VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 6e klas (2)

.

HET NEDERLANDSE TAALONDERWIJS

Het kind van het twaalfde jaar tot de geslachtsrijpheid

De ontwikkeling van het kind
Het laatste gedeelte van de tweede zevenjaarperiode wordt gekenmerkt door een intensivering van het denk- en voorstellingsleven. De hoogtepunten van de gemoedsperiode (of fantasieperiode) zijn voorbij.
Een denken kondigt zich aan, dat het volwassen denken met logische en theoretische functie gaat benaderen en op normale wijze rijp wordt voor abstracties.
Lichamelijk is er iets te zien, wat deze ontwikkeling als het ware ondersteunt: de vulling van de romp gaat geleidelijk over in een strekking van de ledematen. Het kind heeft een zeker evenwicht hervonden, het wordt geboeid door de geweldige mogelijkheden die de zintuiglijke waarneming biedt om de wereld te leren kennen. Innerlijk is er iets, wat het kind vooral wil: het wil de waarheid omtrent de wereld leren kennen. Ook fysiologisch is er veel aan de hand. De overschrijding van de twaalfjaargrens is zeker even belangrijk als die van het 9e jaar was. Wat is namelijk het geval? Veel sterker dan voor die tijd begint het kind zich te verbinden met zijn skelet.

Het jongere kind beweegt zich met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem, dat gevoed wordt door de ritmisch circulerende bloedstroom. Maar tegen het twaalfde jaar ‘pakt’ de jonge mens zijn skelet. Van de spieren gaat het via de pezen tot de botten. De bewegingen verliezen ritme en gratie, zij worden hoekig, onhandig en willekeurig. Het kind komt in de zogenaamde ‘vlegeljaren’ en het weet niet, wat het met zijn ledematen beginnen moet.

Maar nu het geestzielewezen van het kind zich sterker met het mechanische van het skelet verbindt, kan het ook alles met nut en zonder schade opnemen, wat in het leven en in de wetenschap aan mechanische wetmatigheden onderworpen is.

Een hele rij van nieuwe vakgebieden gaat voor het kind op dat moment een rol spelen: meetkunde, algebra, natuurkunde, mechanica, scheikunde, perspectieftekenen.

Het kind wil de wereld in deze mechanische wetmatigheden aan fenomenen leren kennen, het waargenomene doordénken en daaruit conclusies trekken. De wereld moet ‘waar’ voor hem zijn!

Het Nederlandse taalonderwijs
In de lagere klassen is zorgvuldig voorbereid als beeld: de woordsoorten, de zinsdelen en de opbouw van een zin. In de zesde klas kan men tot een zekere afsluiting komen. De woordsoorten kunnen veel abstracter behandeld worden en — met het oproepen van herinnering aan de vroegere beelden, die echt geen praatjes voor de vaak waren — nu met hun volwassen naam genoemd worden. Het wordt duidelijk, dat er tien woordsoorten zijn:

De denk- en voorstellingsmatige groep:
zelfstandig naamwoord met lidwoord, telwoord en de vervangende naamwoorden.

Polair daartegenover de wilsmatige groep:
werkwoorden met voorzetsels en voegwoorden.

Daartussen de gevoelsmatige groep:
de tussenwerpsels in het midden. Dan de bijvoeglijke naamwoorden die aansluiten bij het voorstellingsmatige groepje woordsoorten en de bijwoorden die meer op de wilsmatige groep gericht zijn.

klas 6 taal

In de zesde klasse kan de enkelvoudige zin behandeld, geoefend en ontleed worden.

Verder tracht de leerkracht het stijlgevoel van het kind te wekken in de eerste plaats door het gebruik van de ‘modi’ of ‘wijzen’:
Wens, bede, aansporing, bevel.

Dit geschiedt al sprekend en ook in het schrijven.

De naamvallen worden verbonden met de zinsdelen.

Ook wordt stijlgevoel gewekt door het redeneren, want van het Middeleeuwse trivium is nu niet meer zozeer de schoonheid van de retorica als wel de waarheid, de redeneerkunst van de dialectica aan het woord. De juiste stijl wordt ook beoefend in het schrijven van brieven en kleine, overzichtelijke zakenopstellen, waarvan de inhoudelijke stof al vanaf de derde klasse is voorbereid.

