten herun­tersteigenden übersinnlichen Menschenwesenheit ausbildet. Anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft schöpft aus der vollen physisch-geistigen Wirklichkeit. Daher gestaltet sie das bloße logische Erkennen zum künstlerischen Erfassen um. Dadurch aber ist man auch imstande, den Lehrenden, den Unterrichtenden, den Erziehenden zu einem pädagogisch-didaktischen Künstler zu  machen, der sich für jede einzelne Lebensäußerung des Kindes eine feine Empfindung erwirbt. Und in der Tat ist es ja so, daß jedes Kind seine besonderen, individuellen Lebensäußerungen hat. Man kann diese nicht in einer abstrakt pädagogischen Wissenschaft regi­strieren, man kann sie aber erfassen, wenn man aus dem vollen Menschentum heraus anthroposophisch orientierte Impulse be­kommt und sich dadurch ein intuitives Anschauen des Geistig-See­lischen im Menschen verschafft, das dann in das Physisch-Leibliche hereinwirkt.

Het gaat er echter niet om dat je het principe iets uit de mensenziel naar boven te halen met je verstand, maar het gaat erom dat je de wordende mensenziel in het kind echt kan waarnemen. En daarvoor moet je om te beginnen een zintuig ontwikkelen. Dit zintuig ontwikkelt vooralsnog degene pas die zich ervan bewust is hoe de eigenlijke individualiteit van de mens, het geest-zielenwezen van de mens uit een geestelijke wereld waarin ze lang geleefd heeft, op aarde komt: hoe dag na dag, week na week, jaar na jaar in alles wat zich fysiek, wat zich als ziel ontwikkelt in een kind iets bovenzintuiglijks leeft; hoe aan ons als opvoeders en leerkrachten uit een bovenzinnelijke wereld iets gegeven is waarvan we het raadsel moeten oplossen. Wanneer we dag na dag zien hoe de fysionomische trekken van het kind steeds duidelijker worden, wanneer we kunnen ontcijferen hoe de geest, de ziel uit de geestelijke wereld naar beneden gezonden zijn die  in de fysiognomische trekken langzaam begrijpelijker worden en zich laten zien, dan gaat het erom dat je allereerst als basis van een pedagogisch-didactische kunst een respectvol gevoel ontwikkelt tegenover het bovenzinnelijke mensenwezen dat uit geestelijke werelden afgedaald is. Antroposofisch georiënteerde  geesteswetenschap vindt haalt haar kracht uit de volle fysiek-geestelijke realiteit. Van daaruit vormt zij de alleen maar logische kennis om tot een kunstzinnige aanpak. Daardoor echter kun je  de leraar, de opvoeder tot een pedagogisch-didactisch kunstenaar  maken, die voor iedere levensuiting van het kind fijngevoelig wordt. En het is nu eenmaal zo dat ieder kind zijn bijzondere, individuele levensuitingen heeft. Die kun je niet in een abstract pedagogische wetenschap optekenen; je kunt die wel begrijpen wanneer je uit het volle menszijn antroposofisch gerichte impulsen krijgt en daardoor een intuïtief zien van het geest-zielenwezen van de mens dat zich in het fysiek-etherische incorporeert. [5]

[1] GA 297  blz. 180
Vertaald op deze blog/180
[2] GA 297 blz 250
[3] GA 296 blz 82
Vertaald
[4] GA 296 blz 83
Vertaald
[5] GA 297A blz 15

Rudolf Steiner over kinderbespreking (2)

.

Kinderbespreking: alle artikelen

.

593-544

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-8)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

 

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
— Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
— De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
— Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

Hoofdstuk 7
— Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
— Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 8

Encefalopathie – en het gedrag dat daarbij voorkomt, psychopatische karakterveranderingen.

Er is reeds uitgesproken dat er een vloeiende overgang bestaat tus­sen eenzijdige constitutionele aanleg, zoals deze in de typologie be­schreven is en neurotische levenshoudingen, op de bodem mede van een aanlegfactor én psychopatische karakterstructuren zoals deze thans beschreven zullen worden.

Dat we de psychopatische karakterveranderingen toch afzonderlijk beschrijven, hangt samen met het feit dat deze toch veel meer bui­ten de vrije wilsbeheersing, buiten het integrerende vermogen van de centrale ik-persoonlijkheid vallen dan de beide vorige groepen. Dit moge al blijken uit de eerste groep die besproken moet worden, de groep van kinderen met lichte of zwaardere hersenbeschadigingen, ook wel genaamd de encefalopatieën; in de Engelse literatuur „The braininjured child” genoemd. De groep van kinderen met orga­nische hersenbeschadigingen is daarom zo interessant, omdat uit haar gedragsanomalieën een conclusie te trekken valt over de samenhang van hersenfunctie en de ontplooiing van de persoonlijkheid. Alvorens hierover enkele conclusies te trekken, zullen we ons een grondslag moeten opbouwen voor het begrip van het kind met hersenbescha­diging.

De groep van de encefalopatieën, van de hersenbeschadigingen, om­vat een hele scala van oorzaken:

Ten eerste: reeds tijdens de embryonale ontwikkeling, speciaal in de eerste acht weken van deze ontwikkeling, de tijd waarin het uit­groeiende bevruchte ei eerst de eiomhullingen vormt, om, na de achttiende dag het eigenlijke menselijke lichaam daarbinnen aan te leg­gen; juist in deze eerste weken is het gevaar voor stoornissen in de aanleg van het centrale zenuwstelsel het grootste. Deze stoornissen kunnen voor ons van onbekende oorzaak zijn, als het ware van binnenuit komen, maar ook van buitenaf door ziekte die de moeder door­maakt. Speciaal de virusziekten zijn hier gevaarlijk en het is reeds algemeen bekend geworden, dat bv. een voor volwassenen onschul­dige ziekte als rode hond, optredend in de eerste maanden der zwan­gerschap voor het zich ontwikkelende kind desastreuze gevolgen heeft. Met name treden hier ernstige stoornissen op in de vor­ming van de hersenen en de zintuigen. Blindheid, doofheid en ach­terlijkheid kunnen hiervan het gevolg zijn.

Ten tweede: De geboorte is voor menig kind een ernstig crisismo­ment in het leven. Speciaal voor het onvoldragen kind is dit het ge­val. Hoewel het zoveel kleinere zevenmaands kind zuiver mechanisch gezien, gemakkelijker ter wereld zou moeten komen, blijkt het toch dat het inwendig nog niet volgroeid is en speciaal de bloedvaatjes in het hersengebied zijn nog broos, zodat veel eerder dan bij een negenmaands kind hersenbloedingen ontstaan. Voorzover deze in de her­senen zelf optreden, hebben zij een voorkeur voor het gebied van de tussenhersenen, het diëncefalon.

Zodra de geboorte van het voldragen kind moeilijkheden ondervindt, bijzonder lang duurt en eventueel kunstmatig beëindigd moet wor­den is het begrijpelijk dat een hersenbeschadiging plaats kan vinden. Dit is ook het geval bij de bijzonder snelle geboorten waarbij het kind door een paar zeer krachtige weeën geboren wordt. Blijkbaar is hier het plotselinge drukverschil oorzaak der bloeding. Ziet een kind bij de geboorte blauw dan bewijst dat, dat het bloed onvoldoende zuurstof bevat en is er een stoornis in de ademhaling. Dan moet het kunstmatig door wisselbaden en injecties tot leven ge­bracht worden, en is de kans niet uitgesloten dat de tijdelijk gebrek­kige zuurstofvoorziening der hersenen reeds een afsterven van
her­senweefsel heeft bewerkstelligd, wat dan later gevolgen geeft, als bij hersenbloeding. Ziet het kind bleek en vooral kreunt het slechts in plaats van te schreeuwen, dan is er duidelijk een gebrekkige circu­latie in de hersenen en dientengevolge een zuurstofgebrek ter plaatse. Hersenbeschadiging zelf kan als het de hersenstam mede betreft ook weer tot storingen in ademhaling en circulatie voeren, waardoor het snel tot een vicieuze cirkel voert, die vroeger waarschijnlijk veel va­ker tot de dood voerde dan tegenwoordig, zodat we steeds meer kin­deren ontmoeten met duidelijke geboortebeschadiging der hersenen. Het is begrijpelijk dat de eerst geborene het meeste kans heeft op hersenbeschadiging tijdens de geboorte. Bij de tweelingen is statis­tisch vastgesteld dat de laatstgeborene het meeste kans heeft op hersenbeschadiging. Toch heeft gelukkig niet iedere, soms zelfs 
ern­stige bloeding binnen de schedel gevolgen. Onderzoekingen van Swartz en Gesel in Europa en Amerika hebben aangetoond dat bij alle eerstgeborenen 60 tot 80 % bij de geboorte bloed in het hersenvocht hebben, wijzend op beschadigde vaatjes. Als men dat bedenkt, is men alleen maar verbaasd dat zo weinig kinderen er iets van over­houden. Het blijkt ook wel dat deze bloedingen op bepaalde plaatsen moeten zitten om latere stoornissen te geven.

Ten derde: Kunnen vrijwel alle kinderziekten in het centrale zenuw­stelsel reacties geven die tegenwoordig beschouwd worden als over­gevoeligheid; allergische reacties van het zenuwstelsel op de ziekte­verwekker of het gif. Men spreekt hier in het algemeen over encefalitis. De uitgang itis zou doen vermoeden dat het hier ging om een ontstekingsproces, het kan echter ook een trombose van de bloed­vaten zijn als bij de mazelen-encefalitis, of een oedeem van de her­senen waardoor de zuurstoftoevoer van de zenuwcellen in gevaar komt.
Vrijwel alle kinderziekten kunnen gepaard gaan met encefalitis. In de eerste plaats de virusziekten, mazelen, rode hond, waterpokken en verder is kinkhoest berucht. Roodvonk en difterie geven slechts zel­den aanleiding tot hersensymptomen. De encefalitis na inenting kan, zoals ons herhaaldelijk gebleken is ook restverschijnselen nalaten in de richting van de post-encefalitische karakterverandering. Heeft men echter in de loop der jaren vele post-encefalitische stoornissen behandeld, dan valt toch steeds weer één ding op: ook daar waar een duidelijke encefalitis oorzaak is der hersenbeschadiging, vindt men vaak tevoren reeds een moeilijke geboorte, blauwzien of stuipjes of was het een „neuropatische” zuigeling. (zie N. van Houten – Bartje mijn zoon). Wij neigen daarom naar de opvatting (die ook door buitenlandse onderzoekingen ge­deeld wordt) dat een tevoren reeds overgevoelig of beschadigd ze­nuwstelsel, eerder een encefalitische reactie op een kinderziekte ver­toont, dan een intact centraal zenuwstelsel. Voor de vraag van wel of niet inenten tegen pokken moge dit een vingerwijzing zijn. Op de andere oorzaken van ontstekingsachtige hersenaandoeningen, willen we slechts in het voorbijgaan wijzen. Soms kan een hersenvliesont­steking, uitgaande van het middenoor of bijholte-ontsteking, mede een interne hersenbeschadiging geven, terwijl ook de ontwatering bij zware zuigelingendiarree hetzelfde kan bewerkstelligen. De ence­falitis verloopt of stormachtig als bijverschijnsel van de hoofdziekten, of sluipend en soms zelfs totaal onopgemerkt. In het eerste geval is het kind bewusteloos, heeft stuipen en hoge koorts, terwijl daarna vaak verlamming, blindheid of doofheid overblijft, die vaak na ver­loop van een aantal weken of maanden verdwijnt of vermindert. Soms verloopt het beeld echter als een lichte verkoudheid met suf­heid en een paar dagen verhoging. Het is niet nodig te zeggen, dat ook in dit geval encefalitis ernstige gevolgen kan hebben. Wat zijn deze gevolgen? In de loop van het jaar na de ziekte, soms direct aansluitend, soms pas veel later, ontwikkelt zich een
karak­terverandering, die wij gewoonlijk de post-encefalitische
psychopathisering noemen. Aangezien er geen duidelijk verschil is tussen dc rest-toestand van een doorgemaakte encefalitis en een hersenbloe­ding of beschadiging bij de geboorte, spreken wij liever van de psychopathisering na organische hersenbeschadiging, of ook wel door de rol die daarbij speciaal de tussenhersenen (het diëncefalon) spelen, van diëncefale karakterveranderingen. Deze karakterveranderingen zijn voor de gewone leerkracht van bijzonder belang. Veel meer kin­deren dan wij bevroeden hebben organische hersenbeschadigingen in lichte graad, en zulke kinderen zijn wanneer ze niet gekend en her­kend worden een rem voor de gehele klas, terwijl het kind zelf voort­durend onrecht aangedaan wordt.

Typische kenmerken van de karakterveranderingen door organische hersenbeschadiging zijn: ontremming van het handelen, een op­vallende leegte in het gevoelsleven, een niet concentreren van de opmerkzaamheid op een persoon of ding, maar het fladderen van het een naar het andere. Deze kinderen mijden de blikontmoeting met de medemens, op schoot genomen kijken ze langs je heen, of is hun aandacht alleen gevestigd op een glinsterend ding in de kamer, of op de vulpenhouder in de zak. Deze trias van verschijnselen kan in vele variaties optreden. Het zwaar beschadigde zwakzinnige kind vindt in het geheel geen contact en blijft gefixeerd in de gewaarwordingen der lagere haptische zintuigen. Daarbij treedt een vierde verschijnsel op de voorgrond: de neiging dwangmatig te persevereren (herha­len): dezelfde bewegingen te maken, of hetzelfde te zeggen, en de drangmatige binding aan bepaalde tastindrukken, bv. bont, of smaakindrukken, bv. alleen zout of zoet voedsel, als ook aan be­paalde handelingsceremonieën.

De blik is leeg, zwervend, vaak hebben ze abnormaal glanzende ogen, de beweeglijkheid van hun ledematen is verbazingwekkend, hun
evenwichtszin is vaak verbluffend. Ze kunnen zich tijden lang op de rand van de box in evenwicht houden zonder zichtbare inspanning. Hun oog kijkt niet met menselijke blik en belangstelling de we­reld in, maar wordt slechts geboeid door wat beweegt of wat glin­stert. Sommige kinderen hebben de drang ieder voorwerp in een tol­lende beweging te brengen. Zo’n jongen stortte zich bij binnenkomst in de spreekkamer op een grote vaas die hij zonder proberen schuin in evenwicht op de tafel zette en met een enkele beweging aan het draaien bracht als een bromtol. Zijn moeder vertelde dat hij zelfs een willekeurige pendule op een punt kon laten rondtollen.
Het ge­meenschappelijke van deze verschijnselen is het niet ontwaken in de hogere zintuigen zoals oog en oor met dien verstande dat ze niet blind of doof zijn: ze zien alles, maar kijken niet, zij horen alles, maar luisteren niet. Bij haast alle kinderen is de spraakontwikkeling ge­stoord of vertraagd, geen wonder. Deze kinderen hebben geen be­hoefte aan contact, dus ook niet aan het zichzelf meedelen aan een ander. De spraakstoornissen hebben de volgende vormen: hoorstomheid, d.w.z. ze horen geruis en reageren daarop, bootsen ook wel technische geluiden na, stofzuiger, auto, enz., doch de menselijke stem dringt niet tot hen door. (Wordt waarschijnlijk ook als geruis waargenomen).
Een iets later stadium: de kinderen nemen ook de menselijke stem waar, volgen korte concrete geboden en verboden op, doch spreken geen woord. Daarna: ze zingen versjes na van de radio, ook van de moeder, maar spreken nog steeds niet. Tenslotte gaan ze praten, maar dat praten openbaart dan meteen het innerlijk leven: het eerste spreken is nog lange tijd in vragende vorm herhalen wat hun gezegd wordt. Een soort echolalie dus, daarna ontwikkelt zich ook een zelf­standig spreken. De toon is onpersoonlijk als een slechte grammo­foon, eindeloos kunnen dezelfde dingen herhaald worden. Men krijgt het beeld van een grammofoon waarbij door een kras in de plaat de naald steeds in dezelfde groef blijft draaien, zodat eindeloos zon­der emotie dezelfde zin herhaald wordt. Bij dezelfde mensen komt maandenlang bij binnenkomen dezelfde vraag, onafhankelijk van de momentele situatie. Deze kinderen zijn situatieblind, ze voelen de omgeving niet aan en leven gevangen in hun eigen gefixeerde voor­stellingen en handelingspatronen. Bij de lichtere gevallen ontwikkelt zich een watervalachtig praten dat leeg en hol aandoet, geen echte emoties verraadt, waarin steeds dezelfde thema’s terugkeren onaf­hankelijk van de beantwoording der vragen.

