Tagarchief: kind ongeboren

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-4)

.

RONDOM DE GEBOORTE

De meeste ouders hebben goed nagedacht over hun keus voor kinderen. De zwangerschap is dan ook een periode die de aanstaande ouders heel bewust beleven. Dat bij veel ouders ook de behoefte ontstaat om al met het in de buik groeiende kind in contact te komen wekt geen bevreemding. Een gesprek met huisarts Marco Ephraïm en verloskundige Toke Nieuwesteeg over contact met je ongeboren kind, over zwangerschap en geboorte.

Antroposofisch Therapeuticum Aurum, waar huisarts Marco Ephraïm zijn praktijk heeft*, ligt midden in een Zoetermeerse woonwijk. Ook Toke Nieuwesteeg heeft* als verloskundige haar werkgebied hier in het hart van de Zoetermeerse hoogbouw, waar veel jonge gezinnen wonen.
Omdat Ephraïm zelf als ouder heeft ervaren dat je al voor de geboorte contact met je kind kunt hebben, vraagt hij mensen in zijn praktijk die een kind verwachten vaak naar hun belevenissen.

Ephraïm: ‘In het begin dient de zwangerschap zich aan als iets nieuws dat je nog niet kent, waar je hoogstens het gevoel over hebt dat het bij je hoort. Dan ga je ruimte maken voor dat nieuwe, zowel fysiek als geestelijk. Soms verschijnt er in een droom een beeld dat even iets zichtbaar maakt van het kind dat gaat komen. Dat kan de overtuiging versterken dat je geestelijk ruimte moet gaan maken. Vooral bij een eerste zwangerschap ga je meestal door met je oude leefpatroon. Toch is het goed al in een vroeg stadium een aantal rustpunten in de dag in te bouwen waarop je je aandacht even op je kind richt.’

‘Iemand die slaapt ga je niet wakker porren omdat jij zo graag contact wilt’

Naarmate de zwangerschap vordert zal het kind volgens Ephraïm ook fysiek meer ruimte opeisen. ‘Het zal steeds meer opvangen van wat er in de omgeving gebeurt en laat dat door zijn bewegingen merken ook. Als moeder neem je die bewegingen met je tastzin van binnenuit waar, als vader van buitenaf door je hand op de buik te leggen. Het maakt wel uit op welke manier je contact legt: ga je prikken en duwen om de baby uit te lokken tot beweging of probeer je meer luisterend te voelen? Een kind in de baarmoeder slaapt haast voortdurend. Iemand die slaapt ga je niet wakker porren omdat jij zo graag contact wilt. Je kijkt en luistert, raakt hem eventueel voorzichtig aan en wacht of hij zich wil melden of niet.

Als je heel rustig bij een slapend iemand in de kamer staat, kun je soms de gewaarwording hebben dat er iets van degene die slaapt in de omgeving aanwezig is. Zo is dat ook met het ongeboren kind. Het is als een soort stemming om de moeder heen aanwezig. Je bijdrage als vader ligt er vooral in dat je er op dat stemmingsniveau mee zorg voor draagt dat het kind zich welkom voelt.’

Bijna-leven-ervaring

Ephraïm heeft de indruk dat vrij veel moeders rond het moment van de conceptie al een soort ontmoeting hebben met het kind dat gaat komen. ‘Er ontstaat dan een gevoel dat er iemand bij je is die je mag koesteren. Ik noem dat bijna-leven-ervaringen. Maar ook bij vaders kan het ongeboren kind zich aankondigen. Dat contact kan op allerlei niveaus plaatsvinden. Als je een aandachtige, ruimte scheppende houding hebt, meldt zich eigenlijk altijd wel iets.’

Toke Nieuwesteeg: ‘Contact kun je ook leggen door te praten met je kind.

