VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Shakespeare

.

HEEL DE WERELD IS ZIJN SCHOUWTONEEL

Shakespeare

 

Nimmer in de ruim 400 jaar die verstreken zijn sedert de ge­boorte van hun schepper hebben Shakespeares personages tot zovelen gesproken, of zoveel betekend als in onze dagen. Op de sombere kantelen van het twaalfde-eeuwse kasteel Lourije-nac in Joegoslavië zet de geest van Hamlets vader zijn zoon tot wraak aan; diep in Sowjet-Rusland, in Tasjkent, wurgt de jaloerse Moor de schuldeloze Desdemona. Aan de andere kant van de wereld reizen Australische acteurs met een bus de binnenlanden af, met niet meer rekwisieten dan een kroon en een stuk of wat zwaarden. Inheemsen in Zuid-Rhodesië [nu Zimbabwe] voeren Macbeth op, daar­bij uitgedost als Zoeloekrijgers met staarten en veren.

In de schouwburgen, tenten en schoollokalen van ieder land, waar ook maar de zon ondergaat en het doek rijst, spreken Shake­speares figuren een universele taal des harten, waarvoor elk mens openstaat — ongeacht in welke taal de tekst wordt gezegd, hetzij in voorbeeldig Engels, hetzij in een vloeiende of gebrekkige
ver­taling. En nergens lijken ze zo op hun plaats als in de drie Stratfords — in Engeland, Canada en de Verenigde Staten.
Engelands Stratford-upon-Avon, het oudste, in 1882 gestichte en nog steeds in gebruik zijnde Shakespeare-toneel, geeft jaarlijks zo n 391 000* plaatskaarten af. Stratford in Ontario, dat in 1953 is begonnen, heeft sindsdien meer dan twee miljoen toeschouwers gelokt, wat een bruto recette van zeven miljoen dollar heeft opgeleverd. Het Amerikaanse Stratford, in Connecticut, verwachtte voor het sei­zoen 1964 zo’n 258 000 liefhebbers. Te oordelen naar de verkeers­stromen in de richting van de drie Stratfords, stelt het hedendaagse publiek de criticus Maurice Morgann in het gelijk, die in 1 774 over Shakespeare schreef: “Het is juister om te zeggen dat wij van hem bezeten zijn dan dat wij hem bezitten.”

De grote hiaten in onze kennis omtrent Shakespeares leven heb­ben voedsel gegeven aan het bizarre streven van pseudogeleerdcn om aan te tonen dat Shakespeare zijn stukken niet zelf heeft ge­schreven, dat hij een stroman was voor Sir Francis Bacon of Edward de Vere, de 17de graaf van Oxford; of Christopher Marlowe; of Sir Walter Raleigh; of koningin Elizabeth; of zelfs ’s dichters vrouw Anne Hathaway. Amateur-geheimschriftkun­digen hebben in Shakespeares geschriften verborgen codes menen te ontdekken die de ware auteurs zouden aanduiden. Aan dit alles ligt een eigenaardig soort snobisme ten grondslag — de opvatting dat iemand van eenvoudige afkomst en met een geringe opleiding niet een zo groot genie geweest kan zijn. Deze theorieën zijn op velerlei wijze weerlegd, maar de sterkste tegenargumenten vor­men, afgezien dan nog van historische gegevens, de toneelwerken zelf; die stijl, dat is Shakespeare, wiens leven en werk niet van elkaar zijn los te denken.

De jonge William was overigens van betere afkomst en had waarschijnlijk een heel wat grondiger schoolopleiding gehad dan de anti-Shakespeare-theoretici gewoonlijk willen toegeven. De Shakespeares waren boeren uit Warwickshire, maar Williams vader, de eerzuchtige John Shakespeare, verhuisde naar Stratford en werd daar handschoenmaker. Hij was een van de officiële bierproevers van de stad, en toen William vier jaar was trok John het scharlakenrode ambtsgewaad van opperschout of burge­meester aan. De jongen ging vermoedelijk naar Stratfords King’s School — zonder twijfel met tegenzin, want de scholen maakten in die tijd lange dagen (van 7 uur ’s morgens tot 5 uur ’s middags en in de zomer dikwijls nog later), hadden als hoofdvak Latijn en spaarden de roede niet.

Rondtrekkende toneelgezelschappen kwamen in Stratford voor­stellingen geven. Bekoord door hun wereld van schone schijn trok Shakespeare — hij was toen nog geen dertig — naar Londen en sloot zich bij een toneelgezelschap aan. Al spoedig had William succes als acteur en als toneelschrijver. Hij schreef vlot — het viel zijn uitgevers op dat zijn manuscripten bijna nooit doorhalingen vertoonden. De motieven waarop Shakespeare zijn stukken ba­seerde, waren voor hem, wat potten voor tovenaar Merlijn be­tekenden — elke geleende kom, of die nu uit de Kronieken van Holinshed of de Levens van Plutarchus afkomstig was, kon dienen om zijn toverdranken in te mengen. Londen verafgoodde hem.

