VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

.

Heil Caesar!

De piraten hadden er geen vermoeden van hoe gevaarlijk  hun gevangene was. Deze jonge Romein met zijn blanke huid, donkere ogen en volle lippen was duidelijk een edel­man en zij stelden de losprijs dus op twintig talenten (ongeveer 40 000 gulden).
Julius Caesar lachte hen openlijk uit. Hij was er vijftig waard, zei hij, en beloofde terug te zullen komen om hen stuk voor stuk aan de galg te brengen! De losprijs werd betaald en de jonge Caesar hield zich aan zijn woord. Op een vlootexpeditie nam hij zijn ontvoerders gevangen, stak de vijftig talenten weer in zijn zak en keek toe hoe de piraten werden opgehangen.

Dit gebeurde in 76 v. Chr., toen Caius Julius Caesar in de twintig was, maar toen al een rijp man. Opgeleid aan de beroem­de school van Rhodos, waar men de kunst van  het spreken en schrijven onderwees, was hij een der meest gecultiveerde mannen van zijn tijd, briljant causeur en uitmuntend redenaar. Deze eigenschappen en een nimmer aflatende ambitie zetten Julius Caesar ertoe aan zich in het openbare leven te storten. Hij schiep zich een reputatie door namens een aantal Griekse steden de Romeinse gouverneur te vervolgen wegens corruptie. In Rome wreef men zich de ogen uit toen men zag, hoe de meesters nu ter verantwoording werden geroepen wegens knevelarij van de overwonnenen en senator Cato, een van degenen die iedereen voortdurend van ondermijnende activiteiten verdachten, nam zich voor een onderzoek naar hem in te stellen.
Maar deze elegante aristocraat was tevens een slim politicus en het ene ambt na het andere viel hem toe. Om de schitterende partijen te kunnen geven, die daarbij hoorden, ging de roekeloze Caesar monsterachtige schulden aan, die hij slechts kon terug­betalen met leningen van zijn vriend Crassus, een miljonair. Bij het jagen naar macht bewoog hij zich onder de laagsten en de hoogst geplaatsten. Hij werd een fat en een genotzoeker. Hij liet zich van zijn tweede echtgenote, Pompeja, scheiden, omdat “Caesars vrouw boven elke verdenking verheven moet zijn” en zij dat niet was. Zo kwam de corruptie van het heidense Rome zijn briljante toekomst als een langzaam vergif ondermijnen.

Toen, na vele jaren verdaan te hebben, ontdeed Caesar zich van zijn ondeugden als van een stel vuile kleren. Hij aanvaardde een benoeming als gouverneur in West-Spanje en daar hardde hij zich door dagen en nachten in het zadel te blijven. Met zijn legioenen deelde hij honger en vermoeidheid. Van lichaam en wil smeedde hij stalen werktuigen. Zonder aflaten, in hitte en stof, storm en sneeuw, achtervolgde Caesar de bandieten die het land, dat onder zijn bestuur was gekomen, vergiftigden. Bij die expedi­ties bereikte hij de kusten van de Atlantische Oceaan en bracht dit gebied (het huidige Portugal) binnen het Romeinse rijk.

Na zijn terugkeer in Rome werd Caesar met algemene stemmen tot Romeins Consul gekozen. Als bestuurder van de staat stelde Caesar een wetsontwerp op, waarbij veteranen uit buitenlandse oorlogen land toegewezen zouden krijgen. Tot dusver had een ontslagen soldaat zich al gelukkig geprezen wanneer hij zijn ach­terstallige soldij uitbetaald kreeg, en land dat aan het rijk was toegevoegd, werd door de senatoren onmiddellijk in de wacht gesleept als speculatie-object.

De Senaat verzette zich als één man. Caesar ging toen met zijn wetsvoorstel naar het Forum, het grote marktplein in het hartje van Rome, en legde het daar ter stemming voor aan het plebs, het gewone volk. Deze handelwijze was in overeenstemming met de grondwet, maar Rome was verbaasd een Consul zo voor het volk te zien buigen. Caesar kreeg het zover, dat de afgod van de dag, Pompejus de Grote, hem op het rostrum (de stenen verhoging, die men in de ruïnes van het oude Rome nog altijd kan zien) bijstond. Het volk betuigde juichend zijn instemming en Caesar keerde terug naar de Senaat om bekend te maken dat het voor­stel nu kracht van wet had gekregen.

Daarna gaf Caesar bevel, dat de handelingen van de Senaat elke dag overal in de stad op muren moesten worden bekendge­maakt om de bevolking op de hoogte te houden. Hij liet een wet aannemen, waarbij de gouverneurs van veroverde provincies ertoe verplicht werden verantwoording van hun inkomsten af te leggen. Toen zijn ambtstermijn in 59 v. Chr. eindigde, stelde de Senaat hem prompt aan tot gouverneur van het Romeinse Gallië (nu Zuid-Frankrijk), een afgelegen provincie, voortdurend door wilde stammen bedreigd.

Julius Caesar schreef zelf het beroemde hoofdstuk van zijn leven dat nu zou volgen. Zijn “Oorlog in Gallië” (De Bello Gallico) is het meest gelezen van alle klassieke militaire werken, want in vele landen is het in het leerprogramma van de scholen opgenomen. Maar achter de stoffige Latijnse grammatica vinden de leerlingen het opwindende verhaal zelf— de suizende pijlen, de hete pek die vanaf belegerde muren op de aanvallers wordt gegoten, de
bagagetrein, die door ruiters in het water wordt verrast, het gillen van de wilde Gallische vrouwen.

Caesar was het type commandant dat door de soldaten veraf­good wordt, altijd bezorgd om rantsoenen en soldij voor de troe­pen, altijd erop uit de regimentstrots te versterken. Hij stelde zich aan gevaren bloot vóór ieder ander, zijn blinkende zwaard hoog geheven en zijn rode mantel achter zich aan fladderend in het heetst van de slag. Zo ging hij zijn legioenen voor in de botsing met de Helvetiërs, die uit hun Zwitserse valleien kwamen opzetten. Toen hij hen verslagen had, voorzag hij hen genadig van brood en graan, genoeg voor een jaar, en gaf hun zaaikoren mee naar huis.

Erger was de dreiging van de kant van de Germanen, die vanuit hun wouden de Elzas, in Oost-Frankrijk, waren komen binnenvallen. Daar vernietigde Caesar hen en naderhand, toen hij de eerste brug had laten aanleggen, die ooit over de Rijn was gebouwd (niet ver van het huidige Remagen) bestreed hij hen op hun eigen gebied. De Belgen versloeg hij aan de Marne, de Maas, de Sambre en de Somme. Op twee strafexpedities tegen de vijan­dige Britten stak hij het Kanaal over en behaalde een overwinning op de Britse vorst. Acht jaar lang trok hij op en neer, pacificeerde de woelige volken van Gallië en maakte er trouwe Romeinse onderdanen van, waarmee hij het gebied, dat thans geheel Frank­rijk en België omvat, vrede en eenheid bezorgde. Op die wijze werd Gallië een machtig bolwerk, dat het Romeinse Rijk nog gedurende 400 grootse jaren in tact zou laten. In Frankrijk zijn de wetgeving, de taal, de literatuur en de bouwkunst nog altijd evenzovele bewijzen van hetgeen Caesar daar tot stand heeft gebracht.

Caesars grote succes wekte ontsteltenis in de partij, die de Optimaten genoemd werd en de bevoorrechte adelstand vertegen­woordigde. Haar leider Pompejus was bitter jaloers op de nieuwe lauweren die Caesar vergaard had. Vandaar dat toen de terug­kerende Caesar met zijn overwinningslegioenen in de Povlakte ten noorden van Rome bleef liggen, de Senaat een onderzoek naar hem instelde, oude schandalen ophaalde en hem ten slotte bevel gaf zijn leger te ontbinden en zich naar Rome te begeven waar hij zou moeten terechtstaan. Caesar wist dat zijn legioenen hem overal zouden volgen. En niemand begreep beter dan hij, dat de eens zo glorierijke republiek in staat van verval verkeerde. De Senaat had de uitvoerende macht aan zich getrokken en Pompe­jus was daarvan het werktuig. Caesar trok onversaagd over de Rubicon, het riviertje dat de noordelijke grens vormde van het eigenlijke Rome. Hij was nu in oorlog met de Senaat.

Legioenen, die uitgezonden werden om Caesar tot staan te brengen, liepen naar hem over. Terwijl deze groeiende legermacht naar Rome optrok, vluchtte Pompejus naar Noord-Griekenland waar zijn hoofdleger zich bevond. Daar, op 9 augustus van het jaar 48 v. Chr., maten de twee militaire genieën van die tijd zich met elkaar op de vlakte van Pharsalus. Tegen de avond was Cae­sar meester van zijn wereld en Pompejus op de vlucht. Hij vluchtte naar Egypte om het tegen Rome op te zetten en Caesar achter­volgde hem. Maar de jonge koning daar, Ptolemaeus XII, liet Pompejus vermoorden en bood de van afgrijzen vervulde Caesar diens hoofd aan, verbaasd dat hij daarmee Caesars gunst niet had gewonnen. Ptolemaeus had zijn zuster Cleopatra van de troon verdreven, hoewel hun vader had bepaald dat zij samen zouden regeren. De koningin, nog maar een meisje, haalde Caesar binnen als haar beschermer. Weldra werd hij haar minnaar.

Voor haar en voor Rome dwong Caesar koning Ptolemaeus op de knieën. Cleopatra kreeg haar troon terug, onder Romeins protectoraat, en Caesar had daarmee het rijkste land ter wereld aan het Romeinse gebied toegevoegd.

Intussen hadden de volgelingen van Pompejus hun strijd­krachten opnieuw in Spanje en Noord-Afrika verzameld. Caesar trok dwars door Noord-Afrika naar Tunesië voor een treffen en kwam daar te staan tegenover tien legioenen onder Cato, versterkt door de snelle cavalerie en 120 oorlogsolifanten van de koning van Numidië. Aan de vooravond van de slag bij Thapsus werd Caesar belaagd door een oude vijand — vallende ziekte. Hij voelde de aanval aankomen, maar in alle kalmte sprak hij zijn vermoeide troepen moed in en deelde bevelen uit voor hij bewusteloos neer­viel. Toen hij weer bij zinnen was, bestonden Cato’s legioenen niet meer en had de koning van Numidië zijn troon verloren.

In triomf keerde Caesar, vergezeld van Cleopatra en hun zoon­tje Caesarion, naar Rome terug. Vier dagen lang was de overvolle stad het toneel van feesten, spelen en optochten. Standaarden en bloemenkransen dansten in de hete, heldere lucht. De bodem trilde onder de zware stap van soldaten, die de schitterende oor­logsbuit aan het volk toonden, de slepende tred van de gevangenen en de wielen van de strijdwagen, waarop de overwinnaar zelf stond, met opgeheven hoofd en een lauwerkrans om de slapen. Achter hem kwamen de legioenen, getekend in de strijd en ver­brand door de zon.

De Senaat kon nu niet onderdanig genoeg zijn jegens Caesar. Voor de duur van zijn leven gaf men hem een titel, die de soldaten hem lang tevoren uit aanhankelijkheid gegeven hadden — Imperator. Caesar nam dit op als een uitdaging om hervormingen aan te brengen in een bestel, dat eeuwen tevoren was ontworpen voor de behoeften van een kleine stadstaat, maar nu volkomen achterhaald was door een zich enorm uitbreidend rijk.

Caesar begon de beslotenheid van de aristocratische club, die de Senaat was, te doorbreken door er driehonderd leden aan toe te voegen, grotendeels voortkomend uit de tot dusver verachte koopmans- en werkmansstand, met vertegenwoordigers uit de veroverde landen. Hij gaf het Romeinse staatsburgerschap aan de zonen van slaven, die vrije mannen geworden waren en aan de Galliërs, met het voornemen het burgerschap uit te breiden tot alle vrije mannen in het gehele Rijk. Ook gaf hij de Joden, die vervolgd waren geweest, de vrijheid om hun eredienst uit te oefenen.

Hij trachtte een oplossing te vinden voor de vele afgedankte soldaten en werklozen in het propvolle Rome door tachtigduizend kolonisten naar Sevilla, Arles, Corinthe en Carthago te laten overbrengen. Hij stelde duizenden te werk bij de landontginning en het verfraaien van de hoofdstad. Hij maakte een eind aan de misbruiken van belastinggaarders, die zich verrijkten ten koste van handel en landbouw in de provincies. Het geld werd weer waardevast doordat het opnieuw aan de gouden standaard ge­bonden werd. Hij zorgde er ook voor dat gouverneursposten niet meer vergeven konden worden door de Senaat.

Zelfs de kalender behoefde hervorming. De oude Romeinse maand was gebaseerd op de kringloop van de maan en duurde 28 dagen, maar op wens van de Romeinse consul werden er telkens extra dagen en zelfs maanden aan toegevoegd. De Ro­meinse kalender was zozeer uit de koers geraakt, dat de herfst nu in juli viel (een maand die herdoopt was ter ere van de grote Julius). Caesar liet een Grieks sterrenkundige uit Alexandrië komen en op zijn advies baseerde hij de kalender op een zonne­jaar van 365 dagen, met om de vier jaar een schrikkeljaar.

Maar hoezeer hij ook zijn stempel drukte op de tijd waarin hij leefde, Julius Caesars dagen waren nu geteld, want de Iden van maart (de 15de) van het jaar 44 v. Chr. naderden. Shakespeare’s beroemde stuk, gebaseerd op de biografie van Caesar door Plutarchus, is juist voor zover het de essentiële feiten betreft, maar de betekenis van de handeling is erin veranderd. De waarheid is, dat de samenzweerders, van wie de meesten niet alleen hun fortuin maar zelfs hun leven aan Caesar dankten, niet optraden om de vrijheden van het volk te verdedigen, maar om de af­brokkelende privileges van hun eigen klasse te beschermen.

De aanslag werd gepleegd in tegenwoordigheid van de gehele Senaat. Casca, die van achter op Caesar was toegeslopen, bracht de eerste slag toe, maar zijn wapen schampte af op diens sleutel­been. Caesar draaide zich bliksemsnel om en vocht terug met zijn enige wapen — een schrijfstift. De samenzweerders sloegen nu allen tegelijk toe en raakten hun slachtoffer drieëntwintig keer. Cassius stak zijn dolk in Caesars gelaat en door een mist van bloed, dat hem in de ogen vloeide, zag Caesar dat Brutus, die zijn zoon had kunnen zijn, zich op hem wierp en hem zijn zwaard in de lendenen stak.

De woorden, die hij toen sprak, waren zijn laatste en hij zei ze in het Grieks: Kai su teknon? (“Ook gij, mijn kind?”). Toen viel hij dood neer, voor het standbeeld van zijn oude vijand Pompejus.

Alle omstanders vluchtten nu. En hoewel de samenzweerders, zwaaiend met hun bebloede wapens “vrijheid” riepen, oogstten zij geen bijval, maar brachten slechts paniek teweeg. Terwijl het volk, opgezweept door de lijkrede van Marcus Antonius, uiting gaf aan zijn smart werd het bloedige lijk op het Forum plechtig verbrand. Maar al het goede dat hij verricht had ging niet met hem teloor. Hij had miljoenen ongelukkigen in het bekken van de Middellandse Zee het rechtvaardigste, mildste en verstandigste bestuur bezorgd, dat zij ooit gekend hadden. Hij had zich voor­gesteld een wereld van vrije mensen te scheppen, allen burgers van één grote gemeenschap, en hij was daar halverwege in ge­slaagd. Hij had het Romeinse Rijk geschapen, op welks stevig fundament onze westerse beschaving kon groeien.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

.

493-456

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – aardrijkskunde – De Rijn (1)

.

LANG LEVE DE RIJN!

Weinig rivieren in Europa hebben zo’n grote economische en culturele betekenis gehad als de Rijn. En nog steeds is dat zo. Daarom is de Rijn een goede keuze om de eerste grote stap over de grenzen te maken.

Nederland is voor een deel geschenk van de Rijn die een grote delta vormde en die in de Noordzee vooruit schoof. Er kan veel verteld worden over hooggebergte en laagland, over kleine en grote industriegebieden, over scheepvaart en wijnbouw. De cultuur van de vele steden langs de Rijn geeft aanleiding om historische, kunstzinnige en legendaire opmerkingen te maken. Opstellen en tekeningen kunnen alles illustreren.

Men kan het hele gebied van Alpen tot monding door de kinderen laten vormen uit hout en klei. Zelfs de sneeuw ‘op de toppen van de Alpen’ kan soms uit de schooltuin gehaald worden.

Een samenhangend gedicht om de kinderen in beweging te krijgen, mag in de rhetorische fase van het leerplan niet ontbreken. De keus valt op een epische versmaat, het Griekse distichon. Er wordt bij gelopen, geklapt, gestampt en gereciteerd in groepen.

De Rijn

Op de toppen der Alpen / bedekt met een sneeuwwitte mantel
In de eenzaamheid / daar is geboren de Rijn!
Soms klinkt een dond’rend geraas / van lawines of brekende gletsjers. Soms een adelaarskreet / nimmer een mens’lijke stem.

Voor-Rijn, Midden-Rijn / zij komen van de Sint-Gotthard.
Banen zich bruisend een weg / beide nog smal als een beek.
Achter-Rijn ontspringt / op de hoge toppen van ’t Rheinwald,
Wordt door een driehonderdtal / machtige gletsjers gevoed.

Voortdurend zenden die hem  /  hun koude, bruisende waat’ren
Uit het rijk van het ijs  / nevel en eeuwige sneeuw.
Kolkend en wit van het schuim / stort de razende Rijn in zijn bedding. Wringt zich kronk’lend omlaag  /  schuurt zich een kloof in de rots.

