VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 1 (1-3-1/2)

.

Zie de inleiding van [1-3-1/1]

‘De geestelijke wereld is teer in haar werkingen.’ Met deze regel besluit Siegwart Knijpenga zijn beschouwing in dit nummer [van Jonas, niet op deze blog] over de gestorvenen. In onderstaand artikel spreekt de Amsterdamse huisarts Helmut Ogilvie zich uit over een werkelijkheid die zo mogelijk nog ongrijpbaarder is:
de wereld van de ongeborenen. Alhoewel er ervaringen zijn van mensen die erop wijzen dat kan worden gesproken van een existentie aan de andere kant van de drempel van de geboorte, is het vaak niet eenvoudig die ervaringen te verwoorden. De opmerkingen die hieronder volgen, moeten dan ook worden gezien als een voorzichtig tasten. Een gesprek met Helmut Ogilvie.

HET VOOR GEBOORTELIJKE

Ik weet niet precies hoeveel, maar meer dan honderd geboorten heb ik wel meegemaakt. Ook heb ik te maken gehad met het proces van zwanger worden. Ik denk aan bepaalde vrouwen die meenden onvruchtbaar te zijn en waarvan een aantal met behulp van eenvoudige begeleiding geholpen kon worden. Ik denk wel dat ik het voorrecht heb gehad om veel meer positieve situaties dan negatieve te begeleiden. Vele malen heb ik mogen meemaken dat de komst van een kind werd beschouwd als een geschenk, niet als iets dat ‘genomen’ werd. Veel mensen zeggen dat immers zo: ik neem een kind. Het moderne bewustzijn beleeft het krijgen van een kind niet als een geschenk, maar denkt in termen van planning en geboorteregeling. Niettemin heb ik het veel meegemaakt dat de komst van een kind werd gevoeld als een geschenk uit de geestelijke wereld.

Mij is in de loop van de vele jaren opgevallen dat veel vrouwen een sterke wens hebben om een kind te krijgen; zó sterk dat ze er bijna alles voor over hebben. Ze willen onderzoek en medische ingrepen ondergaan, eventueel ook operatieve. Ze willen eventueel jarenlang sterke hormonen slikken om regelmatig een eisprong te kunnen bewerkstelligen. Je vraagt je wel eens af: waar komt die krachtige kinderwens vandaan? Is dat een egoïstische wens, zoals vaak wordt gesuggereerd? Of is het ergens toch een aanvoelen van een vraag uit de geestelijke wereld? Waarbij je dan tevens de vraag aansnijdt: waar komen de kinderen écht vandaan… Maken wij ze? Nemen wij ze? Of krijgen wij ze?

De kinderwens kan zo sterk zijn dat mensen besluiten tot kunstmatige inseminatie en tot test-tube-baby’s en dergelijke, zaken waar je misschien wat smalend om kunt lachen, maar die een stuk moderne realiteit vertegenwoordigen die wel eens kon samenhangen met de wens van ongeborenen op aarde te tomen en dat eventueel zelfs met behulp van de techniek. Toch blijven vragen open: mag je een mensengeest, die op aarde wil komen, zo’n door en door technische ontvangst bieden, is dat de beste oplossing voor dit incarnatieprobleem? En in hoeverre werk je misschien toch dwingend op zo’n mensengeest in? Het gevoel kan je bekruipen: wil ik menselijke lotsproblemen technisch oplossen, zoals op een ander vlak bij abortus provocatus ook gebeurd?
Er zijn ook mannen die een sterke kinderwens hebben, maar zij zijn beslist in de minderheid. De vrouw heeft van nature de mogelijkheid gekregen een poort te zijn voor ongeborenen tot het leven. Het is weliswaar geen verplichting voor vrouwen om daar gehoor aan te geven; dat zij echter sterkere gevoelens hieromtrent hebben, zal zeker ermee te maken hebben dat zij kunnen baren en mannen niet. Als ik er nu zo over nadenk, moet ik vaststellen dat ik maar in een enkel geval een potentiële vader heb meegemaakt die zo’n sterke kinderwens had dat hij er van alles voor over had. In de gevallen dat de man zich liet opereren, ging de aandrang meestal uit van de vrouw. Ik denk dat de vrouw dichter bij de wereld van de ongeborenen staat. Mij lijkt dat de kinderwens eigenlijk al een eerste aanwezigheid is, hoe teer en ongrijpbaar dan ook, van een ongeboren mensenwezen.

Je kunt niet iets wensen dat er niet is. Bij de mens, in tegenstelling tot het dier, berust zo’n wens op realiteit. Een dier heeft geen wensen; alleen maar dwingende instinctieve voortplantingsdrift die aan het moment gebonden en niet voortdurend aanwezig is. Een potentiële ouder kent wel die voortdurende zeer sterke wensen, die jaren en jaren aanhouden.

