VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – alle artikelen

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GA 293        Vertaling

Inhoudsopgave uit de vertaling van 1993.
De link gaat naar de inhoudsopgave van de door mij besproken voordrachten. 

EERSTE VOORDRACHT 21 augustus 1919
De taak van de opvoeding in de vijfde na-Atlantische cultuurperiode.
Opvoeding: een voortzetting van wat hogere wezens voor de geboorte hebben gedaan.
Harmonisering van de ademhaling.
Afwisseling van slapen en waken.
Zelfopvoeding van de leraar.

TWEEDE VOORDRACHT 22 augustus 1919
Beschouwing van de mens vanuit het gezichtspunt van de ziel.
De voorstelling als beeld.
Weerspiegeling van het leven voor de geboorte.
De wil als kiem voor het leven na de dood.
Sympathie en antipathie.
Het voelen.
Geheugen.
Fantasie.
Zenuwen en bloed.
De drieledig­heid van de mens.

DERDE VOORDRACHT 23 augustus 1919
De wet van behoud van energie: een hinderpaal voor het inzicht in de mens. Schepping van nieuwe krachten.
Het verstand neemt het dode in zich op; de wil het levende.
Het zuivere denken.
De vrijheid.
De mens brengt leven in de ontwikkeling van de aarde.
Het aandeel van de doodsprocessen in de mens.
Het bloed- en spierstelsel.
Het bot- en zenuwstelsel.
Geometrie als weerspiegeling van kosmische bewegingen.
De verandering van het kennen.

VIERDE VOORDRACHT 25 augustus 1919
Het belang van de ontwikkeling van wil en gemoed in de toekomst.
De aard van de wil.
Het negenledige wezen van de mens.
Verschijningsvormen van de wil in het lichaam als instict, drift, begeerte, in de ziel (ik) als motief, in de hogere wezensdelen als wens, voornemen, besluit.
Socialistische hervormingen in de opvoeding.
Opvoeding van het gemoed.
Wilsontwikkeling.

VIJFDE VOORDRACHT 26 augustus 1919
Indeling van de zielekrachten
Sympathie en wil; antipathie en denken
Het wezen van de ontwikkeling van moraliteit.
Het voelen; de samenhang van het gevoel met waarneming, wil en kennis

ZESDE VOORDRACHT 27 augustus 1919
Overzicht over de hele opzet van de cursus
Beschouwing van mens vanuit het gezichtspunt van de geest
‘Waakbewustzijn, droombewustzijn en slapend bewustzijn’ i.v.m. denken, voelen en willen
Het ik in denken, voelen en willen

ZEVENDE VOORDRACHT 28 augustus 1919
Werkelijkheidsgetrouwe begrippen door feiten met elkaar in verband te brengen.
Samenhang van zielenkrachten in jeugd en ouderdom.
Van het voelend willen in de jeugd naar het voelend denken in de ouderdom. De gewaarwording.
Waken, dromen en slapen in de ruimtelijke bouw van de mens.
Het wezen van het zenuwstelsel.
Waken en slapen in relatie tot de tijd: vergeten en herinneren.

ACHTSTE VOORDRACHT 29 augustus 1919
Herinneren en vergeten in relatie tot ontwaken en inslapen.
Geheugenontwikkeling door levensgewoonten.
De twaalf zintuigen.
Indeling in denkzintuigen, gevoelszintuigen en wilszintuigen.
Hun onderlinge samenwerking in de oordeelsvorming.

NEGENDE VOORDRACHT  30 augustus 1919
Gevolgtrekking, oordeel en begrip.
De manier waarop begrippen gevormd worden en de werking daarvan tot in het lichamelijke.
In plaats van definiëren: karakteriseren.
Levende begrippen.
Het kind neemt onbewust aan: de wereld is goed, de wereld is mooi, de wereld is waar.

TIENDE VOORDRACHT
Samenvatting van de geestelijke, psychische en lichamelijke beschouwing van de mens.
De drieledige menselijke gestalte en haar relatie tot de kosmos.
Metamorfose van de wervels en de pijpbeenderen.
De materialistische evolutieleer.

ELFDE VOORDRACHT
Hoofd, borst en ledematen en hun ontwikkeling naar lichaam, ziel en geest.
Opvoeden is wakker maken.
De moedermelk.
Via de wil het intellect wekken door middel van kunstzinnig onderwijs.
Fantasie en geheugen in verband met de groei.

TWAALFDE VOORDRACHT
Beschouwing van de mens vanuit lichamelijk gezichtspunt.
Het lichaam moet begrepen worden vanuit de processen.
Hoofd en dierenwereld.
Vorming van gedachten.
Borststelsel en plantenwereld.
Het wezen van ziekte.
Adem en voeding.
Botten en spieren en de minerale wereld.

DERTIENDE VOORDRACHT

Wat geest en ziel in de mens doen.
In de mens worden geestelijke stromen gestuwd.
De zenuwen.
Het bloed.
Lichamelijk en geestelijk werk in relatie tot geest en lichaam.
Zinvolle en zinloze bezigheden.
Slaap.
Turnen, euritmie.
Sport.
Intellectuele inspanning.

VEERTIENDE VOORDRACHT

De lichamelijke drieledigheid van de mens.
Ieder deel is een geheel dat de andere delen mede omvat.
Het strottenhoofd.
De taal.
Grammatica.
Fantasie in het onderwijs aan de hoogste klassen van de basisschool. Voorwaarden voor het leraarschap.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1549-1451

.

.

.

.

VRIJESCHOOL- Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 – alle artikelen

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 2
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [2-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [2-1]
Het derde cijfer [2-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [2-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen, al horen ze er inhoudelijk wel bij. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [2-1] [2-2] [2-3] enz.
Als kleur: rood

Met name in deze voordacht komen veel woorden voor die direct te maken hebben met het niet-zintuiglijke. Dat zijn dus in zekere zin ‘vaktechnische’ woorden, ofwel: jargon. Hoe zou je met dit jargon om kunnen gaan?
Jesse Mulder: Mooie woorden, jargon en levende inhoud

[2-1] blz. 30/31
Over de noodzaak van een nieuwe psychologie. De pedagogie van Herbart als representant van de ‘oude fase’.

[2-2] blz. 31-33
Over de voorstelling; als beeld; als niet meer werkelijk (unter-real); als onstoffelijk bewegen=denken; beeld als gevolg van spiegeling; voorstellen als kracht die spiegelt; voorstellingskracht als voorgeboortelijke realiteit.

[2-2-1] blz. 31-33
Een nadere toelichting op ‘unter-real‘: de realiteit van de voorstellingsbeelden – als oerbeelden – in de geestelijke wereld, toegelicht vanuit GA 9 Theosofie.

[2-2-2] blz. 35-38
Over antipathie en geheugen; warm en koud m.b.t. sympathie en antipathie; vragen omtrent het geheugen; voor herinneren meer antipathie nodig; voorwaarde voor begripsvorming.

[2-3blz. 33-35
Over de wil; als kiem, toekomst; als nog niet werkelijk (über-real); als kracht(simpuls) die pas na de dood werkelijkheid wordt.

[2-3-1] blz. 35-38
Over: sympathie; de kiem voor na de dood; wil; de opdracht voor de opvoeder: sympathie ontwikkelen voor het kind.

[2-3-2] blz. 35-38
Over: sympathie en fantasie; het denken als -na-denken en -vooruit-denken; de ‘gewone’ imaginatie.

[2-4] blz. 34-36]
Over: het gevaar en de noodzaak van schema’s; over de ziel, gevoel en beleven; antipathie en sympathie; ‘spiegelen’, reflecteren.

[2-4-1] blz. 40-44
Over: antipathie en sympathie; vorming hoofd en ledematen door kosmos; voorwaarde vrijheid.

[2-5] blz. 38
De ziel – hier als sympathie en antipathie omschreven – drukt zich fysiek uit in zenuwen en bloed. [zie [2-5-1] Uitspraken van Steiner waarin hij aangeeft dat geest en ziel zich lichamelijk manifesteren.

[2-5-1] blz. 39/40
Over: de tegenstelling bloed-zenuw.

[2-5-2] blz. 40/41
Over: de zenuwen – motorische zijn in wezen ook sensitieve; uitspraken daarover uit verschillende voordrachten: GA 192; GA 201; GA 205; GA 293; GA 301; GA 302A; GA 303.

[2-5-3-1] De ‘ziel’ van het hart
Walther Bühler over: de impact van de eerste harttransplantatie; bestaan de hartenkrachten slechts in overdrachtelijke zin?; hart en zielenleven; drieledige mens; betekenis van de hartspier; hart en bloedsomloop; hart als waarnemingsorgaan; hart en ziel; hart en geweten.

[2-5-3-2] Het hart, een heel bijzonder orgaan
Hans Kümmell over: ontdekking van het hart; wat is het allemaal; hart historisch gezien; het uiterlijke en innerlijke hart; hart en drieledige mens; hart en ritme; hart en ademhaling; relatie met de wereld; hartziekten; in de taal.

[2-6] blz. 40/41
Over: de mens als kosmisch wezen; 25920, getal van kosmisch, platonisch jaar in samenhang met ademen en slapen/wakker worden; wat heeft de leerkracht aan deze kennis: eerbied voor de leerling.

[2-6-1] blz. 40/41
Over: de mens als kosmisch wezen; 25920, getal van kosmisch, platonisch jaar in samenhang met ademen en slapen/wakker worden; uit GA 192, 201, 205.

[2-7] blz. 40/41
Korte inleiding op de zgn. ‘3 haarden‘ waar sympathie en antipathie elkaar ontmoeten: in het hoofd, in de borst en in het onderlijf.

[2-7-1] blz. 41
De 1e van de door Steiner 3 genoemde plaatsen waar antipathie en sympathie elkaar fysiek ontmoeten: in het hoofd; over ‘de sprong’ = de synaps; over sensitieve en motorische zenuwen; Arie Bos over ‘kneedbare’ hersenen; waar is hier zenuw en bloed i.v.m. antipathie en sympathie; opmerkingen uit GA 179 en GA 194; nog veel vragen i.v.m. pedagogisch-didactisch handelen.

[2-7-2] blz. 41
De 2e en 3e door Steiner genoemde plaatsen waar antipathie en sympathie elkaar fysiek ontmoeten: in het ruggenmerg en het onderlichaam.
.
[2-8] blz. 42-43
De drieledige mens: de noodzaak tot indeling en tegelijkertijd de onmogelijkheid daarvan; hoofd – romp – ledematen ofwel: zenuwzintuig- ritmisch en stofwisselingssyteem; ergens ligt het accent, maar het komt in het hele lichaam terug; over stofwisseling in het hoofd.
.
[2-9] blz. 43-44-45
In zeker opzicht een samenvatting van alles wat is besproken en [2-2 en wat onder dit nr. volgt]; over zuurstof en koolzuur in het bloed bij voorstelling en beeld; de besproken tegenstellingen als basis voor het lesgeven.
.

[2-10] blz. 44/45
De mens komend uit de geestelijke wereld, opvoeding als voortzetting van geestelijke activiteit op aarde; beeldend vermogen en betekenis van beeldend onderwijs; waardige stemming van waaruit je met kind omgaat.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1548-1451

 

 

 

 

 

 

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 30/31 vert.

Met de 2e voordracht begint Steiner de mens te beschouwen vanuit de optiek van de ziel, de psyche. Daarvoor gebruikt hij ook de voordrachten drie, vier en vijf.

In de eerste voordracht heeft hij erop gewezen dat ‘de nieuwe tijd‘, die bij Steiner vanaf ca. de 15e eeuw begint, een andere opdracht heeft dan de tijden die daarvoor liggen. 
Bij ‘die andere opdracht’ hoort vooral ook de mens te zien als een drieledig wezen dat enerzijds verbonden is met de zichtbare wereld waarin hij leeft, anderzijds verbonden met een onzichtbare wereld – de geestelijke. De mens als burger van twee werelden die zich als bezield wezen tussen beide bevindt gedurende zijn aardse leven.
De mens als bezield wezen is het vertrekpunt in de tweede voordracht. 
In de eerste voordracht zijn al een aantal omschrijvingen gegeven van wat we tot de ziel moeten rekenen – zie alle artikelen behorend bij [1-7]

Vóór Steiner met zijn psychologische uiteenzettingen begint, merkt hij op dat het al lang de gewoonte is om pedagogie een psychologische basis te geven. In zijn tijd was vooral Herbart een toonaangevende geleerde op dit gebied.

Maar voor Steiner is hij toch een exponent van ‘de oude tijd’, die begrippen hanteert die in zijn ogen ‘min of meer inhoudsloos, holle frasen zijn geworden’.

Daar Herbart dus de toonaangevende pedagogie vertegenwoordigt, is het niet verwonderlijk dat Steiner veel aandacht aan hem besteedt. Wat hij uit Herbarts theorieën belicht, gebruikt hij uiteraard om zijn eigen gezichtspunten te verduidelijken.
Dat gebeurt bv. in  ‘Die Rätsel der Philosophie’ GA 18, op blz. 176, 256 e.v., 282 en 341 [niet vertaald]; in GA 73 [niet vertaald], GA 76 [niet vertaald],  GA 212  [niet vertaald] en in de pedagogische voordrachten GA 297 (op deze blog) en GA 301 (op deze blog) 

Zijn conclusie: 

Wer heute irgendeine Psychologie oder auch nur irgend etwas in die Hand nimmt, das mit Psychologiebegriffen zu tun hat, der wird finden, daß ein wirklicher Inhalt heute in solchen Schriftwerken nicht mehr drinnen ist. Man hat das Gefühl, daß die Psychologen nur mit Begriffen spielen. 

Welk psychologieboek men tegenwoordig ook ter hand neemt, of welk boek ook dat met psychologische begrippen te maken heeft, men zal vinden dat er van een werkelijke inhoud bij zulke boeken geen sprake meer is. Men heeft het gevoel dat de psychologen slechts met begrippen spelen.
GA 293/30
Vertaald/30

Er zijn na Steiner verschillende ‘nieuwe’ psychologische richtingen bij gekomen. Jean Piaget bv. met zijn ‘ontwikkelingspsychologie’. Tegelijkertijd echter, is uit de psychologie ‘de ziel’ steeds meer verdwenen. O.i.v. het hersenonderzoek in onze tijd is er ook een stroming ontstaan die ‘de psyche’ (waarover nauwelijks nog wordt gesproken) reduceert tot ‘breinactiviteit’. ‘Wij zijn ons brein’.
Wij zijn, de ziel is: materie.

I.p.v. ‘de richting omhoog’ is de psychologie de tegenovergestelde kant opgegaan. Dat maakt Steiners visie enerzijds (nog) moeilijker te begrijpen, anderzijds werpt deze wél een bijzonder licht op wat de wetenschap door het hersenonderzoek nu bv. zegt van de wil -‘de vrije wil bestaat niet’.
Zoals Steiner zijn ideeën o.a. duidelijker maakt door ze naast die van Herbart te zetten, zou het een werkwijze kunnen zijn dat nu eveneens te doen met de opvattingen die nu door verschillende disciplines worden vertegenwoordigd. 

Dat ligt echter buiten mijn competentie en zou ook te veel afleiden van wat Steiner ons wil zeggen voor de vrijeschoolpedagogie. Waar ik het wel kan, zal ik het ter sprake brengen.

Steiner noemt twee begrippen: de voorstelling en de wil, die hij in deze voordracht gaat behandelen. Hij constateert wel dat er in de gangbare psychologieën ‘definitie na definitie’ gegeven wordt over voorstelling en wil, maar dat deze niet raken aan de essentie.

Dat heeft een reden volgens hem:

Man hat eben vollständig versäumt – natürlich aus einer äußeren geschichtlichen Notwendigkeit heraus , den einzelnen Menschen anzuschließen auch seelisch an das ganze Weltenall. Man war nicht imstande zu begreifen, wie das Seelische des Menschen in Zusammenhang steht mit dem ganzen Weltenall. Erst dann, wenn man den Zusammenhang des einzelnen Menschen mit dem ganzen Weltenall ins Auge fassen kann, ergibt sich ja eine Idee von der Wesenheit Mensch als solcher.

Men heeft nu eenmaal volledig verzuimd — natuurlijk was dat een concrete historische noodzakelijkheid – om de individuele mens ook wat zijn ziel betreft te verbinden met de gehele kosmos. Men was niet in staat te begrijpen hoe de samenhang is tussen de ziel van de mens en de gehele kosmos.

Pas wanneer men de samenhang van de individuele mens met de gehele kosmos kan inzien, kan men zich een idee vormen van het wezen van de mens als zodanig.
GA 293/31-32
Vertaald/31

Deze samenhang inzien is een studie op zich.

Als we ‘de kosmische krachten’ eerst nog wat reduceren tot ‘scheppende krachten’ beginnen velen in de wereld – door wat er door ons handelen misgaat – in te zien, dat wij niet losstaan van de wereld.
Dat wij niet zonder negatieve gevolgen kunnen handelen tegen deze scheppende krachten.

En wanneer we dit gezichtspunt binnen de opvoeding plaatsen:

(  )  die Erziehung: was sie leisten soll: mit den Ent­wicklungskräften des Menschen zu wirken und nicht gegen sie zu wirken.

(  ) Opvoeding: wat zij tot stand moet brengen is mét de ontwikkelingskrachten van de mens te werken en niet die tegen te werken.
GA 297/172 
Op deze blog vertaald/172

Of:

Es handelt sich darum, wie man das macht, daß man den Unterrichtsstoff, daß man das Er­ziehungsleben so gestaltet, daß sie nicht gegen die Willensinitiative, sondern im Sinne der Willensinitiative wirken. Das ist es, worauf es ankommt.

Het gaat erom hoe je de lesstof, de opvoeding zo vormgeeft, dat deze de wilsimpulsen niet tegenwerken, maar overeenstemmen met deze wilsimpulsen.
GA 301/104
Op deze blog vertaald/104

De wil komt uitgebreid in de 2e voordracht aan de orde.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1547-1451

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool – toelichting bij ‘alle artikelen’

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

uit/in het archief

100 JAAR VRIJESCHOOL

Deze blog staat vol met artikelen over de vrijeschoolpedagogie – zowel theoretische achtergronden, als de praktische uitvoering daarvan. Vele laten zien hoe summiere aanwijzingen van Steiner uitgewerkt zijn tot methode, waarbij de werkwijze soms niet te overtreffen valt, soms weer ter discussie staat. Op vrijwel ieder pedagogisch-didactisch-methodisch terrein hebben de gezichtspunten van Steiner tot een totaal nieuwe vorm van onderwijs geleid, stoelend op zijn visie over mens en wereld.
Voor Steiner kon de idee vrijeschool echter alleen tot volle ontplooiing komen, wanneer het onderwijs vrij zou zijn van staatsinvloed. Ook daarvoor gaf hij een maatschappelijke context: de sociale driegeleding. Het zou dus voor de hand gelegen hebben dat de vrijeschoolmensen de afgelopen decennia gestreden zouden hebben – terwille van het onderwijs dat hun zo lief is – om een daadwerkelijke vrijheid van onderwijs zeker te stellen.

DAT IS NIET GEBEURD!

Of het nu de vroegere Bond van vrijescholen was of de huidige Vereniging van vrijescholen, een schoolbeweging die pal staat voor vrijheid van onderwijs, is nooit ontstaan.
In de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw leek het erop dat de idee van een ”vrij geestesleven’ ingebed in een drieledige sociale maatschappijstructuur bij velen begon te leven – vooral ook bij groepjes leerlingen van de vrijeschoolbovenbouw, bij ouders die hun krachten bundelden in een Landelijke Oudervereniging, wat leidde tot initiatieven: het houden van een congres bijv. en manifestaties op het Binnenhof in Den Haag.
Uiteindelijk verwaterde het initiatief.
Naast vele positieve zaken die wél tot stand zijn gekomen, moet toch de conclusie getrokken worden dat er bij de mijlpaal van 100 jaar vrijeschool, voor de vrijheid van onderwijs, laat staan voor een vrijgeestesleven, nauwelijks iets is bereikt.

Of het nu de vroegere Bond van vrijescholen was of de huidige Vereniging van vrijescholen, een schoolbeweging die pal staat voor vrijheid van onderwijs, is nooit ontstaan.
In de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw leek het erop dat de idee van een ”vrij geestesleven’ ingebed in een drieledige sociale maatschappijstructuur bij velen begon te leven – vooral ook bij groepjes leerlingen van de vrijeschoolbovenbouw, bij ouders die hun krachten bundelden in een Landelijke Oudervereniging, wat leidde tot initiatieven: het houden van een congres bijv. en manifestaties op het Binnenhof in Den Haag.
Uiteindelijk verwaterde het initiatief.
Naast vele positieve zaken die wél tot stand zijn gekomen, moet toch de conclusie getrokken worden dat er bij de mijlpaal van 100 jaar vrijeschool, voor de vrijheid van onderwijs, laat staan voor een vrijgeestesleven, niets is bereikt.

En hoe geweldig het vrijeschoolonderwijs ook is geworden, deze schaduwzijde tempert voor mij enerzijds de feestvreugde.
Dat zal niet voor iedereen gelden, om uiteenlopende redenen.
Ik zou er niet van opkijken als de jongste generatie vrijeschoolleerkrachten niet eens weet heeft van deze sociale context en daarmee zou die met straks komende generaties nog weleens dieper in de vergetelheid kunnen geraken.

Omdat er een tijdlang – in de jaren ’70, ’80, ’90 van de vorige eeuw – gestreefd werd vrijeschool en sociale driegeleding te verbinden, zijn daarvan nog een aantal artikelen in mijn bezit.

Die zullen hier – in de rubriek 100 jaar vrijeschool – verschijnen.
Als een onrijpe vrucht uit het verleden. Of die ooit kiem wordt….

Het ziet er nu dus uit als een soort archief, maar misschien dragen de artikelen ooit weer bij aan een nieuwe impuls voor een komende 100 jaar.

De tijd zal het laten zien.
.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1546-1450

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (12-2)

.

Het Romeinse legerkamp

Zo moet een Romeins legerkamp er tegen het begin van onze jaartelling hebben uitgezien. Sommige details zijn in deze tekening weergegeven zonder rekening te houden met hun afmetingen en aantal, om het geheel zo duidelijk mogelijk te maken.

Verklaring van de plattegrond

1. Hoofdpoort of ‘Pretoriaanse’ poort
2. Achterpoort
3. Linkerpoort
4. Rechterpoort
5. Pretoriaanse weg
6. Hoofdweg
7. Nog een hoofdweg die ‘Vijfde weg’ werd genoemd
8. Forum, de open vergaderruimte
9. Pretorium, de plaats waar de tent van de generaal stond
10. Driepoot voor het brengen van offers aan de góden
11. Tent waarin de vaandels en de andere onderscheidingstekenen van het legioen werden bewaard
12. Tribunaal, een verhoging vanwaar de generaal zijn troepen toesprak
13. Tent voor de administratie
14. Tent van de lijfwacht van de generaal.
15. Tenten van de officieren. Deze werden dichtbij die van de manschappen geplaatst, zodat iedere officier zijn eigen manschappen kon overzien.
16. Tenten voor de manschappen. In de winter werden de tenten van huiden vaak vervangen door barakken van hout of steen
17. Tenten van bondgenoten en huursoldaten
18. Stal voor de paarden
19. Smederij
20. Verdedigings-gracht van 4 meter breed en 3 meter diep
21. Aarden wal
22. Palissaden; bij verplaatsing van het kamp droegen de soldaten de palen van het ene kamp naar het andere
23. Uitkijktoren.

Van de Romeinse geschiedschrijver Livius weten we, dat de consul Paulus Emilius op zekere dag zijn legioen opdracht gaf een kamp in te richten. Nu was dat inrichten niet zo’n enorm karwei, want het ging er alleen maar om een kleine versterking te bouwen waarin de soldaten zich konden terugtrekken. Bovendien waren de soldaten geoefend in de bouw van zo’n eenvoudig kampement en moesten ze het karwei in 6 uur tijd kunnen klaren. Terwijl iedereen druk bezig was, meldde een jonge officier de consul dat de vijand naderde. Als die onmiddellijk zou aanvallen, zou dat vrijwel zeker een nederlaag voor de Romeinen betekenen.
De officieren die van het bericht hoorden, gaven hun soldaten onmiddellijk bevel te stoppen met de bouwwerkzaamheden.
Ze vonden het verstandiger de wapens bij de hand te houden en de vijand op te wachten.
Maar de consul dacht er anders over: het werk moest doorgaan!
De officieren smeekten hem, hun toe te staan de soldaten in slagorde op te stellen, maar de consul was onvermurwbaar.
Met een somber gezicht beklom hij een verhoging in het kamp en hield een toespraak, die sindsdien beroemd is geworden:

‘Mijne heren,’ sprak consul Paulus Emilius, ‘u was toch van plan een kamp in te richten en het te voorzien van alles wat nodig is? Welnu, we kunnen het slechts verlaten als het klaar is. Pas dan kunnen we ten strijde trekken, want het zal ons tot bescherming moeten dienen als de strijd ons noodzaakt terug te trekken. Daarom brengen we toch de versterkingen aan? Wanneer het kamp van een generaal vernietigd wordt, wordt hij als een verliezer beschouwd, zelfs als hij de strijd heeft gewonnen. Een kamp is de kracht van de overwinnaar en een toevlucht voor wie dreigt te verliezen.
Hoeveel legioenen zijn er niet geweest die op het punt stonden te verliezen?
Trokken ze zich niet terug in hun kampen en vonden ze daar geen bescherming? Het is menigmaal gebeurd, dat dergelijke legioenen vervolgens een uitval deden en de vijand onder de voet liepen. Het kamp dient voor iedere soldaat een tweede vaderland te zijn en de tent is zijn huis en haard.’

Nadat Paulus Emilius deze woorden had gesproken, moesten de officieren wel toegeven. Ze zagen af van de strijd en zetten hun werk als timmerlieden en grondwerkers voort. Zóveel belang werd er gehecht aan de Romeinse legerkampen, dat men er een nederlaag voor wilde riskeren.

Door heel Europa
Het moet toch wel een flink karwei zijn geweest om zelfs grote legerkampen, met alles wat daarbij hoorde, af te breken en na transport op een andere plaats weer op te bouwen. Dat was alleen mogelijk door de grote discipline die de Romeinse legioensoldaten werd opgelegd.
In het kamp had alles een vaste plaats. Daardoor waren er nauwelijks bevelen nodig om de soldaten aan het werk te zetten. Iedereen wist nauwkeurig wat hem te doen stond. Iedere tent en iedere paal had zijn vaste plaats. Soms groeide een legerkamp uit tot een legerplaats, een echte vaste nederzetting.
In de veroverde gebieden, door heel Europa, groeiden om die legerplaatsen vaak dorpen en ten slotte steden.
In Spanje, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, België en Nederland liggen onder tal van moderne steden de resten van oude Romeinse legerplaatsen.

Op de plattegrond zien we de ontwikkeling van de Italiaanse stad Pavia, vanaf de Romeinse tijd tot aan de 17e eeuw.

De luchtfoto hierboven toont de oude binnenstad van Pavia, die nog steeds de typisch vierkante vorm van het Romeinse legerkamp heeft.

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 6e klas

.

1545-1449

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1)

.

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In zijn nawoord bij de uitgave van Steiners ‘Opvoedkunst-methodisch-didactische aanwijzingen‘ schrijft Christof Wiechert:

‘De avond voordat de cursussen op 20 augustus 1919 begonnen werd een bijeenkomst belegd, waarin Steiner de cursisten voor­hield dat deze nieuwe pedagogie niet beperkt bleef tot het les­geven alleen. Ook de sociale ‘gestalte’ van de school zou de geest van deze nieuwe pedagogie tot uitdrukking brengen. Een nieuwe werkwijze vraagt om nieuwe sociale vormen. Het zou bijvoorbeeld geen school worden waarin een directeur zou bepalen wat er moest worden gedaan. Het zou geen werk worden dat je vanuit een luie stoel zou kunnen doen. Ieder zou volledig verantwoordelijk wor­den voor alles wat hij deed, voor alles wat de school zou betreffen.