Moeders die last hebben van het getrappel van de baby in hun buik, raad ik aan hem een sprookje voor te lezen. Vaak word ik dan een beetje uitgelachen. Maar als je het doet, merk je dat het helpt. De baby valt ervan in slaap. Ook vaders kunnen voorlezen. Sprookjes passen wat stemming en kwaliteit van de beelden betreft beter bij het ongeboren kind dan verhaaltjes over de dingen van alledag. Bovendien is het handig als je de sprookjes nu vast doorleest, want later als je kind groter is, zul je ze toch ook moeten vertellen. Liedjes zingen kan ook. Er zijn allerlei CD’s met muziek voor ongeboren baby’s in de handel, maar echt contact  ontstaat alleen als je je eigen stem gebruikt.’

‘Sprookjes passen beter bij het ongeboren kind dan verhaaltjes over dingen van alledag’

Marco Ephraïm: ‘Dat geldt ook voor de stem van de vader. De baby neemt de stem van zijn vader zelfs nog beter waar dan die van zijn moeder, omdat lage tonen beter geleid worden door het vruchtwater. Het maakt ook uit of de ongeboren baby de stemmen van zijn ouders hoort omdat die met elkaar spreken, of dat ze zich rechtstreeks tot hem wenden. In dat laatste geval schijnt dat een grotere stemherkenning te geven na de geboorte.’

Rondom de geboorte

Twee keer per jaar geeft* Toke Nieuwesteeg de cursus ‘Rondom de geboorte: op weg naar de aarde’. In deze cursus voor aanstaande ouders bespreekt zij, samen met een verpleegkundige, alles wat met zwangerschap, geboorte en het eerste levensjaar van de baby te maken heeft. ‘Overigens spreek ik liever over geboorte dan over bevalling. De moeder bevalt, maar het kind wordt geboren. Bij de geboorte zijn twee mensen betrokken die allebei iets moeten doen. Als je tijdens de zwangerschap hebt gepraat met je kind of voor hem hebt gezongen en als je bijvoorbeeld bij de zwangerschapsyoga hebt leren “hummen”, dan kun je daarmee jezelf en je baby tijdens de ontsluiting goed helpen. De weeën zijn een soort massage voor de baby. Ze bereiden als het ware de eerste fysieke ademhaling van je kind voor. Als je zo naar de weeën kunt kijken, dan ga je ook anders met de pijn om.’

‘Er is tijdens de geboorte een moment dat ik heilig vind. Dat is het moment vlak voor de eerste perswee. Tijdens de ontsluiting is het kind steeds verder naar beneden gegaan. Nu moet het naar buiten, en dan merk je dat er een ogenblik van terughouding is. Die eerste perswee laat even op zich wachten. Ik denk dat er op dat moment iets heel belangrijks gebeurt. Om dat te ervaren moet je tijdens de bevalling niet te onrustig zijn en niet te veel praten. Mijn man kan zich niet voorstellen dat ik ooit mijn mond houd, maar tijdens een bevalling ben ik zo stil mogelijk.’

Toke legt het kindje na zijn geboorte altijd op de buik bij de moeder. ‘Dat is toch de warmste ondergrond die er is en daar kijk ik de baby ook na.’ Over het algemeen doet zij de baby niet in bad. ‘Zeker de eerste vier dagen is dat gewoon niet nodig. Een kind verweekt in het badwater, terwijl het juist in zijn velletje moet komen.’
Dan wordt het kind gewogen en warm aangekleed. ‘Ik let er altijd op dat de baby de eerste dagen nog geen rompertje aankrijgt. Hij is net door het geboortekanaal heen, dan moet je niet weer iets over dat pijnlijke bolletje trekken. Gelukkig bestaat er sinds kort een soort rompertje dat van boven als een soort overslaghemdje sluit. Vervolgens wikkel ik altijd de beentjes in een omslagdoek. Gewikkeld kunnen baby’s het niet koud krijgen maar wel hun eigen beentjes en voetjes voelen en zo hun eigen grenzen verkennen. Als er geen therapeutische indicatie is voor langer of steviger wikkelen, bijvoorbeeld omdat het kind erg onrustig is, adviseer ik om de eerste zes weken de beentjes te wikkelen.’