Lees- en vertelstof zijn aan de Grieks-Romeinse mythologie en aan de volkenkunde ontleend. De opstellen moeten karakteristieke dingen uit de biologie en de natuurkunde beschrijven.
De samengestelde zin wordt behandeld, ook onder- en nevenschikkend zinsverband. Het kan duidelijk zijn dat het hoofddoel voor de klassen VI en VII dus is: Het overtuigend spreken en het kritisch luisteren.

Leer en ontwikkelingsdoelen
voor de klassen VI en VII.

—  Het overtuigend spreken, beschrijven, met inachtneming van de temperamenten.
—  Het dialectische in de taal beoefenen (discussie).
—  Sociale vaardigheid: redeneren, discussiëren, goed leren luisteren.
—  Duidelijke uitspraak ontwikkelen.
—  Duidelijk schrijven, helder en eenvoudig.
—  Een stilleesstuk verstandelijk opnemen en de inhoud kunnen weergegevn.—  Zakelijk en efficiënt schrijven (zaken- en andere brieven).
—  Juiste onderscheiding van spreek- schrijfstijlen, bij de gelegenheid passende stijl vinden en uitdrukken in woord en geschrift.
—  Grammaticaal de woordsoorten in iedere zin kunnen onderscheiden en benoemen.
—  De zinsdelen en bijbehorende naamvallen onderkennen, benoemen en hanteren.
—  De juiste uitdrukkingswijzen vinden en hanteren voor het gevoelsmatige in de taal.
—  Een voldoende onderlegd zijn in de spelling van woorden (ook vreemde woorden).

De leerstof van klasse VI.

a.  vertelstof:
Verhalen uit de Romeinse mythologie. Middeleeuwse sagen, biografieën van grote figuren tot ± 1100. Verhalen uit volkenkunde.

b.  spreken:
Klassengesprek, vertellen, spreekbeurt, spraakoefeningen, gedichten reciteren met beweging.

c.  schrijven:
Zuiver schrijven oefenen.*

d.  stillezen:
Zinvol opvatten van het gelezene.

e.  spellingsoefeningen en interpunctie:
Moeilijke dictees.

f.   grammatica
Opwekking van stijlgevoel door het gebruik van de modi of wijzen, vooral van het conjunctivische (voorwaarde, aansporing, wens, verlangen) in woord en geschrift. Behandeling enkelvoudige zin met naamvallen.

g.  opstel:
Duidelijke, zakelijke verhandelingen en brieven.

 Zinsstructuur in beelden uitdrukken.
Wij gaan door met de structuur van een zin in beeld te brengen.
Wij onderscheiden de gewone onderwerp — gezegde — zinnen,
de onderwerp — naamwoordelijk gezegde — zinnen en
de onderwerp — gezegde lijdend — en meewerkend voorwerpszinnen.

Het verduidelijken, ja versieren van de zinnen met bepalingen wordt met veel aandacht beoefend. De bepalingen zijn als het ware toegangen tot de bijzinnen van de samengestelde zin. Er ontstaan mooie structuurtekeningen van zinnen.

De slimme Odysseus redde zijn makkers het leven door een list in het hol van de eenogige reus.

klas 6 taal1

Ontleding van zo’n zin, waarbij de gevallen (naamvallen) al opgeschreven zijn, laat zien, hoezeer de bepalingen kleur aan de zin geven.

Een eenvoudig ontledingsspel kan nog heel lang worden gedaan. Er worden weer specificaties gebruikt. Onderwerp en gezegde staan naast elkaar. Daarnaast de voorwerpen.

In principe staat de bijvoeglijke bepaling te buigen naar het onderwerp, de bijwoordelijke bepaling bij het gezegde, maar zij moeten zich snel verplaatsen om te buigen naar bijvoorbeeld een zelfstandig naamwoord in het naamwoordelijk gezegde.

Een klasgenoot leest (of improviseert) langzaam een zin. Het onderwerp staat op, het gezegde stampt, de voorwerpen duiken in elkaar. De gebaren zijn naar keuze.

Bij een lijdende zin gaat het lijdend voorwerp naar de stoel van het onderwerp, hij krijgt de hoed van het onderwerp op en gaat op de stoel zitten.

Zinsdelen gedramatiseerd.
Een zinsdelenspel geeft meer uitleg over het wezenlijke van de zinsdelen, die men, zeven in getal met bijpassende kleuren, als de zeven planeetgoden van Rome zou kunnen aanduiden.