‘Daarom zullen we de school niet volgens overheidsprincipes, maar volgens organisatorische principes inrichten, namelijk repu­blikeins. In een werkelijke lerarenrepubliek zullen we niet achter­over kunnen leunen, niet kunnen aanleunen tegen regels die van de schoolleiding komen, maar moeten we zelf inbrengen wat ons de mogelijkheid geeft, wat ieder van ons de volle verantwoorde­lijkheid geeft voor wat ons te doen staat. Ieder moet individueel volledig verantwoordelijk zijn.

Dat wij geen schoolleiding zullen hebben, kunnen we onder­vangen door deze voorbereidende cursus te houden, door ons daarin eigen te maken wat de school tot een eenheid smeedt. We zullen die eenheid bereiken door deze cursus, als we ons echt se­rieus inzetten.’

Opmerkelijk aan deze toespraak is dat schoolleiding opgevat wordt als richtinggevend, identiteit stichtend, eenheid schep­pend. Eenheid in de zin dat uit één geest gewerkt wordt, uit één herkenbare, eenduidige kwaliteit. Later werd deze functie overge­dragen aan de lerarenvergadering. De toekomstige leraren wisten dus wat hen te wachten stond.’

Geen schoolleiding betekende toen vooral ook geen directie, geen directeur. Het ging om andere vormen van leiding geven – in overeenstemming met de idee van de sociale driegeleding.
Deze idee is m.i. indrukwekkend uitgewerkt door Dieter Brüll in zijn: ‘De sociale impuls van de antroposofie’.

Nu ook alle vrijebasisscholen een directie, c.q. een directeur hebben – de middelbare scholen liepen voorop – is dat een indicatie dat ook op dit gebied de ‘sociale impuls van de antroposofie’ geen realiteit is geworden.

Jaren geleden al werd Steiners oproep om ‘een republikeinse leiding’ al uitgewerkt door een van de leerkrachten van de vrijschool in Stuttgart, Ernst Lehrs. Zijn opvattingen zijn niet door iedereen geaccepteerd als dat wat Steiner bedoelde.

Hans-Peter van Manen was van mening dat het no anders ligt en geeft zijn visie als antwoord op het artikel van Brüll:

Republikeins, democratisch en aristocratisch

I. Wat gebeurde er in januari 1923 in de Waldorfschool?

In het novembernummer van de Mededelingen neemt Dieter Brüll het befaamde dertig jaar geleden verschenen artikel van Ernst Lehrs (f 1979) kritisch onder de loep.¹)

Deze kritiek richt zich vooral op de titel: ‘Republikanisch, nicht demokratisch’. Uit de inhoud blijkt, wat Dieter Brüll aan het eind zelf met zoveel woorden zegt, dat er tussen Lehrs’ beschouwing en die van hemzelf geen tegenstelling bestaat, ‘anders dan de titel en de aanhef zouden doen vermoeden’.

Inderdaad, de aanhef van Brüll’s artikel is niet direct vriéndelijk. Blijkbaar is voor sommige lezers juist die aanhef het belangrijkste. Het in de periferie van de antroposofische beweging opererende Duitse tijdschrift ‘Info 3’ geeft heet van de naald in zijn nummer van begin december in een boulevardblad-achtige actualiteitenrubriek (waarin even kort en ook maar gedeeltelijk juist de bouwvergadering van 22 november in het Ionagebouw verslagen wordt) een wat rellerig signaal. Onder de fotoportretten van Brüll – in toga en met hooglerarenbaret – en van Lehrs en onder de kop: ‘Steiner wollte möglicherweise doch eine demokratische Waldorfschule!’ luidt de openingszin: ‘Der Sozialwissenschaftler Dieter Brüll hat. . . mit einer weitverbreiteten Interpretation über Steiners Angaben zur Struktur der Waldorfschulen abgerechnet’.

Nee, dat is niet het geval en dat heeft Brüll ook niet geprobeerd. Wat heeft hij wel gedaan? Dat is kort gezegd (zie Mededelingen nov. ’86 p. 288-293): hij heeft de juistheid van Lehrs’ titel bestreden oftewel de juistheid van de uitspraak van Rudolf Steiner, waarop deze titel zou berusten op losse schroeven gezet. De uitspraken die Brüll wél vond luiden samengevat: ‘Republikeins én democratisch’.

Verder licht Brüll beide termen toe. Hij is daartoe als weinig anderen toegerust. Zijn in 1984 in het Duits en in 1985 in het Nederlands verschenen standaardwerk ‘De sociale impuls van de Antroposofie’²) legt daarvan getuigenis af. – Het is in dit blad nog niet besproken. Men zou zeer wensen dat dit op een bevoegde manier gebeurt. Wij hebben in onze Nederlandse vereniging een vrij groot aantal professionele kenners van het sociale veld. Van die kant zou een adequate reactie op een op hun terrein geleverd levenswerk van een medelid op zijn plaats zijn. – Brüll is meer dan een vakgeleerde. Hij beschikt onder meer over een weldadige belezenheid ten aanzien van Rudolf Steiners hele oeuvre. Dat blijkt uit zijn boek en ook uit zijn novemberartikel. Toch is zijn beperkte kritiek op Lehrs aanvechtbaar.

Lehrs vertelt aan het begin van zijn artikel van 1956, dat Rudolf Steiner in het lerarencollege van de Stuttgarter Waldorfschool op een vraag over de organisatievorm van de school gezegd heeft, dat deze een republikeinse en niet een democratische zou moeten zijn – dit als richtlijn voor de manier waarop de school souverein door het lerarencollege bestuurd moest worden. Brüll is dit nagegaan in de verslagen van de vergaderingen van Rudolf Steiner met de Waldorfleraren, de zogenaamde Konferenz-Berichte.³) Deze waren in de tijd dat Lehrs’ artikel verscheen nog niet in boekvorm gepubliceerd. Men vindt daarin de door Lehrs geciteerde uitspraak inderdaad niet woordelijk terug. Rudolf Steiner spreekt meer dan eens over de ‘republikeins-democratische’ werkwijze van het college. Daarnaast komt de eerste term, republikeins, ook op zichzelf voor. In een toespraak op 20 augustus 1919 aan de vooravond van zijn inleidingscursus voor de leraren van de te openen school heet het: ‘Wir werden die Schule republikanisch verwalten’. En: ‘In een echte lerarenrepubliek zullen wij geen kussens in de rug hebben, bepalingen die van het rectoraat komen. . . Ieder moet zelf vol verantwoordelijkheid zijn’. Wanneer men al deze republikeins-democratische uitspraken overziet, valt het op, dat de nadruk onmiskenbaar op het republikeinse aspect ligt.

Brüll stelt op grond van deze uitspraken vast dat Lehrs’ krooncitaat daar niet bij is en hij betwijfelt op grond daarvan zeer of deze uitspraak ooit door Rudolf Steiner is gedaan. Deze twijfel vormt a.h.w. de ingang tot Brülls beschouwing. ‘Nu is het met zulke apocriefen van Steiner altijd oppassen geblazen. . .’ Onder apocriefen worden hier kennelijk verstaan mondeling overgeleverde uitspraken, die niet door een gestenografeerde en gedrukte tekst bevestigd zijn. ‘Denn was man Schwarz auf Weiss besitzt, kann man getrost nach Hause tragen’, zegt niet Brüll, maar de student in Goethes Faust. Toch wekt het gebruik van het woord ‘apocrief’ als tegenstelling tot ‘canoniek’ (officieel gesanctioneerd) de indruk, dat Brüll alle van mond tot oor tot stand gekomen overlevering in deze trant wil devalueren. Ik ben ervan overtuigd, dat dit zijn bedoeling niet is. Ter illustratie geeft Brüll het voorbeeld van een bekend anekdotisch gerucht (uit de tweede wereldoorlog), niet bepaald van het niveau van de door Lehrs uit de herinnering geciteerde uitspraak.

Deze beginpassage eindigt met de zin, dat het oordeel over de uitspraak beter kan wachten ‘tot zij geconfronteerd kan worden met hetgeen Steiner over dit onderwerp in het bijzijn van de stenograaf heeft gezegd’. En dan volgen de verwijzingen naar de ‘Konferenzen!’

Precies op dit fundamentele punt echter staat Brülls beschouwing zwakker dan hij denkt. Nog helemaal afgezien van het feit, dat de meestal door een professionele stenografe gemaakte stenogrammen van Rudolf Steiners voordrachten ook niet vlekkeloos zijn, zijn de Konferenz-Berichte bepaald nog dunner ijs om op te staan. Hoe zijn deze tot stand gekomen? Doordat enkele leraren die de kunst van het stenograferen redelijk machtig waren, in de eerste plaats Karl Schubert, notities maakten. Dat gebeurde niet continu. 4) Van Schubert wordt verteld, dat hij, als het erg spannend werd wat Rudolf Steiner zei, ophield met stenograferen. (Wie stenografeert moet zijn bewuste aandacht uitschakelen!). Wat de diverse leraren tijdens de vergaderingen zeiden werd soms wel, soms niet genoteerd. Zo zijn deze verslagen allerminst volledig en ook verre van vlekkeloos.

Van deze gebrekkigheid van de Konferenz-Berichte geeft nu juist Ernst Lehrs enkele gedetailleerde voorbeelden in zijn boeiende autobiografische werk, ‘Gelebte Erwartung’5), dat zeven jaar geleden* kort voor zijn dood uitkwam. Het is Brüll niet kwalijk te nemen, dat hij deze omstandigheid en deze waarschuwing van Lehrs niet kende. Toch hadden nu juist de verslagen van de door hem (Brüll) zo uitvoerig – en toch niet helemaal juist – beschreven vergaderingen van 23 en 31 januari hem voorzichtig kunnen stemmen. Waarom zal zo blijken.

Het door Brüll gerefereerde voorval heeft betrekking op de inrichting van de zogenaamde ‘Verwaltungsrat’ van de Waldorfschool. Naar aanleiding van allerlei kritiek van verschillende kanten achtte Rudolf Steiner het noodzakelijk, dat de lerarenvergadering ontlast werd van bestuurlijke taken. Deze taken moesten gedele

geerd worden aan een kleine groep, die het vertrouwen van het college zou genieten en dus namens de school zou kunnen optreden. Dit is de Verwaltungsrat geworden. Wat in de eerste plaats onze aandacht verdient in het verslag van 23 januari is, dat Rudolf Steiner als reden van de vorming van deze kleine groep de wens noemt ‘dat niet de republikeinse structuur (‘Verfassung’) wordt doorbroken.’ Later in diezelfde vergadering zegt hij, volgens het verslag; ‘. . .de moeilijkheden duiken alleen op wegens de gangbare democratische structuur van de school’. Dat is toch heel aardig in de zin van de door Lehrs geciteerde uitspraak!

Nu wilde Rudolf Steiner in de eerste plaats, dat het college een groep aanwees, die een uitgewerkt plan aan de (volgende) vergadering moest voorleggen. Uiteindelijk liet hij, omdat hem bleek dat een bepaalde door hem voorgestelde groep niet het algemene vertrouwen genoot, via stembriefjes een groep van zes personen kiezen, die de opdracht kregen een voorstel uit te werken. De volgende vergadering dat Rudolf Steiner aanwezig kon zijn, 31 januari 1923, was het zover. De groep van zes had een precieze lijst van functies en taken gemaakt, die door een groep van drie leraren zouden worden vervuld. (Men had heel bewust gekozen voor drie en niet voor vier). Om de beurt zou steeds een van de drie van lessen zijn vrijgesteld om alle lopende zaken te kunnen afdoen. De twee anderen moesten steeds bereid en beschikbaar zijn om door de dienstdoende ene in belangrijke zaken geraadpleegd te kunnen worden. De voorbereidende groep van zes had ook al drie personen bereid gevonden om in deze Verwaltungsrat plaats te nemen. Dit afgeronde voorstel werd nu aan het college voorgelegd.

Dan gebeurt wat Brüll terecht naar voren haalt. Eén leraar, in het verslag anoniem aangeduid als ‘Y’, stelt nog een vierde collega voor als kandidaat. Hij brengt dit quasi als een aanvullend voorstel. Een andere leraar betuigt meteen zijn steun. Rudolf Steiner reageert in eerste instantie zeer terughoudend. Hij onderstreept slechts, dat er nu twee (verschillende) voorstellen zijn ingediend. De vergadering moet zich uitspreken, ook het voorbereidende comité.

De lezer krijgt de indruk dat de vergadering slechts licht verrast was door het amendement-Y. Een van de drie officieel voorgestelde kandidaten verklaart, dat de drie wel met de door Y. voorgestelde vierde man zullen kunnen samenwerken. Deze vierde verklaart zich, mede op een vraag van Rudolf Steiner zelf, bereid de functie te aanvaarden – en dan pas begint de bom te barsten. Rudolf Steiner blijkt diep teleurgesteld, ja ‘gedeprimeerd’ te zijn door het voorstel-Y en kennelijk door de slaperigheid van het college. Hij noemt het voorstel van Y. ondermijnend. Dat is niet eens zozeer omdat het ingaat tegen het in opdracht van de vergadering door de groep van zes zorgvuldig uitgewerkte voorstel. Ieder lid van de vergadering heeft dan nog, en niet alleen maar formeel, het recht om het uitgewerkte voorstel af te wijzen en met een tegenvoorstel te komen. Wie dat doet, ‘moet wel van goeie huize zijn’ (nieuw-Nederlandse zegswijze).

Nee, het ondermijnende minachtende van het voorstel Y. is – en dat punt komt in Brülls samenvatting niet duidelijk tevoorschijn – dat de heer Y. op een tactvolle positief ogende manier verdoezelde, dat hij het niet eens was met de groep van zes. Met andere woorden: bij bracht met een vriendelijk gezicht en met vriéndelijke woorden iets als een aanvullend voorstel, dat in wezen een tegenvoorstel was. Deze onoprechte positiviteit wordt niet alleen de heer Y. maar het hele college grondig ingepeperd. ‘Auf dem Felde der Anthroposophie muss Ehrlichkeit und nicht Verwutzeltheit herrschen. Das ist um was ich Sie bitte, einmal ernsthaft anzufangen, wenigstens hier, an der Statte der Waldorfschule wenigstens aufrecht zu erhalten, dass wir nicht über Disharmonien einfach in eine Atmosphare von Augen-Zudrücken übergehen, dass wir uns ehrlich aussprechen’. (De stijl doet enigszins hortend aan, waarschijnlijk door de licht bekorte stenografische weergave).

Het lijkt schoolmeesterachtig om de zaak zo uitvoerig weer te geven en te corrigeren. Maar Brülls hele presentatie is er een, die over het algemeen met recht, een grote nauwkeurigheid laat doorschemeren. Die nauwkeurigheid schoot hier op twee wezenlijke punten tekort. – Een andere reden van deze uitvoerigheid komt aanstonds aan bod. Brüll constateert, weliswaar in een voetnoot, een overeenkomst tussen dit voorstel en de vorming van de Vorstand tijdens de Weihnachtstagung.

Terugkomend op de gebrekkige volledigheid van de Konferenz-Berichte moet gezegd, dat deze juist in het verslag van 31 januari 1923 heel markant aan een bepaald punt duidelijk wordt. Want eerst spreekt Rudolf Steiner herhaaldelijk over de twee ingediende voorstellen en dan opeens heeft hij het over drie voorstellen, die zijn ingediend:

1. het voorstel van het comité van zes;
2. het voorstel Y. en
3. een (orde-)voorstel van de leraren B. en S. om het voorstel Y. niet in behandeling te nemen.
Nergens blijkt uit het voorafgaande deel van het verslag wanneer en hoe dit derde voorstel uit de lucht is komen vallen. Ook de argeloze lezer – i.c. Brüll – had hier kunnen constateren, dat deze verslagen niet volledig zijn.

‘Langer Rede kurzer Sinn’, als Ernst Lehrs zich in de jaren ’50 met grote stelligheid herinnert, dat Rudolf Steiner in het college gezegd zou hebben: „Republikeins, niet democratisch’ dan wordt dat, bij een gepaste voorzichtigheid ten aanzien van persoonlijke herinneringen, niet uitgewist door het feit, dat deze uitspraak niet, althans niet in een en dezelfde volzin, te vinden is in de Konferenz-Berichte. Ook het feit dat in die berichten enkele keren republikeins én democratisch in één adem genoemd worden, maakt deze uitstpraak allerminst ónmogelijk. Het is een kwestie van terminologie. En wat termen betreft is Rudolf Steiner altijd van een Proteus-achtige beweeglijkheid geweest. Het wezen van een zaak kan en moet op telkens verschillende manieren omschreven en benoemd worden. Vaste betitelingen hebben een cliché-matig, dodend effect.

‘Republikeins, niet democratisch’ wil dus zeggen: bestuurlijke besluiten moeten niet door de hele vergadering en bij meerderheid van stemmen worden genomen maar door democratisch (!) gekozen functionarissen met volmacht. Rudolf Steiner maakt dus een subtiel maar duidelijk verschil tussen democratische gewoontes die onbruikbaar, en democratische gewoontes die vanzelfsprekend en goed zijn. Men kan bij Lehrs nalezen hoe ook achteraf een moment van democratische controle in het spel komt, als het college moet beoordelen of de gevolmachtigden hun taak goed verricht hebben en of ze al dan niet moeten worden herkozen.

Waar het in de eerste plaats om gaat is het republikeinse principe, het principe van de republiek, waarin de democratie op een bepaalde manier is verwerkt. Dat blijkt zonneklaar, zowel uit het terecht klassiek geworden artikel van Ernst Lehrs als uit de zeer lucide beschouwing van Dieter Brüll en in de eerste plaats eigenlijk uit de woorden van Rudolf Steiner, binnen het lerarencollege van de Vrije Waldorfschoql én. . . bij de oprichting in nieuwe vorm van de Anthroposofische Vereniging tijdens de Weihnachtstagung 1923.

Brüll noemt in zijn boek de Weihnachtstagung alleen maar in het voorbijgaan. In het novemberartikel noemt hij deze bijeenkomst twee keer zeer kort. Hij gaat (p. 289) liever niet in op deze bijeenkomst ‘omdat wat Steiner toen structureel gewild heeft, vandaag de dag meer dan ooit een open vraag is. . .’ Als ik het met één uitspraak van Brüll oneens ben, dan is het deze. Over de Weihnachtstagung en het zeer vele dat toen door Rudolf Steiner is gezegd over het functioneren van een moderne op de geest gerichte gemeenschap is heel veel bekend en geschreven. Dat er bij deze aangroeiende veelheid soms ook nieuwe of oude vragen opduiken is niets bijzonders. Brüll moet zijn ontboezeming eerst maar eens met redenen omkleden.

Tijdens de voorbereiding van de Weihnachtstagung gaf Rudolf Steiner volgens Günther Wachsmuth de richtlijn: aristocratisch, niet democratisch. Ook deze uitspraak staat nergens gedrukt, het is dus ook weer een ‘apocrief’ in de zin van Brüll. Wachsmuth vertelde de uitspraak ooit aan Wilhelm Rath, uit wiens mond ik hem omstreeks 1960 hoorde. Hij wordt ook van andere zijde bevestigd. Ik geloof er volledig in, want hij is volkomen in overeenstemming met Rudolf Steiners benaderingswijze voor en tijdens de Weihnachtstagung, overal waar het de bestuursvorm van de vereniging betreft. En. . . hij sluit prachtig aan bij de door Lehrs overgeleverde uitspraak (republikeins, niet democratisch).

Hier lijkt een grote tegenspraak op de doemen. In de ‘lerarenrepubliek’, zoals Rudolf Steiner die bedoelt, speelt het democratische element toch nog een zeer wezenlijke rol. Is dat in de Antroposofische Vereniging dan anders?

Moet de democratie daar plaats maken voor de aristocratie? Is het misschien zo, dat Rudolf Steiner in zake de besturing van scholen toch nog meer democratisch dacht en wat de vereniging aangaat meer aristocratisch? Ja, dat is inderdaad het geval. En toch is het, volgens mij, niet meer dan een belangrijk nuanceverschil. Want in beide gevallen, school en vereniging, dacht, sprak en handelde hij republikeins.

(Deel 11 ‘De metamorfose van de aristocratie’ volgt in het maartnummer).

1. in ‘Mitteilungen aus der Anthroposophischen Arbeit in Deutschland’ (Stuttgart), Michaeli 1956
2. Dieter Brüll, De sociale impuls van de antroposofie’. Uitg. Christofoor, Zeist, 1985
3. Rudof Steiner, Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule, 1919 bis 1924, GA 300 a t/m c. In 1975 uitgegeven als studiemateriaal voor vrije schoolleraren. Van deze verslagen bestonden eerdere beperkte oplagen.
4. Zie de zeer instruktieve inleiding van Erich Gabert, zelf een van de mee-stenograferende leraren, tot de uitgave van 1962.
5. Ernst Lehrs, Gelebte Erwartung, Mellingerverlag 1979, p.277 e.v.

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1544-1448

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/2)

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In zijn nawoord bij de uitgave van Steiners ‘Opvoedkunst-methodisch-didactische aanwijzingen‘ schrijft Christof Wiechert:

‘De avond voordat de cursussen op 20 augustus 1919 begonnen werd een bijeenkomst belegd, waarin Steiner de cursisten voor­hield dat deze nieuwe pedagogie niet beperkt bleef tot het les­geven alleen. Ook de sociale ‘gestalte’ van de school zou de geest van deze nieuwe pedagogie tot uitdrukking brengen. Een nieuwe werkwijze vraagt om nieuwe sociale vormen. Het zou bijvoorbeeld geen school worden waarin een directeur zou bepalen wat er moest worden gedaan. Het zou geen werk worden dat je vanuit een luie stoel zou kunnen doen. Ieder zou volledig verantwoordelijk wor­den voor alles wat hij deed, voor alles wat de school zou betreffen.

‘Daarom zullen we de school niet volgens overheidsprincipes, maar volgens organisatorische principes inrichten, namelijk repu­blikeins. In een werkelijke lerarenrepubliek zullen we niet achter­over kunnen leunen, niet kunnen aanleunen tegen regels die van de schoolleiding komen, maar moeten we zelf inbrengen wat ons de mogelijkheid geeft, wat ieder van ons de volle verantwoorde­lijkheid geeft voor wat ons te doen staat. Ieder moet individueel volledig verantwoordelijk zijn.

Dat wij geen schoolleiding zullen hebben, kunnen we onder­vangen door deze voorbereidende cursus te houden, door ons daarin eigen te maken wat de school tot een eenheid smeedt. We zullen die eenheid bereiken door deze cursus, als we ons echt se­rieus inzetten.’

Opmerkelijk aan deze toespraak is dat schoolleiding opgevat wordt als richtinggevend, identiteit stichtend, eenheid schep­pend. Eenheid in de zin dat uit één geest gewerkt wordt, uit één herkenbare, eenduidige kwaliteit. Later werd deze functie overge­dragen aan de lerarenvergadering. De toekomstige leraren wisten dus wat hen te wachten stond.’

Geen schoolleiding betekende toen vooral ook geen directie, geen directeur. Het ging om andere vormen van leiding geven – in overeenstemming met de idee van de sociale driegeleding.
Deze idee is m.i. indrukwekkend uitgewerkt door Dieter Brüll in zijn: ‘De sociale impuls van de antroposofie’.

Nu ook alle vrijebasisscholen een directie, c.q. een directeur hebben – de middelbare scholen liepen voorop – is dat een indicatie dat ook op dit gebied de ‘sociale impuls van de antroposofie’ geen realiteit is geworden.

Jaren geleden al werd Steiners oproep om ‘een republikeinse leiding’ al uitgewerkt door een van de leerkrachten van de vrijschool in Stuttgart, Ernst Lehrs. Zijn opvattingen zijn niet door iedereen geaccepteerd als dat wat Steiner bedoelde.

Dieter Brüll was van mening dat het niet ‘republikeins OF democratisch’ is, maar ‘republikeins EN democratisch’
In 1986/87 publiceerde hij daarover een aantal artikelen.
.

D. Brüll, mededelingen Antroposofische Vereniging, 11-1986

.

REPUBLIKEINS EN  DEMOCRATISCH

In 1956 heeft Ernst Lehrs in de ‘Mitteilungen aus der Anthroposophischen Arbeit in Deutschland’ (X/3) het artikel ‘Republikanisch, nicht demokratisch’ doen verschijnen, dat nu sedert decennia als richtlijn voor het antroposofische institutionele leven fungeert. Blijkens de aanhef van dit artikel is de basis ervan een uitspraak, die Steiner ten aanzien van de structuur van de Waldorfschule gedaan zou hebben: de juiste vorm van zo’n college is de republikeinse, niet de democratische.

Nu is het met apocrieven van Steiner altijd oppassen geblazen. Wie hun herkomst nagaat, gaat het menigmaal als de speurder naar het verhaal van de dode oma in de autokoffer: met naam en toenaam wordt de persoon genoemd, die het geval is overkomen; wordt die opgezocht, dan is het een derde, die erbij was; die verwijst weer naar een ander en tenslotte lost zich het hele geval in nevelen op.
Het lijkt mij daarom ook hier beter, om het oordeel over die uitspraak op te schorten tot zij geconfronteerd kan worden met hetgeen Steiner over dit onderwerp in het bijzijn van een stenograaf heeft gezegd.

In de eerste plaats valt op, dat Steiner in de lerarenconferenties (GA 300a-300c) niet alleen over republikeins, doch ook over democratisch-republikeins spreekt (300a/271), als zijnde de gewenste ordening voor een vrijeschool.1) Dat kan nauwelijks verbazen. In mijnDe sociale impuls van de antroposofie’ heb ik (p.201 v.) aangetoond, dat aan het republikeinse principe een stadium vooraf moet gaan, dat óf democratisch óf autoritair is: Indien wij republikeins het principe noemen, waarbij de enkeling een bepaalde sector van het instellingsleven in eigen verantwoordelijkheid, maar vanuit het doel van de instelling beheert,2) dan vereist het toevertrouwen van het beheer over die sector, het verlenen van die functie dus, een besluit. Dit besluit kan democratisch genomen worden, hetgeen betekent: ieder één stem. Het kan ook autoritair genomen worden: Eén of enkele mensen weten, in tegenstelling tot de rest, wat goed voor de instelling is.

Het is nu interessant, dat in het enige mij bekende geval, waarin Steiner de problematiek ‘democratisch-republikeins’ voorgeëxerceerd heeft – waarbij ik afzie van de Weihnachtstagung, omdat wat Steiner toen structureel gewild heeft, vandaag meer dan ooit een open vraag is – van een duidelijk ‘én-én’ sprake is. (En ik heb sterk het vermoeden, dat dit het geval is, dat tot de geciteerde uitspraak bij Lehrs is verdund). Tengevolge van bepaalde pretenties werd het aan de Waldorfschule nodig, dat het aanvankelijk slechts uit een bundeling van functies bestaande bestuur althans voor bepaalde aspecten een zekere continuïteit zou krijgen. In tegenstelling echter tot de benoeming in leraarsfuncties, die Steiner hoogst persoonlijk verrichtte, wenste hij, dat het driemanschap, dat voor een langere tijd deze coördinerend-representatieve functie zou vervullen, door zijn collega’s gekozen zou worden. De wijze waarop nu is interessant. Op voorstel van Steiner kozen de leraren in schriftelijke (derhalve geheime) stemming – dus volstrekt democratisch, namelijk ieder één stem – zes personen. Deze hadden tot taak een voorstel te doen, welke drie personen in de te scheppen functie benoemd zouden moeten worden (GA 300b/239; vlg. ook idem p.56). Dit voorstel wordt na enige tijd in de leraarsvergadering gebracht, weer in aanwezigheid van Steiner (idem p.241 v.). Een van de aanwezigen spreekt de wens uit om het voorgestelde drietal met een vierde, met name genoemde persoon uit te breiden. Nu trekt Steiner alle registers open om deze betweter de mantel uit te vegen. De vergadering kan nu alleen nog ja of neen tegen het voorstel zeggen. Het is een schande, dat men eerst een benoemingscommissie kiest vanuit het vertrouwen in de kwaliteit van hun leden, en dat nu een leraar in feite zijn wantrouwen in die commissie uitspreekt; hij vindt immers kennelijk, dat de commissie haar werk niet goed genoeg heeft gedaan. Dit alles geschiedt met een verbazende felheid, waarbij Steiner deze persoon zelfs belet om bakzeil te halen. Het lijkt wel, of hier een misdadiger ontmaskerd moest worden.3)

Het is mogelijk, dat het accent, dat dit aspect van de casus hierdoor kreeg, de eenzijdige nadruk op het republikeinse principe heeft doen ontstaan. Want dat was hier in het geding. Aan een commissie was een taak gedelegeerd en vanaf dit moment had zij die taak in volle autonomie te vervullen; én in het bewustzijn, dat zij het vertrouwen van het lerarencollege bezit. Niemand mocht zich derhalve ermee bemoeien. En stel, dat het lerarencollege ‘neen’ tegen het resultaat van de commissie zou hebben gezegd, dan zou dat niet minder een motie van wantrouwen zijn geweest, die de commissie niet alleen tot intrekking van haar voorstel had moeten leiden, maar wellicht zelfs tot vertrek uit het college. Onze betweter heeft dus niet minder dan het bestaan van de school in gevaar gebracht en het komt mij voor, dat Steiner dit door zijn wel heel zware reactie onuitwisbaar in het bewustzijn van de aanwezigen heeft willen verankeren.

