Tagarchief: 4e klas vertelstof

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof (3-2)

.

Zoals de sprookjesbeelden beelden zijn die ‘voor iets staan’, is dit ook het geval met de beelden in de verhalen van de Edda.

Het grote probleem is steeds: wie weet die beelden naar hun waarheid te duiden.
En zoals de sprookjes vanuit vele gezichtspunten zijn verklaard, zo bestaat er ook ‘uitleg’ over de beelden van de Edda.

Voor het vertellen van deze beelden aan de kinderen is het niet nodig ‘weet’ te hebben van deze beelden: ze hoeven, nee mogen niet, aan de kinderen worden verteld omdat het intellectuele weten het mee-beleven op deze leeftijd volkomen onmogelijk maakt. 
Maar als je als verteller meer weet, kan het bijv. je verwondering wekken, je eerbied voor een ‘brok volkswijsheid’ of een andere wijsheid die door deze beelden heenspreekt.

Rudolf Steiner heeft van de Germaanse mythologische verhalen ook de antroposofische achtergronden gegeven, m.n. in GA 121, vertaald.
.

Melly Uyldert, de Kaarsvlam januari 1956
.

yggdrasil

Yggdrasil: de wereld-es, omklemt met drie wortels de onderwereld, waar bij de heilige bron de drie nornen wonen: Oerd, Werdandi en Skoeld.

Zijn stam verheft zich in der mensen wereld, de eekhoorn Ratatoskr springt er langs heen en weer.

Zijn kroon draagt het hemelgewelf: in zijn takken hangen de sterren als gouden vruchten, en van zijn bladen druppelt honingdauw.

Ook in de mens staat Yggdrasil opgericht: de levensboom en de kennisboom beide, in de tuin van het paradijs.

Zijn wortels zijn de drie onderste zenuwvlechten met hun bijbehorende endocrine klieren; bij de plexus sacralis en het heiligbeen ligt de heilige bron van het levenswater: de hormonen der geslachtsklieren. Bij de plexus prostaticus en de bijnieren ontstaat de moed en de kracht voor het aardse leven, en de milt met de plexus Solaris of zonnevlecht vormen de electrische keukenhaard waarop de materie wordt omgezet (de spijsvertering) .

Zijn stam is het ruggenmergkanaal, waardoor de levenskracht op en neer stroomt, omhoog ter sublimatie of verlossing, omlaag ter conversie of schepping. De zijtakken zijn de zenuwen die uit de ruggenstreng ontspringen.

Zijn kroon breidt Yggdrasil uit in ons hoofd, waar de sterren alle hun spiegelpunten in de hersencellen hebben, daar bloeien de gedachten en rijpen de gouden vruchten van inzicht, doorzicht en overzicht. Daar liggen de knoppen van het volmaakt bewustzijn: de slijmklier en de pijnappelklier om in de geestelijke zon te ontluiken en daar druppelt de honingdauw, het voedselder goden, het bewustzijnslicht, naar beneden.
Deze honing wordt aan de voet van de kroon, in de holte van het gaffelkruis, door de schildklier met de plexus laryngeus omgezet in het scheppende woord, als de vrucht van de kennisboom: de verklankte bewuste gedachte.

En daar bereikt zij het hart met de thymusklier, de zetel der vreugde waar zij wordt omgezet in geluk en in de liefde die uitstraalt en het heelal bijeenhoudt.

Zo groeit in ons de boom van zon en maan, van leven en denken.
En de mens die al wat in hem is ook buiten zich na wil maken, zet de groene kerstboom in zijn huis, het beeld van Yggdrasil. De lichtjes zijn de levende cellen, de blinkende ballen de krachtcentra als spiegelbeelden der sterren, de glanzende slingers de stromen van levenskracht en bewustzijnslicht.

De mercuriale eekhoorn, die springt als de flitsende zenuwprikkel, mag er ook wel in zitten en de gouden noten , beeld onzer hersenen! Het engelenhaar druipt als honingdauw van de takken. Op de top een dennenappel.
Laat ook onze eigen boom van binnen in ons lichaamshuis zulke stralende licht van levende cellen geven!
In al zijn jonkvrouwelijkheid en glorie staat daar ons eigen beeld.

