VRIJESCHOOL – Rekenen – 3e klas (1)

.

REKENEN EN WISKUNDE


Op de lagere school is rekenen een heel belangrijk vak. De tijd dat een kind ‘bleef zitten’ omdat het een onvoldoende voor rekenen had, ligt nog niet lang achter ons. Deze hoge waardering dankt het rekenen aan het feit dat rekenen en wiskunde de belangrijkste hulpvakken zijn van de natuurwetenschappen en ook in de menswetenschappen een voorname plaats innemen.

Elke beoordeling van de resultaten van het rekenonderwijs is onlosmakelijk verbonden met rekenprestaties.
Dit betekent voor een aantal kinderen dat er tijdens het rekenonderwijs een druk op hen ligt.
In het algemeen kunnen wij stellen dat rekenen en wiskunde vakken zijn, die toch echt bij het kind horen.
Wanneer we rekenen vergelijken met aardrijkskunde, welk vak erop gericht is het kind de wereld te doen kennen; waarbij in de lagere school het uitbeelden van de schoonheid van het geschapene en gewordene grote aandacht krijgt (milieuproblematiek wordt pas later behandeld) wordt dit heel duidelijk.
In tegenstelling tot zulk een vak waarbij men afbeeldt, staan de vakken waarbij men produceert. Tijdens het musiceren bijvoorbeeld leeft de muziek in degene zelf die deze maakt, of hij nu schrijft, vertolkt of improviseert.

Ook rekenen is een vak waarbij men produceert. Er komt niet iets op de mens af, maar alles gebeurt binnen in hem. Het ligt geheel aan mijn eigen activiteit, of ik tot het begrip van het aantal kom als ik een aantal voorwerpen zie. Tellen is op zich reeds produceren van begrippen. De vaste volgorde van de getallenreeks geeft het kind een gevoel van innerlijke zekerheid.
Binnen de getalenrij kan ook een andere ordening worden aangebracht. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het aanleren van de tafels.

Besef van vrijheid in het denken ontstaat door het aanbrengen van een eigen ordening binnen de gegeven orde.

Voor het oproepen van begrippen is innerlijke activiteit vereist. Dit betekent dat het rekenen afhankelijk is van de wil. Aardrijkskunde noemen we een beschouwelijk, beeldend vak; rekenen een wilsvak.

In de aardrijkskunde geeft men zich alle moeite om de lessen levendig te maken. Selma Lagerlöf werd beroemd toen haar dit voor de Zweedse jeugd is gelukt door ‘Niels Holgersson’s wonderbare reis’.

Wanneer men de kinderen laat rekenen, merkt men dat ze enthousiast en bewegelijk worden. Het begint in hen te borrelen. Innerlijke activiteit uit zich. Als vanzelf komen zij overeind van hun stoelen. Rekenen noemen we een dionysisch vak. Dionysos, de wijngod, broer van de hemelse Apolio, brengt de mensen op aarde leven, beweging en vreugde.

Rekenen tussen de tandwisseling en het negende jaar

In de eerste drie klassen verkeert het kind in de wilsmatige periode van de gevoelsfase. Het rekenen geschiedt via het doen, vanuit het bewegingselement.
Als men een kind laat klappen, stampen, reciteren, ontwikkelt men dit bewegingselement, hiervoor het dionysische element genoemd. Er wordt niets door het individuele kind opgeschreven dat niet eerst gezamenlijk vele malen is gedaan.
Langzaam maar zeker tracht men het kind enig bewustzijn te geven van hetgeen het bewegend in de ‘dionysische roes’ heeft meegedaan. Schrijft het kind de tafel van 3 op, nadat het deze heeft geklapt, gestampt en gereciteerd, dan ontdekt het daarin met plezier de grote harmonische ritmen in de loop der getallen. Op de juiste wijze opgeschreven blijft het element van schoonheid bewaard. Het gezamenlijke stampen wekt de vreugde voor het rekenen. Dit is het uitgangspunt. Het persoonlijke leren vindt plaats in de stilte van het opschrijven en het zelf ontdekken van de samenhangen.

Leer- en ontwikkelingsdoelen voor de klassen I, II en III
Evenals in de eerste drie jaren van de lagere school elk kind de tijd krijgt zijn taalgebruik te verbeteren, om uiteindelijk te leren op de juiste wijze te spreken, zo ook krijgt het kind de gelegenheid om de wereld der getallen goed te leren kennen.

Er is grote vrijheid van indeling doch men streeft er naar dat het kind de tafels van vermenigvuldiging van 1 t/m 10 of 1 t/m 12, alsmede de ‘opteltafels’ en de ‘aftrektafels’ ‘uit het hoofd kent’. Het gaat hierbij vooral om het acoustisch geheugen. Men streeft naar kwalitatief en kwantitatief inzicht in de getallen binnen de duizend. Het kind wordt geacht zich binnen de duizend vrij te kunnen bewegen door middel van de vier hoofdbewerkingen.

klas 3

Leerstof
—    Herhaling van al het voorgaande.
—    Het verdelen van 1000.
—    Hoofdrekenen: alle vier hoofdbewerkingen met gecompliceerde getallen (tot 1000).
—    Er wordt ook gerekend met geld. Markt, winkel, dingen uit het dagelijks leven.
—    Schriftelijke opgaven.
—    Schriften, kleurpotloden, zwart potlood (ballpoint).

Werkvormen

De werkvormen zijn dezelfde als in de tweede, de werkstijl is echter anders. De derde klas is een echte oefenklas. Alles wat in de eerste drie jaar wordt aangelegd moet aan het einde van de derde tot op zekere hoogte beheerst worden.

Bij het schriftelijk werk staat alles nog in de hoofdrekenvorm:

308 + 213 + 96=

Niet dat de kinderen het optellen van eentjes, tientjes niet zouden kunnen begrijpen. Het gevaar van het cijferen is dat de kinderen lui worden met hoofdrekenen. En juist het hoofdrekenen is onmisbaar voor het zich nog vrij leren bewegen in de getallenwereld. Het cijferen is de dood voor een werkelijk getalbegrip zowel naar grootte (later het leren schatten) als naar onderlinge samenhangen. 16 x 25 zet men niet onder elkaar, 16 x 25 = 400 tout court.

Er zijn echter andere, bijzonder zinvolle vormen van schriftelijk werk voor de derde klas (zie voorbeeld). De opgaven zijn altijd zo dat de leerlingen zelf voortkunnen. Binnen de klassikale opgave is individuele differentiatie mogelijk. Het rekenen in verband met het dagelijks leven geschiedt eerst in concreto, later als ‘rekenverhaal’.

Tafels
Als we de tafels opzeggen, gebeurt dat altijd staande en we klappen en stampen* op bepaalde getallen om daar het accent op te leggen. We klappen de uitkomst, en stampen op ‘het aantal maal’. We gaan van het geheel uit en zeggen de tafel heen en terug, dus:

2                  =               1  x  2
(klap)                          (stamp)
4                  =               2 x  2
6                  =               3 x  2
tot en met
20               =             10 x  2

vervolgens weer terug

  1  x 2      =                            2
(stamp)                               (klap)
 2  x  2      =                           4
 3  x  2      =                           6
10 x  2      =                         20

Dan zijn er nog oefeningen, die we elke dag gedaan hebben, waarbij de vermenigvuldigingen niet worden genoemd, maar waar we de tafels opzeggen als getallenreeksen met weer klappen, stampen, hinken, springen, aantikken etc.

Enige oefeningen: bijvoorbeeld de tafel van 3**:

lopen       1, 2       stilstaan, klappen en roepen ‘3!’
lopen       4, 5      niets zeggen stilstaan, klappen en roepen ‘6!’

dezelfde oefening nu: hink, hink, sprong.

staand:
je tikt één voor één je schouders aan en telt daarbij in gedachten 1, 2 vervolgens klap je in de handen en roept ‘3!’ 4 (schouder) 5 (schouder), klappen en roepen ‘6!’ 

Hetzelfde kan natuurlijk met knieën, voeten, oren, billen etc. Voor de kinderen lijkt het steeds een nieuwe oefening en daar er eindeloos veel variaties zijn kun je iedere dag weer iets anders doen, zonder dat de kinderen in de gaten hebben dat je elke dag met die tafels bezig bent.

Een aantal andere ‘tafel’-oefeningen hebben we in de kring gedaan. In de klas zitten eenendertig kinderen, waarvan drie kringen van tien gemaakt werden.

Elke kring krijgt een bol wol en elk kind krijgt een getal van 0 t/m 9. De kinderen staan in die volgorde ook naast elkaar.
Ik ga nu maar weer uit van de tafel van drie. Nummer drie uit de kring krijgt het beginpunt van de bol wol en het noemt zijn getal, namelijk ‘drie’. (Als je bij 3 begint, en je bent bij de 0 = 30 gekomen, blijft het stuk van 0 naar 3 open. Je moet dus op de 0 beginnen!)
bb 77Voor twee van de drie kringen bleek geen kind te zijn dat de bol wol door kon geven. Deze kringen kregen een bal. De tafels gingen dan hetzelfde als de beschreven oefening van 3, alleen werd de bal nu overgegooid.

Met de bal kun je trouwens ook leuke spelletjes doen als de tafels er al goed ‘in zitten’.
Een vermenigvuldiging vragen en 
een naam noemen. Diegene geeft het antwoord en gooit de bal naar de volgende. Dus: 1 x 3 Nessa; Nessa: ‘3!’ 7 x 6
Michiel: Michiel: ’42!’ 3 x 9’Tanja; Tanja: ’27!’ 6x 5 Tijn, etc.

Dit spelletje is natuurlijk alleen maar leuk*** als er een beetje tempo in zit.

Als je bovenstaande oefeningen (figuren maken van de uitkomsten van de tafels) in de kring, hebt gedaan, kun je ze daarna in het schrift laten tekenen of op een kaart laten borduren met wol.

Veel leuke dingen om in het schrift te maken zijn:

lange rijen van antwoorden maken in je schrift en dan de wetmatigheden daarin proberen te ontdekken

bv. de tafel van 8. Die wetmatigheden kunnen ze dan bijvoorbeeld met verschillende kleurtjes aangeven.

00             88

08             96

16             104

24             112

32             120

40             128

48              136

56             144

64             152

72             160

80

Eenheden altijd: 8, 6, 4, 2, 0

Tientallen: 0,0, 1, 2, 3, 4, 4, 5, 6, 7, 8, 8, 9, 10, 11, 12, 12

Een aantal kinderen sprak dergelijke oefeningen zo aan dat ze rijen maakten met antwoorden tot 1000 toe.

Tafelblad maken behoort nog steeds tot de favoriete bezigheden tijdens de rekenperiode. Ook al hebben we dat al vaker gedaan, steeds opnieuw ontdekken ze daar weer nieuwe dingen in die ze daarvóór niet gezien hadden.

bb 78

Een aantal kinderen gaat dit soort oefeningen thuis dan uitbreiden en komt dan met een heel groot vel papier op school om te laten zien hoe ver ze wel niet gegaan zijn. Hetzelfde gebeurde met de volgende oefening:

Tafelberg maken: (deze som wordt op een heel lang stuk papier gemaakt.

bb 78 2

 

 

 

Het schriftelijk werk

 bb 79

De oefening is hier al redelijk ver ingevuld. Op het bord schrijven we niet meer dan:
bb 78 3

We doen dit samen met de klas. Daarna gaan ze alleen verder.

Het leuke is dat er zoveel manieren zijn om deze som uit te rekenen.

Dergelijke ritmische oefeningen vervelen de kinderen nooit. Met het ontdekken van wetmatigheden krijgen ze tegelijk controle over het werk.

Natuurlijk ontdekt er ook wel eens iemand een regelmatigheid die helemaal niet bestaat en baseert daar zijn hele systeem op. Vrolijk zelfstandig voortwerkend produceert hij een blad vol cijfers. Na het grote ‘Aha-Erlebnis’ dat volgt als de som later klassikaal op het bord een stukje verder wordt uitgerekend, gaat het betreffende kind nu echt rekenen, zelf nog nagenietend van zijn naïviteit

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985).

*Je leest soms wel eens:  ‘hard’ stampen. ‘Hard’ moet volgens mij opgevat worden als: ‘intensief, we zijn flink aan het werk’; wat het geluid betreft: er moet ook zachtjes worden geklapt of slechts met de vingers in de handpalm e.d. Wat het stampen betreft: vooral niet ruw (dat dringt zelfs te veel door tot in de maag). Ook hier uiteraard afwisseling in steviger en minder stevig. Wat bij klappen en stampen de basis moet vormen is een zekere elegantie: mooie gebaren die ritme en maat tot zijn recht laten komen.

**Dit kan ook goed in klas 2 – het gaat er altijd om: hoe ‘ver’ is je klas.

***voor het kind dat het antwoord niet weet, is het niet zo leuk! Ik sprak af dat wanneer je het niet weet, je een willekeurige som uit de tafel mag zeggen die je wél weet (en die is er altijd: 1 x …) Dan heeft ook dit kind het gevoel dat het meedoet.

.

3e klas rekenenalle artikelen

3e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas        tafelsterren

.

523-482

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 2e klas – alle artikelen

.

[1]  De 4 bewerkingen door de jaren heen
Georg Hofmann over: de 4 bewerkingen in sommen voor de verschillende klassen: voor kleine getallen, grotere, gewone breuken, decimaalbreuken, negatieve getallen en algebra

[2Rekenen moet plezier geven
Martin Keller over: schriftelijk rekenen vanaf klas 1 met ‘mooie’, ‘bijzondere’, ‘verrassende’ uitkomsten

[3-1] Tafels vanaf klas 2 en hoger
Joachim Hein over: een levendige uitbeelding van de getallenrijen

[3-2]  Een bijdrage aan een levendige uitbeelding van de getallenrijen
Pieter Witvliet over: getallenrijen voor de lagere klassen (2 en 3) waarop de delers van de tafelrijen zichtbaar worden als steun voor het leren van de tafels

[4] Rekenen en wiskunde
‘Het binnenste buitenover: wat doe je als je rekent; begripsvorming, vrijheid; de jaren 6-9, beweging; tafels van vermenigvulding, maar optel- en aftrektafels uit het hoofd; wat wordt klas 1, 2 en 3 geleerd en de manier waarop; voorbeelden uit de praktijk: bewegen, later schriftelijk vastleggen; hoofdrekenen; de tafels;

[5] Tafelsterren in klas 2
Pieter Witvliet over: ‘tafelsterren’ – een hulpje bij het aanleren van de tafels

[6] Rekenen in de tweede, een mooi vak om te spelen
Martin Stoop over: rekenen en het ganzenbord in klas 2

[7] Rekenen in de tweede klas
Ria Buscop over: spelen met tafels; tafelvierkant

.

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

522-481

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 2e klas (4)

.

REKENEN EN WISKUNDE


Op de lagere school is rekenen een heel belangrijk vak. De tijd dat een kind ‘bleef zitten’ omdat het een onvoldoende voor rekenen had, ligt nog niet lang achter ons. Deze hoge waardering dankt het rekenen aan het feit dat rekenen en wiskunde de belangrijkste hulpvakken zijn van de natuurwetenschappen en ook in de menswetenschappen een voorname plaats innemen.

Elke beoordeling van de resultaten van het rekenonderwijs is onlosmakelijk verbonden met rekenprestaties.
Dit betekent voor een aantal kinderen dat er tijdens het rekenonderwijs een druk op hen ligt.
In het algemeen kunnen wij stellen dat rekenen en wiskunde vakken zijn, die toch echt bij het kind horen.
Wanneer we rekenen vergelijken met aardrijkskunde, welk vak erop gericht is het kind de wereld te doen kennen; waarbij in de lagere school het uitbeelden van de schoonheid van het geschapene en gewordene grote aandacht krijgt(milieu-problematiek wordt pas later behandeld) wordt dit heel duidelijk.
In tegenstelling tot zulk een vak waarbij men afbeeldt, staan de vakken waarbij men produceert. Tijdens het musiceren bijvoorbeeld leeft de muziek in degene zelf die deze maakt, of hij nu schrijft, vertolkt of improviseert.

Ook rekenen is een vak waarbij men produceert. Er komt niet iets op de mens af, maar alles gebeurt binnen in hem. Het ligt geheel aan mijn eigen activiteit, of ik tot het begrip van het aantal kom als ik een aantal voorwerpen zie. Tellen is op zich reeds produceren van begrippen. De vaste volgorde van de getallenreeks geeft het kind een gevoel van innerlijke zekerheid.
Binnen de getalenrij kan ook een andere ordening worden aangebracht. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het aanleren van de tafels.

Besef van vrijheid in het denken ontstaat door het aanbrengen van een eigen ordening binnen de gegeven orde.

Voor het oproepen van begrippen is innerlijke activiteit vereist. Dit betekent dat het rekenen afhankelijk is van de wil. Aardrijkskunde noemen we een beschouwelijk, beeldend vak; rekenen een wilsvak.

In de aardrijkskunde geeft men zich alle moeite om de lessen levendig te maken. Selma Lagerlöf werd beroemd toen haar dit voor de Zweedse jeugd is gelukt door ‘Niels Holgersson’s wonderbare reis’.

Wanneer men de kinderen laat rekenen, merkt men dat ze enthousiast en bewegelijk worden. Het begint in hen te borrelen. Innerlijke activiteit uit zich. Als vanzelf komen zij overeind van hun stoelen. Rekenen noemen we een dionysisch vak. Dionysos, de wijngod, broer van de hemelse Apolio, brengt de mensen op aarde leven, beweging en vreugde.

Rekenen tussen de tandwisseling en het negende jaar
In de eerste drie klassen verkeert het kind in de wilsmatige periode van de gevoelsfase. Het rekenen geschiedt via het doen, vanuit het bewegingselement.
Als men een kind laat klappen, stampen*, reciteren, ontwikkelt men dit bewegingselement, hiervoor het dionysische element genoemd. Er wordt niets door het individuele kind opgeschreven dat niet eerst gezamenlijk vele malen is gedaan.
Langzaam maar zeker tracht men het kind enig bewustzijn te geven van hetgeen het bewegend in de ‘dionysische roes’ heeft meegedaan. Schrijft het kind de tafel van 3 op, nadat het deze heeft geklapt, gestampt en gereciteerd, dan ontdekt het daarin met plezier de grote harmonische ritmen in de loop der getallen. Op de juiste wijze opgeschreven blijft het element van schoonheid bewaard. Het gezamenlijke stampen wekt de vreugde voor het rekenen. Dit is het uitgangspunt. Het persoonlijke leren vindt plaats in de stilte van het opschrijven en het zelf ontdekken van de samenhangen.

Leer- en ontwikkelingsdoelen voor de klassen I, II en III
Evenals in de eerste drie jaren van de lagere school elk kind de tijd krijgt zijn taalgebruik te verbeteren, om uiteindelijk te leren op de juiste wijze te spreken, zo ook krijgt het kind de gelegenheid om de wereld der getallen goed te leren kennen.

Er is grote vrijheid van indeling doch men streeft er naar dat het kind de tafels van vermenigvuldiging van 1 t/m 10 of 1 t/m 12, alsmede de ‘opteltafels’ en de ‘aftrektafels’ ‘uit het hoofd kent’. Het gaat hierbij vooral om het acoustisch geheugen. Men streeft naar kwalitatief en kwantitatief inzicht in de getallen binnen de duizend. Het kind wordt geacht zich binnen de duizend vrij te kunnen bewegen door middel van de vier hoofdbewerkingen.

Klas 2

Leerstof:
—    Ritmische teloefeningen. Tellen tot 1000 of verder.
—    Tafels van vermenigvuldiging van 1 t/m 10 of 12. Opteltafels en aftrektafels t/m 20 of 24.
—    Het verdelen tot 100.
—    Hoofdrekenen: vier hoofdbewerkingen tot rond 100.
—    Schriftelijke opgaven.

Werkvormen:
—    Ritmische klap en stampoefeningen* worden nu mooi afgewerkt (zie voorbeeld). De tafels van vermenigvuldiging die in de eerste klas nog niet werden aangeleerd hoeven in de tweede klas niet per se even uitvoerig vanuit de beweging te ontstaan (zie voorbeeld).
—    Het verdelen tot ongeveer honderd kan aangeleerd worden via het globale hoofdrekenen. Daarna uit het hoofd en op papier (niet in cijfervorm).
—    Hoofdrekenen met vingers, klassikaal, de leerkracht maakt het spannend en grappig. Vanuit het klassikale rekenen in koor wordt geïndividualiseerd.
—    In de tweede hoeft niet veel schriftelijk werk gemaakt te worden. Het weinige echter wordt heel zorgvuldig gedaan. Het mag geen ‘lopende band’ werk zijn (zie voorbeelden).

Iets over de tweede klas

Een mooie oefening
De kinderen staan achter hun stoeltjes. De leerkracht vraagt hen één keer te stampen*. Tsja, dat moet nog eens over, want het was een rommeldestommel. Zij kijken je aan hoe je het nu vindt. Een keer, nu was het één reuze boems die wegsterft en dan stilte daarna. Ja, dat is de EEN. Dan twee stampen, duidelijk neergezet in de ruimte, in de tijd. Dan drie… Straks vier, roept er een. Straks honderd! De kinderen lachen. Maar die eerste EEN is onvergetelijk. Eén boems – twee boemzen, – drie. Maar 100? Nee, geen 100. Voor de kinderen dus liever terug naar de één:                                                 1    2    1

Dat is een afgerond geheel. Je verleidt de kinderen dan niet tot een overmoedige Hochstapelei. Dan

1   2   3   2  1

zeggen wij tot 5, dus 1 2 3 4 5 4 3 2 1 en tot slot klinkt weer die één, maar nu als afsluiting. Deze oefening is gemakkelijk te hanteren als men bij de één een stap naar voren maakt, bij de twéé twee stappen achterwaarts, de drie weer naar voren en zo verder. Men moet dan een kleine leefruimte voor en achter hebben. De hele ronde resulteert, als het goed is, in één stap voorwaarts. Men kan de oefening ook zuiver acoustisch doen.

Voor het schriftelijk werk kunnen wij diezelfde oefening gebruiken. Wij laten de kinderen de 1 opschrijven, de 1    2    1, de 1   2   3   2   1, mooi groot, met een flinke afstand tussen de cijfers. Er zal dan zoiets komen als:

 1

1   2    1

1   2   3   2   1

Nu moeten de kinderen leren dat als je zoiets opschrijft het mooi moet zijn, echt mooi. Zó, dat die ‘som’ een mooi gezicht heeft. Zoals het hierboven is aangegeven, heeft de som geen eigen gezicht. Neem de tijd: de kinderen komen wel op andere vormen. En wij kiezen:

1

1    2    1

1   2   3   2   1

1   2   3   4   3   2   1

1   2   3   4   5   4   3   2   1

Rudolf Steiner was er zeer op gesteld, dat de vorm, waarin het vraagstuk wordt opgeschreven, het oplossen van een vraagstuk, de gang van de bewerkingen weergeeft.

Hoeveel keer hebben we nu met elkaar gestampt? Hoeveel boemzen zijn dat nou? De totalen worden er niet tegenaan geplakt, maar komen achteraan netjes onder elkaar te staan.

In de tweede klas kennen de kinderen de eenvoudige kwadraten. Bij deze oefening zijn er leerlingen, die onder de uitkomsten rechts al de 36 schrijven en de 49. Schoonheid, vreugde in kleine ontdekkingen, en vooral de wilsinzet van de kinderen, het dòen. Doen wil hier zeggen: lopen, stampen, klappen, in koor reciteren.

Eén ding, dat stampen van die 1 2 3 4 5 4 3 2 1, dat klonk nog wat erg martiaal, het is eigenlijk puur maat. Het kan ritmischer, muzikaler, kunstzinniger. Wij beginnen weer met de grote één, onmiddellijk gevolgd door twee rustige slagen, direct aansluitend de vluggere drie, sneller de vier, de vijf als een tromgeroffel, terugnemend de vier, weer langzamer de drie, de twee slagen, en afsluitend de één… een accelerando-ralentando. Uit de één rolt met donderend geweld een machtige golf om zich aan het einde weer samen te ballen. In de EEN.’

Hoofdrekenen in de globale vorm (1e, 2e en 3e klas)

Laten zien ————— » zeven!

Natuurlijk ook in andere combinaties 3 + 4. Kan in koor, kan individueel, men zou het antwoord kunnen laten stampen. Na een tijdje kan men het zichtbare rekenen aanvullen: wij laten 8 vingers zien en vragen: hoeveel heb ik er nu verstopt? Dus het aanvullen tot 10.

Dit is globaal rekenen tot 100. Uitbreiding: 8 vingers = 80, aanvulling = 20. Als ik nu die 80 er nog eentje bij geef, dus niet 80 maar 81, dan gaat dan van die 20 af, 19.
Dit is een goede remedie tegen het veel voorkomende euvel 81 ——29, of 66 —— 44.

In 3 de globale 1000, zodat de kinderen daarbinnen zich vlot leren bewegen.

binnenstebuiten blz 73

De tafels van vermenigvuldiging

Zoals men niet alle letters kan behandelen van het beeld uit, maar een aantal letterbeelden exemplarisch behandelt en de overige letters op de autoriteit als leerkracht brengt, zo kan men ook niet aan alle tafels zo veel tijd besteden. Op een goede dag schrijft de leerkracht de tafel van 8 op het bord. Hoe? In ieder geval niet in de vorm:

1 x 8   =   8
2 x 8   =  16
Wij moeten werken van het geheel naar de delen. Dus de tafel in de elders ongebruikelijke vorm:

8   =     1 x 8
16   =   2   x   8

Nog consequenter is het van de hele tafel uit te gaan, dus van de 96:
96   =   12**   x   8
88   =   11   x   8

Introduceert men nu de tafel van 8 op het bord, dan schrijft men eenvoudigweg op:
96
88
80

Dan samen bekijken. Wat zou 96 zijn? Wie kan de 10 x 8 vinden. De 40? Ja, die 8 en die 16 die weten we wel. En de 88? Morgen gaan wij daarmee verder. En morgen pakken wij het wat steviger aan:

In koor:        96   –   88   –   80   –   …………………………

en terug:       8   –   16   –   24   –   ………………………….

Dan verder invullen:
die              96        dat was de                 12 x 8
de               80                                             10 x 8
wacht           8        juist!                             1 x 8
16                                              2 x 8
dan ook     24                                              3 x 8
80      was                              10 x 8
ha!              88                                            11 x 8    men pikt dus de bekende eruit.

Als alles op het bord ingevuld is, in koor het rijtje langs. Het is nu zaak, dat de kinderen die getallen herkennen:

is 40 er bij?                                                                                  ja
is 48 er bij?                                                                                  ja!
de… 80?                                                                                        ja!
de… 81?                                                                                        nee
O, dan 82?                                                                                   neee!
83?                                                                                                neeee!
acht-en-tachtig?                                                                         jaaa!

We bekijken samen die rij eens op een andere manier. Het is een wonderlijke familie. Wie ziet iets bijzonders? Het is merkwaardig zo veel als de kinderen dan opmerken, en merkwaardig welk kind wàt opmerkt. Een kleine bloemlezing: allemaal even,
de tafel van twee! (de eenheden: 72, 64 ,56………………………… )
de 6 van 96 en de 6 van 64, zo’n ‘vondst’ wordt door de klas naar de waarde geschat, de tientallen: 1,   2,   3,   4, – – 5 eigenlijk twee vieren – –

Men brengt er het gesprek op welke zij van deze getallen de mooiste vinden en de klas wil ook graag horen waarom: de 88 — twéé achten is ook wel erg mooi… de 80 — de 8 zelf — de 40 — een enkele kiest 64. Dat is een doordenkertje.

Er moet altijd wat te beleven zijn in de rekenles. Vreugde, spontaniteit, dat zijn de uitgangspunten. Op het bord staat nog de 96 tot 8. De kinderen reciteren eerst alleen maar de getallen. Een aantal van hen neemt dat snel op. En de rest… hangt er wat aan. Ze doen wel mee, maar er is geen sprake van dat ze de getallen nu kennen. Ze lezen ze nog van het bord op en zelfs dat gaat niet vlot.

De leerkracht zegt: ‘Vandaag kinderen wordt het menens. Wij doen de tafel van 8, maar nu uit het hoofd.’ De getallenrij staat levensgroot op het bord, maar hij gaat er vierkant vóór staan. Tijdens de recitatie loopt hij geheel verdiept in het maat-slaan 96 – 88 – 80 –naar voren, zodat de tafel weer zichtbaar wordt, hij merkt natuurlijk niet, dat er een paar kinderen gniffelen en begrijpt niet waarom de klas tenslotte juicht: – – 48 – 40 – 32 — Er wordt door de kinderen nog lang nagepraat of dat nu wel echt een vergissing was. Of was het misschien toch opzet. ‘En nu uit het hoofd.’ De leerkracht wist de tafel met een droge wisser uit maar zo dat die nog net zichtbaar blijft. Hilariteit, een ieder, ook de knappe, probeert het toch te lezen. En tuurt en tuurt naar de tafel van 8. Dan krijgen wij ook het door elkaar aanwijzen van getallen. Nemen wij de tafel van 6.

72                     Natuurlijk eerst de gemakkelijk, en zo nu en dan, met een
66                     gezicht van weten jullie dat werkelijk al, een moeilijke.
60                     Al gauw gaat dat o zo mooi. De klas zingezangt: zes en dertig
54                     is zes maal zes, enz. Probeer nu eens
48                     twee-en veertig is…..
42                    zes-en-vijftig is…….
36                    twee-en-veertig is……
30                    zes-en-vijftig is…….
24                     twee en ……
18                     dan blijkt de klas dat niet te merken. De groep deint voort.
12                     Zalig.
6                       Dan zie je een paar vluggen met pretoogjes — een grinneken — een zich verkneuteren —
De flegmatici merken, dat er iets aan de hand is, iets om te lachen, maar om wat? Dat intigreert een flegmatisch kind, het wordt klaar wakker. En wij als leraar worden ook wakker. Zo in de groep leren de meeste kinderen weinig of niets. Daarom, voorzichtig aan, differentiëren.

Differentiatie, enkele suggesties:

—   per rij, de andere twee rijen letten precies op of het wel klopt.
—   1e rij 60 is — 2e rij 54 is — de 3e rij 48 is —
1e rij 42 is, daar moet je wel goed met je hersens bij zijn.
—   een kind de getallen laten aanwijzen, klas antwoordt, of een kind wijst aan en telkens antwoordt een klasgenootje dat de beurt krijgt. Er zijn leerlingen die dat met grote zorg doen, de moeilijke getallen voor de knappe rekenaars, de gemakkelijke voor de langzame.
—   Als wij de getallen niet de rij af onder elkaar maar door elkaar op het bord schrijven, zijn er weer heel andere mogelijkheden, bijv. laten uitvegen in de goede volgorde. Alle kinderen zijn dan als de kippen erbij als het niet volgens het rijtje gaat.
—   Wij zijn in het algemeen niet voor wedstrijden, maar zo’n enkel keertje, twee rekengladiatoren, ieder op een eigen zwart bord de door elkaar-tafel in volgorde laten uitvegen is toch wel erg spannend (zeker voor een 3e). Hoei, als er dan ergens gesmokkeld wordt.
—   Rudolf Steiner geeft aan, als een flegmatisch kind iets uitveegt, dan blijft een sterk beeld in het kind achter.

Als wij een tafel opschrijven, dan ook midden op het blad, goed van verdelingen, precies. Wij moeten bedenken dat, ook al dansen en springen wij in de rekenles, de ondergrond van het rekenen heel streng is. Denk aan alle getalverhoudingen in de natuurkunde- en scheikundeformules, de ijzeren wetten van de mechanica. Als wij alleen maar de getallenrij van 96 tot 8 opschrijven, kan in een tweede best besproken worden, waar die 8 hoort te staan, onnadenkend onder de 1 van de 16, of al was het maar om die omgekeerde tafel van 2 te laten zien, onder de 6 van de 16. Schrijven wij de tafel voluit, dan moeten wij weer opletten

80   =   10   x   8
72   —     9   x   8,

en bij de tafel van 10, 11 of 12, daar wordt het helemaal uitkijken. Je zou kunnen zeggen een goede voorbereiding voor het cijferen. Maar daar is het hier eigenlijk niet om begonnen. Mooi en goed is op deze leeftijd hetzelfde.

De tafels worden met kleurpotlood geschreven. Enige versiering kan ook heel mooi zijn. De leerlingen moeten zich echter daar niet te veel in uitleven. De versiering mag de tafels of het andere werk niet overwoekeren.

Sterrendans

Nadat de tafel van drie in de eerste klas sterk bewegend is geoefend, kunnen de tweede klassers deze getallenreeks omvormen tot een ster! De voorbereiding is als volgt:

Alle kinderen gaan in een lange rij staan. Eén kind echter loopt langs de rij en blijft staan bij elk derde kind. Verschillende kinderen mogen dit oefenen.

Nu gaan er tien kinderen in een cirkel staan en de anderen vormen een halve maan erom heen.

De leerkracht heeft een grote zak met getallen en de kinderen in de kring krijgen ieder een getal uit de zak.

bb 76 1

Nummer 1, wat ben je nu? Ik? elf? We tellen door tot 100.

Daarna vraag ik wie er nu langs ‘de drietjes’ (de getallen van de tafel van 3′ wil lopen. Verschillende kinderen krijgen een beurt.

Het is moeilijk! De kinderen hebben geen ruimtelijke voorstelling omdat ze zich moeten concentreren op de getallenreeks. Ze lopen steeds tot 12 x 3 en dan weer terug.

Als eigenlijk alle kinderen dit goed kunnen, doen we hetzelfde met een koort van dikke rode wol. Het rondlopende kind zwijgt en geeft het koord telkens aan het kind op de derde plaats. Het kind dat het ontvangt pakt het stevig vast en zegt met duidelijke stem zijn getal. Bij de dertig is er een prachtige ster gevormd.***

bb 76 2

 Nu beginnen de ‘sterrenkinderen’ te zingen en te bewegen. Aldus:

De sterre gaat hoog
De sterre gaat laag
De sterre draait rond
De sterre staat hoog aan de hemel hoog
En draait dan weer terug naar de grond
Dan draait de ster!

Bij deze sterredans komt het op samenwerking aan. De ster mag tijdens het lied niet uit het verband getrokken worden. Het is een hele prestatie als dit in een tweede klas lukt.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

*Je leest soms wel eens:  ‘hard’ stampen. ‘Hard’ moet volgens mij opgevat worden als: ‘intensief, we zijn flink aan het werk’; wat het geluid betreft: er moet ook zachtjes worden geklapt of slechts met de vingers in de handpalm e.d. Wat het stampen betreft: vooral niet ruw (dat dringt zelfs te veel door tot in de maag). Ook hier uiteraard afwisseling in steviger en minder stevig. Wat bij klappen en stampen de basis moet vormen is een zekere elegantie: mooie gebaren die ritme en maat tot zijn recht laten komen.

**12 is een mooi, rijk getal. Maar wij leven in een tijd met een tientallig stelsel. De ’10’ is straks- met alle volgende nullen, een belangrijk getal. De tafel bij 10 eindigen is m.i. daarom logischer: je legt al doende de nadruk op dit kerngetal, wat je niet doet als je de 12 neemt. Dat wil niet zeggen dat je met een tafel niet verder kunt gaan dan 10, maar dan kan het ook 13, 14 enz. zijn.

***dankzij het 10-tallig stelsel!

.

2e klas rekenen: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas        tafelsterren

.

521-481

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas – alle artikelen

.

Temperament en rekenen
Pieter HA Witvliet
over: hoe laten de vormtekeningen voor de temperamenten ook de rekenbewerkingen zien; voorbeelden uit de klas.

[]) Temperament en rekenen (1) 
optellen “flegmatisch en cholerisch”

[2] Temperament en rekenen (2)
vermenigvuldigen “sanguinisch en melancholisch”

[3] Temperament en rekenen (3)
delen “cholerisch en flegmatisch”

[4] Temperament en rekenen (4)
aftrekken “melancholisch en sanguinisch”

[5] Oefenen met de 4 rekenbewerkingen
Georg Hofmann:
De 4 bewerkingen door de jaren heen.

[6] Rekenen en wiskunde
Het Binnenste buitenover: wat doe je als je rekent; begripsvorming, vrijheid; de jaren 6-9, beweging; tafels van vermenigvuldiging, maar optel- en aftrektafels uit het hoofd; wat wordt klas 1, 2 en 3 geleerd en de manier waarop; van geheel naar delen; meteen alle 4 bewerkingen.

[7] Rekenen moet leuk zijn
Martin Keller over: schriftelijk rekenen vanaf klas 1 met ‘mooie’, ‘bijzondere’, ‘verrassende’ uitkomsten.

[8] 1e klas rekenen
Elisabeth Klein over het eerste rekenen. Fantasie, ritme, van het geheel naar de delen.

[9] Het eerste rekenen
Johannes Geyer over het eerste rekenen. Van het geheel naar de delen; de 4 rekenbewerkingen vanuit het specifieke geheel; rekenen en morele verantwoordelijkheid; rekenen en waarheidszin; rekenopgaven moeten met het echte leven te maken hebben.

[10] Getal en cijfer in het onderwijs van de 1e klas
Franz Brumberg over het eerste rekenen. De eenheid; tweeheid enz. Voorbeeld van ‘rekenverhalen’ (te ‘heilig’?) Rekenen en geometrische figuren.

[11] Uit de eerste rekenlessen
Elisabeth Klein over het eerste rekenen. Beelden voor de vier rekentekens. Met handen en voeten.

[12] Het eerste rekenen
Rudolf Treichler over het eerste rekenen. Beelden voor de rekentekens; temperament en rekenen; ‘lopen, spreken, denken’ en temperament.

[13] Cijfers leren schrijven
Pieter HA Witvliet
over: n.a.v. van een versje om de kinderen het schrijven van cijfers aan te leren: controleren is belangrijk.

[14] Concreet en abstract
Pieter HA Witvliet
overeen kind neemt de opgave heel concreet en komt tot andere antwoorden dan eigenlijk werd verwacht.
.

Rudolf Steiner over rekenen: alle artikelen

Het boek ‘Rekenen in beweging

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – alle beelden

.

520-480

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas (6)

 

REKENEN EN WISKUNDE

Op de lagere school is rekenen een heel belangrijk vak. De tijd dat een kind ‘bleef zitten’ omdat het een onvoldoende voor rekenen had, ligt nog niet lang achter ons. Deze hoge waardering dankt het rekenen aan het feit dat rekenen en wiskunde de belangrijkste hulpvakken zijn van de natuurwetenschappen en ook in de menswetenschappen een voorname plaats innemen.

Elke beoordeling van de resultaten van het rekenonderwijs is onlosmakelijk verbonden met rekenprestaties.

Dit betekent voor een aantal kinderen dat er tijdens het rekenonderwijs een druk op hen ligt.

In het algemeen kunnen wij stellen dat rekenen en wiskunde vakken zijn, die toch echt bij het kind horen.

Wanneer we rekenen vergelijken met aardrijkskunde, welk vak erop gericht is het kind de wereld te doen kennen; waarbij in de lagere school het uitbeelden van de schoonheid van het geschapene en gewordene grote aandacht krijgt (milieu-problematiek wordt pas later behandeld) wordt dit heel duidelijk.

In tegenstelling tot zulk een vak waarbij men afbeeldt, staan de vakken waarbij men produceert. Tijdens het musiceren bijvoorbeeld leeft de muziek in degene zelf die deze maakt, of hij nu schrijft, vertolkt of improviseert.

Ook rekenen is een vak waarbij men produceert. Er komt niet iets op de mens af, maar alles gebeurt binnen in hem. Het ligt geheel aan mijn eigen activiteit, of ik tot het begrip van het aantal kom als ik een aantal voorwerpen zie. Tellen is op zich reeds produceren van begrippen. De vaste volgorde van de getallenreeks geeft het kind een gevoel van innerlijke zekerheid.
Binnen de getallenrij kan ook een andere ordening worden aangebracht. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het aanleren van de tafels.
Besef van vrijheid in het denken ontstaat door het aanbrengen van een eigen ordening binnen de gegeven orde.