Nochtans is het feit, dat het resultaat van de commissie als ‘voorstel’ in de leraarsvergadering kwam (dat dus niet de commissie zelf de functionaris benoemde) als een teken te zien, dat het democratische principe opnieuw een plaats krijgt toegewezen, zij het in tegenstelling tot het ontstaan van de delegatie een meer formele: Bij het einde van de delegatie (de commissie had met het uitbrengen van het voorstel haar taak volbracht), neemt het lerarencollege, nemen alle stemgerechtigden persoonlijk de verantwoordelijkheid op zich van het resultaat.

Een vorm van décharge, zo men wil. Mocht de keuze van het driemanschap later een misser blijken te zijn, dan is dat niet langer de schuld van de commissie, maar van ieder stemgerechtigde. Hoezeer ook een dergelijk democratisch procédé vrijwel steeds (en ook i.c.) ‘bij acclamatie’ zal geschieden, de theoretische mogelijkheid van een verwerping, van een motie van afkeuring blijft bestaan. Soms is het nodig dat aan een misschien op zichzelf onbenullig geval de geesten scheiden. Letterlijk. Republikeins en democratisch principe zijn polariteiten. Hoe sterker men de nadruk legt op delegaties, des te minder valt democratisch te beslissen; men heeft met de taakverlening ook de besluitvorming uit handen gegeven. Voorzover daarmee vermeden wordt, dat ieder wissewasje in het plenum komt, is dat alleen maar gunstig. Voorzover het de eigen verantwoordelijkheid en activiteit (op het gedelegeerde gebied) stimuleert, eveneens. Trekt men de lijn te ver door, dan ontstaat als nadeel, dat de op het gezamenlijke doel te richten coördinatie teloor gaat: ieder beheert zijn eigen huisje.

Waar ‘coördinerende functies’ worden geschapen, is dit een teken, dat het evenwicht tussen republikeins en democratisch is verbroken. Er zijn onvoldoende momenten, waarop het particuliere beleid aan het algemene beleid getoetst en daaraan aangepast wordt door een democratische besluitvorming. Het proces wordt bepaald bedenkelijk, indien delegaties voor lange tijd worden verleend, c.q. de verlenging een formaliteit is (‘bij acclamatie’). Dan ontstaan machtsposities binnen de organisatie, c.q. vormt zich een formeel of informeel bestuur, dat niets meer met republikeins, doch alles met een autoritair bewind te maken heeft. Voor de meeste delegaties is de duur van een jaar reeds rijkelijk lang. Daarna is een evaluatie van de functie (niet van de functionaris!) en een geheime verkiezing van de volgende functionaris op zijn plaats. Uitzonderingen zijn mogelijk en, soms, noodzakelijk. Men denke aan de klasseleraar in een vrijeschool, die in principe een mandaat voor acht jaar ontvangt. Het republikeinse principe vereist een correctief in een informele, zuiver menselijke sfeer. Het verbiedt weliswaar iedere ongevraagde inmenging, maar het staat geenszins aan verzoeken om hulp of advies door de functionaris in de weg. Daaraan zal vaak behoefte bestaan. De functionaris kan zich dan tot een vertrouwenspersoon wenden, een kring(etje) ad hoc vormen of zijn probleem in het plenum brengen. Maar men mag hem nooit ertoe nopen (‘Zou je niet eens met Y gaan praten’?). En de verstrekte raad of hulp neemt ook niet het puntje op de iota van zijn verantwoordelijkheid van hem af. – Naarmate een functionaris er zekerder van is, dat hem niemand, door het ‘beter’ te weten, wil diskwalificeren, zal zijn geneigdheid toenemen, om bij precaire of kritieke punten van zijn taak collega’s te gaan raadplegen. Dat komt niet alleen de beslissing ten goede, maar ook de coördinatie in de diverse beleidssectoren. Ook op dit gebied bloeien wonderlijke moerasbloemen. Wat bijv. te denken van het bestuur van een coöperatie, dat zich eerst juridisch en extern laat voorlichten, of het bevoegd is om zijn hele bedrijf te verkopen, en zulks dan doet zonder de leden erin te kennen, onder het motto: de statuten staan het toe?

Te veel democratie ruïneert de instelling niet minder. Als het plenum erover moet beslissen, of Rietje een middag vrij kan krijgen, of een nieuwe schrijfmachine mag worden aangeschaft, of een advertentie in het eigen blad geweigerd moet worden, dan verworden vergaderingen tot eindeloze, dorre beproevingen, waarvoor men óf niet meer verschijnt, óf uit verveling stokpaardjes gaat berijden. Saaie vergaderingen zijn vaak een teken van teveel democratie.

Het republikeinse principe is, hoewel practisch zelden consequent toegepast, theoretisch zo algemeen geaccepteerd, dat het weinig zin heeft erop in te gaan. De democratische component van de structuur daarentegen leidt doorgaans een Doornroosjesbestaan. Daarom wil ik er een enkel aspect van behandelen.

Het democratische principe wordt tot een schertsvertoning gemaakt, indien de voorzitter van de vergadering het agendapunt afsluit met: ‘Niemand ertegen? Dan is het voorstel aangenomen’. Men kan dan voorspellen, dat als het besluit ongelukig uitpakt, hier en daar beweerd wordt: ‘Ik ben het er nooit mee eens geweest’. Het gaat juist niet alléén om meerderheden. Het gaat ook en vooral om de waarneming van iedere stem. De vergaderingsorde zelf moet ertoe leiden, dat men leert om voor zijn mening op te komen, althans die te laten blijken. Het ‘ja’ of ‘neen’ moet uit de wil komen: een hoorbaar woord, een zichtbare hand, een schriftelijke verklaring.

Dat betekent een telling van de stemmen pro en contra én van de onthoudingen 4), inclusief een controle, of hun som met het aantal stemgerechtigde aanwezigen klopt (zie 300b/248). Maar bij democratie behoort ook, dat men tot geheime (schriftelijke) stemming overgaat, zodra er ook maar de kans is, dat iemand voor zijn werkelijke gevoelens niet uit durft te komen. Bij verkiezing van personen zou dat regel moeten zijn, zoals Steiner in het aangehaalde geval demonstreerde. Toch is het uitzondering en wel één, die ik in antroposofische verhoudingen nog moet tegenkomen.

Het democratische principe is niet identiek met de helft plus één. Het betekent niet meer, dan dat ieder een stem heeft en dat ieders stem even zwaar weegt. Welk percentage stemmen nodig is een voorstel aangenomen te doen zijn, is een kwestie van afspraak: de helft plus één, tweederde, unaniem – alles kan. Die afspraak moet evenwel statutair of reglementair zijn vastgelegd. Een keuze per geval werkt manipulatie in de hand.

De vereiste meerderheden mogen een kwestie van overeenkomst zijn, natte-vinger-werk behoeft het ook weer niet te worden. Unanimiteit bijv. is een prachtig beginsel, maar heeft al menige instelling geruïneerd. Nochtans is het voor een enkel gebied wenselijk. Ik denk hierbij vooral aan de opname van een stemgerechtigde medewerker 5).
Zijn stem zal mede over het wel en wee van de instelling beslissen, dus ook mede over het welvaren van iedere medewerker. Wij kennen een analoge situatie in het civiele recht. Tenzij men statutair hiervan heeft willen afwijken, is de opname van een nieuwe firmant slechts bij algemene stemmen, van alle zittende firmanten mogelijk. En is bij uittreden van een firmant de firma van rechtswege ontbonden; ook hier weer: daargelaten verblijvings- en voortzettingsbedingen. De wetgever heeft het – mijns inziens terecht – normaal geacht, dat waar iedere firmant persoonlijk aansprakelijk is voor het geheel der schulden van de onderneming, opname (en uittreden) van zo vitaal belang voor allen is, dat men aan niemand een firmant tegen zijn zin mag opdringen. – Welnu, de stemgerechtigden in de hier bedoelde zin zijn niet minder existentieel met hun instelling verbonden; ook al brengen zij geen vermogen in en ook al streven zij niet naar winst. –

Ontbinding van een instelling als een van de medewerkers deze gaat verlaten, zal wel nimmer wenselijk zijn. Hier zijn andere middelen nodig om emotionele besluiten of machtsmisbruik te voorkomen in het geval van onvrijwillig uittreden. Unanimiteit zou een crisis onoplosbaar kunnen maken. Beter is een afkoelingsperiode, gevolgd door de eis van een stevige meerderheid, bijv. driekwart.

Een gekwalificeerde meerderheid is niet alleen wenselijk bij statutenwijziging, maar telkens als ook maar een van de stemgerechtigden de vraag opwerpt, of het voorstel wel met het statutaire doel verenigbaar is (bijv.: is multiple choice verenigbaar met het doel, onderwijs te geven volgens de pedagogiek van Rudolf Steiner?) vanwege stokpaardberijders is de unanimiteitseis onwenselijk. Maar het kan wijs beleid zijn, om zo’n voorstel niet door te drukken, indien ook maar een van de stemgerechtigden ernstige (gewetens-)bezwaren heeft.

Tenslotte behoort ook het delegeren aan een ruime meerderheid te zijn gebonden. Het zware accent, dat in instellingen op antroposofische grondslag op het republikeinse principe rust, vereist een zeer ruim vertrouwensvotum. Wie met de hakken over de sloot (de helft plus één) een taak kreeg toebedeeld, moet zich wel onzeker voelen.

Democratie zal in het institutionele leven steeds bijzaak moeten blijven. Wat door een instelling, in het economische of in het geestesleven, in de wereld wordt gezet, zal altijd van de vaardigheid van mensen afhangen en daarmee van de speelruimte, die zij krijgen (republikeins beginsel). Maar het is wel zo, dat verwaarlozing of onjuiste behandeling van de democratische component desastreus kan uitpakken. Daar bestaan helaas nogal wat voorbeelden van. Het gevolg is namelijk niet een versterking van het republikeinse principe, doch een terugval in hiërarchische verhoudingen. Een informele, ongrijpbare en vooral op het inhoudelijke gerichte macht pleegt dan de formele macht van de vergadering te vervangen. Deze gang van zaken heeft expliciete voorstanders. Daar is niets op tegen. Men dient alleen te weten, dat hiermee het tegendeel van sociale driegeleding wordt nagestreefd. En al werkt een instelling nog zozeer vanuit antroposofische doelstellingen, zolang zij de sociaal-structurele impuls niet incorporeert, is het geen antroposofische instelling.

Om nu op het artikel van Lehrs terug te komen: anders dan de titel en aanhef zouden doen vermoeden, bestaat er geen tegenstelling tot de hier naar voren gebrachte opvatting. Ook Lehrs kent een democratische voor-(en na-) fase, zij het meer impliciet (‘In dem die Gemeinschaft sich auf diese zunachst demokratische Weise eine Hiërarchie von Funktionaren besorgt…’).6)
Omdat Lehrs echter verder alleen op de republikeinse component ingaat, konden dienaangaande misverstanden ontstaan. Die zijn de reden geweest voor deze beschouwing.

1) Het is symptomatisch, dat men in het overigens uitstekende registers van de conferentiedelen het trefwoord ‘democratie’ tevergeefs zal zoeken.

2) Zie voor het begrip ‘republikeins’ ook Steiner in GA 300a/68: het staat in tegenstelling tot ‘uitgaande van de regering of van een rectoraat’. Bij een ‘republikeinse bespreking’ is iedereen souverein, d.w.z. behoeft niet iemand anders’ opvatting te delen.

3) Er kan op worden gewezen, dat deze gang van zaken, alleen zonder wanklanken, zich bij de Weihnachtstagung herhaalde: Gegeven de taak van Steiner om de Gesellschaft te leiden, vormt hij de leiding, d.w.z. de Esoterische Vorstand. De vergadering kan die in zijn totaliteit aanvaarden of verwerpen; zij mag niet in de samenstelling ingrijpen.

4) Het verdient aanbeveling om de stemgerechtigden te vertellen, wat onthouding betekent. Niet: ik weet het niet zo goed en ik zal straks wel zien wat ik ervan vind. Wel: óf het kan me niet schelen, ik vind ja of neen beide best; óf ik mis het oordeelsvermogen over deze zaak en leg mij bij voorbaat loyaal bij het standpunt van de meerderheid neer. Wie dat niet wil, dient tegen te stemmen.

5) Een stem behoort men alleen te hebben, als men de verantwoordelijkheid voor het uitbrengen van die stem ook zelf te dragen krijgt, dus als de gevolgen van het besluit voor iedere stemuitbrenger voelbaar zijn: in het inkomen; in een faillissement desnoods. Een gesalarieerde medewerker zou derhalve eigenlijk niet stemgerechtigd mogen zijn.

6) Er behoeft daarbij geenzins onder stoelen of banken te worden gestoken, dat Lehrs’ begrip ‘democratie’ wezenlijk van het mijne afwijkt. Ik zal daarop op deze plaats niet ingaan omdat de problematiek in mijn ‘Sociale impuls van de antroposofie’ is behandeld: de menselijke tragiek én de structurele noodzaak van meerderheidsbesluiten. Ook met de term ‘Hiërarchie von Funktionären’ staat Lehrs ver van mijn denkwereld af.

.
100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1543-1447

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 295)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 295 [1]

8e werkbespreking 29-08-1919. blz. 94/95   vert. blz. 88 [2]

N.:  Beim Geographieunterricht wird der sanguinische Schüler nicht recht mit-kommen; er hät verschwommene Vorstellungen. Dä würde ich Zeichenunterricht be­fürworten, Motive aus der Landkarte.

Rudolf Steiner: Wenn man den Geographieunterricht recht anschau­lich gestalten würde, wenn man namentlich die Länder, die Verteilung der Vegetation in den Ländern, die Verteilung der Bodenprodukte in den Ländern, durch graphische Darstellungen zeigt, in dieser Weise also den Unterricht recht anschaulich gestaltet, wird man gerade da bemerken, daß man nicht leicht eine allgemeine Stumpfigkeit des Schülermaterials findet. Dadurch kann man leicht gegen eine allgemeine Stumpfheit ankämpfen. Wenn man das auch noch dadurch be-lebt, daß man gerade beim Geographieunterricht versucht, das Land zuerst zu beschreiben, es dann aufzeichnet, es aufzeichnen läßt auf die Tafel, hineinzeichnet Flüsse, Gebirge, Verteilung von Vegetation, von Wald und Wiese, und dann Reisebeschreibungen mit den Schülern liest, dann wird man sehen, daß man meistens sehr wenig für Geographie un­begabte Schüler findet, ja, daß man die Geographie benützen kann, um Schüler zur Lebhaftigkeit zu bewegen und zum Herauskitzeln anderer Fähigkeiten. Man wird geradezu bemerken, wenn man die Geographie als solche interessant machen kann, wie in den Schülern andere Fähig­keiten aufgeweckt werden.

N.: In de aardrijkskunde zal de sanguinische leerling niet goed meekomen; hij heeft wazige voorstellingen. Daarbij zou ik het tekenen als hulpmiddel gebruiken, motieven van de landkaart.

Als men de aardrijkskunde heel aanschouwelijk zou behandelen, als men met name de landen, de verdeling van de vegetatie, de verdeling van de bodemproducten in de landen, grafisch in beeld brengt, als men dus op deze manier het onderwijs heel aanschouwelijk maakt, dan zal men juist hier merken dat de leerlingen niet vervallen tot een algemene dufheid. Daardoor kan men gemakkelijk de strijd aanbinden met een algehele dufheid. Als men dat dan nog verlevendigt, door juist in de aardrijkskunde te proberen om het land eerst te beschrijven, het dan te tekenen, te laten tekenen op het bord, en men de rivieren, de gebergten, de verdeling van de vegetatie, van bos en wei erin tekent en als men dan reisbeschrijvingen leest met de leerlingen, dan zal men zien dat er meestal maar heel weinig leerlingen zijn die geen aanleg voor aardrijkskunde hebben. Sterker nog, men kan de aardrijkskunde benutten om leerlingen tot levendigheid aan te zetten en andere vermogens wakker te kietelen. Als men de aardrijkskunde als zodanig interessant kan maken, dan zal men absoluut merken dat er in de leerlingen andere vermogens gewekt worden.
GA 295/94-95

12e werkbespreking 3-9-1919, blz. 133  vert. 124

M. macht geographische Ausführungen über Gegenden am mittleren und unteren Rhein

Rudolf Steiner: Beim Kartenzeichnen sollte man die Gebirge braun, die Flüsse blau zeichnen. Den Fluß sollte man immer seinem Lauf ge­mäß vorn Ursprung an zeichnen, nie von der Mündung aus. Eine Karte für die Bodenverhältnisse und die Naturgrundlage, Kohle, Eisen, Gold’ Silber; dann eine zweite für die Städte, die Industrie und so weiter.
Ich mache darauf aufmerksam, daß es wichtig ist, eine Auswahl zu treffen und so zu gliedern, daß man öfter einmal zurückkommt auf die­ses Gebiet. Auch ist die Art des Vortrages da recht wichtig. Versuchen Sie, sich recht in den Stoff hineinzulegen, so daß das Kind immer das Gefühl hat, man schildert, sich absolut hineinlebend, wenn man Indu­strie schildert, immer so, als wenn man selber dort arbeitete. Beim Berg­bau wieder so und so weiter. Möglichst lebendig! Je lebendiger man schildert, um so mehr arbeiten die Kinder da mit.

Bij het tekenen van kaarten moet men de bergen bruin, de rivieren blauw kleuren. Men moet de loop van een rivier altijd volgen uitgaande van de oorsprong, nooit van de monding. Eén kaart voor de bodemgesteldheid en de natuurlijke grondstoffen, kolen, ijzer, goud, zilver; en een tweede kaart voor de steden, de industrie enzovoort. Ik wijs erop dat het belangrijk is om een keuze te maken en de stof zo in te delen dat men meerdere malen terugkomt op dit gebied. Ook de manier van vertellen is heel belangrijk. Probeer u echt in te leven in de stof, zodat het kind altijd het gevoel heeft dat u zich helemaal inleeft als u vertelt, dat het lijkt, als u de industrie beschrijft, alsof u er zelf werkt. Ook bij de mijnbouw enzovoort. Zo levendig mogelijk! Hoe levendiger men schetst, des te meer werken de kinderen mee.
GA 295/133

In de 14e werkbespreking, 5-9-1919, vert. blz. 139 is sprake van:
wiskundige aardrijkskunde:

M.    gibt eine Einführung in die Grundbegriffe der mathematischen Geographie für Schüler im dreizehnten Jahr, Beobachtungen am Sonnenaufgang und an der Sonnenbahn.

Rudolf Steiner: Sie können, wenn Sie die Kinder hinausbestellt ha­ben, das später sehr gut in die Zeichnung verwandeln lassen und darauf sehen, daß ein gewisser Parallelismus besteht zwischen der Zeichnung und dem, was die Kinder draußen angesehen haben. Es ist nur ratsam, nicht zuviel auf einmal von diesem Linienhaften zu geben. Es ist sehr wichtig, daß man diese Dinge den Kindern beibringt, aber wenn man zuviel zusammenfaßt, dann bringt man es so weit, daß die Kinder es nicht mehr auffassen. Man kann es einfügen in Geographie und Geo­metrie. Der ungefähre Abschluß solcher Ausführungen würde sein, daß man den Begriff der Ekliptik und der Koordinaten entwickelt.

M. geeft een inleiding in de grondbegrippen van de mathematische geografie voor leerlingen van twaalf jaar en ouder. Waarnemingen omtrent de zonsopgang en de baan van de zon.

Als u de kinderen naar buiten hebt laten gaan, dan kunt u dat later heel goed in een tekening laten verwerken. Dan moet u erop letten dat er een zekere parallellie bestaat tussen de tekening en dat wat de kinderen buiten hebben waargenomen„Maar het is wel raadzaam om niet te veel van die lijnen tegelijk te geven. Het is heel belangrijk dat men de kinderen deze dingen leert, maar als men te veel samenvat, dan komt men op een punt dat de kinderen het niet meer opnemen. Men kan dit onder geografie en geometrie laten vallen. Men moet met deze uiteenzettingen ongeveer zo ver komen dat men de begrippen ecliptica en coördinaten uitlegt.
GA 295/150

A führt das gleiche Thema, Sonnenaufgang und Sonnenuntergang, für kleinere Kinder aus und versucht, den Gang der Sonne und der Planeten durch eine sche­matische Zeichnung klarzumachen.

Rudolf Steiner: Nun, es wird diese Auffassung immer mehr an Be­deutung abnehmen, weil das seither Angenommene über diese Bewe­gungen nicht ganz richtig ist. In Wirklichkeit hat man es zu tun mit einer solchen Bewegung (Rudolf Steiner zeichnet an die Tafel):
Da ist zum Beispiel (1. Stellung) einmal hier die Sonne; da ist Saturn, Jupiter, Mars, und da ist Venus, Merkur, Erde. Nun bewegen sich die alle in der angegebenen Richtung (Schraubenlinie) so hintereinander fort, daß, wenn die Sonne dann da herübergekommen ist (2. Stellung), so ist Saturn, Jupiter, Mars hier, Venus, Merkur und die Erde da. Und jetzt dreht sich die Sonne weiter und geht dahin (3. Stellung). Dadurch wird der Schein hervorgerufen, als wenn sich die Erde um die Sonne drehte. In Wahrheit geht die Sonne voran, und die Erde kriecht immer nach.

A. behandelt hetzelfde thema, zonsopgang en zonsondergang, voor kleinere kinderen en probeert de loop van de zon en de planeten duidelijk te maken met behulp van een schematische tekening.

Nu, deze opvatting zal steeds meer aan belang inboeten, omdat het niet juist is wat men tot nu toe heeft aangenomen over deze bewegingen. In werkelijkheid heeft men met zo’n beweging te maken (Rudolf Steiner tekent op het bord):

volgorde:

De zon is bijvoorbeeld eerst hier (le positie); daar zijn Saturnus, Jupiter, Mars en daar zijn Venus, Mercurius en de aarde. Nu bewegen die zich allemaal in deze richting (schroefsgewijs) achter elkaar aan en wel zo, dat als de zon daar is gekomen (2e positie) Saturnus, Jupiter en Mars hier zijn en Venus, Mercurius en de aarde daar. En dan draait de zon verder en gaat daarheen (3e positie). Daardoor wordt de schijn gewekt dat de aarde om de zon zou draaien. In werkelijkheid gaat de zon voorop en de aarde kruipt er altijd achteraan.

1e leerplanvoordracht 6 sept. 1919 blz. 161  vert. 149

Dann wird man im vierten Schuljahr von diesem Unterricht aus den Übergang finden, um – noch immer in freier Weise – über das zu spre­chen, was der nächstliegenden Geschichte angehört. Man kann zum Beispiel dem Kinde erzählen, wie, sagen wir, wenn es gerade der Tat­sache nach sich ergibt,  der Weinbau in seine (des Kindes) eigene Hei­matgegend gekommen ist, w ie der Obstbau gekommen ist, wie diese oder jene Industrie aufgetreten ist und ähnliches.
Dann auch aus der nächstlie  den Geographie. Also man beginnt zunächst, so wie ich es Ihnen dargestellt habe, mit der nächstliegenden Geographie.

Dan zal men in het vierde schooljaar van deze lessen uit de overgang vinden om het – nog steeds op vrije wijze – te hebben over dingen die behoren tot de meest ‘dichtbije’ geschiedenis. Men kan de kinderen bijvoorbeeld vertellen hoe de wijnbouw, als dat tenminste van toepassing is, terecht is gekomen in de geboortestreek van het kind, of hoe de fruitteelt er is ontstaan of de een of andere industrie en dergelijke.
En dan dingen van de aardrijkskunde van de naaste omgeving. Men begint in de aardrijkskunde dus het eerst met de naaste omgeving, zoals ik u dat heb laten zien.  zie: GA 294 11e vdr.

Daneben beginnt man eben in der Geographie damit, so wie ich es gezeigt habe, Bodenkonfigurationen, und was in wirtschaftlicher Be­ziehung damit zusammenhängt, für einen gewissen Teil der Erde, den mehr naheliegenden, dem Kinde beizubringen.

Daarnaast [Steiner verwijst hier naar zijn opmerkingen over geschiedenis in de vijfde klas] begint men dan in de aardrijkskunde met de bodemgesteldheid, zoals ik dat heb laten zien, en wat hier in economisch opzicht mee samenhangt, van een bepaald deel van de aarde, een dicht-bii gelegen gebied. GA 294 11e vdr.

blz. 162  vert. 150

In der Geographie setze man dasjenige fort, was man im fünften Schuljahr gepflegt hat, indem man andere Teile der Erde berücksich­tigt, und versuche dann, den Übergang zu finden von den klimatischen Verhältnissen zu den Himmelsverhältnissen, wovon wir gestern Nach­mittag einige Proben hier vorgeführt haben.

6e klas In de aardrijkskunde gaat men door met datgene wat men in de vijfde klas heeft behandeld, waarbij men andere delen van de aarde onder de loep neemt en de overgang probeert te vinden van de klimatologische omstandigheden naar de hemellichamen, waarvan we gisteren enkele voorbeelden hebben gezien. (die zijn niet genoteerd).

Dann versuche man in der Geographie die Dinge über die Himmels-verhältnisse fortzusetzen und mit der Betrachtung der geistigen Kul­turverhältnisse der Erdbewohner, der Erdenvölker, zu beginnen; im­mer im Zusammenhang mit dem, was man über die materiellen Kul­turverhältnisse, namentlich die wirtschaftlichen Verhältnisse, in den zwei ersten Jahren, in denen Geographie getrieben wurde, für die Kin­der gewonnen hat.

7e klas: Dan probeert men in de aardrijkskunde verder te gaan met de sterrenkunde en een begin te maken met de beschouwing van de geeste-lijk-culturele omstandigheden van de aardebewoners, de volkeren op aarde – steeds in samenhang met wat men de kinderen heeft geleerd over de omstandigheden van de materiële cultuur, met name de economische omstandigheden, in de eerste twee jaar dat men aardrijkskunde gaf.
GA 295/161 e.v.

In de 2e leerplanvoordracht, 7 sept.1919 gaat het nog verder over de 7e klas:

blz. 165    vert. 152

Und man ver­suche mit dem, was an physikalischen und chemischen Begriffen ge­wonnen wird, eine zusammenfassende Anschauung hervorzurufen über Erwerbsverhältnisse, Betriebsverhältnisse – also diesen oder jenen Be­trieb – und Verkehrsverhältnisse; das alles im Zusammenhang mit dem physikalischen, chemischen und geographischen Unterricht, aus der Naturgeschichte heraus.