Wij krijgen hier een beeld van een denken dat associatief afloopt volgens bepaalde patronen, zonder dat het centrale ik in staat is, dat denken ook te gebruiken voor de openbaring van het eigen mense­lijk wezen. Daarnaast is het gevoelsleven, het centraal menselijke, welhaast afwezig, terwijl een persoonlijke wilsdaad onmogelijk wordt door een drangmatige ontlading van handelingspatronen die, óf voortvloeien uit bevrediging van tast- en bewegingszin-gewaarwordingen (aaien, likken, krassen, heen en weer schommelen, met de handen wapperen, tanden knarsen enz.) of buitenaf door dressuur tot stand gekomen zijn, waarbij de eenmaal ingeoefende handeling drangmatig herhaald wordt, ook daar waar deze zinloos is. Daar­naast ontwikkelt zich bij de lichtere stoornissen een eigenaardig me­chanisme dat men wel catastrofale reactie genoemd heeft. Worden drangmatige handelingen doorbroken, of wordt een verwachting niet vervuld, dan kan het kind zijn in automatische banen gestuwde energie niet kwijt, en deze breekt dan plotseling door op een totaal ander met het geval niets te maken hebbend terrein. Men noemt dat ook wel een kortsluitingsreactie. Een voorbeeld bij een overigens intelligente jongen met lichte hersenbeschadiging moge dit illustre­ren. De donderdagmiddag is in de Zeister medisch-pedagogische in­richting vrij voor het maken van uitstapjes of het uitvoeren van bij­zondere taken. De groep waarin Peter, tien jaar oud, was, had al lang met de groepleidster besproken, dat een tocht gemaakt zou wor­den naar een bepaalde plek in het bos, alles was uitvoerig voorbe­reid en besproken. De verwachtingen waren hoog gespannen, ook Peter was vol enthousiasme. Op het moment dat de groep
donder­dagmiddag zal vertrekken is Peter nog op de groepskamer en raast en tiert dat hij die „rotschoenen” niet aan wil hebben, niet aan kan hebben, dat het altijd al „rotschoenen” geweest zijn, en dat hij nu niet mee kan. Leidster en groep worden tenslotte ongeduldig. Aan de schoenen is niets te zien, het zijn dezelfde die hij al lange tijd ge­dragen heeft. Peter moet dus mee. Bij het instappen in de bus her­haalt zich dezelfde scène over de schoenen. Doen ze pijn? Nee. Zijn ze kapot? Nee. Wat mankeert eraan? Het zijn „rotschoenen”, ik wil ze niet aan hebben en nu is de hele tocht bedorven, enz. In het bos ziet Peter kans alles onmogelijk te maken, hij gooit zich op de grond en trapt en slaat om zich heen. In gedeprimeerde stem­ming keert de groep terug. Peter werpt zich op bed, razend en tie­rend tegen de schoenen die alles bedorven hebben. Aan de schoenen is niets te zien, er moet een andere oorzaak zijn. De groepsleidster praat met Peter en zoekt in haar geheugen naar een mogelijke oor­zaak voor deze catastrofale reactie. Plotseling herinnert ze zich, dat een maand geleden de moeder van Peter op een donderdagmiddag op bezoek geweest is. Dacht je misschien, Peter, dat je moeder op bezoek zou komen?
Plotseling is de scène afgelopen. Ja, dat was het. Misschien zou zijn moeder wel gekomen zijn terwijl ze weg waren. Wat is hier gebeurd? Ogenschijnlijk een roerend verhaal van een jongen die de hoop op de komst van de moeder niet tot bewustzijn bracht en nu fixeerde op het schoenen aantrekken, de laatste han­deling voordat de groep opbrak voor de tocht. Bij deze kinderen speelt er nog wat anders mee. De komst van de moeder heeft meer iets dwangmatigs, wat moet gebeuren op een bepaald moment, dan dat het verlangen naar het contact zo groot is. Is de moeder er, dan is het schema kloppend en is het contact bijzaak geworden. De hef­tigheid en het volhouden waren ook buiten elke proportie van een neurotische verdringing. Het schema zou misschien niet kloppen en de angst en de paniek daarover ontlaadde zich op de schoenen, die de laatste handeling waren voor het weggaan. Het had net zo goed een andere jongen kunnen zijn, die hem een duw gegeven had waar­door hij nu niet meer „kon”. Het ware gemakkelijk geweest een voor­beeld te geven van catastrofale reacties bij meer gestoorde kinderen. Daar ziet men elke poging om de dwangmatige handeling te door­breken gepaard gaan met paniekreacties, waarbij het angstzweet bij deze kinderen uitbreekt. Zo bv. bij een post-encefalitische jongen, als ’s avonds bij het naar bed gaan het bed niet precies dertig cm van de muur stond.

Juist het voorbeeld met Peter toont aan dat een intelligent en ogen­schijnlijk normaal kind juist door deze stoornis in zijn sociale ont­wikkeling ernstig geremd wordt en niet op een normale school ge­handhaafd kan worden. Naast deze catastrofale reacties zijn er an­dere vormen van driftmatige kortsluitingsreacties, meestal met een destructieve component nl. het bliksemsnel iets kapot maken, een ander kind pijn doen, iets uit het raam werpen of weglopen. Angst voor gevaar kennen ze niet en hun acrobatische handigheid doet hun altijd als een „kat op hun pootjes terecht komen”. Het is wel begrijpelijk dat bij deze groep, die normaal van aanleg is, alle denkbare typen voorkomen. Zo zal een kind dat anders een lichte hysterisch-regressieve component in de ontwikkeling gehad zou hebben, doch deze misschien binnen het sociaal aanvaardbare gecompenseerd zou hebben, zich door een lichte hersenbeschadiging tot een ontremde onbeschaamde opdringerige hysterica ontwikkelen, die zich zonder terughouding op elk mens die binnen de gezichts­kring komt stort om deze binnen haar wereldje te halen. Opvallend is echter in dit geval dat tegenover de kleurige rijk geschakeerde fantasiewereld van de „normale” hysterica, dit kind leeg en auto­matisch afsteekt.

Eveneens zal het qua aanleg wat gevoelsarme intelligente kind van zeer intellectuele, doch wat kille, verstandelijke ouders, door een beschadiging een vorm van desintegratieve ontwikkeling vertonen, die beelden te zien geven zoals Asperger ze als zijn autistische psy­chopaten beschreef: gevoelsarm, dwangmatig, onhandig, egocen­trisch en veelal partieel zeer begaafd. Als type komen ze veelal over­een met de geretardeerde respiratieven, maar het beeld is extremer en moeilijker te beïnvloeden.

Ook deze kinderen kan men echter helpen als men uitgaat van de 3-ledigheid van het menselijk organisme en van het in ontwikkeling zijn van het kind – dit kind dat ook een Ik bezit, dat de zelfopenba­ring zoekt. Men gaat uit van wat aanwezig is en bouwt vandaaruit verder.

Steeds moet het ik van de opvoeder achter elke handeling en in elke situatie achter het kind staan, het leidend en omhullend. Dit kind is in het doen als het paard zonder berijder – men moet vervangend het paard beteugelen, maar met en achter het kind staande, tot het, ouder geworden en na voortdurende behandeling, dit zelf over kan nemen.

In het gevoelsgebied heeft het kind het meest geleden, de kwali­teitenwereld, het wezenlijke der dingen, is hem onbekend, de mens gebruikt hij alleen, zonder echte contactbehoefte; ze zijn bv. wreed niet om wreed te zijn, maar hebben geen gevoel voor de ander, mens of dier.

Opgaan met de ziel in een verhaal of natuurbeleven, eerbied voor wat als mooi of hoger beleefd wordt, kennen ze niet. Het technisch interesse, het willen uit elkaar halen, het gebannen zijn door de vele zintuiglijke indrukken, veelal op dwangmatige manier, is een ge­volg. Het intellect is meestal het minst beschadigd, ja vaak zelfs bij­zonder inventief en vroeg ontwikkeld, mits gericht op vervulling van eigen wensen en begeerten. Ze vertonen dus – in vele graden van intellectueel niveau – aanpassingsstoornissen – psychopatisch -gedrag – zonder echt amoreel aan te doen.
De oorspronkelijke normale aanleg is beleefbaar – en de kinderen, voor zover ze begrip hebben, willen wel anders, maar kunnen niet.
De oorspronkelijke aanleg en de mate van beschadiging kleuren dit beeld zeer verschillend.
Er zijn ongelooflijk ontremden onder, adembenemend onrustig,
ver­nielzuchtig, ongeconcentreerd. Een propulsief motorische aanleg vormde de grondslag. Geretardeerd cerebralen of respiratoiren ver­tonen een meer autistisch beeld, terwijl de propulsieve respiratoiren onder dezen, sterk dwingend zijn met vreemde hobbies, die uit de in­stinctieve sfeer komen. Deze autisten en psychotisch aandoende kin­deren zijn van „echte” te onderscheiden doordat ze wél contactbe­hoefte hebben; in wezen lieve normale kinderen zijn, wat later, na gelukte behandeling, ook blijkt.

Men kan steeds – hoe „psychopatisch” het gedrag ook is, zich in­denken, hoe ze geweest zouden zijn zonder beschadiging. Bij de be­handeling laten we ons door 4 principes leiden:
1.vanuit ons ik helpen, steeds begeleidend er naast staan en krach­tig „vasthouden” – zo samen de driften beteugelend. Dan door heilpedagogische maatregelen de ik-functie van het kind versterken door bv. heileurythmie, heilschilderen, concentratie-oefeningen.

2.De zintuigindrukken regelen:
Weinig maar overzichtelijke indrukken op ze in laten werken in een mooie, rustige omgeving (geen radio of televisie, geen stofzuiger e.d. geluiden, geen felle, onharmonische kleuren, niet te veel licht, geen stripachtige beelden of vertekende karikatuurmens-prentenboeken. Alles moet kunstzinnig en waarachtig zijn, en vooral nooit te veel van iets. Ze worden van indruk naar indruk gejaagd. Beperk dus deze indrukken en kies eenvoudige, waardevolle. Staat men daar met z’n hele interesse en de wil om te helpen achter, dan behoeft dit niet saai te zijn voor het kind. Ouders vrezen dit vaak en weten zeker, dat het kind het niet zal nemen. Is men conse­quent en went men het kind aan afwisselend gericht actief zijn met wat wij willen, dat ze doen en tot rust laten brengen bv. door zachte liermuziek (muziek boeit hen haast altijd) dan is veel gewonnen.

3. Dit „ademen laten” is essentieel. Vanuit de „rustige ruimte” voeren we ze zo in de tijd. Men kan met het kind schilderen – dit kind dat alleen vormen ziet en pakt zonder echt kleurbeleven zal men met waterverf op een nat gemaakt groot tekenvel onder zacht pratend of zingend begeleiden bv. alleen in blauw laten schilderen, watergolven, blauwe lucht en dan later na vele herhalingen, toch verrassend en vreugdevol, een gele zon.

Of men zal – begeleid door de lier een ritme zoemen, de armen mee bewegend met de melodie. De liefde tot het Ik van het kind, dat het denken, voelen en willen niet integreren kan en het lange, lange tijd herhalen – vaak jarenlang – van de maatregelen, zijn voorwaarde voor slagen.

Zoals we de ruimte om hen heen ordenen en tot rust brengen, zo „regelen” we de tijd door een ritmische, streng aangehouden dagin­deling, bijvoorbeeld dagelijks op dezelfde tijd een spreuk, die we voor het kind maakten, samen spreken. Steeds na activiteit – ontspan­nen, tot rust brengen. Door herhalingen in bepaalde volgorde, bij­voorbeeld tweemaal per week alleen met het kind schilderen of heileurythmie of elke avond spelen op de lier voor het slapengaan. Ook verhalen herhaalt men, met steeds weer nadruk op al wat mooi en goed en waar is, wat kwaliteit heeft.

4. De dadendrang in banen leiden door kunstzinnig doen – boetse­ren, handenarbeid, spinnen, weven, knoopwerk, enz. Vindt men iets, waarin ze uitblinken en kan men de ontremming, het weer zelf kapot maken, de geringe Ausdauer, door het steeds be­geleiden, tegengaan, dan kunnen ze ook zelf trots iets willen berei­ken. En wij helpen ze en staan er achter, zodat dit niet steeds weer mislukt.

Dit zijn slechts enkele grepen uit het rijke arsenaal van mogelijkhe­den – die alle streng individueel gekozen moeten worden en onder­steund door een medische behandeling en door de sociale gemeen­schap (groep – klas – instituut) waarin ze in liefde gedragen en op­genomen zijn.

sigaud 50

 

LITERATUURLIJST

Heilende Erziehung – Verlag Freies Geistesleben — Stuttgart.
B.C.J.Lievegoed – Ontwikkelingsfasen van het kind. Christofoor
W. Veltman – De Vrije Scholen, beginselen en methode.
N. van Houten – Bartje mijn zoon.
H. Asperger – Heilpedagogiek – Springer Verlag — Berlin.
C. von Heydebrand – Vom Seelenwesen des Kindes Verlag Freies Geistesleben — Stuttgart. Vertaald
R. Steiner – Das Geheimnis der menschlichen Temperamente – vertaald
R.Steiner – Heilpedagogischer Kurs – vertaald

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

.

592-543

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – actueel: getuigschriften – alle artikelen

Op deze blog staan de volgende artikelen over getuigschriften

Getuigschriften

.

591-542

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-7)

.

Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
— Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
— De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
— Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

Hoofdstuk 7
— Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
— Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 7

Twee vormen van neurotische levenshouding

De geestelijke groei van het kind voltrekt zich trapsgewijs, van
ont­wikkelingsniveau naar ontwikkelingsniveau. Deze trapsgewijze groei maakt dat periodes van consolidatie en integratie van een be­paald niveau (het oudere-kleuter-niveau of het schooltype-niveau), afwisselen met periodes van afbraak van het oude niveau, dus van desintegratie en opnieuw rangschikken van de levenservaringen in een nieuw integratiepatroon, waarbij andere krachten of ook nieuwe oriëntaties een centrale rol gaan spelen. ( Zie ook: B. C. J. Lievegoed „Ontwikkelingsfasen van het kind“.)

De vooruitstuwende kracht in dat trapsgewijze groeiproces is zeker een aan elk levend wezen immanente drang tot zelfontplooiing. Werkt deze drang (constitutioneel) te zwak of zijn de eisen van de buitenwereld te zwaar, dan vindt deze desintegratie en nieuwe re-integratie onvoldoende plaats en bereikt het kind het volgende ni­veau niet of niet volledig of het valt vanuit een reeds bereikt niveau terug in een vorig niveau.

Dit verschijnsel, regressie genaamd, maakt dat een schoolkind rea­geert als een kleuter. Elke regressie betekent echter dat het vorige ontwikkelingsniveau verschijnt in een inadequate, karikaturale vorm, en ernstige omgangsmoeilijkheden geeft met het eigen zelf en met de omgeving.

Wij hebben de retarderende ontwikkeling bij de vier constitutie­typen van Sigaud reeds enigszins bekeken en gezien, dat de nei­ging tot regressie bij een cerebraal kind andere symptomen geeft dan bij een digestief of respiratoir kind. Wij hebben echter ook reeds besproken dat niet alleen de retarderende ontwikkeling stoornissen geeft in de rustige groei van ontwikkelingsniveau naar ontwikkelings­niveau, maar dat een propulsieve, dus te snelle groei, het te snelle bereiken van een hoger niveau (meest slechts op enkele punten en dus onvolledig), evenzeer een ernstige verstoring kan geven van het proces: integratie – desintegratie – reïntegratie.

Het lijkt bij de propulsieve kinderen wel alsof ze zich in een blijvend proces van desintegratie bevinden, zonder ooit een echt integratie­niveau te bereiken. Bij hen is er dan ook niet zozeer sprake van een regressie, van een terugval op een vroeger niveau, omdat dat vroe­gere niveau als zodanig nooit echt bestaan heeft. Wel zien we een chaotische menging van vroegrijpe en van infantiele reactievormen door elkaar heen. In het centrum van de typische regressie op grond­slag van een retarderende ontwikkeling staan de hysterische reactie-vormen, in het centrum van de gefixeerde desintegratietoestanden op grondslag van een propulsieve ontwikkeling staan de neuropatische reactievormen.
Van de regressieve-cerebrale dromers tot de regressieve driftma­tige digestieven zien we het rijk geschakeerde beeld van de kinder­lijke hysterie zich ontplooien.

Van de vroegrijpe, intellectuele, nerveuze kinderen tot de schizoïde autisten, zien we vele vormen van neuropatische reacties zich af­spelen, (die ook onder de namen nerveuzen, sensitieven, hypothymen, beschreven worden).

Wij willen deze beide reactievormen voor u beschrijven.

sigaud 48 1

Hysterische reactievormen met hysterische patronen van reageren. Met het woord hysterie is voor de leek het beeld gegeven dat over­laden is met allerlei negatieve vooroordelen. „Dat mens is hyste­risch”, betekent gewoonlijk: ,,deze dame is manziek, en toont dat op hinderlijke wijze”. Van dit aspect der hysterie zullen wij ons hele­maal los moeten maken als we over de kinderlijke hysterie spreken. Hoewel de psychoanalyse van Freud het seksuele driftleven reeds naar de allereerste kinderjaren wil verleggen, voelen wij er meer voor deze benaming te reserveren voor die vorm van driftleven die met de puberteit een rol gaat spelen, en de kinderlijke hysterie te be­trekken op het gehele driftleven. Deze kinderen lijden onder sterke driftmatige impulsen enerzijds, en een te grote openheid voor de omgeving anderzijds. Pas als we deze twee gezichtspunten tezamen zien, begrijpen we de merkwaardige gedragingen van het regressief-hysterische kind.