RUDOLF STEINER over de Yggdrasil:

Yggdrasil nannte man die Weltesche, in der sich die Weltenkräfte zusammengezogen hatten. Ein Mensch wird abgebildet in dem Moment, wo er sich seines Ich bewußt werden soll, wo aus seinem Innern heraustönen soll das Wort «Ich». «Yggdrasil» ist soviel wie «Ich-Träger». Ich-Träger ist dieser Baum. «Ygg» ist «Ich» und «drasil» ist derselbe Wortstamm wie «tragen».

Yggdrasil noemde men de wereld-es waarin zich de wereldkrachten hadden samengetrokken. Een mens wordt afgebeeld op het ogenblik waarin hij zich bewust wordt van zijn eigen ‘Ik’. ‘Yggdrasil’ betekent zoveel als ‘Ik-drager’. Ik-drager is deze boom. ‘Ygg’ is ‘Ik’ en ‘drasil’ is van dezelfde woordstam als ‘dragen’. 
GA 101/26
Niet vertaald

Sagen und Mythen sind nichts anderes als astralische, geistige Anschauungen. Wir haben gesehen, wie wirklich der alte Germane oder der Angehörige der alten europäischen Bevölkerung die Weltenesche Yggdrasil auf dem astralen Plan gesehen hat, wie er die zwölf Strömungen vernommen hat, die als Kräfte in sein Haupt hineingingen und seine zwölf Hauptesnerven bildeten. Das alles haben wir als astralische Wirkungen kennengelernt und nicht durch irgendeine phantastische, geistreiche Spekulation.

Sagen en mythen zijn niets anders dan astraal-geestelijke waarnemingen. We hebben gezien hoe de oude Germaan of wie behoorde tot de oude Europese bevolking daadwerkelijk de wereld-es Yggdrasil als astrale voorstelling gezien heeft, hoe hij de twaalf stromen heeft waargenomen die als krachten zijn hoofd binnengingen en zijn twaalf hoofdzenuwen vormden. Dat hebben wij in zijn geheel als astrale invloeden leren kennen en niet door een of andere fantastische geestrijke speculatie.
GA 101/84
Niet vertaald

Der Mensch ist gleichsam wie ein Zusammenfluß von Kräften, die zusammenfließen in seinen Astralleib, Ätherleib und physischen Leib, und das Ich wird dargestellt als dasjenige, was an diesen drei Gliedern arbeitet. In der germanischen Mythe wird das dargestellt durch den Baum, der die Weltesche ist, das Symbolum für die dreigliedrige Menschennatur. Der Mittelpunkt für diese drei­gliedrige Menschennatur ist das Ich; indem es sich eingegliedert hat, trägt es den ganzen Baum des menschlichen Werdens und Wachsens. «Ygg» ist die alte Form des Werdens und Wachsens. Das finden Sie in den alten Sprachformen als Bezeichnung für das, was eingegliedert ist. Die Weltesche heißt «Yggdrasil». Yggdrasil heißt das «tragende Ich» und der Name des Gottes, der mit der Ich-Bildung zusammen­hängt, ist ebenfalls von daher genommen.

De mens is a.h.w. een samenstroom van krachten die samenkomen in zijn astraallijf, etherlijf en fysieke lichaam en het Ik wordt weergegeven als wat aan deze drie wezensdelen werkt. In de Germaanse mythe wordt dit voorgesteld door de boom die de wereldes is, het symbool voor de drieledige natuur van de mens. Het middelpunt van deze drieledige mensennatuur is het Ik; door daar deel van te zijn geworden, draagt dit de hele boom van de menselijke wording en ontwikkeling. ‘Ygg’ is de oude vorm van worden en groeien. Dat vind je in de oude taalvormen als betekenis voor wat geïncorporeerd is. De wereld-es heet ‘Yggdrasil’. ”Yggdrasil’ betekent het ‘dragende Ik’  en de naam van de God die met de Ik-vorming samenhangt is eveneens daaruit genomen.
GA 104A/49
Niet vertaald

Met de aanwijzingen van Steiner schreef Rudolf Meyer het boekNordische Apokalypse‘, over de Edda en Ernst Uehli ‘Nordisch-Germanische Mythologie als Mysteriengeschichte. Beide niet vertaald.