In de zevende klas keert men weer terug naar de mens en probeert men vooral datgene over te brengen waar ik gisteren op heb gewezen, namelijk wat een mens moet weten over voeding en gezondheid.65 En men probeert om met behulp van de natuur- en scheikundige begrippen die men heeft ontwikkeld een algemeen beeld te geven van handel en bedrijfsleven – een of andere bedrijfstak dus – en verkeer. Dat alles in samenhang met natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde, uitgaande van de ‘natuurlijke historie’.
GA 295/165

[1] GA 295 Duits
[2] vertaald

.
aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1542-1446

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – aan het begin van het leven (1-3)

.
Aan het begin van het leven

Het menselijke embryo aan het licht gebracht

Bij uitgeverij Vrij Geestesleven* verscheen onlangs** ‘Menswording vóór de geboorte – een spirituele embryologie’ van Frits Wilmar.

Vakgenoot Jaap van der Wal las het boek. ‘Een belangrijk boek voor diegenen die uit hoofde van hun werk met mensen bezig zijn.’

‘Jedes Sein wird uns nur durch sein Werden erkannt.’ Deze bekende uitspraak van de bioloog Haeckel wordt meestal toegepast op de ontwikkeling van de mens in een prehistorisch verleden, de evolutie.
Nog indringender is deze uitspraak van toepassing op de ontogenese van de mens, dit is de (voorgeboortelijke) ontwikkeling van iedere individuele mens. Inzicht in de processen die zich afspelen bij de embryonale ontwikkeling van het menselijk lichaam en de functies daarvan (Werden), zou een belangrijke bron van inzicht kunnen zijn omtrent de vraag: ‘Wat, of liever, wie is een mens?’ (Sein).
Het is mijn ervaring dat bijna iedereen die, al is het maar oppervlakkig, kennis maakt met de wereld van het menselijk embryo, niet alleen getroffen wordt door de complexiteit en de schoonheid van die vormenwereld, maar ook de geheimzinnigheid ervan ervaart. Een ‘openbaar geheim’ bij uitstek, om met Goethe te spreken.

Helaas is het allang niet meer zo, dat de officiële embryologieboeken die deze voorgeboortelijke ontwikkelingsprocessen beschrijven, de bron van inzicht vormen in het menselijke aspect van dit wordingsverhaal.
Sinds decennia wordt ook de menselijke embryonale ontwikkeling beschreven in termen van algemene biologie, genetica (erfelijkheidskunde), biochemie (scheikunde van het levende) etcetera. In die beschrijvingen is het menselijk embryo allang niet menselijk meer, maar wordt beschouwd als ‘niets anders dan…’ en dan volgen de bekende materialistische reductionistische verklaringsmodellen uit de fysica, de chemie, de biologie etcetera. Met alle gevolgen voor de beeldvorming omtrent het menselijk embryo.

In de discussie rond abortus komt het embryo als fase van menselijk bestaan nauwelijks in beeld (zie ook Jonas nr 1, 10e jaargang, september 1979). Op een enkele uitzondering na – bijvoorbeeld het werk van Prof. E. Blechschmidt uit Göttingen – is in de gangbare embryologie het menselijk embryo ont-mense-lijkt, zoals zoveel door de gangbare wetenschappelijke denk- en theoriekaders ont-zield wordt.

Toch is die ‘stille’ wereld van menselijke vormen, vormbewegingen en metamorfosen tot een eigen spreken te brengen.
Een weg daartoe is de fenomenologische onderzoekmethode van Goethe en het kennisnemen van de bevindingen vanuit de geesteswetenschap van Rudolf Steiner. Dan gaat een wereld open. Dan spreekt daaruit niet alleen het wordingsverhaal van een mens, maar zelfs van dé mens, de aarde, de kosmos. Dan zijn in de embryonale ontwikkeling de grondslagen van schepping en wereldorde terug te vinden, de oer-sprong van de mensheid. Dan kan een bijdrage gevonden worden aan antwoorden op vragen als Wie ben Ik? Waar kom ik vandaan? Waartoe bestaat de mens? Het is mijn ervaring uit de vele cursussen embryologie die ik heb gegeven, dat voor iedereen bij voldoende terughoudende beschouwing iets van die echo van een scheppende geestelijk-goddelijke wereld hoorbaar, verstaanbaar wordt. Een totaal andere embryologie.

Het is een grote aanwinst dat onlangs ook in het Nederlands het boek  ‘Menswording vóór de geboorte’ van de arts-embryoloog Frits Wilmar verschenen is. De sleutel tot dit openbare geheim, die Wilmar hanteert, is de beschrijving van de feiten van de menselijke embryonale ontwikkeling in het licht van de uitkomsten van het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner. Om op die wijze inzicht te verkrijgen in de bestaansgronden van de mens als geestelijk-stoffelijk wezen. Zo is het boek ook consequent opgebouwd. Eerst een schets van de feiten, de fenomenen uit een bepaalde embryonale fase, vervolgens een aansluitende belichting van die gegevens vanuit uitspraken van Rudolf Steiner over het betreffende onderwerp of vanuit de algemene antroposofische literatuur en mensbeeld (bijvoorbeeld driegeleding).

Het boek is niet uitputtend; er is bewust een selectie gemaakt van die hoofdstukken uit de menselijke embryonale ontwikkeling die zich het meest lenen voor de genoemde benaderingswijze.
Het eerste gedeelte van het boek is gewijd aan de eerste weken van de zwangerschap. Daaruit komt het beeld naar voren van de wordende mens die vanuit een kosmisch bestaan in de periferie, de micro-kosmos van het menselijk lichaam binnentrekt en zich in een ‘Verkörperungsprozess’ [be-lichamingsproces] van die kosmische herkomst emancipeert. Dit wordt verder uitgewerkt in een hoofdstuk over de zogenaamde hulporganen (placenta en vruchtvliezen), die op deze wijze beschouwd diepgaande betekenis blijken te hebben als de fysieke ‘representanten’ van de bovenzinnelijke wezensdelen van de mens. Indrukwekkend is de beschrijving van de taak van het moederlijke organisme, of zoals Wilmar het noemt ‘De zwangerschap als het verheven voorbeeld voor de gehele opvoeding’.

Het tweede gedeelte van het boek gaat in grote lijnen in op de ontwikkeling van zenuwstelsel, spijsverteringsstelsel en hart en bloedvaten, als representanten van de drie mensgeledingen. Een aantal aanvullende opmerkingen besluiten het boek. Hierin gaat de schrijver in op enkele detailproblemen zoals erfelijkheid, bevruchting of het aardse leven en de longen.

Als ‘vakgenoot’ van Wilmar vind ik het een uiterst boeiend en levendig geschreven boek. Vanuit didactisch oogpunt bezien, vind ik dat de schrijver zowel in het beschrijven van de feiten als bij het belichten vanuit de geesteswetenschap veel van zijn lezers vergt. Het gaat om uiterst gecompliceerde vormen en ruimtelijke structuren, die veel van het voorstellingsvermogen eisen. Hoewel de schrijver ervoor waarschuwt dat de materie moeilijk toegankelijk is, hadden mijns inziens de beschrijvingen minder compact gekund. Ook de belichtingen vanuit de geesteswetenschap vragen menigmaal om goede bekendheid met de gehanteerde begrippen. Anderzijds kan men stellen dat men dit van een lezer die de ondertitel (een spirituele embryologie) serieus neemt, wel verwachten mag.

De hoofdstukken over de drie orgaansystemen vind ik het minst aan bovengenoemde tekortkoming lijden. De paragraaf over de stofwisselingsorganen is ronduit prachtig en het kennisnemen van Wilmars beeld van de ontwikkeling van hart en bloedvaten is bijna een ‘must’ voor ieder die het wezen van het middengebied in de mens bevatten wil! De aanvullende opmerkingen zijn veel meer verklarend, uitleggevend geschreven en werkten

vervolg van blz. 17 (Embryologie) op mij zeer verhelderend. Daar ook legt Wilmar meer verbanden met de officieel-we-tenschappelijke verklaringsmodellen en biedt de lezer noodzakelijke ‘tegenargumentatie’ of zo men wil aanvulling. Soms vind ik de brug tussen beide benaderingen (enerzijds de feitelijke beschrijving, anderzijds de geesteswetenschappelijke belichting) erg smal. Daar had een meer beeldvormende fenomenologische benadering – om vanuit de gebarentaal van de vormen en beweging een en ander juist meer toegankelijk voor die belichting vanuit geesteswetenschappelijke bevindingen te maken – uitkomst kunnen bieden.

Dit alles neemt niet weg, dat binnen het kader van de ondertitel een belangrijk boek voor het Nederlandstalige publiek verschenen is. De warme betrokkenheid van de schrijver bij zijn ‘onderwerp’ is duidelijk voelbaar en zal wellicht de lezer behulpzaam zijn om de drempel die Wilmar legt bij het meegaan in zijn beschouwingswijze, te slechten. Een uitgebreide literatuurlijst vormt een welkome verwijzing naar meer basisliteratuur.

Een belangrijk boek voor bijvoorbeeld diegenen die uit hoofde van hun werk met mensen bezig zijn (ik denk aan (heil)pedagogen, artsen en therapeuten). Het ware menselijk embryo aan het licht gebracht.

Dr. Jaap v.d.Wal, embryoloog, Jonas 11, ** 21-01-1983

*Nu uitgeverij Christofoor.

Wilmar: ‘Menswording vóór de geboorte
Duits

.

Meer over embryologie onder ‘ontwikkelingsfasen: aan het begin van het leven

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1541-1445

.

./

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – alle artikelen

.

Rudolf Steiner heeft herhaaldelijk gesproken over de ontwikkelingsfasen van het kind.
Bekend is zijn indeling in de drie zevenjaarsfasen: 0 – 7; 7 – 14 en 14 – 21 jr.

Rudolf Steiner over: ontwikkelingsfasen

.

Artikelen over het vrijeschoolonderwijs zullen vaak deze ontwikkelingsfasen noemen.  [via zoekvenster: ontwikkelingsfasen]

Hieronder volgen verwijzingen naar waar die staan.

Ontwikkelingsfasen
Uit ‘Het binnenste buiten‘ over:  een uitgebreide schets van de ontwikkeling van het kind in de leeftijd: 0-7; 7-14; 9e jr; 12e j.

0 – 7 jaar

Aan het begin van het leven

Voor Steiner begint de mens niet met de geboorte: zijn wezenskern is ‘eeuwig’ en maakt verschillende incarnaties door.
De taak van de opvoeding is o.a. dit op aarde komende wezen te begeleiden.
Algemene menskunde: [1-2]   [1-2-1]   [1-6]   [1-9]   [1-10]

[1-1] Conceptie: leven door de poort van de dood 
Embryoloog Jaap van der Wal over: productie zaad-eicel als polariteit; het kind wórdt, dankzij de ouders; begint het leven bij de conceptie?;

[1-2] Embryo: vrucht of mens
In GA 293 spreekt Steiner over het voorgeboortelijke leven; embryoloog Jaap van der Wal: een menselijk embryo is vanaf het ontstaan al een mens.

[1-3] Embryologie aan het licht gebracht
E
mbryoloog Jaap van der Wal over: een boek van Frits Wilmar

[1-4] Rondom de geboorte
Marco Ephraïm en Toke Nieuwesteeg over: zwangerschap, geboorte, eerste verzorging; inwikkelen


BABY

[1-1Een baby uit de boerenkool
Edmond Schoorel en Paulien Bom over: de eerste ontmoeting met je baby; wat kun je doen om die eerste sfeer nog even vast te houden; van het grootste belang: je kind leren waarnemen; huilen;

[1-2] Koesteren door liedjes zingen
Amalia Baraes over: zingen schept een band; eigen liedjes, bestaande en pentatonische; taalontwikkeling; radio of c-d?

[1-2-2] De ontwikkeling van het jonge kind
Pieter HA Witvliet over: het belang van het spreken voor de ontwikkeling
van het zeer jonge kind; en van het zingen; een lijst met liedjes voor het slapen gaan.

[1-2-3] De ontwikkeling van het jonge kind
Pieter HA Witvliet over: het belang van het spreken voor de ontwikkeling van het zeer jonge kind; de klanken in allerlei liedjes en versjes; klank en hersenontwikkeling; een lijst met allerlei van deze liedjes en versjes.

[1-2-4] De ontwikkeling van het jonge kind
Pieter HA Witvliet
over: voor het wat oudere kleine kind: het belang van spreken en (nabootsend) bewegen; invloed op hersenontwikkeling; een lijst met allerlei spelletjes.

[1-2-5] De ontwikkeling van het jonge kind
Pieter HA Witvliet
over: het belang van vingerspelletjes voor de motorische ontwikkeling; de invloed op de hersenontwikkeling; als voorbeeld met een bepaalde verklaring: naar bed, naar bed, zei Duimelot.

[1-2-6] De eerste zeven jaar
Nelle Amons over: de ontwikkeling van baby tot schoolkind; beschrijving van de belangrijkste verschijnselen: groei, nabootsing; lopen, spreken, denken, fantasie, spel.

[1-3Beschermend badwater
Petra Weeda/George Maissan over: de heilzame werking van het bad – met diverse oliën; over de werking van een wikkel bij verschillende typen kinderen

[1-4Babymassage
Petra Weeda
over: een boek van Julia Woodfield

[1-5] Samen een zintuig ontwikkelen voor warmte
Aart van der Stel over: belang van warmte, niet alleen fysiek, maar ook psychisch; nabootsen is meer dan imiteren; kleding van natuurlijke materialen; betekenis van warmte voor het verdere leven; zie [2-3]

[1-6] En morgen gezond weer op
Edmond Schoorel
over: betekenis van slaap voor het kind; zuigeling moet nog leren slapen, in zijn ritme komen; ritmisch verloop van de slaap; de REM-slaap en het belang daarvan; wat kan slaap verstoren; wat is belangrijk bij slaapproblemen;

[1-7] Groeien aan grenzen
Paulien Bom over: wanneer ga je grenzen stellen; waarom; hoe; inbakeren, trappelzak, box

[1-8] Onbevangen op ontdekkingsreis
Hanne Looij over: de huid van het pasgeboren kind; be-grenzen; verzorging; aandacht en liefde onvoorwaardelijk nodig;

[1-9] Billenschuiven, tijgeren en kruipen
Noor Prent over: het belang van de bewegingen vóór een kind gaat staan; het natuurlijk verloop van de motorische ontwikkeling; ook kruipen belangrijk;
.
[1-10] Kwetsbaar en open
Annemiek van der Krogt over: de babyhuid; de kwetsbaarheid; het belang van goede verzorging; 

[1-11] De box
Noor Prent over: de box als pedagogisch middel; van dwang naar zinvol plekje.

[1-12] Een prachtig samenspel
Marjolein Wolf
over: geef tijd aan de zintuigen; communicatie via de tastzin.

[1-13] Opvoeden kan zo eenvoudig zijn
Hanne Looij over: hoe raakt een baby thuis in zijn lichaam; warmte; welke indrukken; welke materialen; het belang van ‘buiten in de natuur’;

Sommige artikelen gaan over problemen

PEUTER

[2-1] Dat ventje kan alleen maar eten

[2-2] Kinderkleren. Wanneer zitten ze als gegoten?
Joyce Honing over: een drukke peuter die geen kleren verdraagt; passende kleren bleken een oplossing; een kouwelijk denkertje; fladderende vlinders; hoe kunnen kleren helpen?

[2-3] Groei en warmte: een onafscheidelijk duo
Noor Prent
over: het belang van warmte aan een voorbeeld van een ‘open kind’; de ontwikkeling van het warmtezintuig vanaf de geboorte; kledingsuggestie voor kruipende kinderen; zweten in de nek; zie [1-5]

[2-4] Weerbaar de winter in
Weeda/Massain
over: ziek-zijn is o.a. werken aan het immuunsysteem; hoe kun je helpen; het rustige kind; het onrustige kind; wisselbad/voedingsbad; vitaminen; huisapotheek.

[2-5] Samen spelen, samen delen
Loïs Eijgenraam over: peuters en kleuters: hoe worden ze zelfstandiger; wat is ‘sociaal’; van eenheid naar enkeling, naar speelgenoot, naar individu, naar medemens.

Meer over kinderziekten
Zie verder op deze pagina: ontwikkelingsfase en ziekte

Sommige artikelen gaan over problemen

 

Een kleuter
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de kleuter; zijn ontwikkeling; hoe de kleuterklas daarop antwoordt.

Over het 7-jarige kind:
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de 7-jarige; zijn ontwikkeling; hoe het leerplan van de 1e klas daarop antwoordt.

Over het 8-jarige kind:
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de 8-jarige; zijn ontwikkeling; hoe het leerplan van de 2e klas daarop antwoordt.

Over het 9-jarige kind:
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de 9-jarige; zijn ontwikkeling; hoe het leerplan van de 3e klas daarop antwoordt.

Het 9e-10e levensjaar
C.J.Gischeler over: wat voor opvoeding is er nodig; het kind van 0-7 en 7-14; intellectueel onderwijs; geheugen; nabootsing; autoriteit; verandering met het 9e, 10e levensjaar; moraliteit; religiositeit; dankbaarheid.

Over het 10-jarige kind:
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de 10-jarige; zijn ontwikkeling; hoe het leerplan van de 4e klas daarop antwoordt.

Over het 11-jarige kind:
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de 11-jarige; zijn ontwikkeling; hoe het leerplan van de 5e klas daarop antwoordt.

Over het 12-jarige kind:
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de 12-jarige; zijn ontwikkeling; hoe het leerplan van de 6e klas daarop antwoordt.

Over het 13-jarige kind:
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de 13-jarige; zijn ontwikkeling; hoe het leerplan van de 7e klas daarop antwoordt.

Over het 14-jarige kind
Uit een werkplan van de Geert Grooteschool over: het wezen van de 14-jarige; zijn ontwikkeling; hoe het leerplan van de 8e klas daarop antwoordt.

Het 12-jarige kind

De puberteit

[1-1] Pubertijd
Schoolarts
over: het wezen van de puber; begrip en omgang;

Volwassen worden    

Tussen 17 en 21 jaar
Ernst Amons over: het kind dat volwassen wordt; de Ik-ontwikkeling; gevoelend die daarmee gepaard gaan.

Psychische metamorfosen in de levensloop
Rudolf Treichler
over:het leven gaat door verschillende stadia; metamorfose van de plant; verschil plant-dier-mens; het actieve Ik; 7-jaarsritmen in levensloop; 0 – 7; 7 – 14; 14 – 21; 21 – 28; nabootsing; autoriteit; oordeel; Ik; gewaarwordingsziel; 28 – 35; verstands-gemoedsziel; 35 – 42; bewustzijnsziel,

Ontwikkelingsfasen en  aanleg voor ziekten in de eerste drie levensperiodes van zeven jaar
H.K.Mittelstrass over: we doen er ongeveer 21 jaar over om volwassen te worden; welke ontwikkeling maken we door; zevenjaarsperioden van biologische en biografische ontwikkeling; beschrijving van wat er in iedere periode gebeurt; behandeling van de ziekten die bij deze fasen horen; kinderziekten, ‘schoolziekte’, lichaamshouding, vetzucht; over ziekte.

.

1540-1444

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – aan het begin van het leven (1-1)

.

Conceptie: leven door de poort van de dood

.
In het eerste college ‘menselijke embryologie’, dat ik jaarlijks* aan medische studenten geef, begin ik de collegeserie met een samenvatting van de gebeurtenissen, die zich afspelen bij de menselijke conceptie (bevruchting). Vaak voel ik in de aanvang een wat afwijzende houding bij de eerste-jaarsstuden-(tes), in de trant van ‘dat weten we allang, daarover zijn we al uitvoerig voorgelicht, dat is niets nieuws meer.’

Ik kan me die houding wel voorstellen in een tijd, waarin het een trend is kinderen zo vroeg mogelijk hier over voor te lichten in vaak erg zakelijke, voor het kind inhoudsloze begrippen. Het mooie, het wonder, is er af.

Ik meen echter de menselijke conceptie in zodanige termen te kunnen beschrijven, dat dit zogenaamde biologische gebeuren weer komt te staan in het perspectief van het oerfenomeen van de ont-moeting. Er ontstaat dan ruimte voor gevoelens van verwondering en het beleven van scheppingswijsheid: het wonder achter de zakelijke feiten. De twijfel of dit ook na het geschreven woord mogelijk is, doet mij wat terughoudend zijn, maar omdat ik zelf iedere keer weer getroffen word door dit verhaal van leven en dood, wil ik het graag proberen.

Laat ik beginnen hoofdrolspeler en -speelster het drama ten tonele te voeren. Om te beginnen is er de zaadcel, de spermatozoo. Met miljoenen tegelijk komen zij vrij: voor een redelijke kans op bevruchting zijn er, onder normale omstandigheden, minstens 100.000.000 nodig! De productie van deze enorme aantallen vindt continu, dag in, dag uit plaats in de manlijke testis (een woord dat mij altijd speelser en lichter voorkomt dan het Nederlandse equivalent teelbal of zaadbal). In de testis is er sprake van een gigantische celdelingsactiviteit, een ware uitspatting van leven die het orgaan bijvoorbeeld zo gevoelig maakt voor de celdodende werking van Rö-stralen. Deze aanmaak wordt gevolgd door een rijpingsproces van enkele weken, dat resulteert in de uiteindelijke spermatozoo, die naar men aanneemt, niet langer dan 2, 3 dagen in leven blijft en dan weer wordt afgebroken. In schijnbaar tegenstrijdigheid daarmee vindt deze uitspatting van celdelingen, van levensactiviteit zijn optimale condities in een koelere omgeving dan de lichaamsholte: 35° C is optimaal. Warmte is nadelig voor de spermatozoenaanmaak. Als de testes, wat bij kinderen soms gebeurt, tijdens de ontwikkeling in de lichaamsholte blijven liggen, komen zij niet tot activiteit, op het moment, dat dat normaliter gebeurt, namelijk bij het begin van de puberteit.

Hoe anders is het gesteld met het vrouwelijk geslachtsorgaan, de eierstok of ovarium. Deze organen liggen wél diep in de buikholte en zijn daar met hun helder witte kleur – die ook de kleur van bijvoorbeeld zenuwweefsel is – een opvallende verschijning. Kennelijk deert de lichaamstemperatuur hun
functioneren niet; integendeel menige vrouw weet uit eigen ervaring dat de eisprong (de ovulatie) met een verhoging van de lichaamstemperatuur gepaard gaat. Het woord stok (afgeleid van het Engelse ‘stock’ = voorraad) duidt erop, dat hier iets – althans bij de vrouw in haar vruchtbare periode – heel anders gaande is dan in de testis, namelijk geen productie van eicellen (oöcyten), maar een voorraad. En wel, een slinkende voorraad.

In tegenstelling tot de spermatozoo worden de eicellen al aangemaakt vóór de geboorte, totdat ongeveer in de 5e maand van de embryonale ontwikkeling van een vrouwelijk individu het maximum van 6.000.000 (onrijpe) eicellen is bereikt. Bij de geboorte zijn er daarvan nog maar hoogstens 2.000.000 over en aan het begin van de puberteit – het moment waarop bij de man de zaadcellenaanmaak begint – is er een nog steeds slinkende voorraad van 40.000 eicellen in een bijna rijpe toestand, in een soort ruststadium verkerend. Eén keer per maand, per cyclus gaan een aantal eicellen met hun rijpingsproces verder, en weer één (of soms ook twee?) daarvan maakt dit af en komt als rijpe eicel (oöcyt) vrij. In het ovarium heerst niet de bruisende activiteit van een enorme celdelingsproductiviteit, maar de rust van een gestaag afstervingsproces.

Eicel 469 maal vergroot
.
Zo begint zich een polariteit af te tekenen. Hoewel beide organen gesitueerd zijn in het stofwisselingsgebied van de mens, maar beide ook elementen bevatten die meer eigen zijn aan de zintuig-zenuwstelsel-pool (zoals het symmetrische voorkomen, de witte kleur), mengen beide organen deze kwaliteiten op een polaire wijze. De testis (harde buitenschil, koele condities) vertoont het bruisende van een stofwisselingsorgaan, het ovarium (weker orgaan, warmere condities) is daarentegen een plaats van een afstervensproces. Polair in zichzelf en polair tegenover elkaar.

A. Spermatozoo. B. Spermatozoo op dezelfde schaal als C. C. Eicel of oöcyt met een krans van voedstercellen.

Het fascinerende van polariteiten is dat zij, juist door hun eenzijdigheden kunnen polariseren, in hun eenzijdigheid verstarren, maar ook zo… vruchtbaar kunnen zijn, als zij elkaar in wisselwerking ontmoeten. Licht en donker: als zij elkaar actief, creatief ontmoeten manifesteren zich op dat grensvlak de kleuren (Goethe). Hoe herkenbaar is dat niet in de menselijke samenleving? Zijn niet juist die ontmoetingen (uiteindelijk) het vruchtbaarst, die plaats vinden tussen twee strijdige karakters, persoonlijkheden, wanneer maar de afstotende krachten tussen de twee polen overwonnen worden? Heeft een ander juist daarom niet zoveel te bieden, omdat hij/zij anders is? Maar tegelijk moeten de afstotende machten, die de polen in hun eenzijdigheid willen doen verkeren, overwonnen worden. Niets is doodser, onvruchtbaarder dan de eenzijdige verstarring, zoals de materialist en de spiritualist die elkaar niet meer kunnen vinden, ont-moeten. Een derde mogelijkheid is de passieve ontmoeting tussen twee polen, het grauwe midden, het compromis. Ook een vorm van eindpunt, de spanning van de ontmoeting, de wisselwerking is eruit. De schemer, ontmoetingspunt van dag en nacht: waar dag in nacht, nacht in dag overgaat, is niet scherp te stellen: beide polen maximaal aanwezig, maar niet in hun eenzijdigheid. Integendeel, beide kwaliteiten gaan op in de schitterende kleuren waarmee de hemel zich tooit: een vruchtbaar breekpunt van tegelijkertijd zijn en niet-zijnde ontmoeting. Maar laat ons teruggaan naar wat spermatozoo en oöcyt ons in deze te vertellen hebben.

De polariteit gaat namelijk nog veel verder op. De spermatozoo is een kleine cel, met een zogenaamde kop van ongeveer 0,005 mm en een ongeveer vijftien keer zo lange staart. Het is een cel die zich middels bewegingen van de staart op eigen kracht kan voortbewegen, liefst tegen de stroom in. Omdat er een vloeistofstroom bestaat van eierstok naar baarmoeder vindt de spermatozoo, tegen de stroom in ‘zwemmend’, zijn weg. Het volume van de spermatozoo is uiterst klein: tijdens het rijpingsproces wordt alle overbodige celmateriaal (‘ballast’) uitgespoten, zodat bijna alleen kern en celwand overblijven, hetgeen een voordeel voor de beweeglijkheid lijkt te zijn. De zaadcel is een uiterst gespecialiseerde cel met een sterk uitgesproken vorm, iets dat ook aangetroffen wordt bij zenuwcellen. Net als deze cellen kan ook een spermatozoo zich niet meer delen dit is het ‘dode’ eindpunt van een gespecialiseerde ontwikkeling. De zaadcel is de actieve, zoekende partner in deze oer-ontmoeting.