‘Een baby heeft na de beslotenheid van de baarmoeder behoefte aan een klein plekje. Liever een wiegje dan een ledikantje. Toke Nieuwesteeg: ‘Gelukkig zijn de hemeltjes weer terug, maar je kunt ook gewoon een dunne zijden doek over een stok boven de wieg hangen. Dekbedjes worden tegenwoordig afgeraden, maar wollen dekentjes of een schapenvachtje zijn uitstekend. Een wollen mutsje is belangrijk omdat het hoofdje van de baby een derde deel van zijn lichaam uitmaakt. Het is goed om die hersentjes, die zo hard groeien, warm te houden. Bovendien dempt een mutsje ook de geluiden een beetje. Let er wel op dat de muts niet te groot is. Het voorhoofd moet bloot blijven om als thermostaat te kunnen werken. Je baby voelt zich er meestal erg behaaglijk in. En een baby die het aangenaam warm heeft, heeft meer zin om te leven.’

Naar buiten

‘Als een moeder vraagt wanneer ze met de baby naar buiten mag, zeg ik: kijk goed naar je kind. Als je hem oppakt en merkt dat hij nog niet kan focussen, wil hij nog niet naar buiten, maar rustig in zijn bedje liggen of dicht tegen jou aan zijn. Heel geleidelijk groeit hij iets van je af. Met een week of vijf zes gaat hij kijken en lachen. Dan vindt hij het leuk om naar buiten te gaan en de wereld te ontmoeten. Ik begrijp natuurlijk wel dat het niet zo makkelijk is om je baby zes weken binnen te houden. Dus als je je peuter naar het klasje brengt en de baby moet mee, leg hem dan meteen na de voeding, met zijn jasje aan en zijn muts op, in de kinderwagen. Dan hoef je alleen nog maar een dekentje over hem heen te doen. Leg bij koud weer het dekentje buiten tot over zijn neus zodat hij tot lichaamstemperatuur verwarmde lucht inademt. Thuis haal je alleen het dekentje weg en laat je de baby in de wagen tot het weer voedingstijd is. Zo verstoor je zo min mogelijk zijn ritme.

Wat betreft het ritme van de borstvoeding vind ik dat je de eerste dagen de borst kunt aanbieden wanneer de baby erom vraagt. Daarna kun je naar een ritme van tweeënhalf of drie uur streven. Als je er zelf goed tegen kan, kun je de baby natuurlijk voortdurend blijven voeden als hij daarom vraagt, maar ik vind dat je ook wel eens nee moet kunnen zeggen. Als een baby erg veel huilt, helpt het overigens meestal niet om hem telkens te voeden. Omdat hij te moe is zal hij weinig drinken, daardoor weer te vroeg wakker worden en zo kom je snel in een vicieuze cirkel terecht. In dat geval zou je kunnen proberen je baby helemaal in te wikkelen** of hem in een draagzak bij je te dragen. De eerste acht weken draag je een baby aan je hart, het liefst in je armen, daarna verhuist hij van je hart naar je rug, zodat je je handen vrij hebt.’ **

Wikkelen

Het wikkelen of bakeren is een oeroude manier van babyverzorging. Voor baby’s die veel huilen, die hun slaap- en drinkritme niet kunnen vinden, die last hebben van buikkrampjes of van allergische reacties, maar ook voor peuters met bijvoorbeeld inslaapproblemen kan het bakeren een uitkomst betekenen. Door je baby voor het slapen gaan op een bepaalde manier stevig in een doek te wikkelen, voelt hij zich warm en geborgen en voelt hij bovendien zijn eigen begrenzing beter aan. Uit onderzoek is bovendien gebleken dat te vroeg geboren baby’s die gewikkeld te slapen werden gelegd zich fysiek beter ontwikkelen dan kinderen die niet gewikkeld werden.