.

2245

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof (1-2)

.
M.v.d.Made, nadere gegevens onbekend

 

DE EDDA ALS VERTEL- EN RECITATIESTOF IN DE VIERDE KLAS

.

“Ik weet dat ik hing, aan de windrge boom.
Negen nachten lang, …”

Als uit één keel klinkt de recitatie van de 4e klas; de machtige taal van de Edda ontvouwt een panorama van indrukwekkende beelden.

We zien Odin, de Alvader, die de Taal ons schenkt.

Odin, de radende heer, die hiervoor een offer moet brengen en het oog offert. Vrijwillig.

Diepe indruk maakt ook de god Tyr, een zoon van Odin, die ook een offer brengt: om de mensen te behoeden voor het kwaad, dat de Fenriswolf brengt, moet deze gebonden worden. Deze angstwekkende wolf, die zich voedt met de leugens der mensen, laat zich echter alleen binden als een der goden zijn hand in zijn muil durft te steken.

Tyr is degene die dat durft en doet.

Er is veel sprake van moed in de verhalen uit de Edda die in de 4e klas verteld worden. Er zijn grote reuzen te bestrijden; steenreuzen en ijsreuzen. Er is de Fenriswolf, de Midgardslang die om de wereld ligt, staart in eigen bek. Maar daarboven is Asgard, waar de goden wonen, in hun heerlijke burchten. Er is veel goud en glans, er zijn groene velden en een boom met gouden (levens)vruchten.

Het is zeker geen eenvoudige verhalenstof; de gebeurtenissen zijn wonderlijk en indrukwekkend tegelijk.

Wat wordt er eigenlijk verteld?

De IJslandse bisschop Saemundar (1056-1133) liet de goden- en heldenverhalen, die oude zangers hem voorzongen, opschrijven.

Zo ontstond een boek, dat hij naar een klooster stuurde. De Saemundar-Edda werd het genoemd.

Snorri Sturluson wordt als de schrijver van de z.g. jongere Proza-Edda aangezien. Snorri leefde van 1178-1241 op IJsland.

Dit was een herhaling en aanvulling.

Naar de klank is het woord Edda verwant met het Indische “Veda” en met het Perzische “Avesta”.

Alle drie zijn het Indo-Germaanse benamingen voor het Scheppende Wereld Woord.

De schriftelijke uitwerking van de Edda valt dus in de 11e,12e eeuw. Maar haar inhoud bestrijkt een tijd, die teruggaat tot Atlantische oer-herinneringen en vooruitgrijpt op een na-atlantische menheidsontwikkeling.

De “Edda-stof” kan men alleen met een gevoel van eerbied tegemoet treden.

Hoe heilzaam werkt dan het opzeggen van die strofen in de klas, met hun wonderlijke alliteratie-rijm! Het eind van de versregel rijmt niet, maar de z.g. heffingen zitten soms middenin een regel.

Als voorbeeld een stukje uit de 5e strofe van Grimnirmâl (het lied van Grimnir, tekst uit de Saemundar Edda):

Alfheim Freyr gáfu                                          Alfheim aan Freyr
í  Árdaga                                                            eertijds als handgeld
tívar at tanufé                                                   door de goden gegeven

Het opzeggen van de verzen roept een zekere teruggehouden kracht op en een wriemelende maandag-morgen-klas is tot één geheel om te smeden door een stevige recitatie met een grote stamp op elke heffing.

Weten we nog hoe het was om 4e-klasser te zijn? Tien jaar oud, net wakker geworden aan de omgeving, kritiek krijgen en kritiek hebben op anderen en op jezelf (ik kan niet tekenen). De veilige omhulling van de lagere klassen is er niet meer, er worden plotseling andere eisen gesteld. Dr. Steiner spreekt over het oversteken van de Rubicon.