Want de eicel, zij wacht. Het is een ronde cel, die daardoor in de vorm weinig gespecialiseerd is en als zodanig meer een representant van het stofwisselingsgebied. De eicel is gigantisch groot: met haar 0,2 mm diameter is zij bijna met het blote oog zichtbaar en behoort daarmee tot de grootste menselijke lichaamscellen. In tegenstelling tot de spermatozoo zien we bij het oöcytrijpingsproces een enorme volumevergrotingstendens: er is juist een grote hoeveelheid cytoplasma (celinhoud) aanwezig. In één eicel gaan tienduizend spermatozoën! Dit grote volume zou men kunnen beschouwen als de bijdrage van de oöcyt om de ontmoetingskans te vergroten; bovendien levert de eicel het celmateriaal voor de eerste stadia in de embryonale ontwikkeling na de conceptie. Heeft de spermatozoo na zijn rijpingsproces en vrijkomen, het vermogen tot deling verloren, de eicel vertoont rond het moment van vrijkomen nog enkele delingen (rijpingsdelingen). (Overigens zijn dit zeer ongelijke delingen: er ontstaat één grote cel en een heel klein celletje, dat nauwelijks celmateriaal bevat, het poollichaampje). De celdeling die zij begint vlak na de ovulatie zal alleen worden afgemaakt indien er sprake is van conceptie en onmiddellijk daarop treden dan de eerste delingen op, die het ontstaan van een vrucht inleiden. De eicel heeft na de ovulatie nog een levensduur van enkele uren tenzij bevruchting optreedt. Ze kan zich niet op eigen kracht bewegen en wordt dan ook passief meegevoerd met dezelfde vloeistofstroom waar de spermatozoo zo actief tegenin zwemt: via de eileider naar de baarmoeder.

Daar zweeft zij: één in getal, groot, rond, passief, met de levenskrachten in haar als het ware ‘op scherp’, wachtend om na de ontmoeting met de spermatozoo vrij te komen. Een wereld van ingehouden rust, in schril contrast van het massale, drukke, actieve gedoe van miljoenen spermatozoën, die in groten getale onderweg afsterven: slechts ‘enkele’ bereiken de eicel. [1]

Zo staan eicel en zaadcel tegenover elkaar ‘ een immense polariteit, waarin dood en leven op zo wonderlijke wijze vervlochten zijn. In gemetamorfoseerde vorm, en elke op volkomen andere manier zijn zaadcel en eicel de topjes van een piramide, eindpunt van een stroom, gedoemd te sterven. Tenzij zij elkaar ontmoeten en juist in deze ontmoeting van maximale eenzijdigheden opgaan en… vruchtbaar zijn: de bevruchte eicel, het ovum, nieuw leven. In de zaadcel en de eicel zijn het manlijke en het vrouwlijke maximaal uitgekristalliseerd, daarom zo eenzijdig, maar juist daarom zo vol mogelijkheden. Zoals in de top van de piramide de hele kracht van het bouwwerk ingesloten zit, maar in concreto niet aanwezig is. Het middelpunt van de lemniscaat. Op dat smalle punt van deze vorm, van de zandloper ontmoeten de beide stromen elkaar. Man en vrouw maken ruimte voor een nieuwe mens. Hun ontmoeten is essentieel daarvoor, hun terugtreden evenzeer: het kind is niet van de ouders, het kan wórden, dankzij die ouders. De levenstroom van aanmaak van eicellen en zaadcellen komt tot stilstand in die ene zaadcel en eicel, en dat kan het startpunt worden van de miljarden celdelingen die daarna aan de vorming van een nieuw menselijk individu zullen bijdragen.

Er is nog een fenomeen waarop ik graag de aandacht wil vestigen. het is een algemeen verbreid idee dat menselijk leven bij de conceptie ‘begint’. Nu kan men vanuit de geesteswetenschappelijke inhouden voldoende beschrijvingen, argumenten aanvoeren, dat dit niet het geval is, maar dat bij de conceptie sprake is van verschijnen van leven in de wereld van de materie. De doelstelling van dit artikel is echter ook te laten zien, dat men waarneembare fenomenen zodanig kan beschrijven en rangschikken, dat er wel degelijk een aansluiting te vinden is tussen deze fenomenen én de realiteiten uit geesteswetenschappelijk oogpunt. Als het ware ontmoetingspunten creëren waar de piramiden van geesteswetenschappelijke beschouwing en natuurwetenschappelijke, materialistische zienswijze elkaar kunnen raken.

Niet meer en niet minder dan voorwaarden tot ontmoeting creëren, de ontmoeting zelf komt dan van buitenaf tot stand, zij ligt niet in de beide stromen besloten. Uit het voorafgaande is dunkt mij voor degene die dat uit, voldoende aanleiding te vinden om te stellen, dat de stelling ‘het leven begint bij de conceptie’, maar zeer relatief is. Er is echter nog een fenomeen waarop ik in deze wijzen wil.

In de weken voorafgaande aan de conceptie vertoont het baarmoederslijmvlies een sterke opbouwende activiteit: het wordt dikker, rijker aan klieren en bloedvaten, etc. Ook gedurende de eerste week na de bevruchting schrijdt dit proces van opbouw, levensactiviteit verder om zo het baarmoederslijmvlies voor te bereiden op de eventuele innesteling van een dan ongeveer zes dagen oud embryo (‘vrucht’). Indien er geen bevruchting en daarmee geen innesteling optreedt wordt het slijmvlies weer afgebroken, hetgeen zich na enige dagen als menstruatie manifesteert. Zo kan men de cyclus van de vrouw beschrijven als een ritmische afwisseling van opbouw en afbraak, van leven en dood. (zie afb.)

voorstelling van de cyclische veranderingen bij de vrouw vóór en na de conceptie: opbouwfase, leven; afbraakfase, dood; blijvende opbouwfase

Wanneer nu conceptie en innesteling optreedt, blijft het baarmoederslijmvlies in de begonnen opbouwfase, alsof voorkomen wordt dat de doodskrachten bezit nemen van dat slijmvlies, waardoor het niet in de afbraakfase komt. Alsof ‘iets’ in dit ritmische proces inhaakt en het leven daarmee vasthoudt, voorkomt dat de levensprocessen tot verval geraken. Zo beschouwt kan men de vraag ‘waar begint het leven dan?’ veranderen in ‘was het leven al niet aanwezig?’ Zoals de eicel ook in zekere zin de vermogens tot celdeling, levensactiviteit in zich opgeslagen had. Daarbij sluit ook de waarneming aan dat de vrouwelijke geslachtscellen zich al in een heel vroeg stadium van de ontwikkeling van een vrouwelijk individu afzonderen en niet meer aan verdere specialisatie etc. deelnemen: het zijn met recht oerkiemcellen.

Ik hoop de conceptie zodanig voor u beschreven te hebben, dat u iets herkent van de enorme indruk die deze oerontmoeting op mij maakt. Een boeiend samenspel van leven en dood, zoals de schemering dat is tussen dag en nacht: een teer evenwicht met enorme ingehouden mogelijkheden.

Tot slot zou ik de vraag willen stellen: waar begint conceptie eigenlijk? Bij de ontmoeting van zaadcel en eicel of al bij de ontmoeting van man en vrouw, of op het moment dat zij de wens tot een kind concipiëren, of nog verder ‘terug’ in realiteiten, waar het zintuiglijke geen toegang heeft? Als een mens uit niets meer ontstaat dan uit klompjes genetisch materiaal, die eenmaal door het toeval samengevoegd, kunnen uitgroeien tot een menselijk individu, dan zal dit ‘leven’ inderdaad beginnen bij de versmelting van zaadcel en eicel. Beschreven zoals hierboven kan menselijk leven evengoed beschouwd worden als een continuüm van inhakende en loslatende geestelijke en materiële grootheden, waarbij een beginpunt moeilijk is aan te geven en hoogstens gesproken kan worden van een verschijningspunt, waar zichtbare en onzichtbare wereld elkaar in hun uitersten raken. De conceptie als een punt waar leven tot bijna stervens toe terugtreedt om (nieuw) leven ruimte te geven.

Of zoals onderstaand gedicht dat in eigen bewoordingen uitdrukt:

Ik zou je een kind willen geven
niet zomaar
een optelsom
van twee soorten genen,
toeval in een zee
van tijd

Maar
een wonder,
zwevend in het veilige blauw
van je schoot

Geworden
geschapen
op dat ene moment,
dat ik was jij
en jij was mij,
wij waren elkaar
en werden
de ander.

[1] Ik betreur het, dat op dit moment vaak bij de studenten een weerstand voelbaar is. Het is mij gebleken, dat dat komt, omdat ze denken dat ik met deze beelden voeding geef aan de opvatting dat de vrouw ongelijk zou zijn aan de man. Ik schilder inderdaad een ongelijkheid, maar als polariteit, die niets van doen heeft met ongelijkwaardigheid. Integendeel: beide polen ontlenen zelfs hun waarde aan elkaar, zij bestaan dank zij elkaar. Deze reactie heeft zeker te maken met het tijdsbeeld, waarin bijvoorbeeld begrippen als ‘actief – passief’ een bepaalde lading hebben gekregen in termen van rolpatronen.
.

Jaap van der Wal, Jonas 17, *20-04-1979
.

Jaap van der Wal 

Meer over embryologie onder ‘ontwikkelingsfasenaan het begin van het leven

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1539-1444

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie – GA 305

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 305

beknopte inhoud:
blz. 158: euritmiegebaar: zichtbaar gemaakte teruggehouden beweging van het strottenhoofd bij het maken van klanken;
klankfiguren;
blz. 159/162: klankfiguren, wat betekenen de kleuren, over de sluier, waar zit het wilselement
blz. 162: volgorde waarin de kinderen de klanken worden aangeleerd; de R;

blz. 245: inleidende woorden bij een euritmieopvoering op 18 aug. 1922 Oxford
euritmie zichtbaar geworden studie van spraakklanken; (bij het vertalen heb je te maken met Sprache = taal en spraak, dus kun je voor spraak ook taal lezen)
euritmie wil geen danskunst, geen mimische kunst, geen pantomime en dergelijke zijn, maar wil door het kunstmiddel van een werkelijk zichtbare taal werken.
Euritmie als impulsbeweging
blz. 246: bovenzintuiglijk waarnemen van bewegingsimpuls voor euritmiegebaar:
gebaren als bewegingsstroom;
blz.247: hoe moet er bij euritmie gereciteerd worden;
blz. 248: de therapeutisch-hygiënische kant
blz. 250: er wordt vertoont uit een mysteriedrama

blz. 251: nleidende woorden bij een euritmieopvoering op 19 aug. 1922 Oxford
euritmie zichtbaar geworden studie van spraakklanken; (bij het vertalen heb je te maken met Sprache = taal en spraak, dus kun je voor spraak ook taal lezen)
Euritmie geen gymnastiek, geen dans, ze moet een kunstvorm zijn.
Ondersteunt het taalonderwijs;
blz. 252: verschil met gym.:  euritmie: gymnastiek vanziel, van geest werkt op de wil:
blz. 253: met euritmie kun je moeilijk liegen

blz. 158

Gestatten Sie, daß ich noch ein paar Worte spreche über die Bedeu­tung des eurythmischen Unterrichts und der Erziehung, welche für das Kind gerade aus dem Eurythmieunterricht hervorgehen kann. Ich möchte das erläutern an den Figuren, die im Atelier in Dornach gemacht worden sind, und die in einer gewissen künstlerischen Weise darstellen sollen dasjenige, was eigentlich der Inhalt des Eurythmischen ist. Zu­nächst sind diese Figuren allerdings mehr bestimmt, eine Grundlage zu geben für die künstlerische Anschauung der Eurythmie. Ich werde aber auch in der Lage sein, in bezug auf das Pädagogisch-Didaktische gerade aus diesen Figuren heraus einzelnes vor Ihnen klarzumachen. Es handelt sich darum, daß ja die Eurythmie wirklich eine sichtbare Sprache ist, keine mimische Äußerung, keine pantomimische Äußerung und auch keine gewöhnliche Tanzkunst. Geradeso wie der Mensch partielle Organe in Regsamkeit, in Tätigkeit bringt, wenn er singt oder wenn er spricht, so kann man auch den ganzen Menschen in diejenigen Bewegungen bringen, die eigentlich der Kehlkopf und seine Nachbar-organe ausüben wollen. Aber sie kommen nicht dazu, sie unterdrücken sie gleich, und da werden die anderen Bewegungen, die dann so ver­laufen, daß sich dasjenige, was eigentlich im Kehlkopf, sagen wir, diese Bewegung werden will, so daß sich die Kehlkopfflügel nach außen öffnen: A, das wird im Moment des Entstehens, im Status nascendi untergraben, wird in eine solche Bewegung verwandelt, in die der Gedankeninhalt der Sprache hineinversetzt werden kann, und in eine Bewegung, die dann in die Luft übergehen kann und gehört werden kann. Die zugrundeliegende Bewegung, die eigentlich innermenschliche Bewegung, sagen wir das A, Sie haben sie hier (die Figur wird gezeigt). Das will der ganze Mensch machen, wenn er in A ausbricht. Und so kann man jede Äußerung des Gesanges und der Sprache in der Bewegung, die eigentlich der ganze Mensch ausführen will, aber im Status nascendi aufhält, sichtbar machen. So kann man zu jeder solchen Bewegungsform kommen.
Geradeso wie es Formungen gibt des Kehlkopfes und der anderen Sprachorgane für A, I, L, M, so gibt es die entsprechenden Bewegungen, Bewegungsformen. Diese Bewegungsformen, sie sind daher diejenige Offenbarung des Willens, für die sonst die Offenbarungen des Gedankens

Staat u mij toe, dat ik nog enkele woorden spreek over de betekenis van het euritmie-onderwijs en de opvoeding, die voor het kind juist uit dit euritmie-onderwijs voortvloeit. Ik zou dat willen verduidelijken aan de hand van deze figuren, die in het atelier in Dornach vervaardigd zijn, en die op een bepaalde, kunstzinnige wijze moeten tonen, wat eigenlijk het euritmische inhoudt. Deze figuren zijn weliswaar in de eerste plaats bestemd om een grondslag te bieden voor het kunstzinnig beschouwen van de euritmie, maar ik zal ook in staat zijn aan de hand van deze figuren enkele details voor u te verduidelijken met betrekking tot het pedagogisch-didactische.
Het gaat erom, dat de euritmie in feite een zichtbare taal is, geen mimische expressie, geen pantomimische expressie, en ook geen gewone danskunst. Zoals de mens een deel van zijn organen beweegt, activeert, wanneer hij zingt of spreekt, zo kan ook de gehele mens gebracht worden in de bewegingen, die eigenlijk het strottenhoofd en de nabijgelegen organen moeten uitvoeren. Die komen echter niet zover, en onderdrukken ze meteen, en ze worden dan tot andere bewegingen, die dan zo verlopen, dat hetgeen eigenlijk in het strottenhoofd, laten we zeggen, een beweging wil worden waarbij de stembanden zich naar buiten toe openen: A, op het moment van ontstaan, in status nascendi teruggehouden wordt en omgezet in een beweging waarin de gedachte-inhoud van de taal gevangen kan worden, in een beweging ook, die dan op de lucht kan overgaan en kan worden gehoord. De basisbeweging, eigenlijk een beweging van de innerlijke mens, van, laten we zeggen, de A, die hebben we hier (de figuur wordt getoond). Dat is wat de hele mens wil doen als hij zich in de A-klank uit. En zo kan men elke uiting van gezang en taal zichtbaar maken in de beweging, zoals eigenlijk de gehele mens die wil uitvoeren, maar die hij in de kiem smoort. Zo kan men tot elk van die bewegingsvormen komen.
Zoals het strottenhoofd en de andere spraakorganen zich op een bepaalde manier vormen bij A, I, L, M, zo zijn er ook overeenkomstige bewegingen, bewegingsvormen. Deze bewegingsvormen zijn dus uitingsvormen van de wil, waarvoor anders de uitingen van de

blz. 159

und des Willens, im Sprechen und Singen bestehen. Das Gedank­liche, das rein abstrakte Gedankliche, das in der Sprache ist, wird hier herausgenommen, und alles, was sich aussprechen will, in die Bewe­gung selbst hineinversetzt; so daß die Eurythmie im weitesten Sinne eine Bewegungskunst ist. Genau ebenso wie Sie das A hören können, können Sie das A anschauen, wie Sie das I hören können, können Sie das I anschauen.
Nun ist in diesen Figuren das angestrebt, daß in der plastischen Gestaltung des Holzes die Bewegung vor allen Dingen festgehalten ist. Die Figuren sind nach einem Dreifarbenprinzip gebildet. Es ist die Grundfarbe da, die eigentlich überall die Bewegungsform zum Aus­druck bringen soll. Aber wie in unsere Lautsprache das Gefühl hinein-strömt, so kann das Gefühl auch hinunterströmen in die Bewegung. Denn wir sprechen ja nicht nur einen Laut, sondern wir geben dem Laute eine Gefühlsfärbung. Das können wir auch in der Eurythmie. Und da wirkt ein stark unterbewußtes Moment in die Eurythmie hinein. Wenn der Akteur, der Darsteller imstande ist, dieses Gefühl künstlerisch in seine Bewegungen hineinzulegen, dann wird man dieses Gefühl auch mitfühlen, wenn man die eurythmischen Bewegungen sieht. Hier ist noch das in Betracht gezogen, daß der Schleier, der getragen wird, diesen Gefühlen folgen soll. So daß also dasjenige, was hier (bei den Figuren) als zweite Farbe vorzugsweise auf den Schleier verwendet ist, darstellt die Gefühlsnuance für die Bewegung. Sie haben also eine erste Grundfarbe, die drückt die Bewegung selber aus, eine zweite daraufgesetzte Farbe, die vorzugsweise im Schleier zum Aus­drucke kommt, die drückt die Gefühlsnuance aus. Aber der euryth­mische Akteur muß die innere Kraft haben, dieses Gefühl in die Bewe­gung hineinzulegen, so wie es einen Unterschied macht, ob ich zu jeman­dem sage: Komm zu mir! – befehlend – oder: Komm zu mir! – freund­lich auffordernd. Das ist die Gefühlsnuance. So stellt dasjenige, was hier in der zweiten Farbe zum Ausdrucke kommt, und was dann in den Schleier hinein fortgesetzt wird, die Gefühlsnuance der eurythmischen Sprache dar.
Und das dritte bringt Charakter, das starke Willenselement hinein. Das kommt nur dadurch in die Eurythmie hinein, daß der eurythmische

gedachte en de wil door het spreken en zingen bestaan. Hetgeen in de taal tot de gedachten behoort, tot de zuiver abstracte gedachten, wordt hierbij daaruit gelicht, en al hetgeen zich wil uitspreken wordt gelegd in de beweging zelf, zodat de euritmie een bewegingskunst is in de meest ruime zin. Net zoals u de A kunt horen, kunt u de A zien, zoals u de I kunt horen, kunt u de I zien.
Nu is er bij deze figuren naar gestreefd, dat in de plastische vormgeving van het hout vóór alles de beweging behouden bleef. Bij de vervaardiging van deze figuren is van de kleuren uitgegaan. Er is een basiskleur, die eigenlijk steeds de bewegingsvorm tot uitdrukking moet brengen. Maar zoals het gevoel binnenstroomt in onze klankentaal, zo kan het gevoel ook naar omlaag stromen tot in de beweging. Want wij spreken immers niet alleen een klank uit, wij kleuren die klank ook met een gevoel. In de euritmie kunnen wij dat ook doen. En daarmee heeft een sterk onderbewuste factor zijn werkzaamheid binnen de euritmie.
Als de acteur, de opvoerende, in staat is om dit gevoel op kunstzinnige wijze te leggen in zijn bewegingen, dan zal men dit gevoel ook mee-voelen, wanneer men de euritmische bewegingen ziet. Daarbij zij nog in aanmerking genomen, dat de sluier die gedragen wordt, dat gevoel dient te volgen. Zodat dus hetgeen hier (bij de figuur) als tweede kleur bij voorkeur op de sluier is toegepast de gevoelsnuance voor de beweging vertegenwoordigt. We hebben hier dus een eerste basiskleur, die de beweging zelf uitdrukt, en een tweede kleur daarboven, die bij voorkeur in de sluier tot uitdrukking komt, en die gevoelsnuance uitdrukt. Maar de euritmische acteur moet de innerlijke kracht bezitten, dit gevoel in de beweging te leggen, zoals het verschil uitmaakt of ik tegen iemand zeg: Kom bij me! – als een bevel – of: Kom bij me. – als een vriendelijk verzoek. Dat is de gevoelsnuance. Ze vertegenwoordigt hetgeen hier in de tweede kleur tot uitdrukking komt, en dan in de sluier zijn voortzetting vindt, de gevoelsnuance van de euritmische taal.
En het derde brengt karakter, het krachtige wilselement met zich mee. Dit wordt slechts in de euritmie gebracht, doordat de euritmische

blz. 160

Akteur in der Lage ist, mitzuempfinden seine Bewegungen und daß er sie in sich selbst ausdrückt. Der Kopf eines eurythmisierenden Akteurs sieht ganz anders aus, ob er die Muskeln im linken Haupte etwas spannt und im rechten etwas schlaff läßt, wie es zum Beispiel hier angedeutet ist durch die dritte Farbe. Sie können das beobachten, immer die dritte Farbe zeigt das Willensmäßige an. Hier zum Beispiel wird an der linken Seite etwas gespannt, und hier über den Mund hinüber; hier (bei einer anderen Figur) wird die Stirne etwas gespannt, die Muskeln der Stirne etwas gespannt. Das gibt dann – ausstrahlend von dieser leisen Spannung, denn das strahlt in den ganzen Organismus aus, was da leise gespannt wird -, das gibt dem Ganzen einen innerlichen Charakter. Und aus dieser Bewegung, die durch die Grundfarbe ausgedrückt ist, aus der Gefühlsnuance, die durch die zweite Farbe ausgedrückt wird, und aus diesem Willenselemente – das ganze Element ist Willensele­ment, aber da wird der Wille noch besonders daraufgesetzt -, aus dem setzt sich die eigentliche eurythmische Kunst zusammen.
Will man daher irgend etwas eurythmisch festhalten, so muß man aus dem Menschen heraussondern dasjenige, was bloß eurythmisch ist. Würden hier Figuren stehen mit schön gemalten Nasen und Augen und schönem Mund, das könnten ja schöne Malereien sein; aber bei der Eurythmie handelt es sich nicht darum, hier ist nur das gemalt und gebildet, was das Eurythmische am eurythmisierenden Menschen ist.
Der eurythmisierende Mensch ist so, daß es bei ihm auf das spezielle Gesicht nicht ankommt. Es kommt nicht darauf an. Es ist natürlich so, daß von selbst bei einem gesunden Eurythmisierenden nicht zu einer freudigen Bewegung ein griesgrämiges Gesicht gemacht wird, aber das ist ja sonst auch, wenn man spricht, der Fall. Aber eine Physiognomie des Gesichtes, die nicht eurythmisch ist, die wird nicht angestrebt. Zum Beispiel: es kann einer eine A-Bewegung dadurch machen, daß er die Augenachse nach außen hält. Das ist eurythmisch, das geht. Aber es geht nicht, daß irgendeiner, so wie es in der mimischen Kunst ist, beson­dere Kinkerlitzchen – so sagt man im Deutschen – mit den Augen macht, und das sieht aus wie eine Grimasse, was man oftmals verlangt als einen besonderen mimischen Ausdruck des Gesichtes. Es muß am Eurythmisierenden alles eurythmisch sein.

acteur in staat is zijn bewegingen mee te voelen, en ze in zichzelf uit te drukken. Het hoofd van een acteur die euritmiseert ziet er heel anders uit wanneer hij de spieren aan de linkerkant van zijn hoofd wat spant en ze rechts wat ontspant, zoals dat hier bijvoorbeeld door de derde kleur is aangeduid. U kunt zien, dat de derde kleur steeds op het wilsmatige wijst. Hier wordt bijvoorbeeld de rechterkant een beetje gespannen, en hier boven de mond. Hier (bij een andere figuur) wordt het voorhoofd wat strakker getrokken, worden de spieren van het voorhoofd wat gespannen. Die lichte spanning heeft dan een uitstraling, dat lichte spannen straalt uit tot in het gehele organisme, en dat geeft dan aan het geheel een innerlijk karakter. En uit de beweging, die door de basiskleur wordt uitgedrukt, uit de gevoelsnuance, die door de tweede kleur wordt uitgedrukt, en uit dit wilselement – het behoort allemaal tot het wilselement, maar dat nog eens extra benadrukt wordt door het laatste -, daaruit bestaat de eigenlijke euritmische kunst.
Daarom, wil men het een of ander euritmisch vastleggen, dan moet men bij de mens datgene eruit lichten, wat zuiver euritmisch is. Als er hier figuren zouden staan met een prachtig geschilderde neus en ogen, en met een fraaie mond, dan zouden dat best hele mooie schilderijen kunnen zijn, maar bij de euritmie gaat het daar niet om; hier is slechts afgebeeld en geschilderd hetgeen euritmisch is aan de mens die euritmiseert.
Bij wie euritmiseert is het zo, dat zijn specifieke gelaat niet van belang is. Daar gaat het niet om. Het is natuurlijk wel zo dat een gezonde euritmist bij een vreugdevolle beweging geen chagrijnig gezicht zal trekken, maar dat is immers anders, wanneer men gewoon spreekt, ook het geval. Maar een niet-euritmische fysionomie wordt niet nagestreefd. Bijvoorbeeld: iemand kan een A-beweging maken door de oogas naar buiten te doen afwijken. Dat kan, dat is euritmisch. Maar wat niet kan is, dat iemand zoals dat in de mimische kunst gaat, op een vreemde manier met de ogen rolt, zodat het er uitziet als een grimas, wat men als een speciale mimische gelaatsuitdrukking vaak wenst te zien. Aan wie euritmiseert, moet

blz. 161

Daher wurde hier einmal in einer Art Expressionskunst dasjenige aus dem Menschen herausgeholt, was nur Eurythmie ist, alles andere weggelassen, und man bekommt eigentlich auf diese Weise nur einen künstlerischen Ausdruck. Denn es ist ja in aller Kunst so, daß man nur mit gewissen Kunstmitteln dasjenige zum Ausdrucke bringt, was eben eine Kunst darstellen kann. Sie können eine Statue nicht sprechen lassen; Sie müssen also in der Formung des Mundes, des ganzen Gesichtes dasjenige ausdrücken, was Sie als seelischen Ausdruck haben wollen. So nützt es auch nichts, hier naturalistische Menschen zu malen, sondern das zu malen, was unmittelbar als Eurythmisches herauskommt.
Nun ist es natürlich, daß wenn ich hier vom Schleier spreche, man nicht nach jedem Laut den Schleier wechseln kann; aber man findet all­mählich heraus, daß wenn man einmal in diese Gefühlsnuance, in diese Stimmung sich hineinversetzt für ein Gedicht, dann hat ein ganzes Gedicht eine A-Stimmung oder eine B-Stimmung. Dann kann man für das ganze Gedicht in irgendeiner Schleierfarbe die Sache zurecht­machen.
Ebenso ist es mit der Farbgestaltung. Hier habe ich für jeden ein­zelnen Laut Schleier, Form, Farbenzusammenstellung und so weiter dargestellt. Man muß bei einem Gedicht gewissermaßen die Grundnote haben. Diese Grundnote gibt dann die Schleierfarbe, überhaupt die ganze Zusammenstellung, die man durch das Gedicht festhalten muß, sonst müßten sich die Damen die Schleier fortwährend wechseln, fort­während Schleier abwerfen, andere Schleier anziehen, und die Sache würde noch komplizierter werden als sie schon ist, und die Leute wür­den sagen, sie verstehen sie noch weniger. Aber es ist durchaus so: hat man einmal die Lautstimmung, kann man sie auch durch ein ganzes Gedicht festhaltend und nur durch die Bewegungen variierend den Über­gang von einem Laut zum anderen, einer Silbe zur anderen, von einer Stimmung zu der anderen und so weiter machen.
Nun, ich habe, da ich heute pädagogisch-didaktische Zwecke habe, hier die Eurythmiefiguren so aufgestellt, daß Sie sie in der Reihenfolge sehen, wir das Kind die Laute lernt. Das Kind lernt von klein auf die Laute so, daß der erste Laut im wesentlichen derjenige ist, der als A tönt. In dieser Reihenfolge fortgeschritten, ungefähr natürlich, es gibt

