VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 8e klas (2)

.

DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE

De gevolgen van de (verbeterde) stoommachine

De geboorte der Macht

Een vloek over alle uitvindingen opent het laatste hoofdstuk. – Met het gezang der ijzeren engelen besluit het boek, ~ Daartussendoor wordt de geschiedenis van het ijzer verteld, – James Watt verdubbelt de rijkdom der wereld en laadt zich daarvoor een miljoen schulden op de hals. ~ De geschiedenis van een eerzuchtige Schot, – Roebuck en Boulton, ~ De ijzerman uit Birmingham sluit zich aan bij James Watt en de stoommachine wordt werkelijkheid, ~ De ijzeren Murdock bokst een weg voor de machine, – Het geheim van het parallellogram. -De Lords moeten niet in de meelmolen dansen. – Boulton vertelt een monarch waar de koningen naar verlangen en wat het lot der komende eeuwen zal bepalen. – James Watt sterft, ~ De ijzeren engelen halen de Guillotine omver en de herwaardering van alle waarden begint.

«Ik vervloek alle uitvindingen die ik gedaan heb. » Dit bittere woord was vele jaren lang het avondgebed waar­mee Watt zich te ruste begaf en de spreuk waarmee hij de dag begon. Zijn uitvindingen hebben hem tenslotte toch nog tot een rijk man ge­maakt. Voordien echter brachten zij hem vaak aan de rand van de afgrond en stortten zij hem telkens weer in vertwijfeling en schulden.

Dat het leven van James Watt zo heel anders verlopen is als dat der mannen, die voor hem aan de stoommachine gewerkt hadden, dat hij ondanks alle zorgen toch nog een rijk man werd, lag aan de veran­deringen die er in de loop van de tijd plaatsvonden. De wereld en vooral Engeland bevond zich in een houtcrisis. Engeland, dat streed om zijn monopoliepositie, had ijzer nodig voor kanonnen en machines. Om ijzer te kunnen maken had men erts en kolen nodig. Het erts kon men desnoods nog wel bereiken, maar de kolen lagen onder het grondwater en het grondwater was niet meer uit de mijnen weg te krijgen. Dus nam men hout. De oude Engelse bossen werden zonder veel omslag omgehakt en tot houtskool verwerkt. Met de houtskool maakte men ijzer en met de ijzeren kanonnen streed Enge­land op zee en overzee. De feodale patriotten verlangden in het par­lement, dat er een einde zou gemaakt worden met de verwoesting van de bossen. Merry Old England vocht om zijn leven en verloor het. De oude gelukkige tijden der grondbezitters waren voorbij. Met de inheemse wol viel geen wereldpolitiek te maken. Als Engeland nog een wereldmacht worden en blijven wilde, moest het alle katoen­markten controleren, men moest meer katoen kunnen spinnen dan de anderen. Daarvoor had men machines nodig. De machines hadden ijzer nodig en ijzer was krap.

De wolwevers verbonden zich met de feodale heren, de grondbe­zitters raakten hun schapenwol niet meer tegen de goede oude prijzen kwijt en de wolwevers zagen zich bedreigd door de machines. Als men een moordenaar opknoopte, die vroeger wever geweest was, richtte hij van af de trap van de galg een toespraak tot het volk. Hij bekende zijn zonden en bezwoer, dat hij geen moordenaar geworden zou zijn, als de crisis in de wolweverij niet was gekomen. Zo was hij tot een misdadiger geworden en verdroeg de smaad, in een katoenen hemd te worden opgehangen. « Hangt met mij ook maar de katoen op », zo legden de grondbezitters en de wolwevers die laatste
woor­den van de stervende uit. Met deze pathetische wevers echter waren de oude tijden gestorven. Engeland moest door de houtcrisis heen, de strijd om de wereldmacht moest ten einde gestreden worden en daar het een strijd om ijzer en kolen was, kregen de industriëlen gelijk. Maar zij konden alleen dat gelijk houden, als het hun en de mijneigenaren gelukte meer ijzer te maken. Met de oude Newcomen-machines kon men niet zoveel water uit de mijnen halen als nodig was. En toen er een nieuwe uitvinding kwam opduiken, waarmee men beter water kon pompen, sprak het vanzelf, dat de industriëlen zich van haar moesten meester maken. Daar Watt er echter in ge­slaagd was, zijn uitvinding onder de bescherming van een patent te brengen, konden de industriëlen zijn uitvinding alleen gebruiken, als zij hem in hun winst lieten delen.

De vier gezichten van de ingenieur

Van Guericke tot Watt heeft het gezicht van de ingenieur heel wat veranderingen ondergaan, maar eerst sinds James Watt draagt het de trekken van de moderne tijd. Tot aan Otto von Guericke was de ingenieur tegelijk oorlogsgod en filosoof, een man, die wist hoe hij de wetten der mechanica moest toepassen en wapens kon maken. De burgemeester van Maagdenburg was een onafhankelijke, trotse bur­ger, die het niet nodig had, zijn ontdekkingen voor zijn boterham te exploiteren. Toen echter de macht der Hanze gebroken en de rijkdom der oude steden voorbij was, behoorde ook de trotse positie der oude oorlogsingenieurs tot het verleden.

De ingenieur werd, zoals Denis Papin, een halve hofnar, een man die merkwaardig speelgoed kon maken en springfonteinen aanleggen. Daarna, toen de vorsten zagen, dat zij van handel in mensen en van belasting op suiker alleen niet meer leven konden, werd de ingenieur bevorderd van hofnar tot minister. De vorsten stichtten academies, waarvan zij initiatieven voor de economische ontwikkeling van hun landen verwachtten en in het vrije Engeland tenslotte groeide de in­genieur op tot de middelaar tussen natuurwetenschap en economie, zoals wij hem tegenwoordig kennen en die de industriële revolutie heeft ingeleid.

James Watt is het voorbeeld van deze ontwikkeling. Gedurende de eerste helft van zijn leven is hij de geleerde dromer, die een dwaze idee najaagt, dan wordt de dromer een ontdekker en tenslotte ver­andert de ontdekker en uitvinder in een ondernemer, in een mede­bezitter van de grootste machinefabriek die er toen ter wereld be­stond.

Toen Watt zijn proefmachine klaar had, vermoedde hij al dat hem kwade tijden te wachten zouden staan en dat het er voor hem op aankwam, zo gauw mogelijk patent te nemen. Om de aanspraak op een patent te kunnen motiveren, moest hij de machine nog verder beproeven. Daartoe was vóór alles geheimhouding geboden. Zo werd de opgewekte verteller een wantrouwige zwijger. Hij vertrouwde alleen professor Black het geheim van zijn uitvinding toe. Black was een Schot zoals hij en een beproefde vriend. Hij had de mechanicus vaak kleinere en grotere sommen geld geleend en wat dat voor deze man betekende, kan men wel nagaan, als men hoort, dat hij, oud ge­worden, van zichzelf zei, dat het sparen van geld en het kapitalist worden hem veel plezier gedaan had.

james watt 9

Watt zei niet eens iets tegen zijn vriend Robison, die hem toch er toe had aangespoord zich met de stoom bezig te houden. Hij huurde in Glasgow een kelder, waarin hij zich opsloot met een oude lood­gieter en een nieuw model bouwde. De loodgieter kon hem niet veel helpen en Watt, de fijnwerker, moest ook smid en slotenmaker spelen. Met zijn zaak kon hij zich niet veel meer bemoeien en toen Craig, zijn vennoot, stierf, hief hij de werktuigkundige werkplaats op en trok zich met een assistent, John Gardiner, in een verlaten pottenbakkerij, die ver van de stad gelegen was, terug. Ingespannen werkend bouw­den zij beiden in twee maanden aan een stuk, alleen met behulp van een oude blikslager, een nieuwe, grotere machine. Maar ook deze voldeed nog niet aan de eisen van Watt. De cilinder van deze ma­chine was niet uitgeboord, maar uit plaatijzer gehamerd en gesol­deerd. Met deze cilinder moest men omgaan als met een rauw ei, terwijl gedurende het werk aan de machine de oude blikslager stierf en Watt en Gardiner in de kunst om ijzer te hameren lang niet zo bedreven waren als deze man.

james watt 10

Een ideale kapitalist gezocht

De verborgen arbeid kostte veel geld en het duurde niet lang, of Watt had een schuld van duizend pond. Black, die hem ondanks zijn spaarzaamheid graag uit de brand hielp, overlegde, dat het voordeli­ger zou zijn, als men Watt in contact bracht met een financier. Die geldschieter moest echter geen gewone kapitalist zijn, maar een gent­leman, die zijn partner zou weten te waarderen, het beste was na­tuurlijk een Schot. Professor Black had veel vrienden in de industrie. Toen hij ze allemaal had nagegaan, wist hij, dat alleen Dr. Roebuck de juiste man was. Roebuck, van huis uit een scheikundige en oprich­ter van een beroemde zwavelzuurfabriek, was niet alleen een succes­vol ondernemer, maar ook een eerzuchtig patriot. Hij dacht er over na, hoe men Schotland rijk zou kunnen maken en vond, dat het goed zou zijn, de ijzerindustrie te bevorderen.

Met het grote vermogen dat hij als zwavelzuurfabrikant en als eigenaar van een porseleinfabriek had verworven, bouwde hij aan de rivier de Carron in Schotland een hoogoven. Deze hoogoven werd de kern van een geweldige ijzersmelterij. Dr. Roebuck had uit Enge­land de beste smeden en metaalgieters bij elkaar gehaald, en de producten van zijn ijzersmelterij werden bijna zo beroemd als die van Birmingham. Voor zijn hoogovens had Roebuck kolen nodig en daarom had hij mijnen gekocht. Maar aan deze mijnen ontbrak weer een goede ontwateringsinstallatie.

Black schreef aan Roebuck. De stichter van de Carronmaatschappij zag onmiddellijk de mogelijkheden en richtte een brief aan Watt, waarin hij hem, met alle felheid waarover hij beschikte, ertoe aan­spoorde, de machine zo gauw mogelijk klaar te maken. Roebuck zag al, hoe Schotland door die machine zou groeien. Watt antwoordde, dat hij moeilijkheden had met de cilinder. Roebuck vroeg om gede­tailleerde tekeningen en toen probeerden de beste smeden en gieters van de Carronfabriek een zuiger en een cilinder precies zo te maken als Watt ze wilde hebben. De poging mislukte. Toen Watt het werk­stuk zag, vond hij zijn plaatijzeren cilinder toch nog beter.
Dr. Roe­buck was een man. die snel warm kon lopen voor een idee.
Daaren­boven beschikte hij over het zeldzame vermogen, zijn geestdrift fris te houden. Toen James Watt door de mislukte cilinder van de Car­ronfabriek teleurgesteld en terneergeslagen was, monterde Roebuck hem weer op en stelde voor, hem en zijn werk zolang te financieren totdat de machine compleet zou zijn, zoals Watt ze hebben wilde.

Roebuck’s echtgenote zei later, dat Watt wel zijn eigen uitvinding zou hebben laten schieten, als Roebuck met zijn optimisme er niet geweest was. Daar zal wel veel waars in schuilen. Watt was lang niet meer zo van zichzelf overtuigd als eerst. Hij had zijn zaak eraan gegeven en de gedachte voor een ijdele plannenmaker gehouden te worden, drukte hem toch wel heel erg.

Tenslotte nam Watt het aanbod van Roebuck aan, maar hij maakte een beperking. Roebuck zou de proeven en de kosten voor het patent betalen, zijn levensonderhoud echter wilde Watt alleen verdienen. De grootmoedige Roebuck was te fijngevoelig om verder bij Watt aan te dringen en liet de stijfkop maar lopen, nadat hij een overeenkomst met hem was aangegaan, volgens welke hij alle kosten voor de ma­chine op zich zou nemen en daarvoor voor twee-derden in de winst zou delen. Dat de machine geld zou opleveren, daar viel in de eerste tijd niet aan te denken. Roebuck was dus besloten, een zaak te financieren, die hij aanvankelijk voor een stokpaardje moest houden.

James Watt trok het land door en nam werk aan, waar hij het krijgen kon. Hij bouwde de Clydebrug bij Hamilton, bouwde kranen en haveninstallaties en verhuurde zich tenslotte als landmeter voor een jaarloon van tachtig pond. Langzaamaan verbeterden zich zijn omstandigheden. Hij slaagde erin, aandeelhouder in een kleine pot­tenbakkerij te worden en toen hij werk voor het Monklandkanaal aannam, waar hij de leiding had van honderd arbeiders, verdiende hij vierhonderd pond per jaar. Die pret duurde niet lang, want het werk aan het kanaal stokte. Watt werd ontslagen en moest tenslotte onder slechtere voorwaarden opmetingsarbeid verrichten bij de aanleg van het Kaledonische kanaal.

Terwijl hij ver van zijn gezin, in regen en mist en sneeuw en storm rondtrok, werkte men aan de Carronrivier verder aan de ma­chine en telkens, als Watt maar even kon, bracht hij een vrije dag door bij Roebuck. Zij werkten samen aan de machine en dan haastte hij zich weer naar zijn waterpasinstrumenten terug en leefde een el­lendig leventje, daar hij van zichzelf moest bekennen, dat hij nog liever voor een geladen kanon ging staan, dan een rekening op te zetten of een overeenkomst te sluiten, die hem verantwoordelijk maakte.

De ware ijzerman verschijnt

Intussen was er een nieuwe man komen opduiken, die voor het leven van Watt en voor de completering van de stoommachine van de allergrootste betekenis werd. Het was Matthew Boulton, een Engelsman uit Birmingham, een ijzerman in iedere betekenis van het woord. De Boultons waren in Birmingham, het vaderland der be­roemde smeden en metaalgieters, zeer vooraanstaande mensen.

In Birmingham waren er al in de vijftiende en zestiende eeuw ver­maarde messenmakers en metaalgieters geweest en hun traditie had zich in de zonen en nazaten voortgezet tot in de jongste tijd. Nergens waren betere ijzerdeskundigen te vinden en Matthew Boulton was de beste van allemaal. Zijn vader had een fabriek van metaalwaren bezeten, waarin hij als deelgenoot werd opgenomen toen hij nog maar zeventien jaar was, daar hij zijn vader bewezen had, dat zijn nieuwe inzichten in de fabricatie van horlogekettingen beter waren dan de oude methoden. Toen zijn vader stierf erfde Boulton een groot vermogen en trouwde hij met een rijke dame. Hij had niet meer behoeven te werken, maar het ijzerduiveltje liet hem niet met rust.

Boulton breidde allereerst de fabriek van zijn vader verder uit en zag toen in dat de uitbreidingsmogelijkheden daarmee ook uitgeput waren. Hij kocht het landgoed Soho, twee mijlen van Birmingham verwijderd en richtte daar een ijzerfabriek op die haar gelijke niet had. Achthonderd arbeiders waren bij Boulton aan het werk en twee waterraderen draaiden de walsen, poleerschijven en slijpstenen. Boul­ton maakte kunstwerken en de Sohofabrieken werden door hun kwa­liteit en fraaiheid wijd en zijd beroemd. Hoe groter de fabriek echter werd, des te ontoereikender werd de waterkracht. Boulton zocht naar een stoommachine. Hij zelf had wel een idee, hoe een dergelijke ma­chine moest werken en hij schreef daar ook over naar Benjamin Franklin. Maar overigens bleef hij ijverig rondkijken en toen hij hoorde, dat Dr. Roebuck in de Carron-fabrieken aan een machine bezig was, vroeg hij schriftelijk om inlichtingen daarover en kreeg toen de naam van James Watt te horen.

Van dat ogenblik af kenden Watt en Boulton elkaar. Zij corres­pondeerden. Maar hun poging om elkaar persoonlijk te leren kennen mislukte. Watt maakte een reis naar Soho. Boulton was juist afwe­zig, maar Dr. Small, een dokter die zich in Birmingham gevestigd en grote faam verworven had, een vriend van Boulton was en later ook met Watt in hartelijke relatie stond, liet de landmeter de beroemde ijzerfabriek zien. Watt viel van de ene verrukking in de andere. Hier zag hij eindelijk de geschikte smeden, waar hij zo naar verlangde, de wonderbaarlijke boormachines en alle hulpmiddelen waar men in de Carronfabrieken niet over beschikte. Toen Watt en Boulton elkaar eindelijk leerden kennen, kregen zij van stonde af aan een diepe sym­pathie voor elkaar en bleven van dat ogenblik af hun hele leven lang in nauw contact met elkaar.

Met Roebuck liep het slecht af. Wel had hij het patent voor de stoommachine in 1769 doorgezet en de patentakte, die James Watt daarvoor had opgesteld, wordt ook thans nog door iedere ingenieur met bewondering gelezen, omdat zij alle toepassingsmogelijkheden van de stoom vooruitzag en ook de hogedrukstoommachine omvatte en de uitzettingskracht van de stoom.

Die patentakte echter, met haar rijke, financiële mogelijkheden, was voor Roebuck dood kapitaal. Dat zou zo erg nog niet geweest zijn en hij zou het werk aan de machine ook verder financieel hebben gesteund als andere ondernemingen en telkens nieuwe stichtingen hem niet zo diep in de schulden gebracht hadden, dat hij tenslotte failliet ging. De geldzorgen van Roebuck maakten de zenuwachtige Watt hoe langer hoe melancholieker. Hij probeerde zich door arbeid uit zijn neerslachtigheid te redden en vond daarbij onder meer de kopieerpers uit. Maar het werd niet beter met hem en in de herfst van 1773, toen hij drie dagen lang door de regen had rondgelopen, kreeg hij ook nog bericht dat zijn vrouw was overleden.

Watt haastte zich naar huis, begroef zijn vrouw en bracht zijn kinderen bij familie. Toen hij vierendertig jaar werd, had hij ge­schreven : « Vandaag treed ik mijn vijfendertigste jaar binnen en ben voor de wereld nog voor geen vijfendertig cent van nut ge­weest. » Dat was in 1770 geweest. In 1773 stierf zijn vrouw en Roe­buck ging failliet. Watt bleef nog een jaar bij de geruïneerde onder­nemer. Boulton had Roebuck vierentwintighonderd pond geleend. Hij gaf de uitgeschakelde man er nog tweeduizend bij en nam als tegenwaarde daarvoor de rechten van Roebuck in de patenten van Watt.

Boulton schreef aan Watt, dat hij geen overdreven verwachtingen van de machine koesterde, maar aangezien hij als oud ijzerdeskundige geoefend was in de kunst van het experiment, wilde hij haar wel op haar « goudgehalte » onderzoeken. « Zij is nu een schaduw, alleen maar een idee, en het zal tijd en geld kosten, om er iets van te ma­ken. »

Watt in het Lagerhuis

In het midden van 1774 verhuisde Watt naar Birmingham en de beide mannen, geholpen door Dr. Small die zij om raad vroegen, be­studeerden alles nog eens nauwkeurig en kwamen tot de overtuiging, dat de enige man, die de cilinder voor de machine kon gieten, John Wilkinson in Bersham was. Deze beroemde ijzergieter stond ook als constructeur van grote boormachines bekend. Het werk van Wilkin­son was echter niet goedkoop en alvorens Boulton nieuw kapitaal stak in een onderneming, die hem al meer dan vierduizend pond ge­kost had, wilde hij gedaan krijgen, dat de patenttermijn, die op veertien jaar gesteld was, verlengd zou worden. Zes van de veertien jaren waren al verlopen, en daarom reisde Watt in het voorjaar van 1775, voorzien van wijze raadgevingen van Small en met geld van Boulton, naar Londen. Watt diende een verzoekschrift in voor de verlenging van zijn patent tot 1800 en werd op 28 februari 1775 in het Lagerhuis ontboden om zijn verzoek voor de afgevaardigden te motiveren. Voor politici had hij evenveel schrik als voor kooplieden. Hij noemde hen trage geesten. Maar het lukte hem toch hen voor zich te winnen. Tegen het verzoekschrift van Watt was door de vertegen­woordigers der mijneigenaren een heftig protest ingediend. Zij ver­klaarden de verlenging van het patent voor een monopolie en ver­langden de spoedige vrijgave van de uitvinding. Watt zette in zijn antwoord de moeilijkheden uiteen, die hij moest overwinnen, en dat hij voor alle moeite, die hij tot nu toe voor het algemeen welzijn had gedaan, geen dank zou krijgen als men zijn patent niet verlengde. Het parlement stond hem daarop patentbescherming toe tot het jaar 1800. Doodgelukkig keerde Watt naar Birmingham terug en Boulton ontving hem met de treurige mededeling, dat Dr. Small gestorven was.

Wilkinson in Bersham verklaarde zich bereid, de cilinder voor de machine te gieten, als de firma Boulton en Watt de eerste machine voor hem zouden bouwen. Hij had een machine nodig voor de blaas­balgen die zijn hoogoven van lucht voorzagen. Boulton en Watt wer­den het met Wilkinson eens en de ijzergieter goot een cilinder van achttien duim, die alles overtrof wat er tot dan toe ooit aan cilinders gemaakt was. Hij boorde hem met een apart daarvoor geconstrueerde machine uit. In 1776 kwam de cilinder klaar en de eerste stoomma­chine kon gebouwd worden. Zij werkte zo wonderbaarlijk, dat de roem van de firma Boulton en Watt in midden-Engeland hecht ge­vestigd was. De machine voor Wilkinson was een zo krachtige pro­paganda, dat Boulton en Watt de bestellingen nauwelijks afkonden, die van alle kanten, van mijneigenaren en smelterijen binnenkwamen.

In Londen werd de triomftocht der machine een halt toegeroepen. Het ingenieursgenootschap in Holborn, waarvan de beroemde Smeaton de leider was, zei, dat er geen werktuigen en geen arbeiders wa­ren, die in staat zouden zijn het gecompliceerde mechanisme der machine van Watt te bouwen en te bedienen.

Boulton beantwoordde deze woorden met de daad. Hij spoorde Watt aan in een Londense jeneverstokerij een stoommachine op te stellen en die machine werkte zo goed, dat Smeaton zijn tegenstand opgaf en voor het vervolg een vriend van Watt en Boulton werd.

Dit was de stoommachine:

De machine, vergeleken met het eerste proefmodel, was al zeer volmaakt. Watt had al gauw ontdekt, dat de buitenlucht, die op de zuiger drukte, de cilinder nog altijd teveel afkoelde en was er daarom toe overgegaan, de cilinder aan de bovenkant af te sluiten. Daarvoor werd een pakkingbus gebruikt, door welker bovenste ope­ning de zuigerstang heen en weer kon bewegen. De buitenlucht kwam nu he­lemaal niet meer met de zuiger in aanraking. Niet meer de atmosfeer drukte de zuiger omlaag, maar de stoom, die Watt met een kracht van anderhalve atmosfeer van boven af in de cilinder liet stromen op het ogenblik dat zich onder de zuiger het vacuüm gevormd had. Door deze verbetering was de oude « Newcomen-vuur-en-lucht-machine » voorgoed tot een stoommachine gewor­den, want thans deed de kracht van de stoom, wat tot nu toe bij de atmosferische machine de lucht gedaan had.

james watt 11

Dit is de grote daad van dat ogenblik : de stoom werd niet alleen gebruikt om het luchtledig te vormen, maar ook voor de beweging van de zuiger. De precieze benaming van de machine luidt: « Watt’s enkelvoudig werkende stoommachine». De enkelvoudig werkende stoommachine tot een dubbele te maken vereiste slechts een stap. Er hoefde niets anders te gebeuren, dan ook de bovenste cilinderruimte op de condensator aan te sluiten, om zo afwisselend het luchtledig boven of onder de zuiger te veroorzaken. Later isoleerde Watt de cilinder niet meer tegen koude lucht met een houten mantel. Hij legde om iedere cilinder een mantel van plaatijzer. Tussen de ijzeren mantel en de cilinder bevond zich stoom.

Deze verbeteringen lijken heel eenvoudig, maar in werkelijkheid waren zij zeer moeilijk. De zuiger trok de balans omlaag. Naar boven stoten kon hij ze niet, omdat de verbinding tussen de balans en de zuigerstang een ketting was. De slappe ketting kon de stoot van de zuiger niet op de balans overdragen. De zuigerstang direct met de balans verbinden ging niet omdat de zuigerstang dan al bij de eerste stoot zou zijn gebroken. De zuigerstang gaat immers recht naar bo­ven. Ieder punt van de balans echter beschrijft een cirkelboog. Er moest dus een schakel tussen de zuigerstang en de balans gevonden worden, die de rechte stoot van de stang op de balans zou kunnen overbrengen. Watt vond die schakel later. Het was zijn parallellogram.

Voorlopig echter voldeed de enkelvoudig werkende stoommachine aan alle eisen. In deze eerste vorm werd zij de redster van de mijnen in Cornwall. Deze eerste machines waren het, die men de « IJzeren Engelen » noemde of de « Zwarte Duivels ». Watt verbleef jaren achtereen in het mijndistrict van Cornwall, waar hij de ene ma­chine na de andere bouwde, waar hij en zijn monteurs voortdurend tegen de vijandschap van de arbeiders hadden te vechten en waar hij gedurende de nachten dat hij niet door hoofdpijn geplaagd werd, de ene verbetering na de andere bedacht.

Toen kwam er een smid bij Boulton en Watt. Hij heette William Murdock. De firma stelde hem in dienst omdat hij « een hoed vol eigen ideeën » meebracht. Van eenvoudig arbeider werd Murdock tot eerste ingenieur en bedrijfsleider van de machinefabriek Boulton en Watt. Murdock is de man, die de eerste locomotief gebouwd heeft, die het planetenraderwerk uitvond en die ook een der eersten was die het gas voor verlichtingsdoeleinden gebruikte. Toen hij dood was werd hij naast Watt en Boulton in de kerk van Handworth bijgezet. Murdock, een reus van gestalte, was de zoon van een molenbouwer; hij had een gelijkmoedig temperament en bezat grote geestelijke gaven. Hij trad met een weekloon van vijftien shilling bij de firma in dienst, had jarenlang ondanks zijn grote prestaties slechts een week­loon van een pond en kwam toen, zodra hij bedrijfsleider van de machinefabriek werd, en zevenhonderd arbeiders onder zich had, tot een vast inkomen van duizend pond per jaar. Het is moeilijk te over­zien, hoe Boulton en Watt in het mijndistrict van Cornwall alle moeilijkheden onder de knie gekregen zouden hebben als Murdock er niet geweest was. Waar de nieuwe machine in bedrijf gesteld werd, ontstonden er opstootjes, bestormingen en vechtpartijen. De « ijzeren Murdock » joeg alle aanvallers echter op de vlucht en ten­slotte had hij een afrossysteem bedacht, dat tegelijk met de in bedrijfstelling van de machine werd toegepast.

Waar de boden van de nieuwe tijd, de machinebouwers van de firma Boulton en Watt, tegenstand ontmoetten, daar trad William Murdock naar voren en verklaarde, dat hij bereid was, met de sterk­ste onder de machinebestormers een partijtje te boksen gedurende zoveel ronden als men maar hebben wilde. Aan een dergelijk voorstel kan geen Engelsman weerstaan, ook als hij een machinebestormer is. Murdock bokste en won altijd. Meestal was één partij voldoende, maar af en toe moest hij drie- tot viermaal optreden, omdat er altijd nog waren, die de machine of Murdock te lijf wilden.

Murdock ging helemaal in de machine op. Als de andere machine­bouwers, trots op  het feit dat zij bij de beroemde firma Boulton en Watt werkten, zich in de herbergen verzamelden en in een bodem­loze roes vielen, zat Murdock peinzend voor de machine. Op zekere nacht, toen hij vroeger was gaan slapen, klonk er een hevig kabaal uit zijn kamer en toen zijn vrienden gingen kijken om te zien wat er aan de hand was, lag Murdock slapend, maar hardop pratend op de grond. Hij was uit het bed gevallen en riep : « Jongens, de machine loopt! Ze loopt -! »

De mijnwerkers waren de vijanden van de machine. De onderne­mers waren de vrienden van de ijzeren engelen, maar hun vriend­schap was zeer eenzijdig. Zij bestelden de machine in massa, maar zij betaalden ze niet graag. Watt moest alle mogelijke listen verzin­nen om aan geld te komen. De ondernemers zeiden, dat zij wegens hun schulden geen liquide middelen hadden en Watt stelde hun voor de machines met kolen te betalen. Daar verklaarden zij zich mee akkoord en Watt kwam met hen overeen, dat hij een derde van alle kolen zou krijgen, die zijn machines minder verbruikten dan de oude Newcomenmachines. Maar toen de mijneigenaren zagen, welke
ge­weldige kolenbergen zich ten gunste van Watt ophoopten kregen zij er weer genoeg van.

Hoe Watt met zijn machines de kolenproductie heeft doen toene­men, moge een getal aantonen. De machine haalde zoveel water uit de mijn, dat de schachten van de mijnen in Cornwall binnen korte tijd zes en dertig meter dieper konden aangelegd worden.

De geschiedenis van het ijzer

Wij laatgeboren kinderen van het technische tijdperk aanvaarden ijzer als iets vanzelfsprekends. Voor ons is een ijzeren brug iets heel gewoons en dat heel de aardbol met talloze ringen van spoorrails helemaal als het ware omsmeed is, lijkt ons nauwelijks het opmerken waard. De geweldige hangbruggen, die rivieren en zee-inhammen overspannen en die men vijftig (in 2014  honderd) jaar geleden nog als wereldwonderen beschouwde, zijn voor ons alledaagsheden geworden. Dat men sche­pen niet meer van hout, maar helemaal van ijzer maakt, dat de skelet­ten van onze huizen van ijzer zijn, dat men zelfs metselstenen van ijzer maakt, dat er overal ijzer is, waar wij ook kijken, vinden wij zo natuurlijk alsof het altijd zo geweest is.

Dat een Assyrische koning tweeduizendvijfhonderd jaar geleden een ijzerschat bewaarde, die hem kostbaarder voorkwam dan alle goud, lijkt ons onbegrijpelijk. Wij kunnen haast niet geloven, dat de held der Griekse sage Achilles om een klomp ijzer van veertig pond een andere held versloeg en toen juichte, omdat hij en de zijnen, herders en ploegers, nu zoveel ijzer hadden, dat zij vijf jaar lang niet meer naar de stad hoefden te gaan. Iedere ploegschaar, iedere lans­punt van ijzer was een kostbaarheid. En toen Alexander de Grote temidden van zijn met bronzen wapens uitgeruste krijgers zich opmaakte voor zijn tocht naar het Morgenland, droeg hij, de Koning, als enige een stalen helm. Alle anderen hadden slechts een helm van brons.

Wat het ijzer eens betekend heeft, kunnen wij misschien opmaken uit die regel van Homerus, waar de grijsaard zijn zoon, voordat het feestmaal der soldaten begint, het bevel geeft, de wapens van de muur te nemen : « Want ijzer trekt mannen aan ! »

Het ijzer trekt de man niet alleen aan, omdat men er de beste wapens uit maken kan, maar omdat er een geheimzinnige macht in schuilt. Al onze betekenissen voor ijzer en erts zijn terug te brengen tot het sanskriet-woord « Ayas ». Het betekent : het lichtende. Ayas heeft zich gesplitst in isen, eisarn, iron, jarn, hierro, ferrum en fer, dat zijn woorden voor ijzer, en in éren en ehern, wat hetzelfde bete­kent als eer.

De Indiërs hadden het al in de oudste tijden zo ver gebracht in de smeedkunst, dat zij in de vierde eeuw na Christus ter ere van
Tsjan-dragoepta II een smeedijzeren zuil van veertig centimeter doorsnee en zeven en een kwart meter hoogte oprichtten. Die zuil staat er nu nog en tot het begin van de negentiende eeuw beschouwden de mensen haar als de grootste merkwaardigheid. De zuil, die in Delhi staat en de Koetoebzuil genoemd wordt, weegt honderdtwintig centenaar en tot de Parijse wereldtentoonstelling van 1855 gold zij als het grootste ijzerblok ter wereld. Op de wereldtentoonstelling vertoonde de staalgieterij uit Bochum echter twee staalblokken van elk honderdvijftig centenaar en in 1861 verblufte Alfred Krupp de hele wereld door het feit, dat hij voor het smeden van zijn zware blokken gietstaal de stoomhamer « Fritz » gebruikte, die duizend centenaar woog. Vier jaren later waren er in Engeland en Amerika al stoomhamers van tweeduizend centenaar en in 1891 hadden de Bethlehemstaalwerken een smeedhamer van tweeduizendvijfhonderd centenaar. Het aam­beeld daarvoor woog bijna vijftigduizend centenaar. Dat was de grootste hamer van de wereld. Na enkele jaren werd hij buiten
ge­bruik gesteld, omdat hij op slechte fundamenten stond en men ingezien had, dat smeedpersen dezelfde dienst deden als de stoomhamers en de grote aambeelden hoofdzakelijk ontstaan waren om de mensen te bewijzen hoe rijk de negentiende eeuw aan ijzer was.

In de Zuidzee en in Afrika wordt de bereiding van ijzer tegen­woordig nog als toverij beschouwd. Op vele plaatsen moeten degenen die ijzer bereiden zich onthouden van al wat onrein is. Zij moeten heilig en in onthouding leven als priesters, en dat het in de oudheid eveneens zo geweest is bewijst Isaias 44, vers 12 : « De smid neemt zijn gereedschap en maakt het vuur gereed. Met hamers geeft hij het beeld zijn vorm en werkt eraan met krachtige arm. Maar hij lijdt honger en raakt uitgeput, en drinkt ook geen water, al versmacht hij van dorst. »

Kettingen rond de kerken

De oude opvattingen over de heiligheid van het ijzer hebben zich ook in de christelijke godsdienst tot in de achttiende eeuw gehand­haafd. De katholieke kerk heeft een heilige, aan wie ijzer geofferd werd en waar er nu in de kerken van deze ijzerheilige teveel ijzer opgehoopt werd, lieten de priesters er kettingen van maken en die grote kettingen op stenen blokken om de kerk heen trekken. Zo vin­den wij ook tegenwoordig nog veel kerken met ijzeren kettingen om­gord en weten niet meer waar dat vandaan komt. IJzer omgeeft ons in overvloed en de gedachte dat de ijzerenring om de kerken heen de Boze zou hebben kunnen afschrikken komt ons onbegrijpelijk en als uit lang vervlogen tijden voor.