De Rubicon is een riviertje dat men passeert, terugkomend uit het noorden (Gallie), op weg naar Rome. Het was in de tijd van het Driemanschap: twee regeerders in Rome en de derde, Julius Caesar, op krijgstocht in Gallië. Een greep naar de macht deed Caesar terugkeren. Aan de oever van de Rubicon wachtte hij in de vroege ochtenduren. Oversteken en naar Rome rijden betekende zéker burgeroorlog. Niet-gaan betekende afhankelijk zijn van de zittende regering. Hij ging. ‘Alea jacta est’ – de teerling is geworpen.

Deze dramatiek speelt zich af in de psychische wereld van de vierdeklasser. Er is geen weg terug mogelijk.

Maar een flinke dosis moed zou wel fijn zijn, voor onderweg.

.

4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2244

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – runen

 

Hoe ziet je naam eruit in runentekens?

 

Dat vinden de meeste kinderen heel interessant.
En dan zelf maken, natuurlijk.

Er zijn allerlei mogelijkheden:

runentekens

 

 

 

 

.
Runen
Runen zijn afgeleid van de letters van de alfabetten die rond 200 v. Chr. in Noord-Italië in gebruik waren.
Het Germaanse runenalfabet telde oorspronkelijk vierentwintig letters, maar later werd het aangepast aan de talen van de verschillende gebieden.

De runen waren hoekiger dan hun Italiaanse voorbeelden. Ze werden vooral op hout en steen gebruikt, waarin rechte lijnen makkelijker uit te snijden zijn dan ronde. Het runenalfabet wordt “futhark” genoemd, naar de eerste zes letters:
F,U, D (th), A, R en K.

Runen hadden veel praktische toepassingen. Ze werden gebruikt op graf- en gedenkstenen, maar tevens om wapens en kostbaarheden te merken met de naam van de maker of de eigenaar.

Runen hadden ook magische associaties; het woord betekent zelfs “geheim”. Tacitus beschrijft in hout gekerfde symbolen die voor wichelarij werden gebruikt, en in IJslandse gedichten en sagen wordt dankzij runen genezen, vervloekt en de zege behaald, worden wapens bot gemaakt en bevallingen bespoedigd en laten ze zelfs de doden spreken.

 

runentekens  1

deze runensteen uit ca.1000 na Chr. staat in het Nationaal Museum in Kopenhagen.

Meer informatie: Wikipedia

Runentekens

Namen in runentekens

Zelf maken

Ze leren lezen

4e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas: Germaanse mythologie

 

 

954

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – Edda (2-1)

HET THRYMSLIED

Of    ‘HOE THOR ZIJN HAMER TERUGHAALDE’

Dit deel uit de Edda leent zich uitstekend tot toneelstuk.
Ik veranderde bestaande versies enigszins.

Kinderen kunnen snel hele stukken hiervan leren, vooral als je het elke dag met ze oefent. Ook tijdens het oefenen van het spelen, wordt steeds meer geleerd en uiteindelijk kent ieder kind alle coupletten.

Ik heb het meerdere keren met veel plezier gespeeld!

Maar ik heb het ook een keer gebruikt om het handschrift te verbeteren. Ik vond het van de meeste kinderen nog niet mooi genoeg en zocht naar een manier, anders dan ik het zelf vroeger moest leren: in een schoonschrijfschrift en dan tientallen keren onder elkaar hetzelfde woord dat als voorbeeld op de eerste regel stond.

Het oefenen van de toneelstuktekst gaf gelegenheid om het toneelstuk als boekwerkje – in een schrift – te presenteren.

Wat op de volgende tekst niet te zien is, zijn de lijnen waarop en waartussen geschreven werd. De kleine letters tussen twee lijnstrepen, de hoofdletters tussen drie. Wie kon laten zien op deze manier mooi te kunnen schrijven, mocht overgaan naar ‘kleiner’: de kleine letter gehalveerd tussen twee balkstrepen; de hoofdletter tussen twee balkstrepen.

Thrymslied 1
Thrymslied  tek.1.jp2

Thrymslied 3

Thrymslied 4

Thrymslied 5

Thrymslied 6Thrymslied 8Thrymslied 9Thrymslied 10Thrymslied 11Thrymslied  tek.2.jp2Thrymslied 12Thrymslied 13Thrymslied 14Thrymslied 15Thrymslied  tek.3Thrymslied 16Thrymslied 17Thrymslied 18Thrymslied 19Thrymslied 20Thrymslied  tek.4

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas vertelstof

4e klas: alle artikelen

731

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 4e klas (2)

.