alles euritmisch zijn.
Daarom is hier dus in een soort expressieve kunst alles wat alleen euritmie is uit de mens naar voren gehaald en al het andere weggelaten, en eigenlijk is slechts op deze manier kunstzinnige expressie mogelijk. Want het is immers bij alle kunst zo, dat men slechts met bepaalde middelen tot uitdrukking brengt wat nu eenmaal die kunst kan uitbeelden: U zou een beeldhouwwerk niet kunnen laten spreken; u moet dus in de vormgeving van de mond, van het hele gezicht, uitdrukken, wat u als uitdrukking van de ziel wilt tonen. Zo heeft het ook geen nut, hier op naturalistische wijze mensen te schilderen, maar moet er geschilderd worden hetgeen direct als euritmie verschijnt.
Als ik het hier over de sluier heb, dan spreekt daarbij natuurlijk vanzelf, dat er niet na elke klank van sluier verwisseld kan worden, maar langzamerhand ontdekt men, dat als men zich eenmaal voor een gedicht in deze gevoelsnuance, in deze stemming verplaatst heeft, dat dan het hele gedicht een A- of een B-stemming bezit. Men kan dan voor het hele gedicht de sluier in een of andere kleur nemen.
Zo ligt het ook voor wat betreft het verder gebruik van kleur. Ik heb hier voor elke afzonderlijke klank sluier, vorm, kleurcompositie, enzovoorts beschreven. Bij een gedicht moet men tot op zekere hoogte de grondtoon kennen. Die grondtoon levert dan de kleur van de sluier op, en trouwens het hele samenstel, dat men dan door het hele gedicht heen dient te behouden, want anders zouden de dames steeds van sluier moeten verwisselen, voortdurend sluiers moeten afdoen en andere sluiers moeten aantrekken, en alles zou nog veel ingewikkelder worden dan het al is, en de mensen zouden zeggen dat ze er nog minder van begrepen. Maar het is absoluut zo, dat als men eenmaal de stemming van de klank te pakken heeft, dan kan men die ook een heel gedicht lang vasthouden, en slechts door de bewegingen de overgang variëren van de ene klank op de andere, van de ene lettergreep op de andere, van de ene stemming op de andere enzovoorts.
Welnu, ik heb, daar ik vandaag pedagogisch-didactische doeleinden op het oog heb, de euritmie-figuren hier zodanig neergezet, dat u ze ziet staan in de volgorde waarin het kind, de klanken leert. Het kind leert van kleins af aan de klanken zó, dat de eerste klank in de grond van de zaak die is, welke als A klinkt. Voortgaande in de volgorde A, E, O, U, I, ongeveer, natuurlijk, die volgorde,

blz. 162

alle möglichen Abweichungen bei Kindern, aber in dieser Reihenfolge ungefähr: A, E, O, U, I, werden die Vokale durchschnittlich normal an­geeignet von dem Kinde. Wenn man in dieser Weise wiederum diese sichtbare Sprache der Eurythmie von dem Kinde ausüben läßt, dann ist es wie eine Auferstehung desjenigen, was das Kind erlebt hat beim Lautelernen als ganz kleines Kind, wie eine Resurektion, wie eine Auf­erstehung auf einer anderen Stufe. Das Kind erlebt noch einmal das, was es früher erlebt hat, in dieser eurythmischen Sprache. Und es ist das eine Befestigung desjenigen, was in dem Worte lieg, durch die Mittel des ganzen Menschen.
Dann, bei den Konsonanten ist es so, daß die Kinder lernen M, B, P, D, T, L, N; da würde noch ein NG sein müssen, wie zum Beispiel in gingen, das ist noch nicht gebildet; dann F, H, G, 5, R. R, dieser ge­heimnisvolle Buchstabe, der eigentlich drei Formen in der mensch­lichen Sprache hat, wird in Vollkommenheit erst zuletzt von den Kin­dern ausgeführt. Es gibt ein Lippen-R, ein Zungen-R, und ein R, das ganz rückwärts gesprochen wird.
So also kann man dasjenige, was das Kind in der Sprache in einem Parti alorganismus, im Sprachorganismus und im Gesangsorganismus lernt, das kann man auf den ganzen Menschen übertragen, zur sicht­baren Sprache ausbilden.
Wir werden dann, wenn einiges Interesse vorhanden sein sollte für solch eine expressionistische Kunst, auch weiteres ausbilden können, wie zum Beispiel Freude, Traurigkeit, wie Antipathie, Sympathie und anderes, was ja alles in Eurythmie darzustellen ist. Nicht nur die Gram­matik, sondern auch die Rhetorik kommt in der Eurythmie zurecht. Wir werden das alles ausbilden können. Dann wird man sehen, wie tatsächlich auch dieses geistig-seelische Turnen, das nicht nur in den physischen Menschen physiologisch hineinwirkt, sondern geistig­seelisch und leiblich-körperlich den Menschen bildet, in der Tat auf der einen Seite seinen pädagogisch-didaktischen Wert, auf der anderen Seite seinen künstlerischen Wert haben kann.
Nun, gestatten Sie, daß ich nur in Parenthese eben hinzufüge, daß diese Figuren von dem Eurythmielernenden nach dem Eurythmie­unterricht zum memorieren dienen können. Denn man soll nur ja nicht

want er zijn allerlei afwijkingen mogelijk bij kinderen, maakt het kind zich normaal gesproken de klinkers eigen. Als men de kinderen deze zichtbare taal van de euritmie weer laat beoefenen, dan is dat als een wederopstanding van hetgeen het kind heeft beleefd bij het leren van de klanken als zeer klein kind, als een verrijzenis, als een opstanding op ander niveau. Het kind beleeft hetgeen het vroeger beleefd heeft nog eens in deze euritmische taal. En dat is een bevestiging van hetgeen in het woord ligt, nu door middel van de gehele menselijke gestalte.
Bij de medeklinkers is het dan verder zo, dat de kinderen achtereenvolgens M, B, P, D, T, L, N leren; er zou daar nog een NG bij moeten zijn, zoals bijvoorbeeld in ‘gingen’, maar die is nog niet gevormd; dan verder F, H, G, S, R. De R, die geheimzinnige letter, die eigenlijk drie vormen kent in de menselijke taal, wordt in alle volledigheid pas als laatste door de kinderen uitgevoerd. Er bestaat een lippen-R, een tong-R en een R die helemaal achterin wordt gesproken.
Zo kan men dus hetgeen het kind in de taal leert voor wat betreft een deel-organisme in het spraakorganisme en het zangorganisme, overdragen op de gehele mens, en tot zichtbare taal vormen.
Wij zullen dan, wanneer er enige interesse zou blijken te bestaan voor een dergelijke expressionistische kunst, ook andere dingen kunnen uitbeelden, zoals bijvoorbeeld vreugde, verdriet, antipathie, sympathie en andere dingen die immers allemaal in euritmie zijn weer te geven. Niet alleen de grammatica, maar ook de retorica vindt in de euritmie een plaats. Dit zullen we allemaal kunnen uitbeelden. Dan zal men zien, dat ook deze spirituele gymnastiek in feite niet alleen een fysiologische invloed heeft op de mens, maar dat ze de mens lichamelijk en spiritueel vormt, en inderdaad enerzijds pedagogisch-didactische, en anderzijds kunstzinnige waarde kan bezitten.
Welnu, staat u mij toe dat ik als tussenopmerking toevoeg, dat deze figuren de euritmie-student na het euritmie-onderricht van dienst kunnen zijn als geheugensteun. Want men moet niet

blz. 163

glauben, daß Eurythmie etwas so Leichtes ist, daß man es in ein paar Stunden sich beibringen kann. Eurythmie muß wirklich gründlich er­lernt werden; aber zum Wiederholen können solche Eurythmiefiguren auch für diejenigen dienen, die eurythmische Kunst suchen, zu dem Wei­ter-sich-Hineinvertiefen. Man wird schon sehen, daß in den Formen selber, die hier verhältnismäßig einfach geschnitzt und bemalt sind, sehr viel liegt.
Das ist dasjenige, was ich heute sagen wollte über die eurythmische Kunst, namentlich insofern sie sich einfügen kann in das pädagogisch-didaktische Prinzip, wie wir es in der Waldorfschule zu pflegen suchen.

denken, dat euritmie zo iets gemakkelijks is, dat men het in een paar uur kan leren. Euritmie moet werkelijk grondig geleerd worden; maar bij het herhalen kunnen dergelijke euritmiefiguren ook van dienst zijn, voor degenen die zich met de euritmische kunst bezighouden, om zich daar verder in te verdiepen. Men ziet wel, dat in de vormen als zodanig, die hier betrekkelijk eenvoudig uit hout gesneden en beschilderd zijn, al heel veel ligt besloten.
Dat is hetgeen ik vandaag wilde zeggen over de euritmische kunst, met name voor zover deze zich kan inpassen in de pedagogisch-didactische beginselen, zoals wij die op de vrijeschool trachten na te streven.
GA 305/158-163
vertaald : Nu: opvoeding en kunst.
Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst. Daaruit blz. 170-175

.

de andere klankfiguren vind je op VRIJESCHOOL in beeld
.

blz. 245

ANSPRACHE
zu einer Eurythmie-Aufführung Oxford, 18. August1922
Über die künstlerische Formensprache der Eurythmie

Meine sehr verehrten Anwesenden, gestatten Sie, daß ich mit ein paar Worten unsere Eurythmieaufführung einleite. Es soll das nicht ge­schehen, um die Vorstellung etwa zu erklären, denn jede Interpretation eines Kunstwerkes ist ja etwas Unkünstlerisches. Kunst muß durch sich selbst wirken und wird durch unmittelbare Anschauung ihren Eindruck machen. Da es sich aber bei unserer Eurythmie um eine Kunst­form handelt, welche sich gewisser Kunstmittel bedient, die heute noch ungewohnt sind, und welche aus künstlerischen Quellen schöpft, die ebenfalls heute noch ungewohnt sind, so gestatten Sie mir, daß ich über diese künstlerischen Quellen und diese künstlerische Formen-sprache ein paar Worte sage.
Man kann leicht Eurythmie verwechseln mit gewissen Nachbar-künsten, gegen die durchaus hier nichts gesagt werden soll, die voll anerkannt werden sollen, nur will eben Eurythmie etwas anderes sein, nicht Tanzkunst, nicht mimische Kunst, nichts Pantomimisches und dergleichen, sondern Eurythmie will durch das Kunstmittel einer wirk­lichen sichtbaren Sprache wirken. Es sind nicht Gebärden, es ist nicht mimischer, pantomimischer Ausdruck, was Sie hier auf der Bühne sehen werden, sondern es sind Bewegungen des einzelnen Menschen in seinen Gliedern, oder Bewegungen und Stellungen von Menschengruppen, die eine wirkliche sichtbare Sprache darstellen. Man kann nämlich das­jenige studieren, was innerlich im Menschen übersinnlich geschieht, wenn der Mensch singt, also wenn sich der Ton herausgestaltet aus sei­nem Organismus, und man kann studieren, was im Menschen geschieht, wenn sich der Laut der Sprache herausgestaltet aus seinem Organismus. Durch eine Art sinnlich-übersinnlichen Schauens entdeckt man da, daß Bewegungsabsichten, ich sage nicht Bewegungen, sondern Bewegungs­absichten, den ganzen Menschen durchwellen und durchweben.

TOESPRAAK
bij een euritmie-uitvoering Oxford, 18 augustus 1922

Zeer geachte aanwezigen,
Staat u mij toe dat ik met een paar woorden onze euritmie-uitvoering inleid. Dat gebeurt niet om de voorstelling uit te leggen of zoiets, want iedere interpretatie van een kunstwerk is iets onkunstzinnigs. Kunst moet door zichzelf een werking hebben en zal door het directe bekijken een indruk maken. Omdat het echter bij onze euritmie om een kunstvorm gaat die zich van bepaalde kunstzinnige middelen bedient die tegenwoordig nog ongebruikelijk zijn en die uit kunstzinnige bronnen put die eveneens tegenwoordig nog ongewoon zijn, sta mij daarom toe dat ik over deze kunstzinnige bronnen en deze kunstzinnige vormentaal een paar woorden zeg.
Men kan euritmie gemakkelijk verwisselen met bepaalde soortgelijke kunsten, waartegen hier zeker niets gezegd wordt, die volledig erkend moeten worden; alleen, euritmie wil nu eenmaal iets anders zijn, geen danskunst, geen mimische kunst, geen pantomime en dergelijke, maar euritmie wil door het kunstmiddel van een werkelijk zichtbare taal werken. Het zijn geen gebaren, het is geen mimische, pantomimische expressie wat u hier op het toneel zal zien, maar het zijn bewegingen van individuele mensen met de ledematen of bewegingen en houdingen van groepen mensen die een echte zichtbare taal vertonen. Je kan namelijk bestuderen wat er inwendig in de mens bovenzintuiglijk gebeurt, wanneer de mens zingt, dus wanneer de toon vanuit zijn organisme naar buiten gevormd wordt en je kan bestuderen wat er in een mens gebeurt wanneer de klank van het spreken uit zijn organisme naar buiten gevormd wordt. Door een soort zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen ontdek je dat er impulsen om te bewegen, ik zeg niet bewegingen, maar impulsen om te bewegen door de hele mens heen golven.

blz. 246

Diese Bewegungsabsichten werden im Momente ihres Entstehens aufgehalten und verwandeln sich in einzelne Organbewegungen des Kehlkopfes und seiner Nachbarorgane, die dann mitgeteilt werden der Luft und so den Gesangston, das Musikalische oder auch den Sprach-ton, das Lautliche vermitteln.
Dasjenige, was durch ein übersinnliches Schauen als Bewegungs-absichten im Menschen entdeckt werden kann, kann als Anfangs-entfaltung, als sichtbarer Anfang sich entfalten als eine sichtbare Sprache, wenn man die entdeckten Bewegungsabsichten auf den gan­zen Menschen oder auf Menschengruppen überträgt. So daß Sie sehen werden, namentlich ausdrucksvollste Glieder des menschlichen Orga­nismus, die Arme, die Hände sich bewegen.
Das soll nicht in der einzelnen Gebärde gedeutet werden. Es sollen nicht einzelne Gebärden bezogen werden auf irgend etwas Seelisches, geradesowenig wie der einzelne Laut auf irgend etwas Seelisches be­zogen werden soll unmittelbar, sondern in seiner Konfiguration, in seinem Zusammenhang mit den anderen Lauten und so weiter. Und so ist es auch mit der Eurythmie. Sie soll durch dasjenige, was als Bewe­gung vorgeführt wird, ihren unmittelbaren Eindruck machen.
Und auf diese Art kann man, wenn Eurythmie begleitet wird von dem Musikalischen, sichtbar singen. Man kann, wenn es sich handelt um Dichterisches, wenn Gedichte deklamiert und rezitiert werden, mit der sichtbaren Sprache der Eurythmie die Dichtungen zum Ausdruck, zur Offenbarung bringen. Nichts Nebuloses ist dabei, sondern durch­aus etwas, was mit derselben Selbstverständlichkeit als Bewegung aus dem ganzen Menschen kommt, wie der Laut und der Ton aus dem Kehlkopf kommen.
Daher sollte man auch ein Gefühl, eine Empfindung entwickeln mehr für die Aufeinanderfolge der Bewegungen als für die einzelnen Bewegungen. So wie es sich im Musikalischen um den melodischen oder um den harmonischen Zusammenklang der aufeinanderfolgenden Töne handelt, nicht um den einzelnen Ton, so handelt es sich hier nicht um die einzelne Bewegung, sondern um dasjenige, was aus der Bewe­gung heraus gestaltet wird.
Dann aber, wenn man also diesen sichtbaren Gesang oder diese

Deze bewegingsimpulsen worden op het ogenblik dat ze ontstaan, geremd en worden omgevormd in aparte orgaanbewegingen van het strottenhoofd en de organen die erbij horen, wat dan aan de lucht overgebracht wordt en zo de zangtoon, het muzikale of ook de spreektoon, de klank mogelijk maken.
Hetgeen door een bovenzintuiglijk waarnemen als bewegingsimpuls ontdekt kan worden, kan als een eerste ontwikkeling, als een zichtbaar begin zich ontplooien als een zichtbare taal, wanneer je de bewegingsimpulsen die je hebt ontdekt overbrengt op de hele mens of op de groep. Zodat u kan zien hoe met name de ledematen van het menselijk organisme, de armen, de handen zich met zeer veel uitdrukking bewegen.
Je moet niet het aparte gebaar willen verklaren. Een paar gebaren moeten niet verbonden worden met iets van het gevoel, net zomin als je een losse klank meteen op iets van het gevoel kan betrekken, maar in een geheel, in zijn samenhang met de andere klanken enz. En zo is dat ook met euritmie. Ze moet door wat ze als bewegingen laat zien een directe indruk maken.
Op deze manier kun je, wanneer euritmie begeleid wordt door muziek, zichtbaar zingen. Je kan, wanneer het om poëzie gaat, wanneer er gedichten voorgedragen worden en gereciteerd, met het zichtbaar spreken van de euritmie deze gedichten tot uitdrukkingbrengen, inzichtelijk maken. Daar is niets vaags aan, maar juist iets wat met dezelfde vanzelfsprekendheid als beweging uit de totale mens komt, zoals de klank en de toon uit het strottenhoofd komen.
Daarom zou je ook meer een gevoel, een invoelen moeten ontwikkelen voor de volgorde van de bewegingen dan voor de aparte bewegingen. Net zoals het bij muziek gaat om het melodieuze of om de harmonische samenklank van de elkaar opvolgende tonen, niet om de losse toon, zo gaat het hier niet om de aparte beweging, maar om wat vanuit de bewegingen vorm gegeven wordt.
Dan echter, wanneer je dus dit zichtbare zingen of dit

blz. 247

sichtbare Sprache hat, muß man sie erst künstlerisch gestalten. Euryth­mie ist zunächst bloß Sprache, bloß Ton. Das künstlerisch Geschaute, das soll dann zustande kommen, indem nachgefühlt wird einem Musi­kalischen, oder nachgefühlt wird einem Dichterischen dasjenige, was darinnen ist schon an verborgener Eurythmie. Denn das muß immer betont werden: Der wahre Dichter hat diese verborgene Eurythmie, die hier sichtbarlich zum Ausdrucke kommt, schon in seiner Seele, wenn auch unbewußt. Er gestaltet aus dem ganzen Menschen heraus, nicht bloß aus einem einzelnen Organ, seine Dichtung, wenn sie ein wirkliches Kunstwerk sein soll. – Daher, wenn Gedichte parallelgehend der Eurythmieaufführung deklamiert oder rezitiert werden, handelt es sich darum, daß auch da Deklamations- und Rezitationskunst in einer anderen Form auftreten muß als etwa in einer bloßen Betonung des Prosainhaltes.
Bei der Dichtung handelt es sich um die Gestaltung des Sprachlichen, so daß dasjenige, was im Sprachlichen musikalisch ist, oder im Sprach­lichen bildhaft, lautbildhaft gestaltet ist, bei der Deklamation und Rezi­tation herauskommen muß, sonst würden diese Künste, diese Sprech­künste nicht begleiten können das Eurythmische. Mit einem Pointieren des Prosainhaltes kommt man daher nicht zurecht. Daher mußten wir auch auf ältere, mehr künstlerische Zeitalter zurückgehen, als das heu­tige ist, die Rezitations- und Deklamationskunst besonders ausbilden, so daß bei ihr auf das Musikalische, auf die Gestaltung der Sprache mehr Gewicht gelegt wird als auf das Pointieren des Prosainhaltes.
Gerade aber weil die Rezitation und Deklamation besonders auf­fallen muß, ist es notwendig, daß ich hier eine Entschuldigung vor Ihnen anbringe. Frau Dr. Steiner, welche deklamieren wird in einer ihr sonst nicht völlig gewohnten Sprache, wenigstens als Rezitation nicht völlig gewohnten Sprache, muß im Englischen rezitieren und deklamieren aus dem Grunde, weil es sich hier zugleich handelt um die Vorführung einer besonderen Kunstgestaltung der Deklamation und Rezitation, und diese eben erst selbst ausgearbeitet worden ist. Wir müssen abwarten, bis sie in den verschiedenen Sprachen, diese Rezi­tations- und Deklamationskunst, erst voll ausgebildet sein wird. Daher läßt sich Frau Dr. Steiner entschuldigen, daß sie als Nicht-Engländer

zichtbare spreken hebt, moet je deze ook kunstzinnig vormgeven. Euritmie is allereerst alleen maar taal, alleen maar toon. Het kunstzinnig waarnemen moet dan tot stand komen wanneer je het muzikale na kan voelen of het poëtische na kan voelen, wat er al in zit aan verborgen euritmie. Daar moet steeds de nadruk op worden gelegd: de echte dichter heeft deze verborgen euritmie, die hier zichtbaar tot uitdrukking komt, al in zijn ziel, ook al is dit onbewust. Hij schept zijn dichtwerk vanuit de hele mens, niet alleen uit een los orgaan, wil het een echt kunstwerk zijn. – Vandaar dat wanneer er tegelijkertijd met de euritmie-uitvoering gedeclameerd of gereciteerd wordt, het erom gaat dat de kunst van het declameren of reciteren in een andere vorm moet gebeuren dan wanneer de nadruk zou liggen op de inhoud van proza.
Bij gedichten gaat het om hoe je het spreken vormgeeft, zodat wat in het spreken het muzikale is of wat plastisch, klankplastisch vorm gegeven wordt er bij het declameren en reciteren uit moet komen, anders zouden deze kunsten, deze spreekkunsten de euritmie niet kunnen begeleiden. Aan een op de voorgrond plaatsen van de proza-inhoud heb je hier niets. Vandaar dat we terug moesten gaan naar oudere, meer kunstzinnige tijden dan de tegenwoordige en de recitatie- en declamatiekunst in het bijzonder ontwikkelen zodat er meer nadruk ligt op het muzikale en op de vorming van het spreken, dan op het benadrukken van de proza-inhoud.
Juist omdat de recitaite en declamatie bijzonder op de voorgrond moet treden, is het nodig dat ik u hier een excuus maak. Mevrouw Steiner die zal declameren in een taal die zij niet helemaal gewend is, tenminste niet als taal om te declameren, moet in het Engels reciteren en declameren omdat het hier tegelijk gaat om de opvoering van een bijzondere kunstvorm van declamatie en recitatie en dat deze zelf pas uitgewerkt zijn. We moeten afwachten tot ze in de meest verschillende talen pas volledig ontwikkeld zal zijn. Vandaar dat mevrouw Steiner zich verontschuldigt, dat zij als niet-Engelse

blz. 248

in englisch rezitieren und deklamieren wird. Dies möchte ich nur vor­ausschicken.
Was Sie hier sehen werden auf der Bühne, zu dem möchte ich nur hinzufügen, daß die Eurythmie noch zwei andere Seiten hat. Eine Seite, die ich nur ganz kurz erwähnen will, ist die therapeutisch-hygienische Seite. Da alle Bewegungen, welche Sie ausgeführt sehen, obwohl sie hier nur künstlerisch gestaltet sind, mit einer elementaren Selbstver­ständlichkeit und Notwendigkeit herausgeholt sind aus der mensch­lichen Organisation, wie die Sprache selber, so kann man sagen: Diese Bewegungen sind die Offenbarung der gesunden Menschennatur. -Nicht die Bewegungen, die Sie hier sehen, aber andere Bewegungen, metamorphosierte, umgestaltete Bewegungen kommen als Heileuryth­mie in Betracht. Daher haben wir in unseren medizinisch-therapeu-tischen Instituten in Arlesheim in der Schweiz und in Stuttgart bereits die Heileurythmie als eine besondere therapeutische Form ausgebildet, und es hat sich gezeigt, wie sehr sie zum Hygienischen und zum Heilen verwendet werden kann, wenn sie in anderen Formen, als sie hier, wo sie rein künstlerisch auftreten soll, sich offenbaren wird.
Die dritte Seite ist die pädagogisch-didaktische Seite. Da wir aber morgen das große Vergnügen haben werden, Ihnen mit Kindern hier Eurythmisches vorzuführen, so kann ich heute verzichten, für die pädagogisch-didaktische Seite, die dritte Seite, zu sprechen und werde morgen einige Worte der Kinderaufführung vorausschicken über den pädagogischen und didaktischen Wert der Eurythmie, der sich schon gezeigt hat, wie er ist, seit die Waldorfschule in Stuttgart besteht, in der die Eurythmie als ein pädagogisch-didaktischer Lehrgegenstand, neben dem Turnen, als obligatorischer Lehrgegenstand eingeführt ist. Und ebenso selbstverständlich wachsen die Kinder in diese sichtbare Sprache hinein, in diesen sichtbaren Gesang, wie in jungeren Jahren die ganz kleinen Kinder in Lautsprache und Gesang hineinwachsen.
LJnd so möchte ich nur noch anfügen, was ich niemals unterlasse zu sagen, daß die verehrten Zuschauer um Entschuldigung gebeten werden und Nachsicht haben möchten, denn Eurythmie ist heute noch durch­aus im Anfange ihrer Entwickelung, und jede Kunstform, die erst an­fängt, muß notwendigerweise unvollkommen sein. Wir sind selbst

in het Engels zal reciteren en declameren. Dit wilde ik graag vooraf zeggen.
Aan wat u hier op het toneel zal zien, wil ik graag nog toevoegen dat de euritmie nog twee andere aspecten heeft. Een kant die ik hier kort wil aanstippen, is de therapeutisch-hygiënische. Omdat alle bewegingen die u uitgevoerd zal zien worden, hoewel ze hier alleen maar kunstzinnig gevormd zijn, met een elementaire vanzelfsprekendheid en noodzakelijk uit de menselijke organisatie zijn gehaald, zoals het spreken zelf, kun je zeggen: deze bewegingen zijn een uiting van de gezonde mensennatuur. – Niet de bewegingen die u hier ziet, maar andere bewegingen, gemetamorfoseerde, omgevormde bewegingen kunnen als heileuritmie worden gebruikt. Daarom hebben we in onze medisch-therapeutische instituten in Arlesheim in Zwitserland en Stuttgart de heileuritmie al als een bijzondere vorm van therapie ontwikkeld en het blijkt hoe zeer het voor het hygiënische en bij het gezonder worden, toegepast kan worden, wanneer ze op andere manieren zoals hier, waar ze puur kunstzinnig uitgevoerd wordt, zich kan manifesteren.
Het derde aspect is de pedagogisch-didactische kant. Omdat we morgen echter het grote genoegen hebben u met kinderen euritmie te laten zien, kan ik er nu vanaf zien over de pedagogisch-didactische, het derde aspect, te spreken en zal morgen een paar woorden aan de kinderuitvoering vooraf laten gaan over de pedagogische en didactische waarde van de euritmie die al gebleken is sinds de vrijeschool in Stuttgart bestaat, waar de euritmie als een pedagogisch-didactisch vak naast de gymnastiek als verplicht vak ingevoerd is. En de kinderen raken vanzelfsprekend in dit zichtbare zingen net zo thuis als in de eerste jaren de heel kleine kinderen met spraakklanken en zingen vertrouwd raken.
En dan wil ik er nog aan toevoegen wat ik nooit achterwege laat, dat u, beste toeschouwers, verontschuldigingen worden aangeboden en om begrip gevraagd, want de euritmie staat nu zeker nog aan het begin van haar ontwikkeling en iedere kunstvorm die begint, moet noodzakelijkerwijs nog onbeholpen zijn. Wij zijn voor ons zelf