Dan verenigen zich / de drie wakkere, woeste riviertjes
En vervolgen hun weg / vormen tesamen één Rijn!
Reeds snelt de Rijn voorbij / wat lager en vriend’lijker oevers:
Alpenweiden zijn daar / vrolijk gekleurd in hun bloei.

Bij Chur wendt zich de Rijn / met een forse ruk naar het noorden,
Neemt de Ill in zich op / stroomt daarna uit in een meer.
’t Lange Bodenmeer /  ontneemt de Rijn alle woestheid:
Helderder is hij en kalm / als hij het meer weer verlaat.

Na een buit’ling omlaag / de waterval van Schaffhausen,
Neemt hij met vreugde de Aar / Limmat en Reuss in zich op.
Dan zet hij kronkelend koers / naar het roemrijke Basel in ’t westen.
Niet meer een kind, maar een man / rustig en goed voor zijn werk!

Tussen Vogezen en Schwarzwald / de Franse kant en de Duitse,
Stroomt de brede rivier / schepen bevaren hem nu
Naar het noorden toe / gaat rustig de Rijn door de vlakte.
Breed is het dal en schoon / vruchtbaar, welvarend land.

Graanveld, weide en boombaard / vol noten en tamme kastanjes,
Zijn een lust voor het oog / ook is bekend er de wijn.
Straatsburg ligt aan de Rijn / met zijn spitse, Gotische toren.
Zetel is deze stad / van ’t Europees Parlement.

In het Schwarzwald snort / de draaibank in steden en dorpen: Overvloedig is ’t bos / Kunstig besnijdt men het hout.
Grillige Neckar komt / in de Rijn bij de haven van Mannheim.
Steeds meer schepen draagt /  nu de rivier op zijn rug!

Bij het Gouden Mainz / komt de lange Main hem versterken.
Hunsrück en Taunusrug / stuiten de Rijn in zijn loop.
Maar als een held doorbreekt / dan de Rijn dit Leisteengebergte,
Slijpt zich een diep, grillig dal / Kronk’land van Bingen tot Bonn.

Op de Loreley-rots / zit een schone, zingende jonkvrouw.
Elk die hoort haar gezang /  vindt in de golven zijn graf!
Hier heeft de Rijn weergalmd / van kreten en wapengekletter.
Want op iedere top /  ligt een onneembare burcht.

Maar ook klonk er het lied / van minstrelen en reizende zangers:
Liefde- en heldendicht /  heeft er de harten verheugd.
Schoon is de streek: de kastanjes / beschaduwen vriend’lijke stadjes
En de wijnstok klimt / langs elke helling omhoog.

Maar bij Bonn verlaat / de Rijn de rotsrijke dalkloof:
Breed is de vlakte waarin / hij nu zijn wateren stuwt.
Langs de reuzen Dom / van Keulen, met dubbele spitsen.
Zet hij breed en traag  / kronkelend koers naar de zee.

Rechts, tussen Lippe en Ruhr  /  krioelt de vlakte van leven:
Ononderbroken stampt  /  kreunt de machine er voort!
Als een afgebrand bos / staan de schoorstenen stadig te roken.
Spuwen hun rook en hun roest /  over de roetzwarte stad,

In een geel-rosse gloed / staan de hoogovens tegen de hemel.
Brakende als een vulkaan / gloeiende massa’s metaal!
Dan, tussen Wezel en Kleef  / bekend door de Zwaneridder,
Stroomt de Rijn bedaard / naderend Nederlands grens.

Door het lage land / vol sappige weiden met koeien.
Onder bewolkte lucht / vloeit nu de Rijn naar de zee.
Dijken geleiden hem / gesplitst in Rijn, Waal en IJssel,
Naar het Hollandse duin / Dat is het eind van de reis!

Voor hij zijn monding bereikt / passeert hij een machtige haven: Duizenden schepen per jaar / varen er in en er uit.
In Rotterdam klopt het hart / van de handel op zee en in ’t Rijndal: Scheepvaart heeft aan ons land /  vreugde en rijkdom gebracht.

Zelfs de grond waarop /wij allen leven en werken,
Is voor een heel groot deel / ’t gulle geschenk van de Rijn.
Zwitserland aan zijn bron / en Nederland aan zijn monding…
Is er een betere rivier? / Laten wij loven de Rijn!

Misschien lijkt het, of zo’n gedicht erg lang* is. De kinderen vinden het niet lang. Alles, wat hun over de Rijn verteld is, komt in de meest beknopte vorm in het epische gedicht voor. Dichtregels blijven in het geheugen beter bewaard dan een prozaverhandeling.

Voor één boek zou men een uitzondering kunnen maken: Selma Lagerlöfs Niels Holgerson, een voorbeeldige behandeling van de aardrijkskunde van Zweden, en dat op zeer kunstzinnige wijze.

Hoeveel handen werken voor ons?

Ieder kind van de groep gaat na, wat er thuis op de ontbijttafel staat. Zo krijgen we een aardige inventarisering. We gaan vragen, waar dit alles vandaan komt. Brood — waar komt de tarwe vandaan? Voor een klein deel uit eigen land, maar voor het grootste deel uit Canada of uit Zuid-Amerika. Boter— waarvandaan? Koffie — waarvandaan? Thee — waarvandaan?

De kinderen worden wel enthousiast, wanneer zij merken, hoe zij alleen al in deze kleine dagelijkse behoeften praktisch met de gehele aarde betrekkingen hebben. Voor een paar producten gaan we alles eens uitvoerig uitzoeken. Voor thee komen we bij voorbeeld terecht op de blauwige berghellingen van Preanger op Java. De pluksters met brede, grote hoeden plukken zorgvuldig met de hand de rijpe theeblaadjes, die dan gesorteerd, geroosterd, verpakt, vervoerd naar de haven, verscheept, uitgeladen in een Nederlandse haven, vervoerd naar een fabriek. Daar nogmaals gesorteerd, gebroken, in kleine, leuk ontworpen pakjes gedaan, naar de grossier vervoerd, van grossier naar de detailhandel, vandaar in moeders boodschappentas, alles vóórdat de met kokend water behandelde thee het kopje dampende thee op de ontbijttafel mogelijk maakt. Dat éne kopje zou er niet zijn zonder kruidenier, grossier, chauffeur, lossers en laders, zeelui, inpaksters, pluksters, om nog maar te zwijgen van alle administratief personeel van theeplantages, havenbedrijf, groothandel en wat dies meer zij.

Het is belangrijk, dat deze gedachte bij de kinderen wordt gewekt: honderden, ja duizenden mensen werken voor ons. Zeker, zij ontlenen aan dit werk een levensonderhoud, maar dat doet er evenmin veel toe als de prijs, die moeder uit vaders loonzakje voldoet in de winkel.
[Zie bv. dit artikel: betaal ik de juiste prijs?]

Wie meent, dat het voldoende is, dat de ouders betalen, wordt het Griekse verhaal van koning Midas voorgehouden. Koning Midas had een dierbare vriend van Dionysos, de god van de wijn gered en kreeg daarvoor het recht een wens te mogen doen. Koning Midas wenste, dat alles wat hij aanraken zou, in goud zou veranderen. Ai gauw bleek hoe verderfelijk het geschenk was. De arme koning kon niet eens meer eten en drinken, hoewel hij alles op aarde in goud had kunnen veranderen.

Een zeer wijs beeld uit de Griekse mythologie. Niet goud of geld heeft waarde, maar de dingen die je er voor kopen kan. Als iemand schoenen wil of kan maken, krijg je zelfs voor een gouden berg geen voetbedekking! Die tienduizenden handen, die voor ons werken, zonder dat wij hun eigenaars kennen, maken indruk op de kinderen. We kunnen er, ondanks betaling, zeker dankbaar voor zijn!

Oriëntatie blijft belangrijk

In de grote zaal blijkt het zeer goed mogelijk ook de topografie van de Rijn in beweging te krijgen. De parallel lopende gebergten aan weerszijden van de rivier worden voorgesteld doorliggende kinderen. De zijrivieren worden met een krijtlijn aangegeven. Zwabische Jura rechts, Zwitserse Jura links, Schwarzwald rechts, Vogezen links en zo voort.

Een Rijnstad wordt aangegeven door een kind, dat de kathedraal heeft getekend en uitgeknipt, vervolgens in de lucht gestoken. Zo ziet ieder op een rij de kenmerkende kathedralen, die mooi uitgetekend zijn. Later in het jaar gaat de klas in koor de landen noemen, waar men doorkomt, wanneer men naar de vier windstreken uit Nederland vertrekt. Naar het westen: Engeland, Ierland, Noord-Amerika. Naar het oosten: Duitsland, Polen, Rusland, Siberië, Japan. Naar het zuiden: België, Frankrijk, Spanje, Afrika, Zuidpool. Naar het noorden: Noorwegen, Noordpool.

Welk werelddeel heb je aan je rechterhand, wanneer je in Europa met je neus naar Afrika staat?

Welk werelddeel aan je linkerhand in hetzelfde geval?

meer over: oriëntatie

Nederland en de strijd tegen het water

Een prachtig onderwerp: watermolens maken. Polders en droogmakerijen in een waterdichte bak met klei zichtbaar gemaakt. Geschiedenisverhalen: de ietwat gekleurde berichtgeving van de Romeinen. De rampen uit de laat-Karolingische tijd. De ijverige monniken uit het jaar 1000.
De verplichtingen van de eigenerfde boer: de dijk onderhouden.

Zeer strenge straffen voor plichtsverzuim — in het gat van de dijk begraven worden —- of afstand van zijn land doen — spa in de dijk steken en achterlaten. Hoe wordt een goede dijk gelegd?

Wat is het verschil met oude zogenaamde paaldijken?
De goede Leeghwater.
De rampen van 1421 en 1953.
Het Deltaplan globaal.
De ook esthetisch fraaie werken in het Haringvliet en de Oosterschelde.

De kinderen zullen met des te meer plezier het schone gedicht: ‘Denkend aan Holland” reciteren.**

‘Denkend aan Holland
Zie ik brede rivieren
Traag door oneindig
Laagland gaan….’
.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

Pieter HA Witvliet:

*als je het gedicht aan de kinderen wilt leren, kost het wel veel tijd. Dat gaat toch ten koste van de stof, waarin je je ook moet beperken: er is zoveel wat je zou kunnen doen.
Mogelijkheden: reciteren door de leerkracht – de leerlingen lopen het
reciteren door verschillende kinderen – die lopen niet; de anderen wel.
Eén of 2 coupletten uit het hoofd laten leren door  verschillende leerlingen, zodat de klas als geheel het gedicht toch kan opzeggen; enz.
.

De sage van de Lorelei
Andere Rijnsagen

**Denkend aan Holland =(herinnering aan Holland)

Aardrijkskunde: de Rijn  [2]    [3]

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

Aardrijskunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas

.

492-455

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – 4e klas (1)

.

HOE ORIËNTEERT MEN ZICH?

Men zou denken, dat de naaste omgeving goed bekend is! Er zijn velen, die de school of het gezin als uitgangspunt willen nemen voor het omgevingsonderwijs en voor de omgeving die in kaart gebracht moet worden. Gaat men de klas goed bekijken, ramen, deuren en banken tellen, stoeltjes, fonteintje en vuilnisbak, schilderemmer, daarna tekenen en een mooie plattegrond ontstaat! Alles kan dan door wijder kringen te trekken bij de les worden betrokken: de stad, de provincie, het land.

Het schijnt voor de hand te liggen, maar toch is het minder juist. Wie durft te zeggen: ‘In den beginne was….het Schoollokaal?’
Het is precies het verkeerde uitgangspunt. Want het kind is wel veel zelfstandiger geworden, maar toch leefde het zo kort geleden nog in de wereld van de levende natuur, van sprekende dieren, planten en sterren! De richting van het kind is juist naar de aarde toe, uit sterrenwerelden. Iets van deze spirituele afkomst is nog bij sommige volkeren te vinden: zij adresseren hun brief eerst aan het land, daarna aan de stad, vervolgens aan de straat en eindelijk pas aan de  persoon. Daaraan kan men een voorbeeld nemen.

 

De kinderen reciteren:

In Gods hand wentelt het heelal.
In het heelal wentelt ons zonnestelsel.
In ons zonnestelsel wentelt de aarde.
Op onze aarde ligt het werelddeel Europa.
In het werelddeel Europa ligt het land Nederland.
In het land Nederland ligt de provincie Zuid-Holland.
In de provincie Zuid-Holland ligt de stad Leiden.
In de stad Leiden ligt de wijk Zuid-West.
In de wijk Zuid-West ligt de César Franckstraat.
Aan de César Franekstraat ligt de Rudolf Steinerschool.
In de Rudolf Steinerschool ligt de vierde klasse.
In de vierde klasse staat een rij tafels.
In die rij tafels staat één tafel.
Aan die tafel zit ik.

Deze spreuk kan natuurlijk ook achterstevoren worden opgezegd. Als groep, als klas, als individu.

Nu kan men al gauw over de zon spreken. De zon is de vader van de aardrijkskunde. Of de moeder? O, de kinderen weten al aardig wat. Overdag is de zon er altijd, ook wanneer er wolken zijn, of wanneer het regent. Wij zien de zon opkomen, wij zien haar stijgen en weer dalen; tenslotte gaat zij onder, ’s Nachts kunnen we de zon niet zien – maan en de sterren, tenminste wanneer het helder is.
De kwestie van de horizon komt ter sprake. Waar is die? Hoe ver kan je kijken? Tot de blauwe lucht en de weilanden elkaar raken. Op de kleurgrens is de horizon of ‘gezichtseinder’. Het laatste woord is duidelijker, maar zo’n mond vol.
Aan het strand zie je, dat de horizon in een grote kring om je heen ligt.

Waar gaat de zon op? Vanuit het lokaal naar de stad Leiden kijkend komt hij op boven de Petruskerk. Dat noemen we het oosten. Waar gaat de zon onder? Precies aan de andere kant van het lokaal kijken we naar de Wassenaars-Katwijkse duinen. Zo was dat vroeger. Nu kijken we aan tegen een nieuwe flatwijk van Voorschoten — Noord-Hofland — zo gaat dat. Waar staat de zon op zijn hoogst en wanneer? Boven Zoeterwoude, omstreeks twaalf uur. Zo worden oost-zuid-west bepaald. De kinderen zien ineens, dat de wanden van het lokaal naar deze windrichtingen gekeerd zijn. Nog één wand, de koude gangkant, ja daar komt de zon nooit. Dat is het noorden. Tafels en banken verdwijnen naar de zijkanten van het lokaal. Een grote kring wordt op de vloer getrokken. Vier groepen kinderen stellen zich op. Elke groep heeft een windrichting. Een paar lange jongens met een gele bal spelen de baan van de zon na. Let wel: bal in de hand.
Het is voorjaar. Dag en nacht zijn ongeveer even lang. De schuine baan met het hoogste punt in het zuiden loopt van oost over zuid naar west.

Al gauw wordt ontdekt, dat de zonnebaan niet elke dag dezelfde is.
Hoe zouden we de windrichting noemen, waar de zon eind juni opgaat? Ja, tussen oost en noord. Vooruit! ‘Noord-oost!” Enkele kinderen krijgen de smaak te pakken: alles willen ze weten en uitvinden, totdat er een complete windroos met touwen, met twee kinderen aan elk uiteinde, op de vloer van het lokaal ligt.

Dat is de moeite waard om met mooie kleuren op het bord en daarna in de schriften vast te leggen, met enige korte teksten. Elke dag wordt weer uitgegaan van de grote kring op de grond*. Eerst eenvoudige opgaven. ‘Ga eerst met je neus naar het zuiden staan, midden in de kring. Waar is het oosten? Aan je… linkerhand. Het westen is dus; aan je rechterhand! Je rug wordt koud, want daar is het: noorden.’ Velen krijgen zo’n beurt en tenslotte voelen en begrijpen allen wat ‘oriënteren’ is: het oosten zoeken. Waarom het oosten? Omdat het licht uit het oosten komt! Ex oriente Lux zoals, de Latinisten zeggen. Wie het oosten heeft, heeft de andere drie ook.

Soms komen er echt moeilijke opgaven: ‘Margreet, beschrijf jij de zonnebaan van jouw verjaardag eens! Ze doet het. Ze is op 12 december jarig. Een lage boog!

Hoe ontstaat een kaart?**
Een landkaart is een wonder van nauwkeurigheid. Maar het is ook een geduchte abstractie. Men moet al een heleboel weten om een kaart te kunnen lezen. Er staat veel minder op dan het land in werkelijkheid aan het oog toont. Er staat ook meer op dan er te zien is, bij voorbeeld landgrenzen, ondiepten of politieke kleuren. En waarom zit het noorden altijd aan de bovenkant? Natuurlijk, er zijn goede verklaringen voor, tenslotte is onze eigen bovenkant ook het koelst. Maar een landkaart is een eindprodukt. Men moet er dus niet mee beginnen. Hoe dan wel?

ïn de klas wordt een cirkelvormig stuk papier voor ieder kind gemaakt. Het wordt in tweeën gevouwen en elke helft nogmaals in tweeën. De vier windrichtingen worden aangebracht op de juiste plaats.