Het Nederlandse taalonderwijs


Nu het lichaam van de taal enigszins verkend is in de drie leerjaren van klas I, II en III, nu komt eigenlijk de ware ziel in de taal te voorschijn. Een ‘gewaarwordingsziel‘, die als hoogste ontwikkelingsmogelijkheid de schoonheid heeft. Schoonheid is de grote leermeesteres van de nog primitieve gewaarwordingsziel!

Weer kan men denken aan de middeleeuwse zeven vrije kunsten. De middelste van de eerste drie (het trivium) is de retorica, het schone spreken, de taal als kunstzinnig beleefbare activiteit, nadat de structuur en de elementaire vormleer (grammatica) zijn behandeld en geoefend.

Natuurlijk wordt ook de grammatica verder gestructureerd en behandeld. Want nu pas kan het kind door zijn ik-beleving een nieuwe afstand en mogelijke verhouding tot de dingen krijgen, dus ook tot de eigen taal. Ook krijgt het kind een verhouding tot de tijd, het krijgt nu pas een perspectief-achtige mogelijkheid tot tijdsbeleving (wat was vóór, wat is na, wat is gelijktijdig). Ook een verhouding tot het persoonlijke (wat is het verschil tussen een ik-zelf, de naaste en de andere in de verte).

Het is nodig, dat het kind ook het poëtische gaat hanteren, zowel in de gesproken, als in de geschreven taal. Het hoofddoel van de klassen IV en V is in deze leeftijdsfase derhalve het mooie spreken en het verzorgde schrijven.

Leer- en ontwikkelingsdoelen
—  Het gebruiken van de grammatica als onegoïstische ik-ontwikkeling: zekerheid en zelfbewustzijn in en door de taal.
—  Mooi spreken, vertellen, navertellen (met honorering van de temperamenten).
—  Bevordering van sociale vaardigheid: met en tegen elkaar spreken, goed luisteren.
—  Juiste en mooie uitspraak.
—  Verzorgd schrijven, wat vorm en inhoud betreft.
—  Mooi lezen, goede toon, voordracht.
—  Het maken en verstaan van eenvoudige poëzie; allitererend, rijmend en metrisch.
—  Het declameren en reciteren van allitererende en metrische poëzie, juiste toon, tempo, maat, ritme, frasering.
—   Mooi en zakelijk schrijven, verbinding van schoonheid, grammaticale juistheid en sociale vaardigheid.

Leerstof, Middelen, Werkvorm Klasse IV

a.  vertelstof:
Godenverhalen en heldensagen uit het Noors-Germaanse taalgebied.

De onzekerheid van het kind, dat zich als een IK’ beleeft, wordt in hoge mate gesteund door de verhalen, die steeds weer over ‘moed’ gaan. De Noorse held strijdt, omdat het zijn plicht is Odhin bij te staan tegen de reuzen en monsters die het gouden Asgard zullen overvallen: strijd tegen leugen (Fenriswolf), egoïsme (Midgardslang) en dood (Hella). De Noorse held overwint zelden, hij gaat onder, maar zijn moed blijft in de schone zangen van barden, en minstrelen bewaard als lichtend voorbeeld. Het kind werd door de verhalen uit het Oude Testament: ‘uitdrijving uit het Paradijs’, de “tocht door de woestijn’, het ‘worden van een eigen volk’ reeds voorbereid op de moeilijkheden van de volgende kleine levensfase.

b.  spreken:
Moeilijker spraakoefeningen, vertellen en navertellen. Klasgesprek. Toneelspelen, declameren, raadsels oplossen en in de juiste bewoordingen opgeven. De schone en krachtige regels met stafrijm oefenen en ook zelf improviseren.

c.   schrijven:
Het schone* schrijven oefenen. Zich in de taal grammatikaal en wat spelling aangaat duidelijk en zuiver uitdrukkken. Nieuw is het schrijven van zakenbrieven en andere brieven.