Voor het oproepen van begrippen is innerlijke activiteit vereist. Dit betekent dat het rekenen afhankelijk is van de wil. Aardrijkskunde noemen we een beschouwelijk, beeldend vak; rekenen een wilsvak.
In de aardrijkskunde geeft men zich alle moeite om de lessen levendig te maken. Selma Lagerlöf werd beroemd toen haar dit voor de Zweedse jeugd is gelukt door ‘Niels Holgersson’s wonderbare reis’.

Wanneer men de kinderen laat rekenen, merkt men dat ze enthousiast en bewegelijk worden. Het begint in hen te borrelen. Innerlijke activiteit uit zich. Als vanzelf komen zij overeind van hun stoelen. Rekenen noemen we een dionysisch vak. Dionysos, de wijngod, broer van de hemelse Apollo, brengt de mensen op aarde leven, beweging en vreugde.

Rekenen tussen de tandwisseling en het negende jaar

In de eerste drie klassen verkeert het kind in de wilsmatige periode van de gevoelsfase. Het rekenen geschiedt via het doen, vanuit het bewegingselement.

Als men een kind laat klappen, stampen*, reciteren, ontwikkelt men dit bewegingselement, hiervoor het dionysische element genoemd. Er wordt niets door het individuele kind opgeschreven dat niet eerst gezamenlijk vele malen is gedaan.

Langzaam maar zeker tracht men het kind enig bewustzijn te geven van hetgeen het bewegend in de ‘dionysische roes’ heeft meegedaan. Schrijft het kind de tafel van 3 op, nadat het deze heeft geklapt, gestampt* en gereciteerd, dan ontdekt het daarin met plezier de grote harmonische ritmen in de loop der getallen. Op de juiste wijze opgeschreven blijft het element van schoonheid bewaard. Het gezamenlijke stampen wekt de vreugde voor het rekenen. Dit is het uitgangspunt. Het persoonlijke leren vindt plaats in de stilte van het opschrijven en het zelf ontdekken van de samenhangen.

Leer- en ontwikkelingsdoelen voor de klassen I, II en III
Evenals in de eerste drie jaren van de lagere school elk kind de tijd krijgt zijn taalgebruik te verbeteren, om uiteindelijk te leren op de juiste wijze te spreken, zo ook krijgt het kind de gelegenheid om de wereld der getallen goed te leren kennen.

Er is grote vrijheid van indeling doch men streeft ernaar dat het kind de tafels van vermenigvuldiging van 1 t/m 10 of 1 t/m 12, alsmede de ‘opteltafels’ en de ‘aftrektafels’ ‘uit het hoofd kent’. Het gaat hierbij vooral om het akoestisch geheugen. Men streeft naar kwalitatief en kwantitatief inzicht in de getallen binnen de duizend. Het kind wordt geacht zich binnen de duizend vrij te kunnen bewegen door middel van de vier hoofdbewerkingen.

Klasse I

Leerstof:

—    Ritmische teloefeningen. Tellen tot 100 of verder.
—    Tafels van vermenigvuldiging. Opteltafels en aftrektafels t/m 20 of 24.
—    Het verdelen, eerst tot ongeveer 40, later verder.
—    Rekenen met concrete voorbeelden onder 100.
—    Hoofdrekenen: alle vier hoofdbewerkingen tot rond 100.
—    Cijfers. De Romeinse cijfers als introductie voor het noteren van getallen (deze hebben nog beeldkarakter). Direct aansluitend de gewone Arabische cijfers. Op de Romeinse cijfers kan men terugkomen als de klok behandeld wordt.

Werkvormen:

—    Klassikaal wordt er ritmisch klappend, huppelend en springend geteld.
—    Vanuit het tellen worden klappend en lopend de ritmische getallenreeksen van de eerste tafels van vermenigvuldiging ontwikkeld. Een begin wordt gemaakt met het ritmisch uit het hoofd leren van die tafels, evenals van de optel- en aftrektafels.
—    Het verdelen wordt door de leerkracht gedemonstreerd met papiersnippers of kastanjes. Daarna zijn vele werkvormen mogelijk. Een kind gaat met een mandje rond en deelt uit wat er in zit, terwijl de klas meeleeft. Ook kunnen kinderen ieder voor zich een eigen hoeveelheid kastanjes of bonen verdelen. Dit gebeurt, zowel volgens een opgave van de leerkracht als vrij.

—    Het rekenen met concrete voorbeelden onder 100 heeft als aangrijpingspunt de vier hoofdbewerkingen en hun samenhang met de vier temperamenten. Het geschiedt klassikaal, in temperamentsgroepen en individueel. In hoofdzaak is het een mondeling gebeuren.

—    Hoofdrekenen: het globale hoofdrekenen met vingers, sommen in vertelvorm. Een begin van het échte hoofdrekenen, zonder vingers, zonder voorbeelden, puur het van binnen vasthouden van de rode draad. Klassikaal in koor, langzaam naar het individuele toewerkend.

—    Cijfers. De Romeinse cijfers worden mooi opgeschreven met waskrijt**.

Wanneer men met de klas reeds over de getallen gesproken heeft:
‘Waarvan is er maar één op de hele wereld?’
‘Waarvan zijn er twéé, altijd twee, die bij elkaar horen maar niet hetzelfde zijn?, ‘Weten jullie waarvan er drie zijn?’ kan men de antwoorden naast de Romeinse cijfers laten tekenen. Naast de één bijvoorbeeld de zon. Zo’n klassengesprek kan men vaak herhalen. Het is niet de bedoeling de getallen snel af te werken. Dit thema blijkt een eerste klas bijzonder te boeien en te bevredigen. In het geheel van de ochtend is dit het apollinische slot van de dionysische les.

Aan het eind van het jaar kunnen tafels en eenvoudige sommen in Arabische cijfers worden geschreven.

In de eerste plaats willen we door middel van de leerstof het kind begeleiden in zijn ontwikkeling.

Bij de rekenlessen probeert de leerkracht een sfeer te scheppen waarin datgene leven kan dat volgens hem de essentiële betekenis van het rekenen voor de kinderen inhoudt.

Zijn stemming is vrolijk, feestelijk, vrijheidslievend, met toch iets van geheimzinnigheid. Bovenal tracht hij vol humor te zijn, beweeglijk en behulpzaam.

Hij is voorzichtig met de begrippen ‘fout’ en ‘goed’.

Wacht even: Heb jij dat getal gevonden? Laten wij samen eens kijken? Even rekenen… heb jij dat ook? Ja?… en dan dat getal? Nu komen we uit op het getal dat de anderen ook hebben. Je hebt het gevonden!

Hoe vrolijk het ook toegaat, als het goed is gebeurt dit wat de leerkracht betreft vanuit een soort filosofische vreugde.

Steiners kennistheorie geeft aan dat het omvattende begrip als eenheid primair in het bewustzijn aanwezig is. Bij een som als 5 + 7 = 12 is dus twaalf geen nieuw begrip doch het begrip dat reeds aanwezig was als omvattende eenheid van 5 + 7. De kinderen weten dat dit begrip hoeveelheid er is.

Zij moeten het alleen nog als 12 benoemen. In overeenstemming met deze filosofie wordt bij alle sommen aanvankelijk uitgegaan van het geheel. Bij het optellen vanuit de som, bij aftrekken vanuit het verschil, bij vermenigvuldigen en delen vanuit respectievelijk het product en het quotiënt.

Benadert men de vier hoofdbewerkingen vanuit deze overtuiging dan is men niet zozeer verbaasd als wel bijzonder dankbaar dat de kinderen bij deze wijze van rekenen de sommen zo gemakkelijk bevatten.

De vier hoofdbewerkingen worden vrijwel gelijktijdig aangeleerd, omdat zij evenzeer een totaliteit vormen als het viertal temperamenten. De leerkracht is erop bedacht het kind in zijn eigen aard tegemoet te komen door het aanvankelijk te laten rekenen in de rekenvorm die bij zijn temperament past.

Bij alle nieuwe leerstof is het begin gemeenschappelijk en een appèl aan het bewustzijn. De stof wordt dan enkele malen in pure vorm gebracht. Daarna introduceert de leerkracht het spelelement.

Bij het rekenen met concreta (hoopjes papiersnippers***, kastanjes e.d.) wordt veel van de aktiviteit van het verdelen uitgegaan. Het gevende gebaar werkt diep op de kinderen in en maakt ze later minder egoïstisch. Het nemende gebaar van het optellen komt niet op de eerste plaats.

Door zich te verdiepen in de wereld der getallen kan de leerkracht enthousiast worden voor het vak rekenen. Dit enthousiasme draagt ertoe bij dat ook de kinderen bijzondere vreugde ondervinden bij het lopen, klappen, stampen, in koor reciteren en bij het doen van kleine ontdekkingen tijdens het schriftelijk werk. Op deze stroom van vreugde wordt het praktisch rekenen (markt, openbaar vervoer) eenvoudigweg meegenomen.

Iets uit de eerste klas

Het verdelen wordt gedemonstreerd
De rekenlessen hebben een vrolijk en feestelijk karakter. Enerzijds heeft de leerkracht iets over zich waardoor de kinderen aanvoelen dat het gebied dat gezamenlijk betreden wordt vele geheimen in zich bergt, anderzijds spreekt de leerkracht er in de eerste les al over hoe belangrijk het rekenen is voor het werk van de volwassenen. Hij noemt eenvoudige voorbeelden, zoals het naaien van kleren en omvangrijke prestaties zoals het bouwen van bruggen. ‘Wij leren rekenen zodat jullie later net zoals de volwassenen en jullie ouders en andere mensen in de wereld kunnen werken.’

Nadat het feit dat de kinderen zullen leren rekenen ongeveer op bovengenoemde wijze in de volle aandacht is geplaatst, wordt direct met de zaak zelf begonnen.

Rekenen is een musisch vak dus men zou denken dat de kinderen meteen beginnen te klappen, huppelen enz. Dat zal in de toekomst zeer zeker gebeuren. Alleen de eerste lessen maken daarop een uitzondering.

Welk vak ook, het begin is altijd een appèl aan het bewustzijn van de kinderen. Iets belangrijks, iets dat in ’t gewone doen, ‘boven hun petje’ gaat wordt dan verteld.

De leerkracht neemt een stuk papier, laat het de kinderen zien en verdeelt het in 24 snippers.*** ‘Kijk, kinderen, dat noem ik nu 24 papiersnippers. Hier heb ik het opgeschreven.’ (hij heeft duidelijk 24 op het bord gezet). ‘Nu neem ik een aantal snippers weg en leg ze op een stapeltje, hier maak ik nog een stapeltje, hier een derde en daar een vierde. Van 24 papiersnippers heb ik vier stapeltjes gemaakt. Kijk: nu tel ik, dat kun jij nog niet, ik kan het, en dat, wat daar op het ene stapeltje ligt noem ik negen, wat op het tweede ligt noem ik vijf papiersnippers, wat op het derde ligt, noem ik zeven papiersnippers en wat op het vierde stapeltje ligt noem ik drie snippers. Zie je, eerst had ik één enkele stapel: 24 snippers, nu heb ik vier stapeltjes, 9, 5, 7 ,3 snippers. Dat is precies hetzelfde papier. De ene keer, wanneer ik het bij elkaar heb, noem ik het 24, nu heb ik het over 4 stapeltjes verdeeld en noem het de ene keer 9 ,dan 5, dan 7 en dan 3 papiersnippers.’ (Rudolf Steiner — Methodisch- Didaktisches, eerste hoofdstuk).[1]

De leerkracht zegt dan: ’24 papiersnippers zijn samen 9 en 5 en 7 en 3. Op deze óf overeenkomstige wijze — bijvoorbeeld met een hoopje bonen —- leren de kinderen optellen vanuit het geheel.
In de praktijk blijkt dat de kinderen hun oren spitsen als het zo toegaat en dat zij de zaak in principe duidelijk begrijpen.

Zie voor de 4 hoofdbewerkingen: temperament en rekenen

Sommen in vertelvorm
De vier hoofdbewerkingen worden niet in de volgorde + – x : behandeld. Zij worden al direct in de begintijd alle vier gezamenlijk behandeld.
Immers elke hoofdbewerking biedt de mogelijkheid om een kind met een bepaald temperament een toegang tot het rekenen te verschaffen.

Als het principe begrepen is volgen er sommen met fantasie.

Voor de flegmatische groep bij voorbeeld over Winnie de Pooh en zijn voorraad honingpotjes. Hij heeft er twaalf en zet ze nu eens anders neer op de twee plankjes in de kast. Het regent toch buiten! Op het ene plankje staan er 6, op het andere? Dat gaat hij nu veranderen. 2 op het ene en op het andere? Enz.

Nu is het avond. De ezel lejoor loopt naar buiten in de donkere nacht. Hij heft zijn kop op en ziet zeven sterren! ‘Zeven,’ herhaalt hij bedachtzaam. Nogmaals kijkt hij omhoog. Hij ziet nog maar twee sterren stralen! Een wolk heeft de andere bedekt. Hoeveel sterren zijn achter de wolk? Het is wel belangrijk dat te weten. Piekeren… ja! 5 zijn er weg! Deze en dergelijke opgaven zijn in de eerste plaats gericht tot de melancholische groep.

Janneman Robinson schildert paaseieren. Hij heeft er 24. Hoeveel mandjes met 3 eieren kan hij maken? Een sanguinische opgave.

Janneman Robinson geeft een feest voor al zijn dieren: Poeh, Knorretje, lejoor, Kanga en Roe, Konijn en Uil. Ieder wil hij drie roze gebakjes met suiker voorzetten. Als hij voor zes dieren drie gebakjes nodig heeft, hoeveel moet hij er dan hebben om uit te delen? Dit vraag ik het eerst aan de cholerische groep.

De sommen worden mondeling klassikaal behandeld. Ik zorg er echter voor dat ik me ‘opzettelijk’ eerst tot een bepaalde groep wend. Zowel hierdoor als door de aard van de opgave gaan deze kinderen direct rekenen.

Als we een halfuurtje zo samen gerekend hebben mag de klas tenslotte in een tekenschrift een paar ‘sommen’ tekenen. (Zonder cijfers dus, alleen met tekeningetjes.)

Twee tafels
De tafel van 3: fluisterend 1, 2, luid 3, bijna onhoorbaar 4, 5, luid 6. Deze tafel van drie leent zich eigenlijk beter voor dit procédé dan de tafel van 2. Een anapest lopen is een veel harmonischer beweging dan de jambe met de stamp altijd op hetzelfde been. De leerkracht begint met de muzikale tafel van 3:

1       –      2      –      3

4      –      5      –      6

7-8-9

Dit is geen driekwartsmaat. In dat geval zou de klemtoon op de 1, 4 en 7 vallen. Het wordt op een natuurlijke wijze een vierkwartsmaat. Een fluit er bij, de leraar speelt een wijsje dat zich daartoe leent, en de volgende dag neuriën de kinderen mee:

een                    twee                  drie

vier                   vijf                    zes

zeven                acht                   ne-                    gen

tien                   elf                     twaalf,                                        gelopen als anapest.

En nu de tafel van 2. Die tafel is veel eenzijdiger. Ze heeft iets eigenzinnigs:

1,2            3,4       5,6         7,8        9,10
11,12     13,14   15,16     17,18      19,20

Altijd weer die 2, 4, 6, 8, 0. Net zo eigenwijs als een straatmus: 2, 4, 6, 8, 10. De leerkracht hipt een eindje door de klas, even wachten, rondkijken: 12, 14, 16, 18, 20. Een paar kinderen mogen meehippen, 22, 24, 26, 28, 30. Kijk, één kind hipt een heel andere kant uit, zoals het in zijn eigenwijze mussenkop opkomt. Voordat je het weet hippen ze de honderd af.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*Je leest soms wel eens:  ‘hard’ stampen. ‘Hard’ moet volgens mij opgevat worden als: ‘intensief, we zijn flink aan het werk’; wat het geluid betreft: er moet ook zachtjes worden geklapt of slechts met de vingers in de handpalm e.d. Wat het stampen betreft: vooral niet ruw (dat dringt zelfs te veel door tot in de maag). Ook hier uiteraard afwisseling in steviger en minder stevig. Wat bij klappen en stampen de basis moet vormen is een zekere elegantie: mooie gebaren die ritme en maat tot zijn recht laten komen.

**Het waskrijtblokje is m.i. niet om mee te schrijven. Het is te klein voor de fijne motoriek van het schrijven; het is ook bedoeld om te tekenen en moet eigenlijk op een speciale manier worden vastgehouden – zoals je je vingers op de gaatjes van een blokfluit hebt. Bovendien en dat geldt bijna nog meer voor het waskrijtstiftje, ‘stroopt’ dat over het papier en remt de schrijfbeweging. Ik weet het uit ervaring, want ik heb een keer met beide bij het schrijven gewerkt. Later ben ik overgestapt op het dikke kleurpotlood. Je hebt hiermee ook meteen gelegenheid vanaf het prilste begin het op de juiste wijze vasthouden van het potlood aan te leren.

***Wanneer Steiner iets uitlegt over het rekenen gebruikt hij ook wel papiersnippers en vlierbesjes. Beide lijken mij niet echt handig. Papiersnippers waaien overal heen en vlierbesjesrollen weg en worden op de grond vertrapt. Kastanjes zijn heel geschikt (wél verzamelen in de herfst als je er later in het jaar nog mee wil rekenen en niet te lang laten liggen – of goed droog opbergen – want ze gaan schimmelen). Grotere knopen, grindjes enz.
Als bijkomstigheid: Steiner wees er ooit eens op dat je voor de klas niet zo maar ‘nuttige’ voorwerpen ‘kapot’ moet maken. In concreto ging het om een krijtje dat je niet zou moeten breken (wat je vaak doet als het zo akelig krast).
Ik deed dat eens, waarop een meisje ‘geschokt’ uitriep: ‘O, meester breekt een krijtje!’ De ‘stukjes’ kun je natuurlijk ook knippen – dat is toch een ander gebaar.

[1] vertaald: 

.

!e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beweging: 1e klas

.

519-480

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (36)

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

PASEN EN DE GEUR VAN MIRRE

Judas Iskariot was vermoedelijk een van de meest toegewijde discipelen van Jezus. Hij was de enige Judeër in het gezelschap dat verder uitsluitend bestond uit Galileërs. Het landschap drukt een stempel op de mensen die er wonen.

Judea is droog, heet en bergachtig. Het leven is er moeilijker dan in Galilea, de landstreek rondom het meer van Genesareth, waar alles groen is en bloemen weelderig bloeien. Judeërs waren stugger van aard, orthodoxer van geloof en meer patriottisch ingesteld. Ze haatten de Romeinen die Israël bezet hadden en leefden in verwachting van de komende Messias. Deze zou het land bevrijden en als koning regeren met wijsheid en rechtvaardigheid, zoals door de grote profeet Jesaja was voorzegd (Jes. 11:10).

Ook Judas leefde met dit verwachtingspatroon. Jezus was voor hem de komende Messias. Judas was pen­ningmeester van de kleine commune (Joh. 13:29). Dat was echter geen eenvoudige taak, want inkomsten waren er weinig en Jezus, de baas van de commune, hechtte niet aan materieel bezit (Matt. 10:9). Judas moest dus als penningmeester naar alle
waarschijnlijk­heid het ene financiële gat met het andere zien te stoppen. Maar hij had het er voor over want alles wees erop dat de po­pulariteit van de wonderdoende rabbi Yeshua, die later door de Romeinen Jezus genoemd zou worden, steeds meer toe­nam.

Vooral nadat Jezus aan de oever van het meer van Genesareth (of Galilea) enige duizenden mensen te eten had gegeven door vijf broden en twee vissen zodanig te vermenigvuldigen dat er voor iedereen genoeg was en er nog twaalf manden vol brood en vis overbleven. De menigte wilde de grote profeet Je­zus toen zelfs met geweld meevoeren om hem koning te ma­ken (Joh: 6:14-15).

Maar Jezus ontvluchtte de mensenmassa. Telkens als de gelegenheid daartoe politiek gunstig was, trok Jezus zich terug en deed geen greep naar de macht. Dit moet Judas zeer gefrustreerd hebben.

Maar het breekpunt bij Judas kwam kort voor het paasfeest van het jaar 33. Jezus was met zijn discipelen uitge­nodigd door een zekere Simon, bijgenaamd ‘de Melaatse’, een lid van de vooraanstaande religieuze sekte der Farizeeën. Vermoedelijk wilde deze Simon, zonder al te veel op te vallen, eens te weten komen wat de rondtrekkende leraar nu eigen­lijk te vertellen had. Daarom bood hij de kleine commune een eenvoudig dineetje aan in het eethuisje van Lazarus en diens zusters Martha en Maria. Het hotelletje annex restaurant stond een uurtje lopen buiten Jeruzalem in het dorpje Bethanië, dus dat viel niet zo op.

Martha kookte en Maria serveerde de maaltijd. Vrij zeker hadden Martha en Maria méér in de aan­bieding dan eten, drinken en een slaapplaats. Waarschijnlijk kon de hotelgast ook met ze naar bed. De evangelist Lucas vertelt dat Maria be­kend stond als ‘zondares’ (Luc. 7:37), een bijbelse manier om een prostituee aan te duiden.

Jezus was met Lazarus en zijn zusters zeer bevriend. Onver­wacht komt Maria, tijdens de maaltijd weer binnen. Ze draagt een albasten kruik met een kostbaar parfum, nardusmirre, en giet die uit over Jezus. Ze huilt daarbij zo erg, dat haar tranen op de voeten van Christus vallen. Ze droogt die af met lange zwarte haren. Niemand begrijpt deze bizarre scène, vindt het ongepast.

Alleen Jezus beseft feilloos de diepere drijfveren van Maria die met haar opvallende gebaar de man wil eren die in haar méér ziet dan eten, drinken en warm vrouwenvlees, Het was een kostbare geste, de fles van Maria bevatte één pond nardusmirre, een uiterst duur parfum. De verontwaardigde Judas schatte de waarde van de kruik op driehonderd schellingen (Joh. 12:5), en dat was in die tijd het jaarinkomen van een landarbeider.

De tegenwoordige waarde zou ongeveer twintigduizend gulden bedragen. Maria, de serveerster uit Bethanië, schreef wereldgeschiedenis met haar grandioze gebaar. Maar de kleinburgerlijke discipelen zagen slechts de verspilling van veel geld.

Voor Judas was daarmee de maat vol. Hij had jarenlang in uiterste soberheid moeten leven voor een baas die de Messiaanse verwachtingen nooit waarmaakte. Hij had gewoon achter de verkeerde profeet aangelopen die zich à raison van twintigduizend gulden liet parfumeren door een horeca-sekspoes uit Bethanië.
Hij ging naar de hogepriester en vertelde hem de geschiktste tijd en de beste plaats om de ‘Profeet van de armoede ‘geruisloos te kunnen arresteren. Judas kreeg voor zijn informatie dertig zilverlingen, die een huidige waarde van 84.000 gulden vertegenwoordigt.
Mogelijk wilde Judas zijn besluiteloze chef voor het blok plaatsen en hem als het ware dwingen nu eens krachtige maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door het arrestatieteam te vernietigen, de Romeinen te verslaan, Israël te bevrijden en het rechtvaardige koninkrijk te vestigen. Per slot van rekening wist Judas bliksems goed dat de alternatieve rabbi Jezus over bijzondere gaven en krachten kon beschikken.

Maar het liep anders dan Judas zich had voorgesteld. Het establishment uit die tijd, gevormd door de vooraanstaande Farizeeën en Sadduceeën haatten Jezus intens onder meer omdat hij hun hypocriete levenshouding haarscherp doorzag en in het openbaar genadeloos bekritiseerde (Matt. 23:1-39). En zijn grote populariteit bij het gewone volk was een bedreiging voor hun positie.

Zodoende werd Jezus in het geheim gearresteerd en haastig in de nacht tijdens een schijnproces ter dood veroordeeld. Hij deed niets terug en verdedigde zich niet eens tegen de bizarre beschuldigingen. Judas realiseerde zich spoedig dat hij de vergissing van zijn leven had gemaakt en bracht de dertig zilverstukken ijlings terug bij de hogepriester. Die hadden echter aan Judas geen boodschap meer. De ongelukkige penningmeester was slechts een pion op hun politieke schaakbord geweest en dat maakten ze ook wel heel duidelijk (Matt. 27:4). Op dat moment viel de bodem uit Judas’ bestaan. Hij wierp het geld voor de voeten van de priesters, rende weg en pleeg­de zelfmoord door zich op te hangen aan een boom in Gehinnom de vuilstortplaats van Jeruzalem. Hij stierf als een diep ongelukkig mens in het besef een vreselijke en onherstelbare beoordelingsfout gemaakt te hebben.

Daar in die tijd de Joodse overheid niet gerechtigd was een doodvonnis te bekrachtigen of uit te voe­ren, moest de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus in het proces tegen Jezus de eindbeslissing nemen. Hij begreep niets van de verwarde beschuldigingen waar het Sanhedrin, de Joodse raad, mee kwam aanzetten en verklaarde Jezus voor onschuldig (Luc. 23:14-15).
 

Maar Pilatus ging door de knieën voor de chantage van de op bloed beluste menigte op het plein voor zijn bureau. Ze zou­den hem aanklagen bij keizer Tiberius als hij niet meewerkte. Die menigte was niet representatief voor het grootste deel van het Joods volk dat vijf dagen tevoren de wonderbaarlijke
pro­feet met groot enthousiasme in Jeruzalem welkom had gehe­ten toen hij gezeten op een ezeltje, de stad kwam binnenrij­den.

Welk fatsoenlijk mens staat ’s ochtends bij zonsopgang voor een militair politiebureau om de dood van een onschuldige te eisen? Niemand toch? Het was hetzelfde soort raddraaiers dat men ook tegenwoordig overal in actie kan zien waar bloedige rellen worden uitgelokt, dat toen stond te krij­sen: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.” Dit holle gebrul van een hersenloze menigte werd een tekst in het evangelie van Mattheüs. Deze ene zin in Matt. 27:5 werd het meest dodelijke gif dat ooit in druk is verschenen. Het werd een vrijbrief voor meer dan negentien eeuwen verwoestend anti-semitisme.

Pilatus deed vermoedelijk nog een laatste poging om Jezus’ le­ven te redden. Hij liet hem geselen en stelde hem ten toon in de hoop dat de aanblik van het kapotgeslagen, bloedende slachtoffer de menigte emotioneel zou vermurwen. Het moet inderdaad een deerniswekkend beeld opgeleverd hebben. Na een geseling met Romeinse zwepen die lange, dunne leren rie­men hadden waaraan loden kogeltjes of schapenbotjes waren geregen, had de veroordeelde meestal geen huid meer op zijn rug over en stroomde het bloed langs de benen naar beneden.

Pilatus’ idee had geen succes. En even later strompel­de Jezus met twee andere veroordeelden door de kronkelige straten van het oude Jeruzalem naar Golgotha. De afstand was niet erg groot. Ongeveer zeshonderd meter. Maar op de kapotgeslagen schou­ders van de gevangenen lag de veertig kilogram wegende dwarsblak van het kruis waaraan zij gehangen zouden worden. Hun armen waren met touwen aan die dwarsbalk, ‘patibulum’ genaamd, vastgemaakt, zodat ze hun gezicht niet konden be­schermen als ze struikelden en vielen op het onregelmatig plaveisel van de Via Dolorosa.

De verticale palen van de kruisen stonden reeds op de executieplaats stevig in de grond. Die palen stonden daar altijd al omdat kruisigingen door de Romeinen vaak werden uitgevoerd. Jezus heeft dus nooit zijn kruis gedragen. Dat was ook niet te tillen geweest. Dat woog ongeveer 150 kilo. De veertig
kilo wegende dwarsbalk was al zwaar genoeg,
Op Golgotha aangekomen werden de balken op de grond gelegd. De veroordeelden moesten er met hun kapotgeslagen schouders dwars op gaan liggen. Hun armen werden wijd gespreid. Soldaten sloegen door iedere pols een vijftien centimeter lange, vierkante spijker tot diep in de balk. Het bloedverlies was gering maar de pijn was ondraaglijk omdat door de pols een belangrijke zenuw loopt, die bijna altijd werd geraakt.
Daarna tilden de soldaten de balken op en de veroordeelden werden in staande houding ruggelings tegen de verticale palen geplaatst.
Vervolgens tilden de soldaten de dwarsbalken met daaraan de vastgespijkerde veroordeelden een klein stukje omhoog en zetten dan de balk vast op het uiteinde van de staande paal die ‘stipes’ werd genoemd. De knieën van de veroordeelden werden gebogen, de voeten over elkaar met de voetzolen tegen de stipes gedrukt, waarna een derde spijker, die meer dan 25 centimeter lang was, dwars door beide voeten in de staande paal werd geramd, Zo hing dan om negen uur in de ochtend Jezus van Nazareth tussen twee andere mannen, ieder aan drie spijkers. Het langzame sterfproces begon.
Een gekruisigde hing met zijn volle gewicht aan de twee vierkante spijkers door zijn polsen. De pijn was onvoorstelbaar. Bovendien zakte het lichaam door de zwaartekracht naar beneden waardoor de strak gespannen armspieren de borstkas in een maximale inademingsstand trokken. Hierdoor ontstond ademnood. Om weer goed te kunnen uitademen moest het slachtoffer zich afzetten op de voetspijker. Zo kon hij zijn knieën een beetje strekken, zijn armen en borstkas ontlasten en even ademhalen. Maar de pijn in zijn voeten was zó verschrikkelijk dat hij spoedig weer naar beneden zakte, waardoor hij weder­om aan zijn polsen kwam te hangen. Tot ook dat weer on­draaglijk werd. Zo bewoog de gekruisigde zich moeizaam op en neer, geteisterd door vlammende pijnen, heftige ademnood en verscheurende spierkrampen. De kapotgegeselde rug werd daarbij door het ruwe hout van de stipes voortdurend opengeschuurd.

De lichaamstemperatuur steeg snel boven de veertig graden Celsius. Zweet stroomde uit alle poriën. Er ontstond heftige dorst, nog verergerd door de meestal brandende zon. De bio­chemische samenstelling van het bloed veranderde en het hart begon het op te geven. Hierdoor liepen de longen vol met vocht zoals bij een ernstig zieke hartpatiënt. Tenslotte stierf de uitgeputte gekruisigde na een ontzettende doodstrijd die vele uren kon duren.

Als het naar de mening van de Romeinse beulen te lang duur­de, werden de onderbenen van de stervende met een soort ij­zeren honkbalknuppel (het zgn. crurifragium – benenbre­ker) kapotgeslagen.

Daardoor kon de gekruisigde zich niet meer omhoogdrukken en stierf hij binnen een kwartier aan verstikking, pijn en bloedverlies in de verbrijzelde benen. Jezus stierf op vrijdag 23 april om drie uur ’s middags.* Hij had zes uur lang gevochten voor wat lucht in zijn langzaam vollo­pende longen. Zijn twee lotgenoten hielden het langer vol. Daarom werden hun onderbenen aan het einde van de dag met het crurifragium verbrijzeld. Bij Christus hoefde dat niet, want hij was reeds gestorven.

Uit het drama van Golgotha heeft zich een nieuwe religie ontwikkeld, het christendom. Een religie waar Christus zelf nooit van heeft afgeweten, want hij stierf als een vrome jood. Doch die religie heeft wel geleid tot een spanningsveld tussen christenen en het volk van Jezus zelf. Dit verschil in inzicht heeft, samen met de tekst in Mattheüs, miljoenen Joodse medemensen het leven gekost. En tot in onze tijd heeft het leeghoofdig gebrul van de raddraaiers voor het Romeinse bureau in Jeruzalem de unieke boodschap overstemd die Jezus van Nazareth ons na bijna tweeduizend jaar nog steeds te bieden heeft. Het is een geschenk van het volk Israëls, een religieuze filosofie, berus­tend op een uniek godsbeeld als drijvende energie in het uni­versum, als scheppende kracht, als bron van alle leven en als ethische maatstaf van het menselijk bestaan. Een boodschap die in onze herinnering blijft hangen als de bitterzoete geur van kostbare nardusmirre.

(Prof.dr.B.Smalhout, De Gelderlander 02-04-1998)

Als reactie op dit artikel volgde nog:

Wat prof. B. Smalhout in de Bijlage van de Gelderlander van 2 april schrijft over de motieven van Judas om Jezus te laten arresteren door de geestelijke autoriteiten en over de fysieke pijnen van Jezus tijdens zijn sterven aan het kruis, is plausi­bel.

Wel moet ik protest aantekenen tegen de manier waarop hij in de derde en vierde alinea van het artikel de gegevens van de vier evangeliën door elkaar husselt. Met name de tegenstrijdigheden bij de zalving, waar Smalhout het over heeft, maken dat duidelijk. Er zijn drie verschillende gasthe­ren: bij de evangelist Johannes is dat Lazarus, bij Lucas een fari­zeeër en bij Matteüs en Marcus was het Simon de melaatse. Bij Johannes en Lucas worden de voeten van Jezus gezalfd, bij Matteüs en Marcus zijn dat de haren. En dan de vrouw: bij Jo­hannes is dat Maria, de zus van de respectabele Lazarus, bij Lu­cas is het een zondares, bij Mat­teüs en Marcus een anonieme vrouw. Wie hier een historische gebeurtenis zou willen recon­strueren, komt er niet uit. Iedere evangelist had zijn eigen bedoe­lingen en invalshoek. Wij zijn het onzorgvuldig om­springen met teksten, zoals dat in vroeger eeuwen gebeurde, ontgroeid. We kunnen niet zeg­gen dat gastheer Simon de me­laatse Jezus mee uit eten nam in het eethuisje van Lazarus. In de evangeliën waarin Simon ge­noemd wordt, komen Lazarus en zijn zusters niet voor. Verder is het absoluut uit de lucht gegre­pen om van Lazarus een hotel­houder te maken. Maria, de zus van Lazarus (evangelie van Jo­hannes), mag niet geïdentifi­ceerd worden met de zondaars uit Lucas, waarvan we trouwens de naam niet weten.

Deze opmerkingen tasten de strekking van het betoog van Smalhout echter niet aan. Hij maakte alleen maar een extra excursie, waarop hij verdwaalde.

Het is goed de lezers even de weg terug te wijzen.

(Ineke Wackers, theologe, Nijmegen)

*zie Pasen [35]

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

518-479

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (35)

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

.

ASTRONOMEN TWISTEN OVER DATUM VAN KRUISIGING

Dat de datum van Pasen iets met sterrenkunde te maken heeft, is vrij algemeen bekend. Volgens eeuwenoude kerkelijke regels wordt Pasen gevierd op de eerste zon­dag na de eerste volle maan na het begin van de lente. De astronomische lente begint op het moment dat de zon van zuid naar noord over de evenaar be­weegt. Dat gebeurde dit jaar* op 21 maart om twee minuten over vier ’s morgens. Vandaag*, op 30 maart, is het volle maan (om precies te zijn: vanmorgen om 8.17 uur), en eerste paasdag valt dus op zondag 31 maart*.

Feestdagen als Hemelvaart en Pink­steren zijn gekoppeld aan de paasdatum, en worden indirect dus ook door de maanstand bepaald. En zelfs de winter­sport wordt op die manier door de ster­ren geregeld: een vroege Pasen bete­kent een vroege voorjaarsvakantie.

Astronomen proberen er nu achter te komen wanneer het ‘eerste’ paasfeest is gevierd, dus wanneer Jezus uit het graf verrees. Omdat wetenschappers niet zo goed raad weten met wonderen, geven ze er de voorkeur aan om niet over de opstandingsdatum te praten, maar over de kruisigingsdatum. Met andere woor­den: wanneer was het voor het eerst Goede Vrijdag?

In wezen is dat natuurlijk voer voor historici, hoewel de grote Engelse
na­tuurkundige Isaac Newton zich er al mee bemoeide: hij was van mening dat de kruisiging zich op 23 april in het jaar 34 voltrok. Het moet in elk geval tussen de jaren 26 en 36 zijn geweest, de perio­de waarin Pontius Pilatus landvoogd van Judea was. En omdat de kruisiging volgens de Bijbel plaatsvond in de mid­dag die voorafging aan de sabbat, moet het een vrijdag zijn geweest.

Bovendien was het de dag van het oude joodse Paschafeest, of misschien de dag daarvoor. Dat feest werd altijd op de 14e en de 15e van de joodse maand Nisan gevierd. Met al die gegevens lijkt het niet zo’n klus om de juiste kruisi­gingsdatum te achterhalen.

Het probleem is echter dat de joodse kalender, net als de huidige islamitische kalender, gebaseerd was op de maan. Een nieuwe maand begon op de dag waarop de jonge maansikkel voor het eerst in de avondschemering gezien kon worden, dus een of hooguit twee dagen na nieuwe maan. Achteraf is voor een bepaald jaar moeilijk precies vast te stel­len op welke dag de maand Nisan begon: op welk moment was de maan voor het eerst zichtbaar?

Historici hadden de hulp van astrono­men nodig. De Amerikaanse sterren­kundige Bradley Schaefer ontwikkelde een computerprogramma waarmee voor elke plaats op aarde en voor elke datum in verleden of toekomst de zicht­baarheid van de maan berekend kan worden. Schaefer hield daarbij reke­ning met de meest uiteenlopende na­tuurkundige, meteorologische en fysio­logische effecten, zoals absorbtie van licht in de dampkring, verstrooiing aan stofdeeltjes, en de contrastgevoeligheid van het menselijk oog.

Op die manier kon hij achteraf bepa­len op welke dagen de joodse maanden moeten zijn begonnen. En daarmee konden ook de twee meest waarschijnlijke kruisigingsdata worden achterhaald: 7 april in het jaar 30 en 3 april in het jaar 33.

De Britse astronomen C. Humphreys en W. Waddington gaan nog een stap verder. Zij zijn ervan overtuigd dat 3 april 33 de gezochte datum is. Op die dag deed zich namelijk een maansverduiste­ring voor die vanuit Jeruzalem zicht­baar was. In de evangeliën van Mattheus, Marcus en Lucas wordt melding gemaakt van „duisternis over het gehele land, van het zesde tot het negende uur”

Lucas spreekt zelfs expliciet van een zonsverduistering, maar dat is onmogelijk**. Een zonsverduistering treedt op wanneer we de maan voor de zon langs zien schuiven. Dat kan alleen bij nieuwe maan gebeuren. De joodse maanden begonnen zoals gezegd altijd rond nieuwe maan, dus op de 14e of de 15e van de maand was het juist volle maan. Volgens Humphreys en Waddington slaan de Bijbelpassages op een maansverduistering. Maansverduisteringen treden op hij volle maan en kunnen inderdaad enkele uren duren.

Schaefer is echter niet onder de indruk van de theorie van de twee Britten. De maansverduistering van 3 april 33 was een gedeeltelijke verduistering, die bovendien bijna afgelopen was toen de maan opkwam, aldus Schaefer. Wie er niet speciaal op lette, zal er niets van gemerkt hebben, zo betoogde hij vorig jaar* in de Ouarterly Journal of the Royal Astronomical Society.

Maar Humphreys en Waddington lie­ten zich niet zo maar uit het veld slaan. Een paar maanden geleden publiceerden zij in het wetenschappelijke tijdschrift Nature een reactie op het artikel van Schaefer. Die zou er bij zijn bereke­ningen van zijn uitgegaan dat Jeruzalem 450 meter boven de zeespiegel ligt. Maar, zo schreven de twee Britten, de oude stad ligt op een gemiddelde hoogte van 775 meter, en dat maakt een flink verschil voor de zichtbaarheid van hemelverschijnselen laag boven de hori­zon.

Bovendien baseerde Schaefer zijn conclusies op eigen waarnemingen van een maansverduistering vanuit de stad Washington. „Wij geloven niet dat de zichtbaarheidscondities in het oude Je­ruzalem en in het moderne Washington met elkaar vergeleken kunnen wor­den”, aldus Humphreys en Wadding­ton.