De voorname Spartanen en de vrije Romeinen droegen als teken van hun onafhankelijkheid ijzeren vingerringen. De wapens waar de Romeinen de hele wereld mee onderworpen hebben, de werpspietsen met de lange ijzeren punt, hebben zij aan de Etruskers te danken. De Etruskers waren al vroeg op de hoogte van de bereiding van ijzer. Met hen oefenden de Galliërs zich in de smeedkunst. Zolang de Ro­meinen aan het ijzer hebben vastgehouden, bleven zij machtig. Maar toen zij hun ijzeren vingerringen voor gouden ringen verwisselden, begon hun val. Brennus veroverde Rome en lachend wierp hij het zware ijzeren zwaard der Galliërs in de weegschaal; zo bepaalde het ijzer de hoeveelheid goud die er moest worden opgeleverd.

De Grieken hadden in hun sagen de smid Hephaestus of Vulcanus onder de goden opgenomen. Hij was gespierd en had een geweldig behaarde borst, maar dunne benen en een hoge rug. Bij de Germanen heet Hephaestus « Wieland ». Hij is een dwerg en smeedt het zwaard Mimung. Wieland heeft met de smid Aemilias gewed, dat Mimung de ijzeren wapenrusting van Aemilias glad zal doorsnijden. Voordat dit beproefd wordt, probeert Wieland zijn zwaard nog eens. Hij wil zien of het ook wol, die op de rivier drijft, glad kan doorsnijden. Dan zet hij de vijl op het zwaard, omdat de scherpte hem niet voldoet, hij vijlt het zwaard helemaal op, kneedt de spanen met meel en melk ondereen en geeft het deeg aan de mestvogels te eten. Van de mest smeedt hij een nieuw zwaard, vijlt het nogmaals op en geeft het an­dermaal aan de vogels te eten. Dan smeedt hij Mimung voor de derde keer, gaat achter Aemilias staan, legt heel zachtjes het zwaard op diens helm en snijdt helm, man en harnas netjes in twee helften. Aemilias merkt er intussen niets van. Hij heeft alleen het gevoel alsof er koud water over zijn lijf loopt. Maar als hij zich dan even beweegt valt hij in twee stukken.

james watt 12

In zijn « Geschiedenis van het IJzer » vertelt Otto Johannsen, dat ook de Arabische zwaardensmeden uit de Middeleeuwen zulke kunst­jes kenden als Wieland en dat de smid het opgevijlde zwaard door de ganzen liet opeten, opdat het maagzuur de zachte delen van het ijzer zou vernietigen en alleen het beste staal zou overblijven.

Het ijzer was in die oude tijden zo kostbaar, omdat het erg moeilijk was, ijzer te maken. De heiligheid ervan valt af te leiden van de meteoorstenen. De mens zag het stuk van een ster uit de hemel op de aarde vallen en als hij die groet van de goden nader ging bekijken, zag hij dat er ijzer uit de hemel was gevallen. De meteoorstenen wa­ren de enige grote stukken ijzer, die de mens kende. Zuiver ijzer vindt men zelden in de grond en waar de mens het in kleine stukken aantrof, bemerkte hij de verwantschap van het metaal met het uit de hemel gevallen erts en vereerde het als iets goddelijks. De Egyptenaren hebben in hun schilderwerken het ijzer altijd blauw voorge­steld. Blauw is de kleur van de hemel.

Als de mens ijzer wilde hebben, moest hij de ertshoudende stenen smelten. In het vuur en onder de hamer moest hij het ijzer van de slakken bevrijden. Daarom bouwde men ook hutten met ovens erin. die alleen dienden voor de ijzerbereiding. Maar welk een verschil ligt er tussen onze hoogovens en de ijzerhutten uit de oudheid, die er waarschijnlijk zo hebben uitgezien als die welke nu nog in de Zuidzee en in Afrika voorkomen.

james watt 13

Reeds vroeg zag de mens in, dat het niet goed is, steenkool en ijzererts samen te brengen of het ijzer met houtvuur te smelten. De zwavelgassen maakten het ijzer bros. Zo kwam men op de idee, het hout eerst in stapels te verkolen en dan de houtskool met het ijzererts in een oven te doen. Het houtskoolvuur moet worden aangeblazen om een hoge graad van warmte te verkrijgen. IJzer heeft een hoger smeltpunt dan koper.

De long als blaasbalg

De eerste blaasbalg was de menselijke long. De mens blies het vuur aan door een buis en later kwam men op de gedachte, dat een leren zak de lucht kan vasthouden. De leren zakken werden dan met de voeten betreden en wel afwisselend zo, dat zij eerst lucht inzogen en dan uitbliezen. Met zulke blaasbalgen hebben de Egyptenaren eeu­wenlang gewerkt.

Waar men zich met de natuurlijke trek van het vuur behelpen moet, omdat er geen blaasbalgen zijn, daar wordt het ijzer niet zo goed. Men moet het, om de weke delen van het begeerde staal te scheiden, in de grond begraven en wachten totdat al het weke er uit geroest is. Dit langdurige, maar zekere proces hebben de Japanners gevolgd. Wie gauwer aan ijzer wilde komen, moest het met hameren reinigen. Daartoe neemt men de met kolen en slakken vermengde ijzermassa uit de afgekoelde oven, verhit de massa in een smidsvuur en slaat er zo lang met de hamers op totdat het onzuivere verdreven en het brosse vast geworden is.

Van deze primitieve techniek der ijzerwinning hebben de oude volkeren een hoogstaande en geheimzinnige kunst gemaakt, en thans nog leggen de negersmeden amuletten onder het aambeeld en rond de ijzeroven. Ondanks alle moeite en alle kunst, alle bezweringen en to­verformules ten spijt, kon men toch maar weinig ijzer maken. Als de oven vierentwintig uren gebrand had, kwam er eindelijk een stuk ijzer uit, niet groter dan een suikerbiet.

Bezielde zwaarden

Doordat het ijzer zeldzaam was en moeilijk te vervaardigen, kwam het dat de mensen de smeden onder de goden plaatsten en het zwaard voor heiliger hielden dan de held. Wie ijzer bezat, kon andere men­sen onderwerpen. Hij kon hen dwingen voor hem te werken. Met het hemelse ijzer echter, met het heldere, stralende Ayas kon de mens ook Satan tegemoettreden en al die afschuwelijke hellemonsters over­winnen, die de weg van de mens met hun giftige adem versperren en verpesten. Zo gaat Siegfried, de held, naar Mime, de smid ; de smid leert hem een zwaard te maken. Doordat hij een smid wordt, beter dan alle anderen, kan Siegfried een held zijn, groter dan alle anderen. Met het zwaard Nothung in de vuist, treedt Siegfried op de draak toe en velt hem.

De Franken vochten met slagbijlen, die zij « Franziska » noemden, de Saksers met een mes, dat « de Sakser » heette. De sakser werd in de strijd geworpen en de oude liederen verhalen ervan, hoe de vlie­gende messen de held de lokken van het hoofd maaiden. Het lievelingswapen der Germanen was echter het lange zwaard, Wieland’s « Mimung », Siegmund’s « Gram », die het aambeeld van Regin deed splijten, « Nothung » waarmee Siegfried de draak versloeg,
« Nagelin » van Beowulf en « Dürnhardt» waarmee Roland de rotsen van de Pyreneeën kliefde. Deze zwaarden waren niet levenloos, maar het waren door God bezielde wezens en werkelijk konden die wa­pens voor heilig gehouden worden, daar alleen de voornamen ze bezaten en wijl alleen de vorsten lange zwaarden mochten dragen.

james watt 14

De onvrije mocht geen ijzeren wapens hebben en Karel de Grote zwaaide de machtigste klink die er ooit bestaan heeft. Het lemmet was negentig centimeter lang en een griezelige sage vertelt, dat de keizer er het lichaam van de gevangenen mee mat en iedereen liet onthoofden, die van aan de heup tot de schedel langer was dan het zwaard.

Eerst kanonnen, dan machines

Zo heersten de groten dus over de kleinen met het ijzer en hun heerschappij werd pas gebroken toen er meer ijzer kwam. De water­raderen en het kruit hebben de geschiedenis van het ijzer een nieuwe prikkel en een andere wending gegeven. Met de molens, met de kracht van het water en van de wind, konden grotere blaasbalgen bewogen worden dan met de zwakke kracht van de mens. De grotere blaasbalgen wakkerden de houtskool tot grotere gloed aan. Men kon grotere ovens bouwen, « hoogovens » noemde men ze en de grotere hitte daarin leverde beter ijzer op. Het betere ijzer werd met de ontploffingskracht van het kruit over grote afstanden weggeslingerd. « De eerste kanonnen », zegt Conrad Matschoss, « schoten het saluut in van een nieuwe tijd. » Het kanon ruimde meteen de vele kleine heren op, die het leven der mensen onderdrukten, de wolven vraten elkaar op en alleen de sterksten bleven over. Zo werden de verhou­dingen eenvoudiger. Achter de kruitdampen vernevelden de blinken­de wapenrustingen van de ridders, hun burchten stortten ineen en de zwaarden roestten in de handen der dode heersers.

james watt 15

Wat vroeger het zwaard geweest was, dat werd tot een nieuwe god omgesmeed. Het gedreun der schilden en het gerinkel der wa­pens werd overstemd door het machtiger geluid der kanonnen en wie de meeste bezat, die bezat het recht en de ware godsdienst. Zoals in Europa de macht van de ridderschap voor de macht van de kanon­nen ineenstortte, zo stortte voor de Europese kanonnen ook de heer­schappij der gekleurde volkeren over het Morgenland ineen.
De Mo­hammedanen waren uitgetrokken met de zeven zwaarden van de profeet, om Azië aan zich te onderwerpen. Met hun stalen sabels kliefden de Khans de buiken van de Boeddhabeelden open en lieten goud en edelstenen uit het lichaam der goden rollen. Hoe beter wa­penen de Mohammedanen smeedden, des te hopelozer werd de strijd der boeddhisten om hun vrijheid. De uiteindelijke overwinning der Moslems scheen reeds zeker, toen de Engelse kanonnen in Indië hun stem verhieven en alle andere strijders het zwijgen oplegden.

De Europese volkeren waren niet de enige, die grote smeltovens bouwden en in die smeltovens door blaasbalgen grote hitte konden verwekken. Ook de Chinezen bezaten hoogovens en ook het kruit hadden zij uitgevonden. Zij hadden het ijzer echter alleen nodig voor de ouderwetse, kinderlijke behoeften; zij maakten er sieraden van, zwaarden en ploegscharen en het kruit gebruikten zij om er kleurig vuurwerk van te maken.

De Europeanen echter goten kanonskogels van het ijzer dat uit hun hoogovens stroomde en gebruikten het buskruit om die kogels door de lucht te slingeren. In zijn verzameling Duitse spreekwoorden zegt Johann Agricola in 1528 : « De grote vesting diende tegen het geweld: bergkastelen, muren en stenen torens. Toen werden er buk­sen en gruwelijk geschut uitgevonden om de grote vestingen te kun­nen vernielen. Nu maakt men bolwerken en grachten, zodat de buk­sen geen schade meer kunnen doen. Maar spoedig zal er wel weer een kunst komen, waardoor men ook de bolwerken kan vernietigen, opdat het spreekwoord bewaarheid worde, dat zegt: Wat mensen­handen maken, dat kunnen mensenhanden ook weer vernietigen. »

Het ijzer scheen zijn vroegere heiligheid verloren te hebben. Met de vloek kwam echter ook nieuwe zegen. De heren van de kanonnen moesten op hun hoede zijn, dat andere heren geen betere kanonnen maakten en met die kanonnen hun heerschappij zouden stukschieten. Daarom richtten de vorsten werkplaatsen voor de kanonnenbouw op. « De eerste werkplaatsen voor geschut », zegt Matschoss, « werden scholen voor de machinebouw. Hier leerde men voor het eerst in grotere omvang metalen te bewerken. In de boormolens van de kanonnenfabrieken stonden de eerste machines voor metaalbewerking; van daar uit werd die kunst vaak op stoommachines overgebracht. »

Het was een ijzergieter, John Wilkinson, die de eerste bruikbare stoommachine-cilinder goot. Wilkinson zou hem niet hebben kunnen gieten en boren, als hij van te voren niet eerst kanonnenlopen gegoten en geboord had en zich bij het smeden van wapens niet de grote kunst eigen had gemaakt, die thans de stoommachine ten goede kwam.

De eerste stoommachine dreef het blaasbalgwerk van een hoogoven aan. Wat vroeger het waterrad gedaan had, deed thans de stoom, en de stoom deed de balgen zo machtig bewegen, hij joeg de tempera­turen zo hoog op, dat men niet alleen er toe kon overgaan, ook giet­staal naast gietijzer te bereiden, maar ook de steenkolen te verande­ren in cokes en met deze cokes de hoogovens te stoken.

De stoommachines van Watt hadden, zoals we reeds zeiden, de mo­gelijkheid geschapen, de schachten der mijnen na korte tijd zesendertig meter dieper te graven. Binnen enkele jaren dus kon Engeland zijn kolen en ertsproductie vermeerderen met alles wat vroegere tijden sinds de grauwe dagen der sage via de mijnbouw der Romeinen tot in de achttiende eeuw aan kolen en erts opgeleverd hadden. Daardoor was Engeland in een paar jaren tijds rijker aan erts en kolen als alle andere volken der aarde. Deze snel gegroeide rijkdom heeft Brittannië een overheersende positie over alle andere naties der we­reld verleend. Die overheersende positie werd het uitgangspunt van wat wij de industriële revolutie noemen en wat het aanschijn der aarde in de laatste honderdvijftig jaren zo fundamenteel heeft ver­anderd.

« Niet de ideeën der Encyclopaedisten », zo heet het in de « Ge­schiedenis van het ijzer », « hebben de Franse Revolutie veroorzaakt, want zij waren niet de oorzaak, maar werktuigen van de ineenstor­ting. De materiële zorg die op Frankrijk drukte, sinds Engeland de wereldmarkt door de uitvinding der mijntechniek en van de stoom­machine beheerste, heeft Frankrijk de revolutie ingedreven. Niets heeft meer het ontstaan van grote eenheidsstaten in de hand gewerkt als de verbetering van het verkeer door de invoering van de spoor­weg en thans is de wereldoorlog alleen maar een oorlog van de techniek geweest en gewonnen hebben de volkeren, die de rijkste technische middelen tot hun beschikking hadden. »

*

Angst voor gijzeling

De pogingen van de mijneigenaars in Cornwall om zich van het betalen der stoommachines van Watt af te maken, brachten Boulton en Watt in de grootste verlegenheid. Binnen enkele jaren drukte er op de machinefabriek een schuldenlast van bijna een miljoen, en daarbij deden zich nog andere teleurstellingen voor. Boulton twijfelde er niet aan, dat de mijneigenaren op zekere dag zouden moeten be­talen en dat men hen, als het anders niet ging, door de staat kon laten dwingen. De tijd echter, die er verstreek vooraleer men zijn geld zou krijgen, moest Watt niet ongebruikt laten verstrijken.
Boul­ton drong er bij zijn vennoot op aan, een stoommachine met een draaiende beweging te maken. De gebruiksmogelijkheden van de op trekken berekende machine waren beperkt en pas als de stoom een rad kon doen draaien, zou zij in staat zijn om de oude water- en windmolens geheel te verdringen.

Watt was liever nog bij de pompmachines gebleven. Hij voorzag de talrijke moeilijkheden, die hij zou moeten overwinnen, om de op- en neergaande beweging van de balans in een draaiende bewe­ging om te zetten. Hij was er zo terneergeslagen van, dat de firma telkens maar weer nieuwe schulden moest maken, dat hij het liefst helemaal niets meer gedaan had. Op het toppunt van zijn mismoedig­heid schreef hij aan Boulton, dat hij weigerde nog nieuwe machines te ontwerpen, als Boulton het niet klaarspeelde, baar geld van de mijneigenaren te krijgen. « U moet het mij ten goede houden, als ik U zeg, dat ik geen pen meer op papier zal zetten om de nodige teke­ningen voor nieuwe inrichtingen te maken, alvorens dat geschied is. Laat de gebruiksvoorwaarden matig zijn, zo mogelijk van te voren in geld uitgedrukt, dan zullen we tenminste genoeg ontvangen, om ons voor gijzeling te behoeden, want daar ben ik voortdurend als de dood voor. »

Boulton reisde naar Cornwall, nam eerst van een bankier nieuw geld op en kon vervolgens werkelijk een paar mijneigenaars tot ge­regelde betalingen bewegen. Zo werd er bij een machine in Chacewater een kolenbesparing van achtenveertigduizend gulden per jaar erkend en de firma een jaarlijkse betaling van veertienhonderd pond opgelegd. Twee andere machines brachten per jaar achthonderd pond op.

Die resultaten monterden Watt weer op en hij maakte zich op om aan de bewonderenswaardige arbeid te beginnen, waardoor de op- en neergaande beweging van de zuigerstang in een draaiende bewe­ging zou worden omgezet. Hij verbond de zuigerstang door een parallellogram met de balans, en aan de andere kant van de balans bracht hij een drijfstang aan, die een krukas deed ronddraaien. De krukas droeg die omdraaiingen over op een wiel. Wij mensen van tegenwoordig bekijken de eerbiedwaardige machines van James Watt met verbazing en verwondering. Wij zien niet in, waarom Watt het zich zo moeilijk gemaakt heeft. Hij had immers de omweg over de balans helemaal niet nodig. Hij zou, menen wij, de balans hebben kunnen weglaten en de zuigerstang direct aan de drijfstang met een krukas hebben kunnen koppelen, zoals wij aan de moderne stoommachines plegen te zien.

Helaas bestonden die mogelijkheden voor Watt niet. Het weglaten is de allergrootste kunst en zelfs als Watt het van zichzelf had kun­nen verkrijgen, de balans van zijn machine weg te denken, bleven er nog genoeg bezwaren over. Deze bezwaren waren onoverwinnelijk.

Als de zuigerstang het wiel direct, en alleen door een krukas daar­mee verbonden, moest bewegen, zou Watt het wiel of de cilinder in de lucht hebben moeten ophangen. Dat durfde hij echter niet. De cilinder boven de krukas aan te brengen, zoals wij vanzelfsprekend zouden vinden, zou immers betekend hebben, dat men hem van zijn gemetseld voetstuk, uit zijn hechte verankering zou moeten losmaken. Daar durfde toen niemand aan denken. De cilinder, in welks inwen­dige zich de geheimzinnige processen voltrokken, kwam iedereen zo gevaarlijk, zo onberekenbaar en geheimzinnig voor, dat men hem in alle geval stevig wilde vastzetten. De machinebouwers zijn er daarom ook later nog liever toe over gegaan het vliegwiel in de hoogte te monteren, dan dat zij de cilinder van zijn veilige plaats verwij­derden. De cilinder was nu eenmaal een griezelig voorwerp, waar­voor men in voortdurende angst leefde. De cilinder plat te leggen en de zuigerstang horizontaal of schuin naar de krukas te leiden, was toen eveneens ondenkbaar. Men wist niet, hoe men de eenzijdige wrijving van de zuiger in de cilinder zou moeten voorkomen.

Het parallellogram

Nu begrijpen wij waarom de balans gehandhaafd bleef en dat Watt liever het reusachtige werk ondernam de verticale beweging van de zuigerstang met behulp der wiskunde op de balans over te brengen. Zo vond hij het parallelogram.

Over het parallellogram van Watt is veel geschreven, maar weinig gezegd. De geschiedschrijvers der techniek stellen er zich mee tevre­den ons te verzekeren, dat het een krankzinnige geschiedenis is. Maar wat die krankzinnige geschiedenis inhoudt vertellen zij niet. Wie voor wiskunde geestdriftig kan worden, verdiepe zich in de volgende alinea.

james watt 17

Voor de constructie van het parallellogram ging Watt uit van het feit, dat elk der beide eindpunten van de balans een boog beschrijft. Als men die boogvormige beweging wil omzetten in een rechtlijnige, dan kan men een tweede hefboom met één arm in het verlengde van de eerste leggen, maar moet hem een beetje lager aanbrengen. Ver­bindt men nu de eindpunten der beide hefbomen door een stang, dan is er op de stang een punt te vinden, dat een bijna rechte beweging maakt. Op dat punt moet men de zuigerstang vastmaken. Men mag noch naar links noch naar rechts gaan, omdat alle andere punten meer of minder aan de cirkelbeweging van de beide hefbomen onderwor­pen zijn. De plaats van het punt hangt af van de lengteverhouding van de balansbalk en van de daaronder aangebrachte hefboom. Zijn de balk van de balans en de hefboom even lang, dan moet het punt in het midden liggen. In het parallelogram van Watt ligt het niet in het midden, omdat Watt de hef­boom van één arm korter ge­maakt had. Die nam minder plaats in.

Van deze omzetting in een rechte beweging kwam James Watt eindelijk tot zijn parallellogram. Het volgende had hij te overleggen :

Met de rechte beweging spaar­de hij — door het wegvallen van de cirkelboog bij de balans — wel aan hoogte uit in het machinehuis. Maar wat hij in de hoog­te uitspaarde, moest hij aan de zijkant weer toevoegen, omdat de ene hefboom te veel plaats nodig had. Dit bezwaar probeerde hij eerst op te vangen door deze hefboom korter te maken dan de balans. Helemaal tevreden was hij daarmee niet. Een tweede opgave die hij zich stelde, bracht hem tot het parallellogram. Hij wilde ook de aandrijving voor de condensator via een rechte beweging bewerkstelligen en kwam op de idee die rechte beweging met behulp van de pantograaf of tekenaap te verkrijgen. Dit is het vergrotingsinstrument voor de tekenaar, dat men gebruikt voor alles wat met parallellopende lijnen te maken heeft en dat James Watt welbekend was, daar hij zelf eens een vergrotingsapparaat had gemaakt. Zo vond hij door middel van de tekenaap het parallellogram en zag thans de mogelijkheid, om de ene hefboom veel dichter bij het middelpunt van de balans te kunnen brengen. Die hefboom hoefde alleen het binnenste, onderste draaipunt van het parallellogram te grijpen en kon zo de zuigerstoot op de balans overbrengen.

In het jaar 1808 schreef James Watt aan zijn zoon :

« De idee van het parallellogram ontstond op de volgende manier: Daar ik de dubbele kettingen of de getande stangen en getande bogen zeer ongeschikt vond, om de beweging van de zuigerstang op de hoekbeweging van de balans over te dragen, ging ik proberen of ik geen middelen en wegen kon vinden hetzelfde te verkrijgen door bewegingen rond assen. Na enige tijd viel mij te binnen dat, als AB en CD twee gelijke cirkelstralen zijn, die zich rond de middelpunten B en C draaien en door een stang AD met elkaar verbonden zijn, bij de beweging langs de curven van een zekere lengteer dezelfde en tegengestelde afwijkingen van de rechte lijn zouden zijn en dathet punt E een bijna rechte lijn zou beschrijven, evenals, wanneer de straal CD vanwege de  doelmatigheid slechts halt zo groot zou zijn als AB, hetzelfde zou gebeuren, wanneer men het punt E dichter naar D toebrengt en hieruit werd de constructie, die men later de parallelbeweging genoemd heeft, afgeleid. »

james watt18

Zo werkte het parallellogram aan de ene, de krukas aan de andere kant van de balans. James Watt beschouwde de krukas niet geschikt om gepatenteerd te worden en schrok er aanvankelijk voor terug ze te gebruiken. Hij wilde aan zijn machines zo mogelijk alleen maar onderdelen gebruiken die voor patent in aanmerking kwam. De krukasbeweging in de stoommachine toe te passen, zo zei hij op hoge leeftijd, vereiste niet meer uitvindersgeest dan er nodig is voor de gedachte om een broodmes te gebruiken bij het kaassnijden. « De ware uitvinder van dat mechanisme was de man, die het eerst een draaibank maakte om te trappen. Helaas is die man niet heilig ver­klaard. »

Zijn aarzeling is hem slecht bekomen. Een knopenfabrikant, James Pickard uit Birmingham, had er de lucht van gekregen, dat James Watt misschien een stoommachine met een krukas wilde maken. Pickard was niet zo fijngevoelig als Watt. Hij ging en probeerde patent te krijgen op de krukas, die reeds in de grijze Oudheid was uitgevonden. Het zal eeuwig een wonderlijk iets blijven, dat hij de krukas werkelijk gepatenteerd kreeg. In de machinefabriek van Soho stond men als van de bliksem getroffen, toen men van dat grappige patent van de knopenfabrikant hoorde en het duurde in alle geval twee jaren voordat de firma Boulton en Watt zich van haar verba­zing hersteld had en in het begin van 1782 patent op vijf verschillen­de mechanismen aanvroeg, die alle geëigend waren om de krukas te vervangen en die eigenlijk niets anders bedoelden als het krukaspatent te omzeilen. In februari werd op de vijf mechanismen patent verleend. Waarschijnlijk deed men het alleen om zich voor het pu­bliek door de eigenlijk noodzakelijke opheffing van het krukaspatent niet belachelijk te maken.

De regulator

Van de vijf mechanismen kozen Boulton en Watt het planetenraderwerk uit. Het is een heel schrandere en elegante manier om de as van een wiel door een tandradstel te bewegen. Het was geen vondst van Watt maar van William Murdock. Deze vond ook de eerste bakschuif uit voor de verdeling van de stoom, die later in de verbetering van Murray in alle machines van Watt werd ingebouwd. De bakschuif stond met de bekende regulateur in verbinding. Alleen de toepassing van deze regulateur, niet het van ouds bekende mecha­nisme zelf, is een inval van James Watt, James Watt kon pas op het idee komen de regulateur toe te passen, nadat hij de draaiende
bewe­ging bij de stoommachine tevoorschijn had geroepen.

De regulateur heeft een as, die men loodrecht zo met de krukas in verbinding stelt, dat de beweging van deze laatste zich aan de as van de regulateur meedeelt. Haar toerental is afhankelijk van dat van het vliegwiel en even snel cirkelen twee kogels rond de as van de regulateur. Hoe sneller de machine loopt, des te verder worden die kogels uit elkaar geslingerd en openen tenslotte een ventiel die de stoom afknijpt. Smoorklep noemde James Watt die ventiel.

De eerste machines met draaiende beweging stelden Boulton en Watt op voor een Londense brouwerij, voor een meelmolen en toen voor een zagerij. Spoedig volgden er bestellingen voor suikerfabrie­ken in Westindië en zaagmolens in Amerika en zo verbreidde zich de roem van de machine met draaibeweging door de hele wereld. Alleen in Londen bleef men conservatief en weer was het Smeaton, die er openlijk twijfel over uitsprak, dat men de draaibeweging van het waterrad ooit door stoommachines zou kunnen vervangen. Boul­ton wilde die mening door een daad ontzenuwen en ontwierp het plan in Londen een grote stoommolen te bouwen. Hij wilde een naam­loze vennootschap voor die onderneming oprichten, die hij groots wilde opzetten. Maar de molenaars, die met wind en water werkten dwarsboomden het plan. Zij wisten van het parlement gedaan te krijgen, dat de toestemming voor de vennootschap niet verleend werd. Maar Boulton liet de zaak niet los. Hij bepraatte zijn vriend en mede­vennoot Watt zo lang, totdat deze alle bezwaren opzij zette en Boulton zesduizend pond gaf. Boulton legde er uit zijn eigen kas nog twaalfdui­zend bij, ook een paar andere finan­ciers namen deel en zo kon de molen zo groots opgezet worden als Boul­ton zich had voorgesteld. De beroem­de Engelse architect Wyart ont­wierp de bouwplannen. Watt bouw­de de stoommachine en de maalderij­machines werden vervaardigd door de geniale Schotse molenbouwer John Rennie. Voor Boulton kan alles niet goed genoeg zijn en toen in het voorjaar van 1786 de ma­chines voor het eerst begonnen te lopen, werkten zij niet naar zijn zin. Watt bevond zich op dat ogenblik in Soho. Boulton raasde tegen de monteurs en schreef aan Watt, dat hij zo gauw mogelijk zou overkomen. Watt kwam niet, maar vermaande zijn partner schrifte­lijk, koelbloedig te zijn. « Alvorens men begint te mopperen, moet men eerst bedenken, dat bij nieuwe, gecompliceerde en moeilijke dingen het vooruitziend vermogen van de mens ontoereikend is. Tijd en geld moeten besteed worden om iets te vervolmaken en de fouten ervan te vinden. » Zo retourneerde Watt zijn vriend de woorden, waarmee Boulton vroeger de machine begroet had : « Het zal tijd en geld kosten er iets van te maken. »

james watt 19

Boulton liet zich overtuigen, kalmeerde en kreeg pas weer ruzie met Watt toen de molen met grote praal zou worden geopend. Boul­ton had het voornemen gemaakt de besten uit de Londense society eens te laten zien, dat een stoommolen iets heel anders is dan de stof­fige, met witte korsten overdekte watermolen. Bij hem blonk alles van zindelijkheid en de machines van Watt liepen volkomen geruis­loos. Deze nieuwe feiten meende Boulton de society het beste te kunnen aantonen, door een gemaskerd bal in de molen te houden. De dames zouden dansen, terwijl de molen maalde en zo wilde
Boul­ton op een symbolische manier tot uitdrukking brengen, dat tegenwoordig de machine werkte en niet meer de mens. Watt kwam heftig tegen dat feest op : « Wat moeten gemaskerde hertogen, lords en ladies nu in een meelmolen doen ? We worden toch al van alle kan­ten met afgunst gadegeslagen en daarom kunnen we beter alles ver­mijden wat opzien baart en ons beperken tot de zaak zelf. »

De massa zong koralen

Toen de molen eindelijk in bedrijf gesteld werd, dwong zij ieders bewondering af. Smeaton, de oude molenbouwer, gaf zijn verzet tegen de machine van Watt voorgoed op en in Soho moesten er al gauw meer machines met draaibewegingen gemaakt worden dan andere. De Londense stoommolen liep vijf jaren. Op 3 Maart 1791 werd zij door onbekende machinebestormers in brand gestoken. Zij brandde tot de grond toe af. Het vuur lokte een geweldige mensen­menigte. Toen de muren van de gehate molen donderend omvervielen. begon de menigte koralen te zingen. Watt en Boulton hadden hun geld verloren.

Ondanks al die tegenslagen kwam er toch eindelijk ook financieel succes. Boulton had de weerbarstige mijneigenaren van Cornwall aangeklaagd en het gerecht dwong hen, als eerste aanbetaling aan Boulton en Watt zeshonderdduizend gulden te betalen. Van zijn deel kocht Watt zich een landgoed in Wales. Hij had ook een huis ge­bouwd bij Birmingham, het terrein eromheen gekocht en een mooi park daarvan laten maken. Bij het huis bouwde hij een kleine smidse en op de zolder richtte hij een laboratorium in. Hij was hertrouwd. Zijn tweede huwelijk was evenzeer met kinderen gezegend als het eerste. De zonen werden flinke mannen. Een van hen ging een over­eenkomst aan met de zoon van Boulton. Beiden tezamen hebben het werk van hun vaders hoe langer hoe meer uitgebreid. De roem van de machinefabriek Boulton en Watt werd zelfs nog groter, toen in 1800 het hoofdpatent afliep. Tot dan toe was er in de machinefabriek namelijk al de tweede generatie van machineconstructeurs opgegroeid, die machines wisten te maken als niemand anders ter wereld.

Watt had een rustige levensavond. Maar de driftige Boulton rustte nog lang niet. Terwijl Watt zich aan de wetenschap wijdde en in de stilte van zijn studeerkamer de geschriften samenstelde, waardoor hij tot een der medegrondleggers van de nieuwe scheikunde werd en waarin hij de veronderstelling neerlegde en bewees, dat water geen ondeelbaar element is, wat voordien nog altijd een twistpunt geweest was, wierp Boulton zich telkens op nieuwe ondernemingen. Zijn stokpaardje was het muntwezen. De valsmunterij stond in die tijd in hoge bloei en Boulton stelde de regering voor, de muntstempels met stoom­kracht te bedienen en door de geweldige kracht van de stoom de munten beter te stempelen om het de valsmunters op die manier minder gemakkelijk te maken. De regering ging slechts aarzelend op zijn plannen in en Boulton stortte zich in de Franse revolutie. Van de revolutionaire regering in Parijs kreeg hij opdracht voor nieuwe muntstempels en hij leverde ook koperen munten naar Rusland, Span­je. Denemarken en Calcutta. Zo bleef de rusteloze man voortdurend verstrikt in de gebeurtenissen van zijn tijd, bracht zichzelf door zijn waaghalzerij meermalen tot aan de rand van de afgrond, sprak de spaarcenten van zijn kinderen aan om nieuwe machines te maken en wist tenslotte uit al zijn ondernemingen toch nog een vermogen te putten. Boulton was in zijn oprechtheid, door zijn vaderlijke hou­ding tegenover zijn arbeiders, door zijn stoutmoedigheid en in zijn mannelijke daadkracht een van de eerste moderne ondernemers. Zijn voorbeeld is helaas in de tijd der industriële revolutie slechts door weinigen geëvenaard.

Boulton was een trotse en indrukwekkende man. Toen hij voorge­steld werd aan de koning van Engeland, was het alsof Boulton ook een koning was.