Het hysterische kind leeft met alle vezels van zijn wezen in zijn om­geving. Het eigen centrum is zwak, de drang tot de zelfontplooiing gering. Elke nieuwe leeftijdsfase, elke nieuwe factor in het milieu is haast onoverkomelijk en doet het kind de beschutting en de vei­ligheid van het oude bekende opzoeken. De moeilijkheden liggen hier vooral in het wilsleven. Het kind voelt zijn omgeving goed aan, het kruipt haast in de andere mensen, en beleeft hun verwachtingen. Het zou wel willen handelen, maar weet dat handelen het overwin­nen van een zekere weerstand betekent. Deze weerstand wordt overmatig sterk beleefd en het kind trekt zich terug, niet tevreden dat het de taak niet volbracht heeft, maar ook niet sterk genoeg om hem te volbrengen. Deze onbehaaglijke toestand wordt nu op het eigen zelf of op de omgeving gewroken met een kracht en volhar­ding, die zeker ruimschoots voldoende zou zijn geweest om de oor­spronkelijke taak te volbrengen.
De hysterie is een terugwijken voor echte verantwoording, zegt Asperger, en wij kunnen er aan toevoegen, de hysterische reactie is een energieontplooiing op de verkeerde plaats, waarbij steeds de hysterische handeling of verlamming in zijn geheel symbool is voor, of in de plaats treedt van de eigenlijk noodzakelijke handeling. Hiermee hebben we de hysterische reactievorm pas van één kant beschreven. De terugval in lagere ontwikkelingsniveaus dan die, die op een bepaald moment aanwezig zouden moeten zijn, betekent ook dat de hele persoonlijkheid vanuit een hogere differentiatie van psychische structuren, terugvalt in primitieve ongedifferentieerde reactievormen.

Hetzelfde vinden wij bij onszelf onder invloed van angst of schrik, vandaar dat Kretschmer terecht zegt dat ieder mens onder bepaalde omstandigheden ,,hysteriefähig,, (tot hysterie kunnen komen) is. Het typische van deze primi­tieve reactievormen is dat ze niet meer specifiek gericht zijn op een doel, maar dat ze diffuus door het hele emotionele gebied stromen en alles meesleuren. In plaats van bij brand hard weg te lopen of iets aan te pakken, wordt zinloos heen en weer gelopen en gegesticuleerd. Het leidende „ik” is hier afwezig, de animale functies, men kan ook zeggen de hersenstamfuncties, ontladen zich chaotisch. Maar op rustiger momenten blijkt dat deze animale functies toch wel degelijk een eigen systeem van ordening hebben, dat niet logisch functioneert, maar wel volgens de wetten der dramatica. Door deze dramatiek wordt het leven van het hysterische kind gekleurd, wer­kelijkheid en fantasie zijn hier niet gescheiden, wat had kunnen ge­beuren is al gebeurd, wat bereikt zou kunnen worden is al bereikt, de verdere handelingen gaan van dit gebeurde en bereikte uit. Het voorstellen en handelen spelen zich af in een eigenaardig tussenrijk waar het bewustzijn en het vrije wilsgebruik verwisseld zijn. Bij de neuropatische reactievormen is het vegetatieve zenuwstelsel labiel en kan hoofdpijn en buikpijn, verbleken en kleuren teweegbrengen. Deze krampverschijnselen hebben dan alle een gelocaliseerde plaats, De neuropatische migraine of buikpijn is het gevolg van een con­stitutionele zwakte en treedt bij overbelasting op of als migraine of als buikpijn, al naar de constitutionele aanleg. De hysterische hoofd­pijn en buikpijn is gedompeld in een zee van dramatiek, en heeft met het hoofd of de buik als zodanig weinig te maken, kan eventueel ook direct verspringen als dit meer effect geeft. Echte hysterische ver­lammingen op een blijvende plaats gelokaliseerd, zagen wij persoon­lijk niet bij kinderen beneden de puberteit. Wel vluchtige, verschijn­selen van gevoelloosheid, vreemd gevoel of niet kunnen gebruiken van een hand of been. In het geheel zijn de lichamelijke symptomen van de kinderlijke hysterie wisselend en gemakkelijk door suggestie te beïnvloeden.

Waardoor kenmerken zich nu de hysterische reactievormen bij het kind?

In de mildste vorm als kinderachtig doen. Als ,,klein willen zijn”. Welk vijfjarig kind kruipt niet eens bij moeder op schoot, nestelt zich lekker, en praat op een kindertoontje in kleutertaal? Gaat dan nog van de ene hand de duim in de mond en trekt de andere zacht­jes aan het oorlelletje dan is het geluk volmaakt. Het kind is duide­lijk even voor de echte grote wereld gevlucht en is weer helemaal in de beschutte warmte van het vroegste kleuterzijn teruggedoken, ter­wijl die echte grote wereld dicht genoeg bij is om interessant te zijn, en veraf genoeg om geen kwaad te kunnen doen. Anders wordt het wanneer deze behoefte elk moment optreedt, als het ,,schootje zitten” met huilbuien en scènes wordt afgedwongen en het wegduiken in de omhulling met heftige begeerte gezocht wordt.

Een tweede symptoom is de steeds merkbare aanwezigheid van het kind. Zelfs als het zwijgt en stil zit volgt het de volwassene of de andere kinderen met een zuigende belangstelling. Het leeft abnor­maal sterk mee met alles wat in de omgeving gebeurt, hoort elk woord en is steeds present, als het net niet gewenst is. In de klas is het moeilijk door het steeds voor de beurt spreken, de aandacht trek­ken en door de bemoeizucht. Steeds is het verongelijkt en wil wat anders dan gedaan moet worden.
Een hysterische jongen die al van een aantal scholen verwijderd was, begon wild te slaan en te krijsen als bij het uitdelen van de schriften niet zijn schrift het eerste werd gegeven. De sommen wa­ren dan „veel te kinderachtig’ voor hem, waarna hij achterstevoren in de bank ging zitten en zijn achterbuurman met zijn pen ging prik­ken. Een aanmerking op dit gedrag riep dan een nieuwe scène op. Het speelkwartier was één vecht- en huilpartij, zelfs kon hij zonder reden opeens een stok of een stuk ijzer oppakken om zich (een der­de klasser) op een zevende klasser te storten en als een blinde om zich heen te slaan.

Zijn intelligentie was zeer behoorlijk (I.Q. 130 a 140). Maar het leren ging maar matig. Het St.-Nicolaasfeest bedierf hij voor de ge­hele school, omdat hij een scène maakte, daar St.-Nicolaas eerst een kleutertje bij zich riep en niet hem. In een groep met jongens van de­zelfde leeftijd was hij niet te verplegen. Het begin van verbetering trad pas op toen hij, elfjarig, in een groep verplaatst werd met vier tot zesjarige kinderen. Voor deze kleutertjes was hij schattig en hielp de verzorgster als een volwassen hulp. Vanuit deze onbe­dreigde situatie leerde hij zich in de klas en later zelfs op de speel­plaats handhaven, zodat hij toch nog naar een middelbare school kon gaan, waar hij zich leerde handhaven.

Een meisje van dezelfde leeftijd, kind van een moeder waarvan de meeste broers en zusters onder toezicht gesteld waren, debiele en degeneratieve typen en van een Duitse matroos, kwam reeds met negen maanden in een kinderhuis wegens verwaarlozing. In de jaren daarna wisselde ze veel van tehuis. De kinderpsychiater die haar op zevenjarige leeftijd zag, diagnostiseerde: ondermiddelmatige intellectuele aanleg en affectieve verwaarlozing. Zij was extravert, er steeds op uit indruk te maken, had een sterke rededrang. Na vele omzwervingen werd zij op zevenjarige leeftijd in een pleeggezin geplaatst en pedagogisch in speciale behandeling genomen in een kleine klasse. Na een maand luidde de eerste indruk: Domme gevatheid-brutaal-onrustig-ongedurig; begrijpt een verhaal wel, maar kan iets moois nog niet beleven, ze vat het grappige niet, er is een opvallende leegte in de gevoelssfeer. Het eerste jaar bracht hoofdzakelijk de negatieve kanten van haar wezen naar voren: On­evenwichtigheid-snel beledigd – snel teleurgesteld, moet steeds in het middelpunt staan. De weg tussen huis en school bleek moeilijk­heden op te leveren, zowel zwerven en ter verontschuldiging fantas­tische verhalen, als ook oneerlijkheden (fruit wegnemen van de groentekar). Toen de onderwijzeres de eerste keer argeloos vroeg, van wie heb je die mooie sinaasappel gekregen, begon ze dramatisch te gillen en begon te schreeuwen: ik zal nooit meer stelen. Snoep en geld bleken weldra niet veilig te zijn. Zij irriteerde de kinderen van de klas door haar kleverigheid. Al spoedig ging ze in het pleeggezin plagen door afschuwelijke taal uit te slaan als er bezoek kwam enz. Terwille van de lieve vrede moesten de eigen kinderen achterge­steld worden voor het pleegkind, zodat het moment kwam, dat het meisje intern opgenomen moest worden. Ze had een musculaire bouw, voor haar leeftijd een oud gezicht met harde brutale ogen. Na een aanvankelijk zeer goede fase na opname, volgden weken van negatief gedrag, plaagzucht, onevenwichtigheid en slecht leren. Na een maand echter verbeterde zij, speelde met bravoure de hoofd­rol in een toneelstuk, durfde nu ook moeilijker leerstof aan en werd in de groep normaler. Maar juist nu bleek eerst recht in allerlei klei­nigheden haar geraffineerde vermogen overal daar aanwezig te zijn waar wat te beleven viel in negatieve zin. Een kinderruzie, een kind dat bestraft moest worden, enz. Hier speelt ze dan de rol van de kwasi volwassen toeschouwer die wijsneuze opmerkingen maakt, die vaak wonderlijk „raak” zijn, maar nooit helpend in de situatie. Echt medegevoel, spontane hulp komen zelden voor. Waar ze haar hulp aanbiedt, heeft dit steeds een sensationele kant. Zo kan ze bv. in de tuin de bezoekende ouders opvangen en poeslief vragen: bent u niet de moeder van die of die, en als ze zo kennis heeft ge­maakt, volgt direct een of andere wandaad die op vertrouwelijke toon wordt verteld. Men moet deze voorkeur voor het negatieve in anderen, het roddelen, zien in het licht van het eigen onvermogen positief sociaal contact te vinden, of positieve daden te volbrengen. Maar ook bij dit meisje bracht het laatste schooljaar met het voor­uitgaan van de prestaties in de klas en in de groep, de belangrijke verbetering, en nu pas voor het eerst in haar leven een echte vreugde over eigen kunnen, een echt gevoel van eigenwaarde, dat haar in staat stelde vrij en onbedreigd het sociale contact op te nemen.

Hoe is nu de therapie voor het hysterische kind?
Ten eerste:

Kalm blijven en niet meespelen in de scènes, die deze kinderen provoceren. Bedenk dat het kind ondanks het prikkelende gedrag een ziek kind is, dat met rust en kalmte en vooral met even­wicht geholpen kan worden eigen angst voor de daad te overwinnen.
Ten tweede:
Daarom is de positieve prestatie steeds de enige thera­pie voor het hysterische kind. Aan ons als opvoeders om zo lang te zoeken tot er een situatie geschapen is waarin positieve prestaties mogelijk worden (de elfjarige jongen in de kleutergroep).
Ten derde:
Het kind leren zijn angst voor de daad te overwinnen, naast het kind staande de handeling in gedachten en gebaar te be­geleiden zonder het voor het kind te doen. Het tempo daarna op­voeren en prijzen als er een normaal tempo bereikt is.
Ten vierde:
Het kind langere tijd begeleidend tot bewustzijn bren­gen; „nu kan je dit al, en als je dat nu ook nog kunt, dan ben je er voorlopig”. M.a.w., het kind mijlpalen en doelstellingen voor ogen stellen die het bereiken kan, die steeds dichtbij genoeg zijn, dat ze zichtbaar blijven.
Ten vijfde:
Duidelijk en met vreugde vaststellen, dat er weer een mijlpaal bereikt is.
Ten zesde:
Veel kunstzinnig werk geven. Opstellen, tekenen, schil­deren, toneelspelen. Oppassen bij de rollenverdeling, dat ze niet te sterk in het dramatische schieten. Geef ze strenge rollen, waarbij ze in de vorm moeten blijven.
Ten zevende: Ze houden van het spectaculaire, zoek een werkje voor ze waarbij ze volharding leren beoefenen.

Hun hysterische aanleg kan nuttig worden, en beroepen als bv.
kin­derverzorgster, verpleegster en sociaal werkster, zijn voor deze
kin­deren weggelegd, mits het zelfinzicht tijdens de opvoeding dusdanig gegroeid is, dat ze tot normaal en evenwichtig contact opnemen in staat zijn. Dan zijn ze ongewoon opofferend en hebben een onver­moeibare arbeidskracht. Als het voor hen zelf blijkt, dat ze hier wat presteren, dan groeit de persoonlijkheid toch nog uit tot volwassen­heid.

sigaud 48 2b

Neuropathische reactievormen – gefixeerde desintegratietoestanden.
Het neuropathische symptomencomplex, zoals dit thans beschreven zal worden, ontwikkelt zich op de grondslag van een zeer bepaalde constitutionele aanleg. Vele moeders berichten, dat haar kind reeds vanaf de eerste ademtocht anders was dan gewone zuigelingen. Ze keken direct rond ,,als een kleine volwassene”, of ze waren direct al bovenmatig beweeglijk en reageerden op elk geluid of elk licht. Gemeenschappelijk hebben al deze kinderen een overgevoeligheid van het zenuwstelsel, naast een vroegrijpheid in de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling; niet alleen een zintuiglijke overgevoelig­heid maar vooral ook een labiliteit van het vegetatieve sympatische zenuwstelsel.

De onbewuste vegetatieve functies, die instinctmatig verlopen moeten (stofwisseling – bloedcirculatie – ademhaling) worden te sterk bewust. Het is alsof het bewustzijn doordringt in een vegetatief ge­bied, waarin het niet thuis hoort en in dat gebied wanorde en wille­keur brengt, waar natuurlijke orde en ritme, waar goede instincten in onbewustheid moeten heersen. In hun psychische (vroegrijpe) ont­wikkeling en in hun handelingen hebben deze kinderen hun in­stincten verloren en het gewoonste en natuurlijkste (de voedselopname, de stoelgang, de hartslag, de ademhaling) wordt tot een pro­bleem, dat met een angstige spanning of overwakkere opmerkzaam­heid gevolgd wordt. Daar deze kinderen meest opgroeien in een om­geving, die zelf zijn zekerheid in de instinctieve pedagogische hou­ding verloren heeft, ziet men bij de neuropaten naast de versie van het hysterische duet tussen moeder en kind het neuropatisch duet tot kwintet (want de neuropaten weten vaak het gehele gezin in span­ning te houden) tot ontwikkeling komen.

Wij behoeven geen stelling te nemen in de strijdvraag of het neuro­patische kind door exogene oorzaken zich ontwikkelt (dus door in­vloeden uit de omgeving) of door innerlijke aanleg. Het is nu een­maal zo dat dezelfde factoren die de erfelijkheid bepalen, als regel ook het milieu vormen dat de kinderen omringt, zodat in dit geval een erfelijke aanleg versterkt wordt door de opvoeding. Wat zijn de klachten waaronder het neuropatische kind lijdt en waaronder vooral zijn omgeving lijdt?
Als baby en kleuter het lichte slapen, het veel wakker zijn, het slech­te drinken, onderbroken bij de geringste stoornis, de grote beweeg­lijkheid, de snel ontwakende heerszucht, de driftbuien, het zeuren en doordrijven.
Als oudere kleuter en als schoolkind bovendien nog: gebrek aan eet­lust – bleek zien – donkere kringen om de ogen hebben – magerte -onrust – braken – buikpijn – verstopping – onzindelijkheid en bedwateren – onregelmatige hartactie en pijnen in de borst – kleuren en rode vlekken bij opwinding – koude handen en voeten – hoofdpijnen -flauwvallen – woedebuien met „wegblijven” – astma-tics – slaap­stoornissen in de vorm van niet-inslapen en ook van met een schreeuw wakker worden – „bolleschudden” en „rijden” – stotteren en voortdurend schreeuwend praten.
Men ziet: een bonte verscheidenheid, die echter gemeen heeft, dat het er vooral om gaat dat het bewustzijn ingrijpt in vegetatief – onbe­wuste gebieden en daar verstoring van deze functies tevoorschijn roept.
Psychisch vallen vooral op de onrust op alle gebieden, de overge­voeligheid op zintuigelijk gebied, de gemakkelijke affectprikkelbaar­heid, de concentratiestoornis.
Vatten wij alles nog eens tezamen onder het beeld van de gefixeer­de desintegratietoestand, dan kunnen we de neuropatische reactievormen als volgt beschrijven:

a.Er bestaat een constitutionele tendens, te sterk vooruit te stormen in de tijd. „Het kind kan zijn tijd niet afwachten”. Juist echter in de verlangzaming van de ontwikkeling van de mens, ten opzichte van het dier, ligt de mogelijkheid te komen tot menselijke ontplooiing en differentiatie, tot het bereiken van nieuwe en hogere integratieniveaus, waar nieuwe ordeningsprincipes kunnen werken.

b.De versnelling van de ontwikkeling gaat vooral uit van het bewustzijn en gaat gepaard met een versterking van de animale tegenover de vegetatieve functies.

c.Daardoor ontbreekt bij de neuropaat de ordening van lichamelijke en psychische functies in een harmonisch geheel. De neuropaat schiet steeds uit naar de ene of de andere kant. In zijn bewegingen, in zijn stemming, in zijn bloedvaatreacties, in zijn sociale gedrag.

d.Daardoor kan men bij de neuropaat niet van echte regressies spreken, er zijn wel talloze te kinderlijke, infantiele uitingen, maar het vorige ontwikkelingsniveau (bijv. voor het schoolkind de kleutertijd) was óók al chaotisch en had óók al vroegrijpe naast infantiele trekken.

e.Daardoor is de neuropaat ondanks intellectuele vroegrijpheid en (onder vier ogen, tijdens de test!) een behoorlijke I.Q., toch een slechte leerling, met bewegingsonrust, slechte concentratie, moeilijk opnemen van wat opgenomen móet worden. Sociaal is hij bovendien zeer lastig door zijn gevoelsleven, dat naast een overgevoeligheid toch een gevoelsleegheid bezit, waardoor nooit vriendschappen ontstaan en elk spel „katjes-spel” wordt. Opgewonden vreugde en woede gaan direct in elkaar over.