Nu gaan we gewapend met dit papieren een doosje kleurkrijt naar buiten. We zoeken een mooi hooggelegen punt, gaan kijken, hoe het land zich naar alle kanten uitstrekt en we stellen vast, waar de vier windrichtingen zijn. Elk kind tracht nu op het juiste kwadrant af te beelden wat het in het oog krijgt. Leiden is een gunstige plaats voor zoiets. Er is een unieke, ronde burcht, gelegen op een flinke heuvel aan de Oude Rijn, waar een splitsing van twee stukken Rijn weer ongedaan wordt gemaakt, als ‘Galgewater’ stroomt de Rijn verder. Het uitzicht is heel mooi. Zelfs de duinen en het Kagermeer vol witte zeiltjes zijn zichtbaar. De stad strekt zich aan de voet van de burcht uit, vol markante punten: kerken, stadhuis, walmolen, weeshuis, stadspoorten, de gasfabriek. In het zuiden is het groene polderland. Door het tekenen krijgen de kinderen een beeld van het land, zoals het om de stad ligt. Op school wordt deze eerste ‘kaart’ uitgewerkt. Wil men er nog meer op hebben, dan zal men het eigen ‘standpunt’ steeds kleiner moeten maken. Een tweede stel ‘kaarten’ toont de loop van de Rijn naar de Noordzee. Schepen bevaren zee, rivier en meren. Vette koeien grazen in de weilanden. Elke plaats is gekenmerkt door zijn hoogste punt: een kerktoren. Grote wegen en kleine wegen, kanalen en andere waterlopen, ook de rivieren, geven de mogelijkheden om van de ene plaats naar de andere te komen. Maar het beeld is nog niet heel concreet. De kaarten zijn zo, dat elk kind bewondering krijgt voor de mensen, die zo nauwkeurig alles hebben nagemeten en getekend. Dan kan men op de duur ook landkaarten uit een gedrukte atlasje gebruiken.

Het abstracte eindprodukt is verteerbaar door de gevoelsmatige belangrijke weg erheen. Ieder kind weet, dat wij de wereld steeds uit een andere hoek zien, naarmate we ons verder voortbewegen. Maar de onderlinge afstanden zien we het best, wanneer we loodrecht boven het land zweven.

Een aardrijkskundig spel
Op de vloer van een vaklokaal zit een kind in het midden. Het heeft een kartonnen bordje met ‘Leiden’ er op. Vier kinderen langs de kant geven de windrichtingen aan. Ze dragen kartonnen bordjes met — in grote letters — oost, west, noord, zuid er op. In het westen zit een kind aan zee met een bordje ‘Katwijk’. In het oosten zit er ook een met ‘Alphen a.d. Rijn’.

In het noorden zit ‘Noordwijkerhout’, door een kind voorgesteld. In het zuiden ‘Zoetermeer’. eveneens door een kind gespeeld.  Al wandelend of rijdend worden steeds meer kinderen in de kaart gebracht. Langs de Rijn in westelijke richting komen er Rijnsburg, Valkenburg, Katwijk (binnen) bij. Langs de Rijn in oostelijke richting: Leiderdorp, Hazerswoude (Rijndijk), Koudekerk. En zo gaat het door. Alle dorpen in de buurt zijn op de kaart te vinden. Een kind krijgt de beurt: ‘Ik reis van Alphen naar het westen langs de Rijn. Ik kom langs Koudekerk enzovoort. Daarna worden de bordjes omgekeerd of weggestopt. Weten ze het nu nog? Dat komt best terecht!

Oefening voor de dorpen zelf. Ga langs de kant staan. Op een teken zoekt ieder snel zijn plaats op. Daarvoor is het nodig, dat de kinderen de afstanden juist schatten en weten wie er in hun buurt thuishoort.

Dit geeft veel plezier. Ook andere oefeningen zijn mogelijk. ‘Yvonne, ga jij eens in Warmond staan met je neus naar het noorden!’ Ze vindt de goede plaats. Welke plaats ligt nu recht achter je? Ze kijkt om. Een helpende vriendin zit daar, die haar het bordje Oegstgeest toont. Ja, zo kan iedereen het ook! weerklinkt meesmuilend. Het werd door een tweetal forse knapen gezegd. Nu, die krijgen ook een beurt. De een springt van Katwijk Zee naar Leiden, van plaats tot plaats. De ander van Alphen tot Leiden evenzo. De bordjes gaan weg, de kinderen ook, langs de Rijn, wel te verstaan. Ze mogen niet verder springen dan een plaats die ze kennen.

De een blijft in Rijnsburg steken, de ander in Koudekerk. Grote hilariteit. Nu ja!
In de klas teruggekomen kan van allerlei op de getekende bordkaart worden nagegaan.
Maar ook moeten de kinderen op den duur de oriëntatie uit hun blote hoofd kunnen voltrekken.
‘Wanneer jij in Rijnsburg staat met je neus naar Leiden, welke windrichting ligt dan voor je?’
‘Wanneer je met je rug naar Zoeterwoude staat, welke richting kijk je dan uit?’ (We staan ergens op het schoolplein). ‘Waar ligt de zee?’ ‘Waar de Kaag?’ ‘Waar de gasfabriek?’ De kinderen mogen tenslotte elkaar ook zulke oriëntatievragen stellen.

Geschiedenis van je stad
Drie wandelingen met tekenpapier en zwart balpennetje. Historische gebouwen bezoeken. Mooie tekeningen maken. Alles samenvatten in een geïllustreerd periodenschrift. Vele verhalen worden verteld. Over de Hollandse graven die een tijd lang een versterkt huis bij de befaamde St. Pieterskerk hadden in Leiden.

Beschrijvingen geven van het leven in een Middeleeuwse stad. De kinderen ontdekken met verbazing, dat er in de keuren van de ‘gemeentebesturen’ in Leiden sprake was van het ‘verbod om varkens vrij op straat te laten lopen’, van het ‘verbod om vuilnis in de grachten te werpen’. Eén kind merkt op: ‘Die varkens zijn weg, maar afgelopen winter zag ik in de Vliet twee matrassen drijven!’
De jaarlijkse herdenking van het beleg (en het ontzet) in 1574 krijgt veel reliëf. Ook zijn oriëntatie-oefeningen mogelijk.
‘Ik sta voor de universiteit op de Nonnenbrug over het Rapenburg. In welke windrichting kijk ik? Welk gebouw is in de verte te zien?’
‘Ik sta op de Burcht. In welke richting ligt de Hooglandse kerk?’

Misschien ontstaat er wel een klein toneelstukje over Leiden. Dat kan dan nog bewaard blijven voor een schoolfeest. Ook de geschiedenis van de wol en de lakenweverij wordt uitvoerig uit de doeken gedaan.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

Pieter HA W:
*om niet iedere dag tijd kwijt te raken aan het organiseren ‘op de grond’  kun je ook met touwen met een kaartje eraan met de naam van de windrichting, van muur tot muur, net onder het plafond, een kompas ophangen. Dan kun je ook makkelijk deze ‘lichaamsgeografie’ beoefenen.

**wie in de gelegenheid is om een hoge toren te beklimmen, heeft bij helder weer een magnifiek uitzicht over de omgeving. Als de kinderen weten dat deze in de klas getekend moet worden, letten zij extra op wat ze allemaal zien. Ook het begrip ‘platte’grond is direct beleefbaar. De auto’s zijn plat, maar ook liggen de trottoirs visueel even hoog als de straten enz. enz.

.

Aardrijkskunde 4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

491-454

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Jeanne d’Arc

.

De maagd van Orléans

 

 

Voor de meesten onzer is Jeanne d’Arc een legende, de idylle van een heldhaftige schaapherderin, die bovennatuurlijke stemmen hoorde en op hun aansporing een volk van de ondergang redde. Maar die idylle is slechts een flauwe afscha­duwing van de werkelijkheid. Jeanne had niets bovennatuurlijks. Ze was een meisje van vlees en bloed, een boerendeern, zo aards als de zoete bodem van Frankrijk. En toen zij ten strijde trok met haar banier, waarop de onsterfelijke Franse fleurs de lis waren ge­borduurd, was het Franse volk nog niet een tot eenheid gegroei­de natie.

Er is een half millennium verstreken sinds Jeanne d’Arc te Rouaan in de vlammen omkwam. Hoe komt het, dat wij haar thans nog gedenken? Omdat haar levensgeschiedenis een deel vormt van het oeroude verhaal van de worsteling van goed en kwaad, een strijd, die van eeuw tot eeuw wordt voortgezet. En ieder van ons die in die kamp meestrijdt, zal beter vechten met het voorbeeld van de Maagd van Orléans voor ogen. Gevonnist wegens ketterij en zonde, is Jeanne ter dood gebracht. Zij zal echter altijd blijven voortleven als een heilige, overwinnares van de krachten van het kwaad, die haar om het leven brachten, een symbool van trouw en moed.

In 1412, het jaar waarin Jeanne in het Lotharingse dorp Domrémy ter wereld kwam, verkeerde Frankrijk in bloedige ver­warring. De Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland had toen al bijna 75 jaar geduurd. Engeland maakte aanspraak op de Franse troon. Een groot deel van Frankrijk werd geregeerd door de hertog van Bourgondië, een bondgenoot van de Engelsen; de rest was trouw aan de dauphin Karel, nog ongekroonde erfgenaam van de Franse troon.

Reeds als kind bemerkte Jeanne het nodige van deze woelingen, want langs de primitieve woning van haar ouders liep de oude Romeinse weg, die de Maas kruiste; troepen gewapende mannen kwamen geregeld voorbij marcheren of rondzwervende bedel­monniken bleven bij het huis rusten, deden trieste verhalen over moord en plundering en bejammerden de houding van de slappe dauphin, die zich niet als een waar vorst wilde gedragen, zodat het land zonder aanvoerder bleef en geen eensgezinde natie kon worden.

Op haar twaalfde jaar was Jeanne een flink gebouwd, donker, godvruchtig meisje, over wie niets bijzonders te vermelden viel. Maar toen zag ze op een dag in haar vaders tuin een helder licht om zich heen en een stem sprak haar toe. Verbijsterd van angst viel ze op de knieën. Toen ze de stem hoorde, zag ze ook twee glanzende vleugels en een gelaat, stralend van heerlijkheid. Ze begreep dat het de aartsengel Michaël moest zijn, de bescherm­heilige van de dauphin en vereerd door heel Frankrijk. Hij was niet alleen, vertelde ze later, maar “werd vergezeld door andere engelen des hemels. Hij zei me, dat de Heilige Catharina en de Heilige Margaretha me ook zouden verschijnen en dat ik moest doen, wat zij me zouden raden, want dat dit alles op last van Onze Lieve Heer gebeurde.”

In de loop van de volgende vier of vijf jaar spraken de heiligen haar dikwijls toe. Jeanne zei daar niemand iets van en deed kalm haar dagelijks werk, maar al die tijd was ze er zeker van, dat ze in contact stond mei God. In 1428 sloegen de Engelsen het beleg voor Orléans. Nu deelde de aartsengel de 16-jarige Jeanne als Gods wil mede, dat zij de dauphin te hulp moest snellen en de stad ontzetten. De stem “beval me naar Vaucouleurs te gaan, naar Robert de Baudricourt, de commandant van de stad; hij zou me manschappen geven om me te vergezellen.” Zonder iets aan haar ouders te zeggen, ging Jeanne naar Vaucouleurs, dat ongeveer 16 kilometer van Domrémy was gelegen. Tweemaal verscheen ze voor Baudricourt en zei hem, dat ze door God was aangewezen om de dauphin naar Reims te voeren, waar hij tot koning gekroond zou worden. Tweemaal stuurde hij haar kortaf weg. Zonder zich te laten afschrikken, kwam Jeanne terug. Dit­maal liet Robert zich overtuigen door haar bovenaards vertrou­wen. Ze kreeg het paard en de lijfwacht waarom ze verzocht had, ze kreeg de mannenkleding die ze had gevraagd, en ze liet haar haar kort knippen. “Ga moedig voorwaarts!” hoorde ze haar stemmen zeggen.

Met iedere hoefslag van haar paard reed ze verder weg van alle vertrouwde dingen in haar leven; ze reed nu haar bestemming tegemoet, bij nacht, door een land dat wemelde van vijanden. Ze hield halt voor Chinon, waar de dauphin vertoefde, en stuurde een bode naar het kasteel om haar komst aan te kondigen. Karel, de dauphin, was een jongeman zonder wilskracht of zelfvertrouwen. Hij liet Jeanne bij zich komen, maar om haar om de tuin te leiden, verborg hij zich in een bescheiden gewaad tussen de menigte. Jeanne schreed de grootse, door flambouwen verlichte zaal binnen waar de hovelingen zich verdrongen. Ze liep recht op de dauphin toe en knielde voor zijn voeten. Karel wees op een van de hove­lingen. “Dat is de koning,” zei hij.
Jeanne liet zich niet van haar stuk brengen. “In de naam van God, edele prins, gij zijt het en niemand anders!” zei ze. En ze deelde hem mede, dat zij door God gezonden was om hem en zijn koninkrijk te hulp te komen en ervoor te zorgen, dat hij in de kathedraal te Reims zou worden gezalfd.

De dauphin had een lang persoonlijk gesprek met haar, terwijl het hele hof zijn ogen uitkeek, en haar antwoorden deden zijn gelaat stralen. Toch weifelde hij nog, bang, dat ze misschien een werktuig van boze machten was. Hij liet haar te Poitiers onder­vragen door geleerde geestelijken en liet haar door hofdames on­derzoeken om er zeker van te zijn, dat ze maagd was, want volgens de toen gangbare mening gaf een vrouw die heks werd, zich eerst als minnares aan de duivel. Allen kwamen tot de plechtige ge­volgtrekking dat er niets dan goeds te zeggen was van dit boeren­meisje. Al dat uitstel maakte Jeanne ongeduldig. Toen Karel maar bleef treuzelen, klonk van haar lippen de opmerkelijk juiste voor­spelling: “Ik zal niet veel langer dan een jaar meer leven. In dat jaar moeten we veel goed werk verrichten.”

Karel verzamelde dus een leger. Hij gaf Jeanne een wapenrus­ting van gepolijst staal. Ze stuurde enige lieden naar een kapel, die aan de Heilige Catharina was gewijd met de opdracht achter het altaar naar een zwaard te zoeken, dat daar begraven moest liggen. Men bracht haar dat zwaard; het was met roest overdekt, maar weldra schitterde het in haar hand. Ze liet een witte, met zijden franje omzoomde banier maken, geborduurd met lelies: op die banier was een afbeelding van de Heer aangebracht met aan weerszijden een engel en de woorden Jezus Maria. Zo, met haar banier in de hand, verscheen ze voor de soldaten als “Dochter Gods”, zoals de aartsengel Michaël haar genoemd had.

Orléans, een tactisch steunpunt in de Engelse veldtocht voor het ontsluiten van het Loiredal, was nu al een halfjaar belegerd. De Engelsen hadden een stuk of tien bastions om de stad gebouwd. Elk van die bastions werd beschermd door een negen meter hoge, natuurstenen muur met sterke wachttorens. Toen ze voor zo’n bastion verscheen, dicteerde Jeanne een brief, liet die bevestigen aan een pijl en over de muur naar binnen schieten. De brief luidde: “De Koning des Hemels waarschuwt u door mij, Jeanne de Maagd, om uw vestingwerken te verlaten en terug te keren naar uw eigen land. Anders zal ik een krijgsgeschreeuw tegen u doen opgaan, dat nooit vergeten zal worden.”

Een middeleeuwse oorlog bestond nog uit gevechten van man tegen man met lans en zwaard, knots en strijdbijl, en Jeanne stortte zich in zo’n handgemeen om de belegerde stad te ontzetten. Zij en haar volgelingen deden een geslaagde stormaanval op een redoute en vielen twee dagen later het voornaamste fort aan. Toen ze op het punt stond een stormladder die tegen de muur stond, te beklimmen kwam er een pijl van een kruisboog aansnorren en trof haar boven haar borst. Ze werd uit het veld weggedragen en trok de pijl eigenhandig uit de wond. Trompetgeschal gaf het sein tot terugtrekken, maar zij verzamelde al haar krachten. Even later zagen de soldaten haar banier weer wapperen en hoorden zij haar roepen: “De overwinning is aan u — dringt binnen!” Ze zagen haar op de vestingwal toesnellen en er tegenop klimmen. Het bastion werd veroverd. Orléans was gered.

Jeanne reed door de straten onder het gelui der klokken. Ze liet haar wond verbinden en gebruikte wat voedsel — vijf sneden brood, gedoopt in wijn met water. Dat was het einde van die paar dagen waarin een meisje van 17 jaar het moreel van het Franse leger deed herleven en de Honderdjarige Oorlog een andere wending gaf.

Hoewel Karei aan niets anders kon denken dan aan Jeannes droom van zijn kroning, bleef hij talmen. “Edele dauphin,” smeekte ze, “beraadslaag toch niet zo dikwijls en zo lang, maar ga zo spoedig als ge kunt mee naar Reims en ontvang de kroon.” Want zij zag wel in, dat alleen op deze wijze een eendrachtig Frankrijk gegrondvest en de Engelse aanspraak op de kroon ver­ijdeld kon worden. De weg naar Reims voerde door steden, die de vijand bezet hield, maar Jeanne kende geen vrees. Waar het hevigst werd gevochten, daar kon men haar banier zien wapperen. Gedurende de hele veldtocht riep ze de troepen toe: “Zet dapper door; alles zal slagen!” Maar in een zwak ogenblik vertrouwde ze iemand uit haar geboortedorp toe: “Ik ben alleen maar bang voor verraad.”

Maar op dat ogenblik stond alles in het teken van de zege. Reims maakte haastig toebereidselen om de dauphin te ontvangen, En op een stralende zomermorgen, de 17de juli 1429, reed Karel met een schitterende stoet naar zijn kroning. Jeanne stond in de kathedraal naast zijn troon. Het was nog geen vijf maanden geleden, dat ze haar ouderlijk huis in Domrémy had verlaten, ten einde aan haar stemmen te gehoorzamen.