« Wat maakt u eigenlijk ? » vroeg George III hem. Boulton: « Ik maak wat de Koningen zo graag wensen. » De koning : « En wat is dat dan ? » Boulton: « Macht, majesteit! »

In het Engels betekent « power » zowel macht als kracht. Toen hij bij een andere gelegenheid over de kracht van de stoommachine kwam te spreken, zei Boulton: « Ik heb in mijn machinefabriek niet alleen dat, wat heel de wereld zich wenst, maar ik heb ook in de stoommachine datgene, wat de werklieden van de wereld zal bevrij­den. Met de kracht van de stoom zal er voor de beschaving meer gedaan worden, dan alle tijden tot nu toe hebben kunnen doen en de stoommachine zal meer dan iets anders beslissend zijn voor de ko­mende tweehonderd jaren. »

De gezondheid van Watt was merkwaardigerwijze op zijn oude dag aanzienlijk beter geworden. Hij las veel, was onvermoeibaar be­zig, al was het maar voor zijn plezier en hij overleefde zijn vriend Boulton, die in 1809 op eenentachtigjarige leeftijd was gestorven, nog tien jaren. Hoe Watt in zijn laatste jaren was, daarvan heeft de grote Walter Scott ons een getuigenis nagelaten. In het voorwoord tot zijn « Klooster » schrijft hij :

« Watt was niet alleen de diepzinnigste geleerde en degene, die met het gelukkigste resultaat uit zekere combinaties van getallen en krachten bruikbare conclusies had getrokken, hij nam niet alleen een der eerste plaatsen in onder degenen die zich onderscheidden door de algemeenheid van hun ontwikkeling: hij was ook de beste, de beminnelijkste mens. De enige keer, dat ik hem ontmoet heb, was hij door een klein gezelschap geleerden uit het noorden omringd… Daar zag en hoorde ik, wat ik nooit meer zou zien en horen. De montere, beminnelijke, welwillende grijsaard van eenentachtig jaar nam in alle vraagstukken op een levendige wijze deel; zijn kennis stond ter beschikking van iedereen, die er een beroep op deed. Hij stelde ieder voorwerp in het licht van zijn talenten en verbeeldingskracht. Onder de heren bevond zich ook een geleerde taalkundige; Watt onder­hield zich met hem over de oorsprong van het alfabet, alsof hij de tijdgenoot van Kadmos geweest was. Toen een beroemde kunstken­ner zich bij hen voegde, zou men gezegd hebben, dat de grijsaard zijn hele leven lang de studie der schone wetenschappen of de staathuis­houdkunde beoefend had. Het zou overbodig zijn, te spreken over de exacte wetenschappen; die vormden een schitterende en speciale levenstaak; toen hij intussen met onze landgenoot Jedediah Cleisbotham sprak, zou men gezworen hebben, dat hij de tijdgenoot van Claverhouse en Burley, de vervolger der vervolgden was; dat hij werkelijk nauwkeurig het aantal geweerschoten geteld had, die de dragonders op de voortvluchtige Eedgenoten afgevuurd hadden. Wij kwamen tenslotte tot de ontdekking, dat geen roman van maar enige betekenis hem ontgaan was en dat de geestdrift van de beroem­de geleerde voor deze soort geschriften aan levendigheid gelijkstond met het enthousiasme waarmee een modiste van achttien jaren van zulke romans kennisneemt. »

Een stoomschip kiest zee

In de zomer van 1819 werd Watt door zijn laatste ziekte over­vallen. Hij stierf glimlachend en met een dankwoord tot God. In hetzelfde jaar waarin hij stierf, slaagde een stoomschip er voor het eerst in de oceaan over te steken.

In zijn laatste jaren had Watt, die zijn begaafdste zoon in de ver­warring der Franse revolutie had verstrikt zien raken, zich niet meer om het gedoe van de wereld bekommerd. Hij zag niet, wat er uit zijn machine werd. Hij wist alleen, als hij het leven der ingenieurs van Otto von Guericke af tot in zijn eigen dagen overschouwde, iets anders en meer dan de meeste mensen. Hij zag, dat de mens, toen hij om God begon te strijden, de machines had uitgevonden. Hoe groter de wereld geworden was, des te hoger had God zich in zijn hemel teruggetrokken en hoe vertwijfelder de strijd der mensen om God werd, des te groter werden de machines. God had de mensen niet alleen gelaten in hun zorg. Hij had hun het geheim der ijzeren enge­len geopenbaard.

Terwijl Watt de ijzeren engelen vervolmaakte, terwijl de mijnen van Cornwall door de machtige adem der nieuwe reuzen gered werden, overhandigde de Franse dokter Dr. Guillotin aan de Na­tionale Vergadering in Parijs een rapport over de uitvinding van een vallende bijl, waarmee men de mensen het hoofd kon afslaan. Toen Wieland zijn zwaard Mimung zachtjes door het corpus van Aemilias deed glijden, had deze het gevoel alsof er koud water over zijn lichaam stroomde. « De valbijl», zo zei Dr. Guillotin, « doet de delin­quent geen pijn. Het verschaft hem alleen het gevoel van een lichte verfrissing rond de nek. »

IJzer trekt mannen aan, omdat zijn kracht van God komt. Was God in de guillotine ? Hij was in de ijzeren engelen !

Terwijl de mannen in Parijs er ruzie om zaten te maken, hoe men de deugd en de rede het beste kon dienen, en terwijl de tegenstan­ders elkaar over en weer onder de valbijl legden, terwijl het fluiten, sissen en neerslaan van deze bijl de afschuwelijke muziek werd van het Europese vasteland, stak van het eiland Engeland de werkelijke revolutie haar hoofd op. Zij kondigde haar komst aan in het gedreun der machines, in het snuiven van de stoom, in het stampen der ba­lansen, met het geritsel der spinmachines en met het kraken van de weefgestoelten. De nieuwe revolutie rukte de guillotine omver en wierp de reusachtige Napoleon ter aarde. Zij was geroepen om het leven der mensen meer te veranderen dan alles wat tot dan toe de wereld had bewogen. Zij en niets anders heeft de herwaardering van alle waarden volbracht. Zij heeft vroegere ellende opgeruimd, nieu­we ellende verwekt en enkele mogelijkheden voorbereid voor het geluk, kansen die tot mijn, tot uw en tot ons aller geluk kunnen strek­ken, als wij de betekenis der ijzeren engelen juist weten te beoor­delen.
.

(Walther Kiaulehn, IJzeren engelen)
.

Geschiedenis 8e klas: alle artikelen
.

508-470

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 8e klas (1)

 

DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE

Zuinigheid schept geschiedenis

Habsburg ligt geveld en een baron, die zijn stipendium verdienen moet, helpt het weer overeind, – Op zoek naar Papin, – Een arme man uit Dartmouth rechtvaardigt de kletsmajoor van Marburg. -Newcomen en Savery, – De goddelijke voorzienigheid verbetert de machine. ~ Smeaton maakt ingenieurs van de Engelsen, – De man met hoofdpijn. – De Schotten brengen door hun gierigheid de wereld in beweging. – Watt, de geschiedenis van een dromer en hongerlijder, -Wie geen slaaf wil worden, moet zich verbergen. – Tabakshandelaars bestormen een theater, ~ Op een wandeling wordt de stoommachine voltooid, – Wat is stoom eigenlijk ? – Watt vloekt en Trevithick houdt van zijn rijkdom slechts een zilveren spoor over. – Het model der eerste werkelijke stoommachine.

Het ging in het Oostenrijkse huis Habsburg verdraaid slecht. De afscheiding van de Spanjaarden van het Oosten­rijkse Huis was de familie niet goed bekomen. De goudstroom uit de Nieuwe Wereld, die aanvankelijk onuitputtelijk scheen, mondde uit in Spanje. De behoefte der wereld aan edele metalen werd in Ame­rika gedekt en dat gebeurde allemaal in een tijd waarin de mijnen van Tirol, Karinthië en Hongarije hoe langer hoe minder erts ople­verden. De kooplieden die de mijnbouw tot zo’n hoge bloei gebracht hadden, waren uitgestorven. Hun nakomelingen ontbrak het aan moed om iets te wagen. Zij legden de mijnen liever stil dan dat zij telkens nieuwe kapitalen in de uitzichtloze strijd tegen het water staken.

De Keizer was naar buiten nog wel altijd de heerser van Duitsland, maar zijn leenheren, die al lang tot zelfstandige vorsten geworden waren, lachten hem uit. Hij moest zich met smeekbeden voor hen buigen en toen Habsburg tegen de Pruisische Frederik wilde optrekken, kon de keizerin niet meer zoals vroeger de leen roepen, maar moest zij troepen huurlingen zenden. De kleine vorsten en feodale heren ontnamen het keizerschap stukje voor beetje van de macht en de strijd om de keizerlijke macht was een strijd om geld.

De schatkistbewaarders in Wenen zaten vertwijfeld voor de lege geldkisten en overlegden hoe men aan geld kon komen.

In Engeland en Frankrijk, waar men voor dezelfde rampen gestaan had, was het economische systeem van Colbert ingevoerd. Colbert, die voor Lodewijk XIV, de fantastische waterwerken van Marly had moeten laten bouwen, was door de verkwisting van het hof door de onmogelijkheid om uit de mijnen nieuwe inkomsten te trekken, op het idee gekomen het ambacht en de neringdoenden tot de grootst mogelijke inspanning aan te sporen, vrouwen, grijsaards en kinderen te laten werken en door de verpaupering van het volk door hongerlonen en lange werktijden goedkope exportartikelen te vervaardigen.

De binnenlandse markt van zijn land beschermde Colbert door hoge toltarieven, de uitvoer echter maakte hij gemakkelijk.

Men vond de indirecte belastingen uit. Op zout en suiker, op koffie en trouwens op alle genotmiddelen werd niet alleen invoerbelasting, maar ook nog een extra verbruiksbelasting gelegd. Het colbertisme, dat men in andere landen ‘mercantilisme’ noemde – een nieuw-Latijns woord voor een economisch systeem, dat op de handel gebaseerd is —, leidde tenslotte tot de sociale uitbarstingen, die een der oorzaken van de Franse revolutie zijn geweest. Voorlopig echter was de vorst ermee geholpen en het maakte het ook de kleine feodale heren, die het systeem navolgden, mogelijk een leven van pracht en praal te leiden. Ook de Oostenrijkse schatkistbewaarders voelden wel iets voor het nieuwe systeem. Maar toen zij het tenslotte wilden invoeren, lag Oostenrijk bijna al ter aarde. Nog meer dan waar ook was het keizerlijke kabinet en zijn geldgebrek het middelpunt van de economie. Daarom noemde men het mercantilisme in Oostenrijk Cameralisme, naar het Duitse woord « Kammer » voor kabinet.

Beschermeling van een filosoof
In hun radeloosheid viel de ministers een akte in handen, die Leibniz nog kort voor zijn dood, op 14 november 1716. aan het Weense hof gericht had en waarin hij nogmaals de aandacht vestigde op de waterpomp van zijn vriend Denis Papin en op de Engelse machine van van Thomas Savery. Deze akte werd gecompleteerd door een andere mededeling, volgens welke in Hessen een « vuurzuigwerk » in bedrijf zou zijn. Dat apparaat stuwde weliswaar alleen het water voor de springfonteinen in Kassel op, maar het zou ongetwijfeld in staat zijn ook het water uit de mijnen te verwijderen. Het kabinet won in Kassel inlichtingen in. In Kassel verwees men de heren naar Enge­land, waar Denis Papin was heengegaan.

Men schreef naar de gezant in Londen en toen er eindelijk bericht kwam, dat in Engeland inderdaad « vuurmachines » gebouwd werden,  met behulp waarvan men het water de baas kon, gaf men de jonge baron Fischer von Erlach, de zoon van de beroemde bouwmeester der Karlskerk in Wenen, opdracht om te zorgen dat er zo’n machine in Oostenrijk kwam.

james wat 1t.

Fischer von Erlach, toen een jongeling van tweeëntwintig jaar, was eveneens een beschermeling van de grote Leibniz. Leibniz had de vorming van de jongeman mee helpen bepalen. Hij mocht studeren aan de Nederlandse en Duitse, aan de Italiaanse en Franse universiteiten en het Weense kabinet had hem « met het oog op » de aanbevelingen van de filosoof een stipendium verleend.

Fischer von Erlach is een der grootste Oostenrijkse ingenieurs geworden, en toen hij in 1721 uit Engeland terugkeerde, bracht hij wel geen machine mee, maar zoveel kennis, dat hij zelf machines kon bouwen. Ook had hij in Engeland een ingenieur voor de Oosten­rijkse regering aangeworven. Deze ingenieur heette Isaak Potter en was een man, die uit de werkplaatsen van Thomas Newcomen kwam. Isaak Potter moet een broer gehad hebben, die eveneens ingenieur moet geweest zijn. Misschien is die broer de legendarische Humphrey Potter, die altijd zo graag Indiaantje wilde spelen en daarom de automatische stoomdistributie moet hebben uitgevonden. Als deze dus inderdaad door een Potter uitgevonden is, dan was deze niet een kind, maar deze volwassen ingenieur.

In Koningsberg, in Hongarije, in Wenen en later in Chemnitz  bouwde Fischer von Erlach samen met Isaak Potter de ene vuurmachine na de andere. Toen Fischer von Erlach, nog geen vijftig jaar oud, op 29 juli 1742 stierf, was de Oostenrijkse mijnbouw of tenminste het belangrijkste deel daarvan gered. De stipendia die men de begaafde baron op aanraden van de filosoof ter beschikking  had gesteld, hadden rijkelijk hun baten opgeleverd, de geldkasten in Wenen waren weer gevuld en Oostenrijk kon zijn erfopvolgingsoorlogen beginnen te voeren.

Er bestaat geen portret van Fischer von Erlach en onder zijn allongepruik was de adellijke ingenieur even onbekend gebleven als Denis Papin. In het Weense kabinet bevindt zich geen beschrijving van zijn werkzaamheden ook zijn vrienden hebben het in de verwarring en opwinding van de successieoorlogen vergeten, aantekeningen te maken. wij kennen zijn levenswerk alleen uit zijn machines. Een paar afbeeldingen daarvan hangen tegenwoordig in de Oostenrijkse musea. Doch al deze machines zijn gebouwd naar het beginsel van Thomas Newcomen.

Broederliefde der baptisten
Newcomen is even arm gestorven als Papin. Toen hij zijn eerste stoommachine bouwde, was hij al negenenveertig jaar. Dat gebeurde in het in het jaar 1712.

Newcomen werd niet door genialiteit gedreven. Het was de reinste armoe die hem stimuleerde. In 1663 geboren in de afgelegen havenstad Dartmouth, had hij in Exeter de ijzerhandel geleerd en was later werktuigmaker en meestersmid.

Zoals Arkwright, de uitvinder van de spinmachine, als kapper met haarverfmiddeltjes het land afreisde en daarbij opmerkzaam werd op de behoefte der wevers aan garen, zo ging Newcomen, die een vrome Baptist was, van mijn tot mijn en verkocht zijn gereedschappen aan de arbeiders in de tinmijnen. Daarbij viel het hem op, hoe hopeloos de paardentredmolen was voor de drainering van het water en kwam hij op de gedachte een machine te construeren. Dat Newco­men geestelijk een wakker man geweest is, staat buiten kijf. Hoe hij zijn technische kennis verwierf en hoe hij op het geniale idee kwam, het beginsel van de atmosferische zuigermachine met de bijzondere stoomketel uit de Kasselse pompinstallatie te verbinden, weten wij niet.

james watt 2.

Er bestaat geen portret van Thomas Newcomen en geen beschrijving van zijn per­soon. Alleen een brief van zijn hand is bewaard ge­bleven, en toen hij op 5 Augustus 1729 in Londen stierf en in Bunhill Fields, het kerkhof der Baptisten, begraven werd, vermeldde men de begrafenis wel in het kerkelijk register, maar men duidde niet de plaats van het graf aan.

Toen Thomas Newco­men erover peinsde, hoe men een machine voor het drooghouden der mijnen met stoom zou kunnen doen werken, kwam de beroemde natuurkundige Hooke hem te hulp. Deze wees hem op de zuigermachine van Papin. Dat moet ongeveer in 1702 geweest zijn. In 1711 was Newcomen dan zo ver dat hij zijn eerste machine kon bouwen. Zijn vriend en geloofsgenoot John Cawleu, een meester glazenmaker, schoot hem het geld voor de machine voor. Newcomen verkocht de eerste stoompomp aan een steenkoolmijn in Wolverhampton bij Dudley Castle. Het voorkomen van die machine en haar duidelijke constructie maakte zo’n indruk op de technici van de achttiende eeuw, dat ieder het vanzelfsprekend vond in hoofdzaak zo te construeren als Thomas Newcomen het gedaan had.

De machine bestond uit vier belangrijke delen: ketel, cilinder, balans en stangenwerk. De balans was het middenstuk van de machine. Het is een dubbele hefboom, waaraan aan de ene kant de pompstang hangt en aan de
andere kant de zuiger.
De hefboom was zo uitgewogen, dat de zuiger bijna even zwaar was als de pompstang. Deze laatste was een klein beetje zwaarder, zodat zij door haar eigen gewicht de zuiger in de cilinder kon optrekken. Onder de cilinder was de stoomketel aangebracht. De hals van de ketel mondde direct in de bodem van de cilinder uit. Een draaibare schijf in de hals van de ketel zorgde  ervoor, dat de stoomtoevoer regelmatig kon werken. Aan de bovenkant was de cilinder open en werd alleen door de zuiger afgesloten. Als degene die de machine bediende de stoomventiel opende, kon de zuiger door de pompstang naar boven getrokken worden, aangezien er dan stoom in de cilinder onder de zuiger stroomde. Dan sloot men de stoomkraan en koelde de cilinder van buiten af. Daartoe spoot men er water tegen met een slang. De stoom in de cilinder condenseerde dan, er ontstond een vacuüm en het gewicht van de buitenlucht drukte de zuiger in de cilinder terug. De zuiger trok de ene arm van de hefboom neer. Daardoor ging de andere arm naar boven en trok de pompstang en het water naar boven. Dan liet men weer stoom in de cilinder stromen en het spel begon van voren af aan.

james watt 3

james watt 4

De machine werkte heel moeilijk en langzaam, maar ook secuur. Zij werd als de grootste merkwaardigheid met verbazing bekeken en degenen die de machine bedienden golden als helden. De nadelen van de machine nam men op de koop toe, omdat men niet wist, hoe men ze kon voorkomen. Die nadelen waren: groot kolenverbruik en langzame loop.

Het gelukte niet de machine op hoge toeren te doen werken. Als de cilinder na het binnen­stromen van de stoom ge­lukkig verhit was, moest hij met water weer worden afgekoeld. Dat duurde lang en nog langer duurde het voordat men hem weer ver­hit had. De machine maak­te per minuut niet meer dan drie tot vier volledige be­wegingen, waardoor het water omhoog kwam.

Newcomen verbeterde de machine eerst door een ijze­ren mantel om de cilinder heen te bouwen. Nu ging de afkoeling van de cilin­der gemakkelijker in haar werk omdat men het water niet meer met een slang te­gen de cilinder hoefde te spuiten, doch het van een hoger gelegen reservoir in de ruimte tussen de ijzeren mantel en de cilinder kon laten lopen. Was de afkoe­ling tot stand gekomen, dan opende men in de bodem van de cilindermantel een kraan en liet het koelwater weglopen. Deze eerste verbetering bracht een merkwaar­dig toeval met zich mee. Op zekere dag begon de machine sneller te lopen en maakte, zonder dat men aanvankelijk begreep waarom, tien tot twaalf complete bewegingen per minuut. Er werkte toen een Zweedse ingenieur, Marten Triewald, bij Thomas Newcomen. De Zweed schreef in zijn dagboek, dat deze versnelling alleen te danken kon zijn aan de almachtige werkzaamheid Gods. Hij kon « onmogelijk iets anders geloven, dan dat deze gebeurtenis door een bijzondere beschikking van de voorzienigheid tot stand gekomen was ».

Wat was er in werkelijkheid gebeurd ?

Laten we een ogenblik terugdenken: Papin werd tot vertwijfeling gebracht, omdat hij geen arbeiders kon vinden, die het klaarspeelden een zuiger te maken, die precies in een cilinder paste. Ook New­comen, de meestersmid, was zo handig niet. Maar hij vertwijfelde niet. Daar hij een praktisch man was, zag hij ervan af, de zuiger zo nauwkeurig te slijpen. Hij vond een ander middel, om de luchtdicht­heid te bereiken. Hij wikkelde hennep om de zuiger heen. De hennep doordrenkte hij met een mengsel van paardenmest, grafiet en talk en wist te verkrijgen, dat de zuiger zonder moeite in de cilinder op en neer kon gaan en toch goed afsloot. Om de buitenlucht helemaal weg te houden, goot hij van boven water op de zuiger.

Het toeval nu, dat de machine plotseling sneller deed lopen, was een gietblaasje. Het water, dat altijd op de zuiger stond, had de wand van die luchtbel doen doorroesten en de atmosferische druk had het afsluitingswater in de cilinder geperst. Daar het met een fijne straal in de cilinder spoot, sloeg het onmiddellijk de stoom neer, het luchtledig ontstond nu met een ongelooflijke snelheid en zo was de condensatie door inspuiting ontdekt. De doorgeroeste gietfout derhalve, die het gaatje in de zuiger had veroorzaakt, kwam Marten Triewald als een beschikking van de voorzienigheid voor.

Toen Newcomen de « fout » gevonden had, begon hij de
binnencondensering, zoals men het neerslaan van de stoom door een
water­straal die binnen in de cilinder ontspringt, noemt, regelmatig toe te passen. Boven aan de hefboom maakte hij een waterbassin vast en liet een buis van dat reservoir naar de bodem van de cilinder lopen. Was de cilinder nu gevuld met stoom, dan werd de waterkraan geopend. Het water sprong als een fontein in de cilinder omhoog en deed de stoom in een ommezien condenseren.

De automatische verdeler

De eerste moeilijkheid die zich bij de nieuwe binnencondensatie voordeed, was, dat er zich te veel water in de cilinder verzamelde.
Deze moeilijkheid werd overwonnen door in de bodem van de cilinder een afvoerbuis te maken. Een nieuwe moeilijkheid: die afvoerbuis in de bodem van de cilinder kon men niet met een ventiel dichtmaken, omdat men immers niet in de cilinder kon kijken om te zien, hoeveel water er nog in was. Dat had evenwel het nadeel, dat de zuiger, als hij voor de volgende beweging omhoog ging, het water uit de afvoerbuis weer opzoog.
Als er water in de cilinder was, kon de stoom er niets uitvoeren, omdat hij dan telkens zou blijven condenseren, zolang totdat hij het water verhit had.
Het duurde een hele tijd alvorens men die moeilijkheid had overwonnen. Eindelijk behielp men er zich mee, de afvoerbuizen tien meter lang te maken, zodat de zuiger in de stoomcilinder niet meer als waterpomp zou kunnen werken.

james watt 5

De laatste correctie, die de machine van Newcomen onderging, was de automatische stoomverdeling. In beginsel is zij het werk van ingenieur Brighton. Het begon met een drijflichaam, dat in een waterbuis op en neer ging. Deze buis liep van de stoomketel naar de waterleiding die in de cilinder uitmondde. Door de stoomdruk van de ketel steeg de waterzuil in die buis en drukte de drijver tenslotte tegen een hefboom. Deze hefboom opende op zijn beurt de kraan waardoor het water in de cilinder kon worden gespoten. Die drijver was geen nieuwe uitvinding. Ktesibios had er al ge­bruik van gemaakt voor zijn waterklokken. Nieuw was alleen, dat de drijver in beweging werd gebracht door een waterzuil, waarvan de hoogte weer afhankelijk was van de hoogte van de druk in de stoomketel. Als er in de stoomketel van de machine van Newcomen voldoende stoom ontwikkeld was, zodat men de kraan kon openen waarlangs de stroom in de cilinder kon stromen, dan draaide de machinist tegelijkertijd de kraan van de buis om, die in de ketel inge­bouwd was. Als de stoom in de cilinder omhoogging, dan steeg ook de waterzuil en de drijver hief de hefboom voor het condenseringswater op dat ogenblik op, waarop de hele cilinder met stoom gevuld was. Het begin van de condensatie was dus afhankelijk van de druk in de stoomketel.

Het waterreservoir, waaruit men de cilinder voorzag van het koel­water, zat in de buurt van de balans, dus hoog boven de cilinder. De blik van de machinist ging afwisselend van de stoomventiel naar het waterreservoir. Daarbij zag hij voortdurend de balans zich be­wegen. Het kan niet mogelijk geweest zijn, op het idee te komen, de zwaaiende balans te gebruiken om de machine zelf de bediening van haar kranen op te dragen. Misschien heeft men aanvankelijk touwen van de balans naar de ventielen laten lopen. Maar lang kan men zich daar niet van bediend hebben. In 1712 bouwde Newcomen de eerste machine en in 1718 al had ingenieur Brighton zijn automatische stoomregelaar klaar. Hij gebruikte geen touwen meer, maar stangen.

Alhoewel de eerste zelfstandige verdelers nog heel ingewikkeld geconstrueerd werden, werkten de machines toch al met twaalf en zestien toeren in de minuut. In 1720 werd in Londen voor het wa­terbedrijf van de stad een Newcomen-machine opgesteld, die het water van de Theems zevenendertig meter hoog oppompte. Deze machine maakte achttien tot twintig toeren in de minuut. In 1722 maakte Newcomen voor een grote kolenmijn in de buurt van Coventry een nog betere machine. Zij bespaarde het werk van vijftig paar­den en verbruikte per jaar slechts honderdvijftig pond aan bedrijfs­kosten, terwijl het onderhoud van de paarden negenhonderd pond sterling gekost had.

Newcomen had gehoopt, dat de « vuur- en luchtmachine» niet alleen tot een zegen van de mijnen zou worden, maar ook van hem­zelf. Hij wilde geen arme man meer zijn en toch moest hij het blijven. Toen hij de eerste successen met zijn machines behaald had, kwam de door de koning begunstigde Savery op de proppen en dwong Thomas Newcomen hem als deelgenoot op te nemen. Het verstrek­kende patent van Savery omvatte niet alleen de mogelijkheid, water met behulp van vuur op te zuigen, maar het ook omhoog te brengen. Daardoor viel de machine van Newcomen onder zijn patent en de arme man uit Dartmouth kon zijn buikriem zo nauw laten als hij altijd geweest was.

Het optreden van Savery kwam de machine echter zeer ten goede. Savery bracht een hele staf van geschoolde ingenieurs mee. New­comen hoefde alleen nog maar te zeggen in welke richting zijn ge­dachten gingen, dan werkten de vaklieden zelfstandig verder en brachten zodoende de machine hoe langer hoe meer tot ontwikke­ling. Waarschijnlijk zullen de ingenieurs zich vaak wel eens ver boven Newcomen verheven gewaand hebben. Als dat zo is, dan was hun hoogmoed toch misplaatst, want toen Newcomen gestorven was, was het ook afgelopen met de verbeteringen van de machine. Die anderen ontbrak het nu eenmaal aan de scheppende geest, waarmee de vrome Baptist begenadigd was.

De man die ingenieurs maakte

Slechts een enkel man gelukte het, enkele verbeteringen te beden­ken. Die man was ingenieur Smeaton, over wie James Watt later het grote woord sprak: « Hij heeft ons allen tot ingenieur gemaakt! »

Smeaton was een bekwaam wiskundige. Zijn machines muntten uit door grote elegantie en zuinigheid. Waar Newcomen zich had laten leiden door vermoedens en toevalligheden, daar wilde Smeaton zekerheid hebben. Hij was de eerste ingenieur na Papin, die de stoom­druk begon te meten en de cilinder van een machine in een logische verhouding stelde tot de omvang van de stoomketel.
Smeaton, die van huis uit bouwer van water- en windmolens was, begon zich pas dertig jaar na de dood van Newcomen met de « vuurmachines » bezig te houden. Hij vond de machines zoals Newcomen ze verlaten had. De machines van Newcomen werkten overal voor­delig waar men voldoende brandstof had, bijvoorbeeld in kolenmijnen met voldoende afvalkolen. Waar men de brandstof echter eerst moest kopen, waren de machines niet economisch.

Newcomen vervaardigde de reusachtige cilinders van zijn machine van brons. Het brons heeft echter het nadeel dat het een te goede warmtegeleider is. Door de condensatie van de stoom koelde de hele cilinder af en moest telkens weer opnieuw verwarmd worden. IJzer is een slechte warmtegeleider, dus veel beter geschikt voor de cilin­der. Smeaton bouwde voor zijn machines, waar het maar even kon, ijzeren cilinders, die hij zo nauwkeurig mogelijk liet uitboren. Daar hij zijn cilinders kleiner hield dan Newcomen en daar de zuigers dichter aansloten, werd er bij de machines van Smeaton geen stoom verspild.

De snuifklep

Smeaton verbeterde ook de afvoer van het koude water uit de cilinder. Hij schafte de lange waterpijpen af en liet het water door een zogenaamde snuifklep ontsnappen, die men vroeger slechts als luchtklep voor de cilinder gebruikt had. De snuifklep is een terug­slaande klep, dus van een verend scharnier voorzien. Zij was aan­gebracht in een pijpje, dat in het onderste deel van de cilinder uit­mondde. Als de zuiger in de cilinder zich naar beneden bewoog, drukte hij het water door de snuifklep weg en de klep sloeg terstond terug, als het water weggelopen was en maakte zodoende de cilinder weer luchtdicht. Omdat deze ventiel als zij door water of lucht
be­wogen werd, een eigenaardig snorkend geluid maakte, noemde men ze snuifklep.

Smeaton maakte ook berekeningen over de grootte van de balans en ging er toe over, kortere te gebruiken dan zijn voorgangers.

Reeds bij de eerste machine van Newcomen was men op het idee gekomen om iedere slag van de pompzuiger niet helemaal te gebrui­ken. Want iedere slag was afhankelijk van de kracht van de stoom. Daar de stoomdruk onregelmatig was, waren ook de slagen onregel­matig. Begrensde men nu de slagen, dan was de hoeveelheid water, die er telkens werd opgepompt altijd gelijk. Deze begrenzing kon alleen verkregen worden door middel van de balans. Men kon niet toestaan, dat de armen van de hefboom zo ver naar boven of beneden zouden doorslaan al naar gelang de eventuele stoomdruk was. De balans moest in haar op- en neergaande beweging beperkt worden. Newcomen verkreeg die begrenzing van de slag door kettingen, die hij van de uiteinden van de balans af naar het dak van de machinekamer en naar de grond leidde. Daar de kettingen niet voldoende vastgezet konden worden, zonder het dak van de machinekamer aan instorten bloot te stellen, was deze manier van begrenzing van de slag uiterst gebrekkig en men kwam tenslotte op het idee. de balans op verende balken te laten neerkomen. Smeaton verbeterde deze vering. Eindelijk vond hij ook nog een vering uit voor de cilinder. Bij de eerste machines stond de cilinder hecht op een gemetseld voetstuk. Toen de zuiger al te woest in de cilinder neerkwam,
ge­beurde het wel, dat de cilinder sprong of dat de ventielen los gingen en vaak ook dat het verbindingsstuk tussen cilinder en ketel kapotsprong.

Reeds vóór Smeaton was men ertoe gekomen, in het bovenste stuk van de ketel een licht verende koperen schuif te zetten. Deze moest de stoten van de zuiger onschadelijk maken. Smeaton deelde het verbindingsstuk tussen cilinder en ketel in twee delen. Tussen de twee stukken zette hij een verende mof. De cilinder echter zette hij niet, zoals zijn voorgangers, op een voetstuk, maar hing hem tegen de muur van de machinekamer in een raam van verende houten balken.

Met al die verbeteringen slaagde hij er in, de werking van de Newcomen-machine met vijfentwintig paardenkrachten te vergro­ten. Dat lijkt voor ons niet veel, maar voor de toenmalige tijd was het aanzienlijk veel, want terwijl Newcomen met zijn beste machine vijftig paarden kon vervangen, maakte de machine van Smeaton, alhoewel zij minder brandstof verbruikte, vijfenzeventig paarden overbodig.

james watt6

De vuurmachine

De Duitse ingenieur Max Eyth heeft in zijn jeugd nog een verbe­terde Newcomen-machine zien werken. De geweldige indruk, die zij op hem maakte heeft hij nooit vergeten. Toen hij zijn roman « De Kleermaker van Ulm » schreef, stichtte hij een monument voor de machine, door te schrijven: «Onderweg naar de machinekamer hoorden zij de doffe, geheimzinnige slagen van het monster met iedere stap duidelijker worden. Voor het huis leek de grond te beven, kettingen rinkelden, stangen rammelden; achter het machinehuis hoorde men water ruisen, alsof een forse beek over rotsen liep. Toen zij de hoge, zwak verlichte ruimte binnentraden, was het eerst moeilijk iets te onderscheiden. Een donker, vormloos ding, zoiets als de bovenkant van een reusachtige zuil, stond op een onderstel van ruwe stenen. Dat was de nieuwe cilinder, waar een blinkende, ronde stang uit naar boven schoot, om er dan weer in weg te zinken. De stang hing aan een zware ketting die heel hoog, bijna aan het dak van het gebouw, door een arm van zware houten balken naar boven getrokken werd, die zich langzaam en plechtig op en neer bewoog, maar bij iedere neerwaartse slag met een dreunend geweld op een onderlaag terechtkwam die in het metselwerk was vastgezet. Achter de stenen pijler, die het draaipunt van deze op een weegschaal lijken­de dubbele arm droeg, hing, eveneens aan een ketting, de geweldige stang van een pomp, die in de onpeilbare diepte van een donkere schachtopening verdween. Aan de armen van de weegschaal hingen voor en achter de pijler nog meer stangen. Sommige daarvan trokken aan wonderlijk gevormde hefbomen of klossen, die soms de gang van de hoofdstang volgden, maar dan ineens, alsof zij kwaad waren, zelfstandige, onverwachte grijpbewegingen maakten. De stang aan de andere kant van de pijler zoog aan een kleine pomp, die in een kleine kuil verborgen was en met heftige stoten dampend water in een goot deed lopen, dat door een gat in de muur verdween.