Dat de verduistering al bijna was afge­lopen toen de maan opkwam, wil er bij hen ook niet in. Om het opkomsttijdstip van de maan in het verre verleden te berekenen, moet je precies weten in welke mate de aardrotatie in de afgelo­pen eeuwen is vertraagd. Op basis van de meest nauwkeurige bepalingen van die vertraging concluderen Humphreys en Waddington dat de maan ongeveer voor de helft was verduisterd toen zij op 3 april in het jaar 33 boven de horizon van Jeruzalem verscheen.

Voorlopig lijkt het laatste woord nog niet gezegd over de kruisigingsdatum. Op zichzelf heeft het vraagstuk natuur­lijk ook weinig wetenschappelijke waarde, evenals de vraag naar de moge­lijke sterrenkundige verklaring voor de Ster van Bethlehem die volgens het Mattheüsevangelie de geboorte van Je­zus aankondigde. Maar het idee dat zo­wel de geboorte als de dood van Jezus door opmerkelijke hemelverschijnselen werd gemarkeerd, spreekt sommige sterrenkundigen kennelijk toch aan, hoe weinig ze ook ophebben met astrologie.
.

(Govert Schilling, nadere gegevens onbekend)

*de datum van dit artikel is onbekend
** zie Pasen (34) waarin Knijpenga ook spreekt over een maansverduistering.

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

517-478

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (34)

.
Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

 

DISCUSSIE OVER EEN VASTE PAASDATUM

In de jaren ’70 van de vorige eeuw was er een discussie over het vastzetten van de paasdatum.
Er was veel verzet tegen. De gezichtspunten die ten grondslag lagen aan dit verzet zijn nog steeds ‘van vandaag’.

KIEZEN VOOR RITME OF DOOD

In 1954 werd door India bij de Verenigde Naties een officieel verzoek ingediend om de bestaande (gregoriaanse) kalender te verbete­ren. De gregoriaanse kalender dateert van 1582. Verwarring en onzekerheid bij indus­trie zouden daardoor worden weggenomen.

In het bestaande systeem (daarnaast bestaan in India nog ongeveer 20 andere tijdrekenin­gen!) zijn de vier kwartalen 90 (in een schrikkeljaar 91), 91, 92 en 92 dagen lang. Samen 365 (366). Wanneer men elke 1e
ja­nuari op een zondag zou laten beginnen en elk kwartaal twee maanden van 30 dagen en één maand van 31 dagen zou geven, zou elk kwartaal 91 dagen lang zijn en precies der­tien weken. Dat is in één jaar 364 dagen. Dat is dus één dag te weinig en deze dag zou een wereldfeestdag worden zonder naam en zon­der datum. In een schrikkeljaar zijn er dan twee zulke dagen.

Bovendien zou het paasfeest moeten worden vastgelegd op de eerste of tweede zondag in april, dus op 1 of 8 april. Een gunstig jaar voor het invoeren zou een jaar zijn dat volgens de bestaande tijdreke­ning op een zondag begint. Zo’n jaar was 1956 of 1961.

De poging mislukte. Er kwam veel verzet. Een nieuwe situatie ontstond in 1963. Het tweede Vaticaans Concilie stemde toe in het vastleggen van de paasdatum binnen de gre­goriaanse kalender ‘wanneer allen, die het aangaat, toestemmen, in het bijzonder de broeders, die van de gemeenschap met de apostolische stoel gescheiden zijn’. Boven­dien was het concilie niet tegen een eeuwig­durende kalender (elk jaar met zondag 1 ja­nuari beginnend), mits het ritme van de week niet werd aangetast.

De eerste toestemming werd waardeloos doordat zowel orthodoxe kerken (Russische en Griekse) tegen waren alsook de joodse gemeenschap. Het tweede ‘niet tegen’ is in zichzelf waardeloos omdat zo’n kalender alleen tot stand kan komen met invoeging van jaarlijks één dag tussen de weken, zodat ieder jaar het begin van de week één dag la­ter komt en de eerstvolgende zondag niet 8, maar 9 (in een schrikkeljaar 10) dagen na de vorige zondag valt, Daardoor wordt het rit­me van de week aangetast, hetgeen overeen­komt daarmee dat het hart na elke 52 slagen er één zou overslaan. Hieraan is niet te ont­komen omdat we veel kunnen veranderen maar niet het feit dat één rondgang van de aarde om de zon 365, 2422 dag duurt.

Wie denkt dat hiermee de zaak dus is beslist, heeft het mis. 1967 was opnieuw een jaar dat met een zondag begon. Het verzet was nog zeer actief en er gebeurde niets. Het eerstvolgende jaar dat in aanmerking komt is 1978 en inderdaad is de strijd weer opge­leefd. Van het Vaticaan ging in mei 1975 het plan uit om vanaf 1977 Pasen steeds op de zondag na de tweede zaterdag in april te laten vallen. De Nederlandse bisschoppenconferentie vroeg het oordeel van de Raad van Kerken en de Assemblee van de Wereld­raad zette het in Nairobi op de agenda. Daar is het vrijwel geruisloos behandeld. Men was er niet voor maar maakte er ook niet veel drukte over.

Wat steekt er achter dit voorstel? Merkwaar­dig is het jaar van invoering. Niet 1978, als het jaar met een zondag begint, maar een jaar eerder. Is dit een drukfout in het kran­tenbericht? of moet de wind uit de zeilen ge­nomen worden van die hervormers, die tege­lijk met de paasdatum ook het
eeuwigdu­rende gelijke begin van het jaar willen vast­leggen?

In oktober 1975 verscheen in het dagblad Trouw een fel en emotioneel artikel van Dr. W. Barnard over het vastleggen van de paas­datum: ‘als ze het echt zouden invoeren, houdt het voor mij op met de kerk’. Door dit artikel zijn grote tegenstellingen en be­roeringen in de kerkelijke kringen ontstaan. Wat is hier aan de hand? Is dit een aangele­genheid van een steeds afnemend aantal ‘kerkmensen’? Of is het een mensheidsaange­legenheid?

Barnard ziet drie facetten aan de vaste paas­datum. Twee ervan hebben betrekking op het Oude Testament en het Jodendom, het derde op de concessie aan hen, ‘die techniek, industrie, mechanisch denken belangrijker vinden dan de levende aarde en het beteke­nisvolle bestaan van seizoenen, getijden, na­tuurlijke gegevens, tekenen van schepping, mits we ze verstaan in het licht van de Schrift’.

Het gaat om twee vragen: 1e de paasdatum en 2e de week die met de zondag begint. De paasdatum hangt inderdaad met de jood­se traditie samen evenals de week van zeven dagen.

Het joodse paasfeest was een bevrijdings­feest: herinnering aan de uittocht uit Egypte. Deze uittocht was bewerkt door de god Jahveh. Jahveh was een maangod. Zijn feest was dus een maanfeest. Het paasfeest werd ge­vierd bij de eerste volle maan in de lente. Dat was altijd dezelfde datum, de 14e Nisan, omdat de joodse tijdrekening zich richtte naar de maan. Bij elke nieuwe maan begon een nieuwe maand.

Wat nu echter door de meeste theologen, die zich hiermee bezig houden, voortdurend over het hoofd gezien wordt, is dat het chris­telijke paasfeest zijn oorsprong heeft in de opstanding. Het historische paasfeest bij de kruisiging begon op een vrijdagavond, de 14e Nisan, en duurde tot zaterdagavond (en nog een week daarna maar niet meer zo inten­sief). Op de eerste dag na de sabbat (de jood­se dagen werden geteld als eerste, tweede, enz. dag na de sabbat) vond de opstanding plaats, dit is op onze zondag.

Daar zit nu juist het wezenlijke punt. De wekelijkse feestdag was niet meer de sabbat, maar de zondag. Oorspronkelijk werden door de joodse Christenen beide dagen waar­schijnlijk gevierd. Ongeveer 150 na Chr. schrijft Justinus Martyr aan de keizer: wij vieren als de dag van de Heer (dies domini) de dag die u zondag (dies solis) noemt. Daarmee staat de christelijke week anders in de wereld dan de joodse week. De heilige dag is niet meer het einde maar het begin, de eer­ste dag van de week, niet de dag van Saturnus, de doodsgod, maar de dag van het we­reldlicht, de zon.

Het hele paasfeest staat in het teken van de zon. Ten eerste moet de voorjaarsevening gepasseerd zijn, dit wil zeggen de dag moet langer zijn dan de nacht; ten tweede moet de volle maan voorbij zijn, dit wil zeggen het gespiegelde zonnelicht neemt als licht van de nacht af. Omdat de eerste zondag na volle maan paasdag is, kan die dag nooit later val­len dan het laatste kwartier, dus nooit op volle maan of nieuwe maan of wassende maan. Er kan dus ook nooit een zonsverduistering plaatsvinden op Pasen want daarvoor is een nieuwe maan nodig. Het maankarakter treedt door deze bepaling op de achtergrond en de zon meer op de voorgrond. Ten derde wordt het paasfeest op een zondag gevierd. Een kalenderwijziging die de eerste januari op een zondag vastlegt en de paasdatum op de eerste of tweede zondag in april – of ook alleen de laatste wijziging — zou kunnen be­werken dat Pasen samenviel met volle maan of een zonsverduistering!

Waarom moet het maankarakter naar de ach­tergrond verdwijnen? Alle voorchristelijke religiositeit ging uit van het nachtelijk bele­ven. Dan was er nog een verbinding met ho­gere werelden mogelijk. Dus bij gedempt bewustzijn, dromend of slapend. Het christendom doet een beroep op het volle dag-bewustzijn. In het volle actieve aardeleven willen de Christuskrachten ingrijpen. De uit­beelding hiervan (als werkelijkheid en niet als symbool) is het zonnekarakter van het paasfeest. Dat kan alleen bewaard blijven bij een bewegelijke paasdatum. Daarbij komt nog het volgende: in het ene jaar is de tijd tussen Kerstmis en Pasen langer of korter dan het andere jaar en de tijd van Pinksteren tot aan midzomer (St. -Jan)
dien­overeenkomstig korter of langer. Deze varia­tie kan ongeveer 5 weken bedragen! Men kan trachten zich in te leven in dit pro­ces. In het voorjaar langer of korter wachten op de kracht die de dood overwint en die ons geschonken wordt door de opstanding.

En dan in de zomer sneller of minder snel toeleven naar het punt waar het geschenk van het licht reeds gaat afnemen en een be­roep wordt gedaan op wat wij er nu zelf mee gaan doen om herfst en winter te gaan door­dringen met de lichtkrachten, die ons zijn toevertrouwd.

Dit is een levensproces dat men niet abstract beredeneren kan maar dat nagevoeld wil worden. De onregelmatigheid van het ritme is kenmerk van het leven. Vasthouden aan dit ritme is niet vasthouden aan een traditie, maar kiezen voor het leven tegenover de dood, voor de dag tegenover de nacht.

(J. Knijpenga Jonas 16, 09-04-1976)

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

516-477

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (33)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.

 

OVER DE VIERLEDIGHEID VAN DE PAASBEREKENING

Hoe wordt de paasdatum berekend.

Stoffelijk

Om een antwoord te vinden dat ook een modern gewoon verstand kan
be­vredigen, moet je de paasregel in zijn vierledigheid zien. Er is bij de berekening van de paasdatum namelijk sprake van vier feiten, die met elkaar samenhangen.
In de eerste plaats wordt Pasen altijd in het voorjaar ge­vierd (dus 1 maal per jaar). Dat is na­dat de zon het zogenaamde lente­punt doorschreden heeft, ofwel pre­cies in het oosten is opgegaan. Je moet je hiertoe even realiseren dat de zon normalerwijze niet in het oosten opgaat, maar elke dag op een andere plaats aan de horizon. ’s Zomers meer naar het noorden toe, ’s winters meer naar het zuiden. Slechts op twee ogen­blikken per jaar komt de zon werke­lijk precies in het oosten op, dat is (doorgaans) op 21 maart en omstreeks 21 of 22 september. Voor de aarde be­gint er op 21 maart een “nieuwjaar”, in die zin dat de dagen na dat ogen­blik langer worden dan de nachten. De mensen tellen hun leeftijd naar dit soort ritme, namelijk naar jaren. (Alleen van zuigelingen zeg je, hoeveel weken of maanden zij oud zijn.) Als je zegt hoeveel jaar oud je bent, bedoel je de leeftijd van je stoffelijke lichaam. Het is dan ook schokkend als je van iemand die vijftig jaar oud is zegt, dat hij eigenlijk nog in de pu­berteit zit — je bedoelt daarmee dat hij innerlijk nog geen vijftig is. Verder is het in onze cultuur een heel opval­lend feit dat we de historie rekenen naar het aantal jaren dat verlopen is sinds de geboorte van Christus. Of, om het preciezer uit te drukken: sinds de geboorte van Jezus van Nazareth, dus de geboorte van zijn stoffelijk lich­aam. (De “Christus” werd volgens de oudste manuscripten van het Lukasevangelie pas bij de doop in de Jordaan geboren, dus toen Jezus bijna 30 jaar oud was).

Hier vindt men de eerste schakel van de berekening van Pasen: het fysieke feit dat er in het jaar op een bepaald ogenblik is te beginnen, namelijk 21 maart, de doorgang van de zon door het lentepunt, een kwestie die zich afspeelt tussen zon en aarde. Ik zou dit even een fysiek feit willen noemen, je kunt het tellen naar het rit­me van ons stoffelijk lichaam. Later blijkt waarom.

Biologisch

De volgende schakel voor de bereke­ning van de paasdatum is de stand van de maan. Deze heeft een heel ei­gen cyclus, die niet naar zonjaren wordt gerekend, maar naar volle ma­nen. Een maancyclus duurt ruim 28 dagen. In de volksmond, in de huise­lijke praktijk van ons leven, bij geeste­lijk gestoorden en in vele andere ge­bieden van ons bestaan, is dit ritme bekend. Slaapwandelaars worden “maanziek” genoemd; gedurende een bepaalde periode van haar leven is de als vrouw geïncarneerde mens met betrekking tot haar vruchtbaarheid aan dit ritme onderhevig. Het ritme van de maan regeert eb en vloed, beïnvloedt de landbouw (doordat de kwaliteit wordt bepaald door de stand van de maan ten tijde van het zaaien). Kort­om: de maan is regent in de levens­sfeer, heeft een diepe invloed op ons biologisch bestaan. Ik zou de maancyclus een biologisch ritme wil­len noemen, omdat er in de fysieke mens een soort biologische mens schuilgaat, een heel samenhangend complex van levensprocessen, die hele­maal niet in een
jaarritme verlopen, maar in een maan(d)ritme. Het ritme van ons zogenaamde levens- of “etherlich­aam” is 28 dagen.

Psychisch

Voor de derde schakel in de paasberekening moet je naar de week kijken. Het is immers de regel, dat de week waarin de paas-volle-maan valt, eerst voorbij moet zijn. Valt volle maan in het voorjaar bijvoorbeeld op een zon­dag of maandag, dan moeten eerst nog alle volgende dagen van de week voor­bijgaan, voordat het Pasen kan worden. Het geldt ook hier, net als bij de twee voorgaande ritmen — jaar en maan(d) – dat zij eerst vervuld of “vol” moeten zijn: het nieuwe voorjaar moet zijn aangebroken, de maan moet vol zijn geweest, de week moet met al zijn zeven dagen voorbij zijn. Is “week” ook een objectief ritme?
Ons gehele openbare en persoonlijke leven verloopt in grote trekken in het week-ritme. Bij een dieper onderzoek blijkt, dat dit met de ziel van de mens samen­hangt. Er zijn ook in het occultisme gegevens te vinden die de samenhang vertonen tussen de menselijke ziele-organen (lotos-bloemen) en de zeven planeten; gerekend van de onderste dezer zeven centra hebben zij de volg­orde maan-mercurius-venus, zon (hart) mars-jupiter-saturnus. Het zielenleven van ons mensen zou naar alle waarschijnlijkheid in een
ver­schrikkelijke chaos raken, als we het zevendaagse leefritme zouden doorbreken. Bij de paasberekening is ook dit ritme betrokken, als het ritme van de zeven-dagen-week van de psyche.

Het Ik

Nu is er nog een vierde element voor Pasen nodig. Het feest wordt name­lijk uitsluitend op zondag gevierd. Wat is dat voor een ritme? Bij enig nadenken ligt dat eigenlijk nog het meest voor de hand: elke dag begint niet alleen met een zonsopgang, maar ook met ons ontwaken. Welk deel van ons mensenwezen heeft de dag als rit­me? Het ik, de onverwisselbare per­soonlijkheid, die een eigen naam draagt en zichzelf met “ik” aanduidt. Het prototype van een echte “dag” is niet zomaar een dag, maar is de zon­dag. Niet opgevat als een gezellige luier-dag of een uitrust-dag, of zelfs als “het eind van de week”.
De opgave van dat “ik” is tweeërlei — aan de ene kant is het nodig om de zielenkrachten ermee te beheersen (of als een kleine koning in dat
konink­rijkje van de ziel te regeren), aan de andere kant de krachten die dat “ik” heeft, niet alleen aan de eigen levens­onderneming (het ego) te wijden, maar er ook zelfoverwinningen mee te behalen en ze van tijd tot tijd aan een goed werelddoel weg te schen­ken. Het beste wordt een “ik” als het zich helemaal aan iets anders wijdt dan zichzelf (bijvoorbeeld mensen uit een brandend huis redden, of je voor een ideaal inzetten).
Het voorbeeld van deze hogere ik-kracht is Christus. Hij wordt het Ik van de gehele mens­heid genoemd, en in het Johannesevangelie is in de hoofstukken 14 tot en met 17 na te lezen waarom dat zo is.

Nu hebben we echter een achtergrond voor de berekening van Pasen
gevon­den, in overeenstemming met vier verschillende ritmen waaraan wij men­sen aandeel hebben: in fysiek opzicht met het jaar – dat moet in het voorjaar nieuw begonnen zijn; in biologisch (of “etherisch”) opzicht met de maan(d) — er moet een volle maan verschenen zijn; in psychisch (of “astraal”) opzicht met de week – er moet een oude week voleindigd zijn; in inividueel opzicht moet er een zondag zijn aangebroken, als im­puls voor ons “ik”.
Dat is de paasregel, die het feest van de opstanding bepaalt.
Opstanding waarvan? Van de mens, en wel van de gehele, vierle­dige mens naar lichaam, leven, ziel en geest.

Is dat alles? Het is heel veel, maar het is niet alles. Want de opstanding geldt ook voor de natuur, de levens-hernieu­wing is ook werkzaam in planten- en dierenrijk, en in de aarde.
Opstanding geldt voor de hele aarde, en ook over de hele aarde; voor de elementen die onze planeet stof, leven, ademen warm­te geven; voor alle landen, gebergten, oceanen.
Als je Pasen viert, kun je niet alleen aan je eigen provincie den­ken – Pasen geldt de hele aarde.

Op zondag 7 april 1974 was het echter nog niet overal op aarde bij het aanbreken van de nieuwe dag “volle maan” geweest. Op ongeveer de helft van de aarde, naar het oosten toe, kwam de volle maan op terwijl het daar al zondag was geworden: Daarom is het in kosmopolitisch op­zicht een goede regel, die Pasen dat jaar op 14 april stelde. En daarmee ook de datum voor Hemelvaart èn voor Pink­steren in een groot verband plaatste, in een ritmisch, micro- én macrokosmisch verband, dat de hele mensheid en de hele aarde omvat.
.

(aantekeningen op basis van een artikel van J.E.Zeylmans van Emmichoven in Jonas 19 april 1974)
.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

515-476

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Socrates

.

DE EVANGELIST VAN DE LOGICA

Socrates

Hij was een man die een vermakelijke aanblik opleverde: een schedel, hoog en kaal als de koepel van een openbaar gebouw, een gezicht dat verhoudingsgewijs heel klein was, een ronde wipneus en een lange, golvende baard die niet bij zo’n eigenwijs gezicht scheen thuis te horen. Zijn lelijkheid was voor zijn vrienden een spreekwoordelijk mopje en hij van zijn kant deed er nog een schepje bovenop. Hij was een arm man die graag lanterfantte; steenhouwer van beroep, een tweederangs beeldhouwer. Maar hij deed geen slag werk meer dan nodig was om zijn vrouw en drie jongens in leven te houden. Hij praatte liever. En omdat zijn vrouw een helleveeg was met een griezelig scherpe tong, was hij het liefste van huis weg.

Deze houding van schalkse en min of meer voorgewende nederigheid bezorgde hem een geweldige voorsprong in een discussie. Ze maakte hem in feite tot een soort plaag. Voorgevende dat hijzelf de antwoorden niet wist te geven, kwam hij de mensen altijd met vragen aan boord als een officier van justitie, en hij bracht hen tot de vreemdste bekentenissen.

Socrates was de evangelist van het zuivere denken. Hij ging rond door de straten van Athene en predikte de logica, precies zoals vierhonderd jaar later Jezus door de dorpen van Palestina zou trekken en de leer der naastenliefde zou verkondigen. En als Jezus oefende hij, zonder ooit een woord op schrift te zetten, een invloed op de geest van de mensen uit die door geen bibliotheek vol boeken kon worden overtroffen.

Hij stevende gemeenlijk af op de meest vooraanstaande burger, een groot redenaar of wie dan ook, om te vragen of deze werkelijk wist waarover hij praatte. Gesteld dat een vooraanstaand staats­man zijn vaderlandslievende redevoering besloot met een tirade over de moed, over de glorie om te sterven voor zijn vaderland. Dan stapte Socrates op hem af en zei: “Vergeef me dat ik me ermee bemoei, maar wat bedoelt u precies met moed?”

“Moed, dat is in gevaar op je post blijven,” was dan het korte antwoord.

“Maar veronderstel dat de goede krijgskunst eist dat je je terugtrekt?” vroeg Socrates dan.

“O ja, dan ligt de zaak; anders. In dat geval zou je daar natuur­lijk niet blijven.”

“Dan is moed dus niet afhankelijk van op je post blijven of je terugtrekken. Wat is moed dan volgens u wél?”

De redenaar fronste dan het voorhoofd. “U hebt me overbluft. Ik vrees dat ik het niet precies weet.”

“Ik evenmin,” zei Socrates dan weer. “Maar het zou mij ver­bazen als het iets anders is dan alleen maar je hersens te gebruiken. Dat wil zeggen: het redelijke doen, ongeacht gevaar.”

“Dat lijkt er al meer op,” zei iemand uit de menigte en Socrates keerde zich dan naar de nieuwe spreker.

“Zijn we het dan eens — voorlopig uiteraard, want het is een moeilijke kwestie — dat moed gelijk staat met een onwrikbaar juist oordeel? Moed is tegenwoordigheid van geest. En het tegen­overgestelde in dit geval zou de aanwezigheid van gemoedsbe­wegingen zijn, in zulk een mate dat de geest wordt overstemd?”

Socrates wist uit persoonlijke ervaringen mee te praten over moed en zijn toehoorders wisten dat, want zijn koelbloedigheid en heldhaftigheid tijdens de slag van Delium was alom bekend, evenals zijn lichamelijk uithoudingsvermogen. En hij bezat ook geestelijke moed. Iedereen wist nog hoe hij zich geheel alleen te weer had gesteld tegen de volkshysterie na de zeeslag van Arginusae, toen tien generaals ter dood waren veroordeeld omdat ze verdrinkende soldaten niet gered hadden. Schuldig of niet schul­dig, het was onrechtvaardig, had hij volgehouden, om mensen groepsgewijs te doen terechtstaan of te veroordelen.

Natuurlijk was het hierboven beschreven gesprek in zijn bij­zonderheden denkbeeldig. Maar het toont het hoofdkenmerk aan waardoor de leer van deze beminnelijk lelijke en overtuigende man Socrates een keerpunt in de beschavingsgeschiedenis is ge­worden. Hij leerde dat de juiste handelwijze altijd die handelwijze is die door de geest wordt bestuurd, dat alle deugden in de grond neerkomen op overwinning van de geest over de emoties.

Socrates legde niet alleen voortdurend de nadruk op de morele betekenis van zuiver denken, maar zette ook de eerste grote stap om de mensen te leren hoe ze dat moesten doen. Hij ontwikkelde de idee van definitie der begrippen. Hij placht te zeggen: “Laten we voordat we beginnen te praten, vaststellen waarover we pra­ten.” Dit was zonder twijfel al eerder gezegd in gesprekken van mens tot mens, maar Socrates maakte er een evangelie van.

Vóór Socrates hadden de Griekse filosofen drie geslachten lang de natuur en de sterren bestudeerd en in een schitterende intellec­tuele bloei het aanzien aan wat wij wetenschap noemen, gegeven. Socrates gebruikte de wetenschappelijke methode voor de studie van de levenskunst. In zijn dagen strekte de wonderbaarlijke wereld van Griekse stadstaten en van de Griekse cultuur zich uit rond het bekken van de Middellandse Zee en voorbij de Zwarte Zee tot de Russische kust. Griekse koopvaarders beheersten de handel in dat gebied. Onder het leiderschap van de grote handelsstad Athene hadden de Grieken juist de legers van Perzië ver­slagen. Van overal ter wereld begonnen nu kunstenaars, dichters, mannen der wetenschap en filosofen, studenten en leraren naar Athene te stromen. Rijke lieden van zo ver weg als Sicilië stuurden hun zonen uit om Socrates te volgen op zijn wandelingen, om te luisteren naar zijn merkwaardige betogen. De oude man weigerde daar iets voor te berekenen.

Alle grote filosofische stelsels die in de Griekse en later in de Romeinse wereld zijn ontstaan, beroepen er zich op van hem af te stammen. Plato was zijn leerling en Aristoteles was Plato’s leer­ling. We leven nog altijd in het Socratische erfdeel. De leer van Socrates zou wellicht niet zulk een diepe indruk op de wereld hebben gemaakt als hij er niet als een martelaar voor was ge­storven. Het schijnt vreemd om een man ter dood te brengen wegens het “invoeren van algemene definities”. En toch: wie denkt aan wat die nieuwe techniek, als ze halsstarrig tot in de uiterste consequenties wordt gevolgd, aan aloude, gevoelsmatige overtuigingen kan toebrengen, is er niet door verrast. Socrates was voor zijn jonge en vooruitstrevende vrienden de zachtaardig­ste van alle mensen, maar hij moet door duizenden traagdenkende, ouderwetse lieden en zelfs door vele bedachtzame conservatieven zijn beschouwd als een verderfelijk fanaticus. Er waren twee for­mele beschuldigingen tegen Socrates: hij geloofde niet in de door de stad erkende goden en hij “bedierf de jongeren”.

Het is heden ten dage niet precies duidelijk wat de aanklagers hebben bedoeld, maar het staat vast dat de jonge mensen aan deze oude man waren verknocht. De aanlokkelijkheid van nieuwe inzichten, de aansporing om zelfstandig te denken, trokken hen tot hem aan, maar hun ouders vreesden dat ze revolutionaire dogma’s leerden. Daarbij kwam nog dat een van zijn studenten, de heethoofdige, onevenwichtige Alcibiades, tijdens de oorlog met Sparta naar de vijand was overgelopen. Dat was niet de schuld van Socrates. Maar Athene, lijdend onder de nederlaag, was op zoek naar zondebokken.

Socrates stond terecht voor een jury van 501 burgers en werd ter dood veroordeeld met een meerderheid van slechts 60. Waar­schijnlijk hadden zeer weinigen verwacht dat hij zou sterven. Hij bezat bij voorbeeld officieel het recht om een lichtere straf voor te stellen en een stemming daarover aan te vragen. Als hij dat nederig, weeklagend en smekend had gedaan, zoals de gewoonte was, dan zouden meer dan 30 ongetwijfeld hun stem hebben ge­wijzigd. Maar hij hield eraan vast zich ook op dit punt verstan­delijk te gedragen.

“Een van de dingen waarin ik geloof,” zei hij tegen de volge­lingen die in de gevangenis bij hem kwamen en hem aanspoorden te ontvluchten, “is de heerschappij van de wet. Een goed burger, zoals ik jullie altijd heb verteld, is degene die gehoorzaamt aan de wetten van zijn stad. De wetten van Athene hebben me ter dood veroordeeld en de logische gevolgtrekking daaruit is dat ik moet sterven, als een goed burger.”

Dit moet zijn ongeruste vrienden als enigszins ziekelijk strijd­lustig hebben getroffen. “Wordt de logica op die manier niet wat al te ver doorgedreven?” protesteerden ze. Maar de oude man bleef op zijn stuk staan.

Plato heeft Socrates’ laatste nacht op aarde beschreven in de dialoog Phaedo. Socrates bracht die nacht door zoals hij de meeste andere had doorgebracht: debatterend over filosofie met zijn jonge vrienden. Het onderwerp was: Is er een leven na de dood? Socrates was geneigd te denken van wel, maar hij toonde een ontvankelijke geest en luisterde aandachtig naar de tegenwerpin­gen van zijn studenten die het tegengestelde standpunt innamen. Tot het einde toe hield Socrates het hoofd koel en hij liet zijn denken niet door zijn gevoelens beïnvloeden. Hoewel hij binnen enkele uren moest sterven, zat hij bezadigd over de kansen op een toekomstig leven te betogen.

Toen het uur naderde, verzamelden zijn vrienden zich rond hem en bereidden zich in hun hart voor op de aanblik van hun leraar die de gifbeker dronk. Socrates liet die zelf halen, kort voordat de zon boven de bergen in het westen onderging. Toen de bewaker het ding binnenbracht, zei hij op kalme, zakelijke toon tegen hem: “U weet alles van deze dingen en u moet me vertellen wat ik moet doen.”

“U drinkt de kervel en dan staat u op en loopt wat rond,” zei de bewaker, “tot uw benen u zwaar gaan wegen. Daarna gaat u liggen en de verdoving zal naar uw hart trekken.”

Zeer weloverdacht en beheerst deed Socrates wat hem was be­volen, alleen pauzerend om zijn vrienden de les te lezen; ze snikten en schreiden, alsof hij niet wijs en juist handelde. Zijn laatste ge­dachte gold een kleine verplichting die hij had vergeten. Hij ver­wijderde de doek die over zijn gezicht was gelegd en zei: “Krito, ik ben een haan schuldig aan Asclepius . . . Zorg er vooral voor dat die wordt betaald.”

Daarna sloot hij de ogen en legde de doek weer terug, en toen Krito hem vroeg of hij nog een andere laatste wens had, gaf hij geen antwoord.

“Dat was het einde,” zei Plato die deze sterfscène in onver­getelijke taal heeft beschreven, “van onze vriend die van allen die we hebben gekend de beste, de rechtvaardigste en de wijste is geweest.”

Hij placht voor het licht werd op te staan, een haastig ontbijt te nuttigen: in wijn gedoopt brood, een hemd aan te schieten, daarover een grofgeweven mantel te gooien en weg te gaan, op zoek naar een werkplaats, een tempel of het huis van een vriend, een badinrichting of zomaar een bekend punt in de stad waar hij in discussie kon geraken. In de ganse stad waar hij woonde, gonsde het van discussies. De stad heette Athene en die man was Socrates.

Hij zag er niet alleen vermakelijk uit, maar hij had ook grappige manieren en denkbeelden waar hij weliswaar goedsmoeds, maar met een koppige vasthoudendheid aan vast hield. Een van zijn vrienden had het orakel van Delphi gevraagd wie de wijste man van Athene was. Tot aller verbazing had de priesteres deze leeg­loper, Socrates, genoemd. “Het orakel,” zei deze, “heeft mij de wijste man van Athene genoemd omdat ik de enige ben die weet dat hij niets weet.”
.

alle biografieën

vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
.
514-475

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (32)

.

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld als het schetsen van een sfeer waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.


OP ZOEK NAAR DE WARE KONING

 

Een koning
Rood, wit, blauw,

De koning en zijn vrouw,

De koningen zijn dochtertje,

Koffiedik

Af ben ik

Een vader zegt dit rijmpje op voor zijn dochtertje, dat de vorige dag net drie jaar is geworden. Het kind heeft het versje va­ker gehoord en aandachtig in zich opgeno­men. Nu herhaalt ze ineens met iets van blijde verrassing in haar stem het laatste voord: Ik, ikke! Het is voor het eerst dat ze dit woord zo uitspreekt, bewust betrok­ken op zichzelf. Twee maanden later zegt ze over zichzelf: ‘Als Hieke groot is, is Hieke ook een koning!’

Er wordt een kind gedoopt. Ik zit met mijn dochtertje van twee jaar op schoot, nogal vooraan om alles goed te zien. Daar komt de priester binnen, een eerbiedwaardig man met zilverwit haar dat glanst boven het donkerpaarse priestergewaad. Het is ineens heel stil in de kerk, en in die stilte hoor ik mijn dochtertje dromerig fluisteren: ‘De koning!’

Wie van ons ziet nog een koning in deze tijd? Wel spreekt de taal van ‘een koninklij­ke gestalte’. Dat heeft dan niets te maken met de uiterlijke omhulling, maar met de uiterlijke houding die naar buiten toe zichtbaar wordt. Blijkbaar dragen we in ons mee het beeld van een ‘koning’, hoe een koning moet zijn, maar het ligt diep wegge­doken in een niet-bewuste laag van ons be­staan. Het is er wel en het ‘werkt’ ook, want we kunnen er de ‘koning’ in een an­der mens mee herkennen. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Wat is eigenlijk een koning?
Nu roepen we de sprookjes te hulp. Dat kunnen we doen, omdat in de echte sprookjes een schat van wijsheid verborgen ligt die de meest funda­mentele waarheden van het mens-zijn in beeldentaal uitspreekt. In gave en goed
af­geronde sprookjes als IJzeren Hans, De trommelslager of De trouwe Johannes wordt het koningschap bereikt via een lange, moeilijke weg vol beproevingen. In het verhaal van IJzeren Hans is het zelfs heel duidelijk dat het gaat om een innerlijk verworven koningschap. De held van het verhaal is immers van geboorte een koningszoon, en heeft als zodanig het recht geërfd om koning te worden. Hij draagt het als een belofte met zich mee, maar of die belofte in vervulling gaat, hangt van hem zelf af. Jarenlang duikt hij onder in een naamloos bestaan als om een rijpingsproces door te maken. Wijsheid, waardigheid, dee­moed, inzicht in zichzelf en in anderen, be­reidheid tot offervaardigheid en dienstbaar­heid, moed, vlijt en tegenwoordigheid van geest: het zijn evenzovele voorwaarden om een waarachtig koningschap te bereiken.

Het begin

Het inzetten van de Lijdenstijd zoals dit gebeurt in de Christengemeenschap, als voorbereiding op Pasen, doet ons denken aan de vier adventszondagen voor Kerstmis. De heilige nacht van de geboorte van het kind Jezus ligt nu heel ver achter ons. Het licht dat ons toen omstraalde, en de warm­te die toen om ons heen was, zijn we bijna vergeten. Het engelenlied van ‘Vrede op aarde’ klinkt als een zwakke echo in ons hart na. Er was een openheid naar boven toe, een stemming van vanzelfsprekende innigheid die we ons dankbaar herinneren als een geschenk uit de hemel. Iets van die warme innigheid, van die lang vervlogen kerststemming kunnen we nog ervaren iedere keer als we staan bij de wieg van een heel jong mensenkind. Iets van de heiligheid van de plaats waar Maria’s kind geboren werd, hangt in iedere babykamer, als het goed is. Diep-ernstig kunnen de ogen van zo’n jong kind je aankijken. Het is of daarachter een geheim verborgen ligt dat nog ontraadseld moet worden: het ge­heim van zijn toekomstig leven op aarde. Wie ben je? Met welk doel ben je hier geko­men? Ze slapen voornamelijk, deze hele jonge wiegekinderen. Ze zijn nog helemaal verbonden met de wereld waar ze vandaan gekomen zijn. Pas na 6 weken, na ongeveer 40 dagen worden ze langzaam wakker voor onze wereld, en ze doen dat met het eerste teken van menselijk contact: een stralende glimlach.

Deze paradijselijke sfeer kan nog heel lang om een kind heen zijn, als wij volwassenen er maar zuinig op zijn en het behoeden. Want als we dat doen dan is het of er in ons huis een bronnetje opborrelt met helder, fris water. En aan dit levende water kunnen we ons steeds weer laven, als we er rustig de tijd voor nemen, en ons niet laten voort­jagen ‘door de dingen die gedaan moeten worden’. We gaan iets vermoeden van het geheim dat een jong kind in zich draagt, als we in de evangeliën lezen hoe Jezus eens kinderen plaatste in het midden van de twaalf discipelen en tot hen zei: ‘Wie niet het rijk Gods in zich opneemt zoals een kind het in zich draagt, kan er niet binnen­komen’ (Markus 10).

De weg

Na Kerstmis is het of we met reuzenschre­den het groeiproces tot volwassenwording meemaken. In de Driekoningentijd schuift zich een donkere schaduw voor het licht. Koning Herodes staat daar en we kunnen er niet omheen. De drie Wijzen uit het Oosten vinden het Kind in Bethlehem. maar de vierde koning zoekt zijn weg door de we­reld. Hij is een koningszoon met het ge-erfd recht om later koning te worden. Hij doet echter afstand van dit vanzelfspreken­de recht en duikt onder in de anonimiteit, als mens onder de mensen. Aan het eind van zijn leven ontdekt hij dat zijn kiezen voor het
mens-zijn tegelijk het ware koningschap betekent. De Koning die hij zocht, blijkt ook te zijn de ware Mens, als vervulde belofte. Het was het mede-lijden met de mensen die hij ontmoette op zijn lange lijdensweg, dat tenslotte deze ontdek­king, deze ont-hulling mogelijk maakte.
Je kan je op allerlei manieren voorbereiden op Pasen, maar voor ons volwassenen, op­voeders, verzorgers is er geen betere voor­bereiding denkbaar dan het ‘mee-lijden’, het zich verdiepen in de lijdensgeschiedenis zoals deze beschreven wordt door de vier evangelisten. Directconcreet lezen wat er staat, ieder jaar weer, of ernaar luisteren met open oren of erover spreken met ande­ren, zoals de Emmaüsgangers deden, ja zelfs erover zingen is een zinvolle en bevredigen­de voorbereiding.

Hoewel er in historische documenten vrij­wel niets te vinden is over de gebeurtenis­sen in Palestina, zo centraal voor het christendom, is toch één ding duidelijk merkbaar. De personen die betrokken waren bij de veroordeling van Jezus van Nazareth kunnen geen van allen ‘kleine jongens’ geweest zijn. Het is of er een soort samentrekking is, van mensen die elk voor zich ‘groots’ waren op de plaats waar zij stonden, in de functie die zij vervulden.
Door alle evangeliën heen wordt steeds aan­geduid dat alles op een bepaald ‘uur’ moest geschieden, zoals bijvoorbeeld in Johannes 7: ‘Toen zochten ze hem te grij­pen, maar niemand sloeg de hand aan hem; want zijn uur was nog niet gekomen.’
Het is of het hele uitspansel met sterren en andere hemellichamen volgt wat hier gebeurt. Daarom is het ook niet anders denkbaar dan dat de machtige gestalte van de Christus in de mens Jezus ‘weerstanden op hoog niveau’ ontmoette. Het is of een Koning zich met ‘koningen’ moet meten.

Gestalten in de Stille week

Daar is als eerste Judas Iskariot. Als het ge­juich en het rumoer van Palmpasen is ver­stomd, dan komt wat zelfs door de discipelen als een ‘anticlimax’ wordt beleefd: de gebeurtenissen van de Stille week. De te­leurstelling die hen allen beving, culmineerde in het verraad van Judas. Eén moest het verraad plegen, één moest de ‘zondebok’ zijn. Het is of de profetische woorden van de hogepriester ook op Judas van toe­passing zijn: ‘Het is beter voor u dat één mens sterft voor het Godsvolk dan dat ge­heel ons volk ten onder gaat’ (Joh. 11). Wat een ontzagwekkende gestalte moet dit geweest zijn, hij die de Mensenzoon verra­den kon.