Toen Karel VII eindelijk gekroond was, vond hij dat hij het nu wel zonder Jeanne kon stellen. Hij sloeg geen acht op haar smeekbeden om onmiddellijk door te marcheren naar Parijs, maar luisterde naar raadslieden die afgunstig waren op de Maagd. Toch werd zijn veldtocht ten langen leste traag voortgezet. Jeanne voerde de Franse troepen aan en veroverde de ene stad na de andere. Maar een aanval op een Parijs fort mislukte en Jeanne liep een pijlwond in haar dij op.
In de Paasweek van 1430 gaven Jeannes stemmen haar de sombere waarschuwing dat ze in handen van de vijand zou vallen. Toch reed ze onversaagd naar voren tot in het drukste strijdgewoel, totdat ze bij een gevecht om de ophaalbrug van Compiègne klem raakte tussen de Engelsen en de Bourgondiërs, die haar grepen. Jeanne de Maagd was een gevangene. De man, die zij koning van Frankrijk had gemaakt, durfde blijkbaar geen hand uit te steken om haar te redden. In plaats daarvan werd ze opgesloten in het kasteel van een Bourgondische edelman. Daar hoorde ze, dat er onderhandelingen gaande waren om haar aan de Engelsen te verkopen en in een wanhopige poging te ontsnappen wierp ze zich van de hoge kasteeltoren omlaag. Ze viel niet dood. Vol berouw bad ze om vergeving. Er werd een valstrik voor haar gespannen in brieven van geleerden der Bourgondisch gezinde Parijse universiteit aan de hertog van Bourgondië. Die strik sloeg dicht toen een grote som gelds ter hand gesteld werd aan haar bewaker, die haar daarop overleverde aan de bisschop van Beauvais.

Deze hoge dignitaris, Pierre Cauchon, was omgekocht door de Engelsen. Hij was een listig en eerzuchtig man en als Jeanne moest terechtstaan wegens ketterij, zou dat voordelig zijn voor hemzelf en voor de Engelsen, die officieel hun handen in onschuld wilden wasscn. Het zou dus een godsdienstige en geen politieke terecht­zitting worden in Rouaan en Cauchon koos zijn rechters met grote deskundigheid. Niemand werd aangewezen om Jeanne te ver­dedigen; geen enkele getuige à decharge werd opgeroepen. (Cauchon was zo machtig, dat niemand zijn leven
durfde wagen om een gunstige verklaring voor haar af te leggen.
En zo staat dat onontwikkelde, 19-jarige boerenmeisje daar alleen, door allen verlaten, voor de grote schare van haar geleerde, priesterlijke rechters en voert haar eigen verdediging. Iedere vraag en ieder antwoord zijn opgetekend; we kunnen haar stem na zo­veel eeuwen nog horen klinken. “Ge zegt, dat ge mijn rechter zijt. Bedenk wel, wat ge doet, want ik ben waarlijk van God gezonden en ge brengt uzelf in groot gevaar.”
In antwoord op dringende vragen vertelde ze vrijuit de geschiedenis van haar korte, vreemde loopbaan. Ze erkende geen schuld aan enige ketterij. Ze hield steeds vol, dat ze gehandeld had volgens Gods wil. De aanblik van de martelwerktuigen, die men haar dreigend toonde, bracht haar niet aan het wankelen. “Waarlijk, al zoudt ge mijn lichaam vaneenrijten, dan zou ik niet anders verklaren.” Men bedreigde haar met de brandstapel en ze ant­woordde:  “Al zag ik het vuur branden, dan nog zou ik volhouden wat ik heb gezegd.” (“Een voortreffelijk antwoord!” heeft de griffier, die het verslag van de zitting schreef, in de marge aan­getekend.)
Ze kwelden haar met strikvragen en dreigementen en geen enkele maal liet ze zich de zekerheid ontnemen, die haar leven be­heerste. “Ik heb een goede meester — de Heer zelf. Op Hem houd ik mijn blik gericht en op niemand anders.”
Maar de intrigerende Cauchon wilde haar lot niet laten bepalen door haar standvastige antwoorden op de vragen van haar rechters. In plaats daarvan liet hij haar verklaringen, waaruit de waarheid ieder tegenstraalde, verminken tot twaalf onpersoonlijke en verdraaide artikelen en legde die aan de rechters voor als basis voor hun beraadslagingen. En deze eminente mannen Gods, die allen de bisschop onderdanig waren, gaven hem het vonnis, dat hij verlangde.
En zo werd op een mooie dag in het laatst van mei haar vermagerde, jeugdige, jongensachtige, in het zwart gehulde gestalte voor de rechters geleid. Ze knipperde tegen het felle zonlicht, in afwachting van het vonnis dat over haar zou worden uitgesproken. En zo zien we haar staan op de begraafplaats van het lieflijke kerkje van Sint Ouen, te midden van een grote schare burgers van Rouaan en honende Engelse soldaten. Gelaten hoorde ze de lange boetpredikatie aan. Maar toen men haar nadrukkelijk te kennen gaf dat zij haar woorden diende te herroepen, weigerde ze heel beslist. Ooggetuigen hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wat er daarna gebeurd is. Het is zeker, dat men een document voor de dag heeft gehaald en het heeft voorgelezen aan dat meisje, “dat geen A van een B kon onderscheiden.” Daarna zeiden ze tegen haar: “Onderteken dat, anders word je verbrand.” Met een vreemd glimlachje tekende ze met een kruisje. Jeanne dacht, dat ze nu in veiligheid verkeerde. Vol vertrouwen in de Kerk, die zij liefhad, zei ze: “Priesters, brengt me nu naar uw gevangenis en laat me niet langer in de handen van de Engelsen.”
Het moet een bittere teleurstelling voor haar geweest zijn, dat ze naar dezelfde donkere cel werd teruggevoerd. Toen men haar beloofde, dat ze de mis zou mogen bijwonen, stemde ze erin toe vrouwenkleren te dragen, want een der ernstigste tegen haar in gebrachte beschuldigingen was, dat ze zich kleedde als een man. Maar terwijl ze sliep, haalden de bewakers het vrouwengewaad weg, zodat ze genoodzaakt was uit haar cel te komen in haar haveloze jongensplunje.
Vanwege die “zonde” werd ze in het vonnis aangeduid als een “in ketterij teruggevallene”, het gruwelijkste dat iemand verweten kon worden. Om haar lot met dubbele zekerheid te bezegelen, vroeg Cauchon haar, of ze haar stemmen soms nog had gehoord Jeanne zei hem, dat ze haar hadden berispt voor het ondertekenen van dat document, wat dat dan ook zijn mocht. “Alles wat ik heb verklaard en herroepen, heb ik gezegd uit angst voor de brandstapel.” (“Een noodlottig antwoord!” tekende de griffier in de marge van zijn verslag aan.)
Toch bezweek haar moed niet. “Door Gods genade zal ik van avond in het Paradijs zijn,” zei ze en ze verzocht om ter communie te mogen gaan. Merkwaardig genoeg, heeft Cauchon dat laatste verzoek ingewilligd. Besefte de bisschop dat zijn slachtoffer onschuldig was? Zij was in ieder geval overtuigd van zijn schuld. “Monseigneur, ik sterf door uw toedoen!” was het verwijt, dat ze hem toeslingerde.
Gehuld in een wijde mantel, met kaalgeknipt hoofd, werd ze in de ochtend van de 30ste mei 1431 naar het marktplein van Rouaan gevoerd. Een dichte menigte verdrong zich op de hobbelige keien en op alle daken. Nadat Cauchon het vonnis had voorgelezen, werd haar een papieren mijter op het hoofd geplaatst, waarop met grote letters geschreven stond: “Ketterse, in haar zonden teruggevallene, afvallige, afgodiste.” Ze vroeg om een kruis. Een Engelse boogschutter maakte er haastig een van een paar takjes en dat borg ze in haar boezem, terwijl een andere man naar de aan het plein gelegen kerk rende om een crucifix te halen.
Dat kuste ze. Toen beklom ze de hoge brandstapel met haar blik gericht op het crucifix, dat voor haar omhoog werd gehouden. De vlammen laaiden op en onttrokken haar aan het gezicht. De zwijgend toeziende mensenmassa hoorde nog slechts haar stem: ze bad, ze kreunde en liet ten slotte een doordringende gil horen, vol pijn en vol liefde: “Jezus!”
Naar men zegt, holde een Engelsman als een bezetene heen en weer door de menigte, en schreeuw­de: “We zijn verloren! We hebben een heilige verbrand!”

Ongeveer een kwarteeuw na haar martelaarsdood nam Karel 7  maatregelen om haar goede naam, die door de Kerk was besmeurd, door de Kerk te laten zuiveren. Met de daarbij passende plechtigheden verklaarde de Kerk, waaraan Jeanne altijd trouw was gebleven en die haar veroordeeld had, dat zij onschuldig was.
Ten slotte werd ze in 1920 in de Sint-Pieter te Rome heilig verklaard. Maar 500 jaar eerder waren er al mensen geweest die beseften dat er een heilige in levenden lijve onder hen rond­wandelde. En dat maakt de geschiedenis pas tot een werkelijk, volledig mirakel..
.

alle biografieën

.

7e klas geschiedenis: alle artikelen

.

Rudolf Steiner heeft Jeanne d’Arc verschillende keren genoemd:
GA 73; GA 126; GA 149GA 154; GA 161; GA 168; GA 174B

.

490-453

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Columbus

.

HIJ WIST DAT DE AARDE ROND WAS

 

 

 

Christoffel Columbus was een lange, knappe man met een haakneus, die achtereenvolgens het bedrijf van wolkaarder, cartograaf, boekverkoper, suikerinkoper en zeeman uit­oefende.
Hij had hoge jukbeenderen, een lang gelaat, blauwe ogen, rossig haar, sproeten en een aangename glimlach — maar hij had geen gevoel voor humor. Hij was rad van tong en een snoever; een fatsoenlijk man die echter ook wel streken had. Zijn ontdekking van Amerika is een van de grootste staaltjes van moed in de geschiedenis.

Niet alles wat over Columbus wordt beweerd, is waar; bijvoor­beeld de mythe dat hij als enige meende dat de aarde rond was. Elkeen met een grein verstand geloofde dat! Men onderwees het op de scholen en universiteiten, en er waren zelfs, tegen een flinke prijs, globes te koop die weinig afweken van de globes van tegen­woordig. Bovendien bepaalde Columbus, in tegenstelling tot de schilderijen waarop hij in die dagen werd afgebeeld, nimmer de hoogte van de zon met behulp van een astrolabium. Hij voer op een gegist bestek en koerste daarmee recht op zijn haven van bestemming aan.
De tocht van Columbus naar het westen was een grote gok, doch geen volslagen sprong in het duister. In de havensteden van Euro­pa wemelde het van verhalen over mannen die zulk een reis geheel of gedeeltelijk hadden volbracht.
Naar verluidde was de koningin van Scheba voorbij Spanje en tot aan Japan over de oceaan naar het westen gevaren. Zeven Portugese bisschoppen, zo heette het, waren om aan vervolging te ontkomen, naar een eiland niet ver van Cuba gevlucht, dat ze “Antilla” noemden. En dan had na­tuurlijk Leif Ericson zijn Noormannen veilig aan land gebracht in het tegenwoordige New England.

Ook bestond er een kaart die geacht werd degelijk en betrouw­baar te zijn, getekend door een Italiaanse dokter en sterrenkundige genaamd Toscanelli, waarop Japan stond aangegeven waar in werkelijkheid ongeveer Amerika ligt. En men had eigenaardige boomstammen en planten die niet uit Afrika afkomstig konden zijn, uit zee gevist. Het was daarom wel duidelijk, dat ginds land was dat wachtte op de koene zeeman die het zou ontdekken en in bezit nemen. Uit geschreven documenten is van zulke pogingen echter niet gebleken — totdat Columbus zijn denkbeeld opvatte.

Christoffel Columbus werd in 1451 als de oudste zoon van een gemoedelijke wolwever en herbergier te Genua geboren. Van hetgeen hij uitvoerde tussen zijn geboorte en zijn 23ste jaar is weinig meer bekend dan dat hij wol kaardde, aan een weefgetouw zat, en vaak naar zee ging. De stadstaat Genua, met haar van schepen overvolle haven, bood een jongeman met een goed stel hersenen gelegenheid te over om zeevaartkunde en cartografie te leren.

Er bestaan aantekeningen van een aantal reizen die Columbus maakte, waaronder één naar IJsland, maar zijn gelukkigste reis was wel die, welke hem in Portugal aan deed spoelen. Hij voer op een schip dat door een Frans smaldeel werd aangevallen en tot zinken gebracht. Hoewel hij gewond was, sprong Columbus over­boord en zwom naar het strand bij Lagos. Later kwam hij in Lissabon terecht. Het jaar was 1476. Lissabon was een goede stad voor een man die van grote zeereizen droomde, want hier vonden de meest wilde voorstellen tot verkenning financiële steun. Het was eveneens een stad waar men wiskunde, sterrenkunde, en het bouwen en tuigen van schepen kon leren — allemaal kennis die een gezagvoerder nodig had. Columbus en zijn broer Bartolomeüs begonnen een winkel in zeekaarten en deden goede zaken.
Christoffel huwde een dochter van rijke familie, en zij deed haar best een degelijk, aan huis en haard verknocht lid der gemeen­schap van hem te maken.
Maar Columbus hield vast aan zijn denkbeeld — de tergende, knagende idee dat hij het Oosten kon bereiken door naar het westen te zeilen. Het obsedeerde hem en liet hem geen rust. Dat was het verschil tussen Columbus en de meesten zijner tijdgeno­ten. Hij was overtuigd. Hij wist. Hij popelde om te gaan. Hij moest echter lang geduld hebben eer men hem schepen gaf. Intussen vertelde hij aan een ieder die maar horen wilde van zijn denkbeeld.

Juan II, de koning van Portugal, had er belangstelling voor en liet het denkbeeld van Columbus door zijn commissie van deskun­digen onderzoeken; deze wees het af. De koning hield Columbus echter aan het lijntje totdat Bartolomeüs Dias, een Portugees, om kaap de Goede Hoop was gezeild, en daarmee de oostelijke zeeweg naar de rijkdommen van Azië had geopend. Daarna had Juan II geen belang meer bij de westelijke zeeweg.

Toen de vrouw van Columbus stierf, besteedde hij het meren­deel van zijn spaargeld aan een statige begrafenis, en vertrok daar­op naar Spanje. Koning Ferdinand en koningin Isabella waren verwikkeld in een kostbare oorlog tegen de Moren. Ze luisterden derhalve slechts met een half oor naar hem. Columbus viel even­wel terstond bij de koningin in de smaak, zodat ze hem een soort toelage toekende, in afwachting van het oordeel van haar eigen commissie van onderzoek.

De toelage was niet groot, maar behoedde Columbus voor ar­moede, totdat ze na een jaar of twee werd ingetrokken. In af­wachting van het einde van de oorlog tegen de Moren, moest hij drie en een halfjaar lang in zijn eigen onderhoud voorzien en vond een karig bestaan met het verkopen van boeken en het teke­nen van zeekaarten. Zijn rosse haar werd wit en hij kreeg jicht; zijn mantel en zijn schoenen geraakten zo vol gaten dat hij op regenachtige dagen niet naar buiten kon. Hij bleef echter wachten en praten — altijd maar praten over zijn droom.

In 1491 gaf hij de hoop in Spanje steun te vinden op en besloot zijn geluk te beproeven in Frankrijk. Hij onderbrak zijn reis in een klooster bij de zeehaven Palos de la Frontera, en kwam in gesprek met zijn oude vriend, de prior. Deze kwam onder de indruk van het verhaal van Columbus en zorgde voor een nieuwe audiëntie bij de koningin.
Hoewel Isabella’s geleerden het voorstel van Columbus eerder hadden afgekeurd, liet de koningin hem uit­spreken en zei toen, dat zijn denkbeeld haar wel aanstond. Ze vond echter de beloning die hij voor de ontdekking eiste, wel erg hoog: zij moest hem maken tot Admiraal van de Oceaan-Zee, en tot onderkoning over alle landen die hij zou ontdekken; en hem één tiende schenken van alle handel onder zijn admiraalsschap. Toen Isabella op die voorwaarden niet wilde ingaan, dankte hij haar voor haar aandacht, besteeg zijn muilezel en begaf zich we­derom op weg naar Frankrijk. Hij was niet van zins te sjacheren.

Intussen deed Luis Santangel, beheerder van het persoonlijk vermogen des konings, aan Isabella ongeveer dit voorstel: “Ik zal uit eigen middelen het bedrag lenen dat u tekort komt. Wat kunt u verliezen? En denkt u eens in wat u daarentegen zou kunnen winnen: duizenden bekeerlingen, glorie voor Spanje — en goud.” Terstond zond de koningin koeriers uit om Columbus terug te halen.

De eerste reis van Columbus kostte Isabella en Santangel ongeveer dertigduizend gulden, en Columbus, die zijn deel moest lenen, bracht vijfduizend gulden in. Bij de totale kosten van deze grote reis, die Spanje twee continenten opleverde, lijkt de prijs van 84 gulden die de Hollanders voor het eiland Manhattan betaalden, exorbitant. De drie schepen van Columbus — de Pinta, de Nina en de Santa Maria — waren stevige kleine karvelen die bij goed weer gemiddeld zeven knopen haalden, en die bij windstilte met lange riemen konden worden geroeid. Op elk schip was een kajuit voor de gezagvoerder, maar het scheepsvolk sliep aan dek. Eenmaal per dag werd er in een open vuurbak mid­scheeps een vuur aangelegd, waarop bij de aflossing van de wacht een sterk met knoflook gekruide warme maaltijd werd toebereid. De tijd werd gemeten met zandlopers die om het halve uur door de scheepsjongens werden omgekeerd.

