Tagarchief: democratie

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/4)

.

Hans-Peter van Manen en Dieter Brüll discussiëren over het besturen van een vrijeschool en andere instituten die werken vanuit de antroposofie.

Deel 4 (Brüll)          andere delen*


SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

uit/in het archief

.

Waar het om gaat

Zijn Lehrs, Van Manen en ik** het roerend met elkaar eens? Eerst vertelt ons Van Manen, dat ik het met Lehrs eens ben, op diens opschrift na; Van Manen op zijn beurt is het met Lehrs eens, op een aristocratische aanvulling na; ergo is alles in eenheid verbonden? Neen, daarvoor heb ik niet naar de pen gegrepen en Van Manen nog veel minder. Aan een uitstalling van ongevraagde kennis hebben wij beiden geen behoefte. Ik schijn beter duidelijk te moeten maken, waarom het mij gaat. Daarvoor zal ik echter eerst de weg vrij moeten maken. Ik zal met name moeten aantonen, dat de verschillen tussen Van Manen en mij bepaald niet liggen in, zelfs niet te maken hebben met de (wezenlijke!) onnauwkeurigheden en de onvolledigheid, die Van Manen laakt.

Aanvankelijk dacht ik, dat de in dit verband gemaakte correctie weliswaar niet voor mijn, echter wel voor Van Manens betoog relevant zou zijn. Na het lezen van het tweede deel van zijn artikel kom ik echter tot de conclusie, dat ik het in zo hoge mate met hem eens ben, dat ik in zijn verhaal een (welkome) bevestiging zie van wat, misschien niet overal explicite, aan mijn kijk op de mesostructuur ten grondslag ligt (vgl. bijv. wat ik op p.201v van mijn ‘De sociale impuls van de Antroposofie’ schreef over de voorwaarden van het toevertrouwen van een functie). Of de Geistesadel daarbij een zelfstandig beginsel is dan wel in het republikeinse principe geïncorporeerd geacht moet worden, lijkt mij van ondergeschikte betekenis.

Mijn omissies dan. Ik heb de verslagen van de lerarenvergaderingen van 23 en 31 januari 1923 inderdaad sterk ingekort (en derhalve geenszins ‘uitvoerig beschreven’), doordat ik van het gehele gebeuren slechts dat citeerde, wat voor mijn betoog van belang is. Ik achtte o.a. overbodig, dat er een derde voorstel op tafel kwam, omdat dit slechts een herhaling van de democratische procedure betekende. Ook Van Manen schrapte immers – terecht – voor het concrete gebeuren wezenlijke dingen, bijv. dat Y opnieuw de les werd gelezen, toen hij voor het derde voorstel stemde, dat het van hem afkomstige tweede wegvaagde.

Ik heb voorts de spanningen, die aan de vorming van wat wij een ‘dagelijks bestuur’ zouden noemen, voorafgingen, welbewust niet nader uit de doeken gedaan; enerzijds omdat het stenogram daarover vaag blijft en wat ik weet slechts op mondelinge traditie berust, maar vooral, omdat dit gebeuren naar mijn mening van geen enkele betekenis voor het onderwerp is, en ware het slechts, omdat er nauwelijks een lerarencollege zonder (persoonlijke) spanningen bestaat. Ik wil daarop de nadruk leggen, want ik acht het niet onmogelijk, dat Van Manen uit die spanning (en het malafide optreden van Y) afleidt, dat Steiner de democratische stemming slechts in die uitzonderingssituatie als wenselijk beschouwt.

Ik heb tenslotte niet geciteerd, dat Steiner in diezelfde zitting de structuur van de Waldorfschule republikeins, en als oorzaak van de spanningen de deformatie door de gebruikelijke democratische structuuropvattingen noemde, omdat hij in dezelfde vergadering door de geheime vergadering demonstreerde, dat het democratische beginsel een plaats in de structuur van de school heeft – overigens zonder explicite aan te geven, waar de plaats van deze beide beginselen is. Als Steiner zich (p.238) verzet tegen de ‘übliche demokratische Verfassung der Schule’, dan volgt echter uit de context, dat hij daarmee op het oog had, dat in een übliche demokratische Verfassung het verlenen van een ambt aan de functionaris tevens een bijzondere status verleent (‘Hier in der Konferenz und in der ganzen Verwaltung der Waldorfschule gibt es nur Lehrer der Waldorfschule’). De verkiezing plaatst hem namelijk, in tegenstelling tot wat Lehrs betoogt, blijkens het geval Y juist niet in een hiërarchische positie, maar geeft hem een vrije ruimte. Wie daaraan knabbelen wil via een meerderheidsbesluit, schendt het republikeinse principe. Hier sta ik dan weer geheel achter Lehrs: Door de verkiezing van een functionaris geeft de gemeenschap het recht op een democratische verhouding tot die functionaris prijs.

Is bij dit al van belang, dat Y zijn voorstel arglistig bracht? Ik heb er niet over gerept, in navolging van Steiner maar om geheel andere redenen. Tweederde eeuw na dato behoeft men de naam van een intrigerende leraar niet meer met de mantel der liefde te bedekken. Wel kan het zijn, dat het aanwijzen van een zwart schaap afleidt van de hoofdzaak. En die heb ik duidelijk aangegeven: Het maakt in wezen geen enkel verschil, of men met boze of goede bedoelingen diegene wil corrigeren, waaraan men een taak heeft toevertrouwd. In beide gevallen laat men hem weten, dat hij zijn werk niet goed heeft gedaan. Als voorstel gebracht, is zo’n correctie een motie van wantrouwen.

En op dit punt ben ik republikeinser dan Van Manen. Hij erkent de mogelijkheid dat iemand ‘van goeden huize’ met een tegenvoorstel komt. Voor mij is dat ‘huis’ oninteressant; van mijn part is het zelfs een ingewijde. De enige reden tot ingrijpen behoort te zijn, dat een functionaris – door zijn voorstel, zijn daden of anderszins -het voortbestaan van de school in gevaar brengt, en dan mag van mij de jongste bediende aan de bel trekken. Slechts dit risico rechtvaardigt, dat men door een tegenvoorstel of een terugroeping een personele crisis op de koop toe neemt. Blijven dus de tegenwerpingen van Van Manen in zeker opzicht een raadsel, ik wil niet nalaten om op een wezenlijk verschil van inzicht te wijzen, dat waarschijnlijk nauw verbonden is aan het vorige én aan zijn visie op het aristocratische beginsel. Van Manen schrijft, dat de functionaris gekozen of erkend kan worden. Wat moet ik mij daaronder voorstellen? Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat hier het democratische principe door de achterdeur weer eruit wordt gewerkt. Bestaan er functionarissen bij de gratie Gods, die zonder verkiezing een bepaalde plaats innemen? En waartegen niemand neen durft te zeggen?Was dat nu niet juist het probleem van Y? Bij Steiner kan ik hiervoor geen steun vinden. Als iemands kwaliteiten niet worden waargenomen, zodat de democratische verkiezing hem niet op zijn ‘natuurlijke’ plaats installeert, dan kan hij – als het een doelorganisatie zoals een school betreft – beter een andere kring van medewerkers zoeken, in beider belang. Maar zelfs als wij de door Van Manen genoemde secretarissen-generaal van de Landesgesellschaften nemen, dan zien wij, dat Steiner zijn voorkeuren gehad moge hebben, maar de opvattingen van de leden niet doorkruiste. Hij had graag Dunlop op die plaats in Engeland gezien, maar accepteerde de plaatselijke keuze.

Ik ben het met Van Manen eens, dat geen bedrijf kan marcheren, indien vaardigheid en gezag niet samenvallen. Natuurlijk zal men zo iemand als functionaris aanwijzen, als men vrij is in zijn beslissingen (‘durch das freie Verstandnis an seinen Posten gestellt’ noemt Steiner dat in GA 328/1977/157). Maar hij voegt er iets aan toe: Durch das freie Verstandnis seiner Mitarbeiter bis zum letzten Arbeiter herunter’-(id.). Passen wij dit op onze controverse toe, dan luidt dit naar mijn inzicht als volgt: de schoolgemeenschap (de rechtsvergadering) moge de meest geschikte kandidaat voor een functie democratisch aanwijzen, er is, indien zijn functie met zich meebrengt, dat hij gezag over andere mensen van de gemeenschap uitoefent, bovendien nodig, dat hij door deze laatsten als leider wordt erkend. Conclusie: hoezeer de praktijk ook anders moge zijn, het gaat niet om ‘gekozen of erkend’, doch om ‘gekozen’ resp. om ‘gekozen en erkend’.