ƒ. Daardoor treden allerlei sociale conflicten op. Door de onge­stuurde belangstelling zwerven ze, komen niet thuis van school, ver­geten de tijd. Allerlei kleine eigendomsdelicten komen niet voort uit een bewust stelen door begeerte gedreven, maar in een ongeordend in de zak steken van dingen waar ze op een bepaald moment toeval­lig mee spelen of klungelen en hangt meer samen met een niet be­leven van: „dat doe je niet”.

g. Daardoor zijn zij veel sterker dan andere kinderen afhankelijk van factoren uit de omgeving. Opwinding, feestvreugde, angstige spanning, chaos in de omgeving brengt hun gelijkelijk uit hun even­wicht. Het weer speelt een grote rol, voor hitte en koude, voor weer­omslag (sneeuw in de lucht), depressies, in de lente en de herfst zijn ze overgevoelig en dan óf lusteloos of extra beweeglijk en lastig.

h. Tenslotte valt steeds meer op, dat zich geen echt centrum van de persoonlijkheid ontwikkelt en manifesteert. We willen daarom on­danks de vaak ook goede intellectuele ontwikkeling spreken van een gebrekkige en zwakke Ik-ontwikkeling, resultaat van de gefixeerde desintegratietoestand.

De therapie kan bij deze punten aansluiten. Centraal staat hier in de pedagogische therapie een rechttrekken van het onevenwichtige ontwikkelingsniveau. Pedagogische maatregelen die gericht zijn op een ontwikkeling van het gevoel en van het geordende handelen staan op de voorgrond.

De intellectuele functies komen daarna vanzelf terecht. Een rustige instinct-zekere omgeving (neuropaten uit de stad doen het zomers op de boerderij heel goed), een regelmatige dagindeling – afwisse­ling van buiten zijn en binnen werken – veel lichamelijke en psychi­sche warmte, zijn de hoofdzaak.

Vaak moet door een milieuwisselmg een fixatie doorbroken worden. Opvallend is hierbij dat bij de uitgesproken gevallen een bepaalde ontwikkeling optreedt. Aanvankelijk als zuigeling en kleuter ver­hoogde opmerkzaamheid, vroeg spreken, onkinderlijk oud er uitzien, vroege intellectuele ontwikkeling, zich uitend in meepraten over niet-kinderlijke dingen.

Later in de schoolleeftijd: ongeconcentreerdheid, vegetatieve klach­ten (zie boven), moeilijk leren, slecht opnemen: „verlaagde bewustzijnsfunctie in het denken, naast verhoogde bewustzijnsfuncties in de stofwisseling”.

Het duidelijkst vinden we deze symptomen bij de neuropathische cerebralen. Op deze kinderen is de beschrijving van Asperger van toepassing: „Diese neuropathischen Kinder sind auch sonst ein einheitlicher Typ: besonders fein und zart gebaut, von unkindlichem Ausdruck und auch von Wesen unkindlich reif. Schon nach dem körperlichen, noch mehr aber nach dem psychischen Bild hat man den Eindruck, sie hatten eine kindliche Stufe übersprungen.” (Deze nauropatische kinderen zijn ook anderszins een vastomlijnd type: bijzonder fijn en teer gebouwd, met een onkinderlijke uitdrukking en als wezen onkinderlijk rijp. Al door het lichamelijke, nog meer echter door het psychische beeld krijgt men de indruk dat ze een kinderfase hebben overgeslagen.’)
Soortgelijks treedt op bij de neuropathische respiratoiren, terwijl bij de musculair-motorische typen vooral de enorme onrust op de voorgrond staat. Neuropathische digestieven (de samenvoeging al bijna een contradictio in terminis) komen we minder tegen, hier krijgt het beeld een geheel andere kleur, die meer naar het driftpsychopatische gaat.

Stellen wij de zaak nog eens kort en duidelijk, voor wij de enkele symptomen iets uitvoeriger beschrijven: de neuropatische reactievormen hebben gemeen dat de „zenuwen”, in dit geval de bewustzijndragende organen van ectodermale (huid) oorsprong een snelle ont­wikkeling doormaken, daarbij het evenwicht met de vegetatieve functies verstorend en daardoor al spoedig een remming van de algemene geestelijke groei bewerkstelligend. Vooral het gevoelsleven van de neuropaat is op een eigenaardige manier leeg, zodat deze kinderen een tragische indruk maken.

De neuropathische aanleg is gegeven, deze kan echter bevorderd of tegen gehouden worden door milieufactoren. Vooral een rustig, instinct-zeker milieu werkt genezend.

De vegetatieve symptomen van de neuropathische reactievorm:
Deze uiten zich vooral in de bloedsomloop en de spanningsverhou­dingen in de kleinste bloedvaten. Op de voorgrond staat een kramp­toestand die zich uit in de bleekheid van de huid, koud zweten, kou­de handen en voeten, deze kramp kan tot pijn worden in de hoofd­pijn of tot flauwvallen bij emotie. Deze kramp kan zich voortplanten op de gladde spieren van luchtpijp (astma) en van het maagdarm­stelsel (maagkramp – overgeven – darmkramp – verstopping). Deze kramp kan echter ook plotseling omslaan in totaal loslaten van de tonus (kleuren, rode vlekken, dermographie, warme handjes, diarree, bedwateren).

Hoofdpijnen: de neuropathische hoofdpijnen treden vooral op in de schoolleeftijd bij een voor andere kinderen draagbare intellectuele belasting. Vooral tegen het einde van de ochtend, sterk afhankelijk van de innerlijke tegenzin tegen het vak dat het laatste uur op het rooster staat. Verder bij verjaardagen en feestjes die ze „niet aan kunnen”. De kinderen simuleren niet, zien vaak groenbleek en moe­ten in het donker uitslapen als bij een echte migraine.

Flauwvallen: door te weinige doorbloeding van de hersenen bij het zien van iets akeligs, of soms alleen maar bij het stoten van een knie. Dit flauwvallen onderscheidt zich van een epileptische toeval doordat het de patiënt zwart voor de ogen wordt en deze in elkaar zakt zon­der trekkingen of krampen. Hoe minder poespas gemaakt wordt van dit flauwvallen, hoe beter voor de kleine patiënt, anders wordt het een wapen om de angstige ouders te dwingen naar zijn pijpen te dansen.

Affectkrampen: Vele van deze kinderen kunnen midden in een woedebui plotseling „wegblijven”, d.w.z. er treedt onder het schreeu­wen plotseling een kramp op van de stembanden, de kinderen wor­den blauw en slap en vallen neer, tot een diepe fluitende ademhaling de opheffing van de stembandkramp aanduidt en de woedeaanval door kan gaan. Het „wegblijven’ is een dramatische gebeurtenis voor de omgeving. Nerveuze ouders (en deze kinderen hebben nerveuze ouders) „blijven” er zelf in! Het succes van het eerste wegblijven in affect, brengt het gevaar mee, dat het gefixeerd wordt als wapen om zijn zin te krijgen, onder het motto: pas op, als je niet doet wat ik wil, dan krijg ik het weer!

Astma: Naast het symptoom van de overgevoeligheid voor bepaal­de stoffen uit de buitenwereld (parallel gaande met de zintuiglijke overgevoeligheid bij alle neuropathische reactievormen) speelt de neuropathische reactievorm van de meeste astmakinderen een grote rol in de graad van de aanvallen. Het astmaprobleem is hiermede natuurlijk niet behandeld, maar het is wel opvallend dat we twee typen van astmakinderen kunnen onderscheiden: de vroegrijpe, extreem magere kinderen met vaak sterke misvormingen van de borstkas met de neuropathische reactie­vorm en de dikke „opgeblazen” kinderen zonder lichamelijke mis­vormingen met een meer hysterische reactievorm. Bij de vaak skeletmagere astmatische kinderen die het gehele ge­zin beheersen met hun ziekte, kan overplaatsing naar een gezond, nuchter, doch gevoelswarm milieu, vaak wonderen doen. Helaas blijkt dan vaak het „neuropathische duet” daaruit, dat de huisge­noten het kind voortijdig terughalen, omdat ze zonder de emoties die het astmakind bracht, niet leven kunnen.

Hartbezwaren: oudere kinderen klagen vaak over hartkloppingen, „overslaan” en een beklemd gevoel of pijn in de hartstreek. Soms hoort de arts een functioneel geruis en meestal een onritmische hartactie. Voor deze „hartafwijkingen” past geen rust, maar gezonde beweging in een vrolijke harmonische omgeving. Het is opvallend, dat deze kinderen bij zware fietstochten tijdens een schoolkamp nooit over hun hart klagen.

Stoornissen in de eetlust: reeds de kleinste neuropaatjes zijn sterk gefixeerd aan een bepaalde smaak. De overgang van borstvoeding op gemengde voeding betekent al een periode van tobben. Later moet alles of vloeibaar, of wit, of zout of zoet zijn, anders komen er gil­buien met wegslaan van het bord. Neuropaten hebben de neiging te snoepen en tussendoor te eten om dan tijdens de maaltijden geen trek te hebben. Ze kieskauwen. Hoe meer de omgeving zich opwindt hoe sterker dit symptoom wordt. Dit­zelfde kind kan bij een vriendje thuis eten als een wolf! De ouders zijn vaak te meer bezorgd daar deze kinderen van nature mager zijn, een slap spierstelsel hebben en vaak bleek zien.

Overgeven- het niet-eten kan groeien tot een habitueel braken. Som­mige van deze kinderen zijn reeds in de wieg de z.g. spugertjes, pylorospasten. Hier is opvallend, zegt Asperger, dat de pylorospasten meest een vervroegde geestelijke ontwikkeling hebben. Ze fixeren al heel vroeg, het zijn later intellectuele kinderen, ze zijn ook verder onrustig, slapen licht, een enkel geluid (een dichtslaande deur) kan het spastische braken al oproepen. Een ander verschijnsel is het ochtendbraken op weg naar school. Deze kinderen geven regelmatig op weg naar school hun ontbijt over. Als regel blijkt de inspanning van de school voor deze kinderen te zwaar te zijn. Minder intellectuele belasting, zo nodig wisseling van klas of van school of van woonmilieu, kan deze stoornis vaak op slag opheffen. Ook hier blijkt dat bij een neuropaat een bepaalde reactie zich vaak fixeert op bepaalde personen of omgevingen. Bij debiele neuropaten kan het habituele braken zeer hardnekkig ge­fixeerd zijn, zodat het, in een inrichting geplaatst, waar het allang niet meer overgeeft, op het binnenkomen van de moeder prompt reageert met overgeven.

Darmkrampen: deze kinderen lijden vaak aan plotseling optredende buikpijnen, die meest om de navel gelokaliseerd worden. De aanval­len kunnen optreden tijdens of na het eten of op school. De krampen kunnen zo hevig zijn, dat het kind bleek wordt en languit moet gaan liggen. Ook hier duiden deze krampaanvallen op een te zware in­tellectuele of emotionele belasting. Ze zijn met een regelmatige buik­massage door de moeder ’s avonds bij het naar bed brengen meest prompt te genezen. (Wat is ook heerlijker dan dat moeder zoveel aandacht en zorg aan je besteedt!) Van belang is dan tevens te be­kijken of dit kind de klas en het schooltype aan kan.

Verstopping: de meeste neuropaten zijn „hardlijvig”, met soms af en toe diarree. De stoelgang wordt tot een dagelijkse pijnlijke kwel­ling, de hele familie leeft in spanning en emotie mee of „het gelukt is”. Ondanks de verstopping hebben ze vaak een vuil broekje („heus niet zo erg, maar zo’n klein streepje”). Er blijken vaak grote hoe­veelheden ingedroogde fecaliën in de darm te zitten die door de darm krampachtig vastgehouden worden. Regelmatig  kamillelave­menten kunnen deze vorm van verstopping vaak genezen, ook al omdat dan de spanning van het al of niet gelukken wegvalt en zo de vicieuze cirkel doorbroken wordt.

Bedwateren: Een aantal neuropaten zijn hardnekkige bedwateraars (en soms blijven ze overdag ook niet droog, omdat ze zich tijdens het spel de tijd niet gunnen naar de w.c. te gaan). Dit zijn ze on­danks het feit dat ze soms al heel vroeg zindelijk waren. Later gaan ze dan weer bedwateren, niet zoals het hysterische kind, omdat er een broertje of zusje kwam, maar zodra de emotionele verwerkin­gen van de dag te sterk worden (te druk spelen, een feest, proef­werk, spanningen thuis of op school). Daarbij speelt bij deze kin­deren een eigenaardige vegetatieve stoornis in de uitscheidingsre­gulatie een rol. Overdag wordt weinig vocht uitgescheiden, ’s nachts „zwemmen ze weg”.

Slecht uitzien. Haast alle neuropaten zien er slecht uit. De huid is bleek (niet door bloedarmoede, maar door een kramp van de huid­bloedvaatjes), vaak schemeren de aderen blauw door de huid heen en vooral om de ogen ontstaat daardoor een donkere kring. Deze kinderen „tekenen” erg, d.w.z. ze kunnen het ene moment een frisse kleur hebben (die bij nadere beschouwing meest vlekkerig en iets te hoog-rood is), om het volgende moment er uit te zien of ze net op­gestaan zijn van een zwaar ziekbed. Hieruit blijkt hoe labiel de re­gulatie der bloedverdeling is. Hadden de hysterische kinderen meest een vochtige „open” huid en open zintuigen (volgens de indeling van Corman), de neuropaten hebben een koude, gesloten huid en ge­sloten zintuigen (ogen en neusvleugels zijn teruggetrokken, de lip­pen dun en strak).

Onder emotionele invloeden kan deze afsluiting (zich uitend in een slecht sociaal contact) plotseling doorbroken worden, dan kleurt het kind fel-rood, wat opnieuw een terugtrekken oproept. De angst voor het kleuren kan deze kinderen achtervolgen en dat kleu­ren eerst recht oproepen. Bij meisjes ziet men bovendien vaak het verschijnen van felrode vlekken in de hals of in het gelaat, bij jon­gens vaak één ‘rood oor bij een bleek gezicht. Zweetdruppeltjes bijv. alleen op de neusrug of alleen onder de ogen kunnen in de plaats van de vlekken voorkomen. Vaak hebben deze kinderen koude handen en vooral koude voeten. Koude voeten bij deze kinderen roepen een algemene neiging tot vaat- en darmkrampen op. Wij hebben vaak gezien dat een hele reeks van neuropatische klachten verdwenen alleen al door dage­lijks warme voetbaden voor te schrijven, tezamen met het dragen van een lange broek en wollen sokken. Een dergelijke „milieuver­andering” (lichamelijke) kan reeds een belangrijke verbetering van de psychische spanning en labiliteit geven. De leerkracht kan op dit punt de ouders een ongevaarlijk en nuttig advies geven.

Psychische symptomen: verhoogde prikkelbaarheid – onrust –
stemmingslabiliteit – ongeconcentreerdheid – vergeetachtigheid, staan op de voorgrond. Zij alle zijn te verklaren uit een gebrekkige ik-functie in het centrum van de persoonlijkheid. Naast deze neuropaten, met ernstige karaktermoeilijkheden en vegetatieve stoornissen, ken­nen we ook nog de minder zware gevallen. Deze kunnen een dubbel karakter hebben, in de eerste plaats bij die kinderen, waarbij slechts enkele van de genoemde symptomen optreden, in de tweede plaats bij kinderen die wel de constitutionele aanleg met de vegetatieve la­biliteit hebben, maar waarbij een „sterk IK” in het centrum staat, dat in staat is ondanks deze moeilijkheden toch een hoge graad van integratie te veroveren. Hiertoe behoren enkele vroegrijpe begaafde kinderen, hetzij intellectueel begaafd, hetzij kunstzinnig begaafd. Met de grootste moeite weten zij zich door de school te worstelen, ondanks hoofdpijnen of buikpijnen, ondanks de kwellingen die het samenzijn met luidruchtig-gezonde kameraadjes meebrengt, on­danks ook de kwelling, die het klassikale onderwijs als zodanig voor deze kinderen betekent. Zij trekken zich dan gaarne terug in hun eigen wereld van muziek, literatuur of schilderen. Elke prestatie moet ontworsteld worden aan een tegenstribbelende fysieke consti­tutie en vaak betaald worden met hoofdpijnen of uitputtingstoestan­den. Carp (zie ook Dr. D. A. van Krevelen: Nederlands leerboek der
speciaalkinderpsychiatrie. 1952.) noemt dit type het sensitieve belevingstype en wijst op de grote gevoeligheid voor indrukken en verhoogde kwetsbaar­heid. Wij hebben zulke kinderen gezien onder het type dat wij be­schreven als de retarderende cerebrale kinderen en gezien dat deze later tot belangrijke prestaties in staat waren ondanks de blijvende constitutionele hindernissen.

De therapie voor de neuropathische reactievormen bestaat, wat de pedagoog betreft, in de eerste plaats in het doorbreken van vast­gelopen voorwaardelijke reflexen. De pedagoog mag zich niet laten prikkelen door de onlustreacties, niet overbezorgd zijn en moet de ouders het vertrouwen geven dat van nu af alles goed zal gaan. Zelf zal men dan hebben te overwegen of het kind de drukte en afleidin­gen van een grote klas kan verdragen, of de leerstof niet te zwaar intellectueel belastend is en of men door wat extra aandacht en aanmoediging niet reeds veel kan doen. Veelal echter zal om te be­ginnen een radicalere milieuverandering nodig zijn – een uithuisplaatsing – verandering van klas of school. Men zal verstandig doen de uitwerking hiervan aan medisch pedagogische bureaus over te laten.

sigaud 48 3

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

.