Dat was dus de vuurmachine. Naast haar, in een plompe mantel van baksteen gemetseld, stond de stoomketel. Daarvoor stond een van zweet druipende, koolzwarte man. Als hij de deur van het vuur opende, om nieuwe kolen in de gloed te werpen, lichtte de hele ruim­te met hefbomen en klossen, de blinkende zuigerstang en de zwarte kettingen in een vlammend rood licht op, zodat wild bewegende, bijna tastbare schaduwen in de hoeken van het donkere gebouw rondspookten. Maar het naargeestigste waren de geluiden van het monster.

Het was een gekraak en gesteun, geknal en gekraak ! Het siste en suisde, zuchtte en kreunde, nu eens hier, dan weer daar, alsof er in ieder hoekje een andere kobolt zat. Maar alles werd overstemd door de donderende slag daarboven, als de zware weegschaal op de on­derlaag terechtkwam. Op die slag volgde er vijf seconden lang een plechtige stilte. Dan was het, alsof er iemand beneden op een ijzer klopte; langzaam, met tegenzin als het ware zette de weegschaal zich weer in beweging, onder in de schacht krasten de pompen en het angstaanjagende spel, het kreunen en zuchten, suizen en sissen, knallen en slaan begon opnieuw.

Wie denkt daar nog aan, als hij de spiegelblanke salon binnenkomt. waar tegenwoordig een stoommachine van duizend paardenkrachten met een nauwelijks hoorbaar zuchtje, zo niet volkomen ge­luidloos, haar reusachtig werk verricht? Zo echter zag het er uit en klonk het, toen de stoommachine in haar jonge jeugd voor het eerst haar ledematen begon te bewegen! »

Het zou vergeefse moeite zijn, deze schets nog te willen uitbreiden. Ieder onderdeel van de machine is hier beluisterd en alle geluiden zijn trouw weergegeven. Inderdaad was het geheimzinnigste bij de vuurmachine, als na de slag van de balans een beklemmende stilte intrad. Dat waren de seconden, waarin de cilinders van de pomp leegliepen, de stoomventiel geopend werd en het gewicht van de pompstang aan de balans als het ware op het idee scheen te komen, dat zij immers een heel klein beetje zwaarder was dan de zuiger en zij met tegenzin, steunend begon in de diepte te zinken en de zuiger naar boven te trekken.

Genie en vlijt

Toen op het einde van de negentiende eeuw in Engeland beweerd werd, dat James Watt de enige ware uitvinder van de stoommachine geweest was, kwamen andere geschiedschrijvers zo fel tegen die be­wering op, dat zij in hun ijver, James Watt bijna alle verdiensten ten opzichte van de stoommachine wilden afstrijden. Sommigen zeiden zelfs, dat Watt alleen een genie genoemd was, omdat de eigenaar van de fabriek waarin de stoommachine van Watt gebouwd werd, te veel kapitaal in de zaak gestoken had. Om dat kapitaal te redden zou hij geweldig misbaar gemaakt hebben om de betekenis van Watt te kunnen opblazen en alle mensen inderdaad wijs te maken, dat er iets bijzonders aan de machine was. Volgens de mening van deze ijverige historici zou het genie van James Watt dus eigenlijk slechts een product van de reclame zijn.

james watt

James Watt

Gelukkig bezitten wij tal van onbevooroordeelde getuigenissen omtrent Watt. Niet alleen de patentakte van Watt zijn bewaard gebleven, maar iedereen die onbevangen is kan zich uit de talrijke beoordelingen der tijdgenoten een beeld van de werkelijke betekenis van deze man vormen. Door verscheidene documenten kan men zelfs heel precies het moment bepalen, waarop James Watt voor de eerste keer met het probleem van de stoommachine in aanraking is gekomen. Het was in 1759, dus in hetzelfde jaar waarin Smeaton zich voor het eerst met de machine van Newcomen bezighield. Watt was toen tweeëntwintig jaar en mechanicus aan de universiteit van Glasgow. Hij wist evenweinig van Smeaton als Smeaton van hem.

Het verschil tussen beide mannen is zeer groot. Smeaton, de mo­lenbouwer, toch al een gerijpt man, was gewoon voor zijn dagelijks brood te werken. De jonge Watt is een hongerlijder en een dromer. Hij neemt alle opdrachten aan om zijn leven te rekken, maar daarbij gaat hij tot de grond van alle dingen. Als hij een scheepskompas moet maken, doet hij dat niet eerder, of hij moet eerst alle mogelijke litteratuur over scheepskompassen gelezen hebben die er bestaat. Als hij van een zijner vrienden hoort, dat er in Duitsland een boek van de schrijver Leopold verschenen is met de titel « Der Schauplatz der Maschinen », gaat hij Duits leren, alleen om dat boek te kunnen lezen. Als hij opdracht krijgt om een draaiorgel te maken gaat hij composi­tieleer studeren, en als men hem het model van de machine van Newcomen in zijn werkplaats neerzet, ziet hij al gauw, dat men de grondfouten van de machine niet uit de weg kan ruimen zonder in de constructie ervan in te grijpen.

De koele, praktische Smeaton werkt anders dan Watt. Hij aan­vaardt de machine in haar grondtrekken als gegeven en onverander­lijk, hij meet alles zorgvuldig na en vindt met zekerheid ieder klein gebrek, iedere krachtverspilling en alles wat overbodig is. Het gelukt hem echter niet in het fundamentele door te dringen. Hij geeft zich ook helemaal de moeite niet om dat te doen. Hij is een ingenieur die het heel druk heeft en niet over de tijd, misschien ook niet over het talent beschikt om zich zó te concentreren, dat hij fundamentele, theo­retische beschouwingen kan houden. Smeaton bezit een scherp ver­stand, hij is een zeer begaafd ingenieur, maar James Watt is een genie.

« Genie », heeft Goethe gezegd, « is vlijt ». Met dit harde woord wilde hij diegenen afstraffen, die doen alsof het genie alles maar in de schoot valt. Dat genie nog meer is dan vlijt, namelijk vlijt én de zeldzame gelukkige fundamentele gave om de vlijt productief te maken, heeft Goethe nooit willen betwisten. Het leven en de daden van James Watt zijn een bijzonder mooi voorbeeld voor de werking van het geniale.

Watt is een Schot. Dat moet men begrijpen en in gedachten hou­den als men hem wil doorzien. Schotten gaan door voor gierig. De gierigheid van Watt uitte zich allereerst in de pijnlijke liefde van de uitvinder voor het geld, in zijn correctheid, in zijn terneergeslagen­heid als hij schulden moest maken en in de krenterigheid die hij nog tegenover zijn zoons aan de dag legde, toen hij al een zeer rijk man was.

Nog indrukwekkender echter komt die vrekkigheid tot uitdruk­king, als Watt de grote dingen van het leven gaat overpeinzen. Dan wordt zijn gierigheid scheppend, dan vervluchtigen de Schotse mop­pen over de gierigaards en reiken hem niet eens meer tot de enkels. Toen Watt in de wijsheid van zijn ouderdom was, zeer in aanzien en met achter zich een succesvol leven, zei hij in een gesprek over de problemen van de mechanica: « Het is belangrijk te weten wat men niet nodig heeft om iets te maken. » De gierigheid van de Schotten, die in dit geweldige woord tot uitdrukking komt, reikt tot in de
wol­ken. Het is een vergeestelijkte gierigheid, die niets meer met kleinzieligheid uitstaande heeft. Die gierigheid is de grondtrek van de grootste uitvinding van James Watt en rechtvaardigt de eigenaardig­heden van het merkwaardige volk in zijn geruite rokken op een snedige wijze.

James Watt was er trots op, een Schot te zijn. Van het parallellogram naar de rechtlijnigheid van de zuigerstang, hetgeen hij voor zijn grootste uitvinding hield zei hij: « Hiervan moet u zeggen, dat dit het werk is van een Schot. »

Op de beslissende ogenblikken van zijn leven werkt James Watt altijd met Schotten samen. In zijn jeugd valt de laatste gewapende opstand van de Schotten tegen de Engelse macht. De natie die dan samen met James Watt opgroeit ziet ervan af, haar eigen aard met het wapen in de hand te verdedigen. Zij brengt haar recht op een eigen geaard bestaan tot uitdrukking in een rij van grote daden van civilisatie. Het is een generatie van uitvinders en ondernemers. Zij is bezield van de eerzucht Schotland te maken tot een monster van modern denken en de stoommachine, die James Watt verbetert, dwingt niet alleen Engeland, maar ook alle andere naties in de ban van het Schotse denken.

Door de stoommachine van James Watt zijn de bewoners der wereld zo rijk geworden, zoals zij nooit hadden kunnen dromen. Watts grootste uitvinding, de condensator, is ontstaan doordat de gierige Schot er niet overheen kwam, dat de machine van Newcomen zo krankzinnig veel stoom vermorste. Pas toen aan deze verspilling een eind gemaakt was, werd de stoommachine de uitvoerster van de grote revolutie, die zich in de moderne tijd heeft voltrokken.

Een levendig verteller

James Watt werd op 19 januari 1736 in Greenock geboren. Het land van sagen en zangen, van doedelzakspelers en dagdromers, het vaderland der romantische opstandelingen, der roversliederen, de eeuwige voedingsbodem van een mateloze mannelijke trots liet in dit kind al zijn eigenaardigheden groeien. Als James Watt niet zijn hele leven lang machines had moeten bouwen, zou hij zeker dichter ge­worden zijn. Walter Scott, de grote dichter, roemde het verteltalent van de uitvinder. Dit literaire talent demonstreerde zich al zeer vroeg en toen hij eens als veertienjarige bij een tante in Glasgow op bezoek was, beroofde hij de familie van de slaap, omdat hij iedere avond verhalen begon te vertellen. De jongen vertelde zo spannend en boeiend dat iedereen aan zijn lippen hing en niemand waagde het, naar bed te gaan, uit vrees het einde niet te horen. Tenslotte bracht de tante de jongen vroeger dan afgesproken was naar Greenock terug, omdat zij door de vele nachtwaken overspannen en ziek ge­worden was. Zijn plezier in het fantaseren van verhalen bleef Watt tot op hoge ouderdom bij.

In zijn club wachten zijn medeleden iedere avond erop, dat de grijsaard zijn zetel bij het vuur zou schuiven om een verhaal te ver­tellen. Hij sprak zo vlot en vlug, dat niemand ooit durfde denken, dat Watt zijn verhalen al vertellende bedacht. Toen hij eens begon te haperen en vaker dan anders in zijn snuifdoos greep, vroeg een van de clubleden: « Vandaag vertelt u zeker iets wat u zelf verzon­nen hebt? » — « Die vraag », antwoordde Watt, « verbaast mij. Sinds jaren breng ik nu mijn avonden al in uw midden door en heb nog nooit iets anders gedaan, dan u verhalen te vertellen, die ikzelf bedacht heb. »

Helaas heeft James Watt er nooit toe kunnen besluiten zijn ver­halen op te schrijven. Het enige literaire gedenkteken, dat hij heeft nagelaten, zijn zijn brieven. Zij staan vol beeldspraak en gelijkenis­sen en hun talrijke Latijnse citaten alsook uit andere talen bewijzen de rijke kennis van de man die alles wat hij wist zich zonder hulp had eigen gemaakt.
James Watt was de man met hoofdpijn. Die kwaal heeft hem zijn hele leven lang geplaagd en liet pas op latere leeftijd na. Zijn hoofd­pijn verhinderde hem toen hij klein was regelmatig de school te bezoeken en later heeft hij de grote werkstukken van zijn leven telkens weer dagenlang moeten onderbreken, omdat de hoofdpijn te erg was en zij hem het denken onmogelijk maakte.
Om de pijn te doen afnemen was hij al vroeg in zijn leven verplicht lange wandelingen te maken. Gedurende die tochten kreeg hij vaak de beste ideeën, en ook de grootste vondst van zijn leven, de uitvin­ding van de condensator schoot hem te binnen toen hij op de wande­ling was. De wandelaar met de hoofdpijn is een goed voorbeeld voor de bewering van Aristoteles, dat de mens alleen iets verstandigs invalt als hij gaat wandelen.

Een vermogen in de vingers

De lievelingsbezigheid van Watt was het hengelen. Aan de rui­sende beek gezeten, « koel tot aan het hart», gehuld in de dichte nevel van zijn vaderland en met alleen het gekrijs der vogels boven zich, heeft de uitvinder de gelukkigste uren van zijn leven gekend. Hij was een beschouwend mens, die graag rustig geleefd zou hebben. Zijn genie echter en de treurige omstandigheden waarin hij zich lange tijd bevond, dwongen hem telkens tot nieuwe ondernemingen en pas op hoge leeftijd vond hij wat behagelijkheid en vrije tijd.

De vader van de uitvinder was een rechtschapen en arme man. De inwoners van Greenock maakten hem vanwege zijn rechtschapen­heid burgemeester. Ook de grootvader, een zoon van een landbouwer uit het graafschap Aberdeen, was al burgemeester van Greenock geweest. De grootvader had zich in de tijd der revolutie onder Karel I naar Greenock begeven. Het ligt aan zee en die grootvader kon in die plaats gemakkelijker een bestaan vinden dan ergens anders. Hij was leraar in wis- en scheepvaartkunde. Zijn zoon, de vader dus van de uitvinder, heette eveneens James en was timmerman en scheepsbouwer. Zijn werkplaats lag in een bocht van de zeekust. Het bleek dat men in Greenock wel een man had kunnen gebruiken die de theorie van de scheepvaart kon onderrichten, maar geen
scheeps­timmerman. De vader moest de zaak dus al gauw over een andere boeg gooien. In zijn werkplaats werden scheepslieren gemaakt, meu­bels en doodkisten. Ook had hij een voorraad van katrollen, pompen en kanonaffuiten. Af en toe hield hij zich ook bezig met zakelijke speculaties, maar het geluk was hem niet goed gezind.

Zijn vijf kinderen verloor hij allemaal op zijn zoon James na. James was het vierde kind, het vijfde kwam om, gedurende een reis naar Amerika. James was zo zwak, dat men hem in het oude Sparta beslist niet in leven gelaten zou hebben. Op school gold hij voor dom en achterlijk. Hij wist eerst de welwillendheid van zijn leraren te ver­werven toen hij in de wiskundeklas kwam, waar hij uitstekend vol­deed. De ruwheid van zijn speelgenoten was oorzaak dat de jongen zich hoe langer hoe meer in zichzelf keerde. Door de vele onderbre­kingen van het schoolbezoek als gevolg van de hoofdpijnen hield zijn vader hem tenslotte thuis om te werken. Hij maakte een kleine draai­bank voor hem in zijn werkplaats. Aan deze draaibank en aan de bankschroef zat hij het liefst. De arbeiders van zijn vader hadden zo’n grote bewondering voor zijn handigheid dat zij gezegd moeten hebbe : « Die jongen heeft een vermogen in zijn vingers. »

De vroegrijpe ontwikkeling van de knaap viel ongetwijfeld toe te schrijven aan zijn zucht om van buiten te leren. Balladen en proza­stukken, die hem bevielen, las hij zo lang dat hij ze van buiten kende. Overdag ging hij met zijn vader om en ’s avonds met zijn moeder en de boeken.

De Schotse opstand tegen de Britse heerschappij vlamde nog in zijn kinderjaren op en de bewapende troepen der Hooglanders kwa­men ook naar Greenock. Al heel vroeg werd de jongen zich derhalve de traditie van zijn voorvaderen bewust. De overgrootvader was in een gevecht van de presbyteriaanse verbondenen tegen de koninklijke troepen om het leven gekomen en de grootvader gold voor de over­heid, vanwege zijn protestantisme als een « weerbarstige schoolmees­ter ».

Onder de vele boeken, die Watt in zijn kindertijd gelezen heeft, bevond zich ook het tweedelige werk van ’s Gravezande « Elementen der Natuurfilosofie ». Daarin stonden de toen bekende wetten der mechanica, van de lucht en de stoomdruk, alsook die van het licht en de elektriciteit, verlucht met talrijke plaatjes.

Om te beseffen welke indruk dit werk op de gevoelige jongen maakte, moet men zich kunnen voorstellen welk een plezier men in die tijd had in het experimenteren. De ontwikkelde volwassenen deden toen wat tegenwoordig de kinderen doen. Zij namen vlijtig elektrische proeven, zij gingen de samenstelling van het witte licht uit bonte kleuren na en hadden er plezier in als zij erin slaagden de proeven van Otto von Guericke te herhalen. Iedereen probeerde de nieuw uitgevonden barometer te krijgen en een verrekijker te bezitten. Zo bloeiden de exacte wetenschappen ook in de spelletjes die op vrije avondjes door de volwassenen gedaan werden en de zestienjarige James Watt verraste zijn vader en diens knechts ermee, dat hij hun op zekere dag een elektriseermachine demonstreerde, die hij volgens de beginselen van Otto von Guericke gebouwd had.

Watt had tot zijn veertiende jaar de handelsschool van Greenock bezocht en toen nog vier jaren in een gymnasium doorgebracht, waar hij Latijn en Grieks leerde en zijn wiskundige kennis verdiepte. In die tijd had de Schotse Lord Napier van Merchiston de logarithmen ingevoerd en daardoor de wiskunde uitgebreid. Watt moest beslis­sen, welk beroep hij zou kiezen. Hij zou graag dokter geworden zijn. Zijn hoofdpijnen hadden hem al vroeg met de geneesheren in aanra­king gebracht. De geneeskunst had toen juist nieuwe perspectieven gekregen. De microscoop was uitgevonden en de wereld van de kleine levende wezentjes ging open voor de ogen van de mens. In de jeugd van Watt valt ook nog de ontdekking van Trembley, dat de zoetwaterpoliep die een centimeter groot is zich in tien stukken laat snijden zonder haar leven te verliezen en dat ieder stukje een nieuwe poliep wordt. Daarmee was de wereld van de cellen ontdekt en de mensen schiepen nieuwe hoop voor hun strijd tegen de ziekten.

Tegen zijn eigen zoon heeft Watt later gezegd, dat hij zeker dokter geworden zou zijn, als hij er tegen had gekund het lijden van de zie­ken aan te zien. Zijn gevoeligheid en ongetwijfeld ook het geldgebrek van zijn vader hielden hem van de studie in de medicijnen af. Daar zijn vader wenste, dat de jongen iets zou doen, dat boven de be­kwaamheid van een scheepstimmerman uitging en dat tegelijkertijd in overeenstemming was met de gegeven omstandigheden, nam James Watt het besluit, het vak van mechanicus te leren. In Greenock was geen meester te vinden en dus verhuisde de jonge James op zijn achttiende jaar naar zijn verwanten in Glasgow. Behalve door de beroemde universiteit was deze stad toen alleen bekend door haar tabakshandelaren en haar domheid. Zij had slechts twee hoofdstraten die elkander kruisten, en het enige plezier der kooplieden in hun scharlakenrode rokken bestond hierin, dat zij ’s avonds hun gepoe­derde haren en de hanenveren van hun hoeden in deze straten lieten bewonderen en dan bij elkaar kwamen om een geweldig goed glas te drinken.
Toen er in de stad, waarvan de huizen nog met stro bedekt waren, eens een toneelgroep binnentrok, voelden de kooplieden zich zodanig in hun godsdienstige gevoelens gekwetst, dat zij het toneel bestorm­den en de spelers verjaagden.

Watt heeft later als mechanicus van de universiteit zeer lang in Glasgow gewoond, maar zijn eerste poging, er een meester te vinden en als leerling in Glasgow te wonen, mislukte. Wel kwam hij in de leer bij een man, die zich opticien noemde. Deze man handelde echter ook in violen en spinetten en was vooral knap in het maken van vis­hengels en netten. Voor iemand die graag hengelt is het erg belang­rijk te weten hoe het riet gespleten moet worden, maar daarvoor was Watt niet naar Glasgow gekomen.

De hoogleraar Dr. Dick voor wie de jonge Watt een aanbevelings­brief had, gaf hem de raad, naar Londen te verhuizen en dus reed de jongeling in gezelschap van een oude kapitein achttien dagen lang over land totdat hij in Londen was.

In Londen bemerkte hij spoedig, hoe moeilijk het voor hem zou zijn, een leermeester te vinden. De meesters in de mechanica ver­langden indertijd, dat een leerling zeven jaar in de opleiding zou zijn. Deze voorwaarde kon Watt niet vervullen. Dan had hij immers ook medicijnen kunnen gaan studeren. Daar hij aanvankelijk geen leermeester kon vinden, ging hij naar een klokkenmaker, een oom, gratis in dienst en hielp hem klokken te repareren. Intussen oefende hij zich in het graveren. Zijn vader had gedurende die tijd thuis wat geld kunnen overleggen en de jonge Watt ging een overeenkomst aan met een echte meester-werktuigkundige, Morgan geheten. De meester verplichtte zich, tegen een leergeld van twintig guinjes en eigendomsrecht op de gemaakte werkstukken, James Watt een jaar lang in de kunst van de instrumentenconstructie te onderrichten.

Liever reumatiek dan Indië

Morgan moet werkelijk een meester in zijn vak geweest zijn, want reeds na een maand was James Watt in staat, een uitstekende hoek­meter te maken. Op het einde van het jaar leverde James Watt zijn meester een sector van messing af. Dit gold voor een der moeilijkste dingen die men van een bekwaam instrumentmaker kon verlangen en dat Watt al na een jaar meester was, vindt niet alleen zijn oorzaak in zijn bijzondere bekwaamheid maar ook in het feit, dat hij de nachtelijke uren gebruikte en overigens nauwelijks van zijn plaats in de buurt van de winkeldeur wegging. In een van zijn brieven uit die tijd schreef hij, dat ’s nachts, als hij zijn bed opzocht, zijn handen erg beefden en dat hij last had van kou, hoesten en reumatiek. Hij zat echter liever op zijn tochtige plaats bij de deur van de winkel, dan dat hij naar buiten ging. Op de eerste plaats was daardoor zijn leven goedkoper — hij gaf toen nog slechts acht shilling in de week uit en op de tweede plaats was hij op straat niet veilig. In die tijd immers trokken er werftroepen door de straten en dwongen de jonge mannen ertoe matroos te worden. Het lot, aan de Oost-Indische Compagnie of aan een Amerikaanse planter verkocht te worden en op de katoenvelden te moeten werken, bedreigde toen iedereen, wiens papieren niet helemaal in orde waren. Wie zich voor de Lord-mayor niet kon legitimeren, werd overzee gezonden, en Watt kon zich niet legitimeren, omdat hij zich op een ongeoorloofde leerlings­plaats bevond.

Na zijn jaar leertijd ging Watt om van zijn kwellende hoest af te komen, voor een paar weken naar Schotland terug. Gedurende zijn wandelingen kwam hij op het idee, dat hij zich eigenlijk als mecha­nicus in Glasgow zou kunnen vestigen. De oude pianostemmer en hengelmaker zou hij daardoor niet veel last aandoen en voor zichzelf zou het voordelig zijn, wijl er immers in Glasgow geen behoorlijke instrumentmaker bestond.

Met een paar honderd gulden op zak, die zijn vader hem had gegeven, keerde hij in de herfst van 1756, nauwelijks twintig jaar oud, naar Glasgow terug en werd door de gildemeesters uitgelachen, toen hij hun verzocht, zich als werktuigkundige in hun midden te mogen vestigen. De gildemeesters motiveerden hun bezwaar tegen Watt door op te merken, dat hij geen zoon van een burger was en geen behoorlijke opleiding had genoten. Iedereen, die aan de brood­korf zit, probeert een ander er natuurlijk verre vandaan te houden.

Niet te slim willen schijnen

De professoren van de universiteit redden de jonge mechanicus ervoor met schande overladen weer te moeten vertrekken. Het ge­bied der Universiteit was een vrij gebied en door privilegies be­schermd tegen ieder ingrijpen van de overheid. De professoren ruim­den voor James Watt in de zomer van 1757 een kleine ruimte in in het gebouw van de universiteit, waar hij zijn werkplaats mocht in­richten. Later stonden zij hem ook toe dit vertrek door middel van een deur te verbinden met een ander en dit laatste vertrek kwam op straat, uit en had een winkelraam. In die werkplaats verbeterde Watt de instrumenten van de uni­versiteit en nam overigens alle opdrachten aan, die hij krijgen kon. Hij bouwde violen, klarinetten, draaiorgels en tenslotte zelfs orgels.

Zijn werkplaats werd tot een geliefkoosd trefpunt van de geleerde wereld van Glasgow. Daar troffen de professoren elkaar met hun beste studenten, rookten er hun pijp, wisselden nieuwtjes uit en pro­beerden de jonge werktuigkundige bij zijn werk te helpen of hem van zijn werk af te houden. Voor de veelzijdige Watt was deze om­gang heel prettig, en alhoewel hij toen nog niet zo geleerd was, won­nen de professoren in alle aangelegenheden der mechanica toch zijn raad in. De later zo beroemd geworden professor Robison, toen stu­dent in Glasgow, heeft ons een beschrijving nagelaten van zijn eerste ontmoeting met Watt, waarin hij erkent, hoezeer hem de kennis van de mechanicus verblufte.

« Ik was ijdel genoeg om te denken, dat ik het in de studie van de wiskunde en mechanica ver gebracht had, en was pijnlijk getrof­fen toen ik bemerkte, dat Watt veel meer wist dan ik. Maar zijn plezier in zulke dingen maakte dat een praatje daarover met iedereen een genot voor hem was. Met een aangeboren charme ving hij mijn nieuwsgierigheid op en moedigde hij mij aan tot nadere kennis­making met hem. »

Op een andere plaats zegt Robison : « Ik heb veel van de wereld gezien, maar ik moet bekennen, dat ik nooit een tweede ontmoet heb, wiens superioriteit iedereen erkende en voor wie zij zo’n genegenheid hadden. Want zijn superioriteit ging schuil onder de meest beminne­lijke oprechtheid en hij was bereid, altijd de verdiensten van anderen te erkennen. Hij had zelfs het liefst, als hij dingen, die in werkelijk­heid slechts uitwerkingen van zijn eigen aanwijzingen geweest zijn, kon toeschrijven aan de scherpzinnigheid van een vriend. »

In 1759 vroeg Robison de aandacht van James Watt voor de idee, een wagen door een stoommachine te doen besturen. Watt, die toen nog niet veel van stoom begreep, ging toch bereidwillig op de plan­nen van zijn vriend in en vervaardigde uit blik het model van een dergelijke wagen. Hij werkte echter niet en het zou Watt plezier gedaan hebben met zulke dingen niets meer te maken te hebben, omdat hij zich wegens zijn gebrek aan kennis niet zeker erbij voelde. Ten­slotte, omdat Robison telkens maar weer over de stoommachine sprak, ging Watt eens naar Dr. Black, professor in de scheikunde in Glasgow, die toen juist bezig was met studies over waterdamp. Watt liet zich door hem zoveel over de aard van de stoom vertellen, als Black zelf wist. Black heeft later en bijna tegelijkertijd met James Watt de latente, dat wil zeggen, de verborgen warmte in stoom ontdekt, maar toen was hij nog maar aan het begin van zijn arbeid en wat hij de mechanicus kon vertellen, was niet veel.

Men heeft al aan het voorbeeld van Heron gezien, dat iemand, die stoom-automaten bouwt, niet bepaald hoeft te weten, wat stoom is. Heron was van mening, dat de stoom lucht was, die door het vuur uit het water was verdreven. Tegen deze mening, die meer dan vijftien­honderd jaar lang opgeld gedaan heeft, stelde Denis Papin een nieuwe opvatting. Deze zei, stoom is een door het vuur veroorzaakte bijzonder elastische vorm van water. Die mening was juist en kwam met die van Heron alleen in dit opzicht overeen, dat vuur in staat is, de vaste natuur van iedere stof te veranderen. Boyle had er Papin op gewezen, dat het kookpunt van iedere vloeistof hoger is, naarmate de druk die er op rust sterker is.

Deze nieuwe inzichten had een zo eenvoudig man als Thomas Newcomen niet kunnen volgen. Hoe hij over de stoom dacht, blijkt wel uit het boek, dat de Zweedse ingenieur Marten Triewald over de stoommachines van Newcomen geschreven heeft. Newcomen en Triewald waren de oude mening van Heron toegedaan, dat niet het water de kracht heeft zich uit te zetten, maar alleen de lucht. Stoom was niets anders, zo leerden Newcomen en Triewald, dan uitgezette lucht, die door het vuur uit het water verdreven was.

Dr. Black was weer op de gedachten en waarnemingen van Boyle en Papin teruggekomen en formuleerde zeer nauwkeurige waarne­mingen. Hij sprak met nog groter duidelijkheid uit, wat Papin nog aarzelend gezegd had: stoom is een gas, damp en stoom zijn hetzelfde. Waterdamp is de door vuur veroorzaakte gasvorm van het water.

Black spoorde James Watt aan, dezelfde proeven te nemen als hij zelf gedaan had en beval hem aan daarvoor het model van de Newcomen-machine weer in elkaar te zetten, dat in de universiteit aan­wezig was.

Zo begonnen toen in Glasgow de onderzoekingen naar de natuur van de stoom, die weliswaar niet door Black en Watt ten einde gebracht zijn — pas in het midden van de negentiende eeuw vol­tooiden andere geleerden dit werk — maar die toch tot verrassende en revolutionaire resultaten leidden.

Stoom is onzichtbaar

Als wij tegenwoordig in een wetenschappelijk naslagwerk het hoofdstuk « stoom » doorlezen, wordt ons een rij van feiten meege­deeld. Deze feiten zijn zo talrijk, dat wij ze nauwelijks kunnen over­zien en onthouden. Als het ons bij het lezen van glasheldere resulta­ten al zo vergaat, hoe moet het toen dan de beide mannen te moede geweest zijn, die stap voor stap in het nieuwe gebied doordrongen en van wie de een bij zijn werk door de hevigste hoofdpijn geplaagd werd!

Men stelle zich zelf maar eens op de proef. Men vrage aan een mens van onze eeuw volkomen argeloos, wat eigenlijk stoom is. Als hij ons al antwoord geeft, zal hij zeggen, dat stoom dat witte wal­mende goedje is, dat uit een hete theeketel opkringelt. Als wij hem nu zeggen, neen, dat is geen stoom, maar alleen de waternevel, die zich door de koude van de lucht uit de eigenlijke, onzichtbare stoom vormt, zal hij grote ogen opzetten. Om het nog duidelijker te zeggen: als stoom uit een ventiel stroomt, dan is de stoom niet dat witte, maar dat onzichtbare kleine stuk tussen de witte nevel en de uitmon­ding van de ventiel. Dat men de stoom niet zien kan, wordt nog duidelijker als men naar het peilglas van een stoomketel kijkt. De ketel staat onder druk, hij voert voortdurend stoom naar de cilinder en als men de stoom zou kunnen zien, zou er toch boven het water in het peilglas een witte nevel moeten hangen. Maar men ziet daar niets, alleen maar een schijnbaar lege ruimte. Zo ziet men, dat men niets ziet en dat dit, wat men niet ziet, stoom is.

Stoom is een gas, waarvan het ontstaan niet onmiddellijk van de verhitting van een vloeistof afhangt. Iedere vloeistof verdampt voort­durend, alleen noemt men de verdamping zonder verhitting ver­vluchtiging. Wat wij de stoomvorming noemen, treedt in alle geval pas bij het kookpunt van de vloeistof op. Als een vloeistof verdampt, dan verdwijnt zij niet, dat wil zeggen, zij lost zich niet op in het niets, maar zij gaat over in haar gasvormige toestand.

Het model van de Newcomen-machine stelde erg teleur. Nadat Watt haar gerepareerd had, zag hij, dat de machine niet eens een behoorlijke slag kon maken, alhoewel de stoomketel in verhouding tot de werkelijke machine buitengewoon groot was. Watt probeerde van alles en kwam evenals Smeaton op de gedachte, dat het beter zou zijn, ijzeren cilinders te nemen inplaats van de bronzen, die deel van de machine uitmaakten, Maar veel beter werd de machine daar­door niet en Watt ging nu terug tot het werk van Denis Papin. Hij schafte zich een Papinse pot aan. Op de veiligheidsklep van die pot zette hij een kleine cilinder met een zuiger en begon een reeks proeven te nemen, die hem tot dezelfde overtuiging brachten als Papin, namelijk dat er stoom bestaat van hoge spanning, die veel sterker is dan de kracht van de atmosfeer. Uitgerust met deze erva­ring zou Watt een hogedrukstoommachine hebben kunnen bouwen. Hij overwoog dit plan ook, maar gaf het toen weer op, omdat hij van mening was, dat men nooit boven anderhalve atmosfeer druk zou mogen uitgaan. Een sterker druk zou ketel en ci­linder uit elkaar doen sprin­gen en hogedrukstoommachines zouden derhalve tot een voortdurende bedreiging van de mensheid worden. Toen veel later een mechanicus in Londen een hogedrukstoom­machine samenstelde en in zijn winkelraam liet lopen, noem­de Watt hem openlijk een misdadiger.

james watt 6 jpg

Trevithick sterft in ellende

Deze man intussen was de geniale Trevithick. Hij bouwde locomotieven en redde met zijn hogedrukstoommachine de Peruaanse zilvermijnen van overstroming. De hogedrukmachine werkt zonder condensator. Zij laat de zuiger niet door de atmosfeer, maar door de druk van de stoom bewegen. Als de stoom zijn werk gedaan heeft, ontsnapt hij in de lucht.