Ik meen, dat wij hiermee de kern van de controverse naderen. Ik knoop aan bij de derde alinea van de eerste helft van Van Manens artikel. Anders dan Van Manen stelt, heb ik wel degelijk met de wijdverbreide interpretatie over Steiners aanwijzingen voor de structuur van de Waldorfschule willen afrekenen. Niet in zijn kop – Steiner wenste géén democratische Waldorfschule – maar met deze zinsnede had Info3 gelijk.*) Het ging mij niet om de titel, maar om wat de praktijk uit de titel én de tekst van het artikel van Lehrs afleidt. Daarover moest ik terug naar Steiner.

Het artikel van Lehrs gaat over het republikeinse principe. Het democratische wordt genoemd, niet behandeld. In mijn stencil van het artikel van Lehrs komt zelfs de democratische controle achteraf, die er in het exemplaar van Van Manen kennelijk wel staat, niet voor. Welnu, achter de beschrijving van dit republikeinse principe kan ik woord voor woord staan. Maar ik acht het volstrekt ontoelaatbaar, dat een als wetenschappelijk bedoeld artikel met een opschrift wordt getooid – al dan niet aan Steiner ontleend – dat de lading niet dekt.

De gevolgen bleven niet achterwege. Uitwerking had niet de inhoud, maar de titel. Ik laat in het midden, in hoeverre het artikel werkelijk – d.w.z. op de wijze, die Van Manen kenmerkt – is gelezen. Een feit is, dat de democratische component, die, zoals Van Manen mét mij als tot de structuur behorend beschouwt, vrijwel nergens in antroposofische instellingen in het algemeen en in de Vrije Scholen in het bijzonder, te vinden is. Ik zou graag eens van oude rotten in het (school-)vak willen vernemen, in welke school zij ooit een schiftelijke stemming bij het aanwijzen van functionarissen hebben meegemaakt. Iedere poging in deze pleegt van tafel geveegd te worden met de slogan ‘republikeins, niet democratisch’. Wie Leber’s ‘Die Sozialgestalt der Waldorfschule’ leest, komt weliswaar een beschrijving van het ‘incident Y’ tegen (p.160v), nochtans komt het democratische principe niet verder dan een formele gelijkheid van alle mensen (p.58). Dat zijn de dieren in Orwell’s ‘Animal Farm’ ook.

Tegen deze opvatting was mijn artikel gericht; dus zoals Info3 juist in de gaten had: om af te rekenen met een wijdverbreide en mijns inziens onware interpretatie van Steiner. Van Manen gaat met geen woord op de praktijk van de mesostructuur in. Daarom moet mijn conclusie over onze controverse een vermoeden blijven. Dat wil ik duidelijkheidshalve uitspreken. Ik heb de indruk, dat Van Manen achter de huidige praktijk staat. De rechtvaardiging daarvan zou echter meer vereisen dan de naar voren gebrachte detailcritiek. Vandaar, dat ik mijn standpunt formuleachtig wil samenvatten. – Als driegeleder stel ik prijs op sociale hygiëne. Ik sta voor een kristalklaar republikeins principe bij de uitoefening van de functie; en ik sta voor een pijnlijk precies democratisch principe bij het verkiezen van functionarissen, bij de décharge van functionarissen en voorts bij alle onderwerpen, die men bewust of door nalatigheid niet onder de taakomschrijving van een functionaris heeft laten vallen.

Ik wil thans ingaan op wat ik noemde de ‘apocriefen’ van Steiner. Ik stel voorop, dat dit woord bij mij geen negatieve klank heeft. En ik merk voorts op, dat het verwerpen van apocriefen als grondslag voor Steiner-interpretatie niet inhoudt, dat dus het gestenografeerde sacrosanct zou zijn. Het was mij bekend, dat het stenogram van de zittingen met het lerarencollege onvolledig is. Maar ik neem aan, dat wat genoteerd is ook gezegd werd; zij het dat een ontbrekende context de kleur zou kunnen veranderen. Een voorbeeld is in de titel van Lehrs gegeven. Natuurlijk kan Steiner gezegd hebben ‘republikeins, niet democratisch!’; namelijk als het om de materiële opgaven van het lerarencollege gaat. Daarmee ben ik al bij bezwaar nummer
1. Bij apocriefen is de situatie onbekend. Karikaturaal: Zou GA 280/1983/95 apocrief zijn overgekomen, dan zouden vele antroposofen met de hand in hun broekzak mediteren.

2. In de loop van de tijd treedt verminking op – en soms direct. In ditzelfde blad moest binnen betrekkelijk korte tijd tweemaal op een onjuiste mondelinge traditie worden gewezen. Vis verwees een ‘uitspraak van Steiner’ over Rembrandt naar het rijk der fabelen en Boogert corrigeerde het auteurschap van spreuken. Ik kan ook het artikel van Van Manen zelf noemen: hij duidt de titel aan als ‘een door Lehrs uit de herinnering geciteerde uitspraak’. De lezer zal dat opvatten als: Lehrs herinnerde zich, dat Steiner dat gezegd heeft. Ik acht dit zeer dubieus: de beide eerste alinea’s van Lehrs geven reden voor de veronderstelling, dat de uitspraak dateert uit een tijd, toen Lehrs nog geen lid van het college was. (Ik voeg eraan toe: Lehrs kennende, zou hij, als hij die uitspraak zelf gehoord had, gezegd hebben ‘. . . gab er uns zur Antwort’.) En naarmate diegene, die het zelf gehoord heeft, verder weg is, wordt de kans op het ‘dode-oma-in-de-achterbak-effect’ groter.

3. Sociaal erger is, dat de betrouwbaarheid van de zegsman ter beoordeling komt te staan. Naarmate meer herinneringen van mensen, die Steiner nog zelf gekend hebben, de drukpers passeren, neemt ook het verschijnsel toe, dat citaten, die in strijd met het tot dusver aangenomene zijn, worden afgedaan met: ‘Maar X is niet betrouwbaar’. Ik kwam er in de laatste tijd bedroevende staaltjes van tegen. – Om bij ons onderwerp te blijven: moet ik de betrouwbaarheid van Lehrs toetsen aan mijn ervaringen, toen ik zijn leerling was? En die van de zegsman van Rath, Günther Wachsmut, aan diens politieke opvattingen?

Met dit al wil ik de apocriefen geenszins uit de literatuur bannen. Ik heb ze zelf al te graag gebruikt. Ze geven soms een heel eigen kleur aan het onderwerp. Wij dienen echter hun plaats te weten. Men zou ze nooit anders behoren te citeren dan ‘Steiner zou gezegd hebben’. En zij kunnen een betoog nimmer dragen; alleen maar steunen.

Tenslotte de uitdaging, mijn stelling, dat wat structureel met de Weihnachtstagung door Steiner met de Gesellschaft gewild is, op losse schroeven staat waar te maken. -Primair: er staat structureel en uitsluitend dit aspect had ik dan ook voor ogen. En dan: Het zal Van Manen niet onbekend zijn, dat in de laatste levensdagen van Steiner en daarna dingen zijn gebeurd, waaromtrent een groep mensen sedert jaren documenten verzamelt, teneinde aan te tonen, dat daarmee de bedoeling van Steiner op haar kop werd gezet. Ik verwijs de verbaasden naar het artikel van Von Beckerath in Info3 van juli/augustus 1986 en voorts naar de uitgebreide documentatie door hem en anderen. Het gaat daarbij bepaald niet om randproblemen. Aan de orde is bijv., dat Steiner de statuten tijdens de Weihnachtstagung artikel voor artikel uitvoerig en voortdurend reacties uitlokkend met de leden heeft besproken, deze stuk voor stuk democratisch heeft laten aannemen, om slechts enkele maanden later deze zelfde leden, zonder hen zelfs daarvan in kennis te stellen, naar een andere vereniging met geheel andere statuten zou hebben overgeheveld. – Ik wil hieraan uitdrukkelijk toevoegen, dat deze woorden géén stellingname inhouden. Mijn bedoeling was niet meer, dan een waarschuwing, om waar het om de structuur van de Gesellschaft gaat, voorzichtig te zijn en haar niet zonder meer als ‘van Steiner afkomstig’ te aanvaarden.
.