d.  lezen:
Lezen van moeilijker verhalen en gedichten. Voordracht oefenen. Lezen van Noorse verhalen.

e.   spelling en interpunctie:
Schrijven van de werkwoordsvormen (‘tragedie der werkwoordsvormen’)

f.  grammatica:
Zorgvuldige behandeling van de werkwoordstijden in heden, verleden en toekomst. Bewustzijn wekken, hoe de verandering van de werkwoordsvorm samenhangt met tijd en onderwerp. Vooral tot een sluitende behandeling van alle woordsoorten komen. Bij de adjectieven en adverbia de trappen van vergelijking behandelen en oefenen.

Dit moet alles op kunstzinnige wijze geschieden en het spelelement moet overal aanwezig zijn.
De taal moet in zijn plastiek, zijn vormkracht gevoeld worden en in zijn onderdelen goed worden bewustgemaakt. Het is van groot belang die woorden zorgvuldig te bekijken en te leren gebruiken, die de betrekking tussen allerlei woorden vaststellen, vooral die met de werkwoorden (voorzetsels).
De taal kan uit zijn voorzetsels bestudeerd worden.

g. opstel:
Behalve de cultivering van het briefschrijven, hetgeen ook een soort opstel is, wordt ook nog aparte aandacht besteed aan het navertellen van verhalen. Kort vertellen, langer vertellen, uitvoerig vertellen. Een onderwerp wordt bepaald (uit de vertelstof of andere leerstof b.v. de dierkunde) of vrij ter keuze aan de kinderen overgelaten.

Hoe gaat het toe?

Iets over de vierde klasse Grammatica
De vierde klas heeft in zijn taalperioden nogal wat grammaticale dingen te verwerken. Al die woordsoorten, al die tijden. Hoe doen we dat op speelse wijze?

De verhalen uit de Noorse mythologie spreken de kinderen op die leeftijd zeer aan. Odhin, de vader der goden en mensen, offerde zich op, hing zichzelf aan de Wereldboom, werd ingewijd in de geheimen van het heelal. Hij bracht de mens de ‘runenwijsheid’, het mysterie van de taal en de kennis van het heelal. Een schitterend beeld uit de Voluspa (— de zieneres spreekt) over het ontstaan van de wereld:

Een Es weet ik staan
Yggdrasil heet hij,
hoog en met helder
h
eilvocht begoten.
Vandaar komt de dauw
in de dalen gevallen,
aan de bron van Urd
staat hij eeuwig groen.

De kinderen declameren die knorrige strofen uit de Edda, klappen of stampen op de allitererende klanken — let wel, de klinkers worden met een h-achtige ademstoot gesproken en rijmen dus ook op elkaar — want dit is geen zwak eindrijm, maar een knoestig beginrijm.

Die boom, daar begint alles. Hij wordt door de gehele groep getekend, vellen papier die aansluiten en langs de wand van de klas worden opgehangen. Ga er eens voor staan!

‘Ik’ is vlakbij, de stam. ‘Jij’, iets verder, een tak; ‘hij’ nog verder, nog een tak. Ik (stam), jij – t, hij – t. Zo komen de personen en werkwoordsvormen te voorschijn. Ik speel, jij speel – t, hij speel – t. Dit wordt mondeling grondig bij de boom geoefend; tenslotte getekend en opgeschreven.

Tijden van het werkwoord
Nog iets uit de Voluspa. Wie zitten aan de voet van de Wereld-Es? Drie vrouwengestalten. Nornen heten zij. De een kijkt terug, de ander kijkt omhoog, de derde kijkt borend in de toekomst.

Bij de Wereld-Es werken
Drie wijze vrouwen;
Zij weven het weefsel
van leven en lot voor
lijf en leden
bij goden en mensen:
Urd weet wat was
Werdandi wat nu is,
maar Skuld wat zijn zal.

Drie meisjes spelen voor de Nornen. Zij hebben een blauw (Urd), geel (Werdandi) en rood (Skuld) jurkje aan van crêpe-papier.
Een werkwoord of doewoord wordt door een groep kinderen genoemd, b.v. ‘strijden’.