590-542

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-7)

Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
— Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
— De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
— Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

Hoofdstuk 7
— Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
— Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 7

Twee vormen van neurotische levenshouding.

De geestelijke groei van het kind voltrekt zich trapsgewijs, van
ont­wikkelingsniveau naar ontwikkelingsniveau. Deze trapsgewijze groei maakt dat periodes van consolidatie en integratie van een be­paald niveau (het oudere-kleuter-niveau of het schooltype-niveau), afwisselen met periodes van afbraak van het oude niveau, dus van desintegratie en opnieuw rangschikken van de levenservaringen in een nieuw integratiepatroon, waarbij andere krachten of ook nieuwe oriëntaties een centrale rol gaan spelen. ( Zie ook: B. C. J. Lievegoed „Ontwikkelingsfasen van het kind“.)

De vooruitstuwende kracht in dat trapsgewijze groeiproces is zeker een aan elk levend wezen immanente drang tot zelfontplooiing. Werkt deze drang (constitutioneel) te zwak of zijn de eisen van de buitenwereld te zwaar, dan vindt deze desintegratie en nieuwe re-integratie onvoldoende plaats en bereikt het kind het volgende ni­veau niet of niet volledig of het valt vanuit een reeds bereikt niveau terug in een vorig niveau.

Dit verschijnsel, regressie genaamd, maakt dat een schoolkind rea­geert als een kleuter. Elke regressie betekent echter dat het vorige ontwikkelingsniveau verschijnt in een inadequate, karikaturale vorm, en ernstige omgangsmoeilijkheden geeft met het eigen zelf en met de omgeving.

Wij hebben de retarderende ontwikkeling bij de vier constitutie­typen van Sigaud reeds enigszins bekeken en gezien, dat de nei­ging tot regressie bij een cerebraal kind andere symptomen geeft dan bij een digestief of respiratoir kind. Wij hebben echter ook reeds besproken dat niet alleen de retarderende ontwikkeling stoornissen geeft in de rustige groei van ontwikkelingsniveau naar ontwikkelings­niveau, maar dat een propulsieve, dus te snelle groei, het te snelle bereiken van een hoger niveau (meest slechts op enkele punten en dus onvolledig), evenzeer een ernstige verstoring kan geven van het proces: integratie – desintegratie – reïntegratie.

Het lijkt bij de propulsieve kinderen wel alsof ze zich in een blijvend proces van desintegratie bevinden, zonder ooit een echt integratie­niveau te bereiken. Bij hen is er dan ook niet zozeer sprake van een regressie, van een terugval op een vroeger niveau, omdat dat vroe­gere niveau als zodanig nooit echt bestaan heeft. Wel zien we een chaotische menging van vroegrijpe en van infantiele reactievormen door elkaar heen. In het centrum van de typische regressie op grond­slag van een retarderende ontwikkeling staan de hysterische reactie-vormen, in het centrum van de gefixeerde desintegratietoestanden op grondslag van een propulsieve ontwikkeling staan de neuropatische reactievormen.
Van de regressieve-cerebrale dromers tot de regressieve driftma­tige digestieven zien we het rijk geschakeerde beeld van de kinder­lijke hysterie zich ontplooien.
Van de vroegrijpe, intellectuele, nerveuze kinderen tot de schizoïde autisten, zien we vele vormen van neuropatische reacties zich af­spelen, (die ook onder de namen nerveuzen, sensitieven, hypothymen, beschreven worden).

Wij willen deze beide reactievormen voor u beschrijven.

sigaud 48 1

Hysterische reactievormen met hysterische patronen van reageren. Met het woord hysterie is voor de leek het beeld gegeven dat over­laden is met allerlei negatieve vooroordelen. „Dat mens is hyste­risch”, betekent gewoonlijk: ,,deze dame is manziek, en toont dat op hinderlijke wijze”. Van dit aspect der hysterie zullen wij ons hele­maal los moeten maken als we over de kinderlijke hysterie spreken. Hoewel de psychoanalyse van Freud het seksuele driftleven reeds naar de allereerste kinderjaren wil verleggen, voelen wij er meer voor deze benaming te reserveren voor die vorm van driftleven die met de puberteit een rol gaat spelen, en de kinderlijke hysterie te be­trekken op het gehele driftleven. Deze kinderen lijden onder sterke driftmatige impulsen enerzijds, en een te grote openheid voor de omgeving anderzijds. Pas als we deze twee gezichtspunten tezamen zien, begrijpen we de merkwaardige gedragingen van het regressief-hysterische kind.

Het hysterische kind leeft met alle vezels van zijn wezen in zijn om­geving. Het eigen centrum is zwak, de drang tot de zelfontplooiing gering. Elke nieuwe leeftijdsfase, elke nieuwe factor in het milieu is haast onoverkomelijk en doet het kind de beschutting en de vei­ligheid van het oude bekende opzoeken. De moeilijkheden liggen hier vooral in het wilsleven. Het kind voelt zijn omgeving goed aan, het kruipt haast in de andere mensen, en beleeft hun verwachtingen. Het zou wel willen handelen, maar weet dat handelen het overwin­nen van een zekere weerstand betekent. Deze weerstand wordt overmatig sterk beleefd en het kind trekt zich terug, niet tevreden dat het de taak niet volbracht heeft, maar ook niet sterk genoeg om hem te volbrengen. Deze onbehaaglijke toestand wordt nu op het eigen zelf of op de omgeving gewroken met een kracht en volhar­ding, die zeker ruimschoots voldoende zou zijn geweest om de oor­spronkelijke taak te volbrengen.
De hysterie is een terugwijken voor echte verantwoording, zegt Asperger, en wij kunnen er aan toevoegen, de hysterische reactie is een energieontplooiing op de verkeerde plaats, waarbij steeds de hysterische handeling of verlamming in zijn geheel symbool is voor, of in de plaats treedt van de eigenlijk noodzakelijke handeling. Hiermee hebben we de hysterische reactievorm pas van één kant beschreven. De terugval in lagere ontwikkelingsniveaus dan die, die op een bepaald moment aanwezig zouden moeten zijn, betekent ook dat de hele persoonlijkheid vanuit een hogere differentiatie van psychische structuren, terugvalt in primitieve ongedifferentieerde reactievormen.

Hetzelfde vinden wij bij onszelf onder invloed van angst of schrik, vandaar dat Kretschmer terecht zegt dat ieder mens onder bepaalde omstandigheden ,,hysteriefahig,, (tot hysterie kunnen komen) is. Het typische van deze primi­tieve reactievormen is dat ze niet meer specifiek gericht zijn op een doel, maar dat ze diffuus door het hele emotionele gebied stromen en alles meesleuren. In plaats van bij brand hard weg te lopen of iets aan te pakken, wordt zinloos heen en weer gelopen en gegesticuleerd. Het leidende „ik” is hier afwezig, de animale functies, men kan ook zeggen de hersenstamfuncties, ontladen zich chaotisch. Maar op rustiger momenten blijkt dat deze animale functies toch wel degelijk een eigen systeem van ordening hebben, dat niet logisch functioneert, maar wel volgens de wetten der dramatica. Door deze dramatiek wordt het leven van het hysterische kind gekleurd, wer­kelijkheid en fantasie zijn hier niet gescheiden, wat had kunnen ge­beuren is al gebeurd, wat bereikt zou kunnen worden is al bereikt, de verdere handelingen gaan van dit gebeurde en bereikte uit. Het voorstellen en handelen spelen zich af in een eigenaardig tussenrijk waar het bewustzijn en het vrije wilsgebruik verwisseld zijn. Bij de neuropatische reactievormen is het vegetatieve zenuwstelsel labiel en kan hoofdpijn en buikpijn, verbleken en kleuren teweegbrengen. Deze krampverschijnselen hebben dan alle een gelocaliseerde plaats, De neuropatische migraine of buikpijn is het gevolg van een con­stitutionele zwakte en treedt bij overbelasting op of als migraine of als buikpijn, al naar de constitutionele aanleg. De hysterische hoofd­pijn en buikpijn is gedompeld in een zee van dramatiek, en heeft met het hoofd of de buik als zodanig weinig te maken, kan eventueel ook direct verspringen als dit meer effect geeft. Echte hysterische ver­lammingen op een blijvende plaats gelokaliseerd, zagen wij persoon­lijk niet bij kinderen beneden de puberteit. Wel vluchtige, verschijn­selen van gevoelloosheid, vreemd gevoel of niet kunnen gebruiken van een hand of been. In het geheel zijn de lichamelijke symptomen van de kinderlijke hysterie wisselend en gemakkelijk door suggestie te beïnvloeden.

Waardoor kenmerken zich nu de hysterische reactievormen bij het kind?

In de mildste vorm als kinderachtig doen. Als ,,klein willen zijn”. Welk vijfjarig kind kruipt niet eens bij moeder op schoot, nestelt zich lekker, en praat op een kindertoontje in kleutertaal? Gaat dan nog van de ene hand de duim in de mond en trekt de andere zacht­jes aan het oorlelletje dan is het geluk volmaakt. Het kind is duide­lijk even voor de echte grote wereld gevlucht en is weer helemaal in de beschutte warmte van het vroegste kleuterzijn teruggedoken, ter­wijl die echte grote wereld dicht genoeg bij is om interessant te zijn, en veraf genoeg om geen kwaad te kunnen doen. Anders wordt het wanneer deze behoefte elk moment optreedt, als het ,,schootje zitten” met huilbuien en scènes wordt afgedwongen en het wegduiken in de omhulling met heftige begeerte gezocht wordt.

Een tweede symptoom is de steeds merkbare aanwezigheid van het kind. Zelfs als het zwijgt en stil zit volgt het de volwassene of de andere kinderen met een zuigende belangstelling. Het leeft abnor­maal sterk mee met alles wat in de omgeving gebeurt, hoort elk woord en is steeds present, als het net niet gewenst is. In de klas is het moeilijk door het steeds voor de beurt spreken, de aandacht trek­ken en door de bemoeizucht. Steeds is het verongelijkt en wil wat anders dan gedaan moet worden.
Een hysterische jongen die al van een aantal scholen verwijderd was, begon wild te slaan en te krijsen als bij het uitdelen van de schriften niet zijn schrift het eerste werd gegeven. De sommen wa­ren dan „veel te kinderachtig’ voor hem, waarna hij achterstevoren in de bank ging zitten en zijn achterbuurman met zijn pen ging prik­ken. Een aanmerking op dit gedrag riep dan een nieuwe scène op. Het speelkwartier was één vecht- en huilpartij, zelfs kon hij zonder reden opeens een stok of een stuk ijzer oppakken om zich (een der­de klasser) op een zevende klasser te storten en als een blinde om zich heen te slaan.

Zijn intelligentie was zeer behoorlijk (I.Q. 130 a 140). Maar het leren ging maar matig. Het St. Nicolaasfeest bedierf hij voor de ge­hele school, omdat hij een scène maakte, daar St. Nicolaas eerst een kleutertje bij zich riep en niet hem. In een groep met jongens van de­zelfde leeftijd was hij niet te verplegen. Het begin van verbetering trad pas op toen hij, elfjarig, in een groep verplaatst werd met vier tot zesjarige kinderen. Voor deze kleutertjes was hij schattig en hielp de verzorgster als een volwassen hulp. Vanuit deze onbe­dreigde situatie leerde hij zich in de klas en later zelfs op de speel­plaats handhaven, zodat hij toch nog naar een middelbare school kon gaan, waar hij zich leerde handhaven.

Een meisje van dezelfde leeftijd, kind van een moeder waarvan de meeste broers en zusters onder toezicht gesteld waren, debiele en degeneratieve typen en van een Duitse matroos, kwam reeds met negen maanden in een kinderhuis wegens verwaarlozing. In de jaren daarna wisselde ze veel van tehuis. De kinderpsychiater die haar op zevenjarige leeftijd zag, diagnostiseerde: ondermiddelmatige intellectuele aanleg en affectieve verwaarlozing. Zij was extravert, er steeds op uit indruk te maken, had een sterke rededrang. Na vele omzwervingen werd zij op zevenjarige leeftijd in een pleeggezin geplaatst en pedagogisch in speciale behandeling genomen in een kleine klasse. Na een maand luidde de eerste indruk: Domme gevatheid-brutaal-onrustig-ongedurig; begrijpt een verhaal wel, maar kan iets moois nog niet beleven, ze vat het grappige niet, er is een opvallende leegte in de gevoelssfeer. Het eerste jaar bracht hoofdzakelijk de negatieve kanten van haar wezen naar voren: On­evenwichtigheid-snel beledigd – snel teleurgesteld, moet steeds in het middelpunt staan. De weg tussen huis en school bleek moeilijk­heden op te leveren, zowel zwerven en ter verontschuldiging fantas­tische verhalen, als ook oneerlijkheden (fruit wegnemen van de groentekar). Toen de onderwijzeres de eerste keer argeloos vroeg, van wie heb je die mooie sinaasappel gekregen, begon ze dramatisch te gillen en begon te schreeuwen: ik zal nooit meer stelen. Snoep en geld bleken weldra niet veilig te zijn. Zij irriteerde de kinderen van de klas door haar kleverigheid. Al spoedig ging ze in het pleeggezin plagen door afschuwelijke taal uit te slaan als er bezoek kwam enz. Terwille van de lieve vrede moesten de eigen kinderen achterge­steld worden voor het pleegkind, zodat het moment kwam, dat het meisje intern opgenomen moest worden. Ze had een musculaire bouw, voor haar leeftijd een oud gezicht met harde brutale ogen. Na een aanvankelijk zeer goede fase na opname, volgden weken van negatief gedrag, plaagzucht, onevenwichtigheid en slecht leren. Na een maand echter verbeterde zij, speelde met bravoure de hoofd­rol in een toneelstuk, durfde nu ook moeilijker leerstof aan en werd in de groep normaler. Maar juist nu bleek eerst recht in allerlei klei­nigheden haar geraffineerde vermogen overal daar aanwezig te zijn waar wat te beleven viel in negatieve zin. Een kinderruzie, een kind dat bestraft moest worden, enz. Hier speelt ze dan de rol van de kwasi volwassen toeschouwer die wijsneuze opmerkingen maakt, die vaak wonderlijk „raak” zijn, maar nooit helpend in de situatie. Echt medegevoel, spontane hulp komen zelden voor. Waar ze haar hulp aanbiedt, heeft dit steeds een sensationele kant. Zo kan ze b.v. in de tuin de bezoekende ouders opvangen en poeslief vragen: bent u niet de moeder van die of die, en als ze zo kennis heeft ge­maakt, volgt direct een of andere wandaad die op vertrouwelijke toon wordt verteld. Men moet deze voorkeur voor het negatieve in anderen, het roddelen, zien in het licht van het eigen onvermogen positief sociaal contact te vinden, of positieve daden te volbrengen. Maar ook bij dit meisje bracht het laatste schooljaar met het voor­uitgaan van de prestaties in de klas en in de groep, de belangrijke verbetering, en nu pas voor het eerst in haar leven een echte vreugde over eigen kunnen, een echt gevoel van eigenwaarde, dat haar in staat stelde vrij en onbedreigd het sociale contact op te nemen.

Hoe is nu de therapie voor het hysterische kind?
Ten eerste:
Kalm blijven en niet meespelen in de scènes, die deze kinderen provoceren. Bedenk dat het kind ondanks het prikkelende gedrag een ziek kind is, dat met rust en kalmte en vooral met even­wicht geholpen kan worden eigen angst voor de daad te overwinnen.
Ten tweede:
Daarom is de positieve prestatie steeds de enige thera­pie voor het hysterische kind. Aan ons als opvoeders om zo lang te zoeken tot er een situatie geschapen is waarin positieve prestaties mogelijk worden (de elfjarige jongen in de kleutergroep).
Ten derde:
Het kind leren zijn angst voor de daad te overwinnen, naast het kind staande de handeling in gedachten en gebaar te be­geleiden zonder het voor het kind te doen. Het tempo daarna op­voeren en prijzen als er een normaal tempo bereikt is.
Ten vierde:
Het kind langere tijd begeleidend tot bewustzijn bren­gen; „nu kan je dit al, en als je dat nu ook nog kunt, dan ben je er voorlopig”. M.a.w., het kind mijlpalen en doelstellingen voor ogen stellen die het bereiken kan, die steeds dichtbij genoeg zijn, dat ze zichtbaar blijven.
Ten vijfde:
Duidelijk en met vreugde vaststellen, dat er weer een mijlpaal bereikt is.
Ten zesde:
Veel kunstzinnig werk geven. Opstellen, tekenen, schil­deren, toneelspelen. Oppassen bij de rollenverdeling, dat ze niet te sterk in het dramatische schieten. Geef ze strenge rollen, waarbij ze in de vorm moeten blijven.
Ten zevende: Ze houden van het spectaculaire, zoek een werkje voor ze waarbij ze volharding leren beoefenen.