*Dieter Brüll, Mededelingen Antroposofische Vereniging, april 1987

.

*) De wijze, waarop Van Manen problemen pleegt te analyseren, is een puur genoegen. Ook en juist waar ik met hem van mening verschil, levert zijn acribische betoog een zo duidelijke confrontatie met het probleem op, dat het ook op de eigen gedachtevorming verhelderend werkt. Daarom valt mij het volgende ‘terzijde’ moeilijk.

Omdat ik het echter bij ieder ander ook niet achterwege zou laten, doe ik dat jegens hem ook niet. -Ik ben van mening, dat de schimpscheuten tegen Info3 aan zijn artikel afbreuk doen. Ik zie bijv. niet in, waarom mijn dienst erger is dan het burgerunifirm van colbert en stropdas; en waarom het beeld erger is dan het orale geprofessor. Voorts is het inderdaad onjuiste opschrift precies het spiegelbeeld van dat van Lehrs: doet het laatste het voorkomen, alsof er geen plaats is voor het democratische element, het opschrift in Info 3 stelt, dat ik aan het republikeinse principe geen betekenis toeken. En deze onjuistheid is voor een gedegen stuk heel wat erger dan voor een actualiteitenrubriek. Voorts zal iedereen toegeven, dat het verwijt over het verslag van de bouwvergadering – werd werkelijk iets essentieel verkeerds gemeld? – niets met het onderwerp te maken heeft.
.
*100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1476

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/3-2)

.

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In zijn nawoord bij de uitgave van Steiners ‘Opvoedkunst-methodisch-didactische aanwijzingen‘ schrijft Christof Wiechert:

‘De avond voordat de cursussen op 20 augustus 1919 begonnen werd een bijeenkomst belegd, waarin Steiner de cursisten voor­hield dat deze nieuwe pedagogie niet beperkt bleef tot het les­geven alleen. Ook de sociale ‘gestalte’ van de school zou de geest van deze nieuwe pedagogie tot uitdrukking brengen. Een nieuwe werkwijze vraagt om nieuwe sociale vormen. Het zou bijvoorbeeld geen school worden waarin een directeur zou bepalen wat er moest worden gedaan. Het zou geen werk worden dat je vanuit een luie stoel zou kunnen doen. Ieder zou volledig verantwoordelijk wor­den voor alles wat hij deed, voor alles wat de school zou betreffen.

‘Daarom zullen we de school niet volgens overheidsprincipes, maar volgens organisatorische principes inrichten, namelijk repu­blikeins. In een werkelijke lerarenrepubliek zullen we niet achter­over kunnen leunen, niet kunnen aanleunen tegen regels die van de schoolleiding komen, maar moeten we zelf inbrengen wat ons de mogelijkheid geeft, wat ieder van ons de volle verantwoorde­lijkheid geeft voor wat ons te doen staat. Ieder moet individueel volledig verantwoordelijk zijn.

Dat wij geen schoolleiding zullen hebben, kunnen we onder­vangen door deze voorbereidende cursus te houden, door ons daarin eigen te maken wat de school tot een eenheid smeedt. We zullen die eenheid bereiken door deze cursus, als we ons echt se­rieus inzetten.’

Opmerkelijk aan deze toespraak is dat schoolleiding opgevat wordt als richtinggevend, identiteit stichtend, eenheid schep­pend. Eenheid in de zin dat uit één geest gewerkt wordt, uit één herkenbare, eenduidige kwaliteit. Later werd deze functie overge­dragen aan de lerarenvergadering. De toekomstige leraren wisten dus wat hen te wachten stond.’

Geen schoolleiding betekende toen vooral ook geen directie, geen directeur. Het ging om andere vormen van leiding geven – in overeenstemming met de idee van de sociale driegeleding.
Deze idee is m.i. indrukwekkend uitgewerkt door Dieter Brüll in zijn: ‘De sociale impuls van de antroposofie’.

Nu ook alle vrijebasisscholen een directie, c.q. een directeur hebben – de middelbare scholen liepen voorop – is dat een indicatie dat ook op dit gebied de ‘sociale impuls van de antroposofie’ geen realiteit is geworden.

Jaren geleden al werd Steiners oproep om ‘een republikeinse leiding’ al uitgewerkt door een van de leerkrachten van de vrijschool in Stuttgart, Ernst Lehrs. Zijn opvattingen zijn niet door iedereen geaccepteerd als dat wat Steiner bedoelde.

Hans-Peter van Manen was van mening dat het nog anders ligt en geeft zijn visie als antwoord op het artikel van Brüll:

REPUBLIKEINS, DEMOCRATISCH EN ARISTOCRATISCH

II. De metamorfose van de aristocratie*

Wij zagen in het eerste deel van deze beschouwing wat Rudolf Steiner verstaat onder de uitdrukkingen ‘democratisch’ en ‘republikeins’. Wat de democratie betreft onderscheidde hij kennelijk een juiste en een onjuiste vorm. Onjuist en onpraktisch achtte hij de vorm, waarbij een vergadering van leden centraal en bij meerderheid van stemmen de beslissingen neemt.

De juiste vorm althans voor een cultureel-geestelijke instelling was volgens hem, dat de tot beslissen bevoegde personen door de gemeenschap worden gekozen of erkend. Deze laatste en juiste vorm van democratie houdt tegelijk het republikeinse principe in: bestuursmacht delegeren aan bevoegde personen en organen. – Deze laatste opmerking kan al de vraag doen rijzen of een republiek in deze zin niet ook een aristocratisch aspect heeft.

Het is niet dat ik de discussie op mijn terrein wil trekken maar om volle klaarheid te krijgen omtrent de betekenis die de termen ‘republikeins’, ‘democratisch’ en ‘aristocratisch’ voor Rudolf Steiner hadden, moeten wij bij de geschiedenis te rade gaan. Deze begrippen komen uit een verleden, waarmee Rudolf Steiner diep vertrouwd was. Zij stammen namelijk uit het z.g. vierde na- Atlantische cultuurtijdperk, waarin de verstandsziel tot ontwikkeling kwam. Dit tijdperk kreeg zijn duidelijkste gestalte in de Griekse en de Romeinse beschaving.

In hoeverre kunnen staatsvormen uit dit tijdperk nog actueel zijn in het geestesleven van onze bewustzijnszieletijd?

Zoals bekend komt de democratie van de Grieken. Het bekendste en belangrijkste voorbeeld is de stad Athene in de 5e eeuw voor Christus. Het verschil met wat wij tegenwoordig democratie noemen is groot. Wij verstaan daaronder een bewind van door het volk gekozen functionarissen en die gecontroleerd door een eveneens gekozen parlement; een indirecte democratie dus.

Athene kende een directe democratie, een regering echt dóór het volk. Niet alleen werden alle functionarissen gekozen, de belangrijkste beslissingen bleven voorbehouden aan de volksvergadering, dat was de vergadering van alle stemgerechtigde burgers te zamen. Alles bij elkaar was dat niet meer dan een kwart van de bevolking; vrouwen, slaven en ingezetenen van ook zelfs maar gedeeltelijk buiten-Atheense afkomst waren uitgesloten.

Als één functionaris of redenaar een te dominerende invloed kreeg, kon een minderheidsmotie van vijfduizend stemmen zo iemand in ballingschap sturen (het z.g. schervengericht). Een zeer levend en actueel aspect van de Atheense democratie was, dat iedere stemgerechtigde burger, als hij tijd van leven had, behalve voor de militaire dienstplicht minstens één keer aan de beurt kwam voor het lidmaatschap van de raad van vijfhonderd, die als de volksvergadering niet bijeen was het hoogste gezag uitoefende; in die tijd maakte men enige weken lang deel uit van de prytanen, die als dagelijks bestuur optraden. Verder maakte een Athener minstens één keer in zijn leven, ook meer door loting dan door verkiezing, deel uit van het zesduizend man sterke rechterscollege. Zo was de rechtspraak een geheel democratische zaak.6) De kracht van dit systeem was dat iedere Athener zich sterk bij zijn staat betrokken voelde. In tijden van voorspoed functioneerde de democratie dan ook uitstekend.
Het nadeel deed zich voelen in tijden van oorlog en tegenspoed. Dan waren de emoties van de meerderheid doorslaggevend.