De drie karvelen telden ongeveer 87 koppen, waaronder drie heelmeesters, een hofmeester, een tolk en een man die de koningin had meegestuurd om aantekening te houden van het goud en de edelstenen die aan boord zouden worden genomen. In tegenstel­ling tot de meeste verhalen bestond de bemanning niet uit ge­vangenisboeven, al waren er drie schepelingen die met de wet overhoop lagen omdat ze een moordenaar geholpen hadden uit de kerker te ontvluchten. De meeste opvarenden waren gewone, frisse jongens, die hadden leren zeilen door naar zee te gaan wanneer ze maar de kans kregen.
De nautische kennis van Columbus heeft bij allen die na hem kwamen bewondering gewekt. De Portugezen, die bij hun pogin­gen om Amerika te vinden ver in het noorden begonnen en daar­door in de razende westerstormen terechtkwamen, hadden ge­faald. Columbus evenwel begon ver in het zuiden, waardoor hij de goede oostenwinden kon benutten die hem rechtstreeks over de Atlantische Oceaan bliezen. Na precies 33 dagen kreeg hij land in zicht. Toen hij in de van wier wemelende Sargasso Zee verzeild raakte, smeekten zijn kapiteins hem, af te buigen om naar eilanden te zoeken. Columbus weigerde hieraan te voldoen en bleef naar het westen zeilen. Éénmaal boog hij inderdaad af naar het zuid­westen, maar dat was om een vlucht vogels te volgen die, naar hij terecht oordeelde, op weg was naar land. Als hij die beslissing niet had genomen, dan was hij tussen de eilanden voor de kust van Florida terechtgekomen.

Toen de bemanning, die nooit tevoren zó lang buiten het gezicht van land gevaren had, oproerig werd, riep Columbus hen op 10 oktober tezamen en sprak: “Als wij niet binnen twee dagen land in zicht krijgen, keer ik om.” Zijn zekerheid ontleende hij aan die vlucht vogels en aan het zien van een bessenstruik in het water.

Op 12 oktober landden ze op het eiland San Salvador (thans Watlingseiland in de Bahama’s) dat door Columbus zo werd ge­noemd. Daar knielde hij neer, dankte God en nam met veel for­maliteiten in naam van Hunne Katholieke Majesteiten Ferdinand en Isabella bezit van het eiland. De ceremonie werd oplettend door de inboorlingen gadegeslagen, die naakt, argeloos en vriendelijk bleken.

“Zo gul en vrijgevig zijn zij met hetgeen zij bezitten,” schreef Columbus, “dat iemand die het niet zelf gezien heeft het niet zou geloven; nimmer zullen zij weigeren te geven van hetgeen zij bezitten; zelfs nodigen ze uit het met hen te delen in vriendschap, en zij zijn tevreden met elke kleinigheid die men hun geeft.” Men heeft vastgesteld dat dit het volk der Taino’s was, een thans reeds lang uitgestorven ras.

Over die eerste dagen op de vreemde kust schrijft dr. Morison in zijn levensbeschrijving van Columbus:

“En zo eindigden 48 uur van de heerlijkste belevenis die enig zeeman ooit ten deel viel. Dit vlakke, zandige eiland was waarlijk geen opzienbarende ontdekking. Maar het was hier dat de oceaan de “ketenen der natuur verbrak”, zoals Seneca voorspeld had, en onthulde wat het geheim was dat de Europeanen geplaagd had sedert zij begonnen waren zich af te vragen wat er achter de wes­telijke horizon lag. Het eiland San Salvador, dat na 33 dagen westwaarts zeilen uit zee oprees, brak radicaal met alle ervaringen van het verleden. Elke boom, elke plant was de Spanjaarden vreemd, en de inboorlingen waren niet slechts een onbekend ras — ze hadden zelfs zulke mensen niet verwacht; ze spraken een on­bekende taal en leken op geen enkel ras waarvan zelfs de meest be­lezen reizigers in de verhalen van ontdekkers, van Herodotus tot aan Marco Polo, ooit hadden gelezen. Geen sterveling zal ooit opnieuw de verbazing kennen van die oktoberdagen van 1492.”

Vanuit San Salvador voer Columbus naar het zuiden en ont­dekte nog meer eilanden, waaronder Cuba, waar de mannen sigaren rookten door een eind in hun neusgat te steken en diep te inhaleren. Ten slotte kwam hij aan bij Hispaniola — het eiland waarop thans Haïti en de Dominicaanse Republiek liggen. Hier liep de Santa Maria zo vast aan de grond dat ze niet meer vlot kon komen, weshalve hij besloot, een kolonie van 40 man achter te laten in een nederzetting die hij La Navidad noemde, op de noord­kust van het eiland. Nooit zag hij de kolonisten weer, en, naar wordt aangenomen, werden ze alle 40 door de inboorlingen ver­moord. Columbus zette koers naar het noorden, wist in de weste­lijke winden te geraken, en kwam ten langen leste in Spanje terug.

Met het verslag van zijn reis verwekte de ontdekkingsreiziger een sensatie. De parade door de straten der Spaanse steden, met zijn gouden souvenirs, de papegaaien en de Indianen die hij uit de Nieuwe Wereld ontvoerd had, was het hoogtepunt van zijn loop­baan. Maar toen hij neerknielde voor koning Ferdinand en ko­ningin Isabella en zij hem verzochten, naast hen plaats te nemen, kende zijn geluk geen grenzen meer. Al hetgeen ze hem beloofd hadden te zullen geven, gaven ze hem, en ze drongen er bij hem op aan, dat hij zich opmaakte voor de volgende reis, ditmaal vergezeld van monniken, soldaten en ambachtslieden om de door hem ontdekte gebieden te consolideren en uit te breiden. De tweede reis van Columbus, in 1493, droeg in zekere zin bij tot zijn ondergang, omdat daarbij de ernstige vergissing, die hij had ge­maakt door de veertig kolonisten achter te laten, aan het licht kwam. Ook werd duidelijk, dat hij tegen insubordinatie niet was opgewassen, nu eens te lankmoedig, dan weer te hardvochtig.

Op zijn derde reis, vijf jaar later, kreeg hij voor het eerst Zuid-Amerika in zicht. Na zijn terugkeer in Hispaniola, in 1500, werd hij door een rechter van onderzoek die door de Spaanse mo­narchen naar Haïti was gezonden, schuldig bevonden aan ver­scheidene misdaden, wreedheden en onrechtvaardigheid, en in ketenen naar Spanje teruggezonden. Toen de koningin dit vernam, ontstak ze in woede en liet hem in aller ijl in vrijheid stellen. Zodra Columbus echter het hem beloofde tiende deel opeiste, bleken Hunne Katholieke Majesteiten hardnekkig in hun weigering. Het overzeese westelijke deel van het Spaanse Rijk leverde steeds meer rijkdommen op, en als ze hem de overeengekomen som had­den gegeven, zou hij onvoorstelbaar rijk zijn geweest.

Eindelijk kreeg hij in 1502 vier schepen, waarmee hij zijn vierde en laatste reis begon. Hij navigeerde ditmaal langs de kust van Midden-Amerika, maar omdat hij alleen maar gebrand was op het vinden van een doorvaart naar de Grote Oceaan, ontgingen hem twee dingen — de parelvisserij aan de kust van Honduras, en een der rijkste goudmijnen ter wereld. Bovendien sloegen zijn schepelingen aan het muiten, en het scheelde weinig of ze hadden hem gedood. Jicht kluisterde hem aan zijn sponde, zijn schepen waren verrot — in Jamaica moest hij wachten op schepen die hem terug naar Spanje konden brengen.

Intussen was de hem toegenegen Isabella gestorven, en Ferdinand, die hem niet zeer welgezind was, negeerde zijn verzoeken om geld om zijn schepelingen uit te betalen. Hij begaf zich, krom van de jicht, op een muilezel naar de koning. Deze bood hem, in ruil voor zijn titel van, en privileges als Admiraal van de Oceaan-Zee, een lucratieve hertogstitel. Columbus weigerde. Hij meende dat hij de Oost-Indiën had ontdekt, en tot het einde toe was hij er­van overtuigd dat het paleis van de Grote Khan van Cathay (China) ergens in Costa Rica lag. Hij joeg niet slechts op rijkdom, maar wilde de doorvaart vinden die hem zou voeren naar de plaatsen die Marco Polo beschreven had: daar waar alle zalig­heden, alle rijkdom en weelde van de beschaving zich bevonden.

Dit is in het kort de geschiedenis van de man die Spanje de heerschappij gaf over meer land dan zijn monarchen zich ooit hadden voorgesteld, en wiens ontdekking de blik van Europa naar het westen richtte. Columbus stierf op 55-jarige leeftijd, arm en onbeweend. Met het verstrijken der eeuwen rijst zijn heroïsche gestalte echter steeds hoger op.

 

Dr. Samuel Eliot Morison, hoogleraar in de geschiedenis aan de Harvard-universiteit, leidde een expeditie “in het kielzog van Columbus” met twee zeilschepen van ongeveer dezelfde afmetingen als die in welke de ontdekker zijn reizen ondernam. Zijn boek Admiral of the Ocean Sea, (dat werd uit­gegeven in 1942, is een levensbeschrijving van de gecompliceerde, fascine­rende man die tot dit wetenschappelijk avontuur inspireerde. Het boek werd bekroond met de Pulitzer-prijs.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

 .

Rudolf Steiner over Columbus in GA 350

.
489-452

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 2e klas (2)

.

In de heemkundeperiode van de 2e klas – maar ook zeker in klas 1 – kunnen de zgn. sinnige Geschichten verteld worden.

Voorbeelden daarvan zijn bijv. de ‘Marialegenden’ of ‘Christuslegenden’. Onderwerpen zijn bijv: hoe ‘iets’, plant of dier aan zijn naam of vorm gekomen is.

Bekende zijn: het roodborstje: een druppeltje bloed uit de wonden van de Gekruisigde; de korenbloem die het blauw aannam van de mantel van Maria en sindsdien zo blauw gebleven is; de kruisspin die snel een web spon voor de ingang van de grot waarin de heilige familie was weggekropen.

Jakob Streit heeft er veel opgetekend in het boekje: ‘Kindheitslegenden’, vertaald: ‘Immanuel, legenden van het kind Jezus (momenteel 26-02-2014 uitverkocht)

Het ‘sinnige’ zou je kunnen omschrijven als ‘er zit iets zinnigs in – zo zou het kunnen zijn (gegaan)’; het heeft met moraliteit te maken: dat er door het verhaaltje eerbied, sympathie enz. ontstaat of wanneer er in het verhaaltje zich iets moreels afspeelt.

Ik heb hier een voorbeeld gegeven dat ‘eerbied’ inderdaad kan ontstaan.

En ik heb zoiets nog eens meegemaakt, toen ik met een 2e klas naar een kinderboerderij was gegaan. Een aantal kinderen riep met dezelfde kreet: ‘Meester, meester, kom ‘s, deze heeft het óóóók!
Het ging om de ezel, die op zijn hals zo’n mooi – iets anders van haarkleur- kruis heeft.

Ook in de boeken van Dan Udo de Haes: ‘Zonnegeheimen’ staan voor dit doel bruikbare verhalen.

Eveneens in werk van Hermien IJzerman. Bijv. ‘Bloemensprookjes, fabels en legenden (beide alleen 2e hands te koop).

Het gevaar bij deze verhaaltjes (in het algemeen) is dat de moraal er te dik bovenop ligt of te duidelijk aanwezig of de gebeurtenis té bedacht, gekunsteld. Dat kun je soms met een bepaalde aanpassing wel corrigeren.

Iets anders is nog dat in sommige ‘Christuslegenden’ het Jezuskind zelf bloemen en dieren schept. Uiteraard zijn die mooi en liefelijk. De duivel wil dan niet achterblijven en schept ook. Uiteraard afzichtelijke wezentjes.  Ik heb deze laatste nooit in die hoedanigheid verteld. Ik vind dat je wel sympathie voor het geschapene moet ontwikkelen, maar geen antipathie. Ook al roepen sommige dieren bijv. dit wel bij je op. Dat is eigenlijk al genoeg. Een bepaalde sympathie – meestal in de vorm van een zeker medelijden, zou wél kunnen ontstaan. Als Jezus mooi helder zingende vogeltjes creëert en de duivel alleen tot de vleermuis komt, dan is het toch de verdienste van de vleermuis dat deze de vele voor ons hinderlijke muggen vangt.
Kortom: vermijd dat de kinderen een hekel krijgen aan…Dat je daar gemakkelijk je voet op zet; kapot of dood maakt (al kan ik het zelf bij muggen nauwelijks laten!)

Zie ook deze heldere uiteenzetting van Magchiel Mathijssen, tevens auteur van Theorie en praktijk van de ’Sinnige Geschichte’
(Paidosuitgave nr.14)

.

Pieter HA Witvliet
.

heemkunde: alle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steiner over vertellen: alle artikelen

.

488-451

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (8)

.
MEESTER, MEESTER, KOM’S! DEZE HEEFT HET ÓÓÓÓK!

Het is mij een keer overkomen dat ik met deze kreet naar een plaats werd geroepen waar een aantal kinderen over ‘iets’ gebogen stond. Gezien hun opwinding was ik er niet helemaal gerust op wat daar te zien zou zijn.
‘Kijk, kijk’, wezen een aantal vingers en toen ik goed keek – het duurde  even – zag ik een kruisspin in zijn web zitten. ‘Deze heeft het óók’, bevestigden ze nogmaals.

Het was al weer enige weken na een heemkundeperiode in een tweede klas. Ik had daarin een aantal zgn. Marialegenden verteld. Prachtige, korte verhaaltjes over hoe planten en dieren aan datgene gekomen waren, wat hen zo typeert.

Steiner gebruikte een aantal keren de uitdrukking ‘sinnige Geschichte’. Vertellingen met een bijzonder karakter:  ze hebben iets ‘sinnigs’ – er zit een bepaalde zingeving in – op een bepaalde zinnige manier maken ze iets duidelijk. Er gaat ook een morele werking vanuit: ze roepen vertedering op, een begrijpen op een ‘dromerige’ manier. Ze roepen iets op van ‘verbonden-zijn’, van sympathie, van eerbied.

Ze hoeven voor deze leeftijd, 7 à 8 jaar, niet historisch of biologisch ‘waar’ te zijn. Op de een of andere manier zijn ze toch ‘waar’. (Of hadden het kunnen zijn).

Laatst sprak ik een oud-leerling van me. Ze vroeg naar ‘het’ boek met deze verhaaltjes. Die moest haar kind per se horen…….

==Wanneer de heilige familie een goed heenkomen zoekt in een grot, weeft een spin voor de ingang een web. Wanneer een soldaat van Herodes de grot binnen wil gaan om te zoeken, ziet hij het web en trekt de conclusie dat daar dus niemand kan zitten, ‘anders was dat web niet heel geweest’.

Als het gevaar is geweken, bedankt de kleine Jezus de spin en raakt hem even aan, met een kruisbeweging die zich aftekent op de rug van de spin en daar sindsdien zit.==

De kinderen herkenden het: ‘Meester, meester, kom’s! Deze heeft het óóóók!’

Een gouden ogenblik in je loopbaan als vrijeschoolleerkracht.
Een ogenblik ook om heel even dankbaar te zijn voor de ‘ontmoeting’ met Steiners diepere inzichten in het wezen van het kind.

.

Pieter HA Witvliet

.

Vertelstof: alle artikelen

Jakob StreitImmanuel

.

487-450

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (6)

.

OVER ‘HAND’ELINGEN

De heemkundeperioden vond ik altijd heel fijne perioden. Je voelt dat je met de kinderen voor het eerst eigenlijk, met het ‘echte’ leven te maken krijgt. In de artikelen over heemkunde vind je suggesties om met de kinderen dit echte leven ook te kunnen beleven.

Wanneer de kinderen kennis maken met de ‘handvakken’ is het belangrijk dat ze leren zien dat de handen essentieel zijn om al die verschillende ambachten te kunnen uitoefenen. In de vierde klas, bij de dierkunde, kun je daarop dan weer terugkomen.
En dat er samenhang is tussen de hand – in bepaald opzicht tussen delen van het lichaam – en het ontstaan van gereedschap, dat zich in vele gevallen ontwikkelde tot machine.

Ik gebruikte vaak – uit het Oude Testament – Thubal-Kaïn als ‘uitvinder’ van gereedschap. Zo zat hij eens sterk na te denken, hoe hij iets kon maken waardoor de getemde dieren niet meer zouden kunnen ontsnappen. Hij had palen nodig en zag wel dat die in mooie rechte boomstammen staken. Terwijl hij zo nadacht, kauwde hij achteloos op een grashalm daarbij de kaken in een wilskrachtige beweging heen en weer bewegend. Plotseling was de halm doormidden. Een stukje nog in de mond, de rest op de grond. Dit bracht hem op het idee ‘iets’ te maken, zoals zijn tanden, daarmee kreeg je iets doormidden. Zo bootste hij de ribbels van de tanden na in een stuk ijzer – hij was tenslotte smid – en ontwierp een zaag.

Wanneer je de kinderen vraagt naar gereedschappen en hoe die zijn afgekeken van menselijke handelingen, komen zij met van alles: je vuist als hamer; je nagel als schroevendraaier; duim en wijsvinger vlak bij elkaar als tang enz. enz. Zelfs iets wat niet direct met de hand gedaan wordt, kan ‘handig’ zijn. Uit het eenmaal ontstane gereedschap ontwikkelden zich andere vormen: nog grotere vuisten: mokers; maar ook heel kleine hamertjes met een speciale slagkant om bv. koper mee te slaan.