Er zijn tal van voorbeelden die duiden op een zekere aanwezigheid van ongeborenen al voordat zij geconcipieerd zijn. Hugo Verbrugh heeft een aantal van die gevallen beschreven in zijn boekje ‘Een beetje terugkomen’. Er zijn allerlei soorten gevallen. Een kind zegt bijvoorbeeld tegen zijn moeder: ‘Ik zie een kindje in de lucht zweven’, terwijl er dan nog helemaal geen stoffelijke aankondiging is. Je kunt dan het gevoel hebben dat zo’n kind iets reëels uitspreekt. Soms hoor je ook wel eens dat beide ouders heel sterk het gevoel hebben dat een ongeboren mensenwezen op een incarnatiemogelijkheid wacht, terwijl de ene ouder daar dan ja tegen zegt, en de andere nee.

Er was eens een vrouw die graag een kind wilde hebben, maar niet zwanger kon worden doordat haar man ziek was. Zij speelde op zeker moment de rol van engel in het kerstspel. Haar hulp in de huishouding was naar de uitvoering komen kijken en had na afloop tegen de vrouw gezegd: ‘Het was heel fijn; vooral was het zo leuk dat er de hele tijd een meisje aan je hand meeliep’. Het was een vrouw met vier kinderen die er graag een vijfde bij wilde hebben. Toen dat kind vele jaren later toch kwam, was het voor de moeder het kind dat door de hulp in de huishouding tijdens dat kerstspel was waargenomen. Die moeder vertelde mij ook dat als haar in die tijd werd gevraagd hoeveel kinderen zij had, dat ze zich dan vaak vergiste en zei: vijf, oh nee, vier. Zo’n verhaal is natuurlijk geen bewijs, maar wel een aanwijzing.

Er is naar dit soort belevenissen nooit op grote schaal onderzoek gedaan. Het zou mij niets verbazen als bij een enquête over dit onderwerp zou blijken dat zeer veel mensen vergelijkbare ervaringen hebben.

Er zijn ook anderssoortige ervaringen. Een man vertelde mij bijvoorbeeld eens dat hij zich van alles kon herinneren in de vorm van beelden uit de tijd van voor de geboorte, tot in de tweede maand na de conceptie. Die man was een medewerker van de NVSH en vertelde dat hij het toendertijd niet erg zou hebben gevonden wanneer hij was geaborteerd. Ik heb wel eens de indruk dat veel meer mensen dit soort ervaringen hebben, maar dat niet durven zeggen, of gewoonweg verdringen, omdat het zo haaks staat op de gangbare opvattingen. Er zijn wel enquêtes gehouden over ervaringen op de drempel van de dood. Men is tot het verrassende resultaat gekomen dat 15 procent van de Amerikanen drempelbelevenissen heeft gehad. Iets vergelijkbaars zou ook wel eens het geval kunnen zijn ten aanzien van de drempels van geboorte en conceptie. Wat wél is gebeurd in dit verband is het onderzoek naar zogenaamde ‘regressie-therapieën’, dat wil zeggen therapieën die je terugvoeren tot voorbij het moment van geboorte, en zelfs voorbij het moment van conceptie. Professor Dessaur heeft in haar boek ‘De Droom der Rede’ er al op gewezen dat dit soort gegevens gegronde redenen bieden om het vraagstuk wetenschappelijk serieus te nemen. Ook het boek ‘Het geheime leven van het ongeboren kind’ van Verny en Kelly vermeldt dat veel mensen prenatale herinneringen vanaf de zevende zwangerschapsmaand hebben.’

Het merkwaardige van onze tijd is dat er weliswaar van alles wordt onderzocht, maar dat dat weinig invloed heeft op de officiële wetenschappelijke en toonaangevende maatschappelijke discussies, zoals bij voorbeeld over abortus. Hetzelfde betreft de euthanasie. Alleen al in Amerika zijn er duizenden beschrijvingen van gevallen van mensen die klinisch dood zijn geweest en toch weer tot leven werden gewekt. Een derde van die mensen had identieke ervaringen in een situatie dat ze los waren van het lichaam en daarbij hun bewustzijn behielden. Je zou zeggen dat zulke feiten zeer relevant zijn in de discussie over euthanasie! Niettemin worden deze feiten nauwelijks ingebracht, alsof ze niet van belang zijn. Iets dergelijks kun je ook over abortus zeggen.