De demagogie vierde hoogtij. De besluiten waren allesbehalve zakelijk en bezonnen. Dit leidde tot de ondergang van Athene als politieke macht en tot het doodvonnis van Soerates.

In zijn artikel gaat Brüll zeer diep in op de democratische component van het begrip ‘republikeins-democratisch’. Hij staat uitvoerig stil bij de verschillende wijzen van stemmen. Zonder Brülls weloverwogen opmerkingen daarover in hun merites aan te tasten, meen ik toch dat Rudolf Steiner bij het aspect ‘democratisch’ niet in de eerste plaats aan stemmingsprocedures dacht. Dit moet volgens mij vooral gezocht worden in het principe, dat ieder die als gelijkgerechtigd medewerker, i.c. als leraar, aan een vrije geestelijk strevende instelling werkt voor bestuursfuncties aan de beurt moet komen. Dat is niet zozeer een recht als wel een plicht, waarin het Atheense voorbeeld – iedere burger één keer raadslid, één keer rechter – herkenbaar is. In de Romeinse republiek was dat veel minder het geval, daar bleven de meeste belangrijke staatsfuncties voorbehouden aan de elite.

Des te opmerkelijker is het, dat juist het in oorsprong zuiver Romeinse begrip ‘republiek’ gebruikt wordt voor de gemeenschap van leraren, die de pedagogiek van het bewustzijnszieletijdperk moesten initiëren. Het Romeinse recht is heel duidelijk een product van de verstandsziel dat in onze tijd gedeplaceerd aandoet. Dat geldt niet voor het staatsrecht. Op dat gebied waren de Romeinen creatiever dan de Grieken. Hun Res Publica heeft in onze bewustzijnszieletijd een hele reeks navolgingen en vertalingen gevonden, die elk een aspect ervan weergeven: openbaar welzijn, nut van het algemeen, gemenebest, commonwealth, algemeen belang. Voor de Romeinse burgers, arm en rijk, van oude en van nieuwe families, was de Republiek inderdaad de gemeenschappelijke zaak. Deze kring der betrokkenen, de staatsburgers, was veel ruimer dan in Athene. Het Romeinse volk omvatte tenslotte alle inwoners van Midden- en Zuid-Italië.

Dat betekende niet dat er een volledige gelijkheid onder de burgers heerste. Die gelijkheid – iedere burger één stem – bestond in de volksvergadering, die ieder jaar de consuls koos. Een veel zwaarder accent van de macht lag echter in de Senaat, het orgaan van de elite. De senatoren vervulden op grond van afkomst en talent de meeste staatsambten. Zo was de Romeinse republiek een aristocratie, in de oude zin van het woord, een elite-bewind, getemperd en aangevuld evenwel door democratische voorzieningen. Van de twee consuls moest één een patriciër zijn (d.w.z. van de senatorenstand) en één een plebejer. De tien jaarlijks door het volk gekozen tribunen, allen plebejers, konden ieder elk senaats- of consulsbesluit met hun veto ontkrachten.

Het meest republikeinse ambt der Romeinen was volgens mij het . . . dictatorschap! Dit was een zeer praktische noodvoorziening. In het geval van een dreigende nationale ramp of van een wettelijk onoplosbaar probleem kon alle macht aan één persoon worden opgedragen, slechts met twee beperkingen.

1. Het ambt gold voor hoogstens zes maanden, waarna het zonodig kon worden verlengd.
2. Als het probleem waarvoor hij was aangesteld was opgelost moest de dictator zijn ambt neerleggen. Zolang hij in functie was, kon hij zich door het volk gedragen weten. Hij besliste soeverein in naam van het volk en van de republiek. Hij kon zelfs de meeste wetten overtreden, zijn wil was wet. Consuls en ambtenaren hadden zijn bevelen uit te voeren.

In latere tijden, toen de republiek in verval raakte, zijn Caesar en anderen een oneigenlijk gebruik gaan maken van deze functie. In de oorspronkelijke vorm van de dictatuur is al op een extreme manier zichtbaar wat vanaf 1919 in veel Waldorfscholen of vrije scholen als republikeinse bestuursvorm wordt nagestreefd: door het college worden functies en taken van zeer nauw omschreven karakter of van omvattende aard, voor kortere of voor langere tijd gedelegeerd aan groepen of aan enkele personen. Zo’n gevolmachtigde groep of persoon heeft binnen zijn opdrachtgebied het soevereine beslissingsrecht namens het college, dat wil in principe zeggen namens de school. Dit wordt op grond van de in onze maatschappij ingeburgerde, democratische gewoontes vaak niet begrepen door ouders of door buitenstaanders, die vaak, als zij verbaasd staan over een beslissing, vragen: ‘Ja, maar zijn alle leraren het daar wel mee eens’? Aan zo’n twijfelende vraag liggen twee verkeerde veronderstellingen ten grondslag: a. het college als geheel neemt in laatste instantie alle beslissingen en b. deze beslissingen moeten unaniem zijn.

De Romeinse republiek had naast democratische heel duidelijk aristocratische trekken. Is dat aristocratische element ook voor een moderne republiek noodzakelijk? Aristocratie wil zeggen een regering door de ‘besten’. In het verleden was deze kwalificatie altijd aan afkomst gebonden. Aristocratieën waren adelsregeringen. In een moderne aristocratie mag afkomst natuurlijk geen enkele rol spelen. Maar wat dan wel? Zijn in het gezond functioneren van een lerarencollege aristocratische momenten aan te wijzen?

Ja die zijn er, maar in beperkte mate. Een voor de hand liggende aristocratische omstandigheid is, dat natuurlijk niet iedere leraar voor alle soorten functies in aanmerking komt. Talent en ervaring moeten een beslissende rol spelen bij het vervullen van bepaalde functies. In zoverre hoort in een school de aristocratie van de competentie te heersen. Dat neemt niet weg, dat eigenlijk ieder lid van een lerarencollege te zijner tijd voor een of andere verantwoordelijke taak in aanmerking moet komen.

In de Anthroposofische Vereniging liggen de accenten anders. Bij de vorming van de Vorstand tijdens de Weihnachtstagung 1923 ging Rudolf Steiner in eerste instantie aristocratisch te werk. De opvatting dat de Vorstand gekozen zou zijn wees hij beslist terug.7) Toch werd deze benoeming, zelfs in twee ‘lezingen’ als het ware ter goedkeuring aan de oprichtingsvergadering in de Schreinerei voorgelegd. Rudolf Steiner, die zelf als eerste voorzitter in de Vorstand zitting nam, verklaarde meer dan eens, dat de vergadering vanzelfsprekend de vrijheid had om een of meer van de door hem voorgestelde kandidaten af te wijzen. Alleen zou hij zich dan terugtrekken.8)
Een tweede even sprekend voorbeeld. In de loop van het jaar 1923, na de brand van het Goetheanum en vóór de Weihnachtstagung, bevorderde Rudolf Steiner de oprichting van zelfstandige antroposofische verenigingen in zoveel mogelijk landen, de z.g. Landesgesellschaften.9) Zo werd nog in november 1923 met zijn hulp de Antroposofische Verening in Nederland opgericht. Hij streefde ernaar, dat iedere Landesgesellschaft onder leiding kwam te staan van een secretaris-generaal. Het was zeker de bedoeling en ook het gebruik, dat deze in zijn taak werd bijgestaan door een bestuur. Ook lag het voor de hand dat de secretaris-generaal officieel door een ledenvergadering werd gekozen, want als voorzitter moest hij zich gedragen weten door het vertrouwen van zijn leden. Hij moest echter ook als vertegenwoordiger in zijn land van de antroposofie en van het Goetheanum de erkenning en het vertrouwen van de Vorstand hebben. Anders zou hij zijn ambt niet kunnen vervullen. Dat betekende echter ook dat hij of zij tijdens werkbezoeken in Dornach welkom was bij zittingen van de Vorstand en daar een adviserende stem zou hebben. Dus ook op dit punt: aristocratisch op een democratische manier.