En het kan vaak groter en sneller. Het koren werd in vroeger tijden afgeslagen met  een zeis. Toen de eerste maai- en dorsmachines (2 handelingen in 1 machine!) ontworpen werden, waren de snijmessen nog steeds in de vorm van een zeis – alleen minder gebogen en naast elkaar gebracht, a.h.w. 2 zeisen tegelijk. Wie erop gaat letten ziet in de machines nog altijd de ‘oer’ –handbeweging terug.

Zo ook bij de ploeg. Wanneer je in zand voren wil trekken, houd je je hand vanzelf zo als nu het ploegblad nog steeds is. Eggen: de vingers als een soort klauw. En natuurlijk op de echte eg: veel meer vingers, zoals nu met de sterke tractoren meer dan 1 ploeg de aarde omgooit.

Dat de tractor over paardenkrachten (pk’s) beschikt duidt weer op het paard dat ooit voor het landwerk werd gebruikt.

Techniek is in veel gevallen: een oorspronkelijk menselijke beweging omgezet in een die sneller gaat, meer tegelijk kan enz. Die oorspronkelijke beweging op te sporen vanuit een machine is ook een interessante weg voor kinderen.
(De elektrische klopboor als combinatie van een hamer (vuistje) en een boor (de draaiende vinger die met de nagel een gaatje uitpeutert) en dat alles in een razend tempo: hoge toeren met slagkracht).

Het met de kinderen teruggaan naar de oude ambachten, is geen nostalgisch onderwijs dat de kinderen verre wil houden van wat er in deze tijd in die beroepssfeer gebeurt. Deze vorm van onderwijs wil daar juist méér begrip voor wekken door terug te kijken naar de ‘bron’.

Het is belangrijk ‘mens en wereld’ in samenhang te brengen – daar is heemkunde een bijzonder middel toe.

.

Pieter HA Witvliet

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

hand en intelligentie

.

486-449

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (5)

.

DE AMBACHTENPERIODE VAN DE DERDE KLAS

Een van de leukste periodes van de derde klas is de ambachtenperiode. De kinderen kijken er heel lang naar uit, want van oudere zusjes of broertjes hebben ze natuurlijk al lang gehoord, dat je dan veel uit­stapjes gaat maken, dat er ambachtslieden in de klas komen, kortom, dat er veel te beleven valt.

Wij zijn eind januari met deze periode begonnen en we zijn uitgegaan van ons dagelijks brood. En de eerste die voor de grondstoffen van het brood moet zorgen is de boer. Wij hebben een akker kunnen huren van de gemeente Leiden. Die was al geploegd, daarna heeft de klas geëgd en in maart hebben we tarwe gezaaid. Direct na het zaaien hebben we vier prachtige vogelverschrikkers gemaakt om de vogels ervan te weer­houden al het net gezaaide graan op te eten en het heeft geholpen. Vorige week stond het graan al 10 cm boven de grond. Oogsten kunnen we pas in klas 4 en dan zullen we het graan laten malen in molen de Put als we het gedorst en verzameld hebben.

Ons eerste uitstapje was naar deze molen de Put, een nieuw gebouwde graanmolen die bij het Galgewater staat. Via een grote steile trap gingen we de molen in. Eerst had de molenaar ons al laten zien hoe de zeilen opge­spannen werden en hij liet ons zien, dat het hele houten bovenstuk van de molen geheel los op het stenen onder­stuk stond. Door het grote gewicht van de molen blijft deze staan en hoeft niet verankerd te worden. Niet alle kinderen hadden daar evenveel vertrouwen in toen we bovenin stonden en de hele molen bewoog zodra de wieken gingen draaien. Het piepte, kraakte en schudde en sommigen werden wat wit rond de neus en waren blij weer vaste grond onder de voeten te voelen.

Anderen vroegen de molenaar honderduit over de molenstenen, de wieken,  tandwielen, etc. die hadden de hele dag wel willen blijven!

We kochten meel waar we op carnaval pannenkoeken van ge­bakken hebben en gingen weer terug naar school. Later bezochten we nog een houtzaagmolen en een poldermolen. Tijdens deze bezoeken was er niets meer te merken van de vrees voor het enorme geweld van het draaien der houten raderen, de enorme zagen die heen en weer gingen en het scheprad dat het water menshoog deed opspatten. De kinderen waren nu zo vertrouwd geraakt met de molens, dat die angst overwonnen was.

In de klas hebben we lied­jes gezongen over molens. En voor elke molenaar (alle drie jonge vrijwilligers, die deze molens in hun vrije tijd draaien – Molen de Put en Molen d’Heesterboom bij de firma Noordman op zaterdag en de poldermolen tussen Rijnsburg en Oegstgeest langs het Oegstgeesterkanaal op zondag, (alle drie een bezoekje waard), zei de klas het volgende versje uit volle borst op:

“Wij zijn molenaar en werken met de wind.
We vrezen geen gevaar en zijn altijd gezwind.
Begint het nu te waaien
Spannen wij de zeilen aan.
De molen gaat aan ’t draaien,
Zo malen wij het graan.
Begint het dan te stillen
Gaan wij met lust en vlijt
De steen wat scherper billen.
Zo werken wij altijd.”

(“billen = met hamer en beitel de inkepingen in de molensteen wat scherper inhakken. )

Zo staat er ergens op een molen ook geschreven:

“As de meulen staet in t kruus
Is de mulder an ’t billen of nait thuus.”

Als de molenaar zijn werk gedaan heeft en het graan gemalen is, dan gaat het meel naar de bakker. En van het meel, gemengd met gist en water, bakt de bakker ons dagelijks brood. Bakker Verhoog uit Voorschoten liet ons zien en proeven, dat er behalve brood nog vele lekkere taarten en gebakjes van het meel gemaakt worden.

heemkunde 2

In de klas hebben we zelf voor bakker gespeeld en deeg gekneed en bruine bolletjes gebakken en daar­na heerlijk opgegeten.

Ook van de bakker hebben we liedjes gezongen en versjes opgezegd zoals het volgende, dat door meester Stoop gemaakt is:

“De bakker laat zijn oven laaien
nog voor het eerste hanenkraaien
Meel en water, gist en zout
worden bij elkaar gesjouwd.
Hij roert en duwt en tilt het op.
Het deeg krijgt flink wat op zijn kop.
Nu kan het warm en stil genieten,
rijzen, hoog de lucht in schieten.
Brood wordt het deeg pas in de oven,
luchtig droog en warm van boven.”

Het volgende uitgangspunt was onze kleding. We zongen en speelden over de spinster, de wever, de schoenmaker, de klompenmaker,  etc.
De spinster kwam in de klas. Dat was onze “oude” euritmiejuf Manja Wodowoz-de Boon en zij vertelde ons over de verschillende wolsoorten en ieder kind mocht een keer zelf spinnen. Ook Anneke Barendsen hielp de kinderen met het spinnen. Een weefgetouw hadden we ook in de klas. De klompenmaker in Zoeterwoude hebben we bezocht en deze liet zien, hoe hij van een blok popu­lierenhout binnen een uur een prachtige, met hout­snijwerk versierde, klomp maakte.

Een waar feest was het bezoek van de nettenboetsters uit Katwijk. Vier dames op klompen, wat witte schorten aan en rooie zakdoeken om, stapten de klas binnen. Ze haalden een groot net te voorschijn, sneden er grote gaten in en gingen aan het werk. Hun handen gingen net zo snel als hun mond en de kinderen keken hun ogen uit. Ze vertelden over het werk vroeger. Hoe koud het was op de boetzolder ’s winters en dat ze niet mochten praten met elkaar, alleen mocht bij uitzondering een lied uit de bundel van Johannes de Heer gezongen worden. ’s Middags kregen ze één kopje thee, maar dat er dan eerst iemand een emmer heet water moest gaan kopen voor 3 cent in de water-en-vuurwinkel. U begrijpt, dat dit wonderlijke verhalen zijn voor de kinderen van nu die alle luxe van elektriciteit en een warmwaterkraan van jongsaf kennen.

heemkunde 1

Heerlijk waren natuurlijk ook de verhalen om bij te griezelen van de vissers in de storm op zee en dat de boetsters soms netten moesten repareren van schepen die net binnen waren gevaren en nog dezelfde dag weer moes­ten vertrekken, zodat de netten niet gespoeld of uit­gekookt konden worden, maar direct met vissenkoppen, krabben, zeewier en inktvistentakels er nog in geboet moesten worden! De kinderen smulden van deze verhalen. Al gingen de handen van de boetsters ondertussen razend­snel en werd het ene gat na het andere gemaakt,  toen we zelf gingen proberen te boeten bleek het nog niet zo eenvoudig als het leek. Sommige kinderen lukte het wel, maar op de vraag van de dames of ze later dan misschien nettenboeter of -boetster wilden worden, riepen allen hartgrondig nee. Jammer, vonden de boetsters, want het is een uitstervend beroep en ze kunnen hun kennis en vaardigheid aan niemand overdragen, want er is geen be­langstelling voor.

Over de nettenboetsters leerden we het volgende vers:

‘We slaan er de pezen en boeten het net.
Ook wordt er vakkundig een stuk in gezet.
We maken de scheuren al zijn ze vaak groot.
Daarmee verdienen we ons dagelijks brood.
Twee pezen, twee zijen, het net is gereed.
En honderd netten vormen een vleet.
Zo’n hele vleet neemt de logger dan mee.
Dus zonder ons kunnen de vissers niet naar zee.

Aan het eind van de periode werden we nog bezocht door pottenbakker. Hij liet alle kinderen een vaasje of schaaltje maken, glazuurde en bakte ze voor ons, zodat het kind ook nog een concreet aandenken aan deze periode had.
.

 (Ria Buscop, vrijeschool Leiden?; nadere gegevens onbekend)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

 .

485-448

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (4-1)

.

HUIZENBOUWPERIODE IN DE DERDE KLAS

Op de lang verwachte morgen waarop in de derde klas de huizenbouwperiode begon,  stapten de kinderen – vele met zware tassen beladen ~ ongeduldig de klas binnen. Van thuis meegebrachte hamers, troffels, voegspijkers en zagen gingen van hand tot hand en werden met kenners­blik gekeurd. Maar ook gingen de kinderen nieuwsgierig langs de vogel­nesten, slakkenhuisjes, zeeappels, die op een tafel waren uitgestald. Huizen?

Daarover ging ons eerste gesprek. Ook sommige dieren maken ‘huizen’ – maar hoe komt het dat zwaluwen altijd dezelfde nesten maken, dat slakken nooit eens een buitenissige kronkel bouwen? Hoe komt het dat mensen steeds weer verschillende huizen kunnen bouwen? Een open vraag, die bleef staan tot het einde van de periode. In de vier daar­op volgende weken ‘groeide’ langzamerhand het huis van fundament tot nok. We maakten zelf bakstenen ‘gezand en ‘geplaamd’, heiden met katrol en gewicht, tekenden plattegronden, goten met – kippengaas – ge­wapend beton, metselden een grote plantenbak,  bouwden met zand….

Vlak bij school konden we van dag tot dag het bouwen van een nieuwe woonwijk volgen,  terwijl de uitvoerder ons voorging van spouwmuur naar spant. Maar ook in de klas schoten huizen als paddenstoelen uit de grond – niet met stenen, maar met woorden:

Wij mengen kalk,  zand en cement
Met water in ons instrument.
Rommel, dommel, dommel, dan
Draait die molen om en om.
Ho maar, Keesie! Goeie specie!

Zodra meester met de troffel specie aanmaakte, werd het onvermijdelijk : ‘Ho maar, meesie!  …’

De huizenbouw – gedichten en prozateksten werden op schrift gesteld, begeleid door tekeningen. Met zelfgemaakte héél kleine heipaaltjes (om een lucifer de grond in te slaan]) met bouwtekeningen, waterpas en schietlood kwamen de kinderen naar school.

In de derde klas verlaat het kind zijn oude, sprookjesachtige klein kinderparadijs. Hij opent zijn ogen voor de werkelijkheid om hem heen. Het is de taak van de opvoeder, hen een zinvolle en overzichtelijke realiteit te laten beleven. Dat wordt geprobeerd in een dergelijke periode.
Op deze leeftijd verinnerlijkt zich langzamerhand het zielsleven van het kind. Het beleven van een ‘buiten’ en ‘binnen’ van een omhulling die buiten- en binnenwereld scheidt, (dat is immers de functie van een huis), is tegelijk beeld voor datgene, wat zich in de kinderen afspeelt.
We eindigen, zoals we begonnen waren: met vragen. Het antwoord daarop was tegelijk voorspel van de dierkundeperiode, die in de vierde klas gegeven wordt. We spraken over de menselijke hand, die tot ‘alles’ in staat is – én de dierlijke poot of  klauw, die ‘gevangen’ is in zijn eenzijdigheid, zodat het dier ook in zijn gedragingen gevangen is. Op zulke momenten kunnen de kinderen iets beleven van die vrijheid die de mens tot mens maakt.
In hogere klassen wordt zo’n essentieel vraagstuk stap voor stap verder ontraadseld. Door alle klassen van de vrijeschool lopen zulke ‘rode draden’, die niet leiden naar ontnuchterende feitenkennis, maar naar het begin van wezenlijk inzicht.
.

(Vrijeschool Bergen, nadere gegevens onbekend)
.

een paar voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

484-447

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (3)

.

Van zoet tot brood.

Wat moet er niet een werk verricht worden, hoeveel handen zijn er nodig, hoeveel zweetdruppels worden er gezweet om te maken, dat wij iedere dag opnieuw ons dagelijks brood kunnen nuttigen.
Dit is in het kort de strekking geweest van een periode ‘zaakonderwijs over het brood’ die de 2e en 3e  klas net heeft ge­consumeerd.
We begonnen met te spreken over het geschikt maken van de grond door bemesten,  ploegen en eggen. Al deze bewer­kingen werden door middel van gebaar en beweging, aan de hand van verschillende versjes, zo goed mogelijk ingeleefd en nage­bootst. Daarna werd er gezaaid en toen trad er een wachttijd in, waarin het zaad ontkiemde en tot koren kon gaan groeien en rijpen. Deze wachttijd voor de boer is niet een tijd waarin niets ge­beurt, nu is het de taak van de elementen, om in te grijpen en van zon, wind en regen zal het afhangen hoe tenslotte de oogst zal uitvallen. Over deze periode heeft de boer nog altijd geen zeggenschap.

Jan Ligthart heeft dit afhankelijk zijn van de natuur uitgedrukt in het kleine spreukje:

Wij ploegen, wij  eggen, wij zaaien op het land,
Maar wasdom en gedijen ligt in Gods hand.

De klas heeft deze wachttijd gebruikt om vier verschillende korensoorten,  die men hier in ons land op de velden kan ont­moeten,  beter te leren kennen.  Het waren de tarwe, de rogge, de gerst en de haver. Zij werden zo behandeld als of ieder van hen een eigen karakter bezat,  een eigen persoonlijkheid was.

De haver met zijn speelse beweeglijke pluimen, was de vrolijk­ste van de vier.  De gerst met zijn lange baardnaalden en om­laag knikkende aren maakte een beetje een droefgeestige, kla­gerige indruk.  De tarwe wat stijf,  zonder naalden en zich als het ware helemaal concentrerend op het maken van dikke, voedzame korrels, leek daarnaast nogal prozaïsch. En tenslotte was daar dan nog de strijdlustige rogge, die er prat opging dat hij het best aandurfde om op de schrale zandgrond te tonen wat hij waard was.

Na dit meer beschouwelijke intermezzo, waarin over iedere korensoort een kleinigheid werd opgeschreven en waarbij veel werd getekend, brak de oogsttijd aan. Nu was er wel weer veel werk aan de winkel.  Het maaien,  dorsen, wannen, malen en bakken zijn allemaal aan de orde geweest.

Tenslotte hebben wij  een schoolreisje gemaakt naar de “Ervekots”, een oude Saksische boerderij in de Achterhoek.
(Hierover hoort U meer van een van de ouders)
Dank zij de hulp van een van de moeders, Mevr. de Veld,  hebben wij ook van alles kunnen proeven. Wij zijn begonnen met roggebrood met stroop,  daarop volgden: door enkele kinderen met Mevr. de Veld samen gemaakte
havermoutkoekjes. Iedereen was het er over eens,  dat het roggebrood naar de strijdlustige rogge smaakte en de havermoutkoekjes (die heel smakelijk en bros waren uitgevallen) naar de vrolijke haver. De gort (van gerst afkomstig) met krenten en stroop, viel niet bij iedereen in de smaak. Sommigen kregen er geen theelepel van door hun keelgat. (Herinnert U zich nog de gortepap uit Uw jeugd?) Anderen daarentegen verorberen er drie borden van, (dat moeten kinderen zijn met uitzonderlijke sterke magen).
En tenslotte als bekroning van deze periode hebben wij in de klas ieder ons eigen broodje gemaakt, dat de volgende dag bruingebakken weer terug kwam op school en heerlijk smaakte!
Nu is deze periode voorbij en men kan zich afvragen hebben de kinderen veel geleerd?
Vanuit het standpunt: weten en kennen bekeken, is het misschien niet veel geweest, maar er is wel veel beleefd en men hoopt door dit beleven de gevoelens van eerbied en dankbaarheid voor het dagelijks brood – dat wij iedere dag maar weer zo vanzelfsprekend accepteren, verdiept en versterkt zijn.

Nu nog een ander facet: in zijn boekje  “de opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie” zegt Rudolf Steiner: Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van gelijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten”.