Dan is daar de hogepriester. De leiders van het Joodse volk hebben met hun gewapen­de dienaren Jezus gevangen genomen en voor de Hoge Raad gebracht, het hoogste rechtscollege. Er moeten getuigenissen tegen de aangeklaagde gevonden worden, opdat hij veroordeeld kan worden. De veroordeling zelf stond van tevoren vast. Maar zij vinden niets en de getuigenissen blijken niet te klop­pen met elkaar. Tijdens al dat heen en weer praten heeft één persoon zich wat op de ach­tergrond gehouden, lijkt het. Nu treedt hij naar voren: ‘Toen stond de hogepriester op en trad in het midden’ (Mark. 14). Hij ver­baast zich erover dat Jezus geen weerwoord heeft op alle getuigenissen. Maar misschien juist daardoor is hij de enige die er een ver­moeden van heeft wat hier gebeurt en wie hier voor hem staat. De hogepriester stelt de enige vraag ‘op niveau’: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Geprezene?’ Jezus zeide: ‘Ik Ben. En gij zult de Mensenzoon zien zitten ter rechterhand der Kracht en komen met de wolken des hemels.’ (Mark. 14). Het pleit voor de hogepriester dat er nu wel een antwoord komt. Jezus herkent in hem blijkbaar een waardig vertegenwoordiger van wat de joodse religie inhoudelijk nog bete­kende. Het woord ‘Ik Ben’ komen we ook tegen in het Oude Testament. Het was de heilige naam van de Godheid, die alleen in het allerheiligste van de tempel mocht wor­den uitgesproken. Die naam werd nu in volle openbaarheid uitgesproken en ten overstaan van iedereen. Juist omdat de diepste geloofs­geheimen voor deze hogepriester zo heilig waren, was hij zo diep geschokt dat hij zijn gewaad scheurde en Jezus betichtte van ‘godslastering’. Volgens de joodse wet was de beklaagde nu des doods schuldig.

Wat hier gebeurt, klinkt als een voorspel van wat beschreven wordt als gevolg van de kruisdood op Golgotha: ‘Toen scheurde het voorhangsel van de tempel in tweeën, van boven tot onder.’ (Mark. 15). Het geheim dat eeuwenlang in het verborgene was be­hoed en doorgegeven door ingewijde men­sen, was openbaar geworden en voor de hele wereld zichtbaar. ‘De hoofdman, die tegen­over hem stond en zag dat hij zó stierf, zeide: ‘Waarachtig, deze mens was een Gods-zoon’ (Mark. 15). Dat zegt een Romeinse hoofdman in functie, op wacht bij het kruis. Ook hij was blijkbaar niet ‘zo maar’ iemand, maar een man die meer zag dan anderen. Er is nog een vierde, die tijdens het proces markant gestalte krijgt door de wijze waarop hij Jezus tegemoet treedt. Dat is de land­voogd Pilatus, ook een Romein. De eerste vraag die hij Jezus stelt, is: ‘Zijt gij de Koning der Joden?’ Een merkwaardige vraag, want de Joden kenden geen koning in de ge­wone, bestuurlijke zin van het woord. Uit het antwoord van Jezus blijkt echter, dat Pilatus wat anders bedoelt: ‘Mijn Rijk is niet van deze wereld.’ (Joh. 18). De landvoogd blijft hem verder met deze titel benoemen, en hij schrijft later dezelfde woorden als op­schrift boven het kruis: Koning der Joden. Na het eerste gesprek met Pilatus wordt Jezus overgeleverd aan de soldaten om te worden gegeseld. ‘En de soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten die op zijn hoofd. Zij wierpen hem een purperen mantel om en traden op hem toe met de woorden: ‘Gegroet, Koning der Joden! En zij sloegen hem in het gezicht.’ (Joh. 19). Naar aardse maatstaven de karikatuur van een koning. Geen kroon van goud, maar een van doorni­ge takken waaraan in plaats van rozen bloed­druppels bloeiden.

‘En wederom trad Pilatus naar buiten en zei­de tot hen: ‘Ziet, ik breng hem openlijk voor u, opdat gij begrijpt dat ik geen schuld in hem vind.’ Jezus trad naar buiten met de doornenkroon en de purperen mantel. Pilatus sprak tot hen: ‘Ziedaar, de mens!’ (Joh. 19).

Het was dit beeld dat de dichter Chr. Morgenstern inspireerde tot de uitspraak:

Wenn die Rosen um deine Stirn, Mensch
kein Blutstropfen sind,
wirst du nicht wissen warum du lebst,
bleibst du ewig Kind, Mensch!

Op de derde dag

Als een koning werd Jezus van Nazareth in­gehaald op de dag die wij nu Palmzondag noemen. ‘Hozanna de Zoon Davids! Geze­gend die komt in de naam des Heren!’ Gejubel en gejuich begroetten een uiterlijk koningschap, waar het volk eeuwenlang naar had uitgekeken. In de week die daarop volgt, blijkt echter dat het gaat om een ander soort koningschap. Zo rumoerig als de intocht in Jeruzalem verliep, zo stil begint de Paasmorgen, acht dagen later. Zo stil als het ’s mor­gens vroeg kan zijn als de zon opgaat. De Opstanding is een begin, is in kiemtoe­stand. Het is een kiem die veel zorg en aan­dacht nodig heeft.
Pasen is geen “hemels ge­schenk’, maar een belofte: de belofte dat een innerlijk koningschap en een waarachtig mens-zijn mogelijk zijn geworden.
Of deze belofte wordt vervuld, hangt mede van ons af.
.

(Marieke Anschütz, Jonas 16, 6 april 1979)
.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldpalmpasen

.

513-474

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (31)

.

Pasen

Het is echt lenteweer, zonnig, we kunnen niet anders dan naar buiten gaan. De natuur staat op springen,de knoppen aan de bomen worden al dikker en wie onder de bomen onder de humuslaag in de grond krabt, ziet dat aan ei­kels, kastanjes en zaden al de eerste wortelvorming is begonnen, het begin van een nieuwe boom!

Op weg naar huis knip ik in de tuin wat kale, schijnbaar dode takken af. Er is nog niets aan te zien en ik vraag me af of de takken soms ver ingevro­ren zijn? Ik vergeet ze een beetje, ook al staan ze mooi te zijn in de blauwe glazen vaas.
En dan zie ik plotseling op weer zo’n mooie zonnige dag de zon schijnt warm in huis, dat het zwarte hout bezaaid is met prachti­ge piepkleine perzikbloesems. De bloemblaadjes hebben de kleur van een gezonde rozige babyhuid, een boeiend contrast met de doodgewaande takken. Onder een heldere Hollandse wolkenlucht komt de natuur steeds meer tot leven, de vroege bloeiers geven acte de presence.
Al genietend van de lente wordt de mens er zelfs al een beetje luchtig van; het geeft zin in nieuwe dingen, nieuwe plannen.

De spanning die we buiten opdoen is op school in het hele gebouw
tast­baar aanwezig. De jaartafels in de klassen bloeien op. In peuter- en kleuter­klassen zijn we even in de ban van moeder Aarde en de wortelkindertjes: “Onder de grond, zo diep, zo diep. Wie weet er wat daar sliep?”
Dit zijn de eerste zinnen uit het boek van Alfred Listal “Van de Wortelkindertjes”.
In de lente, de paastijd, begint het boek zijn beeldverhaal over de
ont­luikende en weer afstervende natuur.Veel ouders hebben de kunst van de juffies afgekeken en tot grote vreugde van de kinderen de bloemenkindertjes met lapjes en stukjes vilt ook thuis op een jaartafel laten verschij­nen.

In alle klassen staan de houten kruisen klaar om versierd te worden met kleurig crêpepapier, beschilderde eieren, rozijnenslingers, een zelf gebak­ken broodhaantje en buxustakjes.
Met de palmpaasoptocht luiden we de stille week in en bezingen we het komende paasfeest.

De optocht is een herinnering aan de intocht van Jezus in Jeruzalem. De palmpasenstok brengt met zijn symbolische versiering het christelijke paasfeest en de vele voor-christelijke vormen van volksfeesten ter ere van het nieuwe leven in de natuur en de terugkomst van de zon samen. Het beschilder­de ei, de haas, het lam en het paasvuur zijn symbolen die bij oude culturen van Germanen, Grieken, Egyptenaren, Chinezen en vele anderen zijn terug te vinden.
Zelfs nu nog wordt bv. in China een roodgeverfd ei in de wieg gelegd als symbool van geluk bij een nieuw geboren baby.

Het christelijk paasfeest is het feest van Dood en Opstanding.
Vroeger was dat het belangrijkste feest van het jaar.
In het Westen kreeg de mensheid steeds meer moeite met de opstandingsgedachte, het lege graf kon alleen een “wonder” zijn en die bestaan niet in het westerse denken.
Toch toont de natuur ons jaar in jaar uit het wonder van Pasen en kan ons motiveren tot het zoeken naar de moderne waarheid van het wonder. Het lezen over de lijdensweg van Christus, die voerde naar de dood op Golgotha, roept het machteloze gevoel op dat Christus zich niet verweerd heeft, de
krui­siging gewoon heeft laten gebeuren. Tegelijkertijd beleef je dat het aardse leven geen kans meer had en dat er alleen door het sterven heen een mogelijk­heid tot “opstaan” was. Daarmee gaf hij de mensheid de gelegenheid nieuwe we­gen te bewandelen, geïnspireerd door andere dan materiële waarden.
Als volwassene kunnen we ons betrokken voelen bij het lijden op Goede Vrijdag. Het luisteren naar de Matthaus-passion van J.S.Bach, die in deze tijd op vele plaatsen wordt uitgevoerd, brengt ons in de gemoedstoestand die bij de kruisi­ging past.
Jonge kinderen beleven dit nog niet, voor hen is alleen het levende een realiteit.

Bach heeft op geniale wijze gebruik gemaakt in zijn muziek van een jongenskoor. De lichtheid van de kinderzangstemmen tegen de dramatische klank van de twee grote koren, laten je tastbaar voelen dat Pasen, opstanding, onlosmakelijk verbonden is met de dood.

Zo geeft de geschiedenis van het leven van Christus moed om steeds aan iets nieuws te beginnen in het leven en het geeft vertrouwen, dat het goed is als daaraan vooraf in een mensenleven iets moet worden opgegeven.

Het vieren van Pasen in de vrijeschool gebeurt met de jongste kinderen met de beelden vanuit de natuur. De paashaas die zijn gekleurde eieren brengt, is het beeld voor de onzelfzuchtige mens, die zich opoffert voor het voortleven van anderen, overeenkomstig het gedrag van de haas in zijn leger in de vrije natuur.
Door alle klassen spelen de symbolen uit de zich vernieuwende natuur, uit het nieuwe leven in het ei, enz. de belangrijkste rol bij de viering. Vanaf de vierde klas kan ook over het leven van Jezus en het mysterie van Golgotha worden verteld. Duidelijk zal zijn dat daarbij de vernieuwende impulsen die Jezus aan de mensen gaf de boventoon voeren en dat zichtbaar wordt gemaakt dat zijn leven niet eindigde aan het kruis, maar juist voor ons nog begon.

Pasen, een tijd van vernieuwing en opbouw, een tijd om mensen enthousiast te maken voor het vrijeschoolonderwijs. Een onderwijs dat niet nieuw is, maar kinderen wellicht leert later een mens te zijn, die los van materiële verlangens vernieuwende impulsen aan de wereld schenkt!

(Annemieke Zwart, nadere gegevens ontbreken)

.

Palmpasen/Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: palmpasen

.

512-473

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 8e klas (3)

.

Hier volgen een aantal belangrijke personen en hun uitvindingen die behoren bij de industriële revolutie:

Thomas Newcomen; James Hargreaves; James Watt;

Thomas Newcomen (1663-1729)

Newcomen maakte de eerste praktisch bruikbare stoommachine door het toepassen van condensa­tie in de cilinder, waardoor de druk van de
buiten­lucht de zuiger terugdreef. Newcomen kan be­schouwd worden als de voorloper van James Watt, wiens stoommachine pas werkelijk stoom tot een algemeen gebruikte krachtbron maakte.

Van Thomas Newcomens jeugd weten we niet veel meer dan dat hij in 1663 in Dartmouth, in Enge­land, geboren werd. Later dreef hij in Dartmouth een handel in ijzerwaren. Hij wist van de hoge kosten die de paarden in de tinmijnen in Cornwall met zich meebrachten. De paarden werden daar gebruikt om de pompen in werking te houden, die de mijnschachten voor onderstroming behoed­den. Newcomen besloot te proberen een
stoom­machine te bouwen, die dat werk kon doen. Het gebruik van stoom als drijfkracht werd al in de 1e eeuw na Chr. beschreven door de Griekse geleerde Heron van Alexandrië, die een eenvoudi­ge stoomturbine bouwde. Die bestond uit een bol die stond opgesteld op een as boven een stoomke­tel en die snel ronddraaide wanneer er stoom gedreven werd uit twee gekromde straalpijpjes. Nadien had niemand veel succes bij pogingen om stoomkracht te beteugelen, tot 1698. Toen kreeg de Engelse genie-officier Thomas Savery patent op zijn pomp, waarmee hij water kon omhoogwerken ‘door middel van de stuwende kracht van vuur’. Savery had daarbij gesteund op het onderzoek van de Franse natuurkundige Denis Papin, de eerste die had ingezien dat het mogelijk moest zijn om water omhoog te werken door in een afgesloten ruimte stoom te laten condenseren boven een zuigpijp. Savery zag de mogelijkheden die het door Papin ontwikkelde principe bood voor het oppompen van water uit kolenmijnen. De pompmachine van Savery bestond uit een stoomketel die verbonden was met twee vaten en met een stelsel van met de hand bediende kleppen. Er kon water mee opgepompt worden, maar tekortkomingen beperkten de bruikbaarheid ervan. Een van de gebreken was, dat het water niet meer dan zes meter omhooggewerkt kon worden.
Newcomen maakte, net als Savery, gebruik van de ideeën van Papin, vooral van de gedachte dat een zuiger die door de spanning van een hoeveelheid stoom werd opgesloten in een cilinder, in beweging werd gezet. Het kostte Newcomer meer dan tien jaar om de eerste praktisch bruikbare stoommachine ter wereld te bouwen. De machine bleek een groot succes, niettegenstaande het nadeel dat er vrij veel warmte, en dus energie, verloren ging bij het in beweging houden van de zuiger. Boven een stoomketel was een rechtopstaande cilinder opgesteld, waarin de stoom opsteeg en mét de zuiger een stang omhoogduwde, die op zijn beurt een zwaar balansjuk in beweging bracht.
Dat hield dan de pomp draaiende. Dan werd er wat water in de cilinder gespoten. Door de afkoe­ling condenseerde de stoom, waardoor een
gedeel­telijk luchtledig werd geschapen. De druk van de buitenlucht duwde de zuiger weer omlaag, terwijl het opgepompte water wegvloeide. Dit betekende dat de cilinder tijdens de opgang van de zuiger verhit moest worden en tijdens de neergang van de zuiger weer afgekoeld moest worden. Bovendien verzamelden zich dikwijls lucht en andere gassen in de cilinder, waardoor de machine tot stilstand kwam. Toch werden de ma­chines van Newcomen niet alleen in Engeland, maar in heel Europa veel gebruikt voor het drooghouden van mijnen en voor het oppompen van water. Bovendien werden door het inbouwen van automatisch bediende kleppen – ook een uitvin­ding van Newcomen – de machines steeds be­trouwbaarder. De – voor zover we weten – eerste Newcomen-machine die werd gebruikt, werd in 1712 gebouwd. De laatste van zijn machines wa­ren tot kort na 1900 nog steeds in gebruik. Newcomen stierf op 5 augustus 1729 in Londen. Hij had een flinke stap gedaan in de richting van het gebruik van stoomkracht. Maar het was de vindingrijke geest van James Watt die, later in de 18e eeuw, de poorten wijd openzette voor de tal­rijke toepassingen van stoom als krachtbron. Me­de daardoor werd de industriële revolutie moge­lijk gemaakt.

jjames watt 20

 De Newcomen-machine, bestaande uit een cilinder waarin een zuiger is opgesloten, die verbonden is met de rechter­kant van het balansjuk. Aan het andere eind van het juk is een pompstang verbonden aan de zui­ger van een waterpomp. Er werd stoom tot de cilinder toegelaten. Als door het gewicht van het pompmechanisme de zuiger in de cilinder omhooggegaan was, werd de stoomtoevoer afgesloten. Dan werd er koud water in de cilinder gespoten. Daardoor condenseer­de de stoom en werd er een ge­deeltelijk luchtledig geschapen. De druk van de buitenlucht duw­de de zuiger dan omlaag, waar­door de pompzuiger omhoog­ging. Daarna werd er weer stoom in de cilinder gelaten, en herhaal­de de gang van zaken zich.

james watt 21

Een Savery-Newcomen-machine, geïnstalleerd bij Dudley Castte in 1782. Omdat hun patenten gedeeltelijk met el­kaar samenvielen, zetten de uit­vinders samen een zaak op voor het fabriceren van machines voor het gebruik in mijnen.
8e klas (1)

James Hargreaves ca. 1710-1778

James Hargreaves was een Engelse wever. Hij zet­te een van de eerste stappen naar de volledige me­chanisatie van het spinnen, door de spinmachine uit te vinden.

In Europa waren vanaf de prehistorie tot in de middeleeuwen de belangrijkste werktuigen voor het spinnen van wol tot draden, het van een tegen­wicht voorziene spinrokken en de spindel. In de middeleeuwen werd het spinnewiel ingevoerd vanuit India. Het spinnewiel bracht het
vervaardi­gen van garen een klein stapje dichterbij de me­chanisatie. Tot in de 18e eeuw – en de nadering van de industriële revolutie – werden stoffen hoofdzakelijk vervaardigd door middel van het systeem van ‘uitbesteden’. Een stoffenfabrikant verstrekte ruwe wol, ruwe katoen of vlas aan spinners en wevers. Die maakten er balen stof van, die ze aan de koopman teruggaven. Ze wer­den betaald naar stukwerktarieven. Het geheel was dus grotendeels gebaseerd op huisindustrie.

james watt 23Het spinnen van linnen door een Iers plattelandsgezin. Voor de invoering van de jenny en de mule werd al het spinnen en weven als huisindustrie bedreven.

Over Hargreaves’ tijd en plaats van geboorte en zijn eerste levensjaren is niets bekend. We weten alleen dat hij rond 1760 in het dorpje Standhill in Lancashire woonde. Hij was daar zo’n thuiswe­ver, in het bezit van eigen spinnewiel en weefge­touw. Mogelijk heeft een tijdelijke betrekking bij een katoendrukkerij zijn technische vaardigheid verhoogd. In elk geval kwam in 1764 het idee van een spinmachine bij hem op. Hargreaves kwam op de gedachte dat één enkel wiel een aantal staande spindels moest kunnen aandrijven. Hij bouwde een proefmodel met acht spindels, waarop de draden gesponnen werden van een rij van acht spinrokkens. Alle acht draden konden met de spierkracht van één man of vrouw gespon­nen worden. Een beperking lag in het feit dat het geproduceerde garen nogal grof was en niet zo sterk. Maar Hargreaves kwam met zijn uitvinding precies op het goede ogenblik, in de periode waarin het fabriekssysteem zijn intrede deed. Zijn uitvinding kwam dertig jaar na de invoering van John Kay’s schietspoel, die het weven versnelde door het mechaniseren van het heen en weer be­wegen van de spoel door de schering. Het gebruik van de schietspoel had de vraag naar geschikte ga­rens doen toenemen.

jjames watt 22De spinning jenny, een van de machines die de industriële revolutie mogelijk maakten en het huidige industriële tijdperk inluidden. De vezels liepen in de jenny via een geleidebeugel naar de spindels, waarop ze gewonden werden. Verder rekte en twijnde de jenny de vezels tot draden.

Hargreaves begon zijn machines voor algemene verkoop te bouwen. Hij verbeterde ze zodanig, dat elk ervan tot dertig spindels kon hebben. Al gauw kreeg hij het aan de stok met de thuiswe­vers, die zich in hun broodwinning en hun onaf­hankelijkheid bedreigd voelden. Een groepje van hen brak in 1786 bij hem in en vernielde al zijn machines en werktuigen. Daarop verhuisde Hargreaves naar Nottingham, waar hij een compagnonschap sloot met een zakenman. Ze bouwden een fabriekje waarin de spinmachines gebruikt werden om garens te spinnen voor de textielindustrie.

Helaas stelde Hargreaves het aanvragen van patent op zijn spinmachine nogal lang uit. Pas in 1770 kreeg hij zijn patent. Een jaar na zijn dood – in 1779 – werd Hargreaves’ spinning jenny verbeterd door Samuel Crompton. De garens die met Cromptons machi­ne (spinning mule) werden verkregen, hadden een treksterkte die vergelijkbaar was met die van met de hand gesponnen garens. Deze machine maakte ook gebruik van enkele principes van het zoge­naamde waterframe, een oorspronkelijk door wa­terkracht aangedreven spinmachine die tien jaar daarvoor door Richard Arkwright ontwikkeld was. Met Cromptons ‘spinning mule’ kon één man tot 1000 draden tegelijk spinnen. Hoewel er rond 1812 zo’n 360 fabrieken waren die Cromptons uitvinding gebruikten, trok hij er zelf weinig profijt van. Hij had slechts 60 Engelse ponden ontvangen, omdat de fabrikanten in ge­breke bleven hun beloften aan hem na te komen. Een door het parlement verstrekte subsidie van 5000 Engelse ponden maakte wel wat goed. Maar het meeste ervan stak hij in speculatieve onderne­mingen die failliet gingen.

james watt 24Samuel Cromtons spinning mule in werking. Deze machine was een verbeterde en uitgebreide versie van Hargreaves’ jenny en produceerde een fijnere en ook veel sterkere draad.

Het drietal: Hargreaves, Arkwright en Cromp­ton, met Hargreaves als eerste, maakte door vin­dingrijkheid de enorme bloei van de textielin­dustrie in Noord-Engeland in de 19e eeuw moge­lijk. Het is een deel van het proces van de industri­alisatie, dat de geschiedenis is ingegaan onder de naam ‘industriële revolutie’.

0-0-0

Richard Arkwright 1732-1792

Arkwright, de Engelse uitvinder van onder andere door waterkracht aangedreven spin- en weefmachines, is waarschijnlijk nog het belangrijkst
ge­weest doordat met deze machines een enorme in­dustrie op gang werd gebracht, die vele duizenden werk verschafte.

Arkwright

Richard Arkwrighwerd in december 1732 gebo­ren in Preston, in het graafschap Lancashire, als de jongste van een gezin met 13 kinderen. Hij be­gon zijn loopbaan als reizend barbier en pruiken­maker, waarbij hij alle uithoeken van zijn vader­land bezocht. In elk geval begon hij al in deze pe­riode met zich door zelfstudie verder ontwikke­len. Dat zou hij tot zijn dood blijven doen. De fundamenten voor de mechanisatie van het weven en spinnen waren al gelegd door John Kay met zijn schietspoel en door James Hargreaves met zijn spinning jenny, een spinmachine. Ark­wright wilde nog een stapje verder gaan door de mankracht voor de bediening van de machines te vervangen door een andere krachtbron. Met de hulp van een klokkenmaker – voor de technische moeilijkheden – ging hij aan de slag. In 1769 kreeg hij zijn eerste patent op zijn spinning frame, een spinmachine die niet met de hand bediend werd.

Arkwright 2Arkwrights spinning frame, de eerste spinmachine die door een onafhankelijke krachtbron werd aangedreven. Ten slotte besloot Arkwright dat waterkracht hiervoor het geschiktst was. Daarna werd deze spinmachine water frame genoemd. De machine vormde een van de grondslagen van de moderne textielindustrie.

Omdat er in zijn geboortestreek Lancashire grote weerstanden waren tegen de mechanisatie, die uit­liepen op rellen, richtte hij met een aantal andere zakenlieden een aantal fabrieken op in Nottingham en in Cromford. In het begin gebruikte hij paarden als krachtbron, maar in 1775 schakelde hij over op waterkracht. De machine raakte daar­om bekend onder de naam water frame. De be­langrijkste vernieuwing eraan was feitelijk het ge­bruik van cilinders voor het lostrekken van de ve­zels die naar de spindels gevoerd werden. Dit wa­ter frame was het model waarnaar alle latere spinmachines ontworpen werden. Het gebrek van Hargreaves’ spinning jenny, dat de gesponnen draad alleen als inslag gebruikt kon worden om­dat de draad te zwak was om als scheringdraad voor het weefgetouw te kunnen dienen, was er ook mee overwonnen.

Arkwright was een van de eerste industriëlen. Hij verrichtte op grote schaal pionierswerk op het ge­bied van het fabriekssysteem. Daarmee legde hij de basis voor de niet meer te stuiten opmars van de industrialisatie tegen het eind van de 18e eeuw en in het begin van de 19e eeuw. In 1773, toen grove wollen stoffen uit de mode raakten, begon Arkwright met het vervaardigen van calicot, een fijne, witte, gemakkelijk te ver­werken stof van katoen, waar onmiddellijk grote vraag naar was. Ruw katoen was inmiddels in grote hoeveelheden verkrijgbaar van de slavenplantages in West-Indië en het zuiden van Noord-Amerika. Binnen enkele jaren vormde het weven van katoen de belangrijkste industrie in het noor­den van Engeland. Rond 1840, zo’n 50 jaar na Arkwrights dood, verzorgde deze industrie 40 procent van de totale Britse export. Er is veel kritiek op Arkwright uitgeoefend omdat hij uitvindingen van anderen zou hebben overge­nomen en gebruikt. Maar het feit blijft dat hij die uitvindingen bruikbaar en winstgevend maakte en dat hij het hele systeem opbouwde waarin dat kon gebeuren. Na zijn eerste patent van 1769 ver­kreeg hij er nog meer, maar die werden voortdu­rend geschonden en aangevochten. Toen hij naar de rechtbank ging om zijn recht te halen, luidde het vonnis in zijn nadeel. In 1785 werden al zijn patenten nietig verklaard.

Hoewel Arkwright rechtstreeks verantwoordelijk was voor de vestiging van het fabriekssysteem, dat het ambacht van de thuiswevers en -spinners ondermijnde en uiteindelijk te gronde richtte, werd Arkwright algemeen erkend als een goede en loyale werkgever. Hij had eens 5000 werknemers in zijn fabrieken. Hij hield voortdurend in het oog dat deze mensen moesten worden voorzien van behoorlijke behuizing en goede
arbeids­omstandigheden. In ruil eiste hij wel de grootst mogelijke doelmatigheid en voortvarendheid. In 1785 was Arkwright de eerste die de nieuwe stoommachine van James Watt gebruikte om er de machines van een katoenfabriek mee aan te drijven. Dat gebeurde in zijn fabriek in Nottingham. In 1786 werd Arkwright in de adelstand ver­heven, en het jaar daarop werd hij benoemd tot sheriff van Derbyshire, waarin zijn woonplaats Cromford lag. Daar bouwde hij een kasteel – Willersbey Castle – als woning. Ook bekostigde hij de herbouw van de plaatselijke kerk, St. Mary’s church. Hij stierf op 3 augustus 1792 op Willersbey Castle.

Arkwright 3Boven: klos- en draadtrekmachines
Onder: het bedrukken van de stof

Katoenfabriek tijdens de industriële revolutie:

Arkwright 4Het schoonmaken van de vezels in een machine waarin rollen met draadtanden ronddraaien. Dit heet het kaarden.

James Watt 1736-1819

De Schot James Watt was de uitvinder van de moderne stoommachine. Hij veranderde en ver­beterde reeds bestaande stoommachines zodanig, dat ze echt doelmatig werden. Het is wel zeker dat de industriële revolutie pas goed kon doorzetten, toen hij met zijn werk de noodzakelijke, doeltref­fende krachtbron ter beschikking stelde.

James Watt werd op 19 januari 1736 geboren in Woodall, aan de rivier de Clyde in Schotland. Zijn vader was daar scheepsbouwer en -eigenaar. Omdat hij zwak van gezondheid was, kreeg hij zijn eerste onderricht thuis, van zijn moeder.

Wat later ging hij toch nog naar de middelbare school, waar hij vooral in de wiskunde uitblonk. Zijn eerste technische kennis vergaarde hij in de
werk­plaats van zijn vader, waar hij zelf modellen bouwde van objecten als hijskranen. In 1755 ging hij naar Londen, waar hij in de leer ging om
in­strumentmaker te worden. Twee jaar later keerde hij terug naar Schotland. Hij opende er binnen de universiteit van Glasgow een werkplaats voor het maken en repareren van instrumenten. In 1764 kreeg Watt van een klant een stoomma­chine ter reparatie in zijn werkplaats. Het was een exemplaar van de machine die in het begin van die eeuw door Newcomen uitgevonden was. Watt be­sefte dat er ontzaglijk veel energie verloren ging doordat de zuiger beurtelings verhit en afgekoeld moest worden. Hij ging zoeken naar een andere oplossing. Een jaar later had hij die gevonden. Hij liet de stoom niet meer in de cilinder zelf con­denseren, maar in een aparte condensatiekamer, die met de cilinder in verbinding stond. Watt bouwde een demonstratiemodel van zijn machine, dat hij in 1769 patenteerde als ‘een nieu­we methode om het verbruik van stoom en brandstof te verminderen in vuurmachines’. Zijn vernieuwing leverde inderdaad een brandstof­besparing op van 75 procent. Zijn machine trok de aandacht van een ingenieur en fabriekseige­naar, Matthew Boulton, in Birmingham. Hij kocht een aandeel in Watts patent om de mogelijkheden van diens machine voor zijn fabriek onderzoeken.

In 1775 aanvaardde hij een compagnonschap met Boulton, wiens fabriek in Birmingham een grote naam had om de kwaliteit van haar metalen producten, van munten en knopen tot Sheffield-tafelgerei en zilverwerk. Al gauw werd Watts stoommachine er ook vervaardigd, waarbij ook deze onderneming voorspoedig opbloeide.
Kort nadat Boulton en Watt een compagnonschap waren aangegaan, namen ze een jonge technicus in dienst, William Murdock geheten. Met Murdocks hulp verkregen ze contracten voor het plaatsen van Watts machine in de tin- en kopermijnen van Cornwall. Ze vervingen daar vele van de oude Newcomen-machines, die daar al 50 jaar dienst hadden gedaan.
Watt werkte voortdurend aan het verbeteren zijn machine. Toen Boulton voorzag dat er in de industrie behoefte zou zijn aan een ronddraaiende as in plaats van een zuigerstang die beperkt was tot een recht op- en neergaande beweging, construeerde Watt het mechanisme dat in die verandering van soort van beweging voorzag: het planeetwiel. Vervolgens ontwikkelde hij de zuig-perscilinder, waarin de stoom beurtelings aan de beide zijden van de zuiger ingelaten wordt. Daardoor werd het vermogen van zijn machine sterk vergroot.
Verder ontwikkelde hij centrifugaal-regulateur, een onderdeel dat de snelheid van de stoommachine  automatisch constant houdt door het regelen van de stoom toevoer. Verder ontwikkelde Watt ook nog een drukmeter.

Door de veelzijdige bruikbaarheid en het hoge rendement van Watts stoommachines, vonden ze een enorm aantal verschillende toepassingen toen de industrialisatie hand over hand toenam. Zo werden ze gebruikt in papierfabrieken, de meelindustrie, katoenindustrie, ijzerfabrieken en
ijzer­gieterijen, graanstokerijen en bij de aanleg van kanalen en andere waterwerken. Aan het eind van de 18e eeuw waren er bijna 500 machines
ge­bouwd.
Watt was toen een gefortuneerd man. Hij had in 11 jaar 76.000 pond aan rechten op zijn pa­tent ontvangen. De erkenning kwam ook: in 1785 werden hij en Boulton gekozen tot lid van de Royal Society.

Nadat Watt met zijn vrouw wat door Europa had gereisd, trok hij zich terug in zijn buitenhuis in Heathfield. Daar werkte hij nog jaren in een
zelf­gebouwde werkplaats op de vliering van zijn woning, waar hij ook nog zeer productief was. Hij maakte een machine waarmee borstbeelden en dergelijke beeldhouwwerken nauwkeurig geko­pieerd konden worden. Verder nog een kopieer­pers, die met behulp van een speciale inkt kopieën maakte. Hij stierf in zijn woning, op 25 augustus 1819. Hij werd begraven naast zijn compagnon, Matthew Boulton, in een kerk nabij Birmingham. In de Westminster Abbey in Londen werd een borstbeeld van hem geplaatst. De eenheid van elektrisch arbeidsvermogen, de watt, werd te zij­ner ere zo genoemd.

Hargreaves en Arkwright

geschiedenis 8e klas: alle artikelen

geschiedenis: alle artikelen

.

511-472

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Mineralogie – 6e klas (2)

.
Uiteraard zijn dit veel meer mineralen dan je ooit zou kunnen behandelen. Het gaat in de periode niet om enorme hoeveelheden, maar juist enkele waar je voldoende aandacht aan kan besteden.
Ik had er zelf veel in mijn (papieren) verzameling en die wil ik hier toch weergeven. De wat gedateerd aandoende illustraties geven wel mooi de  mogelijkheid op bord prachtig te tekenen.
Uit dit boekje: 

De link brengt je bij de betreffende afbeelding.

agaat (6x)
almandien
amalgaam
amethist (3x)
antimoon (2x)
analeim
andalusiet
apatiet (2x)
auripigment
bergkristal/kwarts (3x)
beryl
biotiet
bloedsteen
bruinijzersteen
cassiteriet (tinsteen)
cerussiet
chrysoliet (2x)
chrysopraas
coelestien
cyaniet
desmien
diamant (2x)
dioptaas
edelstenen
epidoot
fluoriet (vloeispaat)
gips
glimmer
goud (2x)
granaat (karbonkel)
hessoniet
hoornblende
hoornsteen
houtsteen
hyacint/zirkoon
ijzerkiezel
ijzeruitslag
jaspis
kalaiet
kalkspaat (2x)
karbonkel (zie granaat)
kiezelzinkerts
kobaltuitslag
kogelgraniet
koper
koperkies
koperlazuur
kopervitriool
korund (2x)
kwarts-bergkristal (3x)
labradoriet
lapis lazuli
lazuliet
leuciet
lood (geen ill.)
looderts geel
loodglans (2x)
magnetiet (magneetijzererts) 3x
malachiet
meteoorijzer (2x)
molybdeenglans
muskoviet
natroliet
oliveniet
olivien
onyx
opaal (3)
parel
perowskiet
pyriet
pyrolusiet
pyromorfiet
pyroxeen
realgar
robijn
roodguldigerts
rookkwarts
rubelliet
saffier
sardius (robijn)
sardonix
scheeliet
sideriet (ijzerspaat)
smaragd
sodaliet
spaatijzersteen
spiesglans
spijskobalt
steenzout (2)
tin (geen ill)
titaniet
toermalijn (3x)
topaas  (2x)
turkoois
uraanpekerts
vermiljoen (2)
versteend hout=houtsteen=fossiel hout (2x)
vesuviaan
vivianiet (blauwijzererts)
vloeispaat (2x)
zilver (2x)
zinkblende
zinkspaat
zinkvaalerts
zirkoon (zie hyacint)
zwavel

agaat

mineralogie agaat

In de agaat hebben we de kiezelsubstantie niet in de strenge vorm, waarin ze bv. in het bergkristal optreedt voor ons, maar meer als een gestolde vloeistof, ze vormt hier zeer fijne lagen en geeft aan het mineraal een organisch aandoende vorm.
Weledaberichten nr. 100, 04-1974
.

agaat 2

In de agaat verschijnt de kiezelsubstantie niet in de strakke vorm, zoals wij die bv. bij de bergkristal vinden, maar meer als een gestolde vloeistof. Van buiten is dit mineraal tot onaanzienlijke knollen verstard. De schoonheid van de ritmisch getekende en dikwijls sterk gekleurde lagen, die soms haast op organische vormen lijken, wordt pas zichtbaar, als men de bollen openmaakt en polijst. De bekendste vindplaatsen zijn in Idar-Oberstein en Brazilië.

(Weledaberichten nr.124 12-1981)

.
De agaat dankt zijn naam aan de kleine rivier Agates in Sicilië. In zijn bedding werd deze siersteen ontdekt.

Agaat wordt op verschillende plaatsen gevonden, o.a. in Brazilië en Madagaskar; er zijn grote groeven in India.

Ook dichterbij: in de omgeving van Idar-Oberstein, Duitsland waar sedert de 17de eeuw een industrie ontstond voor het bewerken en slijpen van edelstenen, die daar gevonden werden.

De groeven rond Idar zijn inmiddels uitgeput geraakt. Maar nog steeds is dit schilderachtige stadje een middelpunt van handel en bewerking van kostbare stenen. Amateurs kunnen in de omgeving nog allerlei moois vinden voor hun verzamelingen.

Agaat is ontstaan in holle ruimten en kloven van rotsachtige gesteenten. Deze liepen vol met kiezelzuur, dat kristalliseerde na verdamping van het water.

Het gebeurde dikwijls dat zo’n holte in het gesteente niet helemaal gevuld werd in de loop van de tijd; er vormden zich dan binnenin prachtige zuiltjes van bergkristal en amethist.

agaat-3

Deze opgevulde holten werden geoden genoemd. In het Heimatmuseum te Idar-Oberstein zijn daarvan fantastisch mooie voorbeelden te bewonderen. Agaat is gewoonlijk mooi gelaagd en gestreept. De gestreepte tekening ontstond, doordat zich telkens weer een laag van een andere kleur over de vorige heeft afgezet. Het gevolg hiervan was het fascinerend kleurenspel van de verschillende lagen.
.

Men noemt dat ritmische kristallisatie: eerst b.v. een gele band, naverloop van tijd een dikkere band, grijs, bruin, maar altijd in verrassende harmonie.

Agaat uit Brazilië. Originele hoogte 10,2 cm. Van buiten gezien is het een grote keisteen, maar deze is doorgezaagd en laat zien, hoe de gekleurde banden lopen.

agaat 6

 

agaat-4

Geslepen agaten. De rijkdom aan variaties is goed zichtbaar

agaat-5

vogel, gesneden uit agaat

Deze steen prijkte als achtste op het borstschild van de hogepriester Aaron.

Grieks: achatès
Hebreeuws: schebo
Exodus 28: 19

Hardheid: 7
Chemische formule: Si02

0-0-0

almandien

Almandien. Prachtige kristallen van ijzeraluminiumgranaat, („edele” granaat of karbonkel). Vooral in gneiss. Regulair.

0-0-0

amalgaam

amalgaam 1

0-0-0

amethist

amethist

Amethist is een variëteit van het bergkristal, die door sporen van zware metalen violet is gekleurd. Deze bijzondere kleur die van het teerste violet tot bijna in donkerpaars overgaat, heeft de mens steeds in verrukking gebracht. In de oudheid gold de amethist als een amulet tegen dronkenschap en ook zou het bezit ervan het vormen van verstandige gedachten bevorderen.

(Weledaberichten nr.110 12-1976)
amethist 2

(zelfde tekst als boven)

(Weledaberichten nr.121 09-1980)

.

amethist 5

0-0-0

analeim

Analeim. Tetragonale kristallen van een zeer samengesteld silicaat.

0-0-0

andalusiet

0-0-0

antimoon

mineralogie antimoon

Antimoon – in vroeger tijden door de alchemisten, ook nog door Paracelsus zeer gewaardeerd – is in de loop der laatste eeuwen vrijwel geheel in vergetelheid geraakt. Rudolf Steiner heeft door essentiële en uitvoerige aanwijzingen voor de arts weer een toegang tot dit metaal gewezen. Het vervult in de antroposofische geneeskunde een voorname rol. Het belangrijkste erts is het antimoniet, dat een fijnstralige structuur heeft. De belangrijkste vindplaatsen daarvan zijn in het Oostenrijkse Burgenland, Roemenië, China en Japan.