Toen Watt vernam, dat Trevithick een druk van vier atmosfeer toepaste, zei hij, dat hij er in zijn stoommachine wel acht wilde ge­bruiken, maar dat hij niemand zou aanraden die machine te bedienen. In zijn toorn tegen Trevithick ging Watt zo ver, dat hij het Lagerhuis tegen de machinebouwer ophitste. Hij zei, dat Trevithick verdiende opgehangen te worden. De hogedrukmachine heeft zich echter tegen de inzichten van James Watt in gehandhaafd. Dat kon zij echter pas, toen men met behulp van de stoommachine van Watt voldoende erts kon winnen en de ijzertechniek zo ver ontwikkeld was, dat men voldoende stevige cilinders kon gieten die tegen de hoge druk be­stand waren. Alle spoorweglocomotieven zijn hogedrukstoommachines. Zo heeft Trevithick toch gelijk gekregen, maar de vloek, die James Watt hem naar het hoofd slingerde, is op merkwaardige wijze in vervulling gegaan. Wel werd de machinebouwer niet opgehangen, maar hij stierf in ellende. Peruaanse bezitters van zilvermijnen zagen zijn machine in Londen. Zij haalden Trevithick naar Peru. Trevit­hick werd door de Peruanen met zilver overladen, maar hij raakte verstrikt in de warboel van de Peruaanse revolutie, verloor al zijn rijkdommen en kwam na een avontuurlijke vlucht over het Andesgebergte bij de Oceaan. Zijn enige rijkdom bestond uit een zilveren spoor aan zijn laars. Hij stierf in Londen zo arm, dat zijn vrienden een inzameling voor hem moesten houden, wilde hij niet als een hond-begraven worden.

De zachtmoedige Watt was zo heftig tegen Trevithick geweest, omdat hij niet wilde, dat men een zo gevaarlijk ding als stoom van hoge spanning zou gebruiken, zonder de natuur daarvan doorgrond te hebben. Hij ging daarom bij zijn eigen onderzoekingen weer een stap terug. Papin had de drukverhoudingen in zijn kookpot nooit precies kunnen bepalen. Watt stelde zich dit tot taak en zijn methode was zeer vindingrijk.

Hij deed in een glazen kolf een beetje water en kitte in de mond van de kolf een glasbuisje vast, dat bijna tot op de bodem van de kolf reikte. Uit de op die manier gesloten kolf konden lucht en stoom dus alleen door de buis ontwijken. Hij verhitte de kolf in een oven zo lang, dat al het water verdampt was en ook de lucht door de warmte en meegesleurd door de waterdamp de kolf verlaten had. De kolf scheen nu volkomen leeg te zijn, maar Watt wist, dat stoom eigenlijk een onzichtbaar gas is. Hij sloot de buis dus af, toen de laatste drup­pel water verdampt was, en hield de glazen kolf toen in een koude luchtstroom. Dat hoeven wij ons niet voor te stellen als een
ingewik­keld proces. Hij hield de kolf eenvoudig buiten het vensterraam. Daarbij nam hij waar, dat het onzichtbare gas door de koude weer in nevel en in water veranderde.

Toen woog hij de kolf, woog het uit de stoom door koude weer gecondenseerde water en vergeleek die cijfers met het gewicht van de met water gevulde kolf van vóór het experiment. Op die manier berekende hij, « dat een bepaalde hoeveelheid water bij verandering in stoom zich tot het achttienhonderdvoudige van zijn inhoud kan uitzetten. »

Bij zijn proeven met het Newcomenmodel was het Watt opge­vallen, dat het ingespoten water voor de condensatie zeer snel heet werd, ook als de zuiger van de machine stilstond, dus als er geen druk op het water werd uitgeoefend, maar er alleen hete stoom in de cilinder stroomde.

Ook dit feit was voor Watt vervolgens een voorwerp van diep­gaand onderzoek. Daarbij ontdekte hij de latente warmte van de stoom.

Het wonder van de verborgen hitte

Voor zijn onderzoekingen plaatste Watt twee waterketels naast elkaar. De ene bleef koud, de andere verhitte hij. Toen verbond hij beide ketels door middel van een gebogen glasbuis. De stoom uit de verhitte ketel werd op die manier in het koude water geleid. Dit zette Watt zo lang voort, totdat de stoom uit de kokende ketel het water in de koude ketel eveneens aan het koken gebracht had. Toen woog hij beide hoeveelheden water en stelde vast, dat het water dat eerst koud geweest was en waar de stoom in gevoerd was, met een zesde van zijn eigen gewicht was toegenomen. Dit leverde de stelling op: water, in stoom veranderd, is in staat het zesvoudige van zijn eigen gewicht aan gewoon water op kookhitte te brengen.

Achter die stelling lag evenwel nog een ander geheim verborgen. Het lag opgesloten in de vraag: Hoe kan kokend water alleen door de stoom te laten overbrengen het zesvoudige van zijn eigen gewicht aan het koken brengen, zonder zelf het kookpunt te overschrijden ?

Een enkel woord ter verduidelijking: we vullen een ketel met water, zetten er een thermometer in en leggen er een vuur onder aan. Het kwikzilver in de thermometer zal gaan stijgen tot aan het kookpunt en dan blijven stilstaan, ook als het kokende water al in stoom overgaat. Deze stoom is in staat zesmaal zoveel water aan het koken te brengen. Zijn temperatuur moet dus ver boven het kook­punt zijn. Nemen wij echter de thermometer uit het koken­de water en houden wij hem in de stoom, dan blijft het kwik ook dan voortdurend op dezelfde hoogte. Bij het verdampen neemt het water derhalve grotere hoeveel­heden warmte op en behoudt toch dezelfde temperatuur. Die warmte is latent, dat wil zeggen verborgen.

james watt 7

Daar Watt zich het wonder van de verborgen warmte niet kon verklaren, ging hij weer eens naar het laboratorium van zijn vriend Dr. Black. Hij vertelde Black van zijn waarnemingen. De professor hoorde hem glimlachend aan, stond toen op, haalde een boek uit zijn kast en legde het voor Watt op tafel. Het was een voordrachtenboek van Black en bevatte een voordracht over latente warmte. De pro­fessor was bij zijn werk tot precies dezelfde resultaten gekomen als Watt. Black had evenwel in de andere richting gewerkt. Hij had proeven genomen met ijs en bevonden, dat een zekere gewichtshoeveelheid ijs van nul graden Celsius in dezelfde gewichtshoeveelheid water van 80 graden Celsius smelt en dat dan de temperatuur van de beide hoeveelheden vloeibaar water nul graden is. Deze proef vulde hij aan met nog een andere. Een gewichtshoeveelheid water van nul graden met dezelfde hoeveelheid water van 80 graad levert gemengd een gemeenschappelijke temperatuur op van 40 graden. Daar mocht hij uit afleiden dat de uit het ijs voortgekomen hoeveelheid water 80 warmte-eenheden in zich had opgenomen, zonder dat die verborgen warmte zich direct – dus met een thermometer – liet meten.

Watt keerde weer naar zijn werkplaats terug en experimenteerde verder. Hij had nu al enkele feiten over de natuur van de stoom doorgrond, die tot dan toe onbekend geweest waren. Deze kennis alleen echter deed de Newcomen-machine geen haartje sneller lopen. Watt kende de uitzettingskracht van de stoom. Hij kende de verborgen warmte en kon toch niet bewerkstelligen, dat deze eigenschappen in de Newcomen-machine nuttig effect opleverden. De stoom verspilde zijn kracht bij de verwarming van de cilinder. Was de cilinder goed verwarmd, dan werd hij door het condenswater weer afgekoeld. Aan dit eeuwige wisselspelletje gingen krankzinnige hoeveelheden stoom verloren.

Over de Newcomen-machine ging toen in Engeland een mare rond, die de op spaarzaamheid bedachte Watt uit het hart gegrepen was. Zij luidde: « Om een mijn met een vuurmachine droog te houden, heeft men een ertsmijn nodig om de machine te maken en een kolen­mijn om ze te verhitten ».

Watt tobde maar rond in zijn werkplaats, zonder dat hij ook maar iets opschoot. Om de boeken, die er over de stoom bestonden, te kunnen lezen, had hij drie talen geleerd: Italiaans, Frans en Duits. Om de proeven met de stoom te kunnen nemen, had hij zijn nachten opgeofferd en alle geld uitgegeven dat hij bezat. Zes jaren waren er met zijn studies verlopen, en zijn vrienden waren van mening, dat de mechanicus zich in een hopeloze situatie had vastgebeten. Watt kon zich evenwel niet meer uit zijn gedachten losmaken. Hij was melancholisch geworden en zei eens: « Ik kan niets anders meer den­ken dan de machine. »

Slechts één mens kon Watt uit zijn melancholie tijdelijk bevrijden. Dat was zijn nicht, die hij in 1764 gehuwd had, wier vrolijk tempe­rament hem betoverde en die hij de mooiste brieven schreef. Deze vrouw stond hem dapper ter zijde en uiterlijk gezien ging het Watt niet slecht. Hij had zich, om al zijn krachten aan de machine te kun­nen wijden, een man gehuurd, die de boeken voor hem bijhield en door wiens handigheid de werkplaats tot bloei gekomen was. Watt bood deze flinke Craig deelgenootschap aan en hij heeft zich die grootmoedigheid nooit berouwd. In 1765 werkte de inrichting met zestien gezellen.

Een vruchtbare wandeling

In dat gedenkwaardige jaar kreeg de uitvinder gedurende een wandeling de verlossende gedachte. Daarover bericht hij zelf :

« Op een zondagmiddag had ik buiten Glasgow een wandeling gemaakt. Toen ik mij halverwege tussen het Hirtshuis en de Arnsbron bevond en mijn gedachten natuurlijk toefden bij de proeven waar ik juist mee bezig was om warmte in de cilinder te sparen, kwam net op dat gedeelte van de weg de gedachte bij mij op, dat daar stoom een elastische damp is, hij zich moet uitzetten en in een van te voren luchtledig gemaakte ruimte storten; ik overlegde, dat ik alleen een met verdunde lucht gevulde ruimte in een
afzon­derlijk vat hoefde te maken en van dit vat uit een verbinding te maken met de cilinder. Dan zal de stoom uit de cilinder in de lucht­ledig gemaakte ruimte trekken en de machine kan werken. »

Uit deze grondgedachte ontwikkelden zich voor Watt in verloop van twee dagen al de revolutionaire verbeteringen die hij aan de stoommachine heeft aangebracht.

Hij beredeneerde, dat de stoom alleen spaarzaam te gebruiken was, men de cilinder niet voortdurend dwong af te koelen en dan weer heet te worden, maar als men hem voortdurend warm hield, zodat hij geen stoom kon doen condenseren. Dat was op eenvoudige manier te bereiken door de beschermende cilindermantel, die bij Newcomen altijd met koud water gevuld was, met stoom te vullen. Maar zover durfde Watt pas later te denken. Voorlopig ging hij er toe over, het koude water uit de stoomcilinder te verbannen. Hij overwoog, dat men van de cilinder een buis naar een ruimte zou lijden. Die ruimte moest men vervolgens in verbinding stellen met een luchtpomp. Als men nu met de luchtpomp in die ruimte een luchtledig verwekte, zou de stoom uit de cilinder in die ruimte storten en in de cilinder een vacuüm achterlaten. De buitenlucht drukte de zuiger dan weer in de cilinder omlaag. Van de bodem van de cilinder kon de zuiger dan weer meteen naar boven gaan, omdat nu immers de cilinderwand niet meer opnieuw verwarmd hoefde te worden. Zo zou de ene slag op de andere kunnen volgen. De machine zou heel goedkoop werken en daarbij de prestaties van de machine van Newcomen veelvoudig overtreffen. Niet zestien slagen in de minuut was het ideaal, maar zestig.

Zo volgde de ene gedachte de andere op en toen Watt zich er toe zette een kleine proefmachine te bouwen, had het nieuwe zich al zo ver in zijn hoofd ontwikkeld, dat hij de machine op de volgende manier maakte :

james watt 8

Van de stoomketel D uit ging een buis omhoog. Zij leidde naar de cilinder. De cilinder Z was echter niet meer boven, maar naast de stoomketel aangebracht. De verbindingsbuizen tussen stoomketel en cilinder werden vertakt en kwamen boven en beneden in de cilinder uit. De zuigerstang St kwam bij de proefmachine niet boven uit de cilinder doch beneden. Twee stoomleidingen kwamen dus in de cilinder uit, een derde leidde naar buiten en verbond de cilinder met het vat K, waarin het luchtledig tot stand gebracht moest wor­den. Dit vat was met een pomp P verbonden. De pomp en het lucht­ledig werden in een kuip geplaatst, waar zich koud water in bevond. Dit moest het luchtledige vat zo laag gekoeld houden, dat de stoom, die uit de cilinder in het vacuüm terechtkwam, onmiddellijk neerge­slagen werd en er ruimte ontstond voor nieuwe stoom. Het gecondenseerde water werd door de pomp, die het luchtledig maakte, naar buiten gepompt.

De proefmachine had vier ventielen. In elke tak van de stoomlei­dingen zat er een, de derde scheidde de cilinder van het vacuüm en de vierde ventiel bevond zich aan de zuigerstang. Watt had deze stang namelijk in de lengte doorboord. Die doorboring diende om het water uit de cilinder te la­ten, dat zich toch nog uit stoom mocht hebben gecon­denseerd. Aan de zuiger­stang hing Watt een ge­wicht van achttien pond.

Eerste seconden van een nieuwe tijd

De proefmachine bouw­de Watt in enkele dagen tijds van blik en messing. Zij bestaat thans nog en staat in het Wetenschap­pelijk Museum in Londen.

Voor wie thans in de geschiedenis terugblikken, is het moeilijk de
koorts­achtige haast opnieuw mee te beleven waarmee James Watt werkte en de nerveuze spanning mee te voelen, die hem vervulde, toen hij de machine voor de eerste maal ging verhitten. Toen er stoom in de ketel verwekt was, sloot de mechanicus allereerst de kraan, die de luchtpomp en het vacuüm van de werkcilinder scheidde en opende de stoomkraan, die de bovenste buis van de vork gesloten hield. Hij zelf heeft uit zijn geheugen deze eerste seconden beschreven. Daar hij zijn mededeling daarover neerschreef toen hij al heel oud was, is er natuurlijk weinig meer in te bespeuren van de opwinding die zich toen van hem mees­ter had gemaakt.

« De stoom werd in de cilinder toegelaten en kwam al spoedig door de holte van de zuigerstang en bij de ventiel van de condensa­tor – zo heette later het vacuüm – naar buiten. Toen aangenomen kon worden dat de lucht verdreven was, werd de stoomkraan geslo­ten en de zuigerstang van de luchtpomp omhooggetrokken; zij maak­te daardoor van de condensator een ruimte met verdunde lucht. Nu werd de kraan naar de condensator geopend, de stoom schoot in de ruimte met verdunde lucht en werd gecondenseerd. Onmiddellijk daarop ging de zuiger van de cilinder omhoog en hief zodoende het gewicht van achttien pond op, dat aan het benedeneinde van de
zui­gerstang gehangen was. De condensatorkraan werd gesloten, de stoom opnieuw in de cilinder toegelaten en het proces herhaald; de hoeveelheid verbruikte stoom en het opgeheven gewicht werd ver­geleken en, afgezien van het feit dat er geen stoommantel en buiten­bekleding was aangebracht, was de uitvinding compleet, voor wat betreft de besparing van stoom en brandstof.

Vlak daarop werd een groot model met een houten beschermings­mantel rond de cilinder gebouwd; de proeven die daarmee genomen werden bevestigden de verwachtingen, die ik koesterde en toonden het voordeel der uitvinding zonder enige twijfel aan. — Bij deze tweede machine werd de werkcilinder met zijn uitmonding naar boven gericht en de machine werd van een balans en van de andere apparaten voorzien, die bij de vroegere machine gebruikelijk waren, want het omkeren van de cilinder of beter gezegd, alleen van de zuigerstang in het model was immers alleen maar een middel geweest, om de nieuwe uitvinding gemakkelijker te kunnen proberen; bij grote machines zou daar veel bezwaar tegen bestaan. »
.

(Walther Kiaulehn ‘IJzeren engelen’)
.

8e klas geschiedenis: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

James Watt

James Watt en de industriële revolutie

.

507-469

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 7e klas (2)

.

NEDERLANDSE TAAL

zie ook Nederlandse taal 6e klas (2)

Leerstof van klasse VII

a.  vertelstof:
Land- en volkenkunde, verhalen, middeleeuwse riddersagen, het Finse Kalevala-epos.

b.  spreken:
Spraakoefeningen, klassegesprek, spreekbeurt, temperamentsoefeningen, reciteren van gedichten, voordragen van prozastukken.

c.  schrijven:
Zuiver schrijven*, goed gestelde zakenbrieven.

d.  lezen:
Moeilijker stukken door stillezen opnemen en inhoud in vragende vorm weergeven.

e.  spelling en interpunctie:
Moeilijke dictees. Vervolmaking interpunctie.

f.   grammatica
Behandeling van de samengestelde zin.
Nauwkeuriger behandeling van voornaamwoorden en voegwoorden.
Het kind moet door de taal de goede uitdrukkingen kunnen hanteren, die een wens, een verwondering, een gevoel van verbazing, ook van bewondering, kortom een gehele configuratie van gevoelens uitdrukken. Vergelijken van een wenszin met een bewonderzin om de plastiek van de taal te beleven.

g.  opstellen:
Onderwerpen uit natuurkunde en biologie nauwkeurig weergegeven.

h.  stijloefeningen:
In vier temperamentstijlen kunnen spreken en schrijven. In de Nederlandse literatuur voorbeelden bestuderen.

Iets over de zevende klas

Verwondering
Kunstzinnige uitbeelding van verwondering als ondersteuning van het uitdrukken van de taal.
De leerkracht laat met klei of plasticine eenvoudige, menselijke gestalten boetseren. De stand van het lichaam, en vooral de armen en handen worden zeer goed bekeken, vervolgens in de klei uitgedrukt.

Als tegenstelling: de houding van de wensende zin. Men ziet, dat de verwondering iets heeft, dat men met teruggaan, achteruitgaan zou kunnen vergelijken. De wens daarentegen heeft iets van vooruitgaan. Het midden tussen deze twee houdingen is de gebedshouding: men wenst iets in eerbiedige terughouding.

De samengestelde zin
Wanneer de zevende klassers het leven vanuit hun ontwikkelingsfase intellectueel gaan benaderen, is het toch duidelijk, hoezeer gevoelsmatige kleuring, hevige impulsen van lust en onlust met dit intellectuele gepaard gaan. Alles wordt persoonlijk opgenomen, mateloos vereerd of veracht. Daarom gaan we juist die bewonderende en wensende zinnen doen. Maar tot de samengestelde zin komen?

Het merkwaardige is, dat men de bijzin niet erg op prijs stelt. Misschien omdat men zich dan op glad ijs begeeft? Misschien omdat men dan deftig lijkt? Of is het omdat vele leerkrachten roepen: ‘Wees kort! Druk je eenvoudig uit! ‘Ja, toch is de bijzin vaak milder dan één woord. Rudolf Steiner wees er wel op, dat de uitspraak ‘daar staat een bleke man’ voor het kind een abstracte hamerslag is. Het toehorende kind wordt zacht aangeraakt door te zeggen: ‘daar staat een man, die bleek is’.

De bijzin is vaak mooier. Vergelijk eens: “s Morgens ging ik op pad’ met: ‘Toen de morgen aanbrak, ging ik op pad’. De laatste zin is mooier.

Denkt men, dat een bijzin maar bijzaak is? Het tegendeel is vaak waar! Wat denkt u van: ‘De dag was aangebroken, toen plotseling de vulkaan met een vreselijk lawaai uitbarstte’. De hoofdzaak staat vaak in de bijzin.

De bejaarde profeet begaf zich naar het gebergte in een grot.

De profeet, die al bejaard was, begaf zich, omdat hij naar de eenzaamheid verlangde, naar het gebergte, waar een grot was gelegen. Het wordt een hele sport voor de zevende klasser om een bijvoeglijke bepaling uit te breiden tot een bijvoeglijke bijzin en een bijwoordelijke bepaling uit te werken tot bijwoordelijke bijzinnen. Ook een condensering, de omgekeerde weg, is spannend. Men beleeft dan ook, hoeveel wezenlijke dingen worden verborgen in de verkorting. ‘Nadat hij de belangrijke zaak gedurende de dagen, die hij in de woestijn had doorgebracht, zorgvuldig had overwogen, besloot hij de beslissing, waarvan zoveel afhing, te forceren.’

‘Na zorgvuldige overweging van de belangrijke zaak besloot hij de gewichtige beslissing te forceren.’ Men kan er ook een raadsel van maken:

Omdat……………………………………….    kon hij ’s nachts niet slapen (of zij)

Als……………………………………………..    zal ik je wel krijgen!

Opdat  ……………………………………….    vond hij de paraplu uit (of zij).

Hoewel……………………………………….    kreeg hij toch hoofdpijn (of zij).

Stijloefeningen
Beschrijf de gevoelens van de inwoners van Jerusalem bij het naderen van het Kruisvaardersleger in vier temperamenten.

1. Ah! de Christenhonden! We zullen ze! Allah verdelge hen!’
2. ‘Jaja, daar komt het leger rustig aanzetten, ze zetten hun tenten op, ze gaan hun paarden verzorgen, zouden ze goed eten bij zich hebben, dan zou ik de stad nu meteen graag overgeven, dat spaart veel bloed.
3 .’O wee, daar komen, heb ik ’t niet gezegd, machtige legers, die zonder twijfel blaken van vechtlust, omdat zij, hoewel ze veel moeilijkheden gehad schijnen te hebben, aan het einddoel zijn gekomen, zodat wij, arme leden van het Oude Volk zeker weer het kind van de rekening zullen worden. God beware ons!’
4. ‘O kijk eens! Dat zijn nu de Franken! Ze hebben vrolijke vlaggetjes aan hun speren. Alles is van ijzer aan ze, zelfs hun wil, hihihi, tenminste, dat zeggen ze. Zouden ze ons, vrouwen, kwaad doen? Welneen, we kunnen hoogstens slavin worden en dat waren we al.’

Toneel
In principe speelt de gehele klas mee, niet alleen de begaafden.

De leerstof geeft het kind de mogelijkheid op deze leeftijd kennis te maken met de ontdekkingsreizen en het nieuwe bewustzijn, wat zich baan breekt in de zielen van de 15e eeuw. Het spel behandelt de lotgevallen van Columbus.

Eerste tafereel
(Kamer van Columbus’ schoonvader. Kaarten, boeken, instrumenten liggen her en der. Columbus ontvangt een zeeman. Felipa, Columbus’ vrouw zit op een zetel)

Columbus:
Vertel, vertel, wat zag je toen?

Zeeman (gebarend):
Kap’tein Columbus ‘k zei het al
We lagen met de storm vlak achter.
De masten kraakten en het want
Stond strak, de wind floot in de touwen.
Het water spatte voor de boeg,
Het scheepsvolk stond te hozen.
Maar ik keek uit, het weer was helder
En bij San Jago!

Columbus:
Nu, wat toen?!

Zeeman:
Toen zag ik land, zowaar ‘k hier sta
Een streep in het Westen

Columbus:
Was ’t geen wolk?

Zeeman:
Ik zei U toch, dat ’t helder was.

Columbus:
Goed, goed! (maakt een aantekening)
En hoeveel mijlen, denk je
Joeg ’t schip in westelijke richting?

Zeeman:
De storm dreef ons drie volle dagen
Naar ’t Westen, reken dus maar uit.
(Columbus maakt aantekening)
Toen viel de nacht, de storm bedaarde
En wij hernamen d’oude koers.

Columbus:
Bedankt, bedankt — hier, voor je moeite (geeft geld)

Zeeman:
God zal ’t je lonen, kapitein.
(af),

Columbus (tot Felipa):
Felipa, hoorde gij ’t verhaal
Van deze zeeman? — hij zag land,
Een onbekende kust in ’t Westen.

Felipa (staat op)
Ik hoorde het heel goed, mijn vriend
En ik verheug mij met U samen,
’t Is een bewijs van Uw vermoedens.

Columbus:
Felipa, heeft Uw vader nooit,
De eerbiedwaardige Perestrello,
Gesproken van een vaart naar ’t Westen?

Felipa:
‘k Herinner mij, dat hij vertelde,
Kort voor zijn dood in Porto Santo
Hier eens in deze zelfde kamer,
Dat bij zijn meester Hendrik kwam,
Een schipper, die ’t geheimzinnig eiland
Antilia had aangedaan…

Het spelelement komt ook bij de grote kinderen van de lagere school niet te kort!
.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

*Steiner over het ‘schoon’schrijven
.
Nederlandse taal klas 7 (1)
.
bij Luc Cielen

Columbus– biografie

Columbus – toneelstuk

.

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.
506-468

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 6e klas (2)

.

HET NEDERLANDSE TAALONDERWIJS

Het kind van het twaalfde jaar tot de geslachtsrijpheid

De ontwikkeling van het kind
Het laatste gedeelte van de tweede zevenjaarperiode wordt gekenmerkt door een intensivering van het denk- en voorstellingsleven. De hoogtepunten van de gemoedsperiode (of fantasieperiode) zijn voorbij.
Een denken kondigt zich aan, dat het volwassen denken met logische en theoretische functie gaat benaderen en op normale wijze rijp wordt voor abstracties.
Lichamelijk is er iets te zien, wat deze ontwikkeling als het ware ondersteunt: de vulling van de romp gaat geleidelijk over in een strekking van de ledematen. Het kind heeft een zeker evenwicht hervonden, het wordt geboeid door de geweldige mogelijkheden die de zintuiglijke waarneming biedt om de wereld te leren kennen. Innerlijk is er iets, wat het kind vooral wil: het wil de waarheid omtrent de wereld leren kennen. Ook fysiologisch is er veel aan de hand. De overschrijding van de twaalfjaargrens is zeker even belangrijk als die van het 9e jaar was. Wat is namelijk het geval? Veel sterker dan voor die tijd begint het kind zich te verbinden met zijn skelet.

Het jongere kind beweegt zich met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem, dat gevoed wordt door de ritmisch circulerende bloedstroom. Maar tegen het twaalfde jaar ‘pakt’ de jonge mens zijn skelet. Van de spieren gaat het via de pezen tot de botten. De bewegingen verliezen ritme en gratie, zij worden hoekig, onhandig en willekeurig. Het kind komt in de zogenaamde ‘vlegeljaren’ en het weet niet, wat het met zijn ledematen beginnen moet.

Maar nu het geestzielewezen van het kind zich sterker met het mechanische van het skelet verbindt, kan het ook alles met nut en zonder schade opnemen, wat in het leven en in de wetenschap aan mechanische wetmatigheden onderworpen is.

Een hele rij van nieuwe vakgebieden gaat voor het kind op dat moment een rol spelen: meetkunde, algebra, natuurkunde, mechanica, scheikunde, perspectieftekenen.

Het kind wil de wereld in deze mechanische wetmatigheden aan fenomenen leren kennen, het waargenomene doordénken en daaruit conclusies trekken. De wereld moet ‘waar’ voor hem zijn!

Het Nederlandse taalonderwijs
In de lagere klassen is zorgvuldig voorbereid als beeld: de woordsoorten, de zinsdelen en de opbouw van een zin. In de zesde klas kan men tot een zekere afsluiting komen. De woordsoorten kunnen veel abstracter behandeld worden en — met het oproepen van herinnering aan de vroegere beelden, die echt geen praatjes voor de vaak waren — nu met hun volwassen naam genoemd worden. Het wordt duidelijk, dat er tien woordsoorten zijn:

De denk- en voorstellingsmatige groep:
zelfstandig naamwoord met lidwoord, telwoord en de vervangende naamwoorden.

Polair daartegenover de wilsmatige groep:
werkwoorden met voorzetsels en voegwoorden.

Daartussen de gevoelsmatige groep:
de tussenwerpsels in het midden. Dan de bijvoeglijke naamwoorden die aansluiten bij het voorstellingsmatige groepje woordsoorten en de bijwoorden die meer op de wilsmatige groep gericht zijn.

klas 6 taal

In de zesde klasse kan de enkelvoudige zin behandeld, geoefend en ontleed worden.

Verder tracht de leerkracht het stijlgevoel van het kind te wekken in de eerste plaats door het gebruik van de ‘modi’ of ‘wijzen’:
Wens, bede, aansporing, bevel.

Dit geschiedt al sprekend en ook in het schrijven.

De naamvallen worden verbonden met de zinsdelen.

Ook wordt stijlgevoel gewekt door het redeneren, want van het Middeleeuwse trivium is nu niet meer zozeer de schoonheid van de retorica als wel de waarheid, de redeneerkunst van de dialectica aan het woord. De juiste stijl wordt ook beoefend in het schrijven van brieven en kleine, overzichtelijke zakenopstellen, waarvan de inhoudelijke stof al vanaf de derde klasse is voorbereid.

Lees- en vertelstof zijn aan de Grieks-Romeinse mythologie en aan de volkenkunde ontleend. De opstellen moeten karakteristieke dingen uit de biologie en de natuurkunde beschrijven.
De samengestelde zin wordt behandeld, ook onder- en nevenschikkend zinsverband. Het kan duidelijk zijn dat het hoofddoel voor de klassen VI en VII dus is: Het overtuigend spreken en het kritisch luisteren.

Leer en ontwikkelingsdoelen
voor de klassen VI en VII.

—  Het overtuigend spreken, beschrijven, met inachtneming van de temperamenten.
—  Het dialectische in de taal beoefenen (discussie).
—  Sociale vaardigheid: redeneren, discussiëren, goed leren luisteren.
—  Duidelijke uitspraak ontwikkelen.
—  Duidelijk schrijven, helder en eenvoudig.
—  Een stilleesstuk verstandelijk opnemen en de inhoud kunnen weergegevn.—  Zakelijk en efficiënt schrijven (zaken- en andere brieven).
—  Juiste onderscheiding van spreek- schrijfstijlen, bij de gelegenheid passende stijl vinden en uitdrukken in woord en geschrift.
—  Grammaticaal de woordsoorten in iedere zin kunnen onderscheiden en benoemen.
—  De zinsdelen en bijbehorende naamvallen onderkennen, benoemen en hanteren.
—  De juiste uitdrukkingswijzen vinden en hanteren voor het gevoelsmatige in de taal.
—  Een voldoende onderlegd zijn in de spelling van woorden (ook vreemde woorden).

De leerstof van klasse VI.

a.  vertelstof:
Verhalen uit de Romeinse mythologie. Middeleeuwse sagen, biografieën van grote figuren tot ± 1100. Verhalen uit volkenkunde.

b.  spreken:
Klassengesprek, vertellen, spreekbeurt, spraakoefeningen, gedichten reciteren met beweging.

c.  schrijven:
Zuiver schrijven oefenen.*

d.  stillezen:
Zinvol opvatten van het gelezene.

e.  spellingsoefeningen en interpunctie:
Moeilijke dictees.

f.   grammatica
Opwekking van stijlgevoel door het gebruik van de modi of wijzen, vooral van het conjunctivische (voorwaarde, aansporing, wens, verlangen) in woord en geschrift. Behandeling enkelvoudige zin met naamvallen.

g.  opstel:
Duidelijke, zakelijke verhandelingen en brieven.

 Zinsstructuur in beelden uitdrukken.
Wij gaan door met de structuur van een zin in beeld te brengen.
Wij onderscheiden de gewone onderwerp — gezegde — zinnen,
de onderwerp — naamwoordelijk gezegde — zinnen en
de onderwerp — gezegde lijdend — en meewerkend voorwerpszinnen.

Het verduidelijken, ja versieren van de zinnen met bepalingen wordt met veel aandacht beoefend. De bepalingen zijn als het ware toegangen tot de bijzinnen van de samengestelde zin. Er ontstaan mooie structuurtekeningen van zinnen.

De slimme Odysseus redde zijn makkers het leven door een list in het hol van de eenogige reus.

klas 6 taal1

Ontleding van zo’n zin, waarbij de gevallen (naamvallen) al opgeschreven zijn, laat zien, hoezeer de bepalingen kleur aan de zin geven.

Een eenvoudig ontledingsspel kan nog heel lang worden gedaan. Er worden weer specificaties gebruikt. Onderwerp en gezegde staan naast elkaar. Daarnaast de voorwerpen.

In principe staat de bijvoeglijke bepaling te buigen naar het onderwerp, de bijwoordelijke bepaling bij het gezegde, maar zij moeten zich snel verplaatsen om te buigen naar bijvoorbeeld een zelfstandig naamwoord in het naamwoordelijk gezegde.

Een klasgenoot leest (of improviseert) langzaam een zin. Het onderwerp staat op, het gezegde stampt, de voorwerpen duiken in elkaar. De gebaren zijn naar keuze.

Bij een lijdende zin gaat het lijdend voorwerp naar de stoel van het onderwerp, hij krijgt de hoed van het onderwerp op en gaat op de stoel zitten.

Zinsdelen gedramatiseerd.
Een zinsdelenspel geeft meer uitleg over het wezenlijke van de zinsdelen, die men, zeven in getal met bijpassende kleuren, als de zeven planeetgoden van Rome zou kunnen aanduiden.

Men doet dat echter niet. In de plaats daarvan komt een tikkeltje ironie in het spel. De zinsdelen hebben als een persoon hun hebbelijkheden. Zo’n onderwerp wil graag naar voren dringen (Mars!), een lijdend voorwerp wil graag iets ondergaan, maar klaagt toch (Maan).