Hun hysterische aanleg kan nuttig worden, en beroepen als b.v.
kin­derverzorgster, verpleegster en sociaal werkster, zijn voor deze
kin­deren weggelegd, mits het zelfinzicht tijdens de opvoeding dusdanig gegroeid is, dat ze tot normaal en evenwichtig contact opnemen in staat zijn. Dan zijn ze ongewoon opofferend en hebben een onver­moeibare arbeidskracht. Als het voor hen zelf blijkt, dat ze hier wat presteren, dan groeit de persoonlijkheid toch nog uit tot volwassen­heid.

sigaud 48 2b

Neuropathische reactievormen – gefixeerde desintegratietoestanden.
Het neuropathische symptomencomplex, zoals dit thans beschreven zal worden, ontwikkelt zich op de grondslag van een zeer bepaalde constitutionele aanleg. Vele moeders berichten, dat haar kind reeds vanaf de eerste ademtocht anders was dan gewone zuigelingen. Ze keken direct rond ,,als een kleine volwassene”, of ze waren direct al bovenmatig beweeglijk en reageerden op elk geluid of elk licht. Gemeenschappelijk hebben al deze kinderen een overgevoeligheid van het zenuwstelsel, naast een vroegrijpheid in de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling; niet alleen een zintuiglijke overgevoelig­heid maar vooral ook een labiliteit van het vegetatieve sympatische zenuwstelsel.
De onbewuste vegetatieve functies, die instinctmatig verlopen moeten (stofwisseling – bloedcirculatie – ademhaling) worden te sterk bewust. Het is alsof het bewustzijn doordringt in een vegetatief ge­bied, waarin het niet thuis hoort en in dat gebied wanorde en wille­keur brengt, waar natuurlijke orde en ritme, waar goede instincten in onbewustheid moeten heersen. In hun psychische (vroegrijpe) ont­wikkeling en in hun handelingen hebben deze kinderen hun in­stincten verloren en het gewoonste en natuurlijkste (de voedselopname, de stoelgang, de hartslag, de ademhaling) wordt tot een pro­bleem, dat met een angstige spanning of overwakkere opmerkzaam­heid gevolgd wordt. Daar deze kinderen meest opgroeien in een om­geving, die zelf zijn zekerheid in de instinctieve pedagogische hou­ding verloren heeft, ziet men bij de neuropaten naast de versie van het hysterische duet tussen moeder en kind het neuropatisch duet tot kwintet (want de neuropaten weten vaak het gehele gezin in span­ning te houden) tot ontwikkeling komen.

Wij behoeven geen stelling te nemen in de strijdvraag of het neuro­patische kind door exogene oorzaken zich ontwikkelt (dus door in­vloeden uit de omgeving) of door innerlijke aanleg. Het is nu een­maal zo dat dezelfde factoren die de erfelijkheid bepalen, als regel ook het milieu vormen dat de kinderen omringt, zodat in dit geval een erfelijke aanleg versterkt wordt door de opvoeding. Wat zijn de klachten waaronder het neuropatische kind lijdt en waaronder vooral zijn omgeving lijdt?
Als baby en kleuter het lichte slapen, het veel wakker zijn, het slech­te drinken, onderbroken bij de geringste stoornis, de grote beweeg­lijkheid, de snel ontwakende heerszucht, de driftbuien, het zeuren en doordrijven.
Als oudere kleuter en als schoolkind bovendien nog: gebrek aan eet­lust – bleek zien – donkere kringen om de ogen hebben – magerte -onrust – braken – buikpijn – verstopping – onzindelijkheid en bedwateren – onregelmatige hartactie en pijnen in de borst – kleuren en rode vlekken bij opwinding – koude handen en voeten – hoofdpijnen -flauwvallen – woedebuien met „wegblijven” – astma-tics – slaap­stoornissen in de vorm van niet-inslapen en ook van met een schreeuw wakker worden – „bolleschudden” en „rijden” – stotteren en voortdurend schreeuwend praten.
Men ziet: een bonte verscheidenheid, die echter gemeen heeft, dat het er vooral om gaat dat het bewustzijn ingrijpt in vegetatief – onbe­wuste gebieden en daar verstoring van deze functies tevoorschijn roept.
Psychisch vallen vooral op de onrust op alle gebieden, de overge­voeligheid op zintuigelijk gebied, de gemakkelijke affectprikkelbaar­heid, de concentratiestoornis.
Vatten wij alles nog eens tezamen onder het beeld van de gefixeer­de desintegratietoestand, dan kunnen we de neuropatische reactievormen als volgt beschrijven:

a.Er bestaat een constitutionele tendens, te sterk vooruit te stormen in de tijd. „Het kind kan zijn tijd niet afwachten”. Juist echter in de verlangzaming van de ontwikkeling van de mens, ten opzichte van het dier, ligt de mogelijkheid te komen tot menselijke ontplooiing en differentiatie, tot het bereiken van nieuwe en hogere integratieniveaus, waar nieuwe ordeningsprincipes kunnen werken.

b.De versnelling van de ontwikkeling gaat vooral uit van het bewustzijn en gaat gepaard met een versterking van de animale tegenover de vegetatieve functies.

c.Daardoor ontbreekt bij de neuropaat de ordening van lichamelijke en psychische functies in een harmonisch geheel. De neuropaat schiet steeds uit naar de ene of de andere kant. In zijn bewegingen, in zijn stemming, in zijn bloedvaatreacties, in zijn sociale gedrag.

d.Daardoor kan men bij de neuropaat niet van echte regressies spreken, er zijn wel talloze te kinderlijke, infantiele uitingen, maar het vorige ontwikkelingsniveau (bijv. voor het schoolkind de kleutertijd) was óók al chaotisch en had óók al vroegrijpe naast infantiele trekken.

e.Daardoor is de neuropaat ondanks intellectuele vroegrijpheid en (onder vier ogen, tijdens de test!) een behoorlijke I.Q., toch een slechte leerling, met bewegingsonrust, slechte concentratie, moeilijk opnemen van wat opgenomen móet worden. Sociaal is hij bovendien zeer lastig door zijn gevoelsleven, dat naast een overgevoeligheid toch een gevoelsleegheid bezit, waardoor nooit vriendschappen ontstaan en elk spel „katjes-spel” wordt. Opgewonden vreugde en woede gaan direct in elkaar over.

ƒ. Daardoor treden allerlei sociale conflicten op. Door de onge­stuurde belangstelling zwerven ze, komen niet thuis van school, ver­geten de tijd. Allerlei kleine eigendomsdelicten komen niet voort uit een bewust stelen door begeerte gedreven, maar in een ongeordend in de zak steken van dingen waar ze op een bepaald moment toeval­lig mee spelen of klungelen en hangt meer samen met een niet be­leven van: „dat doe je niet”.

g. Daardoor zijn zij veel sterker dan andere kinderen afhankelijk van factoren uit de omgeving. Opwinding, feestvreugde, angstige spanning, chaos in de omgeving brengt hun gelijkelijk uit hun even­wicht. Het weer speelt een grote rol, voor hitte en koude, voor weer­omslag (sneeuw in de lucht), depressies, in de lente en de herfst zijn ze overgevoelig en dan óf lusteloos of extra beweeglijk en lastig.

h. Tenslotte valt steeds meer op, dat zich geen echt centrum van de persoonlijkheid ontwikkelt en manifesteert. We willen daarom on­danks de vaak ook goede intellectuele ontwikkeling spreken van een gebrekkige en zwakke Ik-ontwikkeling, resultaat van de gefixeerde desintegratietoestand.

De therapie kan bij deze punten aansluiten. Centraal staat hier in de pedagogische therapie een rechttrekken van het onevenwichtige ontwikkelingsniveau. Pedagogische maatregelen die gericht zijn op een ontwikkeling van het gevoel en van het geordende handelen staan op de voorgrond.

De intellectuele functies komen daarna vanzelf terecht. Een rustige instinct-zekere omgeving (neuropaten uit de stad doen het zomers op de boerderij heel goed), een regelmatige dagindeling – afwisse­ling van buiten zijn en binnen werken – veel lichamelijke en psychi­sche warmte, zijn de hoofdzaak.

Vaak moet door een milieuwisselmg een fixatie doorbroken worden. Opvallend is hierbij dat bij de uitgesproken gevallen een bepaalde ontwikkeling optreedt. Aanvankelijk als zuigeling en kleuter ver­hoogde opmerkzaamheid, vroeg spreken, onkinderlijk oud er uitzien, vroege intellectuele ontwikkeling, zich uitend in meepraten over niet-kinderlijke dingen.

Later in de schoolleeftijd: ongeconcentreerdheid, vegetatieve klach­ten (zie boven), moeilijk leren, slecht opnemen: „verlaagde bewustzijnsfunctie in het denken, naast verhoogde bewustzijnsfuncties in de stofwisseling”.

Het duidelijkst vinden we deze symptomen bij de neuropathische cerebralen. Op deze kinderen is de beschrijving van Asperger van toepassing: „Diese neuropathischen Kinder sind auch sonst ein einheitlicher Typ: besonders fein und zart gebaut, von unkindlichem Ausdruck und auch von Wesen unkindlich reif. Schon nach dem körperlichen, noch mehr aber nach dem psychischen Bild hat man den Eindruck, sie hatten eine kindliche Stufe übersprungen.” (Deze nauropatische kinderen zijn ook anderszins een vastomlijnd type: bijzonder fijn en teer gebouwd, met een onkinderlijke uitdrukking en als wezen onkinderlijk rijp. Al door het lichamelijke, nog meer echter door het psychische beeld krijgt men de indruk dat ze een kinderfase hebben overgeslagen.’)
Soortgelijks treedt op bij de neuropathische respiratoiren, terwijl bij de musculair-motorische typen vooral de enorme onrust op de voorgrond staat. Neuropathische digestieven (de samenvoeging al bijna een contradictio in terminis) komen we minder tegen, hier krijgt het beeld een geheel andere kleur, die meer naar het driftpsychopatische gaat.

Stellen wij de zaak nog eens kort en duidelijk, voor wij de enkele symptomen iets uitvoeriger beschrijven: de neuropatische reactievormen hebben gemeen dat de „zenuwen”, in dit geval de bewustzijndragende organen van ectodermale (huid) oorsprong een snelle ont­wikkeling doormaken, daarbij het evenwicht met de vegetatieve functies verstorend en daardoor al spoedig een remming van de algemene geestelijke groei bewerkstelligend. Vooral het gevoelsleven van de neuropaat is op een eigenaardige manier leeg, zodat deze kinderen een tragische indruk maken.

De neuropathische aanleg is gegeven, deze kan echter bevorderd of tegen gehouden worden door milieufactoren. Vooral een rustig, instinct-zeker milieu werkt genezend.

De vegetatieve symptomen van de neuropathische reactievorm:
Deze uiten zich vooral in de bloedsomloop en de spanningsverhou­dingen in de kleinste bloedvaten. Op de voorgrond staat een kramp­toestand die zich uit in de bleekheid van de huid, koud zweten, kou­de handen en voeten, deze kramp kan tot pijn worden in de hoofd­pijn of tot flauwvallen bij emotie. Deze kramp kan zich voortplanten op de gladde spieren van luchtpijp (astma) en van het maagdarm­stelsel (maagkramp – overgeven – darmkramp – verstopping). Deze kramp kan echter ook plotseling omslaan in totaal loslaten van de tonus (kleuren, rode vlekken, dermographie, warme handjes, diarree, bedwateren).

Hoofdpijnen: de neuropathische hoofdpijnen treden vooral op in de schoolleeftijd bij een voor andere kinderen draagbare intellectuele belasting. Vooral tegen het einde van de ochtend, sterk afhankelijk van de innerlijke tegenzin tegen het vak dat het laatste uur op het rooster staat. Verder bij verjaardagen en feestjes die ze „niet aan kunnen”. De kinderen simuleren niet, zien vaak groenbleek en moe­ten in het donker uitslapen als bij een echte migraine.
Flauwvallen: door te weinige doorbloeding van de hersenen bij het zien van iets akeligs, of soms alleen maar bij het stoten van een knie. Dit flauwvallen onderscheidt zich van een epileptische toeval doordat het de patiënt zwart voor de ogen wordt en deze in elkaar zakt zon­der trekkingen of krampen. Hoe minder poespas gemaakt wordt van dit flauwvallen, hoe beter voor de kleine patiënt, anders wordt het een wapen om de angstige ouders te dwingen naar zijn pijpen te dansen.

Affectkrampen: Vele van deze kinderen kunnen midden in een woedebui plotseling „wegblijven”, d.w.z. er treedt onder het schreeu­wen plotseling een kramp op van de stembanden, de kinderen wor­den blauw en slap en vallen neer, tot een diepe fluitende ademhaling de opheffing van de stembandkramp aanduidt en de woedeaanval door kan gaan. Het „wegblijven’ is een dramatische gebeurtenis voor de omgeving. Nerveuze ouders (en deze kinderen hebben nerveuze ouders) „blijven” er zelf in! Het succes van het eerste wegblijven in affect, brengt het gevaar mee, dat het gefixeerd wordt als wapen om zijn zin te krijgen, onder het motto: pas op, als je niet doet wat ik wil, dan krijg ik het weer!

Astma: Naast het symptoom van de overgevoeligheid voor bepaal­de stoffen uit de buitenwereld (parallel gaande met de zintuiglijke overgevoeligheid bij alle neuropathische reactievormen) speelt de neuropathische reactievorm van de meeste astmakinderen een grote rol in de graad van de aanvallen. Het astmaprobleem is hiermede natuurlijk niet behandeld, maar het is wel opvallend dat we twee typen van astmakinderen kunnen onderscheiden: de vroegrijpe, extreem magere kinderen met vaak sterke misvormingen van de borstkas met de neuropathische reactie­vorm en de dikke „opgeblazen” kinderen zonder lichamelijke mis­vormingen met een meer hysterische reactievorm. Bij de vaak skeletmagere astmatische kinderen die het gehele
ge­zin beheersen met hun ziekte, kan overplaatsing naar een gezond, nuchter, doch gevoelswarm milieu, vaak wonderen doen. Helaas blijkt dan vaak het „neuropathische duet” daaruit, dat de huisge­noten het kind voortijdig terughalen, omdat ze zonder de emoties die het astmakind bracht, niet leven kunnen.

Hartbezwaren: oudere kinderen klagen vaak over hartkloppingen, „overslaan” en een beklemd gevoel of pijn in de hartstreek. Soms hoort de arts een functioneel geruis en meestal een onritmische hartactie. Voor deze „hartafwijkingen” past geen rust, maar gezonde beweging in een vrolijke harmonische omgeving. Het is opvallend, dat deze kinderen bij zware fietstochten tijdens een schoolkamp nooit over hun hart klagen.

Stoornissen in de eetlust: reeds de kleinste neuropaatjes zijn sterk gefixeerd aan een bepaalde smaak. De overgang van borstvoeding op gemengde voeding betekent al een periode van tobben. Later moet alles of vloeibaar, of wit, of zout of zoet zijn, anders komen er gil­buien met wegslaan van het bord. Neuropaten hebben de neiging te snoepen en tussendoor te eten om dan tijdens de maaltijden geen trek te hebben. Ze kieskauwen. Hoe meer de omgeving zich opwindt hoe sterker dit symptoom wordt. Dit­zelfde kind kan bij een vriendje thuis eten als een wolf! De ouders zijn vaak te meer bezorgd daar deze kinderen van nature mager zijn, een slap spierstelsel hebben en vaak bleek zien.
Overgeven- het niet-eten kan groeien tot een habitueel braken. Som­mige van deze kinderen zijn reeds in de wieg de z.g. spugertjes, pylorospasten. Hier is opvallend, zegt Asperger, dat de pylorospasten meest een vervroegde geestelijke ontwikkeling hebben. Ze fixeren al heel vroeg, het zijn later intellectuele kinderen, ze zijn ook verder onrustig, slapen licht, een enkel geluid (een dichtslaande deur) kan het spastische braken al oproepen. Een ander verschijnsel is het ochtendbraken op weg naar school. Deze kinderen geven regelmatig op weg naar school hun ontbijt over. Als regel blijkt de inspanning van de school voor deze kinderen te zwaar te zijn. Minder intellectuele belasting, zo nodig wisseling van klas of van school of van woonmilieu, kan deze stoornis vaak op slag opheffen. Ook hier blijkt dat bij een neuropaat een bepaalde reactie zich vaak fixeert op bepaalde personen of omgevingen. Bij debiele neuropaten kan het habituele braken zeer hardnekkig ge­fixeerd zijn, zodat het, in een inrichting geplaatst, waar het allang niet meer overgeeft, op het binnenkomen van de moeder prompt reageert met overgeven.

Darmkrampen: deze kinderen lijden vaak aan plotseling optredende buikpijnen, die meest om de navel gelokaliseerd worden. De aanval­len kunnen optreden tijdens of na het eten of op school. De krampen kunnen zo hevig zijn, dat het kind bleek wordt en languit moet gaan liggen. Ook hier duiden deze krampaanvallen op een te zware in­tellectuele of emotionele belasting. Ze zijn met een regelmatige buik­massage door de moeder ’s avonds bij het naar bed brengen meest prompt te genezen. (Wat is ook heerlijker dan dat moeder zoveel aandacht en zorg aan je besteedt!) Van belang is dan tevens te be­kijken of dit kind de klas en het schooltype aan kan.

Verstopping: de meeste neuropaten zijn „hardlijvig”, met soms af en toe diarree. De stoelgang wordt tot een dagelijkse pijnlijke kwel­ling, de hele familie leeft in spanning en emotie mee of „het gelukt is”. Ondanks de verstopping hebben ze vaak een vuil broekje („heus niet zo erg, maar zo’n klein streepje”). Er blijken vaak grote hoe­veelheden ingedroogde fecaliën in de darm te zitten die door de darm krampachtig vastgehouden worden. Regelmatig  kamillelave­menten kunnen deze vorm van verstopping vaak genezen, ook al omdat dan de spanning van het al of niet gelukken wegvalt en zo de vicieuze cirkel doorbroken wordt.