Wanneer men met de kinderen over het koren spreekt,  biedt men hun onwillekeurig een schat van gelijkenissen aan. Hoeveel het zijn geweest, realiseer ik mij nu pas. Nu ik dit artikeltje voor U zit te schrijven. Vele daarvan vindt men terug in het Nieuwe Testament, als wij denken aan de gelijkenissen van de zaaier of de zuurdesem die het brood doortrekt. En dan wil ik eindigen met het volgende beeld uit Johannes 12: “Ik zeg U, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort”.
Hier is in een enkel beeld samen gevat, wat wij ieder jaar mee kunnen beleven in de tijd van Pasen tot Pinksteren. Met de Goede Vrijdag wordt de kruisdood herdacht- het sterven.

Maar zoals bovengenoemde gelijkenis ons zegt,  door het teniet gaan van het zaad,  dat in de aarde is gevallen,  zullen wij later veel vredige vrucht mogen ontvangen,  zoals met het eerste Pink­sterfeest, velen de openbaring van de Heilige Geest deelachtig zijn geworden. En wat speelt zich af tussen de zaaitijd en de oogsttijd? Het ontkiemen en gaan groeien van de nieuwe plant, wat met Pasen,  als lente- en Opstandingsfeest herdacht en ge­vierd wordt.

(nadere gegevens onbekend)

 

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

De grassen en ons broodgraan

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

483-446

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof- biografieën – Mozart

.

MOZART, HET WONDERKIND DER MUZIEK

 

Mozart

Onherroepelijk laatste concert ! . . . De jongen, die nog geen zeven jaar oud is, zal het cembalo bespelen, hij zal een vioolconcert voordragen, en bij de uitvoering der symfonieën de continuo-partij vertolken op het klavier, waarvan de toetsen met een doek zijn bedekt; hij kan dan even goed spelen als wanneer hij de toetsen kon zien. Hij zal alle noten opnoemen die hem worden voorgespeeld, afzonderlijk of in akkoorden, en hij is genegen op het cembalo en op het orgel te improviseren zo lang men wenst. Toegangsbe­wijzen een halve thaler.

Met dit bericht, als gold het een buitenissige kermisat­tractie, kondigde in 1763 een Duitse krant het optreden aan van het meest universele muzikale genie dat de we­reld ooit heeft leren kennen, Wolfgang Amadeus Mozart.
Onder het publiek bevond zich die avond nog een andere jongen, de 14-jarige Goethe, wiens naam eveneens bestemd was om onsterfe­lijk te worden. Vele jaren later herinnerde deze zich nog de frisse verschijning van het vrolijk kijkende muzikantje, dat naar de bank voor het cembalo huppelde, gekleed in zijn bespottelijke maar dure pakje van lila satijn, met zijn gepoederde pruik en zijn miniatuurdegentje, en dat zich vervolgens met hart en ziel aan de muziek overgaf.
De gaven die Mozart bij zijn geboorte had meegekregen waren van een onbegrijpelijke volledigheid. Hij had niet alleen een absoluut gehoor en een feilloos gevoel voor ritme, maar ook een sterk instinct voor harmonie. Zo komt het dat hij als kind van vier jaar al op het spinet kon leren spelen*, op zijn vijfde met viool beginnen kon, en er toen al in slaagde om van het blad lezend, zich samen met zijn vader en diens vriend door een reeks trio’s heen te worstelen. Dit kind kon al noten lezen en opschrijven voordat het aan de letters toe was. En zelfs in de stukjes die hij op zijn zesde jaar schreef, merkt men al bij de eerste maten dat Mozart ze moet hebben gemaakt en niemand anders. In de be­zielde, zelfverzekerde componeertrant en de gracieuze stijl ver­raadt zich onmiskenbaar het jeugdige genie.

Zijn handen waren even merkwaardig ontwikkeld als zijn hersenen. Op zijn tiende jaar verbaasde hij de Nederlanders met een voortreffelijke demonstratie op het grootste en meest gecom­pliceerde kerkorgel ter wereld. Hij was veertien jaar toen hij in Rome gelegenheid kreeg het koor van de Sixtijnse kapel te horen in een miserere. Dit was een lang, vrij ingewikkeld, negenstemmig motet en de partituur werd zorgvuldig geheim gehouden — het was de zangers zelfs op straffe van excommunicatie verboden de muziek te kopiëren. De jongen nam de klank zo intens in zich op, dat hij thuisgekomen het hele stuk uit het geheugen opschreef. Toen hij het voor de tweede keer hoorde zingen merkte hij tot zijn verdriet dat hij bij het noteren drie foutjes gemaakt had. De paus excommuniceerde hem niet maar benoemde hem tot Ridder van de Gulden Spoor, een onderscheiding die vóór hem ook Orlando di Lasso en Gluck ten deel was gevallen.

De vader van dit fenomeen was Leopold Mozart, een middel­matige violist maar een voortreffelijk pedagoog, in Salzburg. Hij had ontzag voor het genie van zijn zoon, maar dat nam niet weg dat hij het exploiteerde. Samen met Wolfgangs zusje Nannerl, een begaafde kleine pianiste, sleepte hij de jongen heel Europa door. De kinderen speelden zelfs voor de gekroonde hoofden van Engeland en Frankrijk en voor de Oostenrijkse keizerlijke familie. Bij die laatste gelegenheid gleed Wolfgang uit op de paleisvloer waarbij hij lelijk kwam te vallen. Een klein meisje hielp hem overeind en troostte hem, waarop Wolfgang uit erkentelijkheid aanbood om met haar te trouwen als hij groot was. Maar de toekomst had voor Marie Antoinette een ander lot in petto.

Hotsende reiswagens en slechte wegen, vunze herbergen en urenlang hard werken hadden geen uitwerking op het vrolijke humeur en de energie van de jongen. Dikwijls wisten de verrukte toehoorders van geen weggaan, en om hen te plezieren bleef het kind steeds maar doorspelen als onder de ban ener betovering; de melodieën rolden uit zijn vingers, de noten van het ene wijsje speelden krijgertje met het andere en dansten als meidruppels op een bloemperk. Totdat papa Mozart dan een eind aan de zaak maakte en de deftige dames en heren het ventje met toejuichingen en liefkozingen begonnen te overladen, wat gelukkig de natuur­lijke frisheid van zijn karakter nooit heeft bedorven.

Een andere leermeester dan zijn vader heeft Wolfgang nooit gehad. Hij is ook nooit op school geweest, maar wierp zich graag op allerlei problemen en vakken, als er iets te leren viel. Speciaal rekenkunde boeide hem en hij kalkte muren en tafels vol met reken­sommen; hij was verrukt over de wetenschap die als geen andere in staat was op een vraagstuk het enig juiste antwoord te geven. Hier ligt misschien een sleutel tot de vraag waarom Mozarts muziek zo exact en evenwichtig van vorm is. Maar Mozart is ook poëtisch, innig en vrolijk. Hij is even hartveroverend als ge­makkelijk om naar te luisteren.

In Mozarts tijd vond men sommige van zijn composities te “modern”, te “geavanceerd.” Terwijl in onze oren een stuk van Mozart dat wij voor het eerst beluisteren, overbekend en ver­trouwd aandoet. De reden is dat Mozart een sterke invloed heeft gehad op de muziek die na hem kwam. Beethoven bestudeerde zijn werken voortdurend, en zo Haydn zijn 24 jaar jongere vriend soms imiteerde, dan was dat een blijk van oprechte hulde. Chopin was diep doordrongen van de geniale geest van Mozart, en zelfs de trotse Wagner boog voor hem het hoofd. Veel van de schoonheid in de vrolijke Strausswalsen of in de prachtige liederen van Schubert kan men terugbrengen tot Wolfgang Amadeus Mozart.

Hij was muzikaal tot in de toppen van zijn vingers. Hij kon een hele poos met een verrukt gezicht in de schokkende reiskoets zitten, met zijn vingers op zijn knie trommelend, tot hij eindelijk een thema in gedachten had uitgewerkt en hij het later zó op een stukje papier kon krabbelen. Op zijn veertiende jaar dirigeerde hij te Milaan zelf zijn nieuwste opera (Mitridate) met het destijds grootste orkest van Europa. Toen hij 15 was had hij veertien symfonieën en zes korte opera’s op zijn naam.
In de jaren tussen zijn vijftiende en eenentwintigste begaf hij zich op alle denkbare gebieden van de ingewikkeldste compositie­techniek, en uiteraard ligt een vergelijking voor de hand met de prestaties van vroegere componisten, die ieder voor zich meester waren op hun speciale terrein. Maar Mozart doorstaat die verge­lijking met glans, hij toont zich de meester van hen allen, en het is duidelijk dat zijn gaven zich met elk jaar stralender ontplooien, zoals een komeet ons verblindt naarmate hij de aarde nadert. Naar recht en billijkheid had hij in de muziekwereld de aller­hoogste post moeten bekleden die zijn vorst, keizer Joseph II, hem had kunnen verlenen. In plaats daarvan werd hij door de keizer op een tamelijk onheuse manier genegeerd; er waren er in de hofkliek genoeg die angstig jaloers waren op Mozarts wonder­baarlijke begaafdheid. Zijn concurrenten verhinderden de uit­voering van zijn werken, of als dat niet lukte werden de spelers omgekocht om de muziek zo handig mogelijk te verknoeien. Auteursrecht om de componisten te beschermen bestond er in die dagen niet; was een muziekstuk eenmaal bekend dan was iedereen vrij om het uit te voeren — zelfs mocht een ander het omwerken en in zijn eigen composities gebruiken. Voor een componist be­stond alleen veiligheid wanneer hij in dienst werd genomen door een kunstbeschermer, hetzij door een vermogend particulier, of aan een hof. De beschermer bij wie Mozart emplooi vond — tegen een jaargeld van ruim 250 gulden! — was de aartsbisschop van Salzburg. Daar moest Mozart zijn maaltijden samen met het personeel gebruiken, en de bisschop meende dat zijn hoforganist zich des te onderdaniger zou betonen naarmate hij meer werd af­gesnauwd. Nadat Mozart in juni 1781 ontslag had genomen, vestigde hij zich als onafhankelijk kunstenaar in Wenen.

Toen de beroemde Christoph von Gluck overleed, kreeg hij diens post als kamercomponist aan het keizerlijk hof, tegen nauwe­lijks meer dan de helft van wat Gluck had ontvangen, een salarisje van 800 gulden. Toch was Mozart ook hiermee al in zijn schik, hij was jong en ietwat impulsief getrouwd en de kleintjes lieten niet op zich wachten. Zijn vrouw Constanze was een van de vier knappe dochters van het gezin Weber, waar ze allemaal muzikaal waren. Constanze was nog een dertienjarige giechel toen hij haar voor het eerst zag, of liever hij zag haar helemaal niet, hij had alleen oog voor haar oudere zusje Aloysia, vijftien jaar, met een prachtige stem en dito figuurtje. Aloysia beloofde op hem te zullen wachten in de tijd dat hij naar Parijs ging om zijn fortuin te maken. Toen hij met lege handen terugkeerde, was zij al een ge­vierde operaster. Jaren later vroeg men haar eens waarom zij Mozart de bons had gegeven. “Ik vond hem zo’n kleine man.”

Constanze lijmde de stukken van zijn gebroken hart aan elkaar en in augustus 1784 trouwden zij, wat een onherstelbare breuk met papa Mozart ten gevolge had. “Stanzi” was een snaaks blondje, een ideale gezellin voor picknicks in het Wiener Wald, maar voor huisvrouw miste zij alle capaciteiten. Mozart vond het pijnlijk te moeten aanzien hoe die opgewekte, naar plezier snakken­de natuur te kampen had met alle nasleep van armoede en kraam­bed. Zodat “Wolfi” dikwijls te veel geld spendeerde aan luxedingen om op haar gezicht die kinderlijk verrukte glimlach terug te toveren, waarom hij haar getrouwd had. Erger was, dat haar ge­zondheid veel te wensen overliet, het baren was een marteling ge­weest en vijf van haar zeven kinderen vonden een voortijdig graf.

De moeilijkheden waarmee Mozart te kampen had waren voor iedere andere componist ruimschoots voldoende geweest er één lange klaagzang over te schrijven, maar Mozart spuide zijn ver­driet over vernederingen en smerigheden nooit in zijn muziek. Hoe moeilijker hij het had, des te meer getuigde Mozarts kunst van zijn levensmoed die echter geen grimmige vastberadenheid is, maar blijgeestig als de zang van de leeuwerik.

Om de slager te betalen, en zelfs om de deurwaarder af te kun­nen poeieren (die maar al te vaak verscheen om een stuk van het meubilair mee te nemen), speelde Mozart het ene concert na het andere. Voor elk hiervan schreef hij een nieuw werk, dat meestal pas op het laatste nippertje gereed kwam; sommige van zijn mees­terwerken zijn in enkele dagen tot stand gekomen. Tijdens de vochtige winters waarom Wenen zo berucht is, was het voor Mozart vaak een probleem hoe hij voldoende kon stoken om er­bij te kunnen werken. Er kwam eens een bezoeker die Wolfi en Stanzi al ronddansende in de kamer aantrof, en men heeft deze anekdote wel eens zo voorgesteld alsof het echtpaar louter een grapje maakte. In werkelijkheid waren ze die dag stijf van de kou, en deden ze wanhopig hun best om in beweging te blijven. De bezoeker rende naar buiten om hun brandstof te laten sturen.

Maar de vriend aan wie de wereld het meest te danken heeft was een zekere Puchberg, een zakenman, die Mozart herhaalde­lijk wat geld bezorgde als de nood hoog was gestegen. Wanneer wij de brieven lezen waarin Mozart bij zijn vriend op hulp aan­drong, zieden wij van verontwaardiging dat dit stralende genie eens heeft moeten bedelen.

Maar daar was in ieder geval de stad Praag, die hem al tijdens zijn leven heeft begrepen, en waar hij op de handen werd gedragen. Toen hij was uitgenodigd om daar zijn komische opera De Bruiloft van Figaro te dirigeren, die in Wenen koel ontvangen was, merkte hij dat er in de straten van Praag niets anders dan Figaro werd geneuried. Tijdens zijn verblijf aldaar schreef hij de prachtige “Praagse” symfonie en dadelijk daarna vertrok hij om een opera voor te bereiden die hij speciaal voor deze dankbare muziekstad wilde schrijven. Het waren heerlijke dagen in het leven van Wolf­gang en Constanze toen zij de bergen overtrokken op weg naar de joviale Boheemse hoofdstad, waar Mozart ging werken aan zijn Don Giovanni, die vaak de “volmaakte” opera genoemd wordt. Da Ponte, de dichter van het libretto, was een vrolijke Frans; hij woonde tegenover de Mozarts in dezelfde nauwe steeg en van tijd tot tijd kon men hen elkaar over straat horen roepen om te komen luisteren, als er weer een paar bladzijden af waren. Of een ander maal sjouwden zij samen de stad in voor een feestelijke fles wijn.

Er kwamen zoveel uitnodigingen van bewonderaars dat Mozart tijd te kort kwam. Eén dag voor de première moest de ouverture nog worden geschreven. Het licht in de zaal was al aan, toen de muziek inderhaast op de lessenaars werd uitgedeeld en de or­kestleden moesten het adembenemende muziekstuk van het blad spelen.

Nooit eerder was een komisch onderwerp zó elegant en treffend in muzieknoten weergegeven. Maar de Don Giovanni is ook een treurspel, en bewijst onmiskenbaar Mozarts dramatische, ja demonische talent. De toejuichingen en het bisseren meegerekend duurde de première zes uur in plaats van drie. Er was aan de kas­sa genoeg ontvangen om de schouwburgdirecteur van een faillis­sement te redden, maar de componist kwam er bekaaid af.

Naarmate het kortstondig lichtschijnsel van Mozarts aards be­staan zijn einde naderde, scheen het aan snelheid te winnen en steeds feller te stralen. Zijn laatste negen symfonieën, waarvan er verscheidene nooit tijdens zijn leven zijn uitgevoerd, zijn die van een Beethoven waardig. Maar al te dikwijls meent men Mozart af te kunnen doen met de kwalificatie “sierlijk”, en men kent dan hoogstens de eenvoudige sonatines en menuetten die kinderen op pianoles krijgen. Maar wie zijn gehele oeuvre heeft gehoord kan niet anders dan aangegrepen zijn door de diepe schoonheid van zijn werk.

In het 35ste jaar van zijn leven, toen hij al ernstig ziek was, schreef hij in Wenen zijn beroemde sprookjesopera De Toverfluit die vol is van de wonderlijkste melodieën. De opera, die Mozart had gemaakt om zijn vriend de toneeldirecteur Schikaneder voor een bankroet te bewaren, ging in een oud, vervallen theater. Het nieuwtje verspreidde zich snel en heel Wenen kwam in de zaal. Schikaneder kreeg genoeg geld binnen voor een nieuwe schouwburg, maar Mozart was te ziek om de uitvoeringen bij te wonen, hij lag in bed op de klok te kijken, en zei dan: “Nu gaat het doek op,” of: “Nu lopen ze ongedeerd door de vlammen,” en: “Nu horen ze de toverfluit.”

Een paar maanden daarvoor had Mozart bezoek gekregen van een vreemdeling die, naar hij zei, namens zijn meester aan Mozart de opdracht kwam geven om een Requiem te schrijven voor ge­mengd koor, ter nagedachtenis van de overleden echtgenote van zijn meester. Diens naam wilde de boodschapper niet noemen. Wij weten nu dat de opdracht kwam van een adellijk dilettant, graaf Walsegg, die in het geheim muziekwerken placht te be­stellen om ze dan onder eigen naam te laten uitvoeren. Er waren tal van moeilijkheden die de aflevering van het werk vertraagden en herhaaldelijk kwam de boodschapper tot spoed manen. In zijn delirium meende Mozart dat het een afgezant uit een andere wereld was, en dat de duivel hem had opgedragen zijn eigen doodsmis te schrijven; hij werkte er koortsachtig aan. Indruk­wekkend en angstaanjagend zijn de klanken die het Requiem op­roept uit de grondeloze diepten van smart en berouw; maar ook serene en troostende akkoorden zijn er, sprekend van ’s mensen hoop op het Leven hierna. Op zijn sterfbed, omringd door de weinige trouwe vrienden, trachtten Mozarts lippen nog het trom­petthema van de Oordeelsdag te vormen, dat het Requiem be­heerst.