Veelzeggend is het uitvoerige antwoord op een vraag van de Amerikaanse secretarisgeneraal Monges tijdens de Weihnachtstagung. Rudolf Steiner laat nadrukkelijk de mogelijkheid open, dat iedere vereniging op grond van de in het land heersende tradities zelf bepaalt of zij meer democratisch of meer aristocratisch wil zijn ingericht. Overigens vindt hij het een enigszins theoretisch probleem.

‘Also ich meine, in der Praxis wird kein so grosser Unterschied sein zwischen Demokratie oder Aristokratie. Ob Demokratie oder Aristokratie, die Gesellschaft wird nicht viel anders ausschauen’. Een mooie anticlimax! En tegelijk doemt een fraaie parallel op met de uitspraken ‘Republikeins – niet democratisch’ naast ‘republikeins-democratisch’.10)

De soep werd dus niet zo aristocratisch gegeten als hij werd opgediend. Uit alles blijkt, dat de verenigingsvorm die Rudolf Steiner voor ogen stond – en die sindsdien nog maar gedeeltelijk is verwezenlijkt – een zeer concreet menselijke synthese vormt van aristocratie en democratie.

Ik ga een stap verder door te stellen, dat zijn verenigingsconceptie republikeins genoemd kan worden. Natuurlijk is een vereniging een veel grotere en gecompliceerdere republiek dan een college van gelijkgerechtigde verantwoordelijke leraren. Gelijkheid in rechten hoort in een vereniging onder haar leden ook te bestaan maar de verantwoordelijkheid met de daaraan verbonden plichten en rechten kan en moet op vele manieren aristocratisch genuanceerd zijn. Zonder het aristocratische element zou het mysteriekarakter, de ‘esoterische Zug’, nooit in de vereniging aan bod kunnen komen.

Daarmee raken wij tot slot aan een aspect dat veel moderne mensen kennelijk de rillingen bezorgt. Aristocratie wil in de meeste gevallen ook zeggen: hiërarchie. Sterker nog, ik durf als volslagen leek op bedrijfskundig gebied te beweren, dat geen grote moderne organisatie om het hiërarchisch principe heen kan. Hiërarchische verhoudingen komen in alle tijdperken voor. Ons in veel opzichten democratische bewustzijnszieletijdperk vormt daarop geen uitzondering. Alleen geldt hier in zijn volle zwaarte het zoëven gestelde: met afkomst of geboorte mag een hiërarchische rangorde niets te maken hebben. Verder is van actueel belang, dat een benoeming in een verantwoordelijke functie doorgaans nooit voor het leven geldt. Deze regel is van kracht op alle terreinen, exoterisch en esoterisch. Een formulering van het laatste vindt men in de volgende regels:

-‘Das Weltenschicksal ruft die Menschensöhne
Für Zeiten nur in seine Weihetempel
Und fordert sie für anderes Wirken dann,
Wenn ihre Krafte sich erschöpft im Dienste’.

Deze woorden spreekt Benedictus in het tiende beeld van ‘Der Hüter der Schwelle’ tijdens de ceremonie, waarbij de hoogwaardigheidsbekleders van een geestelijke broederschap worden afgelost door een jongere generatie.

Een exoterisch voorbeeld. De aanduiding professor was niet zo heel lang geleden een met de naam vergroeide waardigheid. Dit gebruik is al vele jaren geleden officieel afgeschaft. Wel echter geldt in de meeste gevallen een hoogleraarsbenoeming voor het leven, d.w.z. tot de pensioengerechtigde leeftijd. Althans aan deze kant van de oceaan. In Amerika wordt een hoogleraar voor een aantal jaren benoemd. Als hij in die periode niet zijn waarde heeft bewezen door publicaties of andere prestaties, loopt zijn professoraat vanzelf af. Het is een hard systeem waar vaak harde concurrentie heerst. Toch is het meer in overeenstemming met de tijd dan een hiërarchische functie-en-titel, die voor het leven met een persoon en diens naam vergroeid lijkt; Mister President, Madame la Directrice, Herr Professor, Herr Doktor. Ook in dit opzicht was het oudromeinse dictatorschap moderner. Zodra de dictator zijn taak had volbracht, was hij weer een gewoon ambteloos burger.

Maar, leidt deze uitweiding over de hiërarchie via de verenigingsoprichting van 1923 niet erg ver weg van de Waldorfschool en zijn republikeinse opbouw? Nee, niet eens. Kort na de Weihnachtstagung gaf Rudolf Steiner in 1924 voor de piepjonge Haagse Vrije School de volgende richtlijn. De Haagse school moest zichzelf – anders dan de Stuttgarter Waldorfschool! – als in de vereniging staand beschouwen. Voor de besturing van de school had dat de volgende consequentie. Het lerarencollege moest, net als dat in Stuttgart, zelf de school besturen. Het officiële schoolbestuur had daarbij slechts een assisterende functie. Zeer cruciale beslissingen moest het college eerst voorleggen aan de secetaris-generaal van de Nederlandse Antroposofische Vereniging, i.c. Willem Zeylmans van Emmichoven. Deze moest beoordelen of hijzelf de zaak met een (zonodig bindend) advies kon afdoen. In het andere geval moest hij Elisabeth Vreede, lid van de Vorstand in Dornach, inschakelen. Ook zij beoordeelde dan weer of zijzelf de knoop doorhakte of dat het geval aan Rudolf Steiner moest worden voorgelegd. Zo werd de Haagse Vrije School langs een overzichtelijke concreet menselijke, hiërarchische weg met het centrum van de antroposofische beweging verbonden. Deze voorziening heeft door Rudolf Steiners vroegtijdige dood en door de moeilijkheden die toen volgden maar korte tijd gefunctioneerd.

Dit brengt ons op de vraag in hoeverre deze aristocratische en hiërarchische vormen nu nog passen.

Er zijn zoals gezegd allerlei moeilijkheden opgetreden. Deze zijn deels onherstelbaar gebleken, deels verouderd, deels creatief overwonnen. Maar bovendien leven wij nu ruim zestig jaar later. Al in 1945 verlangde Marie Steiner nuchter de democratisering van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft – niet van de Freie Hochschule für Geisteswissenschaft.11) Interessant is het om daarmee de geheel nieuwe opzet te vergelijken, die Willem Zeylmans in die tijd voor het verenigingsleven voorstelde. -Wat de scholen aangaat, sinds 1970 is de golf van de ouderparticipatie door het land gegaan. Daarvan heeft de schoolbeweging toen in hoofdzaak veel steun ondervonden. Inmiddels is die golf weer teruggeëbt maar hij heeft in de wetgeving sporen achtergelaten in de vorm van verplichte medezeggenschapsraden, louter een product van een even bureaucratische als democratische wijze van denken. Op zo’n uitdaging zijn juiste en minder juiste antwoorden mogelijk. De enige onmogelijkheid is zoiets te negeren. Dat valt echter niet in het bestek van dit artikel. Daarbuiten valt ook de vraag op welke manier het aristocratische element in de vereniging nu op zijn plaats is.

Wel wil ik kort en aforistisch als mijn mening uitspreken, dat de door Rudolf Steiner in 1923 en ’24 geschetste structuren grotendeels hoogst actueel zijn. Voor een deel passen zij nog niet in deze tijd. Ook hier geldt, dat de Weihnachtstagung alleen maar in schijn tot het verleden behoort, in wezen is zij nog toekomst.

Over verleden en heden van school en vereniging kan samenvattend het volgende gezegd worden. Een Vrije School, (Waldorf- of Rudolf Steinerschool) gedijt niet als er geen collegiale leiding is. Dat laatste is een voorwaarde, geen garantie voor succes. Wel geldt het tegenovergestelde, dat een directorale leiding bijna een garantie is voor een mislukking. Alleen als beginfase of als overgangsstadium in een tijd van crisis en reorganisatie kan een eenhoofdige leiding tijdelijk uitkomst bieden. Een antroposofische vereniging daarentegen functioneert pas echt goed, als een secretaris-generaal of voorzitter in het midden staat. Niet als een centralistische paus – dan is de vereniging geen Res Publica meer – maar als iemand met initiatief die ook initiatieven in zijn omgeving weet te stimuleren.