In hun woorden overdrijven de zinsdelen. De kinderen weten heel goed, dat een lijdend voorwerp niet steeds lijdt. Wanneer onderwerp, gezegde, lijdend en meewerkend voorwerp zijn uitgesproken, treden drie gestalten op, de bepalingen, die als volgt spreken:

Bepalingen (wijzend naar de vier O., G., L.V. en M.V.)
in koor:
‘Met deze vier, ja zeker! maak je al een zin.
Maar och! Wat is ’t nog een begin!
Wat heeft de zin nog weinig kleur!
Wat heeft hij weinig smaak of geur!
Wat is hij kort, wat is hij vaag,
Wat is hij in de taal een plaag!
Aan alle rijkdom van het leven
Kan onze wijsheid uiting geven.
Wij zijn het, die de keus bepalen,
Wat uit die rijkdom valt te halen!
Bepalen kunnen wij, en denken
Om rijkdom aan de zin te schenken!’

Bijvoeglijke bepaling (in blauw gekleed, komt naar voren, spreekt bedachtzaam):
‘Sinds de grijze oertijd kan ik mij bezinnen:
Wat toch breng ik mij wel over hen te binnen?
Wat weet ik van Onderwerp en Voorwerpen te zeggen
om iets van hun ware wezen uit te leggen?
Uit de oneindig vele herinneringen
wil’k bepalen goede keuze van de dingen.
En dan voeg ik mij er rustig bij.
Onderwerp en Voorwerp zijn begrijpelijk door mij!’

Bijstelling (in het Groen, ietsje opdringerig):
‘Kijk uit! Bij het bepalen
ben ik een heel speciale…!
Zijn onderwerp of voorwerp klaar?
Ik weet er altijd nog een paar,
voor het geval je niet goed voelt,
wat er met hen wel werd bedoeld.
Al vlei’k mij vriendelijk tegen hen aan,
‘k Moet wel tussen twee komma’s staan
Ik stel mij bij hen, ieder weet,
dat ik dan ook bijstelling heet.

Bijwoordelijke bepaling (in het oranje, statig stappend):
‘Met wijde blik kom ik aangeschreden.
Met wijsheid treed ik in het heden.
Ik overzie de omstandigheden,
de tijd, de plaats en ook de reden.
Meestal van voorzetsel voorzien
kan ik ’t gezegde hulpe biên.
Maar ook zo menig ander woord
Wordt door mijn hulp pas goed gehoord!’

Stijlgevoel verbonden met toneelspel
Een dankbaar onderwerp wordt voor deze oefening gevonden in de Romeinse verhalen en geschiedenis.

Spel over de strijd tussen Patriciërs en Plejebers. (Het toneel is op de Heilige Berg te Rome).

Marcus Balbus:
O, wat een droeve dag!
O, was ik maar gebleven!
Wie zou hier kunnen helpen?
Ons einde is nabij!

Gaius Postumus:
Kom, kom, wees wijs!
Wees niet onnodig somber.
Zij hebben ons óók nodig.

Marcus:
Ach, wat, jij ziet de dingen veel te rooskleurig.
Was koning Romulus maar hier!

Gaius:
Koning Romulus was zo hardvochtig, dat in een donkere nacht hij werd vermoord.

Marcus:
Wat? Nooit vond men zijn lichaam!

Gaius:
Neen, hij werd door de edele senatoren in honderd stukjes gesneden! Elk nam een klein stuk mee en verborg het goed.

Marcus:
Ik dacht, dat hij ten hemel was opgevaren!

Gaius:
Komaan, zijn ziel misschien. Maar zeker niet zijn lichaam. Houd moed!

Men weet, dat de Patriciërs de Plebejers weer naar Rome kregen met de beroemde fabel van ‘De maag en de ledematen’.

Wel kregen de Plebejers het recht de volkstribunen te benoemen, die in de Volksvergadering de door de senatoren gemaakte wetsontwerpen konden verbieden met hun veto! (= ik verbied).

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

*Steiner over het ‘schoon’schrijven
Nederlandse taal klas 6 (1)

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

6e klas bij Luc Cielen

.

505-467

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – Nederlandse taal (2)

.

HET NEDERLANDSE TAALONDERWIJS


Nu het lichaam van de taal enigszins verkend is in de drie leerjaren van klas I, II en III, nu komt eigenlijk de ware ziel in de taal te voorschijn. Een ‘gewaarwordingsziel’, die als hoogste ontwikkelingsmogelijkheid de schoonheid heeft. Schoonheid is de grote leermeesteres van de nog primitieve gewaarwordingsziel!

Weer kan men denken aan de middeleeuwse zeven vrije kunsten. De middelste van de eerste drie (het trivium) is de retorica, het schone spreken, de Taal als kunstzinnig beleefbare activiteit, nadat de structuur en de elementaire vormleer (grammatica) zijn behandeld en geoefend.

Natuurlijk wordt ook de grammatica verder gestructureerd en behandeld. Want nu pas kan het kind door zijn ik-beleving een nieuwe afstand en mogelijke verhouding tot de dingen krijgen, dus ook tot de eigen taal. Ook krijgt het kind een verhouding tot de tijd, het krijgt nu pas een perspectief-achtige mogelijkheid tot tijdsbeleving (wat was vóór, wat is na, wat is gelijktijdig). Ook een verhouding tot het persoonlijke (wat is het verschil tussen een ik-zelf, de naaste en de andere in de verte).

Het is nodig, dat het kind ook het poëtische gaat hanteren, zowel in de gesproken, als in de geschreven taal. Het hoofddoel van de klassen IV en V is in deze leeftijdsfase derhalve het mooie spreken en het verzorgde schrijven.

Leer- en ontwikkelingsdoelen
—  Het gebruiken van de grammatica als on-egoïstische ik-ontwikkeling: zekerheid en zelfbewustzijn in en door de taal.
—  Mooi spreken, vertellen, navertellen (met honorering van de temperamenten).—  Bevordering van sociale vaardigheid: met en tegen elkaar spreken, goed luisteren.
—  Juiste en mooie uitspraak.
—  Verzorgd schrijven, wat vorm en inhoud betreft.
—  Mooi lezen, goede toon, voordracht.
—  Het maken en verstaan van eenvoudige poëzie; allitererend, rijmend en metrisch.
—  Het declameren en reciteren van allitererende en metrische poëzie, juiste toon, tempo, maat, ritme, frasering. Mooi en zakelijk schrijven, verbinding van schoonheid, grammaticale juistheid en sociale vaardigheid.

a.  vertelstof:
De vertelstof wordt voornamelijk gekozen uit de sagen van de Klassieke Oudheid. De eerste geschiedenisperioden met de cultuurhistorie van de Oosterse, theocratische volken en de Grieken maken ook mogelijk de literaire bronnen en de schat van mythen en sagen van Hindoes, Perzen, Egypte, Babylon, als vertelstof te nemen. Behalve de verrijking en verinnerlijking van de ziel geven deze verhalen grote thema’s die ook voor later van belang zijn. Bhagavat Gita, Avesta, Gilgamesj-epos behoren tot de ontwikkeling van de gehele mensheid. Op deze leeftijd is het kind zeer ontvankelijk voor de lotgevallen van de Griekse helden.
Het kind wordt voorbereid op de tweede metamorfose van het denken (van beeldend denken naar abstractie) waaraan het toe zal zijn op het 12e jaar.
De Griekse cultuur maakt dezelfde stap door van zijn mythen (beeldbewustzijn) tot filosofie (abstract bewustzijn).

b.  spreken:
Declamatie, alliteratie, stafrijm.

c.  schrijven:
De oefeningen worden voortgezet. Alles wat wordt opgeschreven, moet een mooie* afwerking hebben, duidelijk en ook als ornament bruikbaar zijn.

lezen:
Sagen van de klassieke oudheid.**

e. spelling en interpunctie:
Vervolmaking van spelling van werkwoordsvormen.

f. grammatica:
Het is van belang, dat het kind bij de werkwoordsvormen van de 4e klas nu ook leert hoe verschillend het is, of men zal eten of dat men gegeten zal worden. De bedrijvende en lijdende vorm van het werkwoord worden behandeld en grondig mondeling en schriftelijk geoefend.

Het kind kan nu de taal redelijk mondeling en schriftelijk hanteren. Het is echter alles nog vrij onpersoonlijk. Het gehoorde en gelezene moet het kind op deze leeftijd niet alleen vrij weer kunnen geven maar het moet een orgaan ontwikkelen om te onderscheiden wat het verschil is, tussen eigen mening, of die van een ander. En wanneer er iets medegedeeld wordt, wat het kind zelf denkt, gezien of gehoord heeft, is dat iets heel anders dan wanneer hij dat alles van anderen gehoord heeft. In verband daarmee zal het kind leren zich uitdrukken in indirecte of in directe rede. Daarom zal het ook nodig worden de leestekens als hulpmiddel hierbij, goed te leren plaatsen.***

g. opstel en brieven:
Het opstel krijgt meer en meer reliëf als vertelling, of als verslag, als verhandeling, naar gelang een verhaal, een beschrijving van iets dat gebeurd is, of een verhandeling over een onderwerp van meer abstracte aard wordt gehouden. Het schrijven van brieven wordt voortgezet en er wordt vooral gekeken naar de structuur en de inhoud in verband met het doel en de geadresseerde personen.

Griekse cultuur
De mythologische beelden van de Griekse cultuur werken verder aan de verinnerlijking van het kind, dat in zijn elfde levensjaar is gekomen.

In plaats van de heldhaftige stampende stafrijmen komen thans de ritmisch-vloeiende, door het lierspel begeleide hexameters (zesvoetige ritmen) en pentameters (vijfvoetige ritmen). Zij schilderen een ander soort heldhaftig leven, dat echter evenwichtig en ook schoon moet zijn.

De hexameters: lang — kort — kort en dit zes maal met een cesuur of insnijdende adempauze, vertellen de grootse avonturen, daden en belevingen op harmonieus-rustige wijze.

Het evenwichtig ritme 1 ademtocht op 4 polsslagen is in deze hexameter als oerbeeld te vinden. De kinderen lopen op dit ritme.

Ook korte spreuken worden in een distichon (1 hexameter met 1 pentameter) uitgedrukt en de kinderen moeten ook zelf proberen zich zo uit te drukken.

Het boeiende van de hexameter is, dat één niet-betoonde lange aan het eind van de versvoet kan worden vervangen door twee korte en omgekeerd.

klas 5 taal hexameter

Deze versmaat kan ook pedagogisch gebruikt worden:

Zó als een zwïjg-za-me héld//zich vóor-be-reidt om te strij-den
Zó maakt-de zwij-gen-de klas// zich op om krach-tig te wér-ken.

In de Griekse gedichten moet men in tegenstellingen leven. Sympathie en antipathie, majeur en mineur, uitbreiding en samentrekking, het wisselt elkaar steeds af, evenals het kind evenwicht moet zoeken tussen de oude, met nieuwe ogen geziene wereld buiten en de nieuwe, als eigen beleefde wereld van binnen.

Actief en passief
Bij die tegenstellingen behoort ook die tussen actief en passief. Filosofisch gezien begint de Griekse cultuur daarmee. Wie verinnerlijkt, kan zich ook gaan voorstellen wat het is om de handeling van jezelf door toedoen van een ander te ondergaan.

In de bekende tien categorieën van Aristoteles zijn de negende en tiende categorie die van ‘doen’ en ‘ondergaan’. De mens heeft deel aan beide. Hij kan doen, hem kan ook iets gedaan worden.

Men kan leren zich in de ander te verplaatsen. Een historisch voorbeeld was de (nu nog) goed bekende tragedie van de Perzen. Griekenland sloeg de Perzische vijand af, maar de dichter Aeschylus wekte medegevoel en medelijden voor de verslagen vijand, een volkomen nieuw iets, dat ook veel waardering bij de Atheners vond.

Het kind moet af van de verkeerde voorstelling, dat het passief iets negatiefs en verwerpelijks zou zijn.

Wie werd er niet ter wereld gebracht, werd gevoed, gewassen, gekleed? Werd beschermd, geknuffeld, geleid, opgevoed?

Een actief- en passief spel kan er als volgt uitzien:

Drie hoofdtijden en drie samengestelde tijden vormen een mooie zeshoek. Elke hoek wordt bezet door een of meer kinderen. Zij hebben elk een ‘spiegelbeeld’ naar binnen. De binnenkinderen geven om beurten de passieve tijden van hetzelfde werkwoord:

Ik word gevoed, ik ben gevoed, ik werd gevoed, ik was gevoed, ik zal gevoed worden, ik zal gevoed zijn. Dit wordt met luide stem geroepen.

Nu komen de buitenkinderen: eerst roepen zij op hun beurt: Ik voed, ik heb gevoed, ik voedde, ik had gevoed, ik zal voeden, ik zal gevoed worden.

Dan telkens een passieve tegenover een actieve — ‘Ik voed!’ ‘Ik word gevoed’ en zo verder. Daarbij worden uitstralende, of invouwende bewegingen met de armen gemaakt.

Directe en indirecte rede
Het verschil tussen directe en indirecte rede?

Spelend ontstaan twee toneelgroepen, die hun teksten in directe en indirecte reden zeggen. Bij voorbeeld: de eerste groep luid en krijgshaftig: ‘Daar komt de vijand! Grijpt uw wapenen!’

De tweede groep (rustig): Zij zeiden, dat de vijand aankwam en dat zij hun wapenen moesten grijpen (als registrerend).
Een heel leuk spel: indirecte rede omzetten in directe rede. Twee aan twee tegenover elkaar.
Indirect: De kapitein brulde, dat de matrozen onmiddellijk de zeilen moesten reven.
Direct: De kapitein brulde: ‘Matrozen, reeft de zeilen! Onmiddellijk!’

Maar de oefeningen behelzen een nieuwigheid op taalgebied van subtiele aard. De kinderen moeten zich, zoals elke toneelspeler, in een ander verplaatsen.

Daarbij moet onderscheiden worden tussen de eigen mening van de spreker (schrijver) en die van een ander: Hoe voert een kind een historische figuur ten tonele? Hij stelt hem voor en spreekt iets, wat de historische figuur in werkelijkheid gezegd zou kunnen hebben. Een goede oefening in fantasie-ontplooiing bovendien.

Naamvallen
Een derde grammaticale nieuwigheid is het gaan leren van de naamvallen. Alle woordsoorten worden gekend en nu wordt het zaak in de zin bewust te gaan onderscheiden, welke woorden in groepen bij elkaar horen om de structuur van een zin te vormen.

Er zijn in het Nederlands vier gevallen, waarin woorden in een zin kunnen voorkomen.

Het eerste geval:
Een woord of een groep woorden geeft aan waarover de zin eigenlijk gaat. Meestal is dit woord (of deze groep) drager van de handeling (actief of passief) en via die handeling een andere groep woorden (of woord) daarbij betrekkend. Is dat woord een woord, dat die handeling ondergaat noemt men dat volgens traditie een vierde geval.

Het vierde geval:
Eerste en vierde geval zijn door het handelingswoord nauw verbonden. Als eerste geval gelden óók die woorden die via een zijns (toestands)-woord met de handelende in het eerste geval verbonden zijn: ‘gekoppeld’, vandaar de term koppelwerkwoord. Het koppelwerkwoord verbindt twee woorden (of woordgroepen) in het eerste geval.

Het derde geval:
geeft aan waarheen iets ten gevolge van de handeling van het eerste geval gaat.

Het tweede geval:
geeft aan waar vandaan iets al of niet door de handeling van het eerste geval (of vierde geval) komt.

Die vier gevallen zijn als het ware huizen, waarin elk woord kan wonen. De gevallen veranderen niet, wel de woorden die onder het geval vallen of uit de voordeur van het huis te voorschijn komen.

De moeilijkheid met tweede en derde geval is, dat zij met voorzetsels worden omschreven (tweede geval ‘van’), (derde geval ‘aan’).

Technisch behoort in het Nederlands na ieder voorzetsel (praktisch) een vierde naamval te staan.

Onder een tweede geval kan een woord in een vierde naamval komen te staan.

De kinderen knippen vier gestalten uit een vel karton. Vier gaten ontstaan. Een zin wordt in woordgroepen vertoond voor de bijpassende gaten (gevallen).

De kinderen zien dat bijna ieder woord in het eerste geval kan staan. Het is een soort omgekeerd schimmenspel.

Het vervolgens opschrijven van de zinnen maakt een vastlegging mogelijk, waarbij het nummer van het geval boven het woord komt te staan.

klas 5 taal

[aan de hoed is meewvw. dus 3]

Het leren van naamvallen is een omstreden onderwerp. Zij, de naamvallen, zijn niet te zien. Dus bestaan zij niet? Het is bovendien niet waar. Bij de voornaamwoorden ziet men wel degelijk naamvallen. Het is voor kinderen beter de algemeenheid te horen en te beschouwen dan een stel onbegrijpelijke uitzonderingen te leren.

Bovendien leren de kinderen talen, die duidelijk zichtbare naamvallen hebben (Duits 4, Russisch 6, Pools 7, Fins 11, Latijn 6, Grieks 5) nu of later.

Men vergeet ook, dat het spelend beoefenen van de gevallen en naamvallen in de zin nog met het gemoed, dus veel blijvender wordt opgenomen in de 5e klasse.

Het is van groot belang geen zinsontleding in brokjes te beginnen, voordat de naamvallenleer goed is opgenomen in het gemoedsleven én in het bewustzijn.

De gevallen zijn primair, niet het benoemen van de zinsdelen. Maar de zo moeilijk gevonden zinsontleding heeft eigenlijk pas zin en verloopt gemakkelijker als de naamvallen bekend zijn.

Toneel
Het aantal toneelspelen is groot, dat de onderwerpen uit de Griekse mythologie bewerkt en aanbiedt. Bijvoorbeeld:

1.De schaking van Persefone
2.De daden van Herakles
3.De toorn van Achilles
4.Prometheus geboeid
5.Odysseus en Kirke

Uit het laatste spel een klein citaat.

Odysseus is met zijn makkers geland op Aeaea, het tovereiland van de schone tovenares en zuster van de zon Kirke, heerseres over levenskrachten en vormveranderingen. Odyseus’ makkers zijn door de vrouw Kirke in zwijnen veranderd. Odysseus gaat zijn makkers zoeken. Hij ontmoet Hermes, de bode der goden. Hermes geeft Odysseus een kruid, dat zijn mensenkracht (ik-kracht) versterkt.

Kirke:
Treed binnen, gij vreemd’ling
ei, wees toch mijn gast.

Odysseus:
Zeer gaarne, o schone,
geniet ik het gastrecht,
door U aan een vreemd’ling
zo minzaam geboden.

Kirke:
Hier! neem van deez’ spijs
Het bekome U wel
Een teug van deez’ wijn
En… word een zwijn!

Odysseus:
Neen! Kirke. Een Mens blijf ik!

Kirke:
Wie zijt gij? O, wee
Mijn macht is weerstaan!

Odysseus:
Ja, Kirke, en meer nog
Ik wreek nu mijn makkers.
U treft nu mijn zwaard!

Kirke:
O, neen, edele held
Ik doe al wat gij wenst.

Odysseus:
Bevrijd dan mijn makkers
Die gij hebt betoverd.

Kirke:
Kom volg mij dan spoedig
Zij zijn in de stal…

Koor:
Dus komen zij aan in der zwijnen verblijfplaats
De held ziet zijn makkers als borst’lige zwijnen
Zij wroeten met snoeten in vunzige modder.
Zij grommen en knorren en vuil is hun huid!

Odysseus:
O makkers. Welk leed!
Hoe moet ik U weerzien!

Kirke:
Gij die daar rondwroet,
Herneemt Uw gestalte,
Wordt nu weer mens!

Koor:
Zo richten zij zich
Langzaam weer op
En krijgen terug
hun mensengestalte.

Alle makkers:
O vrijheid, o geestkracht!
Een mens ben ik weer!
Heb dank, Odysseus.
Wij danken U zeer!

Odysseus:
Alleen aan de goden
past onze dank!

Kirke:
Komt nu in mijn paleis
Ik zal U onthalen op vorst’lijke wijs!

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

*Steiner over het ‘schoon’schrijven
** niet uitsluitend – bv. zouden er – enkele maanden na de plankundeperiode- hoofdstukken gelezen kunnen worden uit Grohmann: ‘Leesboek voor de plantkunde’.
***zie voor de plaats van de aanhalingstekens
****toneelstukken

5e klasalle artikelen

Nederlands bij Luc Cielen

hexameter op de blog van Joep Eikenboom

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: alle beelden

.

504-466

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Shakespeare

.

HEEL DE WERELD IS ZIJN SCHOUWTONEEL

Shakespeare

 

Nimmer in de ruim 400 jaar die verstreken zijn sedert de ge­boorte van hun schepper hebben Shakespeares personages tot zovelen gesproken, of zoveel betekend als in onze dagen. Op de sombere kantelen van het twaalfde-eeuwse kasteel Lourije-nac in Joegoslavië zet de geest van Hamlets vader zijn zoon tot wraak aan; diep in Sowjet-Rusland, in Tasjkent, wurgt de jaloerse Moor de schuldeloze Desdemona. Aan de andere kant van de wereld reizen Australische acteurs met een bus de binnenlanden af, met niet meer rekwisieten dan een kroon en een stuk of wat zwaarden. Inheemsen in Zuid-Rhodesië [nu Zimbabwe] voeren Macbeth op, daar­bij uitgedost als Zoeloekrijgers met staarten en veren.

In de schouwburgen, tenten en schoollokalen van ieder land, waar ook maar de zon ondergaat en het doek rijst, spreken Shake­speares figuren een universele taal des harten, waarvoor elk mens openstaat — ongeacht in welke taal de tekst wordt gezegd, hetzij in voorbeeldig Engels, hetzij in een vloeiende of gebrekkige
ver­taling. En nergens lijken ze zo op hun plaats als in de drie Stratfords — in Engeland, Canada en de Verenigde Staten.
Engelands Stratford-upon-Avon, het oudste, in 1882 gestichte en nog steeds in gebruik zijnde Shakespeare-toneel, geeft jaarlijks zo n 391 000* plaatskaarten af. Stratford in Ontario, dat in 1953 is begonnen, heeft sindsdien meer dan twee miljoen toeschouwers gelokt, wat een bruto recette van zeven miljoen dollar heeft opgeleverd. Het Amerikaanse Stratford, in Connecticut, verwachtte voor het sei­zoen 1964 zo’n 258 000 liefhebbers. Te oordelen naar de verkeers­stromen in de richting van de drie Stratfords, stelt het hedendaagse publiek de criticus Maurice Morgann in het gelijk, die in 1 774 over Shakespeare schreef: “Het is juister om te zeggen dat wij van hem bezeten zijn dan dat wij hem bezitten.”

De grote hiaten in onze kennis omtrent Shakespeares leven heb­ben voedsel gegeven aan het bizarre streven van pseudogeleerdcn om aan te tonen dat Shakespeare zijn stukken niet zelf heeft ge­schreven, dat hij een stroman was voor Sir Francis Bacon of Edward de Vere, de 17de graaf van Oxford; of Christopher Marlowe; of Sir Walter Raleigh; of koningin Elizabeth; of zelfs ’s dichters vrouw Anne Hathaway. Amateur-geheimschriftkun­digen hebben in Shakespeares geschriften verborgen codes menen te ontdekken die de ware auteurs zouden aanduiden. Aan dit alles ligt een eigenaardig soort snobisme ten grondslag — de opvatting dat iemand van eenvoudige afkomst en met een geringe opleiding niet een zo groot genie geweest kan zijn. Deze theorieën zijn op velerlei wijze weerlegd, maar de sterkste tegenargumenten vor­men, afgezien dan nog van historische gegevens, de toneelwerken zelf; die stijl, dat is Shakespeare, wiens leven en werk niet van elkaar zijn los te denken.

De jonge William was overigens van betere afkomst en had waarschijnlijk een heel wat grondiger schoolopleiding gehad dan de anti-Shakespeare-theoretici gewoonlijk willen toegeven. De Shakespeares waren boeren uit Warwickshire, maar Williams vader, de eerzuchtige John Shakespeare, verhuisde naar Stratford en werd daar handschoenmaker. Hij was een van de officiële bierproevers van de stad, en toen William vier jaar was trok John het scharlakenrode ambtsgewaad van opperschout of burge­meester aan. De jongen ging vermoedelijk naar Stratfords King’s School — zonder twijfel met tegenzin, want de scholen maakten in die tijd lange dagen (van 7 uur ’s morgens tot 5 uur ’s middags en in de zomer dikwijls nog later), hadden als hoofdvak Latijn en spaarden de roede niet.

Rondtrekkende toneelgezelschappen kwamen in Stratford voor­stellingen geven. Bekoord door hun wereld van schone schijn trok Shakespeare — hij was toen nog geen dertig — naar Londen en sloot zich bij een toneelgezelschap aan. Al spoedig had William succes als acteur en als toneelschrijver. Hij schreef vlot — het viel zijn uitgevers op dat zijn manuscripten bijna nooit doorhalingen vertoonden. De motieven waarop Shakespeare zijn stukken ba­seerde, waren voor hem, wat potten voor tovenaar Merlijn be­tekenden — elke geleende kom, of die nu uit de Kronieken van Holinshed of de Levens van Plutarchus afkomstig was, kon dienen om zijn toverdranken in te mengen. Londen verafgoodde hem.

In de stad, die inmiddels voor Shakespeare een open boek was geworden, begon een zekere onrust merkbaar te worden. Na de ondergang van de Spaanse Armada, in 1588, beheerste Engeland de zeeën en dat had tot gevolg dat de mensen zichzelf als het ware vol verbazing stonden aan te gapen: “Welk een meesterwerk is de mens! Hoe edel door de rede! Hoe oneindig rijk aan vermogens! Van vorm en in beweging, hoe bewonderenswaardig en expres­sief! In zijn optreden, hoe gelijk een engel! Van begrip, hoe gelijk een god!” Maar hoezeer de mens ook was gefascineerd door het leven, de dood was voor hem geen onbekende. Londen werd door epidemieën geteisterd. Het leven was een hachelijke zaak, maar men aanvaardde het met een overmoedig lachje. Shakespeare hield een vergrootglas voor de geest van zijn tijd en zette het Globe Theatre in gloed met zijn “Muze van Vuur”.

Nadien heeft ieder tijdperk getracht, Shakespeare in een eigen­tijds keurslijf te wringen. Aan de hand van een historisch overzicht van de steeds wisselende aankleding van Shakespeare-stukken kunnen wij, zoals de dichter T. S. Eliot heeft gezegd, tevens de geschiedenis van de westerse beschaving gevoegelijk nagaan. Orson Welles stak zijn Julius Caesar in een soort fascistisch uni­form. Moskou bracht Hamlet ten tonele als een militaire samen­zwering tegen de koning. In New York werd Koning Lear in een bezetting van uitsluitend vrouwen gegeven.

In sommige gevallen geven deze bizarre opvoeringen aanstoot, maar daarom behoeven ze nog niet in strijd te zijn met de geest van de schrijver. En dat ze zowaar mogelijk zijn, komt doordat Shakespeare tijdloos is. En hij zegt alles. Protestanten, katholieken, agnostici, zij allen wedijveren om hem als een der hunnen te be­schouwen. Hetzelfde geldt voor aristocraten, voorvechters van de democratie, optimisten en pessimisten.

Wat heeft Shakespeare in enig ontwricht tijdsbestek tot de wereld te zeggen? Hij keert die wereld niet de rug toe en heeft evenmin medelijden met zichzelf. Hij bezingt ’s levens wereldse genietingen; hij verheerlijkt de liefde, spijs en drank, muziek, vriendschap, een goed gesprek en de steeds wisselende, maar
on­veranderlijke schoonheid der natuur. In Shakespeare is de gerijpte mens aan het woord, wiens levenservaring is gekristalliseerd tot nuchter denken en een grote wijsheid.
Echter, de mens is ook “de edelste geur der stof” en “dulden moet de mens zijn heengaan uit de wereld als zijn aankomst”.
Shakespeares tragische held moet de onverdraaglijke gedachte onder ogen zien dat hij zonder hoop op vergelding moet sterven. Terwijl hij zijn noodlot tegemoet gaat, denkt de toeschouwer: “De Heer zij me genadig, daar gaat een beter mens dan ik ben.” Wat het publiek tot tranen toe aan de tragische held bindt, is de hoedanigheid die hen in wezen scheidt: adeldom.

Bij minder begaafde toneelschrijvers berust die adeldom vaak op de schoonheid van de taal, maar fraaie verzen zonder meer ko­men wellicht niet verder dan het oor. Shakespeare spreekt tot de ziel. Hij kon met de taal doen wat hij wilde; het beeldend vermo­gen van zijn woorden is onbegrensd. Hij omvatte werelden in enkele lettergrepen. “Te zijn of niet te zijn” is ’s mensen grootste zorg, gevat in ’s mensen kleinste en eenvoudigste woorden.

De adembenemende overgangen in Shakespeares stukken bren­gen een mens tot aan de rand van de eeuwigheid en zetten hem dan weer terug in het gewone leven. Neerziende op de dode Cordelia, roept de door smart overmande Lear uit: “Wat! Hond en paard en ratten hebben leven, en gij geen ademtocht?” In zijn diepste wanhoop (“Gij komt niet weder”) zegt hij dan vijf­maal achtereen het indrukwekkende “Nimmer!” Dan breekt zijn opgekropte, ondraaglijke zielesmart in het simpele verzoek: “Ach, maak dien knoop hier los.” Niemand behalve Shakespeare zou het hebben aangedurfd die twee regels op elkaar te laten volgen.

Shakespeare leeft voort, doordat het laatste woord nog niet over hem is gezegd en ook wel niet gezegd zal worden. Zijn scheppingen zijn even ondoorgrondelijk als het leven zelf; zijn figuren blijven een onuitputtelijke bron van raadselen. Na Christus, Napoleon en Shakespeare zelf is er over Hamlet meer geschreven dan over wie ook. Toch is het enige wat met zekerheid valt te zeggen, dit: dat Hamlets leven tegelijk zijn eigen tragedie was, zoals het leven van ieder mens ieders eigen tragedie is. Elk tijdperk en elk mens in zijn “zeven levenstrappen” wordt weerkaatst in Shakespeares uni­versele spiegel. De hartstocht en de poëzie klinken na in de ruimten van de geest en zullen, waarachtiger dan “der trouwe kindsheid”, ten eeuwigen dage blijven voortklinken.
.

alle biografieën

 

W.F.Veltman: Shakespeare

.

503-465

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 4e klas (2)

.

Het Nederlandse taalonderwijs


Nu het lichaam van de taal enigszins verkend is in de drie leerjaren van klas I, II en III, nu komt eigenlijk de ware ziel in de taal te voorschijn. Een ‘gewaarwordingsziel‘, die als hoogste ontwikkelingsmogelijkheid de schoonheid heeft. Schoonheid is de grote leermeesteres van de nog primitieve gewaarwordingsziel!

Weer kan men denken aan de middeleeuwse zeven vrije kunsten. De middelste van de eerste drie (het trivium) is de retorica, het schone spreken, de taal als kunstzinnig beleefbare activiteit, nadat de structuur en de elementaire vormleer (grammatica) zijn behandeld en geoefend.

Natuurlijk wordt ook de grammatica verder gestructureerd en behandeld. Want nu pas kan het kind door zijn ik-beleving een nieuwe afstand en mogelijke verhouding tot de dingen krijgen, dus ook tot de eigen taal. Ook krijgt het kind een verhouding tot de tijd, het krijgt nu pas een perspectief-achtige mogelijkheid tot tijdsbeleving (wat was vóór, wat is na, wat is gelijktijdig). Ook een verhouding tot het persoonlijke (wat is het verschil tussen een ik-zelf, de naaste en de andere in de verte).

Het is nodig, dat het kind ook het poëtische gaat hanteren, zowel in de gesproken, als in de geschreven taal. Het hoofddoel van de klassen IV en V is in deze leeftijdsfase derhalve het mooie spreken en het verzorgde schrijven.

Leer- en ontwikkelingsdoelen
—  Het gebruiken van de grammatica als onegoïstische ik-ontwikkeling: zekerheid en zelfbewustzijn in en door de taal.
—  Mooi spreken, vertellen, navertellen (met honorering van de temperamenten).
—  Bevordering van sociale vaardigheid: met en tegen elkaar spreken, goed luisteren.
—  Juiste en mooie uitspraak.
—  Verzorgd schrijven, wat vorm en inhoud betreft.
—  Mooi lezen, goede toon, voordracht.
—  Het maken en verstaan van eenvoudige poëzie; allitererend, rijmend en metrisch.
—  Het declameren en reciteren van allitererende en metrische poëzie, juiste toon, tempo, maat, ritme, frasering.
—   Mooi en zakelijk schrijven, verbinding van schoonheid, grammaticale juistheid en sociale vaardigheid.

Leerstof, Middelen, Werkvorm Klasse IV

a.  vertelstof:
Godenverhalen en heldensagen uit het Noors-Germaanse taalgebied.

De onzekerheid van het kind, dat zich als een IK’ beleeft, wordt in hoge mate gesteund door de verhalen, die steeds weer over ‘moed’ gaan. De Noorse held strijdt, omdat het zijn plicht is Odhin bij te staan tegen de reuzen en monsters die het gouden Asgard zullen overvallen: strijd tegen leugen (Fenriswolf), egoïsme (Midgardslang) en dood (Hella). De Noorse held overwint zelden, hij gaat onder, maar zijn moed blijft in de schone zangen van barden, en minstrelen bewaard als lichtend voorbeeld. Het kind werd door de verhalen uit het Oude Testament: ‘uitdrijving uit het Paradijs’, de “tocht door de woestijn’, het ‘worden van een eigen volk’ reeds voorbereid op de moeilijkheden van de volgende kleine levensfase.

b.  spreken:
Moeilijker spraakoefeningen, vertellen en navertellen. Klasgesprek. Toneelspelen, declameren, raadsels oplossen en in de juiste bewoordingen opgeven. De schone en krachtige regels met stafrijm oefenen en ook zelf improviseren.

c.   schrijven:
Het schone* schrijven oefenen. Zich in de taal grammatikaal en wat spelling aangaat duidelijk en zuiver uitdrukkken. Nieuw is het schrijven van zakenbrieven en andere brieven.

d.  lezen:
Lezen van moeilijker verhalen en gedichten. Voordracht oefenen. Lezen van Noorse verhalen.

e.   spelling en interpunctie:
Schrijven van de werkwoordsvormen (‘tragedie der werkwoordsvormen’)

f.  grammatica:
Zorgvuldige behandeling van de werkwoordstijden in heden, verleden en toekomst. Bewustzijn wekken, hoe de verandering van de werkwoordsvorm samenhangt met tijd en onderwerp. Vooral tot een sluitende behandeling van alle woordsoorten komen. Bij de adjectieven en adverbia de trappen van vergelijking behandelen en oefenen.