(Weledaberichten nr.103 12-1974)

Antimoniet is de bekendste zwavelverbinding van antimoon. In de stralenvormige, spitse, dikwijls ook haarviltachtige verschijningen komen vormgevende krachten tot uiting waarvoor het mineraal zich in hoge mate heeft opengesteld. Antomoon stond vroeger bij de artsen – ook Paracelsus – hoog in in ere, raakte echter in de loop van de tijd bijna geheel in vergetelheid. Rudolf Steiner heeft door nieuwe en hoogst wezenlijke aanwijzingen dit metaal weer toegankelijk gemaakt voor de arts. In de antroposofisch georiënteerde  geneeskunst speelt het een belangrijke rol. De bekendste vindplaatsen liggen in het Burgenland, Roemenië,China en Japan.

(Weledaberichten nr.124 09-1981)
antimoon2

Antimoniet (antimoongians) is een verbinding van antimoon en zwavel. In de straalvormige, puntige structuren komen vooral de vormgevende krachten uit de omgeving tot uiting die bij het ontstaan van dit mineraal betrokken waren. De stift- of ook naaldvormige delen, die kenmerkend zijn voor antimoniet, hebben een metaalachtige glans en kunnen ook bonte aanloopkleuren vertonen. Reeds rond drieduizend jaar v. C. was antimoniet bekend als geneesmiddel. In de oudheid gebruikten de vrouwen antimonietpoeder om er hun wenkbrauwen en wimpers mee te verven. Naast andere antimoonverbindingen werd antimoniet tot in de tijd van Paracelsus als geneesmiddel toegepast. Later raakte het bijna geheel in vergetelheid. In de antroposofisch georiënteerde geneeskunst speelt het weer een belangrijke rol o.a. ter ondersteuning van de eiwitprocessen in het organisme. De belangrijkste vindplaatsen van dit erts zijn het Burgenland, China, Bolivia en Japan.

(Weledaberichten nr.132 04-1984)

0-0-0

apatiet

mineralogie apatit

 

Het mineraal apatiet, (Calcium fluorfosfaat)is in bijna alle eruptieve gesteenten te vinden. De natuurlijke fosforzure kalk ondersteunt de krachten bij het vormen van de beenderen. In Weleda kalkvoedingszout 1 wordt hij, afwisselend met de kalk van oesterschelpen, die de substantie vormende krachten naar de beenderen voert, (Weleda kalkvoedingszout 2), toegediend ter ondersteuning van de kalkstofwisseling.

(Weledaberichten nr. 99, 12-1973)
.

Dezelfde afbeelding met dit onderschrift: De apatiet, in ’t Grieks ‘de misleider’, heeft terecht die naam. Door de verschillende vormen waarin hij verschijnt heeft hij lange tijd de mineralogen misleid. Nu eens is hij glashelder, dan weer troebel of zelfs geheel ondoorzichtig. Hij kan ook allerlei kleuren vertonen: geelgroen, blauwgroen, violet en zelfs steenrood. Scheikundig bezien is de apatiet een calcium-fluor-chloor-fosfaat van wisselende samenstelling. Hij komt in bijna alle vulkanische gesteenten voor – grote hoeveelheden ervan worden gevonden in Noorwegen en Zweden. Apatiet kan als de drager van de fosfor in het minerale rijk gezien worden. Ook in de fijnere structuur van de beenderen komt apatiet voor. Hij is buitengewoon sterk en heeft een bijzondere relatie tot lichtprocessen. Daardoor is de apatiet een van de wezenlijke substanties voor de opbouw van het beenderstelsel en voor de opgerichte menselijke gestalte. In Weleda Kalkvoedingszout I ondersteunt de apatiet, die daarin met kalebas­bloesem is verwerkt, de vormgevende krachten die het beenderstelsel nodig heeft. De kalk van oesterschelpen, die in verbinding met eikenschors een bestanddeel van Weleda Kalkvoedingszout II is. bevordert op zijn beurt de krachten die substantie vormen. Weleda Kalkvoedingszout I en Il wordt afwisselend ingenomen. De beide preparaten tezamen stimuleren de kalkstofwisseling.

(Weledaberichten nr. 116 12-1978)
.
apatiet. 2 jpg

0-0-0

auripigment

auripigment

0-0-0

bergkristal

ergkristal

De verwantschap met het licht, die bij de kwarts (kiezelzuur) zo sterk tot zijn recht komt, laat zich goed aflezen aan het bergkristal. Dit streng gevormde, heldere, geheel lichtdoorlatende kristal is als het ware een vertegenwoordiger van kosmische krachten in onze aarde. Zogezien verkrijgt het feit dat driekwart van de aardkorst uit kwarts en silicaten (kwartsverbindingen) bestaat, een bijzondere betekenis.

(Weledaberichten nr. 104 03-1975)
.

Zelfde illustratie, andere tekst: De veelheid van stoffen en de rijkdom aan vormen van het minerale rijk worden duidelijk beheerst door de kiezel. Zelfs de laag van de aarde die het meest levend is, de humus, bevat kiezelige substanties als een wezenlijk bestanddeel. Tengevolge van de eigenschap van de kiezel om verschillende structuren op te bouwen, is er een groot aantal kristalvormen, die dikwijls op plantaardige vormen lijken. Bij de bergkristal daarentegen wordt het zuivere vormprincipe van de kiezel zichtbaar. Het wordt hier niet door de aanwezigheid van andere elementen beïnvloed, want siliciumdioxide, de zuurstofverbinding van silicium, is de enige bouwsteen. Het is stellig niet toevallig, dat de Grieken in de glasheldere bergkristal het oerbeeld zagen van al wat kristal is. De relatie van de kiezel met de zintuigen, de huid en het bindweefsel opent het perspectief voor de veelzijdige toepassing van dit mineraal in de therapie en bij de huidverzorging.

(Weledaberichten nr. 123 04-1981)
.

Bergkristal. Zowel de gedaante van de aarde als de eigenschappen van de bodem worden in hoge mate bepaald door de grote verscheidenheid van kiezelverbindingen.
Het metaal silicium is de grondslag voor alles wat kiezelhoudend is. Met andere metalen vormt het de zogenaamde silicaten, bijvoorbeeld veldspaat en glimmer.                                                    \
Als het silicium zich echter alleen met zuurstof verbindt, ontstaat siliciumdioxide, de stoffelijke basis voor alles wat kwarts is. Als daarin geringe hoeveelheden van alle mogelijke metalen worden opgenomen ontstaan de fraaigekleurde kwartsvariëteiten: violette amethyst, gele citrien, rozenkwarts, grijsbruine rookkwarts en de bijna geheel zwarte morion. De zuivere, glasheldere bergkristal is evenwel de bekroning en een beeld van het gelouterde minerale rijk. Hij heeft een bijzondere relatie met het licht, laat ook het chemisch actieve gedeelte van het licht, de zoge­naamde ultraviolette stralen, ongehinderd door.
Bij nadere bestudering van de kristalvorm kan men ook exemplaren vinden die elkaars spiegelbeeld zijn. Men spreekt dan van “rechtskwarts” en “linkskwarts”.
Bekende vindplaatsen van mooi gevormde groepen bergkristal zijn de Alpen, Elba, Madagaskar en Minas Gerais in Brazilië.
De duidelijke relatie van bergkristal met het licht wordt benut in de therapie van de naar de buiten­wereld geopende zintuigen en van de huid.

(Ekkehard Wagner, apotheker, Weledaberichten nr.148 09-1989)
.
bergkristal 3

0-0-0

bergkristal/kwarts

Openbaring 4 : 6 en 21:11
Grieks: kristallos
Hardheid: 7
Chemie Si02

Kwarts is het meest gewone en verbreide mineraal op aarde. Het beslaat ongeveer 12% van de hele aardkorst. Het meeste zand van de oceanen en van alle stranden bestaat uit korreltjes kwarts. Het is gesteentevormend in graniet, zandsteen enz.

De glasindustrie gebruikt grote hoeveelheden kwarts in de vorm van zand.

De stam waarvan het woord kwarts afkomt, is ‘hard’.

De kwartsgroep levert van alle mineralen de meeste edel- en sierstenen.

Een deel bestaat uit doorzichtige kristallen, het andere uit ondoorzichtige of hoogstens doorschijnende stoffen.

De mooi gekristalliseerde vormen van kwarts, zoals het glasheldere bergkristal, de donkere rookkwarts, de violette amethist, zijn in kloven en holten ontstaan.

Ook de rookgrijze tot donkerbruine en zwarte rookkwarts laat zich tot fraaie sierstenen slijpen. De belangrijkste vindplaats daarvan is in de Zwitserse Alpen

In de reinste, zuiverste, kreeg het kwarts de naam bergkristal. Het is zeer zuiver gekristaliseerd kiezelzuur. De Grieken dachten dat het versteend ijs was en noemden het Kristallos, wat betekent zuiver ijs, of helder ijs.

Later werd dit mineraal algemeen ‘kristal’ genoemd.

Er is zelfs een wetenschap mee verbonden, die heet kristallografie.

Uit een advertentie.
Zo werkt het moderne horloge: Een heel klein (3 tot 5 mm) kwartskristal wordt door stroom van een batterijtjc tot trillen gebracht.
Maar liefst 32.768 maal per seconde!
De trillingen worden door een mini-motorlje (in wijzerhorloges) of door een electronisch circuit (in digitaal horloges) vertaald in tijd. Precisiegraad 99,9998%. Zo zit dat.

Bergkristal wordt microscopisch klein gevonden maar ook in kristallen tot een gewicht van vijf ton.

Het wordt vooral in Brazilië en Madagaskar gevonden, hoewel minder belangrijke vindplaatsen over de hele wereld verspreid zijn.

In de edelsteenslijperijen wordt het tot veelsoortige artikelen verslepen.

Kelken en ander vaatwerk, sierstukken voor kroonluchters enz. worden uit bergkristal geslepen.

In Openbaring 4 wordt een deur geopend en mogen we de hemel binnenkijken. Na de beschrijving van Hem die op de troon zit, lezen we in vers 6 dat vóór de troon een glazen zee was, aan kristal gelijk. Er worden twee stoffen genoemd: glas, een gefabriceerd product, en kristal, dat een in de natuur gevonden mineraal is, niet door mensenhanden gemaakt. De hier genoemde zee is een herinnering aan de zogenaamde koperen zee ten tijde van Salomo (1 Koningen 7 : 23), die diende om de onreinheid af te wassen. Dat is in de hemel niet meer nodig en daarom is het water veranderd in glas. In de hemel is alles rein en hoeft niets meer afgewassen te worden. En die zee is als kristal. Dit ziet ongetwijfeld op de verheven schittering en loutere schoonheid, die in overeenstemming is met de heilige natuur van God. Zo wijst ook het kristal van de rivier uit Openbaring 22 : 1 naar het Goddelijk karakter van deze rivier: ze gaat uit van God en van het Lam.

bergkristal-2

Bergkristal uit Brazilië. Originele hoogte 16,5 cm. Uit de verzameling van Hein Gaertner, ldar-Oberstein.

 0-0-0

beryl

Openbaring 21:20
Grieks: berullus
Hardheid: 8
Chemie AL2Be3 (Si6O18)

Van de berylgroep zijn vooral de smaragd en de aquamarijn bekend.

Het is aan te nemen dat we onder de bijbelse naam beryl de aquamarijn moeten verstaan.

In het oude Rome werden doorzichtige beryllen als een soort toneelkijker bij de circusvoorstellingen gebruikt. Zo is uit beryl de naam bril ontstaan.

Behalve voor een groep van zeer waardevolle edelstenen is het mineraal beryl belangrijk voor de winning van het gezochte lichtmetaal beryllium dat toegepast wordt in raketten, straaljagers en in de reactortechniek.

Beryl is de achtste steen van de fundamenten van het Nieuw Jeruzalem.

bergkristal-2

Goudberyl op bergkristal. Vindplaats: Minas Gerais, Brazilië. Originele grootte 15 bij 16 mm. Lengte van het kristal 9 mm. Verzameling Hein Gaertner.

beryl-2

Beryllen.
De gele heet goudberyl, de groene heliodoor, de kleurloze gosheniet, de roze morganiet.

Beryl. Kristallen van beryllium-aluminiumsilicaat. Een der variëteiten is smaragd.

0-0-0

biotiet

Biotiet. Magnesia-ijzerglimmer. Eveneens belangrijk bestanddeel van eruptief-gesteenten, o.a. biotiet-graniet (ook in ons land).

0-0-0

bloedsteen

bloedsteen 1

0-0-0

bruinijzersteen

bruinijzersteen

0-0-0

cassiteriet (tinsteen) 

kassiteriet

 

Cassiteriet (tinsteen) is het belangrijkste tinerts, dat reeds in de oudheid werd gedolven. De Phoeniciërs haalden het van de ‘Cassiteriden’ de legendarische tineilanden. Dit zeer harde en zware metaal is meestal geelbruin tot bruinzwart, soms doorschijnend en een enkele keer zelfs kleurloos. Het wordt altijd in kwartsrijke granieten gevonden. Veel van zijn eigenschappen wijzen op een verwantschap met kwarts. Tin verbindt zich niet zoals alle andere zware metalen met de zwavel als partner, maar gelijk het silicium bij de kwarts, gaat het een verbinding met de zuurstof aan. De belangrijkste vindplaatsen zijn Achter-Indië en Bolivia. De therapeutische betekenis van het tin ligt vooral in zijn bemiddelende werking op processen in het menselijke organisme, die zich tussen het vloeibare en het vaste afspelen, zoals bv. in het kraakbeen het geval is.

(Weledaberichten nr. 129 04-1983)
cassiteriet2

Tin (Stannum) behoort tot de metalen die al in de vroege oudheid werden gebruikt. Een legering van koper en tin, het brons, heeft aan een heel tijdperk zelfs een naam gegeven. De Foeniciërs haalden het erts van de “Cassiteriden”, de sagenrijke tineilanden. De naam cassiteriet voor het belangrijkste tinerts, tinsteen, herinnert hieraan nog. Dit mineraal is meestal geelbruin tot bruin­zwart en doorschijnend, in zeldzame stukken zelfs kleurloos. Men vindt het bijna uitsluitend in kwarts­rijk graniet. Vanwege zijn hardheid en zijn groot gewicht komt tinsteen na oppervlakkige verwering veel voor in de bedding van stromend water. Het kan daar in zuivere toestand als zogenaamd zeeptin worden gewonnen. Veel eigenschappen van cassiteriet duiden op verwantschap met kwarts. Tin geeft niet zoals alle andere zware metalen de voorkeur aan zwavel als partner, maar gaat een verbinding aan met zuurstof, zoals silicium dat bij kwarts doet.
In de bloeitijd van de tinertswinning waren het Ertsgebergte en Cornwall in Engeland de belang­rijkste vindplaatsen. Tegenwoordig komt ongeveer 2/3 van de wereldproductie uit Zuidoost-Azië. In Bolivia, de op één na belangrijkste tinleverancier, wordt het in verbinding met zink, zilver en antimoon gevonden, niet in de vorm van zeeptin, maar als hydrothermale of subvulkane verschijning. De therapeutische betekenis van tin ligt vooral in zijn bemiddelende werking op de processen in het menselijke organisme die zich afspelen tussen het vloeibare en het vaste.

0-0-0

cerussiet

Cerussiet. Tetragon. kristallen van ’t belangrijke looderts Pb CO2

0-0-0

chrysoliet

chrysoliet

 

Chrysoliet (letterlijk: goudsteen) noemt men de zeer heldere lichtgroene, ook goudgroene variëteiten van de olivien, die als siersteen zeer in trek is. Olivien zelf in zijn onedele vorm (ook wel peridoot genaamd) is een veel voorkomend mineraal, dat in magmatisch gesteente, basaltgesteente en ook in meteorieten voorkomt. Chrysoliet is een magnesium-ijzer-silicaat. Hoe meer ijzer het bevat, hoe meer kleur van groen naar geel, zelfs tot roodbruin overgaat. Chrysoliet is de enige edelsteen die ook in steenmeteorieten voorkomt. In de pallasiet van Krasnojarte in Siberië, die uit een merkwaardige verbinding van ijzer en chrysoliet bestaat, zijn grote korrels van dit mineraal gevonden. Het was mogelijk deze te verslijpen. Zo’n chrysoliet van hemelse oorsprong is zeldzaam. De belangrijkste vindplaats waar de mooiste exemplaren vandaan komen is het eiland St.John in de Rode Zee, daar werd deze edelsteen vermoedelijk al in de tijd der farao’s gevonden.

(Weledaberichten nr.114 03-1978)

.

Openbaring 21:20

Hebreeuws: tarsjisj
Grieks: chrusolutos
Hardheid: 6,5
Chemie (MgFe)2Si04

De naam komt van chrusos = goud en lithos = steen, dus goudsteen.

Er zijn grote doorschijnende exemplaren in olijf- en mosgroen.

Veel gemmologen (edelsteenkundigen) menen dat het hier gaat om de tegenwoordig in de handel zo genoemde peridoot.

3500 jaar geleden werden deze peridoten al gewonnen. De oudste vindplaats is het eiland Zebirget (of Sint John) in de Rode Zee.

De kruisvaarders brachten deze stenen mee naar huis.

Chrysoliet is de achtste steen van de fundamenten van het Nieuw Jeruzalem.

Peridoot. Andere namen hiervoor zijn chrysoliet, olivijn.
Vindplaats Egypte. Orig. hoogte 19 mm.

In GA 96 zegt Steiner over chrysoliet:

Während sich in der Erdenevolution immer etwas Neues am Men­schen gebildet hat, hat sich auch entsprechend Neues draußen in der Natur um ihn her gebildet. Zuerst entstand die Anlage des mensch­lichen Auges auf dem Sonnenplaneten. Der Ätherleib bildete sich als erstes heraus, und dieser hat wieder das menschliche physische Auge gebildet. Wie ein Stück Eis aus dem Wasser heraus gefriert, so sind die physischen Organe aus dem feineren Ätherleib heraus gebildet. Innen im Menschen bildeten sich die physischen Organe, draußen wurde die Erde fest. In jeder Zeit geht die Bildung eines Organs im Menschen und draußen in der Natur die Bildung bestimmter Konfigu­rationen parallel. Während im Menschen das Auge veranlagt wurde, bildete sich im Mineralreich der Chrysolith. Daher kann man sich denken, daß dieselben Kräfte, die draußen die Natur des Chrysoliths zusammenfügen, im Menschen das Auge bilden.

Hoewel er tijdens de evolutie van de aarde altijd iets nieuws is ontstaan ​​in de mens, hebben zich ook in de natuur om ons heen overeenkomstige nieuwe dingen gevormd. Ten eerste ontstond de basis van het menselijk oog op de zonneplaneet. Het etherische lichaam was het eerste dat zich ontwikkelde, en dit vormde op zijn beurt het menselijke fysieke oog. Net zoals een stuk ijs bevriest door water, zo worden de fysieke organen gevormd vanuit het subtielere etherische lichaam. In de mens vormden de fysieke organen zich, terwijl daarbuiten de aarde stolde. In elke fase van de tijd vinden de vorming van een orgaan binnenin de mens en de vorming van specifieke configuraties in de natuur parallel plaats. Terwijl de basis van het oog binnenin de mens werd gelegd, vormde zich chrysoliet in het mineralenrijk. Daarom kan men zich voorstellen dat dezelfde krachten die de aard van chrysoliet in de natuur vormen, ook het oog in de mensheid vormen.
GA 96/159
Niet vertaald

0-0-0

chrysopraas

Openb.21:20
Grieks: chrysoprasos
Hardheid: 6,5
Chemie: Si02

Chrusos = goud en prasos = loof of prei. Hij is doorschijnend, met een appelgroene kleur.
Het groen wordt veroorzaakt door een spoor van aanwezig nikkel.
Tegen het licht ziet hij er gewoonlijk wat wolkachtig uit, soms met bruine adertjes.
De chrysopraas is een van de mooiste stenen van de kwartsgroep.
Foutvrije chrysoprazen zijn zeldzaam en daardoor tamelijk kostbaar.
Een fraaie kwaliteit komt uit Queensland, Australië.
Deze steen vormde het tiende fundament van de eeuwige stad.

chrysopraas, vindplaats Australië, originele hoogte 11, 4cm

0-0-0

coelestien (Celestien)

coelestien 1

0-0-0

Cyaniet

(distheen). Monokline kristallen van een aluminiumsilicaat.

0-0-0

desmien

Desmien. Monokline kristallen van een samengesteld silicaat.

0-0-0

diamant

Diamant Exodus 28: 18
Hebreeuws: jahalom
Grieks: adamas
Chemie: C (gekristalliseerde koolstof)
Hardheid: 10

De diamant is wel de meest bekende en begeerde edelsteen. De schoonheid van de diamant is door de eeuwen heen als iets zeer bijzonders beschouwd.

Hij is de zesde steen van het borstschild van de hogepriester en de eerste bij de grondvesten van de heilige stad.

Zijn enorme hardheid, zijn lichtbrekend vermogen, de flonkering (het ‘spel’) trekt de mensen steeds weer aan.

Diamant is de enige edelsteen die slechts uit één element bestaat, namelijk uit koolstof.

Ook potloodgrafiet is zuiver koolstof; het enige verschil is dat de atomen bij diamant veel nauwer saamgebonden zijn. Wat een wonder is het, dat deze zwarte en vuile, waardeloze kool die uit de diepste diepten komt, samengeperst onder een druk van tienduizenden atmosferen en bij een temperatuur van duizend tot tweeduizend graden, met zijn fonkelende pracht tot dit prachtige gesteente wordt.
De oorsprong van het woord diamant heeft de betekenis van ‘onoverwinnelijk’ ook ‘onverbiddelijk, onverzettelijk’.

Dit is het hardste materiaal van de aarde. Waar worden ze gevonden? Veelal diep onder de grond in kraterpijpen, soms wel aan de oppervlakte van de aarde, b.v. aan de rand van uitgewerkte kraters en vulkanen.

Vanaf de oudste tijden tot aan de achttiende eeuw waren in India de enige vindplaatsen van diamant. Nu kan men noemen Zuid-Afrika, Brazilië, Australië, Siberië, Siërra Leone, Zaïre.

Bij Kimberley in Zuid-Afrika begon men in 1866 met primitieve middelen te graven. Massa’s gelukzoekers uit alle landen stroomden toe na de ontdekking van de diamantvelden. Koortsachtig werd met handkracht gegraven en velen vonden een fortuin. Later werd alles georganiseerd en ontstonden grote maatschappijen die de mijnen aankochten.

Machtige graaf- en boormachines doen nu het voornaamste werk.

Een voorbeeld van een moderne werkwijze vindt men in Zaïre.

Daar is diamanthoudend grind, maar dit wordt bedekt door kilometers lange en brede lagen onvruchtbaar zand. De eerste opgave is, daar de ongeveer 20 m dikke laag zand weg te werken. Hiertoe heeft men automatisch bestuurde graafmachines, gecombineerd met bulldozers. Hun gewicht is meer dan 600 ton. Deze machines hebben een bereik van 54 m breedte en 15 m diepte. Per uur halen ze 450 m3 aarde weg.

Zo ziet men, dat tegenwoordig het diamant niet voor het opscheppen ligt. Men moet in het ene land 150 miljoen kg zand verplaatsen om 1 kg diamant te kunnen winnen, elders moet men ongeveer 8 miljoen kg gesteente verwerken met behulp van kostbare machines om 1 kg diamant te verkrijgen.

Een grote zorg voor de leiding is, dat er zo weinig mogelijk gestolen wordt. Van tijd tot tijd worden de werknemers doorgelicht, televisiecamera’s houden alle critieke zones in de gaten, terwijl electronische apparaten de uitrusting en machines beveiligen.

Diamant in moedergesteente. Vindplaats: Siberië, Prov. Yakutia bij Mirnyi. Zijde-lengte van de diamant. 3,5 mm.
Verzameling Hein Gaertner. V

De prijs is van veel factoren afhankelijk.

Grotere stenen stijgen in prijs niet proportioneel maar overproportioneel, zodat een grote steen van dezelfde kwaliteit we; drie tot vijfmaal zoveel kost.

De wereldproduktie van diamant is afhankelijk van de vraag en mede van de koers van de dollar. Een klein deel is maar geschikt: edelsteenkwaliteit. Het overblijvende deel wordt verwerkt voor industriële doeleinden, voor boorkoppen, glassnijders, steenzagen enz. tegen een prijs die vele malen lager ligt.

Diamonds are forever — diamanten zijn voor altijd – is een slagzin die waarheid bevat, als men tenminste niet verder gaat dan het bestaan van de aarde.

0-0-0

H.F, van Loon en Hans Drukkers in Panarama nr.50? -nadere gegevens onbekend
.

ER IS GEROOFD, gemoord, gemarteld, bedrogen, maar ook gevleid en vaak bemind ter wille van diamanten. Alle denkbare menselijke emoties zijn door deze hardste, onvergankelijkste en schitterendste aller mineralen opgewekt — ook al bestaat hij uit niets anders dan wat koolstof en is hij chemisch gesproken dus gelijksoortig aan grafiet (dat wij kennen van de potloodstift) en aan houtskool.

Al heeft de diamant zijn bestaan te danken aan drie omstandigheden: een combinatie van koolstof, druk en hitte, het is toch een romantische gedachte voor iedere vrouw die een diamant draagt, dat hij gemiddeld zo’n twintig miljoen jaar oud is. Want zo lang heeft het mysterieuze rijk onder ons, het binnenste van de aarde waar wij eigenlijk maar zo bitter weinig van weten, nodig gehad om dat brokje koolstof te doen kristalliseren tot een diamant.

Gevolg hiervan is dan ook dat een diamant maar betrekkelijk zelden loepzuiver is — niet meer dan tien procent van alle sierdiamant. Betrouwbare diamantairs en juweliers lachen dan ook bitter, wanneer ze etalages zien van collega’s waarin „uitsluitend loepzuivere diamanten” worden aangeprezen. Het is, zo zeggen ze, met diamanten net als met de beaujolais uit de Bourgogne: „Iedere wijnhandelaar weet, dat nog geen tiende van alles wat als beaujolais wordt verkocht ook werkelijk uit die wijnstreek komt — en iedere diamantair weet, dat niets makkelijker is dan een leek diamant te verkopen als loepzuiver. Daarom is het zo’n enorme vertrouwenszaak en stelt het zulke hoge eisen aan het fatsoen van de handelaar.”

Een heel enkele keer probeert ook wel een klant de juwelier bij de neus te nemen. Bijvoorbeeld die keer dat bij de firma Bonenbakker een diamant geëtaleerd stond met de aanduiding: 5 ct, hetgeen natuurlijk betekende dat het gewicht van de diamant 5 karaat bedroeg. Maar een man kwam de winkel binnen en zei zonder blikken of blozen: „Die diamant wil ik kopen voor 5 cent, want daarvoor staat hij aangeprijsd! Hoewel een ongeschreven wet inderdaad wil, dat iedere winkelier moet verkopen voor de prijs die hij etaleert, heeft de desbetreffende meneer zijn diamant niet gekregen voor vijf cent. De waarde van de diamant lag dichter in de buurt van de vijftigduizend gulden!

De loepzuiverheid van een diamant is een zeer betrekkelijke zaak, want hij wordt bepaald door het menselijk oog, dat gebruik maakt van een tienmaal vergrotende loep en elk menselijk oog „ziet” nu eenmaal anders. De reden van de veel voorkomende onzuiverheid is, dat er bij de kristallisatie bijna hetzelfde is gebeurd als wanneer in de winter een emmer water bevriest: ook dan zetten alle onzuiverheden er zich in vast. Bij diamanten komt het herhaaldelijk voor, dat er stukjes andere kristallen in geborgen. zijn, granaten bijvoorbeeld’en soms ook andere diamanten of ongekristalliseerde stukjes koolstof. Men noemt dat de „insluiters”.

Wanneer u zou denken, dat zo’n insluiter de waarde van een diamant vergroot — want, zult u zeggen, het is toch leuk dat er in een diamant bijvoorbeeld een andere diamant zit — dan hebt u het mis. Het enige dat diamantbewerkers trachten te bereiken is die „onzuiverheid” eruit te zagen of te kloven.

De naam diamant stamt van het oud-Griekse „adamas”, dat „onoverwinnelijk” en ook „bikkelhard” betekende, omdat men eeuwenlang meende, dat diamant onverwoestbaar was. Niets is echter minder waar. Het kloven van diamant bestaat eruit het mineraal tussen hamer en aambeeld in talrijke stukjes te breken die door splijtvlakken zijn begrensd. De kunst is hem zó te splijten of te zagen dat de gewenste vorm wordt bereikt en ook zo, dat hij niet in tientallen stukjes uiteenvalt.

Diamant, zo dacht men vroeger ook, is bestand tegen elke vorm van hitte. Als bewijs haalde men aan, dat hij uit het binnenste van de aarde komt, waar immers onvoorstelbaar hoge temperaturen moeten heersen. Ook mis! Boven de 850 graden verbrandt diamant als eenvoudige steenkool. Aangezien hij werkelijk uit het binnenste van de aarde komt, kan men zich afvragen of daar wel zulke enorm hoge temperaturen heersen als men altijd heeft aangenomen.

Diamant heeft men door alle eeuwen heen gekend. Reeds in de Bijbel (Statenvertaling) komt het voor, in Exodus 39,11, waar sprake is van het borstschild van de hogepriester. De werkelijkheid is waarschijnlijk anders, want in die diamant op het schild was de naam van de stam gegraveerd, en vrijwel zeker is, dat men in die tijd nog niet wist hoe diamant ingegraveerd moest worden. Het zal een andere steen zijn geweest.

U merkt het wel: alles wat men denkt of aanneemt van de diamant, blijkt anders te zijn. Negen van de tien mensen aan wie u het vraagt, zullen te kennen geven dat diamant en briljant twee verschillende mineralen zijn. In werkelijkheid is de diamant de grondstof waarvan onder meer een briljant kan worden vervaardigd door er achtenvijftig facetten aan te slijpen. Men noemt dit wel de „ideale” vorm van de diamant, omdat aldus de grootste lichtbreking en derhalve de grootste schittering ontstaat.

Het „wonder” van de diamant is wel, dat hij, hoe klein ook, eenmaal geslepen zijn enorme glans en schittering behoudt. En klein kan een diamant zijn, tot 1/300ste karaat toe. Eén karaat is niet meer dan 0,2051 gram! Toch geldt een eenkaraats steen al als een behoorlijke steen, al is hij in doorsnee niet groter dan drie van deze gedrukte letters. Zijn prijs varieert dan ook van veertienhonderd tot vijfenveertighonderd gulden. Hetgeen helemaal niet wil zeggen dat een twee-karaats diamant het dubbele van dit bedrag kost. Nee, in dat opzicht is het met diamanten als met belastingen: er zit een enorme progressiviteit in. Naarmate een diamant groter is, wordt hij steeds onbetaalbaarder.

Heel grote diamanten zijn er de laatste tijden niet meer gevonden. Alle grote vondsten uit het verleden hebben een eigen naam gekregen om aan te tonen hoe bijzonder ze wel zijn. Hun levensgeschiedenis is even bekend als die van grote koningen en honderdmaal verhaald. Veelal is hun historie gedrenkt in bloed. Daarom vind ik het verhaal van Jonker zo aandoénlijk eenvoudig.

Tweeënzestig jaar oud was Jacobus Jonker en hij had weinig succes gehad met delven. Hij was vader van zeven kinderen. Op een avond na een hevige regenbui ging hij wandelen en zag een klomp steen liggen zo groot als een kippeëi. U of ik zouden er waarschijnlijk een schop tegen gegeven hebben, maar Jonker raapte hem op en veegde hem af aan zijn mouw. Tot zijn verbazing zag hij hoe de steen glinsterde. Toen hij hem de volgende dag verkocht aan een diamanthandelaar, kreeg hij er. . . 315.000 dollar voor! Hij werd als émeraude geslepen en weegt meer dan 125 karaat.

Voor elke jonge vrouw echter, die van haar verloofde of van haar man een ring krijgt met een paar briljantjes erin, een ring die niet meer gekost heeft dan een paar honderd gulden, hebben die stenen dezelfde glans, dezelfde geheimzinnige, magische schittering als die paar monsterstenen, waar vermogens voor van hand tot hand zijn gegaan en waar mensen het leven voor hebben gelaten. Want een diamant, zo zal de jonge vrouw bij zichzelf denken, is het symbool van de onvergankelijkheid, van de eeuwige liefde. Een diamant is voor altijd.

Misschien is het dan maar goed, dat zij niet weet, zoals u nu, van die hamer en dat aambeeld, en van het vuur boven 850 graden. . .

In al zijn pracht schittert een briljant en wijst met zijn scherpe onderkant naar een stuk ruwe diamant, dat gevangen zit in een brok zogenaamde blauwe aarde, het gesteente waarin diamant wordt aangetroffen. Helemaal onderaan een’kostbare armband, geheel met diamanten ingelegd. Rechts ziet men een metalen klem die gebruikt wordt bij het slijpen van diamant, terw ijl boven in de foto het speciale gereedschap te zien is waarmee ’s werelds % allergrootste diamant, de „Cullinan” (die nu tot de Britse kroonjuwelen behoort), werd gekloofd. Diamantair Louis Asscher zegt nu van die gedenkwaardige dag: „Toen mijn oom de „Cullinan” had gekloofd, was hij volkomen rustig. Hij is helemaal niet flauwgevallen, zoals de legende dat wil.”

0-0-0

Veiling Grootste zwarte diamant kost 3,7 miljoen euro

De grootste zwarte diamant ter wereld is verkocht voor omgerekend ruim 3,7 miljoen euro op een veiling van Sothe-by’s. Het veilinghuis had rekening gehouden met een bod tot ruim 6 miljoen euro op de zogenoemde Enigma, en daarmee viel de prijs toch wat tegen. De steen geldt sinds 2004 als de grootste natuurlijke zwarte diamant ooit gevonden. En vanaf 2006 noemt het Guinness Book of Records de Enigma de grootste geslepen diamant ter wereld. De Enigma weegt 555,55 karaat en overtreft daarmee het gewicht van zowel de beroemde Great Star of Africa (530,2 karaat) in de Britse koninklijke scepter als de Golden Jubilee (545,67 karaat) in de Thaise scepter. ANP 10-02-2022

0-0-0

dioptaas

dioptaas

Dioptaas is een zeldzaam mineraal, dat stralend smaragdgroene kristallen vormt. De interne kleurwerking lijkt bijna onnatuurlijk. Scheikundig gezien hebben wij hier te maken met een verbinding van kiezel en koper. Zowelde vormgevende krachten van de kiezel als ook de sterke relatie van het koper met de kleur is hier opvallend. Doordat hij relatief weinig hard is komt de dioptaas weinig als sieraad in aanmerking. Hij wordt echter wel in geneesmiddelen verwerkt. Dioptaas wordt in calcietgangen in de Kirgiezensteppe, in spletyen van de Dolomieten en in het Otavigebergte gevonden. Andere bekende vindplaatsen zijn Chili, Peru en Arizona.

(Weledaberichten nr.125 04-1982)

o-o-o

edelstenen

Vier maal C
De waarde van edelstenen van hoge kwaliteit, vooral van diamanten, wordt bepaald aan de hand van vier testproeven.
In het Engels noemt men dit de 4 x c, namelijk clean, carat, colour en cut, dat is: rein, karaat, kleur en slijpsel.

1. Clean of clarity = of ze rein, zuiver zijn, dus zonder foutjes.
2. Carat = hoeveel karaat ze zijn, of hoeveel ze wegen.
3. Colour = de kleur.
4. Cut = de snede of het slijpsel.

1. De reinheid of zuiverheid
Een diamant moet loepzuiver zijn. Dit betekent dat bij tienvoudige vergroting geen scheurtjes, onzuiverheden of insluitsels te zien mogen zijn. Die foutjes kunnen ook kleine holten of luchtblaasjes zijn.
In feite is er geen die bij sterke vergroting absoluut zuiver is. Duidelijke onzuiverheden verminderen het vermogen van de steen, de lichtstralen terug te kaatsen.
Het klinkt wat vreemd wanneer we nu gaan beweren dat insluitsels in talrijke opzichten de waarde van een diamant kunnen vergroten. Toch is dit bij bepaalde insluitsels het geval.
Zo’n edelsteen verschilt erdoor van al zijn broers. Ieder insluitsel is een welsprekend bewijs voor de geheimzinnige vorming van de steen en is uniek in zijn soort.
Een insluitsel kan ook een klein gekristalliseerd exemplaar zijn, dat opgenomen is in een diamant die jonger is en later kristalliseerde.
Dit is een glimp van de geheimzinnige diepten van de aarde.

2. Het gewicht of de grootte
Het gewicht van diamanten wordt uitgedrukt in karaten. Een karaat is 1/5 gram (0,2 gram).
Een karaat wordt weer verdeeld in 100 puntjes, zodat 1 puntje 2 milligram of 0,002 gram is. Stenen van 1 puntje worden nog geslepen en voor sieraden gebruikt.
Karaat komt van het Griekse Karation, het zaad van de Johannesbroodboom.
En dat was het varkensvoer dat de verloren zoon graag wilde eten (Lukas 15).
Wij zouden zeggen: Moet nu zo’n karaat van 1/5 gram nog verdeeld worden in 100 punten? Ja, 1 punt van 2 milligram kan van grote betekenis zijn bij de prijsbepaling.
Een briljant van 1/10 karaat heeft een doorsnee van 3 mm Een briljant van 1 karaat heeft een doorsnee van 6,5 mm. Een briljant van 5 karaat (1 gram) heeft een doorsnee van 11 mm. Bij edelstenen is karaat dus gewicht.
Dit niet te verwisselen met goud. Bij goud geeft karaat het gehalte aan. Zuiver goud = 24 karaat. Dit staat dus geheel los van elkaar.

3. De kleur
Veel kristallen hebben bijzonder mooie kleuren. Geen wonder, dat kleuraanduidingen als smaragdgroen, robijnrood, turkoois (turquoise), amethist-kleur, afgeleid zijn van de mineralenwereld.
Fluoriet (vloeispaat) gaat gloeien wanneer het in een donkere ruimte wordt verwarmd.
Veel mineralen beginnen bij bestraling met ultraviolet licht te fluoresceren: ze stralen met een fantastische gloed. Alexandriet is groen, bij kunstlicht paarsrood.
De kleur van saffier wordt door kunstlicht ongunstig beïnvloed. Robijn en smaragd hebben daarentegen bij kunstlicht een bijzonder stralend uiterlijk.
Diamanten zijn veelal kleurloos. De meest begeerde kleur is wit met een iets blauwe schijn, de zgn. blauwwitte kleur. Verder zijn er gele, rode, blauwe en groengekleurde diamanten en zelfs volkomen zwarte.

4. Het slijpen
Grotere stukken zijn niet altijd geschikt voor bewerking.
De vakman vindt het dan beter, er een aantal kleinere stenen van te maken. Daartoe moeten ze in twee of meer delen gezaagd worden.
Vroeger werden ze gekloofd of gespleten en dat was een moeilijk en gevaarlijk werkje omdat ze daarbij wel in duizend stukjes verbrijzeld konden worden, wanneer met hamer en beitel een verkeerde klap gegeven werd.

Het kloven is langzamerhand vervangen door het zagen. Zagen gaat met kleine schijven, bestreken met diamantpoeder, vermengd met olijfolie, die met een snelheid van 5500 toeren per minuut ronddraaien. Het zagen gaat langzaam. Het duurt bij een één-karaats steen van 6 à 7 mm doorsnee 5 tot 8 uur.

Een werkplaats telt soms 100 machines, in rijen opgesteld. Een arbeider kan er 20 tegelijk bedienen.

Vroeger werden edelstenen ‘ruw’, zoals ze gevonden werden, gebruikt. Later werden ze gepolijst om kleur en glans beter uit te doen komen.
Nu worden ze geslepen. Slijpen is specialistisch vakwerk dat in de loop van de eeuwen telkens verbeterd is. Het slijpen in kleine vlakken of facetten brengt pas de echte kwaliteiten van de edelstenen aan de dag.

Er zijn verschillende vormen van slijpsel, maar de briljant-vorm wordt het meest toegepast.

Deze heeft 57 facetten, die alle zo berekend en op elkaar afgestemd zijn, dat het beste resultaat bereikt wordt. Volgens nauwkeurig berekende hoeken wordt het licht in het inwendige van de steen herhaaldelijk teruggekaatst, waardoor het ten slotte naar boven uittreedt.