Hét voorbeeld in andere landen vaak met positieve afgunst bewonderd, van een rondom de voorzitter opbloeiend verenigingsleven was de Nederlandse vereniging in de tijd van Zeylmans. Andere vormen zijn zeker mogelijk. In veel verenigingen berust de leiding bij een groep als bestuur.

In Duitsland is na de oorlog allengs een fijn uitgebalanceerde, gedecentraliseerde overlegstructuur ontstaan. Toch mist zo’n organisatie zonder secretaris-generaal iets aan duidelijke zichtbaarheid en besluitvaardigheid, dat zo’n vereniging tot een factor in het land zou moeten maken.

Onze conclusie kan zijn, dat republikeinse gemeenschapsvormen zich altijd kenmerken door een volmaakt natuurlijke combinatie van democratische en aristocratische elementen. In een vrijeschoollerarencollege ligt het accent duidelijk meer op de democratische component. In de antroposofische vereniging zal naast het vanzelfsprekend aanwezige democratische element de aristocratie een sterkere rol spelen, sterker dan in scholen het geval is. Het kan nog korter gezegd worden door de titel met een licht gewijzigde interpunctie te herhalen. Republikeins: democratisch en aristocratisch.

H. P. van Manen, Mededelingen van maart 1987.

* Het eerste deel ‘Wat gebeurde er in januari 1923 in de Waldorfschool?’, verscheen in de Mededelingen van februari 1987.

6. Om precies te zijn: in de praktijk kwam vermoedelijk eenderde van de stemgerechtigde mannen aan de beurt voor de raad van 500; een zeer grote meerderheid deed ooit dienst als lid van de rechtbank. De 6.000 dienstdoende rechters waren ingedeeld in ‘kamers’ van 200 man. Bij aanwijzing voor beide functies speelde loting een grote rol – Zie Alfred Zimmer, The Greek Commonwealth, Oxford-London 1947, p. 162 e.v.

7. Zie GA 260, Die Weihnachtstagung zür Begründung der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft 1923-’24, hier geciteerd naar de uitgave van 1944, p. 103 e.v.; ook p. 63 en p. 128.

8. Zie behalve GA 260 p. 63 het pas verschenen herinneringsboek van Friedrich Hiebel, Entscheidungszeit mit Rudolf Steiner, Dornach 1986 p. 178.

9. Zie: Rudolf Steiner und die Zivilisationsaufgaben der Anthroposophie, Dornach 1943 (moet nog verschijnen als GA 259)**, speciaal p. 90.

10. GA 260, uitg. 1944 p. 63 en 64.

11. Marie Steiner, Briefe und Dokumente. Dornach, 1981 p. 160 e.v.

**Inmiddels is GA 259 verschenen, met een andere titel dan van Manen hier noemt; of het hierin ook blz. 90 betreft is mij onbekend.

.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

1475

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/2)

.

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In zijn nawoord bij de uitgave van Steiners ‘Opvoedkunst-methodisch-didactische aanwijzingen‘ schrijft Christof Wiechert:

‘De avond voordat de cursussen op 20 augustus 1919 begonnen werd een bijeenkomst belegd, waarin Steiner de cursisten voor­hield dat deze nieuwe pedagogie niet beperkt bleef tot het les­geven alleen. Ook de sociale ‘gestalte’ van de school zou de geest van deze nieuwe pedagogie tot uitdrukking brengen. Een nieuwe werkwijze vraagt om nieuwe sociale vormen. Het zou bijvoorbeeld geen school worden waarin een directeur zou bepalen wat er moest worden gedaan. Het zou geen werk worden dat je vanuit een luie stoel zou kunnen doen. Ieder zou volledig verantwoordelijk wor­den voor alles wat hij deed, voor alles wat de school zou betreffen.

‘Daarom zullen we de school niet volgens overheidsprincipes, maar volgens organisatorische principes inrichten, namelijk repu­blikeins. In een werkelijke lerarenrepubliek zullen we niet achter­over kunnen leunen, niet kunnen aanleunen tegen regels die van de schoolleiding komen, maar moeten we zelf inbrengen wat ons de mogelijkheid geeft, wat ieder van ons de volle verantwoorde­lijkheid geeft voor wat ons te doen staat. Ieder moet individueel volledig verantwoordelijk zijn.

Dat wij geen schoolleiding zullen hebben, kunnen we onder­vangen door deze voorbereidende cursus te houden, door ons daarin eigen te maken wat de school tot een eenheid smeedt. We zullen die eenheid bereiken door deze cursus, als we ons echt se­rieus inzetten.’

Opmerkelijk aan deze toespraak is dat schoolleiding opgevat wordt als richtinggevend, identiteit stichtend, eenheid schep­pend. Eenheid in de zin dat uit één geest gewerkt wordt, uit één herkenbare, eenduidige kwaliteit. Later werd deze functie overge­dragen aan de lerarenvergadering. De toekomstige leraren wisten dus wat hen te wachten stond.’

Geen schoolleiding betekende toen vooral ook geen directie, geen directeur. Het ging om andere vormen van leiding geven – in overeenstemming met de idee van de sociale driegeleding.
Deze idee is m.i. indrukwekkend uitgewerkt door Dieter Brüll in zijn: ‘De sociale impuls van de antroposofie’.

Nu ook alle vrijebasisscholen een directie, c.q. een directeur hebben – de middelbare scholen liepen voorop – is dat een indicatie dat ook op dit gebied de ‘sociale impuls van de antroposofie’ geen realiteit is geworden.

Jaren geleden al werd Steiners oproep om ‘een republikeinse leiding’ al uitgewerkt door een van de leerkrachten van de vrijschool in Stuttgart, Ernst Lehrs. Zijn opvattingen zijn niet door iedereen geaccepteerd als dat wat Steiner bedoelde.

Dieter Brüll was van mening dat het niet ‘republikeins OF democratisch’ is, maar ‘republikeins EN democratisch’
In 1986/87 publiceerde hij daarover een aantal artikelen.

REPUBLIKEINS EN  DEMOCRATISCH

In 1956 heeft Ernst Lehrs in de ‘Mitteilungen aus der Anthroposophischen Arbeit in Deutschland’ (X/3) het artikel ‘Republikanisch, nicht demokratisch’ doen verschijnen, dat nu sedert decennia als richtlijn voor het antroposofische institutionele leven fungeert. Blijkens de aanhef van dit artikel is de basis ervan een uitspraak, die Steiner ten aanzien van de structuur van de Waldorfschule gedaan zou hebben: de juiste vorm van zo’n college is de republikeinse, niet de democratische.

Nu is het met apocrieven van Steiner altijd oppassen geblazen. Wie hun herkomst nagaat, gaat het menigmaal als de speurder naar het verhaal van de dode oma in de autokoffer: met naam en toenaam wordt de persoon genoemd, die het geval is overkomen; wordt die opgezocht, dan is het een derde, die erbij was; die verwijst weer naar een ander en tenslotte lost zich het hele geval in nevelen op.
Het lijkt mij daarom ook hier beter, om het oordeel over die uitspraak op te schorten tot zij geconfronteerd kan worden met hetgeen Steiner over dit onderwerp in het bijzijn van een stenograaf heeft gezegd.

In de eerste plaats valt op, dat Steiner in de lerarenconferenties (GA 300a-300c) niet alleen over republikeins, doch ook over democratisch-republikeins spreekt (300a/271), als zijnde de gewenste ordening voor een vrijeschool.1) Dat kan nauwelijks verbazen. In mijn ‘De sociale impuls van de antroposofie’ heb ik (p.201 v.) aangetoond, dat aan het republikeinse principe een stadium vooraf moet gaan, dat óf democratisch óf autoritair is: Indien wij republikeins het principe noemen, waarbij de enkeling een bepaalde sector van het instellingsleven in eigen verantwoordelijkheid, maar vanuit het doel van de instelling beheert,2) dan vereist het toevertrouwen van het beheer over die sector, het verlenen van die functie dus, een besluit. Dit besluit kan democratisch genomen worden, hetgeen betekent: ieder één stem. Het kan ook autoritair genomen worden: Eén of enkele mensen weten, in tegenstelling tot de rest, wat goed voor de instelling is.