Enkele vrienden waren in het vale licht van een naderend on­weer bijeen om bij Mozarts kist de korte mis te horen lezen. Toen zij op weg gingen naar het kerkhof weerlichtte het, en wind­stoten striemden hun de regen in het gezicht. Ze keerden terug en lieten de lijkwagen alleen verder rijden. In een massagraf, tussen de stoffelijke resten van zwervers en prostituees, verdween het tere hulsel dat de ongeëvenaarde Genius der Muziek had gehuisvest.

Mozart zegevierde over onrecht, ziekte, schuld, zelfs over de Dood. Op alles wat onedel en onwaardig was heeft hij een ant­woord gegeven, dat natrilt met de harteklop van het Leven zelf.

*Het spinet en de meestal grotere klavecimbels (cembalo, virginaal, harpsichord, Kielflügel) waren uitgerust met pennetjes in plaats van hamers. Het waren de voorlopers van onze moderne piano’s.

.

Biografieën: alle artikelen

.

482-445

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde 3e klas (2)

.

EEN PERIODE HEEMKUNDE IN DE DERDE KLAS

De oude ambachten

De kinderen in de derde klas krijgen oog voor het feit hoe ZINVOL een handeling is. In de lagere klassen leerden ze spelenderwijs hun motoriek te verfijnen en stimuleerde de leerstof spelenderwijs hun denkvermogen. In de vierde klas verliezen de kinderen hun intuïtieve band met hun omgeving vaak dusdanig, dat de omgeving en medemens als “vreemd” be­leefd worden.

De acht- à negenjarige kinderen zien hun medemens echter voornamelijk als individuen, die met een zeker gemak hun weg in de wereld weten te vinden. Onze huidige wereld zit echter zeer gecompliceerd in elkaar en is voor kinderen vaak niet meer te begrijpen.

DE OUDE AMBACHTEN geven de derde klassers een mogelijkheid zich te identificeren met medemensen die hun plaats in de maatschappij hebben en zinvol werk verrichten voor het gemak en genot van anderen. In de oude ambachten valt ook de ZAKELIJKE omgeving t.o.v. mens en natuur nog goed te ont­dekken. Door de kinderen in meerdere ambachten wat mee te laten werken kan het RESPECT voor de werkende mens en de door de mens gemaakte producten groeien.

Het leven op de BOERDERIJ kan in zo’n periode een goed begin zijn, omdat daar vele ambachten verzameld zijn en vele am­bachten daar hun oorsprong hebben.

Deze derde klas is eerst opgewarmd door verhalen uit het Oude Testament. Kaïn was de eerste landbouwer, Abel de eerste schaapherder. Jabal temde wilde dieren en bouwde de eerste huizen, Jubal bracht de muziek en de muziekinstrumenten aan de mensen, Tubal-Kaïn is de vader van alle smeden. Daarna hebben we naar aanleiding van verhalen over de boerderijdieren ze met hun typische karakter met behulp van gedichten nagespeeld. Bij het varken bijvoorbeeld liepen er eerst vier kinderen door de klas te wroeten terwijl we het eerste ge­deelte van een varkensgedicht reciteerden. Daarna dirigeerde ik het knorrenkoor en gingen de vier wroeters over elkaar slapen, terwijl wij spraken:

Er lagen vier biggetjes in het land te ronken.
Ze sliepen in ’t slik aan de waterkant en stonken.
Ze waren zo zat van het smakken en smullen,
ze konden niet eens meer hun staarteindje krullen.

Bij de geit deden we het volgende spel, nadat we gehoord hadden hoe de geiten voor gezonde, dikke bomen zorgen door alle onderbegroeiing op te eten. We gingen in een kring zitten en twee kinderen waren een paal. Daaromheen kon aan een touw een geit rondlopen die alles op mocht knabbelen waar hij bij kon. Dat was rekken en strekken!  Zo verzamelde de geit schoenen, sokken, truien en haarbanden terwijl er in koor gesproken werd:

Wit geitje, gebonden
aan koord en paal
weidt ronden op ronden
zijn kantje kaal

Het scharrelt en krabbelt
zo danig en dol;
en knaagt en knabbelt
zijn buikje vol.

Elke keer spraken we het gedicht opnieuw en was er een nieuwe geit.
Zo kwamen de koe, het paard, de haan, de kippen en de schapen ook aan bod.

Zo waren we spoedig rijp voor een bezoek aan boer Roodenburg. Vele ouders reden ons in auto’s naar Wassenaar en daar ont­vingen boer en boerin Roodenburg ons onder de walnotenboom. Eerst walnoten zoeken en eten en daarna de stallen in. We mochten de varkens voeren in stinkende donkere stallen. We mochten wat hooi voeren aan pinken op de grup. We hebben naar de stier gezocht tussen meer dan 50 koeien.  “Ik heb hem gevonden,” klonk het meer dan eens. “Hij heeft geen uier!” “Hij heeft veel kortere horens!” En: “Hij heeft zijn trouwring door zijn neus!” klonk er schaterlachend. We bezochten het oude broodbakhuisje naast het washok en mochten allemaal hout in de huidige allesbrander stoppen (huisverwarming). En dan!  Eten in het stro naast een pasgeboren kalfje. Wat een aandacht kreeg het beestje. Lekker knus en warm in het stro kregen we ook allemaal nog verse melk van de koeien die we net bezocht hadden. Na het eten gingen we de weide in. Gedwaald door het hakhoutbosje, gekeken naar het slotenschonen én de boswachter ontmoet,  juist toen er drie hazen opschrokken en zigzaggend voor ons vluchtten. Tenslotte het hek overgeklommen en de strobalen allemaal weer keurig de berg opgetrokken.

In de klas reciteerden we het volgende gedicht:

Dagelijks werk voor alle boeren:
Elke dag de beesten voeren.
Hooi en haver voor het paard.
Stro en stronken voor likkebaard  (geit).
Kuilgras, hooi en bieten toe
of maïs en brokken eet de koe.
Kippen krijgen velerlei graan.
De varkens nemen alles aan.
Schapen vreten takken en stro
De kat krijgt alle muizen cadeau.
Nu zijn we toch de hond vergeten,
die moet dan maar dieven eten.

We zijn echter ook het land gaan bewerken. Bij de Cronestijn-schooltuinen mochten we graan gaan telen. Piet Anker leende ons een oeroude paardenploeg uit zijn museum “De Gesloten Beurs” (Vlietweg). In twee ploegen, de witte en de zwarte paarden, trokken we de ploeg door het land. Elke voor met een nieuwe boer en om en om trekkend. De “paarden” raakten spoedig nat van het zweet en telkens moest de “boer” ze aanmoedigen met een “Hu, paard! Hu!” Gelukkig was er een pauze en konden we in het in aanbouw zijnde leslokaal eten bij de timmerman en -vrouw. Na de pauze ploegden we de rest en toen lag er 2 are zij aan zij, net als in ons ploegspelletje waarbij geklonken had:

De boer, hij ploegt zijn akker om.
Hij keert de klei in felle zon.
Al koel en klef ligt zo de klei,
van buik op rug en zij aan zij.

Het ploeglied heeft op het land echter minder geklonken dan in de klas, want daarvoor waren ze al spoedig veel te moe en was het soppen in de modder veel te inspannend.

Ploeglied:
Hé, hó, span de paarden in.
Stevig trekken, kijk, ze hebben zin.
Akker laat het groeien.       2x      (5 strofes totaal)

Een week later zijn we gaan zaaien. Allemaal een echte zaai­doek om met zijn speciale knoop! Toen heeft het zaailied wél stevig geklonken, want op het ritme werd gezaaid. Alle handen graaiden en spreidden zich in een soepele 8-beweging op het ritme van het lied. De korrels vlogen met duizenden in grote bogen door de lucht en vielen door de zaaikunst mooi regelmatig verspreid op het land. Het lied zoemde nog weken daarna in de klas:

Zaailied
Joe hé, joe hé, de akkerman zaait.
De vogeltjes zingen, de korreltjes springen.
Joe hé,  joe hé, de akkerman zaait.

Ja, nu hadden we een reusachtige vogelvoerakker! Daarom zijn we toen nog gaan eggen. Dwars door het pas ingezaaide land trokken we de eg en heel langzaam verdwenen alle korrels om rustig in de donkere akker te ontkiemen. En dan? We wachten nu al maanden!
In de klas is ook wat graan gezaaid en zo kunnen we het toch nog vervolgen.  Maar in deze periode gaan we weer naar het land om te kijken en later nog eens om onkruid weg te eggen. Dan willen we het nog zien bloeien en tenslotte gaan
we het graan van de zomer oogsten, dorsen met vlegels, schonen in de wind, zeven, malen en tot brood bakken.

Nu zijn we echter net begonnen met een tweede periode heemkunde (de eerste was in november (1988). In deze periode gaan we meer naar de verschillende gereedschappen en hun gebruik kijken. We gaan op bezoek bij de molenaar, de bakker, de pottenbakker, de klompenmaker, de melker, de kaasmaker, de smid, de schoenmaker, de visser (netten boeten), de spinster en de plankenzager (molen).

We hebben net een kraal gemaakt van palen en takken ertussen gevlochten. Ook hebben we een pad gemaakt zoals een straten­maker en wel rond het kippenhok. Eerst zand gehaald,  gewicht leren verdelen in de kruiwagen, gegraven, zand gestort en toen passen tot alle stenen in verband en sluitend lagen. Invegen met zand én…. schone schoenen!

Nu zijn we bezig van het boerengeriefhout gereedschap te maken. Sommigen maken een bezem van wilgentakken, anderen een hooivork of een herdersstaf van essenhout. Er wordt hard gewerkt in de derde.

(Martin Stoop, nadere gegevens ontbreken)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

481-444

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde (1-1)

.

HEEMKUNDE

Wij, volwassenen,  weten veel van de wereld om ons heen. Daarvoor hebben vakken als aardrijkskunde, scheikunde, biologie en natuurkunde gezorgd. Dat is kennis.
We hebben ook een verantwoording voor die wereld. Dat houdt in dat we ons geweten, of onze morele kant, met die kennis samen gebruiken om die wereld goed te beheren.

Tjonge, wat een zware aanhef voor een artikel over heemkunde voor de lagere klassen. Eens kijken wat dat met elkaar te maken heeft.

Er is echter een tijd in ons leven, dat de morele kant en de kenniskant nog één zijn en dat duurt voort tot in de lagere klassen van de onderbouw. Even een voorbeeld uit de tweede klas. Stelt u zich eens voor dat u langs een laan loopt met hoge, rechte populieren. Maken ze geen statige, deftige indruk, zoals ze daar ieder takje zo snel mogelijk hoog in de lucht steken? Heel anders van karakter is dan die knoestige oude appelboom in de boomgaard ernaast. Hij is dan wel niet zo hoog als de populieren zijn,  maar hij heeft al vele mensen en dieren gediend, met zijn glanzende, sappige appels. Voor kleine kinderen is het vanzelfsprekend dat twee bomen, die er zo uitzien een gesprek met elkaar kunnen hebben, waarin hun karakters naar voren komen. Ze zien de wezens en de dingen om zich heen nog als zijnde van hetzelfde plan, “antropomorf* dit is: in een menselijke vorm.
Zo kunnen in een eerste klas nog heel goed verhalen verteld worden over de zon, de maan, en de sterren. Het kennisaspect (sterrenkunde?) komt eigenlijk nauwelijks aan bod. Wel komt er veel over deze helpers aan de orde, wat door de kinderen als vanzelfsprekend herkend wordt. De zon als schenker van warmte, en licht en de maan die zich met zijn bleke licht soms helemaal niet durft te laten zien. Maar dan komt hij later weer heel moedig met z’n volle gezicht de donkerste nacht toch nog verhelderen. Ook stenen, lucht, water, planten en dieren spelen een rol in de eerste klas.

In de tweede klas wordt de heemkunde op onze school in de vorm van een “bomenperiode” gegoten.

In de derde klas wordt het kennisaspect weer wat meer aangesproken. Op de boerderij met al z’n dieren en planten waarmee de kinderen een gevoelsband hebben,  blijkt al gauw dat alle wezens elkaar aanvullen, ja zelfs nodig hebben. De mensen hebben de planten nodig, vooral de granen. De planten hebben de dieren nodig voor o.a. bemesting en bestuiving.  De mensen verzorgen weer de planten en de dieren. Ook de plantenwereld op zich past zo in elkaar, dat we voor elkaar verantwoordelijk zijn.

Voor het bouwen van een huis, dat alle mensen nodig hebben, zijn vele vaardigheden nodig. Dat kan één mens alleen niet! (smeden, stenen bakken, metselen, timmeren, stukadoren enz.) Daarom zijn er vele ambachten die samen het uiteindelijke werkstuk (het huis) tot stand brengen.

Buiten het horen van verhalen in alle drie de klassen, waarin alles zo levendig   mogelijk beschreven wordt, is er natuurlijk voor alles een gepaste verwerking.   Versjes, geïmproviseerde en vaste toneelstukjes, recitaties, tekeningen en schilderingen laten alle aspecten van het onderwijs aan de orde komen. Voor de leerkracht is het een hulp dat hij bij het aanbieden van verhalen en de verwerking ervan, gebruik kan maken van de 4 temperamenten.

Om een voorbeeld te noemen: het cholerische temperament, waarbij de jambe (kort-lang) heel goed past, kan een hulp zijn bij het maken van een gedicht over de eik.

De eik

De eik die kan
de storm wel aan
ja stevig stoer
zo blijft hij staan

Of de flegmatische trocheus (lang~kort) bij de linde

De linde

Zie de grote lindeboom
staat verzonken
in haar droom
rond haar blaad”ren
rond haar kruin
ronde vruchtjes
geel en bruin

zie haar schaduw valt zo wijd
als haar kroon is uitgespreid,
of haar onbewogen laat
alles wat zij gadeslaat

Hoewel het misschien voor de hand lijkt te liggen dat je bij onderwijs over dit thema er veel op uittrekt om buiten te gaan kijken hoe de bomen er uitzien, gebeurt het toch vrij sporadisch. Bijvoorbeeld als een soort afsluiting van de periode.

Het is de bedoeling dat de leerkracht vooraf met zijn beeldend vermogen, vanuit z’n vertellen en vanuit de andere klassenactiviteiten iets oproept dat de kinderen herkennen.
(Wat fijn dat er bij ons zulke sterke eiken in de straat staan!) Of de ogen worden geopend voor wat er in de omgeving te zien is. (Die bomen op het kerkhof dat zijn échte treurwilgen).

Als de kinderen, naast het onbezorgd spelen en omgaan met planten en dieren, lucht en water, ook op een morele manier kennis met de natuur hebben gemaakt, kunnen ze er later ook gemakkelijker liefde voor opvatten.

Nu wil ik graag even teruggrijpen op het begin van dit stukje. De volwassene die naar kennis en geweten met de hem omringende wereld omgaat. De bodem voor het geweten wordt namelijk al heel vroeg gelegd. Dat is de gevoelsband met de natuur die het kind in zijn vroegste jeugd kan krijgen. De heemkunde tot het 10e levensjaar kan daar een waardevolle bijdrage aan leveren.

In de 4e klas gaat het objectieve kennisaspect een wezenlijker rol spelen. In plaats van dromend in de wereld op te gaan, ervaren de kinderen voor het eerst hun eigen ik tegenover de wereld.
.

(Mathieu Baeten, nadere gegevens onbekend)
.

Heemkunde: alle artikelen

Temperamenten: artikelen  onder nummer 15

Rudolf Steiner over vertellen; alle artikelen

.

480-443

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Links (andere websites en blogs)

.

ALGEMEEN: pedagogie en didactiek

Academie voor ouders

Antroposofisch leven

Inspiratie voor ouders

Luc Cielen

Pinterest
Heel veel afbeeldingen van allerlei vrijeschoolwerk, van algemeen tot per klas

Bordtekeningen
via doorverwijzing in het artikel naar You tubefilmpjes

DIERKUNDE
Fenomenologie
Website van Tom van Gelder – een aantal jaren gelden overleden –

(vrijeschool)LIEDEREN

PEDAGOGIE/DIDACTIEK
Remedial teaching: Audrey Mc.Allen

SPEL en SPEELGOED
www.verwonderland.nl   (o.a. houten (mens)poppetjes)
mijnverwonderland.blogspot.nl     (o.a. jaarfeesten; kleuters)

Een schatkamer voor peuters en kleuters m.b.t.
achtergronden en praktische mogelijkheden:
Hennie de Gans-Wiggermans

TONEEL
Begeleidingsdienst voor vrijescholen

VER. VOOR VRIJEOPVOEDKUNST
Toegang tot het archief met zoekfunctie

VERTELSTOF
In het bijzonder voor de 2e klas: heiligenverhalen
Hier vind je veel verhalen die op de vrijeschool verteld worden

VORMTEKENEN
Inspirerende vormtekeningen met uitleg

VRIJESCHOOLONDERWIJS
Academie voor ouders

Inspiratie voor ouders

Juf Anna

Praktijk voor ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning

VOORLICHTINGSFILMPJES
vrijeschool Alkmaar

vrijeschool Den Haag: bewegingsonderwijs

WALDORF IDEENPOOL
Veel lesvoorbeelden (in het Duits)

aanvullingen welkom: pieterhawitvliet  gevolgd door apenstaartje gmail punt com

,

479-442

.

.