Urd zegt deftig: ‘ik streed’.
Nu kunnen vele variaties gemaakt worden.
Of de zes personen door zes kinderen laten declameren, of de Norne zelf alle personen te laten zeggen, of iedere Norne om beurt de personen laten zeggen.

Wernandi zegt opgewekt: ‘ik strijd’,
Skuld merkt dreigend en krachtig op: ‘ik zal strijden’.

De kinderen krijgen er niet gauw genoeg van.

Men kan ook Urd achteruit laten gaan, Wernandi laten staan en Skuld naar voren laten stappen.

Dit toneelspel draagt bij niet tot kennis van de tijden in de eerste plaats, maar tot een kwalitatieve beleving, waaruit de heldere kennis als eindresultaat naar voren springt.

Het is allerminst voorgeschreven, die drie Nornen, maar het verband met de tijdsbeleving dringt zich op.

Woordsoorten
Een nieuwe ingang voor de behandeling van woordsoorten vanuit het voorzetsel.

Het voorzetsel brengt ons innerlijk in beweging. Sommige uitdrukkingen met een voorzetsel hebben werkwoord­karakter: ‘aan dek!’ ‘te wapen’ ‘naar huis’. Voorzetsels stellen verhoudingen tussen allerlei woorden vast.
Weer kijken wij naar de Wereld-Es.

‘In zijn top zit een adelaar,
met een havik tussen de ogen.
‘Aan de voet zijn de drie Nornen, met elkaar.
Onder de wortels huist een boze draak.
Langs de stam van Yggdrasil rent Ratatosk, de eekhoorn,
die uit de top naar beneden gaat om het woord van de adelaar tot de draak te brengen.
Alles ziet Heimdal, de godenwachter op de Bifrostbrug,
de regenboog, die van de Hemel naar de Aarde loopt.
Heimdal redt Freya’s sieraden die Loki,
de ondeugende vuurgod, trachtte te stelen.
Heimdal ziet Loki als vlo onder de deken
op het bed van de beeldschone Freya springen
om haar sieraad uit het paleis te ontvreemden.

Zo ontstond een taalspel: Heimdal kreeg zijn woord en zijn strofe:

Ik, Heimdal de Wachter,
Bij, in op of aan…
ben overal achter,
heb alles verstaan.
Ik waak bij de brug,
de hoorn in de hand
en blaas mijn boodschap
Over het land!

Voorzetsel is Heimdal woord.

Zo wordt Odhin het zelfstandige naamwoord, Freyr het voornaamwoord, Frigga het bijvoeglijk naamwoord en Freya het bijwoord.

Door dit godenspel wordt de kennis van de woordsoorten bevorderd en ook de woordontleding mogelijk gemaakt. Wat, Goden? Ja zeker, deze leven in de ziel van de kinderen in de vierde klas. Zij zijn goede bekenden.

Een taalspel
Typisch voor de Noordelijke volken was het elkaar opgeven van raadsels.** Ook bij de Keltische volken kwam dit voor. Eerst wordt verteld, hoe de Goden dit hanteerden. Bij alle raadsels is Odhin, als taal-godheid en inspirator voor de Noordelijke volken in het geheim betrokken.

Het oerbeeld ligt in het lied van Wafthrudnir, de wijze reus, die door Odhin, vermomd als zwerver werd uitgedaagd. Het gaat dan eerst om het weten van namen.

Wafthrudnir:
‘Zeg mij nu, Gangradr,
Als gij van de vloer
U meten wilt met mij:
Hoe heet het Ros,
Dat den radenden goden
Uit ’t oosten opvoert de nacht?’

Odhin:

Hrimfaxi heet
Die den heiligen goden
Uit ’t oosten opvoert de nacht!
Daar druipen ’s morgens
Van zijn bit de druppels.
Vandaar komt de dauw
In de dalen!’

Dan is de beurt aan Odhin. Wafthrudnir weet alles, behalve de laatste vraag: Nu weet Wafthrudnir wie zijn tegenstander is:

‘Ik mat met Odhin al mijn weten
De wijste echter waart gij!