Dit moet alles op kunstzinnige wijze geschieden en het spelelement moet overal aanwezig zijn.
De taal moet in zijn plastiek, zijn vormkracht gevoeld worden en in zijn onderdelen goed worden bewustgemaakt. Het is van groot belang die woorden zorgvuldig te bekijken en te leren gebruiken, die de betrekking tussen allerlei woorden vaststellen, vooral die met de werkwoorden (voorzetsels).
De taal kan uit zijn voorzetsels bestudeerd worden.

g. opstel:
Behalve de cultivering van het briefschrijven, hetgeen ook een soort opstel is, wordt ook nog aparte aandacht besteed aan het navertellen van verhalen. Kort vertellen, langer vertellen, uitvoerig vertellen. Een onderwerp wordt bepaald (uit de vertelstof of andere leerstof b.v. de dierkunde) of vrij ter keuze aan de kinderen overgelaten.

Hoe gaat het toe?

Iets over de vierde klasse Grammatica
De vierde klas heeft in zijn taalperioden nogal wat grammaticale dingen te verwerken. Al die woordsoorten, al die tijden. Hoe doen we dat op speelse wijze?

De verhalen uit de Noorse mythologie spreken de kinderen op die leeftijd zeer aan. Odhin, de vader der goden en mensen, offerde zich op, hing zichzelf aan de Wereldboom, werd ingewijd in de geheimen van het heelal. Hij bracht de mens de ‘runenwijsheid’, het mysterie van de taal en de kennis van het heelal. Een schitterend beeld uit de Voluspa (— de zieneres spreekt) over het ontstaan van de wereld:

Een Es weet ik staan
Yggdrasil heet hij,
hoog en met helder
h
eilvocht begoten.
Vandaar komt de dauw
in de dalen gevallen,
aan de bron van Urd
staat hij eeuwig groen.

De kinderen declameren die knorrige strofen uit de Edda, klappen of stampen op de allitererende klanken — let wel, de klinkers worden met een h-achtige ademstoot gesproken en rijmen dus ook op elkaar — want dit is geen zwak eindrijm, maar een knoestig beginrijm.

Die boom, daar begint alles. Hij wordt door de gehele groep getekend, vellen papier die aansluiten en langs de wand van de klas worden opgehangen. Ga er eens voor staan!

‘Ik’ is vlakbij, de stam. ‘Jij’, iets verder, een tak; ‘hij’ nog verder, nog een tak. Ik (stam), jij – t, hij – t. Zo komen de personen en werkwoordsvormen te voorschijn. Ik speel, jij speel – t, hij speel – t. Dit wordt mondeling grondig bij de boom geoefend; tenslotte getekend en opgeschreven.

Tijden van het werkwoord
Nog iets uit de Voluspa. Wie zitten aan de voet van de Wereld-Es? Drie vrouwengestalten. Nornen heten zij. De een kijkt terug, de ander kijkt omhoog, de derde kijkt borend in de toekomst.

Bij de Wereld-Es werken
Drie wijze vrouwen;
Zij weven het weefsel
van leven en lot voor
lijf en leden
bij goden en mensen:
Urd weet wat was
Werdandi wat nu is,
maar Skuld wat zijn zal.

Drie meisjes spelen voor de Nornen. Zij hebben een blauw (Urd), geel (Werdandi) en rood (Skuld) jurkje aan van crêpe-papier.
Een werkwoord of doewoord wordt door een groep kinderen genoemd, b.v. ‘strijden’.

Urd zegt deftig: ‘ik streed’.
Nu kunnen vele variaties gemaakt worden.
Of de zes personen door zes kinderen laten declameren, of de Norne zelf alle personen te laten zeggen, of iedere Norne om beurt de personen laten zeggen.

Wernandi zegt opgewekt: ‘ik strijd’,
Skuld merkt dreigend en krachtig op: ‘ik zal strijden’.

De kinderen krijgen er niet gauw genoeg van.

Men kan ook Urd achteruit laten gaan, Wernandi laten staan en Skuld naar voren laten stappen.

Dit toneelspel draagt bij niet tot kennis van de tijden in de eerste plaats, maar tot een kwalitatieve beleving, waaruit de heldere kennis als eindresultaat naar voren springt.

Het is allerminst voorgeschreven, die drie Nornen, maar het verband met de tijdsbeleving dringt zich op.

Woordsoorten
Een nieuwe ingang voor de behandeling van woordsoorten vanuit het voorzetsel.

Het voorzetsel brengt ons innerlijk in beweging. Sommige uitdrukkingen met een voorzetsel hebben werkwoord­karakter: ‘aan dek!’ ‘te wapen’ ‘naar huis’. Voorzetsels stellen verhoudingen tussen allerlei woorden vast.
Weer kijken wij naar de Wereld-Es.

‘In zijn top zit een adelaar,
met een havik tussen de ogen.
‘Aan de voet zijn de drie Nornen, met elkaar.
Onder de wortels huist een boze draak.
Langs de stam van Yggdrasil rent Ratatosk, de eekhoorn,
die uit de top naar beneden gaat om het woord van de adelaar tot de draak te brengen.
Alles ziet Heimdal, de godenwachter op de Bifrostbrug,
de regenboog, die van de Hemel naar de Aarde loopt.
Heimdal redt Freya’s sieraden die Loki,
de ondeugende vuurgod, trachtte te stelen.
Heimdal ziet Loki als vlo onder de deken
op het bed van de beeldschone Freya springen
om haar sieraad uit het paleis te ontvreemden.

Zo ontstond een taalspel: Heimdal kreeg zijn woord en zijn strofe:

Ik, Heimdal de Wachter,
Bij, in op of aan…
ben overal achter,
heb alles verstaan.
Ik waak bij de brug,
de hoorn in de hand
en blaas mijn boodschap
Over het land!

Voorzetsel is Heimdal woord.

Zo wordt Odhin het zelfstandige naamwoord, Freyr het voornaamwoord, Frigga het bijvoeglijk naamwoord en Freya het bijwoord.

Door dit godenspel wordt de kennis van de woordsoorten bevorderd en ook de woordontleding mogelijk gemaakt. Wat, Goden? Ja zeker, deze leven in de ziel van de kinderen in de vierde klas. Zij zijn goede bekenden.

Een taalspel
Typisch voor de Noordelijke volken was het elkaar opgeven van raadsels.** Ook bij de Keltische volken kwam dit voor. Eerst wordt verteld, hoe de Goden dit hanteerden. Bij alle raadsels is Odhin, als taal-godheid en inspirator voor de Noordelijke volken in het geheim betrokken.

Het oerbeeld ligt in het lied van Wafthrudnir, de wijze reus, die door Odhin, vermomd als zwerver werd uitgedaagd. Het gaat dan eerst om het weten van namen.

Wafthrudnir:
‘Zeg mij nu, Gangradr,
Als gij van de vloer
U meten wilt met mij:
Hoe heet het Ros,
Dat den radenden goden
Uit ’t oosten opvoert de nacht?’

Odhin:

Hrimfaxi heet
Die den heiligen goden
Uit ’t oosten opvoert de nacht!
Daar druipen ’s morgens
Van zijn bit de druppels.
Vandaar komt de dauw
In de dalen!’

Dan is de beurt aan Odhin. Wafthrudnir weet alles, behalve de laatste vraag: Nu weet Wafthrudnir wie zijn tegenstander is:

‘Ik mat met Odhin al mijn weten
De wijste echter waart gij!

Langzamerhand komen er ook echte raadsels, zoals:

‘Wie rijden gezamenlijk naar het gevecht, zij hebben tien voeten, één oog en één staart?’ (de eenogige Odhin op zijn achtvoetige ros Sleipnir)

Of: ‘Vier hangen, vier gaan / twee wijzen de weg / twee weren de honden / één die vaak vuil is, sjokt er achteraan, kun je het raden?’ (een koe)

De voorliefde voor raadsels van de vierdeklasser is niet zo verwonderlijk. Eerst was hij in een geheel ingeschakeld: alles voelde hij aan en accepteerde het. Na zijn ik-beleving kan dat zo niet meer. Hij wil de vervreemde buitenwereld exact gaan verkennen en er uiterlijk iets van weten.

Hij wordt zich zelf een raadsel: Wat is de verhouding tussen de binnenwereld van hemzelf en de buitenwereld? Elk goed raadsel heeft die subjectief-objectief-kant. Bij het raadsel van de koe kan men de objectief-uiterlijke kant aan de koe zelf waarnemen, maar dat de raadselmaker deze dertien delen van de koe als wezens of personen ziet, die bepaalde dingen doen, dat is de misleidende subjectieve mededeling.

Toneel
De Noors-Germaanse mythologie levert in de verzen van de Edda zelf al uitstekende stof. Zeer geliefd is het z.g. ‘Hamerlied‘ van Thor.

De boze Thursenreus, koning Thrym, steelt Thors hamer Mjölnir. Hij wil deze alleen teruggeven, wanneer de schone Freya met hem wil trouwen. De goden willen Freya niet afstaan, maar Thor zelf wordt verkleed als bruid. Komische situaties doen zich aan Thryms hof voor: Thrym:

Eén ding ontbrak mij:
Freya als bruid!

Koor:
En eindelijk viel
de schemering.
Men zette zich
aan de avonddis.
Toen at Thor
Een vette os.
Een achttal zalmen
en alle toespijs.
Hij dronk daarbij
Drie vaten mede!
Toen zeide Thrym
de Thursenkoning:

Thrym:
‘Wie zag een bruid
Ooit gretiger bijten?
Nooit zag ‘k een bruid
Gretiger bijten!
Noch ook een meisje
Meer mede drinken!’

Koor:
De slimme dienstmaagd
Zat aan de dis
En zij sprak
Tot Thrym de reus:

Loki:
‘Acht dagen lang
At Freya niet
Zo reikhalsde zij
naar ’t Reuzen land!’

Koor:
Thrym vond het fijn,
tilt op de sluier
om de bruid te kussen,
maar hij deinst terug:

Thrym:
‘Hoe vrees’lijk fonk’len
Freya’s ogen,
Als vlammend vuur
Zo brandt haar blik!’

Loki:
‘Acht nachten lang
Sliep Freya niet.
Zo reikhalsde zij
naar ’t Reuzen land!’

Tenslotte krijgt Thor de gestolen hamer in handen bij de huwelijksvoltrekking. Dan maakt hij korte metten met het gehele reuzengebroed. Zo kreeg dan Thor zijn hamer terug.

De taalperioden in de vierde klas vormen een hoogtepunt voor het gehele schooljaar!

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*Steiner over het ‘schoon’schrijven 

**het kunnen ‘begrijpen’ van een raadsel vraagt toch een bepaald abstract denkvermogen. De meeste kinderen in klas 4 (10 jaar) hebben dit nog niet.
Gevraagd bv. ‘waar zit de meeste vis’ antwoord(d)en ze steevast: in de (Noord)zee. Het antwoord ‘tussen de kop en de staart’ vonden sommigen zelfs ‘gek’.

Mijn ervaring is dat er in de 5e klas ‘ineens’ wel dit nodige abstracte denkvermogen is. Dan is het erg leuk om bv. bij de pauzeboterham iedere dag een raadsel op te geven en de andere dag het antwoord te vragen en/of te geven. De kinderen komen dan ook vaak met leuke raadsels aan (waarbij ik de ‘flauwe’ in een aparte categorie onderbracht)

raadsels

klas 4 Nederlandse taal
4e klas: alle artikelen
.

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

502-464

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Nederlandse taal (2)

.

Spraakoefeningen en gedichten


De kinderen spreken in koor, per temperament, of individueel. Zij steunen elkaar, totdat een of een paar het durven.

Drie razende rode ridders rijden door het groene gras

De rollende r, natuurlijk gegeven bij Italianen, Grieken en Indonesiërs is soms heel moeilijk voor de stugge Hollandse tong.
De voorbereiding is ook al merkwaardig: Dgdie  gdazende gdode gdidders en zo voort (gd – r) Zo zijn er vele spraakoefeningen.

Knaap de knappe kapper knipt en kapt knap.

Steeds sneller, dat is een goede spreeksport.

’t Is nacht
de wacht
komt stormende op
Gij knapen,
de vijand. Daar
is lijfsgevaar
Te wil, te weer.
Te wapen!

Ik sloeg hem zulk nen daverslag
als dat hij plat
ten aarden lag
en vim meer en roerde noch vâmc.

’t Regent, ’t regent,
’t dondert rondom mij
bliksemflitsen flikkeren
rondom mij
hagelvlagen vagen
rondom mij ‘t
Breken beken water
rondom mij.

De snee lag op de daken
De snee lag achter ’t land.
Langs wegen, landen, straten
’t Was snee al dat men vand
Al snee… ’t was snee al dat met vand.

De Vlamingen, vooral Gezelle, hebben bijzonder goede gedichten gemaakt, die geschikt zijn voor kinderen. Speelse oefenstof!

Schrijven in verbonden lopend schrift*

Daar beginnen ze mee door vormen te trekken, die door hun ritmische beweging voorbereiden op het lopende schrift. De vertelstof is het Oude Testament. Toen de Israëlieten in Egypte waren, zagen zij, dat schrijven een heilige zaak was. Ook de spelling krijgt een stoot in de goede richting: eerbied voor het geschreven woord is weliswaar een Egyptische aangelegenheid, maar onze kinderen kunnen daarvan best iets gebruiken.

schrijven klas 3 vormteeknen

Lezen en leestekens
Voor het lezen moeten de leestekens geleerd worden. Vele zijn er al eens gezien, maar nu moet het totaal der leestekens worden waargenomen. Waarom niet ook hiervan een spel gemaakt?

Leestekenspel
Een of twee kinderen stellen leestekens voor. Zij dragen grote punten, haakjes en zo voort voor zich uit.

Zo zegt de punt, die zich met een dikke buik voor de woorden opstelt:
Ho! Je ziet toch wel dat je niet verder kunt? Ik ben een hele grote dikke, vette PUNT.

Elk kind is vele keren elk leesteken geweest en verheugt zich op de ontwikkeling van het spel.

Woorden:
‘Waarom ligt er nog geen sneeuw?
Waarom heet een mus geen spreeuw?
Waarom moeten we alles weten?
Wie heeft aan de suikerpot gezeten?

Vraagteken zegt geheimzinnig:
Het vragen wel staat jullie vrij!
Maar antwoord krijg je niet van mij!

Woordsoorten
De grammatica richt zich nu op een globale indeling van de woordsoorten.

Een spel van Adam, de eerste mens, die van de Schepper zelf het vermogen kreeg in woorden te spreken.

De Schepper zelf sprak het scheppende woord, dat de aardse wereld in leven riep.

De kinderen oefenen graag die indeling van het woordenspel.

Adam: de naamgever van de dingen.
Eva: de schone spreekster over de kwaliteiten van alles, de hoedanigheden. Later komt het engelwoord, ook wel Kaïns woord genoemd, dat de handelingen aangeeft. Over het wezen van Kaïn moet men niet de Bijbel alleen raadplegen. In de Israëlitische legenden is Kaïn de vuurgeest, die stamvader werd van alle handwerkers, kunstenaars en technici.

Adamwoorden zijn de NAAMwoorden, Evawoorden zijn de HOEwoorden, Kaïnwoorden zijn de DOEwoorden. Het woordenspel loopt uit op een aantal gebaren: bij het Adamwoord worden de armen gekruist, bij het Evawoord de armen heen en weer bewogen, bij de Kaïnwoorden wordt een sprong gemaakt, of er wordt gestampt. Indrukwekkend is het ogenblik, waarin de drie woordsoorten in het scheppingverhaal zelf te voorschijn komen. Eerst werd door de Elohim geschapen (doe-woord), daarna zagen zij pas hoe het was, het was goed (hoe-woord) en ten slotte werd pas de naam gegeven, hij noemde het DAG (het naam-woord). Men zou met recht kunnen zeggen, dat de Elohim (dus God zelf) de grammatica door hun scheppend woord hebben ingevoerd.

De mens, bemerkt het kind, is daarom naar Gods beeld geschapen, opdat hij ook het scheppende woord kan hanteren. Een groots perspectief aan het eind van de drie lagere klassen.

Toneel
Toneelspel is gekozen uit de rijkdom van de Oud-Testamentische verhalen: de geboorte van Mozes.

Een stoel is tot gouden troon gemaakt. De farao zit er op, de hoge kroon met de gouden uraeusslang diep in het voorhoofd. Hovelingen staan rondom en heffen een lofzang op de farao aan.

De farao spreekt:
Laat mijn raadgevers komen
Bekwaam in de uitleg van dromen, (de bediende brengt drie wijze mannen)

Dienaar:
Bileam, de zoon van Beor, uit het land der twee stromen
Hiob, uit Uz
En Jithro de Midianiet
(raadgevers buigen)

Farao:
Luister naar wat ik zag
Toen ik dromend nederlag
Een weegschaal, wonder mooi gesmeed;
Eén der schalen met goud bekleed,
Die droeg het gans Egypteland.
Uit stro gevlochten aan de kant
Als een vogelnest zo fijn
Daar lag een kindeke fijn
Die schaal van stro
Schijnbaar zo licht
Was veel zwaarder in gewicht
Dan de gouden schaal!
Verklaar mij deze dromentaal.

Bileam:
Hoedt U voor dat kleine kind!

Farao:
Moet ik bang zijn voor een kind?

Bileam:
Hoedt U voor de bevrijder van Israël
En vernietig hem snel!

Zo gaat het door. De Farao beveelt de kindermoord.

De kinderen leven zeer mee, ook als de mopperende en klagende Israëlieten opkomen, die stenen moeten maken. De vertelstof voor de derde klas is een grootse vertelstof. Mozes kan men niet wegdenken uit de mensheidsontwikkeling.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*Het is m.i. niet zo dat het verbonden schrift pas in klas 3 aan de orde ‘mag’ komen. De kinderen zijn a.h.w. de maatstaf voor het tijdstip: hoe is hun motoriek. De 1e klas is DE gelegenheid om deze te oefenen. Maar bv. een ‘wakkere’ 1e klas – met wellicht veel ‘oudere’ leerlingen, kent na driekwart jaar de meeste (beeld)letters wel. En als de klanken bij de letters goed ge- en herkend worden is er geen enkel bezwaar om de alfabetnaam te noemen en de drukletter onder de aandacht te brengen.
Er bestaat geen eenduidigheid in de vrijescholen over ‘wel of niet schrijven van de drukletter=blokletter.
Steiner: ‘Zo zullen we uit het tekenen eerst de geschreven vormen van de letters ontwikkelen, dan de gedrukte. (1)
En: ‘Dan zullen we op het bord tekenen hoe de afzonderlijke letters er als drukletter uitzien. Dan zullen we het kind leren overschrijven. Het kind zal dus niet leren lezen zonder dat het met de hand navormt wat het ziet, ook de drukletters. (2)
Maar ook: ‘ ( ) dat het lezen van de drukletters afgeleid wordt uit het lezen van geschreven letters. We zullen dus proberen de overgang te vinden van het tekenen naar het schrijven, van het  schrijven naar het lezen van het geschrevene en van daaruit naar het lezen van gedrukte tekst. (3)

Ik ben van mening – met anderen waaronder Audrey Mc.Allen – dat de drukletter NIET geschreven hoeft te worden. Waarom zou je, als die een jaar later weer ‘afgeleerd’ moet worden ten gunste van het lopend schrift. Tijdverlies – niet economisch – en een beetje bedrog, vind ik persoonlijk. Van de kinderen alles eisen voor een goede en nette blokletter om vervolgens er niet meer naar om te kijken – op schrijfgebied dan.
Dat betekent dat je eind 1e, maar zeker begin 2e met het lopend schrift kan beginnen.

(1) GA 294. Opvoedkunst, Zeist 1989 blz 12
(2) idem, blz. 13
(3) idem, blz. 58
.

Spraakoefeningen

Schrijven en lezen: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

.

501-463

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – Nederlandse taal (2)

.

Dialoog

De vertelstof van de tweede klas zit vol dialogen. De fabels over dieren en planten maken dat mogelijk. Een goede oefening voor de taal. De dialoog wordt overal voortgezet. In de toneelstukjes, in de poppenkast, in de heemkunde. Ook in de grammatica. Er moet gevoel gewekt worden voor de tegenstelling: actieve woorden en de statige, naamgevende woorden.

Het volgende verhaal wordt verteld, naverteld en gespeeld:

‘In een ver land woonde een koning. Hij zat in de grootste zaal van zijn paleis, dat veel ramen had om rond te kijken in de wereld. Hij zat daar rustig op een hoge troon en overzag alles. Hij wist ook van alles, hoe het heette.’

Een koor kan dit zeggen. De koning is gauw gevonden. Daar zit hij al. Het koor vervolgt zijn verhaal:

Op een dag gebeurde er iets heel akeligs. In de verte liep op een landweg een arme vrouw. Een paar woeste rovers overvielen haar en wilden haar schamele geldbuideltje afnemen. Wat zei de koning toen:

‘Juist, dat is een arme vrouw op de weg in het land. Daar zijn twee rovers, die willen haar geld stelen.

Wat daar gebeurt is een overval en goed beschouwd is het zeker onrecht.

De koning kon niets doen, want hij moest keurig op zijn troon blijven zitten.

Gelukkig, daar kwam een lange, sterke man binnen. Hij rende naar de troon, boog diep, bood de koning hulp aan.

Hij zei weinig, in een wip trok hij zijn leren vechtpak aan. Hij zadelde zijn paard, sprong er op, galoppeerde weg, overviel de rovers, ontrukte hun het geld, bond hen vast en trok hen mee. Het oude vrouwtje huilde van blijdschap en strompelde naar huis.

Iedereen was blij, de koning maakte de man tot ridder, die kon uitrukken, wanneer er iets te doen was. Zo kon de koning rustig zijn werk doen en blijven zitten. Want dat was even nodig.

Wat een pret, om dat te spelen! Bij elk woord van de koning buigt het koor statig. De koning zelf ook.

Bij elk ridderwoord trappelen de koorleden. Niet te lang! De leerkracht bedenkt dus zijn eigen terminologie.

De weg naar ‘zelfstandig naamwoord’ of substantivum is lang, maar vruchtbaar.

Alles wordt ook mooi opgeschreven, de koningswoorden in edel blauw, de ridderwoorden in vurig rood.

Spel en spelling
Men ziet drie kinderen, die elk een klank mogen voorstellen. Er is een M en een N. Ook huppelt er een A rond. MN is nog geen woord. Gaat de A er tussen staan, dan is haar volle klank doffer geworden. De armen kunnen niet meer wijd uitgestrekt worden. Er staat MAN. Maar wij willen zo graag MAAN schrijven. Dan wordt een tweede A gehaald. De twee A’s klinken samen voller.

De spelling wordt belangrijker, want de tweedeklasser kent de letters langzamerhand zo goed, dat hij van allerlei uit zijn blote hoofd wil opschrijven.

Later in het schooljaar komt het probleem van de ‘open en dichte’ lettergrepen. De open lettergrepen laten hun klinkers naar één kant vrij uitzingen. Er behoeft er maar één te staan. Een tweelettergrepig woord is een woord van twee stappen (of klappen). Een lettergreep (of klap) die eindigt op een consonant (of vormer) is een gesloten of dichte lettergreep. De open en gesloten lettergrepen worden door de kinderen op het gehoor eerst nagespeeld. In de geschreven tekst komen er mooie vogeltjes of engeltjes boven de lettergrepen staan. De gevleugelde wezens hebben bij de open lettergreep hun vleugels open en bij de dichte dicht. Heel eenvoudig.

taal klas 2 2

( huidige spelling: berenbaby)

Legenden
Een toneelspel, ook voor poppenkast te gebruiken.

Sint Joris                                                           :   ‘Wat doet gij hier, o jonkvrouw                                                                                         rein?

Jonkvrouw                                                       :   ‘Mijn land verkeert in grote nood.
Ik moet het redden door mijn                                                                                         dood.

Sint Joris                                                           :   ‘O schone jonkvrouw, blijf toch                                                                                       leven.
Wie moet U hier het doodslot                                                                                         geven?

Jonkvrouw                                                        :   ‘Een grote draak zal mij hier                                                                                            vinden
En mij met huid en haar                                                                                                  verslinden.’

Sint Joris                                                           :   ‘O schone jonkvrouw, wees niet                                                                                       bang.
Mijn arm is sterk, mijn speer is                                                                                       lang!

Jonkvrouw                                                        :   ‘O. edele ridder, vlucht van hier
Te sterk is het afgrijselijk dier!

Sint Joris                                                           :   ‘Ik red U gaarne uit de nood…

(draak komt)

Zie! met één slag is ’t ondier                                                                                             dood!

Jonkvrouw                                                            ‘Heb dank, o edele ridder, dank!
‘                                                                                k Zal U gedenken mijn leven lank

Deze dramatische en plechtige tekst wordt met luider stemme voorgedragen, eerst door de hele groep, dan door de meisjesgroep en de jongensgroep, tenslotte door één jongen en één meisje. Al in de gewone lestijd zijn zij verkleed, het prinsesje in een mooie prinsessenjurk met een kroontje op, de ridder met een kartonnen helm en harnas en met een fraai gouden slagzwaard. Ook de draak is van karton, althans zijn kop. In het jute-achtige lijf’ kunnen wel drie jongens. Het is niet alleen grappig om zevenjarigen een plechtstatige tekst te horen zeggen, maar het is zinvol, dat zij in allerlei stijlen al jong leren spreken. Een goede voorbereiding voor alle stijlgevoel, niet alleen met het woord, maar ook met de smaak. Er gebeurt heel wat in de spelers zelf’.

 

Let eens op die woeste knaap die voor wolf moet spelen. Eerst kan hij zich uitleven. Maar dan ontmoet hij de edele en heilige Franciscus. En hij loopt de heilige achterna.

Burgers                                          Ga weg met dat beest, zo woest en groot
straks bijt hij ons allemaal nog dood!

Franciscus                                      Broeder Wolf heeft, ‘k heb het hem gezegd,                                                                  zijn boze streken afgelegd.
Burgers                                           Hoe kunnen wij dat zeker weten?

Franciscus                                      Hij heeft honger, geeft hem eten!
Haal een bord met rijstepap
In een stevige, houten nap.
Koor                                                 Hij krijgt de nap gevuld met pap
(Dat is voor een wolf geen grap)
Wat trekt het beest een vies gezicht!
Maar eind’lijk doet hij gauw zijn plicht.
En slobbert de pap en likt zijn snoet
Die is wel zacht en smaakt wel goed.

Zowel de ‘wolf’ als de speler, die Franciscus moet vertolken zijn na de vele weken oefenen, elke dag in het hoofdonderwijs van de taalperiode anders geworden.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.
2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

500-462

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 1e klas -Nederlandse taal (2)

1e klas: Nederlandse taal 1;
1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen
1e klas: alle artikelen

 

Taalonderwijs

Het taalonderwijs gaat er eigenlijk van uit, dat de taal geen ‘vak’ maar een levend wezen is, dat alles doordringt wat leerbaar kan worden genoemd.

Het kind heeft dit taalwezen eerst onbewust, daarna dromerig-spelend leren kennen. Op school zal het bewust de taal leren kennen en oefenen, zij het op speelse wijze.

Met de tandwisseling is het kind ontvankelijk geworden voor het woord. Het woord als bron van scheppingskracht, het woord, dat de geliefde autoriteit spreekt over alles wat het leven brengt. Universeel is het taalonderwijs, omdat de taal in kunstzinnig opzicht zowel beeldende aspecten als ritmisch-muzikale aspecten omvat. De twee belangrijkste kunstzinnige gebieden vindt men in de taal.
De Griekse cultuur had er grootse woorden voor: in het beeldend -plastische element werkte de lichtgod Apollo, in het ritmisch-muzikale element de dramatische godheid Dionysos. Deze twee goden waren broeders. In de taal vloeien hun beider elementen samen en worden uitdrukking van een derde, hoger element, dat van het Wereldwoord, dat alles heeft gevormd en tot leven gebracht, zoals dat in het Johannesevangelie is neergelegd.

Daardoor is de taal verbonden met de hoogste krachten van de mensheid. De taal in haar scheppende vormkracht en structuur brengt als zodanig het kind tot zelf-bewustzijn en innerlijke zekerheid. De taal is een ik-functie.

Van het taalonderwijs is grammatica de kern, de ruggengraat. De grammatica in haar strenge vorm is een nog sterker appel aan het ik-bewustzijn.

Maar — en dat is het wonder van de taal — zij doet dit op on-egoïstische wijze en demonstreert zo haar volstrekte onmisbaarheid voor de mens.

Men zoeke de verschijnselen van de taal niet slechts in het utilistische, platvloerse en goedkope. Dat is eenzijdig. De taal is zo universeel, dat de meest verheven en goddelijke dingen zich er in laten uitdrukken. Dit zou niet mogelijk zijn, wanneer de taal als zodanig niet uitvloeisel was van goddelijke scheppingskracht.

In de Middeleeuwen meende men, dat aan de universiteiten pas aan wetenschap kon worden gedaan, wanneer de ‘Zeven Vrije Kunsten’ waren beoefend. De basis was het ‘Trivium’, waarin men eerst met de schone en strenge jonkvrouw Grammatica (taal als structuur) kennis maakte, vervolgens met de fraaie Rhetorica (taal als schoonheid) en tenslotte de geduchte jonkvrouw Dialectica (taal als overtuigingsmacht) ontmoette.

In de lagere school van 6-9 jaar draagt de taal het karakter van instrument. Daarna wordt van 9-12 jaar gewerkt aan de taal in het
s c h o o n h e i d s b e l e v e n.

Vervolgens komt van het 12e jaar tot de puberteit de taal als overbrengster van de gedachte en de idee.

Zo is dan ook hoofddoel voor de klassen 1, 2 en 3 het goede spreken en het goede luisteren.

Leer- en ontwikkelingsdoelen voor het spreken, luisteren en tevens voor de geschreven taal

—  Het gaan hanteren van de taal als onegoïstische oefening voor het zelfbewustzijn.
—  De grammatica van onbewust gehanteerde structuur tot bewust geoefende structuur te maken.
—  Goed laten spreken, laten vertellen, laten navertellen, laten zwijgen, laten luisteren, dit alles met de juiste honorering van het temperament van de kinderen.
– Het laten oefenen van de taal in sociaal verband: spreken tegen en met elkaar, zoals dat in klassengesprek, recitatie-oefening, toneelspel kan voorkomen.
—   Bij het spreken leren letten op; de juiste druk en nadruk, de juiste levendigheid en harmonie, de juiste beweging en terughouding, de evenwichtigheid, zodat degene tegen wie gesproken wordt, verstaan kan, wat bedoeld is.
—   Bij het spreken oefenen van: de juiste zuivere uitspraak van klinkers, de juiste van medeklinkers, het articuleren, de klemtoon, de toon, de frasering, sterkte, adempauze.
—   Het gebruik van de juiste woorden en uitdrukkingen, zodat de taal haar sociale functie als mededeling, gevoelsuiting en wilsuiting kan vervullen.
—   Het aanleren van het schrijven van lettertekens.*
—   Het oefenen van de grote drukletters en later de kleine schrijfletters.*
—   Het leren van bladindeling, spatie, vlakvulling bij het op papier brengen van een stuk taal of geschreven tekst.
—   Het oefenen van de juiste schrijfwijze van woorden.
—   Het weer ten gehore brengen van het geschrevene, later gedrukte woord, ook ‘lezen’ genaamd.
—   Het lezen van een tekst hardop met de juiste voordacht, alleen of in spreekkoor, met de juiste toon, tempo, frasering, geluidssterkte, adempauzen, individueel of in een groep.
—   Het geschreven woord stil lezend naar zijn verstandelijke inhoud te vatten.
—   Het stil gelezene met eigen woorden hetzij mondeling (vertellend) hetzij schriftelijk (opstellend) weergeven.

Klas I

a.  vertelstof:
Sprookjes.
b.  spreken:
Bewegingsoefeningen, waarbij ritmisch gelopen en gesproken wordt.
Vingerspelletjes, kinderversjes, recitatieven.
Toneelspelletjes, navertellen van sprookjes.
Klassengesprekjes, elke dag na verhaal.
Vrij spreken (vertellen van vakantietochtje).
Spraakoeleningen.
c.  schrijven:
De letters worden ontwikkeld uit gebaar (vocalen) en beeld (consonanten).
Groot en klein drukschrift* wordt getekend.
d.  lezen:
Gelezen wordt van het bord, van eigen papier, vervolgens uit gestencilde
of gefotokopieerde eigengemaakte boekjes (door de leerkracht). Een bepaalde afronding van leespretaties wordt zeer uitdrukkelijk niet verlangd in dit leerplan. Ieder kind mag eigen tempo ontwikkelen.

e.  spelling:
Onbewust door het kind laten opnemen door het goede voorbeeld van de
leraar(es).

Voor het taalonderwijs in het bijzonder:

Werkwijze: zelf als leerkracht goed spreken (en dit oefenen), juiste toon, tempo, ritme, frasering, geluidssterkte, afwisseling.