Er worden per jaar* in Nederland 18.000** abortussen gepleegd en dan laat ik het abortustoerisme nog buiten beschouwing. Je kunt je afvragen wat dat betekent voor de wereld van de ongeborenen. Het is natuurlijk geen gemakkelijke vraag, vooral ook omdat een bestaan voor de geboorte en zeker vóór de conceptie, in welke vorm dan ook, in onze cultuur niet als een realiteit wordt beschouwd. Als je echter de aanwijzingen voor zulk een realiteit ernstig opvat, zul je je moeten afvragen wat abortus betekent voor een mensenwezen dat in een bepaald gezin, een bepaald land, een bepaalde cultuur geboren wil worden. Zal hij of zij, als de weg daartoe geblokkeerd is, moeten uitwijken naar een ander gezin, een ander land? En houdt dat dan in dat de omstandigheden waarin hij of zij opgroeit minder in overeenstemming zijn met het eigen wezen, met keuzen die in de geestelijke wereld door hem of haar zijn gemaakt? En is het wellicht zo dat zo’n mensenziel lange tijd moet wachten op een mogelijkheid zich te incarneren?

Het feit alleen al dat je deze vragen kunt stellen, houdt naar mijn mening in dat de allergrootste terughouding in acht moet worden genomen ten opzichte van abortus. De eerste en meest intense impuls van de mens om zich te incarneren is tenslotte de liefde tot de aarde. Daar wil hij zich op een uitgekozen moment mee verbinden en daar wil hij een ontwikkeling doormaken die alleen in aardse omstandigheden mogelijk is. Mijn stelling is: beter adopteren dan aborteren, het gaat om een mens! Het is in Nederland beslist mogelijk om jaarlijks zo’n 20.000 adoptieplaatsen te vinden. Er is grote vraag naar.

Af en toe krijg je ook duidelijk de indruk, dat een kind pas door adoptie daar terecht kwam waar het eigenlijk hoort. De biologische ouders leken alleen de poort te vormen, niet de echt gezochte mensen te zijn; dit waren de adoptieouders wel.’

Rudolf Steiner spreekt over twee wijzen van incarneren. Zo zijn er mensenzielen in de geestelijke wereld die her en der op zoek zijn naar een mogelijkheid zich te incarneren. De tweede mogelijkheid laat mensenzielen zien die al lange tijd vanuit de geestelijke wereld verbonden zijn met een erfelijke stroom, bijvoorbeeld reeds vele honderden jaren. Zo iemand bereidt lange tijd zijn incarnatie voor en verschijnt dan op het beslissende moment bij het uitgekozen gezin. Rudolf Steiner zei in een voordracht in 1912 dat dit laatste de regel is. De eerste mogelijkheid besprak hij in 1909. Tegenwoordig kan men de indruk krijgen, dat deze incarnatieweg ook vaker ingeslagen wordt of moet worden, bijvoorbeeld na een abortus provocatus.
Het is mogelijk dat zulke mensen een heel andere verhouding hebben tot hun familieleden dan de mensen die in het speciaal uitgekozen gezin zijn terecht gekomen. De verhouding zal minder diep zijn. Je hoort mensen wel eens zeggen: ‘Ja, ik heb een broer op de Middenweg, maar die man heb ik al dertig jaar niet meer gezien’. En in andere gevallen zie je dat er juist een zeer hechte familieband bestaat, een band die niet alleen te verklaren valt vanuit het louter broer of zuster zijn, maar die samenhangt met een wezenlijke en diepere relatie tussen de mensen. Ik denk dat onverschilligheid tussen mensen uit een familie erop duidt dat een voorgeboortelijke relatie tussen mensen ofwel niet aanwezig, ofwel niet erg nauw was.

De plaats waar je geboren wordt, de ouders, de vrienden, enzovoorts zijn mede bepaald door keuzen die je zelf in het voorgeboortelijke hebt gemaakt. Je kunt je afvragen op grond waarvan die keuzen worden gemaakt. Alhoewel ik wat dit betreft niet uit eigen ervaring kan spreken, is het voor mij toch heel aannemelijk dat je dit moet zien in het licht van de reïncarnatiegedachte: het zijn de ervaringen tijdens vorige levens die je doen besluiten hier of daar te incarneren, deze of gene mensen als het ware op te zoeken. De hier uitgesproken ideeën zijn er om mee te leven. Je kunt ze als werkhypothesen opvatten en toetsen aan de waarneembare realiteit. Je kunt ze als basis voor gedachtengangen gebruiken om ordening in de chaos te brengen, die iedere dag uit de wereld op je afkomt. Ze kunnen je helpen antwoorden op grote vragen te zoeken; licht werpen op existentiële problemen en de moed geven echte oplossingen te vinden.’

De schriftelijke weergave is van Jelle van der Meulen, Jonas 8/9 *14-12-1984

**in 2016 ca. 30.000

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1461

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.