Consultatiebureau-verpleegkundlge Rla Blom heeft jarenlange ervaring met bakeradviezen. Zij schreef een speciale brochure over bakeren en over alle praktische facetten. Frustreer ik mijn kind niet door het in te pakken? Past bakeren nog wel in de moderne cultuur? Is het wel goed voor de motorische ontwikkeling? Past het bij de richtlijnen in verband met wiegendood? Hoe lang moet je ermee doorgaan? Dat het enthousiasme voor wikkelen toeneemt, blijkt ook uit de ‘troostkoffer’ die het Riagg in Den Haag ontwikkelde voor ouders met ‘huilbaby’s’, waarin ook een wikkeldoek met instructies is opgenomen.

Ria Blom – In doeken gewikkeldinformatie

,

Petra Weeda, Weleda Puur kind *lente 1999 nr.3

.

Voor Steiner begint de mens niet met de geboorte: zijn wezenskern is ‘eeuwig’ en maakt verschillende incarnaties door.
De taak van de opvoeding is o.a. dit op aarde komende wezen te begeleiden.
Algemene menskunde: [1-2]   [1-2-1]   [1-6]   [1-9]   [1-10]

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1646

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – aan het begin van het leven (1-1)

.

Conceptie: leven door de poort van de dood

.
In het eerste college ‘menselijke embryologie’, dat ik jaarlijks* aan medische studenten geef, begin ik de collegeserie met een samenvatting van de gebeurtenissen, die zich afspelen bij de menselijke conceptie (bevruchting). Vaak voel ik in de aanvang een wat afwijzende houding bij de eerste-jaarsstuden-(tes), in de trant van ‘dat weten we allang, daarover zijn we al uitvoerig voorgelicht, dat is niets nieuws meer.’

Ik kan me die houding wel voorstellen in een tijd, waarin het een trend is kinderen zo vroeg mogelijk hier over voor te lichten in vaak erg zakelijke, voor het kind inhoudsloze begrippen. Het mooie, het wonder, is er af.

Ik meen echter de menselijke conceptie in zodanige termen te kunnen beschrijven, dat dit zogenaamde biologische gebeuren weer komt te staan in het perspectief van het oerfenomeen van de ont-moeting. Er ontstaat dan ruimte voor gevoelens van verwondering en het beleven van scheppingswijsheid: het wonder achter de zakelijke feiten. De twijfel of dit ook na het geschreven woord mogelijk is, doet mij wat terughoudend zijn, maar omdat ik zelf iedere keer weer getroffen word door dit verhaal van leven en dood, wil ik het graag proberen.

Laat ik beginnen hoofdrolspeler en -speelster het drama ten tonele te voeren. Om te beginnen is er de zaadcel, de spermatozoo. Met miljoenen tegelijk komen zij vrij: voor een redelijke kans op bevruchting zijn er, onder normale omstandigheden, minstens 100.000.000 nodig! De productie van deze enorme aantallen vindt continu, dag in, dag uit plaats in de manlijke testis (een woord dat mij altijd speelser en lichter voorkomt dan het Nederlandse equivalent teelbal of zaadbal). In de testis is er sprake van een gigantische celdelingsactiviteit, een ware uitspatting van leven die het orgaan bijvoorbeeld zo gevoelig maakt voor de celdodende werking van Rö-stralen. Deze aanmaak wordt gevolgd door een rijpingsproces van enkele weken, dat resulteert in de uiteindelijke spermatozoo, die naar men aanneemt, niet langer dan 2, 3 dagen in leven blijft en dan weer wordt afgebroken. In schijnbaar tegenstrijdigheid daarmee vindt deze uitspatting van celdelingen, van levensactiviteit zijn optimale condities in een koelere omgeving dan de lichaamsholte: 35° C is optimaal. Warmte is nadelig voor de spermatozoenaanmaak. Als de testes, wat bij kinderen soms gebeurt, tijdens de ontwikkeling in de ichaamsholte blijven liggen, komen zij niet tot activiteit, op het moment, dat dat normaliter gebeurt, namelijk bij het begin van de puberteit.