Het is nu interessant, dat in het enige mij bekende geval, waarin Steiner de problematiek ‘democratisch-republikeins’ voorgeëxerceerd heeft – waarbij ik afzie van de Weihnachtstagung, omdat wat Steiner toen structureel gewild heeft, vandaag meer dan ooit een open vraag is – van een duidelijk ‘én-én’ sprake is. (En ik heb sterk het vermoeden, dat dit het geval is, dat tot de geciteerde uitspraak bij Lehrs is verdund). Tengevolge van bepaalde pretenties werd het aan de Waldorfschule nodig, dat het aanvankelijk slechts uit een bundeling van functies bestaande bestuur althans voor bepaalde aspecten een zekere continuïteit zou krijgen. In tegenstelling echter tot de benoeming in leraarsfuncties, die Steiner hoogst persoonlijk verrichtte, wenste hij, dat het driemanschap, dat voor een langere tijd deze coördinerend-representatieve functie zou vervullen, door zijn collega’s gekozen zou worden. De wijze waarop nu is interessant. Op voorstel van Steiner kozen de leraren in schriftelijke (derhalve geheime) stemming – dus volstrekt democratisch, namelijk ieder één stem – zes personen. Deze hadden tot taak een voorstel te doen, welke drie personen in de te scheppen functie benoemd zouden moeten worden (GA 300b/239; vlg. ook idem p.56). Dit voorstel wordt na enige tijd in de leraarsvergadering gebracht, weer in aanwezigheid van Steiner (idem p.241 v.). Een van de aanwezigen spreekt de wens uit om het voorgestelde drietal met een vierde, met name genoemde persoon uit te breiden. Nu trekt Steiner alle registers open om deze betweter de mantel uit te vegen. De vergadering kan nu alleen nog ja of neen tegen het voorstel zeggen. Het is een schande, dat men eerst een benoemingscommissie kiest vanuit het vertrouwen in de kwaliteit van hun leden, en dat nu een leraar in feite zijn wantrouwen in die commissie uitspreekt; hij vindt immers kennelijk, dat de commissie haar werk niet goed genoeg heeft gedaan. Dit alles geschiedt met een verbazende felheid, waarbij Steiner deze persoon zelfs belet om bakzeil te halen. Het lijkt wel, of hier een misdadiger ontmaskerd moest worden.3)

Het is mogelijk, dat het accent, dat dit aspect van de casus hierdoor kreeg, de eenzijdige nadruk op het republikeinse principe heeft doen ontstaan. Want dat was hier in het geding. Aan een commissie was een taak gedelegeerd en vanaf dit moment had zij die taak in volle autonomie te vervullen; én in het bewustzijn, dat zij het vertrouwen van het lerarencollege bezit. Niemand mocht zich derhalve ermee bemoeien. En stel, dat het lerarencollege ‘neen’ tegen het resultaat van de commissie zou hebben gezegd, dan zou dat niet minder een motie van wantrouwen zijn geweest, die de commissie niet alleen tot intrekking van haar voorstel had moeten leiden, maar wellicht zelfs tot vertrek uit het college. Onze betweter heeft dus niet minder dan het bestaan van de school in gevaar gebracht en het komt mij voor, dat Steiner dit door zijn wel heel zware reactie onuitwisbaar in het bewustzijn van de aanwezigen heeft willen verankeren.

Nochtans is het feit, dat het resultaat van de commissie als ‘voorstel’ in de leraarsvergadering kwam (dat dus niet de commissie zelf de functionaris benoemde) als een teken te zien, dat het democratische principe opnieuw een plaats krijgt toegewezen, zij het in tegenstelling tot het ontstaan van de delegatie een meer formele: Bij het einde van de delegatie (de commissie had met het uitbrengen van het voorstel haar taak volbracht), neemt het lerarencollege, nemen alle stemgerechtigden persoonlijk de verantwoordelijkheid op zich van het resultaat.

Een vorm van décharge, zo men wil. Mocht de keuze van het driemanschap later een misser blijken te zijn, dan is dat niet langer de schuld van de commissie, maar van ieder stemgerechtigde. Hoezeer ook een dergelijk democratisch procédé vrijwel steeds (en ook i.c.) ‘bij acclamatie’ zal geschieden, de theoretische mogelijkheid van een verwerping, van een motie van afkeuring blijft bestaan. Soms is het nodig dat aan een misschien op zichzelf onbenullig geval de geesten scheiden. Letterlijk. Republikeins en democratisch principe zijn polariteiten. Hoe sterker men de nadruk legt op delegaties, des te minder valt democratisch te beslissen; men heeft met de taakverlening ook de besluitvorming uit handen gegeven. Voorzover daarmee vermeden wordt, dat ieder wissewasje in het plenum komt, is dat alleen maar gunstig. Voorzover het de eigen verantwoordelijkheid en activiteit (op het gedelegeerde gebied) stimuleert, eveneens. Trekt men de lijn te ver door, dan ontstaat als nadeel, dat de op het gezamenlijke doel te richten coördinatie teloor gaat: ieder beheert zijn eigen huisje.

Waar ‘coördinerende functies’ worden geschapen, is dit een teken, dat het evenwicht tussen republikeins en democratisch is verbroken. Er zijn onvoldoende momenten, waarop het particuliere beleid aan het algemene beleid getoetst en daaraan aangepast wordt door een democratische besluitvorming. Het proces wordt bepaald bedenkelijk, indien delegaties voor lange tijd worden verleend, c.q. de verlenging een formaliteit is (‘bij acclamatie’). Dan ontstaan machtsposities binnen de organisatie, c.q. vormt zich een formeel of informeel bestuur, dat niets meer met republikeins, doch alles met een autoritair bewind te maken heeft. Voor de meeste delegaties is de duur van een jaar reeds rijkelijk lang. Daarna is een evaluatie van de functie (niet van de functionaris!) en een geheime verkiezing van de volgende functionaris op zijn plaats. Uitzonderingen zijn mogelijk en, soms, noodzakelijk. Men denke aan de klasseleraar in een vrijeschool, die in principe een mandaat voor acht jaar ontvangt. Het republikeinse principe vereist een correctief in een informele, zuiver menselijke sfeer. Het verbiedt weliswaar iedere ongevraagde inmenging, maar het staat geenszins aan verzoeken om hulp of advies door de functionaris in de weg. Daaraan zal vaak behoefte bestaan. De functionaris kan zich dan tot een vertrouwenspersoon wenden, een kring(etje) ad hoc vormen of zijn probleem in het plenum brengen. Maar men mag hem nooit ertoe nopen (‘Zou je niet eens met Y gaan praten’?). En de verstrekte raad of hulp neemt ook niet het puntje op de iota van zijn verantwoordelijkheid van hem af. – Naarmate een functionaris er zekerder van is, dat hem niemand, door het ‘beter’ te weten, wil diskwalificeren, zal zijn geneigdheid toenemen, om bij precaire of kritieke punten van zijn taak collega’s te gaan raadplegen. Dat komt niet alleen de beslissing ten goede, maar ook de coördinatie in de diverse beleidssectoren. Ook op dit gebied bloeien wonderlijke moerasbloemen. Wat bijv. te denken van het bestuur van een coöperatie, dat zich eerst juridisch en extern laat voorlichten, of het bevoegd is om zijn hele bedrijf te verkopen, en zulks dan doet zonder de leden erin te kennen, onder het motto: de statuten staan het toe?

Te veel democratie ruïneert de instelling niet minder. Als het plenum erover moet beslissen, of Rietje een middag vrij kan krijgen, of een nieuwe schrijfmachine mag worden aangeschaft, of een advertentie in het eigen blad geweigerd moet worden, dan verworden vergaderingen tot eindeloze, dorre beproevingen, waarvoor men óf niet meer verschijnt, óf uit verveling stokpaardjes gaat berijden. Saaie vergaderingen zijn vaak een teken van teveel democratie.

Het republikeinse principe is, hoewel practisch zelden consequent toegepast, theoretisch zo algemeen geaccepteerd, dat het weinig zin heeft erop in te gaan. De democratische component van de structuur daarentegen leidt doorgaans een Doornroosjesbestaan. Daarom wil ik er een enkel aspect van behandelen.