blz. 249

unsere strengsten Kritiker, kennen dasjenige, was noch mangelhaft an der Eurythmie ist, aber wir versuchen auch, ich möchte sagen, von Monat zu Monat immer weiterzukommen.
Sie werden zum Beispiel heute hier schon sehen, was man vor einem Jahr noch nicht sehen konnte, wie das ganze Bühnenbild eurythmisch gestaltet sein soll, so daß Sie nicht nur den bewegten Menschen in der Eurythmie sehen, sondern zugleich die Beleuchtungskräfte, die sich offenbaren noch innerhalb der einzelnen Szenen der Darstellung. Da wird nun auch der Hauptwert gelegt werden müssen nicht auf die ein­zelne Farbenbeleuchtung, sondern auf die Aufeinanderfolge, ich möchte sagen, dynamische Aufeinanderfolge der Beleuchtungseffekte, die sich eurythmisch auch hineinfügen sollen in das ganze übrige eurythmische Bild.
Und so darf man, wenn man auf der einen Seite gerade das Mangel­hafte noch dieser Eurythmie erwähnt aus dem Bewußtsein heraus, mit welchen künstlerischen Mitteln gearbeitet und aus welchen künst­lerischen Quellen noch geschöpft werden kann, sagen, daß sie einer unermeßlichen Vervollkommnung in die Zukunft hinein fähig sein wird. Denn sie bedient sich eines Werkzeuges, das im Grunde genom­men das höchste künstlerische Werkzeug sein muß, sie bedient sich als eines Werkzeuges des Menschen selber, des gesamten Organismus des Menschen. Und alle Weltengeheimnisse, alle Gesetzmäßigkeiten des Kosmos sind im Menschen enthalten. Wenn man daher eine sichtbare Sprache aus dem ganzen Menschen herausholt, holt man zu gleicher Zeit etwas aus ihm heraus, was von der ganzen Summe der Weltengeheim­nisse und der Weltengesetzmäßigkeit spricht. Der Mensch ist einmal ein Mikrokosmos, und so kann, wenn dieser Mikrokosmos als künst­lerisches Werkzeug verwendet wird, zum Ausdrucke kommen dasjenige, was ausgebreitet ist an Geheimnissen, an Mysterien durch das ganze Weltenall hindurch. Deshalb darf man trotz der Unvollkommenheit hoffen, in der sich Eurythmie heute noch befindet, daß sie sich in die Zukunft hinein so vervollkommnen wird lassen und als vollberechtigte Kunstform einstmals neben die älteren vollberechtigten Kunstformen wird hintreten können.
Nur noch ein paar Worte über die Aufführung selbst. Wir teilen das

de strengste critici, we weten wat aan de euritmie nog voor tekortkomingen kleven, maar we proberen ook maandelijks verder te komen.
U kunt bijv. hier al zien hoe het hele toneelbeeld euritmisch vormgegeven wordt, zodat u niet alleen maar de zich bewegende mensen in de euritmie ziet, maar tegelijkertijd de invloed van de belichting die tot uiting komt in de aparte scènes van de voorstelling. Hier moet ook de meeste nadruk komen te liggen, niet op de aparte kleuren, maar op de achter elkaar verschijnende kleuren, ik zou willen zeggen, de dynamische volgorde van de belichtingseffecten die zich euritmisch moeten voegen in het totale euritmische plaatje.
En zo mag je wel zeggen, ook al wordt aan de ene kant het nog gebrekkige van deze euritmie genoemd vanuit het bewustzijn van met welke kunstzinnige middelen gewerkt kan worden en vanuit welke kunstzinnige bronnen nog geput kan worden, dat zij in staat zal zijn zich in de toekomst nog onnoemelijk te verbeteren. Want ze gebruikt een instrument dat in de grond van de zaak genomen het grootste kunstzinnige instrument moet zijn, ze gebruikt het instrument van de mens zelf, het gehele organisme van de mens. En alle wereldmysteries, alle wetmatigheden van de kosmos bevinden zich in de mens. Wanneer je dan een zichtbaar spreken uit de totale mens naar buiten brengt, breng je tegelijkertijd iets uit hem naar buiten wat over alle wereldgeheimen en wereldwetmatigheden spreekt. De mens is nu eenmaal een kosmos in het klein en zo kan, wanneer deze kosmos in het klein gebruikt wordt, wat door het hele wereldal aan geheimen, aan mysteries uitgebreid is, tot uitdrukking komen. Daarom mag je hopen, ondanks de tekortkomingen die de euritmie nu nog aankleven, dat ze in de toekomst zo vervolmaakt wordt, dat ze als een volkomen terechte kunstvorm naast de oudere volkomen terechte kunstvormen, zal kunnen toetreden.
Nog een paar woorden over de opvoering zelf. We verdelen

blz. 250

Programm in zwei Teile. Am Schlusse des ersten Teiles wird eine Szene aus einem meiner Mysterienspiele dargestellt werden. Das Mysterien-drama hat es zu tun mit der Entwickelung eines Menschen, der sich allmählich einlebt in die übersinnliche Welt selbst. Zur Darstellung desjenigen, was den Menschen verbindet mit dem Übersinnlichen, ist ja Eurythmie ganz besonders geeignet. – Nun zeigt die Szene, welche hier am Schluß des ersten Teiles zur Darstellung kommt [«Der Seelen Erwachen», viertes Bild], wie dem Johannes Tliomasius, weil in seinem Gedächtnis alles dasjenige aufsteigt, was er erlebt hat mit lieben Freun­den, Capesius, Strader und so weiter, dieses in seiner Seele sich so ver­tieft, daß es ihm in der Gestalt des Doppelgängers erscheint, daß seine eigene Jugend vor ihm auftritt, daß dasjenige, was man den Hüter der Schwelle nennt, jenen Hüter, vor dem der Mensch steht, wenn er in die geistige Welt eintritt, erscheint, daß die andere Gestalt, die Gestalt des Ahriman, die Verkörperung des Schlauen, des Bösen auftritt. Es sind innere Vorgänge, die in der Seele des Johannes Thomasius selber erlebt werden. Alles dasjenige, was ins Übersinnliche hinaufweist, wird in Eurythmie dargestellt und von Frau Dr. Steiner deklamiert. Der Jo­hannes Thomasius selbst aber als naturalistische Figur wird bühnen-mäßig gespielt werden, denn alles dasjenige, was naturalistisch gefaßt ist, muß auch bühnenmäßig zum Ausdrucke kommen. Dagegen alles dasjenige, was ins Übersinnliche spielt, kann gerade durch die Euryth­mie in einer höheren Weise zur Vorführung kommen.
Dies ist also am Schlusse des ersten Teiles. Im Beginn des zweiten Teiles wird ebenfalls eine Szene aus einem meiner Mysteriendramen [«Der Hüter der Schwelle», sechstes Bild] vorgeführt, wo dargestellt wird, daß die Mächte der Mystik, der Schwärmerei, die luziferischen Mächte auf der einen Seite, auf der anderen Seite die ahrimanischen Mächte des Bösen, der Schlauheit, der Klugheit, der List vor Johannes Thomasius auftreten, der aber diesmal nicht auf der Szene erscheint, die ihm im Traume erscheinen, was angedeutet wird durch eine beson­dere Gestalt, die vor dem Erwachen dieser Traumanschauung des Jo­hannes Thomasius spricht. Wir haben es also mit Szenen aus Mysterien-dramen zu tun, und ich bitte Sie, das zu berücksichtigen.

het programma in twee delen. Aan het einde van het eerste deel wordt een scène uit een van mijn mysteriedrama’s opgevoerd. Het mysteriedrama heeft te maken met de ontwikkeling van de mens die langzaam inzicht krijgt in de hogere wereld zelf. Om te laten zien wat de mens verbindt met het bovenzintuiglijke, is de euritmie heel geschikt. – Nu laat de scène die hier aan het eind van het eerste deel opgevoerd wordt [‘het ontwaken der zielen’, vierde beeld] zien, hoe bij Johannes Thomasius, omdat hij zich weer herinnert wat hij beleefd heeft met zijn beste vrienden, Capesius, Strader, enz. hoe hij dit in zijn ziel zo diep beleeft, dat dit aan hem in de gestalte van de dubbelganger verschijnt; dat hij zijn eigen jeugd ziet, dat wat de wachter aan de drempel wordt genoemd, zijn wachter, voor de mens staat, wanneer hij de geestelijke wereld binnengaat, dat de andere gestalte, de gestalte van Ahriman, de belichaming van sluwheid, van het kwaad verschijnt. Het zijn innerlijke processen die in de ziel van Johannes Thomasius zelf worden doorgemaakt. Alles wat naar het bovenzintuiglijke wijst, wordt in de euritmie verbeeld en door mevoruw Steiner gedeclameerd. Johannes Thomasius zelf echter wordt als een mens van vlees en bloed ten tonele gevoerd, want alles wat natuurgetrouw opgevat moet worden, moet ook zo ten tonele verschijnen. Alles wat zich daarentegen in het bovenzintuiglijke afspeelt, kan met name door de euritmie op een verhevener manier getoond worden.
Dit dus aan het einde van het eerste deel. In het begin van het tweede deel wordt eveneens een scene uit een van mijn mysteriedrama’s opgevoerd [‘De wachter aan de drempel’, zesde beeld], waarin wordt uitgebeeld dat de krachten van mystiek, van dweperij, de luciferische machten enerzijds, anderzijds de ahrimanische machten van het kwaad, de sluwheid, het gewiekste, de list zich aan Johannes Thomasius vertonen, die echter zelf niet in de scène zit, die in zijn droom verschijnen, wat getoond wordt door een bijzondere gestalte die vóór Johannes Thomasius wakker wordt, deze droombeelden uitspreekt. We hebben dus scènes uit mysteriedrama’s en ik verzoek u daarmee rekening te houden.
GA 305/245-250
Niet vertaald

Mysteriedrama’s:
GA 14
V
ertaald:   1 en 2;  3 en 4

blz. 251

ANSPRACHE
zu einer Eurythmie-Aufführung Oxford, 19. August 1922
Das pädagogische Element der Eurythmie

Ich habe mir gestern erlaubt, einige Worte der eurythmischen Vor­stellung vorauszuschicken, um die besondere Kunstform der Eurythmie zu erklären. Heute möchte ich über diese Kunstform nichts weiter sprechen. Dasselbe, was ich gestern gesagt habe, würde ich voraus-schicken müssen dem zweiten Teile unserer heutigen Vorstellung. Der erste Teil umschließt eine Vorstellung mit Kindern, die hier kurze Zeit Eurythmie gelernt haben, und da darf ich einiges über die pädagogisch-didaktische Seite dieser Eurythmie sagen.
In erster Linie – das muß immer festgehalten werden – soll Euryth­mie nicht Gymnastik, nicht Tanz sein, aber sie soll eine Kunstform sein. Da sie aber in einer wirklichen sichtbaren Sprache besteht, die heraus-geholt ist aus der gesunden Organisation des Menschen, so kann sie auch ausgebildet werden so, daß sie gewissermaßen als ein geistiges Turnen im Unterricht und in der Erziehung verwendet wird. Wir haben gleich mit der Gründung der Waldorfschule in Stuttgart die Eurythmie als einen obligatorischen Lehrgegenstand neben dem Turnen eingeführt. Man kann sehen, daß jetzt, nach einigen Jahren der Führung der Wal­dorfschule, sich durchaus herausgestellt hat, welchen großen pädago­gischen und didaktischen Wert diese Eurythmie hat.
Erstens hat sie dadurch ihre besondere Bedeutung, daß sie allem Sprachunterricht zu Hilfe kommt. Es ist immer so, daß sich die Kinder wie selbstverständlich hineinfinden in diese sichtbare Sprache, mit Wohlgefallen, mit innerer Befriedigung hineinfinden wie in etwas, was aus der menschlichen Organisation folgt, geradeso wie die ganz kleinen Kinder sich in die Lautsprache und in den Gesang hinein-finden. Indem die Kinder sich hineinfinden in diese sichtbare Sprache, fühlen sie das Wesen der Sprache in der menschlichen Organisation, und von da aus strahlt dann auch einVerständnis in dasjenige, was

TOESPRAAK
bij een euritmie-uitvoering Oxford, 19 augustus 1922

Gisteren heb ik de vrijheid genomen vóór de euritmie-uitvoering een paar woorden te spreken om de bijzondere kunstvorm van de euritmie nader aan te geven. Vandaag wil ik over deze kunstvorm verder niets zeggen. Ik zou hetzelfde wat ik gisteren heb gezegd, vooraf moeten laten gaan aan het tweede deel van onze opvoering van vandaag. Het eerste deel is een voorstelling met de kinderen die hier in een korte tijd euritmie hebben geleerd en nu mag ik wel wat over de pedagogisch-didactische kant van deze euritmie zeggen.
In eerste instantie – dat moet altijd vastgehouden worden – i
Omdat ze uit een echte zichtbare taal bestaat die uit het gezonde organisme van de mens is gehaald, kan ze ook zo ontwikkeld worden dat ze als zodanig in zekere zin toegepast kan worden in onderwijs en opvoeding als een geestelijke gymnastiek. We hebben meteen met de oprichting van de vrijeschool in Stuttgart de euritmie als een verplicht vak naast de gymnastiek ingevoerd. Je kan zien dat na een paar jaar vrijeschool, duidelijk gebleken is welke grote pedagogisch-didactische waarde de euritmie heeft.
In de eerste plaats is ze belangrijk omdat ze het hele taalonderwijs ondersteunt. Steeds is het zo dat de kinderen als vanzelfsprekend thuisraken in deze zichtbare taal, met plezier, met innerlijke tevredenheid thuisraken in wat het menselijk organisme vertoont, net zoals de heel kleine kinderen thuisraken in de spraakklanken en het zingen. Wanneer de kinderen thuisraken in deze zichtbare taal, voelen ze het wezen van de taal in het menselijk organisme en vandaaruit werkt dit door in

blz. 252

man schulmäßig in der eigentlichen Lautsprache den Kindern beizu­bringen hat.
Dann ist aber Eurythmie eine besondere Hilfe für die Willens-erziehung. In dieser Beziehung wird man einmal wohl unbefangener urteilen als heute noch, wo man das gewöhnliche Turnen, ich möchte sagen, das körperliche Turnen etwas überschätzt. Ich möchte nichts über dieses körperliche Turnen, das aus den Gesetzen der Physiologie zu schöpfen ist, hier sagen; ich erkenne es vollständig an. Ich möchte nur erwähnen, nur als Beispiel anführen, daß, als ich einmal über die Eurythmie und ihre pädagogische und didaktische Seite in unserer freien Waldorfschul-Methodik im Goetheanum einleitende Worte sprach, ich das Merkwürdige erlebte, daß ein sehr berühmter Physio-loge der Gegenwart, der sich diese Worte anhörte, in denen ich auch sagte, daß ich das Turnen durchaus anerkenne, daß aber Eurythmie als beseeltes Turnen eine wichtige Vollendung ist desjenigen, was durch das körperliche Turnen nur in einseitiger Weise erreicht wird, zu mir sagte:
Sie sehen also das Turnen als ein Erziehungsmittel an? Ich als Physio­loge sehe es an als eine Barbarei.
Nun, wie gesagt, das sage nicht ich, das sagt ein berühmter Physio­loge der Gegenwart. Und immerhin, wenn wir auch das gewöhnliche Turnen in der Waldorfschule durchaus gelten lassen als ein körper­liches Erziehungsmittel, so stellen wir daneben die Eurythmie als ein seelisches, als ein geistiges Turnen. Und als solches zeigt sie sich ganz besonders für den Willen, für die Initiative des Willens. Man bekommt die Möglichkeit, in das Seelische des Kindes deshalb einzuwirken, weil das Kind bei einer jeglichen Bewegung, die es ausführt, zu gleicher Zeit fühlt, wie es in seinem ganzen Menschen, mit Leib, Seele und Geist, sich betätigt, wie jede einzelne leibliche Bewegung, die es ausführt, zu gleicher Zeit eine innere seelische und geistige Bewegung hervor­ruft. Das Kind fühlt gewissermaßen, wie Leib, Seele und Geist zusam­menrücken, wie sie verbunden sind in diesem eurythmisch-geistigen Turnen.
Und dann – es wird Ihnen vielleicht geradezu paradox erscheinen, aber wahr ist es doch, insbesondere in einer höheren Kultur, wie die­jenige des Abendlandes heute ist, kann man mit der gewöhnlichen

wat je het kind onderwijskundig begripsmatig van de eigenlijke spraakklank moet bijbrengen.
Dan is de euritmie ook een bijzondere hulp bij de wilsopvoeding. In dit opzicht zal men wellicht eens meer onbevangen oordelen dan tegenwoordig, waarin de gewone gymnastiek, ik zou willen zeggen, de lichamelijke gymnastiek wat overschat wordt. Ik zou hier niets over deze lichamelijke gymnastiek die volgens fysiologische wetten ontwikkeld is, willen zeggen; die erken ik volledig. Ik wil alleen aanstippen, alleen als voorbeeld gebruiken, dat toen ik eens over euritmie en de pedagogische en didactische kant ervan in onze vrijeschoolpedagogie in het Goetheanum een paar inleidende woorden sprak, ik merkwaardigerwijs meemaakte, dat een zeer beroemde hedendaagse fysioloog die mijn woorden aanhoorde waarmee ik zei dat ik de gymnastiek zeer zeker erken, dat echter euritmie als bezielde gymnastiek een belangrijke afronding is van wat door de lichamelijke gymnastiek slechts op een eenzijdige manier wordt bereikt, tegen me zei: ‘U ziet de gymnastiek dus als een opvoedingsmiddel? Ik als fysioloog noem het louter barbaars.
Nu, zoals gezegd, ik zeg dat niet, dat doet een beroemde hedendaagse fysioloog. En in elk geval, ook al nemen we de gewone gymnastiek op de vrijeschool zeker serieus als een lichamelijke gymnastiek, hebben we de euritmie als een gymnastiek van de ziel, van de geest. En als zodanig blijkt ze heel bijzonder voor de wil, voor de initiatieven van de wil te zijn. Je krijgt de mogelijkheid om op het gevoel van het kind te werken omdat het kind bij iedere beweging die het maakt, tegelijkertijd voelt, hoe het zijn hele mens actief maakt, zijn lichaam, ziel en geest, hoe iedere aparte lichamelijke beweging die het uitvoert, tegelijkertijd een innerlijke gevoels- en geestelijke beweging oproept. Het kind voelt in zekere zin hoe lichaam, ziel en geest bij elkaar komen, hoe ze verbonden zijn in deze euritmisch-geestelijke gymnastiek.
En dan – dat zal u misschien paradoxaal voorkomen, maar waar is het toch, vooral in een meer beschaafde cultuur zoals die van het Avondland van heden, kun je met de alledaagse

blz. 253

Lautsprache selbstverständlich mit der Wahrheit auch die Unwahrheit sagen. Unwahrhaftig, lügenhaft kann der Mensch leicht werden gerade in der Lautsprache. In der sichtbaren Sprache der Eurythmie kann man nicht lügen. Das hat sich als eine Erfahrung herausgestellt. Daher ist zugleich diese Eurythmie ein Erziehungsmittel in die Wahrhaftigkeit hinein. Der Mensch, das Kind findet nicht leicht die Möglichkeit, in die sichtbare Sprache der Eurythmie hinein zu lügen.
Damit habe ich einiges angedeutet von der Eurythmie aus in der Kindererziehung. Ich möchte noch das eine bemerken: Oftmals hat man bei einem Kinde diesen oder jenen Mangel im Seelischen, im Geisti­gen oder im Körperlichen beobachtet. Da kommen gewöhnlich die Lehrer der Stuttgarter Waldorfschule zu mir und sagen: Dieses Kind hat diesen oder jenen seelischen oder körperlichen Fehler. – In einem solchen Falle ist es nur notwendig, mit einer gewissen übersinnlichen Kraft des Sehens, mit einer gewissen Kraft des Schauens intuitiv zu erkennen, was man nun für eurythmische Übungen gerade diesem Kinde angibt, eurythmische oder Eurythmie-ähnliche Übungen. Und in der Tat, wir haben manchmal überraschende Resultate erreicht in der Ver­besserung körperlicher oder seelischer Fehler, wenn wir gerade für das Kind besondere eurythmische Übungen anraten konnten und wenn sie durch unsere Lehrer in der Waldorfschule durchgeführt worden sind. Da muß dann, wie gesagt, Eurythmie nach ihrer pädagogisch-didaktischen Seite ausgebildet werden. Sie ist in erster Linie eine Kunst, sie kann aber auch in den Dienst der Pädagogik und Didaktik gestellt werden.
Zum Schluß möchte ich nur noch erwähnen, daß die Kinder, die Sie heute im ersten Teile der Aufführung sehen werden, nur kurze Zeit Eurythmie erlernt haben, daß daher für sie um ganz besondere Nach-sicht gebeten werden muß. Die Lehrerinnen hier haben nur in wenigen Lektionen eigentlich diese Kinder unterrichten können, und als wir dann angekommen sind, haben wir einige Nummern des heutigen Pro­gramms wie eine Improvisation hinzugefügt. So daß Sie auch in dieser Kindervorstellung nichts Vollkommenes erwarten dürfen, sondern, wie wir auch für die andere Vorstellung um Nachsicht gebeten haben, nur etwas, was im Anfange der Entwickelung ist, aber doch so, daß

taal vanzelfsprekend naast de waarheid ook de onwaarheid zeggen. Met de gewone taal kan de mens makkelijk onwaarachtig, leugenachtig worden. Met de zichtbare taal van de euritmie kun je niet liegen.* Dat is als ervaring wel gebleken. Daarom is deze euritmie tegelijkertijd een opvoedingsmiddel in waarachtigheid. De mens, het kind vindt niet gauw de mogelijkheid in de zichtbare taal van de euritmie te liegen.
Daarmee heb ik iets aangegeven van de euritmie in de opvoeding van het kind. Ik zou dit nog willen opmerken: dikwijls heeft men bij een kind een of ander tekort in zijn gevoelsleven, mentaal of lichamelijk geconstateerd. Gewoonlijk komen de leerkrachten van de vrijeschool in Stuttgart dan naar me toe en zeggen: dit kind heeft deze of die gevoels- of lichamelijke tekortkoming. – In zo’n geval is het slechts noodzakelijk met een bepaalde schouwende kracht intuïtief te weten, wat je nu aan euritmische oefeningen voor zo’n kind aanraadt, euritmische of op euritmie lijkende oefeningen. En inderdaad, we hebben soms verrassende resultaten bereikt in het verbeteren van de lichamelijke of gevoelstekortkomingen door juist voor dat kind bijzondere euritmische oefeningen aan te raden en wanneer die door onze leerkrachten op de vrijeschool werden gegeven. Dan moet dus, zoals gezegd, de pedagogisch-didactische kant van de euritmie ontwikkeld worden. In de eerste plaats is ze een kunst, maar ze kan ook in dienst van de pedagogie en de didactiek gesteld worden.
Tot slot zou ik nog willen noemen dat de kinderen die u vandaag in het eerste deel van de opvoering zal zien, maar een korte tijd euritmie hebben geleerd, dat voor hen bijzonder veel begrip wordt gevraagd. De onderwijzeressen hebben hier in eigenlijk maar weinig lessen de kinderen les kunnen geven en toen wij gearriveerd waren, hebben wij een paar nummers als improvisatie aan het programma toegevoegd. Dus u mag ook van deze kindervoorstelling niet iets volmaakts verwachten, maar, zoals wij ook voor de andere voorstelling om begrip gevraagd hebben, alleen iets wat aan het begin van een ontwikkeling staat, maar wel zo, dat

.
*Cilia Hogerzeil, tot 29 okt. 2017 artistiek directeur van Muziektheater Hollands Diep te Dordrecht zegt in Trouw- Letter en Geest van 30-10-2017: De taal bepaalt een groot deel van de communicatie. Het lichaam liegt niet. Daarom hou ik zo van theatermaken. Om die communicatie uit te vergroten en zo, wat verstopt is in woorden, zichbaar te maken.

blz. 254

man das Prinzip, daß man das Wesen erkennt. Ich denke, das wird sich auch in dieser Kindervorstellung in dem ersten Teil unseres heutigen Programms zeigen. Nach einer Pause wird dann vorgeführt, wie Eu­rythmie als Kunstform sein wird.

je het principe, het wezenlijke erkent. Ik denk dat dat zich ook in deze kinderuitvoering in het eerste deel van ons programma zichtbaar zal zijn. Na de pauze zal dan getoond worden hoe euritmie er als kunstvorm dan uit zal zien.
.

Rudolf Steiner: over euritmie

Rudolf Steinervorm en beweging Over euritmie: toespraken bij de euritmievoorstellingen in de jaren 1918 tot 1924. GA 277, gedeeltelijk vertaald in Euritmie. Zes inleidingen.

euritmieblog

Opspattend grind

Rudolf Steineralle artikelen

hand en intelligentie

.

1538-1443

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – eenhedenstelsels (1-8/1)

.

eenhedenstelsels

inleiding

Politie grijpt in op de markt te Zutphen

Dwars door de oude binnenstad van Zutphen slingert zich de oude markt, een aaneenschakeling van drie markten, de Groenmarkt, waaraan de firma Thieme is gevestigd, de Houtmarkt en de Zaadmarkt. Op donderdag wordt er gehandeld, dan staan de markten vol met allerlei kramen, waar kooplui de opgestapelde waren aan de man proberen te brengen.

Op deze markt vond dit jaar* een uniek ingrijpen van de politie plaats. Een koopman prijsde zijn waren per pond en per ons, omdat zijn klanten deze aanduidingen van hoeveelheden gebruikten. Zij vroegen een pond appelen, een ons chocolaadjes en op dagen, waar de portemonnee rammelde van het vele geld ook een half pond koffie. Maar overeenkomstig de wet moeten deze artikelen geprijsd zijn per kilogram of per half kilogram, per 100 gram en per 250 gram. Onze koopman zag hier de noodzaak niet van in, hij volhardde in zijn optreden en na enige waarschuwingen in de wind te hebben geslagen werd hij op de bon geslingerd.

Op een goede dag kwam de man voor. Hij verdedigde zich goed met de boven reeds gegeven argumenten, maar werd veroordeeld, omdat de wet nu eenmaal geen ponden en onsen kent. Na het vellen van het vonnis liep de man pruttelend weg. Het kwalijke van zijn handeling was hem niet duidelijk gemaakt. Het gebruik van de aanduiding pond, ons, el, duim, voet en andere overgeleverde eenheden is verboden.

Binnenkort wordt dit verbod uitgebreid met onder andere de paardekracht, de calorie, de kilogram als eenheid van kracht. De eenheden, die dan uitsluitend mogen worden gebruikt, zijn gelukkig al lang ingevoerd en bekend bij velen, die de laatste jaren onderwijs hebben genoten. Voor de anderen komt er een tijd van aanpassing. Erg ingewikkeld is de zaak niet.
In een aantal artikelen zullen wij alles vertellen. Voorlopig kunnen wij u in één ding geruststellen. In de toekomst wacht u geen bekeuring, als u bijvoörbeeld in de vriendenkring vertelt: vandaag heb ik een pond aardappelen opgegeten met twee ons biefstuk, alles overgoten met acht eetlepels jus na toevoeging van een schepje zout en een snuifje peper; daarbij heb ik een pint bier gedronken. Na de maaltijd heb ik een wandeling gemaakt van drie mijl bij een temperatuur van 80 graden Fahrenheit in de schaduw naar mijn landgoed, groot zes bunder. Van een stuk ter grootte van één are waren zojuist twintig mud aardappelen gerooid. Enzovoorts, enzovoorts.

Welnee, na een dergelijk verhaal behoeft u niet in angst te leven. Voor persoonlijk gebruik mag u spreken over vadems, lepels, koppen en wat dies meer zij. Bij het onderwijs mag u deze oude eenheden noemen, omdat u deze in oude boeken tegenkomt. Maar in het officiële verkeer is dit binnenkort verboden.

Een advertentie van diepvriesgroente liet ons reeds zien, wat ons te wachten staat. Op het pak werd als voedingswaarde gegeven 120 kJ met erbij tussen haakjes 30 kcal. De omrekening van kilocalorie naar kilojoule is hier bij benadering geschied; immers 1 kcal = 4,2 kJ. In het dagelijks leven is men niet geïnteresseerd in een grote nauwkeurigheid, mits men maar niet te weinig voor zijn geld krijgt.