Bedwateren: Een aantal neuropaten zijn hardnekkige bedwateraars (en soms blijven ze overdag ook niet droog, omdat ze zich tijdens het spel de tijd niet gunnen naar de w.c. te gaan). Dit zijn ze on­danks het feit dat ze soms al heel vroeg zindelijk waren. Later gaan ze dan weer bedwateren, niet zoals het hysterische kind, omdat er een broertje of zusje kwam, maar zodra de emotionele verwerkin­gen van de dag te sterk worden (te druk spelen, een feest, proef­werk, spanningen thuis of op school). Daarbij speelt bij deze
kin­deren een eigenaardige vegetatieve stoornis in de uitscheidingsre­gulatie een rol. Overdag wordt weinig vocht uitgescheiden, ’s nachts „zwemmen ze weg”.

Slecht uitzien. Haast alle neuropaten zien er slecht uit. De huid is bleek (niet door bloedarmoede, maar door een kramp van de huid­bloedvaatjes), vaak schemeren de aderen blauw door de huid heen en vooral om de ogen ontstaat daardoor een donkere kring. Deze kinderen „tekenen” erg, d.w.z. ze kunnen het ene moment een frisse kleur hebben (die bij nadere beschouwing meest vlekkerig en iets te hoog-rood is), om het volgende moment er uit te zien of ze net op­gestaan zijn van een zwaar ziekbed. Hieruit blijkt hoe labiel de re­gulatie der bloedverdeling is. Hadden de hysterische kinderen meest een vochtige „open” huid en open zintuigen (volgens de indeling van Corman), de neuropaten hebben een koude, gesloten huid en ge­sloten zintuigen (ogen en neusvleugels zijn teruggetrokken, de lip­pen dun en strak).

Onder emotionele invloeden kan deze afsluiting (zich uitend in een slecht sociaal contact) plotseling doorbroken worden, dan kleurt het kind fel-rood, wat opnieuw een terugtrekken oproept. De angst voor het kleuren kan deze kinderen achtervolgen en dat kleu­ren eerst recht oproepen. Bij meisjes ziet men bovendien vaak het verschijnen van felrode vlekken in de hals of in het gelaat, bij jon­gens vaak één ‘rood oor bij een bleek gezicht. Zweetdruppeltjes bijv. alleen op de neusrug of alleen onder de ogen kunnen in de plaats van de vlekken voorkomen. Vaak hebben deze kinderen koude handen en vooral koude voeten. Koude voeten bij deze kinderen roepen een algemene neiging tot vaat- en darmkrampen op. Wij hebben vaak gezien dat een hele reeks van neuropatische klachten verdwenen alleen al door dage­lijks warme voetbaden voor te schrijven, tezamen met het dragen van een lange broek en wollen sokken. Een dergelijke „milieuver­andering” (lichamelijke) kan reeds een belangrijke verbetering van de psychische spanning en labiliteit geven. De leerkracht kan op dit punt de ouders een ongevaarlijk en nuttig advies geven.

Psychische symptomen: verhoogde prikkelbaarheid – onrust –
stemmingslabiliteit – ongeconcentreerdheid – vergeetachtigheid, staan op de voorgrond. Zij alle zijn te verklaren uit een gebrekkige ik-functie in het centrum van de persoonlijkheid. Naast deze neuropaten, met ernstige karaktermoeilijkheden en vegetatieve stoornissen, ken­nen we ook nog de minder zware gevallen. Deze kunnen een dubbel karakter hebben, in de eerste plaats bij die kinderen, waarbij slechts enkele van de genoemde symptomen optreden, in de tweede plaats bij kinderen die wel de constitutionele aanleg met de vegetatieve la­biliteit hebben, maar waarbij een „sterk IK” in het centrum staat, dat in staat is ondanks deze moeilijkheden toch een hoge graad van integratie te veroveren. Hiertoe behoren enkele vroegrijpe begaafde kinderen, hetzij intellectueel begaafd, hetzij kunstzinnig begaafd. Met de grootste moeite weten zij zich door de school te worstelen, ondanks hoofdpijnen of buikpijnen, ondanks de kwellingen die het samenzijn met luidruchtig-gezonde kameraadjes meebrengt, on­danks ook de kwelling, die het klassikale onderwijs als zodanig voor deze kinderen betekent. Zij trekken zich dan gaarne terug in hun eigen wereld van muziek, literatuur of schilderen. Elke prestatie moet ontworsteld worden aan een tegenstribbelende fysieke consti­tutie en vaak betaald worden met hoofdpijnen of uitputtingstoestan­den. Carp (zie ook Dr. D. A. van Krevelen: Nederlands leerboek der
speciaalkinderpsychiatrie. 1952.) noemt dit type het sensitieve belevingstype en wijst op de grote gevoeligheid voor indrukken en verhoogde kwetsbaar­heid. Wij hebben zulke kinderen gezien onder het type dat wij be­schreven als de retarderende cerebrale kinderen en gezien dat deze later tot belangrijke prestaties in staat waren ondanks de blijvende constitutionele hindernissen.

De therapie voor de neuropathische reactievormen bestaat, wat de pedagoog betreft, in de eerste plaats in het doorbreken van vast­gelopen voorwaardelijke reflexen. De pedagoog mag zich niet laten prikkelen door de onlustreacties, niet overbezorgd zijn en moet de ouders het vertrouwen geven dat van nu af alles goed zal gaan. Zelf zal men dan hebben te overwegen of het kind de drukte en afleidin­gen van een grote klas kan verdragen, of de leerstof niet te zwaar intellectueel belastend is en of men door wat extra aandacht en aanmoediging niet reeds veel kan doen. Veelal echter zal om te be­ginnen een radicalere milieuverandering nodig zijn – een uithuisplaatsing – verandering van klas of school. Men zal verstandig doen de uitwerking hiervan aan medisch pedagogische bureaus over te laten.

sigaud 48 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-6)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
— Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
— De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
— Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

Hoofdstuk 7
— Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
— Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 6

Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

We willen thans trachten de 4 typen van Sigaud achtereenvolgens te schilderen in een te langzame en te snelle ontwikkeling.

L Het cerebrale retarderende kind

foto's0041

Dit kind is gemakkelijk te herkennen. In de kleuterklas is het
bin­nengekomen met grote, angstige ogen, zich vastklemmend aan de moeder. Al die nieuwe kinderen kan het niet verwerken. Het trekt zich terug in een hoekje en kijkt vandaar de vreemde wereld aan. Is het wat gewend, dan kan het langzaamaan meedoen, maar het is weerloos tegenover de bijdehandjes. Wordt er vrij gespeeld, dan ziet men het kind in een hoekje met een popje spelen, aan- en uit­kleden. Dan blijft het popje liggen en kan het kind met open ogen wegdromen in een eigen wereld. Soms zit het daar nog, terwijl alle andere kinderen al om de tafel zitten en heeft het zijn omgeving ver­geten. De leerkracht zal goed doen, dit kind voorzichtig te wekken en in het geheel te betrekken. Plotseling roepen, een schrik, werkt diep in en kan oorzaak zijn van shocks, die zich uiten in een tegen­zin tegen de school. Deze kinderen zijn uiterst kwetsbaar. Voor elk hard woord, voor een lichte aanraking, die zij als een slag beleven en die zij niet verwerken. Opvallend is vaak het mooie, hoge voor­hoofd, het zachte haar, de grote dromerige ogen. Op de lagere school zijn zij laat schoolrijp en komen in de eerste klassen moeilijk mee. Toch steken zij meer op dan men denkt en hun intelligentie kan zeer goed zijn. Bij niet begrijpen van deze kinderen worden zij voor dom aangezien en hun neiging tot regressie doet hen infantieler reageren naar mate zij de weerstand van de omgeving beleven. Ongemerkt zal men met een enkel vriendelijk woord deze kinderen uit hun droomwereld halen en in de klas weer mee laten doen. Zij zijn meest auditief ingesteld. In verhalen leven zij mee als geen ander kind, maar het akelige in een verhaal en een onrechtvaardig lot kan hen lang bezig houden.
Hun intelligentie is uitgesproken scheppend, origineel. Het zijn later creatieve denkers en kunstenaars. Maar met droge, intellectuele stof hebben zij aanvankelijk veel moeite. Deze kinde­ren worden beter op school naarmate zij ouder worden, eigenlijk komen zij pas op stoom, als zij studeren en hun eigen tempo kunnen vaststellen en zelf hun studie kunnen bepalen. Een streng klassi­kale school is voor deze kinderen een lijdensweg. Bij projecten en bij opstellen verrassen zij door weergave, expressie, de overgave aan en de oorspronkelijkheid van hun werkstukken. Ze zijn vaak verkou­den, hebben als kleuter al veel bronchitis gehad en als baby voedings­stoornissen. Reeds de overgang van borstvoeding op gemengde voeding heeft moeilijkheden gegeven. In de winter verzuimen zij veel, door periodes van lichte temperatuursverhogingen zonder ver­dere symptomen dan wat verkoudheid. Vaak ook lijden zij ongemerkt aan chronische bijholte-ontsteking, die hen labiel en prikkelbaar maakt.
De toekomst van dit kind hangt in hoge mate af van het begrip van ouders en leerkrachten. Wordt het kind door een actieve moeder of door een leerkracht, die het kind onder de zwakbegaafden rekent, niet begrepen, dan kunnen ernstige regressies optreden, of ze gaan aan angsten lijden. De angsten van deze kinderen hebben alle tot oorzaak, het niet tegen de wereld op kunnen. In dromen en fanta­sieën voelt het kind zich belaagd door dreigende monsters waarin het zijn angsten symboliseert. Menig cerebraal-regressief kind heeft veel en vaak ongemerkt geleden onder deze angsten. Het werd op school veel geplaagd en was een weerloos slachtoffer van meer ro­buuste kameraadjes. Iets ouder vlucht het kind vaak in de boeken, want het is onhandig en onsportief. De vriendschap met een enkele volwassene of vriendje kan diep en blijvend zijn. Ze zijn trouw in hun vriendschappen, ondanks het feit dat de anderen vaak teleurstellen door ruwheid of niet-begrijpen. Begrijpt de leerkracht dit kind wél, ziet het de onbedorvenheid en rijkdom, die achter schijnbaar niet mee­doen verborgen ligt, dan kan de leerkracht dit kind met een enkel knikje, een lichte aanmoediging, een glimlach van elkaar begrijpen, helpen en daardoor zijn schoolprestaties doen stijgen. Deze kinderen zijn gauw ontmoedigd en neigen tot minderwaardigheidsgevoelens, die heel diep gaan en een grote rem kunnen zijn voor latere produc­tieve ontplooiing.

2. Het cerebraal propulsieve kind

foto's0040

kondigt zijn moeilijkheden reeds de eerste dag van het leven aan. Mager, met grote ogen, haast volwas­sen rondkijkend, ligt het in de wieg. Het slaapt licht en kort, elk geluid, elke lichtstraal doet het ontwaken. En wakker zijn betekent bij dit kind: schreeuwen. Het drinkt driftig, verslikt zich, laat los bij elk geluid in de kamer, is gauw van streek met de ingewanden. De ontwikkeling van dit kind gaat snel voorwaarts. Het spreekt vroeg en heeft weldra het hele gezin om zijn vinger gewonden, met feilloze zekerheid weet het ieder zolang te prikkelen tot het zijn zin krijgt. Tegenover andere kinderen is het agressief, maar dan tegelijkertijd bang. Er ontstaan gauw ruzies, waarbij het kind schreeuwt en altijd tekort gedaan is, symptomen die we ook bij het neuropatiscbe kind tegenkomen. Leren doet het kind spelenderwijs, het komt op school met de kennis van alle letters en kan reeds tellen. Het wil steeds vóór zijn beurt praten, en is afgunstig als het niet het hoogste cijfer heeft. Abstracte leerstof verovert het gemakkelijk, maar een verhaal is al gauw vervelend, vooral als het kind het al kent. Over ‘Die Moral von der Geschichte’ wordt heengelopen en de feitelijke inhoud is het belangrijkste. Vooral als er veel gebeurt en er veel strijd is. In de klas: een lastpost, maar een intelligente leerling. Het gevaar is, dat de volwassene, geprikkeld door de onrust en de onge­zeggelijkheid van dit kind, zijn agressie tegen de agressie van dit kind zet. Eén ding is daarbij zeker: de volwassene legt het af, wat uithoudingsvermogen betreft en het kind is in zijn situatie niet ge­holpen. Het is van belang dit kind juist véél taken te geven, waarbij het op doen en op scheppend werk aankomt. Dan blijkt pas dat deze kleine druktemaker meer met de mond dan met de handen presteert, wat hij wel door vele verhalen zal trachten te verbergen. Zijn intel­ligentie is meer abstract-reproductief dan productief en oorspron­kelijk. Bij deze kinderen is na de schoolrijping het oorspronkelijk cerebrale type niet in de eerste oogopslag te zien, want de oorspronkelijke groothoofdigheid gaat verloren. Toch kan men de cerebrale kenmerken nog zien aan het hoge voorhoofd en de fragiele bouw van het lichaam met de weinige spierontwikkeling. Thuis klaagt de moeder over slecht eten, kieskeurigheid en snoepen. Vaak ook over oneerlijkheden, „ruilen” met vriendjes, waarbij de ander huilen moet. Daar het kind onder de kameraadjes niet echt geliefd is en zelf ook weinig liefde schenkt, daar de wereld al spoedig uitbuitingsobject is voor eigen verlangens, staat dit kind eenzaam en in school schiet dit kind heen, al ziet men ook vaak, dat met het min­der schools worden van het leren in de hogere klassen van het mid­delbaar onderwijs de prestaties afnemen. Later worden het de
knap­pe mensen met weinig gevoelskwaliteiten en sociaal slechte contac­ten. Van jongs-af-aan zijn het Strebers. De leerkracht zal daarom goed doen veel aandacht te schenken aan de affectieve ontwikke­ling van dit kind en het laten beleven, dat het naast zijn intellectuele vermogens op andere gebieden nog heel wat te leren heeft. Hij zal daarmee voorkomen, dat het kind later een eenzaam mens wordt.

foto's0039

Het polaire type van het cerebrale is het digestieve. Waar de cere­braal het type is. waar de ectodermale organen overheersen (dus de organen die embryonaal voortkomen uit de afsplitsing van de huid) en alles is gericht op de organen, die in dienst staan van het bewustzijn, is de digestief het type, waar de entodermale functies overheersen (dus die organen, die embryonaal ontstaan zijn uit de oerdarm). Hier is alles gericht op de stofwisseling en wordt gestuwd door de begeerten die vanuit deze stofwisseling in de psyche be­merkbaar worden.

3. Het retarderende, digestieve kind

foto's0044

is meest bij de geboorte reeds behoorlijk van gewicht. Voeding en slaap wisselen elkaar af zon­der stoornis. Het kind wordt wakker om te drinken en drinkt dan rustig, volhardend en veel, om weer in te slapen tot de maag leeg is. Het wordt gauw dik en wat traag, maar heeft niet gauw ingewand­stoornissen. Het loopt laat, maar als het eenmaal loopt, loopt het met rustige doorzetting. Het is in het algemeen niet bijzonder intelligent op ab­stract gebied, maar wel uitermate practisch gericht als het erop aankomt iets uit te vinden, waardoor zijn gemak gediend wordt. Als kleuter geeft het kind geen problemen. Het is gemakkelijk, goedmoe­dig, kan tegen een stootje, mag gerust eens aangepakt worden om het wat te activeren. Lichamelijk is het te herkennen aan het bijna vierkante hoofd. Als baby is het meest licht van haar en heeft kleine “varkensoortjes”, het is meestal bleek van teint en heeft trage vaatreacties. Tegen de schooltijd is het een ronde, blozende jongen of meisje geworden, flegmatisch, maar traag goedmoedig. Het droomt weg in de klas, evenals de retarderende cerebraal, maar de fantasie is van geheel andere aard. Het kan de eerste uren heerlijk uitvoerig zijn ontbijt zitten verteren, om daarna op te gaan in de verwachting van de boterham tijdens het speelkwartier of de koffiemaaltijd thuis. Als het moet is het kind tot werk te krijgen, maar het maakt er zich met een minimum van af. Het is in de klas een indifferent, onop­vallend gezond kind. In Nederland komt dit type vrij veel voor. vooral op het platteland. De driften blijven infantiel gefixeerd op de mond en al wat daar door naar binnen gewerkt kan worden. Veel geestelijke behoefte heeft dit type niet, het worden later ietwat ma­terialistische, gemoedelijke mensen die met eenvoudige normen te­vreden zijn en daarover dan niet veel meer willen horen. De leerkracht zal goed doen, dit broeden op de eigen spijsvertering te doorbreken en van hen een zekere geestelijke activiteit te verlan­gen. Dit is niet gemakkelijk, maar voor een grapje zijn ze toeganke­lijk. Ze echter actief te houden, valt niet mee. Erg zachtzinnig in­voelend behoeft men niet te zijn. De problemen van deze kinderen zijn primitief en er is enige doorzetting nodig om hen op een hoger niveau te krijgen.