In de stad, die inmiddels voor Shakespeare een open boek was geworden, begon een zekere onrust merkbaar te worden. Na de ondergang van de Spaanse Armada, in 1588, beheerste Engeland de zeeën en dat had tot gevolg dat de mensen zichzelf als het ware vol verbazing stonden aan te gapen: “Welk een meesterwerk is de mens! Hoe edel door de rede! Hoe oneindig rijk aan vermogens! Van vorm en in beweging, hoe bewonderenswaardig en expres­sief! In zijn optreden, hoe gelijk een engel! Van begrip, hoe gelijk een god!” Maar hoezeer de mens ook was gefascineerd door het leven, de dood was voor hem geen onbekende. Londen werd door epidemieën geteisterd. Het leven was een hachelijke zaak, maar men aanvaardde het met een overmoedig lachje. Shakespeare hield een vergrootglas voor de geest van zijn tijd en zette het Globe Theatre in gloed met zijn “Muze van Vuur”.

Nadien heeft ieder tijdperk getracht, Shakespeare in een eigen­tijds keurslijf te wringen. Aan de hand van een historisch overzicht van de steeds wisselende aankleding van Shakespeare-stukken kunnen wij, zoals de dichter T. S. Eliot heeft gezegd, tevens de geschiedenis van de westerse beschaving gevoegelijk nagaan. Orson Welles stak zijn Julius Caesar in een soort fascistisch uni­form. Moskou bracht Hamlet ten tonele als een militaire samen­zwering tegen de koning. In New York werd Koning Lear in een bezetting van uitsluitend vrouwen gegeven.

In sommige gevallen geven deze bizarre opvoeringen aanstoot, maar daarom behoeven ze nog niet in strijd te zijn met de geest van de schrijver. En dat ze zowaar mogelijk zijn, komt doordat Shakespeare tijdloos is. En hij zegt alles. Protestanten, katholieken, agnostici, zij allen wedijveren om hem als een der hunnen te be­schouwen. Hetzelfde geldt voor aristocraten, voorvechters van de democratie, optimisten en pessimisten.

Wat heeft Shakespeare in enig ontwricht tijdsbestek tot de wereld te zeggen? Hij keert die wereld niet de rug toe en heeft evenmin medelijden met zichzelf. Hij bezingt ’s levens wereldse genietingen; hij verheerlijkt de liefde, spijs en drank, muziek, vriendschap, een goed gesprek en de steeds wisselende, maar
on­veranderlijke schoonheid der natuur. In Shakespeare is de gerijpte mens aan het woord, wiens levenservaring is gekristalliseerd tot nuchter denken en een grote wijsheid.
Echter, de mens is ook “de edelste geur der stof” en “dulden moet de mens zijn heengaan uit de wereld als zijn aankomst”.
Shakespeares tragische held moet de onverdraaglijke gedachte onder ogen zien dat hij zonder hoop op vergelding moet sterven. Terwijl hij zijn noodlot tegemoet gaat, denkt de toeschouwer: “De Heer zij me genadig, daar gaat een beter mens dan ik ben.” Wat het publiek tot tranen toe aan de tragische held bindt, is de hoedanigheid die hen in wezen scheidt: adeldom.

Bij minder begaafde toneelschrijvers berust die adeldom vaak op de schoonheid van de taal, maar fraaie verzen zonder meer ko­men wellicht niet verder dan het oor. Shakespeare spreekt tot de ziel. Hij kon met de taal doen wat hij wilde; het beeldend vermo­gen van zijn woorden is onbegrensd. Hij omvatte werelden in enkele lettergrepen. “Te zijn of niet te zijn” is ’s mensen grootste zorg, gevat in ’s mensen kleinste en eenvoudigste woorden.

De adembenemende overgangen in Shakespeares stukken bren­gen een mens tot aan de rand van de eeuwigheid en zetten hem dan weer terug in het gewone leven. Neerziende op de dode Cordelia, roept de door smart overmande Lear uit: “Wat! Hond en paard en ratten hebben leven, en gij geen ademtocht?” In zijn diepste wanhoop (“Gij komt niet weder”) zegt hij dan vijf­maal achtereen het indrukwekkende “Nimmer!” Dan breekt zijn opgekropte, ondraaglijke zielesmart in het simpele verzoek: “Ach, maak dien knoop hier los.” Niemand behalve Shakespeare zou het hebben aangedurfd die twee regels op elkaar te laten volgen.

Shakespeare leeft voort, doordat het laatste woord nog niet over hem is gezegd en ook wel niet gezegd zal worden. Zijn scheppingen zijn even ondoorgrondelijk als het leven zelf; zijn figuren blijven een onuitputtelijke bron van raadselen. Na Christus, Napoleon en Shakespeare zelf is er over Hamlet meer geschreven dan over wie ook. Toch is het enige wat met zekerheid valt te zeggen, dit: dat Hamlets leven tegelijk zijn eigen tragedie was, zoals het leven van ieder mens ieders eigen tragedie is. Elk tijdperk en elk mens in zijn “zeven levenstrappen” wordt weerkaatst in Shakespeares uni­versele spiegel. De hartstocht en de poëzie klinken na in de ruimten van de geest en zullen, waarachtiger dan “der trouwe kindsheid”, ten eeuwigen dage blijven voortklinken.
.

alle biografieën

 

W.F.Veltman: Shakespeare

.

503-465

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Shakespeare

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Elizabeth 1 | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.