Het democratische principe wordt tot een schertsvertoning gemaakt, indien de voorzitter van de vergadering het agendapunt afsluit met: ‘Niemand ertegen? Dan is het voorstel aangenomen’. Men kan dan voorspellen, dat als het besluit ongelukig uitpakt, hier en daar beweerd wordt: ‘Ik ben het er nooit mee eens geweest’. Het gaat juist niet alléén om meerderheden. Het gaat ook en vooral om de waarneming van iedere stem. De vergaderingsorde zelf moet ertoe leiden, dat men leert om voor zijn mening op te komen, althans die te laten blijken. Het ‘ja’ of ‘neen’ moet uit de wil komen: een hoorbaar woord, een zichtbare hand, een schriftelijke verklaring.

Dat betekent een telling van de stemmen pro en contra én van de onthoudingen 4), inclusief een controle, of hun som met het aantal stemgerechtigde aanwezigen klopt (zie 300b/248). Maar bij democratie behoort ook, dat men tot geheime (schriftelijke) stemming overgaat, zodra er ook maar de kans is, dat iemand voor zijn werkelijke gevoelens niet uit durft te komen. Bij verkiezing van personen zou dat regel moeten zijn, zoals Steiner in het aangehaalde geval demonstreerde. Toch is het uitzondering en wel één, die ik in antroposofische verhoudingen nog moet tegenkomen.

Het democratische principe is niet identiek met de helft plus één. Het betekent niet meer, dan dat ieder een stem heeft en dat ieders stem even zwaar weegt. Welk percentage stemmen nodig is een voorstel aangenomen te doen zijn, is een kwestie van afspraak: de helft plus één, tweederde, unaniem – alles kan. Die afspraak moet evenwel statutair of reglementair zijn vastgelegd. Een keuze per geval werkt manipulatie in de hand.

De vereiste meerderheden mogen een kwestie van overeenkomst zijn, natte-vinger-werk behoeft het ook weer niet te worden. Unanimiteit bijv. is een prachtig beginsel, maar heeft al menige instelling geruïneerd. Nochtans is het voor een enkel gebied wenselijk. Ik denk hierbij vooral aan de opname van een stemgerechtigde medewerker 5).
Zijn stem zal mede over het wel en wee van de instelling beslissen, dus ook mede over het welvaren van iedere medewerker. Wij kennen een analoge situatie in het civiele recht. Tenzij men statutair hiervan heeft willen afwijken, is de opname van een nieuwe firmant slechts bij algemene stemmen, van alle zittende firmanten mogelijk. En is bij uittreden van een firmant de firma van rechtswege ontbonden; ook hier weer: daargelaten verblijvings- en voortzettingsbedingen. De wetgever heeft het – mijns inziens terecht – normaal geacht, dat waar iedere firmant persoonlijk aansprakelijk is voor het geheel der schulden van de onderneming, opname (en uittreden) van zo vitaal belang voor allen is, dat men aan niemand een firmant tegen zijn zin mag opdringen. – Welnu, de stemgerechtigden in de hier bedoelde zin zijn niet minder existentieel met hun instelling verbonden; ook al brengen zij geen vermogen in en ook al streven zij niet naar winst. –

Ontbinding van een instelling als een van de medewerkers deze gaat verlaten, zal wel nimmer wenselijk zijn. Hier zijn andere middelen nodig om emotionele besluiten of machtsmisbruik te voorkomen in het geval van onvrijwillig uittreden. Unanimiteit zou een crisis onoplosbaar kunnen maken. Beter is een afkoelingsperiode, gevolgd door de eis van een stevige meerderheid, bijv. driekwart.

Een gekwalificeerde meerderheid is niet alleen wenselijk bij statutenwijziging, maar telkens als ook maar een van de stemgerechtigden de vraag opwerpt, of het voorstel wel met het statutaire doel verenigbaar is (bijv.: is multiple choice verenigbaar met het doel, onderwijs te geven volgens de pedagogiek van Rudolf Steiner?) vanwege stokpaardberijders is de unanimiteitseis onwenselijk. Maar het kan wijs beleid zijn, om zo’n voorstel niet door te drukken, indien ook maar een van de stemgerechtigden ernstige (gewetens-)bezwaren heeft.

Tenslotte behoort ook het delegeren aan een ruime meerderheid te zijn gebonden. Het zware accent, dat in instellingen op antroposofische grondslag op het republikeinse principe rust, vereist een zeer ruim vertrouwensvotum. Wie met de hakken over de sloot (de helft plus één) een taak kreeg toebedeeld, moet zich wel onzeker voelen.

Democratie zal in het institutionele leven steeds bijzaak moeten blijven. Wat door een instelling, in het economische of in het geestesleven, in de wereld wordt gezet, zal altijd van de vaardigheid van mensen afhangen en daarmee van de speelruimte, die zij krijgen (republikeins beginsel). Maar het is wel zo, dat verwaarlozing of onjuiste behandeling van de democratische component desastreus kan uitpakken. Daar bestaan helaas nogal wat voorbeelden van. Het gevolg is namelijk niet een versterking van het republikeinse principe, doch een terugval in hiërarchische verhoudingen. Een informele, ongrijpbare en vooral op het inhoudelijke gerichte macht pleegt dan de formele macht van de vergadering te vervangen. Deze gang van zaken heeft expliciete voorstanders. Daar is niets op tegen. Men dient alleen te weten, dat hiermee het tegendeel van sociale driegeleding wordt nagestreefd. En al werkt een instelling nog zozeer vanuit antroposofische doelstellingen, zolang zij de sociaal-structurele impuls niet incorporeert, is het geen antroposofische instelling.

Om nu op het artikel van Lehrs terug te komen: anders dan de titel en aanhef zouden doen vermoeden, bestaat er geen tegenstelling tot de hier naar voren gebrachte opvatting. Ook Lehrs kent een democratische voor-(en na-) fase, zij het meer impliciet (‘In dem die Gemeinschaft sich auf diese zunachst demokratische Weise eine Hiërarchie von Funktionaren besorgt…’).6)
Omdat Lehrs echter verder alleen op de republikeinse component ingaat, konden dienaangaande misverstanden ontstaan. Die zijn de reden geweest voor deze beschouwing.

D. Brüll, mededelingen Antroposofische Vereniging, 11-1986

1) Het is symptomatisch, dat men in het overigens uitstekende registers van de conferentiedelen het trefwoord ‘democratie’ tevergeefs zal zoeken.

2) Zie voor het begrip ‘republikeins’ ook Steiner in GA 300a/68: het staat in tegenstelling tot ‘uitgaande van de regering of van een rectoraat’. Bij een ‘republikeinse bespreking’ is iedereen souverein, d.w.z. behoeft niet iemand anders’ opvatting te delen.

3) Er kan op worden gewezen, dat deze gang van zaken, alleen zonder wanklanken, zich bij de Weihnachtstagung herhaalde: Gegeven de taak van Steiner om de Gesellschaft te leiden, vormt hij de leiding, d.w.z. de Esoterische Vorstand. De vergadering kan die in zijn totaliteit aanvaarden of verwerpen; zij mag niet in de samenstelling ingrijpen.

4) Het verdient aanbeveling om de stemgerechtigden te vertellen, wat onthouding betekent. Niet: ik weet het niet zo goed en ik zal straks wel zien wat ik ervan vind. Wel: óf het kan me niet schelen, ik vind ja of neen beide best; óf ik mis het oordeelsvermogen over deze zaak en leg mij bij voorbaat loyaal bij het standpunt van de meerderheid neer. Wie dat niet wil, dient tegen te stemmen.

5) Een stem behoort men alleen te hebben, als men de verantwoordelijkheid voor het uitbrengen van die stem ook zelf te dragen krijgt, dus als de gevolgen van het besluit voor iedere stemuitbrenger voelbaar zijn: in het inkomen; in een faillissement desnoods. Een gesalarieerde medewerker zou derhalve eigenlijk niet stemgerechtigd mogen zijn.

6) Er behoeft daarbij geenzins onder stoelen of banken te worden gestoken, dat Lehrs’ begrip ‘democratie’ wezenlijk van het mijne afwijkt. Ik zal daarop op deze plaats niet ingaan omdat de problematiek in mijn ‘Sociale impuls van de antroposofie’ is behandeld: de menselijke tragiek én de structurele noodzaak van meerderheidsbesluiten. Ook met de term ‘Hiërarchie von Funktionaren’ staat Lehrs ver van mijn denkwereld af.

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1467

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.