Langzamerhand komen er ook echte raadsels, zoals:

‘Wie rijden gezamenlijk naar het gevecht, zij hebben tien voeten, één oog en één staart?’ (de eenogige Odhin op zijn achtvoetige ros Sleipnir)

Of: ‘Vier hangen, vier gaan / twee wijzen de weg / twee weren de honden / één die vaak vuil is, sjokt er achteraan, kun je het raden?’ (een koe)

De voorliefde voor raadsels van de vierdeklasser is niet zo verwonderlijk. Eerst was hij in een geheel ingeschakeld: alles voelde hij aan en accepteerde het. Na zijn ik-beleving kan dat zo niet meer. Hij wil de vervreemde buitenwereld exact gaan verkennen en er uiterlijk iets van weten.

Hij wordt zich zelf een raadsel: Wat is de verhouding tussen de binnenwereld van hemzelf en de buitenwereld? Elk goed raadsel heeft die subjectief-objectief-kant. Bij het raadsel van de koe kan men de objectief-uiterlijke kant aan de koe zelf waarnemen, maar dat de raadselmaker deze dertien delen van de koe als wezens of personen ziet, die bepaalde dingen doen, dat is de misleidende subjectieve mededeling.

Toneel
De Noors-Germaanse mythologie levert in de verzen van de Edda zelf al uitstekende stof. Zeer geliefd is het z.g. ‘Hamerlied‘ van Thor.

De boze Thursenreus, koning Thrym, steelt Thors hamer Mjölnir. Hij wil deze alleen teruggeven, wanneer de schone Freya met hem wil trouwen. De goden willen Freya niet afstaan, maar Thor zelf wordt verkleed als bruid. Komische situaties doen zich aan Thryms hof voor: Thrym:

Eén ding ontbrak mij:
Freya als bruid!

Koor:
En eindelijk viel
de schemering.
Men zette zich
aan de avonddis.
Toen at Thor
Een vette os.
Een achttal zalmen
en alle toespijs.
Hij dronk daarbij
Drie vaten mede!
Toen zeide Thrym
de Thursenkoning:

Thrym:
‘Wie zag een bruid
Ooit gretiger bijten?
Nooit zag ‘k een bruid
Gretiger bijten!
Noch ook een meisje
Meer mede drinken!’

Koor:
De slimme dienstmaagd
Zat aan de dis
En zij sprak
Tot Thrym de reus:

Loki:
‘Acht dagen lang
At Freya niet
Zo reikhalsde zij
naar ’t Reuzen land!’

Koor:
Thrym vond het fijn,
tilt op de sluier
om de bruid te kussen,
maar hij deinst terug:

Thrym:
‘Hoe vrees’lijk fonk’len
Freya’s ogen,
Als vlammend vuur
Zo brandt haar blik!’

Loki:
‘Acht nachten lang
Sliep Freya niet.
Zo reikhalsde zij
naar ’t Reuzen land!’

Tenslotte krijgt Thor de gestolen hamer in handen bij de huwelijksvoltrekking. Dan maakt hij korte metten met het gehele reuzengebroed. Zo kreeg dan Thor zijn hamer terug.

De taalperioden in de vierde klas vormen een hoogtepunt voor het gehele schooljaar!

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*Steiner over het ‘schoon’schrijven 

**het kunnen ‘begrijpen’ van een raadsel vraagt toch een bepaald abstract denkvermogen. De meeste kinderen in klas 4 (10 jaar) hebben dit nog niet.
Gevraagd bv. ‘waar zit de meeste vis’ antwoord(d)en ze steevast: in de (Noord)zee. Het antwoord ‘tussen de kop en de staart’ vonden sommigen zelfs ‘gek’.

Mijn ervaring is dat er in de 5e klas ‘ineens’ wel dit nodige abstracte denkvermogen is. Dan is het erg leuk om bv. bij de pauzeboterham iedere dag een raadsel op te geven en de andere dag het antwoord te vragen en/of te geven. De kinderen komen dan ook vaak met leuke raadsels aan (waarbij ik de ‘flauwe’ in een aparte categorie onderbracht)

raadsels

klas 4 Nederlandse taal
4e klas: alle artikelen
.

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

502-464

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.