4. Het propulsieve digestieve kind

foto's0043

heeft in zijn eerste jeugd veel met het vorige type gemeen, is echter actiever en driftiger. De kalme doorzetting van het zich langzaam ontwikkelende digestieve type wordt hier tot koppigheid. In de kleutertijd vallen ze met hun ge­zellige, ronde vrolijkheid op. Ze rollen overal tussendoor, maken grapjes en zijn waar ze komen een vrolijke noot in de groep. Het is het type van de klassieke Dik Trom. Het gevaar is: met bruut ge­weld doorzetten van de eigen begeerte, of in voortdurend half ma­nische stemming verkeren, waarbij alles afglijdt op een stroom van grapjes, die een ontwijken van elke moeilijkheid maskeren. Dit type wordt later de stamgast in het café, of de dynamische direc­teur, de zeekapitein of de ploegbaas, die paars aanloopt als hem maar iets in de weg komt. Wordt later het uitleven van de begeerte van het orale gebied naar de sexualiteit verschoven, dan vindt men ook op dit gebied veel ongeremden onder hen. Als leraar zal men goed doen zich niet door de lolligheid van deze kinderen op een dwaalspoor te laten brengen, doch van hen degelijk werk verlangen, vooral ook op manueel gebied. Een zekere goedmoedige, maar absolute strengheid in de eisen, die men stelt, is voor dit type nodig. Zij moeten, meer dan andere kinderen, hun normen van buitenaf opge­legd krijgen.
Een kleine, extreme groep van dit type bestaat uit kinderen, die zo door hun driftleven worden beheerst, dat het hun niet lukt die structuren op te bouwen, die nodig zijn om een regulerende, remmende invloed op het driftleven uit te oefenen.
Ze raken onaangepast en zijn op een gewone school niet te handha­ven. Ze moeten onder deskundige behandeling komen om te trach­ten het gevaar waarin ze zich bevinden, te keren.

5. Het retarderende motorische type 

foto's0047

heeft weinig uitgesproken kentekenen. De lichaamsbouw is harmonisch, als baby een lang kind, beweeglijk, vroeg lopend, vroeg sprekend, is dit het kind dat meer doet verwachten dan het geven kan. De intelligentie is vooral praktisch gericht. Het kind leert door nabootsing: motorisch én in­tellectueel. Het heeft veel behoefte aan afleiding en moet de ruimte hebben. Heeft het die niet, dan wordt het kind lastig, druk, gaat rondvliegen door de kamer, speelt nu eens met dit, dan weer met dat, laat overal alles slingeren en loopt iedereen voor de voeten. Het heeft een onweerstaanbare drang naar buiten, waar het alle tijd vergeet en met gescheurde kleren thuiskomt, of onderweg zijn jas of pet verloren heeft. Het is makkelijk over te halen tot allerlei streken en wordt daardoor veelal door andere kinderen gebruikt om kattenkwaad uit te halen, waarvan het de gevolgen zélf niet overziet. Beterschap beloven heeft daarbij geen resultaat. Is het buiten het gezichtsveld van thuis dan is alles weer vergeten en leeft het kind in de vrijheid van het nu. Op de lagere school gekomen, is dit kind een draaitol in de klas. De intellectuele prestaties vallen tegen, een sterk gebrek aan concentratie maakt dat het weinig leert. Zitten blijven helpt daarbij weinig; menigmaal komt het voor, dat het de tweede maal nog slechter gaat, omdat nu ook de prikkel van de nieuwsgierigheid voor het nieuwe is weggevallen. Het kind heeft nu eenmaal een geringe eigen fantasie en leert meer door imitatie van de omgeving dan door eigen innerlijke drang. Als de leerkracht echter begrijpt, dat dit kind alleen door doen kan leren en dat ook deze kleine onrust een affectieve omhulling nodig heeft, dan zal hij een kort ogenblik naast dit kind gaan zitten en zijn volle sympathie en belangstelling voor dit kind geven, dat meestal de hele dag van het ene standje naar het andere loopt. De leerkracht kan er de ouders op wijzen, dat zij het kind op geregelde tijden apart moeten nemen en het moeten voorlezen of vertellen, dat het kind met regelmaat bepaalde taken moet krijgen, bv. op school elke ochtend één plantje wat water geven. Thuis schoenen poetsen of iets derge­lijks, maar de volwassene zal het mét het kind langere tijd samen moeten doen. tot het er zo inzit, dat het kind het zelf voort kan
zet­ten. Het is opvallend hoe deze kinderen alles motorisch leren, zolang mogelijk blijven ze tellend met de eigen vingers rekenen en schuwen het denkend rekenen. Daarom moeten deze kinderen nog meer oefe­nen dan de anderen, maar niet alleen en automatisch, maar onder toezicht en met affectieve deelname aan het behaalde resultaat. Deze kinderen worden veel afgesnauwd en weggejaagd, waardoor zich een soort schijnbare immuniteit ontwikkelt, waarachter zich het ge­voelsleven verbergt. Wie dat éénmaal beleefd heeft, verandert zijn houding en ziet hoe gevoelig dit kind is voor een aanmoedigend, vriendelijk woord en hoezeer het hunkert naar wat liefde en belang­stelling,

foto's0042

6.Het propulsieve~motorische kind

pr m
is van een adembeklemmende activiteit. Deze is geladen met een agressieve kracht, die elke vol­wassene, die affectief met het kind verbonden is, in korte tijd uitput en het op doet geven. De uitgesproken typen zijn in de kleutertijd al op het medisch opvoedkundig bureau geweest. Op hen is de uit­drukking ,,Gejaagd door de wind” van toepassing, ze maken veel stuk: hun speelgoed, hun kleren, het behang aan de muur, de slui­tingen van de ramen, niets is veilig. Water en lucifers oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Zij slopen de peertjes uit de lampen van de fietsen, maar geven ze daarna weer weg. Ze zijn de schrik van de straat, overal waar zij verschijnen gebeuren ver­keerde dingen. Elk groepsspel wordt verstoord. Ze duiken op, ma­ken chaos en zijn weer verdwenen, als er een volwassene verschijnt. Zij vernielen speelgoed van andere kinderen door er zinloos mee rond te zwaaien of het op een dak te gooien en dan luid lachend weg te lopen. De uitgesproken gevallen zijn in een schoolklas on­houdbaar en hebben een heilpedagogische behandeling nodig. Maar menig grensgeval van dit type is de schrik van de speelplaats en van de weg van en naar school, waar lantaarns ingegooid worden en als dit niet kan, alleen maar zinloos gebruld en met armen gezwaaid wordt. Dit type is zeer moeilijk (therapeutisch te benaderen; slechts een richten van de activiteit op scheppend kunstzinnig werk, als boetseren, schilderen, houtbewerken, heeft op den duur succes. Toch zijn ze zelf dankbaar als ze iets gepresteerd hebben. Maar de vol­wassene moet voortdurend toezien dat niet door overactiviteit ver­knoeid wordt, wat eerst al tot stand gekomen was. De leerkracht doet goed voor deze kinderen deskundige hulp in te roepen.

foto's0045

Het zuiver respiratoire type
zien wij in Nederland niet in elke klas. Wel zien wij hier in de noordelijke landen vaker een belangrijke respiratoire inslag bij het cerebrale type, in welke vorm deze het lep­tosome type van Kretschmer dekt. In Friesland zien wij weer meer respiratoiren dan in het zuiden van ons land. In Zuid-Frankrijk en Spanje wij hier in de noordelijke landen vaker (de tekst in het boekje lijkt hier niet helemaal te ‘lopen’.) 
Een belangrijke respiratoire inslag in de constitutie gaat gepaard met iets heftigs, gespannens in het karakter. Indrukken worden heftig verwerkt. Ze zijn vaak intelligent én kunstzinnig, maar hebben de neiging zich vast te boren in voorstellingen en gevoelens. De belevingen zijn niet vrij, ze hebben iets dwingends voor het kind. Vooral prepuberteit en puberteit zijn moeilijk met grotere dan gewone spanningen en onevenwichtigheden. In de puberteit groeien zij sterk in de lengte, hebben een stugge en moeilijke sociale omgang. Men moet erop toezien, dat deze kinderen steeds in de sociale groep van de klas betrokken worden. Humor is het beste middel om hen over hun spanningen heen te helpen.

foto's0051

6.Het retarderende respiratoire kind
heeft bij de geboorte al een opvallend neusje. Zijn totale lengte is boven het gemiddelde, de borstkast is lang en breed, de schoudergordel goed ontwikkeld. De neus groeit later nog uit en beheerst dan het middendeel van het ge­laat, zodat vaak zelfs een hoekprofiel ontstaat. De problemen van deze kinderen liggen in de affectieve sfeer, in het gevoelsleven. En waar dit gevoelsleven de samenbindende kracht in de persoon­lijkheid is, dreigen bij stoornissen van het gevoelsleven desintegraties van de totale persoonlijkheid en treden steeds ernstige omgangs­stoornissen op. Het normale kind met een respiratoire inslag in de constitutie heeft al iets aparts, dat ze onafhankelijk van hun afkomst iets aristocratisch geeft, vaak ook iets on-Hollands, buitenlands. Deze kinderen maken een ietwat hooghartige indruk, ze neigen tot heerszuchtigheid. Ze hebben meest een zekere kunstzinnige aanleg, maar deze is sterk individualistisch. De aanpassing van deze kin­deren is steeds moeilijk, ze zijn eenzaam en men moet in hun wereld binnentreden, om contact met hen te vinden.

In versterkte mate heeft dit het retarderende respiratoire kind, zó zeer zelfs, dat we dit type terug zullen vinden als één van de vor­men van kinderlijk autisme.
Het retarderende respiratoire kind toont reeds in de wieg een zwak­te in het vermogen de wereld te ontmoeten. Reeds 3 maanden oud valt het op doordat het de blik niet beantwoordt, maar langs de mensen heen kijkt met lege blik. Daarbij blijkt dat het kind toch alles uit zijn omgeving opmerkt en al spoedig gefixeerd raakt aan bepaalde voorwerpen, aan bepaalde bewegingen en de opeenvol­ging van bepaalde handelingen. Er ontwikkelt zich een neiging tot dwangmatigheid die de omgeving dwingt vele ceremoniën te vol­brengen bij de eenvoudigste dagelijkse routinehandelingen. Hun instelling tot de buitenwereld is (uit zwakte tot werkelijke ontmoe­tingen) uitgesproken vijandig, de blik is afwijzend, vaak boosaardig, vaak ook schijnbaar niet geïnteresseerd en leeg; en dit naast een overgevoeligheid voor elke benadering, aanraking of aantasting van zelf vastgestelde privileges. Hun intellectuele en kunstzinnige ontwikkeling is op één enkel gebied gericht (tekenen, rekenen, ster­renkunde, techniek, chemie). Hun gevoelsleven heeft iets dwin­gends, fanatieks, ze boren zich vast in eigen voorstellingen en ge­voelens. Het is wel duidelijk dat hun omgangsstoornis in de eerste plaats ligt in een moeilijke omgang met het eigen zelf en pas secun­dair met de anderen. Ze zijn voortdurend onvrij in het zelfstandig hun weg gaan en ze missen de kracht en het overschot aan levens­vreugde om de eigen binnenwereld aan anderen mee te delen. Daar­door zijn ze, zoals de moeders zeggen, ,,tegen zichzelf”. Komen ze in de klas, dan vallen ze door vele eigenaardigheden op. Ze zijn nukkig, moeilijk te benaderen, afwijzend, vaak met een on­tevreden trek op het gelaat. Ze vluchten in de houding van „kom niet aan me”, welke houding de aanpassings- en omgangszwakte maskeert. Ondanks hun meestal goede intelligentie, leren ze slecht, omdat ze met hun eigen hobby’s (rekenen, aardrijkskunde, tekenen) bezig zijn en niet kunnen ingaan op wat er op routinegebied geleerd moet worden.
Daarbij zijn ze motorisch onhandig, onsportief. Op de speelplaats en op de weg van en naar school worden ze veel geplaagd door hun onhandige uitingen, wereldvreemde gedragingen en doordat ze ab­soluut geen grapjes begrijpen en plagen verdragen kunnen. De an­dere scholieren verklaren dit kind kortweg voor „gek”, daarmee aanduidend dat deze klasgenoot voor hen niet invoelbaar is. Deze kinderen lijden ook veel onder angsten.
Hun angsten hebben echter altijd een zekere uitgedachte onder­grond. „Als nu eens dit of dat gebeurde, dan zou dat of dit het ge­volg zijn”.
De leerkracht zal voor deze kinderen een bijzondere pedagogie moe­ten instellen. In de eerste plaats zich niet laten prikkelen door het negativisme in woorden, door de zucht tot debatteren, en altijd tegen­spreken. Nuchter en zakelijk zal datgene wat gedaan moet worden vastgesteld moeten worden, maar vooral bij deze kinderen met een ondergrond van liefde en sympathie, gedragen door een begrip voor de oorzaak van het negativisme, dat gelegen is in een gevoelszwakte. Hun houding is tenslotte hun vorm van regressie. Juist hier moet een vorm van liefde gebracht worden, die met het kind mee strijdt om de barrière tot de wereld te helpen overwinnen. Toch heb ik in extreme gevallen voortreffelijke pedagogen het zien afleggen tegen de dwang van zo’n kind om bijvoorbeeld dagen lang niets te willen eten of niet te willen urineren, dwangen die zó gekozen waren door het kind, dat ze onmogelijk genegeerd konden worden. De niet te moeilijke gevallen komen als zonderlingen door de school heen; er zijn van deze kinderen mensen gegroeid met extreem een­zijdige kunstzinnige en wetenschappelijke aanleg, van eng maar hoog formaat.
Onder hen treft men dan musici en schilders aan met een zeer eigen klank- en vormenwereld; ook het type van de verstrooide professor uit de humoristische bladen, die buiten zijn vakgebied in de gewoonste levensproblemen onaangepast is, dankt aan dit type zijn ont­staan. Het zal echter verstandig zijn in de pedagogie niet op een toekomstig „verstrooid professoraat” te rekenen en te werken aan een zo groot mogelijke aanpassing aan normale omgangsvormen. Het is opvallend, dat het retarderende respiratoire kind met autisti­sche structuur niet tot schizofrenie komt.

foto's0050

8.Het propulsief respiratoire type
heeft met het vorige veel ge­meen, alleen zijn de problemen brandender, geforceerder en daar­door spoedig absurd geworden, de autistische component maakt hier plaats voor een schizoïde, een gespletenheid in het karakter, waar­door de aanvankelijk ook negativistische houding tegenover de om­geving verandert in een totale loslating van dit contact (een nega­tief contact is tenminste nog een contact!) en een zich terugtrekken in een eigen autochtone wereld. Bij de meer zware gevallen valt het vreemde, oninvoelbare, reeds vroeg op en gedurende de ontwik­keling dreigt steeds een afbreken van de continuïteit van de ontwik­keling, een desintegratie van de persoonlijkheid. Schoolrijping, pre-puberteit zijn zware beproevingen voor de samenbundelende krach­ten, die in de psyche werken.

Vreemde absurde belevingen, ongerijmde angsten, onverklaarbare handelingen komen bij deze kinderen als prepsychotische fasen voor. Extreme eenzaamheidsbelevingen kunnen in de puberteit de voorbode zijn van ,,Schülerselbstmord,, of van plotseling uitbreken­de schizofrenie.
In tegenstelling tot meer autistisch gestructueerde retarderende typen, geven de lichtere propulsieve gevallen op school geen grote moeilijkheden; ze zijn lang, mager, bleek en stil, hebben vaak een goede begaafdheid en een koortsachtige leergierigheid. Ze hebben weinig vriendjes, maar geven niet die opvallende moeilijkheden te zien van de vorige groep. Soms worden ze als wonderkinderen aan­gezien door hun vroege rijpheid en hun volwassen oordeel over kunst, moraal en religie. De leerkracht heeft tegenover deze lange, stille kinderen een zware verantwoording, die in de eerste plaats ligt in het onderkennen van de situatie. Een overleg met deskundigen zal dan nodig zijn.

foto's0049
Uit dit alles zou de lezer misschien kunnen concluderen, dat elk cerebraal, respiratoir, motorisch of digestief kind een probleemkind is. Gelukkig is dit niet zo. Het normale kind met cerebrale habitus is een prettige, intelligente leerling, het normale motorische kind een leuk, sportief element in de klas, wat oppervlakkig, maar vlot. Het normale digestieve type is een rustige stabiliserende factor, dat kalm aan met zijn gemiddeld zes op de rapporten door de school gaat. Het normale respiratoire type is meest iets aparts, maar brengt daar­door een interessante noot in een overwegend digestieve gemeen­schap.
Een leerkracht, die op het individuele karakter van zijn leerlingen ingaat, zal elk element nodig hebben, om zijn klas als een orkest te bespelen. Nu eens zich wendend tot en steunend op de ene groep, dan op de andere. Cerebralen zal hij nodig hebben, om eens boven het allernoodzakelijkste gemiddelde uit te kunnen komen, zijn mo­torisch en zijn bij taken en bij sport en spel leiding gevend, zijn digestieven geven de continuïteit door het jaar heen en zijn enkele respiratoire leerling zorgt ervoor, dat het geen sleur wordt. Men zou ze per slot geen van allen kunnen en willen missen en later in het leven is voor ieder een taak weggelegd. Loopt de ontwikkeling echter niet normaal bij de beschreven typen, dan kunnen ze bij niet vroegtijdig onderkennen onze probleemkinderen worden, zoals we ze onder de kinderen in onze instituten vinden.

We krijgen deze kinderen niet als zuigeling en een bepaald afwijkend gedrag heeft zich meestal al vastgezet. De kinderen worden ons als dom, debiel, zwakbegaafd gestuurd of als ontremd, autist, psycho­paat. Ook veelal met de woorden: afwijkend gedrag, vermoedelijk op de bodem van een hersenbeschadiging of affectieve verwaar­lozing.

Het ,,op organisch gestoorde grondslag” in een dossier is belastend, en inderdaad, hier moet men tegen de logica in, opvoeden. Toch is in de heilpedagogie nooit een geval hopeloos. Het kind is immers nog in volle ontwikkeling en vele hulpmiddelen staan ons heilpedagogen ten dienste.

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

.

589-541

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.