0-0-0

epidoot

Epidoot (pistaciet), een natrium-aluminium silicaat van ingewikkelde samenstelling. Zeer fraai, o.a. in Tirol.

0-0-0

fluoriet

mineralogie vloeispaat

 

Fluoriet (vloeispaat), een mineraal dat voornamelijk in kubusvorm kristalliseert, komt in alle kleurschakeringen van violet tot wit voor. Het heeft een karakteristieke relatie tot het menselijke organisme, vooral tot de tanden, beenderen en het bindweefsel.Het wordt daarom ook als geneesmiddel toegepast.

(Weledaberichten nr.98, o9-1973)
fluoriet 2

Vloeispaat (fluoriet) is bekend sinds er mijnbouw bestaat. Het is overal verbreid en vanwege zijn fraaie kleuren waarvan de scala van donkerpaars tot blauwgroen, geel en zelfs roze loopt, werd het vroeger door de mijnwerkers “ertsbloem” genoemd. Het mineraal is ontstaan uit gloeiende oplossingen of gasvormige toestanden. Vloeispaat komt in combinaties met tin- en loodertsen, toermalijn, topaas en apatiet voor. De kristalvorm van de kubus, die relatief groot kan worden, is bij vloeispaat dikwijls geheel zuiver. Vroeger werd hij gebruikt als toevoeging bij de verwerking van ertsen in hoogovens om moeilijk smeltbare slakken gemakkelijker vloeibaar te kunnen maken. Hier­door is de naam vloeispaat ontstaan. Scheikundig is fiuoriet een verbinding van calcium en fluor. Het heeft een bijzondere relatie met de tand- en botvorming en is in het algemeen betrokken bij de opbouw van vaste weefsels. Vandaar dat de werking ervan hier therapeutisch wordt benut. Bekende vindplaatsen zijn o.a. het Zwarte Woud (Wolfach en Wieden), Wölsendorf in de Bayrische Oberpfalz en Freiberg in Saksen.

(Weledaberichten nr.135 04-1985)

0-0-0

gips

gips 2

0-0-0

glimmer

glimmer

 

Glimmer is een heel bijzondere groep te midden van de mineralen. De zo typisch vast omlijnde driedimensionale vormen in het mineralenrijk verdwijnen hier. Door zijn bijna onbegrensde
moge­lijkheid om in flinterdunne blaadjes te worden opgesplitst, brengt elk stuk glimmer ons in verba­zing. De tendens, volledig in het platte vlak te verschijnen, herinnert aan de eigenschap van het blad in de plantenwereld. Glimmer is zeer verbreid en sinds de oudheid bekend. Men vindt dit mi­neraal niet alleen in oergesteente ingebed, maar ook in grote platen, zogenaamde “glimmerboeken”, die in de techniek worden gebruikt. Het lichte en in dunne lagen volkomen doorzichtige ka­liglimmer muscoviet kwam vroeger in grote hoeveelheden uit Moskou, daaraan ontleent het zijn naam.

(Weledaberichten nr. 140 12-1986)

0-0-0

goud

goud 3

 

Goud (lat. aurum)komt in de natuur bijna uitsluitend gedegen voor. Het edele karakter ervan verdraagt ook slechts het edele als partner. Het bevat dikwijls ook wat zilver, dat dezelfde kristalvorm heeft. Heel fijn verdeeld is het in kwarts te vinden, ook in arsenkies en in enkele andere zwavelertsen. Door zijn hoge soortelijk gewicht en zijn chemische onaantastbaarheid kan het bij de erosie van goudhoudend gesteente in rivieren als wasgoud voorkomen. Berggoud wordt het edele metaal genoemd dat gedolven wordt in de mijnen. In de Oudheid, toen nog een groot kosmisch verband beleefd kon worden, zag men in het wonderbaarlijke, altijd zuivere en glanzende metaal het aardse beeld van de zonnekrachten. Men beleefde het ook als gestold licht en gaf het een plaats in de mysteriën en de cultus, waar de mens zich eerbiedig naar de goddelijke wereld richtte. In de loop van de ontwikkeling degradeerden de mensen het goud tot een symbool van rijkdom en aardse macht. Zelden vindt men duidelijk gevormde kristallen. De octaëder-, kubus- of dodecaëdervormen zijn meestal ietwat veranderd en hebben afgeronde zijden. Maar juist deze kristalvormige verschijningen, waarin het vormgevende element zwakker wordt, kunnen de ware aard van het goud duidelijker openbaren. In de therapie wordt het goud in gepotentieerde vorm voornamelijk als geneesmiddel voor het hart toegepast.

(Weledaberichten nr. 122 12-1980)
.

Goud (Aurum) is met zijn stralende kleur, zijn immuniteit tegenover alle uiterlijke invloeden en door zijn wonderbaarlijke glans het edelste metaal. Reeds in de oudste tijden kenden de mensen het goud. Het was voor hen materie geworden zonneglans van het goddelijke op aarde. Men ging er met diepe eerbied mee om. In de loop der tijden kwam er echter een verandering. Eens een cultisch element werd het een machtssymbool. De mens streefde ernaar  – dikwijls in een soort van bezetenheid – dit edele metaal te bezitten.
Omdat goud in de aarde bijna alleen maar gedegen voorkomt, zeer zwaar is en niet verweert, kan men in rivierbeddingen, die door gesteente stromen waarin goud voorkomt dikwijls kleine goud­korrels vinden. In Europa werd sinds oudsher goud uit de Rijn en de Rhone gewassen. In mijnen gedolven goud wordt “mijngoud”genoemd.
Bekende vindplaatsen waren de Hohe Tauern (Oostenrijk, oostelijke Alpen). In de Middeleeuwen waren ook veel plaatsen in Silezië, zoals Goldberg, Löwenberg en Reichenstein van betekenis. In het midden van de vorige eeuw werden de grote goudvelden in Californië en Australië en onge­veer 100 jaar geleden het grootste exploratiegebied, Witwatersrand in Zuid-Afrika ontdekt.
Goed gevormde kristallen – kleine octaëders – zijn bij goud hoogst zeldzaam. Meestal zijn de vlakken gekromd en de vormen veranderd. Net zoals bij koper en zilver bestaan er ook fijne boom-en veerachtige vormen, die bijna organisch lijken.
De meest bekende stukken zijn de onregelmatige, ten dele met gaten voorkomende brokken, de zogenaamde nuggets, die soms meer dan 100 kg zwaar zijn.
Goud wordt in gepotentieerde vorm in de antroposofische geneeskunst toegepast. Het stimu­leert de hartfunctie en bemiddelt tussen opbouwende processen en afbrekende zenuw-zintuigprocessen.
Het activeert de ziel en brengt de zielsprocessen in evenwicht. Door zijn evenwicht-scheppende functie is het goud ook de drager van de ik-organisatie in de mens. Twee uitspraken van Paracelsus, de grote arts en genezer, kunnen het wezen van het goud verduidelijken: “Het goud heeft de natuur van het vuur. Het draagt de zonne-energie, spoort de levensgeest aan, versterkt hart en bloed, bevordert de groei en schenkt lichamelijke kracht. Goud draagt ook de warmte die alles laat rijpen.”

“Het hart is de zon van de microkosmos, een vrucht van het goud, waardoor het wordt gevoed. Net zoals de zon invloed heeft op de aarde, zo werkt het hart op het lichaam.”

(Eckehard Wagner, Weledaberichten nr.143 12-1987)

0-0-0

Als laatste in de rij metalen die Weleda om hun bijzondere kwaliteiten in haar medicijnen verwerkt, komt goud aan de orde. Goud is vooral een metaal met grote tegenstellingen. De vorige metalen kun je rangschikken in paren die telkens twee tegengestelde principes vertegenwoordigen. Heeft lood met de dood en veroudering te maken, zo is zilver met leven en opbouw verbonden. Op dezelfde wijze kun je fenomenen vinden voor de tegenstelling tussen ijzer en  koper en tussen kwik en tin. Goud heeft in die zin geen ander metaal tegenover zich, maar draagt louter tegenstellingen in zichzelf.
De duidelijkste innerlijke tegenstelling van goud komt tot uitdrukking in de polariteit licht-zwaarte. De lichtkracht toont zich in de stralende glans die van goud uitgaat. Zo laat het goud van de torenspits van de Walburgiskerk in Zutphen het licht tot kilometers ver in de omtrek schijnen. En bladgoud laat een levendig groen licht door, terwijl in de vensters van de oude kathedralen het rood en het purper te danken is aan de minieme hoeveelheden goud die bij de vervaardiging van het glas zijn opge­nomen. Tegenover deze lichtkwaliteit staat zwaarte: goud heeft het hoogste soortelijk gewicht van de behandelde metalen. Een goudstaaf is moeilijk te verplaatsen, je neemt hem niet zo maar mee!

Hemel en aarde
Het gebruik van goud in de loop van de geschiedenis laat dezelfde tegenstelling zien. In de oude culturen had goud een cultisch-religieuze functie. Alleen de vertegenwoordiger van de goden, zoals de farao of de opperpriester, mocht zich met goud tooien. Goud was een teken van de werkzaamheid van de hemelse wereld van de goden. De beeltenis van goden werd dan ook op goud gedrukt. Bij het toenemen van de persoonlijk­heidscultuur vervingen koningen de goden als afbeelding op de munten, die tevens betaalmiddel werden. Tegen­woordig is het bezit van goud een teken van aardse macht.
Goud overtreft niet alleen in zwaarte de andere metalen. Het is ook het edelste metaal in de zin dat het niet roest (dat wil zeggen: wordt aangetast door zuur­stof). Verder gaat het ook met bijna geen enkele andere aardse stof een che­mische verbinding aan. Het is
smeedbaarder dan zilver, erg plooibaar en kan tot één duizendste millimeter worden geplet, zonder dat het uit elkaar valt! 1 gram puur goud kan tot een ononder­broken draad van 2 kilometer lengte worden getrokken. De kracht van het goud uit zich dus enerzijds in het bij elkaar blijven en anderzijds in het zich ver kunnen uitbreiden.

Hart
In het menselijke organisme vervult het hart een middelpuntfunctie. Het bloed uit het hele lichaam stroomt daar samen en vindt vervolgens via het bloedvatsysteem de weg weer terug naar de wijdste periferie. In het hart is de mens het meest bij zich zelf. Hij wijst op het hart als hij ik zegt. Moed, oftewel de kracht om overeind te blij­ven als de hele wereld je dreigt te over­weldigen, heeft zijn fysiologische basis in het hart. Je ervaart jezelf dan hele­maal in je middelpunt. Een andere kwa­liteit is empathie: het vermogen om helemaal op te gaan in de ander en toch niet jezelf te verliezen. Ook dat is een hartenkracht.
Goud als geneesmiddel kan deze har­tenkrachten ondersteunen als ze op de proef worden gesteld. Het gepotentieerde goud biedt daarnaast ook steun wan­neer het hart meer lichamelijke proble­men heeft; dus bij een te sterke samen­trekking (kramp), die zelfs tot een infarct kan voeren of een te ver gaande ontspanning die tot een te geringe wer­king van het hart leidt. Goud brengt de tegenstellingen in een harmonische wisselwerking. Daarom kan het, in verschillende potenties, aan de twee poorten van het leven werk­zaam zijn. Bij de geboorte (bij drei­gende abortus: goud in lage poten­tie) en bij het sterven: als de ziel moeite heeft het lichaam los te laten kan goud in hoge poten­tie dit proces harmonise­ren.
In een mens kunnen op grond van zijn constitutie depressieve, zwaarmoedige perioden zich afwisselen met opgewon­den en overmoedige fasen. Ook bij deze polaire toestanden kan goud
har­moniserend werken.

Innerlijk goud
In het hart zijn samentrekken en uitbrei­den als tegengestelde bewegingen in de tijd met elkaar verbonden. De ene beweging maakt de andere mogelijk. Op een soortgelijke manier kan de mens tegengestelde activiteiten harmo­nisch samenbrengen. Hij doet dan
het­zelfde als wat goud en het hart doen. Hij maakt als het ware ‘innerlijk goud’. In de Middeleeuwen zei men: ora et labora (bid en werk). Dat hield in: afwisselend binnen en buiten actief zijn, hemel en aarde beide aan bod laten komen en tegelijkertijd harmo­nisch met elkaar verbinden. Elke tijd heeft voor dit ‘goud-gebaar’ zijn eigen woorden en werkwijzen.
In onze tijd wisselen studie en het in de praktijk staan elkaar af. Waarneming en gedachte (over het waargenomene) hebben elkaar nodig om beide vrucht­baar te blijven. Het alleen en op jezelf zijn wordt gevolgd door het weer deel van de gemeenschap zijn. Hoe meer je op deze wijze tegen­stellingen op een harmonische wijze kunt verbinden, hoe meer je innerlijk goud maakt, en hoe minder je het goud als medicijn nodig zult hebben.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 178, najaar 1998)

Met karaat wordt het gewicht van diamant  uitgedrukt (en van het goudgehalte van een goudlegering). Het Nederlands heeft karaat in de 15e eeuw overgenomen uit het Frans, dat carat op zijn beurt ontleend heeft aan het Arabische woord qirat, de naam van een lengtemaat en van een gewichtsmaat van exact 0,195 gram. Qirat zelf gaat terug op het Griekse woord voor het zaadje van de johannesbroodboom: keration. Die zaden, kortweg johannesbrood genoemd, hadden vrijwel altijd een gelijke lengte en een identiek gewicht en konden daarom dienen als gewichtjes. Wie 1 karaat aan diamantjes had, had het gewicht van één zaadje aan edelstenen. Toen er fijne meetinstrumenten kwamen, stapte men af van deze manier van wegen, en in 1907 werd het karaatgewicht vastgesteld op exact 200 milligram (0,2 gram). Meestal zijn diamanten echter veel lichter en wordt hun gewicht
uitgedrukt in karaatpunten, waarbij 1 punt gelijkstaat aan 2 milligram.

Ton den Boon, Trouw
.

GOUD EN ZILVER

De bewustzijnspool in de mens wordt door het lood (plumbum) ondersteund, dat o.m. het abstract denken aanzet, terwijl de levenspool door de zwavel (sulfur) gediend wordt, die de stofwisseling stimuleert en die het bewustzijn in slaap wiegt om het lichaam eens even te kunnen uitzwavelen.

Ook het zilver, beheerst door de Maan, dient de levenspool en staat dan ook eveneens tegenover de bewustzijnspool met het lood van Sarturnus, als tegenspeler.

Zilver verbindt zich ook graag met zwavel (een ei eet men niet met ’n zilveren lepeltje!) Zilver werkt tegen het lood in. In de natuur vindt men ze vaak bij elkaar! In de oceanen, de Maan-wateren, is veel zilver. En hoewel het in Amerika het meest gedolven wordt, verbruikt men het meeste zilver in China en India, de Maan-landen die duizenden jaren lang een Maan-cul-tuur in ere hielden, met weer-spiegelend en be-spiegelend denken.

Zilver spiegelt het zuiverst, zoals de Maan het zonlicht weerspiegelt en de Maan-mens de gedachten van ’n ander. Het is ook even gevoelig voor licht als de Maan (zilver-chloride en -bromide bij de fotografie!) en chloor-zilver neemt de kleur aan van ’t licht dat er op schijnt.

Zilver is koel als het maanlicht, het heeft geen warmte of energie uit zichzelf. Ook de Maan-mens moet de positieve waarden uit zijn omgeving of Zon-tegenpool halen en is daardoor zo extravert, moet ménsen zien!

Door haar koelheid geeft zilver zulk een zuivere klank (de klank-aether is de Maan-aether, die over de waterdamp, de nevels, gaat!): zilveren klokjes, belletjes en fluiten! Het geleidt warmte beter dan elk ander metaal (het zilveren lepeltje in het glas waarin men ’n warme drank schenkt!), maar het behoudt de warmte niet. Zo weerspiegelen Maan-Venus-mensen de liefde van een ander, bij goed aspect in schone klanken, zonder zelf lief te hebben.

Zilver is week (van 1 gram zilver kan men een draad van 2 km lengte maken!), evenals zulk een Maan-mens, die, kneedbaar en suggestibel, met zich laat sollen, zich in elke vorm van gedrag laat kneden en zo beinvloeden dat hij ’n echo wordt.

Hoe meer zilver het organisme van ’n mens bevat, hoe weker en zwakker hij is, willoos, suf en lui, doordat de levenspool de overhand neemt.

Bij werkelijke zilver-vergiftiging kan de huid geen licht meer verdragen, de ogen ontsteken, de maag (Maan-orgaan) raakt van de wijs, men gaat boeren als een baby en verlangt hevig naar zoet, evenals bij de zwavel, wat analoog is met de psychische behoefte aan warmte, hartelijkheid en liefde, zo bekend van het Maan-teken Cancer! Men voelt zich weer klein kind, is bang in een straat met hoge huizen of in een volle kerk of schouwburg, het is te machtig. De behoefte aan zoet is ook een uiting van het zwakke zelfbewustzijn, het afhankelijkheidsgevoel van de Maan-mens, want suiker is de stoffelijke onderlaag van het gevoel van eigenwaarde. Men heeft een gevoel of het hoofd uitzet!

Men voelt zich niet meer op z’n gemak en op z’n plaats op aarde, wil eigenlijk naar de Maan! Vaak heeft men dan ook opwellingen om een eind aan het aardse leven te maken.

Zilver in de vorm van homoeopatische Argentum nitricum (helse steen) herstelt dan de aardse evenwichtstoestand. Dit middel werkt links, aan de Maan-zijde!
Het goud behoort bij de Zon en bij het teken Leo, het wordt ook ’t meest gedolven in Afrika, het werelddeel van de Leeuw, waar de negus van Abyssinië een levende leeuw bij zich heeft als zinnebeeld van de Leeuw van Juda!

Het goud voedt het hart, de zintuigen en het zenuwstelsel, het komt bij de mens zowel als bij moeder Aarde in de zenuwen, resp. de ertsaderen, voor. Door het goud uit de aarde op te delven, verzwakken wij Aarde’s zenuwstelsel. En waar gaat alle goud heen? In tegenstelling met het zilver gaat het westwaarts en verdwijnt opnieuw onder de grond in de kelders van Fort Knox, in de U.S.A. In wijzer tijden droeg men gouden kronen en oorijzers om de Zonnekracht aan te trekken, de grote Levenskracht! De kroning van een vorst stelt hem door het goud in speciale verbinding met de Zonnegod, wiens stedehouder op aarde hij voortaan behoort te zijn!

Het goud van de Zon wordt tegenwoordig wel door de allopathie aangewend tegen rheuma, d.i. tegen Saturnus, Leven tegen Dood.

De mens die teveel goud in zich heeft, een naar verhouding te sterke Zon, wordt heftig door een te groot gevoel van eigenwaarde: hij dult geen tegenspraak! Bij mannen vergroot en verzwaart zich de lever en bij vrouwen de baarmoeder, die twee organen van levens- en scheppingskracht. Het hart raakt van de wijs en de ogen worden lichtschuw: de zintuigen worden te gevoelig.

En evenals bij de zilver-vergiftiging voelt men zich niet meer thuis op aarde. Men wil naar de Zon! Men voelt zich hier onnut en denkt erover, een eind aan z’n aardse leven te maken. Men weent en bidt en is vertwijfeld, kan het evenwicht niet meer vinden van Geest en Stof.

Een dosis homoeopathisch goud (aurum) herstelt dan dit evenwicht.

De mensenziel kan op Zon, Maan en alle planeten afstemmen, maar zolang hij op Aarde is, moet het daar geldende evenwicht bewaard worden. Iemand met een zwakke, maar harmonisch geaspecteerde Zon drage veel goud, iemand met een dito Maan veel zilver. Eten, een Maan-functie, doen wij uiteraard liefst met zilveren eetgerei. De ring van onze harte-liefde zij van goud!

Melly Uyldert, Kaarsvlam 08-1956

goud

Hebreeuws: zahaav
Grieks: chrusos
Hardheid: 2,5 à 3
Soortelijk gewicht 19,3
Chemie: Au

Goud en zilver zijn geen edelstenen maar edele metalen, die nauw met edelstenen zijn verbonden.
Goud is het beroemde en gezochte edelmetaal bij uitstek.
Goud ligt opgestapeld in de nationale banken; dat is de eer van de natie.

Er is een oeroud verlangen van de mens naar goud. Dit is aanleiding geweest tot grote ontdekkingsreizen, ook tot misdaden en veel oorlogen.

De grootste klomp werd in 1869 in Australië gevonden en woog 70 kg.
1 kg goud is ± 5 x 5 x 2 cm, ongeveer de grootte van een luciferdoosje.
Wanneer je iets over de prijs wil vertellen, vind je hier de actuele waarde.

Iets over de wereldproductie hier.

Fijn goud is goud van 24 karaat. 18 karaats b.v. is 18/24 aan fijngoud. Tegenwoordig worden de staatskeurtekens in duizendsten aangegeven. Dan wordt 18 karaats 3A maal 1.000 = 750 duizendsten zuiver goud.

Goud is in zuivere toestand zeer week en kan uiterst dun geplet worden, tot 0,0001 mm, dat wil zeggen dat 100.000 van deze blaadjes op elkaar gelegd 1 cm dik zijn.

Men kan het tot zo’n dunne draad trekken, dat een lengte van 2 km maar 1 gram weegt.

Goud. Het wordt gevonden in plaatjes of kleine korrels, in het zand van beekjes (Skandinavië), in rivierbeddingen (Amerika). Goudaders vindt men ook in kwartsgangen en andere gesteenten. Hier een stuk gedegen goud, geplaatst op een klein tafeltje.

Goud trotseert alle aantasting door chemische stoffen en het is altijd vrij van bacteriën, doordat het een bacteriedodende werking heeft.
Alleen koningswater, een mengsel van zoutzuur en salpeterzuur is in staat goud op te lossen.

Sinds in 1886 de Witwatersrand bij Johannesburg ontdekt werd, is er jaarlijks voor honderden miljoenen, om niet te zeggen voor miljarden aan goud geproduceerd.

De totale lengte van de mijngangen aldaar is 13.000 km, dat is ongeveer de middellijn van de aarde.

Amsterdam – Johannesburg b.v. is 9.000 km. De stalen kabels hebben bij een schachtdiepte van 3 km een eigen gewicht van 24.000 kg. Elke 130 m diepte wordt het er 1° Celsius warmer, dus op 4.000 m komt er 30° bij. Ruim 130.000 m3 ijslucht wordt er per dag in de mijngangen gespoten. (Deze gegevens kunnen wat verouderd zijn)

Al op de tweede bladzij van de Bijbel wordt over prima goud gesproken, tot de op één na laatste bladzij. We vinden dan dat ruim 300 maal het goud vermeld wordt.

goud 6

Goudkristallen

0-0-0

granaat/karbonkel

Ex. 28:17
Hebreeuws: nofech
Grieks: antrax

Hardheid: 6,5 a 8
Chemie: Mg,(Al2Be4)2

Deze steen werd in de middeleeuwen carbunkulus genoemd, dat betekent in het Latijn: kleine kool. Dit komt door zijn diep-gloeiend rood. Tegenwoordig is de naam almandijn of almandiet.
De stenen zijn fraai wanneer ze doorzichtig zijn.

In de Statenvertaling is de derde steen van Aarons borstschild een karbonkel en de vierde een smaragd. Bij de Elberfelder Bibel is dit omgekeerd, dus de vierde een karbonkel.
De vertaling van de namen der edelstenen heeft verschillende moeilijkheden opgeleverd.
Toch hebben de Israëlieten destijds goed begrepen, welke stenen God bedoelde, toen Hij aan Mozes de opdracht gaf, het borstschild te maken.
In later eeuwen ontstond verwarring doordat in de loop van de tijd veel edelsteennamen veranderd zijn. Vroeger meende men dat de kleur bepalend is voor een steen en dat bijv. alle groene stenen smaragd heten en alle gele stenen topazen zijn, maar dat klopt niet: de meeste stenen worden in verschillende kleuren aangetroffen. Voor de naam van een edelsteen is namelijk niet de kleur bepalend, maar de chemische elementen waaruit hij bestaat.

We kunnen immers ook niet zeggen: rode bloemen zijn rozen!

Door moderne instrumenten heeft men tegenwoordig vaste regels voor de naamgeving op kunnen stellen.

Granaat.
Dit is een groep van mineralen. In het spraakgebruik verstaat men onder granaat de rode karbonkel, nu almandiet genoemd.

Granaat Fraai gekrist. silicaat. Halfedelsteen. Veel o.a. in gneiss. Regulair.

0-0-0

hessoniet

0-0-0

hoornblende

Hoornblende (amfibool). Mineralen van wisselende samenstelling, belangrijk als bestanddeel van kristallijne gesteenten. Ook in ons land.

0-0-0

 

hoornsteen

hoornsteen

0-0-0

houtsteen

Hardheid: 6,5
Chemie: Si02

Houtsteen is versteend of verkiezeld hout. Het hout is bij versteende bomen vervangen door kiezelzuur, maar zó, dat de houtstructuur bewaard bleef.
Alle organische bestanddelen werden door circulerend water opgelost en geleidelijk door deeltjes edele kiezelsteen vervangen.

Het wordt ook houtagaat genoemd omdat houtsteen zich gevormd heeft in een prachtig kleurenspel van grijs en lichtbruin, van rood, rose, geel en zelfs blauw en violet.
Het komt alleen daar voor, waar fijnkorrelig materiaal, zoals klei of kalkslib, het hout kort na het afsterven bedekte en daardoor tegen ontbinding beschermde.

Arizona (U.S.A.) is de staat waar zulke versteende boomstammen worden gevonden. Veelal zijn de jaarringen nog duidelijk zichtbaar. De bomen liggen daar in grote ophopingen en zijn soms tot 65 m lang en 3 m dik.
Men noemt deze streek ‘het versteende woud’ en heeft het in 1962 tot Nationaal Park verklaard.

Houtsteen of houtagaat. De jaarringen zijn zichtbaar.

0-0-0

hyacint/zirkoon

Hebreeuws: lesjem
Grieks: huachinthos

Hardheid: 7,5
Chemie: Zr(Si04)

Genoemd in de Bijbel:
Exodus 28: 19
Openbaring 21:20

De hyacint is de geelrode tot bruin- of oranjerode edelsteen van hoge kwaliteit, die nu zirkoon heet. In de kleur kan een menging zijn van rood, oranje en purper.

De zirkoon bezit uitstekende optische eigenschappen en heeft na de diamant de hoogste lichtbreking met als gevolg daarvan een hoge glans en zeer levendig vuur.
Bovendien bezit de zirkoon een sterk, disperserend of kleurschiftend vermogen (dat is een uitspreiding van het licht in de kleuren van de regenboog).

Hij benadert de schittering van de diamant.

Belangrijkste vindplaatsen zijn Sri Lanka, Indo-China en Australië.

De hyacint is de zevende edelsteen van het borstschild. En hij siert het elfde fundament van het Nieuw Jeruzalem.

Zirkoon. De geelrode tot bruinrode variëteit van zirkoon heet hyacint

0-0-0

ijzerkiezel

IJzerkiezel 1

0-0-0

ijzeruitslag

IJzeruitslag

0-0-0

jaspis

Hebreeuws: jaspe
Grieks: onuchion

Hardheid: 7
Chemie: Si O2

Genoemd in de Bijbel:
Exodus 28:30
Openbaring 4: 3  21:11 , 18, 19

IJzerkiezel of jaspis behoort tot de ondoorzichtige en onzuivere kwartsvariaties.
Ze zijn gewoonlijk geel, bruin of rood, soms verschillend getekend, ook wel met banden.
De rode kleur ontstaat door een vermenging met klei en ijzer.
Overal waar grind is, kan men deze steen overvloedig vinden. De zwerfstenen komen over heel de wereld voor, ook in Nederland met name in het Rijngebied.

Dit neemt niet weg, dat er fraaie exemplaren bestaan, die wel geen edel – maar toch siersteen genoemd kunnen worden.

Gedurende de renaissance werd jaspis aangevoerd uit Egypte en als siersteen verwerkt.

Jaspis is de twaalfde steen op het borstschild van de hogepriester.

Hij wordt ook genoemd als eerste steen van het Nieuw Jeruzalem. We zullen echter hier onder zien dat de dáár bedoelde jaspis een andere, schonere steen is.

In de oudheid was jaspis een verzamelnaam voor doorzichtige stenen.

Het is duidelijk dat in het Nieuwe Testament een andere steen aangeduid wordt dan de ondoorzichtige steen op het borstschild.uit Exodus 28.

In Openbaring 21:11 wordt de jaspis kristalhelder genoemd en ‘het kostbaarste gesteente’; daar wordt jaspis in vers 18 vergeleken met zuiver goud en zuiver glas.
Kristalhelder betekent: doorzichtig. Hiermee kan niet de Oud-Testamentische en evenmin de tegenwoordige jaspis bedoeld zijn. De steen, nu onder deze naam bekend, behoort tot de ondoorzichtige, gekleurde stenen, niet helder, doch vetglanzend.

Allerkostbaarst is op hem niet van toepassing, daar hij niet tot de kostbare stenen behoort, maar tot die van lagere orde. Betrouwbare en gezaghebbende schrijvers zeggen: de Nieuw-Testamentische jaspis is de diamant, helder, doorzichtig.
Helder, fonkelend, de opgevallen lichtstralen als in duizendvoudige pracht en kleurschittering terugkaatsend, beeld van heerlijkheid en majesteit.

Welke steen zou dit anders kunnen zijn dan onze diamant?

Daarom wordt de Zoon van God in de Openbaring vergeleken met een diamant.

0-0-0

kalaiet

kalaiet 1

0-0-0

kalkspaat

kalkspaat

 

Kalkspaat of calciet is een zeer verbreid mineraal, dat ook gesteentevormend optreedt. In meer dan 800 verschillende kristalvarianten hebben wij hier te maken met een mineraal dat de grootste rijkdom aan vormen vertoont. — In de veelzijdigheid van het minerale rijk neemt de kalk een aparte plaats in. Voor het grootste deel zijn de kalkvormingen van de aarde van dierlijke oorsprong. Ook bij mens en dier speelt de kalk een rol van grote betekenis. Hij is het enige mineraal dat als calciet en apatiet de beenderen opbouwt en daardoor recht­streeks deel heeft aan de stofwisseling van een levend wezen. De kristallen van calciet zijn dikwijls glashelder en kleurloos, kunnen echter ook geelachtig-bruinachtig gekleurd of melkachtig-troebel zijn. De mooiste stukken vindt men in omhullend gesteente ingesloten in ertsmijnen, bijv. in de St. Andreasberg in de Harz of in Freiberg/Saksen.

(Weledaberichten nr.118 09 1978)

.

kalkspaat 2

0-0-0

kiezelzinkerts

Kiezel zinkerta. Bijzonder onzuiver mengsel . Onedele galmei Ook In ons land.

0-0-0

kobaltuitslag

kobaltuitslag

0-0-0

kogelgraniet

kogelgraniet

Graniet, het meest bekende oergesteente, ontleent zijn naam aan zijn korrelige structuur (Lat. granitam=korrelig). Als men nauwkeuriger kijkt, ziet men duidelijk drie kristallijne bestanddelen: kwarts, veldspaat en glimmer. Ondanks deze eenvoudige opbouw komt graniet in vele gedaanten voor. Een heel bijzonder en slechts tot weinig vindplaatsen beperkte verschijningsvorm is kogelgraniet. Hier vindt men om een kern heen in lagen gegroepeerd de componenten, die als omhullingen in het moedergesteente zijn ingebed. Uit de manier, waarop deze kogelachtige vormen elkaar wederzijds beïnvloeden, kan men beleven, hoe zich in oertijden die verharding van de minerale wereld uit een gelei-achtige, halfvloeibare massa heeft voltrokken.

(Weledaberichten nr.126 06-1982)

o-o-o

koper

koper

Het koper vertoont in zijn voornaamste verschijningsvorm een bijzondere verhouding tot de zwavel. Alle belangrijke verbindingen zijn sulfiden. Door verwering worden de glanzend gekleurde carbonaten en oxyden gevormd. Onder bepaalde voorwaarden kan het zich daarbij ook gedegen afscheiden. In opgeloste vorm kan het in de kleinste ruimten van het gesteente binnendringen en dan ontstaan vaak boomvormige vertakkingen, zg. dendriten. Het meeste koper wordt in de V.S. en Chili gevonden. In de oudheid was het koper al een bekend en gewaardeerd metaal. De Phoeniciërs haalden het van het eiland Cyprus, wat ook tot de naam ‘Cyprisch erts’ heeft geleid.

(Weledaberichten nr.134 12-1984)
.

koper
Na ijzer is koper het meest voorkomende metaal in de aardkorst. Terwijl ijzer 4,7% van de bodem uitmaakt, komt er maar 0,01 % koper in voor. Deze verhou­dingen weerspiegelen zich enigszins in de hoeveelheden waarin de beide metalen in het menselijk lichaam voorkomen: veel ijzer en weinig koper. IJzer en koper hebben echter in het lichaam veel met elkaar te maken.

Koper valt op door zijn schoonheid in alle kleuren van de regenboog: gedegen koperboompjes en koperklompen zijn warm rood, het koperkies goudgeel, groen het malachiet, blauw het azuriet enzo­voort. In zijn kleurenrijkdom is koper verwant aan bloemen in de plantenwereld en aan vogels, vlinders of tropi­sche vissen in de dierenwereld. In de cultuur speelt koper een rol vanaf het bronzen tijdperk (± 4000 vóór Christus). Belangrijke gebruiksvoorwer­pen werden toen uit koper vervaardigd: schalen, sieraden, gongs vanwege de mooie klank, en ook wapens. Deze laat­ste werden pas door ijzer vervangen toen omstreek 1200 vóór Christus het ijzeren tijdperk begon. Maar nog tot in onze tijd maakt men dankbaar gebruik van de kwaliteiten van koper: bijvoor­beeld in bronzen sculpturen of in de rood koperen koepels van kerken (die al snel groen kleuren). En voor het maken van kaas in Zwitserland of het maïsgerecht polenta in Italië, gebruikt men grote koperen vaten, omdat deze zo onovertroffen de warmte van het eron­der brandende houtvuur opnemen en naar de inhoud van het vat geleiden. Daarmee is naast schoonheid een twee­de karakteristiek van koper genoemd: de omhulling waarbinnen zich een pro­ces kan afspelen. De bemiddelende kwaliteit van koper, als derde karak­teristiek, komt tot uitdruk­king in het vermogen om warmte te gelei­den. Het zijn vooral koperen buizen die elektriciteit geleiden. Verder blijkt koper op een bijzondere wijze samen te gaan met ijzer, als in een dyna­mo koperdraad en ijzeren staven om elkaar heendraaiend elek­triciteit produceren.

Koper en ijzer in de mens
Het samengaan van koper en ijzer in de mens levert een aantal opvallende feno­menen op. In het bloedserum, waarin de rode bloedlichaampjes drijven, blij­ken we ongeveer evenveel koper als ijzer te hebben. Alleen in de man is het ijzergehalte in het serum net iets hoger dan het kopergehalte, terwijl het koper in het bloedserum bij de vrouw het ijzer in hoeveelheid licht overtreft. Dit koperserumgehalte bij de vrouw neemt beduidend toe bij het fysiologische gebeuren dat alleen aan de vrouw is voorbehouden: de zwangerschap. Aan het eind van de zwangerschap zijn de serumkoperwaarden in het moederlijke bloed zelfs tweemaal zo hoog als aan het begin. Het groeiende kind wordt als het ware door een steeds dichter en gro­ter wordende kopermantel van de moe­der omhuld.
In de vrucht zelf laat het bloed vanaf het midden van de zwangerschap het om­gekeerde zien: het koperserumgehalte neemt af en zakt tot waarden die nor­maliter tijdens het leven niet voorko­men, terwijl het ijzergehalte juist voort­durend stijgt. In diezelfde tijd maakt het kind zijn eerste bewegingen; het wordt steeds zelfstandiger (hetgeen zich sub­stantieel uitdrukt in de toenemende ijzerwaarden) en wordt ten slotte gebo­ren. De kopermantel van de moeder is dan niet meer nodig. En bij kind en moeder wordt de ijzer-koperverhouding weer) normaal.

Mythologische karakterisering
Deze karakteristieke verbinding van het koper met de vrouw en die van ijzer met de man is bekend uit de Griekse mythologie. Mars of Ares was een man­nelijke god die voor zelfstandigheid opkwam; Venus of Afrodite een vrouwe­lijke godin die de schoonheid represen­teerde. Ze was tevens de verzorgster van de planten- en dierenwereld en schiep de ruimte waardoor iets anders geboren kon worden of tot zijn recht kwam. De verbinding tussen de ijzerkrachten en de koperkrachten in het menselijk lichaam komt ook op verrassende wijze tot uiting in de naamgeving van de bloedvaten. De slagaderen dragen de naam van Ares: arteriën. Door deze aderen stroomt het bloed met kracht van het centrum naar de vaatjes die aan de periferie van het lichaam zitten. Maar de mens heeft ook aderen die het bloed vanuit deze kleine vaten in de omtrek weer naar het centrum teruglei­den. Deze zijn genoemd naar Venus: de venen.
Via zijn longen ademt de mens zuurstof in, waarna het arteriële systeem de zuurstof door het hele lichaam ver­spreidt. De ijzerhoudende rode bloedli­chaampjes nemen de zuurstof op en worden daardoor nog roder; ze verroes­ten als het ware. Vervolgens wordt de zuurstof vervangen door kooldioxide, waarna het veneuze systeem ervoor zorgt dat deze kooldioxide uit het lichaam naar de long wordt gebracht om te worden uitgeademd. IIzer heeft een affiniteit tot zuurstof, koper tot kool­dioxide (C02). Zoals ijzer roestbruin wordt in combinatie met zuurstof, zo gaat koper in de koepels van kerken een chemische verbinding aan met koolzuur uit de vochtige lucht: het verkleurt van rood tot groen. Tot in de kleur ontstaat in de ijzer- en koperprocessen dus een polariteit!

Therapeutische mogelijkheden
Als in het veneuze systeem stoornissen optreden (spataderen, aambeien) kan koper uitwendig als zalf of lotion, of inwendig (als gepotentieerd medicijn) werkzaam worden. Waar het lichaam ook buiten de bloedsomloop in de zwaarte dreigt te vallen, heft de omhul­lende, verwarmende kracht van koper het weer uit de aardse zwaartekracht. Men denke aan koperzalf bij koude en ‘platte’ voeten. De belangrijkste koper­verbindingen zijn zwavelverbindingen: de grootste hoeveelheden koper worden ook gewonnen in vulkaanrijke gebie­den. Beide gegevens, zwavel en vulka­nen, wijzen op de relatie die het koper heeft met de stofwisselings- en warmteprocessen in de mens. Koper helpt bij de opbouwende processen in de spijs­vertering en ontkrampt. Uit de ervaring in de artsenpraktijk blij­ken de verschillende metalen elk een affiniteit te hebben met een bepaalde levensfase. Koper is daarin het metaal dat met name in de vroege jeugd thera­peutisch werkzaam kan zijn. Bij buik­krampen en koude voeten bijvoorbeeld helpen middelen met koper bij een betere verdeling van de warmte.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 173, zomer 1997)

Wanneer je in de mineralogieperiode ook iets over de metalen wilt zeggen, zijn er allerlei gezichtspunten.
Het gaat vooral om de fenomenologie en de vergelijking met bv. het ijzer als tegenstelling, uiteraard niet om alle medische aspecten. 

Deze zijn van antroposofisch arts Huib de Ruiter*, Ita 03 2020

warmte-offensief

.
Notities over koper

Substanties kun je technisch en biochemisch onderzoeken. Dan leer je ze al aardig kennen. Maar door met gevoel en aandacht kwaliteiten te benoemen, komt de ware aard en werkzaamheid van een substantie nog meer tevoorschijn. Dit keer verkennen we de kwaliteiten van koper (cuprum) als metaal, sporenelement en als homeopathisch geneesmiddel voor de spijsvertering, de nieren, bij krampen en warmte regulering. Hoe kan koper zo werken?