Hoe anders is het gesteld met het vrouwlijk geslachtsorgaan, de eierstok of ovarium. Deze organen liggen wél diep in de buikholte en zijn daar met hun helder witte kleur – die ook de kleur van bijvoorbeeld zenuwweefsel is – een opvallende verschijning. Kennelijk deert de lichaamstemperatuur hun
functioneren niet; integendeel menige vrouw weet uit eigen ervaring dat de eisprong (de ovulatie) met een verhoging van de lichaamstemperatuur gepaard gaat. Het woord stok (afgeleid van het Engelse ‘stock’ = voorraad) duidt erop, dat hier iets – althans bij de vrouw in haar vruchtbare periode – heel anders gaande is dan in de testis, namelijk geen productie van eicellen (oöcyten), maar een voorraad. En wel, een slinkende voorraad.

In tegenstelling tot de spermatozoo worden de eicellen al aangemaakt vóór de geboorte, totdat ongeveer in de 5e maand van de embryonale ontwikkeling van een vrouwelijk individu het maximum van 6.000.000 (onrijpe) eicellen is bereikt. Bij de geboorte zijn er daarvan nog maar hoogstens 2.000.000 over en aan het begin van de puberteit – het moment waarop bij de man de zaadcellenaanmaak begint – is er een nog steeds slinkende voorraad van 40.000 eicellen in een bijna rijpe toestand, in een soort ruststadium verkerend. Eén keer per maand, per cyclus gaan een aantal eicellen met hun rijpingsproces verder, en weer één (of soms ook twee?) daarvan maakt dit af en komt als rijpe eicel (oöcyt) vrij. In het ovarium heerst niet de bruisende activiteit van een enorme celdelingsproductiviteit, maar de rust van een gestaag afstervingsproces.

Eicel 469 maal vergroot
.
Zo begint zich een polariteit af te tekenen. Hoewel beide organen gesitueerd zijn in het stofwisselingsgebied van de mens, maar beide ook elementen bevatten die meer eigen zijn aan de zintuig-zenuwstelsel-pool (zoals het symmetrische voorkomen, de witte kleur), mengen beide organen deze kwaliteiten op een polaire wijze. De testis (harde buitenschil, koele condities) vertoont het bruisende van een stofwisselingsorgaan, het ovarium (weker orgaan, warmere condities) is daarentegen een plaats van een afstervensproces. Polair in zichzelf en polair tegenover elkaar.

A. Spermatozoo. B. Spermatozoo op dezelfde schaal als C. C. Eicel of oöcyt met een krans van voedstercellen.

Het fascinerende van polariteiten is dat zij, juist door hun eenzijdigheden kunnen polariseren, in hun eenzijdigheid verstarren, maar ook zo… vruchtbaar kunnen zijn, als zij elkaar in wisselwerking ontmoeten. Licht en donker: als zij elkaar actief, creatief ontmoeten manifesteren zich op dat grensvlak de kleuren (Goethe). Hoe herkenbaar is dat niet in de menselijke samenleving? Zijn niet juist die ontmoetingen (uiteindelijk) het vruchtbaarst, die plaats vinden tussen twee strijdige karakters, persoonlijkheden, wanneer maar de afstotende krachten tussen de twee polen overwonnen worden? Heeft een ander juist daarom niet zoveel te bieden, omdat hij/zij anders is? Maar tegelijk moeten de afstotende machten, die de polen in hun eenzijdigheid willen doen verkeren, overwonnen worden. Niets is doodser, onvruchtbaarder dan de eenzijdige verstarring, zoals de materialist en de spiritualist die elkaar niet meer kunnen vinden, ont-moeten. Een derde mogelijkheid is de passieve ontmoeting tussen twee polen, het grauwe midden, het compromis. Ook een vorm van eindpunt, de spanning van de ontmoeting, de wisselwerking is eruit. De schemer, ontmoetingspunt van dag en nacht: waar dag in nacht, nacht in dag overgaat, is niet scherp te stellen: beide polen maximaal aanwezig, maar niet in hun eenzijdigheid. Integendeel, beide kwaliteiten gaan op in de schitterende kleuren waarmee de hemel zich tooit: een vruchtbaar breekpunt van tegelijkertijd zijn en niet-zijnde ontmoeting. Maar laat ons teruggaan naar wat spermatozoo en oöcyt ons in deze te vertellen hebben.