In notariële akten, in examenopgaven, in studieboeken, in advertenties zijn binnenkort slechts eenheden van het S.I. (système international) toegelaten. Hiertoe behoren de meter, de seconde, de kilogram, de newton, de joule en de watt. In de elektriciteitsleer zijn deze eenheden al heel lang in gebruik en ook ingeburgerd. Via de kilowattuur hebt u vaak van de kilowatt gehoord. Vermogens van elektromotoren zijn sinds jaar en dag gegeven in kilowatt; bij automotoren is dat nog niet het geval. Een automotor van 100 paardekracht wordt nu een motor van 75 kilowatt. Dit nieuwe getal maakt minder indruk dan het grotere oude getal; als dit anders zou zijn geweest, had zich de verandering al lang voltrokken.

Voordat wij met deze materie verder gaan, zullen wij u vertellen, waarom men de aanduidingen pond en ons heeft verboden. Met deze aanduidingen zijn wij vertrouwd, maar op de wereld zijn er grote gebieden, waar ze niet gebruikt worden. En waar men ze wel gebruikt, hebben zij een andere betekenis. Hoewel dit geen bezwaar is voor de handel van Nederlanders onder elkaar, komen er grote problemen, wanneer buitenlanders hierbij betrokken zijn.

Eerst het pond. Bij het opzoeken van dit woord in het woordenboek van Koenen en zijn latere bewerkers vindt u als eerste betekenis 500 gram of 0,5 kilogram en als tweede betekenis een zekere geldswaarde. Bij de eerste betekenis wordt vermeld, dat een medicinaal pond 375 gram is. Dat is al de eerste complicatie. Bij de tweede betekenis staan als voorbeelden eerst het vlaamse pond met een waarde van ƒ 6,— (verdeeld in 20 schellingen, 240 groot, 960 duiten of 2880 mijt) en daarna het Engelse pond (vroeger verdeeld in 20 shilling ieder van 12 pence). De waarde van dit Engelse pond is niet vermeld. Het pond, dat in de Bijbel voorkomt, wordt als derde voorbeeld gegeven; volgens Koenen is het ongeveer ƒ 50,—waard; het wordt verdeeld in 100 drachmen.

De geldswaarde van een munt wordt door zijn hoeveelheid van een zeker materiaal vastgelegd, waardoor de aanduiding pond voor geldswaarden duidelijk wordt.
Het woord pond is in het engels pound; dit pound is echter geen 500 gram, maar 453,6 gram. Dit pound wordt verdeeld in 16 ounce, ieder van 28,35 gram bij gebruik van de zogenaamde avoir dupoiseenheden.

Daarnaast kant men troy-eenheden, waarin een ounce 31,1 gram is en waarin 12 ounce een troy-pound vormen; dit troy-pound komt overeen met 373,2 gram. Deze eenheid wordt in de USA gebruikt. Pond is in het Duits Pfund. Gelukkig is dit Pfund 500 gram. Toch is er met onze oosterburen een groot probleem. Over de aard ervan later meer; voorlopig het volgende. Men heeft als eenheid van kracht de kilogramkracht gebruikt; welnu, deze eenheid is in het Duits Kilopond Kp. Op de markt kan een Duitser bijgevolg voor de prijs van een pond een kilogram appelen verlangen. Voor een Nederlander is dat een onvoordelige handel.

Koenen vermeldt ook de oude Friese eenheid. Dit blijkt een eenheid van oppervlak te zijn, die met 0,3678 hectare overeenkomt.

Het woord pond komt uit het Latijn; pondus betekent gewicht, de verbogen vorm pondo betekent „aan gewicht ‘. Volgens de Concise Oxford Dictionary is van die verbogen vorm het woord pond afgeleid.

In het Engels wordt pound verkort weergegeven door Ib, een afkorting van het latijnse woord libra, weegschaal. Hiervan is ook het Franse woord voor pond livre afgeleid. Een livre is 500 gram.

Nu het ons. Koenen deelt mee, dat dit woord afkomstig is van het Latijnse woord uncia en dat de waarde van een ons 0,1 kg of 100 gram is. Uncia betekent twaalfde deel. Het Latijnse woordenboek van Muller en Renkema voegt hieraan toe: als munt en als gewicht en wel een twaalfde deel van een „as”. Een as is een pond van 327 gram. Een Romeins ons is dus 27,3 gram.

Als u de verdeling van het pond door de Romeinen vergelijkt met die van de Engelsen, dan ziet u dat deze volkeren het op een andere wijze hebben gedaan.

Uncia is in het Engels ounce geworden. In het Oud-Frans is het unce, later once met als betekenis een zestiende deel van een Frans pond en als zodanig 30,6 gram. In het moderne Frans wordt het woord once weinig gebruikt; het heeft nu de betekenis van een klein beetje.

Naar wij hopen duizelt het u nu. Met het gebruik van de woorden pond en ons is de verwarring compleet, als wij even over de grenzen kijken. Wij moeten van deze aanduidingen af en ze bij andere oude eenheden in het museum plaatsen. In studieboeken, in de normbladen van het Nederlandse Normalisatie Instituut, in wetenschappelijke verhandelingen zijn ze trouwens niet te vinden.

De marktkoopman kreeg een geldboete voor het gebruik van de versleten eenheden. De rechter heeft hem niet opgedragen een verhandeling over pond en ons te schrijven. Voor iemand, die geen natuurkundige is, zou dat een veel te zware straf zijn.

Drs. E. J. Harmsen, Vacature, nadere gegevens onbekend *1977

.

Rekenenalle artikelen   uit deze serie onder nr.8

Natuurkundealle artikelen

.
1537-1442

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 1 (1-3-1/2)

.

Zie de inleiding van [1-3-1/1]

‘De geestelijke wereld is teer in haar werkingen.’ Met deze regel besluit Siegwart Knijpenga zijn beschouwing in dit nummer [van Jonas, niet op deze blog] over de gestorvenen. In onderstaand artikel spreekt de Amsterdamse huisarts Helmut Ogilvie zich uit over een werkelijkheid die zo mogelijk nog ongrijpbaarder is:
de wereld van de ongeborenen. Alhoewel er ervaringen zijn van mensen die erop wijzen dat kan worden gesproken van een existentie aan de andere kant van de drempel van de geboorte, is het vaak niet eenvoudig die ervaringen te verwoorden. De opmerkingen die hieronder volgen, moeten dan ook worden gezien als een voorzichtig tasten. Een gesprek met Helmut Ogilvie.

HET VOOR GEBOORTELIJKE

Ik weet niet precies hoeveel, maar meer dan honderd geboorten heb ik wel meegemaakt. Ook heb ik te maken gehad met het proces van zwanger worden. Ik denk aan bepaalde vrouwen die meenden onvruchtbaar te zijn en waarvan een aantal met behulp van eenvoudige begeleiding geholpen kon worden. Ik denk wel dat ik het voorrecht heb gehad om veel meer positieve situaties dan negatieve te begeleiden. Vele malen heb ik mogen meemaken dat de komst van een kind werd beschouwd als een geschenk, niet als iets dat ‘genomen’ werd. Veel mensen zeggen dat immers zo: ik neem een kind. Het moderne bewustzijn beleeft het krijgen van een kind niet als een geschenk, maar denkt in termen van planning en geboorteregeling. Niettemin heb ik het veel meegemaakt dat de komst van een kind werd gevoeld als een geschenk uit de geestelijke wereld.

Mij is in de loop van de vele jaren opgevallen dat veel vrouwen een sterke wens hebben om een kind te krijgen; zó sterk dat ze er bijna alles voor over hebben. Ze willen onderzoek en medische ingrepen ondergaan, eventueel ook operatieve. Ze willen eventueel jarenlang sterke hormonen slikken om regelmatig een eisprong te kunnen bewerkstelligen. Je vraagt je wel eens af: waar komt die krachtige kinderwens vandaan? Is dat een egoïstische wens, zoals vaak wordt gesuggereerd? Of is het ergens toch een aanvoelen van een vraag uit de geestelijke wereld? Waarbij je dan tevens de vraag aansnijdt: waar komen de kinderen écht vandaan… Maken wij ze? Nemen wij ze? Of krijgen wij ze?

De kinderwens kan zo sterk zijn dat mensen besluiten tot kunstmatige inseminatie en tot test-tube-baby’s en dergelijke, zaken waar je misschien wat smalend om kunt lachen, maar die een stuk moderne realiteit vertegenwoordigen die wel eens kon samenhangen met de wens van ongeborenen op aarde te tomen en dat eventueel zelfs met behulp van de techniek. Toch blijven vragen open: mag je een mensengeest, die op aarde wil komen, zo’n door en door technische ontvangst bieden, is dat de beste oplossing voor dit incarnatieprobleem? En in hoeverre werk je misschien toch dwingend op zo’n mensengeest in? Het gevoel kan je bekruipen: wil ik menselijke lotsproblemen technisch oplossen, zoals op een ander vlak bij abortus provocatus ook gebeurd?
Er zijn ook mannen die een sterke kinderwens hebben, maar zij zijn beslist in de minderheid. De vrouw heeft van nature de mogelijkheid gekregen een poort te zijn voor ongeborenen tot het leven. Het is weliswaar geen verplichting voor vrouwen om daar gehoor aan te geven; dat zij echter sterkere gevoelens hieromtrent hebben, zal zeker ermee te maken hebben dat zij kunnen baren en mannen niet. Als ik er nu zo over nadenk, moet ik vaststellen dat ik maar in een enkel geval een potentiële vader heb meegemaakt die zo’n sterke kinderwens had dat hij er van alles voor over had. In de gevallen dat de man zich liet opereren, ging de aandrang meestal uit van de vrouw. Ik denk dat de vrouw dichter bij de wereld van de ongeborenen staat. Mij lijkt dat de kinderwens eigenlijk al een eerste aanwezigheid is, hoe teer en ongrijpbaar dan ook, van een ongeboren mensenwezen.

Je kunt niet iets wensen dat er niet is. Bij de mens, in tegenstelling tot het dier, berust zo’n wens op realiteit. Een dier heeft geen wensen; alleen maar dwingende instinctieve voortplantingsdrift die aan het moment gebonden en niet voortdurend aanwezig is. Een potentiële ouder kent wel die voortdurende zeer sterke wensen, die jaren en jaren aanhouden.

Er zijn tal van voorbeelden die duiden op een zekere aanwezigheid van ongeborenen al voordat zij geconcipieerd zijn. Hugo Verbrugh heeft een aantal van die gevallen beschreven in zijn boekje ‘Een beetje terugkomen’. Er zijn allerlei soorten gevallen. Een kind zegt bijvoorbeeld tegen zijn moeder: ‘Ik zie een kindje in de lucht zweven’, terwijl er dan nog helemaal geen stoffelijke aankondiging is. Je kunt dan het gevoel hebben dat zo’n kind iets reëels uitspreekt. Soms hoor je ook wel eens dat beide ouders heel sterk het gevoel hebben dat een ongeboren mensenwezen op een incarnatiemogelijkheid wacht, terwijl de ene ouder daar dan ja tegen zegt, en de andere nee.

Er was eens een vrouw die graag een kind wilde hebben, maar niet zwanger kon worden doordat haar man ziek was. Zij speelde op zeker moment de rol van engel in het kerstspel. Haar hulp in de huishouding was naar de uitvoering komen kijken en had na afloop tegen de vrouw gezegd: ‘Het was heel fijn; vooral was het zo leuk dat er de hele tijd een meisje aan je hand meeliep’. Het was een vrouw met vier kinderen die er graag een vijfde bij wilde hebben. Toen dat kind vele jaren later toch kwam, was het voor de moeder het kind dat door de hulp in de huishouding tijdens dat kerstspel was waargenomen. Die moeder vertelde mij ook dat als haar in die tijd werd gevraagd hoeveel kinderen zij had, dat ze zich dan vaak vergiste en zei: vijf, oh nee, vier. Zo’n verhaal is natuurlijk geen bewijs, maar wel een aanwijzing.

Er is naar dit soort belevenissen nooit op grote schaal onderzoek gedaan. Het zou mij niets verbazen als bij een enquête over dit onderwerp zou blijken dat zeer veel mensen vergelijkbare ervaringen hebben.

Er zijn ook anderssoortige ervaringen. Een man vertelde mij bijvoorbeeld eens dat hij zich van alles kon herinneren in de vorm van beelden uit de tijd van voor de geboorte, tot in de tweede maand na de conceptie. Die man was een medewerker van de NVSH en vertelde dat hij het toendertijd niet erg zou hebben gevonden wanneer hij was geaborteerd. Ik heb wel eens de indruk dat veel meer mensen dit soort ervaringen hebben, maar dat niet durven zeggen, of gewoonweg verdringen, omdat het zo haaks staat op de gangbare opvattingen. Er zijn wel enquêtes gehouden over ervaringen op de drempel van de dood. Men is tot het verrassende resultaat gekomen dat 15 procent van de Amerikanen drempelbelevenissen heeft gehad. Iets vergelijkbaars zou ook wel eens het geval kunnen zijn ten aanzien van de drempels van geboorte en conceptie. Wat wél is gebeurd in dit verband is het onderzoek naar zogenaamde ‘regressie-therapieën’, dat wil zeggen therapieën die je terugvoeren tot voorbij het moment van geboorte, en zelfs voorbij het moment van conceptie. Professor Dessaur heeft in haar boek ‘De Droom der Rede’ er al op gewezen dat dit soort gegevens gegronde redenen bieden om het vraagstuk wetenschappelijk serieus te nemen. Ook het boek ‘Het geheime leven van het ongeboren kind’ van Verny en Kelly vermeldt dat veel mensen prenatale herinneringen vanaf de zevende zwangerschapsmaand hebben.’

Het merkwaardige van onze tijd is dat er weliswaar van alles wordt onderzocht, maar dat dat weinig invloed heeft op de officiële wetenschappelijke en toonaangevende maatschappelijke discussies, zoals bij voorbeeld over abortus. Hetzelfde betreft de euthanasie. Alleen al in Amerika zijn er duizenden beschrijvingen van gevallen van mensen die klinisch dood zijn geweest en toch weer tot leven werden gewekt. Een derde van die mensen had identieke ervaringen in een situatie dat ze los waren van het lichaam en daarbij hun bewustzijn behielden. Je zou zeggen dat zulke feiten zeer relevant zijn in de discussie over euthanasie! Niettemin worden deze feiten nauwelijks ingebracht, alsof ze niet van belang zijn. Iets dergelijks kun je ook over abortus zeggen.

Er worden per jaar* in Nederland 18.000** abortussen gepleegd en dan laat ik het abortustoerisme nog buiten beschouwing. Je kunt je afvragen wat dat betekent voor de wereld van de ongeborenen. Het is natuurlijk geen gemakkelijke vraag, vooral ook omdat een bestaan voor de geboorte en zeker vóór de conceptie, in welke vorm dan ook, in onze cultuur niet als een realiteit wordt beschouwd. Als je echter de aanwijzingen voor zulk een realiteit ernstig opvat, zul je je moeten afvragen wat abortus betekent voor een mensenwezen dat in een bepaald gezin, een bepaald land, een bepaalde cultuur geboren wil worden. Zal hij of zij, als de weg daartoe geblokkeerd is, moeten uitwijken naar een ander gezin, een ander land? En houdt dat dan in dat de omstandigheden waarin hij of zij opgroeit minder in overeenstemming zijn met het eigen wezen, met keuzen die in de geestelijke wereld door hem of haar zijn gemaakt? En is het wellicht zo dat zo’n mensenziel lange tijd moet wachten op een mogelijkheid zich te incarneren?

Het feit alleen al dat je deze vragen kunt stellen, houdt naar mijn mening in dat de allergrootste terughouding in acht moet worden genomen ten opzichte van abortus. De eerste en meest intense impuls van de mens om zich te incarneren is tenslotte de liefde tot de aarde. Daar wil hij zich op een uitgekozen moment mee verbinden en daar wil hij een ontwikkeling doormaken die alleen in aardse omstandigheden mogelijk is. Mijn stelling is: beter adopteren dan aborteren, het gaat om een mens! Het is in Nederland beslist mogelijk om jaarlijks zo’n 20.000 adoptieplaatsen te vinden. Er is grote vraag naar.

Af en toe krijg je ook duidelijk de indruk, dat een kind pas door adoptie daar terecht kwam waar het eigenlijk hoort. De biologische ouders leken alleen de poort te vormen, niet de echt gezochte mensen te zijn; dit waren de adoptieouders wel.’

Rudolf Steiner spreekt over twee wijzen van incarneren. Zo zijn er mensenzielen in de geestelijke wereld die her en der op zoek zijn naar een mogelijkheid zich te incarneren. De tweede mogelijkheid laat mensenzielen zien die al lange tijd vanuit de geestelijke wereld verbonden zijn met een erfelijke stroom, bijvoorbeeld reeds vele honderden jaren. Zo iemand bereidt lange tijd zijn incarnatie voor en verschijnt dan op het beslissende moment bij het uitgekozen gezin. Rudolf Steiner zei in een voordracht in 1912 dat dit laatste de regel is. De eerste mogelijkheid besprak hij in 1909. Tegenwoordig kan men de indruk krijgen, dat deze incarnatieweg ook vaker ingeslagen wordt of moet worden, bijvoorbeeld na een abortus provocatus.
Het is mogelijk dat zulke mensen een heel andere verhouding hebben tot hun familieleden dan de mensen die in het speciaal uitgekozen gezin zijn terecht gekomen. De verhouding zal minder diep zijn. Je hoort mensen wel eens zeggen: ‘Ja, ik heb een broer op de Middenweg, maar die man heb ik al dertig jaar niet meer gezien’. En in andere gevallen zie je dat er juist een zeer hechte familieband bestaat, een band die niet alleen te verklaren valt vanuit het louter broer of zuster zijn, maar die samenhangt met een wezenlijke en diepere relatie tussen de mensen. Ik denk dat onverschilligheid tussen mensen uit een familie erop duidt dat een voorgeboortelijke relatie tussen mensen ofwel niet aanwezig, ofwel niet erg nauw was.

De plaats waar je geboren wordt, de ouders, de vrienden, enzovoorts zijn mede bepaald door keuzen die je zelf in het voorgeboortelijke hebt gemaakt. Je kunt je afvragen op grond waarvan die keuzen worden gemaakt. Alhoewel ik wat dit betreft niet uit eigen ervaring kan spreken, is het voor mij toch heel aannemelijk dat je dit moet zien in het licht van de reïncarnatiegedachte: het zijn de ervaringen tijdens vorige levens die je doen besluiten hier of daar te incarneren, deze of gene mensen als het ware op te zoeken. De hier uitgesproken ideeën zijn er om mee te leven. Je kunt ze als werkhypothesen opvatten en toetsen aan de waarneembare realiteit. Je kunt ze als basis voor gedachtengangen gebruiken om ordening in de chaos te brengen, die iedere dag uit de wereld op je afkomt. Ze kunnen je helpen antwoorden op grote vragen te zoeken; licht werpen op existentiële problemen en de moed geven echte oplossingen te vinden.’

De schriftelijke weergave is van Jelle van der Meulen, Jonas 8/9 *14-12-1984

**in 2016 ca. 30.000

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1536-1441

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – eenhedenstelsels (1-8/9)

.

bovenbouwkost

EENHEDENSTELSELS

Iets uit de historie van de eenhedenstelsels

In het laatste artikel van deze reeks vertellen wij u het een en ander over de stelsels, die als voorlopers van het SI kunnen worden beschouwd.

Sinds jaar en dag zijn er twee typen van eenhedenstelsels in gebruik geweest: in de wetenschap stelsels met als basisgrootheden lengte, massa en tijd (dynamische stelsels) en in de techniek stelsels met de basisgrootheden lengte, kracht en tijd (statische stelsels).

De kilogram is in het jaar 1795 in Frankrijk volgens een wet tot eenheid van massa verklaard. Het gewicht van deze massastandaard, dus de kracht die deze standaard in het zwaartekrachtsveld van de Aarde ondervindt, werd als eenheid van kracht gekozen. Helaas heeft men deze kracht gewoonlijk ook kilogram genoemd, slechts hier en daar sprak men van kilogramkracht.

De massa van het standaardkilogram is onafhankelijk van zijn plaats op aarde of in het heelal. Het kilogram is dus een universeel bruikbare eenheid van massa. Met de kilogramkracht is dat niet het geval; deze kracht wordt kleiner met de hoogte. Bovendien werkt er op de lichamen op aarde een middelpuntzoekende kracht, die ze op het aardoppervlak vasthoudt. De waarde van deze middelpuntzoekende kracht wordt kleiner als men van een pool in de richting van de evenaar gaat. Buiten de aarde verliest de kilogramkracht zijn betekenis geheel, daar andere hemellichamen een duidelijk merkbare zwaartekracht gaan uitoefenen. Daar de kilogramkracht als zodanig niet constant is, zijn de statische stelsels gedoemd te verdwijnen. Wij zullen er verder over zwijgen.

Het dynamische stelsel, dat in de vorige eeuw in de wetenschap het eerste is aanvaard, had als eenheid van lengte de centimeter, als eenheid van massa de gram en als eenheid van tijd de seconde. Dit stelsel is afkomstig van de mathematicus Gauss en de fysicus Weber; het wordt centimeter.gram.seconde stelsel of cm.g.s. stelsel genoemd. In dit stelsel is de eenheid van de snelheid de centimeter per seconde cm/s, de eenheid van versnelling de centimeter per seconde per seconde cm/s² en de eenheid van kracht de gramcentimeter per seconde kwadraat g.cm/s². Deze krachtseenheid wordt afgekort tot dyne: 1 dyne = 1 g.cm/s². Daar 1 g = 10—³ kg en 1 cm = 10—² m is 1 dyne = 10—newton en 1 N = 105 dyne. De dyne is een kleine krachtseenheid.

De eenheid van arbeid in dit stelsel is de dyne maal centimeter; deze eenheid wordt afgekort tot erg. Uit omrekenen blijkt:

1 erg = 1 dyne.cm = 10—5.10—² Nm = 10-N.m of 10—J. Bovendien 1 J = 107  erg. Ook de erg is een kleine eenheid.

Voor de wetenschap zijn kleine eenheden niet bezwaarlijk, voor de techniek wei. Om bezwaren van die kant te ondervangen heeft men al spoedig een groot  dynamisch stelsel ingevoerd met als eenheden de meter, de kilogram en de seconde en wel het m.k.g. stelsel. Deze grote eenheden zijn in volgende stelsels blijven bestaan en tenslotte in het SI terechtgekomen, evenals de eruit afgeleide eenheden voor kracht, arbeid en arbeidsvermogen.

In de elektriciteitsleer heeft men vele stelsels naast elkaar gebruikt. De uit het cm.g.s. stelsel afgeleide eenheden waren voor praktische toepassingen bruikbaar gemaakt. Zo is de coulomb C als eenheid van lading ontstaan, evenals de ampère A als eenheid van elektrische stroom, de volt V als eenheid van potentiaal om er enkele te noemen. Hierbij zijn ook de eenheden joule en watt ingevoerd. Immers, wanneer een stroom van 1 A een potentiaalverschil van 1 V doorloopt, wordt daarbij een arbeid van 1 J verricht; gebeurt dit juist in 1 seconde, dan is het arbeidsvermogen van de stroom 1 W.

Van de vele definities van elektrische eenheden heeft men de meest nauwkeurige overgehouden en wel de definitie van ampère. De ampère is de constante elektrische stroom, die geleid door twee evenwijdige, rechte en oneindige lange geleiders met te verwaarlozen dikte en geplaatst in het luchtledige op een onderlinge afstand van 1 meter, tussen deze geleiders voor elke meter lengte een kracht veroorzaakt van 2 . 10—N.

De genoemde definitie geldt voor het SI en ook voor een reeds eerder bestaand stelsel.

De eenhedenstelsel zijn uit de mechanica te voorschijn gekomen. De Italiaan Giorgi (1871 – 1950) heeft gepleit voor een uitbreiding van het m.kg.s stelsel met een eenheid uit de elektriciteitsleer. Een uit 4 grondeenheden opgebouwd stelsel kan dan ook de elektriciteitsleer met behulp van afgeleide eenheden omvatten. Een dergelijk stelsel is in 1901 voorgesteld; het stelsel kan zowel wetenschap als techniek bevredigen.

De gedachtegang van Giorgi berustte op het volgende. In die tijd kende de mechanica de newton.meter, de elektriciteitsleer de joule. Beide eenheden zijn 107 erg groot en dus aan elkaar gelijk: 1 N.m = 1 J (de vergelijking van Georgi).

Het stelsel van Georgi heeft in vele kringen weerklank gevonden. In de eerste jaren van zijn bestaan zijn er verschillende elektrische eenheden als basis gebruikt. Na de vergaderingen in 1935, 1950 en 1951 is de voorkeur voor de ampère uitgesproken. Hiermee is het meter-kilogram-seconde-ampère stelsel (MKSA stelsel) vastgelegd. Later is dit stelsel uitgebreid met eenheden voor warmte en straling.

Als eenheid van warmte is de joule gekozen. In het achtste artikel van deze reeks hebben wij de voordelen hiervan toegelicht. Als vijfde grondgrootheid is de graad celsius °C als aanduiding van de temperatuur erbij gekomen. Later is deze eenheid vervangen door de kelvin. Dit op vijf grondeenheden gebaseerde stelsel is „Praktisch Eenheden Stelsel” genoemd. Aan dit stelsel is een zesde basisgrootheid toegevoegd en wel de lichtsterkte met als eenheid de candela cd.

De candela is de lichtsterkte, in loodrechte richting, van een oppervlak, dat 1/600.000 deel is van een vierkant met zijden van 1 meter, van een integrale straler bij de stollingstemperatuur van platina onder een druk van 101.325 N/m².

Het op de zes genoemde grondgrootheden gebaseerd stelsel heet Internationaal Stelsel van Eenheden SI. De afkorting is afkomstig uit de Franse naam van het stelsel: Système International d’Unitès.

Het SI is in 1960 vastgesteld bij besluit tijdens een Algemene Vergadering over Maten en Gewichten. Bij een wet van 6 juni 1968 is het SI in de Nederlandse IJkwet opgenomen. Met de bijbehorende besluiten is deze wet in 1969 in werking getreden.

In 1971 is besloten om aan de SI eenheid van druk, de N/m², de naam pascal Pa te geven. Een druk van 1 atmosfeer (760 mm kwikdruk) wordt nu aangegeven met 101.325 Pa of afgerond met 101,3 kPa.

De verplichte invoering is reeds bij het onderwijs geschied. Ook buiten het onderwijs is men bezig met de aanpassing. Na 31 december 1977 mogen oude stelsels niet meer worden gebruikt. Ook in het buitenland wordt het SI verplicht voorgeschreven. Wel zijn er van land tot land verschillen over de datum van invoering. Over enkele jaren moet overal de omschakeling zijn voltooid.

Bij dit alles zullen er niet veel moeilijkheden zijn. Men moet er echter goed aan denken, dat voortaan de kilogram alleen een aanduiding van hoeveelheid stof is. Men koopt dus 5 kilogram suiker, men draagt 5 kilogram suiker naar huis. Maar men mag niet zeggen: die portie suiker weegt 5 kg. Men moet zeggen: die portie is 5 kg. Aan de kinderen mag men niet meer vragen: hoeveel weeg je, tenzij men een antwoord in newton verwacht.

Bij bruggen geeft men het draagvermogen; een bord vermeld bijvoorbeeld 5 ton. Deze aanduiding kan blijven. De betekenis is dan, dat de brug maximaal belast mag worden met een lichaam, waarvan de massa 5.000 kg is. De kracht behoeft men daarbij niet te weten; deze is afgerond 50 kN.

Als er bij het beginonderwijs hier goed op wordt gelet, worden hierdoor de leerlingen later veel moeilijkheden bespaard. Een foutief en slordig begin zorgt later voor verwarring en onbegrip. Een juiste algemene toepassing van het SI is onderwijsvernieuwing van de beste soort.

.

Drs. E. J. Harmsen, Vacature, nadere gegevens onbekend

.

Rekenenalle artikelen   uit deze serie onder nr.8

Natuurkundealle artikelen

.

1535-1440

.

.