Klinkende kleur

Koper is naast goud het enige metaal met een kleur. Het heeft een warme kleur en houdt het midden tussen rood, roze en oranje. Verwarmingsbuizen en waterleidingen zijn vaak van roodkoper. Er bestaat ook geel koper, het zogenaamde messing. Dat is een legering met zink. Messing kan bij een bepaalde hoeveelheid zink goudkleurig zijn. Rood en geel koper zijn mooi om te zien, en om die reden altijd al voor siervoorwerpen gebruikt.

Koper met een beetje tin (10%) geeft brons. Brons staat aan het begin van iedere cultuur. Het was het eerste echt harde metaal en heel geschikt voor het smeden van wapens en gereedschappen, maar ook van siervoorwerpen en beelden. Brons werd in de klassieke Oudheid door Chinezen, Grieken, Etrusken en Romeinen toegepast. Omdat brons heel hard is, klinkt het mooi: klokken worden in brons gegoten en de koperblazers zijn niet weg te denken uit een orkest. De waarde van brons komt ook tot uitdrukking in het gebruik van bronzen munten. Bij sportwedstrijden is de medaille voor de derde plaats van brons.

Groei stimuleren of remmen

Deurknoppen waren vroeger vaak van messing. Ze waren niet alleen mooi, maar ook ontsmettend: bacteriën gaan dood van koper of messing. Tegenwoordig zit er helaas een synthetisch laagje over het messing. Een bronzen of koperen munt in bloemenwater remt de groei van bacteriën en algen. Voor hogere dieren is koper juist gunstig voor de groei en het gewicht. Bij kopergebrek worden dieren mager. Voor de mens is koper een noodzakelijk sporenelement. Het is onder andere nodig voor de bloedvorming. In oesters, noten en lever zit veel koper. Bij een chronische overdosis aan koperinname slaat dit metaal zich vooral op in lever, hersenen en nieren. Kennelijk heeft koper affiniteit met die organen.

Warmte

Een koperen voorwerp is niet alleen mooi om te zien, maar ook prettig om te voelen. Vergeleken met een koel metaal als ijzer voelt koper warm aan. Koper is het metaal dat warmte heel goed geleidt – daarom waren pannen en kruiken vroeger vaak van koper. Ook stroom wordt goed geleid: in elektriciteitssnoer vind je koperdraad.

Kleur en ziel

Koperertsen en mineralen als cupriet zijn uitgesproken kleurrijk. Hier zijn de meest bonte en sterke kleuren van het mineralenrijk te vinden. Vooral groen en blauw, maar ook rood, geel en purper, alle kleuren van de regenboog! Er zijn dieren met heel mooie kleuren, die aan koperkleuren doen denken. De pauw heeft blauwe, groene en koperkleurige veren. Bij de inktvis, de sepia, golven alle kleuren van de regenboog over zijn lijf als hij opgewonden is. Zoals bloemen kleur aan het leven geven, zo doen koper en zijn mineralen dat eveneens. Dat vinden we mooi, dat spreekt ons gevoel aan. Koper heeft met het kleurrijke van de menselijke ziel te maken.

Venus en Mars

In de menselijke psyche heeft het koper ook zijn uitwerking. Mensen die iets met koper hebben, zijn kunstzinnig, fijngevoelig en letten erop dat de dingen mooi zijn. Het zijn vaak vrouwen, want koper is een ‘vrouwelijk’ metaal dat met Venus, de godin van de liefde, van doen heeft. Het teken van mars, de god van de oorlog (en verbonden met ijzer) is het mannelijk teken. Deze twee planeten horen bij elkaar, net als man en vrouw en zijn tegelijkertijd in veel kwaliteiten tegengesteld aan elkaar. Het vrouwelijke element (niet te verwarren met het moederlijke van de maan) is meer ontvangend, luisterend, het mannelijke meer handelend, zich uitsprekend. Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen; het is een goed streven als mannen vrouwelijke eigenschappen ontwikkelen en vrouwen mannelijke eigenschappen.

Koper en ijzer hebben dus veel uitgesproken tegenstellingen. In de techniek worden ze juist samen gebruikt. IJzer daar waar een apparaat sterk moet zijn, koper waar het mooi mag zijn.

Koper is heel goed smeedbaar en heeft verder een eigenschap die erg behulpzaam is voor de instrumentenmaker: koper (of messing) voegt zich, het metaal ‘pakt’, bijvoorbeeld wanneer iets aangedraaid moet worden. IJzer is hard en stug en moet precies passen, anders gaat het niet.

Koperwerking in de mens

Hoe koper nu in het menselijk organisme werkt, is niet zonder meer uit bovenstaande af te leiden. Het is meer zo dat het er goed bij past. Allereerst werkt koper in homeopathische verdunning regulerend voor de gehele stofwisseling. Het verbetert de werking van de hele stofwisseling. Het belangrijkste koper-orgaan is de nier. In de nier vindt uitscheiding van water plaats (urineproductie). In de bijnier vindt een sterke opbouw plaats door anabole (opbouwende) steroïden, door hormonen als cortison en prednison. Hier is een opbouwende koperwerking herkenbaar. Een orgaan waar homeopathisch koper ook sterk werkt, is de lever. Daar vindt opbouw van vele lichaamsstoffen plaats, met name van eiwitten. Koper helpt bij de opbouw en vorming van eiwitten. Tijdens de zwangerschap stijgt het kopergehalte in de moeder, het ijzer wordt relatief minder. Een gebaar om het kind met warmte te ontvangen De lever heeft zijn aanvoer vanuit de darmen via de aderen, in medische term ‘venen’ genoemd. De venen hebben iets met ‘Venus’ te maken. Als de venen te veel uitzetten, zoals bij spataderen, dan kan een lotion met koper worden gebruikt: Lotio pruni cum cupro (Venadoron).

De sensitiviteit van de kopermens kan ook ontregelen en leiden tot spanning en verkramping. Dat kan bijvoorbeeld in de darmen zijn (spastische darm) of in de longen (astma of kinkhoest). Dan werkt een koperverbinding ontkrampend, bijvoorbeeld in de vorm van Cuprum aceticum druppeltjes, of als koperzalf op de nierstreek. Bij buikkramp is een inwrijving met koperolie heilzaam of een compres met kamille, een plant met koperkwaliteiten. Bij koude voeten geeft een koperinwrijving warmte en ontkramping.

Koper is warm, mooi, vriendelijk en een dankbaar geneesmiddel. Dat kan het zijn door de antroposofische wijze van kijken naar de natuur, de substanties en naar de relatie met het wezen van de mens.

*Huib de Ruiter is oud-huisarts van Gezondheidscentrum De Lemniscaat in Leiden. Hij bestudeert de werkzame eigenschappen van grondstoffen voor antroposofische geneesmiddelen. In Ita** deelt hij zijn bevindingen.

**Ita   is onderdeel van ‘Antroposana

Leen Mees: Levende metalen

koper 3

                                                                                  0-0-0

koperkies

koperkies

0-0-0

koperlazuur

Koperlazuur, doch blauw van kleur. Belangrijk kopererts.

0-0-0

kopervitriool

kopervitriool

0-0-0

korund

Korund 2

0-0-0

kwik
Sinds kort staat het metaal kwikzilver in Nederland in een kwade reuk. In juli van dit jaar* werd bekend gemaakt dat het gebruik van kwik spoedig zal worden verboden, en wel omdat de kwikdampen die ontstaan bij het blootstellen aan lucht een gevaar vormen voor de gezondheid. Naast deze eigenschap van kwik – dat het verdampt in voor de mens giftige gassen – is het mineraal echter vooral bijzonder door het feit dat het vloeibaar is.

‘Kwik heeft een verborgen vlam’, zei­den de oude alchemisten, waarmee ze bedoelden dat kwik al bij normale tem­peratuur de toestand heeft die bij ande­re metalen pas ontstaat als ze door ver­hitting vloeibaar worden. Men kan ver­moeden dat alle metaaladeren die men in verschillende soorten gesteente vindt, vroeger vloeibaar waren. Deze aderen worden dan ook niet voor niets zo genoemd: het metaal moet erdoor heen hebben gestroomd. Zo beschouwd heeft kwik als enige metaal een vroege­re toestand kunnen bewaren, waarmee het, zou je kunnen zeggen, jong is gebleven.
Daarnaast heeft kwik de opvallende eigenschap dat het nagenoeg alle ande­re metalen kan oplossen. Alleen ijzer wordt niet aangetast; vandaar dat ijzer een geschikt materiaal is om kwik in te bewaren. Kwik is bijzonder beweeglijk, zozeer zelfs dat we het niet kunnen vasthouden, het metaal glipt snel tussen de vingers weg en springt dan uiteen in vele kleine druppeltjes. Dat de mens zich van deze beweeglijkheid als
eigen­schap bewust is geweest, zien we aan de vogel die wij kwikstaart noemen: de kwikstaart draagt zijn naam met ere, want hij is net zo levendig en beweeg­lijk (zo ‘kwiek’), als het metaal waar­naar hij is vernoemd.

Verwantschap
Kwik is verwant met water. Beide zijn de enige anorganische stoffen op aarde die vloeibaar zijn. Alle andere vloeistof­fen, zoals petroleum, zuren of vloeibare gassen, komen voort uit oorspronkelijk levende planten of dieren. Zowel water als kwik vormen druppels. De aarde     zelf is met zijn enorme wateroppervlak één grote druppel, terwijl we in het bin­nenste van de aarde zuivere, kleine kwikdruppels kunnen vinden. Water verdampt en breidt zich uit in de wijde omgeving en wordt daarna weer tot druppel samengetrokken: tot een regendruppel of de dauwdruppel van de nacht. Een druppel is afgesloten in zichzelf en tegelijk spiegelt hij de hele wereld rondom zich: in een dauwdrup­pel kun je jezelf en je omgeving gespiegeld zien. Een druppel is het samengaan van een centrum en de omgeving. Hij staat er als het ware midden tussenin.
Ook kwik als metaal verenigt de groot­ste tegenstellingen in zich. Het spat uit­een in vele kleine bolletjes en vloeit daarna weer samen tot één grote drup­pel. Het verdampt gemakkelijk en stijgt dan op in de omgeving, en tegelijkertijd is het een van de allerzwaarste meta­len! Het is dus ook lichtheid tegenover zwaarte.

Griekse mythologie
De Engelsen noemen kwik ‘mercury’, afgeleid uit de Griekse mythologie, waarin we de god Mercurius vinden. Hij is de boodschapper die bemiddelt tussen de hemel en de aarde, zowel heen als terug. Deze god Mercurius is net zo beweeglijk als de planeet Mercurius aan de hemel en zorgt ervoor dat dingen worden verplaatst, bijvoor­beeld doordat hij iets van de plek waar er te veel van is naar een plek brengt waar er juist te weinig van is. Daarmee herstelt hij het evenwicht. Mercurius werd daarom gezien als de god van de handel (tevens van de dieven, die voor­al voor illegale verplaatsing zorgden), maar ook van de artsen. Elke ziekte is immers op te vatten als een verstoring van het evenwicht tussen ‘hemel en aarde’. De mens kan te aards wor­den (koud, sclerotisch, te star in de ziel) of juist te hemels (koortsig, vorm verlie­zend, illusio­nair in de ziel). De arts helpt, als dienaar van Mercurius, het evenwicht te herstellen.

Medische toepassingen
In het menselijk lichaam is er geen gebied waar zo duidelijk het vloeibaar worden en het druppels vormen te voorschijn komt als in het kliersysteem. Een bijzondere plaats nemen daarbij de klieren in het spijsverteringskanaal in, waar ongelooflijk veel beweging is. De peristaltiek kneedt en duwt de spijsbrei heen en weer. Het darmslijmvlies is ook in zijn vorm een en al beweging: het ligt in talloze plooien. Op deze plooien liggen weer uitstulpingen en op deze uitstulpingen weer microscopisch klei­ne darmvlokken. Beweging en een grote veelheid; je kunt er het gebaar van kwik in herkennen. In het gebied van de spijsvertering vindt de opname van het voedsel via de darmwand in het bloed plaats. Uit de klieren vanaf de mond tot en met de dunne darm worden grote hoeveelhe­den spijsverteringssappen aan het voed­sel toegevoegd om het vloeibaar te maken en te verteren. In de dikke darm wordt een groot deel van deze vloeistof weer opgeno­men. Kwik is een universeel gif voor het slijm­vlies, met name van het spijsverte­ringskanaal. In gepotentieerde, dat wil zeggen in ritmisch
ver­dunde vorm is het kwik echter juist in dit gebied een geneesmiddel. Te begin­nen bij de amandelen en het mondslijm, daarna in het maagdarmkanaal en ten slotte in de dikke darm vindt men het terrein waarop het kwik bij een ont­steking als geneesmiddel kan werken. Naast de gevaarlijke werking, waarvan in het begin sprake was, kan kwikzilver dus ook zeer heilzaam zijn.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 175, *winter 1997)

Leen Mees: Levende metalen

0-0-0

kwarts-bergkristal

kwarts-bergkristal

 

Na veldspaat is kwarts met ongeveer 13% het meest voorkomend bestanddeel van de vaste aardkorst. Maar niet alleen dit hoge percentage maakt indruk — ook de gevarieerde schoonheid van zijn verschijningsvormen als amethyst, rook­kwarts, rozenkwarts, moriaan, citrien, tijgeroog is indrukwekkend. Kleurloze en onvertroebelde kwarts is de glasheldere bergkristal, die men als een zuivere uitdrukking van vormgevende krachten kan zien. Goethe beschouwde de bergkristal als de voleinding van al wat kwarts is. Iets heel bijzonder zijn de kleine, rondom gevormde en niet op een ondergrond ontstane kristallen, die het mooist voorkomen in het marmer van Carrara. De fraaiste bergkristallen komen uit Zwitserland (Gotthardgebergte), Ceylon, Madagascar en Brazilië.

(Weledaberichten nr.119 12-1979)

0-0-0

labradoriet

Labradoriet. Prachtig silicaatgesteente. waarvan de geslepen zijde veelkleurig schittert.

0-0-0

lapis lazuli

of  lazuursteen, azuursteen

chemische samenstelling
hardheid: 5,5

Lapis lazuli (azuursteen) betekent: blauwe steen. Azuur is: hemelsblauw.

Lapis = steen; van lazuli is afgeleid azuur of hemelsblauw.

Het is mogelijk dat in het Oude Testament onder saffier de lapis lazuli bedoeld wordt. Want in Job 28:6 staat: ‘De saffier heeft stofjes van goud.’
Ook Griekse schrijvers voor en na Christus spreken over ‘de saffier die met goud gestippeld is’.

Wat betekenen deze stofjes of stippels van goud?

Er is een mooie steen, met ook een mooie blauwe kleur. Deze heeft
pyrietkorreltjes in zich, die bij polijsten van de steen een gouden kleur aannemen.

Dit is de lapis lazuli of lazuursteen.

Het ingesloten pyriet is zwavelerts of zwavelijzer, in de volksmond kattegoud.

Tijdens de woestijnreis van Israël schijnt de saffier nog niet bekend geweest te zijn. Wel zijn in de Egyptische koningsgraven veel sieraden gevonden van lapis lazuli, b.v. in het graf van Toetanchamon (1354 voor Christus).

Daar de lapis lazuli in de vorm van grote en zware stukken voorkomt, wordt de beeldspraak van Jesaja 54:11 duidelijker: ‘Ik zal u op saffieren grondvesten.’

Bij avond kunnen de sterren van het firmament vergeleken worden met pyriet-kristallen. Denk aan Exodus 24:9 en 10: ‘En zij zagen de God van Israël en onder Zijn voeten een werk als van saffierstenen, als de gestalte des hemels in zijn klaarheid.’

Zo ook Ezechiël 1:26 ‘En boven het uitspansel… was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen.’ Zie ook Ezechiël 10:1.

Wanneer we in het Nieuwe Testament komen, kunnen we rustig (in Openbaring 21) bij de fundamenten van de hemelse stad denken aan de echte, ons bekende saffier.

Zijn kleur is voldoende om ons zijn zinnebeeldige betekenis te laten zien.

Want hij doet denken aan het hemelsblauw van de tabernakel uit Exodus en aan de kleding van de hogepriester. Het is een hemelse kleur.

Dr. H. Rossier ziet in deze hemelsblauwe kleur de heerlijkheid van Jezus Christus als de Zoon van God.

De saffier staat in tegenstelling tot de smaragd: die is een symbool van aardse heerlijkheid.

Lapis lazuli, geslepen. Men ziet de zogenaamde ‘goudkorreltjes’, eigenlijk de pyrietkorrels.

0-0-0

lazuliet

lazuliet 1

0-0-0

leuciet

Leuciet. Fraai kristalliserend silicaat in eruptiefgesteenten, bijv. in basalt; de kristallen schijnbaa regulair, in werkelijkheid rombisch.

0-0-0

lood
Als men een loden buis doorzaagt, tonen de uiteinden een typische metaalglans. Edele metalen zoals goud en zilver behouden deze glans, lood, als onedel (want oxiderend) metaal, wordt daarentegen snel weer grauw. Door de chemische reactie met zuurstof uit de lucht ontstaat dof uitslaande roest (loodoxide), die het eronder liggende zuivere lood afdekt.

Lood heeft een opvallende verhouding tot warmte. Het zeer weke lood wordt bij verwarming redelijk snel vloeibaar, maar geleidt de warmte nauwelijks. Niet alleen warmte wordt slecht geleid, ook elektriciteit; geluidstrillingen en radioactieve straling worden niet door­gegeven. Lood brengt deze activiteiten als het ware in zichzelf tot stilstand. Ook bij chemische reacties met andere stoffen treedt er een soort stilstand op: gevormde loodzouten in een oplossing zijn meestal onoplosbaar en zakken naar de bodem.

Toepassingen
Pas in de Romeinse tijd begon men lood echt te gebruiken: als slingerko­gels, bij de verzwaring van visnetten of voor het geleiden van water, waarvoor men loden buizen ging inzetten. Bij dakbedekking, maar ook bij transatlan­tische kabels sluit lood door oxidatie datgene wat binnen is af. Zo bedekken dekverven (menie, loodwit en dergelij­ke) zeeschepen en gaan het roesten van ijzer tegen. Loodschorten beschermen op röntgenafdelingen tegen radioactieve straling. Verder worden lijkkisten aan de binnenkant vaak met lood bekleed. Bij al deze toepassingen heeft men met afsluiten te maken: de binnenwereld wordt afgeschermd.
Met de opkomst van de boekdrukkunst openbaarde lood nog een ander facet van zijn karakter. Door zijn weke vorm kon het gemakkelijk tot drukletters worden gegoten. Opnieuw is van een verdichting en afsluiting sprake. In een gedrukte tekst wordt een gedachte tot een aardse vorm verdicht en tevens gefixeerd. Het woord ‘potlood’ dankt
zijn naam aan het feit dat de schrijfstift vroeger lood bevatte. Met het weke metaal werden (schrijf)sporen en gedachten op het papier vastgelegd.
Samenvattend kun je zeggen: lood brengt de zwaarte van de aarde tot
werkzaamheid, verdicht, brengt tot stilstand en sluit af. Je kunt dat een doodsproces noemen: in lood houdt de levende, bewegende wisselwerking met de wereld op.

Als je het metaal zo tot je hebt laten spreken, verbaast het niet dat de oude alchemisten lood ‘Vadertje dood’ noem­den.
In de Griekse mythologie was de god Chronos (bij de Romeinen Saturnus) drager van hetzelfde proces. Hij werd als een oude man afgebeeld, of zelfs als een skelet, die als attributen een zeis en een zandloper droeg. De zeis snijdt het stromende leven af, waardoor het sterft en de zandloper is teken van de sterfelijkheid, van de ein­digheid van het leven.

Het menselijk organisme
Het beeld van een loodvergiftiging stemt geheel met het voorgaande over­een. Normaliter bevat het lichaam geen lood. Als mensen (bijvoorbeeld door hun beroep) lood opnemen, doet zich een snel verval van levenskrachten voor. Ze gaan er doodsbleek uitzien, haren vallen uit, tanden gaan loszitten. Verder beginnen de bloedvaten voortij­dig te verkalken, vertraagt de stofwisse­ling en treden er krampen op (vroeger saturnus-koliek genoemd). Kortom, een loodvergiftiging bewerkt een proces van vroegtijdig verharden en oud worden.

Toch is het verharden op bepaalde plaatsen in het lichaam nodig, zoals in de botten. Alleen met een stevig skelet kan de mens de zwaartekracht weerstre­ven en zich oprich­ten. Ieder mens gaat op volstrekt individuele wijze rechtop staan. Verder groeit door het verhardings­proces al vrij vroeg de fonta­nel van de sche­del dicht. De mens sluit zich daarmee in zekere zin af. In dezelfde periode ontstaat ook de herinnering – een typisch mense­lijk vermogen; er ontstaat een binnen­wereld. Herinneringen zijn nooit neu­traal, je hebt er altijd het beleven ‘het was goed of niet goed’ bij. Oftewel, ze raken de morele wil. Lood
vertegen­woordigt lichamelijk gezien een doodsproces, een aards worden. Innerlijk hoort daar een tegenproces bij: vrij worden van de aarde, zich oprichten en zichzelf innerlijk vervullen. Lood maakt zowel dit lichamelijke als het innerlijke gebeuren mogelijk.

Lood in de geneeskunde
In het lichaam zijn de doodsprocessen en de levensprocessen met elkaar in evenwicht. Bij het waken – met name in het hoofd – staan de doodsprocessen op de voorgrond. De levensprocessen worden vooral in het onbewuste, sla­pende deel van het lichaam verzorgd; in de bloedsomloop en de spijsverte­ring. Bij bepaalde vormen van allergie kunnen de levensprocessen te sterk zijn. Ook kan bij kleine kinderen door krachtige stofwisseling het bewustzijn te dromerig zijn. In beide gevallen kan lood de doodskrachten en de bewust­zijnsprocessen bevorderen. In de reguliere geneeskunde wordt lood om zijn dodende eigenschappen gebruikt: bijvoorbeeld in Burow-water om kie­men in een besmette huid te doden. Het belangrijkste toepassingsge­bied van lood in de antropo­sofische geneeskunde is het sturen en controleren van de verdichtings­krachten in het lichaam. Wanneer het skelet plaatselijk of in zijn geheel te week blijft, wordt het verhardingsproces door lood in lagere potenties bevorderd. In hoge potentie kan lood het verhardings­proces juist tegengaan. Zo bevat een middel tegen aderverkalking naast honing en suiker lood in zeer verdunde vorm. Met andere woorden, zowel in situaties waarin het stervensproces te langzaam, als ook waarin het te snel gaat, kan lood regulerend werken.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten 176, voorjaar 1998)

Leen Mees: Levende metalen

0-0-0

looderts geel

looderts geel

0-0-0

loodglans

2x

loodglans 1
loodglans 2

0-0-0

0-0-0

magnetiet

magnetiet

 

Magnetiet (magneetijzererts). Magneetijzererts is een gemengd oxyde van twee- en drie­waardig ijzer. Deze verbinding is eigenlijk “halfverbrand” ijzer zoals het kunstmatig bij het sme­den van het gloeiende metaal ontstaat. De naam wijst er al op, dat dit ijzererts een sterk, natuurlijk magnetisme heeft. Reeds in de Oudheid werd het wonder ontdekt van de magnetische steen; veel werd erover geschreven. Be­halve de grove, korrelig-dichte aggregaten worden er ook dofzwarte, metaalachtig glanzende kristal­len gevonden, meestal in de vorm van octaëders. Magnetiet is over de hele aarde, tot in het hoge noorden, verbreid. Het behoort tot de oudste ijzerertsen. In fijne verdeling is het een bestanddeel van bijna alle magnetische gesteenten, bijv. ook van bazalt, waarvan de donkere kleur komt door het bestanddeel aan magneetijzererts. De bekendste vindplaatsen zijn in Kirunavaara (Lapland, Zweden). Hier bevinden zich de grootste ijzerconcentraties van de aardkorst.

(Weledaberichten nr.131, 12-1983)
magnetiet 2

Magnetiet (magneetijzererts, FeO, Fe203) ontleent zijn naam aan een krachtig, natuurlijk magne­tisme. Het kan het oudste ijzererts worden genoemd, dat in grote hoeveelheden tot in het hoge Noorden in het gesteente voorkomt. Het optreden ervan in het moedergesteente en de vergezel­lende mineralen wijzen op toestanden van de aarde waarin de atmosfeer nog een geheel andere samenstelling dan tegenwoordig moet hebben gehad. Vandaar de merkwaardige verbinding van tweewaardig ijzer FeO met driewaardig ijzer Fe203, die eigenlijk een “half verbrand” ijzer is zoals dit kunstmatig bij het smeden van gloeiend ijzer ont­staat. Zijn belangrijkste metgezel apatiet, een calcium-fluor-fosfaat en het daarin zich bevindende sporenelement lood wijzen op een proces, dat zich binnen in het menselijke bot afspeelt: de vor­ming van het bloed. Daar is het ijzer nog niet “door-ademd”, het bevindt zich nog in een “plant­aardige”-fase. Dienovereenkomstig is het magneetijzererts, als buiten de mens zich afspelend proces van mineraalvorming, ingebed in de met vele plantaardig-organisch lijkende mineralen doortrok­ken groensteen-formatie. Men mag daarom stellen, dat het magneetijzererts het minerale tegenbeeld oplevert van de primaire vorming van het menselijke bloed in het binnenste van de beenderen.

(Weledaberichten nr.136 09-1985)
magnetiet 3

Over het ijzer in de mens

0-0-0

malachiet

mineralogie malachiet

Malachiet is een veel voorkomend kopererts. De lichtende groene kleur en de nierachtige vorm maken hem tot een siersteen, die zeer gewaardeerd wordt. Malachiet wordt vaak vergezeld door de donkere azuurblauwe azuriet. In vroegere tijden was de malachiet als z.g. ‘schriksteen’ bekend, men nam aan dat de daarin aanwezige krachten kinderen voor dreigende gevaren beschermden.

(Weledaberichten nr. 101, 1974)
malachiet 2

Malachiet wordt gevonden in knolvormige bollen. De breukvlakken vertonen banden en, als ze geslepen zijn, concentrische kringen. Zij glanzen in een heldergroene kleur als van smaragd. Door deze eigenschappen is malachiet een veelgevraagde siersteen. Vanwege de bolvormige verschijning werd hij eertijds door de mijnwerkers ook wel “glaskop” genoemd. Malachiet kan ook in de gedaante van radiale, vezelige, op haren gelijkende kristallen met een zijde-achtige glans verschijnen. Scheikundig bekeken is malachiet een basisch kopercarbonaat, waaruit men gemakkelijk met behulp van koolstof gedegen koper kan winnen. Reeds in de Oudheid heeft men van deze eigenschap geprofiteerd. Maar ook in de geneeskunst kent men de betekenis van koper. Men kan bijv. door een bepaalde kopertherapie krampen in het stofwisselingsgebied tegengaan. Op grond van deze kennis wordt malachiet ook bij de farmaceu­tische bereiding van geneesmiddelen in de Weleda gebruikt. Vaak wordt malachiet in de natuur vergezeld door het donkerblauwe azuriet. Dit mineraal heeft bijna dezelfde scheikundige samenstelling als malachiet. In het gebied rondom Siegen en in de Harz heeft men fraaie exemplaren gevonden De grootste en meest bekende vindplaatsen ligge in de Oeral, in Cornwall en in Tsumeb (Namibië)

(Weledaberichtebn nr.137 12-1985)

.

Malachiet. Basisch kopercarbonaat. In Siberië. Kopererts en ter vervaardiging van kunstvoorwerpen.

0-0-0

meteoorijzer

mineralogie meteoorijzer

Meteoorijzer. Het grootste hierboven afgebeelde stuk is een geslepen en geëtste plaat, afkomstig uit Bethanië in het zuiden van Afrika. Karakteristiek voor meteoorijzer is de kristallijne structuur, die echter door etsen (met een zuur) zichtbaar wordt. In tegenstelling tot het ‘normale’ voorkomen van ijzer, namelijk in ertsen, in de diepte van de aarde, ontstaat meteoorijzer, zoals de naam aanduidt, uit puur kosmische krachten.

(Weledaberichten nr.102 09-1974)

Meteoorijzer (Ferrum sidereum). Tot de verschillende vormen van ijzer die in sommige Weleda geneesmiddelen worden verwerkt behoort ook een zeer bijzondere ijzersoort. Deze is niet op de aarde ontstaan maar heeft een kosmische oorsprong.
IJzer is een zeer verbreid element. De bruine kleur van de grond is bijvoorbeeld hieraan te danken, in de natuur vindt men echter alleen de roestbruine verbindingen en zouten van het ijzer. Het zuivere metaal treft men praktisch nergens aan. Een uitzondering is het meteoorijzer. Er zijn op vele plaatsen kleine en grote, soms vele tonnen zware exemplaren gevonden, die vroeger door de mensen vol eerbied werden bekeken.|
In de oudere literatuur wordt dit “uit de hemel gevallen” ijzer zelfs “menslievend” genoemd, omdat er nooit iemand door een vallend stuk meteoorijzer zou zijn gewond.
Meteoorijzer bevat behalve ijzer en nikkel nog een kleine hoeveelheid kobalt. Een kenmerk ervan is zijn grote hardheid en taaiheid, het is moeilijk te bewerken. Vroeger, toen men gelegeerd staal nog niet kon vervaardigen, was meteoorijzer de enige beschikbare grondstof. Het zwaard van Siegfried, de moedige legendarische held die geen vrees kende, was uit dit kosmische metaal gesmeed.
Er bestaat een beproefde methode om zich van de echtheid van meteoorijzer te overtuigen: men slijpt het ijzer ergens een beetje glad, polijst die plek en bedruppelt die met een verdund zuur. Als het echt meteoorijzer is, worden er heel typerende lijnen zichtbaar, de zogenaamde figuren van Widmannstatten.

(Weledaberichten nr,1 42 09-1987)

0-0-0

meteoorijzer

metoorijzer 2

Meteoorijzer is een materie van kosmische oorsprong die voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. De meeste meteorieten die verbranden bij het binnentreden van de aarde-atmosfeer en slechts zelden vindt men op de aarde een groot stuk. In de oudheid werd het zeer harde en bijzonder taaie ijzer zeer hoog gewaardeerd. De grote helden die voor onoverwinlijk golden smeedden hieruit hun zwaarden. Wanneer men een stuk meteoorijzer slijpt, polijst en etst worden zeldzame structuren zichtbaar die voor dit kosmische ijzer typerend zijn, wat bij andere metalen niet het geval is.

(Weledaberichten nr.115 09-1978)

Meteoorijzer is een stof die van kosmische oorsprong is en voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. Het gewicht van de aarde neemt dagelijks met ongeveer 1000 ton toe. De meeste meteorieten vergloeien wanneer ze de aardse atmosfeer binnenkomen. We vinden zelden een groot stuk op aarde. In de oudheid werd dit zeer harde en taaie ijzer zeer gewaardeerd. De grote helden, die als onoverwinlijk golden, smeedden hieruit hun zwaarden.
Wanneer we een stuk meteoorijzer slijpen, polijsten en schoonetsen krijgen we merkwaardige figuren te zien die karakteristiek zijn voor dit kosmische ijzer en bij andere metalen niet worden aangetroffen.

(Weledaberichten nr. 156 04-1992)

[17-1] Over het ijzer in de mens
Een artikel met eenzelfde strekking
In diverse artikelen over Michaël wordt over het ijzer gesproken

meteorieten

Er zijn ook stenen die niet van de aarde stammen , maar uit de ruimte van het heelal om ons heen.
Het is buitenaards gesteente, waarin vooral nikkel en ijzer zit.

Dagelijks komen er vanuit de ruimte ettelijke honderden tonnen in de richting van de aarde, weliswaar doorgaans van minimale afmetingen.

Men spreekt van meteoorsteen of ijzermeteorieten; het meest komen ijzermeteorieten voor. Er zijn vindplaatsen in alle werelddelen, gedeeltelijk door meteoorkraters aangeduid.

Wanneer we ’s avonds een ‘vallende ster’ of metoor zien moeten we bedenken dat er per etmaal meer dan een miljoen waargenomen kunnen worden.

Als een metoor in aanraking komt met de aardatmosfeer, wordt hij meteoriet genoemd.

Met een grote snelheid dringen kleine vaste lichamen uit de ruimte de atmosfeer binnen. Door botsing met de luchtdeeltjes worden ze sterk verhit.

We zien dan (het gebeurt op 90 a 100 km hoogte) gedurende een deel van een seconde een lichtende streep.

Als de meteorieten klein zijn, verdampen ze.

Soms zijn deze lichamen zeer groot.

In 1947 viel er een in de bergen van Siberië als een grote verblindende vuurbol.
In Arizona (U.S.A.) en Australië zijn kraters geslagen van 1200 en 850 m middellijn. Dan treedt er een enorme explosie op, begeleid door schokgolven in de omringende aardkorst.

Er zijn thans meer dan 200 meteoriet-kraters bekend.

De ‘Long Island’ is een meteoriet met een gewicht van 564 kilo.
De ‘Ranchito’ ijzermeteoriet heeft een geschat gewicht van 50 ton.

Meteoriet. Buitenaards gesteente. Vindplaats: DaI van Toluca, Mexico. Originele grootte: 7,3 bij 6,7 cm. Gewicht: 635 gram.

Door de meterorieten komen we iets te weten over de samenstelling van wat onze aarde omgeeft. Het blijken dezelfde grondstoffen te zijn die we hier al kennen. Dit is ook het geval met het materiaal dat men van de maan heeft meegebracht. Het waren geen edele stoffen. Er is reden om aan te nemen dat er behalve op aarde nergens edelstenen zijn.

0-0-0

molybdeenglans

molybdeenglans

0-0-0

muskoviet

Muskoviet. Kaliglimmer. Doorzichtig, zeer splijtbaar silicaat, veel voorkomende o.a. in granieten. Grotere platen worden gebruikt voor lampenglazen enz. enz.

0-0-0

natroliet

Natroliet. Bolvormige kristalgroepen (sferiten) van een samengesteld silicaat (rombisch).

0-0-0

oliveniet

0-0-0

onyx

onyx

 

Tussen de heldere bergkristal met zijn strenge, regelmatige vormen en de amorfe, nog waterhoudende melkachtig-troebele opaal zien wij de rijkdom aan verschijningsvormen van kiezelzuur. Min of meer in het midden van deze groep staan de agaten. Zij zijn opgebouwd uit lagen met verschillende kleuren die uit microscopisch kleine vezels bestaan. Pas met moderne methodes van onderzoek kon worden vastgesteld, dat ook deze minuscule kristallen dezelfde structuur als kwarts hebben. De onyx behoort tot deze groep van de agaten. Hij vertoont dikke lagen van meestal zwart-witte banden die uit cryptokristallijn kwarts bestaan (chalcedon). Vanwege de structuur en de gelaagdheid in licht-donker heeft men de onyx reeds in de Oudheid veel gebruikt voor de vervaardiging van cameeën. De onyx wordt, evenals dat bij de agaat in ’t algemeen het geval is, ook in amandelvormige brokken van verschillende grootte gevonden. De bekendste vindplaatsen zijn in Brazilië, India en in Idar-Oberstein.

(Weledaberichten nr.117 04-1979

0-0-0

opaal

Hebreeuws: leschem
Grieks: ligurion
Chemie: SiO2.nH20
Hardheid: 6

Het woord opaal komt uit het Sanskriet: upala = edelsteen; een bewijs, dat de steen in de oudheid al bekend was.

De opaal bestaat evenals kwarts uit kiezelzuur, maar het is ongekristalliseerd met als gevolg een geringere hardheid.

Mooie opalen met een rijk kleurenspel rekent men tot de fraaiste edelstenen.

Vuuropaal. Mexico. Originele grootte 22 bij 35 mm. Verzameling Zoltan Buzas, München

De grondstof zelf is meestal kleurloos; de bonte kleuren, die het hele spectrum omvatten, ontstaan door interferentie van het licht (de wederzijdse werking van lichtstralen op elkaar). Het is hetzelfde verschijnsel (iriseren) dat men bij dunne olielaagjes op het water of bij zeepbellen kan waarnemen. Het is een regenboogkleurige schittering, die verandert met de gezichtshoek.

Hij is de zevende steen van het borstschild naar de Elberfelder Bibel (Exodus 28 : 19).

Van alle edelstenen is de opaal wel de geheimzinnigste. Alle kleuren van het zonnespectrum glanzen in een ondoorgrondelijke gloed vanuit zijn binnenste.

Plinius, Romeins schrijver eerste eeuw na Chr., kon hem in zijn ‘Natuurlijke historie’ al niet genoeg prijzen:
‘In hem is een zacht vuur als van een karbonkel, het glanzende purper van een amethist, het prachtige groen van de smaragd, het gouden geel van de topaas, het diepe blauw van de saffier, zodat alle kleuren in ongelofelijke mengeling glanzen.’

Niet alleen hier, maar bij andere wonderschone stenen, ook bij parels, is iets dat men wel genieten kan, maar dat niet onder woorden te brengen is.

Opaal. Vindplaats: Australië. Originele lengte 5.2 cm. [> Verzameling Hein Gaertner.

opaal 3

halfopaal

 0-0-0

olivien

Olivien (chrysoliet), fraai groen silicaat-mineraal, dat onder bepaalde omstandigheden in serpentijn over gaat. Halfedelsteen. O.a. in de Eifel.

0-0-0

parel

Grieks: margarites (van een stam, die glinsteren, schijnen betekent)

Chemie: ongeveer 10% organische bestanddelen, 3,5% water, rest calciumcarbonaat
Hardheid: 3 à 4

Mattheüs 13:45, 46
Openbaring 21:21

Een parel geeft onvergelijkelijk fraaie en zachte kleurverschijnselen, die zich als iriskleuren aan het oog voordoen.
Parels worden als zeer kostbaar beschouwd en op één lijn gesteld met de duurste edelstenen.
De doorschijnende zachte glans, die de parel haar bijzondere bekoring verleent, noemt men de ‘luster’ of de ‘oriënt’ van de parel.

Parels worden door oesterachtige zeemossels gevormd uit parelmoer, de regenboogkleurige stof waarmee de binnenkant van hun schelpen bedekt is.
De parelvormende zeeoesters zijn 8 cm in doorsnee, hun leeftijd gaat tot 13 jaar. Ze leven in de buurt van de zeekust tot op ca. 15 m diepte.
Als nu een vreemd lichaampje, b.v. een zandkorreltje de schelp binnendringt, dan wordt de oester door dit vreemde bestanddeel geprikkeld (als een stofje in het oog). Zo’n binnengedrongen kerntje kan soms microscopisch klein zijn, maar de oester begint dadelijk de organische stof parelmoer af te scheiden.

Daaromheen komt radiaal een reeks kalkkristalletjes, waarop weer een uiterst dun laagje organische stof volgt. Deze concentrische opbouw duurt zo lang totdat het kerntje door de mossel zo ingekapseld is, dat zij geen hinder meer van het vreemde voorwerp ondervindt. Zo ontstaat een kogeltje – de parel. Zij is de draagster van de parelmoerglans. In principe zijn het dezelfde kleuren die ontstaan bij petroleum op het watervlak of de kleuren van zeepbellen.

De latijnse naam van deze pareloesterschelp is Pinctada Maxima. Met twee ingegroeide parels. Afkomstig uit Nieuw-Guinea. Grootte 14,3 x 13,7 cm. | Verzameling Hein Gaertner.

Men heeft berekend dat de vorming van grotere parels tot 10 jaar kan duren.

Veel van de opgeviste oesters bezitten helemaal geen parel, want slechts één op de 30 à 40 oesters levert een parel op. Andere daarentegen hebben er soms twee. Men heeft ook wel dozijnen kleine pareltjes in één oester aangetroffen.

De grootte van parels wisselt van speldeknop tot duivenei.

De grootste die bekend is, weegt 450 karaat. Ze heet ‘de ster van India’ en wordt bewaard in het Kensington Museum te London.