De polariteit gaat namelijk nog veel verder op. De spermatozoo is een kleine cel, met een zogenaamde kop van ongeveer 0,005 mm en een ongeveer vijftien keer zo lange staart. Het is een cel die zich middels bewegingen van de staart op eigen kracht kan voortbewegen, liefst tegen de stroom in. Omdat er een vloeistofstroom bestaat van eierstok naar baarmoeder vindt de spermatozoo, tegen de stroom in ‘zwemmend’, zijn weg. Het volume van de spermatozoo is uiterst klein: tijdens het rijpingsproces wordt alle overbodige celmateriaal (‘ballast’) uitgespoten, zodat bijna alleen kern en celwand overblijven, hetgeen een voordeel voor de beweeglijkheid lijkt te zijn. De zaadcel is een uiterst gespecialiseerde cel met een sterk uitgesproken vorm, iets dat ook aangetroffen wordt bij zenuwcellen. Net als deze cellen kan ook een spermatozoo zich niet meer delen dit is het ‘dode’ eindpunt van een gespecialiseerde ontwikkeling. De zaadcel is de actieve, zoekende partner in deze oer-ontmoeting.

Want de eicel, zij wacht. Het is een ronde cel, die daardoor in de vorm weinig gespecialiseerd is en als zodanig meer een representant van het stofwisselingsgebied. De eicel is gigantisch groot: met haar 0,2 mm diameter is zij bijna met het blote oog zichtbaar en behoort daarmee tot de grootste menselijke lichaamscellen. In tegenstelling tot de spermatozoo zien we bij het oöcytrijpingsproces een enorme volumevergrotingstendens: er is juist een grote hoeveelheid cytoplasma (celinhoud) aanwezig. In één eicel gaan tienduizend spermatozoën! Dit grote volume zou men kunnen beschouwen als de bijdrage van de oöcyt om de ontmoetingskans te vergroten; bovendien levert de eicel het celmateriaal voor de eerste stadia in de embryonale ontwikkeling na de conceptie. Heeft de spermatozoo na zijn rijpingsproces en vrijkomen, het vermogen tot deling verloren, de eicel vertoont rond het moment van vrijkomen nog enkele delingen (rijpingsdelingen). (Overigens zijn dit zeer ongelijke delingen: er ontstaat één grote cel en een heel klein celletje, dat nauwelijks celmateriaal bevat, het poollichaampje). De celdeling die zij begint vlak na de ovulatie zal alleen worden afgemaakt indien er sprake is van conceptie en onmiddellijk daarop treden dan de eerste delingen op, die het ontstaan van een vrucht inleiden. De eicel heeft na de ovulatie nog een levensduur van enkele uren tenzij bevruchting optreedt. Ze kan zich niet op eigen kracht bewegen en wordt dan ook passief meegevoerd met dezelfde vloeistofstroom waar de spermatozoo zo actief tegenin zwemt: via de eileider naar de baarmoeder.