Men doet dat echter niet. In de plaats daarvan komt een tikkeltje ironie in het spel. De zinsdelen hebben als een persoon hun hebbelijkheden. Zo’n onderwerp wil graag naar voren dringen (Mars!), een lijdend voorwerp wil graag iets ondergaan, maar klaagt toch (Maan).

In hun woorden overdrijven de zinsdelen. De kinderen weten heel goed, dat een lijdend voorwerp niet steeds lijdt. Wanneer onderwerp, gezegde, lijdend en meewerkend voorwerp zijn uitgesproken, treden drie gestalten op, de bepalingen, die als volgt spreken:

Bepalingen (wijzend naar de vier O., G., L.V. en M.V.)
in koor:
‘Met deze vier, ja zeker! maak je al een zin.
Maar och! Wat is ’t nog een begin!
Wat heeft de zin nog weinig kleur!
Wat heeft hij weinig smaak of geur!
Wat is hij kort, wat is hij vaag,
Wat is hij in de taal een plaag!
Aan alle rijkdom van het leven
Kan onze wijsheid uiting geven.
Wij zijn het, die de keus bepalen,
Wat uit die rijkdom valt te halen!
Bepalen kunnen wij, en denken
Om rijkdom aan de zin te schenken!’

Bijvoeglijke bepaling (in blauw gekleed, komt naar voren, spreekt bedachtzaam):
‘Sinds de grijze oertijd kan ik mij bezinnen:
Wat toch breng ik mij wel over hen te binnen?
Wat weet ik van Onderwerp en Voorwerpen te zeggen
om iets van hun ware wezen uit te leggen?
Uit de oneindig vele herinneringen
wil’k bepalen goede keuze van de dingen.
En dan voeg ik mij er rustig bij.
Onderwerp en Voorwerp zijn begrijpelijk door mij!’

Bijstelling (in het Groen, ietsje opdringerig):
‘Kijk uit! Bij het bepalen
ben ik een heel speciale…!
Zijn onderwerp of voorwerp klaar?
Ik weet er altijd nog een paar,
voor het geval je niet goed voelt,
wat er met hen wel werd bedoeld.
Al vlei’k mij vriendelijk tegen hen aan,
‘k Moet wel tussen twee komma’s staan
Ik stel mij bij hen, ieder weet,
dat ik dan ook bijstelling heet.

Bijwoordelijke bepaling (in het oranje, statig stappend):
‘Met wijde blik kom ik aangeschreden.
Met wijsheid treed ik in het heden.
Ik overzie de omstandigheden,
de tijd, de plaats en ook de reden.
Meestal van voorzetsel voorzien
kan ik ’t gezegde hulpe biên.
Maar ook zo menig ander woord
Wordt door mijn hulp pas goed gehoord!’

Stijlgevoel verbonden met toneelspel
Een dankbaar onderwerp wordt voor deze oefening gevonden in de Romeinse verhalen en geschiedenis.

Spel over de strijd tussen Patriciërs en Plejebers. (Het toneel is op de Heilige Berg te Rome).

Marcus Balbus:
O, wat een droeve dag!
O, was ik maar gebleven!
Wie zou hier kunnen helpen?
Ons einde is nabij!

Gaius Postumus:
Kom, kom, wees wijs!
Wees niet onnodig somber.
Zij hebben ons óók nodig.

Marcus:
Ach, wat, jij ziet de dingen veel te rooskleurig.
Was koning Romulus maar hier!

Gaius:
Koning Romulus was zo hardvochtig, dat in een donkere nacht hij werd vermoord.

Marcus:
Wat? Nooit vond men zijn lichaam!

Gaius:
Neen, hij werd door de edele senatoren in honderd stukjes gesneden! Elk nam een klein stuk mee en verborg het goed.

Marcus:
Ik dacht, dat hij ten hemel was opgevaren!

Gaius:
Komaan, zijn ziel misschien. Maar zeker niet zijn lichaam. Houd moed!

Men weet, dat de Patriciërs de Plebejers weer naar Rome kregen met de beroemde fabel van ‘De maag en de ledematen’.

Wel kregen de Plebejers het recht de volkstribunen te benoemen, die in de Volksvergadering de door de senatoren gemaakte wetsontwerpen konden verbieden met hun veto! (= ik verbied).

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

*Steiner over het ‘schoon’schrijven
Nederlandse taal klas 6 (1)

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

6e klas bij Luc Cielen

.

505-467

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 6e klas (2)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 7e klas (2) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – 6e klas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.