Goede woordkeuze nastreven, niet te vlotte, populaire, gemakkelijke of goedkope taal — al moet men deze ook kennen. Schuttingtaal, vloeken kunnen beter worden vermeden, aangezien zij wel zeer eenzijdig zijn; maar ook niet te afstandelijke, geleerde, te moeilijke taal.

Goede grammaticaal gestructureerde taal, goed lopende niet te lange zinnen, geen half-voltooide of niet logisch verlopende zinnen (anacoloeten); zuivere relatieve aansluiting en bijzinconstructies. Dit alles uit te werken naar de temperamenten, waarover nader.

Goede stofkeuze, inhoud aansluitend bij de leeftijdsfase.

Zelf in beelden leren spreken, f a n t a s i e – o n t w i k k e l i n g. Wie het kind bereiken wil, gebruikt beelden.

Schoonheidsbeleven in de taal zelf ontwikkelen en dit door enthousiasme laten meebeleven.

Zinvolle bewegingen maken. Weten wat men met een goed gebaar uitricht, of het omgekeerde.

Zelf actief worden in de taal. Grammatica gaan doordenken en doorleven. Zelf gedichten maken.

Zich doordringen met de voorstelling, dat goede, duidelijke en genuanceerde taal niet elitair, overdreven, gekunsteld of sentimenteel is, evenmin als het goed autorijden elitair is. Taal vervult een sociale functie; vóór alles moet het duidelijk verstaanbaar zijn (zelfs indien gefluisterd!). Niet om politieke macht uit te oefenen in de eerste plaats, maar om van mens tot mens te kunnen spreken.

Het nuanceren in de gesproken taal is — van de zachtste strelende woorden tot striemende zweepslag — vooral ook belangrijk bij de temperamentsbehandeling.

a. voor cholerici:
korte, gedrongen, gespierde zinnen; veel actie in de inhoud. Stevige toon.
b. flegmatici:
rustig, vloeiende zinnen, vrij lang, met verbaasde pauzes ertussen,
c. melancholici:
lange, bedachtzame zinnen met zorgvuldige bijzinsconstructies.
d. sanguinici:
opgewekte, ietwat huppelende zinnen met veel mooie bijvoeglijke
naamwoorden.

Hoe gaat het toe?

Enige beelden worden gegeven over het dagverloop en enige dingen uit de leerstof, die typerend voor ons taalonderwijs kunnen worden genoemd.

Eerste klas

Hoe werd de klank tot letter?

Een letter is een heel abstract ding. Er is geen enkel verband te ontdekken tussen die klank en de veel later ontstane letter. Althans voor een klein kind niet. Het verre verband legt de cultuurhistorie bloot: de oudste neerslag van de spraakklanken droeg beeldkarakter. Gaandeweg kwam er vereenvoudiging tot de abstracte lettertekens van nu. Deze weg gaan wij in het kort ook: een gezonde weg, waarbij gevoel en leven niet zijn vergeten. Er is verschil tussen klinkers en medeklinkers. Klinkers komen meer van binnenuit. Die mogen uitdrukking vinden in het gebaar, de beweging. Wat doen grote mensen, om iets niet te vergeten? Juist, opschrijven. De eerste mens kon niets opschrijven, hij kon zelfs niet spreken. Dat was Adam in het paradijs. Kijk. daar komt een engel hem de klanken leren. Een kindje komt met wijd uitgestoken open armen van een krukje af. ‘Adam’ doet dat na. Hij staat voor het bord. De engel roept ‘aaaa’. Adam doet ook zijn armen wijd en zegt ‘aaaa’.

Nadat vele andere kinderen ook aan deze voorstelling hebben deelgenomen, komt er papier en kleurkrijt op tafel De engel wordt groot nagetekend, Adam klein. Dat is mooi! Deze tekenen we nu altijd, wanneer we een ‘aaaa’ horen. Zo ontstaan ook de andere klinkers: een eerbiedige engel met gekruiste armen brengt de eeee, een verwonderde engel met rond armgebaar de oooo.

Met de consonanten (medeklinkers, vormers) gaat het anders. Deze worden ontwikkeld uit een beeld. De kinderen waren erg enthousiast over het verhaal van Sneeuwwitje en Rozerood (sprookje van Grimm). Nu gaan we het hebben over die klank, die je aan het begin hoort, wanneer je bbbad of  bbboek uitspreekt. Nu ga je beginnen, maar je gaat niet verder: bbb –. Even wordt herinnerd aan de brave beer uit het sprookje. Plotseling staat hij op het bord.

schrijven klas 1 13

De bruine, brave beer beklimt een boom, bezoekt een bijennest. Gezamenlijk wordt dit gesproken: ‘Brave beer Ben jij bang? Voor die boze bij?’

Na vele tekeningen van de ‘berenletter’ verdroogt deze tot een teken, dat de haastige, grote mensen vlugger kunnen schrijven. Zo komt elke consonant aan de beurt.

Elke leraar tracht de beelden zelf te vinden, hetgeen nooit moet ontaarden door originaliteitskramp. Gevoelsmatig aangesproken zijn kinderen enthousiast over de letters.

Het tekenend schrijven kost sommige kinderen veel inspanning, andere weer vliegen met hun kleurkrijt** over het papier. Bij sommige is het, of ze met hun neus of hun wang tekenen, andere hebben hun armen zo verbergend om het papier liggen, alsof er een groot geheim wordt geboren. ‘Er was eens een kind, dat had… een neus die was aan één kant plat’, zegt de leerkracht zachtjes rondlopend. De neusligger gaat iets rechterop zitten. ‘O, wat heeft die arme R gedaan, dat hij zo apart moet staan?’ Kleine Sander heeft zijn naam mooi op papier gezet, maar de laatste R staat heel ergens anders: ‘Ja, die R kon er niet meer op!’ ‘O, dan moet je je letters wat minder eten geven, dan worden ze dunner.’ Dit is een spelelement voor de leerkracht om alles zo te personifiëren, dat het kind erin kan meegaan, ’s Middags in de schilderles kan men horen: ‘O, mijn Roodje is zo vlug, dat hij op de grond gevallen is!’ De grond drijft, alsof er een varken geslacht is. De kleuren worden als personen behandeld, liever gezegd voorgesteld.*** ‘Ach, jouw Geeltje is zeker ziek hè, ze is zo bleek.’ Maar het meisje vindt dat juist mooi. Zo blijft Geeltje bleek. De leerkracht schildert iets voor. ‘Kijk, Roodje was jarig, die mag op de voorgrond staan. Geeltje komt op het feest. Zij danst om de jarige heen. Blauwtje danst ook, maar een beetje op de achtergrond en in de hoeken. Blauwtje is een beetje verlegen.’ Niet voor niets zegt men ‘bleu’.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

* het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander!. Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wél!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.

**Het waskrijtblokje is m.i. niet om mee te schrijven. Het is te klein voor de fijne motoriek van het schrijven; het is ook bedoeld om te tekenen en moet eigenlijk op een speciale manier worden vastgehouden – zoals je je vingers op de gaatjes van een blokfluit hebt. Bovendien en dat geldt bijna nog meer voor het waskrijtstiftje, ‘stroopt’ dat over het papier en remt de schrijfbeweging. Ik weet het uit ervaring, want ik heb een keer met beide bij het schrijven gewerkt. Later ben ik overgestapt op het dikke kleurpotlood. Je hebt hiermee ook meteen gelegenheid vanaf het prilste begin het op de juiste wijze vasthouden van het potlood aan te leren.
***hierover zijn de meningen verdeeld. Het voorbeeld kan zeker als manier gehanteerd worden, maar zo hoeft het niet altijd te gaan. Ook ‘stralend’ geel of ‘krachtig’ rood enz. horen erbij, vanuit de achtergrond ‘kleurenkwaliteit’.

zie ook: taal 1e klas

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

499-461

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – 7e klas

.

EEN WERELDKAART

De klas krijgt de opdracht een reusachtige wereldkaart te schilderen, zo groot, dat de gehele groep er aan mee kan doen. Na enig gepraat kiezen vijf kinderen een werelddeel uit om te schilderen. Elk kind zoekt vier medewerkers uit. De zeven overblijvenden zullen zich bezig houden met de materialen en de oceanen. Van een grote rol krantenpapier worden stroken afgeknipt. Deze worden op de grond van het lokaal, — de tafels staan op de gang — aan elkaar gelijmd. Vier à vijf kinderen zitten op hun sokken te schilderen aan Afrika, Azië, Europa, Amerika en Australië. Europa blijkt het meest ingewikkeld te zijn.

Zoals we geleerd hebben, wordt begonnen met de rivieren en meren.

Deze zijn zo karakteristiek, dat zij ook uit de lucht gezien redelijk herkenbaar zijn. Daarna komen de bergruggen, de bossen en velden. Tenslotte de steden.

Er worden onder het werken soms heel zinnige opmerkingen gemaakt. Wanneer er met zoveel aandacht en enthousiasme aan een gedeelte van de aarde is gewerkt, zou je toch echt geen zin hebben om een van de mensen die daar wonen, kwaad te doen, merkt er een op. Wat is de aarde toch mooi, vindt een ander. Er wordt ook beloofd aan de culturen van karakteristieke volken aandacht te besteden. Wanneer de kaart wordt voltooid — de zeeën en zeestromingen kan je pas schilderen, wanneer het land zo droog is, dat je er op staan kan — blijkt ieder kind een frisse kleur op de wangen te hebben.

Leren, dat de gehele mens aanspreekt, is gezond, ook al zijn de kinderen in de gelegenheid hun intellectuele gaven te ontplooien.

Verbazingwekkend is de cultuur van China

In de loop van de aardrijkskundeperiode zijn er vele beschrijvingen geweest van volken en karakteristieke culturen, vele landschapsbeschrijvingen — de Soedan, Arabië, Indonesië, Japan, Rusland, Noord-Amerika — zijn er geweest.

Met behulp van de geschiedenislessen is veel opgehaald, dat ook voor Arabië, Rusland, Amerika te gebruiken was:
religieuze, kunstzinnige, taalkundige en lichamelijke kenmerken zijn aan de orde geweest.

Bij China en de Chinese cultuur wordt wat langer stil gestaan. Het is immers zeer de moeite waard.

China heeft steeds iets zeer eigens gehad. Weinig of niets is van andere volken overgenomen. Eigen taal, eigen schrift, eigen filosofie.

De kinderen krijgen opdracht Chinese karakters te schrijven d.i. te schilderen met een penseeltje en zwarte inkt. Ook de landschappen zijn zo te schilderen: één enkele veeg hier en daar, maar precies op de goede plaats. Sommige kinderen zijn gefascineerd.

Wat kan je weglaten zonder onduidelijk te worden bij het schilderen.

Het beeldkarakter van de duizenden lettertekens roept herinneringen op aan de eerste klas bij de kinderen. Zij blijken daarvan nog aardig wat te weten!

Veel ging anders in China.
Wie een ander ontmoette, zette zijn hoed op en zijn bril af!
Een kind krijgt al heel vroeg een mooie doodskist op zijn verjaardag.
Een Chinese soldaat droeg tot 1930 een theeketel en een paraplu bij zich.
Men kende in China het buskruit al eerder dan in Europa. Het werd niet gebruikt om te schieten, maar om een feestelijk vuurwerk af te steken.
Het kompas kende men er ook al heel lang. Dat was nodig om de graven de juiste ligging te geven. Verbazingwekkend is ook de zorg, waarmede de zijderupsen werden gekweekt en behoed. In China had men ontdekt, dat een droefenis, grove taal en negatieve of immorele gezindheid in hun buurt ongezond was voor de rupsen, die dan slechts glansloze zijdedraden sponnen.

Het leren van enige filosofische en artistieke gedichten en spreuken mag zeker niet ontbreken.

Lao-tse:
Wie anderen kent is verstandig,
Wie zichzelf kent is verlicht.
Wie anderen bedwingt is sterk.
Wie zichzelf bedwingt een held.
Wie genoeg heeft is rijk.
Wie wil met zachtheid,
Diens wil geschiedt.
Wie zijn plaats niet lichtvaardig verlaat,
Zal overal zijn plaats vinden.
Wie zich door de dood niet doden laat,
Leeft in eeuwigheid.

Confucius:
Waarheid is
De weg des Hemels.
Streven naar Waarachtigheid
Is de weg des mensen.

Het doel van leren is:
Een edel mens te worden.

Is er een woord waarnaar
Men zijn hele leven kan handelen?
Ja! Doe een ander niet,
Wat je niet wil, dat men ’t jou doet!

Li-tai-po:
Op mijn fluit, gemaakt uit jade,
Zong ik de mensen diep ontroerd een lied.
De mensen lachten. Zij begrepen niet.
Vol smart hief ik mijn fluit, gemaakt uit jade,
Ten hemel om mijn lied
De Goden te vertolken.
De Goden waren opgetogen, bij mijn lied
Begonnen zij te dansen op de rose wolken.
Nu zing ik ook tot vreugde van de mensen weer
Mijn lied. En zij begrijpen mij dit keer,
Wanneer mijn lied klinkt
Uit de fluit die is van jade ….

Wang-wei:
Ik steeg van ’t paard
En reikte hem een dronk
Ten afscheid, en ik vroeg
Waarom hij ging en ook waarheen.
Met doffe stem sprak hij: ‘Mijn vriend!
Dit leven bracht mij geen geluk.
Waarheen ik ga? Ik trek de bergen in.
Om rust te zoeken
Voor mijn eenzaam hart.
Nooit zal ik meer
Naar verre landen zwerven:
Moe zijn mijn voeten
Moe is ook mijn ziel.
De aarde toch is overal gelijk
Een eeuwig, eeuwig zijn
De witte wolken.

De metalen

De geologische en mineralogische aspecten van de aardrijkskunde worden toegespitst op de metalen en hun economische betekenis. Daarbij komt bijzonder veel interessants te voorschijn.

Goud, zilver, koper, ijzer, tin, kwikzilver en lood worden behandeld. Het karakter, de winning, de verwerkingen, de maatschappelijke waarde voor de mensen en het bedrijfsleven. Maar er wordt ook nog gezocht naar een karakterisering in een gedicht.
De vertelstof van de zevende kan ook het Finse Kalevala omvatten, daar spreekt het ijzer als persoon. Zo werd een gedicht gevonden, in oude tijden in een vrijeschool ontstaan.

De spelers kregen een hoofdtooi op, waarin een model van een kristal hing, dat betrekking op die zeven metalen had. Het stukje was daarom interessant, omdat van de vier temperamenten eigenlijk overgegaan wordt op de zeven planeettypen die in de puberteit een rol gaan spelen. Het koor van de klas vult het niet tot de dialoog behorende aan. Het ritme is geheel in Kalevalastijl.
.

Het spel der Zeven metalen

Koor:
t Wilde ijzer, sterk en machtig
Sprak nu tot het zachte zilver
Hard en toornig deze woorden:

IJzer:
‘Weg dat gladde glimmerglanzen.
Dat geflikker, dat geblikker!
Klieven wil ik harde hoofden.
Dorstig drinken bruisend bloed!
Beuken wil ik gloeiende bonken,
Stampend stotende wagens stuwen.
Dwingen rond het razende rad!
Reuzenbogen wil ik spannen
Torens dragen hemelhoog!!’

Koor:
’t Speelse koper, schoon en kleurig,
Vond het ijzer wel heel dapper.
Deed zelfs mee met al zijn daden.
Moest het toch een beetje kwellen.
Kon niet laten fijn te vitten.

Koper:
‘Och, dat ijzer is wat ruw nog.
Bonkt maar botsend heen en weer!
Wacht, wij zullen vlug wat helpen!
Hier een randje
Daar een knopje.
Daar een kraantje.
Hier een dopje …
Zo wordt zelfs die bonk, wat toonbaar
Deze lummel zelfs nog sierlijk.”

Koor:
’t Lood nu bromde dof en somber:

Lood:
‘Diep verborgen is het goede.
Schone glans is ijdele schijn.
Hoeden wil ik met dode lagen
’t Diep geheim der aardegrond.”

Kwik:
‘Hè! dat zwaar en somber zeuren!
Ik wil hippel — druppel — droppen.
Holder — bolder rond gaan rennen!
Ik wil lekker slinger — slungelen,
Waggelend bimmel — biggel — bommelen!
Ik wil kwille kwille kwillik Ik wil kwille kwille kwik!’

Koor:
Zachtkens zong het zachte zilver:

Zilver:
‘Oh, hoe vol van schoon getover
Is die wereld wijd en zijd!
Spieg’len wil ik die schone dromen
Glimmend schijnen met reine glans …
Maar die vuile zwavelvlekken!
Wie beschermt me, wie beschut me,
Wie bedwingt die zwavelwoede?”

Koor:
Plots verscheen het wilde ijzer.
Riep nu stralend van sterke strijdkracht:

IJzer:
‘Flitsend sla ik de sluipende walmen
Fonkelend doorschicht ik de stijgende stank!
Zo bedwing ik die woelende woestheid.
Zo bescherm ik, zo beschut ik
Zo behoed ik, wat teer is en rein!”

Tin:
‘Och, het kan best wat bedaarder.’

Koor
Sprak het taaie krikkeltin.

Tin:
‘Niemand tergen, veel verbergen.
Dat geeft achtink, eerverwachtink!
Daarom … hikke – likke – tikke …
Daarom ben ik niks dan tin.’

IJzer:
‘Nooit zag ik zulk een pummel
Als dat slappe slungeltin!
Welk gekrikkel, welk getikkel!
Wat een laffe luie lummel!

(Goud komt zwijgend aan)

Allen:
‘O!
Hoe prachtig prijkt dat pralende goud!
Welk een dichtheid — flinterlichtheid
Zulk een straling — toch zo’n slichtheid!
Ja, de hoogste onzer is
Steeds het goud, het is gewis!
Ja, de hoogste onzer is
Steeds het goud, het is gewis!’

Hoe grappig dit stuk ook lijkt, het is van grote wijsheid en het biedt tal van pedagogische, zelfs remediërende mogelijkheden.

Het ijzer wordt door de driftige jongen gespeeld, het koper door een aardig, maar kritisch meisje, het lood door een melancholische leerling, het zilver door de grootste ijdeltuit en het kwik door een te snelle denker, die de indruk van een kip-zonder-kop maakt.
Het tin is: een beetje starre jongen. Het goud zwijgt, ook dat biedt vele mogelijkheden.

Sterrenkunde
Daar komt alles weer samen. De zeven planeten, de zeven metalen en de karaktertypen. De twaalf sterrenbeelden van de dierenriem. De Zon en de Maan, de cultuurperioden uit de geschiedenis.

Ook daar komt het spelelement nog goed te pas, wanneer de kinderen met hoepels de vlakken gaan aangeven, die het aardvlak met de equator maakt op de plaats waar wij staan; of het vlak van de ecliptica, waarin de zon zich beweegt, met het vlak van de hemelequator.

Wij zijn teruggekeerd tot de Zon, de vader en moeder van de aardrijkskunde, de heemkunde, het zaakonderwijs en de wereldoriëntatie.

En dan kunnen we in de zevende klas met grote geladenheid en eerbied hetzelfde gedichtje opzeggen, dat ook in de laagste klas met een heel ander bewustzijn werd opgezegd. De kring van de zeven jaren is gesloten.

De Zonne gaat op
De Zonne gaat neer
De Zonne gaat op
en gaat onder
Standvastiglijk heen.
Standvastiglijk wéér.
Standvastiglijk werkt zij
Dat wonder!*

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

*Guido Gezelle
Op muziek gezet (de tekst heeft: ‘werkt zij dit, i.p.v. dat wonder)

over metalen: Leen Mees

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

.

498-460

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Opspattend grind (4)

.

(CITO)TOETS

Al weer een poosje geleden bogen vele basisschoolkinderen zich over hun (Cito)toets.

Zij wisten niet, denk ik, dat de toets die ze moesten maken, eigenlijk al afgeschaft was. Ze hebben het allemaal waarschijnlijk héél serieus genomen: juf en/of meester; vader en/of moeder vinden het belangrijk: de volwassenen – de opvoeders nog wel – die vertrouw je;  die neem je serieus: hoe zou je er anders op moeten vertrouwen dat hij/zij je verder brengt in het leven.

Er is – je bent geneigd te zeggen – alweer – nieuw overheidsbeleid: de eindtoets wordt veel minder bepalend voor de keuze van het vervolgonderwijs.

(Dat is bitter voor die kinderen voor wie de toets wél bepalend was: met wisselend succes en veel teleurstelling)

‘Er is meer behoefte aan toetsen met een diagnostische functie, die inzicht geven als een kind achterblijft.’

‘Behoefte aan toetsen waarmee je verder komt, in plaats van afgerekend wordt.’

In de jaren dat de vrijescholen nog konden weigeren aan een (volgend jaar (2015) verplichte (Cito)toets mee te doen, kregen ze heel wat verwijten als ze niet meededen.

De veel gehoorde kreten ‘het is van deze tijd’ en ‘je moet met de tijd meegaan’ waren toen al even grote dooddoeners als ze dat nu ook nog zijn.

De visie van Rudolf Steiner op het zich ontwikkelende kind is – ook na zo’n 100 jaar springlevend en zal dat blijven, omdat het over het wezen kind zelf gaat.

Die visie kan en moet, wanneer je vrijeschool wilt zijn, de leidraad zijn bij het beoordelen van een kind – wie het is, wat het kan, wat het wil.

Nu er enige ruimte lijkt te zijn bij het opnieuw vaststellen van verplichte toetsen, – vanaf 2016 moeten alle leerlingen in groep 8 tussen half april en half mei een goedgekeurde eindtoets maken – hoop ik, dat ‘de vrijeschoolbeweging’ nog zo beweeglijk is, dat ze, wat het ‘toetsen’ betreft, pal gaat staan voor de eigen ideeën. Die ideeën zijn er al lang – de woorden ook: ‘worden wie je bent en zo’ – het ‘hoofd’ heeft het wel; het hart zal zeker enthousiast zijn – maar hoe zit het met de handen – of wel: hoe sterk is de wil?

.
Meer over toetsen:  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90] [92]

Opspattend grind: alle artikelen

.

497-459

.

VRIJESCHOOL – 6e klas -Aardrijkskunde (3-1)

.

WAT VOOR WEER IS HET?
.

De klas is in ‘de Bilt’, dat wil zeggen, zo spelen we het. Sommigen kijken naar thermometers, anderen naar barometers, weer anderen naar hygrometers, anemometers, of regenmeters. Een me-te-o-ro-lo-gisch instituut. Wat een bedrijvigheid! Toch ziet iedereen, dat het waait en regent op dat moment. Stenciltjes met kaartjes van Nederland en West-Europa worden door bepaalde leerlingen van aantekeningen voorzien. De gegevens worden in kaart gebracht. Lijnen met verbinding van punten die dezelfde temperatuur, of luchtdruk hebben, worden getrokken. Het tenslotte ontworpen ‘weerbericht’ wekt hilariteit. Het luidt:

‘Matige tot krachtige, westelijke tot zuid-westelijke wind. Half tot zwaar bewolkt  met kans op regen. Iets zachter ’s nachts, overdag dezelfde
tempe­raturen. Koel voor de tijd van het jaar. Verdere vooruitzichten: weinig verandering.

Tenslotte zijn alle kinderen het met elkaar eens, dat het weer bepaald wordt door temperatuur, vochtigheid, luchtbeweging en bodemgesteldheid. De eerste drie meten we telkens weer, de laatste factor kennen we al lang. De vier elementen vuur, water, lucht en aarde zijn in de vier factoren van het weer terug te vinden. Komt in een bepaald land in een bepaald jaargetijde steeds hetzelfde soort weer voor, dan begin je overeen ‘klimaat’ te spreken.

De plantengroei als antwoord op het klimaat

De kringloop van het water wordt beschreven: het oppervlaktewater verdampt, wolken vormen zich, uit de wolken komt weer neerslag. Het water stijgt op, wordt damp en condenseert weer tot water. Waar kan dat goed en waar kan dat niet?

Waar is de vochtigheid het grootst, de warmte het hevigst en de wind het zwakst?

Drie groepen kinderen gaan uitzoeken welke plantengroei bij een bepaald klimaat hoort. Zij gaan die plantengroei vergelijken met de menselijke lach. Spreken we niet over een ‘lachend klimaat’?

De ene groep zoekt de gebaren van de plantenwereld in het arctisch klimaat; de kinderen kruipen op de grond in elkaar. Liefst zouden ze helemaal wortel worden. Er is wel een half jaar licht, maar geen warmte. Bladeren zijn niet te zien, want de lucht is koud en het water is tot ijs verstard. Het landschap is heel ernstig. De aarde is dicht. Wanneer er op de toendra zuivere, lichtgekleurde bloemen verschijnen, brengt de opgerolde groep het tot een zachte, wat pijnlijke glimlach.

De tweede groep tracht de gebaren van de equatoriale zone te vertolken: Nu, er is daar zoveel warmte, vochtigheid — en weinig wind —- dat alles in de hoogte getrokken wordt. Ze gaan omhoog. Reusachtig hoge bomen, alsof de aarde er zelf opgestuwd wordt, reusachtige bladeren, varens, pisangs, gras, bladeren van meters lengte. Het lijkt of de wortels niet in de aarde nodig zijn. Vele planten laten ze nonchalant in de lucht hangen. Lianen leven hoog in de lucht, geslingerd om bomen. Epifyten groeien ook op andere planten, hoog in de lucht: orchideeën, filodendrons. Op de grond ook reuzenbloemen met vieze geuren van bedorven vlees (Rafïlesia, Amorfofallus). De aarde staat open en walmt. De lach is uitbundig, schaterend, of die buikvasthoudende hóhóhó- lach. Wat een verschil met het arctische klimaat! De derde groep vindt in het gematigd klimaat de mooiste, ritmische afwisseling, ook in de plantengroei: grote bomen, fraaie heesters, frisse kleine kruiden vol bloemen. De plantengroei draagt een evenwichtig karakter. Daar is eigenlijk pas een vrolijke, hartelijke lach mogelijk!

Fraaie tekeningen en schilderwerken ontstaan naar aanleiding van het bovenstaande, drieledig lachend klimaatbeeld. Alles wordt nog verfijnd. Er zijn meer dan drie klimaten.

Leesboek voor de plantkunde

 (Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

6e klas aardrijkskunde: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas 

.

496-458

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

Aardrijkskunde klas 4 t/m 12: overzicht
Christoph Göpfert menskunde door aardrijkskunde’ deel 1 over: om welke ervaringen gaat het die een kind moet hebben over de wereld van nu; aardrijkskunde heeft verbinding met bijna alles: gesteenten, planten, dieren, waar en hoe mensen leven en leefden (geschiedenis); aardrijkskunde moet ook leiden tot meer naastenliefde; wat en waarom – ook menskundig gezien – van wat in de klas behandeld wordt; een overzicht

deel [2 In klas 4, 5: van heemkunde naar de eerste aardrijkskunde

deel [3] In klas 6: aardrijkskunde Europa vanuit het gezichtspunt: polariteiten (oost-west; noord-zuid) Landen en rivieren, economie

deel [4] In klas 6: aardrijkskunde geen bijvak; overal basis voor economisch leven; aarde is levend organisme: dat schept verantwoordelijkheid; bouwen op wat eerder werd aangelegd; wat meer abstractie vereist; belangrijk middel om vanuit te gaan: de elementen; bergen, woestijn, delta’s; klimaat; grote stromen;

deel [5] In klas 7: gaat het niet meer zo om het economische, maar om het geestelijk-culturele; aardrijkskunde eigenlijk een bundeling van andere vakken; aardrijkskunde is ruimte(lijk); hoe gaan cultuur en ruimte samen.

Aardrijkskunde – gezichtspunten voor klas 5 t/m 10
L. Gienapp / E. Heyder over: suggesties voor iedere klas.

Aardrijkskunde 4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde 6e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde 7e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde hogere klassen:

De vorming van de aarde [1]
Inleiding over antroposofische onderwijs (phaw)
Mr.M.Stibbe over: aarde en mens één geheel; drieledige mensengestalte en aardevormen; metamorfose; tegenstellingen tussen landen west-oost en noord-zuid; tegenstellingen continenten;

De vorming van de aarde (2)
Mr.M.Stibbe over: optredende metamorfosen continenten, eilanden; tegenstellingen tussen landen west-oost en noord-zuid; tegenstellingen continenten;

Land- en wereldkaarten
Maarten Ploeger
over: wat is een wereldkaart; hoe komt die tot stand; hoe kwam die tot stand: oud-Perzië, Babylonië, Egypte, Griekenland; T in (en O kaart; Hendrik de Zeevaarder; Mercator; projecties; filosofische waarde van de kaart; strategische waarde (Rusland); eurocentrisme; kaart van de toekomst?

In het tijdschrift VRIJE OPVOEDKUNST staan veel bruikbare artikelen.

.

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas 

495-457

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – mineralogie (1)

.

DE BERGEN EN GESTEENTEN

Vooral geen gesteenten laten zien, voordat de kinderen een beeld van het gebergte gekregen hebben! De leerkracht vraagt, of er wel eens een kind in het hooggebergte is geweest. Ja zeker! Wat is je opgevallen daar? Eeuwige sneeuw, en ijs, puntige toppen, mooie kleuren, mals gras, bossen, naald- en loofhout. En verder? Hoe staat het er met het water? Ja, veel kabbelende en bruisende beekjes. Mooi wit schuim. Koele, gezonde lucht. Hoe is het gesteente? Korrelig.

Nu volgt een korte beschouwing over het oergesteente; korrelig van structuur. Granum = korrel. Vandaar de benaming graniet. De aardkorst is daaruit voor een groot deel gevormd.

Het is een zeer hard gesteente, het stoot water af. Het verweert tot zand en klei, grint en leem. Er zit kiezelzuur in (silicium). Aan de binnenkant zie je een heleboel. Doorschijnende brokjes, zwarte puntjes, roodachtig geheel, glanzende vlakjes.

Er zijn allerlei kleine vormen in. We noemen ze kristallen (kristallos = ijs in het Grieks).

We gaan nu een ander gebergte beschrijven. Het is er heet, er is weinig water te zien, de plantengroei is schaars, de toppen zijn rond of heel grillig. De bouw van het gesteente is gelaagd. We gaan vertellen, dat het graniet uit gloeiende, vurige massa’s is ontstaan en het kalkgebergte in lagen is afgezet op de bodem uit het water.

Het enthousiasme is groot. Er worden allerlei gesteenten door de kinderen meegebracht de volgende dagen. Ook veel boeken en plaatwerk.

Over het graniet wordt een gedicht geleerd. Over de kalk eveneens. Het reciteren ervan elke morgen geeft de goede stemming om met de behandeling van bergen en gesteenten door te gaan.

Het Graniet

Graniet, dragende aardegrond
Rotsvaste zekerheid,
Van eeuwigheid tot eeuwigheid!
Stralend in uw KWARTS,
Door licht gevormd;
In uw zwarte HOORNBLENDE
Het duister dragend;
Uw glanzende GLIMMER
Ritmisch gelaagd;
Uw kleurige VELDSPAAT.
Die, eenmaal verweerd,
Geeft leem en klei.
Voert mensen tot daad!
Vierledig is uw wezen.
Tot eenheid gesmeed
Door het vuur van de Schepper
Zo zijt gij de dragende aardegrond.
Rotsvaste zekerheid
Van eeuwigheid tot eeuwigheid

Graniet!*

De Kalk

Beweeglijk, onstandvastig is kalk.
Heet en dorstig,
Droog en onvruchtbaar;
Ontstaan uit het water,
Begerig naar water,
Zich overgevend aan het water.
Bouwt het aan de schalen der dieren.
Zo is de kalk.
Beweeglijk, onstandvastig.
Grillig, maar schoon van vorm!

Een geheel ander gebied wordt betreden bij de kennismaking met de onderaardse, de Plutonische of Vulkanische krachten. De aardkorst heeft barsten en op die breuklijnen — een ring van vuur om de Stille Oceaan — ontstaan de vulkanen of vuurspuwende bergen.

Ook daarover leren de kinderen een gedicht, reciteren het, klappen of stampen erbij.

De Vulkaan

Met woedend geweld woelt het vuur in de diepte.
Grimmig grommend dringt het omhoog.
Dol en dreigend dreunt het
angstig wacht de wereld…….
Een reusachtige rookzuil schiet te voorschijn.
Felle, vonkende vlammen flitsen.
En gloeiend lekkende lava slingert sluipend omlaag.
Onheil dreigt de wereld,
Als het vuur zich baan breekt.
Maar het zinkt weer terug
In de zwarte afgrond.
In de diepte wacht het woelend.
Dat is de vulkaan.
De dreigende poort van de hel!

Uitgaande van de twee belangrijke onderdelen van het graniet, kwarts en veldspaat, wordt een aantal kwartsen — bergkristal, rookkwarts, citrien, amethist, tijgeroog, chalcedoon, agaat, onyx, jaspis — en een aantal veldpaten — maansteen, zonnesteen, amazonesteen, labradoriet, behandeld.

Het enthousiasme bij de kinderen stijgt. Sommigen herinneren zich de sprookjes, waarin edelstenen voorkomen: Sneeuwwit en Roserood, Simeliberg e.a.) andere denken aan Israël, waar de hogepriester een heilige borstlap met twaalf edelstenen had.

Nog korte tijd rust. We gaan over op aluminium, beryl- en koolstofstenen, de hardste die men kent: korund, robijn en saffier, aquamarijn, smaragd, beryl; diamant**, met vele verhalen over slijperij** en criminaliteit.

.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
*Ik meen vrij zeker te weten dat dit gedicht (of alle drie) is gemaakt door Ton ten Böhmer, 1976/77
.

**hier vind je afbeeldingen met beschrijvingen

mineralogie: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

.

494-457

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.