Daar zweeft zij: één in getal, groot, rond, passief, met de levenskrachten in haar als het ware ‘op scherp’, wachtend om na de ontmoeting met de spermatozoo vrij te komen. Een wereld van ingehouden rust, in schril contrast van het massale, drukke, actieve gedoe van miljoenen spermatozoën, die in groten getale onderweg afsterven: slechts ‘enkele’ bereiken de eicel. [1]

Zo staan eicel en zaadcel tegenover elkaar ‘ een immense polariteit, waarin dood en leven op zo wonderlijke wijze vervlochten zijn. In gemetamorfoseerde vorm, en elke op volkomen andere manier zijn zaadcel en eicel de topjes van een piramide, eindpunt van een stroom, gedoemd te sterven. Tenzij zij elkaar ontmoeten en juist in deze ontmoeting van maximale eenzijdigheden opgaan en… vruchtbaar zijn: de bevruchte eicel, het ovum, nieuw leven. In de zaadcel en de eicel zijn het manlijke en het vrouwlijke maximaal uitgekristalliseerd, daarom zo eenzijdig, maar juist daarom zo vol mogelijkheden. Zoals in de top van de piramide de hele kracht van het bouwwerk ingesloten zit, maar in concreto niet aanwezig is. Het middelpunt van de lemniscaat. Op dat smalle punt van deze vorm, van de zandloper ontmoeten de beide stromen elkaar. Man en vrouw maken ruimte voor een nieuwe mens. Hun ontmoeten is essentieel daarvoor, hun terugtreden evenzeer: het kind is niet van de ouders, het kan wórden, dankzij die ouders. De levenstroom van aanmaak van eicellen en zaadcellen komt tot stilstand in die ene zaadcel en eicel, en dat kan het startpunt worden van de miljarden celdelingen die daarna aan de vorming van een nieuw menselijk individu zullen bijdragen.

Er is nog een fenomeen waarop ik graag de aandacht wil vestigen. het is een algemeen verbreid idee dat menselijk leven bij de conceptie ‘begint’. Nu kan men vanuit de geesteswetenschappelijke inhouden voldoende beschrijvingen, argumenten aanvoeren, dat dit niet het geval is, maar dat bij de conceptie sprake is van verschijnen van leven in de wereld van de materie. De doelstelling van dit artikel is echter ook te laten zien, dat men waarneembare fenomenen zodanig kan beschrijven en rangschikken, dat er wel degelijk een aansluiting te vinden is tussen deze fenomenen én de realiteiten uit geesteswetenschappelijk oogpunt. Als het ware ontmoetingspunten creëren waar de piramiden van geesteswetenschappelijke beschouwing en natuurwetenschappelijke, materialistische zienswijze elkaar kunnen raken.

Niet meer en niet minder dan voorwaarden tot ontmoeting creëren, de ontmoeting zelf komt dan van buitenaf tot stand, zij ligt niet in de beide stromen besloten. Uit het voorafgaande is dunkt mij voor degene die dat uit, voldoende aanleiding te vinden om te stellen, dat de stelling ‘het leven begint bij de conceptie’, maar zeer relatief is. Er is echter nog een fenomeen waarop ik in deze wijzen wil.

In de weken voorafgaande aan de conceptie vertoont het baarmoederslijmvlies een sterke opbouwende activiteit: het wordt dikker, rijker aan klieren en bloedvaten, etc. Ook gedurende de eerste week na de bevruchting schrijdt dit proces van opbouw, levensactiviteit verder om zo het baarmoederslijmvlies voor te bereiden op de eventuele innesteling van een dan ongeveer zes dagen oud embryo (‘vrucht’). Indien er geen bevruchting en daarmee geen innesteling optreedt wordt het slijmvlies weer afgebroken, hetgeen zich na enige dagen als menstruatie manifesteert. Zo kan men de cyclus van de vrouw beschrijven als een ritmische afwisseling van opbouw en afbraak, van leven en dood. (zie afb.)