Er zijn fabelachtige sommen voor de mooiste parels betaald.

De duikers kunnen één tot drie minuten onder water blijven. Het is een moeilijk, heel ongezond en gevaarlijk werk, ook vanwege de haaien. Parelvissers worden meestal niet oud.

De belangrijkste vindplaatsen met de beste kwaliteiten (lichtrose en romig wit) zijn in de Perzische Golf, bij Sri Lanka en bij de Australische kust-aangetroffen.

0-0-0

0-0-0

perowskiet

Een titaanerts

0-0-0

pyriet

mineralogie pyriet

 

Pyriet in zijn natuurlijke vorm. Mineralen zijn voor de geschiedenis van de substantie van de aarde van grote betekenis: vorm, kleur, bijzonderheden van hun verschijning e.d. geven belangrijke aanwijzingen over de kosmisch-aardse processen waaruit ze ontstaan zijn en over de wijze waarop ze therapeutisch te gebruiken zijn.

(Weledaberichten, nr.96, 04-1973)

Over het ijzer in de mens in samenhang met pyriet

0-0-0

pyrolusiet

pyrolusiet 1

0-0-0

pyromorfiet

pyromorfiet

0-0-0

pyroxeen

Pyroxeen. Silicaatmineraal, dat in vele kristallijne gesteenten voorkomt, ’t Soort gewicht van pyroxenen ia hoger dan dat van de amfibolen.

0-0-0

realgar

realgar

0-0-0

robijn

Hebreeuws: odem
Grieks: sardion
Chemie: Al2O3
Hardheid: 9

Exodus 28:17;
Openbaring 4:3; 21:20

Een robijn is rood; maar een kleur rood die eigenlijk niet met iets te vergelijken of aan te duiden is. Ze is volstrekt enig in de natuur.
Om toch een vergelijking te kiezen: bij robijn is de beste kleur die van duivenbloed. Zulke dieprode robijnen komen uit Myanmar (vroeger: Birma) en zijn kostbaarder dan diamanten.

In de oudheid waren het al zeer begeerde stenen. Ook nu nog zijn ze heel hoog geschat.

De machtige vorsten van India voerden onder hun titels ook die van Koning der Robijnen. De grootste slijpwaardige robijn die ooit gevonden is woog 80 gram.

De robijn behoort, evenals de saffier, tot de korundgroep. Dit zijn na diamant de hardste edelstenen; hardheidsgraad 9.

Diamant staat met graad 10 bovenaan en is altijd nog 100 tot 140 maal harder dan robijn!

Korund wordt, ruw, in grote hoeveelheden gevonden, maar de grote massa is niet geschikt om als edelsteen te worden geslepen. Ze hebben ook teveel insluitsels. Ze worden fijn gemaakt en o.a. gebuikt voor amarilstenen, voor het slijpen van metaal enz.

Er zijn half-doorzichtige robijnen die in de richting van de as een zesstralige ster vertonen. Deze interessante verschijning heet asterisme en komt ook voor bij saffieren. Als deze stervorming fraai en goed zichtbaar is, spreekt men van een stersaffier en sterrobijn. Ze zijn als zeldzame spelingen van de natuur hoog in prijs. Het zijn reflectieverschijnselen, waardoor drie Iichtlijntjes optreden die elkaar kruisen en een zesstralige ster vormen, die over de steen schijnt te zweven. De oorzaak daarvan zijn kleine naaldjes, rutielkristallen in het inwendige van de steen.

0-0-0

roodguldigerts

roodguldigerts

0-0-0

rookkwarts

rookkwarts 1

0-0-0

rubelliet

Rubelliet. Rode toermalijn, borium-houdend silicaatmineraal van ingewikkelde samenstelling.

0-0-0

saffier

Hebreeuws: sappir
Grieks: sapfeiros
Chemie: Al2O3
Hardheid: 9

Exodus 28:18;
Openbaring 21:19

De chemische samenstelling van de saffier is dezelfde als die van de robijn.

Het rood van de robijn wordt veroorzaakt door aanwezig chroom, de blauwe kleur van de saffier komt door geringe sporen van ijzer en titaan.

De mooiste saffieren zijn die uit Kasjmir (korenbloemblauw).
Die uit Birma, Sri Lanka en Siam zijn lichter van kleur. De grootste werd gevonden in Opper Birma, een kristal van 63.000 karaat, d.i. 12,6 kg.

Er zijn saffieren (evenals robijnen) die schitteren als een zes-stralige ster als er licht op valt.
Het zijn reflectieverschijnselen, waardoor drie lichtlijntjes optreden die elkaar kruisen en een zes-stralige ster vormen, die over de steen schijnt te zweven. De oorzaak daarvan zijn kleine naaldjes, rutiel-kristallen in het inwendige van de steen.

Saffieren zijn nog steeds zeer gezocht.

Hij schitterde als vijfde steen van het borstschild en als tweede van de goddelijke stad.

0-0-0

sardius

De sardis wordt door sommigen wel gelijk gesteld aan de robijn:

André Gibert schreef een artikelenreeks over ‘de edelstenen in de Bijbel’. Hij zegt: De sardis of sardius is de steen, die tegenwoordig robijn genoemd wordt.
C.W. Wigram in zijn Hebr. Concordantie schrijft bij de odem: Kanttekening robijn.
Dr. H. Rossier in zijn ‘De symbolische betekenis van de Openbaring’ zegt: ‘De sardius, anders genoemd robijn, een bloedrode edelsteen.’

Men werpt wel legen dat sommige edelstenen in oud-testamentische tijden nog niet bekend waren, maar dit is niet altijd overtuigend.

De sardis wordt als eerste edelsteen van het borstschild genoemd. Ook als zesde fundament van het Nieuw Jeruzalem.

De Hebreeuwse naam voor sardis is odem. Deze naam is nauw verwant met het bijbelse Adam. Het woord Adam kan vertaald worden door mens en is letterlijk rode (aarde).

Odem zit ook in de naam van Ezau, n.l. Edom = rood.

Robijn in zoïsiet. Uit Langido, Tanzania. Hoogte 14 cm. O Verzameling Hein Gaertner.

sterrobijn

0-0-0

sardonix

Hebreeuws: scholham
Grieks: berullos
Chemie: Si02
Hardheid: 7

Exodus 28:20;
Openbaring 21:20

In de edelsteensnijkunst (graveren) krijgt men mooie resultaten met gelaagd materiaal. Dit zijn stenen met evenwijdige banden. Men noemt ze lagenstenen. Men combineert dan een lichtgekleurde laag met een donkere. Zo ontstaan meesterstukjes van graveerkunst.

De sardonix heeft witte lagen, afgewisseld door bruine. Hij is verwant met de onix (zoals hij heet in de Elberfelder Bibel O.T.

Bij onix (Grieks voor ‘vingernagel’ wegens zijn doorschijnende karakter) is een witte bovenlaag gecombineerd met een zwarte grondlaag.

Ze zijn beide lid van de kwartsfamilie.

Het is de elfde steen van het borstschild en de vijfde bij het Nieuw Jeruzalem.

We kunnen in de Bijbel over zijn hoedanigheid en betekenis niets vinden.

sardonix, Barzilië. Breedte 12 cm.

0-0-0

scheeliet

scheeliet

0-0-0

sideriet (ijzerspaat)

sideriet

Sideriet (ijzerspaat) is een verbinding van het tweewaardige ijzer met koolzuur. De eigenschappen van dit mineraal zijn echter afhankelijk van het milieu. Heel jonge verbindingen, die nog niet met de zuurstof van de lucht in aanraking zijn gekomen, zijn gelei-achtig zacht en nog geheel wit; de verder voorkomende kleuren daarentegen zijn gelig, geelbruin of grijs. Als een stuk ijzerspaat een lange tijd ergens op een helling heeft gelegen, wordt het donkerbruin. ( In de oxydatiezone van de ‘Eiserne Hut’ verandert het totaal in het lichtbruine limoniet en de daarbij behorende kalk wordt afgescheiden in de fraaie op koraal gelijkende zogenaamde ijzerbloem). Naast de meestal grove en grof gevormde verschijningen vindt men ook mooie op andere mineralen gegroeide kristallen. Zij hebben een honinggele kleur en kunnen bovendien doorzichtig zijn. Bekende vindplaatsen zijn Neudorf in de Harz, Siegerland en Erzberg in Stiermarken. In de Weleda is sideriet een belangrijke grondstof voor vele ijzerpreparaten.

(Weledaberichten nr. 130 09-1983)

0-0-0

smaragd

Hebreeuws: bareketh
Grieks: smaragdos

Exodus 28:18
Openbaring 4:3; 21:19

Chemie: Be3Al2(SiO3)6.
Hardheid: 7,5

De smaragd behoort tot de merkwaardigste en schoonste edelstenen die we kennen.
Zijn prachtig verzadigd groen is de kleur van de bomen, van het gras, de weiden; ook van nieuw leven, van hoop en verwachting.
Bewonderen we bij andere stenen een schitterende majesteit, een hoge glans, een reinheid, een fonkelend vuur — bij de smaragd is het de ondoorgrondelijke diepte van zijn zachte en liefelijke kleur.

Smaragd werd als vierde edelsteen door Aaron gedragen op zijn hart en is ook de vierde van het Nieuw Jeruzalem.

Plinius schreef ruim 1900 jaar geleden: ‘We beschouwen het groen van de kruiden en bladeren met welgevallen, maar nog liever kijken we naar de smaragden, want hun groen is het schoonste van alles. Niets is voor de ogen zo goed als deze kleur; het doet weldadig aan en vermoeit niet. Zijn de ogen door inspanning vermoeid – door het kijken naar het groen in de natuur en naar smaragden worden ze weer gesterkt.’

Bij opgravingen bleek dat smaragden 2000 jaar voor Christus al bekend waren. Ze werden gevonden in de buurt van de Rode Zee – een verwijzing naar de onmetelijke rijkdommen van de Farao’s.
Ook de smaragdmijnen van Cleopatra waren beroemd.

In het Brits Museum is een smaragd van 1385 karaat. In de ‘Weense schatkamer’ is een kruikje te bewonderen van 12 cm hoogte dat uit een enkel smaragdkristal gesneden is.

Een groot aantal historische smaragden komt uit de Inkaschatten. Het Kremlin in Moskou bewaart een kristal van 12 bij 25 cm.

De beste en kleurzuiverste komen uit Colombia, noordelijk van de stad Bogota.

Een volkomen transparante smaragd, vrij van insluitsels, is een grote zeldzaamheid. Overigens doen insluitsels bij smaragden niets af van hun waarde en zijn tevens een middel tot aanwijzing van de herkomst.
Een smaragd is dus bijna nooit rein, maar juist de insluitsels vormen de eigenaardigheid van zijn schoonheid.
Wanneer deze kleine scheurtjes en veelvoudige inlegsels door een loep bekeken worden, zien de ogen het afwisselingsrijke beeld van een tovertuin. Men kan eigenlijk het bekoorlijke lichtspel van een smaragd niet treffender karakteriseren dan met de in de edelsteenkunde gebruikelijke aanduiding ‘jardin’ of tuin. Het is deze’geheimnisvolle ‘jardin’ die hem boven de meeste edelstenen in de wereld verheft.

Smaragdgroen is de kleur die het meest op de voorgrond treedt bij de regenboog.

In Openbaring 4:3   ‘En rondom de troon was een regenboog, een smaragd gelijk.’

Smaragd. Een zeldzame vondst is het, wanneer beide einden vrij zijn. Meestal is één eind vergroeid met het moedergesteente. Dit laatste bestaat hier uit kwarts met pyriet. Vindplaats: Colombië. Totale hoogte 5 cm. Lengte van het smaragdkristal 2,7 cm.

0-0-0

sodaliet

sodaliet

 

Sodaliet is een weliswaar meestal kleurloos voorkomend mineraal, maar is vaak ook in een op­vallend mooie blauwe kleur te vinden. Deze blauwe sodaliet wordt graag als siersteen gebruikt. Naar zijn structuur behoort sodaliet tot de aluminiumsilicaten en is daardoor verwant aan de veel voorkomende veldspaat. De blauwe kleur is in zoverre een bijzonderheid, omdat deze niet, zoals bij de kleuren van de an­dere mineralen, op het aanwezig zijn van een zwaar metaal duidt. Dit is ook bij de Lapislazuli het geval, die dezelfde formule heeft en waar uit men vroeger het kost­bare ultramarijn blauw won. Sodaliet wordt ook bij de geneesmiddelbereiding gebruikt. De mooiste stukken komen uit Zevenburgen, Portugal en Groenland.

(Weledaberichten nr.133 09-1984)

0-0-0

spaatijzersteen

Spaatijzersteen. Hexagon. kristallen (of kristallijne massa’s van FeCO2. In fraaie, grote kristallen op Elba.

0-0-0

spiesglans

spiesglans

0-0-0

spijskobalt

Spijskobalt

0-0-0

steenzout

mineralogie steenzout

Steenzout is de typische representant voor de krachten van het zout. De kubusvorm die men vroeger beschouwde als uitdrukking van de werkzaamheid van de aarde, is er karakteristiek voor.

(Weledaberichten nr.97, 06 1973)
steenzout 1

0-0-0

tijgeroog

tijgerroog 1

0-0-0

tin
Zoals je het karakter bij een mens kunt schetsen, zo kun je ook het karakter van een stof beschrijven. Je brengt alle eigenschappen, gedragingen en handelingen die op een typische manier met de stof te maken hebben in beeld en leest daaruit wat zijn karakter is. Welke acties en reacties zijn dan karakteristiek voor tin?

Een stang uit tin kun je buigen, want het metaal is relatief week. Bij het buigen hoor je een krakend geluid, dat de ‘tin-schreeuw’ wordt genoemd. Het ontstaat doordat de kristallen in het tin ten opzichte van elkaar verschuiven. Deze spanning tussen enerzijds het inwendig gevormd zijn en anderzijds de weke vervormbaarheid, komt bij geen ander metaal zo uitgesproken voor als bij tin. Als je tin boven 160 graden (Celsius) verhit, wordt het broos en valt het uiteen. Hetzelfde gebeurt wanneer het in een koude omgeving van minus 40 graden Celsius wordt gebracht: dan verbrokkelt het en wordt het tot poeder. Deze neiging tot verbrokkeling heerst dan nog zo sterk in het poeder, dat het zelfs ander tin kan ‘besmetten’ als je het poeder erop legt. Men noemt dit verschijnsel ‘tinpest’. Er zijn dus twee mogelijkheden: of het tin blijft week en vervormbaar, of het vervalt door hitte of kou tot poeder.
Verhit je het metaal tot boven de 232 graden, dan wordt het vloeibaar. Dat blijftzo tot 2300 graden. Geen enkel ander metaal heeft zo’n lang traject tussen smelten en verdampen. Tin verzet zich dus als het ware tegen het te vast worden en het vluchtig worden. De weke, vaste vorm en het vloeibare horen bij hem.

Verbindende kracht
Tin verbindt zich gemakkelijk met andere metalen en is dan ook zeer geschikt om legeringen mee te vormen. Bekend is het brons, dat meestal voor 93% uitkoper en 7% uit tin bestaat. Klokken of gongen die uit brons worden gegoten, klinken helderder en gevormder dan wanneer men alleen koper heeft gebruikt. Ook drukletters werden door­gaans uit een legering gemaakt van lood, tin en antimoon. Soldeer bestaat uit tin met wat lood. Door het soldeer verbind je twee metalen met elkaar, terwijl ze toch gescheiden blijven door het tin: het tin maakt een grensvlak tussen de te solderen delen. Datzelfde gebeurt met het zogenaamde vertinnen. Tin is als metaal vrij edel. Dat wil zeggen, het wordt niet snel aange­tast door lucht of door vloeistoffen waarin zich chemisch werkzame stoffen bevinden. Daarom worden loden pijpen of koperen ketels soms met een dun laagje tin bedekt. Het meest bekend in dit opzicht is blik (in het Engels ‘tin’). Het ijzer van het blik is bedekt met tin: hier gaat het opnieuw om een grensvlak waardoor het ijzer wordt gescheiden van de vloeistof of de vochtige voedings­stof in het blik.
Ten slotte kennen we sinds de oudheid de tinnen gebruiksvoorwerpen, zoals schalen, vazen en bekers. Deze werden niet gehamerd of gedreven, zoals bij koperen gebruiksvoorwerpen veelal het geval was, maar altijd uit het gesmolten tin in de vorm gegoten.
Samenvattend kun je zeggen: karakteris­tiek voor tin is zijn vormkracht die echter niet star, maar beweeglijk en veranderbaar is. Daarnaast fungeert tin alsschepper van grensvlakken; verbin­dend en toch uit elkaar houdend.

Zeus en Pallas Athene
In verhouding tot bijvoorbeeld ijzer en koper komt tin slechts in kleine hoeveel­heden voor, zowel in de aardkorst als in het menselijk lichaam. In de aarde vindt men het voornamelijk in samenhang met kiezelgesteenten, vaak in zigzag-vormige aderen; als een bliksem. In het menselijk lichaam tref je de kiezel vooral aan op grensvlakken, namelijk in de huid, maar ook daar waar de vliezen de lichaamsorganen omhullen: het longvlies, het hartvlies en het buikvlies.
In de Griekse mythologie werd Mars of Ares met het ijzerproces en Venus met het koperproces in samenhang gebracht. Temidden van deze goden vindt men ook Zeus (bij de Romeinen Jupiter genoemd). Deze oergod was de schep­per van de vormen. Hij bracht orde in het heelal en hield de dingen bij elkaar, maar ook naast elkaar. Hij werd ook wel de wolkenverzamelaar genoemd. Men denke aan de machtige plastiek van de cumuluswolken. Bij de beeldhouwwerken van Zeus valt in diens uitdrukkingvol gezicht vooral zijn voorhoofd op. Uit dit voorhoofd werd zijn dochter Pallas Athene geboren. Zij was de godin van de wijsheid, van het vermogen ideeën te vormen en de ene gedachte met de andere te verbinden. De vormende kracht kan in de stoffelijke wereld werken, maar ook in de innerlijke. Elke creatieve gedachte is eigenlijk een kortstondige plastiek. In Zeus (en Pallas Athene) vinden we de karakteristieken van het tinproces.

Therapeutische mogelijkheden
Wanneer er een loodvergiftiging optreedt, gaat het lood naar de hardste delen van het lichaam, met name naar de botten. Bij een tinvergiftiging daar­entegen gaat het tin naar de spieren, de hersenen en de lever; dus naar de wekere organen. Overeenkomstig aan deze verhoudingen heeft de therapie met tin in de antroposofische genees­kunde speciale toepassingsgebieden gekregen.
Heel algemeen gezegd: tin helpt de mens bij het in beheersing houden van zijn vloeistoffen, bij het vormen van het vocht in de wekere delen van het lichaam. De lever bijvoorbeeld is een zeer waterrijk orgaan dat van zich uit zeer weinig plastiek heeft. Tin helpt de lever het midden te | houden tussen vormloosheid en verharding. Op dezelfde wijze kan tin ook in de hersenen een teveel aan water voorkomen, dat optreedt bij de neiging tot een waterhoofd. Verder werkt tin op plekken waar grens­vlakken zijn en waar zich stoornissen in het vochtorganisme
voor­doen: bij vocht in het gebied van het longvlies, het hartvlies en het buikvlies. Ook gewrichten waar door middel van het kraakbeen de botten aan elkaar grenzen, zijn ontvankelijk voor tintherapie, evenals zwellingen door trauma’s of door afwijkingen aan het kraakbeen. In alle gevallen gaat het om de vormkracht van tin en zijn vermogen het vocht te beheersen.

(Joop van Dam arts, Weledaberichten 174, najaar 1997)
.

Leen Mees: Levende metalen

0-0-0

titaniet

Titaniet (sphen). Monokline kristallen van een titaanerts.

0-0-0

toermalijn

toermalijn

De geheimzinnige krachten die de toermalijn in zich verbergt komen niet alleen in zijn buitengewone kleurenrijkdom tot uiting, maar bij het wrijven en verwarmen van de stenen komen bij de toermalijn elektrische verschijnselen voor. De structuur van deze aan het licht verwante edelsteen is trigonaal, d.w.z. de driehoek ligt eraan ten grondslag. De mooiste exemplaren werden in Madagaskar en Brazilië gevonden.

(Weledaberichten nr 107 12-1975)
.
toermalijn 2

De toermalijn neemt onder de edelstenen in veel opzichten een bijzondere plaats in. Hij vertoont eigenlijk de hele scale van kleuren. Eén kristal kan zelfs verschillende kleuren hebben, die afhankelijk van hoe men hem houdt ook de driedelige symmetrie van zijn opbouw laten zien. De meestal lange kristallen vertonen een ongewone polariteit: de beide uiteinden zijn totaal verschillend gevormd en de verbinding bestaat meestal uit een zeskantige zuil die in een driekantige overgaat. Men krijgt daardoor de indruk, dat de toermalijn zich in de ruimte oriënteert. De polariteit blijkt voorts door electrische verschijnselen, ladingen, die zowel door verwarmen als ook door te wrijven kunnen worden opgewekt. Scheikundig is de toermalijn een heel gecompliceerd samengesteld silicaat dat wel twintig elementen kan bevatten. De mooiste toermalijnen komen uit Ceylon, Madagascar en Brazilië. Voor bepaalde geneesmid­delen van de Weleda wordt de stralend donkerrode variëteit, de zogenaamde rubelliet, gebruikt.

(Weledaberichten nr. 120 04-1980)

.

Toermalijn (zwarte) o.a. in granaten. Dunne platen doen dienst in polarisatie-toestellen.

0-0-0

topaas

topaas

Topaas: in de spleten en holruimten van granietachtig oergesteente is een hele reeks edelstenen en zeldzame mineralen te vinden. Hierbij is ook de topaas die als siersteen zeer geliefd is. Hij heeft een bijzondere gloed, ook ongeslepen en een grotere hardheid dan de bergkristal. De topaas, een kleiaarde-fluor-silicaat, vinden we in de verschillende kleuren die de metalen hem geven. De meest voorkomende en meest bekende is de goudnuance die deze edelsteen door chroom krijgt. De blauwe topazen hebben hun kleur door het ijzer, de roodachtig gekleurde door vanadium, een aan het ijzer verwant metaal. Uit Mursinka in de Oeral kwamen hele mooie blauwe stenen die echter in zuiverheid en kleur overtroffen werden door enige zeldzame exemplaren uit het Fichtelgebergte, waar veel graniet is. In het uitgestrekte Rusland zijn ook roze en paars-blauwe stenen te vinden waarvan sommige heel groot zijn, tot een gewicht van 30 pond. Kamtschatka levert groene en de belangrijke Braziliaanse soorten die kleurloos, geel, roze-rood en blauw zijn, waarbij ook vaak exemplaren met vloeistofinsluitsels gevonden worden. De kleuren en de licht doorlaatbaarheid omgeven die zich in het donker der aarde vormende edelstenen met een geheimzinnige glans die door alle tijden heen de verbazing en de fantasie in de mens opgeroepen heeft.

(Weledaberichten nr.113 12-1977)

0-0-0

topaas

Hebreeuws: pitedah
Grieks: topazion

Exodus 28:17
Openbaring 21:20

Chemie: Al2SiO4(F,OH)2
Hardheid: 8

De meeste schrijvers stemmen erin overeen dat dit de huidige topaas is met zijn rijke gele luister.

Pitedah betekent volgens deskundigen ‘de gele’. In de Griekse vertaling van het Oude Testament heet hij ‘topazion’ waar duidelijk ons woord topaas in zit.

Men verhaalt dat schipbreukelingen aan land gingen op een eiland in de Rode Zee en daar deze steen ontdekten. Het eiland en de steen doopten zij Topasos = gezocht en gevonden.
De topaas straalde als tweede steen van het borstschildvan de hogepriester, was tevens negende van de heilige stad.

Er zijn grote kristallen bekend, die vele kilo’s wegen. Men heeft ze gevonden tot 30 kg.

485 mooie topaaskristallen zijn in de Engelse koningskroon verwerkt.

Deze doorzichtige steen is van een schitterend goudgeel. Hij heeft een levendig vuur en schittert als een zonnestraal.

Edeltopaas in bergkristal. Brazilië. Linksonder: geslepen topaas. (Opname 1 : 1)

Topaas. Zeer fraai, rhombisch kristalliserend silicaat, meest geel, soms groenachtig; edelgesteente.

turkoois

Exodus 28:20

Hebreeuws: larsjisj
Grieks: chrusoluihos

Chemie: koperhoudend basisch aluminiumfosfaat
Hardheid: 5, 6

Op het schiereiland Sinaï werd al ruim 2500 jaar voor Christus turkoois in de mijnbouw gewonnen. Tot in het begin van onze eeuw werden deze mijnen nog geëxploiteerd, nu zijn ze vrijwel uitgeput. De turkoois uit Sinai was van edelsteenkwaliteit. Vindplaatsen waren in het Westen van het schiereiland; transport naar Israël was dus goed mogelijk.

Turkoois was de tiende steen van het borstschild.

Turkoois is een van de weinige edelstenen die niet door sterke verhitting of persing ontstaan zijn, maar door langzaam sijpelen van water door de rotsen.

Ze kwamen ook uit Perzische mijnen, werden dan via Turkije vervoerd naar Europa; vandaar de naam.

De meest voorkomende kleur is groen – blauw. Daardoor is ‘turkoois’ een aanduiding geworden voor een groen – blauwe tint.

De raderen van Gods bestuur die Ezechiël zag, hadden de kleur van turkoois (Ezechiël 1:16). Ze gaven aan, dat alles op aarde geregeld wordt door de hemel, door God; ook al schijnt Zijn handelen voor ons nog zo onbegrijpelijk.

In Hooglied 5:14 zien we dat de schoonheid van de bruidegom bezongen wordt door de bruid. Gelovigen weten, dat deze bruidegom een beeld is van Christus en dat alle gelovigen op aarde Zijn bruid vormen. Ze zegt: ‘Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois!’

Turkoois, uit de U.S.A. ⅓ verkleind. Midden: turkoois in gesteente. Links en rechts: geslepen exemplaren.

0-0-0

uraanpekerts

uraanpekerst

0-0-0

vermiljoen

vermiljoen
vermiljoen 2

0-0-0

vesuviaan

0-0-0

vivianiet

vivianiet

Vivianiet (blauwijzererts) is, scheikundig gezien, een verbinding van fosfor met ijzer. De kristal­len zijn donkerblauw, glazig en meestal stengelvormig. Dikwijls komen ze voor in op egels lijkende bolvormen. De ondoorzichtige blauwe kleur is bij ijzerverbindingen zeldzaam. Uniek bij ijzer­houdende mineralen is evenwel als deze soms helder en doorzichtig zijn. Vivianiet is te zacht om als siersteen te dienen. De vorming ervan is secundair, d.w.z. er ontstaan door verwering en sedimentatie nieuwe verbindingen, waarbij het fosforzuur meestal van organische oorsprong is. Er zijn fossiele beenderen gevonden die een inslag van vivianiet vertonen. De bekendste vindplaatsen zijn Cornwall, Kameroen (met stukken tot een halve meter groot) en Waldsassen in Beieren.
De verbinding van fosfor en ijzer- twee voor de menselijke stofwisseling en ademhaling levens­noodzakelijke substanties – wijst erop, dat dit mineraal, mits dienovereenkomstig toebereid, ook een werkzaam geneesmiddel in de therapie van de arts kan zijn.

(Weledaberichten nr. 138 04-1986)

0-0-0

vloeispaat

vloeispaat 1
vloeispaat 2

0-0-0

zilver

zilver

 

Zilver (argentum) is evenals het goud van oudsher met de mensheid verbonden en stond sinds de oudste tijden in het teken van de maan. Vanwege zijn uitzonderlijk reflecterende eigenschap is het zilver het oerbeeld van de spiegel. Oorspronkelijk een metaal met uitsluitend cultische bete­kenis werd het later voor munten gebruikt en tenslotte een hulpstof voor de fotografie. Zilver wordt niet alleen als zwavelverbinding, zoals de meeste andere metalen, gevonden, maar ook veelal in gedegen toestand. Men vindt dikwijls prachtige op haren en lokken lijkende vormen en op varens lijkende dendrieten. Het blinkende zilver gaat gemakkelijk een verbinding aan met zwavel. Dan ontstaat er een geel-bruine laag zwavelzilver, die zelfs geheel zwart kan worden. De bekendste vindplaatsen van gedegen zilver zijn Kongsberg in Noorwegen, Ffeiberg en Joachimsthal in het Ertsgebergte in Duitsland. Het merendeel van het geproduceerde zilver wordt echter verkregen door het roosten van loodglans dat altijd sporen van zilververbindingen bevat. Naast vele andere indicaties wordt gepotentieerd zilver toegepast om ontstekingsprocessen tegenezen.

(Weledaberichten nr,141 04-1987)

Het ïs een bekend ervaringsfeit dat de zon en de maan invloed hebben op wat er op de aarde gebeurt. Door zijn licht beïnvloedt de zon op beslissende wijze de groei van de plantenwereld, terwijl de seizoenen en de daarbij horende processen in de natuur corresponderen met de wisselende stand van de zon ten opzichte van de aarde. Wat de maan betreft: iedereen weet dat eb en vloed met de maan samenhangen. Minder bekend is dat ook voortplantingsritmen bij bepaalde lagere dieren de actuele maancyclus volgen – zoals de Paolo-worm en bepaalde vissoorten in de Stille Oceaan – en dat men voor het zaaien met de maanfasen rekening kan houden: vroeger een ‘boerenwijsheid’, thans door wetenschappelijk onderzoek geverifieerd.

In vroeger tijden werd naast de invloed van zon en maan ook nog rekening gehouden met de werking van andere hemellichamen op aardse gebeurtenis­sen. Shakespeare laat in zijn stukken meermaals zijn personages refereren aan de invloed van Mars en Venus op het verloop van de ontwikkelingen op het toneel. In de middeleeuwen werd een verband gelegd tussen planeten en organen (hart en zon, nier en Venus enzovoort) en zag men ook een samen­hang tussen planeten en metalen. Om het zilver in zijn therapeutische wer­king te gaan begrijpen, wil ik op dit laatste verband kort ingaan.

Proeven met filtreerpapier
In de jaren twintig en dertig van deze eeuw werden door de biologe Lili Kolisko proeven gedaan om meer inzicht te krijgen in de relatie tussen bepaalde planeten en specifieke meta­len. Zij bracht daartoe metaalzouten in oplossing en hing hier stroken filtreer­papïer in, zodanig dat de onderkant van het papier net onder het oppervlak van de oplossing terechtkwam, waardoor de vloeistof door het papier kon worden ‘opgezogen’. Waarom dit oplossen van metaalzouten in water? Vaste stoffen zijn onderhevig aan de aardse wetmatigheden en worden daar­door onder andere door de zwaartekracht vanuit het middelpunt van de aarde aangetrokken. Vloeistof daarente­gen zorgt dat er een ontvankelijkheid optreedt voor de periferie (bijvoorbeeld de zon en de maan). De planten, die voor hun bestaan water nodig hebben, staan door deze vloeistof ook open voor de perifere krachten: hierdoor groeien ze tegen de zwaartekracht in en kunnen de levensverschijnselen optre­den.

Terug naar de proef: de in het filtreerpa­pïer opgetrokken metaalzouten lieten een regelmatig en telkens terugkerend patroon zien, al waren er variaties. De variaties die optraden bleken met de constellatie aan de hemel samen te hangen. Bij zonsverduistering bleek dat de oplossingen met goudzouten beduidend minder hoog waren ‘opgezogen’ dan bij normale zonnestand. Bij alle volgende zonsverduisteringen trad dit­zelfde fenomeen op. De maan bleek een verbinding te heb­ben met het zilver. Deze samenhang toonde zich in de herhaling van karak­teristieke beelden bij volle maan, nieuwe maan, afnemende en toenemende maanfasen.

Leven, licht, maan en zilver
In de plantenwereld is zichtbaar hoe de ontplooiing en vormgeving van groei­processen samenhangen met het licht.
In een korte formule gebracht: licht zorgt voor het leven. Een karakteristiek van zilver blijkt zijn verhouding tot licht te zijn. Er is geen metaalzout zo lichtgevoelig als zilver­zout. Daarop berust de fotografie. De indrukken op de filmplaat worden vast­gehouden door de chemische verande­ringen die het licht in de zilververbin­dingen bewerkstelligt. Anderzijds heeft zilver het vermogen tot spiegelen. Geen ander metaal levert zulke goede spiegels als zilver, als het hemellichaam dat zich het dichtst bij de aarde bevindt, bemiddelt de maan de werking van alle andere, verder gelegen planeten. Het maan­oppervlak reflecteert als een extra spiegel voor de aarde de werkingen van deze planeten en geeft ze door. Deze niet-aardse krachten, die uit de periferie komen, worden door de maan in de aardesfeer binnengeleid. Deze werkingen worden, zoals boven beschreven, zichtbaar in de levensver­schijnselen: groei, opbouw, regeneratie en de reproductie (voortplanfing) als zodanig. Uit de medische ervaring blijkt nu dat ook zilver, als het metaal dat met de maan samenhangt, de levenskrachten bevordert.

Medische toepassingen
Bij een te zwakke opbouw, ondervoe­ding en een gebrekkige vitaliteit, moe­digt zilver met name bij kinderen de te zwakke levenskrachten aan. Als men­sen langdurig chemische middelen heb­ben gebruikt (zoals pijnstillers), helpt zilver het organisme weer op te bou­wen. De levensakker wordt als het ware opengeploegd. Door allerlei omstandig­heden – zoals stress, een overvloed aan zintuigindrukken, zorgen, examens, of ook door de eigen constitutionele aan­leg – kan iemand te weinig vitaal zijn. Door de zwakte in de levenskrachten kan ook de ziel futloos, droog en fantasieloos worden. Met behulp van zil­ver is het moge­lijk een fysiolo­gische basis voor een fris en produc­tief zielenleven te scheppen. De ziel moet na­tuurlijk wel dit ge­zonder wor­dende in­strument zelf bespelen! Verder kan zilver als medicament de vruchtbaar­heid bij de vrouw bevorderen. (In de menstruele cyclus van de vrouw is het maanritme te herkennen.) Ten slotte: bij shocks raakt de verbinding van het innerlijk wezen van de mens met zijn lichaam losser, het kan zelfs zo ver gaan dat men flauwvalt. Ook het levenskrachtenorganisme wordt dan mee losgetrokken. Zilver is een beproefd middel bij de behandeling van shocks, omdat het helpt het levens­krachtenlichaam en het fysieke lichaam weer intensiever met elkaar te verbinden.

(Joop van Dam, arts, Weledaberichten nr. zomer 1998)

zie ook goud en zilver (bij goud)

0-0-0

zilver

Hebreeuws: kesef
Grieks: argurion
Soortelijk gewicht: 10,5
Hardheid: 2,5 ‘a 3
Chemie: Ag (Argentum)

Zilver is een van de ruim 100 elementen die we kennen.
Het is harder dan goud, maar toch nog uitzonderlijk goed bewerkbaar.
Het grootste deel van de wereldproductie (9500 ton per jaar*) wordt niet meer voor muntmetaal gebruikt, maar in de techniek en in de chemie, vooral voor fotografische doeleinden. (Zilver wordt gewogen in troy-ounces)
In de Bijbel wordt veel over zilver gesproken, ongeveer 200 maal. Ook lezen we een twintigtal malen over zilverlingen of zilverstukken.
In bijbelse tijden was zilver namelijk het betaalmiddel bij uitstek. Soms lezen we over zoveel honderd sikkelen zilver.
De helft van een sikkel zilver moest een Israëliet betalen als hij 20 jaar werd en overging tot ‘de getelden van het leger’ (Exodus 30:11-16). Hij werd dan ‘meegeteld’.
Laten we er goed op letten dat het zilver hier genoemd wordt ‘het zilver der verzoeningen’. Wilde men meegeteld worden bij Gods volk, dan moest er een verzoeningsprijs betaald worden.
*jaartal onbekend.

zilver 2
Zilver. Vindplaats: Mexico. Originele lengte 2,6 cm. >

zilver 3

zilver

0-0-0

zinkblende

loodglans 2

0-0-0

zinkspaat

Zinkspaat of galmei, vaak verontreinigd met allerlei bijmengsels. Belangrijk zinkerts. ook in Z.-Limburg. 

0-0-0

zinkvaalerts

zwavel 3

0-0-0

 zwavel

zwavel

Zwavel (Sulfur) vertoont in het mineralen rijk een sterke relatie met de zware metalen waarmee hij de belangrijkste, meestal mooi gekleurde, metaalachtig glanzende verbindingen, de sulfieten, vormt. Op enkele plaatsen echter, waar bijzondere omstandigheden dat mogelijk maken, komt de zwavel in gedegen, dat wil zeggen zuivere, door geen andere stoffen beïnvloede vorm voor. Wij zien dan stralend gele kristallen, die doen denken aan bevroren vuur. Door hun eigenschappen passen zij evenwel niet goed in de voorstelling die wij van een stabiel kristal hebben.
Zwavel is een element dat slechts tegenstrevend de vorm van een kristal aanneemt; het lijkt alsof hetelke gelegenheid te baat neemt om zich van die meer aardse wetmatigheden te ontdoen. Het is bijvoorbeeld heel zacht en bros en men kan het zonder moeite vergruizen. Als men in een stukje zwavel knijpt en het bij zijn oor houdt, hoort men het duidelijk knerpen, waaruit de onstabiele structuur van dit mineraal blijkt. Maar niet alleen voor druk is het gevoelig. Deze “steen” is ook gemakkelijk ontvlambaar. Hij brandt dan met een klein helderblauw vlammetje – bij een mineraal wel een heel (ongewone eigenschap! Bij het verwarmen verandert op allerlei manieren de structuur van het kristal, tijdens dit proces wordt de zwavel eerst heel vloeibaar, daarna stroperig en taai om kort voor hetverdampen nog een keer uiterst vloeibaar te worden. Maar ook de kleur verandert: eerst heldergeel, dan honing- tot barnsteenkleurig, vervolgens donkerbruin tot bijna zwart om tenslotte oranje op te lichten.
De mooiste zwavelkristallen wordon op Sicilië en op verschillende plaatsen in Spanje gevonden.Lousiana en Texas, in de Verenigde Staten hebben de rijkste vindplaatsen.
Therapeutisch heeft de zwavel een duidelijke relatie met alle stofwisselings- en ontstekingsprocessen. Daardoor is hij een belangrijk medicament in de handen van de ervaren arts.

Ekkehard Wagner, apotheker Weledaberichten nr.158 12-1992)

.

Over het ijzer in de mens waarin ook de zwavel wordt genoemd
Een artikel met eenzelfde strekking
In diverse artikelen over Michaël wordt over ijzer en zwavel gesproken

0-0-0

mineralogie: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas mineralogie

.

510-471

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – alle artikelen

.De islam in het leerplan van de vrijeschool
Anne Bakker over: de islam in de 6e klas, als onderdeel van een bredere visie: de islam in het vrijeschoolonderwijs, van kleuterklas tot achtste klas.

5e klas geschiedenis:     alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis: alle beelden

6e klas geschiedenis:     alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas geschiedenis: alle beelden

7e klas geschiedenis:      alle artikelen

8e klas geschiedenis:     alle artikelen

9e klas:
over VoltaireRousseau

Vaderlandse Geschiedenis
M.Mathijssen over: geschiedenis in de onderbouw. Een noodzakelijke aanvulling op de Romeinse geschiedenis van klas 6 (uitg. Paidos)

Epidauros
Onbekend over: het heiligdom van Asklepios; ziekte in die tijd; genezing in die tijd; priester-arts; ziekte als discrepantie in denken, voelen, willen; tholos; plaatsbepaling; slangen; haan; denken en urinezuur;

11e, 12 klas:
Omzien in verwondering
Willem F.Veltman over: het conflict tussen Israël en de Arabische wereld; achtergronden vanuit een Bijbels verleden; de impuls van Gondishapur; wat kan de taak van Europa zijn

.

509-470

.