voorstelling van de cyclische veranderingen bij de vrouw vóór en na de conceptie: opbouwfase, leven; afbraakfase, dood; blijvende opbouwfase

Wanneer nu conceptie en innesteling optreedt, blijft het baarmoederslijmvlies in de begonnen opbouwfase, alsof voorkomen wordt dat de doodskrachten bezit nemen van dat slijmvlies, waardoor het niet in de afbraakfase komt. Alsof ‘iets’ in dit ritmische proces inhaakt en het leven daarmee vasthoudt, voorkomt dat de levensprocessen tot verval geraken. Zo beschouwt kan men de vraag ‘waar begint het leven dan?’ veranderen in ‘was het leven al niet aanwezig?’ Zoals de eicel ook in zekere zin de vermogens tot celdeling, levensactiviteit in zich opgeslagen had. Daarbij sluit ook de waarneming aan dat de vrouwelijke geslachtscellen zich al in een heel vroeg stadium van de ontwikkeling van een vrouwelijk individu afzonderen en niet meer aan verdere specialisatie etc. deelnemen: het zijn met recht oerkiemcellen.

Ik hoop de conceptie zodanig voor u beschreven te hebben, dat u iets herkent van de enorme indruk die deze oerontmoeting op mij maakt. Een boeiend samenspel van leven en dood, zoals de schemering dat is tussen dag en nacht: een teer evenwicht met enorme ingehouden mogelijkheden.

Tot slot zou ik de vraag willen stellen: waar begint conceptie eigenlijk? Bij de ontmoeting van zaadcel en eicel of al bij de ontmoeting van man en vrouw, of op het moment dat zij de wens tot een kind concipiëren, of nog verder ‘terug’ in realiteiten, waar het zintuiglijke geen toegang heeft? Als een mens uit niets meer ontstaat dan uit klompjes genetisch materiaal, die eenmaal door het toeval samengevoegd, kunnen uitgroeien tot een menselijk individu, dan zal dit ‘leven’ inderdaad beginnen bij de versmelting van zaadcel en eicel. Beschreven zoals hierboven kan menselijk leven evengoed beschouwd worden als een continuüm van inhakende en loslatende geestelijke en materiële grootheden, waarbij een beginpunt moeilijk is aan te geven en hoogstens gesproken kan worden van een verschijningspunt, waar zichtbare en onzichtbare wereld elkaar in hun uitersten raken. De conceptie als een punt waar leven tot bijna stervens toe terugtreedt om (nieuw) leven ruimte te geven.

Of zoals onderstaand gedicht dat in eigen bewoordingen uitdrukt:

Ik zou je een kind willen geven
niet zomaar
een optelsom
van twee soorten genen,
toeval in een zee
van tijd

Maar
een wonder,
zwevend in het veilige blauw
van je schoot

Geworden
geschapen
op dat ene moment,
dat ik was jij
en jij was mij,
wij waren elkaar
en werden
de ander.

 

[1] Ik betreur het, dat op dit moment vaak bij de studenten een weerstand voelbaar is. Het is mij gebleken, dat dat komt, omdat ze denken dat ik met deze beelden voeding geef aan de opvatting dat de vrouw ongelijk zou zijn aan de man.’Ik schilder inderdaad een ongelijkheid, maar als polariteit, die niets van doen heeft met ongelijkwaardigheid. Integendeel: beide polen ontlenen zelfs hun waarde aan elkaar, zij bestaan dank zij elkaar. Deze reactie heeft zeker te maken met het tijdsbeeld, waarin bijvoorbeeld begrippen als ‘actief – passief’ een bepaalde lading hebben gekregen in termen van rolpatronen.
.

Jaap van der Wal, Jonas 17, *20-04-1979
.

Jaap van der Wal 

Meer over embryologie onder ‘ontwikkelingsfasenaan het begin van het leven

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1439

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.